Kamerstuk 26695-59

Verslag van een algemeen overleg

Voortijdig schoolverlaten; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 30 oktober 2008
Indiener(s):
Onderwerpen: beroepsonderwijs onderwijs en wetenschap voortgezet onderwijs
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26695-59.html
ID: 26695-59

26 695
Voortijdig school verlaten

nr. 59
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 oktober 2008

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties2 en de vaste commissie voor Justitie3 hebben op 24 september 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, minister Hirsch Ballin van Justitie en minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin over:

– de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Van Bijsterveldt-Vliegenthart, van 5 juni 2008 over een integrale aanpak schoolverzuim (26 695, nr. 53);

– de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Van Bijsterveldt-Vliegenthart, van 9 juli 2008 over het melden van spijbelgedrag (26 695, nr. 55);

– de brief van de minister van Justitie van 15 september 2008 over justitiële interventies naar aanleiding van schoolverzuim (26 695, nr. 56).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Slob Griffier: La Rocca 

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De voorzitter: In verband met de afwezigheid van de voorzitter en de vicevoorzitter van deze commissie, ben ik gevraagd om deze vergadering voor te zitten. Ik zal dat met het woordvoerderschap van de ChristenUnie moeten combineren. Het is niet anders; anders zou deze vergadering niet door kunnen gaan. Als ik namens de ChristenUnie het woord voer, zal ik de heer Biskop vragen om mij als voorzitter te vervangen.

Ik heet de drie bewindslieden welkom die uitgenodigd zijn om met ons over de integrale aanpak schoolverzuim te spreken.

De heer Pechtold zal de regeling van werkzaamheden in de plenaire zaal bijwonen. Hij zal daarvoor even dit overleg verlaten.

De heer Biskop (CDA): Voorzitter. Ik mocht zojuist op de radio bekennen dat ik zelf niet zo’n spijbelaar ben geweest. Helemaal vreemd aan die ervaring ben ik toch niet, want toen de school van mijn zoon belde met de mededeling dat hij niet zo vaak op school kwam en zijn stages miste, kwam dat voor mij als een verrassing. Hij ging namelijk iedere dag braaf van huis. Dit is een illustratie van het feit hoe je als ouder onwetend kan zijn van het spijbelgedrag van je kind. De school wist het niet alleen, maar deed er ook wat mee, namelijk, heel eenvoudig, een telefoontje naar de ouders. Als ouder kan je vervolgens wel je verantwoordelijkheid nemen.

Wij kennen leerplicht in dit land. Dat klinkt hard en onvriendelijk: de plicht om te leren. De Leerplichtwet legt wel een basis onder de vorming van onze burgers en bijvoorbeeld onder de Lissabon-doelstellingen. Een plicht heeft toch wat meer spierkracht in de taal dan een recht. In de onderwijsbegroting wordt nu gesproken over werkleerrecht in plaats van wat wij aanvankelijk werkleerplicht noemden. Ik vraag mij dan af: is dit nu volgens Shakespeare «what’s in a name?» en blijft die roos wel even lekker geuren met een andere naam? Op een ander moment komen wij daar nog wel over te spreken.

Een punt is dat rondom de leerplicht de regels nogal verspreid zijn over verschillende wetten. De CDA-fractie heeft eerder al laten weten dat het misschien toch een handig idee is om de leerplichtregels die in verschillende wetten zijn ondergebracht, te bundelen. De eerste vraag die ik dan ook aan het kabinet wil stellen, is: overweegt het kabinet om alle regels rondom de leerplicht in een wet te bundelen? Als je niet voldoet aan die plicht, dus als je bijvoorbeeld thuis blijft in plaats van naar school te gaan, is het niet alleen een kwestie van niet voldoen aan regels, maar het is nog veel meer. Zo zien wij dat schoolverzuim een voorbode is van het voortijdig schoolverlaten. Voorkomen is beter dan genezen en daarom is het goed dat er een integrale aanpak is ontstaan, van VNG tot Ingrado en van OCW tot Justitie. Meer mensen mee laten doen in onze samenleving is helemaal oké, maar onderwijs is dan wel een eerste vereiste. Vanmorgen hebben wij met de staatssecretaris kunnen spreken over laaggeletterd-heid. Dat is een belangrijk element daarin.

De heer Jasper van Dijk (SP): De heer Biskop vraagt of het kabinet overweegt om een wet te maken voor deze problematiek, dus wellicht een soort verzuimwet. Ik begreep dat het CDA, toen daar eerder over werd gesproken, daarbij nog wat aarzelingen had. Betekent dit dat het CDA daar voorstander van is geworden?

De heer Biskop (CDA): Ja. Inderdaad denken wij dat, als verschillende regels over verschillende wetten worden verspreid, dit niet zo handig is. Je ziet nu in verschillende wetten ook verschillende termijnen staan voor hetzelfde verzuim. In de praktijk blijkt dat dit gewoon niet handig is. Ingevolge de integrale aanpak zouden wij tot integrale regelgeving kunnen komen. Volgens ons kan dit het probleem helpen oplossen.

Voorzitter. Het schoolverzuim is een hardnekkig probleem. Er zijn veel betrokkenen. Zojuist sprak ik al over de school, maar het is natuurlijk niet alleen de school die erover gaat. Ik denk ook aan de ouders, de jongeren zelf en de gemeente. Als het overigens over de school gaat, lees ik dat van scholen gevraagd wordt om in de schoolgids aan te geven dat er een verzuimbeleid is. Ik denk dan: op dat gebied kan wellicht toch nog iets extra’s gedaan worden. Zo zouden mijns inziens met name de zorgadviesteams (ZAT’s) daar een belangrijke rol in kunnen spelen, zeker als de leerplichtambtenaar daar actief bij wordt betrokken. Ik heb zelf de ervaring dat een leerplichtambtenaar deel uitmaakte van een dergelijk team. Die ambtenaar heeft allerlei mogelijkheden om, voordat het echt repressief wordt, eens met de ouders te spreken. Die heeft dus de spreekwoordelijke stok altijd bij zich, hoewel die niet per se gebruikt hoeft te worden. Dan kom ik tot de vraag: wordt dat overal wel gedaan, dus zien wij de leerplichtambtenaar inderdaad terug in de zorgadviesteams? Hoe zit het precies met de financiering van de zorgadviesteams? OCW is daarin vertegenwoordigd en misschien heeft Sociale Zaken daar nog een bekommernis bij. Ik noem voorts gemeenten en samenwerkingsverbanden. Hoe zit het dus precies?

Een ander punt gaat over het in- en uitschrijven van kinderen. Schoolverzuim is soms ook het gevolg van het feit dat de ouders geen kant op kunnen met hun kind. Een kind wordt uitgeschreven op de ene school en niet ingeschreven op de andere school. Hoe zit dat dus? Ik had laatst een ouder die met mij contact opnam over het volgende. Die ouder zei: ik heb een zoon; ik wil graag dat hij naar school gaat en hij gaat graag naar school, maar ja, het is een jongen met wat gedragsproblemen en de school wil hem niet hebben; nu sta ik met lege handen en de leerplichtambtenaar staat ook met lege handen.

Ik wil nog iets zeggen over de aanpak. Het digitale loket is prima. Wij lezen dat er een standaard proces-verbaal komt. Dat is ook prima. Hoe ver is het kabinet daar overigens mee? In hoeverre werkt het in de praktijk? Ik noem bijvoorbeeld de koppeling met de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Is als de Regionale Bureaus Leerplicht (RBL’s) via de GBA gaan werken een dergelijke koppeling mogelijk? Wanneer wordt die gerealiseerd?

In het verleden hebben wij RMC’s gecreëerd. Zij werden regionaal opgezet; dat is prima. De leerplichtambtenaren hadden ieder in de eigen gemeente werk. Intussen is de leerplichtfunctie enigszins geregionaliseerd. De RMC-functie wordt op dezelfde schaal uitgeoefend. Kunnen wij die onderdelen nu niet in elkaar schuiven? Wat is de mening van de regering hierover?

Als het gaat om de regionale bekostiging en de regionale inzet, merk ik het volgende op. De gemeenten hebben geld voor de leerplichtfunctie. Gaan zij dat aan de regio’s overdragen? Hoe zit dat precies? Is iedereen wel bereid tot de benodigde inzet? Ingrado praat nu over een norm van 1:3800, die aanvankelijk 1:4500 was. Is er zicht op of de gemeenten op dat punt wel voldoende aan zet zijn?

Tot slot wil ik iets zeggen over het einde van de keten. Het beleid is, zo hoop ik, erg succesvol. Uiteindelijk is er toch nog iets anders nodig. Is er geen risico dat verderop, als er steeds meer meldingen komen of wanneer steeds beter gemeld wordt en steeds beter naar de kwestie gekeken wordt, een stuwmeer ontstaat, bijvoorbeeld bij de Raad voor de Kinderbescherming of bij de justitiële trajecten?

De spijbelrechter heeft zijn intrede gedaan. Verleden week las ik echter in Trouw dat de Raad voor de rechtspraak kritisch is over de verschijningsplicht van ouders bij strafzaken met jongeren. Zijn er ervaringen met de verschijningsplicht bij zaken over schoolverzuim? Zo ja, wat is daarvan het resultaat? Het is toch zaak om de ouder daarbij te betrekken? Tenslotte hebben jongeren met een ernstig schoolverzuim met een factor vijf meer kans om in het criminele circuit terecht te komen. Dat is iets wat wij te allen tijde zouden moeten voorkomen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Nederland kent jaarlijks 53 000 drop-outs: jongeren zonder startkwalificatie voor de arbeidsmarkt en die niet werken of leren. Maar liefst 60% van de Nederlandse leerlingen zit in het vmbo. Vooral in het vmbo en het mbo is de schooluitval schrikbarend. Vaak is een al te vroeg opgelopen taalachterstand de oorzaak. Wat ons betreft, staat taal centraal in alle onderwijsvraagstukken.

Ook blijkt het Nederlandse beroepsonderwijs niet voldoende toegerust voor zo veel verschillende leerlingen, van wie sommigen meer theoretisch en anderen meer praktisch zijn ingesteld. De slechte aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt speelt ook een rol. De vraag «wat kan ik later na mijn opleiding worden?» blijft voor veel leerlingen onbeantwoord. Later kom ik hier nog even op terug. Voorts wordt demotivatie van jongeren nog wel eens aangewakkerd door foute vrienden of een zorgwekkende thuissituatie. Veel ouders blijken ook steeds minder in staat te zijn om hun kinderen in de school te houden.

Al met al moeten wij door deze stapelingsproblematiek voorkomen dat een grote groep jongeren opgeleid wordt voor de bijstand. De VVD-fractie ziet schooluitval als een van de meest urgente problemen van deze tijd. Het gaat om het volgende. Het kabinet wil het aantal schooluitvallers in 2010 gehalveerd hebben tot 35 000 per jaar. Ik moet eerlijk zeggen: het gaat de VVD niet zozeer om cijfers. Het is een mooi streefcijfer, maar het gaat natuurlijk echt om de talentbenutting van de leerling. Op deze manier gaat er namelijk veel talent verloren. Met het huidige beleid gaat het ook niet lukken.

Overigens ben ik heel gelukkig met het feit dat er nu een integrale aanpak is. Dat bewijst ook de aanwezigheid van de drie bewindspersonen in dit overleg. Ik vind dat uitstekend en ik wil daarvoor een compliment geven. Het werd ook wel de hoogste tijd. Het betreft ook een probleem dat integraal aangepakt moet worden; het is geen onderwijsprobleem dat op zichzelf staat.

De aanpak van schooluitval moet wat ons betreft meer gericht zijn op preventie. Miljoenen euro’s worden besteed aan jongeren die thuis zitten of op straat rond hangen, zelfs aan jongeren die een uitkering hebben aangevraagd. Dat is echt dweilen met de kraan open. In dit verband willen wij enkele punten voorop stellen. Graag vernemen wij daarop de reactie van de staatssecretaris. Ik noem: beginnen bij het begin; kinderen moeten met gelijke kansen aan een schoolcarrière beginnen. Een taalachterstand wordt namelijk niet meer ingehaald op de lagere school. Vandaar dat wij verplichte voor- en vroegschoolse educatie (VVE) voorstaan. Ik heb in de onderwijsbegroting gezien dat dit weliswaar wordt aangeboden, maar dat het aantal leerlingen dat aan de VVE deelneemt, afneemt. Dat is zorgelijk. Dat moet je niet willen. Vanmorgen hebben wij een debat gehad over laaggeletterdheid. Dat is dus een slechte ontwikkeling. Waarom wordt VVE dus niet verplicht? Ik vraag de bewindslieden om dit uit te leggen.

Ook wil ik nog iets zeggen over spijbelgedrag aanpakken bij de ouders. In het hele verhaal spelen de ouders mijns inziens een veel te ondergeschikte rol. De heer Biskop blijkt daarover te kunnen meepraten. Het moet dus meer zijn dan alleen de boete van € 250 die nu geldt. Bij structureel spijbelgedrag moet het ook mogelijk zijn om op de bijstand van de ouders te korten, dan wel de kinderbijslag. Wat mij betreft, kunnen die uitkeringen in die situatie ook opgeschort worden.

Verder nog iets over de leerwerkplicht tot 27 jaar. Ik begrijp dat het kabinet daar nu voorstander van is. Wat ons betreft, moet die er zo snel mogelijk komen.

Bovendien switchen veel mbo-leerlingen vaak van opleiding, omdat zij de verkeerde keuze hebben gemaakt of omdat de opleiding toch niet was wat zij ervan gedacht hadden of wilden. Op het ogenblik is er sprake van een heel ineffectieve «sectororiëntatie» bij de roc’s. Daarbij is een uurtje per week de vraag aan de orde: wat wil je worden? Volgens de VVD-fractie zijn de kinderen daar echt niet mee geholpen. Dit is een ineffectieve werkwijze. Dat blijkt ook, want het gehop tussen opleidingen is enorm. Wij pleiten er dan ook nog steeds voor om kinderen alvast een opleiding te laten volgen in een vervolgopleiding, zodat zij daarvan kunnen proeven. Ouders en leerlingen kunnen op die manier samen tot een beroepskeuze komen. Immers, men ervaart wat de opleiding inhoudt. Zo worden roc’s gedwongen om daarvoor veel meer een passend programma op te stellen. De achterliggende gedachte daarbij kan zijn: als ik die leerlingen wil hebben, is dit de opleiding die wij te bieden hebben. Het gaat erom dat dit op een goede manier gebeurt. Ik benadruk dat er echt geparticipeerd moet worden; het heeft dus geen zin om een open dag te houden. Ik bedoel dus dat de kinderen echt een paar weken meedraaien.

Bij de algemene politieke beschouwingen is gesproken over de ontschotting van de middelen in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb). Ik doel op de motie-Kant/Rutte die is bedoeld om die middelen te ontschotten en bijvoorbeeld in te zetten voor het realiseren van wijkscholen voor jongeren die op school echt geen rust in de kont hebben en echt aparte begeleiding nodig hebben. Die motie is aangehouden, dus wij moeten nog even wachten op het vervolg.

Het diplomastapelen moet weer mogelijk worden. De huidige situatie daaromtrent leidt tot veel ongemak en demotivatie.

Tot slot noem ik het punt dat zeer zwakke scholen eerder gesloten moeten worden. Die situatie blijft veel te lang duren. Een gevolg daarvan is ook schooluitval door slecht onderwijs, wat slecht gemotiveerde leerlingen oplevert. Ik noem ook slechte onderwijzers die deze kinderen niet binnenboord kunnen houden; deze kinderen krijgen slecht onderwijs. Wij moeten daar dus veel eerder ingrijpen. Hierop verneem ik graag een reactie van het kabinet. Wat gaat het kabinet ondernemen om de zeer zwakke scholen aan te pakken? Krijgen gemeenten misschien de mogelijkheid om die scholen eerder aan te pakken?

De staatssecretaris heeft onlangs bekend gemaakt dat roc’s een bedrag van € 2 000 per leerling krijgen die zij binnenboord houden, dus waarbij geen sprake is van schooluitval. Dit betekent het volgende. Als een roc 500 uitvallers had en nu «nog maar» 450, krijgt dat roc voor die 50 leerlingen een bonus van € 2 000 per leerling. Eerlijk gezegd lijkt dat mooi, maar de VVD-fractie vindt dit toch een beetje geldverspilling. Wij vinden het namelijk een reguliere taak van het onderwijs om de leerlingen binnenboord te houden. Het is te gek voor woorden dat de school een bonus krijgt als die erin slaagt om te doen wat hij normaal moet doen. Ik wil graag weten wat de achterliggende motivatie is om belastinggeld op deze manier in te zetten voor iets wat normaal tot de taak van de school behoort.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Het gaat niet goed met de aanpak van voortijdig schoolverlaters. Dit is een terechte prioriteit van het kabinet. Het aantal schoolverlaters daalt wel, maar dat gebeurt bij lange na niet hard genoeg voor het kabinet om zijn doel van 35 000 in 2012 te halen. Een startkwalificatie houdt in dat iedere leerling een mbo2- of havo- dan wel vwo-diploma heeft. Onlangs las ik dat de staatssecretaris mensen met een mbo1-diploma, dus met een AKA-opleiding, die van school gaan, niet meer laat meetellen als schoolverlater. Klopt dat? Als dit klopt, bereikt het kabinet dit jaar een nieuw hoogtepunt in creatief boekhouden. Immers, er wordt ook gegoocheld met de doelstelling om 200 000 langdurig werklozen aan het werk te helpen en met de doelstelling dat 88% in 2011 werkt. Ik snap best dat mbo2 niet voor elke leerling haalbaar is en misschien zelfs contraproductief werkt, maar de ambitie mag daardoor niet verminderen. Het cosmetisch wegwerken van een groep uit de statistiek betekent dat ook het doel moet worden aangepast. Graag krijg ik hierop een reactie.

Voordat een kind zonder diploma een school verlaat, is er thuis vaak veel aan de hand. Spijbelgedrag is vaak het signaal dat er iets mis is. Het loopt niet met elke spijbelaar fout af; kijk maar naar mij: ik heb erop los gespijbeld. Toch zie je nog te vaak dat leerlingen die veel spijbelen ooit weer in allerlei probleemstatistieken verschijnen. De inspectie concludeert dat er nog veel te winnen is door het meer betrekken van ouders bij schooluitval. Scholen zeggen wel vaak dat zij dat doen, maar informeer je hiernaar bij de leerlingen, dan zeggen zij dat, wanneer zij spijbelen, hun ouders daarover vaak niets van de school horen. Daarom wil ik naar Belgisch voorbeeld het volgende voorstel doen. In Nederland worden de ouders pas zichtbaar als de situatie uit de hand gelopen is en de lange arm van de wet in zicht komt. Ouders moeten dus eerder worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid.

De voorstellen van het kabinet komen erop neer dat, wanneer kinderen na een bepaald tijdstip nog op straat hangen, oom agent op hen afgestuurd wordt om ze naar huis te brengen. Als kinderen op school komen zonder dat zij hebben ontbeten, krijgen zij ontbijt op school. Als kinderen niet in de schoolbanken zitten, gaat oom agent hen thuis van hun bed lichten. Ik vind dat echt niet de manier om als overheid te werk te gaan. Je kunt immers dat soort verwachtingen simpelweg niet waarmaken. Daarom moet de verantwoordelijkheid liggen waar die hoort. Een goed middel daarbij zou een antispijbelcontract zijn. In een dergelijk contract neemt de school op wat zij expliciet van ouders verwacht om schoolverzuim te voorkomen. Graag verneem ik hierop de reactie van de staatssecretaris. Ziet zij dit als mogelijk handig instrument om in te grijpen voordat de situatie uit de hand loopt?

De heer Depla (PvdA): Het lijkt mij logisch dat de ouders in eerste instantie verantwoordelijk zijn. Ik begrijp uit uw voorstel dat u eigenlijk van mening bent dat zo’n antispijbelcontract uniform over Nederland uitgerold moet worden. Is dat uw bedoeling?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb gebeld met Ingrado, de vereniging van de leerplichtambtenaren, om dit voorstel door te nemen. Toen zei de persoon aan de lijn: eigenlijk is de Leerplichtwet al het antispijbelcontract. Het probleem is echter dat heel veel ouders niet weten wat de school van hen verwacht. Bovendien maken heel veel scholen dat ook niet duidelijk aan de ouders. Ik doe de suggestie om ouders, voordat het uit de hand loopt, erbij te betrekken. U vraagt mij of ik dit landelijk wil uitrollen, dus voor alle scholen wil laten gelden. Sommige scholen doen het hartstikke goed. Ik sprak gisteren een gymnasiumleerling die zei: wij denken wel twee keer na voordat wij gaan spijbelen, omdat absenties elk uur worden opgenomen. Er zijn ook scholen waar absenties maar een keer per dag worden opgenomen of misschien zelfs maar een keer per week. Tegen die scholen wil ik zeggen: dat is niet de goede weg. In die gevallen moet misschien een antispijbelcontract gebruikt worden.

De heer Biskop (CDA): Ik snap het nu even niet. Het punt is – daarom ben ik mijn bijdrage ermee begonnen – dat het vaak de ouders zijn die het niet weten, omdat scholen het verzuim niet melden. Je kunt wel een contract met de ouders sluiten, maar als ouders niet weten dat hun kind spijbelt, kunnen zij niets doen. Ik denk dat er heel weinig ouders in Nederland zijn die niet beseffen dat er een leerplicht is en die niet weten dat hun kind naar school moet. Wilt u dat contract dus niet met de verkeerde doelgroep afsluiten?

