Kamerstuk 29279-428

Verslag van een algemeen overleg

Rechtsstaat en Rechtsorde

Gepubliceerd: 15 mei 2018
Indiener(s): Paul van Meenen (D66)
Onderwerpen: organisatie en beleid recht
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29279-428.html
ID: 29279-428

Nr. 428 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 15 mei 2018

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 18 april 2018 overleg gevoerd met de heer Dekker, Minister voor Rechtsbescherming, en de heer Grapperhaus, Minister van Justitie en Veiligheid, over:

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 februari 2018 met de reactie op het rapport van de procureur-generaal van de Hoge Raad over functioneren OM in relatie tot uitvoering BOPZ (Kamerstuk 25 763, nr. 27);

  • de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 12 februari 2018 met de reactie op verzoek commissie inzake het bericht «Geweld tegen personeel in psychiatrische klinieken vaak onbestraft» (Kamerstuk 25 424, nr. 387);

  • de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 27 februari 2018 met de reactie op verzoek commissie inzake de relatie tussen antidepressiva en agressie (Kamerstuk 29 477, nr. 471);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 1 maart 2018 ter aanbieding van de Veiligheidsmonitor 2017 (Kamerstuk 28 684, nr. 517);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 maart 2018 met de reactie op verzoek commissie om een reactie op het artikel «Is het totaal meer dan de som der delen?» in het Nederlands Juristenblad van 8 december 2017 (Kamerstuk 29 279, nr. 414);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 22 maart 2018 over versterking aanpak matchfixing (Kamerstuk 33 296, nr. 14);

  • de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 april 2018 over de afname celmateriaal voor DNA-onderzoek bij minderjarige veroordeelden (Kamerstuk 31 415, nr. 20).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Van Meenen

De griffier van de commissie, Hessing-Puts

Voorzitter: Van Oosten

Griffier: Hessing-Puts

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Buitenweg, Van Dam, Groothuizen, Van Nispen en Van Oosten,

en de heer Dekker, Minister voor Rechtsbescherming, en de heer Grapperhaus, Minister van Justitie en Veiligheid.

Aanvang 11.03 uur.

De voorzitter:

Goedemorgen, collega's. Bij verhindering van onze vaste voorzitter hebben de collega's het goedgevonden dat ik even als een soort interim-voorzitter fungeer. We zijn bij elkaar gekomen voor het algemeen overleg Strafrechtelijke onderwerpen. We hebben als eindtijd 14.00 uur. Daar houd ik eenieder natuurlijk heel strikt aan. Met collega Van Nispen van de SP heb ik afgesproken dat hij in de gaten houdt dat ook ik me aan alle spelregels houd, want ik zal namens de VVD ook zelf mijn bijdrage leveren. We hebben met elkaar een spreektijd van maximaal vier minuten afgesproken. Ook daar zal ik scherp op letten om te zorgen dat we de eindtijd halen. Ik zou beide bewindspersonen ook willen vragen geen onnodige spoed te betrachten in de beantwoording maar die wel zodanig te doen dat we dit overleg binnen de tijd weten af te ronden en de zorgvuldigheid weten te behouden.

Ik geef in de eerste plaats het woord aan de heer Van Nispen van de SP, voor vier minuten.

De heer Van Nispen (SP):

Dank u wel, interim-voorzitter. Als we kijken naar de Veiligheidsmonitor dan vallen een paar dingen op. Slechts 24% van de slachtoffers van traditionele criminaliteit doet aangifte. Dat is minder dan de jaren daarvoor en dat is zorgelijk. Van cybercrime doet zelfs maar 8% van de slachtoffers aangifte. Wat is er de afgelopen tijd concreet gedaan om de aangifte- en meldingsbereidheid te verhogen? En wat is de verklaring van de Minister voor deze lage aangiftebereidheid? Een van mijn verklaringen, maar ik ben geen wetenschapper, is dat het vertrouwen ontbreekt dat er ook echt iets met aangiften gedaan kan worden bij politie en OM. Meer dan de helft van de aangiftes blijft op de plank liggen, zelfs als er een dader in beeld is. De politie heeft er gewoon te weinig capaciteit voor.

Het moment dat de Voorjaarsnota komt, nadert. Kan de Minister alvast een tipje van de sluiter oplichten? Hoeveel geld komt er in de Voorjaarsnota nou extra bij voor veiligheid? Maar het probleem is eigenlijk veel fundamenteler. Vanmorgen lazen we in De Groene Amsterdammer dat Meld Misdaad Anoniem zich per anonieme tip laat betalen door gemeentes, verzekeraars en netbeheerders. Misdaadmeldingen zijn dus een soort handel geworden. Voor Meld Misdaad Anoniem zelf is dat financiële noodzaak, aldus de directeur. Ze krijgen te weinig geld vanuit de overheid en daarom is deze verkoop nodig. Juridische experts uiten hierover hun bedenkingen.

Vanochtend was er ook een bericht over de opmars van de particuliere recherche. Steeds vaker huren particulieren een privédetective in, omdat de politie nauwelijks nog tijd heeft voor de kleinere criminaliteit. En ook dit heeft risico's, want er zijn bijvoorbeeld veel minder regels dan voor de opsporing door de politie. Maar het fundamentele punt dat ik hier wil maken, de fundamentele vraag, is: is onze opsporing nou aan het vercommercialiseren en waarom staan we dat toe? Wat vindt de Minister van deze ontwikkeling? Vindt hij dit nou wenselijk en deelt hij de zorgen van de SP hierover? Wat is de analyse van de Minister op dit punt?

Dan een heel ander onderwerp: de relatie tussen antidepressiva en agressief gedrag. Er is al geruime tijd discussie in de wetenschap over de vraag of er een verband bestaat tussen bepaalde geneesmiddelen, antidepressiva en geweld. De SP heeft hier in het verleden al herhaaldelijk Kamervragen over gesteld, met vooral als doel de om de bijsluiters bij medicijnen, en dus de waarschuwingen, te verbeteren. Maar weten we nu genoeg over dit moeilijke onderwerp? Vindt de Minister niet dat er nader onderzoek moet komen naar de mogelijkheden om informatie in de bijsluiters te verbeteren en gebruikers en hun artsen te waarschuwen voor bepaalde bijwerkingen als gevolg van medicijngebruik of juist het plotseling staken daarvan. Graag een antwoord op de vraag of er nader onderzoek wenselijk zou zijn.

Dan weer een heel ander onderwerp: matchfixing, een vorm van oplichting. Sterker nog, eigenlijk is het een vorm van georganiseerde criminaliteit, inclusief bedreigingen en intimidatie. En het bedreigt eigenlijk ook de sport als geheel. Als we te weinig doen tegen matchfixing, en het groeit uit tot grote proporties, dan verliezen mensen het vertrouwen in de sport. Dat er een probleem is met manipulatie in de sport staat vast. De verwachting is ook dat het probleem steeds groter zal worden, wat blijkt het Nationaal Dreigingsbeeld 2017 georganiseerde criminaliteit. Hierover heb ik twee vragen. Een: welke belemmeringen zijn er nu nog om informatie en signalen van matchfixing te delen tussen de sportsector, politie, Openbaar Ministerie en kansspelaanbieders en hoe effectief verloopt dat nou in de praktijk? En twee: wanneer is het onderzoek naar een aparte strafbaarstelling van matchfixing naar verwachting klaar? Is de Minister bereid om de Kamer daar dan uit zichzelf over te informeren?

Tot slot, 30% tot 40% van het personeel van psychiatrische klinieken wordt slachtoffer van fysiek geweld. Aangiften worden niet serieus genomen en er wordt te vaak tot sepot overgegaan vanuit de gedachte dat de patiënt toch al vastzit. Maar agressie tegen hulpverleners is natuurlijk onacceptabel en kan niet zonder gevolgd blijven; dat is onrecht richting het personeel. GGZ Nederland zou in gesprek gaan met het OM en politie over onder andere de samenwerking, de communicatie, het medisch beroepsgeheim, passende sancties en sepot. Is hier al meer te vertellen over de uitkomsten hiervan?

Er zou ook worden gekeken naar de pilot van enkele jaren geleden die ervoor zorgde dat zaken niet werden geseponeerd maar behandeld. Waarom is deze pilot, die samenwerking tussen OM, politie en de ggz-instelling niet doorgezet? En hoe zorgen we ervoor dat mensen anoniem aangifte kunnen doen zodat zij niet hoeven te vrezen voor represailles?

De voorzitter:

Eerst nog een vraag van de heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Ik wil reageren op dat laatste punt. De heer van Nispen herhaalt een beetje de standaarddingen die we vaak horen, zoals geen aangifte. Volgens mij ligt het allemaal wel wat genuanceerder. Een van de grote problemen is nu juist dat je vaak te maken hebt met mensen van wie je a priori weet of kunt vermoeden dat ze misschien wel geheel of volledig ontoerekeningsvatbaar zijn. Het gaat vaak om relatief kleine delicten en ze zitten al in een kliniek en dat levert een soort spanning op over wat je vervolgens met die mensen gaat doen. Ga je een heel nieuw persoonlijkheidsonderzoek gelasten of ga je nadenken over de vraag of het nou echt wel allemaal de moeite waard is, omdat ze toch al vastzitten? Hoe kijkt de SP daartegen aan?

De heer Van Nispen (SP):

Ik weet niet zeker of ik de vraag goed begrijp. Waarop ik heb gewezen, en dat komt ook uit de brieven van de Minister, is dat er vaak sprake is van geweld tegen personeel. Ik heb gezegd dat ik het onrecht vind richting het personeel als dat vervolgens zonder gevolgen zou blijven vanuit de gedachte dat zo iemand toch al vastzit. Dus ik vind dat daar wel degelijk iets moet gebeuren. Ik heb vervolgens een paar vragen gesteld omdat de Minister toezeggingen heeft gedaan: we gaan kijken, politie, OM, ggz, we gaan met elkaar in gesprek om te kijken hoe we dat kunnen verbeteren. Er is een pilot geweest die ervoor zorgde dat zaken niet werden geseponeerd maar behandeld. Maar vervolgens is die pilot gestopt. Nou, daarover vraag ik me af hoe dat nou zit en of dat nou de goede werkwijze is.

De voorzitter:

Korte afrondende vraag.

De heer Groothuizen (D66):

Laat ik de heer Van Nispen wat verder op weg helpen, want er staat denk ik iets meer in de brief. Er staat namelijk ook specifiek in de brief dat het probleem is dat je aanloopt tegen de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid of ontoerekeningsvatbaarheid, die natuurlijk bij mensen die in een psychiatrische kliniek zitten redelijk voor de hand ligt. En er staat dat je daar niet altijd en antwoord op kunt geven. Dat roept de vraag op: wil je dan dat hele traject in om dat uit te gaan zoeken of accepteer je soms dat die vraag gewoon boven de markt blijft hangen en dat dat effect heeft op de strafzaak? Ik zou graag aan de heer Van Nispen willen vragen hoe hij daartegen aankijkt.

De voorzitter:

Ten slotte de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik begrijp die vraag wel, want net zoals ik vragen heb gesteld kan de heer Groothuizen deze vragen ook stellen. Maar ik vind dat deze vraag ook meer bij de Minister thuishoort. In zijn algemeenheid kan ik de vraag niet beantwoorden of het inderdaad zo is dat mensen die geweld plegen tegen medewerkers in psychiatrische klinieken, inderdaad per definitie ontoerekeningsvatbaar zijn. Kan dat geweld tegen de medewerkers vervolgens zonder gevolgen blijven? Als dat laatste de veronderstelling zou zijn van de vraag, dan zou ik dat niet voor mijn rekening willen nemen. Ik vind niet dat we kunnen zeggen ... Ik zie het probleem wel, natuurlijk is er vaak sprake van ontoerekeningsvatbaarheid. Maar om dan te zeggen dat we er per definitie niks aan doen omdat iemand toch al vastzit, lijkt me een verkeerd uitgangspunt. Vandaar mijn vraag op dit punt aan de ministers.

De voorzitter:

Dan gaan wij nu door naar mevrouw Buitenweg van GroenLinks. Ook u heeft vier minuten.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, Minister. Of dank u wel, voorzitter. Minister komt later misschien nog wel. Er staan niet zo heel erg veel onderwerpen op de agenda, er zijn niet zo heel veel beleidsstukken om te bespreken. We hebben wel onder andere de Veiligheidsmonitor, maar als ik dan kijk naar de begeleidende brief van de Minister, is dat vooral een opsomming van wat er in die Veiligheidsmonitor staat. Dank voor die samenvatting. Maar wat betekent dit nu voor de Minister, wat wil de Minister hiermee nou gaan doen, wat springt er voor hem zo uit dat hij denkt: daar wil ik nou echt mee aan de slag? Dat is mijn eerste vraag.

De brief waar eigenlijk de meeste informatie in staat, gaat over de matchfixing. Nou, daar zijn dan wel heel veel kantjes aan gewijd. Daar staat dan een heel belangrijk punt dat we recentelijk hebben besproken weer niet in, namelijk Interpol. Interpol wordt hierin wel genoemd, maar er wordt juist fors geld betaald door de UEFA aan Interpol om iets te doen aan matchfixing. Dat sluit ook een beetje aan op de opmerkingen van heer Van Nispen over de commercialisering. Hoe moet ik dat hier lezen en hoe verhoudt zich dat tot alle voorstellen van de Minister en wat was hij daarmee van plan te gaan doen?

De heer Van Nispen had het ook over de tiplijn Meld Misdaad Anoniem, over het feit dat mensen die getuige zijn geweest van een strafbaar feit niet naar de politie willen gaan, maar daarheen gaan. En vervolgens worden de gegevens daar ook weer verpatst aan derden. Soms aan gemeentes, maar soms ook aan private ondernemingen, zoals netbeheerders of verzekeraars. We hebben natuurlijk ook al in de afgelopen dagen de discussie gehad over de Kamers van Koophandel. Ook dan zie je een organisatie die een overheidstaak heeft, waar mensen zelfs verplicht heen moeten gaan om hun gegevens af te geven en dat vervolgens ook daar weer gegevens worden verpatst aan derden.

Ik kijk naar die tiplijn Meld Misdaad Anoniem. Was dat een verrassing voor de Minister? Ik neem aan van niet. Maar wat vindt hij er dan van? En welke eisen wil hij aan die gegevensoverdracht stellen en hoe kunnen burgers zich ertegen verweren? Weten burgers dat ook? Nou ja, wat kunnen de consequenties ervan zijn en welke andere instanties oefenen een zodanige publieke taak uit en verpatsen voor geld de verkregen gegevens?

We praten vandaag ook over de BOPZ. Volgens mij is iedereen het er wel over eens dat het van groot belang is dat geweld tegen hulpverleners wordt tegengegaan. Vaak hebben we het dan natuurlijk over ambulancemedewerkers en politieagenten die geconfronteerd worden met de terreur van de straat. Maar wat doet de overheid als geweldsincidenten in klinieken plaatsvinden door cliënten? Je ziet dat er dan te vaak een te grote terughoudendheid is, maar ook dan natuurlijk is geweld onaanvaardbaar.

Ik las in de brief van de Minister dat het medisch beroepsgeheim in de praktijk de strafvervolging belemmert. Toch vind ik dat ingewikkeld te begrijpen, want het medisch beroepsgeheim beschermt de patiënt tegen het oneigenlijk gebruik van medische gegevens. Een geweldsincident in een kliniek is een eigenstandige gebeurtenis en daarvoor kan iemands gezondheidstoestand wel heel relevant zijn, ook voor de juiste sanctietoemeting. Maar het lijkt mij geen beletsel om toch wel strafrechtelijke stappen te nemen. Kan de Minister dat bevestigen? En waarom zou de kans op vervolging relatief klein zijn? Wat vindt de Minister dat de houding van de politie in dezen zou moeten zijn? Moet het doen van aangiftes worden aangemoedigd? Wat zijn de overwegingen daarbij?

Voorzitter: Van Nispen

De voorzitter:

Er is een vraag van de heer Van Oosten van de VVD.

De heer Van Oosten (VVD):

Mevrouw Buitenweg raakt een interessant thema aan. Ik wilde daar zelf in mijn bijdrage ook kort bij stilstaan, maar dan in het bijzonder bij de brief die bij de stukken zit. Daarin ligt de vraag voor welke informatie de rechter moet hebben om te kunnen beoordelen of iemand opgenomen moet worden in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik vind – ik licht een tipje van de sluier op – dat hij alles moet hebben, dus ook medische gegevens, voor zover relevant, gegevens uit het politiedossier en gegevens uit het strafvorderlijk dossier. Is mevrouw Buitenweg dat, in lijn met wat zij net zei, ook met mij eens?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Het voorstel dat er lag, klonk voor mij vrij redelijk.

De heer Van Oosten (VVD):

Dat voorstel beslaat een aantal pagina's. Dat doet vermoeden dat er misschien wel bedoeld wordt ja te zeggen, maar daar zijn dan toch wel de nodige pagina's voor nodig. Als wij zeggen dat de rechter gewoon moet kunnen beschikken over al die gegevens, medische gegevens voor zover relevant en gegevens uit het politiedossier en het strafvorderlijk dossier, denk ik dat we al een heel eind op weg zijn om het aantal pagina's te beperken tot misschien maar een paar regels, namelijk: de rechter moet gewoon alles weten, dus organiseert u dat dan ook, beste heren bewindspersonen.

