Kamerstuk 26695-81

Verslag van een algemeen overleg

Voortijdig school verlaten


Nr. 81 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 10 mei 2011

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 6 april 2011 overleg gevoerd met minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 24 januari 2011 houdende de analyse van Ingrado van de dossiers van thuiszitters (26695, nr. 72);

  • het rapport van de Nationale Ombudsman «Hoera! Ik ga weer naar school» (2011D03733).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van Bochove

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler

Voorzitter: Van Bochove

Griffier: Arends

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Biskop, Beertema, Van Bochove, Çelik, Elias, Van der Ham, Klaver, Smits,

en minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik open dit algemeen overleg van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met als onderwerp thuiszitters. Dit algemeen overleg zal duren tot maximaal 12.30 uur. Ik heet de minister hartelijk welkom. Dat geldt ook voor haar medewerkers en voor de belangstellenden op de publieke tribune, al diegenen die meekijken en meeluisteren en uiteraard voor de collega's. U hebt een spreektijd van vier minuten in eerste termijn.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. Wij zijn blij dat er nu eens een keer een apart debat wordt gevoerd over thuiszitters ofwel kinderen die niet naar school gaan terwijl zij dat eigenlijk wel zouden moeten. Dat verdienen deze kinderen, want het is een groot probleem, zij het misschien niet in de aantallen. Jaarlijks gaat het om zo'n 2500 kinderen die thuiszitten. Dat is maar één op de 1000 kinderen, maar als je bedenkt dat wij hier vorige week uren hebben gesproken over 300 kinderen die thuis onderwijs krijgen, dan zouden wij toch best ook een tijdje kunnen uittrekken voor deze 2500 kinderen, vooral omdat de problemen die erachter zitten vaak enorm zijn.

Het gaat vaak om leerlingen met een psychische stoornis, met gedragsproblemen, of met allebei. Vervolgens blijkt dan dat de school waar het kind naartoe zou moeten vaak een wachtlijst heeft of dat er geen geschikte school te vinden is. Zowel de Ombudsman als het rapport van Ingrado, de vereniging van leerplichtambtenaren, trekt deze conclusie.

Nu is debatteren over deze thuiszitters wellicht een beetje een zinloze exercitie, zo moet mij direct van het hart, als er volgend jaar zoveel bezuinigd wordt op de speciale hulp op scholen. De verwachting van de mensen op de scholen is dat er meer kinderen thuis zullen komen te zitten door de bezuinigingen op het passend onderwijs.

Daarnaast wordt ook op veel voorzieningen bezuinigd die er nu voor zorgen dat kinderen niet thuis komen te zitten, omdat zij bijvoorbeeld in Herstart of Op de rails tijdelijk kunnen worden opgevangen. Daarop wordt stevig bezuinigd. De voorspelling van de SP is daarom dat het aantal van 2500 thuiszitters alleen maar zal toenemen.

Hoe ziet de minister dat? Onlangs vroeg de minister te reageren op het nieuws dat scholen nu al leerlingen met een rugzakje weigeren. De minister zei toen: dat is niet nodig. Maar een garantie dat volgend jaar geen leerlingen worden geweigerd kon zij mij niet geven. Kan zij dat nu wel? En als het niet nodig is, waarom wijzen dan ook Ingrado en de Ombudsman op dit risico? Mij lijkt dat er nogal wat ruimte zit tussen beide verhalen. Daarover wil ik graag opheldering.

Een samenwerkingsverband mag straks tweemaal acht weken nadenken over de vraag hoe en waar het leerlingen die extra zorg nodig hebben zal plaatsen. Hoe voorkomt de minister dat een kind op die manier zestien weken thuis komt te zitten? In die zestien weken hoeft de leerplichtambtenaar niet op de hoogte te worden gesteld. Wat vindt de minister daarvan?

De Ombudsman en Ingrado hebben er een heleboel slimme opmerkingen over gemaakt hoe wij beter met thuiszitters zouden kunnen omgaan. Dat is toch wel waar voor wij hier zitten. Er wordt soms onwilligheid geconstateerd bij scholen, die niet altijd meewerken om een oplossing te vinden, terwijl ze wel bekostiging voor een leerling blijven ontvangen. Kan de minister ons vertellen hoe groot dit probleem is? Is zij het met mij eens dat het eigenlijk een beetje raar is dat scholen geld blijven ontvangen voor een leerling waarvoor ze niets doen? Dat klinkt een beetje onaardig tegenover die scholen en er zijn vast ook scholen die zich heel hard inzetten, maar er zijn er ook die dat niet doen.

De leerplichtambtenaar heeft een centrale rol in dit geheel. De Ombudsman stelt voor dat de leerplichtambtenaar wat meer de baas moet zijn. Ingrado stelt dat ook. Het lijkt de SP een goed idee. Nu gaat de minister nauwelijks in op deze suggestie. Wat vindt zij ervan en wat gaat zij doen om ervoor te zorgen dat de leerplichtambtenaar wat meer de regie in handen neemt, om het maar op zijn Haags te zeggen? Waarom krijgen ouders of kinderen zelf vaak niet de gelegenheid om hun verhaal te doen en hun visie op de situatie te geven bij alle gesprekken die over die kinderen worden gevoerd? Hoe gaat de minister dat veranderen?

Op de Dag van de Leerplicht op 17 maart zei het Openbaar Ministerie dat er meer leerplichtambtenaren nodig waren. De minister beaamde dit. Dat verbaasde mijn fractie, want vlak daarvoor had de minister in een debat nog gezegd dat er meer dan genoeg waren. Kan de minister mij duidelijk maken wat ze echt vindt? Moeten er meer leerplichtambtenaren komen of is het zo genoeg?

In Rotterdam werkt de actietafel goed. Scholen, leerplicht, de regionale expertisecentra en de Jeugdzorg zitten daar bij elkaar en bespreken de thuiszitters aan de hand van de dossiers. De periode van thuiszitten wordt effectief verkort. Het gaat om een tijdelijk project, dat stopt in mei. Als het zo succesvol is, waarom gaan wij er dan niet mee door?

De heer Biskop (CDA): Voorzitter. Elk kind verdient goed onderwijs. Dat is een uitgangspunt dat snel door iedereen zal worden onderschreven, maar tussen de 2500 en 3000 kinderen zitten langer dan vier weken per jaar thuis. Dat is een slechte zaak. Daar zal iedereen het ook snel over eens zijn. Hoe komt dat toch iedere keer weer, die thuiszitters?

Natuurlijk beseft de CDA-fractie dat het Nederlands onderwijs bestel op de keper beschouwd best complex is, met basisonderwijs, speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs en instellingen waar kinderen soms dag en nacht verblijven. Voor elk probleem lijkt er een oplossing te zijn, maar het lukt kennelijk niet om tussen al die oplossingen door zodanig overleg te plegen dat een kind ook echt geplaatst wordt.

Thuiszitten is een resultaat van bureaucratisch handelen. Het is 3000 keer per jaar Kafka. Er zijn altijd wel wachtlijsten, of de problematiek van een kind sluit niet aan bij de mogelijkheden die een school biedt. Altijd is er tijd nodig voor onderzoek, analyse en het verzinnen van oplossingen. Prima, maar moet het kind dan al die tijd maar thuiszitten? Kan een kind niet op een school de afhandeling afwachten, desnoods via een voorlopige plaatsing op een school die een onderzoek doet?

Dan lezen wij over de samenstelling en de compleetheid van dossiers die sterk wisselt. Wij hebben het hier over professionals. Een kind zou niet van school mogen als de school verzuimt het volledige dossier aan te leveren, en desnoods dan maar blijven zitten in groep acht bijvoorbeeld, als het gaat om de overgang naar het voortgezet onderwijs.

Iedere betrokkene moet zijn werk doen en ook in samenhang. Mijn collega noemde net al de actietafel in Rotterdam, ik wijs ook op de doorbraakteams in Arnhem, waar officier van justitie, leerplichtambtenaar, wethouder, Jeugdzorg, de mensen die echt een doorbraak kunnen forceren bij elkaar zitten. Graag de reactie van de minister op dat soort oplossingen en hoe zij die verder in het land zal uitrollen.

In haar aanbiedingsbrief bij het Ingrado-rapport geeft de minister aan dat het beleid voor passend onderwijs eerder een oplossing kan bieden voor een aantal van deze problemen, maar de vraag is: is het een oplossing? Mevrouw Smits vroeg al hoe het dan zit met de bezuiniging op het passend onderwijs. Daarover horen wij toch alarmerende berichten.

De zorg- en adviesteams zouden er op alle scholen zijn. Kortom, als het erom gaat dat de helft van de gevallen van de thuiszitters niet wordt gemeld bij het zorg- en adviesteam – dat hier toch voor was – dan helpt het niet. Hoe kan het nu gebeuren dat als een probleem zo groot is dat een kind niet naar school kan gaan de professional op die school van niets weet? Graag een reactie van de minister.

De Ombudsman wijst op de centrale positie van de leerplichtambtenaar. Mevrouw Smits gaf dat net ook al aan, maar wees ook op de positie van de onderwijsconsulent, die een bemiddelende rol zou kunnen spelen. Over de positie van de onderwijsconsulent wil ik het graag nog even hebben. In 2009 zijn de onderwijsconsulenten voor drie jaar van middelen voorzien. Betekent dit dat hun functie in 2012 ophoudt te bestaan? Gelet ook op de ontwikkelingen in het passend onderwijs zou dat wat de CDA-fractie betreft een erg ongelukkige timing zijn. De 1200 zaken die de onderwijsconsulenten nu per jaar behandelen zouden er eerder meer moeten zijn dan dat hun werk ophoudt.

Het ging over de onderwijsconsulenten en de vraag hoe dat per 2012 zou moeten. De 1200 zaken die zij nu behandelen, zouden er volgens het rapport van de Ombudsman ook eerder meer moeten zijn dan minder. Als de functie blijft voortbestaan, waar kan die kan het beste worden aangehaakt? Een onafhankelijke positie ten opzichte van de onderwijsorganisaties lijkt meer voor de hand te liggen dan ze bijvoorbeeld in samenwerkingsverbanden te laten opgaan. Is de minister dat met het CDA eens? Wij pleiten graag voor behoud van de functie van de onderwijsconsulent.

Er is op dit gebied nog veel werk aan de winkel. Ik zou zeggen: geen moment te verliezen. Alle kinderen in Nederland hebben recht op goed onderwijs.

De heer Çelik (PvdA): Voorzitter. Net als een van de advocaten in de casus zei, zijn ook mijn vermoedens met dit rapport bevestigd. Je hebt vaak een onderbuikgevoel waarom er toch zoveel thuiszitters zijn. Als je dan weet dat de cultuur is om kinderen met een vlek niet op school te hebben maar ook door te vertellen aan andere scholen hen vooral niet aan te nemen, weten wij al wat er gaat gebeuren. Ik wil niet chargeren, maar ik constateer wel dat dat er over het algemeen de werkwijze is geweest. Daar kan ik niet mee leven.

Terecht zegt ook de PO-raad dat met de bezuinigingen de kans wel aanwezig is dat het probleem groter wordt in plaats van kleiner. Tegelijkertijd moet ik wel zeggen dat de houding van de scholen ondanks de bezuinigingen wel heel passief is, als zij zeggen dat ze geen geld hebben en dus maar niemand aannemen. Ik vind wel dat er een verantwoordelijkheidsbesef moet zijn, ook bij de scholen, ondanks de bezuinigingen. Die oproep doe ik ook aan de PO-raad om niet te vervallen in passiviteit. De strijd is nog niet verloren. Ik geloof nog steeds dat er kansen zijn, maar we moeten niet uiteindelijk maar doen alsof wij niemand meer op scholen kunnen aannemen.

De belangrijkste conclusie die ik uit het rapport haal, betreft de rol van de leerplicht en de vrijblijvendheid. Ik denk dat de vrijblijvendheid enigszins wegvalt doordat de zorgplicht er nu bij samenwerkingsverbanden gaat komen. Ik constateer tegelijkertijd dat een van de belangrijkste punten van de Ombudsman, namelijk het erbij betrekken van ouders, ook in het nieuwe verband niet wordt meegenomen. Het samenwerkingsverband biedt straks een school aan, maar dat kan tegen de wens van een ouder gebeuren. Ouders worden hierin niet gekend door het samenwerkingsverband, wat volgens mij een soort wisselgeld was omdat de zorgplicht dan beter kon worden ingevuld. Dat vind ik wel een groot zorgpunt. Ouders moeten er vooral in gekend worden waar hun kinderen komen. Je kunt ouders niet passeren, want dan gaan ze weer op de rem trappen en gaan er weer gekke dingen gebeuren. Dan belandt zo’n kind toch weer tussen wal en schip. Dat werkt niet. Ik wil dat ouders een stevige rol blijven spelen als het gaat om kinderen die niet op alle scholen welkom zijn als het gaat om de zorgplicht voor kinderen.

Tegelijkertijd wil ik ook de rol van de leerplicht duidelijk maken. Ik kan er toch niet omheen draaien dat ik na het lezen van het rapport heb gemerkt dat leerplichtambtenaren vaak geen objectieve rol hebben gespeeld, maar ook met de school zijn gaan meedoen. Dat past niet bij de leerplichtambtenaar en niet bij een neutrale overheid. Een ambtenaar van de overheid moet eigenlijk een oplossing vinden voor het kind en niet voor de school. Dat constateer ik maar even. De leerplicht is er toch echt voor de kinderen als het gaat om dit soort casussen. Ik zou graag van de minister willen weten wat zij nu precies vindt van de rol van de leerplicht en of zij nog expliciet actie gaat ondernemen om die rol ook duidelijk te schetsen en te borgen.

Onderling gegevens uitwisselen terwijl daarvoor geen toestemming is gevraagd aan ouders vind ik een kwalijke zaak. Dat is denk ik ook de reden waarom er zo veel wantrouwen heerst bij de burgers als het gaat om digitale informatie-uitwisseling. Ik wijs er ook op hoe het nu is gegaan met het elektronisch patiëntendossier, waar ook in het begin heel veel weerstand tegen was. Ik vind echt dat de overheid op dat soort punten een stevige vinger in de pap moet houden en de poot stijf moet houden. Scholen moeten zich echter aan dat soort normen houden. Dat mag niet fout gaan. Ik ben benieuwd wat de minister op dat punt vindt.

Tot slot nog een punt. Vorige week heb ik wij de behandeling van het thuisonderwijs nog eens artikel 5a aangehaald, waaruit blijkt dat ook leerplichtambtenaren kinderen maar gewoon vrijstelling geven van de leerplicht omdat kinderen met een vlek, met een stempel nergens terechtkomen. Ook dat moet ophouden. Ik zou willen dat leerplichtambtenaren op basis van een vlek geen enkel kind meer een vrijstelling geven. Dat is niet meer van deze tijd. Ik ben benieuwd wat de minister daarvan vindt.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Andere woordvoerders hebben de problematiek al geschetst. Juist voor deze leerlingen hebben wij een grote verantwoordelijkheid, ook al is het maar een groepje. Wetgeving maken wij vaak juist voor de uitzonderingen. Daarom is het van groot belang dat wij het hier vandaag over hebben: 1000 leerlingen per dag die geen passende school hebben is veel, misschien niet relatief, maar wel absoluut. Je zou ze maar met elkaar op een pleintje hebben, dan zijn het er nogal wat!