De heer Dibi (GroenLinks): Toen ik erop los spijbelde, wist mijn moeder dat niet. Ik vervalste handtekeningen en ik onderschepte de post die van school afkomstig was. Ik viel pas door de mand als er een huisbezoek volgde en de leraar zei: kijk eens, die jongen heeft zoveel onvoldoendes omdat hij zo vaak te laat kwam. Toen pas wist men thuis wat er aan de hand was. Dat gebeurt niet meer; het contact tussen ouders en scholen is op het ogenblik niet goed. Dat constateert de inspectie ook. Tevens constateert de onderwijsinspectie dat scholen aan ouders onvoldoende duidelijk maken wat er van hen verwacht wordt. Je kan zeggen: elke ouder met gezond verstand zou moeten weten dat zijn kind op school moet zitten. Ja, maar er zijn ook heel veel ouders die blijven slapen en die hun kind niet wekken om naar school te gaan. Ook zijn er heel veel ouders die willen dat hun kind in de zaak werkt. Verder zijn er ouders die zoveel andere problemen hebben dat zij niet eens bereid zijn om mee te werken aan vermindering van het schoolverzuim. Wel, zo’n spijbelcontract kan een stok achter de deur zijn en kan effectief zijn, voordat de rechter eraan te pas komt.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik dacht ook dat de Leerplichtwet het kader was waar de ouders zich aan hadden te houden. Misschien moet dat meer onder de aandacht gebracht worden. Ik heb ergens gelezen dat, wanneer jongeren langer dan een maand geen onderwijs volgen, de school verplicht is om dat aan de ouders te melden. Ik vraag mij af waarom dat pas na een maand moet gebeuren. Is het uw bedoeling dat de Leerplichtwet zo veranderd wordt dat die termijn verkort wordt? Ik zou daarin willen meegaan.

De heer Dibi (GroenLinks): Dat is precies wat ik met mijn voorstel wil bereiken. De incidentele spijbelaar kan niet gepakt worden via zo’n contract. Als je als leerling een keer op het pleintje wil rondhangen, vind ik dat prima. We zijn allemaal jong geweest. Met mijn voorstel wil ik het aanpakmoment naar voren halen. Er moet niet gewacht worden totdat een leerling al dertig halve schooldagen niet op school is geweest. Er zou bijvoorbeeld al na een week moeten worden ingegrepen.

De voorzitter: Ik heb ook een vraag. Er zijn scholen die nu al contracten met ouders sluiten. Daarin staat bijvoorbeeld dat zij ouderavonden moeten bezoeken en dat zij het rapport van hun kind moeten ophalen. Ik vind dat prima. Dat zou je kunnen uitbreiden met uw voorstel. Ik herinner mij echter nog de discussies over het rapport van de commissie-Dijsselbloem. Daarbij ging het over het wat en het hoe. U was daar toen een krachtig pleitbezorger van. Ik vraag mij af hoe dat zich verhoudt tot uw idee dat de regie weer via Den Haag wordt gevoerd en dat de scholen die werkwijze min of meer wordt voorgeschreven. Wij hebben toch aangegeven dat de scholen dat zelf mogen beslissen?

De heer Dibi (GroenLinks): Dat klopt. Er is een bepaalde verantwoordelijkheid die je aan de scholen zelf laat. Het is nooit de bedoeling geweest van de commissie-Dijsselbloem dat Den Haag de scholen geen richtlijnen meer mag geven. De inhoud van het onderwijs wordt inderdaad niet door Den Haag bepaald. Den Haag kan echter wel kaders stellen. Dit is het kader van de ouderparticipatie. Voortijdig school verlaten (vsv) is een probleem van de grote stad, van eenoudergezinnen en een probleem dat zich vooral bij allochtonen voordoet. De ouders van die leerlingen komen vaak niet naar school. Als zij informatie van de school krijgen, begrijpen zij die niet. Het kan ook zijn dat de ouders onwillig zijn. Als iemand met een beter voorstel komt dan het mijne, wil ik dat ook graag omarmen. Welnu, met mijn voorstel wordt bereikt dat de ouders naar de school komen.

De heer Depla (PvdA): Ik wilde weten wat uw voorstel precies inhield. Als ik u goed begrijp, wilt u een uniforme handelwijze voor scholen voorschrijven. Volgens mij staat dat echt haaks op de conclusie die wij getrokken hebben. Volgens mij moet je zeggen: scholen, u bent verantwoordelijk om iets te doen aan schooluitval en spijbelen; u moet de mensen aankijken, aanspreken, enzovoort, maar de manier waarop u dat vormgeeft, behalve natuurlijk de wettelijke richtlijnen, is aan u. Ik snap niet dat deze aanpak die u voorstelt, die in de ene school prima kan werken, terwijl een andere school het anders wil aanpakken per se voor elke school moet gelden. Waarom mogen de scholen dat niet op hun eigen wijze invullen?

De heer Dibi (GroenLinks): Nogmaals, scholen die het op een eigen manier al goed doen, spreek ik nu ook niet aan. Wat ik vaststel – dat doen de onderwijsinspectie en Ingrado ook – is dat niet elke school een verzuimbeleid op papier heeft staan. Niet elke school maakt bovendien aan ouders duidelijk wat zij van hen verwacht, als hun kind niet op school is. Met mijn voorstel wil ik eigenlijk zeggen: scholen, u moet een verzuimbeleid hebben en dat moet u duidelijk communiceren met de ouders. Dat heb ik naar het voorbeeld van België een antispijbelcontract genoemd. Het kan ook op een andere manier ingevuld worden. Ik zeg niet dat mijn voorstel het wondermiddel is. Ik zeg alleen dat er wat moet gebeuren om ouders beter bij het onderwijs van hun kind of kinderen te betrekken, omdat anders de doelstelling niet gehaald wordt.

Sinds 1995 geldt als norm dat er een full time leerplichtambtenaar op 4500 leerplichtigen moet zijn. De staatssecretaris verwijst hier regelmatig naar in haar brief. Alsof iets wat ooit in 1995 is besloten, altijd zo moet blijven. Zij gaat echter niet in op de in 2007 aangescherpte norm van Ingrado. De leerplichtambtenaren hebben er immers allerlei taken bij gekregen. Ik denk aan de zorgadviesteams. Ik wil dan ook voorstellen dat de norm wordt bijgesteld in die zin dat er een richtlijn komt voor één leerplichtambtenaar op 3800 leerlingen. Dit is niet nodig voor het hele land, maar alleen in de risicogebieden. Wij weten dat schoolverzuim een probleem van de grote steden is. Wat vindt de staatssecretaris van het idee dat er in ieder geval in de G4 een leerplichtambtenaar is op 3800 leerlingen?

Spijbelen wordt niet alleen veroorzaakt door problemen thuis, maar ook door verveling en het gevoel, niet gehoord en gezien te worden. Dit heeft natuurlijk te maken met de leerfabrieken in het onderwijs. Leerlingen hebben daar vaak het gevoel dat zij de dag anoniem doorkomen. Ik heb het al eerder aangegeven: absenties worden bijvoorbeeld een keer per dag opgenomen in plaats van elk uur. Dit heeft ook te maken met het achterliggende probleem van de grootschaligheid en de kwaliteit van het onderwijs. Daarover doet het kabinet ook allerlei voorstellen. Daar moet vooral mee verder gegaan worden. Een manier om leerlingen het gevoel te geven dat zij gezien en gehoord worden, is om hun een stem te geven. De staatssecretaris heeft het voortgezet onderwijs als extraatje 200 mln. gegeven. Om leerlingen beter te betrekken, willen wij eigenlijk dat zij mogen meebeslissen aan welke prioriteiten dit extra geld op hun school wordt uitgegeven, bijvoorbeeld op het gebied van schoolverzuim. De leerlingen hebben vaak heel goede ideeën over wat er aan het probleem van spijbelen gedaan kan worden, omdat zij weten waarom er gespijbeld wordt. Hoe kijkt de staatssecretaris hier tegenaan?

De inspectie stelt in de Staat van het Onderwijs dat er weinig schot zit in de aanpak van voortijdig schoolverlaten. Sterker nog, met name in het voortgezet speciaal onderwijs lijkt de aandacht voor dit probleem te verslappen. Bij bijna alle maatregelen is er bij het voortgezet speciaal onderwijs sprake van een achteruitgang. Ik vind dit ontzettend zorgwekkend, omdat het speciaal onderwijs altijd sowieso als laatste komt, als wij het over het onderwijs hebben. Graag wil ik weten van de staatssecretaris welke extra acties zij gaat nemen om die achteruitgang het hoofd te bieden.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. In 2006 waren er ruim 54 000 voortijdig schoolverlaters en in 2007 waren dat 53 000. De aanpak ligt daarmee niet op schema, zoals ook het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) constateert. De doelstelling, die wij allemaal kennen, namelijk een halvering van het aantal schoolverlaters in 2012, raakt uit zicht. De moeilijkste gevallen moeten nog komen en de maatschappelijke gevolgen zijn ernstig. Veel van de betrokken jongeren zijn overbelast, zo schrijft ook Pieter Winsemius. Zij hebben meervoudige problemen, groeien op in wijken en buurten zonder perspectief en goede voorbeelden, zij komen niet of nauwelijks aan de bak en zelfs een kwart van het aantal schoolverlaters op mbo1-niveau wordt ervan verdacht een misdrijf te hebben gepleegd. De samenleving als geheel betaalt de rekening van het falende overheidsbeleid. Ik noem in dit verband de jongeren, de kinderen, de leraren, de politieagent, de maatschappelijk werker en de buurt of de wijk waarin zij wonen.

Veel uitvallers zijn allochtoon; dat komt bij hen twee keer zo veel voor als bij autochtone jongeren. Daarmee is een onderklasse gecreëerd die steeds meer een kleur krijgt. Vooral in deze groep zie je een opeenstapeling van problemen: weinig positieve voorbeelden, gebroken gezinnen, verwaarloosde huisvesting, drugs, criminaliteit en schulden. Daarmee is schooluitval ook een armoedeprobleem en een probleem dat zich concentreert in bepaalde wijken. Daarom zou wat mij betreft de bestrijding van segregatie in huisvesting, in werk en in onderwijs veel hoger op de agenda moeten staan, met concrete doelen. Anders blijft het echt dweilen met de kraan open. Hoe worden deze leerlingen anders geconfronteerd met positieve voorbeelden?

De brief van 5 juni van het kabinet gaat over een hele reeks maatregelen; een aantal daarvan betekent zeker een stap vooruit. Ik noem meer leerplichtambtenaren, de samenwerking met de Regionale Meldcentra (RMC’s), de spijbelrechters en het instellen van een loket. Ik verneem graag de reactie van het kabinet op het voorstel inzake een zogenaamde verzuimwet om juist een oplossing te bieden voor het probleem van de versnippering, de niet geïntegreerde aanpak van verzuim. Ik wil ook graag een reactie op de brief van Ingrado van 9 september. De heer Dibi zei het al: de norm van één leerplichtambtenaar op 4500 leerlingen is in feite verouderd. Vanwege de uitbreiding van de taak van de leerplichtambtenaar zou de norm moeten zijn: een leerplichtambtenaar op 3800 leerlingen. Nu is er een leerplichtambtenaar op 9000 leerlingen; dit is de helft van de oude norm. Er moet dus nog heel veel gebeuren. Nogmaals, graag verneem ik de reactie van het kabinet.

De voorzitter: Voor de zorgvuldigheid merk ik op dat die brief niet geagendeerd is. Ik begrijp dat het u met name gaat om de norm van een leerplichtambtenaar ten opzichte van het aantal leerlingen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ja. Ik neem aan dat de staatssecretaris deze brief heeft. Heeft zij ook de brief van de gemeente Amsterdam van 23 september? Deze brief zal ik straks wel doorgeleiden. Daarin staat dat de boetes voor luxe verzuim te laag zijn. Ook staat daarin dat de RMC-wetgeving geen sancties kent, waardoor er geen goede aanpak van het verzuim mogelijk is. Graag krijg ik hierop een reactie. In deze brief wordt met nadruk vermeld dat er te weinig budget is om aan de slag te gaan met wijk- en vakscholen. Ook hierop krijg ik graag een reactie. Natuurlijk geldt dit ook voor andere (grote) gemeenten.

Het valt mij op dat de brief van het kabinet vooral over het eindstation gaat: maatregelen inzake verzuim, dus wanneer de leerling al veelvuldig heeft gespijbeld. Natuurlijk moet daar beleid voor zijn, maar allereerst gaat het om het voorkomen van spijbelen. Dan kom je bij het onderwijs terecht. Uitval wordt namelijk voorkomen door aansprekend onderwijs met goede docenten op kleine scholen. Idealiter zou een leerling helemaal geen kans moeten krijgen om te spijbelen; dat bereik je met intensief onderwijs. Daarom zijn de experimenten met vakcolleges zo interessant. Verleden week was ik op het Nova College in Amsterdam, dat nu aan de slag gaat met een vakcollege techniek. Daarbij gaan leerlingen in modules werken; zij beginnen op twaalfjarige leeftijd en als het meezit, halen zij een startkwalificatie. Dat is hartstikke goed, want dan hoeven zij niet meer van het vmbo naar het mbo over te stappen. Men vertelde mij daar ook dat men is gestart met dit vakcollege zonder dat men de vereiste vergunningen van de gemeente heeft gekregen. Is het kabinet bekend met dit probleem? Worden daartoe maatregelen genomen? Het is toch zonde wanneer die vakscholen van de zijde van gemeenten worden belemmerd door bureaucratie en regelgeving.

Mevrouw Dezentjé maakte al terecht de opmerking dat gemeenten gebruik zouden willen maken van de re-integratiegelden via de Wet werk en bijstand. De motie die wij daarover hebben ingediend, is aangehouden. Kan het kabinet nu al aangeven of het van plan is om die motie uit te voeren, zodat de re-integratiegelden ook voor de vakcolleges bestemd kunnen worden?

Ondanks de positieve zaken blijft toch een beeld bestaan dat langer aan dit kabinet kleeft. Wij lezen in de beleidsplannen van het kabinet veel over zaken, zoals uitwisseling van gegevens, ketenpartners, websites, bestuurlijke arrangementen, uitbreiding van RMC-functies, overleg, convenanten en pilots. Het is allemaal prachtig, maar wat is er nu anders dan het beleid van de afgelopen twintig jaar, zodat wij ook kunnen gaan geloven in een goede afloop? Het probleem staat echt al sinds het begin van de jaren negentig op de agenda. Papier is geduldig, zo blijkt. Hierin ontbreekt aandacht voor de leraren, de frontwerkers, zoals de heer Winsemius hen noemt. Zij moeten het doen. Ik doel op de preventie van spijbelen. Maar juist leraren zijn vaak overvraagd vanwege de werkdruk. Het probleem speelt juist bij de spijbelende leerlingen die geen vastigheid kennen en kwetsbaar zijn bij elke tegenslag. Zeker, het probleem moet integraal worden aangepakt, maar in de scholen zijn de leerlingen direct aan te spreken.

De inspectie constateert ook dat er te weinig wordt gedaan aan keuzebegeleiding en begeleiding bij leerproblemen en bij persoonlijke en sociale problemen. Voorts zegt de inspectie: de intensiteit van de begeleiding vergroot de waarschijnlijkheid dat problemen tijdig gesignaleerd worden, zodat uitvallen nog te voorkomen is. Dit zou er wel eens op kunnen wijzen dat er gewoon een tekort aan personeel is. Je zou kunnen zeggen: als je op de enorme roc’s meer leraren hebt, kan in ieder geval geprobeerd worden om, naast het probleem van de grote schaal, meer docenten op minder leerlingen te zetten.

Dit hangt ook samen met de problemen rond het speciaal onderwijs. Daarover spreekt de inspectie harde woorden. Ik vraag mij af of dat toch niet te maken heeft met het afbouwen van het speciaal onderwijs, zeker in het voortgezet onderwijs. Die leerlingen zijn nu namelijk in het reguliere onderwijs gezet met het zogeheten rugzakje. De beste leraren zijn daarin meegegaan. Veel reguliere scholen hebben te veel zorgleerlingen waar zij geen raad mee weten.

Ik leg dan ook de nadruk op kleinschaligheid. Ook de inspectie wijst daarop. Zelfstandige scholen lopen op dit terrein namelijk minder risico dan scholen die onder grote besturen vallen, aldus de inspectie. Graag krijg ik een reactie hierop. Het kabinet zou dit kunnen onderzoeken. Wanneer komt het kabinet met zijn plan voor kleine scholen en de menselijke maat? Ik heb onlangs vragen gesteld over de fusie van twee roc’s in Noord-Holland; die gaan op in een instelling van 21 000 deelnemers. Dat vind ik echt een slechte zaak. Ik pleit in dit verband voor een fusiestop. Dat is te bereiken via de bestaande fusietoets. Dit sluit ook aan bij het plan van de SP: de buurt, de schaal van de toekomst.

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Uit het rapport Gestruikeld voor de start van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat jaarlijks 53 000 leerlingen het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie. Bovendien blijkt uit de gegevens van het ministerie dat in het schooljaar 2006/2007 bijna 50 000 leerlingen zich schuldig hebben gemaakt aan schoolverzuim. Dit is een toename van 12%, vergeleken met het voorgaande jaar. Bij deze cijfers gaat het over leerlingen die ten minste drie dagen of een achtste van de lesuren in vier aaneengesloten weken gemist hebben. Op zich is dat al zorgwekkend, maar dit geldt des te meer, omdat dit spijbelgedrag een duidelijke voorbode is van schooluitval. De staatssecretaris geeft dit ook aan.

Spijbelen fungeert als een early-warning-mechanisme: hoe langer een leerling wegblijft van school, des te groter is de kans op schooluitval. Wij moeten het probleem van schoolverzuim dan ook nu aanpakken, voordat straks honderdduizenden jonge mensen rondlopen zonder startkwalificatie. Het is nodig, spijbelgedrag eerder te constateren om tijdig gepaste maatregelen te kunnen nemen. Mijn fractie steunt daarom het plan van de staatssecretaris om het melden van spijbelgedrag in de toekomst via een loket te laten lopen. Op deze manier wordt de administratieve last voor scholen en gemeenten verlicht. De staatssecretaris geeft aan dat zij de invoering per 1 december 2009 afgerond wil hebben. Een uniforme meldprocedure zal aanvankelijk echter geen wettelijke grondslag hebben. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat scholen daadwerkelijk gebruik gaan maken van deze nieuwe meldprocedure? Zal schoolverzuim dus daadwerkelijk gemeld worden? Wat gaat de staatssecretaris doen, als dat niet gebeurt?

De staatssecretaris schrijft in haar brief: voorkomen is beter dan genezen; hoe meer leerlingen in het begin van hun spijbelcarrière weer op het rechte pad komen, des te beter. Volgens mij moeten wij als doel hebben dat leerlingen überhaupt niet aan een spijbelcarrière beginnen. Wij moeten dus voorkomen dat zij dat pad op gaan. Hiervoor zijn grote investeringen nodig. Het is bekend dat mijn fractie 600 mln. extra in het onderwijs wil investeren. Een van de hoofddoelen daarbij is het tegengaan van schooluitval.

Een belangrijke rol is hierbij weggelegd voor de leerplichtambtenaar, de verbindende schakel in de uitvoering van de aanpak van het schoolverzuim. Het is schrikbarend dat gemeenten gemiddeld maar de helft van de Ingrado-norm van een leerplichtambtenaar op 4500 leerlingen weten te realiseren, dus een leerplichtambtenaar op 9000 leerlingen. Volgens de VNG was er in de afgelopen jaren in kleine gemeenten soms helemaal geen leerplichtfunctionaris. Hoe staat de staatssecretaris tegenover deze cijfers? Onlangs sprak ik de burgemeester van Hoorn in West-Friesland, die zei dat een gemeente als Opmeer 0,2 leerplichtambtenaar heeft, evenals de omliggende gemeenten. Dit betekent eigenlijk dat de centrumgemeente Hoorn het hele leerplichtwerk voor West-Friesland doet. Als dat bij de bestuurskrachtmetingen wordt betrokken, ontstaat er volgens mij een schrikbarend beeld van de bestuurskracht van kleine gemeenten. Graag krijg ik hierop een uitgebreide reactie.

Voor het komende jaar wordt slechts 12 mln. extra uitgetrokken voor de versterking van de handhaving van de leerplicht. Dit betreft een ernstig probleem. Er gaat echter wel 290 mln. naar gratis schoolboeken. Denkt de staatssecretaris dat 12 mln. genoeg is om voldoende gekwalificeerde leerplichtambtenaren aan te stellen? Op welke termijn gaat dit gebeuren?

Mijn fractie wil meer investeren in het onderwijs, in de salarissen, in de conciërges in het vmbo en wij willen zorgen voor meer persoonlijke aandacht en begeleiding, maatwerk dus. Daarmee kunnen schoolverzuim en schooluitval worden tegengegaan. Daarbij zou de aandacht in het bijzonder moeten uitgaan naar die groepen leerlingen waarbij de schooluitval nu te groot is. Ik doel op allochtone leerlingen, leerlingen uit de vier grote steden en leerlingen uit eenoudergezinnen. Is de staatssecretaris het met ons eens dat deze groep extra hulp nodig heeft? Wat doet de staatssecretaris om schoolverzuim bij deze groep aan te pakken?

Minister Hirsch Ballin laat ons weten dat schoolverzuim een Halt-waardig feit is geworden. Mijn fractie is het ermee eens dat een Halt-interventie voor bepaalde groepen leerlingen de juiste aanpak is. Wij moeten echter voorkomen dat leerlingen bij wie het spijbelen veroorzaakt wordt door achterliggende problemen, automatisch terechtkomen bij Halt. Er moet altijd gekeken worden naar de persoonlijke situatie van de leerling, zodat het spijbelgedrag bij de kern kan worden aangepakt. Dit geldt in het bijzonder voor de groepen leerlingen die ik eerder noemde. Kan de minister mij verzekeren dat er voldoende aandacht komt voor de persoonlijke situatie van de betrokken leerling? Wie gaat ervoor zorgen dat de achterliggende problemen ook daadwerkelijk worden herkend en erkend? Ik denk dat ik mijn blik nu op de andere aanwezige minister moet richten.

Tevens moet er aandacht komen voor de effectiviteit van spijbelinterventies. De minister laat weten dat huidige programma’s niet effectief zijn en dat deze geleidelijk vervangen worden. Hoe lang denkt de minister nog door te gaan met deze ineffectieve programma’s? Hoe staat het met de ontwikkeling van de nieuwe programma’s die wel effectief zijn? Hoe worden die ingevoerd en op welke termijn gebeurt dat?

In haar brief spreekt de staatssecretaris niet over het volgende punt. Volgens het onderwijsverslag van de onderwijsinspectie is dit evenwel een van de belangrijkste oorzaken van schoolverzuim: het ontbreken van een sluitend lesrooster. Natuurlijk is het geen excuus voor spijbelen, maar het is wel een belangrijke oorzaak. Een aansluitend en goed gevuld lesrooster nodigt nu eenmaal minder uit tot spijbelen dan een rooster met veel tussenuren. Nog steeds krijgen leerlingen op scholen onvoldoende les en hebben zij veel tussenuren, waarin geen programma’s worden aangeboden. Erkent de staatssecretaris dat dit een grote oorzaak van het schoolverzuim is? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er voldoende docenten en lesuren zijn? Vindt de staatssecretaris dat hierin voldoende wordt geïnvesteerd? Hoe staat het met het onderzoek naar deze lesuren? Wanneer denkt de staatssecretaris ons over de vorderingen te kunnen informeren?

