Kamerstuk 28684-265

Verslag van een algemeen overleg

Naar een veiliger samenleving


28 684
Naar een veiliger samenleving

nr. 265
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 16 februari 2010

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, de vaste commissie voor Justitie2 en de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie3 hebben op 14 januari 2010 overleg gevoerd met minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, minister Hirsch Ballin van Justitie en minister Van der Laan voor Wonen, Wijken en Integratie over:

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 7 september 2009 over het rapport «Overlast en verloedering ontsleuteld» van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) (28 684, nr. 239);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 28 oktober 2009 met een reactie op het SCP-rapport «Overlast en verloedering ontsleuteld» (28 684, nr. 251);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 24 november 2009 over middelen Van Montfrans (BZK) en leefbaarheid (WWI) in het kader van de bestrijding van overlast en verloedering (32 123 B, nr. 12);

– de brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie d.d. 24 november 2009 met een reactie op de aanbevelingen bij het Zwartboek Burenoverlast (2009Z22499);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 2 december 2009 met een reactie op de motie-Van Geel (31 951, nr. 3) over het terugdringen van overlast en verloedering, alsmede op toezeggingen gedaan tijdens het AO burgemeester en veiligheid (28 684, nr. 257).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Leerdam

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De voorzitter van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie,

Van Gent

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Van Leiden

Voorzitter: Griffith

Griffier: Van Leiden

Aanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Kuiken, Çörüz, Van Raak en Griffith,

en minister Ter Horst, minister Hirsch Ballin en minister Van der Laan, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministeries.

De voorzitter: Ik open de vergadering en heet alle aanwezigen van harte welkom bij dit algemeen overleg over overlast en verloedering. Ik heet verder in het bijzonder de ministers van Binnenlandse Zaken, Wonen, Wijken en Integratie en Justitie van harte welkom.

Ik zal een spreektijd hanteren van zes minuten per woordvoerder.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Zes minuten is kort. Ik zal dan ook proberen om kort en bondig te zijn.

Uit het rapport van het SCP blijkt dat het veiligheidsprogramma een positieve bijdrage levert aan het terugdringen van overlast en verloedering. Niet alle maatregelen kunnen echter op hun effectiviteit worden beoordeeld. Het is dan ook goed dat het kabinet in zijn reactie aangeeft dat daarop moet worden ingezet. Verder is het SCP-rapport geen vrijbrief om vanaf nu rustig achterover te leunen, want wij weten allemaal dat overlast en verloedering een belangrijk punt van zorg blijft. Wij zullen dan ook alle zeilen moeten bijzetten om de onveiligheid verder te verminderen.

Het kabinet heeft extra geld ter beschikking gesteld voor de bestrijding van overlast en verloedering. Dat is goed, maar daarnaast is het ook zaak dat wij de maatregelen die wij kunnen nemen, daadwerkelijk nemen en dat wij de meest effectieve middelen inzetten. In een van de conclusies van het rapport wordt in dat verband de combinatie van straf en zorg, en menselijk toezicht genoemd.

De nieuwjaarsnacht en Culemborg wil ik aangrijpen als voorbeelden van overlast en verloedering. Ik wil daarbij niet al te inhoudelijk ingaan op Culemborg, maar vooral bekijken wat wij hiervan kunnen leren voor het pakket maatregelen waarover wij op dit moment beschikken.

Beheersbaar maar niet rustig, zo kunnen wij Oud en Nieuw volgens de krantenkoppen typeren. Gemeente en politie zaten er dit jaar bovenop om ervoor te zorgen dat de nieuwjaarsnacht rustig zou verlopen. Door de extra inzet van de KLPD en de marechaussee bleef het in veel gebieden rustig of bleven grootschalige incidenten uit. Culemborg is daarop natuurlijk de uitzondering. De schade was ook dit jaar heel erg groot, maar wel minder dan in voorgaande jaren. Wij kunnen echter niet over een rustige jaarwisseling spreken, aangezien er 2500 incidenten zijn gemeld. Bijzonder zorgelijk daarbij is het schrikbarend hoge aantal van 40 meldingen van geweld en het hinderen van hulpverleners. Verder zijn er 940 arrestaties verricht en moest de ME vele charges uitvoeren.

Wij moeten volgend jaar met andere woorden wederom flink aan de bak. De minister heeft in de media verschillende keren aangegeven dat zij dat van plan is te gaan doen, bijvoorbeeld door hogere straffen, forsere boetes en bestuurlijke dwangsommen in te zetten. Kan de minister mij zeggen wat zij precies voor ogen heeft? Welke stappen gaat zij zetten? En aan welke delicten denkt zij als zij over dwangsommen spreekt? De PvdA-fractie denkt zelf aan een bijzondere vorm van straf en wel het preventief thuishouden van mensen bij de volgende vijf nieuwjaarsnachten door middel van thuisdetentie. Mijn collega Heerts zal dit binnenkort bij de minister van Justitie nader aan de orde stellen, maar misschien kan de minister van Justitie nu al een reactie geven op dit voorstel.

Het is natuurlijk belangrijk om de schade zo veel mogelijk op de daders te verhalen. Het Verbond van Verzekeraars constateert echter dat de slachtoffers vaak afzien van het verhalen van de schade op de dader, omdat de verzekeraar al heeft uitgekeerd. Deze gang van zaken blokkeert de weg voor de verzekeraars om de schade alsnog te verhalen, omdat zij geen inzage krijgen in het strafdossier. Overigens is dit volgens de wet wel mogelijk, maar blijkt het in de praktijk te ingewikkeld. De korpschefs geven dat ook zelf aan. Welke belemmeringen zijn er nu precies?

Zowel in Culemborg en Gouda als in andere steden waar men te maken heeft gehad met ernstige overlast en verloedering, blijken zaken vaak vele jaren door te etteren en raddraaiers maar heel moeilijk aan te pakken. Het gaat maar door, ook al zijn er inmiddels heel veel maatregelen getroffen om de raddraaiers en de probleemgezinnen aan te pakken. Ik denk daarbij aan gebiedsverboden, preventief fouilleren, ondertoezichtstellingen, gezinsinterventies en maatregelen via de bijstandsuitkering. De ministers kennen dit pallet aan maatregelen natuurlijk ook, maar valt het hen ook op dat die maatregelen niet of te laat worden ingezet? Zo ja, kunnen zij mij dan zeggen wat daarvan de oorzaak is? Ontbreekt het aan lef? Is men niet op de hoogte van het bestaan van deze maatregelen? Of ontbreken de capaciteit en de kennis om deze maatregelen in te zetten? Dit is een ernstig probleem, want het blijft natuurlijk dweilen met de kraan open als de Kamer maatregelen mogelijk maakt die vervolgens niet worden ingezet. De bewoners van Culemborg zeggen dan ook terecht dat de angel uit het probleem moet worden gehaald, voordat je met langetermijnoplossingen kunt gaan werken.

De heer Van Raak (SP): Er zit nu al enige tijd heel veel politie in deze wijk in Culemborg. Het is er dan ook flink misgelopen. Je kunt deze problemen enigszins vergelijken met Gouda. De politiepost in de wijk Oosterwei in Gouda, de wijk waar de rellen plaatsvonden, was gesloten. In Culemborg stond eveneens een politiepost in de wijk waar de rellen zich afspeelden. Die houten politiepost is waarschijnlijk door Marokkaanse jongeren in de fik gestoken. Deze posten zijn niet vervangen en dat geeft die jongeren natuurlijk een verkeerd beeld.

De voorzitter: Stelt u alstublieft uw vraag aan mevrouw Kuiken.

De heer Van Raak (SP): Die jongeren denken dan immers dat ze een overwinning hebben behaald. Als wij afhankelijk zijn van de politie, zijn wij eigenlijk al te ver van huis. Is mevrouw Kuiken het met mij eens dat wij de komende tijd politieposten in moeilijke wijken niet meer zouden moeten sluiten?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Menselijk toezicht, waaronder toezicht door de politie, is uitermate belangrijk voor een wijk. Ik vind het minder belangrijk of er ook een politiepost in een wijk staat. Een politiepost is immers vaak niet meer dan een agent achter een bureau en ik wil nu juist dat politiemensen actief op straat zijn. Dat moeten wij mogelijk maken door de administratieve lasten te verminderen en ICT beter in te zetten. U hebt daarvoor volgens mij ook goede suggesties gedaan in uw boek over de politie. Wij moeten er met andere woorden voor zorgen dat agenten daadwerkelijk in de wijk worden ingezet.

Effectieve politie-inzet en menselijk toezicht zijn belangrijk, maar het blijft natuurlijk dweilen met de kraan open als de raddraaiers en de probleemgezinnen niet uit de wijk worden gehaald. Alleen op die manier kun je zorgen voor de-escalatie en een definitieve oplossing van de problemen.

De heer Van Raak (SP): Was het maar waar dat je zonder een post in de buurt de problemen kunt oplossen. Af en toe een agent op de fiets of een politieauto in de buurt is niet genoeg. Daarvoor heb je agenten nodig die de wijk en de mensen in de wijk kennen en daardoor problemen kunnen voorkomen. En dat kan alleen als er politiepost in de wijk aanwezig is. Zo’n post is dus wel degelijk meer dan een plaats om een computer en een bureau neer te zetten. De aanwezigheid van agenten in de wijk is belangrijk, omdat er anders alleen maar politie wordt ingevlogen als het is misgegaan. En dan is het te laat.

Het is belangrijk dat de politie een band heeft met de buurt, want dan kun je problemen voorkomen. Door de bezuinigingen worden dit soort posten overal, en vooral in moeilijke wijken, gesloten.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik ben het met de heer Van Raak eens dat wijkagenten en gewone agenten te vaak met andere zaken bezig zijn en daardoor te weinig de straat op gaan om toezicht te houden. Wij moeten er samen voor zorgen dat dit verandert. Of dat gebeurt via een wijkpost, een mobiel team of een gemeentehuis vind ik iets minder relevant. Wij moeten hier echter de handen ineen kunnen slaan, want ons doel is hetzelfde.

Voorzitter. Ten slotte wil ik nog iets zeggen over woonoverlast. Ik bedank de minister om te beginnen hartelijk voor de kabinetsreactie. Ik voel mij in deze reactie uitermate serieus genomen en dat geldt ook voor heel veel bewoners van Nederland. Ik heb namelijk al heel veel positieve reacties ontvangen over de stappen die wij gezamenlijk gaan zetten om de woonoverlast voor huurders en eigenaren hard aan te pakken.

Vooruitlopend op de handreiking heb ik nog enkele vragen. Wanneer kunnen wij die handreiking verwachten? Ik vraag dat, want hier geldt: hoe eerder, hoe beter. Er wordt echt met smart op gewacht. De ministers schrijven dat buurtbemiddeling een vrijwillig karakter heeft en dat wij daaraan moeten vasthouden. Ik begrijp waarom voor dit uitgangspunt is gekozen, maar daarmee verliezen wij de groep mensen die echt niet willen, wel uit het oog. Kunnen de ministers mij een suggestie aan de hand doen om mensen die niet willen, toch mee te laten werken aan afspraken? Ik wil dus een stok achter de deur.

De ministers stellen dat antioverlastcontracten niet vast worden. Ze worden echter wel in huurcontracten opgenomen. Waarom zouden die antioverlastcontracten in het kader van wonen eigenlijk niet kunnen werken? Mag ik uit de kabinetsreactie opmaken dat het voor koopeigenaren net zoals voor huurders wel degelijk mogelijk is om op basis van de bestaande wetgeving notoire overlastgevers uit hun huis te laten zetten als alle andere stappen zijn gezet?

De heer Çörüz (CDA): Voorzitter. Als wij spreken over overlast of verloedering, spreken wij volgens mij in essentie over het ontbreken van waarden en normen. Dat geldt voor jeugdbendes net zo goed als voor die raddraaiers in Gouda, Hoek van Holland en Culemborg. Het ontbreken van waarden en normen leidt er bij de jeugdbendes toe dat men ook geen respect kan opbrengen voor andermans spullen en dat was niet anders in Culemborg, Gouda en Hoek van Holland, want daar had men geen respect voor andermans leven. Met waarden en normen zou het dus eigenlijk allemaal moeten beginnen.

Het is goed dat het kabinet met het Manifest Burgerschap komt. De CDA-fractie ziet daar heel veel van haar wensen in terug. De premier heeft een aantal jaar geleden het debat over waarden en normen opgestart en daarvan zie je heel veel terug in het Manifest Burgerschap. Daarmee zijn wij er echter nog niet!

De minister van Binnenlandse Zaken zei in een heel aardig televisieprogramma van Andries Knevel, «Moraalridders», een appel te doen op burgers. Het is goed dat zij dat doet, maar er moet daarbij natuurlijk wel sprake zijn van wederkerigheid. Het is goed dat wij burgers aanspreken op hun verantwoordelijkheid en hen vragen om aangifte te blijven doen, maar dan moeten wij ook oog hebben voor de rol van de overheid. Waar is de overheid als mensen daadwerkelijk actie ondernemen? Waar zijn de verzekeraars in zo’n geval? Laatst hielp een student een oude vrouw die aangereden was. Hij nam haar mee in zijn auto, ook omdat het behoorlijk koud was. Vervolgens kon die vrouw die auto niet meer uit en moest de auto open worden gezaagd. Wat zei de verzekeraar vervolgens tegen die aardige student? Sorry, eigen schuld; dat had u beter niet kunnen doen! Zoiets is burgers natuurlijk niet uit te leggen. Als de overheid burgers oproept om iets te doen, moeten de overheid en de verzekeraars zich ook van hun beste kant laten zien.

Als tegenwicht voor mijn voorbeeld over de verzekeraars, toch ook maar een voorbeeld van het optreden van de overheid. Ik wil geen Amerikaanse toestanden, maar als iemand in je huis inbreekt en je grijpt in, dan ben je vaak nog niet klaar. Dat geldt ook voor de situatie dat je ingrijpt wanneer twee mensen elkaar een kopje kleiner proberen te maken. De kans is heel groot dat iemand die zo moedig is, moet voorkomen voor mishandeling. Nogmaals: ik wil geen Amerikaanse toestanden, maar deze andere kant van de medaille blijft burgers toch bezighouden. Is het kabinet bereid om met conceptwetgeving te komen die dit aspect beter regelt? Het gaat mij daarbij niet heel eng om noodweer en noodweerexces, maar om een brede benadering die het mogelijk maakt dat ook de andere kant zijn verantwoordelijkheid neemt.

Ik ben content met de manier waarop het kabinet de motie-Van Geel uitvoert. Het is goed dat men met actiepunten komt, maar bezorgd ben ik wel over de opmerking in de brief dat het doel van 25% minder overlast en verloedering niet wordt gehaald. Dat verbaasde mij, want ik dacht dat wij alles op alles zouden zetten om juist dat doel te halen. Wat is de oorzaak dat dit doel niet wordt gehaald en wat gaat het kabinet doen om deze ontwikkeling te keren?

Het is goed dat er een extra impuls wordt gegeven met de Van Montfrans-gelden. Het lokale veld geeft mij echter het signaal dat men niet goed op de hoogte is van de extra mogelijkheden die dit biedt. Als ik mijn CDA-bestuurders op deze mogelijkheden attendeer, is de reactie maar al te vaak: ik weet van niets. Ik moet ze vervolgens gaan wijzen op websites en andere informatie. Hier kan dus nog wel een slag worden geslagen.

Dan wil ik iets zeggen over de jaarwisseling in Culemborg en over jeugdbendes. Het luistert tegenwoordig heel nauw hoe je bepaalde zaken benoemt. De minister heb ik horen zeggen «beheersbaar». Daaronder kun je van alles verstaan, maar het is en blijft toch zeker van de gekke dat er 45 incidenten zijn geregistreerd met een totale schade van 7 mln.

De registratie van de schade. De kop boven een artikel in de Pers van afgelopen donderdag was veelzeggend. Uit dit artikel bleek namelijk dat politie en gemeenten niet alle overlast en incidenten bekend maken, omdat ze daaraan een dagtaak zouden hebben. Ik kom binnenkort naar de Kamer met mijn initiatiefwetsvoorstel inzake de aansprakelijkheid van ouders en ik ben dan ook zeer benieuwd waarom sommige incidenten niet worden geregistreerd. Waarom weten wij niet welke minder- en meerderjarigen zich aan vernieling schuldig maken en wie voor de kosten van die vernielingen opdraaien?

Supersnelrecht. Net als mijn collega Van Haersma Buma heb ik al enkele keren mijn zorgen uitgesproken over de attitude van Amsterdam. Daar heeft men volgens de Trouw van 5 januari welgeteld één snelrechtzaak aan de rechter voorgelegd. Klopt dit? Het is toch zeker niet waar dat er maar zo weinig verdachten in Amsterdam zijn opgepakt en dat er van hen maar een is voorgeleid op een supersnelrechtzitting?

Over Culemborg komen wij nog uitgebreid te spreken. De gemeenteraad van Culemborg komt met een rapport hierover. Wanneer kunnen wij dit rapport verwachten? Kan de minister van Binnenlandse Zaken hierover misschien iets meer zeggen?

Ik zou de politie verder veel vaker proactief willen inzetten tegen de 1800 Nederlandse jeugdbendes. Dit is echt van heel groot belang. Zo zijn er 92 echt criminele bendes en maken 327 bendes buurten eigenlijk onleefbaar. Als het aan mij ligt, geeft de politie hieraan net zo veel prioriteit als aan mensenhandel en cybercrime. De politie zal bij de jeugdbendes veel vaker moeten interveniëren, want deze bendes plegen overvallen vaak niet meer om hun verslaving te financieren, maar als een soort lifestylecriminaliteit. Die jongens vinden dat ze € 200 of € 300 nodig hebben voor iets leuks, plegen een overval en gaan door of er niets is gebeurd. De patseraanpak mag van mij dan ook worden geïntensiveerd.