Er zijn een aantal zinnige opmerkingen gemaakt, ook de laatste van de heer Çelik, dat iemand die een vlekje heeft niet zomaar een ontheffing kan krijgen maar dat daar ook een toets op zou moeten zijn. Ik zou dat graag willen meenemen in het onderzoek dat de minister gaat doen naar het thuisonderwijs.

De minister komt met een zorgplicht. Dat klinkt heel goed, maar het is maar een deel van de oplossing. De SP heeft al gewezen op het feit dat het dan toch nog heel lang kan duren voordat iemand op de juiste plek zit. Juist met dit soort kinderen kan dat ook betekenen dat zij heel snel in een kolk naar beneden terechtkomen. Dat is een groot probleem. Wij vinden aan de andere kant dat er ook iets moet gebeuren om de zaak in evenwicht te brengen. Voor ons staat het vast dat de leerplicht zinloos is zonder een leerrecht. Iedere ouder is en blijft verplicht om ervoor te zorgen dat zijn of haar kind naar school gaat, maar tegelijkertijd heeft een kind volgens D66 recht op goed onderwijs. Dat is ook in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties vastgelegd.

Voor de toekomst zouden wij graag dus zo’n leerrecht hebben. Samen met de heer Klaver van GroenLinks heb ik daar al eens een motie over ingediend. Wij vinden het zeer belangrijk dat dit recht er komt.

De Leerplichtwet is natuurlijk ooit geschreven vanuit de gedachte dat ouders soms hun kinderen niet naar school willen sturen. Hier hebben wij vaak te maken met ouders die heel graag hun kind naar school willen hebben maar die helemaal geen poot hebben om op te staan. Natuurlijk kunnen de fel eisende ouders van tegenwoordig wel eens lastig zijn voor een school, maar school en ouders zouden samen toch in staat moeten zijn om het belang van het kind voorop te plaatsen.

Vele malen groter is het probleem van ouders die machteloos staan tegenover grote schoolbesturen die weigeren hun kind onderwijs te geven. De keuzevrijheid van ouders is ernstig beperkt. Mogelijkheden om een nieuwe school te stichten zijn in Nederland al heel beperkt. Dat gaan we op een ander moment wel eens bediscussiëren. Maar ook wanneer je voor je individuele kind iets wilt doen, bestaan er eigenlijk heel weinig handvatten. Scholen lichten soms een besluit tot verwijdering niet eens toe. Ondanks het feit dat scholen zo'n besluit moeten melden, gebeurt dat niet altijd. Dat moet worden gehandhaafd. Hoe gaan we dat opvoeren? Hoe zorgt de minister daarvoor? Is het misschien een idee om een centraal meldpunt in te richten waar ouders zich kunnen melden als hun kind thuis komt te zitten? Het ministerie of de onderwijsinspectie kan dan op basis van die meldingen direct ook een onderzoek starten.

Kan de minister ook aangeven wat er met de bekostiging gebeurt als een school een kind geen onderwijs meer geeft? In het speciaal onderwijs krijgen scholen heel grote bedragen, bijna € 18 000. Wat gebeurt daarmee als een leerling thuis komt te zitten? Is dat niet een incentive om scholen direct te laten voelen: als je een leerling verwijdert, krijg je ook minder geld?

De Leerplichtwet stamt ook uit een tijd dat kleine scholen en kleine schoolbesturen nog bestonden. Die tijd ligt achter ons. Ouders zijn geen juridische partij meer voor de grote schoolbesturen. Zij kennen de rechten van hun eigen kinderen vaak niet of onvoldoende. Ze moeten heel erg op zoek gaan naar die rechten. Dus ik vind het van heel groot belang dat het ministerie ook bij thuiszittende kinderen actief de informatie aanbiedt: dit kunt u doen. Wat wil de minister op dat punt ondernemen?

Om de macht van de school weer in evenwicht brengen met die van de ouders en leerlingen moet er volgens ons een afdwingbaar recht worden gecreëerd op onderwijs voor een kind. Over artikel 23 hebben wij het ook al wel in de plenaire zaal gehad, dat is een andere discussie. Hier gaat het echt om de acceptatieplicht van dit soort kinderen, vanzelfsprekend niet op elke school, maar er moet wel inspraak zijn van ouders.

Scholen en leerplichtambtenaren samen blijken te vaak niet in staat om een passende plek te vinden voor leerplichtige kinderen. Vaak blijken scholen in een gemeente of in een aangrenzende gemeente elkaar informatie toe te spelen over probleemleerlingen, die vervolgens worden geweigerd. Anderen hebben daar ook al over gesproken. Het is dus hoog tijd dat dit weer in de wet wordt vastgelegd.

Voor nu stellen wij dan ook voor om voordat het leerrecht in de wet komt te staan de onderwijsovereenkomst te laten onderzoeken. Daarover heb ik ook al een motie ingediend, juist voor dit AO.

Ten slotte vraagt de minister of het mogelijk is dat wordt geregeld dat de onderwijsinspectie de mogelijkheid krijgt om het besluit van de school om een leerling te weigeren of te verwijderen inhoudelijk te toetsen. Ik hoop dat wij het er samen over eens zijn dat lastige leerlingen niet thuis horen te zitten maar op de juiste school. Een verplichte toetsing is wat mij betreft ook een belangrijk handvat voor ouders, maar ook voor de inspectie om te bekijken of hier juist of ten onrechte is opgetreden.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Om een beetje een beeld te krijgen van de problematiek heb ik afgelopen maandag gesproken met een moeder van wie de dochter thuiszit. Haar dochter heeft een persoonlijkheidsstoornis. Die diagnose wordt in Nederland pas gegeven vanaf je achttiende jaar, zo heb ik begrepen. Haar dochter zit op een openbare basisschool, met prima stuurresultaten, en gaat vandaar naar een gymnasium hier in Den Haag. In de derde klas beginnen dan symptomen te komen. Zij krijgt last van van alles en nog wat, maar een heldere diagnose wordt maar niet gesteld. Dan komt er een etiket: bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Voor die diagnose moet je minstens aan tien van de 20 symptomen voldoen. Dit meisje had er elf. Op school gaat het dan almaar slechter, de school slaagt er niet in – dat vind ik een belangrijk gegeven – een onderwijsvorm aan te bieden waarin het kind kan gedijen, wat naar het gevoel van de moeder en naar mijn gevoel helemaal niet zo moeilijk had hoeven zijn.

Wat gebeurt er vervolgens? De school adviseert de moeder om haar dochter op een andere school in te schrijven. Het zou gaan om een gespecialiseerde school, waar het meisje beter tot haar recht zou komen. Die andere school weigert haar vervolgens en geeft als reden: wij kunnen het meisje met dit etiket niet op school nemen, want daar zijn wij niet voor. De moeder heeft toen een onderwijsconsulent ingeschakeld, maar helaas kreeg het kind van de school waar ze uiteindelijk werd ingeschreven het bericht dat zij vijftien maanden lang op een soort medisch verlof werd gestuurd door de school. Dat is onbegrijpelijk! Pas dan zou ze goed genoeg in orde zijn om het onderwijs te volgen.

Bovendien was er ook nog een wachtlijst. Om het nog erger te maken: de moeder organiseerde na dit bericht een expertmeeting met allerlei hulporganisaties, de leerplichtambtenaar en de onderwijsconsulent. Tot haar verbazing bleek pas achteraf dat de school illegaal bezig was, want je mag kinderen helemaal niet vijftien maanden met medisch verlof sturen.

De moeder verwachtte actie van de leerplichtambtenaar, een kort geding tegen de school of zo, maar uiteindelijk gebeurde er helemaal niets. De moeder heeft een advocaat ingeschakeld. Nu, drie jaar later, is er nog steeds geen vooruitzicht op verbetering. Het kind zit al een jaar niet meer op school, terwijl zij heel graag naar school gaat.

In deze periode heeft dit meisje met minstens 20 therapeuten gesproken, enkele leerplichtambtenaren, een onderwijsconsulent, vier scholen, verschillende leraren en minstens tien hulporganisaties. Dat hele drama had kunnen worden voorkomen als de school waarop ze in de derde klas zat wat minder rigide met allerlei protocollen en regelgeving was omgegaan en wat minder bezig was geweest om het meisje zo snel en geruisloos mogelijk weg te werken, en wat meer had gedaan aan extra begeleiding, bijvoorbeeld door een mentor, die er wel was.

Mijn punt is het volgende. Het zou goed zijn als de schoolleiding wat minder bezig zou zijn om een oplossing voor de school te bedenken en wat meer vanuit het perspectief van de leerling zou denken. Wat meer out of the box denken, samen met de ouders zoeken naar creatieve oplossingen voor kinderen die moeilijker zijn of anders dan anderen. Want die zijn er nu eenmaal. Investeer als school in die docenten. Er is echt heel veel creativiteit bij docenten, maar ze moeten wel de ruimte krijgen om daar iets mee te doen en niet vastgespijkerd worden in een pak van regels, protocollen enzovoorts. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister. Hoe kan zij scholen bewegen om meer te focussen op de leerlingen en minder op de regels en protocollen, waardoor de handelingsvrijheid voor leraren enorm wordt beperkt?

Over het onderzoek van Ingrado is hier al het een en ander gewisseld door mijn collega's, over de zorg- en adviesdienst en de problemen daarbij. Ik heb hierbij wel een concrete vraag. Welke concrete maatregelen heeft de minister voor ogen die in de eerste plaats de leerplichtambtenaar ertoe aanzetten een probleemanalyse op te nemen in zijn rapporten en in de tweede plaats er zorg voor te dragen dat die leerlingen in het zorg- en adviesteam worden besproken? Dat zou ook voor dit meisje veel hebben uitgemaakt.

Wij vinden de aanbevelingen van Ingrado meer dan logisch. We stellen vast dat het heel vaak gaat om een uitvoeringsprobleem. Leerplichtambtenaren moeten de regie stevig oppakken en extra aandacht schenken aan de leerlingen, vooral bij de overstap van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs, met een snelle probleemanalyse. Als het aan ons ligt worden alle voorgaande gevallen in de zorg- en adviesteams besproken en moeten de dossiers ook echt op orde zijn.

Kan de minister aangeven of scholen die leerlingen met een rugzakje afstoten ook geen aanspraak meer kunnen maken op dat rugzakje van die leerlingen? Het lijkt ons dat dat toch met die leerlingen moet meegaan. Kan de minister toezeggen dat zij gemeenten zal aansporen om samen te werken met hulporganisaties in de hele keten en de chemie tussen die organisaties te bevorderen? Dat lijkt ons heel hard nodig.

De heer Klaver (GroenLinks): Voorzitter. Gemiddeld zitten er 2500 kinderen thuis. Ingrado constateert dat misschien niet het totale aantal kinderen dat thuis zit kan worden teruggebracht, maar wel de duur dat zij thuiszitten. Nu is dat gemiddeld zo'n zes maanden.

In de stukken die ik van het kabinet heb ontvangen, zit nog weinig duidelijkheid over hoe dat nu gaat worden aangepakt, over de mogelijkheden die het kabinet ziet dat kinderen in ieder geval minder lang thuisblijven en als het even kan dat thuiszitten echt kan worden voorkomen.

Wij kunnen er toch niet helemaal omheen dat deze problematiek van de thuiszitters onlosmakelijk verbonden is met het passend onderwijs, zeker als wij kijken naar de achterliggende problemen. Psychische problemen, gedragsproblemen en ook lage of hoge begaafdheid kunnen in belangrijke mate een achterliggend probleem zijn. Dat geldt precies ook voor de kinderen in het passend onderwijs.

Wij kregen een brief van de PO-raad waarin staat dat kinderen nu reeds niet meer worden aangenomen omdat scholen bang zijn voor de bezuinigingen die op komst zijn. Iedereen hier krijgt onwijs veel e-mails van ouders die zich zorgen maken over wat er nu gebeurt in het passend onderwijs. Uit die grote stapel mails bel ik met een aantal mensen. Gisteren had ik ook een man aan de telefoon die zei: Jesse, mijn zoon heeft autisme, hij zit nu op een school en hij zit daar voorlopig, tot 2012, goed, maar ik zie dat deze school geen kinderen meer aanneemt met een vlekje omdat zij bang is voor de consequenties van de komende bezuinigingen. Is de minister bekend met deze problemen? Is zij ermee bekend dat scholen op dit moment al geen kinderen meer aannemen? Als dat zo is, wat gaat de minister daar dan aan doen?

Dit is een bedreiging als het gaat om de invoering van het nieuw passend onderwijs, maar ik zie ook een kans. Die kans werd mij vorige week geschetst door de Ombudsman, die zei: de zorgplicht voor scholen die straks in de nieuwe wet voor het passend onderwijs zit, biedt een kans om ervoor te zorgen dat deze scholen ook echt die kinderen naar binnen trekken, ook als er nog geen passend aanbod is op school. Dan nog zal de school, zo moeilijk en beperkt als het soms gaat, een kind moeten opnemen. Ik heb daarover ook een vraag gesteld aan de minister waarop ik nog geen antwoord heb gekregen, dus ik stel de vraag nu nogmaals. Deelt de minister deze opvatting van de zorgplicht die de Ombudsman heeft geschetst, dat de school niet het recht heeft om een kind acht weken niet aan te nemen maar het kind zodra het zich aanmeldt, gelijk binnen de school moet trekken, hoe beperkt de mogelijkheden ook zijn, totdat er een passend aanbod is gecreëerd? Ik denk dat daar een kans ligt om het aantal thuiszitters terug te dringen.

De leerplichtambtenaar speelt volgens mij een cruciale rol om het aantal thuiszitters terug te dringen. Dat is ook wat de Ombudsman zegt. Er hoeft niet zo heel veel in wet- en regelgeving te worden aangepast als de leerplichtambtenaar zich maar niet te veel opstelt als de veldwachter die constateert dat de wet is overtreden en dan sancties oplegt, maar ook echt als spelverdeler of als regisseur aan de slag gaat. Is de leerplichtambtenaar op dit moment voldoende toegerust om alle spelers, ook de hulpverleners, de school en de ouders aan tafel te krijgen om problemen op te lossen? Heeft de leerplichtambtenaar voldoende competentie en ook voldoende wettelijke ruimte? Zo niet, wat wil de minister eraan doen om ervoor te zorgen dat de leerplichtambtenaren beter worden toegerust om hun taak nog beter op te pakken?

Tot slot nog iets over de overstap. Er wordt geconstateerd dat de grootste problemen liggen als het gaat om de thuiszitters en de uitval bij kinderen die overstappen van de basisschool naar het middelbaar onderwijs. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Welke oplossingen ziet zij om er bij deze specifieke doelgroep van 13 tot 15 jaar voor te zorgen dat daar het aantal thuiszitters wordt teruggedrongen? Ik denk bijvoorbeeld aan een extra jaar op de basisschool, of misschien wel aan de schaalgrootte van het middelbaar onderwijs. Graag een reactie van de minister.

De heer Elias (VVD): Voorzitter. Ik zal mijn schaarse spreektijd niet gebruiken om het probleem nog een keer te schetsen of de vragen van mijn collega's te herhalen.

