Kamerstuk 28345-91

Verslag van een algemeen overleg

Aanpak huiselijk geweld; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 29 juni 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: criminaliteit openbare orde en veiligheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28345-91.html
ID: 28345-91

28 345
Aanpak huiselijk geweld

nr. 91
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 25 juni 2009

De vaste commissie voor Justitie1 en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 en de algemene commissie voor Jeugd en Gezin3 hebben op 3 juni 2009 een voortgezet algemeen overleg met minister Hirsch Ballin van Justitie, viceminister-president Rouvoet voor Jeugd en Gezin en staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

– de brief van staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 20 november 2008 over de verplichte meldcode huiselijke geweld en kindermishandeling (28 345, nr. 72);

– de brief van minister Hirsch Balling van Justitie d.d. 6 januari 2009 over kinderen als getuigen en slachtoffers van huiselijk geweld (28 345, nr. 75);

– de brief van minister Hirsch Ballin van Justitie d.d. 28 mei 2009 met een reactie op het concept-wetsvoorstel inzake huiselijk geweld van de G4 (28 345, nr. 89);

– de brief van staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 29 mei 2009 over de voortgangsrapportage Beschermd en weerbaar (28 345, nr. 90).   1

Van het overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Smeets

De voorzitter van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Heijnen

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava

Voorzitter: Kuiken Griffier: Van Doorn

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Arib, Kuiken, De Pater-van der Meer, Teeven en Van Velzen,

en minister Hirsch Ballin van Justitie, minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin en staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministeries.

De voorzitter: Ik heet alle aanwezigen welkom. Dit is een voortzetting van een eerder overleg. Wij beginnen met de tweede termijn van de kant van de Kamer.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Voorzitter. Het is inderdaad de tweede termijn en wij hebben wat aanvullende informatie gekregen. Daarover wil ik een aantal opmerkingen maken. Ten eerste over de eerste maanden van de Wet tijdelijk huisverbod. In de eerste termijn van dit overleg waren wij nog in gespannen afwachting van het verloop van een en ander, maar inmiddels weten we dat er in de eerste twee maanden van dit jaar al bijna 200 huisverboden zijn opgelegd in het kader van de Wet tijdelijk huisverbod. In de eerste termijn hebben we gevraagd of alle gemeenten er wel klaar voor waren. Of zij dat wel of niet zijn, vind ik nog steeds interessant, maar ik vind 200 huisverboden in de eerste twee maanden een niet gering aantal. Je zou kunnen concluderen dat de Wet tijdelijk huisverbod feitelijk een groot succes is, ware het niet dat de aanleiding te wrang is om van een succes te mogen spreken. Is het mogelijk dat alle debatten die wij gevoerd hebben over het tijdelijk huisverbod, over de maatschappelijke schade en schande van het fenomeen huiselijk geweld, een dusdanig effect hebben gehad dat alle mensen die op enigerlei wijze in het verleden met huiselijk geweld te maken hadden deze wet als laagdrempelig ervaren om iets aan hun situatie te doen? Graag hoor ik zo snel mogelijk wat de signalen uit het land zijn.

Ik vermoed dat wij aan het eind van dit jaar zullen constateren dat het aantal huisverboden dat is opgelegd veel hoger is dan geraamd. Zo ja, dan hoor ik graag wat de betekenis hiervan is voor de inzet van politie en Openbaar Ministerie. Wij vragen ons af of alle regio’s in het land al zo ver zijn dat zij de Wet tijdelijk huisverbod daadwerkelijk in praktijk kunnen brengen. Uit de media kwam naar voren dat het Openbaar Ministerie dat eigenlijk niet verwacht.

De eerste bezwaarprocedures tegen het opgelegde huisverbod zijn inmiddels ook gestart. Ik zou graag van de minister willen weten of er vaak gebruik wordt gemaakt van de procedure om bezwaar te maken, hoeveel procedures er lopen en de uitkomst hiervan. Ik doel met name op de procedure volgens de Wet tijdelijk huisverbod. Dat is een civiele maatregel die eigenlijk bedoeld is om geweld voortijdig een halt toe te roepen. Het is dus niet een reservestrafrechtelijke maatregel in situaties waarin al geweld gepleegd is. Het is een maatregel om geweld bijtijds tegen te gaan. Daarnaast lijkt het erop dat het huisverbod in sommige gevallen wordt opgelegd terwijl er sprake is van geweld en dus van een strafbaar feit. Ik heb daar heel recent een voorbeeld van gehoord: er is zwaar geweld gebruikt, kinderen waren getuige, maar het slachtoffer doet geen aangifte. Vervolgens zit iedereen met de handen in het haar. De zaak wordt niet opgepakt omdat men er geen weg mee weet. Mij lijkt dat in dit specifieke geval sprake is van een misdrijf, met zelfs mogelijkheid tot strafverzwaring vanwege het feit dat kinderen er getuige van waren. Ik heb dat uit een van de brieven van de minister zo begrepen. Dit misdrijf is zelfs wellicht te kwalificeren als poging tot doodslag. Het lijkt mij niet dat hiervoor een huisverbod geëigend is. Dat kan niet, maar volgens mij kan er wel opgetreden worden, zelfs wanneer het slachtoffer geen aangifte wil doen. Ik dacht dat dan ambtshalve aangifte gedaan kon worden. Graag een reactie van de minister.

Het is de CDA-fractie ter ore gekomen dat met het inwerkingtreden van het tijdelijk huisverbod ook de vraag naar opvangplaatsen is toegenomen. Gelukkig heeft de staatssecretaris al aangegeven dat het budget de komende jaren structureel zal stijgen. Maar toch, ook dit is een signaal van de omvang van het probleem, dat nog groter blijkt te zijn dan we dachten.

Het is goed om te vernemen dat de minister werkt aan samenwerkingsverbanden tussen diverse opvanghuizen voor vrouwen, meldpunten voor huiselijk geweld en die waarin kindermishandeling centraal staat. Hoe ver staat het op dit moment met de ontwikkeling van deze samenwerkingsverbanden? In de brief van 5 januari stelt de minister dat de 35 centrumgemeenten voor de vrouwenopvang een verbinding kunnen leggen tussen de structuren die al ontwikkeld zijn voor huiselijk geweld en de aanpak van kindermishandeling. Hierdoor wordt een integrale aanpak voor kinderen en volwassenen bevorderd, zo vermeldt de brief. Kan de minister aangeven hoe de coördinatie verloopt tussen de 35 centrumgemeenten en de gemeenten die om de betreffende centrumgemeenten heen liggen?

Ik sluit hier onmiddellijk op aan door de financieringsstromen aan de orde te stellen. Wij hebben begrepen dat de diversiteit in de financieringsstromen voor slachtoffer, pleger en kinderen toch nog wel heel groot is. Eigenlijk is er sprake van versnippering van de financieringsstromen. Zo blijkt dat voor veel kinderen die met een slachtoffer meekomen en zelf ook hulp nodig hebben een beroep gedaan moet worden op de provincie, terwijl voor het volwassen slachtoffer via een zorgkantoor, via de AWBZ, via de gemeenten of wellicht via andere mogelijkheden een beroep gedaan moet worden op middelen. De CDA-fractie zou het zeer welkom vinden wanneer wordt onderzocht of en hoe die financieringsstromen vereenvoudigd of verminderd kunnen worden en wie de regierol moet vervullen. Graag een toezegging op dit punt. Daarbij merk ik op dat het heel goed is dat maatregelen voor de aanpak op het terrein van huiselijk geweld gedecentraliseerd zijn. Wij vragen absoluut niet verantwoording tot tig punten achter de komma op dit punt. Immers, dat zet alleen maar verantwoordingsambtenaren aan de slag. Wij willen dat het geld zo veel mogelijk besteed wordt aan actie en preventie. Hoe krijgen wij echter goed zicht op de effectieve inzet van de middelen en het bereik van en hulp aan slachtoffers en daders?

Ik wil nog even terugkomen op de brief van 20 november 2008 die de vorige keer aanleiding was om het overleg op te schorten. Het kabinet gaat werken aan wetgeving voor een verplichte meldcode die gaat gelden in de gezondheidszorg, het onderwijs en bij justitie en politie. Gaat de minister naast het invoeren van deze meldcode ook een koppeling tot stand brengen tussen de diverse sectoren? Daarmee bedoelen wij dat de verschillende meldingen centraal bij elkaar komen, zodat snel inzichtelijk is wat er bij de betreffende gezinnen of in specifieke situaties speelt.

Tot slot nog een paar korte specifieke vragen naar aanleiding van opmerkingen uit de media van de afgelopen weken. Hoe kijkt de minister er tegenaan dat dierenartsen die een rol zouden kunnen spelen bij het signaleren van huiselijk geweld, zich inderdaad melden? Er was een bericht in de krant dat mensen die in staat zijn tot het mishandelen van dieren vaak ook in staat blijken te zijn tot het plegen van huiselijk geweld. Heeft de minister van VWS zicht op signalering door bijvoorbeeld tandartsen van geweld tegen kinderen? Uit de erbarmelijke staat van het kindergebit valt volgens een bericht in de krant behoorlijk af te lezen wat zich aan misstanden zou kunnen voordoen in het leven van kinderen. Ook daar graag een reactie op.

Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. Ik denk dat iedereen hier aan tafel en in de zaal doordrongen is van de ernst van het onderwerp waar wij het vandaag in tweede termijn over hebben. Ik hoef niet met voorbeelden van ernstige incidenten te komen die zich hebben voorgedaan sinds wij de vorige keer hierover spraken. Wij zijn blij dat er veel aandacht aan dit onderwerp wordt gegeven van de kant van het kabinet en dat wij nu bezig zijn met het wettelijk vastleggen van een meldcode. Ik heb daar zelf in een motie om gevraagd en ik heb de indruk dat daar hard aan gewerkt wordt. Ik was onaangenaam verrast door de discussie die zich in Rotterdam ontspon over de meldcode. De gemeente Rotterdam is iets verder met het invoeren van de meldcode dan andere gemeenten. De klacht van de Riagg is dat er te weinig rekening wordt gehouden met de kennis en ervaring die aanwezig is bij de professionals, bij de hulpverleners zelf, waardoor zij aanleiding zagen om niet mee te werken. Is er wel genoeg rekening gehouden met wat de professionals aan ervaring hebben opgedaan? Wordt daar wel rekening mee gehouden als deze meldcode in de wet wordt vastgelegd? Dat er nu in Rotterdam al sancties worden uitgedeeld in de vorm van het onthouden van delen van de financiering, geeft de noodzaak aan dat het kabinet daar een uitspraak over doet.

Ik heb Kamervragen gesteld over het bericht dat in een aantal gemeenten de hulpverlening nog niet in orde was, terwijl wel gestart is met het opleggen van huisverboden. Je kunt natuurlijk geen huisverboden opleggen als de hulpverlening niet in orde is. Ik sluit mij aan bij de vragen van de CDA-fractie. Hoe ver zijn wij? Welke gemeenten zijn er klaar voor? Hoe staat het met het vangnet achter het simpele plakkertje van het commando huisverbod? Er moet een legertje aan hulpverleners en politie klaar staan. Welke gemeenten zijn niet klaar? Waar liggen de problemen? Wat zijn de problemen nog?

Bij een werkbezoek in Zeeland kwam ik in contact met hulpverleners die mee hadden gemaakt dat er een huisverbod werd opgelegd en dat de hulpverleners er niet klaar voor waren. Zij kwamen eigenlijk aan de hand van een praktijkgeval achter de kinken in de kabel. Dat moeten wij niet willen. Ik vraag me dan ook af waarom het kabinet zo weigerachtig is over mijn voorstel om te gaan droog oefenen. Laten we gewoon een droogoefening houden, zodat gemeenten aangekondigd of onaangekondigd gaan kijken of die keten van hulpverlening wel klaar is. Wij moeten mensen die al het slachtoffer zijn van huiselijk geweld niet nog eens het slachtoffer laten zijn van het gebrek aan samenwerking of aan geoefendheid van het hele model. Graag een reactie.

Ik constateer dat een aantal regio’s heel voortvarend aan de slag is gegaan met het opleggen van huisverboden. Ik ga ervan uit dat dit noodzakelijk was. Je kunt inderdaad niet spreken van een succes, zoals mevrouw De Pater-van der Meer aangaf, maar het toont aan dat het hard nodig was om dit instrument vorm te geven. Dan vraag ik mij af of het goed gaat met de financiering. Ik heb de indruk dat meer huisverboden opgelegd worden dan was voorspeld op basis van de modellen. Is er wel genoeg geld? Wat klopt er van het signaal dat het geld uit allerlei aparte potjes moet komen: het potje jeugdzorg, het potje gemeente of het potje Wmo? Is het niet noodzakelijk om voor de huisverboden een grote pot te maken? Dat zal een hoop bureaucratie voorkomen. Het lijkt mij zinnig om op zijn minst daarmee te experimenteren, zodat het geld er gewoon is voor het huisverbod dat wij allen wenselijk vinden. Er gaat veel tijd en geld verloren met het organiseren van hulpverlening die niet op elkaar aansluit. Dat moet toch gemakkelijker kunnen. Graag een reactie.