De heer Depla (PvdA): Voorzitter. Als je zonder diploma van school gaat, nemen je kansen op een goede carrière af. Daarbij nemen de kansen op een criminele carrière snel toe: 28% van de uitvallers op mbo1-niveau wordt verdacht van het plegen van een misdrijf. Het zijn deze jongeren die wij vaak rondhangend aantreffen; zij veroorzaken overlast. Het is dan ook terecht dat de aanval op de schooluitval een van de topprioriteiten van dit kabinet is. Het is dus goed dat er een hele set maatregelen genomen wordt.

Goed onderwijs in een vertrouwde omgeving waar mensen elkaar kennen en waar zij gekend worden, alsook waar bevlogen docenten les geven, is de beste manier om schooluitval te voorkomen. Helaas is het ingewikkelder. Schooluitval is niet alleen een schoolprobleem. Jongeren uit het vmbo of mbo op het laagste niveau die in de meest kwetsbare buurten wonen, vallen het meest uit. Een combinatie van de problematische thuissituatie met een zwakke buurt maakt het voor deze jongeren zeer moeilijk om succesvol een school af te ronden. Er zijn voor hen dan geen extra kansen door een succesvolle schoolcarrière, maar zij glijden wel af en een criminele carrière is het resultaat.

Daarom pleit de PvdA-fractie ook voor vakscholen. Op die manier wordt voorkomen dat jongeren moeten overstappen tussen vmbo en mbo. Als je niet hoeft over te stappen, val je ook minder snel uit. Dat bleek ook toen ik deze maand enkele spijbelzaken bij een rechtbank mocht bijwonen. Zelfs bij jongeren die al in beeld zijn bij de «leerplicht» en de jeugdzorg gaat nog van alles mis, als zij moeten overstappen van vmbo naar mbo. Door het oprichten van vakscholen hoeven jongeren dus niet over te stappen en vallen zij minder uit. Die experimenten moeten dan ook een kans en meer ruimte krijgen.

Bij die rechtszaken viel mij ook het belang van de menselijke maat op. De kwetsbare jongeren zijn namelijk hopeloos verloren als zij in een omgeving terechtkomen waar zij niemand kennen en waar zij niet gekend worden. Vandaar nogmaals het verzoek of de notitie van het kabinet over versterking van de menselijke maat in het onderwijs, met spoed naar de Kamer gestuurd kan worden. Ook moet er op de mbo’s extra schoolmaatschappelijk werk komen. Waarom? Wel, leraren moeten les kunnen geven. De leerlingen nemen immers een probleem mee naar school. Ik herhaal dat extra begeleiding nodig is op de mbo-scholen, zodat docenten weer kunnen doceren en de jongeren, ondanks hun sores, wel naar school gaan en een vak leren. Daarom hebben wij bij de algemene politieke beschouwingen al een eerste stap in die richting gezet; er is namelijk 15 mln. structureel vrijgemaakt voor het schoolmaatschappelijk werk op het mbo. Het is nu aan de staatssecretaris om dat verder in te vullen en om ervoor te zorgen dat het geld op die scholen terechtkomt waar dat het hardst nodig is.

De heer Jasper van Dijk (SP): U bent voorstander van vakscholen. Wilt u ook reageren op het appel van gemeenten dat zij daarvoor dan budget moeten hebben? Zij kunnen daar anders niet mee aan de slag gaan. U wilt ook graag aan de slag met kleinschaligheid. Dat wil ik ook. In het mbo geldt daarvoor een fusietoets, maar wat vindt u ervan dat in het voortgezet onderwijs de schaalvergroting, al dan niet bestuurlijk, gewoon doorgaat? Zal op dat punt in het middelbaar onderwijs niet ook veel harder gehandhaafd moeten worden?

De heer Depla (PvdA): Ik ben voor een fusietoets, maar ik ben er vooral voor dat het binnen het publieke bestel makkelijker wordt voor een burgerinitiatief om nieuwe scholen te stichten. Een andere mogelijkheid is dat groepen leraren het initiatief wordt geboden om, onder voorwaarden, uit te treden. Wij kunnen een fusietoets uitproberen, maar dan wordt van bovenaf de ontwikkeling tegengehouden. Het kan gebeuren dat iemand over de grens gaat; vervolgens is dat de nieuwe norm. Ik wil juist aan de andere kant wat regelen, maar wel binnen het publieke bestel. Niets is namelijk zo vervelend als het ontstaan van private scholen buiten het publieke bestel. Immers, de mensen met geld gaan het dan goed regelen en voor mensen die dat niet kunnen regelen, blijft er slecht onderwijs over. Dat kunnen wij niet hebben. Daarom moet dit binnen het publieke bestel gebeuren. Ik ben tegen die achtergrond aan de ene kant voor een fusietoets en aan de andere kant wil ik meer ruimte geven voor het afsplitsen van scholen en voor particulier initiatief. Ik hoop dat het kabinet in de komende Wet maatschappelijke onderneming daar ruimte voor gaat bieden.

Schoolmaatschappelijk werk alleen is niet genoeg. De motie-Depla is unaniem door de Kamer aangenomen bij het vorige debat over de schooluitval. Het kabinet is toen gevraagd om met voorstellen te komen om mbo-scholen beter te ondersteunen, zodat zij beter in staat zijn om jongeren de schoolopleiding succesvol te laten afsluiten. Dat betreft een gezamenlijke aanpak van Justitie, Sociale Zaken, Jeugd, OCW en VWS. Al die departementen hebben namelijk met dezelfde jongeren te maken. Dit resulteert in eigen kokers en eigen beleid en daar moet rigoureus een einde aan gemaakt worden. Immers, het gaat om dezelfde jongeren. Nu werken jeugdzorginstanties, politie en scholen langs elkaar heen. Het gevolg is dat er wel veel vergaderd wordt, maar dat er in de richting van gezinnen en jongeren weinig effectief wordt opgetreden. Ik ga ervan uit dat door de motie-Depla die verkokering echt doorbroken wordt en dat gemeenten geld uit het participatiebudget ook mogen inzetten om schooluitval bij jongeren te voorkomen. Ook moet voorkomen worden dat zij moeten wachten totdat zij werkloos thuis zitten. Hoe staat het met de uitvoering van deze motie? Voor 1 oktober zou hierover gerapporteerd worden. Ik geef toe, het is nog geen 1 oktober.

Vervolgens is de vraag aan de orde: hoe voorkom je erger, als er eenmaal sprake is van spijbelen en schoolverzuim? Dit zijn immers de voorbodes van schooluitval. Het is terecht dat de scholen erop worden aangesproken als zij daar onvoldoende aan doen. Spijbelen duidt namelijk vaak op problemen van een leerling en/of ouders die onmachtig zijn of op problemen met, dan wel op school. Je moet er dan snel bij zijn en ingrijpen. Als dat gebeurt, is dat een teken van betrokkenheid van de school. Het is pas hardvochtig als je op zo’n belangrijk moment in het leven van een kind de andere kant op kijkt en niet optreedt. Hoe langer een kind van school is, des te moeilijker het is om dat kind terug te krijgen op school. Daarom is het goed dat het kabinet een fors aantal maatregelen heeft genomen om het schoolverzuim tegen te gaan. De collega’s hebben die al genoemd, dus dat doe ik niet over.

Helaas zijn wij er nog niet helemaal. Allereerst moet ik zeggen dat de ouders er verantwoordelijk voor zijn dat hun kind naar school gaat. Hierna komt de taak van de school in beeld. Als kinderen van school wegblijven, moet de school daarop afgaan: aanbellen, aankijken, aanspreken en activeren. Op scholen waar dat gebeurt, voelen kinderen zich geen nummer. De school staat het dichtst bij de leerling en moet dus als eerste in actie komen, wanneer een leerling wegblijft. Uit onderzoek van de Rekenkamer Rotterdam blijkt dat de helft van de schoolverlaters nooit iets van school had gehoord, toen zij van school thuis bleven. Dat moet echt verbeterd worden. De scholen hebben immers de plicht om het verzuim te melden; er kan een boete opgelegd worden als een school dat notoir niet doet. Een school die daarin echt nalatig is, moet dan ook een keer als voorbeeld gesteld worden. Nogmaals, het is normaal en gebruikelijk om je werk te doen, dus ook om schoolverzuim te melden.

Als de school het alleen niet redt, komt de leerplichtambtenaar in beeld. Ook die moet achter het bureau vandaan: aanbellen, aankijken, aanspreken en aanpakken. Natuurlijk moeten er wel voldoende leerplichtambtenaren zijn. Als je niet kijkt, zie je niets. Scholen klagen erover dat, als de ene leerplichtambtenaar met vakantie is, er geen melding van schoolverzuim gedaan kan worden. Wat kan het kabinet doen, als de gemeenten volharden in het inzetten van te weinig leerplichtambtenaren? Meer collega’s hebben dit punt aan de orde gesteld. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat alle leerplichtambtenaren opsporingsbevoegd zijn? Anders kunnen zij, als het erop aankomt, geen proces-verbaal opmaken. Dit moet op orde gebracht worden.

De heer Dibi (GroenLinks): Wie is dan degene van school die naar het huis van de schoolverzuimer moet gaan? Is dat volgens u de leerplichtambtenaar?

De heer Depla (PvdA): Nee, bij licht verzuim is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de school om de ouder of het kind aan te spreken en om die thuis te bezoeken. Als blijkt dat het boven de macht van de school gaat, komt pas de leerplichtambtenaar in beeld. Op een gegeven moment probeert de leerplichtambtenaar samen met school en andere instanties de ouders een duwtje te geven. Zo kan de leerplichtambtenaar via de Halt-afdoening iets minder vrijblijvend worden. Als dat allemaal mis loopt, komt pas de rechter eraan te pas. Vandaar mijn insteek: opschalen en gericht kijken wat er aan de hand is, afhankelijk van de specifieke situatie van het kind. Je moet niet te snel iedereen erbij halen, want op die manier worden er alleen nog maar meer tekorten veroorzaakt.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wilde het over de leerplichtambtenaren hebben. In de grote steden is het aantal voortijdig schoolverlaters heel groot. Dat zijn dus risicogebieden. Zou u het geen goed idee vinden om daar meer leerplichtambtenaren in te zetten op een kleiner aantal leerlingen, dus een leerplichtambtenaar op 3800 leerlingen in plaats van een leerplichtambtenaar op 4500 leerlingen? Steunt u dit voorstel?

De heer Depla (PvdA): Ik ben een voorstander van stap voor stap. Het komt mij voor dat wij ons eerst moeten richten op het halen van de norm van één leerplichtambtenaar op 4500 leerlingen. In veel te veel gemeenten wordt die norm niet gehaald. Als dat geregeld is, ben ik bereid om de volgende stap te zetten. Mijn eerste prioriteit is dus dat de norm van 1:4500 gehaald wordt.

De heer Jasper van Dijk (SP): Maar u steunt op dit moment dus niet het voorstel van Ingrado dat de norm moet zijn: 1:3800?

De heer Depla (PvdA): Jawel, ik steun die norm wel. Ik steun ook het idee dat er op dit moment geen schooluitval moet zijn. Daartoe moet ik stap voor stap maatregelen nemen om dat te bereiken. Nogmaals, ik ben voor de norm van 1:3800, maar eerst moet de norm van 1:4500 gehaald worden. Ook u moet kiezen in het leven, hoewel u dat vaak niet doet. Ik wil dus dat eerst de norm van 1:4500 gehaald wordt; pas daarna kan de volgende stap gezet worden. Ik kan niet alles tegelijk. Als ik alles tegelijk zou kunnen, had ik nog veel meer wensen die ik tegelijk vervuld wilde hebben. Verandering van de norm naar 1:3800 is een van die wensen. Ik herhaal dat eerst de norm van 1:4500 gehaald moet worden, want wij hebben allemaal gezien dat er nog te veel gemeenten zijn waar die norm helemaal niet gehaald wordt, zelfs zodanig dat daar helemaal geen leerplichtambtenaar is. Er zijn ook grote gemeenten die te weinig leerplichtambtenaren hebben of die dit probleem niet effectief genoeg aanpakken.

De heer Pechtold (D66): Zou u iets kunnen zeggen over de suggestie om deze norm niet alleen per gemeente te bekijken, maar ook per regio? Als je per regio naar deze norm kijkt, moet je namelijk vaststellen dat de versplintering per gemeente voor extra problemen zorgt. Immers, in een volle fte zit altijd iets van overhead en dergelijke. Zojuist gaf ik het voorbeeld van 0,2 fte voor een leerplichtambtenaar. Je vraagt je dan af of die leerplichtambtenaar nog tijd heeft om te werken.

De heer Depla (PvdA): Dat is soms ook precies de klacht van scholen: de ene leerplichtambtenaar is net op vakantie buiten de schoolvakanties of heeft 0,2 fte en heeft vier dagen iets anders te doen. Daarom vraag ik de staatssecretaris om toch de stap te maken naar een regionale positionering van de leerplicht en RMC. Hierover schrijft zij ook in haar brief. Dit is een mooi idee; ik ben daar erg voor. De staatssecretaris heeft al stappen in die richting gezet door het RMC regionaal te financieren. Wat zijn de mogelijkheden, wanneer sommige gemeenten toch doen wat de heer Pechtold zegt, dus hun eigen gang blijven gaan met een «versnipperde» leerplichtambtenaar? Het laatste is niet effectief. Wat gaat de staatssecretaris dus doen om ervoor te zorgen dat gemeenten die los van elkaar blijven opereren en daardoor niet effectief zijn, toch gaan samenwerken? Wij willen dat allemaal, maar hoe wil de staatssecretaris dat afdwingen?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik heb een déjà vu-gevoel, nu wij het hebben over het aantal fte’s op een aantal leerlingen. Dit gaat een beetje de kant op van de 1040-urennorm: in de Kamer doen wij een beetje handjeklap over de norm. Daar word ik wat iebelig van. Volgens mij kunnen wij dat helemaal niet goed beoordelen. Bovendien heeft het volgens mij verstrekkende financiële gevolgen. Dat zal niet niks zijn. Hoe staat de PvdA daar tegenover? Enerzijds denk ik aan het handjeklap over een urennorm in de Kamer en anderzijds aan de financiële gevolgen en de dekking daarvan.

De heer Depla (PvdA): Volgens mij was ik daar heel duidelijk over. Ik bedenk dat niet zelf, evenmin als de collega’s van de SP en van GroenLinks. Dat zeggen de professionals, de vereniging van leerplichtambtenaren, dus niet de eerste de besten. Dat lijkt mij dan ook een serieus idee voor een norm. Voorts vraagt u waar het geld vandaan moet komen. Daarom heb ik ook gesproken over mijn eerste prioriteit: er is nu geld voor 1:4500, dus dat moet geregeld worden. Er is ook meer geld voor het tegengaan van schooluitval; dat is nu aan andere dingen besteed. Ik herhaal: het moet stap voor stap gaan. Immers, in de begroting voor 2009 kunnen wij de norm van 1:4500 regelen. Dat gaan wij ook doen. De wens is een norm van 1:3800. Ik heb nog meer wensen. Die kunnen niet allemaal in één keer vervuld worden.

De vorige keer hebben wij uitgebreid gesproken over de manier waarop en het tempo waarin het Openbaar Ministerie, de rechterlijke macht, zaken afhandelt. Elke maand dat een kind langer van school is, wordt het moeilijker om het terug naar school te krijgen. Er is ook al heel wat mis als dat een leerplichtambtenaar niet lukt. Die is immers bevoegd tot een Halt-afdoening. Als dat allemaal niet werkt, komen het Openbaar Ministerie en de rechtbank in beeld. In die situatie is echt haast geboden. De minister heeft op dit terrein duidelijke stappen gezet. Hij heeft mij ervan overtuigd dat de Raad voor de Kinderbescherming in dit soort gevallen ook onderzoek moet doen. Het zijn namelijk niet de gewone gevallen die bij de rechter terechtkomen, maar de complexe gevallen. Vandaar ook de Raad voor de Kinderbescherming. Dat traject moet zorgvuldig zijn en mag niet langer dan twee maanden duren. Het streven moet zijn om die periode in te korten; dat is mogelijk als de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg de gegevens beter aanleveren. Is de minister bereid, ons jaarlijks te informeren over de gemiddelde en de maximale tijd tussen het aanmelden bij het OM van een zaak en het moment van de zitting? Wij kunnen aan de bel trekken, als blijkt dat onze ambitie van twee maanden in de praktijk de verkeerde kant op gaat.

Uit het onderzoek van de Rekenkamer Rotterdam blijkt dat jongeren die wegblijven van scholen slechts eenmaal een brief ontvangen van het RMC. Met deze brief worden de gegevens van de desbetreffende leerling gecontroleerd, zoals de laatst genoten opleiding en de huidige dagbesteding. Als daarop geen reactie komt, wordt die leerling officieel geregistreerd als schoolverlater. Daarna wordt die brief doorgestuurd naar het Jongerenloket; dat gaat dan aan de slag. Bij de niet-werkende jongere wordt hetzelfde traject doorlopen: er wordt contact opgenomen en er worden dezelfde vragen gesteld. Ik weet niet of dit alleen voor Rotterdam geldt, maar anders zou het RMC alleen een soort loketfunctie hebben zonder enige waarde. Kan het kabinet mij geruststellen en zeggen dat de situatie in Rotterdam een uitzondering is? Als deze situatie zich op meer plekken voordoet, kan het geld heel wat effectiever ingezet worden. De situatie in Rotterdam, die ik zojuist beschreven heb, lijkt mij namelijk een overbodige actie.

RMC’s moeten dus prioriteit geven aan vroegtijdig schoolverlaters. Er zijn verschillende schoolverlaters. Sommige schoolverlaters gaan aan het werk, maar ik wil liever dat zij een startkwalificatie behalen. De hoogste prioriteit hebben de jongeren die thuis zitten. Het zou goed zijn als het CWI gegevens zou doorgeven aan de RMC’s, zodat daar bekend is welke jongeren geen werk hebben. Immers, zij moeten daar eerst langsgaan.

Gisteren is tijdens het vragenuurtje gesproken over het gedwongen uithuwelijken van jonge meiden die op school zitten. Na de schoolvakantie komen zij niet meer terug op school. Het zou goed zijn als het voorstel van wethouder Kriens van de gemeente Rotterdam werd overgenomen. Wil het kabinet daaraan een bijdrage leveren door daarmee in Amsterdam en Rotterdam te beginnen? Dat voorstel houdt in dat de scholen op dit punt begeleid worden. Het gaat dus om meiden die zich hier zorgen over maken en die dat aangeven. Na school zou gecontroleerd kunnen worden of dat echt gebeurd is. Er moet ook een titel zijn op grond waarvan die meiden actief teruggehaald kunnen worden, als zij van school weggehouden worden. Gisteren is in het vragenuurtje wel iets gezegd over een meldpunt, maar het zou goed zijn als dit op basis van de leerplicht ondersteund werd.

Mevrouw Agema (PVV): Voorzitter. Het is goed dat het kabinet serieus werk wil maken van het voortijdig schoolverlaten. Verleden jaar stopten ruim 53 000 leerlingen met hun opleiding, zonder dat zij een startkwalificatie hadden; het jaar daarvoor waren dit 54 000 leerlingen. Deze cijfers laten duidelijk zien dat de aanpak van voortijdig schoolverlaten het afgelopen jaar niet gewerkt heeft. Kan de staatssecretaris nog eens duidelijk maken waarom de doelstelling in 2010/2011 is om het aantal schoolverlaters terug te dringen tot 35 000? Is die doelstelling wel ambitieus genoeg? Een aantal van 35 000 is natuurlijk nog steeds heel hoog.

De fractie van de PVV ondersteunt de gedachte van een nieuw geïntegreerde beroepsopleiding, waarbij de bovenbouw van de opleiding vmbo/basis beroepsgerichte leerweg wordt samengevoegd met een opleiding op mbo2-niveau. Meten is weten en daarom mag het doen van een vmbo-examen in deze geïntegreerde beroepsopleiding niet komen te vervallen. Wij worden in dit standpunt gesteund door een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Gestruikeld voor de start. Daarin wordt duidelijk dat een drempelloze doorstroom uit het vmbo problemen, zoals taalachterstanden, doorschuift naar het mbo. Graag hoor ik dus van de staatssecretaris dat het examen behouden wordt.

Wij zijn het doorschuiven van problemen in het onderwijs meer dan beu. Veel leerlingen verlaten de basisschool met achterstanden daarin van twee of drie jaar. Dat vinden wij onacceptabel. Heldere eindtermen per jaar in het basisonderwijs moeten daar een eind aan maken. Een kind dat het niveau van de volgende klas niet aan kan, dient daar ook niet naartoe te gaan. Niet alleen in het basisonderwijs dient eraan gewerkt te worden om achterstanden te voorkomen, maar wij willen ook voor- en vroegschoolse educatie verplicht stellen, op eigen kosten voor ouders, als op het consultatiebureau blijkt dat hun kind de Nederlandse taal niet machtig is. Hierop verneem ik graag de reactie van de staatssecretaris.

Een ander verontrustend beeld in het rapport van de onderwijsinspectie is het feit dat het meldgedrag van scholen inzake spijbelen en voortijdig schoolverlaten tekortschiet. Het melden van schoolverzuim gebeurt vaak ook niet consequent, niet op tijd en niet volledig. Het kabinet heeft al aangegeven, hier verbetering in te willen brengen door een digitaal loket in het leven te roepen, waar scholen het verzuim kunnen melden. Volgens de vereniging van leerplichtambtenaren zijn de maatregelen van het kabinet niet voldoende. Het in het leven roepen van een loket voor schoolverzuim heeft volgens die vereniging alleen zin als er voldoende leerplichtambtenaren zijn om actie te ondernemen op binnenkomende meldingen. Mijn collega’s spraken er ook al over. Uit het onderzoek van bureau Regioplan blijkt dat er in veel gemeenten een tekort is aan leerplichtambtenaren. In kleine gemeenten is dat vaak zelfs een parttimefunctie. Het kabinet heeft al toegegeven dat het aantal leerplichtambtenaren te klein is: dat is de helft van wat nodig is. Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel leerlingen een leerplichtambtenaar moet bedienen?