Graag wil ik van de minister van Onderwijs weten of zij denkt dat de zorgplicht van scholen in het passend onderwijs nu echt een oplossing of een deel van een oplossing kan bieden voor dit probleem. Ik sluit mij aan bij wat mijn collega Klaver zei. De Ombudsman zei ons tijdens de technische briefing op 30 maart dat hij zou vinden dat in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel passend onderwijs zou moeten worden opgenomen dat scholen na aanmelding verplicht zijn een kind binnen de eigen schoolmuren te halen tot er een geschikte plek voor het kind gevonden is. Ik wil graag van de minister van Onderwijs, iets meer vragenderwijs denk ik dan mijn collega overigens, weten of dit enigszins werkbaar zou kunnen zijn. Als dat al het geval is, wat doen wij dan wanneer op dat passend onderwijs die zorgplicht en die eventuele verplichting in werking treedt? Want met het wetgevingsproces zijn wij toch alweer een eind verder in de tijd.

Wat kunnen wij beter dan nu ontwikkelen of in gang zetten om kinderen die ongewenst thuiszitten naar school te krijgen? Is er een rol weggelegd voor e-learning? Ik denk van niet, maar we moeten volgens mij echt alles proberen. Uit het rapport van Ingrado blijkt dat ouders vaak dolgraag willen dat hun kind naar school kan maar dat het kind geen plek krijgt. Vervolgens worden sommige van die ouders voor de rechter gehaald. Ik heb daar een voorbeeld van. Het betreft een kind met een indicatie PDD-NOS op Ameland, dat sinds 2007 thuiszit. De enige middelbare school op Ameland kan het kind naar eigen zeggen niet de zorg geven die het nodig heeft. Daarom is een verzoek tot plaatsing afgewezen. Vervolgens zijn meerdere scholen op de vaste wal benaderd, maar geen daarvan laat het kind toe tot de school. Intussen heeft de moeder meerdere dagvaardingen ontvangen in verband met schoolverzuim. Die zijn dan telkens vervallen omdat duidelijk is dat er geen school is die haar dochter wil toelaten. Een oplossing is er nog steeds niet.

Ik geef dit voorbeeld niet omdat ik dit individuele geval nu zo wil benadrukken, maar omdat het de problematiek in al zijn scherpte schetst, want wat hier wringt is aan de ene kant natuurlijk dat de Staat niet alles kan oplossen. Misschien zit er voor de ouders werkelijk niets anders op dan te verhuizen. Aan de andere kant is het belachelijk als scholen tot Leeuwarden aan toe zo’n kind weigeren, en dan helemaal natuurlijk dat die ouders met strafrechtelijke procedures om de oren worden geslagen omdat zij hun kind aan de Leerplichtwet onttrekken. Ik kan mij wel voorstellen, zo door de oogharen kijkend, dat er 100, 200, 300, 400 of weet ik hoeveel gevallen zijn waarvoor je met geen mogelijkheid een oplossing kunnen vinden, maar 2500....

Doet de overheid, zo wil ik van de minister weten, die dat zegt, wel genoeg haar best om maatwerkoplossingen vinden voor zulke grote aantallen problemen? Moet hier niet simpelweg door een ervaren leerplichtambtenaar met even veel souplesse als doortastendheid worden opgetreden om een oplossing af te dwingen, zowel aan de zijde van scholen alsook soms van de ouders, door gewoon meer overredingskracht in te zetten?

De leerplichtambtenaar is essentiële spil in het oplossen van de thuiszittersproblematiek. Ik schrik er dan ook van als ik in de rapporten lees dat soms door de leerplichtambtenaar niet eens een dossier wordt bijgehouden, dat bij dossieronderzoek blijkt dat accurate en volledige informatie in het door de leerplichtambtenaar opgestelde dossier ontbreekt, of dat dossiers van bureau naar bureau wandelen, in een kafkaëske parade.

Ik vind dat er accurate en volledige dossiers moeten zijn en een leerplichtambtenaar die zich daadwerkelijk inzet om het kind weer naar school te krijgen. Zitten wij daar niet te veel met de armen over elkaar?

De Ombudsman signaleert dat scholen soms niet overgaan tot het vermelden van het verzuim omdat zij er financieel belang bij hebben om de situatie aan te zien. Tijdens een plenair debat over dit beleid op 2 februari heb ik de minister daarover vragen gesteld. Haar antwoord was dat er «geen signalen zijn over misbruik van regelgeving rondom verzuim uit financieel belang». De Ombudsman baseerde zich echter, zo bleek mij uit ruggespraak, op de inspectie. Dan lijkt het er dus op dat de minister niet op de hoogte is van gegevens die bij de inspectie wel voorhanden zijn. Ik ben dus even door gaan bellen met een leerplichtambtenaar, die mij vertelde – als een soort mini-klokkenluider – dat scholen regelmatig voor de teldatum 1 oktober bereid zijn om kinderen tot de school toe te laten maar daarna niet meer, onder het mom van volle klassen. De reden zou zijn dat kinderen die voor de teldatum worden toegelaten tot de school meetellen voor het bepalen van de hoogte van de financiering en na 1 oktober niet meer. Die vraag heb ik eerder al gesteld, maar het signaal van de Ombudsman was dus gebaseerd op gegevens van de inspectie, terwijl het antwoord van de minister aan mij is: nee, wij hebben die signalen niet, terwijl de inspectie die gegevens voorhanden heeft. Mag ik dat raar vinden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Ik bedank de Kamerleden voor hun bijdrage in eerste termijn. Het is inderdaad goed dat wij over dit onderwerp met elkaar praten, want het is een al langer durend, maar daardoor niet minder urgent probleem. Ik ben heel blij met de beide rapporten die door de Ombudsman en door Ingrado naar ons gezonden zijn, omdat zij eigenlijk in alle schrilheid en eenvoud aangeven wat er moet worden gedaan. Er staan heel concrete aanbevelingen in die ook heel concreet kunnen worden opgepakt door mensen die op dit moment al verantwoordelijkheid dragen op allerlei niveaus. In dat opzicht kan ik kortweg verwijzen naar zaken die erin aan de orde worden gesteld. De leerplichtambtenaar dient een meer bemiddelende, actieve rol te spelen en doet dat overigens ook heel vaak, maar dat moet breder gebeuren. Ik denk dat ook wethouders een belangrijke rol kunnen vervullen in een kindgerichte samenwerking met en tussen professionals. Daarbij hebben wij in de afgelopen jaren behoorlijke slagen gemaakt in de zorg- en adviesteams op scholen en ook in het steeds beter samenwerken rond de Centra voor Jeugd en Gezin, maar dat kan nog beter. Ouders en leerlingen moeten betrokken worden bij de zoektocht naar een oplossing. Het is natuurlijk altijd een bekend gevaar dat professionals met elkaar aan de slag gaan en vervolgens vergeten waar het eigenlijk om gaat mee te nemen. Dat is altijd een risico. Daar moeten wij ook met elkaar over praten. Ik kom daar zo meteen op terug. De lijnen van Ingrado en de Ombudsman raken elkaar hier stevig.

De aanpak bestaat wat mij betreft uit drie pijlers. Enerzijds het voorkomen van thuiszitten door invoering van de zorgplicht, waar ik straks nog wat intensiever op zal ingaan. Een sterkere rol voor de leerplichtambtenaar om als het toch misgaat kinderen zo snel mogelijk weer terug naar school te krijgen.

Allereerst de wettelijke zorgplicht. Met de invoering van passend onderwijs wordt de zorgplicht wettelijk vastgelegd. In tegenstelling tot wat uit de vraag van de heer Çelik naar voren kwam, komt niet het samenwerkingsverband maar de ouder bij de school van eigen keuze. Daar begint het proces. Dat doet ook recht aan het feit dat het de voorkeursschool is van de betreffende ouder. Een school moet aan de slag om te kijken: kan ik de zorg voor dit kind bieden? Als een school die niet kan bieden, dan heeft de school de plicht om te kijken of er elders in het samenwerkingsverband wel een geschikte school is en anders uiteindelijk het speciaal onderwijs. Dat is de taak van de school. Dat zal er uiteindelijk toe moeten leiden dat er onderwijs plaatsvindt voor dit kind. De school doet dat niet alleen, gelukkig, maar in het samenwerkingsverband. Straks kan men in de samenwerkingsverbanden met elkaar bekijken hoe men dat vorm en inhoud geeft, of scholen een hele differentiatie willen hebben voor het zorgaanbod of zeggen: wij willen toch kijken naar een zekere specialisatie voor situaties met kinderen die echt extra aandacht en deskundigheid vergen. De invoering van de zorgplicht betekent dat de ouders niet meer van het kastje naar de muur kunnen worden gestuurd, maar dat de school waar de ouders op de deur kloppen de plicht heeft om zelf of in het samenwerkingsverband deze zorg en dit onderwijs te gaan leveren.

De zorgplicht betekent overigens wel – dat is de andere kant van de zaak, waar het gaat om het borgen van de belangen van ouders – dat het altijd een evenwicht zal moeten zijn, want we weten ook dat er soms grenzen zijn met de betreffende school waar de ouders zich aanmelden en dat je naar andere oplossingen moet kijken. Dat zal in goed overleg met de ouders moeten gebeuren, ook kijkend naar het kind, maar dat is wel de situatie, in evenwicht tussen de wens van de ouders en de mogelijkheden van de school.

Dit is een korte inleiding om daarna de vragen te beantwoorden. Ik heb nu het punt van de zorgplicht afgehandeld.

Mevrouw Smits (SP): De minister zegt dat de keuze van de ouders heel belangrijk is. Maar is het niet zo dat als een school zegt: wij hebben in ons samenwerkingsverband elders een betere plek voor uw kind – dat kan bij het autistenklasje 25 kilometer verderop zijn – dat het samenwerkingsverband daarmee voldoet aan zijn zorgplicht?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat moet uiteindelijk in de samenwerkingsverbanden worden uitgewerkt, maar ik sluit niet uit dat scholen zich inderdaad gaan specialiseren door middel van hun profielschoolaanpak. Dat kan voor een kind grote voordelen hebben, omdat er daarmee een deskundiger aanpak plaatsvindt. Het maakt ook dat een samenwerkingsverband optimaal met de middelen zoals wij die ter beschikking stellen de zorg vorm en inhoud kan geven. Het kan ook zijn dat daar in een samenwerkingsverband niet voor wordt gekozen, maar dat is straks wel aan de samenwerkingsverbanden

Mevrouw Smits (SP): Dus de zorgplicht zoals die nu geformuleerd is, geeft ouders geen enkele garantie dat hun kind kan worden geplaatst op de school waar zij dat kind aanmelden? Want het schoolbestuur kan zichzelf veiligstellen door elders in het samenwerkingsverband een plek te vinden. Daarmee is die zorgplicht voor ouders dus nauwelijks een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Of niet?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wij praten hier over thuiszitters. Dat is nog de meest ernstige situatie. In ieder geval willen wij met de zorgplicht zorgen dat er ergens een plek voor die kinderen gevonden dient te worden in de nieuwe wet. Dat is winst. Bovendien zal er moeten worden gekeken hoe een kind met een bepaalde handicap of een bepaalde zorgvraag de beste zorg krijgt. Dat is een verantwoordelijkheid die ligt bij een school, bij een samenwerkingsverband. Natuurlijk hebben ouders daarin ook een rol, maar die zullen we inderdaad heel goed moeten uitwerken. Ik wil voorkomen dat als ik hier vanuit Den Haag alles in een blauwdruk helemaal vastregel de scholen straks weliswaar de budgetten krijgen maar niet de flexibiliteit hebben om het optimaal te regelen. En dat is wat wij willen: ook ruimte geven aan scholen, in goed overleg. Maar één ding is helder, de zorgplicht betekent dat kinderen meer kans maken dat zij ook daadwerkelijk op school zitten dan nu.

De heer Van der Ham (D66): Is de zorgplicht gekoppeld aan een resultaatsverplichting?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ja. De zorgplicht is in zichzelf natuurlijk een resultaat, want je hebt de plicht om te zorgen. Daarmee is dat ook waarop de inspectie straks toeziet in de samenwerkingsverbanden. De inspectie zal controleren op thuiszitters als een van de aspecten en zal bekijken hoe te werk is gegaan. Een kind meldt zich aan. Overigens zal dat in goed evenwicht moeten met de leerplichtambtenaar, maar dat is een kwestie van een goede uitwerking in de wetgeving. Die zal goed moeten kijken hoe dat gegaan is en of de school in gebreke is gebleven. Want de verantwoordelijkheid ligt bij de school van aanmelding.

De heer Van der Ham (D66): Het begon goed met: ja, het is een resultaatsverplichting. Daarna gaat u allemaal nuances maken. Als de school heeft gezegd: dit kunnen wij niet aan, wij hebben gekeken of wij dit goed kunnen verzorgen maar dat is niet gelukt, als het kind uiteindelijk toch thuiszit, wie is dan verplicht tot het resultaat dat dat kind weer naar school gaat? Wie kan dan nog worden aangesproken, als zo’n school in eerste instantie zijn best heeft gedaan? Waar zitten dan nog de tanden in die zorgplicht? Met andere woorden, waar zit dan de resultaatsverplichting? Komt die dan bij de regering te liggen, of bij de onderwijsinspectie? Wie is de erfopvolger van die zorgplicht?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat zijn punten die wij gewoon uitwerken in de wet en waarbij duidelijk wordt dat de inspectie daar met instrumenten ook daadwerkelijk die zaken kan afdwingen. In de wet zal de zorgplicht staan. De school die het betreft is verantwoordelijk om het zelf te doen, om elders te kijken in het samenwerkingsverband, of om gebruik te maken van voorzieningen zoals Op de rails, Rebound of Herstart, waarvoor ombuigingen plaatsvinden maar die voor een groot deel ook overeind blijven en waarvoor de middelen gebundeld bij de samenwerkingsverbanden komen. Dus ook daar is ruimte om kinderen tijdelijk op te vangen als er even tussentijds niet direct een oplossing is. Ik denk dat dat echt een grote vooruitgang is ten opzichte van het heden. Als een ouder moeite heeft met het voorstel dat er uiteindelijk komt vanuit een school, dan is er natuurlijk ook ruimte voor bezwaar en beroep. We zijn nog aan het bekijken hoe wij dat vorm en inhoud kunnen geven, naar aanleiding van het debat dat wij hier hebben gehad. Daarbij is ook de Commissie Gelijke Behandeling even actor en uiteindelijk ook de rechter.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik had ook nog een vraag gesteld over wat er gebeurt tussen het moment van aanmelding en het moment dat de school een passende plaats heeft gevonden voor het kind, in de interpretatie van de zorgplicht die de Ombudsman hieraan geeft.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Hier wreekt zich een beetje dat ik eigenlijk nog met mijn inleiding bezig ben en met een paar losse vragen. Ik ben nog wel even met een paar thema's bezig. Aan het eind probeer ik alle vragen te beantwoorden.

De voorzitter: U bewaart uw vraag nog even, de minister komt erop terug.

De heer Klaver (GroenLinks): Prima. Ik sloeg erop aan dat de minister zei: ik ben nu klaar met de zorgplicht.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Ja, in mijn inleidende woorden.