De kernboodschap van het rapport Overlast en verloedering ontsleuteld is dat een vrijheidsstraf weinig effectief is, maar wel effectiever zou kunnen worden als die straf wordt gecombineerd met individuele zorg op maat. «Zorg op maat» klinkt mij wel heel volksgezondheidsachtig in de oren. Als wij met die boodschap naar Culemborg of Gouda zouden gaan, kunnen wij dat waarschijnlijk niet uitleggen. Ik zie meer in de aanpak via de veiligheidshuizen. Die aanpak is persoonsgericht en maakt het mogelijk om ook de meelopertjes tijdig mee te nemen. Ik zou echter graag zien, en daarop gaat het rapport niet in, dat de groepsgerichte aanpak ook betekent dat wij die twintig of dertig raddraaiers in Culemborg, Gouda en Ede eruit kunnen halen. Die jongeren horen om de rust terug te brengen in die wijken een time-out te krijgen in een opvoedingskamp of een internaat. Je moet daarbij niet alleen gaan sleutelen aan die jongeren maar aan hun omgeving. Kortom, een persoonsgerichte aanpak is oké, mits die samen kan gaan met een groepsaanpak. Het zijn immers vaak groepen jongeren die de boel onveilig maken.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik sluit helemaal niet uit dat je ten behoeve van de rust zegt: ik kies voor een groepsaanpak.

De heer Çörüz (CDA): Dat hoort u mij inderdaad niet zeggen.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik sluit niet uit dat een groepsaanpak nodig kan zijn om de rust te herstellen. Maar uit deze opmerking van de heer Çörüz moet ik toch zeker niet opmaken dat hij de conclusies van het rapport niet onderschrijft? Ik denk dan bijvoorbeeld aan de conclusie dat het voorkomen van recidive en een langetermijnsbenadering een persoonlijke benadering en maatwerk vereisen.

De heer Çörüz (CDA): Nee. Dat hoort u mij niet zeggen. De conclusie van het SCP dat een vrijheidsstraf weinig effectief is, onderschrijf ik echter niet zonder meer. Ik geloof namelijk dat je repressie geloofwaardig moet maken door het te combineren met preventie. Het omgekeerde is echter ook waar: preventie is zonder repressie niet geloofwaardig. De conclusies van het SCP-rapport lijken mij te veel ingegeven door de gedachte dat straf alleen altijd onvoldoende is. Ik kan mij heel goed voorstellen dat het soms wel werkt. Verder vraag ik mij af of wij ons tot in alle eeuwigheid moeten blijven inspannen voor jongeren die steeds maar weer worden opgepakt. Misschien moeten wij ons wel veel meer gaan richten op jongeren die kansrijk zijn en die bereid zijn om te veranderen.

Mevrouw Kuiken (PvdA): In het rapport staat dat je dertien- en veertienjarigen alleen maar effectief straft als je de straf combineert met goede zorg. En met effectief bedoel ik dan dat je voorkomt dat ze keer op keer de fout ingaan en van overlastgevers echte criminelen worden. Als je alleen maar op de strafkant gaat zitten, is het eigenlijk bij voorbaat al een verloren zaak. Hebt u de conclusies van het SCP op dezelfde manier geïnterpreteerd?

De heer Çörüz (CDA): Nee. Ik wil daar echt nog eens kritisch naar kijken. U wijst er terecht op dat die jongeren soms keer op keer de kans krijgen om hun leven te verbeteren. Als het ondanks al die inspanningen maar niets wil worden, moet de samenleving op een gegeven moment de conclusie kunnen trekken: kennelijk helpt die zorg niet en dus sluiten wij die jongere maar een tijdje op. Ik wil via de veiligheidshuizen vooral investeren in de first offenders, de meelopertjes, maar ik wil zeker niet jaar op jaar gemeenschapsgeld spenderen aan jongeren die niet van goede wil zijn. Zorg op maat en een persoonsgerichte aanpak: het is allemaal heel mooi, maar op een gegeven moment is het natuurlijk wel einde oefening.

De heer Van Raak (SP): Voorzitter. De ministers willen al jarenlang de overlast en de verloedering aanpakken, maar dat is niet gelukt. Er zijn plannen gemaakt, projecten gelanceerd en goede voornemens gemaakt, maar desondanks laat het SCP zien dat het beleid nog steeds niet werkt.

Overlast en verloedering hebben te maken met veiligheid. Het probleem zit tegelijkertijd veel dieper, want het heeft ook te maken met onze moraal, de manier waarop wij met elkaar omgaan, de politiek en de manier waarop wij de samenleving organiseren.

Agenten zijn onze ogen en oren. De SP heeft hen daarom gevraagd welke problemen zij het vaakst tegenkomen. Uit ons politieonderzoek Agent aan het woord blijkt dat politieagenten vinden dat wij egoïstisch en intolerant zijn geworden en dat wij niet langer in staat zijn om onze eigen problemen op te lossen. Daardoor ontsporen steeds meer jongeren op steeds jongere leeftijd. Tegelijkertijd zeggen die politieagenten dat kleine criminaliteit niet bestaat, omdat geluidsoverlast, inbraak en mishandeling diep kunnen ingrijpen in het leven van mensen. Een groot deel van de overlast wordt veroorzaakt door een kleine groep mensen. Die lastposten moeten wij op de huid zitten door ze straffen voor hun daden en door ze te helpen hun leven weer op orde te brengen.

Veel overlast wordt veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Dat geldt ook voor de jongeren die de buurt onveilig maken. Relatief vaak zijn dat Marokkaanse jongeren die niet aanspreekbaar zijn en geen normale morele standaarden hebben, simpelweg omdat ze niet goed bij hun hoofd zijn.

De SP heeft uitgebreid onderzoek gedaan bij de ggz, zie ons rapport «De ggz ontwricht». Uit dat onderzoek blijkt dat de medewerkers van de ggz onvoldoende mogelijkheden hebben om mensen op te vangen. Deze mensen blijven dus op straat. De politie pakt ze vervolgens opnieuw op, maar moet ze wegens plaatsgebrek vrijlaten om ze enkele uren later weer op te pakken. Zo draait dit circus maar door, met alle frustratie van dien bij agenten en buurtbewoners.

De politie heeft behoefte aan een plek waar mensen met psychische problemen kunnen worden opgevangen, ook als ze nog niet patiënt genoeg zijn voor de reguliere ggz. Daarmee zouden wij kunnen voorkomen dat ze heen en weer gaan tussen straat en politiecel. Is de minister bereid om te onderzoeken hoe de opvang kan worden verbeterd?

De SP heeft ook onderzoek gedaan onder jeugdhulpverleners. De jeugdzorg in Nederland is zo slecht dat zelfs een uitgesproken optimist als de Nationale Ombudsman niet gelooft dat het ooit nog goed komt. Jongeren die uit het zicht verdwijnen van hun ouders, leraren en de wijkagent, gaan rondhangen, komen bij foute groepen terecht en gaan uiteindelijk op het slechte pad. Dat is de verloedering van onze jeugd.

Wij hebben ook onderzoek gedaan onder leraren en zij zien soortgelijke problemen. Zien de ministers het ook als een probleem dat veel te veel jongeren uit het zicht verdwijnen en niemand meer verantwoordelijk is voor de jongeren die in de problemen raken? Jongeren in de cel worden hiervan zeker ook niet beter. Zo blijkt uit ons onderzoek onder gevangenispersoneel. Deze mensen willen graag aan de slag, zeker als zij jongeren daardoor beter kunnen voorbereiden op hun terugkeer in de samenleving. Uit het onderzoek blijkt echter dat er helemaal geen tijd is voor voorzorg, zorg tijdens de gevangenisstraf en nazorg. Het is er allemaal niet. Gemeenten zijn hiervoor vaak verantwoordelijk, maar geven hieraan desondanks onvoldoende prioriteit. De oorzaak daarvan zou best eens kunnen zijn dat het allemaal betaald moet worden uit het potje voor de Wmo. Daardoor moeten gemeenten namelijk gaan kiezen tussen hulp aan gehandicapten en chronisch zieken aan de ene kant en ex-gevangen aan de andere kant. Ik kan mij zomaar voorstellen dat een lokale bestuurder zegt: geef dat geld toch maar aan die chronisch zieken en gehandicapten. Dat is begrijpelijk, maar het betekent wel dat ex-gevangenen niet goed worden opgevangen.

Ook bij de reclassering is de aandacht steeds meer verlegd van begeleiding naar controle. Het SCP vindt die begeleiding echter een voorwaarde voor succes. Is de minister het met mij eens dat investeren in de nazorg van ex-gevangenen veel problemen kan voorkomen?

Ook wijkagenten kunnen veel ellende voorkomen. Maar die wijkagenten kunnen de buurt niet in, omdat ze ander werk moeten doen of omdat ze gevangen zitten in de bureaucratie. Ik hoor in veel buurten dat het goed gaat wanneer de politie regelmatig langskomt en dat de ellende onmiddellijk toeneemt als de politie minder vaak aanwezig is. Het is verder belangrijk dat agenten wortelen in de buurt en mensen leren kennen, want daardoor kunnen ze problemen voorkomen. Ook het SCP stelt dat mensen zich beter aan de regels houden, wanneer ze een goede band hebben met de politie. Daarvoor hoeft een agent echt niet ieder uur op zijn fiets, in de auto, te paard of op skeelers door de straat te rijden! Integendeel, het gaat vooral om de band die ze met mensen hebben.

Op dit moment worden overal politieposten gesloten. Deelt de minister mijn zorg dat de bezuiniging op de politie de aanpak van overlast en verloedering nog moeilijker maakt? Zullen wij afspreken dat de bezuiniging in ieder geval niet ten koste mag gaan van politieposten in de buurt?

De minister stelt terecht dat het bestrijden van overlast en verloedering een belangrijke taak is van gemeenten. Zo zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de terugkeer van criminelen in de samenleving, de inzet van straatcoaches en stadswachten, en het bijhouden van de fysieke leefomgeving. Ook bestuurlijke maatregelen kunnen veel ellende voorkomen. Ik denk dan aan gebiedsverboden, meldingsplicht, samenscholingsverboden en uithuisplaatsingen door de jeugdzorg. Het SCP stelt echter dat dit alleen werkt als mensen worden geholpen om hun leven weer op de rails te zetten. Is de minister bereid om toe te zeggen dat zij niet zal bezuinigen op het budget van de gemeenten voor de bestrijding van overlast en verloedering?

Rommel op straat en vernielingen zijn een belangrijke oorzaak van het gevoel van onveiligheid. De woningcorporaties die vroeger medeverantwoordelijk waren voor de publieke ruimte, houden zich tegenwoordig vooral bezig met het maken van winst. De gemeenten proberen met de corporaties afspraken te maken over het onderhoud van huizen en over investeringen in buurten. Dat lukt de gemeenten lang niet altijd, omdat de woningcorporaties bedrijven zijn geworden met managers, die liever huizen afbreken dan buurten opbouwen. Is de regering het met mij eens dat woningcorporaties weer verenigingen van huurders moeten worden?

SP-Kamerleden gaan vaak buurten in de buurt. Ik was daarvoor onlangs in de Schilderswijk-West in Den Haag. Surinamers, Turken en Marokkanen kwamen allemaal met dezelfde klacht bij mij: er is veel overlast en de buurt is onveiliger geworden. Het politiebureau verdween en daarvoor in de plaats kreeg de buurt verslaafden. Er wordt gedeald. Vrouwen durven ’s avonds niet meer over straat. Moeders zijn bang, bang dat hun kinderen afglijden.

Buurten zijn te eenzijdig. Bijna alle migranten die ik sprak, vonden het erg jammer dat er zo veel Nederlanders vertrekken en dat die bijna altijd worden vervangen door buitenlanders. Surinamers, Marokkanen en Turken: ze zijn het er allemaal over eens. Wanneer gaat de regering nu eens serieus werk maken van het spreiden van mensen? Wanneer gaan kinderen weer samen wonen, samen naar school en samen aan het werk?

Mensen in de probleemwijken vertellen vaak dat de gezelligheid uit hun buurt is verdwenen. Dat heeft vaak te maken met de voorzieningen. Waar zijn bijvoorbeeld de buurtwinkeltjes gebleven? Waarom is de zorg en de school om de hoek verdwenen? Wij moeten af van de grootheidswaan en niet langer inzetten op grote winkelcentra, grote zorginstellingen en grote scholen. Door kleinschalige voorzieningen te organiseren kunnen wij weer gaan bouwen aan samenhang in de buurt, een buurt waar mensen zich thuis voelen en waar mensen elkaar durven aanspreken.

Voorzitter: Kuiken

Mevrouw Griffith (VVD): Voorzitter. In het Bestuursakkoord 2007 zijn concrete en ambitieuze afspraken gemaakt over het vergroten van de sociale veiligheid, de leefbaarheid in de wijken en het terugdringen van overlast, criminaliteit en verloedering. Anno 2010 is de doelstelling van een reductie met 25% van de overlast en de verloedering nog lang niet bereikt. Ondanks alle maatregelen is er naar de beleving van burgers nog steeds te veel overlast en verloedering in hun wijken.

Het SCP heeft twee onderzoeken verricht, waarin wordt ingegaan op de vraag of de ingezette maatregelen wel de beoogde invloed hebben gehad op de sociale en fysieke overlast. De algemene conclusie van het SCP luidt dat de intenties en de principes die in het rapport worden aangehangen, in theorie plausibel zijn. Dat is een steun in de rug van het kabinet. In het rapport staat verder – iets wat wij allen al wisten – dat de verantwoordelijkheid hiervoor niet altijd bij het Rijk ligt. De verantwoordelijkheid ligt immers vooral op lokaal niveau. Het Rijk schept de voorwaarden en de lokale overheid heeft de verantwoordelijkheid en de vrijheid om de plannen te preciseren. De vraag is op welke manier je een en ander kunt vertalen naar de ernstige overlast en verloedering en het gegeven dat de reductie ondanks alle kabinetsmaatregelen nog steeds niet in is zicht. Er moet dus worden gekeken naar de kwaliteit van de implementatie.

De minister van Binnenlandse Zaken stelt dat de gemeenten moet worden geholpen, maar dat daarvoor geen nieuwe maatregelen nodig zijn. Ik onderschrijf dat. Intensivering en verfijning zijn echter wel nodig. Het is mijn fractie echter nog steeds onduidelijk op welke manier de minister dat denkt te gaan doen. Het ter beschikking stellen van nog meer geld is niet afdoende. Een landelijke opschoondag per jaar is ook niet afdoende. Maar wat moet er dan wel gebeuren? Een antwoord op die vraag heb ik in de stukken niet kunnen vinden.

Hoe kan ik erop vertrouwen dat de maatregelen die in de kabinetsreactie worden aangekondigd, wel zullen leiden tot minder verloedering en overlast? Er worden Van Montfrans-gelden verdeeld. Zijn die gelden geoormerkt? Zo nee, hoe wordt het geld dan verdeeld?

In het SCP-rapport staat dat het belangrijk is om onderscheid te maken tussen functioneel en formeel toezicht. Functioneel toezicht is toezicht door bijvoorbeeld horecapersoneel en formeel toezicht politietoezicht. In het mondelinge vragenuurtje hebben wij afgelopen dinsdag gesproken over het feit dat wijkagenten vaak te weinig zichtbaar zijn in wijken. Hoe kun je daarop anticiperen? Hoe kun je er met andere woorden voor zorgen dat er daadwerkelijk fysiek toezicht in een wijk wordt gehouden? Die vraag is des te belangrijker, omdat er per jaar 150 wijkagenten in de probleemwijken worden losgelaten. Hoe zorg je ervoor dat die wijken daardoor daadwerkelijk veiliger worden?

Een en ander valt overigens ook onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Meer fysiek toezicht betekent immers dat de pakkans groter wordt. Hoe gaan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken dat vertalen? Hoe gaan zij ervoor zorgen dat het fysieke toezicht door bijzondere opsporingsambtenaren en wijkagenten leidt tot meer aanhoudingen? Worden hierover afspraken met de gemeenten en het Openbaar Ministerie gemaakt?

Na de rellen in Gouda is afgesproken dat er praktijkteams zouden worden ingezet. Kan de minister van Binnenlandse Zaken mij zeggen hoeveel praktijkteams er op dit moment actief zijn? Hoe functioneren deze teams en in welke gebieden zijn ze ingezet? Wij komen nog over Culemborg te spreken, maar nu is al wel duidelijk dat de problemen in Culemborg ondanks alle maatregelen en alle extra geld nog steeds niet zijn opgelost. Hoe kan dat toch? Kunnen wij dan nog wel verwachten dat burgers vertrouwen hebben in de aangekondigde maatregelen?

In september is er een manifest ondertekend. Waar moet dat manifest echter toe leiden? Het is leuk zo’n manifest, maar tot welke resultaten moet het leiden? Wat gebeurt er verder als gemeenten zich niet houden aan de afspraken?

Ik was verbaasd dat de heer Çörüz zei content te zijn met de reactie van het kabinet over de uitvoering van de motie-Van Geel. Nog vreemder vind ik het dat hij verbaasd zegt te zijn over het feit dat de reductie van de overlast en de verloedering met 25% niet wordt gehaald. Ik zou zeggen: word wakker. Het stond namelijk in de begroting van Binnenlandse Zaken. Dat was ook de reden waarom de heer Van Geel zijn motie heeft ingediend. Die motie vraagt klip en klaar om de toegezegde beleidsmaatregelen aan de Kamer voor te leggen, juist om de fysieke verloedering en de overlast versneld terug te kunnen dringen. Mijn fractie was vooral te spreken over het woord «versneld». Ik hoor dan ook graag van de heer Çörüz waar hij heeft gelezen dat de maatregelen versneld zullen worden toegepast? Op die vraag krijg ik natuurlijk ook graag antwoord van het kabinet.

De motie was heel duidelijk: de maatregelen moeten versneld worden toegepast. Welke maatregelen worden versneld toegepast? Wat zal het effect zijn? En hoe gaat de minister hierop toezien?