Ik krijg het signaal van de politie dat het meer tijd gaat kosten om het huisverbod te realiseren dan verwacht was. Ik heb het niet over een stuwmeer aan huisverboden maar gewoon één huisverbod. Kent de minister die signalen? Wat gaan we daarmee doen?

In eerste termijn zei de staatssecretaris er alle vertrouwen in te hebben dat er niemand tussen wal en schip gaat vallen als het gaat om de AWBZ. Alle vertrouwen is voor dit onderwerp niet genoeg. We moeten gewoon weten hoe het in de praktijk uitpakt. Ik wil van de staatssecretaris horen dat zij de praktijk gaat monitoren. Als het gaat om huiselijk geweld en begeleiding van mensen die al in de problemen zitten, mag er niemand tussen wal en schip vallen. Ik wil er zeker van zijn dat de slachtoffers van huiselijk geweld niet de dupe worden van de bezuinigingen op de AWBZ.

Dan kom ik bij huiselijk geweld waar kinderen getuige of zelfs slachtoffer van zijn. Ik lees in de brief van de minister dat daar bij de strafeis rekening mee kan worden gehouden. Gebeurt dat ook? Wordt er bij de strafeis daadwerkelijk rekening gehouden met de aanwezigheid van kinderen en wordt er dan een zwaarder vonnis uitgesproken? Wordt het AMK altijd op de hoogte gesteld dat er kinderen in het gezin aanwezig zijn als er sprake is van partnergeweld? Ik vind dat het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling standaard op de hoogte gebracht moet worden van huiselijk geweld en de aanwezigheid van kinderen. Wordt dat in de meldcode geregeld? Het AMK kent wachtlijsten. Het aantal wachtenden dat langer dan vijf dagen moet wachten op een onderzoek was op 1 oktober 2008 235. Neemt dat aantal af of stijgt het? De doorlooptijd van het onderzoek was gemiddeld 85 dagen. Dat is een gemiddelde, dus er zitten ook pieken in. Ik vind 85 dagen al heel fors, maar die pieken baren mij zorgen. Ik wil weten wat de bandbreedte is, wat de extremen zijn. Ik heb de indruk dat de wachtlijsten langer worden. Per 1 april waren het 344 wachtenden. Dat zijn er 65 meer dan op 1 januari. Ik zie dat de minister zijn hoofd schudt, maar als die getallen kloppen, gaan we de verkeerde kant op. Dan moeten we daar met elkaar iets aan doen. Ik vraag het kabinet wat wordt ondernomen om die wachtlijsten terug te dringen.

In eerste termijn heb ik gemeld dat er in Engeland een onderzoek is gedaan naar de goedkeuring door mensen van huiselijk geweld. Daarbij gaat het specifiek over mannen die het slaan van vrouwen goedkeuren. Bij één op de vijf mannen is dat het geval. Ik weet niet of dat een wetenschappelijk onderbouwd onderzoek is, maar ik schrik wel van deze resultaten. Is dit in Nederland wel eens onderzocht? Hoe staat het in onze maatschappij met de acceptatie van huiselijk geweld? Is het nog nodig om een dergelijk onderzoek te doen of is dat al gedaan?

Ik vraag mij af of overwogen moet worden om de meldcode uit te breiden naar dierenartsen en tandartsen, die signalen krijgen maar die geen duidelijk protocol hebben voor wat zij moeten doen. Hoe moet een tandarts melden dat hij gebitsklachten constateert die niet te verklaren vallen op basis van de gezondheid van het kind? Hetzelfde geldt voor dierenartsen. De signalen worden steeds duidelijker dat dierenartsen geconfronteerd worden met gezinssituaties waaruit zij kunnen concluderen dat er sprake is van mishandeling. Is het mogelijk om de meldcode uit te breiden tot die beroepsgroepen?

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Vorige week zijn wij opgeschrikt door de moord op Robienna in Amsterdam. Een twaalfjarig meisje, bekend als het moedertje van de buurt, werd door haar stiefvader neergestoken. De hele buurt werd door deze moord opgeschrikt. Niemand had dit zien aankomen. Zo blijkt dat huiselijk geweld nog steeds slachtoffers maakt. Naar schatting, zo schrijft ook het kabinet, is 45% van de Nederlandse bevolking zelf ooit slachtoffer geworden van niet-incidenteel huiselijk geweld. Wij hebben hier te maken met een groot maatschappelijk probleem. Echt betrouwbare cijfers hebben we niet. Ik heb eerder een motie hierover ingediend. Ik heb die motie aangehouden, omdat de minister had toegezegd dat hij die zou betrekken bij de jaarlijkse rapportage over het aantal mensen dat komt te overlijden. Tot nu toe heb ik echter geen betrouwbare cijfers gezien. Dus ik zou alsnog van de minister willen weten hoeveel vrouwen jaarlijks komen te overlijden als gevolg van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld.

Uit onderzoek blijkt dat slechts in 12% van alle gevallen waarin huiselijk geweld is gebruikt bij de politie gemeld worden. Hoe is dit mogelijk? Waarom is de aangiftebereidheid bij huiselijk geweld zo laag? Zou de minister daar onderzoek naar willen doen? Het is namelijk erg belangrijk dat slachtoffers aangifte doen van huiselijk geweld.

De heer Teeven (VVD): Begrijp ik goed dat mevrouw Arib bepleit dat er altijd aangifte wordt gedaan? Een van de redenen waarom het aangiftecijfer niet zo hoog is, is dat in gezinnen in huiselijke kring wordt getracht om iets buiten de politie om op te lossen, zeker als het de eerste keer is en niet al te ernstig is. Ik neem aan dat mevrouw Arib dat een veel betere oplossing vindt dan meteen aangifte doen.

Mevrouw Arib (PvdA): Daarom is het heel belangrijk om te weten wat de redenen zijn. Uiteindelijk is het aan slachtoffers zelf om te bepalen of wel of geen aangifte wordt gedaan. Er zijn situaties waarin geen aangifte hoeft te worden gedaan omdat er voldoende hulpverlening en bemiddeling is. Heel veel vrouwen willen dat het geweld stopt en niet dat het escaleert. Mij is echter ook bekend dat een vrouw in de vrouwenopvang in Rotterdam aangifte wilde doen, maar dat zij heel lang moest wachten en terug moest komen, terwijl het al heel moeilijk om die stap te zetten. Ik vind dat de politie de ruimte en deskundigheid in huis moet hebben om een dergelijke aangifte meteen serieus te nemen. Feit blijft dat aangifte moet worden gedaan als het slachtoffer dat wil.

Uit recent onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg blijkt dat slechts 4% van het totale aantal meldingen van kindermishandeling bij AMK’s afkomstig is van ziekenhuizen. Hieruit blijkt dat professionals nog steeds niet snel en adequaat reageren op signalen van geweld en mishandeling. Vooral de huisartsen spannen de kroon. Al eerder heb ik mijn ergernis over de rol van huisartsen bij het signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling kenbaar gemaakt. Onlangs werd ik hierin bevestigd door een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, waaruit weer bleek dat kindermishandeling en huiselijk geweld vaak over het hoofd wordt gezien wanneer kinderen zich melden bij huisartsenposten. Vaak worden huisartsenposten bezocht, omdat dergelijke voorvallen zich meestal ’s avonds voordoen. Kindermishandeling werd alleen herkend wanneer de patiënten of begeleiders dit op eigen initiatief gemeld hadden. De dienstdoende huisartsen op de huisartsenposten herkennen de signalen van kindermishandeling onvoldoende. Dat vind ik schandalig en maatschappelijk immoreel, omdat dit al jaren het geval is. Ik vraag mij af of er onvoldoende kennis of onvoldoende belangstelling is. Heeft de huisarts geen tijd of komt het er niet van? Op welke wijze kan ervoor gezorgd worden dat juist huisartsen, omdat zij de eersten zijn waar zowel vrouwen als kinderen naar toe gaan, alert zijn op huiselijk geweld en kindermishandeling? Graag een reactie daarop.

Een wettelijke meldcode zou volgens het kabinet hierin verandering moeten brengen. Dat is ook de reden waarom wij vandaag dit voortgezet overleg hebben. Klopt het dat een wettelijke meldcode ertoe zal leiden dat er meer gemeld wordt, dat men alerter is en dat men ook iets doet met de signalen die afgegeven worden? Instellingen en professionals hebben nog steeds de vrijheid en ruimte, zelf te bepalen hoe zij met signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling omgaan. Dat staat in de brief van 20 november van vorig jaar over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling. In die brief staat ook dat instellingen en professionals zelf verantwoordelijk zijn voor het opstellen van een meldcode. Dat vind ik heel vrijblijvend, ook gezien het feit dat wij hier al jaren om vragen. Er ligt nu eindelijk een voorstel, maar dat moet wel een goed voorstel zijn en niet een half voorstel. Aangekondigd wordt dat in de wet slechts minimumeisen zullen worden genoemd waaraan een meldcode moet voldoen.

De PvdA is van mening dat het streven naar een geïntegreerde meldcode zich slecht verdraagt met het bieden van veel ruimte aan invullingen van onderop. Ik wijs in dit verband op de motie die ik hierover heb ingediend, waarin ik pleit voor een landelijke meldcode met een uniforme kern die ruimte biedt voor sectorspecifieke noties. Het doel van de meldcode is niet het melden op zichzelf, staat er in de brief, maar het streven om hulpverleners en professionals hun verantwoordelijkheid te laten nemen om hulp te bieden en de zaak te blijven monitoren. Bij een reële kans op schade houdt die verantwoordelijkheid overigens wel een melding in. Hoe kan de regering garanderen dat mensen die verantwoordelijkheid daadwerkelijk dragen en dat de verplichte meldcode ook in de praktijk gebruikt wordt? Het voorbeeld van Rotterdam werd genoemd. Ik noem het in een ander verband. Ik vond het schandalig dat de Riagg in Rotterdam de meldcode aan zijn laars lapte. Ik heb daar ook schriftelijke vragen over gesteld en ik schrok van het antwoord van het kabinet dat erop neerkwam dat er niets aan te doen is als de instelling dat niet wil doen. Wat is dan de meerwaarde van een dergelijk meldcode? Wat als achteraf blijkt dat men heeft verzuimd om de meldcode in de praktijk te gebruiken? Welke maatregelen staan ons dan ter beschikking? Dit in samenhang met de verschillende beroepsgroepen die gaan werken met de meldcode. Komt er een meldplicht als de verplichte meldcode onvoldoende werkt? Graag een reactie.

Mevrouw Van Velzen (SP): Mevrouw Arib zet het wel heel simpel weg. Ik had de indruk dat de Riagg niet zomaar zei: wij doen niet mee. Daar lag een inhoudelijke argumentatie aan ten grondslag, met name waar het gaat om de professionaliteit van de hulpverlener versus de ambtenaar die besluit hoe de meldcode in elkaar zit. Wat vindt mevrouw Arib van de argumentatie van de Riagg?

Mevrouw Arib (PvdA): Dat vind ik absoluut niet overtuigend. Ik heb sterk de indruk dat de Riagg zich verschuilt achter die professionaliteit. Dat is niet nieuw. Al jaren wordt geroepen dat de professionals zelf in staat zijn om op tijd te signaleren of er sprake is van mishandeling of seksueel misbruik. Uit verschillende onderzoeken en ervaringen blijkt echter dat professionals allerlei signalen van kindermishandeling of misbruik of huiselijk geweld vaak niet hebben opgepakt. Ik heb sterk de indruk dat de beroepsgroepen, niet alleen de Riagg, zich verschuilen achter hun bevoegdheden. Zij hebben het over het beroepsgeheim, de vertrouwelijke relatie met de ouders. Gezien de cijfers van het aantal mishandelde kinderen en van vrouwen die komen te overlijden, vind ik dat blijkt dat de professionals die verantwoordelijkheid niet kunnen dragen. Daarom ben ik voorstander van wat harder optreden dan tot nu toe het geval is geweest.

De heer Teeven (VVD): Ik heb in eerste termijn ook gemeld voor een meldplicht te zijn. Dan weten professionals waar zij aan toe zijn en zien zij zich gesterkt door de wet. Daar was de fractie van de PvdA tot op heden geen voorstander van. Nu zijn er allerlei problemen met die meldcode. Dat was ook wel te verwachten. Moet ik nu uit de bijdrage van mevrouw Arib van vandaag afleiden dat haar fractie langzaam aan het opschuiven is naar een wettelijke meldplicht?