Voorzitter: Van Oosten

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Het gaat vooral om dat laatste, want het gaat erom dat een wettelijke grondslag nog ontbrak. Daarin kan dan eerst tijdelijk worden voorzien. Daarna moet iets permanents erin voorzien. Ja dus. Dat zei ik net ook, toch? Een gekkenhuis!

De voorzitter:

U vervolgt uw bijdrage.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik had het net over het geweld tegen hulpverleners. Preventie is natuurlijk het allerbelangrijkste. Deze week werden we weer met de neus op de feiten gedrukt. Volgens de inspectie is de dood van een personeelslid vorig jaar in tbs-kliniek De Kijvelanden te wijten aan een hoge werkdruk en personeelstekort. Kan de Minister daarop reageren? Ziet hij de hoge werkdruk ook als een serieus probleem? Wat veroorzaakt die druk volgens hem?

De Minister is bezig met een veldnorm om ervoor te zorgen dat er meer beveiligde bedden komen. Daar hebben we het vaker over gehad: we moeten ervoor zorgen dat er minder gevaarlijke mensen met verward gedrag op straat zijn. Hoe staat het daarmee? Zal die veldnorm ook een oplossing bieden voor mensen die bereid zijn om vrijwillig behandeld te worden?

Een van mijn beste en oudste vriendinnen werkt in de ggz. Ik heb haar in de loop van de jaren steeds verdrietiger en bozer zien worden, omdat ze steeds minder goed in staat wordt gesteld om de mensen echt te helpen. Ze schreef me afgelopen week een mail als input voor dit AO. Ik zal daar kort iets uit citeren, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, maar echt kort, want u bent ruim over uw spreektijd heen. U brengt nu een soort persoonlijk punt op, waardoor ik het wil toelaten, maar ik heb ook de afspraak die we hebben gemaakt, in het oog te houden, dus echt kort. Twee zinnen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ja. Zij zegt dat het heel moeilijk is om patiënten ... «Zeker als iemand erg vervelend is en bekend met het gedrag in de kliniek, zijn er helemaal geen bedden beschikbaar. Ik ben soms uren aan het bellen om iemand onderdak te krijgen en dat lukt steeds minder goed. Mensen kunnen weken op de wachtlijst staan en vaak draait het dan alsnog uit op een ibs of een rechterlijke machtiging, terwijl ze de mond vol hebben om drang en dwang te voorkomen». En «ze», dat zijn wij. De vraag is: wat wil de Minister dat ik antwoord aan mijn vriendin? Gaat het hier ook om vrijwillige opnames waarvoor het aantal bedden zal toenemen?

De voorzitter:

Dan gaan we door met de heer Van Dam van het CDA.

De heer Van Dam (CDA):

Dank u wel, voorzitter. In de voorbereiding op dit AO is er een slachtofferverklaring tot mij gekomen van een mevrouw die werkzaam is als leidinggevende in de ggz. Die verklaring is onlangs afgelegd in de Rotterdamse rechtbank, tijdens een openbare zitting, dus ik voel mij niet geremd om daaruit te citeren. Deze mevrouw, al veertien jaar werkzaam in een Rotterdamse ggz-instelling, wordt op de stoep van haar kantoor tegengehouden door een cliënt die de baas wil spreken. Hij zet haar een mes op de keel, daarna drukt hij zijn arm zo hard om haar keel dat zij geen lucht krijgt en vervolgens probeert hij haar te steken met het mes, maar omdat ze een stevige, leren jas aan heeft, mislukt dat. Dat ontdekt ze pas later, als ze thuis ziet dat haar jas kapotgesneden is. Haar rust en haar ervaring met mensen in zo'n situatie zijn haar redding geweest, maar ze heeft doodsangsten uitgestaan. Uit haar verklaring: «Ik sta niet alleen als slachtoffer hier voor u, maar ook als professional. Agressie lijkt bij ons werk te horen, maar ik heb hier destijds niet voor getekend. Iedereen heeft recht op een veilige werkplek. Mensen die werken in de ggz staan bekend als sterke persoonlijkheden. Wij voelen een grote verantwoordelijkheid om cliënten te helpen aan hun doelen te werken. Wij zetten ze niet zomaar op straat en we beëindigen niet zomaar de zorg, ook niet als het even minder goed gaat met iemand. Dat is compassie.»

Met dat perspectief heb ik gekeken naar de brief die de Minister heeft geschreven over deze problematiek. Ik lees daarin dat er vooral programma's zijn afgerond en dat er binnenkort een gezamenlijke expertmeeting georganiseerd wordt. Dat vind ik te bleek. Ik zou van de Minister, in samenspraak met de Staatssecretaris van VWS, meer concrete maatregelen willen zien. Dit zijn onderwerpen waar we al jaren over praten, maar waar we op de een of andere manier niet veel verder mee komen. Het gaat dan niet zozeer alleen om het strafrecht, maar ook om maatregelen die bescherming opleveren voor de medewerkers in de ggz, zoals een verplichte overplaatsing van cliënten die zich aan ernstige agressie schuldig maken, standaard en snel zittingen van het OM op locatie en een handelingskader voor het omgaan met ontoerekeningsvatbaarheid. Volgens mij is er meer te regelen dan er nu op papier staat. Graag een reactie van de Minister daarop.

Een aanpalend punt is mensen met verward gedrag; niet meer «verwarde mensen» maar «mensen met verward gedrag». Vanavond vindt er een debat plaats in het VWS-domein. Graag zou ik beide ministers vragen om optimaal in te zetten op het ontlasten van de politie en het gevangeniswezen van mensen met verward gedrag. Binnenkort komen we nog te spreken over mijn initiatiefnota, waarin ik spreek over wijk-GGD'ers. Kunnen de ministers hier ook garanderen dat zij dit afstemmen met VWS en dat zij alles uit de kast halen om onze politie en ons gevangeniswezen optimaal te faciliteren om die druk, die eigenlijk bij de ggz hoort te liggen, met alle problemen die daar spelen, aan te kunnen?

Voorzitter. De SP en anderen hebben al gesproken over Meld Misdaad Anoniem. Ik deel die zorgen. Ik zou de Minister willen vragen – ik kan mij voorstellen dat hij niet meteen het antwoord weet – op korte termijn een brief naar de Kamer te sturen met het antwoord op de vraag hoe dat in elkaar zit.

Tot slot de Veiligheidsmonitor 2017. Ik worstel daarmee. Als je de brieven leest en de cijfers interpreteert, denk je: Nederland wordt alsmaar veiliger. We kunnen bij wijze van spreken binnenkort de politie opheffen; we worden veiliger en veiliger, niet alleen in objectieve aantallen, maar ook in subjectieve beleving. Maar ik hoef de straat maar op te gaan en met willekeurige mensen te praten om te concluderen dat dat niet het beeld is dat de man in de straat heeft. Mijn collega Madeleine van Toorenburg moest deze week nog als reddende engel uitrukken naar Grave om het parochiebestuur aldaar terzijde te staan. Vijf keer was er gestolen uit het offerblok. De mensen stonden op beeld, maar de politie had geen tijd of geen interesse om daar aandacht aan te besteden. Vervolgens kwam reddende engel Madeleine in beeld en had de politie ineens wel die aandacht. Dat is wat engelen kunnen veroorzaken. Maar dat is wel het dilemma waar ik mee zit: dat de cijfers op de een of andere manier niet overeenkomen met de gevoelde ervaring. Zou de Minister daar ook eens op kunnen reflecteren?

Dank u wel.

De voorzitter:

We gaan snel door naar de heer Groothuizen van D66.

De heer Groothuizen (D66):

Van het gekkenhuis van mevrouw Buitenweg naar de reddende engels van de heer Van Dam.

Voorzitter. Ik begin graag met de BOPZ en het delen van gegevens met een rechter als het gaat om dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis. Zoals de procureur-generaal in zijn rapport eind vorig jaar denk ik terecht heeft gesteld, staat het belang van die gegevensverstrekking buiten kijf, gelet op de ervaringen in de zaak-Bart van U. Iedereen is het er wel over eens dat de rechter over alle informatie moet beschikken, maar het delen van die gegevens vereist natuurlijk wel een goede, wettelijke grondslag. De procureur-generaal concludeerde dat er op dat punt nog wel wat problemen waren. Hij zei onder andere dat er alleen maar algemene vangnetbepalingen zijn. Mijn eerste vraag aan de Minister is dan ook: zou het niet netter zijn om specifiek omschreven bepalingen op te nemen in dat kader, mede gelet op de richtlijn gegevensbescherming bij opsporing en vervolging van strafbare feiten, die op ons afkomt?

Daarnaast concludeerde de procureur-generaal dat de wet niet voorziet in een grondslag voor structurele verstrekking van politiemutaties. Daarvoor ligt een oplossing voor, maar zou de Minister kunnen toelichten waarom hij bij die oplossing gekozen heeft voor het machtigingsbesluit en niet voor de eerst voorgestelde algemene maatregel van bestuur? Graag een reactie.

Voorzitter. Net als andere sprekers voor mij maak ik mij wel zorgen over geweld in ggz-instellingen. Uiteraard is een klap geven aan verplegend personeel of een psychiater onacceptabel. Dat is denk ik iedereen wel met elkaar eens. Er doen zich een aantal moeilijkheden voor, zoals het beroepsgeheim en de vrees voor represailles van de dader. Maar ook een gebrek aan overleg tussen politie en Openbaar Ministerie maakt het soms lastig voor mensen. Ik denk dat maatwerk geboden is, want volgens mij is de werkelijkheid op dit vlak wel wat complexer dan alleen maar zeggen dat het moet worden opgepakt. Daar zijn we het denk ik met z'n allen wel over eens. Goed dat de Minister nadenkt over alternatieven voor het strafrecht, want daarin zou de oplossing weleens veel meer gelegen kunnen zijn. Zou de Minister ons op de hoogte willen houden van de voortgang van de besprekingen die ggz, politie en Openbaar Ministerie op dat punt voeren?

Het programma Veilige Publieke Taak is, zo lees ik, gestopt. De regionale aanspreekpunten worden nu node gemist. Het regionale contact tussen politie, OM en ggz leidde tot wederzijds begrip en kan ook knelpunten oplossen. Ziet de Minister het succes van dat soort netwerken? Is hij bereid om daar een nieuwe impuls aan te geven en om te kijken of hij dit probleem toch een beetje kan tackelen?

Voorzitter, dan een heel ander thema: toezicht in de strafrechtketen. Het geheel van toezichtsvormen in het strafrecht lijkt eerder minder dan meer te zijn dan de som der delen. Dat was de best wel harde conclusie uit een artikel in het Nederlands Juristenblad. Er is weinig correctie op onjuistheden die politiemensen begaan, bijvoorbeeld in een proces-verbaal. Ook in vervolgstappen in het strafrecht blijft die fout vaak bestaan. Aan het einde van de rit redt de rechter de zaak dan wel op zitting, maar dat leidt soms ook tot ongemak. Rechters voelen zich soms beknot in hun vrijheid om het Openbaar Ministerie terug te fluiten, gelet op de vrij strikte interpretatie die de Hoge Raad geeft aan het toepasselijke artikel. Mijn vraag aan de Minister is of hij mogelijkheden ziet om die onafhankelijkheid extra te waarborgen. Specifiek over strafbeschikkingen zegt de Minister: daar is wel degelijk toezicht op, want er kan verzet worden aangetekend. Maar in heel veel zaken gebeurt dat niet. Kan de Minister toelichten hoe we het toezicht op strafbeschikkingen moeten zien als mensen niet zelf het initiatief nemen, misschien ook omdat ze de weg om verzet aan te tekenen niet zo goed kennen?

Voorzitter, tot slot op dit punt. Ik zei het al: artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering gaat over deze problematiek, maar wordt wel steeds strikter uitgelegd door de Hoge Raad. In de memorie van toelichting bij het voorgestelde Boek 4 van de modernisering schrijft de Minister dat dat moet gaan veranderen. Dan staat er dat Openbaar Ministerie en opsporingsambtenaren zelf processuele sancties moeten kunnen gebruiken als er sprake is van onrechtmatig handelen, maar dat klinkt wel een beetje als de slager die zijn eigen vlees keurt. Ziet de Minister dat probleem ook? Zo ja, hoe gaat hij dat dan oplossen?

Ik begrijp dat er een vraag is.

De voorzitter:

Ja, precies, mevrouw Buitenweg wil u graag een vraag stellen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik heb een vraag over de ZSM-aanpak. Volgens mij hebben we daar allebei zorgen over en hebben we die al iets breder gedeeld: vaak is er een probleem met het hebben van adequate rechtsbijstand. Vorig jaar hebben we bij de begroting van JenV gezien dat het budget dat voor de rechtsbijstand gereserveerd was, was afgeroomd omdat de organisatie niet op orde was. Wat zijn de ambities van D66 met die rechtsbijstand voor ZSM?

De heer Groothuizen (D66):

Volgens mij heeft u die vraag eerder gesteld en berustte die vraag op een verkeerde aanname, namelijk dat er bij ZSM helemaal geen rechtsbijstand meer was. Dat is volgens mij niet zo, maar dat zal de Minister ongetwijfeld dadelijk kunnen uitleggen; het staat mij wel zo bij, maar ik kan het natuurlijk niet meer precies op de letter terughalen. Voor de rest vind ik – dat heb ik ook al een aantal keren gezegd – dat het vooral aan het Openbaar Ministerie is om ervoor te zorgen dat bij ZSM de juiste mensen op de juiste plek zitten en dat daar voldragen beslissingen worden genomen. Daar heb ik weleens zorgen over, omdat ik zelf gezien heb dat het soms de onervaren jonge mensen waren die heel veel en soms best wel complexe zaken moesten afdoen. Ik heb daar goede woorden over gehoord, maar ik hoop wel dat het in de praktijk ook echt zo wordt uitgevoerd.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ook ik las inderdaad dat het vaak niet de meest ervaren mensen zijn, wat juist in dit geval heel problematisch is. Maar op welke wijze denkt D66 dan tegemoet te kunnen komen aan de zojuist gesignaleerde problemen? Is het alleen een personele kwestie of is er toch ook een andere manier, bijvoorbeeld door die rechtsbijstand daaromheen te organiseren?

De heer Groothuizen (D66):

Volgens mij berust uw vraag over de rechtsbijstand op een verkeerde aanname. Uiteraard vind ik dat ook bij ZSM goede rechtsbijstand geborgd moet zijn. Mensen moeten altijd de mogelijkheid hebben om met iemand te spreken die hen kan wijzen op de consequenties, al is het maar op het feit dat je een aantekening op je strafblad krijgt. Verder is volgens mij de kwaliteit van de beslissing van het Openbaar Ministerie leidend. Uiteraard hebben mensen de mogelijkheid om verzet aan te tekenen – dat is de achtergrond van mijn vraag – maar het punt is natuurlijk dat je dan wél moet weten dat die mogelijkheid bestaat en dat je die stap eventueel wél moet durven zetten. Daar speelt een advocaat natuurlijk een rol in.

De heer Van Dam (CDA):

Ik heb een vraag aan mevrouw Buitenweg.

De voorzitter:

Neem me niet kwalijk, maar dat is niet mogelijk. Dat verhoudt zich niet tot de spelregels hier. U zult dan moeten wachten tot de tweede termijn – voor zover er een tweede termijn komt – en anders heeft u het daarmee te doen. Ik kijk weer naar de heer Groothuizen: wenst hij nog een verdere bijdrage te geven?

De heer Groothuizen (D66):

Zeker, voorzitter. Hoeveel tijd heb ik nog?

De voorzitter:

Een halve minuut.

De heer Groothuizen (D66):

Ik rond snel af met matchfixing, waar meerdere mensen al op hebben gewezen. Ik ben blij dat de ministers ermee aan de slag zijn gegaan. Ook mijn collega Diertens heeft daar in het verleden al om gevraagd. Ik heb nog wel twee vragen. Het lijkt erop dat de aangiftebereidheid in de sportwereld niet altijd even groot is, omdat ze het idee hebben dat zaken niet worden opgepakt. Hoe kijkt de Minister daartegen aan? Ten tweede lees ik in een nogal mistige zin dat «er Europese ontwikkelingen zijn over de strafbaarstelling». Ik ben benieuwd wat dat voor ontwikkelingen zijn en hoever het OM is met een eventueel onderzoek naar die strafbaarstelling.

Dank u wel.

De voorzitter:

Wilde u ook een vraag stellen, meneer Van Nispen, of wilde u mij het woord geven? De heer Van Nispen heeft een vraag aan de heer Groothuizen. Even kijken of dat mag, want u heeft maar twee interrupties. Ja, dat mag nog; dit is uw tweede interruptie. Nee, uw eerste interruptie, pardon.