Nu beslissen gemeenten ook over de besteding van het geld uit het Gemeentefonds. Kan het zijn dat gemeenten kiezen voor bestemming van het geld voor andere doelen dan voor de leerplichtambtenaren? Is het geld geoormerkt? Zo nee, zou dat niet beter zijn?

Aan minister Rouvoet vraag ik of het goed is om het melden van schoolverzuim aan het digitale loket op te nemen in het de verwijsindex risicojongeren. Op die manier kan er een koppeling tot stand gebracht worden tussen het digitale loket en de verwijsindex risicojongeren.

Volgens de PVV-fractie moet er meer gebruik gemaakt worden van spijbelrechters, omdat spijbelen een voorbode is van schooluitval. Het moet gaan om onmiddellijk lik op stukbeleid voor de spijbelaars en bij minderjarige spijbelaars van hun ouders. Dit is zeker van belang nu het Verwey-Jonker Instituut met cijfers komt, waaruit blijkt dat spijbelen toeneemt. Na een uitspraak van de spijbelrechter moet in de gaten worden gehouden waarom de jongeren er niet zijn: gaat het om luxe verzuim of om signaalverzuim? Vooral bij het laatste dient de spijbelrechter toe te zien op het vervolgtraject voor de desbetreffende leerling. Ook het aantal huisbezoeken per jaar dat de school aflegt, kan helpen om uitval tegen te gaan. Daar moet ook veel meer actie op ondernomen worden. Docenten komen op deze manier veel sneller te weten welke problemen zich binnen gezinnen kunnen afspelen. Zij kunnen daarvan melding doen bij een landelijk loket.

Van Ingrado hebben wij vernomen dat er nog nooit een proces-verbaal is opgemaakt jegens een school wegens een slecht werkend antiverzuimbeleid. Wij zijn er niet op uit om massaal scholen te gaan beboeten, maar wij willen wel dat scholen actief melden, dat zij een verzuimbeleid in de schoolgids hebben opgenomen en dat zij duidelijk zichtbaar maken welke en welk aantal jongeren er niet zijn, alsook dat zij de reden daarvan vermelden. Zou het een idee zijn om, wanneer er een tussenuur is, dat altijd te houden in een huiswerklokaal in plaats van in de kantine?

Als wij naar de schoolverlaters luisteren, worden wij daar niet vrolijk van. Zij stellen massaal, zo is weergegeven in het onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit van Maastricht, dat de gevolgde opleiding te weinig uitdaging bood en dat de examens te gemakkelijk waren. Ook zouden docenten niet streng genoeg geweest zijn in hun beoordeling van studenten. Het is kwalijk dat die soepele beoordeling door docenten voortvloeit uit het feit dat veel scholen zo veel mogelijk geslaagden willen afleveren. Daarmee scoren zij immers bij ouders en inspectie. Hoe wil men de studenten meer uitdagen en hoe kan de softe beoordeling door docenten van leerlingen getackeld worden?

Veel leerlingen van het vmbo hebben niet het vermogen om zich op theoretisch niveau te bekwamen. Zij moeten dan ook gewoon «een vak met hun handen» leren, omdat zij daar veel beter in zijn. De vakscholen zijn een stap in de goede richting. Is dat aantal niet veel te gering? Het hebben van goede vaklieden is goud waard. Daarom pleiten wij voor een grootschalige come back van de ambachtsschool in plaats van de enkele nieuwe vakscholen die er nu zijn.

Zoals ook bij ongeveer alle problemen in het onderwijs is ook schooluitval in belangrijke mate een geïmporteerd probleem. Er bestaat namelijk een rechtstreekse relatie tussen het Nederlandse immigratiebeleid en schooluitval. Volgens de Integratiemonitor zou de schooluitval onder allochtonen twee keer zo groot zijn als onder autochtonen. Wat is nu specifiek het beleid inzake het allochtonenprobleem, als het om schooluitval gaat, zoals de heer Dibi het zojuist ook omschreef? In Amsterdam verlaat 70% van de Marokkaanse jongeren het onderwijs zonder diploma; van hen is 40% werkloos. De relatie met het criminele circuit kunnen wij ook niet meer ontkennen. Hoe wordt deze groep bereikt? Hoe wordt deze groep erbij getrokken? Bereiken al de maatregelen die in dit verband aan de orde zijn deze groep wel?

Aan het adres van minister Rouvoet heb ik nog een vraag over campussen voor schoolverlaters. Hoe staat het daarmee? Hoe groot is de groep? Heeft hij de groep inmiddels in kaart gebracht die daarvoor in aanmerking komt? Per wanneer denkt hij bereikt te hebben dat de jeugdcriminaliteit door middel van die campussen met 10% teruggedrongen is? Ik wil dus graag enkele concrete doelen van minister Rouvoet vernemen.

Voorzitter: Biskop

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Als ik tijdens Kamerdagen in Den Haag verblijf, verplaats ik mij nogal eens per tram. Ik moet zeggen dat ik zeer onder de indruk ben van de constante en stevige manier waarop de HTM het zwartrijden in Den Haag aanpakt. Zo goed als iedere dag zijn er controles. Vanmorgen heb ik er ook weer een meegemaakt. Het is weliswaar uit eigen waarneming, maar ik heb de indruk dat het aantal zwartrijders steeds meer afneemt. Ik zie de HTM toch wel een beetje als een voorbeeld voor veel scholen en gemeenten, als het gaat om de aanpak van het schoolverzuim.

De urgentie van het signaleren en tegengaan van schoolverzuim is echt heel groot. Alle woordvoerders hebben er ook aandacht voor gevraagd: schoolverzuim kan de voorbode zijn van schooluitval, alsook vaak een indringend signaal voor achterliggende problemen. Daar moet je dus bovenop zitten. Bij het bestuderen van de stukken die op de agenda van dit algemeen overleg staan, is mijn indruk dat helaas nog niet bij alle gemeenten en scholen die sense of urgency van dit vraagstuk goed tussen de oren zit. Dat verbaast mij, want je zou toch denken dat bij een onderwerp als het onderhavige de vrijblijvendheid al heel lang voorbij is. De staatssecretaris draagt daar vanwege haar beleidsterrein een grote verantwoordelijkheid voor. Ik vraag haar dan ook, alsook de andere bewindspersonen, hoe die sense of urgency bij alle betrokkenen tussen de oren te krijgen is. Wij hebben ze niet aan een touwtje; zij hebben hun eigen verantwoordelijkheid, dus die moeten wij niet naar Den Haag willen halen. Dit vraagstuk moeten wij wel gezamenlijk aanpakken. Tevens moeten wij proberen, de oplossing van dit grote probleem daadwerkelijk tot resultaten te laten leiden. De resultaten vallen in dat opzicht immers nog tegen.

De staatssecretaris heeft namens de regering aangegeven hoe zij de extra inzet wil vormgeven om iets aan dit probleem te doen op basis van de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid ter zake. Ik kan niet anders zeggen dan dat dit er op papier goed uitziet. Ook in de praktijk zien wij dat langzaam maar zeker vorm krijgen. Ik noem een digitaal loket voor het melden van schoolverzuim. Dat is prima. Ik noem ook een geldstroom voor de leerplichten RMC-functie. Die ene geldstroom is er nog niet, maar die moet er wel komen. Ik noem ook een rapportage over de verantwoording van de besteding van de middelen. Dat zijn allemaal prima doelen en het is goed dat daarop ingezet wordt. Toch is de vraag hoe de weg naar die doelen eruit ziet. Ik wil daarbij graag een stevig tijdpad uitgezet zien. Tevens wil ik heel graag andere betrokkenen binden aan het realiseren van de einddoelen die wij gezamenlijk gesteld hebben, als het gaat om het tegengaan van schoolverzuim. Graag verneem ik hierop de reactie van met name de staatssecretaris. Ik wil dus graag dat er iets wordt gedaan aan de vrijblijvendheid waarvan toch nog steeds bij dit onderwerp sprake blijft.

Veel woordvoerders hebben terecht over leerplichtambtenaren gesproken. Die ambtenaren zijn een belangrijke schakel in het geheel. Daar komt ook extra geld voor: 12 mln.; dat is toch niet te min. Ook ik heb de vraag aan het kabinet: welke norm moeten wij als uitgangspunt nemen? Ik denk dat het goed is om hierover met elkaar te spreken. Als wij gezamenlijk constateren dat de leerplichtambtenaar toch een aantal aanvullende taken heeft gekregen, zoals de zorgadviesteams, is ook mijn vraag of er toch niet wat meer leerplichtambtenaren moeten komen om het gestelde doel te bereiken. Graag verneem ik hierop een reactie van het kabinet.

Lik op stuk is belangrijk. Je moet natuurlijk aan preventie doen. Ook repressie hoort erbij. Tegen deze achtergrond heb ik een vraag naar aanleiding van de berichten uit de gemeente Amsterdam over het luxe verzuim. Die gemeente signaleert namelijk dat de boetes voor luxe verzuim te laag zijn voor ouders om «seizoensvoordeel» te weerstaan. Ik had zelf de indruk dat het om categorie 2 ging, wat volgens mij neerkomt op meer dan € 250. Dat zijn mijns inziens redelijk hoge bedragen, maar op de een of andere manier blijkt dat niet altijd in de praktijk te werken. Ik denk wel dat dit een signaal is dat wij serieus moeten nemen.

Bij lik op stuk geldt ook dat zo snel mogelijk geprobeerd moet worden om, als er overtredingen geconstateerd zijn, zo snel mogelijk zittingen bij rechters te bewerkstelligen. Dat moet dus ook in orde zijn. Vandaar ook onze vraag hoe lang het duurt voordat een dossier zittingsgereed is en daarover een zitting gehouden kan worden. Die termijn moet inderdaad zo kort mogelijk gehouden worden. Wat ons betreft, is er geen enkel bezwaar tegen om, als het verzuim in bepaalde gebieden toch hoger is dan elders, na te gaan of een versterkte inzet op dat punt mogelijk is, inclusief controles en het wijzen van scholen op hun verantwoordelijkheid, als het gaat om de aanpak van dat verzuim.

De term «zorgadviesteams» is ook al gevallen. Wij weten wat daarbij de inzet van het kabinet is voor 2011. Wij snappen ook dat dit in 2008 nog niet helemaal gerealiseerd is. Toch dringen wij erop aan dat ook de leerplichtambtenaar deel uitmaakt van de zorgadviesteams. Dat is nog niet overal het geval. Overigens gebeurt dit in de meeste gevallen wel in het voortgezet onderwijs. Bij een aantal schoolsectoren is dat evenwel minder. Graag verneem ik hierop de reactie van de bewindslieden. Ik meen namelijk dat dit van belang is, ook voor de integrale aanpak van het schoolverzuim.

De zorgadviesteams zijn van belang in die zin dat zij als schakel dienen tussen wat er binnen de school gebeurt en wat er buiten de school aan jeugdhulpverlening is. Hoe beter die schakels aansluiten, des te belangrijker het kan zijn om ook in de preventiesfeer zo snel mogelijk op te treden en om te voorkomen dat het hoge schoolverzuim verder toeneemt. Uiteraard is het ook in het belang van de betrokken kinderen dat hun problemen vroegtijdig gesignaleerd worden en dat er een adequaat aanbod van hulpverlening komt, indien dat echt nodig is.

Voorzitter: Slob

De vergadering wordt van 14.15 uur tot 14.25 uur geschorst.

Antwoord van de bewindslieden

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Ik zal proberen kort te antwoorden, maar er zijn wel veel vragen gesteld en ik wil de vragenstellers recht doen. Toch wil ik mijn collega’s niet te lang laten wachten. Allereerst stel ik vast dat ik heel blij ben dat wij met deze integrale aanpak kunnen komen. Mevrouw Dezentjé geeft daar ook een compliment voor. Ik dank haar daarvoor. Terecht is aangegeven dat het nodig is. Ik ben blij dat deze problematiek steeds meer met een volledige betrokkenheid van het kabinet wordt aangepakt. Pieter Winsemius geeft het goed aan: zo lang wij denken dat het verzuim alleen een probleem van het onderwijs is, wordt het probleem niet opgelost. Wij als kabinet geven aan dat wij dit niet als een probleem van het onderwijs zien. Ieder kind dat afwezig is in de les, moet als zodanig opgemerkt worden. Dit is ook belangrijk en dat heeft te maken met de attitude van de scholen.

Ik moet ook zeggen dat de integraliteit niet alleen geldt voor het kabinet, maar dat wij steeds meer merken dat integraliteit ook steeds meer in de regionale samenwerkingsverbanden ontstaat. De maatregelen van het kabinet zijn tevens afgestemd met Ingrado, VNG, G4, MBO Raad, VO-raad, Onderwijsinspectie, Raad voor de rechtspraak en Raad voor de Kinderbescherming, Openbaar Ministerie en Halt Nederland. Dit geeft aan met hoeveel partijen dit beleid gemaakt wordt. Tegen deze achtergrond is er toch snel een brief bij de Kamer gekomen. Dit geeft ook de snelheid aan waarmee de ambtelijke organisatie werkt.

Minister Rouvoet zal na mij ingaan op de opvoed- en opgroeiondersteuning. Tevens zal hij ingaan op dat deel van de motie-Depla dat gaat over samenwerking en optrekken van de kwetsbare jongeren in het mbo. In dit kader zijn wij ook bezig met Rotterdam. Dit is ook aan de orde geweest bij de algemene beschouwingen. De minister van Justitie zal vanzelfsprekend over de justitiële aanpak spreken. Ik spreek graag met de Kamer over het onderwijsterrein en de wijzigingen in het bestuurlijk arrangement.

Mij moet overigens van het hart dat de samenwerking tussen gemeenten en Onderwijs echt nog wel een boost nodig heeft. Dit blijkt ook uit de diverse sessies die wij hebben gehad. Ik denk dat de Lokale Educatieve Agenda van gemeenten heel belangrijk is. Daarin zijn de verantwoordelijkheden goed verdeeld; vooral is belangrijk dat daarin is aangegeven wat samen gedaan wordt. Het is dan ook van belang dat deze agenda in de aandacht blijft. Dit is een van de elementen die wij in de richting van de VNG hebben aangegeven.

De integrale aanpak willen wij via een reeks van maatregelen stimuleren. Dat gebeurt onder andere via het harmoniseren van de leerplicht- en de RMC-regelgeving. Daarover zijn ook vragen gesteld. Ik noem de investering van 7 mln. in het digitale loket. Ik noem ook de geldstroom van 30 mln. naar de RMC-regio voor onder meer de leerplicht. Verder denk ik aan de ene rapportage uit de 39 RMC-regio’s. Dat maakt dat men de samenwerking moet zoeken op dit punt. De regels voor melden en registreren zullen eenvoudiger gemaakt worden. Minister Rouvoet en ik investeren bovendien in de zorgadviesteams; daar gaat jaarlijks zo’n 1,2 mln. naar toe. Voorts zijn wij actief bezig om de betrokkenheid van ouders te versterken. Staatssecretaris Dijksma en ik hebben dat al gedaan bij het ouderplatform voor allochtonen en de ouderorganisaties met het manifest dat zij anderhalf, twee jaar geleden hebben opgesteld. In oktober ga ik weer met hen in gesprek om de betrokkenheid bij het schoolverzuim en de startkwalificatie te versterken. Samen met minister Plasterk heb ik een brief gestuurd naar gemeenten, Ingrado – de leerplichtambtenaren – en alle jongeren, als het gaat over de overgang van vmbo naar mbo. In de actieweek voor de leerplicht zijn alle vmbo- en mbo-scholen daarbij zo veel mogelijk betrokken geweest. Daarbij is nagegaan of de betrokken leerlingen daadwerkelijk op het mbo zijn aangekomen. Men is dus actief gaan kijken of niemand tussen wal en schip terecht is gekomen. Kortom, er wordt heel veel ingezet om de zaken in de komende jaren zo goed mogelijk op te pakken. Het gaat erom dat wij er bovenop zitten.

Dit was een inleiding. Nu wil ik graag snel beginnen aan de beantwoording van de vragen. Ik begin met de wet- en regelgeving, inclusief schorsen en verwijderen. Een wet voor alle leerplichtregels, zo merkte onder anderen de heer Biskop op. Een wet voor alle leerplichtregels past helaas niet in de systematiek van de betrokken wetten en regels. Ik zeg dit niet omdat ik het niet zou willen regelen, maar sommige wetten regelen heel andere dingen. Ik kijk bijvoorbeeld naar de leerplicht en de RMC-regels. Daarvoor geldt de Leerplichtwet, de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), de WEB (Wet educatie en beroepsonderwijs), Wet op het primair onderwijs (WPO), Wet op de expertisecentra (WEC), Wet op de studiefinanciering (WSF) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Ik wil het de Kamer niet aandoen om daar een grote wet van te maken in het kader van een Leerplichtwet. Het is allemaal verweven in die wetten. Dat hoort daar ook thuis, want het heeft allemaal met elkaar te maken.

De Kamer mag wel van mij verwachten dat ik probeer om harmonisatie te vinden in de systematiek. Over de wijze waarop ik dat ga doen, zal ik begin 2009 een rapportage naar de Kamer sturen. Vrij kort daarop, bijvoorbeeld een of twee maanden later, kom ik met de wetgeving die daar bij past. Daarbij is het de bedoeling dat dit het middel is om het voor de gemeenten eenvoudiger en helder te maken, alsook voor de scholen zelf.

De heer Biskop heeft in dit kader nog een vraag gesteld over de in- en uitschrijving van kinderen in die zin dat zij niet uitgeschreven kunnen worden als elders geen inschrijving is. Dat is nu alleen voor het vo geregeld. In dit verband heeft de heer Biskop de gang van zaken beschreven bij een jongen van zestien jaar in het vo. Welnu, die gang van zaken hoort niet zo te zijn. Als die jongen bij het vo is ingeschreven, moet hij daar terug. De leerplichtambtenaar moet in die situatie kijken bij welke school die jongen het laatst was ingeschreven. Die school moet daarop vervolgens aangesproken worden, als het niet goed is gegaan. Op het ogenblik inventariseren wij met de inspectie de omvang van schorsingen en verwijderingen. Ingrado zet zich daar ook voor in. Op basis van de resultaten daarvan zal mijn collega voor primair onderwijs bezien of het nodig is om dit uit te breiden naar het primair onderwijs. Wij zijn dus wel bezig met de gedachte die de heer Biskop terecht naar voren heeft gebracht. Wij gaan nog na of het echt nodig is.

De heer Depla (PvdA): Bij de verschillende debatten ging het de andere kant op. Als wij het over veiligheid op school hebben, hebben wij veel begrip voor scholen die een kind dat met een mes dreigt, van school kunnen verwijderen. Het is heel vervelend als zo iemand terug naar school moet, want dan gaat iemand anders weer weg. Wij vinden dat de school op dat gebied dus ruimte moet hebben. Bij schooluitval zeggen wij weer: niemand mag thuis zitten. Eerst zegt u heel ferm: niemand zal thuis zitten; we brengen die personen terug. Hoe gaat u om met dat spanningsveld?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik wil niet ontkennen dat dat spanningsveld er is. Daarom kunnen wij in deze zaal ook geen oplossingen bedenken voor alle situaties, hoe graag wij dat ook zouden willen. Nogmaals, dat zit er niet in. De leerplichtambtenaar zal echt in overleg met de school en soms met deelnemers aan het zorgadviesteam moeten nagaan of het gaat. De school kan dan aangeven dat het echt onverantwoord is. Er is soms immers echt een heel legitieme reden; men kan het niet verantwoord vinden voor het kind en evenmin voor de school. In die situatie komt minister Rouvoet in beeld met zijn campussen en wat dies meer zij. Nogmaals, dat kunnen wij hier niet regelen. Ik geef wel aan dat het niet zo kan zijn dat een jongere puur tussen wal en schip raakt en dat wij altijd een oplossing moeten zien te vinden. De gouden regel is: de laatste vo-school waarbij is ingeschreven, is verantwoordelijk. Die dient met onder anderen de leerplichtambtenaar het probleem te overleggen: als het bij ons niet meer kan, hoe kan het dan wel?

Voorzitter. Ik kom te spreken over ouders en jongeren. De vraag is gesteld: hoe gaat u om met jongeren met gedragsproblemen die geen school kunnen vinden? Ik denk met name aan een leerplichtkind in het speciaal onderwijs. Het is heel belangrijk dat dit probleem in het passend onderwijs en in de regionale samenwerking, die in de komende jaren vorm moet krijgen, opgelost moet worden. Nogmaals, hierbij geldt ook dat dit niet altijd een vanzelfsprekend spoor is. Als het echt om een heel moeilijk individueel geval gaat, moet met elkaar gezocht worden naar een oplossing, met de middelen die er op dat moment zijn. Als een leerplichtkind of -jongere een rugzakje heeft en in aanmerking komt voor speciaal onderwijs en als ouders geen school kunnen vinden die hun kind wil of kan plaatsen, kunnen de ouders zich wenden tot de onderwijsconsulenten van de Advies Commissie Toelating en Begeleiding (ACTB). Er is dus wel een aanspreekpunt. Wij verwijzen ook regelmatig ouders door. Ik krijg af en toe ook brieven van ouders die over dit onderwerp gaan. Een onderwijsconsulent adviseert en begeleidt bij individuele ernstige plaatsingsproblemen. De bedoeling is dat de onderwijsconsulent daarbij de leerling centraal stelt. Dan wordt gekeken wat de beste oplossing voor dat kind is. Heel vaak is dat maatwerk. Daar kan ik dus geen standaard antwoord voor geven.