Mevrouw Arib (PvdA): Ik heb eerder een motie ingediend om te onderzoeken wat de voor- en nadelen zijn van een meldplicht. Dat was naar aanleiding van een debat over meisjesbesnijdenis. Dat onderzoek is gedaan. Uit dat onderzoek blijkt dat de nadelen van een meldplicht eigenlijk te groot zijn. Daarmee is niet gezegd dat ik het daar nooit meer over wil hebben. Ik vind de formulering in de brief van de minister van een verplichte meldcode erg vrijblijvend. Ik hoop dat de wet wat meer eisen zal stellen aan het veld dan wat ik nu uit de brief opmaak. Als dat gebeurt, vind ik dat wij een verplichte meldcode een kans moeten geven. Als dat niet werkt, sluit ik niet uit dat ik mijn fractie zo ver kan krijgen dat zij voor een meldplicht is.

De heer Teeven (VVD): Ik heb goed naar mevrouw Arib geluisterd. Begrijp ik dan dat zij vandaag aan de regering vraagt om een overzicht van situaties waarin een verplichte meldcode niet werkt en dat wij na verloop van tijd nog eens moeten bekijken of die verplichte meldcode wel werkt? Mocht blijken dat het allemaal niet werkt, dan wil zij overgaan tot een meldplicht, met alle nadelen die daaraan verbonden zijn. Heb ik dat goed begrepen?

Mevrouw Arib (PvdA): Het gaat erom hoe je ervoor zorgt dat kinderen en vrouwen die slachtoffer zijn van geweld tijdig hulp krijgen. De signalen die dan worden afgegeven, moeten tijdig worden opgepakt en er moet adequaat op worden gereageerd. Het kabinet vindt dat uit onderzoek in landen waar de meldplicht is ingevoerd, blijkt dat een meldplicht te veel nadelen heeft, omdat daarmee niet gezegd is dat geweld tegen kinderen wordt teruggedrongen. Wij willen kijken of een meldcode, die breed gedragen wordt en die eigenlijk wel wat aangescherpt mag worden, misschien hetzelfde of een beter effect kan hebben dan een meldplicht. Daartoe wil ik het kabinet een kans geven. Als het niet werkt, ben ik «uw vrouw». Hoewel, dat kan ik beter niet zeggen.

De heer Teeven (VVD): U mag alles zeggen wat u wilt.

Mevrouw Arib (PvdA): In een krantenartikel van dit jaar meldt Jaap Doek, kinderrechtendeskundige en ex-voorzitter van het VN-Comité inzake de Rechten van het Kind, dat een aangescherpte meldcode niet meer dan een papieren reus is indien er geen harde sancties komen voor huisartsen. Hij heeft ook heel veel kritiek op huisartsen die nalaten kindermishandeling te melden. Hij benadrukt dat artsen gevrijwaard moeten worden als zij ten onrechte hun vermoeden melden bij jeugdinstanties. Ik krijg daarop graag een reactie van de minister van Justitie.

Ook wil ik weten voor wie een wettelijke meldcode gaat gelden. Om welke voorzieningen en instellingen gaat het? Ik heb eerder debatten gevoerd over de VOG, de verklaring omtrent gedrag. Daarbij zei de minister steeds dat dit niet van vrijwilligersorganisaties gevraagd kan worden. Wij weten echter ook dat heel veel kinderen gebruikmaken van vrijwilligersorganisaties. Wordt de meldcode daar ook ingevoerd?

Ik hoorde een aantal collega’s spreken over meldingen door dierenartsen. Ik weet niet wat ik daarvan moet vinden, want het is voor mij nieuw. Zeker is dat de meldcode ingevoerd zou moeten worden voor de verloskundigen en kraamverzorgenden, want dat zijn degenen die als eerste thuis komen, die gewoon zien hoe het huis eruit ziet of een kind al dan niet verwaarloosd wordt of moeder aan de drugs is. Met die beroepsgroep moet de minister zo snel mogelijk in overleg gaan en niet wachten tot er een wet is, want in de tussentijd komen zij dagelijks in allerlei wijken en zien zij allerlei ellende. Ik vind dat die beroepsgroep de ruimte moet hebben om te kunnen melden zodat tijdig hulp kan worden geboden.

Ik ben voorstander van een wet op huiselijk geweld. De minister reageerde daar in zijn brief afwijzend op. Ik vind zijn argumenten niet heel erg overtuigend. Ik wijs op het pleidooi van de G4 om dat landelijk te regelen omdat er aandacht moet zijn voor de kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld. Dagelijks zijn duizenden kinderen getuige van huiselijk geweld. De psychische gevolgen daarvan zijn meestal traumatisch. Het is belangrijk dat dit als strafverzwarende omstandigheid wordt meegenomen? De minister zegt dat het kan, maar dat is niet zo. Is de minister bereid om het openbaar ministerie een aanwijzing op te laten stellen dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld als strafverzwarende omstandigheid wordt meegenomen.

Dan het punt van het huisverbod. Bij de wet werd uitgegaan van 1000 huisverboden per jaar. Het is nu juni en er zijn landelijk 700 huisverboden uitgevaardigd. De verdeelsleutel voor het budget is gebaseerd op het aantal inwoners. Ons voorstel is om een andere verdeelsleutel te hanteren, namelijk het aantal geregistreerde meldingen van huiselijk geweld. Graag een reactie daarop.

Wanneer slachtoffers in beroep willen gaan na een huisverbod moeten zij griffierechten betalen. Dat is twee keer €150. Slechts in sommige gevallen, als zij de zaak winnen, krijgen zij het geld terug. Dit leidt tot veel problemen. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris bij de behandeling van deze wet in de Eerste Kamer heeft toegezegd hiernaar te kijken. Hoe staat het daarmee?

Mijn laatste vraag heeft ook betrekking op rechtsbijstand. Daders kunnen een beroep doen op een piketadvocaat, maar slachtoffers moeten een advocaat zelf betalen. Ik kan mij niet voorstellen dat het de bedoeling van de overheid is om slachtoffers niet tegemoet te komen in de kosten voor advocatuur maar de daders wel. Graag een reactie.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Ik zal proberen niet in herhalingen te vervallen. De Federatie Opvang heeft bij brief van 27 mei de aandacht van de vaste Kamercommissie gevraagd voor de problemen rondom de financiering. Er zijn verschillende financieringsstromen die goed op elkaar zouden moeten worden afgestemd. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Mevrouw De Pater-van der Meer vraagt terecht aandacht voor de werking van de Wet tijdelijk huisverbod. Ik was gisteren op werkbezoek in Gouda en eerder in Amsterdam en Rotterdam. Uit gesprekken met hulpofficieren van justitie, brigadiers die de taak van hulpofficier vervullen en inspecteurs, begrijp ik dat zij het belang en de urgentie zien van het terugdringen van huiselijk geweld, maar dat zij buitengewoon veel problemen hebben met alle bureaucreatie rondom het opleggen van de huisverboden. Zij hebben er een dagtaak aan om een enkel huisverbod administratief op de goede wijze te regelen. Krijgt de minister van Justitie ook deze signalen uit het veld? Zijn er mogelijkheden om de administratieve druk op de politie terug te dringen?

Is er al enig zicht op het verloop van de bezwaarprocedures? Blijven de tijdelijke huisverboden onder alle omstandigheden overeind? Graag een reactie van de minister van Justitie.

Het mag geen verrassing zijn dat de VVD-fractie al langer voorstander is van een meldplicht. Beroepsuitoefenaren – de professionals zoals mevrouw Van Velzen zei – zullen dit als een wettelijke ruggesteun ervaren als zij per ongeluk een melding doen waaruit een schadeplicht kan ontstaan. Uit dat oogpunt is het wellicht verstandig om de meldplicht toch in overweging te nemen. Hoe zit het met de afwikkeling van schadeclaims als professionals ten onrechte een melding doen van huiselijk geweld of kindermishandeling? Ik kan mij namelijk voorstellen dat mensen daar behalve emotionele schade ook financiële schade van oplopen met alle gevolgen van dien voor de professionals. Hoe denkt de minister hierover?

Ik sluit mij aan bij de vragen van mevrouw Arib over het niet werken van de verplichte meldcode en alle problemen die daaruit voortvloeien in een aantal regio’s. Wij hebben daar in tegenstelling tot de PvdA al een consequentie aan verbonden. Wij denken namelijk dat de meldplicht daarvoor de oplossing is.

Het afgelopen jaar zijn in een groot aantal regio’s samenwerkingsverbanden ontstaan voor hulp aan kinderen die getuige zijn van geweld en zijn bestaande verbanden verder ontwikkeld. Op basis van onderzoek kan worden geconcludeerd dat nog niet in alle regio’s binnen Nederland sluitende samenwerkingsverbanden rondom trajecten voor kinderen als getuigen van huiselijk geweld zijn opgezet. Wij zijn nu een jaar verder. Is dat inmiddels in alle regio’s wel gebeurd? Wat zijn de vorderingen op dat punt?

In 35 centrumgemeenten zijn er advies- en steunpunten voor huiselijk geweld en daarnaast zijn er de meldpunten van het AMK. Is het een idee om beide meldkamers samen te voegen? Dan kan het AMK een gespecialiseerde afdeling zijn van de advies- en steunpunten voor huiselijk geweld. Zo voorkom je dubbele lasten voor de Staat en de burgers weten altijd waar zij terecht kunnen. Het heeft ook voordelen bij gedeelde dossiers in zaken waarin zowel tegen een volwassene als tegen een kind geweld gepleegd wordt. Wanneer denkt de staatssecretaris daar een wettelijke regeling voor te maken? Zou zij daarbij rekening willen houden met de politieregio’s? Ik bedoel daarmee dat de gecombineerde meldpunten aansluiten bij de meldpunten van de politie. Dan is alles geïntegreerd en is er minder kans, zoals mevrouw Arib terecht opmerkte, dat er langs elkaar heen gewerkt wordt.

Mevrouw De Pater-van der Meer heeft terecht aandacht gevraagd voor de zware delicten die het gevolg zijn van huiselijk geweld. Ik doel op poging tot doodslag en dan niet alleen zaken die gekwalificeerd worden als poging tot doodslag maar die daadwerkelijk een poging tot doodslag inhouden. Heeft de minister van Justitie signalen dat er alleen op aangifte wordt geacteerd of ziet hij een actieve houding bij politie en justitie in dezen? Is het inmiddels in de haarvaten van het OM en de politie doorgedrongen dat er ook zonder aangifte op tijd wordt geacteerd?

De voorzitter: Het kabinet heeft aangegeven even tijd nodig te hebben voor de voorbereiding van de antwoorden.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

De voorzitter: Ik geef als eerste het woord aan de minister van Justitie.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik dank de leden van de vaste Kamercommissie voor de aandacht voor dit onderwerp dat wij met vereende krachten proberen aan te pakken. Dit beleid valt onder Pijler 5 van het beleid van Justitie, waarin ik de eerste verantwoordelijkheid heb. Onze doelstellingen op dit terrein zijn bekend. Huiselijk geweld is een belangrijk onderdeel van dit beleid, omdat het een vorm van geweld is die zich aan het oog onttrekt. Het is belangrijk dat slachtoffers aangifte doen. Daarom moeten wij preventieve maatregelen nemen om de slachtoffers te beschermen. Daarop zijn onze inspanningen gericht langs de lijn van de hulpverlening.

Mevrouw De Pater-van der Meer vraagt of het beleid al effect heeft, of mensen er meer mee naar buiten komen. Wij hebben de indruk dat dit het geval is, maar wij kunnen dat niet precies meten. Het lijkt redelijk om dat te verwachten, omdat er meer wordt opgetreden en er meer beschermende maatregelen worden genomen. Maar voor een empirisch onderbouwde beantwoording van deze buitengewoon relevante vraag moet ik verwijzen naar de evaluatie en het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt.

Mevrouw De Pater-van der Meer vraagt hoe het staat met de ontwikkeling van sluitende samenwerkingsverbanden bij geweld tegen kinderen en volwassenen. Zij verwijst daarbij naar de brief van 5 januari. Ik wijs erop dat op deze brief ten onrechte de datum 5 januari 2008 staat. Het moet zijn 5 januari 2009. Ik neem aan dat zij doelt op de trajecten die wij op het punt van de samenwerking in het kader van Kindspoor in gang hebben gezet. De recentste gegevens daarover zijn bij de brief gevoegd. Over recentere cijfers beschik ik niet. Het blijkt dat er al in veel regio’s aandacht is voor de aanpak van kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld. Ik zal straks terugkomen op de manier waarop aan die kinderen bescherming kan worden geboden. Wij verwachten dat de werking van de Wet tijdelijk huisverbod samenwerking in de hand werkt. In de Wet tijdelijk huisverbod is dat al ingebouwd, omdat er een relatie is tussen gemeenten en justitie bij de toepassing ervan. Ook is er een relatie tussen gemeenten en hulpverlenende diensten in de bescherming in de vervolgprogramma’s die de toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod volgen.