De heer Van Nispen (SP):

Dat maakt niet uit. De vragen over matchfixing zijn interessant, maar ik heb nog een vraag aan D66 over een heel ander punt. Ik heb zelf de fundamentele vraag over de ontwikkelingen in de opsporing aan de Minister gesteld, maar die vraag zou ik eigenlijk ook aan de heer Groothuizen willen stellen. Vanochtend waren er twee krantenberichten die eigenlijk symbool staan voor een ontwikkeling. Het eerste is dat Meld Misdaad Anoniem tips verkoopt aan gemeenten, verzekeraars en netbeheerders, en het tweede is dat we een toename zien van het aantal particuliere rechercheurs. Beide zijn in mijn ogen riskante ontwikkelingen. Hoe kijkt de heer Groothuizen hiertegen aan? Ziet hij ook een soort trend die je misschien «vercommercialisering van de opsporing» zou kunnen noemen?

De heer Groothuizen (D66):

Ja, die trend zie ik. Ik heb het eerste artikel niet gelezen, maar ik kan heel kort antwoorden: ik ben het eens met de heer Van Nispen. Ik vind dat ook een zorgelijke ontwikkeling. Volgens mij heb ik in een grijs verleden vragen gesteld over privédetectives. Toen kreeg ik terug dat ook zij bakens mogen plakken en dat daar heel veel ruimte voor is, zolang het maar niet stelselmatig is. Ik heb eigenlijk zorgen over al die ontwikkelingen: niet alleen de commercialisering maar zelfs ook de burgeropsporing. Dat is volgens mij een kwestie waar we het eerder over hebben gehad: bijvoorbeeld bij meldpunten waar dit voorkomt. Daar maak ik mij zorgen over. Ik ben het dus eigenlijk helemaal met u eens. Ik vind dat u een terechte vraag op tafel legt.

De heer Van Nispen (SP):

Dat is goed om te horen. Dan gaan we daar zo de Minister over horen. De vervolgvraag die ik daaraan wil koppelen, is de volgende. Meld Misdaad Anoniem verkoopt volgens mij de tips niet voor de lol. Dat doen ze omdat ze heel erg weinig geld hebben. In het verleden is weleens een publiek-private samenwerking ontstaan, maar de directeur zegt in de stukken van vanochtend: we móéten er een soort handel van maken, want anders krijgen we het financieel gewoon niet rondgebreid. Wil de heer Groothuizen ook daarover nadenken: is dit een wenselijk model voor de toekomst of moeten we daar iets aan doen?

De heer Groothuizen (D66):

Er zijn in het leven niet heel veel dingen waar ik niet over wil nadenken, maar wel heel veel dingen waar mijn mogelijkheid om na te denken op een gegeven moment wat beperkt wordt. Misschien is een nog veel fundamentelere vraag: wat vind je ervan dat er dit soort clubs zijn die zich buiten de opsporing bevinden, waardoor je tegen dit soort vragen aanloopt? Wat mij betreft is nog steeds de hoofdregel dat wij een politie hebben, die aan opsporing van strafbare feiten doet. Ik vind het beginsel dat we zo veel mogelijk dáár laten liggen heel erg reëel.

De voorzitter:

Dat lokt een vraag uit bij de heer Van Dam. Dat kan, mits u de vraag aan de heer Groothuizen gaat stellen.

De heer Van Dam (CDA):

Ik sta erom bekend dat ik zaken enorm snel oppak. Volgens mij gaat dat dus lukken. Ik verbaas mij erover dat de heer Groothuizen zo'n aarzeling heeft bij de burger in de opsporing. Juist voor een partij als D66 zijn bijvoorbeeld digitalisering en de zelfstandigheid van mensen van belang. We boeken inmiddels allemaal zelf onze reis bij het reisbureau. Wijst u het echt zo mordicus af dat de burger een rol krijgt in de opsporing?

De heer Groothuizen (D66):

Volgens mij maakt de heer Van Dam niet het onderscheid dat hij wel zou moeten maken, namelijk tussen de rol van burgers bij de opsporing – een rol die volgens mij zo oud is als Methusalem, in de zin dat zij getuigen zijn, dat burgers dingen kunnen signaleren en dat burgers kunnen samenwerken in bijvoorbeeld een buurtapp en allerlei andere initiatieven die ik heel zinvol vind – en de vraag of je vindt dat burgers allerlei bevoegdheden moeten kunnen inzetten die veel verder gaan dan dat. Volgens mij is dat ook de vraag van de heer Van Nispen. In ieder geval zit daar mijn zorg over bijvoorbeeld privédetectives, waarvan ik tot mijn schrik las dat zij bakens onder auto's plakken om te kijken waar mensen naartoe gaan en daar vrij veel ruimte in hebben. Volgens mij zijn dat twee verschillende dingen. Ik bedoel: dan ben je niet mordicus tegen de rol van burgers in de opsporing – dat ben ik zeker niet – maar dan vraag je je wel af of er niet een grens zou moeten zijn aan de bevoegdheden die we willen geven aan mensen die daarvoor niet zijn opgeleid.

De voorzitter:

Afrondend, de heer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):

Volgens mij is het goed dat we in dit verhaal de private opsporing onderscheiden van de burger ín de opsporing, want als ik u goed begrijp, bent u niet zozeer tegen dat laatste en heeft u meer bedenkingen bij de private opsporing. Dat kan ik met u delen. Maar wanneer we naar die Veiligheidsmonitor kijken en ernaartoe willen dat burgers weer meer grip krijgen op hun veiligheidssituatie, zou het volgens mij juist een oplossing kunnen zijn dat ze ook een actievere rol kunnen vervullen in de opsporing. Vandaar dat ik u daarop bevraag.

De heer Groothuizen (D66):

Volgens mij zijn de heer Van Dam en ik het na dit kleine debatje eigenlijk helemaal eens. Dat is precies het onderscheid dat ik ook wilde maken: het is uiteraard prima dat de burger een rol heeft bij de opsporing en dat hij daarin serieus genomen wordt, maar bij private opsporing door commerciële of niet-commerciële partijen heb ik wel mijn vraagtekens.

De voorzitter:

Nu ben ikzelf aan de beurt, maar dat doe ik via de heer Van Nispen.

Voorzitter: Van Nispen

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van Oosten, die zal spreken namens de VVD, voor vier minuten.

De heer Van Oosten (VVD):

Dank u wel. Ik begin met een artikel waar mijn oog op viel, in de NRC. Het staat formeel niet op de agenda, maar is met enige goede wil wel goed in te voegen. De titel is «Mitrailleurs als bouwpakket» en het is echt een schrikbarend verhaal, want het gaat over de situatie dat in Oostenrijk vergunningsvrij wapenonderdelen kunnen worden gekocht. Dat zijn onderdelen van wapens die in Nederland vergunningsplichtig zijn. Die laat je vervolgens per post naar Nederland opsturen, die sleutel je hier in elkaar en dan beschik je over een vuurwapen. Dat roept bij mij een aantal vragen op. Zijn de ministers bekend met deze route? Wat kunnen de bewindspersonen hiertegen ondernemen? Is het noodzakelijk om ook de Wapenwet of de strafrechtelijke bepalingen daaromtrent aan te scherpen om die route waar mogelijk af te snijden? Want dit is natuurlijk een buitengewoon ongewenste ontwikkeling.

Een brief die wel op de agenda staat, ziet op DNA-afname, althans op het voornemen van de Minister om bij minderjarigen niet langer DNA af te nemen. De Minister redeneert namelijk dat we dat bij volwassenen ook niet doen, terwijl het wel een vergelijkbaar misdrijf betreft. Het uitgangspunt dat je het alleen al voor het gemak gelijk moet willen trekken, snap ik wel. Maar als je toch al voornemens bent om aan die wet te gaan sleutelen, dan zou ik zeggen: doe het dan zó dat je in beide gevallen DNA gaat afnemen waar het een vergelijkbaar misdrijf betreft, dus zowel bij de volwassenen als bij de jongeren. Ik lees de brief maar zo dat er een wet aankomt en ik zoek eigenlijk naar de relevantie van de brief in dat opzicht: gaat het erom iets meer comfort te krijgen in de vormgeving van de wet? Welke bedoeling ligt erachter? Áls er dan een wet voorbereid gaat worden, dan zou ik graag meer in het bijzonder willen weten welke strijdigheid met de kinderrechtverdragen die worden genoemd, precies aan de orde zou zijn. Ik mis eigenlijk wel iets in rechtsvergelijkende zin en zou op dat punt wat verdieping willen krijgen. En ik zou ook graag horen of er misschien alternatieven denkbaar zijn.

De heer Groothuizen (D66):

Ik kon het betoog van de heer Van Oosten niet helemaal volgen. Ik begrijp het wel in de zin van het opwaarts bijstellen van bevoegdheden, want dat kennen we natuurlijk van de VVD. Maar volgens mij is het punt nu juist dat aan minderjarigen over het algemeen geen geldboetes worden opgelegd en vaker een taakstraf wordt opgelegd, waardoor ze als het ware sneller in het regime van die DNA-afname terechtkomen. Daar hoor ik de heer Van Oosten eigenlijk helemaal niets over zeggen.

De heer Van Oosten (VVD):

Nee, zo direct zeg ik dat niet, maar het komt er wel op neer. Voor een misdrijf dat hij heeft gepleegd, krijgt een jongere inderdaad een taakstraf opgelegd die korter is dan 40 uur. Bij een volwassene wordt het afgedaan met een geldboete. Ten gevolge daarvan – zo lees ik althans de brief van de Minister – kan een DNA-afname bij die volwassene niet plaatsvinden en bij die jongere wel. De Minister verwijst naar kinderrechtverdragen en zegt: overigens vind ik dat het bij die jongeren weggenomen moet worden. Nou, dat laatste zou ik weleens onderbouwd willen hebben. Ten slotte denk ik: als je het dan gelijktrekt, trek het dan zó gelijk dat je het bij allebei kunt doen als je dat wenselijk acht.

De heer Groothuizen (D66):

Bij strafvorderlijke maatregelen probeer je natuurlijk vaak om datgene wat je doet, af te wegen tegen het belang dat je ermee beoogt: hoe proportioneel is het? Vindt de heer Van Oosten het dan altijd proportioneel om DNA af te nemen? Of ziet hij zelf ook een soort ondergrens, in die zin dat het bijvoorbeeld bij diefstal van een rolletje pepermunt misschien wat gek is om dat te gaan doen?

De heer Van Oosten (VVD):

Daar zou ik dan een uitvoeriger discussie over willen hebben. Er wordt nu vrij gemakkelijk gezegd dat het inderdaad disproportioneel zou zijn, met verwijzingen naar internationale afspraken of iets dergelijks. Maar laten we wel wezen: op dit ogenblik gebeurt het wel. Blijkbaar hebben we dat tot op vandaag níet disproportioneel gevonden. Precies daarover gaat mijn vraag.

Als u mij toestaat, wil ik nu doorgaan met het volgende punt. Een aantal mensen hebben verwezen naar die Veiligheidsmonitor. Ik doe dat met een zekere mate van enthousiasme, want er staan inderdaad goede cijfers in. Ik citeer: minder slachtoffers, minder onveiligheidsgevoelens en meer tevredenheid over de dienstverlening van de politie. We hoeven het niet onder stoelen en banken te schuiven: dat is gewoon zo. Gelijktijdig zijn er ook wel zorgen; dat deel ik met de collega's. In het bijzonder maak ik me zorgen over twee punten. Die wil ik noemen en ik zou heel graag zien dat de bewindspersonen daar echt een ferme slag in gaan slaan: ophelderingspercentages moeten echt omhóóg en het aantal sepots van de zijde van het OM et cetera moet omláág. Ik heb al het een en ander gewisseld met mevrouw Buitenweg over de informatiedeling bij de beoordeling van een rechter rondom de opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik stoei gewoon een beetje met de brief die de Minister daarover heeft gestuurd, want ik vind die niet eenduidig. Laten we nu gewoon afspreken dat de rechter alle informatie krijgt die hij nodig acht. Dat zijn gegevens uit de politiedossiers en gegevens van het OM, maar ook gegevens die noodzakelijk zijn vanuit de medische hoek. Dan weten we allemaal waar we aan toe zijn en dan moet het natuurlijk nog netjes vormgegeven worden.

Ten slotte wil ik afronden met het volgende. We hebben in het regeerakkoord een paar fraaie afspraken gemaakt, onder meer over de voorwaardelijke invrijheidstelling. Ik hoor graag hoe het staat met de uitwerking van die plannen. Dat betreft dus een maximering van de voorwaardelijke invrijheidstelling en het stoppen van het automatisme dat ik daar nu aan lieer. Constant worden we door actuele thema's weer met dat vraagstuk geconfronteerd en dan denk ik: nou kabinet, laten we aan de slag gaan, want we hebben die afspraak al. De tweede afspraak betreft de ondermijningswet. Consequent krijgen we de roep uit Brabant en elders uit het land: jongens, ga aan de slag, want we moeten echt maatregelen treffen. Wanneer mogen we wetgeving op dat punt tegemoetzien?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

U bent aan het eind van uw spreektijd, maar er is nog een interruptie van de heer Van Dam van het CDA.

De heer Van Dam (CDA):

De heer Van Oosten zegt zo makkelijk dat het ophelderingspercentage omhóóg en het andere percentage naar benéden moet. Dat klinkt mooi, maar ik wil hem er graag aan helpen herinneren dat ik bij de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid een motie heb ingediend over direct aangifte kunnen doen, die Kamerbreed is gesteund, behalve door de VVD. Als iemand nu bij de politie komt, dan kan het gebeuren dat hij een week later zijn aangifte mag komen doen. Volgens mij denkt een groot deel van de mensen dan: laat maar zitten. Het begint er toch mee dat je gewoon een goede registratie hebt van wat er mis is in de samenleving, dat je daar een goed verhaal over hebt en dat dit in de cijfers duidelijk is. Zou meneer Van Oosten in het kader van omhóóg en omláág vandaag misschien dan wel die motie ondersteunen, om vooral de aangiftebereidheid van mensen hoog te houden en die te faciliteren?

De heer Van Oosten (VVD):

Dat uitgangspunt wil ik zeker onderschrijven. Ik kan me deze motie niet ogenblikkelijk voor de geest halen. Ik zal haar er nog eens bij pakken en van een kritische beschouwing bezien. De motie is in ieder geval aangenomen. Dit zou de bewindslieden dus niet moeten beletten om daar ook naar te handelen. Dat is volgens mij het voornaamste doel dat we met elkaar hebben, namelijk zorgen dat die ophelderingspercentages inderdaad omhooggaan en dat het aantal sepots omlaaggaat.

De heer Van Dam (CDA):

Ik zal u de motie mailen.

Voorzitter: Van Oosten

De voorzitter:

De bewindslieden hebben behoefte aan een schorsing van een kwartier.

De vergadering wordt van 11.42 uur tot 11.55 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de Minister van Justitie en Veiligheid en daarna aan de Minister voor Rechtsbescherming om de vragen te beantwoorden.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter, dank. Dank ook aan de leden van de Tweede Kamer voor hun vragen. We hebben een groot aantal diverse onderwerpen op de agenda. Die laten zich niet makkelijk onder één noemer vangen. Ik wil dus direct overgaan tot de beantwoording van de vele vragen en niet eerst een uitvoerige spreektekst uitspreken. Collega Dekker en ik zullen ieder de vragen behandelen die op onze eigen portefeuille betrekking hebben.

Ik begin met de brief die ik u heb geschreven over de BOPZ. Daarover heeft de heer Groothuizen een vraag gesteld, specifiek over het feit dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad spreekt van een oplossing via een AMvB maar dat ik kies voor een machtigingsbesluit. Waarom? Voor de aanpassing van de regelgeving heeft de procureur-generaal diverse mogelijkheden geschetst. Eén van die mogelijkheden is het opstellen van een AMvB. Een andere mogelijkheid die de pg noemt voor de verstrekking van politiemutaties, is een convenant. Gelet op het belang van het verrijken van het BOPZ-dossier was het voor mij belangrijk om snel te voorzien in een toereikende grondslag. Een machtigingsbesluit is een adequate grondslag. Het is een tijdelijke oplossing, want zoals u weet, is dit straks met de Wet verplichte ggz definitief geregeld in de wet.

De heer Groothuizen zei dat de basis voor te delen informatie erg breed is en vroeg of dat specifieker kan. De pg bij de Hoge Raad constateert dat voor de meeste verstrekkingen die in het kader van de verrijking van BOPZ-dossiers hebben plaatsgevonden, wel een juridische grondslag bestaat, maar dat die niet specifiek is. In lijn met de aanbevelingen van de pg van de Hoge Raad is en wordt regelgeving aangepast. Naast het machtigingsbesluit op grond van de Wet politiegegevens worden aanwijzingen van het OM in toelichtende zin aangepast. Het gaat om de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Aanwijzing Wet politiegegevens. De aanpassingen van de aanwijzingen zijn bedoeld om het kader en de grondslag voor de verstrekkingen in het kader van de BOPZ-procedure specifieker te beschrijven.