De heer Çörüz (CDA): Ik ben content dat het kabinet naar aanleiding van de motie-Van Geel zeven of acht actiepunten heeft uitgewerkt en gaat uitvoeren. Daarnaast heb ik ook gezegd dat ik mij zorgen maak. Ik ben dus blij met de vertaalslag van de motie-Van Geel naar de actiepunten en maak mij tegelijkertijd zorgen over het niet halen van die reductie van 25%. Laten wij eerlijk zijn: de motie-Van Geel is recentelijk aangenomen, terwijl het actieprogramma al een tijdje loopt. Die 25% moet dan ook zo langzamerhand in zicht zijn.

Mevrouw Griffith (VVD): Meneer Çörüz, u moet nu echt wakker worden. De motie is in december 2009 aangenomen. De antwoorden van het kabinet zijn echter afkomstig uit het manifest, een manifest dat ook in december is ondertekend! Als u zich erover verbaast dat de reductie van 25% niet wordt gehaald en tegelijkertijd zegt dat u content bent, geeft u een dubbele boodschap af. Als grootste coalitiepartner moet u uw ogen openen en u nu echt gaan inzetten voor die reductie. Ik hoor u daar helemaal niet over en dat verbaast mij. Wat gaat er in 2010 gebeuren?

De heer Çörüz (CDA): Dit vraagt toch nog even om een reactie. Ik vind dat wij reëel moeten zijn. Het actieprogramma Overlast en verloedering loopt langer dan september 2009. Laten wij elkaar niets wijs maken. Aan het einde van deze kabinetsperiode moeten wij die 25% halen, met of zonder de motie-Van Geel. Laten wij twee zaken uit elkaar halen. Ik maak mij zorgen over die 25%. Ik ga er nog steeds van uit dat wij die 25% halen, maar dat heeft niets te maken met het uitspreken van mijn contentheid over de uitwerking van de actiepunten in de motie-Van Geel.

Voorzitter: Griffith

Minister Ter Horst: Voorzitter. De aanleiding voor het rapport Overlast en verloedering ontsleuteld was de constatering dat van de vele maatregelen die genomen worden, de effectiviteit tegenvalt. Het doel van het onderzoek was, het SCP een beeld te laten geven van die maatregelen. Waren wij op de goede manier bezig en sloten de maatregelen aan op de doelen die het kabinet heeft geformuleerd? Mevrouw Griffith zei al: waar moet je tegenwoordig blij mee zijn? Wij waren er in elk geval tevreden over dat de conclusie van het rapport was dat de maatregelen plausibel zijn. Het kabinet heeft dus niet de verkeerde keuze gemaakt in de maatregelen. Volgens het rapport ontbrak het nog wel aan de voortvarendheid waarmee die maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Ik geef zo dadelijk aan op welke wijze het kabinet bezig is met het ervoor zorgen dat de maatregelen wel voortvarend worden uitgevoerd.

Er is nog een andere reden, namelijk de manier waarop wij meten. Er is «circumstantial evidence» dat het wel degelijk de goede kant opgaat met de leefbaarheid. Ik denk dat de collega van WWI daar straks vast nog wel iets over zegt. Ik las in NRC Handelsblad een overzicht van de leefbaarheid van de wijken in Nederland. Daaruit blijkt dat de leefbaarheid van die wijken gigantisch verbeterd is. Het is raar dat uit ons onderzoek, dat gebaseerd is op de eigen waarneming van mensen – een subjectieve waarneming – waarop het kabinet zich ook baseert bij het meten van de overlast om na te gaan of het beter gaat, die verbetering niet naar voren komt, terwijl uit andere onderzoeken waarbij op een andere manier wordt gemeten, wel een verbetering blijkt. Dat geldt niet alleen voor het onderzoek waarnaar ik verwees, waarover NRC Handelsblad uitgebreid rapporteerde. Dat was interessant omdat het daarmee zo mooi gevisualiseerd werd. Veel wijken waar sprake was van ernstige overlast, die onleefbaar waren, zitten nu in een categorie waarin het een stuk beter gaat. Ook uit ander onderzoek komt feitelijke informatie naar voren waaruit blijkt dat het beter gaat dan een aantal jaren geleden. De subjectieve waarneming, waarbij mensen wordt gevraagd of het beter gaat, leidt echter tot een ander beeld, waarbij mensen zeggen: wij merken het eigenlijk niet. Wij bekijken of wij de manier waarop wij gemeten hebben – dat blijven wij uiteraard op dezelfde manier doen – tot de enige waarheid leidt.

Wij zijn ook niet tevreden over het feit dat we de 25% nog niet hebben bereikt. De progressie daarin is naar de mening van het kabinet onvoldoende. Ik heb twee redenen gegeven die daaraan debet kunnen zijn. Op het punt van de uitvoering van de bestaande maatregelen zijn wij op dit moment bezig, met name in de richting van de gemeenten, met ervoor zorgen dat zij weten welke instrumenten er zijn om overlast tegen te gaan. De heer Çörüz zei al dat het van groot belang is dat zij weten welke mogelijkheden er zijn. Vanuit de ministeries stoppen wij daar veel energie in. Verder zorgen wij ervoor dat er voldoende geld is om die maatregelen te nemen. Een vraag daarover is gesteld in relatie tot de Van Montfrans-gelden: hoe zit dat nu? Er ontstond een hardnekkig beeld dat de gelden voor overlast en veiligheid waren teruggelopen. Dat is niet het geval. De afspraak was dat die gelden zouden lopen van 2005 tot 2009. Het kabinet heeft ervoor gezorgd dat die gelden ook in 2010 en 2011 beschikbaar zijn. Het kabinet heeft dus de looptijd van de inzet van de Van Montfrans-gelden verlengd, terwijl in 2005 eigenlijk niet voorzien was dat dat zou gebeuren. Wat er na 2011 gebeurt, moeten wij nog bezien. Het geld is er in elk geval. Ik ben het overigens eens met wat mevrouw Griffith erover zei: het pakket maatregelen dat beschikbaar is, zou voldoende moeten zijn om tot daadwerkelijke vermindering van de overlast te komen.

De heer Van Raak (SP): Voorzitter. Zowel de minister als ik zijn methodologisch geschoold. Zij zegt dat in het eigen onderzoek de mensen bevraagd worden en zij aangeven dat het niet zo goed gaat met de veiligheid, maar dat in de krant te lezen is dat het wel goed gaat. De minister moet niet altijd de krant geloven. Zij zegt dat de berichten daarin gebaseerd zijn op objectieve onderzoeken. Het is echter maar net op welke manier die geoperationaliseerd zijn. Op het punt van de veiligheid in de buurt is het meest objectieve onderzoek het subjectieve onderzoek, dus aan mensen vragen of het veilig is in de buurt. Ik hoop dan ook dat de minister zich hierachter niet verschuilt. Zij zegt terecht dat de effectiviteit van de maatregelen tegenvalt. Het gaat heel slecht; die 25% is nog lang niet in zicht. Ik hoop niet dat wij hier een discussie over operationaliseringen gaan voeren.

Minister Ter Horst: Dat heb ik ook niet gezegd. Ik heb alleen gezegd dat er verschillende kanten aan zitten. Het is overigens heel gebruikelijk om bij veiligheid te kijken naar zowel de objectieve veiligheid als de subjectieve veiligheid. Ik heb aangegeven welke maatstaf het kabinet hanteert. Wij zullen die maatstaf ook handhaven, uiteraard. Dat neemt echter niet weg dat het ook goed is om te kijken naar andere onderzoeken en je af te vragen waar de discrepantie zit. Het is goed mogelijk dat bij mensen het beeld blijft dat er overlast is en dat het niet veilig is, terwijl zij daar zelf niet mee te maken krijgen. Wij hebben overigens ook, in een ander verband, met de collega’s die hier achter de tafel zitten, gesproken over de manier waarop wij uit bijvoorbeeld de politiepraktijk duidelijk kunnen maken aan de bevolking van Nederland dat het op een aantal punten beter gaat op het terrein van overlast en veiligheid.

De heer Van Raak (SP): Hier was ik een beetje bang voor, want ik ken de minister ook langer dan vandaag. Ik ben er bang voor dat de minister straks aan de mensen in de buurt gaat vertellen: wij hebben het onderzocht, het stond in de krant, het is eigenlijk heel veilig in uw buurt en er is veel minder last van overlast en verloedering. Ik ben bang dat die papieren werkelijkheid de regering gaat verblinden terwijl mensen denken: de overlast, verloedering en ellende in mijn buurt nemen toe, mijn vrouw durft ’s avonds niet naar buiten en mijn zoon glijdt af. De minister zet daartegenover dat op papier en in de krant staat dat het veel beter gaat. Laat dat alsjeblieft niet gebeuren.

Minister Ter Horst: Daar hoeft de heer Van Raak niet bang voor te zijn.

De heer Çörüz (CDA): Voorzitter. Ik word regelmatig aan mijn jasje getrokken door CDA-raadsleden en -bestuurders maar ook anderen die zeggen dat er bezuinigd is op de veiligheidsgelden. Dan wijs ik op de Van Montfrans-gelden van 150 mln. extra en vraag ik hun: weet u dat? Eigenlijk ben ik tot op heden niemand tegengekomen die vervolgens instemmend knikte. Wat doet de minister concreet om de onbekendheid met de Van Montfrans-gelden weg te nemen bij raadsleden en anderen?

Minister Ter Horst: Ik vroeg hier even achter de tafel of de bedragen waren toegedeeld of dat deze op grond van aanvraag worden overgemaakt, maar de bedragen zijn gewoon toegedeeld. Ik neem aan dat gemeenten een brief hebben gekregen waarin staat dat zij kunnen rekenen op een paar miljoen of op een paar honderdduizend voor 2010 en 2011. Als aan de heer Çörüz een dergelijke vraag wordt gesteld door raadsleden, dan moet hij hun antwoorden dat zij zich daarover met de burgemeester of wethouder moeten verstaan.

De heer Çörüz (CDA): Voor alle duidelijkheid: gaat het om die 40 gemeenten of om alle gemeenten?

Minister Ter Horst: De 40 gemeenten, de G31 en een aantal gemeenten die daar niet onder vallen maar waar wel sprake is van problematiek. Het geld is voor de bestrijding van overlast, ook van overlast die door specifieke groepen wordt veroorzaakt.

Mevrouw Kuiken heeft gevraagd waarom bepaalde maatregelen niet worden ingezet. Zij vraagt of daarvoor het lef ontbreekt. Ik geloof niet dat dat het geval is. Er is echter een verschil tussen grote en kleine gemeenten. In sommige gemeenten maakt het bestrijden van overlast onderdeel uit van het «normale werk». Het ministerie van BZK en de VNG zijn van mening dat het goed is om gemeenten die niet zo gewend zijn aan maatregelen om overlast te reduceren, daarbij te helpen. Wij stimuleren ook altijd dat er in een regionaal college, het veiligheidscollege waarin gesproken wordt over veiligheid, ook sprake is van kennisuitwisseling. Het is doodzonde als een kleinere gemeente geen gebruik maakt van de mogelijkheden. Om die reden hebben wij ook zogenaamde «praktijkteams» in de aanbieding. Als een gemeente problemen ziet in de zin van overlast die wordt veroorzaakt door allochtone jongeren, dan is er een team deskundigen dat direct kan worden ingezet in de desbetreffende wijk in een gemeente. Dat team bestaat uit mensen die kennis hebben van de problematiek. Je zult maar zo’n kleine gemeente zijn en opeens geconfronteerd worden met iets waarmee je in je leven nog nooit geconfronteerd bent en daarop direct een adequate reactie moeten geven. Om die reden helpen grote gemeenten, helpt de VNG en helpt het ministerie de kleinere gemeenten die daar geen kennis van hebben.

Wij zijn op dit moment ook bezig met het «Handboek Soldaat», zoals ik het maar noem. Dat is bedoeld voor burgemeesters. Het wordt opgesteld door het Nederlandse Genootschap van Burgemeesters en daarin staan alle maatregelen op het gebied van openbare orde en veiligheid, ten behoeve van de burgemeesters. In het handboek staat in welke gevallen die maatregelen kunnen worden ingezet. Verder zijn er allerlei conferenties voor bestuurders. Ik noem als voorbeeld ook het huisverbod. Ik vind dat een aardig voorbeeld. Dat is een nieuw instrument dat tot stand is gekomen aan het begin van deze periode. Als je daar niets mee doet en je verwacht dat iedereen de regeling in het Staatsblad leest, dan schiet dat natuurlijk niet op. Justitie en BZK beschouwen het als hun verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat enerzijds alle burgemeesters in Nederland en anderzijds politie en justitie weten dat het instrument bestaat en op welke manier het kan worden toegepast. Dat zijn twee voorbeelden om aan te geven hoe wij onze rol daarin zien.

Er is gesproken over lef en ik zie dat toch als een element. De ene burgemeester heeft meer lef dan de andere, hetgeen ook geldt voor Kamerleden en in andere beroepsgroepen. In het Nederlands Genootschap wordt ook vaak de discussie gevoerd over wat voor soort burgemeester wij willen. Mijn opvatting daarover is bekend. Ik vind dat een burgemeester vooraan moet staan. Ik vind ook dat een burgemeester op de problemen moet afstappen. Ik vind dat een burgemeester niet moet wegkijken. Binnen het Nederlands Genootschap bestaat er evenwel discussie over of een burgemeester nog wel de rol van burgervader op een goede manier kan spelen als hij te veel de burgemeester uit Swiebertje wordt. «Bromsnor» is niet goed, want dat zou de korpschef zijn. Mijn bedoeling is in elk geval duidelijk.

Mevrouw Kuiken vroeg ook naar de overlastcontracten. Op het punt «wonen» gaat mijn collega straks uitgebreid in. Wij hebben bezien of nieuwe regelgeving nodig is voor het bestrijden van overlast in woningen. Wij hebben geconstateerd dat de Wet Victor, Victoria daarvoor kan worden gebruikt. Niet alle gemeenten zijn daarvan echter op de hoogte. Ook daarover worden de gemeenten actief geïnformeerd: als zich problematiek van die aard voordoet, dan zijn wetten daarvoor te gebruiken. Alle andere dingen rond wonen, laat ik even aan de collega. Dat geldt ook voor de buurtbemiddeling. Ik neem aan dat collega Van der Laan dat punt meepakt.

Ik kom te spreken over de preventieve dwangsom. Dat is juist een van de punten waarmee Jon Schilder vorig jaar kwam. Het idee is om het verbeuren van de dwangsom, een instrument dat in gemeenten wordt toegepast, ook van toepassing te verklaren op overlast rond Oud en Nieuw. Ik vond dat meteen al een interessante gedachte. Dit jaar is die gedachte weer opgekomen. Ik heb mijn mensen gevraagd om dat uit te werken. In welke gevallen kan dat instrument worden gebruikt? Dat kan worden ingezet bij ordeverstorend gedrag, strafbare feiten zoals vernielingen, mishandelingen, openlijke geweldpleging, openbare dronkenschap en overtreding van APV-bepalingen. Uiteraard moet men dan bezien wat in aanmerking komt voor het strafrechtelijke traject en het bestuursrechtelijke traject. Ik heb op dat punt ooit samen met de minister van Justitie een heel interessante notitie aan de Kamer doen toekomen. Het is dan ook vrij helder wanneer het een of het ander wordt gedaan. In sommige gevallen staan beide opties open. Ik vind het interessant omdat het weinig belastend is voor politie en justitie en het wel effectief kan zijn omdat het mensen aantast in de portemonnee. Als iemand zich misdragen heeft, dan kan de burgemeester hem in jaar x een brief sturen en zeggen: als u dat nog een keer doet, verbeur ik een dwangsom. In feite betekent dat dat iemand een boete moet betalen. Dat bedrag kan in hoogte oplopen. De uitwerking daarvan en het informeren van gemeenten daarover nemen wij voor onze rekening.

Mevrouw Kuiken heeft nog gevraagd naar de verzekeraars. Ik weet niet zeker of de minister van Justitie nog terugkomt op de verzekeraars. Ik geef graag aan dat wij in het kader van het programma Veilige publieke taak nagaan of de informatievoorziening aan verzekeraars verbeterd kan worden. Wij zien verzekeraars als organisaties die ingeschakeld kunnen worden bij het verhalen van schade bij agressie tegen hulpverleners. Mevrouw Kuiken zei dat als de schade eenmaal vergoed is door een verzekeraar, er nog weinig reden is om die op de dader te verhalen. Dat zou natuurlijk doodzonde zijn.

Overigens vergat ik nog te zeggen in relatie tot het verbeuren van de dwangsom dat dit instrument in Schiedam is gebruikt bij het bestrijden van woonoverlast. Ik geloof dat er nu een bezwaarprocedure loopt en wij kijken met belangstelling hoe die afloopt.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik kijk ook met belangstelling naar de zaak-Schiedam. Ik volg die nauwlettend. Mijn concrete vraag is wanneer de Kamer geïnformeerd wordt over het voorstel over dwangsommen. Het lijkt mij heel nuttig en heel interessant.

Minister Ter Horst: Dat moet binnen een maand lukken.

De heer Çörüz (CDA): Ik vind het heel goed dat informatie naar de verzekeraars gaat, maar het probleem is volgens mij, en ik ben daar ook tegenaan gelopen in het kader van mijn initiatiefwetsvoorstel, dat er nergens geregistreerd wordt, of het nu uitgaat van het WODC of de VNG, hoewel de gemeente Rotterdam daar nu voorzichtig mee begonnen is. Ik ben met name benieuwd naar de registratie van minderjarigen. Ik kom daar niet of nauwelijks iets over tegen. De minister kan wel spreken over het doorgeven van informatie, maar welke informatie dan?

Minister Ter Horst: Ik bedoel dat wij de verzekeraars betrekken bij het beleid om agressie jegens hulpverleners tegen te gaan. Op het punt van de registratie zal ik een en ander laten nagaan. De politie registreert natuurlijk of er sprake is van strafbare feiten. Uit dat fantastische systeem moet te halen zijn of er sprake is van vernieuwing. Wij gaan het nog even na en als de heer Çörüz het mij toestaat, dan kom ik daar straks nog even op terug. Ik ga ervan uit dat de collega van Justitie ingaat op het voorbeeld dat de heer Çörüz gaf.