De tweede poot waarop ik het beleid wil vormgeven en verder versterken, is een sterke positie voor de leerplichtambtenaar. Als het gaat om preventie en thuiszitten onderschrijf ik het belang dat Ingrado en de Ombudsman hechten aan de rol van de leerplichtambtenaar. Dat betekent nadrukkelijker aandacht voor regie en voor signalering in zorg- en adviesteams en een individuele aanpak van elk kind. De leerplicht valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Als het goed is heeft de Kamer de afgelopen week de technische vsv-briefing gekregen. Ik ben ongelooflijk stevig bezig voor de leerplicht. Daar zijn echt heel grote slagen gemaakt in de afgelopen periode. Dat hebben wij ook gezien in de vsv-cijfers. De leerplichtambtenaar heeft daarmee ook veel meer zicht gekregen op scholen en hoe zij omgaan met verzuim, dat zij ook daadwerkelijk en tijdig melden. Daarvoor hebben wij de procedures ook aangepast. De inspectie ziet erop toe of de school er ook daadwerkelijk vorm en inhoud aan geeft. Overigens doet men dat veelal samen met de gemeente en zijn het de leerplichtambtenaren die de klas binnenkomen met de lijst van afgemelden om te kijken wie er in de groep is. Wanneer blijkt dat een kind er niet is zal de leerplichtambtenaar daar dieper op ingaan. Soms kom je gewoon een spijbelaar tegen die lekker een baantje aan het doen is, wat natuurlijk niet kan, maar soms tref je ook wel zo'n situatie aan. De checks and balances op lokaal niveau, samen met de inspectie, moeten gewoon op orde zijn.

Ingrado vind ik een heel sterke vakorganisatie, die ook zichzelf heel goed tegen het licht durft te houden. Ik heb er heel veel vertrouwen in dat men dat in de komende tijd versterkt, omdat ik zie dat de wethouders er ook steeds scherper op worden dat verzuim ook echt moet worden aangepakt. Daarmee komt dit beeld ook steeds scherper in zicht. Dat is een goede zaak. Met de ondersteunende wetgeving die eraan komt, wordt dat alleen maar beter. We hebben het wetsvoorstel schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten. Als dat straks ook door de Eerste Kamer is waar het op dit moment ligt, betekent dit dat de toezichts- en handhavingstaak bij de inspectie terechtkomt, maar wel echt in goede interactie met de leerplichtambtenaren, en dat er ook bestuurlijke boetes kunnen worden uitgedeeld door de inspectie aan de scholen. Dus wij zijn echt die zaak nog verder aan het verstevigen, maar in de afgelopen tijd zijn ongelofelijke slagen gemaakt op het vlak van de leerplichtambtenaren.

Ik neem hierbij even de vraag mee van mevrouw Smits over de aantallen. Het is de gemeente die de leerplicht uitvoert en die dient te kijken of zij voldoende ambtenaren heeft. Dat is echt een taak van de lagere overheid. Ik vind dat je die daar ook moet laten liggen. Wanneer wij bijvoorbeeld in het kader van de vsv of een enorm aantal thuiszitters zien dat gemeenten niet adequaat bezig zijn, spreken wij hen daar natuurlijk op aan. Sterker, onze mensen van vsv zijn dagelijks in het land om rond te kijken en om de cijfers in te zien, soms confronterend en verscholen voor gemeenten, maar wel heel scherp erbovenop zittend. Ik zie dus dat er een enorme kwaliteitsslag gemaakt is. Het kan natuurlijk altijd beter en dat zien we ook aan wat wij vandaag bespreken, maar ik vind wel dat we de gemeenten hier heel forse stappen vooruit zien maken.

De heer Elias (VVD): Maar waar zien wij dan de resultaten van die geweldige vooruitgang terug in de getallen, als ik vragen mag?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wij zien die allereerst terug in de enorme teruggang van de vsv-cijfers. Dat is waar het verzuimbeleid in eerste instantie op gericht is. Ten tweede heeft Ingrado daardoor een veel scherper beeld gekregen, ook van deze groep. Dan is vervolgens de vraag: wat doen we ermee? Hoe gaan we dat aanpakken met de deficiënties die wij nu zien als het gaat om de uitvoering in het systeem? Ik kom daar graag op terug, want het zijn er een aantal. Ik zal daar zo meteen wat meer over zeggen als het gaat om de overdracht tussen po en vo, wat ook een heel belangrijk punt is. Het zit ook in de actietafels waar ik zo meteen graag op terugkom. Er ook in het feit dat de leerplichtambtenaar inderdaad moet zorgen dat het dossier op orde is en dat een kind bij een wisseling van ambtenaren niet tussen wal en schip valt, maar dat het kind op papier helder overgedragen kan worden. Dat zijn dingen waar ik met Ingrado en met de VNG over wil praten, om te zeggen: dat kan dus beter, dat hebben jullie geconstateerd. Het is ook niet voor niets de zelfreflectie van Ingrado zelf, die zegt: dit moeten wij beter gaan doen. Dat is de beste manier om je problemen aan te pakken

De heer Elias (VVD): Dat is geen antwoord op mijn vraag.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik dacht van wel.

De heer Elias (VVD): Nee, dat vind ik niet. Want u geeft aan dat het zo geweldig gaat en dat het de goede kant op gaat, maar ik zie dat niet terug in de cijfers over het probleem dat wij vandaag bespreken. Wij hebben het niet over vsv’ers maar over thuiszitters.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Door de problematiek in beeld te brengen, krijg je er ook een scherper beeld van waar het om gaat. Dat is deze stand van zaken. Ik vind het goed dat een organisatie als Ingrado zelf scherp het beleid en de aanpak tegen het licht houdt en zegt dit op een aantal onderdelen te beter kunnen doen als leerplichtambtenaren. Men geeft ook zelf concreet aan wat men wil doen. Ik zie dat die manier van werken al veel sterker is dan een aantal jaren geleden, omdat vsv als multiproblematiek soms heel dicht aan zit tegen de thuiszitters van dit AO. Voor een deel lopen die groepen door elkaar heen, voor een deel zijn ze inderdaad apart. Ik ben blij met de werkwijze die is opgebouwd van erbovenop zitten. Ik vind het een vooruitgang dat men doordat men meer zicht krijgt en meer professionaliteit wil uitstralen en inzetten nu zelfs deze problematiek nog scherper in beeld heeft gebracht en zegt wat men wil aanpakken. Dat vind ik dus een goede, progressieve beweging van Ingrado. Ik zal die ondersteunen en stimuleren door ook met Ingrado het gesprek aan te gaan hoe men dit gaat doen. Het is primair een verantwoordelijkheid van de gemeente.

Dan kom ik bij het vangnet en bij de rol van de gemeenten en de RMC’s in de regio's. Als kinderen thuiszitten, wil ik dat men zich ook zo snel mogelijk inspant om het op te pakken. Dat is de reden dat al een aantal jaren het project Gedragswerk in RMC-regio's in Nederland functioneert. Dat vangnet wordt met de partners in en om het onderwijs, vertegenwoordigers van leerplicht, gemeente en jeugdzorg, vorm en inhoud gegeven in alle 39 regio's. Daar gaat men aan de hand van de concrete lijst jongeren die thuiszitten zoeken naar oplossingen. Daar komen de actietafels vandaan, of de doorbraakoverleggen, zoals de heer Biskop aangaf. Dat gebeurt op allerlei plekken.

Ik meen dat mevrouw Smits vroeg waarom Rotterdam hiermee stopt. Ik zou het niet weten. Rotterdam kan gewoon doorgaan. Ik ben ook niet van plan om deze subsidie stop te zetten, dus ik zou tegen de wethouder van Rotterdam willen zeggen: ga ermee door. Volgens mij zit de wethouder voor jeugdzaken van Rotterdam er behoorlijk bovenop. Dit zou dus een gemiste kans zijn. Misschien gaat hij het nog beter aanpakken. Dan is dat natuurlijk altijd prima.

Het gaat dan ook om de rol van de onderwijsconsulenten. Ook zij worden ingezet. Wij hebben 30 tot 35 onderwijsconsulenten. Wij zien dat ook daar de werkdruk en -omvang groeit. De laatste jaren ging het om ongeveer 800 kinderen waarmee een onderwijsconsulent per jaar bezig is. Dat is gegroeid naar ongeveer 1000. Ik ben nu ook aan het kijken of ik het aantal consulenten kan uitbreiden. Ik ben ook niet van plan om dat aantal te gaan ombuigen, dat blijft gewoon in stand. Ik denk dat wij dit in het nieuwe stelsel heel goed kunnen benutten. Vooralsnog wil ik dit houden bij de stichting die er nu is, een gezamenlijke inzet van leerplicht en scholen. Dat vind ik eigenlijk wel een goede inzet, heel dicht bij degenen die primair verantwoordelijkheid dragen voor het opvangen van een kind op school, namelijk de school en de leerplichtambtenaar.

De heer Biskop (CDA): Dan kan dit maar meteen opgelost zijn. Ik heb ook geconstateerd dat de subsidie afloopt. Ik hoor de minister nu zeggen dat het heel belangrijk is dat deze functie blijft bestaan. Sterker nog, zij wil deze functie uitbreiden. Betekent dit dan ook dat er een meer structurele subsidie voor het onderwijsconsulenten komt in plaats van na een jaar doorhobbelen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Als je het eenmaal uit gaat breiden, moet je ook kijken hoe je dat structureel kunt dekken. Dat is mijn intentie. Even een correctie: in het bestuur zitten ook de ouderorganisaties. Ik zei de leerplicht.

Overigens krijg ik net door dat Rotterdam gewoon doorgaat na mei. Dat is bij dezen dus gelijk opgelost, zeg ik tegen mevrouw Smits. Het is goed dat zij hierop heeft gewezen.

Soms is een tijdelijke time-out mogelijk, want, zoals in de situatie die de heer Beertema beschreef, het kan wel eens heel moeilijk zijn rond een kind. Dat is ook een werkelijkheid. Met u ben ik voorstander van de zorgplicht omdat ik vind dat er dan wel iets moet gebeuren met een kind en dat het niet thuis kan blijven zitten, tenzij een kind op basis van – artikel 5 onder a dat wij de afgelopen week hebben besproken – lichamelijke of andere klachten is vrijgesteld van de leerplicht. Dat is een andere situatie. Het heeft allemaal met elkaar te maken. Daarom vind ik het belangrijk om vast te stellen dat wij bij voorzieningen zoals Rebound, Herstart, wijkscholen, Op de rails et cetera nog een substantieel deel van de middelen overhouden. Door die in handen te geven van de samenwerkingsverbanden kan men ook zelf goed bekijken hoe men dit zelf goed kan organiseren.

Dit zijn mijn inleidende woorden. Er zijn diverse vragen gesteld waar ik met plezier op inga.

Hoe zit het met een kind dat is uitgeschreven en waarvoor het zorgbudget mee zou moeten naar een andere school? Het is nu zo – en dat wil ik het ook graag zo houden – dat de budgetten, die straks naar de samenwerkingsverbanden gaan, bij het bevoegd gezag binnenkomen. Men krijgt per jaar een budget, dat daar blijft. Volgend jaar is er weer een nieuw budget. Dus als een kind halverwege vertrekt, krijgt de nieuwe school het eerstvolgende leerjaar het nieuwe jaarbudget. Dat geeft ook een beetje de rigiditeit van onze huidige regelgeving aan. Je hebt dus heel weinig flexibiliteit om met je budgetten om te gaan. Dat was een vraag van de heer Beertema. Straks is er een budget binnen het samenwerkingsverband. Als het dan niet goed gaat, kun je dat budget gewoon meegeven, want niets verhinderd je om dat te doen.

De heer Çelik (PvdA): Om te zien of ik het goed heb begrepen: stel nu dat leerling A naar school gaat en een budget meekrijgt, drie maanden later lukt het niet en het kind gaat, ook na bemiddeling van het samenwerkingsverband, naar een andere school. Blijft dan het gegeven geld bij de eerste school of gaat het dan meteen mee naar de andere school?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: In de oude regeling blijft het bij de eerste school. In de nieuwe regeling kunnen er afspraken worden gemaakt dat het vanuit het samenwerkingsverband wordt gefinancierd. Dat is een kwestie hoe men het straks in de samenwerkingsverbanden met elkaar regelt. Maar nu hebben wij op dit punt te maken met inflexibiliteit.

De heer Van der Ham (D66): Ik zit hier even op te kauwen. Als dit dan een beetje in het vage blijft – u zegt dat men dit zelf moet gaan regelen – is het dan toch ook logisch dat er wel een behandelplan moet worden geformuleerd? Het moet wel verklaard worden wat er met het geld gaat gebeuren. Daarmee heb je ook een stok achter de deur, ook voor de inspectie en anderen, om te zorgen dat er ook daadwerkelijk iets gebeurt. Vindt u dan niet dat de verplichting van een behandelplan als een zwaard boven de markt moet hangen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De heer Van der Ham preludeert al op de behandeling van het wetsvoorstel dat straks aan de orde zal zijn. Er zullen veel meer elementen zijn die wij dan goed met elkaar moeten doorexerceren. Als sprake is van een kind dat echt extra zorg nodig heeft, hebben wij in de nieuwe wetgeving het ontwikkelingsperspectief. Wij proberen dat wat minder zwaar vorm en inhoud te geven dan de behandelingsplannen, want daarover zijn heel veel klachten in de sfeer van bureaucratie. In de wetgeving zal ook moeten worden uitgewerkt dat de school bepaalt of een kind daadwerkelijk extra zorg nodig heeft. Pas dan is er ook sprake van een ontwikkelingsperspectief, zodat wij niet een enorme bureaucratie gaan opstapelen. Als dat er is en als een kind wordt overgeplaatst naar een andere school, dan spreekt het voor zichzelf dat de informatie doorgaat met instemming van de ouders. De school zal dan moeten zeggen: uw kind gaat nu naar een andere school, gaat u ermee akkoord dat wij de gegevens doorspelen? In het samenwerkingsverband zal men dan de afspraak hebben dat je dat jaar nog je budget behoudt maar dat de andere school het wel overneemt. Of er is een afspraak dat het budget dan ook gelijk meegaan. Het is gewoon een zaak van het samenwerkingsverband om dat met elkaar te regelen. Het lijkt mij dat scholen daar goed toe in staat zijn.

Wordt thuiszitten straks voorkomen? Dat hebben wij al uitgebreid besproken. Wel is er het punt van de toelatingsprocedure en van de tijd. Wij zitten nu in de situatie dat er helemaal geen tijdslimiet is. De heer Klaver en anderen hebben daarover gesproken. Dat betekent dat men dus eindeloos kan wikken en wegen terwijl kinderen gewoon thuisblijven. Eigenlijk zijn er twee momenten waarop een kind ongewenst acht weken in afwachting thuis zou moeten zitten terwijl de school begonnen is, namelijk als het kind te laat is aangemeld wanneer het vier jaar is. Dus tijdig aanmelden is het devies. Het lijkt mij toch eigenlijk heel normaal dat je je kind van tevoren aanmeldt bij een school. Het tweede moment is wanneer het kind naar het voortgezet onderwijs gaat. Zit een kind eenmaal op school, dan mag de school – dat is wettelijk ook nu al zo – het kind niet eerder loslaten dan dat er nieuwe plaats is gevonden. Zo is de wet, en toch zitten kinderen thuis, doordat zij als het uiteindelijk helemaal niet lukt toch thuis komen te zitten en ouders het kind aanmelden bij een school die op dit moment kan zeggen het niet te kunnen. In de nieuwe wetgeving moet de school zeggen: ik zie het kind en ik moet er iets mee doen; ik kan er zelf misschien niets mee doen maar dan ga ik in het samenwerkingsverband een andere school regelen.