Ouders beter aanspreken, is een heel terecht punt van mevrouw Dezentjé Hamming. Ook andere woordvoerders hebben hierover gesproken. Ouders zijn natuurlijk primair verantwoordelijk. De ellende is dat wij inmiddels het fenomeen van de afwezige ouder ook kennen. Dit betekent dat wij heel goed moeten nagaan hoe wij de ouders erbij houden. Ik heb al aangegeven dat ik overleg voer met de ouderorganisaties. De bedoeling daarvan is om ouders die onbewust onwetend zijn duidelijk te maken dat zij moeten opletten in die zin dat het mogelijk is dat het met hun kind helemaal niet zo goed gaat als zij denken. Het is dus goed om daarover met de ouderorganisaties te praten. Het kan echter ook zijn dat wij ervoor kiezen om scherper op te treden. Mevrouw Dezentjé Hamming noemt het middel van de kinderbijslag. Op dit moment wordt er op dat vlak een wetsvoorstel voorbereid. Er wordt dus nagegaan of wij in dat kader sanctionerend kunnen optreden in de richting van ouders die de Leerplichtwet niet van harte ondersteunen en zich daarvoor niet inzetten. Wanneer dat wetsvoorstel rijp is, zal het naar de Kamer worden gestuurd. De Kamer kan dat voorstel dan op zijn merites beoordelen. Nieuw is dat het relatief verzuim, dat stelselmatig plaatsvindt, consequenties heeft voor de kinderbijslag. Ik denk dat dit ouders net even extra scherp maakt.

Dan kom ik bij het onderdeel scholen en voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Vanmorgen hebben wij daarover al een discussie gehad, maar die herhaal ik niet. Mevrouw Dezentjé Hamming pleit voor een verplichte VVE. De staatssecretaris primair onderwijs is bezig met de voorbereiding van een wetsvoorstel. Daarbij gaat zij na of die verplichting daadwerkelijk vorm kan krijgen. Op zich wordt er al naar mevrouw Dezentjé geluisterd. Het moet dan wel gelden voor alle doelgroepkinderen, maar dat wordt veel lastiger. Je moet wel een onderscheid kunnen maken; wij kunnen immers niet elk kind van thuis plukken van jaargang twee en zeggen: u dient ... et cetera. De gemeenten zullen zich daar ook over moeten buigen. Vooralsnog is dat een heel weerbarstige materie. Het lijkt mij goed dat de Kamer hierover met mijn collega verder van gedachten wisselt in een ander AO. Dit heb ik vanmorgen ook gezegd. Mijn collega kan hier verstandiger woorden over spreken.

Ik kom te spreken over verbetering van de loopbaanoriëntatie en de voorlichting over beroepskeuze. Mevrouw Dezentjé heeft hiermee een belangrijk punt te pakken, want ook uit het rapport Gestruikeld voor de start blijkt dat dit een van de belangrijke punten is. Als jongeren op een verkeerd spoor zitten, in een verkeerde groef of niet weten wat zij willen, is de demotivatie snel present en haken zij eerder af. Daar moeten wij dus heel veel aan doen. Mijn beeld is dat wij wat dat betreft in het afgelopen jaar bezig zijn om een behoorlijke versnellingsslag te maken. Scholen worden zich er ook steeds meer van bewust hoe relevant dat is. Wij zijn bezig met een inventarisatie van een twintigtal heel goede en effectieve voorbeelden van de LOB(Loopbaan Oriëntatie en Begeleiding)-structuur. Die zetten wij ook uit bij de scholen in de regio’s. De VO-raad is bezig met een stimuleringsplan inzake LOB. Die raad vindt ook dat dit eigenlijk in het hart van het beleid moet gebeuren. Zelfs kijkt men of er op dat punt geen kwaliteitstandaard vastgesteld moet worden. Daar is de vereniging voor voortgezet onderwijs dus mee bezig. Ik ondersteun LOB via het vsv-beleid, want dit is een van de bestedingsdoelen van de vsv-geldstroom naar de convenanten. Een aantal regio’s heeft dit ook hoog op de agenda staan. Regio’s hebben namelijk de ruimte om zelf prioriteiten te stellen. LOB staat dus nogal eens hoog op de agenda.

Verder heb ik in het middelbaar beroepsonderwijs gekozen voor de lijn om de scholen, indien nodig, de ruimte te geven om eerst in het domein te starten en zich dan naar het crebonummer te begeven; de kwalificatiestructuur en het kwalificatieprofiel. Dat maakt het dat jongeren iets meer de tijd hebben om na te denken in de trant van: ik wil wel iets in de zorg doen, maar wat? Of: ik wil iets in de techniek doen, maar wat? Zij moeten niet te snel in de verkeerde groep terecht komen, met alle gevolgen van dien. Wij zijn eigenlijk volop bezig om LOB veel meer een vanzelfsprekend onderdeel van scholen te laten zijn. Scholen doen op dit gebied zelf heel veel. Ook bedrijven doen daar veel meer aan. Immers, naarmate de arbeidsmarkt krapper wordt, weten bedrijven steeds beter hoe hard zij moeten lopen om de jongeren echt binnen te krijgen. De stagiair van vandaag kan namelijk de werknemer van morgen zijn.

Ik zeg nogmaals dat ik buitengewoon blij ben met de 15 mln. extra voor OCW ten behoeve van het maatschappelijk werk. Dit sluit ook heel goed aan bij het rapport van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). Dat instituut heeft onderzoek gedaan dat in het eerste deel van de desbetreffende motie is genoemd. Ik zal proberen, het gevraagde voor 1 oktober naar de Kamer te sturen. Ik doe dat wel met die kanttekening dat wij nog bezig zijn met de uitwerking van het tweede deel van die motie. Minister Rouvoet zal daar nader op ingaan. In ieder geval ziet het Nederlands Jeugdinstituut het maatschappelijk werk als een belangrijk element. Dat brengt dit instituut ook als zodanig naar voren. Dit spreekt ook uit de APB. Er wordt met name gezegd: kijk of je het heel gericht kan inzetten, want niet bij elke school geldt die problematiek even zwaar. Het moet dus niet een lumpsum worden, die vervolgens verdeeld wordt, waardoor elk roc er een paar centen aan overhoudt. Nogmaals, het gaat om gericht inzetten. Welnu, daarover komen wij met voorstellen. In ieder geval zal ik alvast het rapport van het Nederlands Jeugdinstituut naar de Kamer sturen. De Kamer kan dan kennis nemen van de inhoud daarvan. Dit houdt bij ons ook de druk hoog om vervolgens snel met een reactie te komen.

De heer Depla (PvdA): Het moet inderdaad snel gaan. Het gaat om de begroting voor volgend jaar; het volgende schooljaar moet het dus al kunnen gaan draaien.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ja, eigenlijk vanaf 1 januari. Neemt u van mij aan dat, als het geld er komt en de mensen er zijn, zij ook ingezet moeten worden. Ik wil het wel even zorgvuldig doen, want 15 mln. vind ik altijd nog een hoop geld. Ik heb het in ieder geval niet zo maar.

De voorzitter: U spreekt over 1 januari en volgens mij spreekt de heer Depla over 1 augustus of 1 september.

De heer Depla (PvdA): Waar het om gaat is dat je het nu snel in gang moet zetten. Ik snap ook wel dat die scholen op 1 januari niet allemaal in één keer zijn opgetuigd, maar ik wil wel tempo houden, zodat de scholen volgend schooljaar weten waar zij aan toe zijn. Ik ben het met u eens dat wij het niet ponds, ponds moeten verdelen maar het marktgericht moeten inzetten, en ik wil dat het dan ook gebeurt.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Volgens mij kunt u niet uit mijn antwoord opmaken dat ik dat niet zou willen. Ik wil dat ook.

Graag meer geld naar wijkscholen, staat in de motie-Depla waar mijn collega straks op terugkomt.

Waarom is er een experiment vmbo-mbo nodig en waarom komen er niet meer vakscholen? Ik wil graag de heer Dijsselbloem en zijn commissie in herinnering roepen. Ik ben ontzettend kapot van zijn rapport, waarin staat dat wij zaken evidence based doen. Wij gaan met 5000 leerlingen het experiment aan. Toen ik het een halfjaar geleden bracht, stond u allemaal bij de interruptiemicrofoon. Nu blijkt het buitengewoon goed aan te slaan en nu vraagt iedereen waarom wij niet veel meer doen. Ik probeer een evenwicht te bereiken tussen experimenteel bezig zijn, maar dan uiteindelijk wel evidence based breder uitrollen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat wij op termijn zeggen dat vmbo/mbo 2 een succes is dat we die twee wat gestructureerder aan elkaar gaan verbinden. Laat ik geen andere woorden gebruiken in dat kader. Maar dan toch wel op basis van de ervaring.

Waar het gaat om vakscholen en of zij wel of niet terecht draaien, zoals het Nova College, vakscholen mogen er zijn. Hans de Boer is er nu mee bezig en ik juich dat van harte toe. Er is alleen één verschil tussen de vakscholen van De Boer en het experiment VM2. Ik geef ruimte om het examen van het vmbo te laten vervallen. Relevant is dat ik daarbij wil zien dat scholen ook het doorlopende traject heel scherp op een goede manier vorm en inhoud geven. En dat er in de tussentijd ook de mogelijkheid is om kinderen op te vangen op het moment dat zij toch de school verlaten en geen vmbo-diploma hebben.

Dat wil zeggen dat bij de aanvrage die ik uiteindelijk heb gehonoreerd een aantal vakcolleges zat. Ik ben ervan overtuigd dat een aantal vakcolleges de komende keer erbij zal zitten, bijvoorbeeld het Nova College, maar zo zijn er nog een paar waarvan ik vind dat zij echt in het experiment moeten gaan meedraaien. Daar zetten wij de projectleider voor dit VM2-traject op om de scholen zo ver te krijgen dat zij voor de volgende tranche volgend jaar hier klaar voor zijn. Ik heb daar eigenlijk geen twijfel over, want hier is een college genoemd waarvan ik denk dat het toch eigenlijk een goede zaak zou zijn als het meedraait. Maar op dit moment kon het nog niet voldoen aan die eisen, maar een vakcollege mag men al zijn als men dat zo wil vormgeven. Zij het wel met diploma.

De heer Jasper van Dijk (SP): U omarmt het rapport van de commissie-Dijsselbloem, in die zin dat u niet alles van bovenaf wilt opleggen. Dat klinkt verstandig, maar zoiets als het Nova College in Amsterdam is natuurlijk van onderop begonnen. Dat moet u zeker als CDA-politica toch aanstaan. Zij vertellen mij dat zij hiervoor niet de vergunningen krijgen van de gemeente. Bent u daar nu over in contact met de gemeente?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik gaf niet aan dat ik de commissie-Dijsselbloem volgde in de zin dat ik het niet van bovenaf wil opleggen. Dat vind ik in algemene zin ook een punt, maar dat is meer mijn principiële benadering van het politieke bedrijf. Ik gaf aan dat wij de zaken evidence based willen doen. Dat wil zeggen dat wij er niet voor kiezen om gelijk voor 40 000 leerlingen dat VM2-traject aan te gaan, maar voor 5000. Omdat wij willen kijken hoe het werkt, aangezien wij een essentieel onderdeel – het vmbo-examen – de ruimte geven om te laten vervallen.

Het Nova College – en zo zijn er nog meer colleges – hebben wij uiteindelijk beoordeeld naar aanleiding van de schriftelijke aanvrage. Dat hebben wij moeten doen omdat wij er een hoog tempo in wilden brengen. Dat heeft voor- en nadelen, want je moet dan echt de zaken objectief beoordelen ten opzichte van andere colleges. Een aantal colleges, met name in de steden – in Utrecht was ook zo’n college – is deze tranche blijkbaar niet doorgekomen. Ik heb dat laten nagaan, maar op een aantal onderdelen was de situatie echt nog niet voldoende op orde om de ruimte te geven voor het vervallen van het vmbo-examen. Ik wil wel dat die colleges rijp gemaakt worden voor de tweede tranche. Daar horen zij dan al eind dit jaar, begin volgende jaar de uitslag van.

Daarnaast loopt er nog een bezwaar- en beroepsprocedure, zoals ik ook heb aangegeven. Die zal ik natuurlijk ook netjes op zijn merites beoordelen en aan de hand daarvan ook kijken of ik mijn besluit moet heroverwegen voor dit jaar. Maar ik ieder geval probeer ik dit type scholen ook echt volgend jaar mee te krijgen omdat ik hun inzet en motivatie ook wil blijven stimuleren en omdat ik ook best hun teleurstelling begrijp.

De heer Depla (PvdA): Als iemand tot zo’n experiment is toegelaten, moet de volgende jaargang leerlingen dan weer in het oude systeem, of mag die gewoon door in het experiment? Wij hebben 30 mln. gereserveerd voor die experimenten. Als dadelijk evidence based werken een geweldig succes blijkt te zijn en als wij het willen opschalen, moet ik dan denken aan 30 mln. voor 5000 leerlingen? Dus als ik naar 200 000 leerlingen ga, heb ik dan 600 mln. nodig?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Die 30 mln. is natuurlijk ook voor het ontwikkelen van lesprogramma’s. Ik denk dat het straks toch vooral in de reguliere setting verder vormgegeven zal moeten worden. Wij geven nu die extra middelen omdat het ook gewoon een nieuwe leergang is die wordt ontwikkeld. Die scholen willen wij een steun in de rug geven, maar u en ik weten natuurlijk dat ik dat aan het eind van de rit niet zomaar even kan opplussen naar het totale traject dat van vmbo beroepsgericht doorgaat naar VM2, als je het helemaal zou doen naar de toekomst toe. Die middelen heb ik niet. Maar dit is echt een steun in de rug en uit deze ervaring trekken wij lessen. Vervolgens kijken wij hoe wij met deze ontwikkelde modellen verdergaan, als wij dat zouden doen. Maar nogmaals, dan loop ik vooruit op grote dingen, ik vind dat je dat eigenlijk niet moet doen. Je moet kijken wat de lessen zijn en wat wij kunnen benutten van de knowhow die ontwikkeld is en die wij gestimuleerd hebben met die extra middelen.

De afbouw van het speciaal onderwijs is reden voor meer schoolverzuim, is gezegd. Dat zou natuurlijk niet zo moeten zijn. Met een rugzakje zou je in het regulier onderwijs ook goed moeten worden opgevangen. Dat vergt best veel van het reguliere onderwijs, zoals wij met elkaar weten. Dat is ook de reden dat mijn collega op dit moment in het kader van passend onderwijs bezig is te kijken hoe wij het beter kunnen doen met elkaar. Hoe kunnen wij inderdaad de ring rondom jongeren sluitend maken met het speciaal onderwijs en het regulier onderwijs? De extra zorg, de rugzak die een kind meekrijgt naar het reguliere onderwijs, moet er natuurlijk ook borg voor staan dat een kind op de goede manier wordt opgevangen.

De heer Biskop heeft gevraagd of de regionale Bureaus Leerplicht met de invoering van het digitale loket nu ook gegevens uit het GBA van de gemeente in de regio krijgen. Wij zijn op allerlei manieren aan het bekijken hoe wij allerlei dingen goed met elkaar kunnen verbinden. De toegang tot het GBA staat los van de invoering van het meldloket voor relatief verzuim, die via de IB-Groep loopt. Op dit moment hebben niet alle regionale Bureaus Leerplicht toegang tot de GBA van alle gemeenten in de regio. Dat zit hem in het feit dat er een gemeenschappelijke regeling nodig is om dat mogelijk te maken. Samen met mijn collega van BZK bekijk ik op dit moment of wij die plicht kunnen laten vervallen. Dus wij zijn aan het kijken hoe wij dat probleem kunnen oplossen, omdat die uitwisseling van gegevens natuurlijk heel belangrijk is.

Waarom stel ik geen wettelijke norm voor een verplicht aantal leerplichtambtenaren? De heer Depla zei vanochtend dat je gemeenten niet continu in het maatpak moet naaien. Ik probeer dat af en toe wel te doen, maar ik wil het ook weer niet te veel doen, want ik wil netjes blijven. De gemeente heeft een eigen verantwoordelijkheid. De gemeente krijgt via het Gemeentefonds al jarenlang geld, maar ik wil wel de gemeente stimuleren. Dat wil ik doen – en dat heb ik gedaan – door die 30 mln. richting de RMC’s te laten gaan, om ervoor te zorgen dat zij gaan denken: er is een potje met geld, en wij moeten het met elkaar doen. Het tweede punt is dat ik ook met de gemeenten 39 regionale convenanten afsluit. Daar doet 95% van de scholen, misschien inmiddels wel 98%, aan mee, en alle gemeenten. Ook dat is een heel goede noemer, dat merk ik nu al die convenanten zijn afgesloten, om met elkaar rond de tafel te gaan zitten en elkaar ook aan te spreken op de verantwoordelijkheid die er ligt.

Ingrado heeft de norm een paar jaar geleden op 4500 gezet. Ingrado is de belangenvereniging van de leerplichtambtenaren. Wij moeten de verantwoordelijkheden ook helder verdelen, want straks gaat de norm naar 2500 en daar kan ik niet achteraan blijven lopen. Ik vind wel dat je serieus moet bekijken wat de achterliggende reden is van de norm. Die heeft geleid tot het bedrag van 30 mln. Voor een deel is dit een tegemoetkoming voor de kwalificatieplicht en voor een deel voor de kosten van de leerplicht. Dit gaat naar de RMC om daar de leerplichtfunctie al te versterken, net als de samenwerking. De 13 mln. die ik eraan heb toegevoegd, moet tegemoetkomen aan de norm van 4500 die destijds is gesteld. Nu is de norm verder omhoog gegaan. Ik heb dan niet direct weer geld om daar ook achteraan te gaan.

Daarbij komt – dit is voor mij ook de reden om dit voorlopig niet te doen – dat het digitaal schoolloket uiteindelijk een administratieve lastenverlichting voor de gemeenten oplevert van 7,5 mln. Ik ga die niet terughalen bij de gemeenten, die mogen zij houden. Ik ga ervan uit dat zij die inzetten voor de leerplicht en dat zij daarmee ook de norm nog verder kunnen verlagen. Dit is dus echt aan de gemeenten. Het is ook aan hen om – in het verlengde van de opmerking van de heer Pechtold over iets wat ik mij uit mijn tijd als gemeentebestuurder ook heel goed herinner – als centrumgemeente de randgemeenten aan te spreken, de gezamenlijke verantwoordelijkheid uit te spreken en elkaar erop te wijzen dat het niet zo kan zijn dat de een freeridergedrag vertoont en de ander alle lasten op zijn nek neemt.

Ik zou het niet helemaal over willen nemen en weg willen zetten richting de regio, omdat ik nu vaststel dat heel veel gemeenten er ook zelf weer geld in stoppen. Nu weet ik wel hoe het gaat, op het moment dat ik het overzet, is de gedachte ook: het Rijk financiert, het is voor de bakker. De extra inzet die gemeenten nu plegen, vind ik dermate wenselijk dat ik hen ook graag in de benen wil houden.

De heer Pechtold (D66): Als je bestuurskracht meet, kijk je niet altijd naar jeugd. Ik heb vorige week bij de algemene politieke beschouwingen en vandaag weer het gevoel: moeten wij niet oppassen dat dadelijk zaken in een democratisch deficit vallen? Als wij vanuit het Rijk zo naar provincie, gemeente en regio blijven staren, krijgen wij zo’n situatie als ik noemde, in West-Friesland, waar je allemaal nul-komma-zoveel gemeenten met leerplicht hebt en een centrumgemeente, die alles op zijn bordje krijgt. Daar vind ik dat u als staatssecretaris – ik kijk ook naar de minister voor Jeugd en Gezin – toch daadkrachtiger een richtlijn zou moeten geven: het is of zus, of zo. Als dat niet vrijwillig gaat, dan zou er lichte dwang moeten zijn. Ik vind het juist weer een gevaar om te spreken over een soort regionale samenwerking. Want bij veel van de regionale samenwerking is de democratische controleerbaarheid, het helder kunnen aanspreken van één verantwoordelijke – wij spreken allebei uit lokale ervaring – gewoon een groot probleem. Ik heb dan liever maar een Rijk dat op een gegeven moment zegt, alles gezien en gehoord: wij hakken de knoop door en de centrumgemeente krijgt de verantwoordelijkheid, maar krijgt ook de uren. Of wij gaan het anders doen, maar dit is doormodderen in de bestaande praktijk.

De heer Dibi (GroenLinks): De staatssecretaris zei op een beetje een geniepige manier dat Ingrado de belangen behartigt van de leerplichtambtenaren. Het is ook in haar belang, en in ons belang, dat de doelstelling wordt gehaald om het aantal voortijdige schoolverlaters te laten dalen. Daarvoor moeten de leerplichtambtenaren gewoon hun werk kunnen doen. De norm dateert uit 1995. Inmiddels hebben de leerplichtambtenaren er taken bijgekregen. Mijn voorstel was om in de G4 daar waar het grootste aantal voortijdige schoolverlaters zit als norm 1:3800 te zetten. Wat vindt de staatssecretaris daarvan?

De heer Jasper van Dijk (SP): In aanvulling daarop is mijn vraag of de staatssecretaris nu zelf vindt dat de norm van 1:4500 kan blijven. Of vindt zij dat Ingrado eigenlijk wel een punt heeft dat dit naar 1:3800 zou moeten vanwege de toegenomen werkdruk, maar heeft zij daar geen geld voor? Kan zij hier duidelijk met ja of nee op antwoorden?

De heer Biskop (CDA): De staatssecretaris zegt dat zij niet zoveel voelt voor het opleggen van een norm. Dwangmatig opleggen is één ding, want met onwillige honden is het uiteindelijk slecht hazen vangen als je het allemaal van bovenaf gaat regelen, maar de staatssecretaris doet het een beetje voorkomen dat er gemeenten zijn die nu meer doen, alsof dat de stand van dit moment is. Ik krijg de indruk in het veld dat er juist veel meer gemeenten zijn die er veel te weinig aan doen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Mijn beeld is dat gemeenten al meer en meer betrokken worden bij het belang van de leerplicht. Dat heeft echt een enorme vlucht genomen in de afgelopen periode. Dat maakt ook dat men veel scherper wordt over de inzet. Schooluitval en voortijdig schoolverlaten staan veel meer op de agenda. Dat komt ook doordat wij met elkaar veel sterker bezig zijn met die convenanten. Daar komt publiciteit omheen, en dat wordt weer besproken want het moet afgesloten worden, dus dat behandel je in je raadscommissievergadering, et cetera. Daarmee komen raadsleden ook in beeld bij de vraag wat zij hier nu eigenlijk aan doen als gemeente.