De heer Çörüz heeft gevraagd of gemeenten bekend zijn met de maatregelen tegen overlast en verloedering. Ik heb gesproken over de wijze waarop wij dat doen: via brieven, bijeenkomsten en websites worden gemeenten echt geïnformeerd. Als zich specifieke problemen voordoen, dan hebben wij het praktijkteam in de aanbieding.

Mevrouw Griffith heeft gevraagd naar de Van Montfrans-gelden. Ik heb daarop al gereageerd. Zij vroeg of die gelden geoormerkt zijn. Er zijn afspraken gemaakt. De collega van WWI en ik dacht ook van Justitie zijn bij een grote bijeenkomst geweest waarbij het convenant getekend is met de 40 gemeenten. Wij wilden niet op zijn Den Haags een uitgebreide verantwoording vragen van de gemeenten. Wij hebben wel gezegd dat wij willen dat gemeenten met vijf concrete maatregelen komen voor dit jaar en volgend jaar om overlast tegen te gaan. Verder hebben wij afgesproken dat die 40 gemeenten meedoen met de landelijke schoonmaakdag om te laten zien dat het ons ernst is met het tegengaan van overlast, met name van verloedering.

De heer Çörüz heeft gevraagd naar het rapport over Culemborg. Niet de gemeenteraad maar het college komt met een informatienotitie over de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Daarin wordt ook de aanpak uiteengezet. Verder behandelt de gemeenteraad vanavond de veiligheidsanalyse. Terweijde wordt daarin als speerpunt benoemd voor de komende vier jaar. Hiervoor wordt een aparte projectleider benoemd. Nu is de vraag wanneer wij dat rapport van het college van B en W tegemoet kunnen zien.

De heer Çörüz (CDA): Als ik goed ben geïnformeerd, dan is men daar al vanaf september bezig. Wij gaan daarover ook discussiëren. Ik vind het goed dat eerst de gemeenteraad daar erover discussieert.

Minister Ter Horst: Over welk rapport spreekt u concreet?

De voorzitter: Van het college.

Minister Ter Horst: Wij weten niet wanneer dat collegerapport er komt.

De voorzitter: De vraag is eigenlijk of de Kamer dat rapport kan krijgen zodat zij daarvan gebruik kan maken bij het debat over dit onderwerp.

Minister Ter Horst: Ja. Ik neem aan dat het een openbaar rapport is. Ik vind alleen dat wij niet op de stoelen moeten gaan zitten van de burgemeester van Culemborg en de gemeenteraad van Culemborg. Er is echter niets op tegen dat u dat rapport daadwerkelijk krijgt. Nu is het Culemborg en daarvoor was het Gouda, waarmee ik wil zeggen dat wij niet het beeld moeten laten ontstaan dat er nooit meer sprake zal zijn van overlast en rellen. Wij doen er alles aan, samen met gemeenten, om de kans daarop zo klein mogelijk te maken en om ervoor te zorgen dat eventuele overlast en rellen zo snel mogelijk voorbij gaan. Laten wij echter in godsnaam niet doen alsof de overheid omnipotent is en dit soort dingen nooit meer zullen voorkomen.

Dit sluit mooi aan bij de opmerking die ik wilde maken in reactie op wat de heer Çörüz zei over het appel aan burgers. Ik heb een appel op de burgers gedaan naar aanleiding van de jaarwisseling. Ik geloof niet dat het erg veel zin heeft om een moreel appel te doen op degenen die zelf onlusten veroorzaken en overlast geven. Volgens mij heeft het echter wel zin om een appel te doen op de mensen die in de directe nabijheid van die mensen verkeren. Al die relschoppers hebben ouders, waarschijnlijk; in elk geval het grootste deel. Zij hebben vrienden en hopelijk ook vriendinnen, want als zij vriendinnen hebben, dan valt het vaak weer mee met die overlast. Het zijn bijna allemaal mannen, dus ik mag dat zeggen. Lang leve de vrouwen! Er staan altijd mensen omheen. Mijn appel was op hen gericht zodat degenen die om die relschoppers heen staan een rol kunnen spelen in het voorkomen of dempen van de agressie. Overigens gaat veel agressie gepaard met overmatig gebruik van alcohol en drugs. Zoals bekend, richt het kabinet zich op het zoveel mogelijk terugdringen van overmatig alcohol- en drugsgebruik.

In relatie tot de rellen zelf gebruikte de heer Çörüz het woord «beheersbaar». Hij citeerde mij daarbij, maar hij citeerde mij niet volledig. Ik heb namelijk gezegd dat het onrustig was maar beheersbaar. Voorts gebruikte hij de term «van de gekke». Ik zal niet zeggen dat hij daarmee plagiaat pleegt, maar precies die term gebruikte ik ook. Ik heb gezegd dat het van de gekke en absurd was dat er bij een feest als Oud en Nieuw zoveel politie-inzet noodzakelijk is. Ik hoef daar verder weinig aan toe te voegen. Volgens mij heb ik hiermee gereageerd op de vragen van de heer Çörüz.

Ik kom vervolgens toe aan de opmerkingen van de heer Van Raak. Hij heeft mij gevraagd of ik ook vind dat de bezuinigingen op de politie de aanpak van overlast en verloedering belemmeren. Nee, dat vind ik niet. Dit debat hebben wij al heel vaak gevoerd. Het kabinet heeft besloten om te bezuinigen op de politie. De Tweede Kamer heeft dat in meerderheid aanvaard. De inzet van deze minister en van de collega is om de bezuinigingen niet ten koste te laten gaan van blauw op straat en ook niet van de aanpak van overlast en verloedering. Ik zeg nogmaals, en ik ben blij dat de heer Van Raak dat in dit debat ook deed, dat er voor een gemeente veel meer mogelijkheden zijn om overlast en verloedering tegen te gaan naast de inzet van politie. De meeste gemeenten maken daarvan ook gebruik. De heer Van Raak wees er zelf al op dat er in veel gemeenten straatcoaches zijn en dat er allerlei projecten zijn waardoor er buiten de politie in uniform veel mensen in uniform zijn die er mede voor zorgen dat overlast wordt tegengegaan. Het is dus niet alleen maar politie, maar veel meer dan dat. Elke zichzelf respecterende gemeente heeft een integraal veiligheidsplan. Ik houd niet van het woord «integraal» maar het geeft wel goed aan dat het niet alleen maar over politie gaat, maar over veel meer dan dat.

De heer Van Raak heeft gelijk als hij verwijst naar de ggz. Het is absoluut waar dat er in gemeenten mensen rondlopen die overlast veroorzaken, die niet alleen met harde maatregelen, zoals overigens ook het SCP heeft geconstateerd, op het rechte pad zijn te krijgen. Er zijn mensen die ontoerekeningsvatbaar zijn en niet-aanspreekbaar zijn. De ggz heeft daarin absoluut een verantwoordelijkheid. De heer Van Raak heeft gevraagd of de minister bereid is om de opvang van psychiatrische overlastgevers beter te regelen. Ik ben in overleg met de minister van VWS – het is zijn eerste verantwoordelijkheid – over het geven van meer instrumenten aan gemeenten om deze overlastgevers goed aan te pakken.

De heer Van Raak (SP): Het gaat mij vooral om het volgende. Een politieman of -vrouw krijgt de melding: er loopt een gek op straat die de zaak loopt te verstieren. Die persoon kan slechts voor een deel verantwoordelijk worden gesteld voor zijn gedrag. Hij wordt opgepakt en met de auto vervoerd naar een cel. Daaruit volgt een hoop papierwerk. De GGD of de jeugdzorg worden erbij gehaald. De GGD zegt vervolgens: wij hebben geen tijd, wij kunnen deze meneer of mevrouw niet meenemen en deze persoon past niet binnen onze kaders, onze administratiebureaucratie. Zo’n persoon kan niet in een cel blijven, want die meneer of mevrouw hoort daar niet. Die komt dus weer op straat. Agenten willen dergelijke personen ergens «kwijt kunnen», om het oneerbiedig te zeggen. De politie is al het afvalputje van alle problemen in de samenleving. Als de school, de GGD, de jeugdzorg, de gemeente of de horecaondernemer falen, dan komt het op het bordje van de politie. Die zit met die gekken. Zij willen die gekken ook niet terugsturen naar de buurt. Waar kunnen de gekken terecht?

Minister Ter Horst: Dit is geen nieuw probleem. Niet alleen politieagenten maken hier melding van; in veel gemeenten wordt nadrukkelijk gesproken tussen burgemeester en met name ggz. Mijn inzet hierin is dat psychiatrische patiënten niet thuishoren in een politiecel. Zij horen gewoon niet in een politiecel thuis, maar zij komen daar nog wel terecht. Ik vind dat de burgemeester het initiatief moet nemen tot gesprekken met de ggz en de politie om de problematiek op te lossen. Amsterdam is hiervan een goed voorbeeld. Die gemeente is jarenlang bezig geweest om zo ver te komen. Als daar sprake is van overlast en ook maar de geringste indicatie bestaat dat het om iemand gaat die niet in een politiecel hoort, dan gaat daar vanuit de GGD iemand naartoe. Die persoon bepaalt welke problematiek aan de orde is en welke organisatie daarop af moet gaan.

De heer Van Raak (SP): Ik ken het voorbeeld van Amsterdam. Ik hoor daar ook goede geluiden over, vooral omdat er een probleemeigenaar wordt aangewezen. Dat moet niet alleen in Amsterdam gebeuren. Overigens gebeurt het ook niet altijd daar, maar het gaat relatief goed. De minister kan niet volstaan met een algemene oproep. Zij is minister. Zij mag het ook niet afschuiven op de gemeenten. Hoe kan de minister, de regering, ervoor zorgen dat voor deze groep, die veel overlast en verloedering in de wijken veroorzaakt, een probleemeigenaar komt? Wij moeten dat niet aan de gemeenten overlaten. Daarvoor moet landelijk beleid komen.

Minister Ter Horst: Ik begrijp dat ik het aanspreekpunt van de heer Van Raak ben. Ik weet niet waar ik dat aan verdiend heb, maar dat ben ik nu eenmaal. Dat wil echter niet zeggen dat ik als minister van BZK alle problemen kan oplossen. In de oplossing die in Amsterdam is gevonden is duidelijk wie de verantwoordelijkheid draagt. De gemeente zelf zorgt dat er bij de GGD, de gemeentelijke gezondheidsdienst, bereidheid is om een deel van de oplossing te bieden. Verder ligt er een verantwoordelijkheid bij de ggz. In Amsterdam is een voorziening tot stand gebracht waardoor er in crisissituaties een bed is voor de persoon waarop de heer Van Raak doelt. Daar ligt de verantwoordelijkheid. Ik ben bereid om mijn verantwoordelijkheid te nemen, maar ik kan het probleem niet oplossen. Mijn verantwoordelijkheid ligt in het oproepen van burgemeesters om het probleem aan te pakken, waarbij de GGD een rol kan spelen. Bovendien overleg ik met de collega van VWS over de rol die de regering daarin kan spelen.

De voorzitter: Ik verzoek de minister om door te gaan zodat ook de andere bewindspersonen het woord kunnen krijgen.

Minister Ter Horst: Dat zal ik zeker doen. Mevrouw Griffith heeft gevraagd naar de praktijkteams: hoe zit het daar nu mee? Er zijn zes praktijkteams ingezet voor de periode van één jaar, in Drenthe, Kennemerland, Noord-Holland-noord, Zuid-Holland-zuid, Utrecht en Schiedam. Zij zijn actief op de terreinen alcohol en jeugdoverlast. Er zijn twee acute praktijkteams; de zes die ik noemde, zijn structureel voor een jaar ingesteld. De twee acute praktijkteams, in Culemborg en Roermond, zijn gericht op de problematiek van Marokkaans-Nederlandse jongeren.

Mevrouw Griffith heeft gevraagd naar de intensivering en de verfijning van maatregelen, na haar constatering dat er geen nieuwe maatregelen nodig zijn. Intensivering en verfijning van maatregelen vindt plaats in het kader van het manifest – het was geen convenant, sorry – met de 40 gemeenten. Inspanningen gericht op het terugbrengen van fysieke verloedering worden geïntensiveerd met de Schoonmaakdag. Er zijn landelijke communicatiecampagnes en er worden diverse bijeenkomsten gehouden van het CCV met gemeenten om een effectievere aanpak te realiseren en om de inzichten die uit dat SCP-rapport daadwerkelijk te bespreken zodat het rapport niet op onze tafel blijft liggen maar daadwerkelijk met gemeenten wordt gedeeld.

Ik hoop dat ik de vragen van de Kamer adequaat heb beantwoord.

De voorzitter: Ik dank de minister van BZK en geef het woord aan de minister van Justitie.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik sluit mij uiteraard aan bij wat mijn collega al heeft gezegd, ook over de algemene context van de aanpak van overlast en verloedering. Wij zijn allebei blij dat het rapport van het SCP aantoont dat wij de goede weg zijn ingeslagen. Dat is een aanmoediging, niet alleen voor ons en de Kamer, maar ook voor degenen die werken in de organisaties waarvoor wij direct en indirect verantwoordelijkheid dragen, om op de ingeslagen weg door te gaan. Wij weten dat er twee kanten aan zitten. Het is goed dat dit resultaat is bereikt en dat het zo uitwerkt, maar er staat ons ook nog veel werk te doen. Wij gaan daar met onverminderde energie mee verder. Ik richt mij nu in het bijzonder op de overlastgevende criminaliteit en merk daarbij op dat het belangrijk is wat het SCP opmerkt over de beleidsuitgangspunten die wij hebben gehanteerd in het project Veiligheid begint bij voorkomen. Ik wijs met name op de persoonsgerichte aanpak, waarover wij meermalen met de Kamer hebben gesproken, waarin straf, preventie, zorg en begeleiding worden gecombineerd. Ik wijs erop dat naast een strikte handhaving van en een duidelijke reactie op crimineel en overlastgevend gedrag ook aandacht wordt besteed aan achterliggende problemen, de gezinsproblematiek en de psychische problematiek, waarover de heer Van Raak terecht een aantal opmerkingen maakte. Ik heb er al eerder op gewezen dat detentie alleen zin heeft als deze wordt ingebed, samengaat en overgaat in resocialisatie en begeleiding. Geen kale insluiting meer zonder begeleiding en nazorg; daar zijn wij vanaf. Dat wordt ook expliciet bevestigd in het rapport van het SCP. Het is goed om dat te weten en een aanmoediging om daarmee verder te gaan. Ik wijs ook op wat de staatssecretaris van Justitie eerder met de Kamer heeft besproken over de manier waarop wij het penitentiaire werk willen inrichten. Voorts zijn er uiteraard de gelegenheidsbeperkende maatregelen; in dat verband moeten wij onderkennen hoe het in de straatcultuur bij sommige jongeren uitwerkt om losgelaten te worden op elkaar en op de samenleving. In relatie tot de psychische problematiek is ook van belang, zo zeg ik in aanvulling op wat mijn collega zei, dat er een betere aansluiting wordt bewerkstelligd tussen het justitieel kader en het ggz-kader, bij jongeren en bij jong-volwassenen in het bijzonder. Daarop zijn twee wetsvoorstellen gericht die in een samenwerking tussen VWS en Justitie zijn voorbereid. Die hebben enerzijds betrekking op de forensische psychische zorg en anderzijds op wat er in de plaats komt van de Wet BOPZ.

Het rapport van het SCP bevat dus echt belangrijke inzichten. Wij verbinden die aan een paar wetsvoorstellen die in procedure zijn. Het wetsvoorstel maatregelen voetbalvandalisme ligt bij de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel over de vrijheidsbeperkende maatregelen door het rechterlijk gebiedsverbod, waarover zo-even is gesproken, is in consultatie. Op het punt van de verruiming van de toepassing van de bijzondere voorwaarden hebben wij nu de mogelijkheden die verbonden zijn door de eervorig jaar in werking getreden vervanging van de automatische, vervroegde invrijheidstelling door de voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarop volgt het wetsvoorstel over de aard en inhoud van de voorwaarden die in die situaties kunnen worden gesteld. Het komt nu aan op de uitvoering en de organisatorische randvoorwaarden. Daar hoort ook het landelijk dekkende netwerk van veiligheidshuizen bij dat volgens plan vorig jaar is gerealiseerd.

De op de persoon gerichte aanpak werkt en rendeert, ik zou haast zeggen «ook letterlijk». Ik noem als voorbeeld de grootste fietsendief van Roermond die door inspanningen van de partners op een ander spoor is gebracht, zijn schulden afbetaalt en in aanmerking komt voor een zelfstandige woning. Dat is een mooie verbinding tussen straf en preventie. In Rotterdam worden de APV-boetes gestapeld zodat de officier van Justitie in de combinatie van het voorleggen van verschillende, op zichzelf kleinere zaken een hogere straf kan eisen. Dat zijn concrete voorbeelden van hoe de op de persoon gerichte aanpak in praktijk wordt gebracht.