De heer Klaver (GroenLinks): De minister spreekt over de wet, maar volgens mij hebben wij het hier allemaal over de praktijk. Dat zegt de minister in haar tweede zin ook. In de praktijk is dus wel zo dat kinderen blijven thuiszitten. Dus wat betekent nu die zorgplicht? Wat verbetert die nu aan de situatie van de kinderen die nu thuiszitten?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De zorgplicht betekent dat als een kind wordt aangemeld op een school, die school de plicht heeft om na de periode van tweemaal vier weken uiteindelijk ook te plaatsen, hetzij bij de school zelf, hetzij bij een van de andere scholen in het samenwerkingsverband of het speciaal onderwijs.

De heer Klaver (GroenLinks): Nu zit een kind niet op school. Dan heb ik het niet over het aanmeldmoment, dat op tijd moet zijn. Volgens mij is iedereen het erover eens. Dat kind wordt lopende het jaar aangemeld voor een school. Betekent dit dan dat die school nog steeds die termijn van tweemaal vier weken heeft, of moet en school, zoals de Ombudsman het uitlegt, een kind gelijk opnemen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het is dan eigenlijk de plicht van de school waar het kind vandaan komt om dat kind te houden totdat er een nieuwe plek is. Dat zal binnen het samenwerkingsverband gewoon goed worden besproken. Dat is ook de huidige situatie. Daarop zullen wij scholen ook moeten aanspreken. Wij maken wetgeving en scholen moeten die uiteindelijk ook uitvoeren. Daar waar het niet goed gaat, moet de school op dit punt worden aangesproken door de inspectie of door de leerplichtambtenaar. Als dit niet wordt uitgewerkt, zullen er uiteindelijk ook maatregelen tegen de school moeten worden genomen.

De heer Klaver (GroenLinks): Een aanvullende vraag. Is het afdwingbaar?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ja. Het is afdwingbaar.

Mevrouw Smits (SP): Mij bekruipt het gevoel dat mij al jaren bekruipt wanneer wij spreken over thuiszitters. De minister belooft namelijk dat in de toekomst door de komst van de wet passend onderwijs alle problemen worden opgelost. Ik geloof best dat de minister op papier alle problemen kan oplossen, maar in de praktijk worden de klassen in het speciaal onderwijs groter, verdwijnen de wachtlijsten niet en krijgt het regulier onderwijs er alleen maar taken bij. Als een kind om welke reden dan ook niet in de klas te handhaven is en er is voor hem of haar geen plek in het speciaal onderwijs, dan verandert er voor dit kind ook in de toekomst toch zeker helemaal niets?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De praktijk is inderdaad vaak weerbarstig. Met die werkelijkheid hebben zowel de scholen als wij te maken. Dat ontslaat ons echter niet van de plicht om er alles aan te doen scholen, ouders en leerplichtambtenaren een zo goed mogelijke positie te geven. Vervolgens zal het op dat niveau moeten gebeuren. Als het daar niet goed gaat, kun je dat met nog geen tachtig extra regels oplossen. Ik geloof dus niet in extra regels, maar in een leerplichtambtenaar die in staat is om een actietafel te organiseren. Dat is de reden dat ik leerplichtambtenaren een steuntje in de rug probeer te geven via het project dat ik zojuist beschreef. Ik geloof verder echt in het nut van een inspectie die een bestuurlijke boete kan uitdelen als een school het verzuimbeleid niet op orde heeft en kinderen die wel ingeschreven staan, thuis laat zitten. Ik geloof erin dat de sancties die horen bij de zorgplicht, ervoor kunnen zorgen dat de zorgplicht daadwerkelijk wordt ingevuld.

Ik probeer het dus vanuit Den Haag zo goed mogelijk te regelen. Wij weten echter allemaal dat het nooit helemaal zo zal gaan als wij met elkaar afspreken. Daarom is het ook zo belangrijk dat op gemeentelijk niveau de leerplichtambtenaar en de inspectie hun taak goed invullen.

Mevrouw Smits (SP): Ik geloof best dat de minister in allerlei dingen gelooft. Dat gun ik haar ook, maar de praktijk is dat zij bezuinigt op alles wat met passend onderwijs te maken heeft. Bij de dingen die kinderen op dit moment lucht geven en van de straat houden, bijvoorbeeld Herstart en Op de rails, verdwijnt ook gewoon geld. Bovendien komt de leerplichtambtenaar hierdoor straks tegenover schoolbesturen te staan die zeggen: wij hebben geen zin in deze moeilijke kinderen. Ten slotte krijgen ouders minder inspraak, wat betekent dat ...

De voorzitter: En uw vraag is?

Mevrouw Smits (SP): Is de minister het met mij eens dat het in de praktijk echt niet beter zal worden, ook al belooft zij dat wel?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Kort maar krachtig: dat ben ik niet met u eens. Als ik iets anders zou zeggen, was ik natuurlijk ook niet meer geloofwaardig.

De heer Biskop (CDA): De minister zegt dat ook onder de huidige wet een school een kind niet mag loslaten. Daaraan voegt zij in antwoord op een vraag de heer Klaver toe: ja, het is handhaafbaar. Betekent dat dat wij hierop tot nu toe onvoldoende hebben toegezien? Dat er 2500 tot 3000 kinderen langer dan vier weken thuiszitten, mag met andere woorden dus helemaal niet.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De oorzaak daarvan is natuurlijk ook dat heel veel ouders op zoek zijn naar een school voor hun kinderen, maar die school niet kunnen vinden omdat er geen acceptatieplicht is.

De heer Biskop (CDA): Maar een kind mag toch helemaal niet van school gehaald worden, voordat ...

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Het gebeurt natuurlijk ook dat ouders hun kind van school halen, omdat ze het gevoel hebben dat hun kind niet op de juiste school zit.

Een aanvulling. Ik praat heel erg vanuit mijn vo-ervaring. Het voortgezet onderwijs kent inderdaad de wettelijke verplichting dat een kind pas losgelaten mag worden als er een andere plek is gevonden. Dat geldt niet voor het primair onderwijs, want als men daar twee maanden naar een plek heeft gezocht, hoeft een school een kind niet meer te accepteren. Voor deze sectoren gelden dus verschillende wettelijke regelingen.

Wij zijn op weg naar een zorgplicht. Als die er is, is dat een belangrijke stap voorwaarts. Op dat moment mag een school namelijk geen kinderen meer weigeren, behalve om redenen van denominatieve aard. Een kind moet dan gewoon naar die school toe kunnen, uiteraard op voorwaarde dat die school geen beter alternatief kan aanbieden.

De heer Çelik (PvdA): Ik wil niet overkomen als een zeurkous, maar ik kom toch nog een keer terug op de kinderen met een vlek, die lastige kinderen die scholen liever niet zien komen. Het maakt niet uit of het om primair of om voortgezet onderwijs gaat, want er zijn gewoon voorbeelden van kinderen die op een bepaalde school niet meer welkom zijn, zie het rapport van de Nationale ombudsman. Die kinderen zijn vaak nergens meer welkom, omdat de ene directeur contact opneemt met de andere om te melden dat het echt een lastig kind is. In theorie mag dat niet, maar in de praktijk gaat het wel zo. Het gebeurt echt en dus is de opmerking van de minister over ouders die zelf hun kinderen van school halen, zeker niet het hele verhaal. Wat veranderen de plannen van de minister aan de situatie van die lastige kinderen? Ik sluit met deze vraag aan op mijn opmerking dat de leerplichtambtenaar die lastige kinderen voortaan geen vrijstelling meer mag geven van de leerplicht.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De heer Çelikheeft een punt: voor een deel zal het zo blijven gaan. Het is in de wet geregeld, maar Ingrado en de Nationale ombudsman hebben er terecht op gewezen dat de partijen rondom de school ook echt actief met een kind aan de slag moeten gaan om die situatie te corrigeren. Dit laat wel zien dat je van alles in een wet kunt regelen, maar dat het uiteindelijk wel moet gebeuren op de school waar een probleem met een kind is ontstaan.

Wij horen inderdaad veel verhalen over ouders die van het kastje naar de muur zijn gestuurd. In 2004 werden ouders gemiddeld naar vijf scholen doorgestuurd, voordat zij een plek vonden voor hun kind. Dat probleem vangen wij op door de zorgplicht te introduceren.

De heer Elias (VVD): De minister heeft geen antwoord gegeven op een essentiële vraag van de heer Biskop. Als ouders hun kind niet van een school hebben weggehaald, omdat zij ontevreden waren over de manier waarop hun kind werd behandeld, wat wordt er dan concreet gedaan in de richting van die scholen? Ik herhaal die vraag van de heer Biskop, omdat de minister zei dat het kan worden gehandhaafd.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter, het lijkt mij beter om daarop in tweede termijn terug te komen.

De voorzitter: Ik stel voor dat u doorgaat met uw beantwoording, want de klok tikt gewoon door. Misschien kunt u langzamerhand afronden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter, ik heb al veel punten behandeld.

De helft van de thuiszitters is niet voorgelegd aan een zorg- en adviesteam. Ik vind dat zorgwekkend. Ik voeg daaraan toe dat deze teams wel op steeds meer scholen aanwezig zijn. Dat is een positieve ontwikkeling, want daardoor komen meer kinderen in beeld bij de zorg- en adviesteams. Hoe het ook zij, het blijft zaak dat scholen kinderen met problemen bespreken met het zorg- en adviesteam. Een ander probleem dat uit de rapportage naar voren is gekomen, is het ontbreken van een goede probleemanalyse. Een school moet daar echt aandacht aan besteden, want als dat niet gebeurt, wordt het alleen maar moeilijker, laat staan dat men zaken op een goede manier preventief zou kunnen aanpakken. Ik zal dit punt dan ook zeker met het onderwijsveld bespreken. Overigens zal ik alle aanbevelingen met de verantwoordelijke organisaties bespreken.

De heer Van der Ham vroeg naar de mogelijkheid van een meldpunt. Er zijn eigenlijk twee instanties waar ouders terecht kunnen. Dat is in de eerste plaats de inspectie en in de tweede plaats de gemeente, want die is verantwoordelijk voor de controle op de leerplicht. Ik denk dat het alleen maar verwarrend is om aan deze twee een apart meldpunt toe te voegen. Overigens komen in de praktijk veel ouders bij de inspectie terecht, die op haar beurt ouders vaak doorverwijst naar de consulenten.

De motie over de onderwijsovereenkomst. Het is al weer even geleden dat deze motie is ingediend en zij staat mij niet echt scherp op het netvlies.

De laatste vraag van de heer Van der Ham betrof de verplichte toelichting. Maar misschien kan de heer Van der Ham nog even vrijwillig toelichten wat hij bedoelt met «verplicht toelichten»?

De heer Van der Ham (D66): Als een kind van school wordt verwijderd, is het voor ouders best lastig om hun weg te vinden in het woud van instanties. Daarom vind ik dat ouders actief op hun rechten moeten worden gewezen wanneer er zo'n zwaar middel wordt ingezet.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: In die situatie is de consulent natuurlijk heel erg belangrijk. De consulent neemt een kind onder de arm en gaat met de ouders in overleg. Een consulent gaat ook vaak mee met de ouders om ervoor te zorgen dat het kind goed wordt geplaatst. Dat geldt overigens ook voor de leerplichtambtenaar, want dat is net zo goed zijn taak. Overigens moet de inspectie ouders natuurlijk goed voorlichten over de mogelijkheden. Op dit moment zijn er dus al mogelijkheden voor ouders, maar die moeten wel worden benut.

Ik ben het volkomen eens met de heer Beertema dat wij moeten kiezen voor kindgericht in plaats van voor schoolgericht. Ik begrijp overigens best waarom scholen goed willen bekijken hoe ze dingen het beste kunnen oppakken. Ik zeg dat ook, omdat ik het beeld weg wil nemen dat er bij scholen sprake zou zijn van onwil. Het is voor scholen vaak heel pittig. De ombudsman schrijft terecht dat er veel geld beschikbaar is, maar dat geld moet natuurlijk wel zo worden ingezet dat scholen er daadwerkelijk door worden ondersteund. Daarover is overigens al eerder gesproken in het kader van de discussie over passend onderwijs. Samengevat komt het terecht advies van de ombudsman erop neer dat het vele geld buiten de school nu eens echt in de school moet worden ingezet.

De chemie in de keten is heel belangrijk. Dat is de reden dat het kabinet inzet op meer zeggenschap van gemeenten over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Het is onze verwachting dat daardoor in de loop van de tijd de samenwerking met de Centra voor Jeugd en Gezin en de zorg- en adviesteams kan worden versterkt.

De heer Van der Ham noemt terecht het woord «chemie», want het is echt mensenwerk. Als in een gemeente de leerplichtambtenaren het voortvarend oppakken dan voorkomen zij veel ellende. Als in een gemeente een ander type ambtenaren rondloopt, dan bestaat het gevaar dat het daar veel minder goed loopt. Dergelijke verschillen tussen gemeenten kun je niet wegpoetsen met regelgeving: het is nu eenmaal de werkelijkheid. Wij kunnen gemeenten wel stimuleren en het is dan ook goed om te zien dat Ingrado het heel goed heeft opgepakt. Het is echt een vereniging om blij van te worden!

De heer Klaver vroeg of de leerplichtambtenaren voldoende zijn toegerust voor hun regierol. De Leerplichtwet geeft deze ambtenaren goede instrumenten om mensen aan tafel te krijgen. De leerplichtambtenaar is verder bij uitstek de man of vrouw die het contact met de ouders moet onderhouden, omdat bij hem het kind centraal staat. De verantwoordelijkheid voor de rol van de scholen hierbij hebben wij voornamelijk bij de inspectie neergelegd. Ik maak daarbij wel de kanttekening dat in de grote steden de interactie tussen leerplichtambtenaren en inspectie heel groot zal zijn. Leerplichtambtenaren hebben dus voldoende ruimte. Daarbij komt bovendien dat ze werken voor een wethouder, die door de ontwikkelingen rond vsv steeds scherper gaat opereren.

Bij de overstap van primair naar voortgezet onderwijs speelt vaak het probleem dat op dat moment de puberteit van kinderen begint en kinderen vanuit de veilige omgeving van het basisonderwijs naar het voor hen nieuwe voortgezet onderwijs gaan. Wij moeten niet de illusie hebben dat wij de vo-scholen net zo klein kunnen maken als het basisonderwijs en daarom met name inzetten op de warme overdracht van probleemkinderen. Overigens kleven daar ook nadelen aan. Zo gaat het stempel dat een kind op de basisschool heeft gekregen, dan vaak mee naar de vo-school. En dat is jammer, want de overstap naar het voortgezet onderwijs is vaak een goed moment voor een frisse start. Het basisonderwijs zal hiermee dan ook prudent moeten omgaan. Hoe het ook zij, ik ga hierover zeker met het basisonderwijs in gesprek, omdat zowel de ombudsman als Ingrado hier met klem op wijzen.