Ik kom bij de diverse vragen over de Veiligheidsmonitor en de aangiftebereidheid. De heer Van Nispen ging met name in op de aangiftebereidheid. Twee jaar geleden is een zeer uitputtend en zorgvuldig onderzoek verricht naar de aangiftebereidheid. De conclusie was toen dat mensen zelf een afweging maken of ze wel of niet aangifte doen. De redenen hebben vaak betrekking op de sociaaleconomische context maar zijn ook delictgebonden. Een andere conclusie die uit dat onderzoek kwam, is dat dé aangiftebereidheid niet bestaat. Daarover hebben wij na mijn aantreden al een keer van gedachten gewisseld in een eerder AO. Ik zet als bewindspersoon in ieder geval in op het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid bij delicten op het gebied van cyber en zeden, omdat daar vanuit maatschappelijk oogpunt echt winst te behalen is.

Mevrouw Buitenweg gaf met betrekking tot de Veiligheidsmonitor complimenten voor de volledigheid van de opsomming, maar vroeg wat we nu eigenlijk gaan doen. Welnu, ik moet zeggen dat de positieve trend die in de Veiligheidsmonitor te zien is, natuurlijk verheugend is maar dat veiligheid nog steeds een belangrijk thema blijft. We blijven dus inzetten op de ingeslagen weg. Het is juist nu, nadat de aantallen een aantal jaren omlaag zijn gegaan, van belang dat de aandacht niet verslapt, want dan bestaat juist de kans dat het toch weer de andere kant opgaat. We moeten ons er heel goed van bewust zijn dat er steeds nieuwe vormen van criminaliteit ontstaan. Ik heb al vaker in uw Kamer gewezen op de toename van met name cybercrime, in allerlei vormen.

De heer Van Dam van het CDA zei dat het niet het beeld van de man in de straat is dat Nederland veiliger is geworden. Dat is natuurlijk een lastig punt, want die cijfers zijn er natuurlijk toch en die zijn wel zoals ze zijn; laat ik het zo zeggen. De Veiligheidsmonitor is een bevolkingsonderzoek waarin onder meer de leefbaarheid van de woonbuurt, ervaren overlast, onveiligheidsgevoelens, ervaringen met veelvoorkomende criminaliteit en het oordeel van de burger over het optreden van de politie worden onderzocht. De Veiligheidsmonitor vraagt naar ervaringen van burgers op het gebied van sociale veiligheid. Ondermijnende nationale en fysieke veiligheid komt daarbij niet aan de orde. Bijna 150.000 personen hebben deelgenomen aan de monitor. De monitor levert wat dat betreft dus informatie op verschillende niveaus: landelijk op het niveau van politie-eenheden, op het niveau van de districten en basisteams en natuurlijk ook op gemeentelijk niveau.

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, is er een vraag van de heer Van Dam, tenzij dit blokje nog niet afgerond is.

Minister Grapperhaus:

Ik ben nog even ...

De voorzitter:

Maakt u het dan even af, want dan kan de heer Van Dam op het totaal reflecteren.

Minister Grapperhaus:

Ik maakte een aanzet om in te gaan op het beeld dat de mens in de straat heeft, maar ik kan me voorstellen dat die wat uitvoerig overkwam op de heer Van Dam. Elk jaar worden de cijfers gepubliceerd van zowel de ontwikkeling van de geregistreerde criminaliteit – het deel van de criminaliteit dat uit aangiften en eigen onderzoek bekend is geworden bij de politie – als slachtofferenquêtes waarin burgers opgeven van welke delicten ze het afgelopen jaar slachtoffer zijn geworden. Die beide publicaties bestaan al een groot aantal jaren en geven, vooral ook in combinatie met elkaar, een goed beeld van de trendmatige ontwikkeling van criminaliteit in Nederland. Op dit moment loopt in opdracht van het WODC nog een onderzoek naar ontwikkelingen in vormen van minder zichtbare criminaliteit, zoals cybercrime, fraude en ook de al vaak genoemde ondermijnende criminaliteit. De resultaten van dat aanvullende onderzoek komen naar verwachting in het voorjaar van 2018 beschikbaar.

De heer Van Dam (CDA):

Eigenlijk is dit een soort vreemde paradox. Die wil ik ook even aan de Minister voorleggen. Iedereen die in het veiligheidsdomein werkt, werkt daar om het veiliger te maken in Nederland. Wij spreken over veiligheid vaak in termen van onveiligheid. Dus hoe vaker we erover praten, hoe onveiliger we het met z'n allen misschien maken. Ik bepleit niet een soort publiciteitscampagne, een soort goednieuwsshow, maar ik zit wel te zoeken naar wegen om mensen op het moment dat zij slachtoffer zijn van een misdrijf of wat dan ook, het vertrouwen te geven dat zij nodig hebben. Vandaar dat ik hecht aan de manier waarop je bejegend wordt op het moment dat je slachtoffer bent van een misdrijf. Ik meen dat dat gemiddeld één keer per zeven jaar voorkomt bij een Nederlander. Dan vind ik het van groot belang hoe de reactie van de overheid is. Daarom heb ik bij de begrotingsbehandeling die motie ingediend, die in ruime mate gesteund is. Ik zou de Minister toch nog eens willen vragen om aan te geven hoe hij daar uitvoering aan wil geven. Ik weet dat hij toen over die motie heeft gezegd: verwacht nou niet dat ik de gelegenheid heb om allerlei financiële middelen in te zetten om dat te doen. Dat verwacht ik ook niet van hem. Ik heb toen gezegd dat het bij wijze van spreken ook gaat om het serviceconcept waarmee je als politie slachtoffers benadert. Dan gaat het erom dat je mensen direct een reactie geeft.

Minister Grapperhaus:

Laat ik meteen met de clou van mijn verhaal beginnen. Er komt in juni 2018 een brief naar uw Kamer waarin ik uitgebreider zal ingaan op de dienstverlening op het gebied van aangiften. Dat wil ik meteen alvast gezegd hebben, maar daarnaast wil ik meegeven ...

De voorzitter:

Als u verdergaat, moeten we eerst deze interruptie afmaken, want ook mevrouw Buitenweg wil nog vragen stellen.

Minister Grapperhaus:

Het was een nadere toelichting, maar ik kan het hier even bij laten.

De voorzitter:

De heer Van Dam, maar wel kort.

De heer Van Dam (CDA):

Heel kort. Ik ben heel blij dat die brief komt, omdat het dan niet alleen gaat om de door de Minister genoemde belangrijke onderwerpen – volgens mij zeden en cyber – maar juist ook om de brede criminaliteit, want dat is waar de gemiddelde burger mee te maken heeft. Het zou zo fantastisch zijn als we daar een verandering in die beleving zouden kunnen geven.

Minister Grapperhaus:

Ik denk dat we eerst gewoon die brief moeten afwachten. De politie is echt bezig met het ontwikkelen van een nieuwe visie op dienstverlening, die ook inspeelt op de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen jaren en vooral ook op de behoefte van de burger. Daarnaast zijn er een aantal pilots met melden via WhatsApp en social media webcare. Ik heb daar tijdens werkbezoeken aan politiebureaus kennis mee gemaakt. Er is mij gedemonstreerd hoe dat werkt. Daar zie je dat de politie echt werkt aan het zo laagdrempelig mogelijk maken van dat dienstverleningsconcept. Maar goed, ik zal daar in de brief uitvoeriger op ingaan.

De voorzitter:

Mevrouw Buitenweg nog. Of is de vraag inmiddels beantwoord?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Nee. Ik vind het overigens heel goed dat de Minister zich juist ook zorgen maakt over de zedenaangiften, omdat ik wel degelijk denk dat de gemiddelde burger daarmee te maken heeft maar dan vooral de gemiddelde vrouwelijke burger. Maar mijn vraag ging eigenlijk over de Veiligheidsmonitor en de aangiftebereidheid in relatie tot wat we zien bij het College voor de Rechten van de Mens, want daar is in 2017 het aantal vragen en meldingen over discriminatie met ruim een derde gestegen. Dat is natuurlijk een plek die veel toegankelijker is om melding te maken van discriminatie. Hoe verhouden die cijfers zich volgens de Minister tot elkaar?

Minister Grapperhaus:

Tja, hoe verhouden die cijfers zich tot elkaar? Die vraag vind ik lastig te beantwoorden, ook omdat we, zoals u weet, de discriminatiecijfers van 2017 over enkele weken krijgen. Als het voor mevrouw Buitenweg voldoende is, zou ik eigenlijk in een brief willen ingaan op de vraag hoe die twee zich tot elkaar verhouden.

De voorzitter:

Ik kijk even of dit mevrouw Buitenweg tevreden stemt.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ja, eigenlijk wel, want dan kan daarbij meegenomen worden dat juist een laagdrempelige instelling, zoals het college, misschien tot meer aangiften leidt en welke conclusie wij daaruit zouden kunnen trekken. Als de Minister dat later op die manier wil beantwoorden, lijkt me dat uitstekend.

De voorzitter:

Wanneer denkt u dat die brief komt?

Minister Grapperhaus:

Ook gelet op wat mevrouw Buitenweg daarbij nog even in overweging geeft, wil ik dit onderdeel laten uitmaken van de brief in juni over dienstverlening.

De voorzitter:

In juni wordt dit meegenomen in de brief over de dienstverlening. Dat zeg ik zo, want dan is dit genoteerd bij de toezeggingen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb van de Minister nog niks gehoord waar ik het niet mee eens ben. Bejegening bij de politie is ontzettend belangrijk. De overheid moet er voor je zijn als je slachtoffer wordt van een strafbaar feit, maar ik vind dit nog niet de kern van de zaak. Ik hoor vaak dat mensen zeggen dat ze er geen vertrouwen in hebben dat, als zij de moeite nemen om aangifte te doen, er vervolgens iets gebeurt. We weten dat de helft van de aangiften uiteindelijk op de plank blijft liggen en dat er onvoldoende capaciteit is om daar iets mee te doen, zelfs als er een indicatie is wie de dader zou kunnen zijn. Vanaf wanneer zullen we de situatie bereiken dat er in ieder geval een einde komt aan dat laatste, dus dat zelfs de zaken waarin sprake is van een daderindicatie, niet worden opgepakt?

Minister Grapperhaus:

U vraagt eigenlijk vanaf welk moment het zo zal zijn dat in elke zaak waarin sprake is van een daderindicatie, onmiddellijk actie wordt ondernomen. Dat vind ik een lastige vraag, omdat er altijd zaken zullen zijn waarin de daderindicatie niet eenduidig is of waarin er misschien wel daderindicatie is maar waarin er bepaalde andere onmogelijkheden zijn, bijvoorbeeld doordat de daderindicatie iemand betreft die Nederland heeft verlaten en moeilijk te bereiken is. Ik moet daarover hier dus geen algemene opmerking maken. Ik zou hooguit weer kunnen zeggen dat we in de brief die we gaan versturen over – zo zal ik het maar noemen – de moderne dienstverlening van de politie, waar we het zojuist over hadden, ook iets kunnen zeggen over hoe die dienstverlening zich moet verhouden tot zaken waarin er eenduidige daderindicaties zijn.

De voorzitter:

Gaat u door.

Minister Grapperhaus:

Ik kom bij Misdaad Anoniem.

De voorzitter:

Sorry dat ik zo vervelend ben, maar ik heb zelf in relatie tot de Veiligheidsmonitor een connectie gemaakt met de ophelderingspercentages. Komt dat punt later nog terug of niet? Anders zou mijn vraag zijn wat voor actie we op dat punt mogen verwachten.

Minister Grapperhaus:

Ik kan daar nu ook wel even iets over zeggen, want ik had daar nog iets over staan. Dan doe ik u dus direct een plezier. Eerst even over die ophelderingspercentages. Die gaan ook per delict. Bij verkeer is dat 100, bij moord en doodslag 80. Bij HIC zijn we inderdaad nog niet tevreden. Dat staat ook in het regeerakkoord.

De voorzitter:

HIC is High Impact Crime.

Minister Grapperhaus:

Ja, excuus, High Impact Crime. Dat staat in het regeerakkoord en loopt ook mee in het kwaliteitstraject opsporing. Wat sepots betreft is er een motie aangenomen. Naar aanleiding daarvan doet het OM nader onderzoek naar verdere achtergronden. Zodra dat gereed is, zal ik met een reactie naar de Tweede Kamer komen. Het streven is dat dat rond de zomer zal zijn.

De voorzitter:

Rond de zomer komt er een brief over dat punt rondom die sepots, ook in het kader van de toezegging. Dat ziet niet op de opheldering, want dat is een traject dat apart loopt, als ik het goed begrijp.

Minister Grapperhaus:

Ja.

De voorzitter:

Oké. Dank u wel. Gaat u door met de beantwoording van de vragen.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Ik kom op Meld Misdaad Anoniem. Mijn ministerie geeft jaarlijks 1,1 miljoen euro subsidie voor instandhouding van de meldlijn Misdaad Anoniem. Ik ben daar dus slechts subsidiegever. Er is een raad van toezicht die verantwoordelijkheid draagt voor de stichting NLC. Die stichting heeft geen winstoogmerk. De tarieven die men in rekening brengt, zijn dan ook niet beoogd om winst te maken. De stichting is geen commercieel bedrijf. De tarifering is bedoeld om de kosten te dekken. In die zin is er ook geen sprake van een soort commerciële verkoop van anonieme tips. Dat tarieven per partner en per gemeente verschillen, is historisch gegroeid. Het doel is om dat te harmoniseren. Meldingen worden niet zonder meer naar de partners verstuurd. Alles wordt vooraf gecheckt op feitelijkheden. De ontvangende partijen doen daarnaast ook nog een controle op juistheid. Ik zal in mijn verantwoordelijkheid als grootste subsidiegever overigens met de raad van toezicht spreken over de rationalisering van de nu bestaande praktijken.

De voorzitter:

Er is opnieuw een vraag van mevrouw Buitenweg. Ik maak mevrouw Buitenweg en via haar ook de collega's erop attent dat we in principe twee interrupties hebben, omwille van de tijd. Het is aan u, maar die twee interrupties zijn in beginsel natuurlijk ook wel op de beide bewindspersonen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik zal mijn interruptie er toch aan besteden, omdat ik het idee heb dat de Minister eigenlijk zegt: «Ik heb niet zo veel te maken met dit besluit, want het is een stichting, er is een raad van toezicht, en eigenlijk valt het volstrekt buiten mijn bereik. Ik geef er af en toe een potje subsidie aan en dat is het.» Maar zo zit het natuurlijk niet, volgens mij. De politie roept er vaak toe op om dingen te melden bij dit meldpunt. Er is dus een actieve relatie tussen wat de politie doet – dat valt onder de Minister – en het verzoek om zaken te melden. Dat maakt toch dat het van belang is dat burgers ervan uit kunnen gaan dat er heel zorgvuldig wordt omgegaan met gegevens die zij op verzoek van de politie melden bij zo'n meldpunt, dat zij weten wat de bedoeling is, en dat die gegevens niet ook nog doorgestuurd worden naar allerlei verzekeraars, energieleveranciers en dergelijke, terwijl ze dat niet van tevoren weten? De Minister is ondertussen dingen aan het bespreken, maar ik hoop dat hij dat punt heeft gehoord.

De voorzitter:

Wellicht heeft hij het antwoord besproken. Dat gaan we horen.

Minister Grapperhaus:

Ik was even goed aan het nadenken. Dat doe ik soms hardop, en anderen denken dan mee. Waar het om gaat, is het volgende. Dit is een publiek-private samenwerking waar de politie ook een partner in is. Ik heb alleen maar willen uiteenzetten wat de opzet van deze stichting is. Ik heb aan het slot net gezegd dat ik in mijn verantwoordelijkheid als grootste subsidiegever met de raad van toezicht in gesprek ga over wat ik even de rationalisering van de nu gevoerde praktijk bij de stichting noem. Ik wil u toezeggen dat ik het onderwerp dat u aanroert daar ook op de agenda zal zetten.

De voorzitter:

Afrondend. We hebben eventueel natuurlijk nog een tweede termijn, als u daar prijs op stelt.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

De rationalisering zoals de Minister die eerst uitlegde, was vooral dat alle gemeentes ongeveer hetzelfde bedrag zouden gaan betalen. Het ging daarbij nog niet over de privacy. Het is goed dat de Minister dit meeneemt. Het gaat mij erom dat mensen van tevoren moeten weten waar gegevens voor bedoeld zijn, en dat ze eventueel ook moeten tekenen of dat kenbaar moeten maken als gegevens voor een ander doel gebruikt worden. Vindt de Minister dat ook?

Minister Grapperhaus:

Ik zal de punten die u aanroert toetsen bij de stichting. Ik zeg toe dat ik daar bij de Kamer gewoon op terugkom en verslag doe van dat gesprek. Dat vind ik het meest transparant.

De voorzitter:

Wij noteren als toezegging: er komt een brief met daarin een uiteenzetting over het verloop van het gesprek dat de Minister heeft gevoerd met de raad van toezicht. We gaan naar de heer Van Nispen voor de tweede helft van zijn vorige interruptie. Daar heeft hij inderdaad recht op. Daarna gaan we door naar het volgende blokje.

De heer Van Nispen (SP):

Ja, je moet heel zuinig zijn met je interrupties. Daarom doe ik het even zo. Ik wil slechts de Minister vragen of hij in de nu toegezegde brief ook in wil gaan op de toch wel stevige kritiek van allerlei juridische experts in het uitgebreide artikel in De Groene Amsterdammer op de praktijk zoals die zich heeft ontwikkeld rondom Meld Misdaad Anoniem.