De vraag van mevrouw Kuiken of de beschikbare middelen in samenhang worden ingezet, kan ik bevestigend beantwoorden, met de organisatorische context en met veiligheidshuizen en de manier waarop daarin wordt gewerkt. In reactie op de suggestie in combinatie met wat mevrouw Kuiken vandaag naar voren bracht en wat de heer Heerts in een ander verband naar voren heeft gebracht, zeg ik het volgende. Ik heb al gezegd dat wij op basis van het wetsvoorstel dat mijn collega en ik binnenkort in de Eerste Kamer hopen te verdedigen ook naar dit soort preventieve maatregelen kijken. Het is evenwel niet onze bedoeling om dat op de een of andere manier in het model van een minimumstraf of maatregel vast te leggen. Ik denk dat wij dan op allerlei problemen stuiten van bedenkingen tegen de proportionaliteit. Het vooraf zeggen, los van de beoordeling van het geval, dat iemand vijf jaar lang met Oud en Nieuw zijn huis niet uit mag, stuit op een proportionaliteitsprobleem. Als het zo bedoeld is – ik zie inmiddels non verbale tekenen dat het niet zo bedoeld is – dan moet ik dat voorstel ontraden.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Het gaat mij meer om de mogelijkheid van een bijzondere voorwaarde, omdat wij die nu in principe niet kennen. Ik zeg niet dat er een minimum of maximum moet komen, maar dat degenen die zich bijvoorbeeld dit jaar en vorig jaar of vorige jaren niet hebben weten te gedragen in de nieuwjaarsnacht, een x-aantal jaar geen feestje meer mogen bouwen en thuis gedetineerd worden.

Minister Hirsch Ballin: Dank voor deze toelichting. Ik heb aangegeven welke mogelijkheden tot gebiedsbeperkingen en dergelijke er op grond van het wetsvoorstel komen, dat bij de Eerste Kamer aanhangig is, en op grond van het andere voorstel dat nu in consultatie is.

De heer Çörüz heeft gevraagd naar mijn opvatting over de zogenaamde patseraanpak of cabriomethode of welk symbool je ook wilt gebruiken voor criminele welstand waarin dient te worden ingegrepen. Zoals de Kamer weet, vind ik dat buitengewoon belangrijk. Het gaat om één voorbeeld naast andere van het opsporen van crimineel vermogen. Daarbij hoef je niet alleen te denken aan degenen bij wie het om vele miljoenen gaat. Je kunt ook denken aan degenen die op kleinere schaal crimineel actief zijn, maar wel zichtbaar en dus op een manier waardoor het zin heeft om tot ontneming over te gaan. Ook hen kun je laten voelen en zien dat misdaad niet mag lonen. Er is nog een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in behandeling. Haar stuur ik binnenkort een nota naar aanleiding van het verslag over de verbetering van de aanpak van het ontnemen van criminele vermogens. Dat is een van de manieren waarop wij die inzet verder willen versterken. De heer Çörüz heeft helemaal gelijk dat daarmee ook zichtbare, maatschappelijk voelbare resultaten worden geboekt. Dat is eigenlijk ook een voorbeeld van de op de groep én de op de persoon gerichte aanpak. Daar sprak de heer Çörüz over. Die typen aanpak sluiten elkaar niet uit. Het is dus niet of, of, maar en-en. Het gaat zowel om het beïnvloeden van de manier waarop iemand in het leven staat, zich misdraagt, criminele gedragspatronen ontwikkelt, als om het dwingen van die persoon tot het aannemen van een andere houding, een ander gedragspatroon. Het gaat daarnaast om het onderkennen van de groepsaspecten die eraan kleven, met name bij de criminaliteit en het wangedrag die je op straat kunt zien. Daar ben ik het zeer mee eens.

De heer Çörüz (CDA): Ik wil nog even terug naar die aanpak. Laten we beginnen bij de persoonsgerichte aanpak, ook via de veiligheidshuizen, want die lijkt mij goed. Er zijn alleen jongeren die een gigantisch cv hebben en met wie alles is geprobeerd, vaak zelfs heel dure behandelingen. Je kunt zeggen dat er met hen geen land te bezeilen is. Wat dan te doen? Mijn keuze zou zijn dat er dan aan de slag wordt gegaan met de jongeren die gemotiveerd zijn en niet met degenen met wie geen land te bezeilen is. Met hen hebben we dan al heel veel geprobeerd. Dat heeft heel veel geld gekost. Wat vindt de minister van dergelijke situaties? Daar zijn er toch ook aardig veel van?

Minister Hirsch Ballin: Ja. Daarbij geldt dat je het moment moet zien te vermijden waarop je die jonge mensen eigenlijk afschrijft als potentiële leden van de samenleving. Er zijn, zoals bekend, situaties waarin de psychische problemen zo ernstig zijn dat, nadat er gedurende langere tijd geprobeerd is om via terbeschikkingstelling tot verbetering te komen, uiteindelijk slechts de long-stay overblijft. Ik zou dat echter zeker waar het jonge mensen betreft, tot het uiterste minimum willen beperken. Ik herken wel het soort waarnemingen waarop de heer Çörüz doelt, maar ik denk dat die voor ons eigenlijk eerder een reden moet zijn om nog meer werk te maken van het diagnosticeren en behandelen van de onderliggende psychische problemen. Als jonge mannen eigenlijk onbehandelbaar en dus onverbeterlijke gevallen lijken te zijn, is er vermoedelijk iets zeer ernstigs in psychische zin met ze mis. Op dat punt is er nog meer werk te doen. De jeugd-ggz en de ggz in het algemeen zijn in onze ogen steeds voor verbetering vatbaar. Dit is uiteraard ook onderwerp van gesprek met mijn collega’s van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op dat vlak worden interessante initiatieven ontwikkeld. Die hopen we mede te ondersteunen dankzij de nieuwe wetgeving. Zo is bij de ggz in Leiden, waar ik binnenkort met collega Bussemaker, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op bezoek hoop te gaan, de verbinding tussen deze factoren effectief gelegd. Ik denk dat dit het antwoord moet zijn op de gevallen die we tot nu toe tegenkomen en zich aandienen als onverbeterlijk.

De heer Çörüz (CDA): Ik vond in dit verband de Wet gedragsbeïnvloedende maatregelen zo goed. In januari 2008 is daarmee begonnen. We hebben er nog aan gesleuteld. Vooral de combinatie van behandeling met detentie, scholing en toeleiding tot werk vond ik mooi, maar ik hoor uit het veld dat rechters die maatregelen weinig inzetten omdat zij er wellicht niet voldoende bekend mee zijn. Wil de minister aangeven hoeveel er van dergelijke strafmaatregelen waarbij er een combinatie van een aantal zaken optreedt, er nu, na enkele jaren, dus nu de onbekendheid zou moeten zijn weggenomen, zijn opgelegd? Juist het feit dat die buiten de jeugdgevangenis konden worden opgelegd, was het mooie eraan, maar ik hoor dat er veel te weinig van terechtkomt.

Minister Hirsch Ballin: Wij volgen dit nauwlettend. In het hoofdstuk «Veiligheid begint bij voorkomen» wordt daarop op bladzijde 36 van de tweede voortgangsrapportage ingegaan. Wij hebben onderkend dat het aantal toepassingen van de gedragsbeïnvloedende maatregel is achtergebleven bij de verwachtingen en dus ook bij de mogelijkheden. Dat ligt er gedeeltelijk aan dat men gebruikmaakt van de andere bestaande mogelijkheden die als min of meer equivalent kunnen gelden. De factor van onbekendheid speelt er ook een rol in. Een ander element daarin is de mogelijkheid om aan de rechters die moeten beslissen, met behulp van de reclassering een voorstel voor te leggen dat helemaal aan de doelstellingen van deze wet beantwoordt. Daarvoor blijken ook een paar institutionele complicaties te zijn. Daarop moeten we een antwoord geven. De heer Çörüz is ook woordvoerder jeugdbeleid. Er zijn nog gesprekken die collega Rouvoet en ik met de Tweede Kamer in een gedeeltelijk andere samenstelling moeten aangaan over hoe verder te gaan in de verhouding tussen de gesloten jeugdinrichtingen die onder de zorg van collega Rouvoet vallen en de justitiële jeugdinrichtingen waarin volgens de opvatting die zich heeft uitgekristalliseerd, de gedragsbeï

De heer Van Raak (SP): In dit geval zie je het probleem dat de moeilijke gevallen, dus de jongeren die niet aanspreekbaar zijn omdat ze geen morele standaard hebben en die ook niet kunnen hebben omdat ze vaak psychische problemen hebben of gek zijn, blijven rondzwerven langs instanties en instellingen zoals de politie, de ggz, het onderwijs, de gevangenis enzovoort. Je kunt het zo gek niet bedenken. Telkens krijgen zij te maken met andere personen, andere verhalen en andere eisen. Het probleem is de bureaumentaliteit waardoor je ervoor zorgt dat de moeilijkste gevallen die jij ook niet zo maar kunt oplossen, zo snel mogelijk op een ander bureau komen te liggen, zodat jouw record schoon is en je cijfers op orde zijn. Dat is natuurlijk het probleem; niet dat we te weinig mensen hebben die zich met problemen bezighouden, er te weinig geld is en zeker niet dat er te weinig regels zijn. Het gaat om probleemeigenaren. Ik zie weer wetten en overleggen, maar hoe gaan wij ervoor zorgen dat er een probleemeigenaar komt voor de moeilijkste gevallen waarvan wij allemaal het meest last hebben en die het meest last hebben van zichzelf? Hoe gaan wij ervoor zorgen dat er een probleemeigenaar komt die de problemen van hen gaat oplossen?

Minister Hirsch Ballin: Ik herken wat de heer Van Raak beschrijft voor een groot deel. Ik wil een nuance aanbrengen in de opmerking dat mensen een gevoel van opluchting ervaren als anderen erop kunnen worden aangekeken. Dat komt voor, maar mensen kunnen zich er ook zeer ongemakkelijk door voelen. Dat heeft in de praktijk geleid tot initiatieven voor verbetering, die ik evenzeer wenselijk vind als de heer Van Raak. We zien eigenlijk – dit wordt weerspiegeld in de opmerkingen die de heren Van Raak, Çörüz en anderen deze ochtend hebben gemaakt – dat er inmiddels behoefte bestaat aan een soort verdere ontwikkeling na de aanpak die we in de veiligheidshuizen gestalte hebben gegeven en die zich afspeelt op het terrein van de zorg. Ik heb er bij meerdere gelegenheden op gewezen dat de ervaringen met het Veiligheidshuis dat inmiddels de langste periode van werking heeft, het Tilburgse Veiligheidshuis, zeer positief zijn. Interessant is dat daar ook het eerst het initiatief is genomen tot een soort tweede fase in de ontwikkeling van deze werkwijze door namelijk in hetzelfde gebouw als het Veiligheidshuis een zorghuis in te richten. Daar kunnen de instanties die de heer Van Raak net opsomde en in beeld bracht, met elkaar afstemmen wat er aan ggz, aan maatregelen van jeugdzorg en anderszins nodig is. Deze manier van afstemmen is vergelijkbaar met hoe het gebeurt in de psychische zorg. Er hoeft geen strafrechtelijke aanleiding te zijn. Ik vind dit een heel interessante gedachte en daarom heb ik die natuurlijk ook bij de betrokken collega’s op dit terrein onder de aandacht gebracht, dus bij de collega’s van Jeugd en Gezin en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Wij moeten daar zeker een verdere ontwikkeling in doormaken.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Tilburg biedt inderdaad gecombineerde zorg-/veiligheidshuizen. Gelukkig zijn er al meer voorbeelden van. Het kabinet heeft zichzelf nu tot doel gesteld om overal, ook regionaal, veiligheidshuizen te bouwen. Is het nu ook officieel het doel van het kabinet om te komen tot gecombineerde zorg-/veiligheidshuizen, juist omdat die zo belangrijk zijn en omdat de scheidslijn zo dun is?

Minister Hirsch Ballin: Ik ben niet voor gecombineerde zorg-/veiligheidshuizen als één instantie, want dan krijg je een voor de zorgsector onacceptabele vermenging van strafrechtelijke aspecten en puur niet-strafrechtelijke aspecten, dus van mensen die wel en mensen die geen overlast bezorgen. Wel wens ik een goede afstemming. Deze gedachte en mijn bekendheid met het soort initiatieven dat in Tilburg genomen is, heb ik, zoals ik net zei, onder de aandacht gebracht van de collega’s die hierbij betrokken zijn. Het lijkt mij alleszins wenselijk dat wij op dit terrein een vergelijkbare ontwikkeling krijgen.

De voorzitter: Mag ik, gelet op de tijd, aan de Kamerleden vragen om de minister van Justitie zijn verhaal te laten afmaken? De minister voor WWI zit hier ook nog.

Minister Hirsch Ballin: De heer Çörüz heeft gevraagd naar de mogelijkheden van supersnelrecht. Beperkte toepassing vanwege een bepaalde attitude lijkt mij niet de goede verklaring. Ik sluit niet uit dat dit wel eens een rol speelt, maar het Openbaar Ministerie heeft wel gestreefd naar toepassing van supersnelrecht. Bovendien heb ik de indruk op grond van de voorlopige rapportage die ik heb gekregen naar aanleiding van de oud- op nieuwnacht dat het is gelukt om het supersnelrecht toe te passen op de gevallen die zich daarvoor lenen en om in andere gevallen snelrecht toe te passen. De doelstelling is natuurlijk in wezen dezelfde.

De heer Van Raak vroeg naar de nazorg. Op zijn punten ben ik inmiddels ingegaan.

Het onderwerp nazorg aan ex-gedetineerden zal uiteraard ook bij het algemeen overleg over de tweede voortgangsrapportage in februari aan de orde komen.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter, ik vraag toch nog eenmaal het woord, omdat één punt onvoldoende naar voren is gekomen: de verzekeraars en de schade. De heer Çörüz en ik hebben daar vragen over gesteld.

Minister Hirsch Ballin: Mijn collega had daar al zulke behartigenswaardige dingen over gezegd.

De voorzitter: We willen kijken of het kabinet met één mond spreekt.

Minister Hirsch Ballin: Ik sluit mij volledig aan bij de opmerkingen van mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Welke vragen liggen er nog?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik begrijp dat deze ministers in ieder geval altijd met één mond spreken, maar ik heb de specifieke vraag of er belemmeringen zijn. De korpschefs zeggen dat vanwege het feit dat zij juridische problemen zien, het niet overal is toegevoegd.

De heer Çörüz (CDA): Mijn punt was dat ik een appel op de burgers oké vind, maar dat er ook een appel op de verzekeraars en op de overheid moet worden gedaan als burgers optreden zoals die student die zo aardig was om zijn auto aan te bieden aan die oude vrouw en dus zijn verantwoordelijkheid nam, maar vervolgens geen cent van de verzekering kreeg toen het dak van zijn auto moest worden open gezaagd. Hoe gaan wij dat invullen?

Minister Hirsch Ballin: Juridische belemmeringen zie ik niet. Wij stimuleren het aanspreken van daders op het punt van de schade die zij hebben aangericht. Een probleem in de zin van juridische belemmeringen of van verzekeraars die het erbij zouden laten zitten, is tot op heden niet aan mij gemeld, maar ik betrek het punt graag bij het eerstvolgende Nationale Platform Criminaliteitsbeheersing, waar ook de verzekeringsbranche een rol in speelt. Dat zij het schadeverhaal maar laten zitten, is natuurlijk niet uitgesloten, omdat zij natuurlijk ook hun doelmatigheid daarin betrekken. Ik zal ze in de volgende NPC-vergadering graag aanmoedigen, ook met het oog op het algemeen belang, om het er niet bij te laten zitten.

De voorzitter: Dank u wel, minister. Minister voor WWI, ik was kort door de bocht door te zeggen dat u er ook nog zat. Ik wil natuurlijk recht doen aan uw aanwezigheid en u de ruimte geven om in te gaan op alle vragen die de Kamerleden hebben gesteld. Het woord is aan u.

Minister Van der Laan: Voorzitter. Wees ervan overtuigd dat ik er helemaal niet vanuit ging dat u verbaasd was dat ik er nog zat, maar dat het om dat respect ging. Ik dank u nogmaals. Er liggen nog een paar dingen op het terrein van WWI. Ik wil even beginnen met het herhalen van het compliment dat collega Ter Horst in haar schriftelijke reactie op het zwartboek heeft gemaakt. Dat is natuurlijk een heel goed initiatief geweest met veel boter bij de vis in de vorm van de aanbevelingen van mevrouw Kuiken. Ik ben natuurlijk blij dat de Kamer zich op haar beurt serieus genomen voelt door onze inhoudelijke reactie. Concreet is gevraagd wanneer de handreiking klaar is die de VROM-Inspectie samen met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de VNG aan het opstellen is. Dat is aan het begin van het tweede kwartaal van 2010 en natuurlijk zo snel mogelijk het geval. De vertraging wordt wellicht veroorzaakt doordat de handreiking op basis van promotieonderzoek van iemand van de Universiteit van Groningen wordt opgesteld. Ik wil niet zeggen dat je per definitie vertraging hebt als je promotieonderzoek doet, al herkennen velen van ons dat misschien wel. In ieder geval wordt er echt met heel veel energie aan gewerkt. Ik heb inmiddels diverse handreikingen van de VROM-Inspectie gezien en die zijn altijd van topkwaliteit. Dat durf ik hier wel te zeggen. Wilt u meer informatie over de vraag waarom die tijd ervoor nodig is, dan kan ik die natuurlijk geven.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik ben verbaasd, omdat de minister eerder aangaf dat die handreiking in het eerste kwartaal klaar zou zijn.

Minister Van der Laan: Dat heb ik niet in de brief gesteld.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Dan was het mondeling. Ik verkeerde in ieder geval in de veronderstelling dat die veel eerder zou komen. Nu begrijp ik dat die langer op zich laat wachten vanwege een aantal wetenschappelijke zaken. We kunnen geen ijzer met handen breken, maar mag ik u wel vragen dat de zaken die al mogelijk en geregeld zijn, zo snel mogelijk gecommuniceerd worden, zodat gemeenten in ieder geval aan de slag gaan en niet op hun handen hoeven zitten totdat de handreiking gereed is?