De heer Elias vroeg of de zorgplicht straks wel werkbaar is. Dat zal toch echt in de praktijk moeten blijken. Een belangrijke wet als de wet passend onderwijs wordt uiteraard na enige tijd geëvalueerd en daarbij zal dit element aan de orde komen. Het is voor scholen dan ook een pittige opdracht, want de verantwoordelijkheid komt echt veel meer dan vroeger te liggen bij de school van aanmelding. Overigens is dit element altijd een onderwerp geweest bij de gesprekken over passend onderwijs.

Wat kunnen wij nog meer beter doen? Ik heb al veel zaken genoemd, waaronder het belang van een goede overdracht. Ik kan daar de beginanalyse van het probleem aan toevoegen, want die ontbreekt nu vaak. De leerplichtambtenaar zal hierbij een belangrijke rol gaan spelen. Ik zal het met de VNG bespreken om ervoor te zorgen dat het dossier actueel blijft. Verder zijn de multidisciplinaire overleggen, de actietafels, heel belangrijk, want daarmee zijn goede ervaringen opgedaan. Ik zal dit dan ook zeker steunen, wat overigens onverlet laat dat men het echt op lokaal niveau moet oppakken.

De heer Elias noemde als voorbeeld van wat er allemaal mis kan gaan, het geval van een kind op Ameland. Hier had de leerplichtambtenaar zijn verantwoordelijkheid moeten nemen. De ouders van dit kind hadden de leerplichtambtenaar dan ook zeker op zijn verantwoordelijkheid kunnen aanspreken. Als dat niet voldoende is, kan men zich natuurlijk ook wenden tot de inspectie of de consulent. Er waren dus wel degelijk mogelijkheden, maar voorwaarde hierbij is natuurlijk wel dat het netwerk goed functioneert. En nogmaals: dat kunnen wij niet vanuit Den Haag regelen. Ik probeer mensen en partijen «in hun kracht te plaatsen», want zij moeten het uiteindelijk zelf oppakken.

Op de teldatum en de toelating van kinderen kom ik graag terug in tweede termijn, want dat punt staat mij niet helder voor ogen.

De heer Klaver (GroenLinks): Een punt van orde!

Met alle respect: ik vind de eerste termijn van de minister niet erg bevredigend. Op onderwerpen waarbij bijna alle Kamerleden op de techniek ingaan, blijft de minister ons een reactie schuldig. Ze reageert althans met de opmerking dat zij er in tweede termijn op terug zal komen, maar dit gebeurt wel vaker bij technische onderwerpen, zie het debat van vorige week.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De minister is ook maar een mens!

De heer Klaver (GroenLinks): Uiteraard is de minister ook maar een mens.

Ik wil dit onderwerp echter goed uitspitten en daarbij zijn de technische details van groot belang. Van mij hoeft dit debat vandaag niet te worden afgerond. Het is dan ook mijn voorstel dat de minister nog eens goed gaat nadenken over onze vragen en dat wij op een later moment de tweede termijn houden. De minister kan de Kamer dan misschien wel goed informeren.

De heer Van der Ham (D66): Je kunt dit misschien afdoen als een flauwe truc van een lid van de oppositie, maar dit keer ben ik het met de heer Klaver eens. Wij spreken over belangrijke technische details en belangrijke juridische aspecten rond de besluiten van scholen en ik krijg niet de indruk dat die goed doordacht zijn. Dit algemeen overleg gaat juist over details en dan moet het voor ons wel mogelijk zijn om de minister in eerste termijn te verleiden daarop grondig in te gaan. Dat is blijkbaar niet mogelijk, want ik hoor vooral niet goed doordachte en onvolledige argumenten. Met het oog daarop kan ik mij wel voorstellen waarom wordt voorgesteld om nog even te wachten met de tweede termijn. Ik steun met andere woorden het voorstel van de heer Klaver.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Even meer in het algemeen: de commissie heeft dit overleg over thuiszitters gepland. Dat is natuurlijk het goede recht van de commissie, maar ik kan dan natuurlijk niet meer doen dan aangeven hoe er op dit moment met een aantal zaken wordt omgegaan. Ik kom in tweede termijn terug op twee punten en dat lijkt mij niet zo heel veel, gezien de vele vragen die wel zijn beantwoord.

De Kamerleden willen blijkbaar nu ook al van mij horen hoe de wet passend onderwijs eruit gaat zien. Dat is echt te veel gevraagd, want ik ben nog volop bezig met het wetstraject. Het wetsvoorstel ligt ter consultatie voor. Verder wacht ik op twee belangrijke adviezen, het advies van de Onderwijsraad en het advies van de ECPO, en werk ik aan een goede geschillenregeling. Als het wetsvoorstel straks wordt behandeld, ga ik natuurlijk graag in op alle vragen en opmerkingen. Dat is namelijk het moment om echt te spreken over de toekomst van het passend onderwijs.

De heer Elias (VVD): Met het laatste ben ik het natuurlijk eens. Daarin heeft de minister volstrekt gelijk. Ik ben het niet eens met het procedurevoorstel van de heer Klaver, maar inhoudelijk zit ik wel met hem op één lijn. De heer Biskop stelde een vraag over een essentieel punt. Die vraag is niet beantwoord en dat geldt ook voor mijn aanvullende vraag over de mate waarin er is gehandhaafd. Als de minister die vragen in tweede termijn beantwoordt, is er een derde termijn nodig om ons in de gelegenheid te stellen te reageren. Ik vind zo'n derde termijn niet zo'n groot bezwaar, maar voor mijn eigen tweede termijn heb ik wel behoefte aan antwoorden.

De voorzitter: Voordat wij besluiten om wel of geen tweede termijn te houden, zou ik de minister willen vragen of zij misschien nu al kan antwoorden op de vragen van de heer Biskop en de heer Elias. Als wij die antwoorden kennen, kunnen wij beter beoordelen of wij wel of niet vandaag nog een tweede termijn moeten houden.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Geeft u mij vijf minuten.

De voorzitter: Dat is uitstekend. Ik schors de vergadering vijf minuten.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Het antwoord op die tweede openstaande vragen.

Wat werd er vroeger in het voortgezet onderwijs gedaan om te verhinderen dat kinderen uit het onderwijs verdwijnen? Wat kon ik daaraan doen? Kon ik daaraan iets doen met sancties? De tweede vraag betrof de teldatum. Worden er kinderen op school gehouden tot de peildatum om ze vervolgens van school te verwijderen?

Tot op dit moment mag een kind in het voortgezet onderwijs alleen maar overgedragen worden aan een andere school. Het mag dus niet worden uitgeschreven, voordat het op een andere school is ingeschreven. Dat verandert pas als de Eerste Kamer het wetsvoorstel schoolverzuim aanneemt. Het probleem is dat kinderen op dit moment vaak niet worden uitgeschreven. Zij blijven gewoon ingeschreven staan, ook al zitten ze thuis. Bovendien wordt dit ook nog eens niet gemeld. Het is aan de leerplichtambtenaar om hierop toezicht te houden. In het verleden hebben wij met elkaar geconstateerd dat dit toezicht onvoldoende was. De leerplichtambtenaar heeft de wettelijke mogelijkheid om in zo'n geval het strafrecht in te zetten tegen de directeur van de school. In de hele wetsgeschiedenis is dat één keer gebeurd en dat was weer reden voor kabinet en Kamer om te concluderen dat dit instrument blijkbaar niet werkt. En die conclusie heeft ten slotte geleid tot het voorstel voor een nieuwe verzuimwet, een wet die de inspectie de mogelijkheid geeft om een school een bestuurlijke boete op te leggen.

Het binnenhouden tot de teldatum en vervolgens verwijderen is niet mogelijk in het voortgezet onderwijs, want daar volgt men het traject dat ik zojuist schetste. In het primair onderwijs is het op dit moment nog wel mogelijk, omdat een basisschool een kind na twee maanden mag verwijderen als het echt niet goed gaat.

De heer Elias vroeg ten slotte hoe het mogelijk is dat de inspectie bepaalde informatie aan Ingrado en de ombudsman heeft verstrekt, maar dat die informatie bij mij niet bekend was. Dat moet ik echt uitzoeken. Ik kom daar schriftelijk op terug.

De voorzitter: De minister zegt hierover een brief toe.

Ik kijk naar de leden van de Kamer: gaan wij wel of niet een tweede termijn houden? Uit de reacties maak ik op dat een meerderheid voorkeur heeft voor een tweede termijn. Dat gaat wij dan ook doen. Ik geef mevrouw Smits het woord voor een tweede termijn van twee minuten.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. Ik ben blij dat ook de minister vindt dat de leerplichtambtenaar de sleutel tot de oplossing is en dat hij daarom op een goede manier in stelling moeten worden gebracht. Het is dan ook een goede zaak dat de minister hierover met de gemeenten en Ingrado in gesprek gaat. Als dat niet leidt tot verbeteringen, kom ik uiteraard weer bij haar terug.

Een lastig punt is dat de leerplichtambtenaar moet optornen tegen machtige schoolbesturen. Bovendien is het nog maar de vraag of hij wel wordt gedekt door een sterke wethouder. Zo niet, dan is het natuurlijk niet zo vreemd dat een leerplichtambtenaar met het schoolbestuur gaat meedenken. Daar zullen wij dus op moeten blijven letten.

Scholen weigeren op dit moment leerlingen met het argument dat ze door de bezuinigingen niet langer de middelen hebben om een kind op te vangen. De minister reageert daarop met: tja, dat moeten ze natuurlijk niet doen. Ik vind dat onvoldoende en ik wil dan ook een uitgebreidere reactie van de minister.

De minister gaat het vast en zeker allemaal heel mooi in een wet regelen. In de praktijk wordt er echter gewoon keihard bezuinigd op Herstart en Op de rails, krijgen schoolbesturen alle ruimte om de zorgplicht naar eigen inzicht in te vullen en krijgen ouders minder te zeggen en schoolbesturen meer. Al met al ben ik bang dat het aantal thuiszitters niet gaat dalen, maar juist gaat stijgen. Het zou volgens mij dus best zo eens kunnen zijn dat wij over twee jaar verbaasd tegen elkaar zeggen: hoe komt het toch dat er inmiddels 4000 thuiszitters zijn?

De heer Biskop (CDA): Voorzitter. De minister zei dat ze de positie van de leerplichtambtenaar gaat versterken. Mevrouw Smits reageert daar op haar beurt op met de opmerking dat er ook leerplichtambtenaren zijn die bezwijken onder de druk van een schoolbestuur. Dat roept bij mij weer de vraag op hoe sterk de positie van de leerplichtambtenaar volgens de minister zou moeten zijn, want die ambtenaar moet natuurlijk wel onafhankelijk zijn werk kunnen doen.

Toen wij spraken over de wenselijkheid dat kinderen op school blijven, zei de minister dat het wettelijk mogelijk is om een kind na acht weken van een basisschool te verwijderen. Is dat reden voor de minister om een wijziging van de Wet op het primair onderwijs te overwegen? Om druk te kunnen zetten lijkt mij een dergelijke wetswijziging nodig. En druk moeten wij zetten, want het kan natuurlijk niet zo zijn dat een kind van school wordt gehaald voordat er een andere school is gevonden. Daarbij maakt het niet uit wie de initiator is. Als de ouders dat zijn, hebben wij immers de Leerplichtwet achter de hand die de leerplichtambtenaar de bevoegdheid geeft om te zeggen: het kind blijft op die school, totdat er een betere school is gevonden.

Is de minister bereid om SMART-afrekenbare doelstellingen te formuleren voor de thuiszitters? Ze doet dat bij de voortijdig schoolverlaters wel, want dat aantal moet omlaag, zie de technische briefing van gisteren. Heeft zij een vergelijkbare doelstelling voor de thuiszitters? Zo nee, is zij dan bereid om bijvoorbeeld als doel te formuleren dat er in 2015 nog maar 800 thuiszitters zijn? Is zij ten slotte ook bereid om dergelijke doelen te formuleren voor het aantal actietafels en doorbraakteams?

De heer Çelik (PvdA):Voorzitter. Wij hebben onlangs gesproken over het verzuimbeleid. Daarbij werd als argument om het naar de inspectie te halen naar voren gebracht dat leerplichtambtenaren en dus ook de wethouder niet altijd goed handhaafden omdat ze dubbele belangen hadden. Ik constateer dat hetzelfde probleem bij de thuiszitters speelt. Ook hier blijken leerplichtambtenaren niet opgewassen te zijn tegen een stevig schoolbestuur en niet altijd in staat te zijn om objectief en neutraal te handelen. Ik vind het met het oog daarop een wat naïeve opmerking van de minister dat het een zaak van de gemeenten is. Het lijkt mij dat hier meer regie van het Rijk noodzakelijk is.

Ik constateer verder dat het ongewis is hoe het verder gaat met de categorie «kinderen met een vlek». Ik ben er in ieder geval niet gerust op, omdat ik het idee heb dat wij dat probleem zo niet kunnen tackelen, zelfs niet met passend onderwijs en samenwerkingsverbanden. Ik constateer ten slotte ook dat het aantal kinderen met een vlek dat een vrijstelling krijgt, nog steeds groeit. Ik heb hierover met onderwijsjuristen gesproken en daardoor zijn mijn zorgen zeker niet minder geworden.

Er is nog steeds onduidelijkheid over de financiering van een leerling die na een maand of drie wordt weggestuurd. Het wordt dan een zaak van het samenwerkingsverband, maar ik heb de minister helaas nog niet horen zeggen dat zij hiervoor een blauwdruk zal opstellen. Het moet namelijk wel zo geregeld worden dat men inderdaad het geld inlevert wanneer een kind de school verlaat.

Ik heb de minister niets horen zeggen over vrijstelling op basis van artikel 5a.

Ik constateer dat theorie en praktijk ver uit elkaar liggen. Die komen niet overeen en ik vind dan ook dat de minister hier meer dan toe nu toe de vinger aan de pols moet houden. Ik ben er niet gerust op en daarom kan ik nu al zeggen, dus zonder het antwoord van de minister af te wachten, dat ik behoefte heb aan een VAO. Over een aantal onderwerpen wil ik de Kamer een uitspraak voorleggen.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Wij weten nog heel veel niet. Het feit dat de minister niet kan zeggen wat zij nu precies wil gaan doen, bijvoorbeeld of ouders en kinderen afdwingbare rechten krijgen, is dan ook zeker zorgelijk. Er zijn technische vragen gesteld over de financiën en die moeten van een goed antwoord worden voorzien. Maar dat is toch iets anders dan de zorgplicht van de school, want die stelt echt alleen iets voor als er een leerrecht tegenover komt te staan. Die twee moeten elkaar in evenwicht houden. Als de minister niet toezegt dat zij dit zal regelen, zal ik de Kamer hierover zeker een uitspraak voorleggen.

Scholen doen ongetwijfeld hun best, maar op dit moment worden er nog steeds kinderen vermalen tussen alle systemen. Men schuift nog steeds veel te vaak de hete aardappel door. Dat kunnen wij alleen doorbreken door ervoor te zorgen dat ouders en kinderen ergens hun recht kunnen halen. Een dergelijk recht is een stok achter de deur, waarvan hopelijk niet vaak gebruik hoeft te worden gemaakt. Dat hoeft misschien ook niet, want een dergelijk recht werpt natuurlijk z'n schaduw vooruit. In ieder geval staat voor mij vast dat het van groot belang is dat iedereen zijn verantwoordelijkheid gaat nemen. Ik hoop dan ook van ganser harte dat de minister op dit punt een toezegging doet.