Ik geloof niet zozeer in het democratisch deficit, maar ik hecht wel aan een heldere verantwoordelijkheid. Dat sluit volgens mij juist aan bij de gemeente, want wij kennen gewoon een gemeentelijke democratie. En ik heb niet de pretentie om te denken dat wij hier de enigen zijn, of dat het ministerie van OCW de enige is met een hart voor het vsv-beleid, de schooluitval en het verzuimbeleid. Ik geloof inderdaad in de gemeenteraad, die ook gewoon de wethouder van onderwijs aanspreekt. Ik weet dat dat ook gebeurt in gemeenten. Daar wordt gevraagd: hoe het zit met de inzet ten behoeve van onze jongeren, die wij gewoon op school willen houden? Ik geloof dus heel sterk in de lokale democratie. De 4500 heb ik benut om tot een budget te komen ten behoeve van de leerplicht. Daarna, in december 2007, is de norm van 3800 gekomen. Ik heb dit buitengewoon serieus genomen. Ik zeg niet dat Ingrado maar een belangenclubje is, ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheden, maar ik neem Ingrado wel heel serieus. Eigenlijk trekken wij toch in belangrijke mate samen op – de voorzitter van Ingrado zie ik nu knikken aan de overkant – waar het gaat om dit beleid. Dus ik heb geprobeerd om bij de laatste mogelijkheid dat ik weer een impuls kon geven tegemoet te komen aan de norm die er toen lag. Het is vervolgens aan de gemeenten onderling om elkaar aan te spreken, en aan de gemeenteraden om wethouders aan te spreken. Zo hebben wij dat in Nederland geregeld. Dat lijkt mij op zichzelf een goede zaak.

De heer Depla (PvdA): Misschien moeten wij dan maar een afspraak proberen te maken voor volgend jaar. U zegt dat wij alle problemen die hier genoemd zijn – ondercapaciteit en versnippering – door de vsv-contracten en door het regionale geld kunnen oplossen. Dat moeten wij nu maar even geloven, maar kunt u ons volgend jaar rapporteren hoeveel plekken er nog te weinig zijn en of het regionale probleem er nog is? Anders gaan wij ondertussen ons oor te luisteren leggen bij Ingrado. Dan kunnen wij volgend jaar denken: als u gelijk heeft, kunnen wij allemaal enthousiast zijn omdat het is overgenomen. Als u niet gelijk heeft, of als het onverhoopt toch tegenvalt, moeten wij als Kamer kijken wat wij aan de volgende stap doen. Want iedereen is het erover eens dat er genoeg leerplichtambtenaren moeten zijn.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ik geloof inderdaad dat de lijnen die uitgezet zijn in het afgelopen jaar daadwerkelijk een impuls zullen geven. Het blijft zo dat gemeenten uiteindelijk zelf de prioriteiten moeten stellen. Dat is de werkelijkheid. Wij hebben er in Nederland ooit voor gekozen om leerplicht op lokaal niveau neer te leggen. Wij proberen het van alle kanten te stimuleren. Vandaar die geldstroom rechtstreeks richting de RMC’s. Het is natuurlijk altijd aan u als Kamer om uiteindelijk te zeggen of u de wet wilt veranderen. Die bevoegdheid heeft u.

De heer Pechtold heeft gevraagd hoe wij het schoolverzuim in het kader van de vsv bij gemeenten ondersteunen. Daarover heb ik al veel gezegd. Eén digitaal loket is heel belangrijk. Er zijn 39 convenanten die de regionalisering en de onderlinge betrokkenheid versterken. Er zijn de RMC-

gelden, en de middelen die voor vsv naar het Gemeentefonds zijn gegaan, oplopend naar 19,2 mln. vanaf 2011. En, ook belangrijk, er komt één rapportage voor de verantwoording van de middelen, de geldstroom RMC. Dat scheelt de gemeenten ook weer enorm veel tijd en administratieve lasten.

Ik kom bij het voortijdig schoolverlaten op zichzelf, alhoewel wij hierover al behoorlijk wat met elkaar hebben gewisseld. Waarom de bonus van € 2 000 voor schoolverlaten? Wij verwachten natuurlijk ook dat scholen een extra inzet gaan plegen, bovenop wat zij op dit moment doen. Mevrouw Dezentjé Hamming geeft terecht aan dat dit al een plicht van scholen is, maar scholen hebben heel veel wat zij moeten doen. Wat wij nu doen met die € 2 000, is gewoon een prikkel geven om het op te pakken. Je weet ook dat je als je het goed doet en je doelen bereikt, dan extra middelen hebt die je daarvoor kunt inzetten, vooruitlopend op die inzet, of, als je ze binnen hebt, om nog een extra impuls te geven. Mij lijkt dat een heel goede zaak.

In de afgelopen jaar hebben wij ervoor gekozen om veel geld naar de gemeenten te laten gaan. Uiteindelijk zijn het nu alleen de G4 die geld krijgen, namelijk uit de projectgelden. Maar de scholen moeten het doen en de scholen moeten er ook wat mee opschieten, als zij extra inspanningen en extra investeringen op dit vlak doen. Dan vind ik het helemaal niet zo gek om te zeggen: dan word je ook beloond.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik wijs erop dat hiermee een bedrag van 22 mln. is gemoeid in de begroting. Dat vind ik een fors bedrag. Daar kun je heel veel andere dingen mee doen. Ik vind dat de staatssecretaris van Onderwijs die scholen er ook op mag wijzen dat zij hun werk niet goed doen en dat zij helemaal geen extra inspanningen moeten doen omdat die extra inspanningen hun reguliere werk zijn, om die kinderen binnenboord te houden. Dus dan ga je daar toch niet nog eens 22 mln. in investeren?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat geldt voor heel veel zaken in het leven, en toch zegt u als Kamer vaak met elkaar: kijk of je een extra stimulering kunt geven. Wij vinden voortijdig schoolverlaten enorm belangrijk. Er is een groot kapitaalverlies wanneer een jongere zonder diploma de school verlaat. Wij hebben elk talent heel hard nodig voor onze economie. Dan vind ik het de moeite waard om te zeggen: die scholen krijgen een stimulering. Over de hele school, over alle scholen in Nederland, valt dat uiteindelijk reuze mee. Wij hebben het bijvoorbeeld over een school die in staat is geweest om tien leerlingen vast te houden, wat vaak een behoorlijke inspanning is, waar je echt voor moet gaan, want het zijn niet de makkelijkste situaties. Dan heb je het over een bedrag van € 20 000. Ik kan daar niet van zeggen dat dat geld over de balk gooien is. Nee, met dat geld hebben wij gewoon een beleid ingezet. Dat beleid zal waarschijnlijk ook structurele lasten krijgen. Ik vind het niet alleen een goede zaak, ik vind het meer dan de moeite waard, want wij hebben die jongeren economisch keihard nodig, even los van het feit dat elke jongere het verdient om zijn opleiding af te ronden. Mevrouw Dezentjé Hamming vindt dat niet, ik vind dat wel. Dat is een verschil van inzicht.

Dan kom ik bij de definitie van het begrip «voortijdig schoolverlaten». Is die definitie nu aangepast? Zijn wij creatief aan het boekhouden? Nee, de definitie is altijd zo geweest. In onze definitie is het al zo dat de mbo1/AKA er niet bij hoort. Wij konden dat tot op heden niet inzichtelijk maken en zeggen: een mbo1 of een AKA die aan het werk is gegaan, hoort niet in de definitie en past ook niet in de wet, wat het voortijdig schoolverlaten betreft. Echter, sinds wij het onderwijsnummer kennen en sinds wij dat kunnen verbinden aan de SUWI-gegevens, zijn wij in staat om die zaken met elkaar te verbinden en die groep er dus ook uit te halen. Dit kan nu dan ook verdwijnen uit die groep. Het is dan niet meer dan terecht dat deze jongeren daarmee ook daadwerkelijk verdwijnen, terwijl zij nu nog allemaal meegeteld werden. Daar is niets creatiefs aan, wij handelen gewoon conform de norm. Deze jongeren zijn dus geen voortijdige schoolverlaters meer in de zin van de wet, want dat waren zij al niet. Alleen nu kunnen wij hen beetpakken.

Welke extra maatregelen komen er voor vsv in het vso? De kwaliteit van het speciaal onderwijs kan beter. Dat is ook de inzet van de staatssecretaris voor primair onderwijs, die haar verantwoordelijkheid heeft in dezen. Zij komt in oktober met een brief over de kwaliteit en de kwalificatiestructuur in het speciaal onderwijs.

Het SCP voorspelt dat de reductie tot 25 000 schoolverlaters per jaar wat moeilijk te halen is, aangezien dat een grote ambitie is. De heer Van Dijk heeft hiernaar gevraagd. Dat klopt. Het is ook een heel stevige ambitie, maar wij gaan er wel volledig voor. Als ik merk dat in alle regio’s gemeenten, scholen en betrokken organisaties getekend hebben voor de procenten die zij moeten bijdragen om uiteindelijk aan het eind van de rit 100% over die vier jaar te hebben, dan heb ik er alle vertrouwen in dat wij daar met elkaar gaan komen. Maar dat het een pittige opdracht is, is terecht door het Sociaal en Cultureel Planbureau geformuleerd. Daar ben ik het van harte mee eens. Dat betekent ook dat wij er goed op moeten inzetten, bijvoorbeeld door een beloning te geven voor extra inzet.

De heer Biskop heeft gevraagd hoe het staat met het digitale meldloket. Vanaf 1 augustus vindt de uitrol plaats. Ik heb de afgelopen week net een video ingesproken voor Groningen, waar wij starten. Het eind van het schooljaar is de bedoeling dat het helemaal rond is. Dat geldt in ieder geval voor de vo-scholen en de roc’s. Po en speciaal onderwijs volgen iets later voordat zij helemaal in Bron zijn opgenomen.

De heer Pechtold heeft gevraagd of ik met de uitvoering van het digitale loket nu de garantie heb dat scholen ongeoorloofd verzuim nu actueel en volledig aan de gemeente melden. In ieder geval maak ik het wel veel gemakkelijker om dat te doen, en is het veel eenvoudiger, omdat je als school niet te maken hoeft te hebben met soms tien of twaalf gemeenten bij elke procedure. Dan zou je al moe worden voordat je het doet, nu kan het gewoon richting IB-Groep, die zorgt dat het keurig bij de gemeente komt, over en uit.

Wat is de planning voor de uitvoering van de maatregel voor het digitale loket harmonisering? In augustus 2008 zijn alle convenanten met de 39 RMC’s tot stand gekomen. Daarin zit ook, in september 2008, het wetsvoorstel voor één digitaal loket, dat inmiddels is aangeboden aan de Raad van State. In oktober 2008 volgt de uitkering van extra middelen aan de RMC’s voor de uitvoering van de leerplicht en de kwalificatieplicht, die zijn gebundeld in één uitkering aan de 39 contactgemeenten. Voorjaar 2009 krijgt de Kamer een voortgangsrapportage, inclusief de inhoudelijke voorstellen voor de harmonisering van de regelgeving, en één of twee maanden later – zo is mij gegarandeerd – de wet die daarbij hoort. Augustus 2009 volgt dan de invoering van de wetgeving voor één digitaal loket (vo mbo. En medio 2009 het wetsvoorstel harmonisering, zoals ik al heb gezegd. In augustus 2010 ten slotte komt dan de invoering van het wetsvoorstel harmonisering regelgeving. Daarmee heeft u de hele zaak op een rijtje.

Er is gevraagd naar de menselijke maat, beloofd voor de begroting van Onderwijs. Dat zal nog een tour de force worden. Wij proberen daarbij het hele veld in beeld te krijgen, omdat de vraag inmiddels is verbreed van vo tot mbo, waarbij zo af en toe ook over po wordt gesproken. Dus wij hebben na de apb de slag gemaakt om dit te verbreden. Wij proberen dit echt naar voren te laten komen voor de begrotingsbehandeling van OCW.

Een verbod op fusies van roc’s in Noord-Holland bekijk ik op dit moment via de fusietoets. Het aardige van het mbo is dat wij een fusietoets hebben, alleen zijn de criteria niet helemaal helder. Kan ik daar op een goede manier mee omgaan? Dit is allemaal heel pril binnen. Ik ben hier nog niet uit. Hier moeten wij heel goed juridisch naar kijken en wij moeten eerst heel veel informatie hebben. Ik vind aan de andere kant, dat je niet op voorhand hoeft te zeggen dat iets niet kan. Het gaat hier om een school van 21 000 leerlingen, maar het zijn al twee hele grote scholen. In dat opzicht gaat het er meer om hoe je het om de leerling heen organiseert dan of een grote bestuurlijke koepel het probleem zou zijn. Daarmee duiken wij al wat meer inhoudelijk in de zaak, ik denk niet dat de voorzitter dat zo prettig vindt.

Mevrouw Agema heeft gevraagd wat ik doe aan de groep allochtonen. Wij voeren geen specifiek allochtonenbeleid bij de aanpak van schoolverzuim. Als een groep steviger in een bepaalde groep voorkomt, komt die groep ook scherper in beeld als je je beleid verstevigt, wat wij nadrukkelijk met het vsv-beleid aan het doen zijn. Daarnaast subsidieer ik het (platform allochtone ouders en onderwijs om de betrokkenheid van deze ouders te vergroten bij jongeren. Die vanzelfsprekende betrokkenheid is er niet altijd, gelet op de cultuur.

Mevrouw Agema (PVV): Ik vind het toch enigszins teleurstellend om alleen maar een zak geld op tafel te zetten voor een platform van allochtone ouders en dan te denken dat je iets speciaals doet voor die groep. Het is toch te gek voor woorden dat in Amsterdam alleen al 70% van de Marokkaanse jongens uitvalt en dat 40% werkloos is? Dat zijn toch genoeg signalen waarop u speciaal beleid zou moeten ontwikkelen, in plaats van alleen maar zoiets kleins te doen als de ouders weer extra bevoordelen met wat afkoopmiddelen?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Twee punten bevreemden mij in dezen. De ouders lijken mij een bijzonder grote rol te hebben. Ik begrijp dat u pleit voor een zeker segregatiebeleid. Tot op heden heeft uw clubgenoot daarvan afstand genomen in eerdere discussies die wij hebben gevoerd in dit kader. Overigens met mijn instemming, want ik was er ook niet zo voor.

De voorzitter: Er komt nog een tweede termijn.

Mevrouw Agema (PVV): Voorzitter, dit is mijn eerste interruptie.

De voorzitter: Dat weet ik wel maar wij zitten echt met de tijd.

Mevrouw Agema (PVV): Ik laat mij niet zeggen dat ik pleit voor een segregatiebeleid, want dat is beslist niet het geval. Wanneer de cijfers er zo duidelijk op wijzen dat bepaalde bevolkingsgroepen veel meer problemen hebben dan gemiddeld, zul je in ieder geval speciale maatregelen moeten nemen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dan zal ik toch even kort reageren. Natuurlijk hebben scholen en gemeenten gelet op die specifieke problematiek de taak om te kijken wat zij inzetten op welke doelgroep. Maar dat hoeven wij niet vanuit Den Haag te doen. Wij geven veel geld voor het voortijdig schoolverlaten. Wij leggen dat neer in de regio en wij spreken percentages af waarop het aantal vsv’ers gerealiseerd zal worden. Daar zullen dus ook grote groepen jongeren uit de groep waarover u spreekt bij betrokken zijn. Maar dat hoeven wij niet allemaal vanaf hier te doen. Dat kunnen wij neerleggen bij scholen en gemeenten, waar het maatwerk kan gebeuren. Het ging mij erom dat uw punt mij enigszins bevreemdde ten opzichte van eerdere discussies.

De heer Van Dijk, mevrouw Agema en de heer Depla hebben gevraagd of de RMC-regelgeving geen sancties kent. Scholen kunnen gesanctioneerd worden als zij niet melden. Hun taak is vastgelegd in de Onderwijswet, in de vorm van toezicht door de inspectie en een bekostigingssanctie die kan worden toegepast. De inspectie voert daarnaar op dit moment een themaonderzoek uit. Niet-leerplichtige vsv’ers die geen beroep doen op de overheid zijn niet te verplichten, maar wel te stimuleren. Dat geldt dus ook voor de RMC-regelgeving die de Kamer nu van staatssecretaris Aboutaleb namens onder meer mijn persoon aangeleverd krijgt. Als gemeenten de RMC-taak onvoldoende uitvoeren, kan OCW de uitkering verminderen. Maar ik stimuleer liever. Dat doe ik nu via die 39 vsv-convenanten.

De voorzitter: Dan is nu het woord aan de minister voor Jeugd en Gezin.

Minister Rouvoet: Voorzitter. In de inbreng van de verschillende woordvoerders en van de staatssecretaris zie ik aan de hele problematiek van het schoolverzuim twee aspecten die met name vanuit het portefeuilleperspectief van Jeugd en Gezin van belang zijn. Aan de ene kant zie je, wat onder andere mevrouw Dezentjé Hamming signaleerde, dat schoolverzuim als zodanig een risicofactor is voor problemen, voor problematisch gedrag bij jongeren. Dan benader je het schoolverzuim ook met een preventief oogmerk. Als je dat kunt aanpakken, voorkom je daarmee ook een heleboel andere problemen.

Tegelijkertijd is schoolverzuim ook heel vaak juist weer de uitdrukking van onderliggende en achterliggende, heel diverse problemen die jongeren al hebben. Daarover zeg ik, ook met de Jeugd en Gezin-bril op, dat het van belang is om de samenwerking, de afstemming tussen de verschillende betrokken instanties die zich met die achterliggende problemen bezighouden te bevorderen; de ouders daarbij te betrekken, het hele lokale hulp- en zorgaanbod daarbij te betrekken. Dan zitten wij in het domein van de Centra voor Jeugd en Gezin en de relatie met de zorgadviesteams.

Dit onderstreept alleen maar de noodzaak van een integrale aanpak, juist bij schoolverzuim. Dat is ook de verklaring dat u hier een drietal bewindslieden aantreft. De school is de belangrijkste vindplaats van jongeren en ook van problemen, iets wat iedereen snel zal beamen. Daarom komen als er problemen zijn dan ook meestal de eerste signalen al heel snel van de school, omdat dat de plek is waar jongeren als eerste gemist worden. De eerste actie, het eerste signaal komt dan ook vaak van school.

Natuurlijk is wel de samenwerking cruciaal tussen de school, het hele domein van het onderwijs, en zorg en welzijn met andere lokale instanties om mee te beginnen. Dat doen wij met zorg in de school. Centraal daarin staan de zorgadviesteams. Ik kom straks nog terug op een paar specifieke punten rond deze teams. Samen met de beide staatssecretarissen van Onderwijs heb ik de Kamer bij brief van 19 juni uitvoerig geïnformeerd over de stand van zaken bij de zorgadviesteams. Die brief is voor vandaag niet geagendeerd. Ik zal niet alles wat daarin staat herhalen, maar het is wel relevant om dat in het achterhoofd te hebben bij wat wij nu bespreken. Daar ligt de verbinding met het hele domein van zorg en welzijn, niet alleen de Centra voor Jeugd en Gezin maar langs die band ook de Bureaus Jeugdzorg als zij aangewezen zijn. Dat vind je dus ook al terug in de zorg- en adviesteams, waarin de betrokkenheid van die verschillende instanties geborgd is. Via de organisatie van zorg in de school heb je dus toegang tot de complete zorg- en ondersteuningsinfrastructuur.

Dat vergt – in aansluiting op wat de staatssecretaris daarover zei – een sterke regierol van gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor deze aspecten rondom kinderen en die ook verantwoordelijkheid dragen voor de leerplichtambtenaren. Kortom, er ligt een belangrijk accent op de organisatie en de regierol van de gemeente. Die leggen wij ook vast in wetgeving. Verschillende woordvoerders die ik ook in de commissie voor Jeugd en Gezin tegenkom, weten dat er een wetsvoorstel naar u onderweg is rondom de regierol van de gemeente in relatie tot de verankering van de Centra voor Jeugd en Gezin.

Dat heeft een keerzijde, namelijk dat de verschillende instanties die moeten samenwerken ook wettelijk zullen worden verplicht om samen te werken, om afspraken te maken, om hun hulp- en ondersteuningsaanbod goed op elkaar af te stemmen. Op dit terrein – dat heeft ook te maken met wat u in de brief over het schoolverzuim is gemeld – is er daarnaast het landelijke steunpunt voor samenwerking tussen onderwijs en jeugdketen. Maar de wettelijke verankering van de zorg- en adviesteams vinden wij ook van belang, omdat ook waar zo’n zorg- en adviesteam er nog niet is, dat er wel moet komen. Dat is de keerzijde van de wettelijke verankering van de Centra voor Jeugd en Gezin, waarin de verschillende instanties bij elkaar komen. Over de wet op de verankering van de zorg- en de adviesteams en de samenwerking bent u verder geïnformeerd in de brief van 5 juni, die als eerste voor vandaag op de agenda staat.

De heer Pechtold vroeg in dit verband wie van de samenwerkende instanties specifiek coördineert als het gaat om spijbelen en schoolverzuim. Het antwoord daarop is tweeledig. Als het echt alleen gaat om spijbelen, ligt uiteraard al gauw het voortouw, en dus ook de coördinatie, bij de school en de leerplichtambtenaar. Zij hebben daarin hun eigen taak en verantwoordelijkheden. Vaak is er ook meer aan de hand met de betreffende kinderen. Als er een diversiteit aan problemen is en als daar verschillende instanties bij betrokken zijn, zal er vanuit de samenwerking tussen onderwijs, zorg en welzijn altijd een zorgcoördinator worden aangewezen. Dat is ook gegarandeerd en geborgd in het wetsvoorstel dat bij uw Kamer in bespreking komt. Dat hoeft dan niet automatisch de leerplichtambtenaar te zijn, dat kan bijvoorbeeld ook het schoolmaatschappelijk werk zijn, maar ook een heel andere instantie, bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg als dat aan de orde is. Per geval zal er zodra een kind echt in zicht en in bespreking is bij de betrokken instanties, worden aangewezen wie de zorgcoördinatie heeft, zodat het nooit meer kan voorkomen dat iedereen maar langs elkaar heen werkt en mensen niet weten wie het voortouw heeft in de hulp en de ondersteuning aan het betreffende kind of gezin.