Minister Van der Laan: Er zijn heel veel van dat soort communicatiemomenten gepland. De kern van uw terechte vraag betreft communicatie over wat er allemaal al is. Daar draait het ook om. Ik sluit mij dus helemaal aan bij wat minister Ter Horst daarover zei. Vaak is de instrumentenkist al behoorlijk royaal gevuld, maar dringt de kennis daarover niet overal op dezelfde manier door. Zo vroeg u zelf ook waarom instrumenten te laat worden ingezet en noemde u al een reeks oorzaken. Soms weet men het gewoon niet. Als minister die de problemen met Marokkaanse jongeren samen met de ministers Ter Horst, Hirsch Ballin en Rouvoet coördineert, ben ik in eerste instantie ook heel erg geïmponeerd geraakt door alles wat er al was, maar wat ik niet kende en anderen niet bleken te kennen. We doen het dus liever goed. Ik moet eerlijk zeggen dat de ministers Ter Horst, Hirsch Ballin en ik bij alles wat er gedaan wordt denken: we kunnen het beter goed doen in het tweede kwartaal dan dat we stukjes informatie gaan geven in het eerste kwartaal. Dat is mijn idee.

Uw vraag over de stok achter de deur bij de bemiddeling heeft minister Ter Horst volgens mij aan mij doorgespeeld. Zoals wij de Kamer geschreven hebben, zijn wij natuurlijk enthousiast over het verschijnsel van bemiddeling, omdat het echte vrede maakt en omdat de oorzaken van overlast of van het feit dat mensen slordig ten opzichte van elkaar zijn, vaak schuilen in de normen en waarden waar de heer Çörüz het over had. Dan kan bemiddeling leiden tot een werkelijke oplossing van problemen en dus tot die respectvolle bejegening. Je kunt het alleen niet afdwingen. Je kunt hooguit in zo’n raket trappen bouwen en de mensen duidelijk maken dat er andere middelen in beeld komen als ze er niet aan willen meewerken. In die zin heb je dus wel drangmogelijkheden, maar de kern van bemiddeling is dat het vrijwillig is. Daar ontleent het haar kracht aan. Die moet je ook niet aantasten met dwang.

Mij is gevraagd naar het antioverlastcontract. Ik meen dat minister Ter Horst daar wel al op ingegaan was. Voor zover er toch nog vragen zijn, kan ik zeggen dat ik niet goed zie hoe het juridisch mogelijk is om een contract, waarvan de essentie wilsvrijheid is, te sluiten met iemand die zich als een koper in de buurt vestigt. Dat kan natuurlijk gemakkelijker bij huurders. Het is wel goed om vooruitlopend op de beantwoording van de vragen van de heer Van Raak te zeggen dat een van de goede dingen die de woningcorporaties juist doen, is dat ze vaak aan mensen die problemen hebben veroorzaakt in het verleden, woningen verhuren en daarbij niet alleen een huurcontract afsluiten, maar ook een contract om een opleiding te volgen en een heel specifiek contract om van overlast af te zien, in allerlei extra opzichten dan het normaal in een huurcontract staat. Daar kan het dus zeker wel. Niet valt af te dwingen dat iemand die zich als buurtbewoner ergens vestigt, een contract met de overheid sluit. Dat is natuurlijk ook niet de focus. Wij hebben onze bestuursrechtelijke instrumentenkist. Daarover heeft minister Ter Horst gesproken.

Gevraagd is of kopers in een opeenvolgende reeks in het ergste geval kunnen worden ontruimd. Dit was een van de voorname punten uit de aanbevelingen. Uiteindelijk kan het wel. Schiedam is een aardig voorbeeld van hoe je die reeks in ieder geval inzet. Het is ook in de praktijk mogelijk om het iemand gewoon feitelijk onmogelijk te maken om ergens nog te komen met de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom, maar mij lijkt het goed als wij eerst het hele overzicht in de handreiking zien en daarna hierover praten. Dit zei minister Ter Horst ook al. Ik ben het daar vanuit WWI mee eens. Hiermee is natuurlijk niet ontkend dat we een ernstig probleem hebben, maar of het verbinden van onteigening aan overlast nu een onderstreping is van het in Nederland geldende subsidiariteitsbeginsel, weet ik niet.

Mijnheer Çörüz, ik heb u al gezegd dat ik het met u eens ben over het respect. Verder stelde u, meen ik, geen vraag die op het terrein van WWI lag. De heer Van Raak deed dat wel. Daarom ga ik hem nu serieus nemen en beantwoorden, hoe fundamenteel ik het ook met een flink aantal dingen die de heer Van Raak zei, oneens ben. Kort kan ik zeggen dat minister Ter Horst gewoon gelijk heeft als zij verwijst naar de cijfers over overlast in die 40 wijken, om ze zo maar even te noemen. Die overlast wordt heel erg nauwkeurig gemonitord. Er stond een zeer accuraat artikel over in NRC Handelsblad. Minister Ter Horst verwees er al naar. Ik hoop dat we het allemaal leuk vinden. De cijfers op het gebied van leefbaarheid gaan werkelijk vooruit. 35% van de buurten en straten in de 40 wijken vertonen langzaam maar zeker een gestaag positieve ontwikkeling. Het is natuurlijk de bedoeling dat dit in al die wijken gebeurt en eigenlijk ook in alle 150 wijken die lijken op die 40 wijken. Uiteraard mag u daaraan toevoegen: in heel Nederland moet het die kant op gaan. Dit was in ieder geval een correcte verwijzing van minister Ter Horst. Er is dus wat dat betreft geen papieren werkelijkheid. Ik kan ook voorbeelden aanhalen. Dan zit ik op het terrein van bijvoorbeeld collega Hirsch Ballin, maar alleen omdat hij waarschijnlijk te bescheiden is om te zeggen hoe goed het gaat. De politie in Amersfoort overlegt aan de wijktafel met bewoners over waar er moet worden gesurveilleerd, zodat het zo goed mogelijk gebeurt. In Rotterdam overleggen ze over het tijdstip waarop het best kan worden gesurveilleerd. Dit zijn kleine voorbeelden van zeer goede samenwerking. Ze hebben echt effect, net als de pandjesbrigade in Den Haag en de Vereniging van Eigenaars 010 in Rotterdam. Wees blij dat ik geen lijstje van de kwaliteit ga oplezen, want dan zitten we hier echt nog tot één uur.

Als coördinerend minister van de aanpak van Marokkaanse jongeren zeg ik nog even in aanvulling op wat collega Hirsch Ballin daarover heeft gezegd dat ik ook vanuit die verantwoordelijkheid heel nieuwsgierig ben naar wat de heer Van Raak mijns inziens wel heel terecht zei, al deed hij dat een beetje hard: dat goed bij het hoofd zijn. Je ziet in de eenvoudige hulpverlening een enorme ondervertegenwoordiging van die groep en je ziet in de psychiatrische hulpverlening zeven keer oververtegenwoordiging van die groep. Daarin heeft de heer Van Raak helemaal gelijk. Dat is onder de aandacht bij Justitie en bij mij, want het zou natuurlijk heel fijn zijn als wij meer grip konden krijgen op de oorzaken, zodat wij die konden aangrijpen en de mensen konden helpen. Er zijn zelfs wetenschappers die verbanden leggen met migratie als een punt. Ik heb een eenvoudige verklaring tot nu toe en die luidt: als mensen te laat naar de dokter gaan omdat ze bijvoorbeeld de taal niet voldoende beheersen of om andere, simpelere redenen, kan er ondervertegenwoordiging komen, terwijl die ondervertegenwoordiging mij op zichzelf adequaat lijkt om de oververtegenwoordiging te veroorzaken. Dit is echter de praat van hooguit iemand met gezond verstand, maar niet van een deskundige.

Ons echte probleem ligt bij wat de heer Van Raak over de woningcorporaties zei. Ik heb mij voorgenomen om het gewoon ook maar niet meer onbetwist te laten na de jaren strijd tussen het Rijk en de woningcorporaties. De heer Van Raak zei dat woningcorporaties vroeger bezig waren met leefbaarheid en nu vooral met winst maken, waardoor ze liever huizen afbreken dan buurten opbouwen. Hij vergist zich niet voor 98%, maar voor de volle 100%. Dat is niet best. Het is geen hoge score qua gelijk hebben. Ik ga hier niet te lang op door, maar ik vind het vreemd dat er geen partnerschap of bondgenootschap is tussen de Socialistische Partij en het kabinet, want het kabinet doet twee dingen die mijns inziens en naar mijn verwachting de heer Van Raak echt zouden moeten aanspreken. Ten eerste heeft het kabinet qua integriteit zeer hard ingegrepen bij het kleine aantal corporaties op het totaal van 430 corporaties dat als gevolg van wat er de afgelopen vijftien jaar aan extra vrijheden is gegeven, uit de bocht is gevlogen. Ten tweede heeft het kabinet in dat verband de brief van 12 juni geschreven. Ik heb de heer Van Raak eerder in een mondeling vragenuur verwezen naar die brief. Nu ga ik haar zelf uitdraaien en met een postzegel erop naar de heer Van Raak toesturen, want dan zal hij erg blij worden van de maatregelen op het gebied van governance om het uit de bocht vliegen van die enkele corporatie te voorkomen. Die zijn ook breed gesteund door de Kamer. Ik hoop dat de heer Van Raak ze ook zal steunen. Belangrijker is – ik word nu niet larmoyant – de wijkaanpak, een integraal iets van het kabinet, die langzaam maar zeker een succes aan het worden is, omdat de woningcorporaties zich daarin ook fantastisch opstellen. Natuurlijk, er zijn 430 corporaties en in de achttien gemeenten waarover we het hebben, geldt dat niet voor alle 70 corporaties die direct betrokken zijn, maar wel voor vrijwel alle corporaties. Die zetten zich enorm in. Zij zijn de uitvinders van een heleboel innovaties die het daar goed doen: de huismeesters, de portiekgesprekken, de achter-de-voordeurprojecten. Zij moeten de heer Van Raak heel erg aanspreken. Ik ga het niet uitbreiden, mevrouw de voorzitter, maar een simpel voorbeeld wil ik geven waardoor ik zeker weet dat de heer Van Raak bijna verliefd wordt op woningcorporaties. Een corporatiedirecteur in Arnhem heeft mij verteld dat zijn formulierenbrigade in het kader van het achter-de-voordeurproject bij 80 gezinnen naar binnen is gegaan en gemiddeld duizend euro per jaar heeft gevonden die die gezinnen aan toeslagen lieten liggen. Wat is dat niet voor een fantastische bijdrage aan armoedebestrijding! Naast hun klassieke taak dus van goede woningen bouwen en goed op de woonomgeving letten, die zij over het algemeen heel goed volbrengen, lopen zij op het gebied van leefbaarheid voor, samen met de bewoners, de wethouders en iedereen. Ik gaf daar net drie voorbeeldjes van, maar ik kan er echt driehonderd van geven. U en ik kunnen samen door de wijk lopen en duidelijk zien wat corporatiebezit is of wat particulier bezit is. Bij particulier bezit is dat allemaal veel moeilijker. Ik nodig de heer Van Raak uit om mee te gaan naar Rotterdam, naar de Wereld op Zuid, of naar Eindhoven, naar de Toeloop, omdat daar voorbeelden van de mooiste scholen van Nederland staan, brede scholen, in de armste wijken van Nederland, waar kindertjes in Amsterdam-Zuid of Kralingen in Rotterdam jaloers op zouden zijn. Zij verdienen in mijn ogen een acht of een negen. Omdat er veel bezuinigingen aankomen en weet ik wat niet allemaal – de heer Van Raak verwijst daar vaak naar – zou ik zeggen: help nu mee om daar op een nuchtere manier naar te kijken, de excessen te voorkomen, maar hun partnerschap met de overheid te versterken. Deze partner mogen we niet kwijt raken!

De heer Van Raak (SP): Ik ga graag met de minister mee, zeker naar Eindhoven, waar de SP regeert, waardoor het daar dus allemaal veel beter is. Dat had ik allang begrepen. Dat er heel goede woningcorporaties zijn, weet ik. Ik ken ook directeuren waarop ik in overdrachtelijke zin verliefd word omdat ze zulk goed werk verrichten, maar er zijn ook heel veel woningcorporaties die door managers met auto’s, panden en secretaressen als bedrijven worden gerund. Daar bestaat die interesse niet meer. Daar heerst een bedrijfsmentaliteit. Die is er bij heel veel corporaties nog steeds. Al die voorbeelden die de minister in die mooie brief aan mij gaat geven, dienen ertoe om dat bij te sturen, maar het fundamentele probleem is dat heel veel corporaties niet meer in eerste instantie begaan zijn met de publieke zaak, maar juist met slopen, winst maken en wegkijken. Er is verschil tussen, maar het is nog steeds een probleem. De minister zegt terecht dat hij zich op 40 wijken heeft gericht, maar er zijn natuurlijk nog meer wijken. Ik kom ook in wijken waar corporaties goed werk verrichten. Die corporaties zijn welwillend, maar zitten met de handen in het haar zodra de politiepost wordt gesloten, er een opvang voor verslaafden komt, de winkeltjes weggaan, de school weggaat, de wijk zwart wordt en de migranten klagen over het feit dat er alleen maar migranten wonen. Dan heb je dus het probleem dat overlast en verloedering niet kunnen worden aangepakt door de woningcorporaties of de politie alleen. Daardoor kwam ik op het punt waar ik de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op aan sprak. Wie wordt er nu verantwoordelijk voor overlast en verloedering? Het klopt dat we dat niet aan de woningcorporaties kunnen overlaten, zelfs niet aan de welwillende.

Minister Van der Laan: De zeer geachte heer Van Raak haalde er even een stuk of zeven à acht andere onderwerpen bij waar ik niet op in zal gaan. Misschien ben ik het daarover wel gedeeltelijk met hem eens, maar die hebben allemaal al de zorg en aandacht van het kabinet. Mij ging het alleen om zijn aanval op de woningcorporaties. Daarvan zeg ik twee dingen, allereerst dat de overgrote meerderheid partner is. Als de heer Van Raak de brief van 12 juni jl. leest en als binnenkort het wetsvoorstel wordt ingediend, zal hij zien dat het kabinet net op de zorgpunten die hij noemt, onder andere op die gebrekkige governance, zeer actief is. Het kabinet wil juist dat woningbouwcorporaties doen wat in de woorden van de heer Van Raak dichter bij de publieke of de maatschappelijke sfeer ligt. In de afgelopen vijftien jaar moesten die woningcorporaties dat echter vaak én zonder leden én zonder eigenaars én zonder kiezers doen. Misschien kunnen we daar een andere keer over doorpraten. Nu lijkt het me te ver buiten de agenda te gaan. Ik dank de Kamer en hoop dat ik geen punten op mijn terrein heb laten liggen.

De voorzitter: Ik dank de bewindspersonen voor hun antwoorden in eerste termijn. Er is behoefte aan een reactie in tweede termijn. Daarom geef ik het woord aan mevrouw Kuiken.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Ik bedank de bewindspersonen voor hun antwoorden.

Er is nog veel te doen. We kunnen nog niet rustig achterover leunen. Er komen ook nog voorstellen aan als het gaat om overlast en verloedering. Gelijktijdig moeten gemeenten nog flink aan de slag. Daar zet het kabinet ook nadrukkelijk op in. In ieder geval blijft bij mij wel een beeld hangen van een drietal ministers die daadwerkelijk de handen in een slaan om ervoor te zorgen dat dit gewoon goed, integraal en snel wordt opgepakt, zodat we de veiligheid in Nederland daadwerkelijk kunnen verbeteren, want daar gaat het tenslotte om. De minister van Justitie zei dat hij het onderwerp onder de aandacht van de verzekeraars zou brengen bij het NPC. We hebben ook vragen gesteld over het schadeverhaal. De heer Çörüz heeft een aantal vragen gesteld, dus ik kan mij voorstellen dat het aardig is om niet alleen ons commissieleden antwoord te geven op die vragen, maar ook de rest van de Kamer en wel door middel van een brief. Ik hoor graag of dit handig is.

Voor wat betreft de woonoverlast kon ik in de brief nog geen datum vinden, maar misschien heb ik eroverheen gelezen. Natuurlijk moet het gewoon zorgvuldig gebeuren. Het geeft alleen wel aan dat de bewoners van Nederland en daarom ook ik vinden dat hoe eerder de handreiking er is, hoe beter het is, want daarbij zijn wij allen gebaat. Er zijn nogal wat tv-programmamakers die er bovenop duiken. Ik noem het programma «Bonje met de buren». Dit geeft aan dat dit thema heel erg leeft in Nederland en dat we ermee aan de slag moeten. Nogmaals, ik ben blij dat het kabinet dit serieus oppakt. Ik zie de handreiking graag zo snel mogelijk tegemoet. Als die er eenmaal is, zullen wij er nog eens over spreken in de Kamer, maar dan in het totaalpakket.

De heer Çörüz (CDA): Voorzitter. Ik bedank de drie aanwezige bewindslieden voor hun antwoorden. Ik denk dat de kern «goed burgerschap» is. Daar gaat het volgens mij om. De drie bewindslieden zien de urgentie. De kern is in mijn ogen alleen wel dat we moeten beginnen bij de ouders voordat we gaan verwijzen naar woningcorporaties, politie, justitie, het OM en de ministers. Dat wil ik toch nog even benadrukken.

Ik ben content met het Manifest Burgerschap, maar er ontbreekt volgens mij toch wel iets. We willen een slag maken van een cultuur van wegkijken naar een cultuur van betrokkenheid. We hebben net al het voorbeeld van die verzekeraars gegeven. Ook voor de overheid is echter een rol weggelegd. Daar wringt de schoen. Om maar even met de woorden van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te spreken: het is niet goed aan burgers uit te leggen als zij een rol willen spelen in het dempen van zaken en zij vervolgens worden opgepakt en moeten voorkomen wegens mishandeling. Ik zou met name ook kijken naar de minister van Justitie en hem willen vragen om daarover eens na te denken en om met concepten te komen. Ik doe hem een suggestie. We hebben artsen die kindermishandeling aangeven en dus eigenlijk hun geheimhouding schenden. Daarvan hebben we gezegd dat we die niet moeten vervolgen. Ik zou willen dat we ook het politieke signaal aan burgers afgaven, misschien via de minister van Justitie, dat de overheid achter ze staat als zij hun verantwoordelijkheid nemen. Dat moet het signaal volgens mij zijn. Misschien kunnen wij hier iets aan doen via de OM-richtlijnen voor niet-vervolging of iets anders. Daar wringt volgens mij in ieder geval de schoen.