De Wet tijdelijk huisverbod is inderdaad een succes. Uiteraard zouden wij liever zien dat er helemaal geen situaties meer zijn waarin die wet moet worden toegepast, maar wetend dat het voorkomt dat mensen worden mishandeld in het huisgezin is het goed dat er in die situaties op grond van deze wet wordt ingegrepen. Ik ben blij met de bijdrage van politie en OM aan de toepassing van de wet. Ik kom op een aantal aspecten, waaronder het financiële, straks terug.

De vraag van mevrouw De Pater-van der Meer in hoeverre van de beroepsmogelijkheden gebruik wordt gemaakt, kan ik helaas niet beantwoorden. Dat kan als gevolg van de decentralisatie – waarover wij altijd de vreugde met elkaar delen – alleen per gemeente worden vastgesteld. Centrale registraties daarvan zijn er niet.

Gevraagd is of alle regio’s inmiddels zover zijn dat zij uitvoering kunnen geven aan de Wet tijdelijk huisverbod. Het antwoord daarop is: ja, behoudens een paar gemeenten. Enkele gemeenten lopen nog achter. Wij hopen dat die achterstanden binnenkort tot het verleden zullen behoren.

Op de vraag of ambtshalve kan worden vervolgd wanneer geen aangifte is gedaan, is het antwoord «ja». Uiteraard is er altijd behoefte aan gegevens die van het slachtoffer komen, maar er ligt geen blokkade op als er informatie is gekomen langs andere lijnen om daar strafvorderlijk op te reageren.

De coördinatie tussen de 35 centrumgemeenten en de gemeenten in de regio’s eromheen verloopt steeds beter. Daar dragen de veiligheidshuizen aan bij. Onze doelstelling om in de loop van dit jaar een landelijk dekkend netwerk van veiligheidshuizen te realiseren is bekend. De staatssecretaris van Justitie en ik zijn daar flink mee gevorderd inmiddels. Ik hoop aanstaande zaterdag een nieuw veiligheidshuis in Gouda te kunnen openen. Ik hoop later op de middag in Zutphen bij een andere bespreking over de aanpak van problemen rondom geweld en criminaliteit daarvan kond te kunnen doen. Ik reken op de interesse daarvoor zowel in Gouda als in Zutphen.

Mevrouw De Pater vraagt om mijn oordeel over de mogelijke rol van dierenartsen bij het signaleren van huiselijk geweld. Het is waar dat er een verband is gesignaleerd dat in geval van dierenmishandeling er ook vaak sprake is van een gewelddadig klimaat in het huis waar deze huisdieren worden gehouden. Of dat frequent tot signalen kan leiden, kan ik op dit moment niet beoordelen. Er is een taskforce die ook naar deze aspecten kijkt, dus naar de mogelijkheid dat vanuit de melding van dierenmishandeling iets kan worden afgeleid over bredere wantoestanden. Als die taskforce met iets bruikbaars komt, zullen wij daar uiteraard graag gebruik van maken.

Mevrouw Van Velzen (SP): Wat doet die taskforce? Hoe wordt er gerapporteerd? Wanneer kunnen wij daarover iets horen?

Minister Hirsch Ballin: Ik bedoelde niet een overheidstaskforce, maar een taskforce die in de wereld van de diergeneeskunde is opgekomen. Daar leeft die gedachte. Dat is interessant, want als men er zelf mee komt zonder dat wij erom hebben gevraagd, is er misschien echt iets aan de hand. Of het tot iets leidt, weet ik niet. Wij zullen uiteraard het contact met die beroepsgroep daarover aanhouden. Als het van belang is in substantiële mate voor huiselijk geweld, zullen wij dit spoor uiteraard niet laten lopen.

Mevrouw Van Velzen (SP): Mag ik u concreet vragen om de Kamer verslag te doen van uw bevindingen naar aanleiding van uw contacten met die faculteit? Ik ben er wel nieuwsgierig naar, ook als de conclusie is dat er niets mee gaat gebeuren.

Minister Hirsch Ballin: Zeker. Ik durf er op dit moment niets anders over te zeggen dan dat ik weet dat het in de wereld van de dierenartsen gesignaleerd is, dat het blijkbaar voorkomt. Als het voorkomt, is het relevant, want wij willen heel graag een eind maken aan de duisternis rondom het huiselijk geweld. Als daar op deze manier indirect een bijdrage aan kan worden geleverd, dan graag. Ik zal de Kamer daarover informeren.

Mevrouw Van Velzen heeft gevraagd naar de financiële kant van het aantal huisverboden. Dat zal inderdaad ver boven de 1000 uitkomen. Bij het ramen van de benodigde financiën zijn wij uitgegaan van structureel 1,2 mln. gebaseerd op 2000 huisverboden. Het gaat hier om het financieren van de extra bevoegdheden van de burgemeester. Die middelen zijn vanaf 1 januari 2008 in het Gemeentefonds gestort. Die middelen zijn niet gebruikt omdat het wetsvoorstel later in werking is getreden dan wij hadden voorzien. De wet is feitelijk per 1 januari 2009 in werking getreden. Daarnaast hebben wij structureel 1,9 mln. beschikbaar gesteld voor rechtsbijstand en rechtspleging. Dat is ook op 2000 huisverboden gebaseerd. Dat betekent dat er met de buffer die vorig jaar kon worden opgebouwd een substantiële bijdrage via het Gemeentefonds is geleverd. Bovendien heeft het ministerie van VWS nog 2,6 mln. beschikbaar gesteld voor 1000 huisverboden ten behoeve van de hulpverleningstrajecten aan slachtoffers en plegers na het huisverbod. Die middelen komen bovenop de extra middelen die VWS structureel ter beschikking heeft gesteld voor versterking van een steunpunt huiselijk geweld ten bedrage van 10 mln. en voor crisisinterventie en opvang uithuisgeplaatsten 6 mln. Die middelen komen ook ten goede aan de uitvoering van het huisverbod. Al deze middelen zijn toegevoegd aan de specifieke uitkering vrouwenopvang met 35 centrumgemeenten die daarvoor zijn aangewezen. Er zijn ook algemene middelen aan het Gemeentefonds toegevoegd, zowel uit de middelen van de veiligheidspijler, waar ik het net over had, als uit hoofde van «Beschermd en weerbaar» van mijn collega Bussemaker en de overige middelen uit het Gemeentefonds. Ik wees er al op dat er gedurende een jaar middelen beschikbaar waren gesteld die niet onmiddellijk nodig waren vanwege de inwerkingtreding pas per 1 januari 2009.

Mevrouw Arib (PvdA): Dat kan. Die middelen zijn gebaseerd op een aantal ramingen. Er zijn nu al signalen bijvoorbeeld van de gemeente Rotterdam, waar goed wordt geregistreerd, dat er veel meer huisverboden zijn uitgegaan dan men aanvankelijk dacht. Het zullen er misschien nog meer worden. Mij gaat het erom dat het belangrijk is om tijdig te bekijken of het beschikbare budget voldoende is voor wat er aan huisverboden is uitgegaan. De verdeelsleutel is gebaseerd op het aantal inwoners. Zou het niet beter zijn om de verdeelsleutel te baseren op het aantal geregistreerde meldingen van huiselijk geweld? Dat is veel reëler, want niet alle gemeenten hebben hiermee te maken. Het zijn vooral de grote steden. Ook is het van belang dat daarop tijdig wordt geanticipeerd, mede met het oog op de volgende begroting.

Minister Hirsch Ballin: Ik begrijp dit wel, maar zoals ook door de fractie van mevrouw Arib keer op keer is bepleit, zijn er geen specifieke doeluitkeringen voor de gemeenten. Wij hebben het geld desalniettemin een beetje specifiek geadresseerd, maar al 20 jaar houdt de VNG ons voor – en daar heeft dit kabinet rekening mee gehouden – dat zij specifieke doeluitkeringen ongewenst vindt. Dat betekent dat de algemene verdeelsleutels van het Gemeentefonds van toepassing zijn. Er zijn toevoegingen gedaan aan het Gemeentefonds. Daarbovenop hebben wij de 35 centrumgemeenten extra geholpen met de specifieke uitkering vrouwenopvang. Dat is dus wel een specifieke uitkering. Wij hebben 1,2 mln. gebaseerd op 2000 huisverboden beschikbaar gesteld aan de gemeenten naast de middelen voor de rechtspleging en de rechtsbijstand uit de begroting van Justitie, omdat de gemeenten dat uitvoeren. Dat is een jaar later gekomen dan de bedoeling was. Ik ben uiteraard verheugd over de goede toepassing in de gemeente Rotterdam, maar dat betekent niet dat bij elke succesvol toegepaste wet er een nieuwe rekening voorligt. Ik heb uitgemeten welke bedragen er beschikbaar zijn gesteld. Wij mogen er dus echt op rekenen met die middelen, die gebaseerd zijn op de aannames die ik heb gegeven en de extra structurele middelen en alles wat er is gedaan, dat de gemeenten echt in staat zijn om uitvoering te geven aan deze wet.

De heer Teeven (VVD): Herkent de minister de druk die op de politie wordt uitgeoefend naar aanleiding van de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod of is dat nieuw voor hem? Het was voor mij niet helemaal nieuw, maar ik begrijp dat de nood redelijk hoog is bij de korpsen.

Minister Hirsch Ballin: Er is inderdaad druk op de politie, trouwens niet alleen bij dit onderwerp zoals de heer Teeven weet. Dit onderwerp is met mijn voor het beheer van de politiekorpsen verantwoordelijke collega eenen andermaal besproken. Zij doet daar al het mogelijke aan. Dit behoort tot de politietaken. Het is goed dat er in de gevallen die erom vragen intensief toepassing wordt gegeven aan de Wet tijdelijk huisverbod. De korpsbeheerder – dat is de burgemeester van de centrumgemeente – heeft rechtstreeks in overleg met de hoofdofficier van justitie de taak om de middelen toe te delen waar de nood hoog is. Conform het verzoek van de korpsbeheerders hebben wij minder prestatieafspraken gemaakt. Ook daarvoor geldt het feit dat – en daar is een- en andermaal op aangedrongen door de korpsbeheerders en door de VNG – de bevoegdheid is gelegd bij de gemeenten met minder binding aan het Rijk. Dat betekent veel minder specifieke doeluitkeringen en geen prestatieafspraken maar eigen verantwoordelijkheid. Dat betekent ook dat op het moment dat er wordt geconstateerd dat er op een bepaalde taak druk ligt, dan ook de verantwoordelijkheid bij de gemeente ligt om nieuwe prioriteiten te stellen. Ik zeg dit niet omdat ik mij niet in staat acht om die prioriteiten te stellen voor de vervulling van politietaken of de besteding van gemeentelijke budgetten. Ik ga absoluut geen verantwoordelijkheid uit de weg, maar op verzoek van deze beheerders/burgemeesters is de verantwoordelijkheid bij hen gelegd en ik reken erop dat zij die verantwoordelijkheid waarmaken. Ik heb geen signalen dat zij dat niet doen of niet willen doen.

De heer Teeven (VVD): Die signalen heb ik ook gekregen. Sterker nog: ik heb zelfs het signaal gekregen dat men veelvuldig juist voor die invulling kiest en dat daardoor de druk op bijvoorbeeld de opsporingstaak toeneemt. Dit onderwerp wordt in ieder geval genoemd als een oorzaak waardoor andere taken van de politie in gevaar komen. Herkent u dit beeld en, zo ja, wat gaat u daaraan dan samen met uw ambtsgenoot van Binnenlandse Zaken en de korpsbeheerders doen?

Minister Hirsch Ballin: Ik weet dat de executieve functies van de politie onder druk staan. Dat geldt zowel voor de recherche als voor «blauw op straat». In het beleid van minister Ter Horst en mij wordt hieraan prioriteit gegeven boven «overhead» en dergelijke. Wij spreken de korpsbeheerders daar ook nadrukkelijk op aan. Dat er druk staat op de politietaken, klopt dus. Het is verder terecht dat er meer ruimte wordt gemaakt als er voor de uitvoering van deze wet een groter beroep wordt gedaan op de hulpofficieren van justitie.

Uiteraard is het belangrijk dat de afspraken worden nagekomen voor de beleidsmatige inzet voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de vreemdelingentaken. Ik hecht daar zeer aan en de staatssecretaris en ik laten daar in onze contacten met de korpsbeheerders geen enkele twijfel over bestaan. De ruimte hiervoor moet en kan naar het oordeel van mijn collega van Binnenlandse Zaken en mij worden gevonden in het verminderen van het beslag dat de «overhead» op de politiecapaciteit legt. Wij werken aan het vergroten van de doelmatigheid van de politie, zie de notitie over het nieuwe politiebestel en het wetsvoorstel hiervoor. Ik wijs ten slotte op de door ons beoogde kleine, maar niet onbelangrijke vermindering van het aantal politieregio’s.