Minister Grapperhaus:

Ik heb op dit moment slechts kennisgenomen van het nieuwsbericht dat in de Volkskrant staat over dat artikel. Ik heb dus nog niet van dat artikel kennis kunnen nemen. Dat wou ik eerst maar gaan doen.

De voorzitter:

Mensen, we hebben afgesproken dat de Minister verslag doet. Het is verder aan de Minister. Ik kan me voorstellen dat hij ons een brief stuurt met een uiteenzetting. Dat is het? Nee?

De heer Van Nispen (SP):

Nee, ik vraag de Minister of hij in de brief die nu toch komt het artikel wil meenemen. Ik raad dat de Minister van harte aan. In de Volkskrant staat een soort samenvatting van het artikel en het onderzoekswerk van De Groene Amsterdammer. Dat is veel uitgebreider. Daarin staat stevige en onderbouwde kritiek van juridische experts. Ik vraag de Minister om daar in de brief ook een reactie op te geven, omdat dat gewoon van belang is voor de verdere afwegingen die we hier moeten maken.

De voorzitter:

We vragen de Minister of dat kan of niet. Dan heeft u het met dat antwoord te doen.

Minister Grapperhaus:

Ik bedoel dit niet flauw naar de heer Van Nispen toe, maar dat lag besloten in mijn antwoord op de vraag van mevrouw Buitenweg. Ik heb toegezegd dat ik in het gesprek met de raad van toezicht van de stichting ook dit onderwerp aan de orde ga stellen, gewoon toetsenderwijs. Het spreekt vanzelf dat ik zo'n gesprek zodanig voer dat ik beslagen ten ijs kom. Zoals ik net al zei, zal ik ook zeker met belangstelling gaan kennisnemen van het volledige artikel in De Groene Amsterdammer.

De voorzitter:

Vervolgt u uw beantwoording.

Minister Grapperhaus:

Dan was er de kwestie van DNA-afname bij veroordeelde minderjarigen. Als ik het goed begrijp, is het voorstel om de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zo aan te passen dat van volwassenen die tot een geldboete zijn veroordeeld celmateriaal moet worden afgenomen in de gevallen waarin minderjarigen tot een taakstraf worden veroordeeld. Als ik dat even goed begrijp, staat dat voorstel volgens mij haaks op de uitspraken van het VN-comité, want het VN-comité heeft geoordeeld dat afname van celmateriaal bij minderjarige veroordeelden en de verwerking van hun DNA-profiel in de DNA-databank niet proportioneel zijn ten opzichte van het legitieme doel van het voorkomen en opsporen van serieuze misdrijven. Als voor het onderhavige voorstel gekozen zou worden, zou die disproportionaliteit in stand blijven en zelfs worden versterkt. Bij dat voorstel zou immers ook voor misdaden waarvoor een geldboete wordt opgelegd celmateriaal van minderjarige veroordeelden worden afgenomen. Dat is naar mijn oordeel niet uitlegbaar aan het VN-comité.

Daar komt bij dat de inzet van bevoegdheden als aanhouding, ophouding en doorzoeking van plaatsen, die op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kunnen worden toegepast, bij lichte sancties niet gerechtvaardigd is. Dat geldt voor zowel minderjarige als meerderjarige veroordeelden. Om aan de bezwaren van het VN-comité tegemoet te komen, heb ik ervoor gekozen om minderjarige veroordeelden alleen bij de lichtere taakstraffen van minder dan 40 uur van de werkingssfeer van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden uit te sluiten. Daarmee wordt het ongewenste neveneffect dat ik in mijn brief daarover heb geschetst, voor minderjarigen weggenomen. Als gevolg daarvan wordt hun DNA-profiel niet meer in alle gevallen in de DNA-databank opgenomen, niet in meer gevallen in de DNA-databank opgenomen, moet ik zeggen, dan bij meerderjarige veroordeelden die voor vergelijkbare feiten zijn veroordeeld.

Dit zijn een aantal rechtsstatelijke argumenten. Dan even een praktisch argument. Het afnemen van celmateriaal van personen waaraan een geldboete is opgelegd heeft grote keteneffecten. Het gaat jaarlijks om circa 50.000 gevallen. De officier van justitie zal dan per geval een besluit moeten nemen over een op te leggen bevel tot het afgeven van celmateriaal. De politie moet het celmateriaal afnemen. Het NFI zal er een DNA-profiel van moeten maken, dat wordt opgenomen in de DNA-databank. Daarbij komt dat degene aan wie bevel wordt opgelegd, bezwaar kan maken tegen opname van het profiel in de databank, wat de administratie extra belast. Dat zou dus tot enorme gevolgen leiden, over disproportioneel gesproken.

De heer Van Oosten heeft nog gevraagd of kan worden ... Nee, sorry, daar heb ik eigenlijk al antwoord op gegeven. In het verband van het voorstel om geen DNA meer af te nemen bij minderjarigen zijn de artikelen 16 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind van belang. Die artikelen regelen het recht van de minderjarige op bescherming tegen willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privéleven. Het VN-comité heeft in twee zaken geoordeeld dat de inbreuk van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer disproportioneel was. Ik ben van oordeel dat dat niet bij iedere inbreuk het geval is, maar wel bij minderjarigen die tot een lichte taakstraf zijn veroordeeld. Dat heb ik net uitvoeriger uiteengezet. Excuus, voorzitter; ik had die antwoorden misschien even in omgekeerde volgorde moeten geven. Maar zo zit ik er in ieder geval wel in.

Voorzitter: Van Nispen

De voorzitter:

Dit leidt toch tot een vraag van de heer Van Oosten.

De heer Van Oosten (VVD):

Dat de Minister dit voornemens is te doen, bleek me wel uit het feit dat we daar natuurlijk een uitvoerige brief over hebben gekregen. Ik snap ook wel waarom de Minister zegt dat hij dat moet doen; dat is dus omdat het VN-Mensenrechtencomité een schrijven heeft gericht aan Nederland met een oordeel. Maar tot op de dag van vandaag doen we het wel bij deze minderjarigen die veroordeeld zijn voor een misdrijf waarvoor een taakstraf wordt opgelegd die korter duurt dan 40 uur. Dat gebeurt nu gewoon. Ik zou dus toch wel wat meer onderzoek willen, gewoon een onderbouwd wetenschappelijk onderzoek, waaruit volgt dat het VN-Mensenrechtencomité inderdaad het recht aan zijn zijde heeft. Ik zou ook wel graag zien dat dat onderzoek wat meer rechtsvergelijkend van aard is, want er zijn natuurlijk veel meer landen die waarschijnlijk met hetzelfde vraagstuk kampen. Hebben alle landen die aangesloten zijn bij dit comité een vergelijkbare opdracht gekregen, of doen wij het anders dan de anderen? Juist ook in opmaat naar het wetsvoorstel dat de Minister voorstelt, stel ik er zo prijs op dat we dat wat duidelijker krijgen. Dat heb ik onvoldoende.

De voorzitter:

Ook de voorzitter mag zijn vragen iets korter stellen. Ik geef het woord aan de Minister.

Minister Grapperhaus:

Dank u, interim-interim-voorzitter. Daarover zeg ik het volgende. Ik ben zelf wel van mening dat wij zeer goed hebben gekeken naar het oordeel van het VN-comité. Ik ga mijn hele verhaal niet weer uitgewerkt voordragen. Ik begrijp uw punt, maar weet u, we hebben heel duidelijk gezegd: oké, we zien daarin geen aanleiding om het over de hele linie toe te passen, maar we vinden wel aanleiding om dat bij lichte taakstraffen niet meer te doen. Ik denk dat ik de rechtsstatelijke argumenten daarvoor uitvoerig uiteen heb gezet. Die hebben we te respecteren. Daarnaast heb ik ook aangegeven dat we, als we dat echt anders zouden gaan doen, in de keten ook een enorme praktijkbelasting opzetten. Als het lid Van Oosten vraagt of ik dat nog een keer verder wetenschappelijk zou willen laten onderzoeken, dan zeg ik in alle eerlijkheid: ik meen echt dat hier ambtelijk een goede inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een inhoudelijk oordeel van het VN-comité. Ik denk dat het in ieder geval beter is om ons nu te gaan richten op de vraag hoe we in de toekomst een aantal andere dingen in de praktijk beter kunnen oppakken, respectievelijk dat wetsvoorstel verder kunnen brengen.

De heer Van Oosten (VVD):

Kort, voorzitter. Over de ongelijkheid tussen jongeren en volwassenen ben ik niet begonnen; daar begon de Minister zelf over. De Minister redeneert alleen: omdat die ongelijkheid er is, trek ik het gelijk, en wel zodanig dat we het bij jongeren ook niet meer doen. Dat doet de Minister door te verwijzen naar het VN-Mensenrechtencomité. Het enige wat ik nou zo graag wil, is het volgende. De Minister zegt: ik denk dat op deze manier de rechtsstatelijke aspecten goed zijn gewaarborgd. Ik constateer gewoon dat we het tot op de dag van vandaag doen zoals we het nu doen. Dan komt die brief van dat Mensenrechtencomité, en dan kan het ineens niet meer. Dat zou ik wel wat nader onderbouwd willen hebben. En doet het buitenland dat dan vergelijkbaar? Die vraag is nog niet beantwoord. Het is maar een eenvoudige vraag, die ik graag bevestigend beantwoord wil hebben van de zijde van de Minister in aanloop naar het wetsvoorstel waar ik hem klaarblijkelijk niet vanaf weet te brengen.

Minister Grapperhaus:

Ik vind dit spijtig. Ik zei net al dat ik op zichzelf wel begrijp dat het lid Van Oosten wat moeite heeft met die uitspraak van het Mensenrechtencomité, maar het is een heldere, afgewogen uitspraak die voor ons ertoe heeft geleid dat we vervolgens een eigen afweging hebben gemaakt. Houden we helemaal op of gaan we nog voor een deel verder? Dat heb ik uitvoerig toegelicht. Ik zie op dit moment niet het belang van het nader uitzoeken daarvan, maar ik wil mezelf best nog wel wat bedenktijd geven tot in de tweede termijn.

Voorzitter: Van Oosten

De voorzitter:

Dit klinkt al een stuk positiever dan aan het begin, maar dat mag ik niet zeggen. We gaan gauw door met de beantwoording van de zijde van de Minister van de aan hem gestelde vragen.

Minister Grapperhaus:

Ik heb een paar dingen. Ik begin met de mitrailleurs als bouwpakket. Het probleem is mij bekend. Ik zal u daarover schriftelijk informeren in het kader van de motie over automatische wapens die mevrouw Van Toorenburg en de heer Arno Rutte hebben ingediend.

De voorzitter:

Wanneer gaat u dat doen? Ik vraag dit even voor de toezeggingen.

Minister Grapperhaus:

Dat moet ik even navragen. Het lid Van Oosten heeft ons enigszins verrast door dit onderwerp hier in te brengen. Dat zei hij zelf ook. Ik moet echt even kijken waar dat ongeveer staat.

De voorzitter:

Ik noteer als toezegging dat de Kamer wordt geïnformeerd per brief over dit specifieke, urgente thema. Gaat u door.

Minister Grapperhaus:

In het kader van de motie van ...

De voorzitter:

In het kader van die motie, ja.

Minister Grapperhaus:

De heer Van Nispen had een vraag over het geld voor de politie in de Voorjaarsnota. Dat is bekend. Daar is 167 miljoen voor beschikbaar gesteld. De eerste 100 miljoen is verdeeld. Dat is diverse keren besproken met uw Kamer in de AO's. Over de rest van het geld ben ik in gesprek met burgemeesters, OM en politie. Daarover zal ik u op afzienbare termijn informeren. Over de Voorjaarsnota kan ik u verder niets zeggen.

De voorzitter:

De vraag van Van Nispen was om hoeveel geld het gaat.

Minister Grapperhaus:

Daar kan ik u helemaal niet over informeren. Dat is mijn antwoord.

De voorzitter:

Dat is uw antwoord.

Minister Grapperhaus:

De heer Van Nispen heeft gevraagd welke belemmeringen er zijn om informatie te delen tussen alle partijen inzake matchfixing. Matchfixing kan alleen bestreden worden door nauwere samenwerking tussen de sectoren sport, kansspel, opsporing en vervolging. Daarvoor moet het gehele spectrum van preventie en signalering tot repressie op orde zijn en dat geldt zowel voor de betaalde sport als de amateursport en zowel voor gokgerelateerde als niet-gokgerelateerde matchfixing. Die samenwerking is inmiddels tot stand gekomen. Partijen weten elkaar te vinden. Ze stemmen ook af. De komende jaren zal dat verder worden uitgebouwd, zowel nationaal als internationaal. Dat heb ik ook in de brief gezet. Verder moeten we blijven inzetten op het terrein van preventie, signalering en repressie.

Waarom is het zo moeilijk om voldoende sterke signalen te krijgen? Welnu, de meldingsbereidheid van matchfixing is zeer laag onder meer uit angst voor repercussies en gevolgen voor de sportcarrière. De signalen die de partners binnen het nationaal platform ontvangen, zijn daarom zachte signalen die niet onmiddellijk aanleiding geven tot strafrechtelijk onderzoek. Daar waar dit wel het geval is, investeren politie en justitie uiteraard de benodigde tijd en onderzoek daarin. Uiteraard wordt er steeds gekeken of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek. Het bekijken van dergelijke signalen in het kader van het voorbereidend justitieel onderzoek is een continu proces.

De informatiecoördinator gaat alle signalen van mogelijke matchfixing, hoe zacht ook, vanuit sport en kansspelen bijeenbrengen en proberen deze signalen zo te verrijken dat ze zich lenen voor verder strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek. Ook zal hij of zij de schakel vormen tussen het Nederlandse platform en de nationale platforms matchfixing in andere landen. De verwachting is dat we met de inzet van die coördinator meer zicht krijgen op de daadwerkelijke omvang van matchfixing in Nederland. De inspanning en capaciteit kunnen we dan vervolgens, als we dat weten, daarop gaan afstemmen. De coördinator wordt aangesteld voor een pilotperiode van twee jaar. Daarna gaan we evalueren.

De heer Van Nispen en de heer Groothuizen vroegen wanneer het onderzoek naar de strafbaarstelling van matchfixing gereed is. Het OM heeft daar nog geen opleverdatum voor bekendgemaakt. Ik zal uw Kamer uiteraard informeren wanneer we die uitkomsten hebben.

Mevrouw Buitenweg vroeg hoe de samenwerking tussen INTERPOL en UEFA zich verhoudt tot de maatregelen van de Minister. De samenwerking tussen de sportsector en de opsporing is van belang voor de bestrijding van matchfixing. De door mevrouw Buitenweg genoemde samenwerking is wat dat betreft een goed voorbeeld van internationale samenwerking tussen sport en opsporing en sluit ook aan op wat ik op nationaal niveau onderneem. De resultaten van de samenwerking tussen UEFA en INTERPOL vinden via politie en KNVB hun weg naar het Nationaal platform matchfixing en het signalenoverleg.

De voorzitter:

Heel kort een interruptie ter specificatie van de vraag. Want ik kan die niet zo direct herhalen als de vraag van Van Nispen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Het gaat erom dat de UEFA INTERPOL ook betaalt. Wat vindt de Minister daarvan?

Minister Grapperhaus:

Daarover heb ik al een brief aan de Kamer geschreven. Ik kan hier in tweede termijn misschien nog even naar kijken, maar ik had uw vraag wel zo opgevat.

De voorzitter:

Eventueel tweede termijn. Nu vervolgt u de beantwoording.

Minister Grapperhaus:

Hoe komt het dat de meldingsbereidheid bij matchfixing vanuit de sport zo laag is? Het blijft ingewikkeld om die signalen boven water te krijgen. Sporters die zich inlaten met matchfixing, melden zich niet graag, want ofwel hun eigen carrière staat op het spel ofwel ze hebben angst voor represailles van de criminelen die achter die fix zitten. Het blijft ingewikkeld om dit boven water te halen en om die reden investeren we de komende twee jaar in die al genoemde informatiecoördinator die moet kijken of hij die signalen beter boven water kan krijgen. Er zijn op dit moment overigens voldoende mogelijkheden om anoniem melding te maken van vermoedens van matchfixing, bijvoorbeeld via de tiplijn van de KNVB, het vertrouwensloket sport en via Meld Misdaad Anoniem.

De heer Groothuizen vroeg of de Kamer kan worden geïnformeerd over de voortgang en de laatste stand van zaken van de Europese strafbaarstelling. Daar wordt op dit moment niet over gesproken. De aandacht gaat momenteel uit naar het bespoedigen van de ratificatie van het verdrag van de Raad van Europa om matchfixing tegen te gaan. Bij het onderzoek naar strafbaarstelling in Nederland zal het OM ook kijken naar de strafbaarstelling van matchfixing in andere landen.