Ik heb vragen gesteld over de overeenkomst. Dat zijn voor mij belangrijke vragen, want ik heb een motie hierover, juist met het oog op dit overleg, aangehouden. Ik hoop dan ook dat de minister alsnog op deze vragen ingaat.

Weiger- en verwijderbesluiten horen door de scholen te worden toegelicht, omdat ze dan eventueel door de rechter kunnen worden getoetst. Procedures moeten met andere woorden geobjectiveerd worden, omdat de huidige vrijblijvendheid ertoe leidt dat kinderen en hun ouders worden vermalen.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. Ik bedank de minister hartelijk voor haar inbreng.

Ik deel de zorgen van de andere woordvoerders. Het is inderdaad een heel vervelend dossier, omdat het natuurlijk niet kan dat zo veel kinderen thuiszitten. De minister deelt die zorg ook, wat wel blijkt uit wat zij hierover heeft gezegd. Het stemt mij in ieder geval positief en ik denk dan ook dat het een kans moet krijgen, op voorwaarde dat wij het heel scherp kunnen volgen. Volgens mij kan het een belangrijke verbetering zijn.

Ik sluit mij aan bij de opmerking van collega Biskop over de extra controle op het primair onderwijs. Misschien kan de minister verder toezeggen dat zij iets gaat doen met afrekenbare streefcijfers. Dergelijke cijfers zetten namelijk een gezonde druk op de mensen die de plannen van de minister moeten uitvoeren.

De leerplichtambtenaar krijgt een belangrijke regierol. Wij hebben daarover eerder met elkaar gesproken en toen is zeker ook aan de orde geweest dat de leerplichtambtenaar juist niet in de positie moet worden gebracht dat hij of zij bestuurlijke boetes moet uitdelen aan schoolbesturen. Dat instrument hebben wij aan de inspectie voorbehouden, omdat die op een grotere afstand van de besturen staat. Het is daardoor veel gemakkelijker voor de inspectie dan voor de leerplichtambtenaar om om te gaan met de besturen van grote instellingen, instellingen die er niet voor terugdeinzen om af en toe met hun spierballen te rollen.

Ik ben grotendeels gerustgesteld door wat de minister over de leerplichtambtenaar heeft gezegd, maar dat laat onverlet dat het mannen en vrouwen moeten zijn die hun mannetje en vrouwtje staan. Zij krijgen namelijk een heel belangrijke rol. Dergelijke kordate ambtenaren zijn er nu overigens zeker al.

De heer Biskop sprak over de druk op po-scholen om kinderen binnenboord te houden, ook na de tweemaandentermijn. Ik hoor daarover graag meer van de minister.

Voorzitter. Alles overziende ben ik buitengewoon tevreden over de minister. Ik wens haar dan ook alle succes.

De heer Klaver (D66): Voorzitter. Bij mij is veel verwarring ontstaan over de huidige zorgplicht van scholen voor de kinderen die zij op zouden moeten nemen. Eerst zei de minister dat alle kinderen op school moeten blijven, maar daarna zei zij dat er wel een verschil is tussen po en vo. Vervolgens zei ze dat het afdwingbaar is, maar zonder dat duidelijk werd welke instantie het moet doen. Een en ander roept bij mij toch de vraag op hoeveel bestuurlijke boetes er de afgelopen jaren eigenlijk zijn uitgedeeld aan scholen.

Hoe kunnen ouders verder afdwingen dat een school hun kind opneemt of niet loslaat, voordat er een andere school in beeld is? Tot wie moeten de ouders zich daarvoor precies wenden? Is dat de inspectie, de leerplichtambtenaar of de rechter? Graag een duidelijk antwoord.

In eerste termijn heb ik erop gewezen dat ik signalen krijg dat veel scholen geen kinderen meer aannemen. Herkent de minister mijn voorbeelden? Wat gaat zij hieraan doen? Dat zij wat moet doen, lijkt mij duidelijk, want er mogen natuurlijk geen thuiszitters meer bijkomen, ook niet in de periode tot aan de invoering van haar voorstellen voor het passend onderwijs. Dat er nog wel eens kinderen bij zouden kunnen komen, zou mij niet verbazen want de minister zegt: straks krijgen wij de zorgplicht en daarmee gaan wij het oplossen. Maar wat doen we in de tussentijd?

De minister zegt dat de huidige zorgplicht van scholen inhoudt, dat zij geen kinderen mogen loslaten voordat er een andere school is gevonden. Wordt dat wel gehandhaafd? Zo nee, zal de minister dan extra handhavingscapaciteit inzetten? Ik zal geen motie indienen waarin de regering wordt gevraagd om de inspectie uit te breiden, maar ik kan mij voorstellen dat er iets wordt gedaan met de prioritering. Is de minister daartoe bereid?

Ten slotte sluit ik mij aan bij de opmerking van de heer Biskop over het stellen van SMART-doelstellingen. Is de minister bereid om zo'n doelstelling te formuleren voor het aantal thuiszitters? Ik leg hier zo'n nadruk op, omdat de minister de heer Elias in eerste termijn antwoordde dat het eigenlijk heel erg goed gaat met de huidige aanpak. Net als de heer Elias zie ik dat echter niet terug in de cijfers. Is de minister bereid om doelen te formuleren die de Kamer in staat stellen om te controleren of haar aanpak effectief is?

De heer Elias (VVD): Voorzitter. Ik bedank de minister voor haar toezegging dat zij de Kamer een brief zal sturen over de inspectie. Het mag een korte en feitelijke brief worden, omdat die brief dan snel bij de Kamer kan zijn.

Passend onderwijs en de zorgplicht. Ik geef de minister mee om wat daarover is gezegd, toch vooral te beschouwen als een aansporing om de vragen van de Kamer over de huidige situatie te zien als een aansporing om het in toekomstige wetgeving beter te regelen. Het moet in ieder geval allemaal veel duidelijker. Andere woordvoerders doen het wel, maar ik vind het niet redelijk om nu van de minister te verlangen dat zij ons een blauwdruk geeft van haar plannen.

Ik ben niet overtuigd door de reactie van de minister op het voor mij springende punt. Waarom is het instrument van de strafrechtelijke gang naar de rechter slechts één keer gebruikt? Waarom zegt dat de minister: dit instrument werkt niet omdat het niet gebruikt is? Er lijkt mij een zeer afschrikwekkende werking van uit te gaan. Mijn vraag blijft dus: waarom hebben wij dit instrument zo weinig gebruikt? De huidige situatie zal nog wel even voortduren en dat maakt die vraag des te nijpender. Het is nogal wat dat er zo veel kinderen thuiszitten!

De minister zegt dat zij blij wordt van Ingrado. Dat is heel fijn, maar ik word alleen maar blij van dalende aantallen. Ik hoor heel veel mooie volzinnen over grote voornemens. De heer Beertema is daar op voorhand tevreden mee, maar ik niet. Ik moet het namelijk nog maar zien. Ik krijg dan ook graag de toezegging dat de minister het nauwkeurig gaat volgen en dat zij de Kamer hierover over een half jaar informeert. Ik vind het ook mooie voornemens, maar ik wil vooral dat het tot iets concreets leidt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Mevrouw Smits wil de positie van de leerplichtambtenaar versterken. Die moet inderdaad een zo sterk mogelijke positie krijgen tegenover de schoolbesturen. Dat doen wij dan ook in de nieuwe verzuimwet. Die wet is er namelijk gekomen, omdat het vroegere instrumentarium van de leerplichtambtenaar en de gemeente bestond uit de strafrechtelijke exercitie tegen de schooldirecteur. De heer Çelik merkte daarover terecht op dat er ook andere relaties zijn tussen scholen en gemeenten: men moet immers met elkaar ook andere problemen met kinderen oplossen. Met het oog daarop is het heel lastig gebleken om het strafrecht tegen een schooldirecteur in te zetten. Gemeenten vonden het te moeilijk en dat is dus de reden dat het instrument eigenlijk nooit is gebruikt.

De afgelopen jaren zijn hierover met deze commissie meerdere debatten gevoerd, zij het dat de commissie toen grotendeels uit andere woordvoerders bestond. De uitkomst van die debatten was dat wij het anders zijn gaan aanpakken en wel met de bestuurlijke boete. De heer Klaver vroeg of er al bestuurlijke boetes zijn uitgedeeld en, zo ja, hoeveel het er dan waren. Dat zijn er nul, want deze wet moet nog in de Eerste Kamer worden behandeld! Pas als de wet na behandeling in de Eerste Kamer kan worden vastgesteld, kan de inspectie bestuurlijke boetes uitdelen.

De inspectie staat op grotere afstand van de scholen en de inspectie is dan ook de aangewezen instantie om dit te doen. Wethouders hebben bovendien tegenover Ingrado aangegeven dat zij het moeilijk vinden om dergelijke boetes op te leggen.

Bij een paar gemeenten is het dichter bij de gemeente neergelegd. Dat geldt niet de wet, maar de samenwerkingsafspraken. Daarbij moet de commissie denken aan Amsterdam, waar men buitengewoon scherp let op de naleving van de leerplicht. Amsterdam denkt zelfs dat zij er dichter op zit dan de inspectie. Daarom heeft de Inspectie in het geval van Amsterdam – maar niet alleen tegen Amsterdam, ook tegen Rotterdam, Den Haag en Utrecht – gezegd: oké, u bent onze vooruitgeschoven post; als u het signaal geeft dat er iets moet gebeuren, doen wij dat na een snelle toets. Dat wordt dus de nieuwe situatie als de wet over een of twee maanden de Eerste Kamer is gepasseerd.

De heer Elias (VVD): Twee jaar geleden is dus vastgesteld dat de oude wet te draconisch was. Is er daardoor, totdat de nieuwe wet in werking treedt, de facto sprake van een sanctieloze periode?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wettelijk niet, maar in de praktijk wel. Gemeenten gebruiken dit instrument op dit moment immers niet. Dat was dan ook de aanleiding om tot nieuwe wetgeving te komen en het instrument in handen te leggen van de inspectie. De inspectie krijgt dus over enige tijd deze wettelijke taak.

De heer Elias (VVD): Is het denkbaar dat het aantal thuiszitters zo hoog is, omdat wij in de tussentijd met onze handen over elkaar zijn blijven zitten?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De groep is echt veel diverser dan u volgens mij lijkt te denken. Voor een deel was het overigens ook niet zichtbaar, want niet alle kinderen werden daadwerkelijk uitgeschreven. Wij kunnen dat alleen maar zichtbaar maken door scholen te bezoeken, de klas in te stappen en te kijken of iedereen op de lijst ook echt in de klas zit of is afgemeld. Dat gebeurt overigens steeds meer en dat is positief. In de technische briefing over het vsv-beleid hebt u kunnen horen waarom wij deze stap hebben gezet.

Ik vind wel dat wij nuchter moeten blijven nadenken, want vergeleken met andere Europese landen zijn wij echt top. Ik benadruk dat, omdat ik trots ben op de leerplichtambtenaren. Er is sprake van een probleem waarbij wij tekortschieten, deels omdat scholen het niet zichtbaar maken. Dat moeten wij verbeteren door meer toezicht te houden op de naleving van de leerplichtwet. En deels, omdat kinderen niet worden toegelaten en dat gaan wij oplossen via de zorgplicht. In de komende tijd is er dus sprake van een overgangssituatie en ik waarschuw u alvast maar: het zal niet vanaf dag één vlekkeloos verlopen. De praktijk blijkt namelijk keer op keer weerbarstiger dan de theorie.

Voorzitter. De zorgen over het stijgende aantal thuiszitters, het wetsvoorstel passend onderwijs en de komende ombuigingen. Dat was een punt van mevrouw Smits en de heer Klaver. Mij komt natuurlijk ook ter ore dat daarover zorgen bestaan. Op dit moment trekken wij het land door om in de regio's te overleggen met de betrokken partijen, waaronder uiteraard ook scholen. Dit punt wordt daarbij expliciet meegenomen, want wij zeggen steeds maar weer: scholen, u kunt kinderen gewoon aannemen, want het aantal plekken in het speciaal onderwijs blijft gelijk. Dat laat onverlet dat het budget per kind wat naar beneden gaat als gevolg van de 10%-maatregel en de gefaseerde bezuiniging op de expertisebekostiging. Hoe het ook zij: de bestaande plekken blijven bestaan.

Verder kan een reguliere school gewoon kinderen aannemen, want straks worden alle budgetten samengebracht in het samenwerkingsverband. En in dat samenwerkingsverband zal men moeten beslissen hoe men dat kind gaat opvangen. Er is dus geen aanleiding om kinderen niet aan te nemen. Als een school een kind toch weigert, speelt het probleem dat er op dit moment nog geen zorgplicht bestaat. Die zorgplicht is dan ook een belangrijk instrument, een instrument dat terecht onderdeel uitmaakt van het wetsvoorstel dat ik later in detail met de Kamer zal bespreken.

De heer Klaver (GroenLinks):Voor de helderheid. Als ouders hun kind bij een school aanmelden voor speciaal onderwijs en deze school weigert het kind, bij wie kunnen zij dan hun recht halen? Volgens mij kunnen die ouders helemaal nergens naartoe.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voor het speciaal onderwijs heb je een indicatie nodig. Als een kind een indicatie heeft, moet het in principe worden geplaatst. Het is natuurlijk mogelijk dat er op een bepaald moment te weinig plekken beschikbaar zijn op een bepaalde school, maar in principe moet het kind wel op die school worden geplaatst. Die school kan daar op dit moment ook nog ongebreideld voor worden bekostigd. Binnenkort gebeurt dat volgens de nieuwe bekostiging binnen het samenwerkingsverband.

De heer Klaver (GroenLinks): Dat is de regeling volgens de letter van de wet, maar nu de praktijk! Er zijn kinderen met een indicatie die niet worden aangenomen, omdat scholen bang zijn voor de nieuwe bekostiging. Men ziet de bui namelijk al wel hangen. Vandaar dat ik mijn vraag herhaal: waar kunnen ouders hun recht halen wanneer ze te maken krijgen met een weigerachtige school? Kunnen ze afdwingen dat hun kind tot een school wordt toegelaten?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wij bespreken dit punt in de regio, ook met de scholen voor speciaal onderwijs. En dan zeggen wij tegen die scholen: je kunt kinderen gewoon blijven aannemen. De bekostiging voor de 70 000 plekken in het speciaal onderwijs blijft namelijk overeind. Als de situatie die de heer Klaver schetst, zich voordoet, dan zal de inspectie dat met de desbetreffende school opnemen. Scholen zijn op dit moment inderdaad bezorgd, want men weet niet hoe het allemaal gaat lopen. Dat is ook de reden dat wij naar de regio's gaan om daar met eigen ogen te kunnen zien hoe het met de samenwerkingsverbanden gaat en om deze zorgpunten met de scholen te bespreken.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik vroeg wat de ouders kunnen doen en niet wat het ministerie doet. Wat zijn de rechten van de ouders die hiermee worden geconfronteerd? Mogen zij misschien de minister zelf bellen of moeten zij bij de inspectie zijn?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Men kan natuurlijk altijd de inspectie bellen. Verder kunnen de consulenten hierbij een rol spelen. Op dit moment is er nog geen zorgplicht en dat betekent dat ik niet over een middel beschik om tegen de scholen te zeggen: u moet en u zal.