Ik geef de heer Teeven in de door hem ook op andere momenten uitgesproken zorgen dus gelijk. Er ligt inderdaad druk op de politie, maar ik onderstreep tegelijkertijd ons gelijk wat betreft de manier waarop dit probleem moet worden aangepakt.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Mevrouw Arib legt de nadruk op de problemen die de politie in de grote steden heeft met het opleggen van het tijdelijk huisverbod. Kan de minister de Kamer laten weten of de komende evaluatie dat beeld bevestigt? Ik vraag dat, omdat ik vooral hoor over de problemen die kleinere gemeenten hiermee hebben. Overigens zijn die geluiden eerder door onderzoek bevestigd. Dat onderzoek liet namelijk zien dat de hulpverleningsnetwerken in kleinere gemeenten minder goed geoutilleerd zijn. Ik zou graag zien dat dit in de registratie wordt meegenomen.

Minister Hirsch Ballin: Ik zeg dat graag toe. Het raakt overigens een punt dat door mevrouw Van Velzen is aangesneden, namelijk de werklast. Eerder hebben wij met elkaar gesproken over de checklist die daarbij wordt gehanteerd. Dat was een ingrijpende maatregel en die checklist moet dan ook zeker degelijk zijn. Wij zullen daarbij aandacht geven aan kleinere gemeenten, met de aantekening dat de korpsbeheerder altijd de integrale verantwoordelijkheid draagt voor het samenstel van grote en kleine gemeenten. Daarom zijn de burgemeesters van kleine gemeenten ook lid van het regionaal college, een college dat moet oordelen over de beheersmatige planning die de korpsbeheerder in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie aan hen voorlegt.

Voorzitter. Mevrouw Arib vroeg naar het aantal dodelijke slachtoffers. De politiecijfers van de 26 politieregio’s over 2008 zijn nog niet beschikbaar, maar de cijfers over 2007 laten zien dat van alle voltooide moorden en doodslagen dan wel pogingen daartoe 18,8% te typeren is als huiselijk geweld.

Zij vroeg verder of er een acceptatieprobleem is. Accepteert men soms te veel? Er loopt op dit moment een groot landelijk onderzoek naar huiselijk geweld dat eind dit jaar wordt afgerond. Ik hoop dat dit onderzoek hierop licht zal werpen.

Ik hoop dat het onderzoek naar de lage aangiftebereidheid eind dit jaar meer gegevens oplevert. De verwachting is dat de aangiftebereidheid toeneemt. Ik zeg verder tegen mevrouw De Pater dat ik bereid ben om in het volgende overleg met de procureurs-generaal te onderstrepen dat het een strafverzwarende omstandigheid is dat kinderen getuige zijn van huiselijk geweld. In artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht staat namelijk dat iemand die zijn echtgenoot, partner of kind mishandelt een verhoging van de maximumgevangenisstraf met een derde kan krijgen. Dat zijn in het algemeen situaties waarin er ook getuigen aanwezig zijn. Het lijkt mij goed als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt bij het stellen van de eis door de officier van justitie.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik ben blij met deze toezegging van de minister, want ik word hierover graag nader geïnformeerd. De rechter kan deze omstandigheid op basis van de huidige wetgeving meenemen in zijn oordeel. Het wettelijk kader daarvoor ontbreekt, want artikel 304 betreft de mishandeling van mensen die afhankelijk zijn van de dader en niet expliciet kinderen die getuige zijn van de mishandeling. Ik heb overigens geen behoefte aan een extra wetsartikel, maar wel aan een aanwijzing voor dit soort situaties.

Minister Hirsch Ballin: Dat heeft ook mijn voorkeur. Men moet daaraan denken op het moment dat de ruimte die in artikel 304 is vervat voor mishandeling in gezinsverband, kan worden benut.

Mevrouw Van Velzen (SP): De wet staat dus toe om deze strafverzwarende omstandigheid mee te nemen. Hoe vaak gebeurt dit echter? Als hiervan weinig gebruik wordt gemaakt, moet dat reden zijn om een stevig gesprek te voeren. Maar om te bepalen of er veel of weinig gebruik van wordt gemaakt, heb je wel een nulmeting nodig.

Minister Hirsch Ballin: Niet elk gesprek is een stevig gesprek. Het hoort een onderdeel te zijn van de manier waarop het openbaar ministerie met dit soort zaken omgaat. Ik zal het daarom nog eens onder de aandacht brengen. Ik verwacht dat ik meer kan zeggen over de toepassing van de sancties als wij hiervan een beter beeld hebben.

Mevrouw Van Velzen (SP): Interpreteer ik uw woorden juist als ik zeg dat u het op dit moment niet weet, maar dat u het belangrijk vindt om hierop terug te komen? Zo ja, zegt u dan ook toe dat u op een later moment een brief naar de Kamer stuurt waarin staat hoe vaak het wordt toegepast?

Minister Hirsch Ballin: Hiervoor is dossieronderzoek nodig, omdat deze cijfers niet onmiddellijk af te leiden zijn uit de registraties. Het is bewerkelijk, maar ik zal de Kamer desondanks bij de volgende periodieke informatieronde melden wat wij hiermee kunnen doen.

Voorzitter. Het griffierecht. Op 24 april heb ik de Kamer schriftelijk gemeld dat de verschuldigdheid van griffierecht abusievelijk niet is uitgesloten in de Wet tijdelijk huisverbod. Ik ben van plan om dit recht te zetten in de nota van wijziging bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die ik de Kamer binnenkort samen met de nota van het eindverslag zal aanbieden. Tot dat moment geldt de wet, maar tot nu toe hebben wij hierover nog geen klachten binnengekregen.

Gefinancierde rechtsbijstand voor het slachtoffer. De Wet op de rechtsbijstand strekt ertoe een voorziening te bieden voor bijstand van juridische aard. Als er een vordering voortkomt uit de primaire hulpverlening, die niet onder de Wet op de rechtsbijstand valt, kunnen de gewone regels van toepassing zijn. Slachtofferhulp kan mensen daarvoor doorverwijzen naar het Juridisch Loket.

De heer Teeven vroeg of de indruk juist is dat politie en justitie actief optreden in het geval van huiselijk geweld en dat men niet wacht op een aangifte. Die indruk is juist. Die actieve houding is er. Hoe vaak er ambtshalve wordt vervolgd, is alleen vast te stellen door dossieronderzoek te doen, omdat het niet af te leiden is uit de justitiële statistieken. Ik zal echter bezien of het kan worden betrokken bij het dossieronderzoek dat ik mevrouw Van Velzen heb toegezegd. Ik ga er daarbij van uit dat het niet zo bewerkelijk is dat ik de Kamer moet melden dat dit onderzoek ten koste zou gaan van de primaire taakvervulling. Ik wil het OM namelijk niet belasten met werk waarvan duidelijk is dat het niets oplevert en dat het mensen afhoudt van hun primaire taak. Als het redelijkerwijs mogelijk is, zal ik de vragen van de heer Teeven hierover dus graag beantwoorden.

De heer Teeven (VVD): Ik bedank de minister voor deze toezegging. Als de politie in Amsterdam het Openbaar Ministerie tien keer meldt dat buren geluiden van een gezinsruzie hebben opgevangen zonder dat er aangifte wordt gedaan, zullen politie en OM dan overwegen om zelfstandig in actie te komen?

Minister Hirsch Ballin: Dat is een goed voorbeeld. De politieambtenaren zullen in dit voorbeeld lange tijd het idee hebben gehad dat zij hun hulpverlenende taak uitvoerden. Maar ik ga ervan uit dat zij zo professioneel zijn dat zij zich tijdig realiseren dat ambtshalve rechercheonderzoek geboden is.

Staatssecretaris Bussemaker: Voorzitter. Ik behandel eerst de vragen over huiselijk geweld en het tijdelijk huisverbod en vervolgens de vragen over de meldcode.

De minister heeft al het nodige gezegd over de coördinatie bij de 35 centrumgemeenten. Die coördinatie loopt goed. In het kader van de specifieke uitkering vrouwenopvang zijn deze gemeenten verantwoordelijk voor de voorzieningen voor vrouwenopvang, de steunpunten huiselijk geweld, de crisisinterventie en hulp bij het huisverbod. Door middel van deze infrastructuur hebben wij een landelijk dekkend stelsel voor opvang en hulp gerealiseerd. De centrumgemeenten stemmen zaken onderling af en werken samen met de gemeenten in hun regio. Doordat de RAAK-aanpak nu ook via deze infrastructuur wordt geïmplementeerd, is het mogelijk om de verbinding tussen de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling te versterken. In antwoord op de vraag van mevrouw De Pater-van der Meer kan ik dan ook antwoorden dat het goed loopt. Bovendien zal de VNG in het kader van het actieplan Beschermd en weerbaar gemeenten ondersteunen bij hun regiefunctie voor hulp en opvang.

Mevrouw Van Velzen vroeg welke gemeenten de crisisinterventie op orde hebben. In de tien dagen van het tijdelijk huisverbod moet er een hulpverleningsplan worden opgesteld en in sommige gevallen moet er zelfs al binnen die tien dagen met de hulpverlening worden begonnen. Na die tien dagen moet de crisisinterventie naadloos overgaan in een hulpverleningsproject. Dat vergt goede afstemming tussen de betrokkenen en duidelijke afspraken. Het betekent ook dat een aantal gemeenten hiervoor personeel moest werven. Mede hierdoor is een aantal gemeenten later gestart dan 1 januari van dit jaar. Gezien de complexiteit van de problematiek is dat enigszins begrijpelijk, maar voorop staat natuurlijk wel dat gemeenten moeten zorgen voor goede hulpverlening. Gelukkig kan ik zeggen dat een en ander zorgvuldig is ingevoerd en dat de hulpverlening inmiddels goed is geregeld. Het is namelijk mijn indruk dat na enkele aanloopproblemen gemeenten hun verantwoordelijkheid ten volle hebben genomen. Overigens houdt de VNG de vinger aan de pols en neemt zij zo nodig contact op met een gemeente.

Mevrouw Van Velzen (SP): Een aantal gemeenten is later gestart. Kunt u iets concreter zijn?

Staatssecretaris Bussemaker: De centrumgemeenten hebben hun hulpverlening echt op orde en nemen ook wel degelijk hun verantwoordelijkheid.

Mevrouw De Pater en mevrouw Van Velzen vroegen naar de middelen. De minister heeft hier al iets over gezegd, maar ik zal kort nog iets zeggen over wat mijn ministerie doet. Ik stel in 2008 5 mln. ter beschikking en vanaf 2009 structureel 10 mln. voor de versterking van de advies- en steunpunten huiselijk geweld en 6 mln. voor crisisinterventie en opvang van uithuisgeplaatsten. Ten slotte stel ik vanaf dit jaar 2,6 mln. beschikbaar voor de hulpverlening aan slachtoffers en plegers, nadat het huisverbod is opgelegd. De minister van Justitie heeft al terecht opgemerkt dat gemeenten over het algemeen over voldoende geld beschikken. Desondanks houden wij de vinger aan de pols om te zien of de huidige trend doorzet.

Mevrouw Van Velzen vroeg of er droog geoefend moet worden met de hulpverlening. Dat is niet nodig. Bij de voorbereiding op de wet is dat wel gedaan. Men moet nu adequaat aan de slag om de wet uit te voeren. Men moet niet oefenen, maar handelen! Gelukkig doen gemeenten dat ook. Wij volgen de praktijk. Zo heb ik Regioplan opdracht gegeven om de hulp rond het huisverbod en de crisisinterventie te onderzoeken. Ik wil namelijk weten of de hulpverlening goed aansluit op de tiendaagse crisisinterventie. De uitkomsten van dit onderzoek verwacht ik in de zomer te krijgen en dan ga ik met de betrokken partijen bespreken of en wat wij nog meer kunnen doen. Vanzelfsprekend ben ik bereid om de Kamer op de hoogte te houden van de uitkomsten.

Mevrouw Van Velzen (SP): Natuurlijk moet men handelen en niet oefenen. Er zijn echter nog steeds gemeenten waar men nog nooit een huisverbod heeft opgelegd. Daarover ben ik op zichzelf blij, maar ik vind wel dat die gemeenten adequaat geoefend moeten hebben. Deze gemeenten moeten er door te oefenen voor zorgen dat netwerken goed op elkaar aansluiten. Het kan immers niet zo zijn dat men allerlei knelpunten constateert op het moment dat men daadwerkelijk een huisverbod moet uitvoeren.