Ik kom dan ten slotte nog op het NJB-artikel over artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Dat heeft de heer Groothuizen aan de orde gesteld. Over het rechterlijk toezicht daarop is veel geschreven, ook kritisch, niet alleen in dat artikel. In het voorstel voor Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt daarom een nieuwe regeling voorgesteld voor processuele sancties op onrechtmatig handelen. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel is uitgebreid ingegaan op de voorstellen tot aanpassing van de regeling. In de kern gaat het hierom: het verbinden van de sancties aan onrechtmatig handelen wordt op grond van het voorstel niet enkel een taak van de rechter, maar ook van de officier van justitie en opsporingsambtenaren. Het optreden van opsporingsambtenaren geschiedt echt onder gezag van het OM. Het OM heeft nu al een verbeterprogramma voor de strafbeschikking. We komen zo nog even op de strafbeschikking. De wet normeert op die manier ook de buitengerechtelijke afdoening, de strafbeschikking. Die komt dus ook in dat wetsvoorstel terug. De voorstellen beogen verder een richtsnoer te bieden voor de gevallen van onrechtmatig handelen waaraan processuele sancties moeten worden verbonden. Dit Boek 4 van het nieuwe wetboek is in november 2017 in consultatie gegaan tot augustus dit jaar. Ik denk dat we daar verder niet op vooruit moeten lopen, maar dat we eerst even de adviezen moeten afwachten.

De voorzitter:

De heer Groothuizen, tenzij dit blokje nog niet af was.

Minister Grapperhaus:

Nou, ik wil nog even ingaan op het toezicht op de strafbeschikking. Maar dat is een ander onderwerp.

De voorzitter:

Ja, dat is een ander onderwerp. Dan toch de heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Ik dank de Minister voor de toelichting van de gedachte bij de nieuwe regeling in Boek 4. Die was mij wel helder. De vraag was alleen of dit niet een beetje leidt tot een situatie waarin de slager zijn eigen vlees aan het keuren is? Want als de politie en het OM hun eigen optreden moeten gaan beoordelen, dan zet dat de deur natuurlijk wel een beetje open en gaan ze daar misschien niet altijd kritisch naar kijken.

Minister Grapperhaus:

Daar begint het al, hè? Het wordt niet enkel een taak van de rechter, maar ook van de officier van de justitie en de opsporingsambtenaar. Ik ben er stellig van overtuigd, juist ook vanwege het verbeterprogramma van het OM, dat het OM daar goed, kritisch mee aan de slag zal gaan in de praktijk. Maar als het al een keer zo zou zijn dat het OM daar toch geen juiste sanctie aan verbindt en de zaak op zitting komt, dan heeft de rechter nog altijd de mogelijkheid om zelf te acteren op grond van de hem of haar opgedragen taak.

De voorzitter:

Afrondend, de heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Volgens mij zit hier wel een knelpunt. Want stel nu dat er ergens in het opsporingsonderzoek grove fouten worden gemaakt en de politie en het OM denken: ja, dat is toch pijnlijk. Dan moet je je eigen vlees gaan keuren of de zaak voorleggen aan de rechter. Maar als ik officier zou zijn – toevallig was ik dat ooit – zou ik niet heel erg genegen zijn om zaken waarin grove fouten zijn gemaakt, onmiddellijk voor de rechter te brengen om daar vervolgens te horen dat ik het verkeerd heb gedaan. Dus de kans dat dat soort zaken de rechter halen, is misschien niet zo heel erg groot. Volgens mij blijven we een beetje met een soort gat zitten.

De voorzitter:

Ik zit allerlei gebaren te maken. Evengoed, de Minister had daar geen last van, want die keek de andere kant op. Dus: de Minister.

Minister Grapperhaus:

Ik weet niet welke gebaren u maakte, maar ik denk niet dat dat verder uitmaakt. Ik zei net al dat het nu in consultatie ligt. Ik denk dat het gewoon goed is om dit punt nog eens verder te bespreken als we de adviezen uit de consultatie hier hebben.

De voorzitter:

Gaat u door.

Minister Grapperhaus:

Tot slot hadden de heer Groothuizen en mevrouw Buitenweg een vraag over de kwestie van het toezicht houden op de strafbeschikking. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft vanuit zijn toezichtsrol rapporten uitgebracht over de strafbeschikking. Uw Kamer is daarover geïnformeerd bij de brief van 27 november vorig jaar. Onder meer naar aanleiding van de bevindingen die daarin staan, zijn er maatregelen getroffen door het OM als onderdeel van het verbeterprogramma Strafvordering OM2020 «OM-strafbeschikking». Een strafbeschikking waarbij schuld aan een strafbaar feit wordt vastgesteld, moet zorgvuldig tot stand komen. De OM-strafbeschikking is door het college van pg's als kritisch proces aangemerkt. Er wordt fors ingezet op verbetering. De voortgang van die verbetering wordt bewaakt met metingen en audits. In dit verband is ook relevant de evaluatie van de Wet OM-afdoening die is gedaan, een verslag over doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk. Die evaluatie komt binnenkort beschikbaar en zal naar uw Kamer worden gezonden. Dan volgt er uiteraard ook een beleidsreactie daarop.

Mevrouw Buitenweg vroeg nog naar de bijstand naar aanleiding van de opmerking van de heer Groothuizen. Er start een traject voor versterking van de rol van de advocaat bij ZSM. Daarover wordt de Kamer in juli 2018 geïnformeerd.

Dat zijn mijn antwoorden.

De voorzitter:

Ik stel voor dat we doorgaan met de Minister voor Rechtsbescherming. Dan kunnen we daarna kijken – daar kunnen we ook eventueel de tweede termijn voor gebruiken – of er vragen zijn blijven liggen. Dat weten we precies als de Minister voor Rechtsbescherming heeft geantwoord.

Minister Dekker:

Voorzitter, dank. Ik dank de woordvoerders voor hun inbreng en ook voor de vragen aan mijn collega, want die zorgen ervoor dat ik in relatieve rust en ononderbroken mijn betoog kan houden.

Voor mij zijn er vier punten. Ik wil beginnen met de vragen over de agressie tegen medewerkers in de ggz, in psychiatrische inrichtingen. In algemene zin is het belangrijk om te zeggen dat we de afgelopen jaren heel veel aandacht, tijd en energie gestoken hebben in het trekken van een streep in het zand tegen agressie in het algemeen, maar in het bijzonder tegen agressie tegen mensen met een publieke taak zoals agenten, ambulancemedewerkers of conducteurs. Daar was het hele programma Veilige Publieke Taak voor opgezet. In het kader daarvan zijn ook eenduidige landelijke afspraken gemaakt over de manier waarop politie en OM de aangifte behandelen. Hetzelfde geldt voor de ggz. Patiënten behoren behandelaars met respect te behandelen en werkgevers moeten zorgen voor een veilige omgeving.

Bij geweld in psychiatrische inrichtingen is er echter sprake van een bijzondere situatie. Patiënten en behandelaars zien elkaar vaak, soms op dagelijkse basis. Degenen die agressie vertonen, zijn eigenlijk per definitie mensen die te maken hebben met een stoornis waarin in veel gevallen de aard van de agressie is gelegen. Dat betekent dat bij het doen van aangifte – daar zal ik altijd voorstander van zijn – gekeken moet worden naar de toerekeningsvatbaarheid. Het is de afspraak om altijd aangifte te doen. Daar moet serieus naar worden gekeken, zodat politie en OM kunnen beoordelen of zij vervolgstappen kunnen zetten. Er moet dus wel bekeken worden waarin de agressie is gelegen. Dat brengt me direct bij het punt dat mevrouw Buitenweg aanhaalde: hoe zit het met de belemmeringen die voortkomen uit het beroepsgeheim? Dat is een van de dingen die dit extra ingewikkeld maakt. De politie en het OM vragen soms aan artsen iets over de patiënt te vertellen voor het afwegen van hun beslissingen over de manier waarop zij verdergaan met een zaak. Is er sprake van directe schuld? Zijn er andere omstandigheden die gelegen zijn in het feit dat iemand in zo'n psychiatrische inrichting is opgenomen? Daar zit dus spanning.

Wat doen we dan wel? Laat ik even de drie dingen langslopen waar we mee bezig zijn. We hadden dus het programma Veilige Publieke Taak. In de tweede plaats is er vanuit VWS het nieuwe actieplan Veilig Werken in de Zorg. Heel specifiek worden er afspraken gemaakt over psychiatrische inrichtingen tussen OM, politie en ggz.

Tussen 2007 en 2016 heeft het programma Veilige Publieke Taak gelopen. Dat is inmiddels afgerond. Mijn collega van BZK heeft uw Kamer daarover in december een brief gestuurd. Daarin staan een aantal afspraken, zoals de standaard aangifte, de verzwarende omstandigheden als het gaat om mensen met een publieke taak en de strafverzwaring die daarbij hoort. Dat is in de nieuwe standaard werkwijze opgenomen. Het feit dat dit programma is afgelopen, betekent niet dat die manier van werken nu plotseling ophoudt. De heer Groothuizen vroeg daarnaar. Het idee van het programma was juist om van deze nieuwe manier van werken het nieuwe normaal te maken. Ik lees ook terug in de brief van BZK dat het netwerk waar de heer Groothuizen naar vraagt, niet per definitie hoeft op te houden te bestaan, maar dat het gewoon wordt voortgezet. Dat geldt in ieder geval voor de eenduidige landelijke afspraken die zijn gemaakt over hoe politie en OM omgaan met de aangiftebehandeling in dit soort zaken. Die afspraken worden op dit moment geëvalueerd. Ik verwacht dat die evaluatie medio 2018 klaar is. Dan kunnen we bekijken of het goed loopt of dat er op specifieke onderwerpen nog iets verbeterd kan worden.

De heer Van Nispen vroeg wat de mogelijkheden zijn om aangifte te doen als je als behandelaar of verpleegkundige in de psychiatrische zorg met geweld te maken krijgt. Juist in de relatie tussen behandelaar en patiënt vinden sommige mensen het bezwaarlijk om een aangifte op naam te doen. Er zijn ook andere manieren om aangifte te doen. De directeur van een instelling kan bijvoorbeeld aangifte doen. Dat heeft als voordeel dat je het allemaal in één hand legt en het overzichtelijk maakt voor de instelling om te zien wat er op jaarbasis rond dit soort incidenten gebeurt. Als ggz-instellingen dit doen, vind ik dat een teken van betrokkenheid en het serieus nemen van een veilige werkomgeving voor de werknemers. Het is een alternatief voor het zelfstandig aangifte doen. Dat kan natuurlijk ook, maar de ggz-instelling zelf kan er dus zeker ook bij betrokken zijn.

De tweede lijn is het lopende actieplan Veilig Werken in de Zorg. Dat is breder. Het is een gezamenlijk actieprogramma van de ministers en de Staatssecretaris van VWS. Zij proberen aan de ene kant om, kijkend naar de vraag in de zorg, de aanleiding en de opleiding, te zorgen voor voldoende mensen, maar het betekent ook dat de mensen die al in de zorg en de ggz werken, het gevoel moeten hebben dat het veilig is, dat ze gewaardeerd worden en dat werkgevers rugdekking bieden als er sprake is van een incident. Dus ondanks het feit dat het programma Veilige Publieke Taak is beëindigd, loopt die werkwijze door en wordt er binnen dit nieuwe programma door VWS aandacht besteed aan het thema veiligheid.

Dan heel concreet de pilot die heeft gelopen met Emergis. Die is interessant. Er zijn goede lessen uit getrokken. De vraag van de heer Van Nispen was waarom die niet is doorgezet. Dat heeft er ook mee te maken dat het een pilot was en dat aan pilots meestal weer een einde komt. Dat betekent niet dat het daarmee ophoudt. Ook daar wordt bekeken wat we kunnen leren. Er zitten positieve dingen in, zeg ik in reactie op de heer Van Dam. De zittingen op locaties hebben aan de ene kant inhoudelijke meerwaarde als een patiënt geconfronteerd wordt met zijn actie en de consequenties ervan, maar het legt aan de andere kant ook een enorm groot beslag op de organisatie en de gevraagde capaciteit. Het OM moet dus bekijken of het haalbaar is om zoiets uit te rollen over Nederland of dat er andere manieren zijn om dit te doen.

Aan welke alternatieven denken we als we zoeken naar dingen die dit soort zaken kunnen vergemakkelijken? Denk bijvoorbeeld aan een betere intake van aangiften met specifiek voor dit soort gevallen aangepaste formulieren of een beter overleg over eventuele sepots en de voorwaarden die daaraan worden verbonden. Voorwaardelijke sepots bieden in de zorg als het gaat om het opleggen van dwangmaatregelen wel mogelijkheden om een stok achter de deur te geven aan de instellingen en te zeggen: dit was eens maar nooit weer; je moet ervoor zorgen dat dit niet meer gebeurt. Een derde alternatief zijn specifieke straffen, waarbij niet alleen het punitieve element naar voren komt, maar ook iets waardoor je aan de andere patiënten laat zien dat iets ontoelaatbaar is. Dat is dus een straf met een meer opvoedend element, bijvoorbeeld een taakstraf in de inrichting zelf. Daar wordt op dit moment over gesproken. Eind 2017 heeft er een eerste constructief overleg plaatsgevonden tussen OM, politie en ggz om te kijken wat er goed gaat en waar nog tegenaan gelopen wordt. Ik zou me kunnen voorstellen dat ik de Kamer in de loop van het najaar verder informeer over wat die gesprekken concreet hebben opgeleverd aan maatregelen die ook elders kunnen worden ingezet.

De voorzitter:

Ik noteer de toezegging dat we nader geïnformeerd gaan worden. Is dat per brief?

Minister Dekker:

Ja.

De voorzitter:

De heer Van Dam gaf al te kennen dat hij een interruptie wilde plegen. Ik weet niet of dat nog nodig is?

De heer Van Dam (CDA):

Ja, ik wil dat toch doen. Ik ben heel blij met zo'n brief. Ik wil de Minister wijzen op het rapport van de VU, de politie en de wetenschap, waar die brief op ligt. Daarin staat dat slachtoffers van geweld in de psychiatrie vooral behoefte hebben aan steun, erkenning en hulp van hun collega's en leidinggevende. Wanneer slachtoffers vermoeden dat het gewelddadige gedrag voortvloeit uit de psychopathologie van de dader en er geen sprake lijkt te zijn van opzet, hebben zij vaak geen behoefte aan een strafrechtelijk vervolg. Ze willen vooral geïnformeerd worden en serieus genomen worden. Ik zie zelf door de bomen het bos niet meer met al die programma's, dus als er een brief komt waarin dit nog eens op een rij wordt gezet – hoe korter, hoe beter – ben ik daar heel blij mee. Ik zou de Minister ook uitdrukkelijk willen vragen om aandacht te besteden aan de begeleiding van dit soort slachtoffers en de informatievoorziening vanuit de casemanagers bij het OM. Ik denk dat het helemaal niet nodig is dat iedereen aan de hoogste boom wordt geknoopt. Ik denk wel dat mensen het idee moeten hebben dat er serieus mee wordt omgegaan en dat als iets niet mogelijk is, dit uitdrukkelijk wordt gecommuniceerd.

Minister Dekker:

Ik ben het helemaal met de heer Van Dam eens dat daar een heel groot deel van de oplossing ligt. De mensen in de zorg zelf, die dagelijks te maken hebben met deze patiënten, weten heel goed met wie ze te maken hebben en dat agressie te maken heeft met de persoon. Daar is iets mee aan de hand in zijn hoofd. Dat is heel wat anders dan kwajongens die in het openbaar vervoer een conducteur in elkaar slaan. Maar word je serieus genomen door je werkgever? Heb je het gevoel dat er oog is voor je pijn en je verdriet als je een keer te grazen bent genomen of als er wat is gebeurd? Slachtoffers lopen vaak tegen het gevoel aan dan alleen te staan. Ik zie wel enige ingewikkeldheden in de strafrechtelijke vervolging, zoals ik net aangaf, maar ik zie geen hobbels als het gaat om goed werkgeverschap voor de mensen die hiermee te maken hebben, voor de slachtoffers van dit soort vormen van geweld. Zij moeten serieus genomen worden en goed behandeld worden. Er moet goed gecommuniceerd worden over hoe men daarmee omgaat. Ik neem dat zeker mee in mijn brief.

De voorzitter:

Vervolgt u de beantwoording.

Minister Dekker:

Van geweld in de ggz-instelling ga ik iets breder naar een aantal vragen die zijn gesteld over verwarde personen en wat we op dat vlak doen. Er is vanavond een plenair debat met mijn collega's Grapperhaus en Blokhuis van VWS, waarin de discussie kan worden gevoerd over de norm rond beveiligde plekken. Dat is echt wel een knelpunt waar wij en de politie tegenaan lopen. Ook vanuit de forensische zorg kijken we daar bezorgd naar. Daar krijgen we namelijk de mensen binnen met een stoornis die soms zelfs een strafbaar feit hebben begaan. Mensen die een sterke stoornis hebben, voor heel veel overlast op straat kunnen zorgen en soms voor zichzelf een gevaar zijn, moeten acuut kunnen worden opgenomen. Als daar geen plekken voor beschikbaar zijn, wordt er in mijn ogen nog weleens te vaak een beroep gedaan op de forensische zorg. Dan rijst de vraag waarom het daar wel geregeld kan worden en niet door de zorgverzekeraars. Dat is echt een punt van aandacht in de gesprekken met de collega's. Ik denk dat daar vanavond uitvoeriger bij stil wordt gestaan. Wij hopen daarover binnen afzienbare termijn met de sector en de zorgverzekeraars afspraken te kunnen maken.