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vragen over de jeugdbendes. Er zijn er 1800! Ik zou zo graag willen dat de politie die veel proactiever ging aanpakken, voor mijn part via de digitale weg, infiltratie. Hoe dan ook, zij moet er een hogere prioriteit aan verlenen.

De minister van Justitie sprak zalvende woorden over het supersnelrecht in Amsterdam. Ik herinner de minister toch aan de woorden die hij de laatste keer tijdens de evaluatie sprak: «Amsterdam doet actief mee». Ik kom niet verder dan één supersnelrechtszaak van ik weet niet hoeveel verdachten die zijn aangehouden. Dan kan ik mij toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het actief meedoen van de grootste stad van Nederland wel meevalt.

Ik maak mij ten slotte zorgen over die 25%. Ik wil dat dat percentage wordt gehaald, maar op welk percentage staan wij op dit moment? Wil de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het kabinet aangeven op welk percentage wij nu zijn beland?

De heer Van Raak (SP): Voorzitter. De minister van BZK vroeg: waarom spreekt de heer Van Raak mij nu weer aan? Het ging hierbij om de groep die de meeste overlast veroorzaakt: jongeren die niet willen en niet kunnen. Ze willen niet, omdat ze geen morele standaard hebben en ze kunnen niet, omdat ze grote psychische problemen hebben. De minister vraagt: waarom spreekt de heer Van Raak mij aan? Wie moet ik dan aanspreken: de minister van Justitie of de minister voor Wonen, Wijken en Integratie? Woningcorporaties? Of moet ik de politie aanspreken? De politie is daar ook niet voor. De ggz zegt: wij kunnen er ook niets aan doen. En de jeugdzorg? Als je nog niet gek bent, dan word je wel gek bij de jeugdzorg. De scholen dan? Die zijn ook ergens anders voor. De gemeenten misschien? Die weten het ook allemaal niet. Woningcorporaties zijn ook met andere dingen bezig. De openbaarvervoerbedrijven gaan er evenmin over, net als de middenstand en de kroegbaas. Wie gaat erover? Er zijn heel veel plannen, voornemens en projecten. Waarom is er dan toch geen sprake van effectiviteit? Omdat de groep die in dezen het belangrijkst is, geen probleemeigenaar heeft. Dit wordt ook door het Sociaal en Cultureel Planbureau gesignaleerd. Tegen wie moet ik dat zeggen? Ik zeg dat maar tegen iedereen hier aanwezig, maar in de eerste plaats tegen de minister van BZK. Ik moet immers toch iemand aanspreken? Ik wil de minister van BZK de eer geven om probleemeigenaar te worden van deze groep. Laat één iemand in Nederland ten aanzien van deze groep nu eens niet zeggen, met, zoals de minister van Justitie terecht zegt, een gevoel van opluchting maar ook van schaamte: nu ligt het op mijn bureau, ik wil het kwijt. Laat de minister van BZK dit nu eens doen; wie anders?

Dat «Handboek Soldaat» voor burgemeesters wil ik eigenlijk ook wel graag hebben. Kan dat? Is de minister bereid om mij, en misschien ons allemaal, ook een boekje te sturen? Het is voor mij namelijk ook wel handig.

Natuurlijk is de minister voor WWI druk bezig met de woningcorporaties en natuurlijk gaan er dingen goed. Er gaat echter ook heel veel niet goed, omdat er een fundamenteel probleem ligt. De woningcorporaties zijn ooit ontstaan – je ziet dit als je door Amsterdam fietst: Eigen Haard, eigen verenigingen – omdat huurders een vereniging tot stand brachten om huizen te kunnen bouwen en onderhouden en om de buurt te kunnen onderhouden. Deze verenigingen van mensen zijn gekaapt door managers. Ik spreek deze minister aan, omdat er veel PvdA’ers onder deze managers zitten. Wat van mensen was, hebben zij afgepakt en er hun bedrijven van gemaakt, met hun auto, hun secretaresse en hun winst: slopen maar, winst maken. Deze mentaliteit is er veel te veel. Ik wil de woningcorporaties bevrijden van die managers. Deze fundamentele discussie wil ik aangaan, ook omdat ik ervan overtuigd ben dat woningcorporaties hierin een heel belangrijke rol kunnen vervullen. Juist de goede corporaties, die zich opstellen als sociale organisaties, maken vaak het verschil in de wijk. Daarom wil ik dat debat voeren.

Voorzitter: Kuiken

Mevrouw Griffith (VVD): Voorzitter. Ik bedank de bewindspersonen voor hun antwoorden. De minister van BZK heeft gezegd dat wij er niet van moeten uitgaan dat er nooit meer overlast of ongeregeldheden zullen zijn. Dat ben ik met haar eens. Echter, de nationale overheid en de lokale overheid hebben wel een overall-verantwoordelijkheid. De vraag is hoe je dat zo scherp en effectief mogelijk invult.

Ondanks alle maatregelen die genomen zijn, ondanks alle goede intenties -er wordt zelfs gesproken over inspanningen – is mijn vraag aan alle drie de bewindspersonen: waarom duurt het dan zo lang voordat er daadwerkelijk wordt ingegrepen? Waarom ettert het zo lang door? Waarom worden wij toch geconfronteerd met situaties zoals recent in Culemborg, iets wat niet binnen één nacht gebeurt? Het duurt al zo lang. Hoe kunnen wij hierop anticiperen en ervoor zorgen dat het niet zo lang doorettert? Hoe kunnen wij hierop anticiperen, en wel zo dat de vlam niet in de pan slaat? Dat wil ik graag weten, opdat wij situaties zoals in Gouda en Culemborg kunnen voorkomen.

Voorzitter: Griffith

Minister Ter Horst: Voorzitter. Ik begin met de vragen van de heer Çörüz. Ten aanzien van goed burgerschap vinden kabinet, CDA en ook andere partijen elkaar in het belang dat ze hieraan toekennen. Je kunt zoiets echter niet met een handvest oplossen. Binnenkort zullen wij nog spreken over wat de activiteiten tot op heden hebben opgeleverd. Het gaat echter om processen van jaren. Ik zeg dit vooral tegen mevrouw Griffith. Zij stelt een heel relevante vraag: hoe voorkom je dat de vlam in de pan slaat? Je voorkomt dit door als gemeente – ik vind dat daar de eerste verantwoordelijkheid ligt – ervoor te zorgen dat in je wijken en buurten mensen niet langs elkaar heen leven, dat mensen een binding hebben, dat er sprake is van sociale cohesie. Wij willen gemeenten hierbij op allerlei manieren helpen. Volgens mijn opvatting is dat de enige manier om ervoor te zorgen dat de vlam niet in de pan slaat. Er kunnen altijd dingen gebeuren. Er zijn incidenten die ertoe kunnen leiden dat het tot onlusten komt. Diezelfde incidenten kunnen er ook toe leiden dat mensen in de buurt zeggen: jongens, kom op, laten wij een beetje normaal doen tegen elkaar. Dat laatste willen wij bereiken. Dat bereik je alleen maar als in een gemeente inspanningen worden verricht om ervoor te zorgen dat de mensen in de straat elkaar kennen en met elkaar praten en als er een incident is, zeggen: zullen wij een beetje normaal doen?

Over Culemborg is heel veel op te merken. Wij zullen dat ook doen. Als ik de foto’s in De Telegraaf goed interpreteer, hebben met name de vrouwen uit de twee bevolkingsgroepen van Marokkanen en Molukkers tegen elkaar gezegd: wij gaan niet zo door, maar wij zeggen tegen elkaar dat wij samen het probleem gaan oplossen. Even los van wat je verder kunt zeggen over de manier waarop de overheid aldaar zich heeft opgesteld, dacht ik over die oplossing: zo moeten wij het hebben, namelijk dat mensen zelf zeggen dat ze dat niet meer van elkaar accepteren en samen het probleem gaan oplossen. De overheid kan activiteiten stimuleren. Ik heb eerder Rotterdam met het Opzoomeren in 2000 straten als voorbeeld genoemd. Met steun van de gemeente zorgen vrijwilligers ervoor dat mensen in een straat elkaar kennen, opdat ze elkaar aanspreken als er een probleem is. Volgens mij is dat de weg die wij moeten gaan. Dat is niet iets wat over en uit geregeld is, maar iets waaraan je jarenlang zult moeten werken.

Voorzitter: Kuiken

Mevrouw Griffith (VVD): Ik onderschrijf de ondertoon van de minister. Mijn probleem is erin gelegen dat het zo lang duurt voordat de lokale overheid ingrijpt. Lange tijd, soms jaren, broeit er iets. Waarom duurt het zo lang voordat de lokale politiek ingrijpt? Er is ook een landelijke verantwoordelijkheid. Ik ben bezorgd over het volgende. Als er zoiets gebeurt als in Gouda of in Culemborg, dan zou ik graag willen dat de nationale overheid zich afvraagt wat er mis is gegaan en waarom het zo lang heeft kunnen duren en of de problemen niet al in een eerder traject onderkend zijn. Daar kun je namelijk ook van leren. Deze vertaalslag mis ik nog. Nu een en ander gebeurd is in Gouda, worden er schriftelijke vragen gesteld door leden van de Tweede Kamer. Wij gaan er ook een debat over voeren. Waar blijft het eigen initiatief van het kabinet om te zeggen: wat is er misgegaan, hoe kunnen wij daarvan leren, opdat het niet meer voorkomt, ook niet in andere gemeenten?

De heer Çörüz (CDA): Waarom heeft het zo lang kunnen duren? Omdat niemand – dit geldt misschien ook voor sommige burgemeesters – durfde in te grijpen. Dat is precies mijn probleem. Stel dat je ingrijpt en tegen iemand zegt: laten wij normaal doen. Of: doe normaal. Vervolgens komt het tot matten en verdedig je jezelf. Dan is er een grote kans dat men zich in Nederland moet verantwoorden bij de rechter. Daar wringt precies de schoen. Ik daag de minister uit om met voorstellen te komen met betrekking tot de vraag hoe wij daar uit kunnen komen. Ik wil geen Amerikaanse toestanden, maar als de minister een appel doet, doe ik op mijn beurt een appel aan de overheid.

Minister Ter Horst: Ik vind dat mevrouw Griffith het iets te algemeen formuleert. Zij zegt: waarom wordt er niet ingegrepen, waarom wordt er niets gedaan in gemeenten? In een heleboel gemeenten wordt wel iets gedaan. In een heleboel gemeenten wordt wel ingegrepen. In een heleboel gemeenten wordt voorkomen dat het uit de hand loopt. Laten wij dat even constateren. Dat neemt niet weg dat de vraag van mevrouw Griffith – wat was er in Culemborg aan de hand, wat is er misgegaan en had er eerder ingegrepen kunnen worden? – heel interessant is en zeker beantwoord moet worden. Het kabinet is hierin geïnteresseerd en probeert erachter te komen door middel van gesprekken met Culemborg. Het rapport dat het college zelf laat maken, zal hierop volgens mij het antwoord geven. Aan de ene kant ben ik het eens met mevrouw Griffith: wij moeten leren van de incidenten die zich voordoen. Ik denk hierbij met name aan de vraag: had er eerder ingegrepen kunnen worden en, zo ja, waarom is dat niet gebeurd? Aan de andere kant moeten wij oppassen dat wij niet om kwart over twaalf op een donderdagmiddag alle gemeenten over één kam scheren en stellen dat alle gemeenten niet op tijd ingrijpen. Dat lijkt mij volkomen onterecht.

Dan kom ik bij het punt van de heer Çörüz. Ik begrijp zijn punt. Ik denk dat de minister van Justitie hierop in moet gaan. Ik ben met de heer Çörüz van mening dat, in algemene zin geformuleerd, een burger steun verdient als hij ingrijpt en hiermee erger voorkomt. Ik weet echter zeker dat de minister van Justitie zal zeggen dat het recht zijn beloop mag hebben, dat eigenrichting niet mag et cetera. Die kant zit er dus ook aan. Ik begrijp waarom de heer Çörüz zijn vraag stelt. Als wij aan mensen vragen om in te grijpen, om mee te doen teneinde ervoor te zorgen dat dingen niet uit de hand lopen, dan moeten wij hun ook steun verlenen; absoluut.

Er is gevraagd naar de jeugdbendes. Wij hebben een inventarisatie laten maken van jeugdbendes. Op 25 januari wordt een compleet beeld van de jeugdgroepen gepresenteerd. De lokale driehoek geeft prioriteit aan de aan te pakken jeugdgroepen. Gemeenten zijn al actief bezig met jeugdgroepen. BZK gaat dit beeld gebruiken voor het versterken van de aanpak langs drie lijnen: groepsgericht, domeingericht en gericht op het individu. In juni 2010 zal er een handreiking aanpak jeugdgroepen door gemeenten voorhanden zijn. In het tweede kwartaal van 2010 zullen de best practises van gemeenten in kaart worden gebracht en van een keurmerk worden voorzien. Er is dus een aantal activiteiten ten aanzien van jeugdgroepen. Overigens kan ook de Regionale Inlichtingendienst (RID) door de burgemeester gevraagd worden om een probleem als dat van de jeugdgroepen in kaart te brengen en om wat meer achtergrondinformatie te verschaffen over jeugdgroepen en hun leden. Wij zullen gemeenten helpen om een goede aanpak van jeugdbendes gerealiseerd te krijgen.

Verder is er gevraagd naar percentages. De doelstelling was om de overlast en verloedering met 25% te verminderen. Op dit moment hebben wij nog 17,5% te gaan wat overlast betreft en 15% wat verloedering betreft. Als men deze percentages aftrekt van het percentage van 25%, weet men wat wij al gerealiseerd hebben. 2002 moet hierbij gezien worden als het nulpunt.

De woordvoerder van de SP-fractie vraagt wie de probleemeigenaar is. Wellicht heeft hij nog geen weet van het wetsvoorstel regierol gemeenten. Ik neem dat de heer Van Raak ook niet kwalijk, want het wetsvoorstel ligt nog niet voor aan de Kamer. Het wetsvoorstel is in het kabinet vastgesteld, onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en van mij. Wat staat er in dat wetsvoorstel? Het komt geheel tegemoet aan wat gevraagd wordt. Alle gemeenten moeten een integraal veiligheidsplan maken. Belangrijker is dat de burgemeester de positie krijgt om tegen organisaties, die een rol kunnen spelen in het tegengaan van overlast en verloedering dan wel het vergroten van veiligheid, maar daar niet aan mee willen doen, te zeggen: ik ga jou opleggen dat je hieraan meedoet. In het allerlaatste geval kan de burgemeester een concrete maatregel afdwingen. Ik treed niet in de discussie met de minister voor WWI over de woningbouwcorporaties, maar stel dat een woningbouwcorporatie niet mee wil doen met het treffen van maatregelen om overlast tegen te gaan. Dan krijgt de burgemeester de positie om dat te doen. Het kabinet komt met dit wetsvoorstel om te voorkomen dat instellingen zich onttrekken aan het leveren van een bijdrage om overlast tegen te gaan. In de gemeente wordt de probleemeigenaar dus in feite de burgemeester. Hij krijgt immers de instrumenten. De heer Van Raak maakt de minister van BZK tot eigenaar van het probleem dat hij specifiek noemt. Hij zegt: het probleem van psychiatrische patiënten die overlast veroorzaken hoort niet bij de politie te liggen. Dat betekent ook dat hij niet aan de politieminister moet vragen om het probleem op te lossen.

De heer Van Raak (SP): Dat is precies het probleem: op wiens bureau komt het dan? Ik vind het goed dat die wet er komt en ik zal er serieus naar kijken. Volgens mij is deze wet een oplossing voor het probleem dat mensen zeggen: ik wil niet eens meer meepraten, voor mij hoef je geen koffie te zetten. Vervolgens word je er aan de oren bijgesleept en moet je toch meepraten. Dat is goed, maar iets anders is het volgende. Stel dat iedereen meepraat. Dan zijn er toch heel veel jongeren die veel problemen veroorzaken. Ze kennen geen morele standaard, hebben grote psychische problemen. Ondanks het feit dat iedereen meepraat, vallen zij toch tussen wal en schip en verdwijnen uit het zicht. Van dit probleem wordt niemand eigenaar. Als de minister zegt: in de nieuwe wet gaan wij regelen dat de burgemeester hier eigenaar van wordt, dan hebben wij er in ieder geval een, al ben ik reuze benieuwd hoe hij dat gaat doen. Dat zou mooi zijn, maar komt dat ook in de wet te staan?

Minister Ter Horst: Nee. Op casusniveau heeft de burgemeester mogelijkheden. In het wetsvoorstel van de minister voor Jeugd en Gezin is dat aan de orde. Op het niveau waarover wij nu spreken, bijvoorbeeld de aanpak van overlast gevende jongeren met een psychiatrisch probleem, heeft de burgemeester, als beide Kamers instemmen met het wetsvoorstel, de mogelijkheid om organisaties te dwingen aan tafel te komen zitten enerzijds en om concrete maatregelen te treffen anderzijds.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik weet dat het wetsvoorstel er al heel lang aan komt, maar ik ben benieuwd wanneer het nu komt.

Minister Ter Horst: Het heeft de ministerraad gepasseerd. Binnenkort komt het naar de Kamer.

Dan kom ik op het punt van de registratie. Als er aangifte wordt gedaan, registreert de politie. Als er geen aangifte wordt gedaan, is het lastig voor de politie om te registreren en dan is het afhankelijk van de gemeente of men schades wel of niet registreert. Het ministerie van BZK probeert door middel van overleg met gemeenten, de G4 en de Bond van Verzekeraars te komen tot een dergelijke registratie door gemeenten. Wij dwingen registratie niet af, maar zien er wel het nut van in. Veel gemeenten zien dat nut gelukkig ook in en registreren wel.