Staatssecretaris Bussemaker: Ik ben het met u eens dat gemeenten moeten weten wie, wat op welk moment moet doen. Het huisverbod maakt namelijk onderdeel uit van een ketenaanpak. Tijdens de voorbereiding op de wet hebben wij hiermee geoefend. Ik heb hierover geen signalen ontvangen, maar als er gemeenten zijn die het niet goed hebben geregeld, moeten ze onmiddellijk aan de slag. Ik ga er vooralsnog van uit dat gemeenten hun zaakjes op orde hebben en weten wat ze moeten doen als er een tijdelijk huisverbod wordt opgelegd. De minister heeft hierover al het nodige gezegd, want hierbij zijn niet alleen de hulpverlening en de crisisinterventie betrokken, maar ook politie en justitie.

Mevrouw De Pater en de heer Teeven vroegen of de financiering vereenvoudigd kan worden en wie de regie voert. Net als bij veel andere ingewikkelde maatschappelijke problemen is hier sprake van verschillende financieringsstromen. Zo werkt men bij de maatschappelijke opvang met de Zorgverzekeringswet, de AWBZ, de Wmo en de Wet op de jeugdzorg. In het geval van huiselijk geweld is in ieder geval duidelijk wie de regie voert. Dat zijn volgens de Wmo namelijk de gemeenten. Een en ander neemt niet weg dat ook ik graag zou zien dat de financieringsstromen vereenvoudigd worden en dat duidelijk wordt wat waaruit moet worden betaald.

Ik kan eenvoudig voldoen aan het verzoek om een onderzoek naar vereenvoudiging van de financieringsstromen, want dat onderzoek is al van start gegaan! Ik zag namelijk dat er knelpunten zitten in het huidige stelsel van de vrouwenopvang, zie de voortgangsrapportage Beschermd en weerbaar. Die knelpunten betreffen de afstemming tussen de Zorgverzekeringswet, de jeugdzorg, de gemeenten en de AWBZ. Verder is de financiering van heel specifieke opvang, bijvoorbeeld de opvang van slachtoffers van eerwraak en de opvang van mannen, een knelpunt. Er zijn nu vier opvanghuizen voor mannen en je moet niet willen dat alle centrumgemeenten een dergelijk opvanghuis zouden inrichten, want zo veel van deze plekken zijn er niet nodig.

Wij analyseren dus alle financieringsstromen. Ik zeg tegen de heer Teeven dat wij daarbij ook de vragen betrekken van de Federatie Opvang. De uitkomsten van het onderzoek verwacht ik eind dit jaar. Vanzelfsprekend deel ik die uitkomsten graag met de Kamer.

De heer Teeven (VVD): In de brief van de Federatie Opvang staat dat er relatief veel tijd en geld wordt besteed aan de organisatie, waardoor geld niet terechtkomt bij mensen die hulp nodig hebben. Ik weet uit eigen ervaring dat dit probleem ook speelt bij sommige veiligheidshuizen. Herkent u dit beeld?

Staatssecretaris Bussemaker: Ik erken dat de situatie in sommige gevallen voor verbetering vatbaar is. De Federatie Opvang is overigens ook betrokken bij het onderzoek. Verder ligt hier een rol voor de Federatie Vrouwenopvang zelf, want zij krijgt subsidie om haar werkwijze te professionaliseren. Wellicht kan daar een aanknooppunt worden gevonden om geld zo veel mogelijk te besteden aan deze kwetsbare doelgroep en zo min mogelijk aan overhead, afstemming en organisatie. Maar nogmaals: het is een complex probleem en het zal dan ook waarschijnlijk niet lukken om het helemaal «weg te organiseren».

Mevrouw Van Velzen en de heer Teeven vroegen of het mogelijk is om een experiment te organiseren waarbij al het geld in een grote pot wordt gestopt. Ik wil eerst de knelpunten inventariseren. Ik sluit daarbij natuurlijk niet uit dat deze inventarisatie oplevert dat een pilot nuttig zou zijn. In het kader van de AWBZ loopt in Rotterdam een pilot voor de afstemming in de maatschappelijke opvang. Zoals gezegd vind ik dat te vroeg voor de vrouwenopvang, omdat wij eerst moeten weten waar de knelpunten zitten.

Geld moet worden besteed aan actie en preventie. Met deze opmerking van de CDA-woordvoerster ben ik het helemaal eens. Daarom laat ik een midterm review uitvoeren naar de besteding van het geld van Beschermd en weerbaar. Wellicht dat deze review aanknopingspunten biedt voor verbeteringen.

Mevrouw Van Velzen vroeg naar de gevolgen van de AWBZ-pakket- maatregelen. In de eerste termijn van dit overleg hebben wij daar al uitgebreid bij stilgestaan. Sindsdien heb ik hierover intensief overlegd met de Federatie Opvang en het CIZ. Het CIZ heeft inmiddels 40 door de Federatie Opvang aangeleverde casussen beoordeeld op de aanwezigheid van lichte, matige of ernstige individuele beperkingen als gevolg van psychiatrische problematiek of een lichte verstandelijke handicap. De conclusie van deze exercitie is dat de uitval op grond van de per 1 januari 2009 ingevoerde toegangsdrempel in de AWBZ erg gering is. Het overgrote deel van de verzekerde cliënten van de maatschappelijke opvang heeft minimaal een matige beperking en heeft dus toegang tot de nieuwe aanspraak begeleiding. Veel van de onrust is daarmee weggenomen. Ik herhaal maar wat ik in eerste termijn zei: het is niet mijn bedoeling om 32 mln. te investeren en tegelijkertijd ergens anders nieuwe problemen te creëren.

Een andere uitkomst van de door het CIZ uitgevoerde exercitie is dat het objectiveren van de aard van de problemen van de groep lastig is en dat het CIZ zelf moest vaststellen welke beperking ten grondslag ligt aan de zorgvraag. Vaak zijn bij cliënten van de maatschappelijke opvang en de vrouwenopvang psychiatrische problemen moeilijk te scheiden van andere problematieken. Mede daarom informeert de Federatie Opvang haar leden over voor de indicatiestelling relevante aspecten, opdat zij die op hun beurt aan hun partners doorgeven. Het CIZ is daarbij behulpzaam door inzichtelijk te maken aan welke eisen de diagnostiek moet voldoen, wie de diagnose mag stellen en welke andere informatie relevant is. En ook hier houd ik de vinger aan de pols.

Voorzitter. De meldcode. Mevrouw Arib formuleerde het ongeduld van de Kamer het pregnantst. Zij wil namelijk dat er wordt gehandeld en wel nu! Ik begrijp dat helemaal, maar ik heb mij wel aan de regels en de wettelijke termijnen te houden. Ik zeg dat, omdat ik de indruk kreeg dat sommige commissieleden denken dat de meldcode er al is. Het kabinet heeft echter alleen het wetgevingstraject aangekondigd waarlangs het deze meldcode tot stand wil brengen. Zolang het nog niet wettelijk is geregeld, beschikken wij niet over de juridische middelen om de meldcode af te dwingen. Dat wil overigens niet zeggen dat wij stilzitten.

Het wetgevingstraject voor de meldcode. September aanstaande worden de veldpartijen geconsulteerd. Vervolgens gaan er in oktober adviesaanvragen naar Actal, VNG en IPO en vervolgens kan het kabinet het wetsvoorstel dan in december naar de Raad van State sturen. Het is onze verwachting dat de Kamer het wetsvoorstel rond 2010 tegemoet kan zien. Hoe voorspoedig het wetsvoorstel vervolgens wordt afgehandeld en wanneer de wet van kracht kan worden, bepaalt de Kamer. Het kabinet streeft naar 1 januari 2011 als ingangsdatum. Als de Eerste en Tweede Kamer het wetsvoorstel zeer voortvarend ter hand zouden nemen, ben ik bereid om te streven naar 1 juli 2010 als invoeringsdatum. Ik heb daartegen geen enkel bezwaar. Veel eerder dan 1 juli is praktisch gezien echter niet mogelijk.

De wetgeving voor de meldcode is in de visie van het kabinet niet het begin, maar het sluitstuk. In de tussentijd werken wij namelijk aan een modelmeldcode. Dit model zal september 2009 voor alle sectoren beschikbaar komen. Op basis van deze modelmeldcode kunnen de brancheorganisaties de meldcode sectorspecifiek maken. Het basismodel zal elementen bevatten die in de wet worden opgenomen. Op die manier zorgen wij ervoor dat het veld al over meldcodes beschikt op het moment dat de wet meldcode huishoudelijk geweld en kindermishandeling in werking treedt. Daardoor vermijden wij allerlei aanloopproblemen.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik heb helemaal niet de indruk dat er al een wet is! Ik volg de discussie namelijk nauwgezet. Mijn ongeduld is vooral ingegeven door het feit dat ik al wat langer meeloop. Om dit debat voor te bereiden heb ik via Parlando oude stukken opgezocht en toen kwam ik een motie tegen die ik samen met oud-collega Van Vliet van D66 precies negen jaar geleden heb ingediend. In deze motie vroegen wij de regering om wetgeving voor het melden van misbruik en kindermishandeling. Nu is het eindelijk zover en dan wordt er weer een traject aangekondigd! Maar goed: ik heb er alle vertrouwen in dat het nu goed komt. Ik lees echter wel weer dat het kabinet vindt dat het aan minimale eisen moet voldoen en dat het veld ruimte moet krijgen. Daarover maak ik mij zorgen. Ik verwacht dan ook meer actie van het kabinet dan ik de afgelopen jaren heb gezien. Verder hoor ik graag wanneer het wetsvoorstel precies naar de Kamer komt. 2010 telt immers twaalf maanden.

Staatssecretaris Bussemaker: Mijn verwachting is dat het wetsvoorstel februari 2010 naar de Kamer komt.

Aan uw klacht over de gang van zaken in het verleden kan ik op dit moment weinig doen. Ik kan u eigenlijk alleen maar toezeggen dat mijn collega’s en ik ons tot het uiterste inspannen om het wetsvoorstel zo snel mogelijk aan de Kamer voor te leggen. In de tussentijd zitten wij zoals gezegd niet stil. Wij gaan immers een modelmeldcode opstellen en zetten een communicatietraject op voor de branche- en beroepsorganisaties, opdat de instellingen en de professionals meer kennis krijgen over vroegsignalering. Verder doen wij ook aan deskundigheidsbevordering.

Mevrouw Arib vroeg waarom wij minimumeisen stellen. Het is redelijk ingewikkelde materie, omdat wij met de meldcode professionals verplichten om te handelen. Je verplicht ze echter niet om aan te geven hoe ze handelen, omdat je de verschillende sectoren ruimte wilt geven voor een eigen invulling. Mevrouw Van Velzen benaderde dit probleem van de andere kant door te vragen of er voldoende rekening wordt gehouden met de eigenheid van sectoren. Een gedetailleerde meldcode doet geen recht aan het verschil tussen sectoren. Een docent kent immers een heel andere werkstructuur dan een huisarts of een peuterspeelzaalleidster.

Vorige week heb ik een werkbezoek gebracht aan een bijeenkomst in Rotterdam van vrouwen uit de peuterspeelzaalsector die gezamenlijk de Rotterdamse meldcode doornamen. Zij analyseerden heel nauwgezet wat op welk moment van hen wordt verwacht en hoe zij signalen moeten opvangen. Dat werkt bij hen heel anders dan bij verloskundigen of een leraar. Op basis van de wettelijke meldcode kunnen sectoren straks een aanvulling maken op de basismeldcode. Men kan dat overigens ook op gemeentelijk niveau doen, zie de samenwerking in Rotterdam. De kern van de wettelijke meldcode is dus uniform, maar de precieze invulling moet samen met de professionals worden ontwikkeld. Bij de behandeling van het wetsvoorstel zullen wij hierop terugkomen.

Mevrouw Van Velzen wees er terecht op dat wij rekening moeten houden met de professionals. Dat doen wij vooral via de bij- en nascholing over de meldcode. Doorslaggevend voor het succes is immers dat men weet wat men moet doen. Daarvoor zullen de professionals veel verder gaan dan de minimumeisen. Zij zullen met elkaar gaan praten over wat een huisarts, een kraamverzorgende, een docent en alle andere professionals die hiermee te maken krijgen moeten doen. De gemeente Rotterdam kan hierbij goed als voorbeeld dienen, want tijdens mijn werkbezoek aan deze stad heb ik ook een bijeenkomst bijgewoond van verschillende soorten professionals. Al die professionals moeten in Rotterdam een scholingstraject volgen, waarbij ze met elkaar bespreken wie wat moet doen als hij of zij huiselijk geweld constateert.