De voorzitter:

Heel kort, mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Alleen ter verheldering. Ik denk dat de Minister zegt dat het ook gaat over vrijwillige opnames. De veldnorm waarover we het hebben, gaat dus niet alleen over gedwongen maar ook over vrijwillige opnames. Voorziet de veldnorm daarin en wanneer komt die precies?

Minister Dekker:

Misschien staat mevrouw Buitenweg mij toe om die vraag door te geven aan mijn collega Blokhuis, voor vanavond. Uiteindelijk is dit namelijk het kader waarover VWS afspraken moet maken. Wij lopen er nu tegen aan dat de politie soms met de handen in het haar zit en dat bij een vraag naar beveiligde bedden ook wordt gevraagd of de forensische zorg er wat mee kan. We proberen vaak met passen en meten wel een beetje te helpen. Maar die taak ligt heel nadrukkelijk op het bordje van de zorgverzekeraars. Zij moeten ervoor zorgen dat in de regio's dit soort plekken beschikbaar zijn voor mensen in in ieder geval het gedwongen kader en wellicht ook in het vrijwillige kader. Dit laatste kunt u het beste vragen aan mijn collega.

De voorzitter:

Gaat u door.

Minister Dekker:

Zien wij nog een rol weggelegd voor de wijk-GGD'er? Dat zit veel meer aan de voorkant. Het antwoord daarop is ronduit: ja. Ik kan daar nu ook al wel wat over zeggen. In navolging van de wijk-GGD'ers in de gemeente Vught zijn, ook met subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, dertien gemeenten gestart met pilots waarin mensen van de GGD in de wijk preventief ingrijpen, overlast beperken en voorkomen en indien nodig bemiddelen naar de juiste zorg. Dit loopt eigenlijk heel goed. Het interessante vond ik zelf dat twee van de wijk-GGD'ers uit Vught recent zijn verkozen tot de meest invloedrijke personen in de publieke gezondheidszorg. Deze pilot gaat dus niet onopgemerkt voorbij.

In het verlengde hiervan vroeg mevrouw Buitenweg of ik kan reageren op het rapport over Kijvelanden, waarover afgelopen week in de kranten werd bericht. Dat is dan wel weer forensische zorg, tbs. Het antwoord is negatief, want ik heb het rapport nog niet ontvangen. Ik begrijp ook van de inspectie dat het nog niet af is. U kunt van mij uiteraard wel een reactie ontvangen wanneer dat rapport klaar is.

Voorzitter. Het derde thema betreft medicijnen en agressie. De heer Van Nispen vroeg of we daar niet meer onderzoek naar moeten doen. Naar de bijeffecten van geneesmiddelen wordt nu natuurlijk al ongelooflijk veel onderzoek gedaan. Voordat geneesmiddelen op de markt komen, moet je met heel grote studies onderzoeken of het medicijn werkt, wat de werkzame effecten zijn maar ook wat de risico's op bijwerkingen zijn, waaronder agressie. In de registratieprocedure beoordeelt vervolgens het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen de balans tussen werkzaamheid en bijeffecten. Bij toelating van de geneesmiddelen tot de Europese markt dienen de risico's opgenomen te zijn in de productinformatie en in de bijsluiters, zodat patiënten en behandelaars goed zijn geïnformeerd. Dat geldt dus ook voor de kans op agressie bij antidepressiva. Daar houdt het dan vervolgens niet op. Ook nadat geneesmiddelen op de markt zijn gekomen, is er aandacht voor eventuele bijwerkingen. Deze kunnen door zorgverleners en gebruikers worden gemeld via een speciaal meldsysteem, dat in Nederland wordt onderhouden door het Nederlandse Bijwerkingencentrum Lareb. Dat analyseert meldingen en rapporteert daarover aan het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, dat bij meldingen ook gegevens van andere Europese lidstaten en de Europese bijwerkingendatabank verstrekt aan het EMA. De heer Van Nispen vroeg eigenlijk om nog aanvullend onderzoek te doen, maar kijkend naar alles wat wordt gedaan op het gebied van onderzoek naar bijwerkingen, zie ik niet onmiddellijk de toegevoegde waarde daarvan.

Tot slot, voorzitter. De heer Van Oosten stelde een vraag over voorwaardelijke invrijheidstelling. Het ging over het ongenoegen dat bestaat over het feit dat het een soort automatisme is geworden dat bij langere straffen een derde van je gevangenisstraf wordt kwijtgescholden, althans dat die tijd in vrijheid wordt doorgebracht. Hij heeft gelijk. Dat gaan we veranderen. We willen daarvan veel meer een individuele beslissing maken, waarbij we ook laten meewegen hoe iemand zich heeft gedragen tijdens de detentie. Sowieso willen we die tijd bekorten: niet standaard een derde, maar maximaal twee jaar. Het wetsvoorstel daarover is in voorbereiding. Ik verwacht dat dat op zeer korte termijn in consultatie kan worden gebracht.

De voorzitter:

Ik begrijp dat we daarmee aan het einde zijn gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Complimenten aan ons allen! We zitten ruim in ons jasje. We hoeven de overige tijd niet geheel te benutten, maar we hebben wel voldoende tijd voor een tweede termijn. Ik wil daar graag de gelegenheid toe bieden, mits daar behoefte aan is. Dat is het geval. Ik maximeer de spreektijd op anderhalve minuut. Laten we onszelf matigen in het plegen van interrupties. Het woord is aan de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb één aanvullende vraag aan de Minister voor Rechtsbescherming. Ik heb meer vragen aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Maar dat maken we volgende week ruimschoots goed in het algemeen overleg over de rechtspraak.

Mijn vraag gaat over de antidepressiva en de medicijnen. Waarom hebben we het in een Justitieoverleg daar zo nadrukkelijk over? Omdat er een, ook wetenschappelijk vastgesteld, verband is met ernstig geweld. Er zouden moorden zijn gepleegd vanwege de nare bijwerkingen van antidepressiva bij individuele personen. Het ingewikkelde is dat het per persoon verschilt wat de bijwerkingen zijn. Ik snap en geloof allemaal wat er op het gebied van de volksgezondheid gebeurt, maar ik heb toch een vraag aan de Minister voor Rechtsbescherming. Ik stel de vraag algemeen: zijn er vanuit het belang van de veiligheid voor ons allen niet mogelijkheden om op individueel niveau nader te onderzoeken of het belang van de veiligheid voor ons allemaal kan worden bevorderd?

Ik kom bij de Minister van Justitie en Veiligheid. We wachten de Voorjaarsnota af. Ik heb sterk in gedachten de beloften die het CDA heeft gedaan over extra geld bij de Voorjaarsnota. Daar gaan we dus eenieder aan herinneren.

Tot slot, voorzitter. De Minister heeft wel het een en ander gezegd over Meld Misdaad Anoniem, namelijk dat ...

De heer Van Dam (CDA):

Ik vraag mij af wat de heer Van Nispen bedoelt met die beloften.

De heer Van Nispen (SP):

Dat leg ik graag uit.

De voorzitter:

Maar dat doet u dan wel kort. U gaat daar niet uitgebreid spreektijd voor gebruiken.

De heer Van Nispen (SP):

O, nee. Ik zou niet durven.

De voorzitter:

Gewoon in een paar seconden.

De heer Van Nispen (SP):

Ik zal gewoon in een paar seconden toelichten dat de fractievoorzitter van de heer Van Dam in de meest recente verkiezingscampagne heeft beloofd dat er extra geld moet komen voor veiligheid. Vervolgens heeft de SP daarover een motie ingediend, om zo een Kameruitspraak daarover te krijgen. Vervolgens zei de engel, namelijk mevrouw Van Toorenburg, de collega van de heer Van Dam, in dat debat: we hebben daarvoor geen motie van de oppositie nodig, want dat regelen we bij Voorjaarsnota. Zo is het letterlijk gezegd in het verslag van het algemeen overleg in de plenaire zaal.

De voorzitter:

Dat leidt tot een afrondende vraag van de heer Van Dam. Ook kort.

De heer Van Dam (CDA):

Ik constateer dat in dit debat niet alleen een engel maar ook een bengel ten tonele is gevoerd. Er is namelijk helemaal geen belofte gedaan. Dat weet u heel goed, meneer Van Nispen. Daarover wilde ik u even bevragen.

De voorzitter:

Dit is geen vraag, maar ik geef de heer Van Nispen wel de gelegenheid om te reageren.

De heer Van Nispen (SP):

Dan levert dit debat wel nieuws op. Die belofte is wel degelijk gedaan. Als de heer Buma uitgebreid op televisie of waar dan ook pleit voor extra geld en vervolgens ...

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dat was voor de verkiezingen.

De heer Van Nispen (SP):

Dat was voor de verkiezingen. Maar als ik de conclusie van de heer Van Dam zo moet opvatten dat wij beloftes van het CDA in verkiezingstijd niet al te serieus moeten nemen, dan kun je je afvragen of dat nog nieuws is. Maar in het debat in de plenaire zaal – misschien was de heer Van Dam daar niet bij, maar we kunnen het allemaal nalezen; collega Buitenweg was daar wel bij – heeft mevrouw Van Toorenburg gezegd: wij gaan dat regelen bij Voorjaarsnota, dus wij hoeven niet te stemmen voor de voorliggende motie van de SP. Als we dat al geen belofte meer kunnen noemen, dan weet ik het ook niet meer.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u uw tweede termijn gewoon netjes afrond. U heeft daar nog vijftien seconden voor.

De heer Van Nispen (SP):

Ja, dit was voldoende over dit punt.

Over Meld Misdaad Anoniem zijn wel wat dingen gezegd. Het is jammer dat de Minister niet heeft toegezegd dat hij zal ingaan op de fundamentele kritiek die door experts is geuit op de huidige werkwijze van het verkopen van de tips, dus op het feit dat misdaadmeldingen handel zijn geworden. Maar ik had een veel fundamentelere vraag gesteld aan de Minister. Ik heb het ook in verband gebracht met het feit dat er een enorme opkomst is van particuliere recherche. Mijn vraag aan de Minister was: ziet hij ook dat er een tendens is dat onze opsporing eigenlijk aan het vercommercialiseren is? Ik verwacht niet dat de Minister nu een uitgebreide beschouwing hierover gaat geven, maar dan vraag ik toch op zijn minst een brief hierover, waarin de Minister aangeeft hoe hij deze ontwikkelingen analyseert en duidt en of hij de zorgen van de SP op dit punt deelt.

De voorzitter:

We gaan door naar mevrouw Buitenweg van GroenLinks.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Eigenlijk heb ik geen tweede termijn. Er worden steeds heel veel beloftes gedaan. En we gaan nog heel veel brieven krijgen. Heel veel beleid zit nog ergens vast, maar is in ieder geval niet tot ons gekomen. Ik wacht dus vol spanning af waarmee de ministers allemaal nog komen.

De voorzitter:

Prima. We gaan naar de heer Van Dam van het CDA.

De heer Van Dam (CDA):

Voorzitter. Ik wil van mijn tweede termijn gebruikmaken om datgene te zeggen wat ik nog tegen mevrouw Buitenweg wilde zeggen. Ik zeg dat maar in zijn algemeenheid. We moeten ervoor uitkijken dat we in dit debat niet dingen door elkaar halen. Een strafbeschikking en ZSM zijn niet hetzelfde. Ik ben overigens blij om te horen dat er een brief komt over de strafbeschikking, omdat we op dat punt best wel heel veel te delen hebben, denk ik. We moeten hier wel nauwkeurig definiëren wat wat is. Dat punt wilde ik nog even maken.

Verder dank ik u. Ook ik kijk reikhalzend uit naar de veelvoud aan brieven die ons is toegezegd. We krijgen het nog druk.

De voorzitter:

De heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Dank u, voorzitter. Ik blijf toch wat worstelen met het toezicht op de opsporing. Ik stel vast, en dat komt volgens mij overeen met wat in het artikel werd geschreven, dat artikel 359 in de praktijk beperkt wordt uitgelegd en vaak niet meer leidt tot sancties. Daar valt ook wel iets voor te zeggen, want je wilt uiteindelijk ook niet dat in een strafzaak mensen profiteren van een fout die in de opsporing is gemaakt. Dat begrijp ik dus wel. Tegelijkertijd constateer ik, zoals mijn buurman terecht ook zei, al is het natuurlijk wel wat breder dan ZSM, dat de OM-afdoening, het feit dat zaken niet meer voor de rechter komen, ook toeneemt. Dan wordt dus ook langs die weg een zekere rechterlijke toetsing op opsporing afgesneden. De Minister schrijft in zijn reactie: we gaan eens kijken of bij politie en OM zelf niet wat meer toezicht kan worden gehouden. Maar dan is volgens mij de slager zijn eigen vlees aan het keuren. Ik zeg dat niet vanuit een soort wantrouwen jegens politie of OM, want dat heb ik helemaal niet, maar meer vanuit het belang dat een integere opsporing cruciaal is. In de rechtspraak wordt heel veel afgedaan op basis van dossiers die het OM aanlevert. Als mensen dat vertrouwen verliezen, dan hebben we echt een fundamenteel probleem. Ik daag de Minister dus uit om dit punt serieus op te pakken en er iets breder naar te kijken dan blijkt uit wat hij net in zijn antwoord aangaf.

Daar laat ik het bij, voorzitter.

Voorzitter: Van Nispen

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van Oosten van de VVD.

De heer Van Oosten (VVD):

Dank, voorzitter. Ik heb drie punten. Naast de vraag over de voorwaardelijke invrijheidstelling had ik nog de vraag gesteld hoe het zit met de ondermijningswet. Kan kort worden aangegeven wanneer we die in behandeling kunnen nemen?

De Minister suggereerde nog terug te willen komen op het punt van de DNA-afname. De indruk moet niet ontstaan als zou ik pleiten voor iets verschrikkelijks. Ik stel gewoon vast dat datgene wat we tot op heden kunnen doen, na de inwerkingtreding van een aangekondigde wet ineens niet meer zou kunnen. Ik voel behoefte aan meer onderbouwing op dat punt. Hoe, bijvoorbeeld, gaat het buitenland om met dit soort vraagstukken? Daar wordt men ongetwijfeld met hetzelfde geconfronteerd.

Wat, ten slotte, de BOPZ – dat wil zoveel zeggen als de gedwongen opname in psychiatrische ziekenhuizen – betreft, stoei ik nog met de vraag of de rechter nu ook mag beschikken over relevante medische gegevens. Ik hoop dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord. In de brief worden gegevens uit het politiedossier en gegevens uit het strafdossier genoemd, maar ik kan me voorstellen dat een rechter ook die medische gegevens van nut kan vinden. Het gaat per slot van rekening over opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Dan lijkt mij juist ook die informatie van nut te zijn.

Hiermee heb ik mijn tweede termijn afgerond.

Voorzitter: Van Oosten

De voorzitter:

Ik kijk of de bewindspersonen meteen tot beantwoording kunnen overgaan. Dat is het geval. Ik geef het woord aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

Minister Grapperhaus:

Ja. Ik moet het juist zeggen, dus richt ik me even tot de vervangende interim-voorzitter: ik ga eerst in op de vraag van het lid Van Oosten over het DNA. Ik benadruk, zoals ik volgens mij ook al een paar keer heb aangegeven, dat de heer Van Oosten helemaal niet «iets verschrikkelijks» voorstelt, zoals hij zich, wellicht retorisch, afvroeg. Laten we daar heel duidelijk over zijn. Het gaat om het volgende. Ik ga nu de Nederlandse rechter citeren. En ik geef daarbij meteen de vindplaats: het gerechtshof Amsterdam, uitspraak 12 september 2017, gepubliceerd op 27 oktober 2017. Het ECLI-nummer zal ik u omwille van de tijd besparen. De kinderrechter zegt over de afname van celmateriaal, het verwerken daarvan en het bepalen van het DNA-profiel: «Bij de meerderjarige die een geldboete krijgt opgelegd kan een dergelijke ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet worden gemaakt. Een dergelijke praktijk acht de kinderrechter in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.» De conclusie is dan: in de gegeven omstandigheden kan een DNA-onderzoek niet worden gerechtvaardigd. Daarna noemt de rechter nog een aantal andere overwegingen, die meer de zaak zelf betreffen. Ik benadruk nog eens dat het VN-comité niet geheel in zijn eentje of uit het niets hiermee is gekomen. Het is een feit dat deze praktijk tot nu toe bestond. Dat is wat het is. Maar het oordeel van het VN-comité en zo'n uitspraak als die ik nu citeer, zijn voor mijn ministerie aanleiding geweest om afgewogen te komen tot een herijking en te zeggen: we doen dit bij minderjarigen niet meer als sprake is van slechts oplegging van lichte taakstraffen.