De heer Pechtold (D66): Ik kom deze minister nog niet zo heel vaak tegen, dus het is voor mij nog even wennen. Ik hoor een hoop ambitie, terwijl ik dacht: dit kabinet zit al weer even. Minister, u formuleert zelf wie coördineert als eerste. Volgens mij is juist het kenmerk van coördineren dat er één iemand is en niet een rij mensen. Daar word ik al een beetje angstig voor. Ik zou toch iets meer kracht willen horen. Wij hebben straks ook nog een zorgcoördinator. Wordt dat, los van de benaming, ook in Opmeer weer 0,3 fte, naast een leerplichtambtenaar met 0,2 fte? De politieke realiteit is dat u vorige week door de PvdA in de wielen bent gereden. Wij hebben het jeugdbeleid bij de provincie gezet. Daarover kun je dimdammen of dat goed is. Nu worden de wethouders van de grote steden opeens door de PvdA naar voren geschoven, en nu gaan wij er ambtelijk weer een nieuwe coördinator bij zetten.

De voorzitter: Kan het wat puntiger, mijnheer Pechtold?

De heer Pechtold (D66): Ja, graag, maar uitgebreid beleid dat na twee jaar nog tot niets heeft geleid, mag misschien tot een interruptie leiden die daar wel wat slagkracht in brengt. Als coördinerend minister moet u dan toch gewoon zeggen dat u die versplintering van ambtenaren en taken niet meer accepteert? Wie is dadelijk op het lokale niveau de eerst aangesprokene die wij, op zijn Hollands gezegd, op zijn vestje kunnen spugen?

Minister Rouvoet: Hier wreekt zich inderdaad dat de heer Pechtold en ik elkaar te weinig tegenkomen, want dit is allemaal uitvoerig gewisseld met zijn fractiegenote mevrouw Koşer Kaya. Zij weet van de hoed en de rand en zij kan de heer Pechtold geruststellen over de daadkracht op het punt van de zorgcoördinatie. Het is namelijk niet waar dat wij aparte zorgcoördinatoren gaan aanstellen. Ik zou de heer Pechtold hierover uitvoerig kunnen informeren, maar ik kan hem ook verwijzen naar het beleidsprogramma dat ik na de eerste maanden op de mat heb gelegd. Daarin is dit allemaal precies uitgeschreven. Dat is ook bij de D66-fractie bekend. Het komt erop neer dat wij te maken hebben met het gegeven dat er vaak bij bepaalde jongeren al meerdere instanties betrokken zijn. Dat kan de politie zijn, de wijkagent, de leerplichtambtenaar, of de jeugdgezondheidszorg in het kader van opvoedingsondersteuning. Al in de eerste maanden na ons aantreden heb ik, daadkrachtig als u van mij vraagt, in gang gezet dat wij niet langs elkaar heen gaan werken, maar dat één van de al betrokken instanties de zorgcoördinatie heeft en per kind wordt aangewezen. Dat is dus niet een extra functionaris, maar een van de instanties die zich al met het kind bemoeit. Die heeft de coördinatie, want die weet precies wat er aan de hand is. Dat is allemaal uitgeschreven in de brieven die uw Kamer bekend zijn. Ik geef het hier graag nog kort aan.

Op de wethouders kom ik straks nog even terug naar aanleiding van de vraag van de heer Depla.

De heer Pechtold sprak even over het democratisch deficit. Ik vond dat op zichzelf wel interessant, want dit is in het kader van regionalisering en het inzetten van regels een punt van aandacht. Dat ben ik met de heer Pechtold graag eens. Voor het jeugdzorgbeleid, de jeugdgezondheidszorg en de wetgeving die tot stand is gebracht, en voor de samenwerking op lokaal terrein, geldt dat democratisch deficit niet. Wij hebben keuzes gemaakt die helder belegd zijn door de wetgever: bij de provincies, dan wel bij de gemeenten. Daar kun je verschuivingen in wensen. Ik ken de wens, ook van de D66-fractie. Dat is een kwestie van voorkeuren, maar dan verschuift het van de ene bestuurlijke verantwoordelijkheid naar de andere. Op zichzelf is het helder belegd in die domeinen, inclusief de democratische controle.

Er zijn een paar vragen gesteld over de zorg- en adviesteams, waarvan veel woordvoerders vooral het belang hebben onderstreept. Ik doe dat graag met hen. De zorg- en adviesteams zijn zoals wij weten ontstaan in de praktijk van het onderwijs – en dus niet van bovenaf opgelegd – vanuit de behoefte van het onderwijs om via een casusoverleg snel de juiste hulp en ondersteuning te kunnen inschakelen, omdat die niet altijd door de school zelf kan worden geboden. De school heeft een andere, pedagogisch-didactische opgave, maar dat casusoverleg over jongeren die linksom of rechtsom extra hulp of ondersteuning nodig hebben, is heel vruchtbaar en belangrijk gebleken. Over de implementatie, de mate waarin de zorg- en adviesteams te vinden zijn in het onderwijs, is de Kamer geïnformeerd in de brief van 19 juni. Negen van de tien middelbare scholen en drie van de vier basisscholen en mbo-scholen hebben zo’n zorg- en adviesteam. Hier en daar valt er aan de kwaliteit nog wel wat te verbeteren, dus daar blijven wij ook volop mee aan de gang, langs de lijnen die in de genoemde brief beschreven zijn. Op zichzelf zijn wij tevreden met de ontwikkeling van het bereik van de zorg- en adviesteams.

De heer Biskop vroeg naar de financiering van de zorg- en adviesteams. Zij worden niet via een aparte stroom gefinancierd; gelukkig niet, zou ik bijna zeggen. Het wordt tot de wettelijke taken van de deelnemende instanties gerekend om ook te zorgen dat zij participeren in de zorg- en adviesteams, of dat nu vanuit de gezondheidszorg is, dan wel vanuit de veiligheidsoptiek. Die mensen participeren gewoon als deel van hun taak ook in de zorgstructuren binnen de school. Daarnaast gaan wij ervan uit – dat zien wij ook heel veel gebeuren – dat gemeenten ook apart investeren in de zorgstructuur in en rond de school, gewoon uit hun eigen middelen. Dat houdt verband met de regierol die zij daarin nu eenmaal hebben.

Verschillende woordvoerders hebben gevraagd hoe het zit met de leerplichtambtenaar in de zorg- en adviesteams. In het primair onderwijs is dat op dit moment ongeveer 68%, in het voortgezet onderwijs 84% en in het mbo – dan hebben wij het over het RMC en de leerplicht – 82%. Met name bij avo en mbo is het van belang dat deze percentages heel hoog zijn omdat daar het schoolverzuim een groter probleem is dan in het basisonderwijs, maar wij willen de leerplichtambtenaar er dicht bij houden. Dat bevorderen wij langs de lijn die wij hebben aangegeven. Er is een landelijk steunpunt voor de ontwikkeling van de zorg- en adviesteams en wij gaan de teams verankeren in de onderwijswetgeving, zodat scholen daar ook aan gehouden zijn.

Daarnaast monitoren wij zorgvuldig de verdere ontwikkeling in het op gang komen van de zorg- en adviesteams waar zij er nog niet zijn. Wij zijn overigens ook samen met de staatssecretaris voor primair Onderwijs in gesprek met de VNG, omdat wij ons ook wel kunnen voorstellen dat gemeenten soms dol worden van de verschillende structuren en monitors. Die gaan wij dus integreren, zodat zij met één aanspreekpunt te maken hebben als het gaat om gemeentelijk onderwijs- en jeugdbeleid.

Mevrouw Dezentjé Hamming heeft een vraag gesteld over de Kinderbijslagwet. De staatssecretaris heeft er al even op gewezen dat wij in verband met de komst van de kwalificatieplicht en de leerwerkplicht ook de technisch noodzakelijke aanpassingen in de Kinderbijslagwet tot stand brengen. Dat is het eerste traject dat op dit moment loopt en waarbij uiteraard ook Sociale Zaken betrokken is.

Daarnaast zijn in dit verband twee andere trajecten relevant. Zoals u waarschijnlijk weet, is het ingevolge de Kinderbijslagwet al mogelijk om in bijzondere gevallen de kinderbijslag niet aan de ouders uit te keren maar aan een derde. Dat kan een gezinscoach zijn of de gezinsvoogd. Wij kijken of wij die mogelijkheden kunnen verruimen. Daar is nog wel het een en ander voor nodig.

Een ander traject dat hier relevant is, is wat de collega van Justitie en ik hebben voorgesteld in het kader van de twaalfminaanpak, waarbij wij ook de mogelijkheid bekijken om onder omstandigheden de kinderbijslag op te schorten. Dat betekent dus een tijdje niet uitbetalen, waarbij de kinderbijslag wel beschikbaar blijft voor het kind. Wij vinden het namelijk wel belangrijk dat het geld vroeg of laat weer beschikbaar komt voor waarvoor het bedoeld was, namelijk voor het goed kunnen opvoeden van de kinderen. Over de mogelijkheid in het kader van de twaalfminaanpak zal de Kamer te zijner tijd een voorstel bereiken n het kader van dit plan.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik kan me ook voorstellen dat je dat geld dan inzet binnen de gemeente en dat daarbij misschien ook ontschotting noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor een gezinscoach. Het langdurig spijbelen van een kind staat meestal niet op zichzelf. Is dat ook iets waar het kabinet aan denkt?

Minister Rouvoet: In eerste instantie nog niet. Wij zeggen dat de kinderbijslag is bedoeld als een bijdrage in de kosten van kinderen. Nu kan het dienstig zijn om die bijdrage niet aan ouders zelf uit te keren omdat zij niet bij machte of onwillig zijn om hun kinderen goed op te voeden. Dan kun je het aan een derde uitkeren, niet om daarmee het salaris van de gezinscoach te betalen, maar om via de gezinscoach het geld ten goede te laten komen aan de kinderen. De mogelijkheid die wij nu onderzoeken, is om dit tijdelijk op te schorten. Dan blijft het gewoon bij de SVB op de plank liggen totdat het wel aan het gezin en het kind kan worden uitgekeerd.

De heer Dibi (GroenLinks): Kinderbijslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderen. Ik ben op zichzelf niet tegen een financiële sanctie, maar ik heb meerdere debatten met u meegemaakt waarbij dit onderwerp ter sprake kwam. Toen was u tegen het intrekken van de kinderbijslag. Volgens artikel 23 van de Wet op de kinderbijslag kun je het geld al overmaken aan een derde, dus waarom daar niet aan vasthouden en nu een nieuw voorstel lanceren? Wat als de kinderbijslag wordt ingetrokken en als de ouders dan nog niet meewerken?

Minister Rouvoet: Ik heb bewust niet het woord «intrekken» gebruikt. Soms wordt ook gesproken over korten op de kinderbijslag. Dat is allemaal niet aan mogelijk en ook niet aan de orde. Daar ben ik niet mee bezig. Aan de al bestaande mogelijkheid van artikel 21 om het aan een derde uit te betalen 23 veranderen wij op dit moment niets. Wij kijken alleen naar de toepassing. Die mogelijkheid wordt zelden gebruikt. Wij kijken of daar een goede reden voor is of niet. In het kader van de twaalfminaanpak zijn de collega van Justitie en ik aan het bekijken of het ook mogelijk is om de kinderbijslag tijdelijk op te schorten. Dat is iets anders dan intrekken, want dan blijft het wel beschikbaar voor de kinderen. Dat is voor mij een belangrijk uitgangspunt, want ik wil wel dat het ten goede komt aan de kinderen, waarvoor het was bedoeld. Als daarover een voorstel komt, komt dat vanzelf naar de Kamer en kunnen wij vervolgens alle ins and outs bespreken.

De heer Depla en mevrouw Dezentjé Hamming hebben gevraagd hoe het zit met de ontschotting van de diverse middelen. Dit heeft te maken met de motie-Depla, maar ook met de discussie van vorige week of wij niet de wethouders van de G4 nog meer dan al het geval is de ruimte kunnen geven om ontschot middelen in te zetten die nu van het Rijk naar de gemeente gaan en waarover zij allemaal apart verantwoording moeten afleggen. Er gebeurt op dat vlak al het nodige. Er is een pilot in Rotterdam en er zijn experimenten in het kader van de wijkenaanpak, waaraan ook Amsterdam meedoet. Wij kennen community centers, waarin ook ontschot middelen kunnen worden ingezet, met excuses voor alle Haagse terminologie.

Er is een brede doeluitkering van Jeugd en Gezin, waarin al heel veel potjes zijn samengevoegd, zodat er maar op één punt verantwoording hoeft te worden afgelegd. Vorige week is, in het verlengde van de motie-Depla, gevraagd om met de wethouders, met name van de G4, in gesprek te gaan om te kijken of er nog meer mogelijk is bovenop wat wij al doen aan het ontschot inzetten van middelen. Wij kijken of er vanuit de verschillende departementen nog meer mogelijk is. Daarover ben ik met de departementen in gesprek, en dat gebeurt onder mijn regie, zoals vorige week is afgesproken. Ik ben met de wethouders in gesprek gegaan wat wij hiermee nog kunnen doen. Ik beschouw dit als een belangrijke investering om binnen de bestaande stelsels, zonder ingewikkelde discussies over bevoegdheden en stelsels – die discussie krijgen wij volgend jaar vanzelf als de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg er is – meer armslag te geven, in ieder geval aan de wethouders van de G4. Ik doet dat met volle inzet en de Kamer zal zoals beloofd voor de begrotingsbehandeling van Jeugd en Gezin geïnformeerd worden over de stand van zaken.

De heer Depla (PvdA): Het gaat om dezelfde jongeren. Dat was de strekking van de motie-Depla over de mbo-leerlingen. Het gaat om jongeren in het kader van de Wajong, waarmee Sociale Zaken te maken heeft. Het gaat om jongeren die werkloos worden en dan te maken hebben met Sociale Zaken. Het gaat om jongeren die in het gevang zitten, dan is het een zaak van Justitie. Het gaat om jeugd die uitvalt uit het onderwijs. Er zijn allemaal verschillende regels. In Den Haag gaan wij vanuit de eigen sectorale regeling de boel dichtschroeien, terwijl het om dezelfde leerlingen gaat. Daar moet dus een doorbraak komen.

De tweede doorbraak is op lokaal niveau. U zegt wel dat u als eerste coördineert. Wij zijn er in Nederland veel te goed in om bij elkaar aan tafel te gaan zitten en met dossiers te schuiven. Dan hoeven wij niet naar buiten. Het gaat erom dat op een gegeven moment één iemand verantwoordelijk is en dat die ook kan zeggen: de rest nu even aan de kant, ik ga het probleem oplossen. Die twee dingen moeten geregeld worden, want pas dan kunnen wij echt meters maken.

Minister Rouvoet: Ik ben het hier voor 100% mee eens. Dit hebben wij ook in gang gezet in het wetsvoorstel dat ik noemde over de Centra voor Jeugd en Gezin. Over de regierol van de gemeenten wordt geen onduidelijkheid gelaten. De wethouder Jeugd heeft de regie en wordt er ook voor toegerust met instrumenten om dat zo nodig ook te kunnen afdwingen bij alle samenwerkende partners. Daar ligt het accent voor het hele lokale jeugdbeleid. Wat te doen in het kader van het verzoek van vorige week? Ik verwijs naar de toezegging van de minister-president. Wij gaan kijken of wij departementoverstijgend – dat mag ook worden verwacht van de programmaminister voor Jeugd en Gezin, ik voel mij daar zeer door gemotiveerd – bestaande, geschotte middelen bij elkaar kunnen voegen, zodat die wethouders ook werkelijk de armslag krijgen om het waar te maken. Dat ligt precies op de genoemde terreinen van sociale zaken tot aan onderwijs, justitie en zorg.

Mevrouw Agema vroeg of er een koppeling kan komen tussen het ene loket van het schoolverzuim en spijbelen en de verwijsindex. Het antwoord is ja. Niet alleen de leerplichtambtenaar, maar ook de scholen voor basis- en voortgezet onderwijs zijn meldende instanties voor de verwijsindex, zoals geregeld in het wetsvoorstel dat binnenkort naar de Kamer komt. Het is van belang om die signalen bij elkaar te brengen.

Haar vraag over de campussen mag ik misschien heel kort beantwoorden. Zij heeft een aantal vragen gesteld over de stand van zaken, de doelgroep en de bijdrage aan de doelstelling van reductie van de jeugdcriminaliteit. Als ik het goed heb, gaat vandaag of uiterlijk morgen de brief over de campussen naar de Kamer, als die er niet al ligt. De heer Dibi wordt al helemaal blij. Daarin staat alle informatie. Ongetwijfeld kunnen wij daarover binnenkort verder met elkaar spreken.

Ik maak hier de opmerking bij in het kader van dit algemeen overleg dat ik enige reserve wil betrachten waar het gaat om de bijdrage die wij aan campussen kunnen leveren, omdat het hier nu juist gaat om een doelgroep die eigenlijk al zo ver weg is bij school en het vinden van een baan dat zij met het normale instrumentarium – ook de leerplichtambtenaar – niet meer bereikt wordt. Wij proberen nu juist nog via die campus toeleiding naar werk te organiseren. Dat zal niet in heel veel gevallen ook nog naar het reguliere onderwijs zijn waarover wij hier vandaag spreken, maar meer daarover de volgende keer.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ook door mijn collega’s is al gewezen op de interactie die op dit terrein moet plaatsvinden tussen wat wij doen in het kader van het justitiebeleid en wat er wordt gedaan in het onderwijsbeleid en in het jeugd- en gezinsbeleid. Dat spitst zich trouwens niet alleen toe op degenen die op die manier met justitie in aanraking komen dat zij als verdachte van strafbare feiten moeten worden gezien. Dat geldt ook voor degenen die nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt en die, zoals collega Rouvoet net al zei, aandacht krijgen wanneer overlast en de voorstadia van crimineel gedrag aan de orde zijn, en door ons worden benaderd op een manier die vooral preventief bedoeld is. Het gaat dus om preventie van crimineel gedrag. Dit is beschreven in de brief over de twaalfminners, om het zo maar te zeggen, die u onlangs heeft ontvangen.

Dat geldt trouwens ook voor de twaalfplussers en de achttienminners die tot onze doelgroepen in het preventiebeleid behoren. Een van de oogmerken bij de inrichting van de veiligheidshuizen – waarvoor zoals bekend staatssecretaris Albayrak en ik ernaar streven om die in het hele land te realiseren tegen eind volgend jaar – is om er voor te zorgen dat in goede afstemming met andere sectoren – onderwijs hoort daar ook bij, uiteraard de jeugdsector, de verslavingszorg, gemeenten – tijdig wordt gereageerd op crimineel gedrag. Dat is eigenlijk een kernstuk van ons beleid. Het aanpakken van schoolverzuim is daaraan gerelateerd, ook omdat het tijdig reageren op spijbelgedrag als signaal kan binnenkomen bij de veiligheidshuizen, dat er mogelijk meer aan de hand is. Zowel wanneer het gaat om mogelijke daderschap van crimineel gedrag als wanneer het gaat om mogelijk slachtofferschap. Wij zijn in onze oriëntaties op dit terrein – ik verwijs naar een van de gesprekken met mensen uit de praktijk van collega Rouvoet en mij – ook situaties tegengekomen waarin spijbelgedrag het voorstadium bleek te zijn van slachtofferschap, van – in dat geval – acties van een loverboy. Dus het heeft niet alleen betekenis om er tijdig bij te zijn als mensen als verdachten, als daders in beeld komen voor justitie, maar ook wanneer het gaat om spijbelaars en spijbelgedrag dat wijst op slachtofferschap. Hetzelfde kan trouwens ook het geval zijn bij kindermishandeling. Er is dus alle reden om ook uit de optiek van het justitieel preventiebeleid goed te letten op spijbelgedrag.

Vandaar dat wij samen op 5 juni deze brief aan u hebben gestuurd. Vandaar ook wat ik alleen nog van mijn kant kan bevestigen uit de antwoorden van de collega’s die zo-even het woord hebben gevoerd.

Dat betekent – daarom hebben wij dat in de brief ook benadrukt – dat ouders, school, leraren en schoolleiding hier bij uitstek van belang zijn, ook in relatie tot de sectoren, de instanties waarvoor de verantwoording bij mij ligt.

Ik kom bij de vraag van de heer Biskop hoe het staat met het standaard proces-verbaal. Wij zijn daarmee bezig in het kader van de handleiding schoolverzuim die nu bij het Openbaar Ministerie in ontwikkeling is. Het ontwerp is inmiddels gelukkig in een vergevorderd stadium. Ik verwacht ook dat het dit najaar gereedkomt. Daarna zal het OM in overleg treden met de betrokken ketenpartners, waaronder de leerplichtambtenaren en de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak, om tot goede afspraken te komen.

Een andere vraag van de heer Biskop betreft het zorgen voor een stuwmeer in de keten bij de Raad voor de Kinderbescherming en andere instanties waarmee wij te maken hebben als gevolg van de nieuwe aanpak. Het is moeilijk om die vraag op dit moment afdoende te beantwoorden. Uiteraard heeft dit punt de aandacht, dus ik kan de vraag van de heer Biskop buitengewoon goed begrijpen, maar om nu te zeggen hoe dit zal uitpakken op het punt van de werkdruk? Dat weten wij eigenlijk nog niet goed. Er zullen consequenties zijn van die integrale aanpak voor de werkdruk bij de Raad, maar een aanscherping in de afspraken tussen OM en leerplicht zal ook kunnen leiden tot meer processen-verbaal, en dus tot meer werk in de justitieketen.

Het is natuurlijk het doel om zo vroeg en effectief mogelijk op te treden bij beginnend schoolverzuim, opdat er ook een preventief effect van uitgaat. Dus dat staat aan de andere kant van de balans. Ik zal de ontwikkeling in ieder geval precies volgen, mede na deze aansporing, en waar nodig bijsturen. Met het oog daarop hebben wij ook een interdepartementaal overleg waar de gevolgen in de keten aan de orde komen.

Ik ben nog steeds bij de vraag van de heer Biskop. Misschien dat ik hem een beetje overbedeel in aandacht, maar houdt u mij ten goede, dat is...

De heer Pechtold (D66): Dat gebeurt in een klas ook!

Minister Hirsch Ballin: Ja, daarom zeg ik het ook. Ook in de collegezaal kan het gebeuren dat je meer vragen stelt aan degenen die voorin de rij zitten dan achterin. Ik heb mij altijd beijverd om dat te compenseren, soms in die mate dat de achterste rij daardoor weer wat leger werd. Het ligt natuurlijk ook gewoon daarin dat de heer Biskop als eerste heeft gesproken. Er was soms wat overlap in de onderwerpen die uw commissie aan de orde heeft gesteld. Dus wilt u de antwoorden aan de heer Biskop mede zien als antwoord aan allen? Ik hoop dat ik mij hiermee voldoende van mijn taak heb gekweten ten opzichte van degenen die later hebben gesproken.