De regel daarbij is: melden, tenzij. Als een huisarts zegt niet te kunnen melden omdat zowel het slachtoffer als de dader zijn patiënt is, moet hij weten dat hij niet per se zelf hoeft te handelen. Hij kan zijn bevindingen ook doorgeven, opdat andere professionals in het geweer komen. Dat zijn allemaal elementen waarvan wij kunnen leren. Dat zullen wij ook zeker doen. De meldcode is de verplichting om dergelijke afspraken te maken en daarmee is de code dus niet vrijblijvend en meer dan een minimumnorm

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): U legt de vinger op de zere plek. Rotterdam is namelijk een goed voorbeeld van de manier waarop met de meldcode moet worden omgegaan. In deze stad moeten immers alle professionals een cursus volgen over de meldcode. Hoe verplicht u echter de huisarts uit uw voorbeeld om een cursus te volgen? Zijn er wellicht nog meer vrije beroepen waarvoor hetzelfde geldt?

Staatssecretaris Bussemaker: Wij hebben daarvoor contact met alle organisaties van de professionals. Al die organisaties geven aan hieraan mee te willen doen: de huisartsen voorop. Huisartsen vinden het belangrijk. In Rotterdam haalt men de professionals bij elkaar en mij heeft geen enkel signaal bereikt dat er mensen zijn die niet aan deze bijeenkomsten willen meedoen. Verder kun je natuurlijk ook met de LHV afspreken dat dit thema in hun scholingscursussen wordt meegenomen. Zo zullen wij dat met alle beroepsgroepen doen. Vervolgens is het inderdaad belangrijk dat professionals in een wijk, een buurt of een stad informatie met elkaar delen. Dat maakt het Rotterdamse voorbeeld voor mij zo interessant. Een stimulans voor deelname aan dit proces is natuurlijk ook dat professionals accreditatiepunten moeten halen. Dergelijke punten krijgen ze namelijk ook voor deelname aan deze cursus.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik ben blij met Rotterdam, want door het actieve optreden van het gemeentebestuur van deze gemeente staat dit onderwerp inmiddels hoog op de politieke agenda.

Rotterdam is overigens ook een mooi voorbeeld van de problemen die zich kunnen voordoen, want de Rotterdamse Riagg heeft gezegd niet mee te zullen doen. Wat kan de wet daar straks aan veranderen? Welke sanctie kan opgelegd worden aan een beroepsgroep of een instelling die weigert mee te doen? Kunt u verder ook ingaan op de positie van vrijwilligersorganisaties?

Staatssecretaris Bussemaker: Ik heb begrepen dat de Riagg alleen staat en dat alle andere professionals in Rotterdam enthousiast meedoen. Ik heb vorige week zelf mogen ervaren dat er een energieke beweging is ontstaan en dat professionals voluit bereid zijn om samen te werken. Ik weet verder dat de Riagg Rotterdam van het begin af aan bij de meldcode betrokken is geweest en dat de directeur alle ruimte heeft gekregen voor zijn inbreng. De gemeente heeft dus alles gedaan om de directeur tegemoet te komen, maar hij vindt nu eenmaal dat de overheid op geen enkele manier iets van professionals mag vragen. Wij vinden echter dat wij van alle professionals mogen vragen dat ze helpen om geweld tegen te gaan. Wij scheppen daarvoor een kader en hoe de professionals dat vervolgens invullen is aan hen.

De gemeente Rotterdam heeft besloten om de Riagg geen subsidie meer te verlenen. Als de wet meldcode al in werking zou zijn getreden, zou een officiële sanctie kunnen worden opgelegd. Daarvoor sluiten wij aan bij de sanctie- en toezichtsystemen die de beroepsgroepen reeds kennen. In het uiterste geval kan dan een beroep worden gedaan op het tuchtrecht van de betrokken beroepsgroep.

Mevrouw Arib (PvdA): Nu ik u zo hoor, word ik toch bang dat het allemaal niet ver genoeg gaat. Rotterdam kan als subsidieverlener de subsidie intrekken, maar de Riagg is wel een instelling voor de geestelijke gezondheidszorg waar heel veel gezinnen gebruik van maken. Het tuchtrecht kan overigens ook nu al worden ingeschakeld. Dat is dus niets nieuws. Bovendien is het succes van een beroep op het tuchtrecht ook afhankelijk van de mondigheid van mensen. Ik hoor dan ook graag welke sancties in de nieuwe wet zullen komen te staan, want kennelijk blijft een zekere mate van vrijblijvendheid bestaan.

Staatssecretaris Bussemaker: Ik denk dat wij hierop moeten terugkomen wanneer wij het wetsvoorstel behandelen. Ik kan nu echter al wel zeggen dat het geenszins de bedoeling is om een vrijblijvende regeling in het leven te roepen. Als men niet meewerkt, overtreedt men straks de wet. In de wet komt namelijk te staan dat men de verplichting heeft om mee te werken aan de meldcode. Professionals kunnen vervolgens gezamenlijk afstemmen hoe ze dat doen. De Riagg kan het op gemeentelijk of landelijk niveau ook met andere professionals regelen. Men zal dus allemaal moeten meewerken. Dat laat onverlet dat het wenselijk is om zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande sancties.

Verder willen wij ook voorkomen dat professionals niet gaan melden omdat ze bang zijn vervolgd te worden. Als dat gebeurt, krijg je de gegevens waarnaar je op zoek bent niet boven tafel. Wij hebben het vertrouwen van de professionals dus nodig om hen te kunnen leren hoe zij geweld in afhankelijkheidsrelaties kunnen herkennen. Alleen dan kunnen wij dergelijk geweld vroegtijdig stoppen. Om de angst voor vervolging weg te nemen zijn scholing, informatie en de uitwisseling van ervaringen nodig, maar daarop ben ik al ingegaan.

Mevrouw Van Velzen (SP): Een signaal van een zo belangrijke instelling mogen wij natuurlijk niet al te luchthartig afdoen. De Riagg is geen organisatie die wil provoceren en wij zullen het signaal van de Riagg Rotterdam dan ook serieus moeten nemen. Wij spreken nu over de Rotterdamse meldcode, maar welke garantie hebben wij dat het voorbeeld van de Riagg Rotterdam niet landelijk wordt overgenomen? Als dat gevaar er is, zullen wij nu al moeten gaan onderzoeken hoe wij de wet zo kunnen aanpassen dat deze belangrijke speler in de geestelijke gezondheidszorg wel mee gaat doen. Er zijn inderdaad nog geen wettelijke sancties, maar Rotterdam heeft met de subsidiestop wel degelijk een sanctie opgelegd. De cliënten zullen hiervan in dit geval niet de dupe worden, maar wat doen wij als dat onverhoopt wel het gevolg is van een gemeentelijke maatregel? Dan hebben wij volgens mij een groot probleem, want dan gooien wij eigenlijk het kind met het badwater weg.

Staatssecretaris Bussemaker: Ik heb tijdens mijn werkbezoek uitgebreid over deze casus gesproken. In heel veel gesprekken gaven professionals aan dat ze het Rotterdamse beleid steunen. Het is mij overigens niet geheel duidelijk geworden wat de argumenten van de Riagg zijn om niet mee te werken. Eigenlijk noemt men alleen het principiële punt dat een gemeente zich niet heeft te bemoeien met het werk van de Riagg. Ik denk echter dat men dat in Rotterdam met al haar grootstedelijke problemen niet vol kan houden. Overigens heeft GGZ Nederland al een code. Maar zelfs als dat niet zo zou zijn, dan kon ik dat nog niet als een argument zien. Dat is echter niet het geval en dat geldt eigenlijk voor alle beroepsgroepen. Tot nu toe heeft namelijk nog geen enkele beroepsgroep geweigerd om hieraan mee te werken. De Riagg Rotterdam is dan ook een op zichzelf staande casus.

Mevrouw Arib vroeg voor welke sectoren de verplichte meldcode zal gelden. Dat heb ik in de brief van november vorig jaar al opgesomd, maar voor alle duidelijkheid noem ik ze nog een keer. Dat zijn: verloskundigen en kraamverzorgenden, artsen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, de geestelijke gezondheidszorg, psychologen et cetera. Verder vallen onder de regeling de professionals in het onderwijs en de kinderopvang -onderwijspersoneel, personeel in de kinderopvang en leerplichtambte- naren-, de professionals in de maatschappelijke ondersteuning als sport en de AWBZ –maatschappelijk werkers, medewerkers in de thuiszorg, welzijnswerkers en personeel in de sport, MEE-consulenten, peuter- en speelzaalpersoneel, de jeugdzorg, gedragswetenschappers en medewerkers van zorgaanbieders – en justitie: reclasseringswerkers, groepswerkers in de justitiële jeugdinrichtingen en de politie.

Het komt erop aan dat al deze professionals informatie gaan delen. Ook hier is Rotterdam een pionier, want men werkt daar met een driewekelijks casusoverleg huiselijk geweld. Daarbij gaan alle professionals uit een buurt bij elkaar zitten om gezamenlijk de meldingen door te nemen. Wie weet iets van dat geval? Weet de school iets? Weet de huisarts iets? Weet de kinderopvang iets? Al die informatie wordt uitgewisseld en vervolgens wordt besloten wat de volgende stap wordt. Ik vind dat een perfect voorbeeld van hoe men samen zou kunnen werken. De wethouder van Rotterdam, die mij tijdens mijn werkbezoek vergezelde, was hier terecht trots op.

Mevrouw Van Velzen en mevrouw De Pater vroegen expliciet naar de rol van tandartsen. Tandartsen horen thuis in het rijtje professionals uit de gezondheidszorg, want een slecht gebit kan een signaal zijn dat er sprake is van kindermishandeling. Ik kan melden dat de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde werkt aan een meldcode huiselijke geweld en kindermishandeling. Ook hier is de bereidheid om aan de meldcode mee te werken buitengewoon groot.

Over de dierenartsen heeft de minister al gesproken. Uit onderzoek moet blijken of zij belangrijke signalen krijgen. Als dat zo is, zouden zij meegenomen kunnen worden in de meldcode.

De heer Teeven vroeg naar de samenwerking tussen de steunpunten huiselijk geweld en de AMK’s. Ik begrijp waarom hij hiernaar vraagt, want een integrale en systeemgerichte benadering is voor die samenwerking van belang. Het is ook voor professionals en anderen van belang dat het niet uitmaakt waar ze melden. Deze samenwerking is dan ook intensief en heeft betrekking op gegevensuitwisseling en afstemming. Bij het AMK komen namelijk met name meldingen van jongeren binnen en als die worden doorgegeven aan de steunpunten huiselijke geweld, weet men daar dat er kinderen betrokken zijn bij huiselijk geweld. Deze samenwerking staat hoog op de agenda om goede en effectieve hulpverlening voor het hele gezin te waarborgen. Dat geldt overigens ook voor de samenwerking met de politieregio’s. De samenwerking vind ik al met al belangrijker dan de manier waarop het institutioneel is georganiseerd.

Waarom is gekozen voor een verplichte meldcode en niet voor een meldplicht? In de brief is uiteengezet dat wij voor een meldcode hebben gekozen omdat wij denken dat die meer oplevert dan een meldplicht. Als er redenen zijn om het beleid aan te passen, ben ik bereid om dat te overwegen, maar voorlopig zou ik graag in willen zetten op de meldcode, de wettelijke verankering van de code en voorafgaand daaraan de modelmeldcode, scholing en de informatievoorziening voor professionals.

Minister Rouvoet: Voorzitter. Ik kan relatief kort zijn, omdat mijn collega’s al een aantal thema’s hebben behandeld die raken aan huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik zal daar staccato nog een enkele opmerking aan toevoegen. Een tweede reden waarom ik kort kan zijn, is dat over twee weken een uitvoerig algemeen overleg is gepland met de algemene commissie voor Jeugd en Gezin over kindermishandeling. Op 7 mei heb ik de Kamer ter voorbereiding op dit overleg een brief gestuurd over de thema’s die in dit overleg aan de orde zijn, maar dan specifiek gericht op kindermishandeling. Verder zal de Kamer eind volgende week, maar in ieder geval tijdig voor het algemeen overleg, een voortgangsrapportage ontvangen.

Voorzitter. De samenwerking tussen de AMK’s en de steunpunten huiselijk geweld. In aanvulling op de staatssecretaris zou ik in willen gaan op de vraag van de heer Teeven of het niet verstandig is om de AMK’s een afdeling te laten worden van de ASHG’s. Ook mevrouw Van Velzen stelde vragen over deze samenwerking. Uit het antwoord van de staatssecretaris is al duidelijk geworden dat wij zeer hechten aan goede samenwerking. Ik verwijs daarvoor naar de G4 die erop heeft gewezen dat de AMK’s reeds beschikken over een stevige op de wet gebaseerde infrastructuur voor kindermishandeling. De grote steden zouden die infrastructuur niet graag kwijtraken. Mede daarom legt het kabinet een groot accent op samenwerking. Dat neemt niet weg dat er sprake kan zijn van overlap. Als kinderen bijvoorbeeld betrokken zijn bij huiselijk geweld, kan dat ook een vorm van kindermishandeling inhouden wanneer het kind daarvan getuige is. Overigens valt dit voorbeeld onder de wettelijke definitie van kindermishandeling.