Voorzitter: Van Nispen

De heer Van Oosten (VVD):

Ik heb de vraag gesteld – het lijkt erop alsof het antwoord nee wordt – of ik toch nog iets van onderbouwing mag hebben in de sfeer van een onderzoek of iets rechtsvergelijkends van aard. Dat kan ja of dat kan nee zijn. Daar moet ik het dan maar mee doen. Ik zou het ook wel relevant vinden om te weten wat we missen als we dat ineens niet meer doen. Wat zijn daar eventueel de risico's van? Want we doen het nu en dat doen we niet voor niets. Dat had ik dan ook wel graag meegenomen in de uiteindelijke beoordeling die de Minister van mij als parlementariër verlangt. Dat mis ik in het geheel.

Minister Grapperhaus:

Wat doen we? Het uitgangspunt – daarom citeer ik dat stukje over de meerderjarige die een geldboete krijgt opgelegd – is dat de regelgeving en rechtspraak zeggen dat in bepaalde zaken niet de ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer bestaande uit afname celmateriaal, het verwerken ervan en het bepalen van een DNA-profiel kan worden gemaakt. Die inbreuk kan dan niet worden gemaakt. Die is dus dan, kort gezegd, te ingrijpend. Daarom heb ik deze uitspraak er nog eens bij gepakt. Dat is dus ook iets wat de Nederlandse rechter doortrekt naar minderjarigen als het gaat om gelijksoortige overtredingen en misdrijven, waarbij er alleen bij die minderjarige om redenen dat het een minderjarige is geen sprake is van een boete, maar van het op pedagogische of andere redenen opleggen van een taakstraf. Daar valt op enig moment – anders dan het nog eens citeren en verwijzen naar deze jurisprudentie, die er dus is naast het Kinderrechtenverdrag – niet zo veel aan toe te voegen. Dan vind ik in alle eerlijkheid dat we heel erg naar de bekende weg gaan vragen als we hier vervolgens toch nog een wetenschappelijk onderzoek naar zouden gaan doen. Ik vind dat we echt voldoende weten waarom de Nederlandse rechter respectievelijk de kinderrechter gemotiveerd zegt: dit doen we niet, dit is niet geoorloofd.

Dan wilde ik u, de waarnemend interim-voorzitter, nog zeggen dat de heer Van Oosten ook een vraag heeft gesteld over de medische gegevens. Die krijgt de rechter al, dus die staan hier niet ter discussie.

Voorzitter: Van Oosten

Minister Grapperhaus:

Mevrouw Buitenweg heeft een vraag gesteld over de betaling door UEFA en INTERPOL. De UEFA levert een bijdrage om integriteit in de eigen sport te bewaken. Dat is niet ongebruikelijk en we kunnen dat alleen maar toejuichen. Men geeft daarmee aan de matchfixing serieus te nemen. Ik wil voor het overige verwijzen naar mijn brief van enkele weken geleden naar aanleiding van de publiciteit over het feit dat INTERPOL in een aantal gevallen inderdaad financiële bijdragen krijgt uit de bedrijvensector.

De heer Van Oosten heeft gevraagd naar de ondermijningswetgeving. De basis is de actieagenda ondermijning. Dat is mijn brief van 16 februari 2018. Een aantal wetten worden aangepast. Een eerste stuk was er vorige week al rondom de opiumwetgeving. Ik heb afgelopen week het wetsvoorstel Aanpassingswet Bibob in consultatie doen gaan, samen met collega Dekker. Dan spelen er de komende tijd nog steeds een aantal andere losse onderdelen, die tezamen die actieagenda ondermijning vormen. Er zal dus niet specifiek sprake zijn van een ondermijningswet – alles bij elkaar opgeteld, is het dat – juist om te voorkomen dat het hele pakket waarmee we bezig zijn niet op enig onderdeel wordt vertraagd door een ander onderdeel.

Voorzitter: Van Nispen

De voorzitter:

De voorzitter heeft nog een vraag. Meneer Van Oosten.

De heer Van Oosten (VVD):

Sorry, hoor. Dan houd ik op. Dat zeg ik u vast toe. Trouwens, ik heb dan ook niet meer de mogelijkheid. Ik volg wat de Minister zegt. Daarmee zou dan toch invulling worden gegeven aan de aangekondigde ondermijningswet, waar ik zelf zo vreselijk veel waarde aan hecht. Als dat nu uit elkaar wordt getrokken in allerlei verschillende onderdelen, wil ik wel de zekerheid dat de samenhang geborgd is. Het fraaie van één geheel is natuurlijk dat je het ook tegen elkaar kunt afzetten, dat je weet waar je naartoe werkt en dat je er misschien in amendering van de zijde van de Kamer nog weer wat aan kunt plussen of vanaf kunt halen. Anders is er wellicht het risico dat er wordt gezegd door de Minister of ministers: nou meneer Van Oosten, meneer Van Nispen of wie dan ook, wacht u nog even, er komt een andere wet, et cetera. Dat zou ik wel jammer vinden.

Minister Grapperhaus:

Daarover twee dingen. In de eerste plaats heb ik al vrij snel na het aantreden van het kabinet in een debat met uw Kamer – dat kan ook een AO zijn geweest, moet ik eerlijk bekennen – aangegeven dat we niet zullen gaan spreken van een ondermijningswet, maar eerder van ondermijningswetgeving. Om ervoor te zorgen dat we inderdaad die samenhang niet uit het oog verliezen en dat de Kamer er zicht op heeft dat er voldoende voortgang is op alle onderdelen, ben ik van plan om periodiek een update te sturen op dat actieplan zoals dat in februari is gestuurd.

Voorzitter, ik wil ook via u aan de heer Van Oosten verantwoorden dat het echt het verstandigst is om het op deze manier te doen. In de eerste plaats zijn er een aantal onderdelen die al bij het aantreden van dit kabinet in de steigers stonden, qua parlementair traject zal ik maar zeggen. Er zijn een aantal onderdelen nu in gang gezet, maar sommige trajecten zullen wat sneller verlopen dan andere, louter omdat de consultatie langer duurt of omdat er meer over gesproken moet worden in de Kamer. Het voordeel van deze benadering is dat u door die periodieke updates van mij goed op de hoogte blijft van de voortgang, dat u het hele beeld houdt en dat u tegelijkertijd als Kamer niet tegen een frustratie aanloopt dat omdat het één groot geheel is één onderdeel van dat geheel het kan tegenhouden. Ik hoop dat de heer Van Oosten daarmee een afdoende antwoord heeft gekregen.

Ten slotte. Mevrouw Buitenweg heeft haar tevredenheid uitgesproken over het feit dat er zo veel brieven zouden komen. Ik wil in elk geval van mijn kant duidelijk maken dat ik vandaag één nieuwe brief heb toegezegd, namelijk over die sepots. Ik hoor net dat die zelfs al eerder was toegezegd. Ik heb ook gerefereerd aan de wapenbrief, die ook al eerder was toegezegd. Wat ik wel heb toegezegd, is om bij de brief over de dienstverlening van de politie een aantal nieuwe elementen te betrekken, onder andere, even kort samengevat, dat punt van Meld Misdaad Anoniem. Ik wil dat even zeggen om het helder te houden voor de Kamer en om niet de indruk te wekken dat er nog veel meer nieuwe brieven bij komen. We krijgen straks de toezeggingen voorgelezen, maar het moge heel erg duidelijk zijn dat ik heel duidelijk heb toegezegd dat we de brief van juni 2018 over de dienstverlening gaan uitbreiden met nog een aantal vandaag speciaal genoemde onderwerpen.

Voorzitter: Van Oosten

De voorzitter:

Er zijn een aantal toezeggingen gedaan door u en door de Minister voor Rechtsbescherming. Die lees ik dadelijk voor. Dan vraag ik altijd de collega's en ook de bewindspersonen om scherp te luisteren of ik die goed formuleer, want zo hebben we dat met elkaar afgesproken. De heer Van Dam heeft nog een vraag, zag ik.

De heer Van Dam (CDA):

Ik ben even wat verrast dat Meld Misdaad Anoniem nu bij het serviceconcept van de politie wordt ingeschreven. Misschien begrijp ik de Minister verkeerd. Daarom vraag ik er even expliciet naar. Ik zou er geen bezwaar tegen hebben als dat in een afzonderlijke brief tot ons komt.

Minister Grapperhaus:

Ik heb dat wel zo gezegd in eerste termijn. Het is namelijk iets wat toch ook verband houdt met de dienstverlening rond aangiftes en alles. Maar als uw Kamer het liever separaat wil, dan wil ik het best in een aparte brief zetten. Het was meer zo omdat het een onderwerp is dat daar betrekking op heeft, maar ik vind het geen enkel probleem. We hoeven er niet lang over te praten. Als u graag een aparte brief wilt, dan krijgt u een aparte brief.

De heer Van Dam (CDA):

Mijn voorkeur zou uitgaan naar een aparte brief, omdat het ene in handen ligt van die stichting en die organisatie en het andere in handen van de politie. Ik zou dat graag onderscheiden.

De voorzitter:

Goed. Dan lees ik het dadelijk nog voor, maar dan hebben we dus een brief over dienstverlening bij aangifte en daarnaast een brief over Meld Misdaad Anoniem. Wilde u nog een interruptie plegen, meneer Van Nispen?

De heer Van Nispen (SP):

Ik wil nog een antwoord op een vraag. Ik zal die voor de derde keer stellen.

De voorzitter:

Ja, maar kort.

De heer Van Nispen (SP):

Ja, heel kort. Ik krijg steeds geen antwoord. Dat is namelijk de fundamentele vraag of de Minister ook het punt ziet dat er sprake is van vercommercialisering van de opsporing. Alleen vanochtend al zien we twee berichten over Meld Misdaad Anoniem en de opkomst van de particuliere recherche.

De voorzitter:

Duidelijk punt, vercommercialisering.

Minister Grapperhaus:

Ik kan niet zeggen nu dat ik een tendens zie tot vercommercialisering van de opsporing. U vraagt mij dat. Mijn antwoord is dat ik dat niet kan zeggen. Daar moet ik het even bij laten op dit moment.

De voorzitter:

Daar heeft u het dan mee te doen, meneer Van Nispen. Dan ga ik naar de Minister voor Rechtsbescherming voor de beantwoording van de vragen die aan hem gesteld zijn.

Minister Dekker:

Voorzitter. Dat is er volgens mij maar één, namelijk die van de heer Van Nispen over de relatie tussen medicijnen en agressie. Ik denk dat daar in de wetenschap al wat langer over gediscussieerd wordt en dat het inmiddels onbetwist is dat bepaalde geneesmiddelen kunnen leiden tot agressief gedrag. Bij antidepressiva is de prevalentie ongeveer 1% of iets minder. Het speelt niet alleen maar daar. Het speelt bijvoorbeeld ook bij medicijnen ter verhoging van testosteron of tegen de ziekte van Parkinson. Die relatie is er dus.

Waarover wel nog heel veel discussie is, is de manier waarop die relaties zich voordoen en de mate waarin dat gebeurt. Dat zag je bijvoorbeeld ook in de nasleep van die shoot-out in Colorado in de VS. Agressie is vaak niet alleen maar te herleiden tot het enkele medicijn, maar kan ook herleidbaar zijn naar andere zaken. Soms zijn ook alcohol en drugs in het spel. Soms is er ook een relatie te leggen met de oorspronkelijke stoornis waarvoor de medicijnen waren voorgeschreven. Die relatie is dus heel erg ingewikkeld. De politie en het OM doen daar doorgaans geen onderzoek naar, omdat het geen effect heeft op het uiteindelijke strafproces. Ik weet ook niet of nog meer onderzoek naar bijwerkingen van medicijnen die al op de markt zijn dan wel toetreden tot de markt nog iets toevoegt aan de al vrij stevige onderzoeken die er gedaan worden bij de toelating van medicijnen. Is verder onderzoek dan nuttig en nodig? Ik zou haast volmondig ja zeggen: gewoon onderzoek naar betere medicijnen, dus wetenschappelijk onderzoek naar medicijnen die beter werken en minder bijeffecten hebben en toegepast onderzoek bij farmaceutische bedrijven.

De voorzitter:

Er is nog een vraag van mevrouw Buitenweg, al is het een vraag van de heer Van Nispen. U mag ook wel een vraag stellen, mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik noemde het punt toevallig ook in mijn bijdrage naar aanleiding van het NJB-artikel. Het onderzoek dat volgens hen nodig is, is niet zozeer naar de bijwerkingen van medicijnen. Dat is natuurlijk altijd heel erg nuttig. Zij vragen om een onderzoek om methoden te ontwikkelen om de waarschijnlijkheid van de samenhang tussen het gebruikte middel en het effect op het gedrag in een individueel geval vast te kunnen stellen. Dan heb je een hele trits aan mogelijke bijwerkingen, want zo zien we dat altijd. De vraag is dan hoe je vaststelt dat in dat individuele geval het medicijn dat effect kan hebben gehad. Dat is natuurlijk relevant om te weten en de vraag was of daar onderzoek naar gedaan wordt.

Minister Dekker:

Het antwoord daarop is ontkennend. Politie en OM doen soms wel onderzoek naar of er alcohol of drugs in het spel zijn geweest, omdat dat ook een verzwarend effect kan hebben op de uiteindelijke eis. Dat geldt voor medicijnen niet en dat is de reden waarom dat onderzoek niet wordt gedaan.

De voorzitter:

Ten slotte de heer Van Nispen en dan denk ik dat we naar een afronding kunnen. De heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Politie en OM doen dus wel onderzoek naar drugs en alcohol, maar niet naar medicijnen. Ik denk dat het interessant zou kunnen zijn – ik denk ook niet dat we dat hier vandaag kunnen besluiten – om te overwegen of dat onderzoek naar medicijnen niet toch gedaan moet worden. Niet omdat dat dan in een individuele strafzaak een rol moet spelen, maar wel omdat dat de kennis kan bevorderen over onder invloed van welke medicijnen bepaalde delicten zijn gepleegd. Dat is dus in het algemeen belang. Dus ja, onderzoek in dat individuele geval. Niet voor die strafzaak op zichzelf, maar voor het hogere doel dat we meer leren over de relatie tussen bijvoorbeeld die antidepressiva en andere medicijnen en ernstige geweldsincidenten.

Minister Dekker:

Ik begrijp dat punt wel, maar je stuit ook op heel veel ethische vragen want doorgaans slikt iemand die medicijnen niet voor zijn lol. Dus verplicht onderzoek daarnaar doen? Als er een vermoeden is van gebruik van alcohol en drugs, heb je een titel, ook omdat dat in een strafproces wel een rol speelt, om dat gedwongen te constateren, om iemand te laten blazen of bloed af te nemen. Die titel is er voor medicijnen niet. De vraag is of je dat moet doen in individuele strafzaken om dat totale beeld te krijgen. Ik ben daar vooralsnog wat huiverig voor en dus geen voorstander van.

De voorzitter:

Daarmee hebben we het eind bereikt van dit algemeen overleg over strafrechtelijke onderwerpen. Voor ik u allen heenzend, om het maar mooi te formuleren, mag ik nog een aantal toezeggingen voorlezen. Zoals ik al had gezegd: luistert u even goed mee of ik ze goed uitspreek.

  • De Kamer ontvangt in 2018 een brief over de dienstverlening bij aangifte.

  • De Kamer wordt in diezelfde brief ook geïnformeerd over de verhouding van de cijfers uit de Veiligheidsmonitor in relatie tot die van het College voor de Rechten van de Mens.

  • De Kamer ontvangt rond de zomer een brief over het terugdringen van het aantal sepots.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten van het gesprek met de raad van toezicht van de stichting Meld Misdaad Anoniem.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de berichtgeving inzake de bouwpakketten voor vuurwapens.

  • De Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de pilot informatiecoördinator matchfixing.

Ik merk even op dat de laatste twee toezeggingen geen datum hebben. Kan die nog toegevoegd worden? Ik bedoel die over de vuurwapens en die over de matchfixing. Ik kijk even naar de Minister.

Minister Grapperhaus:

De berichten over de vuurwapens zouden al aan de orde komen in de brief naar aanleiding van de motie-Van Toorenburg.

De voorzitter:

Maar wanneer komt die brief? Nou ja, het is bekend wanneer die brief komt en daarin wordt het meegenomen. Dan weten we wanneer we erop kunnen rekenen. En matchfixing, valt dat nog te specificeren? Dat is de uitkomst van de pilot met de informatiecoördinator matchfixing.

Minister Grapperhaus:

Die pilot duurt twee jaar, dus het duurt nog wel even voordat we daarmee terugkomen.

De voorzitter:

Dat duurt nog wel even en ik hoor niemand dat verder betwisten, dus dat is het dan nu.

  • De Kamer wordt in juli 2018 geïnformeerd over de ZSM-werkwijze.

  • De Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de gevolgen van de pilot samenwerking OM, politie en ggz.

  • De Kamer ontvangt een periodieke update van het actieplan ondermijning.

Dit wordt door niemand ontkend, betwist of aangevuld, waarmee we aan het eind zijn gekomen van dit algemeen overleg. Ik dank u allen, in het bijzonder voor het respecteren van de tijd. Dank u wel.

Sluiting 13.29 uur.