Het leerrecht, een punt dat door de heer Van der Ham naar voren is gebracht. Als hij met «leerrecht» een vorm van acceptatieplicht bedoelt, dan kan ik heel helder zijn: dat is niet aan de orde. De zorgplicht moet er uiteindelijk voor zorgen dat een kind dat zorg behoeft, straks daadwerkelijk geholpen wordt en dus onderwijs krijgt. Maar nogmaals: dit komt aan de orde wanneer wij de wetgeving voor het passend onderwijs bespreken.

De heer Van der Ham (D66): De acceptatieplicht heeft met het bijzonder onderwijs te maken en dat is inderdaad een andere discussie. Ik doel nu op het recht van een kind om onderwijs te volgen. Ouders kunnen met het door mij voorgestelde recht natuurlijk niet afdwingen dat hun kind op een bepaalde school les krijgt, want dan zou je in strijd kunnen komen met artikel 23. Er zijn echter voldoende openbare scholen en daar kunnen kinderen altijd terecht. Het gaat er mij om dat er voor elk kind een plek is en dat ouders in het uiterste geval naar de rechter kunnen stappen om dat leerrecht af te dwingen. Op welke school een kind vervolgens wordt geplaatst, is vers twee, want daarbij moet natuurlijk rekening worden gehouden met de rechten van scholen. Maar er is altijd het openbaar onderwijs!

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De zorgplicht is straks een feit en die kan door de rechter worden getoetst. Als een kind past bij de achtergrond van de school, moet die school een kind met een bijzondere zorgvraag in principe aannemen, hetzij zelf, hetzij in een van de andere scholen uit het samenwerkingsverband.

Dat brengt mij bij de toelichting van de school op het besluit om een kind te weigeren. Als een school een kind niet kan of wil plaatsen, zal die school de ouders moeten toelichten waarom dat zo is. Sterker nog: de Commissie Gelijke Behandeling zal ongetwijfeld eisen dat scholen beargumenteren waarom een kind wordt geweigerd. Als ouders desondanks niet tevreden zijn over de plaatsing van hun kind, kunnen ze de rechter om een uitspraak vragen over het besluit van de school.

De heer Van der Ham (D66): Een school kan natuurlijk niet aan het onmogelijke worden gehouden. De minister zei dat terecht. Als een school alles heeft geprobeerd, kan er een moment komen dat men wel moet zeggen: wij kunnen dit kind niet aan. Dan zal er echter een follow-up moeten zijn. De rechter kan dan misschien wel uitspreken dat de school van goede wil was en correct heeft gehandeld, maar dat laat onverlet dat ouders vervolgens een andere oplossing moeten kunnen afdwingen. Het valt mij dan ook op dat de ouders in de plannen van de minister eigenlijk geen mogelijkheden krijgen om zelf het initiatief te nemen. Ik houd dan ook staande dat het leerrecht een goede aanvulling is.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Bij de zorgplicht werkt het als volgt: of de school probeert het zelf, de school probeert het met een andere school te regelen of scholen stellen binnen het samenwerkingsverband gezamenlijk vast dat het kind het beste op zijn plaats is in het speciaal onderwijs. Deze trajecten moeten volgens mij ouders de zekerheid kunnen bieden dat hun kind ook echt onderwijs zal gaan volgen. De enige uitzondering daarop is de mogelijkheid die de heer Çelik noemde, namelijk dat een kind in overleg met de leerplichtambtenaar wordt vrijgesteld van de leerplicht.

De heer Elias (VVD): Is de minister het met mij eens dat de zorgen van de heer Klaver over ouders die nergens terechtkunnen, een extra reden is om het wetsvoorstel voor het passend onderwijs, inclusief de bijbehorende zorgplicht, zo snel mogelijk van kracht te laten worden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De heer Elias heeft een punt, maar ik denk dat wij het niet sneller kunnen regelen. Het is vooralsnog dan ook aan de scholen om zich te informeren over wat er echt gaat gebeuren en zich niet te laten meeslepen door allerlei, lang niet altijd ware, verhalen. Scholen hebben en houden echt de verantwoordelijkheid om te bepalen wat een kind nodig heeft en om dat kind vervolgens zo goed mogelijk op te vangen. Dat is echt de verantwoordelijkheid van de scholen!

Voorzitter. De heer Biskop vroeg naar de manier waarop ik de positie van de leerplichtambtenaar denk te versterken. Een sterkere positie dan de leerplichtambtenaar nu heeft, kan ik de leerplichtambtenaar niet geven. Leerplichtambtenaren zullen het echt zelf moeten oppakken. En laten we wel zijn: een leerplichtambtenaar functioneert onder de verantwoordelijkheid van de wethouder onderwijs. En die is heel goed in staat om een school aan te spreken wanneer er problemen zijn, zeker de wethouders van de grotere gemeenten. Overigens is dit type samenwerking vaak regionaal georganiseerd. Het is dus vooral een kwestie van doen.

Verder zullen de gemeenten moeten zorgen voor voldoende capaciteit en voor de professionalisering van de leerplichtambtenaar. Ik herinner mij nog heel goed uit de tijd dat ik op gemeentelijk niveau actief was dat de leerplichtambtenaar vaak andere klussen deed naast zijn eigenlijke taak. Er heeft dus al een enorme professionaliseringsslag plaatsgevonden en leerplichtambtenaren zouden dan ook geëquipeerd moeten zijn om hun taak goed uit te voeren.

Kinderen verwijderen van het basis onderwijs. Ik ben van plan om dit punt aan te pakken in het kader van de wetgeving voor passend onderwijs, wetgeving die over enige tijd naar de Kamer zal worden gestuurd.

SMART: dat is toch wel een heel moeilijk punt. Het terrein is op dit moment te veel in beweging om dergelijke scherpe afspraken te kunnen maken. Ik kan dat nu echt niet even gaan doen. Als ik zou beweren van wel, dan zou ik de commissie echt schijnzekerheid bieden. Wij gaan aan de slag met een nieuw stelsel, net als bijvoorbeeld bij de Wmo, en dat vergt gewoon tijd en aandacht. Verder zal het echt ook met vallen en opstaan gepaard gaan.

Mevrouw Smits (SP): Dat valt mij dan weer wel een beetje tegen van de minister. Ik schrik ook altijd als de afkorting SMART valt, want waar stonden al die letters ook al weer voor? Maar er zit vast iemand op het ministerie die precies weet waar die letters voor staan.

De minister belooft ons de hele tijd dat in de toekomst alles beter wordt. Dan zou het haar sieren dat zij daarover harde afspraken maakt met de Kamer.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik blijf bij mijn antwoord.

Mevrouw Smits (SP): Dat snap ik, maar dan is mijn conclusie wel dat de minister zegt dat in de toekomst een groot deel van de problemen rond de thuiszitters opgelost zullen worden, maar dat zij niet bereid is om daaraan consequenties te verbinden. En dat vind ik een beetje laf.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Dan nu mijn antwoord op de vragen van de heer Çelik. Hij zei dat leerplichtambtenaren vaak dubbele belangen hebben, dat het aantal kinderen met een vlek nog steeds groeit en dat de onduidelijkheid rond de financiering nog niet weggenomen zou zijn. Hoe er straks binnen het regionale samenwerkingsverband met de financiering omgegaan zal worden, wil ik niet vanuit Den Haag met een blauwdruk regelen. Dat wil ik echt niet! Het is van tweeën één: of wij regelen het in Den Haag en voeren het vervolgens zelf uit of wij leggen de verantwoordelijkheid bij de scholen neer. Als wij voor het laatste kiezen betekent dat natuurlijk ook dat wij scholen de ruimte moeten bieden om die verantwoordelijkheid waar te maken. Ik hecht daar erg aan en daarom wil ik niet van alles vastleggen. Integendeel: ik bied de samenwerkingsverbanden alle ruimte voor een eigen aanpak. Dat is volgens mij ook de kracht van zaken dichtbij mensen organiseren.

De heer Çelik (PvdA): Ik had deze reactie verwacht. Ik begrijp de minister ook wel, maar is zij het dan wel met mij eens dat het animo om een kind te accepteren alleen maar kleiner wordt als scholen een groot deel van het reeds ontvangen budget kwijtraken wanneer ze een kind op een later moment buiten de deur moeten plaatsen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat zou kunnen, maar dat is iets wat de scholen met elkaar moet bespreken. Dat is echt aan de scholen zelf. In het samenwerkingsverband kan men verder gewoon met elkaar afspreken dat het budget wordt overgeheveld naar de nieuwe school. Dat zou prima zijn, maar men kan er ook voor kiezen om tussentijdse overdrachten van kinderen niet gepaard te laten gaan met een budgetoverdracht, omdat dat te veel administratieve rompslomp met zich mee brengt.

De voorzitter: Ik wijs iedereen toch even op de klok. Wij hadden ruim de tijd, maar die hebben wij nu toch echt bijna opgesoupeerd.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter, ik schiet al aardig op.

De onderwijsovereenkomst. Ik zeg het maar eerlijk: ik ben er niet voor. Het leidt namelijk tot een enorme bureaucratie als scholen met elk kind een onderwijsovereenkomst moeten afsluiten. Ik moet er niet aan denken wat dat voor de scholen zou betekenen.

De heer Beertema wees op het belang van de leerplichtambtenaar. Daarmee ben ik het eens. Ik bedank hem verder voor zijn reactie op de door mij ingezette ontwikkelingen.

Ik heb gezegd hoe ik over streefcijfers denk.

De heer Klaver vroeg hoeveel bestuurlijke boetes er zijn opgelegd. Dat zijn er dus nul, want het wetsvoorstel ligt nog in de Eerste Kamer.

Waar kunnen ouders naartoe? Daarop ben ik al in eerste termijn ingegaan. De inspectie is daarvoor het aangewezen aanspreekpunt. Verder kan men zich wenden tot de leerplichtambtenaar van de eigen gemeente. Die twee organisaties zijn heel wel in staat om mensen te verwijzen naar een consulent, mocht dat de beste oplossing zijn. Het aantal consulenten ga ik, zoals gezegd, uitbreiden, omdat hun workload te groot aan het worden is. Ten slotte kan ik nog de ouderorganisaties noemen en de telefoonlijn die ik bij de steunpunten voor het passend onderwijs in het leven ga roepen voor ouders met problemen. Ouders kunnen straks dus op diverse plaatsen terecht voor hulp.

De zorgplicht. Wordt die uitgebreid en wat is de rol van de inspectie daarbij? De inspectie gaat toezien op de samenwerkingsverbanden. Vooralsnog heb ik niet de indruk dat daarvoor een uitbreiding van de formatie van de inspectie nodig is. De inspectie moet immers ook toezien op de naleving van de verplichtingen uit het wetsvoorstel dat in de Eerste Kamer voorligt en daarmee kan dit heel goed worden gecombineerd. Mocht uit het overleg met de inspectie naar voren komen dat er toch een aanpassing van de formatie nodig is, dan zal ik dat bij de behandeling van de wetgeving aan de Kamer meedelen.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik kom nog even terug op de concrete doelstellingen. Met haar antwoord op de vragen van de Kamer gaat de minister wat mij betreft een beetje kort dor de bocht. Het mooie van SMART is de R van realiseerbaar. De minister hoeft nu geen streefgetallen te noemen, maar ik vind wel dat zij straks concreter zal moeten zijn. Al zegt zij maar dat zij van 2500 teruggaat naar 2499! Dan hebben wij tenminste een getal aan de hand waarvan wij kunnen vaststellen of het beleid van de minister werkt. Hebben wij geen streefcijfers, dan kan straks iedereen zijn eigen conclusies trekken, zonder dat duidelijk is waarop die conclusies eigenlijk zijn gebaseerd.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De heer Klaver brengt dit punt nog een keer op. Laat ik het zo doen: ik denk daarover nog even na. Hij vraagt mij dat en ik zie geen reden om het niet te doen.

De voorzitter: En dat betekent dat u hierop schriftelijk terugkomt.?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Bij de wetsbehandeling.

De voorzitter: Uitstekend.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De heer Elias vroeg waarom gemeenten de gang naar de strafrechter niet hebben gemaakt. Ik heb dat toegelicht. De oorzaak daarvan is de relatie van de leerplichtambtenaar met de scholen. Een leerplichtambtenaar moet vaak heel veel andere zaken met een school regelen en dan is het vervelend wanneer je ondertussen de directeur van die school een gevangenisstraf probeert te bezorgen. Het is een of twee keer geprobeerd en die zaken zijn juridisch vastgelopen. En dat was, zoals gezegd, de aanleiding voor de wetgeving die op dit moment in de Eerste Kamer voorligt. Hoe sneller die wordt behandeld, hoe beter het is, want dan kan de inspectie hiermee aan de slag.

Monitoren moeten wij bij het passend onderwijs zeker gaan doen. Ik ben het op dat punt dan ook volstrekt met de heer Elias eens. De wet voor het passend onderwijs zal bovendien goed moeten worden geëvalueerd.

De heer Elias (VVD): Voorzitter, een punt dat ik in tweede termijn vergeten ben te maken.

De minister zegt over de positie van de leerplichtambtenaar te gaan overleggen met de VNG. Is zij bereid om de Kamer te informeren over de uitkomst van deze gesprekken?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik vraag de heer Elias dat te mogen doen bij de behandeling van het passend onderwijs. Ik moet er namelijk ook voor zorgen dat ik niet al te veel ambtenaren aan het schrijven zet. Als hij het goed vindt, zou ik hem dan ook liever mondeling informeren over deze gesprekken.

De heer Elias (VVD): Dat is prima.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dank u wel.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik heb ook een verzoek om informatie. De minister zegt dat zij het land in gaat om met allerlei partijen te spreken. Ik neem aan dat haar ambtenaren haar daarvan schriftelijk verslag doen. Is het mogelijk dat zij haar ambtenaren vraagt om in deze gesprekken in te gaan op de signalen over kinderen die niet worden aangenomen? Wat doet men daaraan? Zo ja, is zij dan ook bereid om die verslagen naar de Kamer te sturen, zodat wij zelf kunnen nagaan wat er in het land gebeurt?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Als de heer Klaver goed had geluisterd bij het debat over passend onderwijs, zou hij weten dat ik heb toegezegd om in juni met een rapportage te komen. Daarin zal ik dit punt meenemen.

De voorzitter: Die laatste toezegging hoef ik dus niet te herhalen.

Wij zijn aan het einde gekomen van dit algemeen overleg. De minister heeft de heer Klaver toegezegd dat zij bij de behandeling van de wet zal terugkomen op het terugdringen van het aantal leerlingen en de doelstellingen daarvoor. De minister heeft ook toegezegd dat zij de Kamer een brief zal sturen over de gegevens die bij de inspectie bekend zijn, maar niet bij haar. Het gaat daarbij om het aantal gemelde verzuimgevallen, een vraag van de heer Elias. Wanneer mogen wij die brief verwachten?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Binnen drie weken.

De voorzitter: Ten slotte stel ik vast dat de heer Çelik heeft gemeld dat hij behoefte heeft aan een VAO. Ik zal dat verzoek aanmelden bij de Voorzitter.

Ik bedank de minister, haar medewerkers, alle belangstellenden en uiteraard mijn collega's voor hun komst naar dit overleg.