In de Wet op de jeugdzorg is een stevige basis gelegd voor de AMK’s. De AMK’s hebben in dit opzicht een voorsprong op de ASHG’s. Verder maken de AMK’s onderdeel uit van de jeugdbeschermingsketen. Daarbij wordt nauw samengewerkt met de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechters in het programma Beter Beschermd. Er zijn 15 AMK’s tegenover 35 ASHG’s en deze AMK’s zijn ondergebracht bij de bureaus jeugdzorg. Daarvoor is bewust gekozen, want de inbedding in de jeugdbeschermingsketen is voor ons een belangrijk punt. Met het oog op dit alles heeft het kabinet een sterke voorkeur voor intensieve samenwerking. Het is verder natuurlijk niet uitgesloten dat wanneer de ASHG’s een wettelijke basis krijgen, de samenwerking daarin wordt meegenomen. Vooralsnog is het onze indruk dat de samenwerking op een goede manier van de grond komt.

Mevrouw De Pater-van der Meer vroeg naar de AMK-structuur en de RAAK-aanpak. Meer in het bijzonder wilde zij weten hoe een en ander is geregeld voor gemeenten die niet onder een centrumgemeente vallen. In het actieplan Bestrijding kindermishandeling van minister Hirsch Ballin en mij is daarop uitgebreid ingegaan. De regiocoördinatoren voor kindermishandeling moeten ervoor zorgen dat de hele regio bij het beleid wordt betrokken. Dat is de reden dat wij veel belang hechten aan een goede startfoto, de momentopname van de samenwerking en de infrastructuur in de regio. Aan die startfoto’s wordt in nagenoeg alle regio’s hard gewerkt. Op basis van deze startfoto wordt een regioplan opgesteld, waarbij alle gemeenten uit die regio betrokken zijn. De betrokkenheid van de gemeenten is dus op een goede manier geborgd.

Mevrouw Van Velzen vroeg of een AMK standaard zou moeten worden geïnformeerd als er sprake is van huiselijk geweld in een gezin met kinderen. Dat is al het geval. Op grond van de stimuleringsregeling zijn de ASHG’s namelijk al verplicht om door te verwijzen naar het AMK als de Wet op de jeugdzorg van toepassing is. Verder is iedere ASHG verplicht om met het AMK samenwerkingsafspraken te maken, afspraken die vooral betrekking hebben op de punten die mevrouw Van Velzen noemde. Zo wordt het meldtraject Kindspoor hierbij nadrukkelijk betrokken, een traject voor kinderen die getuige zijn geweest van huiselijk geweld.

Ik kan niet zo heel veel toevoegen aan wat er over de meldcode is gezegd. Ik kan de opmerking van de staatssecretaris over de tandartsen nog wel aanvullen met de mededeling dat de stuurgroep Aanpak kindermishandeling onder leiding van de heer Opstelten onlangs heeft gesproken met de NMT. Uit dat gesprek bleek dat tandartsen hiervoor veel belangstelling hebben. Zij zijn zich namelijk zeer bewust van de rol die zij zouden kunnen spelen. Mevrouw Van Velzen en mevrouw De Pater wezen er namelijk niet voor niets op dat tandartsen net als fysiotherapeuten heel veel te zien krijgen. Zoals in de brief van 20 november is gemeld, zijn zij dan ook betrokken bij de verplichte meldcode. Tandartsen werken overigens via de LHV en het KNGF goed samen met huisartsen. Zo geven tandartsen vaak hun bevindingen door aan de huisarts, de gezinsarts bij uitstek.

Mevrouw Arib heeft een enkele vraag gesteld over meldingen van kindermishandeling door ziekenhuizen. Ik had de indruk dat zij daarbij op de spoedeisende hulp en de rol van huisartsen doelde. Op beide punten is nog winst te boeken. Ik stelde dat gisteren nogmaals vast in mijn bestuurlijk overleg met de NHG en de LHV. Zij gaven dat overigens ook zelf aan, want het is ons aller indruk dat niet alle huisartsen voldoende aanhaken bij de RAAK-regio’s. In reactie daarop hebben wij afgesproken dat wij hierin meer zullen gaan investeren, omdat wij de huisarts niet kunnen missen bij een sluitende keten op regionaal niveau voor kindermishandeling.

De ontwikkelingen rond de ziekenhuizen zijn hoopgevend. De commissie is ongetwijfeld bekend met het Haags protocol, waarvoor landelijk veel interesse bestaat. Op dit moment wordt bezien of het professioneel genoeg in elkaar zit, maar vooralsnog ben ik enthousiast over de eerste producten die ik onder ogen heb gekregen. Het wordt ook driftig gepromoot in de rest van het land. Ook de afdelingen voor spoedeisende hulp in de ziekenhuizen werken er dus hard aan. De inspectie heeft verder een rapport naar de Kamer gestuurd, begeleid door een brief van minister Klink en mijzelf, over het verbeterplan voor de ziekenhuizen. De inspectie speelt dus een actieve rol.

De heer Teeven vroeg of het niet beter is om te kiezen voor een meldplicht. Hij zal gezien hebben dat ik één keer heel hard zat te knikken. Ik deed dat toen hij zei dat het een herhaling was van zijn eerdere standpunt. Wij hebben hierover al vele malen met elkaar gesproken, maar dit keer voerde hij toch weer een nieuw, op zichzelf zinnig argument aan en wel de gevolgen van de aansprakelijkheid en de mogelijkheid van schadeclaims. Hij zal inmiddels begrepen hebben dat het kabinet kiest voor een verplichte meldcode en niet voor een meldplicht. Ik betwijfel overigens of een meldplicht schadeclaims zou voorkomen. In de Wet op de jeugdzorg is namelijk al een meldrecht voor kindermishandeling opgenomen, hetgeen inhoudt dat een arts die op een goede manier meldt, wordt gevrijwaard van de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het doorbreken van zijn beroepsgeheim.

Om ervoor te zorgen dat artsen op een zorgvuldige manier melden werken wij aan professionalisering en deskundigheidsbevordering. Al met al denk ik dat de mogelijkheid van schadeclaims voldoende is afgedekt door het meldrecht in de Wet op de jeugdzorg. Overigens bevat de Wet op de jeugdzorg een meldplicht voor professionals in de jeugdinstellingen, maar dat is de heer Teeven ongetwijfeld ook bekend. Het is onze inschatting dat wij daarmee voldoende voorbereid zijn op de komst van de verplichte meldcode.

Mevrouw De Pater vroeg naar de koppeling van sectoren. Weten wij wel voldoende over wat er in gezinnen speelt? Ik kom hierover nog uitvoerig met de Kamer te spreken en misschien mag ik dan ook volstaan met de opmerking dat de verwijsindex risico’s jeugdigen daarbij een belangrijke rol speelt. In die index worden immers verschillende signalen bij elkaar gebracht. Het was nog best een puzzel hoe wij die index in een wet moesten gieten, maar het wetsvoorstel ligt inmiddels bij de Kamer. De schriftelijke ronde is afgerond en ik hoop dan ook dat wij spoedig het wetsvoorstel kunnen behandelen. Die verwijsindex hebben wij namelijk hard nodig.

Ik heb de Kamer onlang uitvoerig geïnformeerd over de laatste cijfers over de wachtlijsten voor de jeugdzorg en de AMK’s. Tegen mevrouw Van Velzen moet ik zeggen dat het waar is dat de cijfers over de wachtlijsten een stijging laten zien. Het hangt echter wel een beetje af van waarmee je het vergelijkt. Wanneer je de cijfers van 1 januari 2009 vergelijkt met die van 1 januari 2008 krijg je een gunstiger beeld dan wanneer je de cijfers van 1 april jongstleden vergelijkt met die van 1 januari 2009. Dan is er namelijk opeens sprake van een kleine stijging.

Die stijging heeft heel veel te maken met alle aandacht die wij schenken aan de noodzaak om te melden. Wij willen graag dat mensen melden. Het lijkt tegenstrijdig, maar wij willen dat het aantal meldingen toeneemt, ook al zouden wij tegelijkertijd graag zien dat het beroep op de jeugdzorg kleiner wordt. Zeker in het geval van kindermishandeling willen wij dat er gemeld wordt en dat de AMK’s die meldingen serieus nemen.

Ik ben het met mevrouw Van Velzen eens dat wachtlijsten sowieso ongewenst zijn, zeker als er sprake is van een veiligheidsrisico voor de kinderen. Dat is de reden dat wij een campagne zijn gestart om meer mensen te laten melden. Dat effect zie je soms in de cijfers terug. Tegelijkertijd hebben wij met de provincies niet alleen afspraken gemaakt over het zorgaanbod jeugdzorg voor 2008 en 2009, maar ook over het zorgaanbod AMK’s. Daarbij is geregeld dat er financiële ruimte is voor een groei van 22% bij de AMK’s. Het lijkt erop dat men daar fors onder zal blijven en dat betekent dat men met het beschikbare geld, inclusief het geld van de eigen provincie, de afspraak na moet kunnen komen dat er eind 2009 geen wachtlijsten meer zijn in de jeugdzorg en voor de AMK’s.

Overigens zie je dat verschillende provincies tussen 1 januari 2008 en 1 april 2009 het aantal kinderen op een wachtlijst hebben weten terug te brengen van kort onder de honderd naar nul. Heel veel provincies zitten nu op nul. Dat is positief, maar wij mogen daarbij niet uit het oog verliezen dat enkele provincies een stijging laten zien. Daarvoor heeft men ongetwijfeld bijzondere redenen, maar wij gaan toch met hen in gesprek want ook zij zullen moeten voldoen aan de afspraak dat er eind 2009 geen wachtlijsten meer zijn.

Een en ander geldt ook voor de doorlooptijden. Ik zal de Kamer niet vermoeien met een uitleg van de tabel met alle cijfers. Wij zitten echter nog boven ons einddoel, maar met de provincies is wel de prestatieafspraak gemaakt dat de doorlooptijden voor een onderzoek van de AMK’s omlaag moet van gemiddeld dertien weken naar tien weken. De prestatieafspraken monitoren wij sinds kort heel precies, omdat de cijfers voor april een ongunstig beeld lieten zien. Ik heb de Kamer twee weken geleden in een overleg over de wachtlijsten namelijk niet zomaar gezegd dat ik er bovenop zit en van elke provincie wil horen wat zij precies doen, wat hun verwachtingen zijn en hoe zij de eerste kwartaalcijfers waarderen.

De voorzitter: Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van dit algemeen overleg. Wij zijn ruim binnen de tijd gebleven, zonder dat dit ten koste ging van de diepgang. De toezeggingen zullen terug te vinden zijn in het verslag.

Ik bedank u allen voor uw aanwezigheid en wens u een fijne avond.


XNoot
1

1

 Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Roemer (SP), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (ChristenUnie) en Heemelaar (GroenLinks). Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Leijten (SP), Ulenbelt (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP) Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Koppejan (CDA), Slob (ChristenUnie) en Van Gent (GroenLinks). 2 Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Smeets (PvdA), voorzitter, Van Miltenburg (VVD), Schippers (VVD), Smilde (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Van der Veen (PvdA), Schermers (CDA), Van Gerven (SP), Wolbert (PvdA), Timmer (PvdA), Zijlstra (VVD), Ouwehand (PvdD), Agema (PVV), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Sap (GroenLinks) en De Roos-Consemulder (SP). Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Velzen (SP), Neppérus (VVD), Atsma (CDA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Verdonk (Verdonk), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Vietsch (CDA), Arib (PvdA), Van der Ham (D66), Uitslag (CDA), Gill’ard (PvdA), Omtzigt (CDA), Langkamp (SP), Vermeij (PvdA), De Krom (VVD), Thieme (PvdD), Bosma (PVV), Luijben (SP), Heerts (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Halsema (GroenLinks) en De Wit (SP). 3 Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Dijsselbloem (PvdA), Çörüz (CDA), Gerkens (SP), ondervoorzitter, Sterk (CDA), Van Miltenburg (VVD), Van Dijken (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), Teeven (VVD), Wolbert (PvdA), Voordewind (ChristenUnie), Zijlstra (VVD), Bouchibti (PvdA), Langkamp (SP), Ouwehand (PvdD), Agema (BVV), Leijten (SP), Dibi (GroenLinks), Heijnen (PvdA), voorzitter, Van Toorenburg (CDA) en Uitslag (CDA). Plv. leden: Heerts (PvdA), Omtzigt (CDA), Kant (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Eijsink (PvdA), Nicolaï (VVD), Biskop (CDA), Van der Ham (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Verdonk (Verdonk), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schippers (VVD), Timmer (PvdA), Gesthuizen (SP), Bosma (PVV), De Wit (SP), Arib (PvdA), Jan de Vries (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA) en Karabulut (SP).