De heer Çörüz (CDA): Een groot vervoerder schrijft mij letterlijk: de leeftijd is zelden bij ons bekend en wordt door de politie vanwege privacywetgeving niet verstrekt. Als de vervoerder een schade wil verhalen en wil monitoren met welke groepen hij te maken heeft, komt hij niet verder omdat de politie de gegevens niet verstrekt.

Minister Ter Horst: Dat zou ik uit moeten zoeken. Het is een beetje te veel gevraagd om dat op dit moment te beantwoorden. Misschien wil de heer Çö

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik zal trachten nog een paar vragen te beantwoorden die in tweede termijn zijn gesteld, te beginnen met de kwestie rondom de verzekering. Volgens mij heeft mevrouw Kuiken hierover schriftelijke vragen gesteld die nog beantwoord zullen worden. Ik denk dat het handig is dat ik het zo doe en dus ook geen afzonderlijke brief stuur. Dan hoeven wij ook niet te wachten op de volgende NPC-vergadering. Ik zal ervoor zorgen dat de genoemde vragen worden beantwoord voordat wij elkaar weerzien. Ook al bereiken de antwoorden de Kamer, ik zal ervoor zorgen dat een kopie bij mevrouw Kuiken wordt thuisbezorgd, met een roze of een blauw strikje eromheen.

Mevrouw Griffith vraagt of er eerder kan worden ingegrepen. Soms is inderdaad sprake van langdurige precriminele carrières of zelfs criminele carrières. Wij zijn dit verscheidene malen tegengekomen in veiligheidshuizen. Het heeft een positieve en een negatieve kant. Er zijn gevallen – ik heb deze ook wel eens geanonimiseerd publiek besproken – van jongemannen van zestien of zeventien jaar die eigenlijk al met tien jaar het gedrag vertoonden dat erop wees dat iets helemaal de verkeerde kant opging. Hieraan kunnen allerlei aspecten verbonden zijn, zoals de gezinssituatie. In de gevallen waar ik nu aan denk was dat het geval. Of denk aan psychische problemen of aan combinaties van problemen, opkomende verslaving en altijd verkeerde vrienden en verkeerde broers. Inderdaad moet in deze gevallen veel eerder worden ingegrepen. De positieve kant is dat men in de veiligheidshuizen bij de bespreking van deze gevallen zei: als wij eerder deze werkwijze hadden gehad, hadden wij veel eerder kunnen reageren, soms al voor het bereiken van de leeftijd waaronder men onder het jeugdstrafrecht valt, voor twaalf jaar dus, maar nog veel vaker daarna. Dit behoort zeker tot onze doelstellingen. Onderzoek bevestigt alleen maar hoe belangrijk het is dat je er eerder bij bent.

De heer Çörüz vraagt naar criminele jeugdgroepen. In het bredere bestek van overlast veroorzakende en criminele groepen komen wij daar nog op terug. Het onderzoek hiernaar wordt bekend gemaakt en besproken, inclusief onze reactie erop. In ieder geval zal hier bijhoren dat in geval van criminele groepen er meer gerichte aandacht nodig is voor rechercheonderzoek. Ik heb dat indertijd ook besproken met de Kamer naar aanleiding van de situatie in Gouda.

De heer Çörüz heeft ook het onderwerp van noodweer opgebracht. Dit betreft het gevoel dat er vooral wordt gereageerd op degene die in actie komt en zich verdedigt. Er zijn allerlei manieren waarop mensen kunnen reageren op situaties van crimineel gedrag, ook preventief. In geval van winkeliers kan men de crimineel zelf in de kraag vatten et cetera. Men kan echter ook preventief dingen doen. Op een gegeven moment was de indruk ontstaan dat camera’s alleen kunnen worden ingezet binnen de winkel en niet ten aanzien van het betreden van de winkel. Collega Ter Horst en ik hebben hierover gesproken, samen met de betrokken organisaties en hun vertegenwoordigers. Wij hebben deze organisaties meegegeven dat er in onze opvatting geen beletsel is om preventief te werk te gaan. Een ander voorbeeld van wat preventief gedaan kan worden, is de DNA-spray. Ook preventief zijn er dus wel degelijk mogelijkheden die wij bespreken met vertegenwoordigers van organisaties waar slachtoffers kunnen vallen. Deze mogelijkheden gaan vooraf aan de situatie van noodweer. Het Openbaar Ministerie – ik heb dit al eerder gezegd naar aanleiding van opmerkingen van de heer Teeven – heeft aangegeven hoe er verstandig te werk gegaan kan en moet worden in noodweersituaties.

De heer Çörüz (CDA): Ik wil het bewust niet verengen tot het strafrecht. Als wij een moreel appel op burgers doen, wil ik de zaak gespiegeld zien. Soms is sprake van noodweer, soms gaat het om de verzekering, soms anderszins. Denk aan de huisarts die melding doet van kindermishandeling. De burger moet het beeld hebben dat de overheid naast hem en achter hem staat. Volgens mij wringt daar de schoen. Vandaag de dag hoor je heel vaak: ik pas wel op, want als ik mij daarmee bemoei en ik zeg «doe normaal» en het komt tot matten, dan sta ik voor de politierechter, en niet degene die ik aanspreek. Ik wil het dus breed zien. Ik ken de discussie en ik weet dat collega’s, soms zelfs met initiatieven, bezig zijn met noodweer. Ik vraag het kabinet om met een voorstel te komen. Als het kabinet burgers aanspreekt, moet het ook met een voorstel komen ten aanzien van de vraag hoe de overheid achter de burger staat als laatstgenoemde optreedt en zijn verantwoordelijkheid neemt. Dit betreft voor een deel verzekering, voor een deel strafrecht en voor een deel misschien de huisarts. Ik wil een en ander in een wat bredere context zien. Ik wil absoluut niet naar Amerikaanse toestanden toe, maar nu hebben heel veel burgers het gevoel: ik doe maar niets, ik pas wel op, voor je het weet sta je voor het hekje.

Minister Hirsch Ballin: Ik ben het eens met wat de heer Çörüz zegt, daar kan ook geen twijfel over bestaan. Wij moeten het echter niet onweersproken laten als dit soort verhalen worden verteld, in de trant van: dan sta je voor de politierechter, terwijl je je alleen maar hebt verdedigd. Dat is namelijk niet zo. Als mensen slachtoffer zijn en zich vervolgens in deze slachtoffersituatie verdedigen en er staat ernstig lichamelijk letsel, dan moet een en ander wel door de politie worden onderzocht. Niemand zou dat anders willen. Er is echter geen sprake van dat mensen zomaar voor de politierechter worden gebracht. Dat soort verhalen moeten wij gewoon weerspreken.

Dan de samenhang tussen wat strafrechtelijk wordt gedaan en wat anderszins wordt gedaan. Denk aan de verzekering of het aan de kant van de burger staan en aan preventieve maatregelen. Dat doen wij. Inderdaad betreft dit een samenspel tussen wat wij doen op het punt van burgerschap en wat wij doen qua maatregelen, voorlichting, ondersteuning, samenwerkingsprojecten met het bedrijfsleven om duidelijk te maken dat wij in dit geval zij aan zij staan.

Ten slotte de kwestie van het snelrecht. Ik zal hier nader naar kijken. Ik heb al gezegd dat wij, indien de Kamer dat wenst, nader te spreken zullen komen over oud en nieuw. In Amsterdam is inderdaad slechts één geval in supersnelrechtprocedure gebracht. Deze zaak – het is goed om dat te weten – is door de rechter aangehouden. Dat wijst erop dat het Openbaar Ministerie er terecht op let of zaken zich lenen voor supersnelrecht. In dit geval heeft de vraag zich voorgedaan of de zaak zich leende voor supersnelrecht, anders had de rechter de zaak niet aangehouden. Stel dat je te maken hebt met psychische problemen. Dan kun je zo’n zaak niet via supersnelrecht afhandelen. Dan is er immers een deskundigenrapport nodig. Ook bij supersnelrecht willen wij recidive tegengaan. Per geval moet dus worden beoordeeld wat zich leent voor snelrecht, wat zich leent voor supersnelrecht en wat niet. Tijdens oud en nieuw hebben wij de ervaring opgedaan dat er door de verhoogde politie-inzet meer meldingen waren, maar dat de ernst van de gemelde feiten was afgenomen ten opzichte van vorig jaar. Dat betekent dat er wat de aard van de zaken betreft die door het Openbaar Ministerie moeten worden aangepakt, sprake is van een positieve ontwikkeling. Wij moeten ons niet laten vangen in een gedachtegang dat het slecht nieuws is als er minder ernstige zaken zijn. Dus wat de toepassing van de maatregelen betreft: de inzet van de politie heeft voor een deel preventief gewerkt en voor een deel ertoe geleid dat er zaken voor de rechter worden gebracht via snelrecht. Ik ben er absoluut niet voor om zaken te laten lopen, maar wij moeten een en ander doen op de manier die tot een effectieve reactie leidt. Dat op dit terrein nog veel werk te doen is, heeft de Kamer kunnen opmaken uit wat wij eerder hierover hebben gemeld. Als sprake is van minder ernstige feiten, dan is dat ook een deel van de realiteit in ons land.

De heer Çörüz (CDA): Ik zal Amsterdam scherp in de gaten houden. Ik ben nog niet overtuigd: de grootste stad van Nederland met zo veel verdachten ... Kijk naar de aantallen in Utrecht, Rotterdam, Den Haag en ook in andere plaatsen. Daar slaagt men er kennelijk wel in en volgens mij wonen daar niet heel andere mensen. Ik blijf vraagtekens houden. Om terug te komen op het punt van de burgers die zich gedekt voelen: ik wil weten hoe de OM-richtlijnen luiden ten aanzien van de situaties die ik geschetst heb. Wij kennen allemaal de voorbeelden uit de krant van mensen die voor het hekje staan omdat zij verslaafden uit hun tuin wilden werken. Of denk aan de winkelier. Wat zijn de overwegingen om wel of niet tot vervolging over te gaan? Ik vind dit een belangrijk punt. Ik wil een en ander zeker niet verengen tot strafrecht. Wij moeten de burger het gevoel geven dat wij achter hem of haar staan.

Minister Hirsch Ballin: Ik zou dat ook willen weten. Ik denk dat wij op dit terrein al een heleboel weten. Ik wijs op mijn reacties eerder aan het adres van de heer Teeven. Als er nadere vragen zijn, ben ik uiteraard beschikbaar.

Minister Van der Laan: Voorzitter. Er liggen nog twee punten op mijn WWI-bord. De heer Van Raak ging nog even in op wat ik over de woningcorporaties heb gezegd. Ik vond dat hij langs twee points van mij ging. De overgrote meerderheid van de corporaties doet het heel erg goed. Niet een beetje goed of een klein aantal, nee, de overgrote meerderheid doet het heel erg goed. Deze vergaande stelling betrek ik dus, omdat zij aannemelijk te maken is. In de brief die wij vandaag op de bus doen en ook in de afspraken die ik met Brussel heb gemaakt, trek ik namens het kabinet de woningcorporaties dichter in het publieke kader en bind ik ze meer aan hun publieke taken. Ik wacht op het moment waarop iemand namens de SP eens een keer zegt: fijn. Ik vrees dat het kabinet dan nog lang zal moeten blijven bestaan.

De heer Van Raak (SP): Ik wil graag «fijn» zeggen, in ieder geval wil ik «succes» zeggen. Ik zie de brief met veel interesse tegemoet en de gesprekken in Brussel nog meer. De minister probeert iets te repareren wat in het verleden fout is gegaan. Ik hoop tenminste dat hij het ermee eens is dat de liberalisering fout is gegaan: de uitverkoop van de woningcorporaties. De minister probeert dit nu te repareren. Mede naar aanleiding daarvan probeer ik een fundamenteel debat te voeren over de vraag hoe woningcorporaties georganiseerd moeten worden: markt, overheid, verenigingen? Die discussie wil ik aangaan, omdat wij anders pleisters blijven plakken op een wond. Dat gebeurt namelijk als wij de liberalisering in stand houden.

De voorzitter: Wilde u dat nu en hier doen?

De heer Van Raak (SP): Dat wil ik hier nu niet doen, maar dat is de reden dat ik deze opmerking maakte.

Minister Van der Laan: Ik bespreek dit punt heel vaak met de fractiegenoot van de heer Van Raak, de door mij zeer geachte heer Jansen. Het is niet fundamenteel mis. Het had fundamenteel mis kunnen gaan als wij nu niet zouden ingrijpen. Van de 430 woningcorporaties zijn de meeste zich intussen echt heel goed bewust, vaak net zo goed als u en ik, van waar ze vandaan komen, waartoe ze op aarde zijn en wat hun taken zijn.

Mevrouw Griffith stelt de vraag waarom een en ander zo lang doorettert. Minister Horst is hier al op ingegaan, net als collega Hirsch Ballin. Als coördinerend minister kan ik ten aanzien van de Marokkaanse jongeren nog één dingetje extra zeggen. Je kunt er heel lang over praten en in ander verband is dat al een paar keer gebeurd. Ik spreek hier graag met de Kamer over. Met de gemeenten waarmee wij een convenant sluiten – minister Ter Horst sprak hierover – hebben wij afgesproken dat er wel degelijk prestatieafspraken zullen komen. Hiervoor hebben wij al een soort noemer afgesproken: in 2012 willen wij een significante trendbreuk bereiken. De invulling daarvan is nog voorwerp van uitwerking. Om een indruk te geven: het ongeduld van mevrouw Griffith zit ook bij collega Ter Horst, collega Hirsch Ballin, collega Rouvoet en bij mij. Vandaar ook dit type afspraken. Ik weet dat hiermee maar een heel klein deeltje van het verhaal is gezegd, maar het drukt hopelijk uit dat wij dezelfde urgentie voelen.

De voorzitter: Ik maak van de gelegenheid gebruik om de minister te danken. Dat gevoel van urgentie hoor ik graag uit uw mond, minister Van der Laan. Daar ging het mij ook om. Als je allerlei maatregelen treft en geld geeft en het gaat toch gaat het mis, dan kan ik mij de frustratie voorstellen. Ik vind het jammer dat de minister van BZK zei dat ik bedoelde dat het overal in het land misgaat. Ik noemde expliciet Gouda en Culemborg, daar ging het mij om. Als ik als bewindspersoon zo hard mijn best deed, dan zou ik zeer gefrustreerd zijn dat het toch misging en zou ik graag willen weten waar het mis is gegaan en wat wij daaraan kunnen doen. Nu krijg ik het antwoord te horen dat er inderdaad prestatieafspraken zijn gemaakt om echt te leren van een en ander; dank daarvoor.

Ik dank de bewindspersonen voor hun antwoorden in tweede termijn. Ik dank ook de Kamerleden, de aanwezigen en de ambtenaren. Er zal vast een vervolg komen.

Toezeggingen

– De Kamer ontvangt binnen één maand een nadere brief van de minister van BZK met een uitwerking van het instrument van preventieve dwangsom.

– De minister van BZK stuurt de Kamer het rapport van het college van B en W van Culemborg zodra dat beschikbaar is; hopelijk voor het debat over Culemborg.

– De minister van Justitie stuurt op korte termijn de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel gericht op de aanpak van criminele vermogens.

– De minister voor WWI stuurt begin tweede kwartaal de handreiking Woonoverlast ten behoeve van de gemeenten.

– De minister van BZK stuurt in juni 2010 de handreiking Aanpak jeugdgroepen en Inzicht best practises naar de Tweede Kamer.

– De minister van BZK stuurt op korte termijn het wetsvoorstel met betrekking tot de regierol voor gemeenten naar de Tweede Kamer.

– Van de minister van Justitie ontvangt de Kamer het resultaat van het overleg met onder andere verzekeraars over het verhalen van kosten c.q. schade bij veroorzakers.

Minister Hirsch Ballin: Voor de duidelijkheid: ik heb toegezegd om een en ander te verwerken in de beantwoording van de Kamervragen.

De voorzitter: Dank voor deze toezegging.

Ik sluit de vergadering.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Beek (VVD), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), De Pater-van der Meer (CDA), Van Bochove (CDA), Gerkens (SP), Sterk (CDA), Leerdam (PvdA), voorzitter, De Krom (VVD), ondervoorzitter, Griffith (VVD), Boelhouwer (PvdA), Algra (CDA)Irrgang (SP), Kalma (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Van der Burg (VVD), Brinkman (PVV), Pechtold (D66), Van Raak (SP), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Heijnen (PvdA), Bilder (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Teeven (VVD), Azough (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Joldersma (CDA) Smilde (CDA), Polderman (SP), Spies (CDA), Wolbert (PvdA), Aptroot (VVD), Zijlstra (VVD), Vermeij (PvdA), Van Gerven (SP), Heerts (PvdA), Çörüz (CDA), Remkes (VVD), De Roon (PVV), Van der Ham (D66), Van Bommel (SP), Ouwehand (PvdD), Timmer (PvdA), De Wit (SP), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Cramer (ChristenUnie) en Knops (CDA).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Haersma Buma (CDA), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Roemer (SP), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Besselink (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Leijten (SP), Sterk (CDA), Ulenbelt (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Van Gent (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP) Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Smilde (CDA) en Slob (ChristenUnie).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), voorzitter, Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), Poppe (SP), Weekers (VVD), ondervoorzitter, Dijsselbloem (PvdA), Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Vietsch (CDA), Sterk (CDA), De Krom (VVD), Algra (CDA), Verdonk (Verdonk), Jansen (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Wolbert (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Bouchibti (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD) en Fritsma (PVV).

Plv. leden: Dibi (GroenLinks), Timmer (PvdA), Kant (SP), Blok (VVD), Bouwmeester (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Haverkamp (CDA), Bilder (CDA), Pechtold (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Blanksma-van der Heuvel (CDA), Meeuwis (VVD), Neppérus (VVD), De Wit (SP), Voordewind (ChristenUnie), Heijnen (PvdA), Zijlstra (VVD), Van Haersma Buma (CDA), Leerdam (PvdA), Ulenbelt (SP), Bosma (PVV) en Karabulut (SP).