De vraag van de heer Biskop dus, hoe het zit met de verschijningsplicht van ouders in verband met recente veranderingen in de wetgeving. Daarover is gisteren gesproken bij de behandeling van het wetsvoorstel 30 143 in de Eerste Kamer. Daarin gaat het om de positie van slachtoffers. Nu wordt spijbelen gezien als een slachtofferloos delict, althans, slachtoffers zijn er niet in de directe zin waarin wij iets in het strafrecht een delict met slachtoffers noemen. Dus van toepassing is dit wetsvoorstel ook daar niet rechtstreeks, maar een onderdeel van het wetsvoorstel is een verschijningsplicht in het kader van artikel 496 van het Wetboek van strafvordering.

Daarover zijn wat zorgen uitgesproken door de Raad voor de rechtspraak. Die heb ik ook openhartig, zoals het past – zeker wanneer het een openbaar advies is – besproken met de Eerste Kamer. Daarbij heb ik op mij genomen om de toepassing van dit, bij amendement van de Tweede Kamer in het wetsvoorstel opgenomen, onderdeel zo in te richten dat er feitelijke, praktische problemen bij de rechtspraak worden voorkomen. Die brief zal ik opstellen na nader contact met de Raad voor de rechtspraak en dan ook een afschrift aan de Tweede Kamer doen toekomen.

De ervaring is trouwens dat bij schoolverzuim de meeste ouders uit eigen beweging verschijnen. Dat is een goede zaak. Ik moet er wel bij zeggen – dat bleek ook uit het stuk van de Raad voor de rechtspraak – dat dat bij zeventienjarigen minder het geval is net als bij veelplegers. Daarom heb ik ook gezegd dat dit onderdeel van het wetsvoorstel wel degelijk van betekenis is. Juist als het gaat om veelplegers, om recidiverende jeugdige verdachten, is het van belang om de ouders niet buiten beeld te laten. Dat was, zoals ik ook tegen de Eerste Kamer heb gezegd, de betekenis van het amendement, ook wanneer wij mogen constateren dat 80% van de ouders in het kader van de bestaande regeling reeds verschijnt.

De heer Van Dijk en de heer Slob hebben gevraagd of de huidige sancties toereikend zijn, zoals in het voorbeeld van de gemeente Amsterdam, die erover klaagt dat de boetes blijkbaar laag zijn. Volgens de richtlijn voor het Openbaar Ministerie kan bij eenmalige herhaling van het luxe verzuim een boete worden opgelegd van maximaal € 750 per gezin. In ernstige gevallen kan voorwaardelijke hechtenis worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Maar als de recidive zich continueert, bij aanhoudende recidive dus – re-recidive zogezegd – volgt een dagvaarding en kan de boete per gezin oplopen tot € 1 500. In ernstige gevallen kan ook onvoorwaardelijke hechtenis worden opgelegd.

Mij lijkt dat de sancties op luxe verzuim daarmee zwaar genoeg zijn. Wij moeten ook de proportionaliteit in verhouding tot andere onderdelen van ons strafrechtelijk stelsel in het oog houden. Een verhoging van de boetebedragen zou contraproductief kunnen werken, want scholen zouden dan namelijk in de verleiding kunnen komen, uit een oogpunt van een soort educatief mededogen met de ouders, om het bij een afhandeling in eigen kring te laten, en de ouders aan te spreken in het kader van een soort contra-spreekuur. Dat moeten wij natuurlijk niet hebben. Dus ik meen dat wij met deze benadering van zwaardere en eventueel verder oplopende sancties bij recidive – zeker bij het zogenaamde luxe verzuim – op het goede spoor zitten. Ik zie op dit punt vooral toegevoegde waarde in acties zoals die deze zomer op Schiphol hebben plaatsgevonden, waarbij ouders direct zijn aangesproken.

De heer Pechtold vroeg naar het schoolverzuim. Dat is inderdaad een Halt-waardig feit geworden, maar hoe zit het met zaken waarin andere problemen op de achtergrond een rol spelen? Ik kan die vraag zeer goed plaatsen, ook tegen de achtergrond van wat ik net zei over de relatie tussen schoolverzuim en andere problemen waar ik het over had in de inleiding op mijn antwoorden, over de betekenis die dit ook heeft als signaal in de werkzaamheden van de veiligheidshuizen. De opmerking in mijn brief dat schoolverzuim Halt-waardig is geworden, moet u dus ook zien in deze context. In de context waarin schoolverzuim voorheen nog niet was opgenomen in het Besluit Halt-waardige feiten. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat voor lichte gevallen Halt een passende sanctie is. Als er sprake is van achterliggende problemen, volstaat een Halt-afdoening niet. In mijn brief van 15 september heb ik voor die zaken dan ook aangegeven dat ik daar voor zwaardere sancties en interventies kies. Ik heb programma’s als MST en FFT genoemd, waarbij ook ouders een rol hebben. Als Bureau Halt overigens constateert dat er toch sprake is van een achterliggende problematiek – dus als bij de uitvoering van de sanctie blijkt dat een betere inschatting van wat er aan de hand was zou moeten leiden tot een andere toepassing van het sanctiepakket – wordt Bureau Jeugdzorg ingeschakeld om dat verder aan te pakken, en kan er naar die achterliggende problematiek worden gekeken.

Ik kom bij de vraag van de heer Depla en de heer Slob over het tempo van afdoening door de justitiële partners. Volgens de normtijden die ik heb genoemd, moet binnen twee maanden na het proces-verbaal de zaak voor de zitting gereed zijn en binnen één maand daarna moet zij daadwerkelijk op de zitting worden gebracht. Ik informeer u graag over de voortgang daarin, maar dat moeten wij natuurlijk doen op het moment dat zich daartoe leent en onder het voorbehoud dat de systemen van Openbaar Ministerie en rechtspraak deze informatie ook kunnen genereren. Ik vermoed dat dat binnenkort gaat lukken. Dan zal ik u ook daarover informeren.

Ten slotte heeft de heer Pechtold gevraagd naar spijbelinterventies, namelijk hoe lang wij nog doorgaan met interventies waarvan de effectiviteit niet is aangetoond in het kader van evidence based werken, dat de staatssecretaris en ik nu over de hele linie bij Justitie willen toepassen. Ik heb in mijn brief van 15 september al aangegeven dat er interventies zijn die zijn erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie en die toegepast kunnen worden. Sommige van die interventies, zoals de sociale en cognitieve vaardigheidstraining, worden ook al breed ingezet. Bij andere interventies, zoals MST of wel multi-system therapy, is daarvoor nog nodig dat dit landelijk wordt aangeboden en ook landelijk beschikbaar is. Daarvoor moeten mensen zijn opgeleid om dat ook te kunnen doen. Het doorvoeren van deze interventies vergt daarom soms wat tijd, maar ons streven is om binnen twee jaar alle gedragsinterventies te doen beantwoorden aan het criterium van bewezen werkzaamheid, dus het criterium van evidence based werken.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Agema (PVV): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording. Ik had haar gevraagd wat de reductie tot 35 000 betekent, en de ambitie van het kabinet. Wij hebben het dan namelijk over 25 000 schoolverlaters in 2010 en 2011. Zou die doelstelling niet veel scherper gesteld moeten worden? 35 000 jongeren elk jaar linea recta de onderklasse insturen lijkt mij niet de doelstelling die het kabinet zou moeten hebben. Misschien kan de staatssecretaris dit nog toelichten.

Ik vond het opmerkelijk dat meerdere Kamerleden hebben aangegeven dat hier wel degelijk ook allochtonenproblematiek gaat, terwijl de staatssecretaris zegt dat dit met maatwerk in de gemeente, de regio of de provincie allemaal wel goed komt. Ik vind dat te kort door de bocht. Er zit totaal geen lucht tussen de opvatting van mij en die van de heer Bosma in dezen. De staatssecretaris zal hierop toch harder moeten inzetten, anders dan alleen maar geld geven aan een platform voor allochtone ouders. Wanneer 70% van de Marokkaanse jongeren de school verlaat, 40% geen werk heeft en uit de criminaliteitsstatistieken puilt, zouden wij hier toch integraal met iets anders en iets meer moeten komen, want wij hebben het hier over een integrale aanpak. De staatssecretaris zal samen met minister Hirsch Ballin actief moeten zorgen dat de criminaliteitscijfers actief gereduceerd worden. Zij zal actief met de prepcams van minister Rouvoet in de weer moeten gaan, om gezamenlijk tot een integrale aanpak te komen van die specifieke groepen, die zo enorm oververtegenwoordigd zijn in het schoolverzuim.

Minister Hirsch Ballin: Mag ik even uw orde onderbreken met een verzoek, voorzitter? Om 16.00 uur is er in de Thorbeckezaal een ander AO gepland dat primair met mij wordt gevoerd.

De voorzitter: Dan vraag ik of er nog specifieke vragen zijn voor de minister van Justitie. Ik constateer dat dat niet het geval is. Dan bent u nu verontschuldigd.

Minister Hirsch Ballin: Dank u wel.

De heer Depla (PvdA): Voorzitter. Wij willen allen dat er overal genoeg leerplichtambtenaren zijn. Wij willen volgend jaar geïnformeerd worden om dan te kunnen bekijken of de aanpak die is gekozen voldoende heeft opgeleverd, dan wel of wij iets aanvullends moeten doen, variërend van verder achter de broek zitten tot zelfs aanspreken op taakverwaarlozing, of anders met het geld gaan schuiven.

Wij zijn het allemaal eens over allerlei maatregelen die worden genomen, maar dan moeten wij elkaar er ook strak aan houden dat wij vooral tempo houden. Ik zou het daarom prettig vinden als wij bij de volgende voortgangsrapportage een schema krijgen wanneer wij wat zouden doen. Voordat je het weet, treedt anders een wet die half augustus in werking zou treden een halfjaar later in werking. Dus als wij de volgende keer niet alleen onze acties, maar ook de planning volgen kunnen wij dat misschien vermijden.

Ik heb geen antwoord gekregen over de gedwongen huwelijken en de rol die de leerplicht zou kunnen spelen om een bijdrage te leveren aan het experiment.

Specifieke problemen vragen ook om specifiek beleid, dus wij moeten toch ook echt nadenken of onze aanpak helpt als speciale bevolkingsgroepen oververtegenwoordigd zijn op bepaalde punten. Daar moeten wij echt structureel naar kijken.

Wat de verkokering betreft, wacht ik het verhaal af. De kern moet zijn: niet nog meer coördinatoren, maar de verkokering in Den Haag afbreken, en zorgen dat wij niet aan de vergadertafel gaan zitten maar erop afgaan.

De heer Pechtold (D66): Dit overleg stemt mij nog niet helemaal tevreden. Ik ben niet zo blij dat wij toch het gevoel krijgen dat wij nog een jaar moeten wachten. Als 53 000 leerlingen per jaar de school verlaten zonder startkwalificatie, vind ik dat een urgentie die eigenlijk geen jaar meer duldt, maar ik ben bang dat dat toch wel een beetje de realiteit is op dit moment.

Ik vind het jammer dat er niet echt een doorbraak doorklinkt, met name rond het schoolverzuim en de leerplicht en de regio’s. Misschien was de term «de eerste coördinator» een halve verspreking, maar bij zoiets denk ik dan: daar gaan wij weer. Wij zullen het moeten zien. Graag veel druk op de ketel!

De heer Jasper van Dijk (SP): Over 35 000 schoolverlaters bestaat verwarring. Zelfs in de begroting worden verschillende jaartallen genoemd, dus hierover krijg ik graag duidelijkheid. Aanvankelijk ging het om 2010 – Lissabon – maar dat is verschoven naar 2012. Dan is deze staatssecretaris al weg, dus hoe hard is de uitspraak dat wij dit gaan halen?

Wat de leerplichtkwestie en de norm van 1:3800 betreft, ben ik het eens met de heer Depla. De staatssecretaris moet ons dan echt wel informeren, anders kunnen wij nooit nagaan hoe dit nu valt binnen de gemeenten.

Wat de schaalverkleining betreft, komt de staatssecretaris voor de begrotingsbehandeling met een nota over de menselijke maat. Zij heeft daarover gezegd dat de criteria rond de fusies nu niet helder zijn. Dat vind ik echt heel zorgelijk, want die fusies gaan op dit moment door. Ik stel voor dat de staatssecretaris totdat de nota er is een fusiestop instelt, want ook in het voortgezet onderwijs wordt op dit moment schaalvergroot of gefuseerd. Juist in het vmbo zou de SP graag kleine scholen willen. Wij moeten toe naar kleine scholen, dus zet die schaalvergroting stop.

De heer Dibi (GroenLinks): Dank aan de bewindslieden voor de beantwoording. Ik kondig alvast een VAO aan. Twee van mijn vragen zijn nog beantwoord, allereerst over het antispijbelcontract, waarvan ik dacht dat de staatssecretaris dit wel een leuk voorstel zou vinden, en over de specifieke situatie in de G4. Hebben wij daar niet een steviger inzet van leerplichtambtenaren nodig, kunnen wij in de G4 – dus niet in alle gemeenten – de norm of de richtlijn wijzigen in één leerplichtambtenaar per 3800 leerlingen?

Ik weet dat de WRR bezig is met een onderzoek waar het nog mee komt. Ik kijk daar heel sterk naar uit. Ik denk dat wij dan opnieuw, terecht, over dit onderwerp komen te debatteren.

Ter voorbereiding op een ander debat heb ik onderzocht hoe lang er in Den Haag al wordt gepraat over ontkokering, hoe vaak het woordje «integraal» al is gebruikt en wanneer dat voor het eerst is gebruikt. Ik ben best geschrokken. Dit gebeurt namelijk al heel lang en het is nog nooit echt gelukt. Dat is volgens mij best een zware last, die volgens mij vooral op minister Rouvoets schouders ligt. Ik hoop dat hij echt voor die doorbraak gaat zorgen, omdat ik anders niet zie dat wij de doelstelling gaan halen. Ik ben net als de heer Pechtold niet gerust na dit debat, omdat wij in bijna elk antwoord die verkokering hebben gehoord.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Wat de VVD betreft, staat één ding voorop bij de aanpak van schooluitval en schoolverzuim: Geen kind geen dag van school. Dat moet eigenlijk het uitgangspunt zijn. Daar zal ik ook alles verder aan toetsen. Ik was even geschrokken van de relativering door de heer Dibi dat een dagje moet kunnen. Ik vind dat dat niet aan de orde zou moeten zijn, omdat het veel te belangrijk is. Gelet op de oplopende problemen in de jeugdzorg denk ik dat juist het onderwijs in preventie een ontzettend belangrijke rol kan hebben. Wat mij betreft, ligt daar ook echt het primaat, met name in het primair onderwijs, waar de leraar ook echt een hoofdrol heeft. Die leraar voelt de pijn van de ettertjes, die op jonge leeftijd al de middelvinger opsteken en die dreigen te ontsporen. Hij of zij voelt natuurlijk ook het geluk van de kinderen die wel goed terechtkomen.

Ik mis één punt in de integrale aanpak, namelijk de zeer zwakke scholen, die er toch bij zouden horen.

Een bonus voor scholen die eigenlijk gewoon hun werk doen zoals zij het moeten doen, zouden wij ook kunnen vervangen door het uitschrijven van een leerling na vier weken afwezigheid. Dat voelen de scholen ook goed. Is daar al eens over nagedacht?

De heer Biskop (CDA): Het laatste moeten wij zeker niet doen, na de vergadering vertel ik u wel waarom. Harmonisatie van de verschillende wetten begin 2009 vind ik hartstikke goed. Laten wij daar maar eens mee beginnen. De sleutel als het gaat om schoolverzuim – dat is vaak het begin van schooluitval – ligt naar mijn idee bij de leerplichtambtenaar en bij de zorgadviesteams in de regio. Wat de norm voor leerplichtambtenaren betreft, heb ik in een stukje van Ingrado gelezen dat men in het begin, toen men over de norm van 1:4500 sprak, als ik het wel heb sprak van «leerplichtambtenaren» en nu over «de leerplichtfunctie», waar meer typen figuren omheen staan, dus ook mensen met een administratieve functie. Hoe zit dit nu precies? Kan de staatssecretaris zeggen of er veel gemeenten zijn die dit nu wel of niet fatsoenlijk hebben geregeld? De rol van de scholen is: melden, melden, melden, zorgen voor goede zorgadviesteams met een leerplichtambtenaar erin. De contracten van de heer Dibi gaan naar mijn idee voorbij aan die zorgadviesteams. Dat lijkt op regelgeving in de sfeer van iemand die zijn rijbewijs haalt en dan een contract sluit waarin hij belooft om nooit te hard te zullen rijden.

Voorzitter: Biskop

De heer Slob (ChristenUnie): Ik ben de bewindslieden erkentelijk voor hun beantwoording. Mijn indruk is dat in ieder geval op rijksniveau de urgentie van het vraagstuk wordt gevoeld en dat dat niet alleen woorden zijn, maar dat er ook een groot aantal daden en financiële middelen voor beschikbaar wordt gesteld. De grote klus zal wel zijn om alle betrokkenen die in de praktijk met het schoolverzuim te maken hebben – de gemeenten en de scholen – er ook allemaal achter te krijgen. Ik denk dat het dan ook van belang is dat met name de wat zwakkere schakels – dat is niet eens altijd een bewuste keuze om er niets aan te doen – dan zullen moeten worden versterkt.

De voortgangsrapportage die wij in het voorjaar zullen krijgen, zal naar ik verwacht een moment zijn om met elkaar te bezien of de inzet die nu gepleegd wordt een goede voortgang heeft en wordt opgepakt in de rest van het land. Dan zullen wij weer nader met de bewindspersonen spreken.

Voorzitter: Slob

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Mevrouw Agema heeft gezegd dat de ambitie scherper moet dan 35 000 leerlingen. Anderen zeggen dat die ambitie niet haalbaar is. Dat geeft al aan dat wij al een heel fors verhaal neerzetten. Ik ben met u van mening dat ook die 35 000 niet acceptabel zijn, hoewel wij ons ook gewoon moeten realiseren dat er altijd jongeren zijn voor wie door allerlei omstandigheden een startkwalificatie niet haalbaar is. Wij moeten dit ook in dat licht bekijken. Met mevrouw Agema ben ik van mening dat het mooi ware als dit naar nul zou gaan. Maar zoals door een aantal collega’s van haar reeds is aangegeven, zal dit al een forse kluif zijn. Ik heb er vertrouwen in dat het daadwerkelijk gaat lukken.

De heer Depla vraagt om een tijdsplanning, prima. Ik heb die planning klip en klaar gegeven en daar kan men mij op aanspreken. Als de vraag is of wij dit voortaan in de brief opnemen, zeg ik dat toe.

De vraag over de huwelijken was mij niet precies duidelijk. Als de heer Depla mij dat straks na afloop nog even uitlegt, zullen wij hem van een antwoord voorzien.

De heer Pechtold heeft aangegeven dat hij één jaar wachten te lang vindt. Ik begrijp absoluut niet waar hij het woord «wachten» vandaan haalt. Wij zijn druk bezig met heel veel beleid, met heel veel intensiteit, ook in de regio’s, en wij merken het enthousiasme daar. Wij merken ook gewoon dat de betrokkenheid toeneemt. Dat lijkt mij een heel goede zaak en dat hebben wij ook heel hard nodig.

De heer Van Dijk heeft gezegd dat 2012 ver weg ligt en dat ik dan al weg ben, wat hem tot de vraag bracht of wij het gestelde doel dan wel gaan halen. Dat weet ik niet bij voorbaat. Bovendien is het kabinet die verplichting aangegaan. De rechtsopvolger van dit kabinet zal die verplichting ook nog steeds hebben. De Kamer kan ons natuurlijk jaarlijks aanspreken op de rapportage. Ik denk dat het goed is om daarin aan te geven dat wij in de afgelopen jaren een paar belangrijke besluiten hebben genomen, zoals de kwalificatieplicht, een intensievere inzet op regionaal niveau waar het gaat om beroepsoriëntaties en zo meer. Wij moeten gewoon vaststellen dat het SCP in het rapport Gestruikeld voor de start daarmee geen rekening had gehouden. Het SCP heeft ook gewoon aangegeven dat dat beleid niet was vertaald in de effecten die het had doorgerekend. Daar is niets mis mee, maar wij moeten dit er wel even bij optellen.

Sorry dat ik het spijbelcontract had laten liggen, maar ik zit er eigenlijk net zo in als de heer Biskop, dat is niet helemaal verbazingwekkend. Elke school kan zijn eigen manier van aanpak kiezen. Als een school een contract wil aangaan met de ouders waarin staat dat zij de plicht hebben om op hun kind te letten, dan mag die school dat. Natuurlijk, want je mag met elkaar afspraken maken, dat lijkt mij hartstikke goed. Zoals je bijvoorbeeld ook pestcontracten hebt. Dus laat het bij de school.

De heer Dibi vraagt om specifiek beleid voor de G4, waar wij de normen zouden moeten ophogen voor de leerplichtambtenaren. Voor de goede orde, wij kennen geen richtlijn. Wij kennen geen norm. Ingrado heeft een norm gesteld die men wenselijk vindt. Ik kijk even hoe wij het in Nederland geregeld hebben. Wij kennen een Gemeentefonds en wij kennen een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid bij de gemeente. Wanneer wij spreken over veiligheid op straat, gaat de Kamer toch ook niet vragen hoeveel mensen er bij Openbare Werken werken? Hetzelfde geldt wanneer wij spreken over handhaving van de RO-wetgeving.

Voor de goede orde wijs ik erop dat er een verantwoordelijkheid bij de gemeente ligt. Ik wil dat wel zuiver houden, want op het moment dat wij hier richtlijnen en normen gaan instellen, zal de gemeente zeggen: mag ik dan ook even een heel dikke portemonnee zien waarmee dit allemaal betaald wordt? Er zit geld in het Gemeentefonds en het is aan de gemeenten om prioriteiten te stellen. Ik heb een doelstelling, en daarop spreek ik de gemeenten aan. Met hen heb ik een convenant afgesloten over de reductie van het aantal vsv’ers.

Mevrouw Dezentjé wil leerlingen uitschrijven na een maand. Ik sluit mij volledig aan bij de heer Biskop. Het lijkt mij echt heel slecht om jongeren uit het onderwijsbestand weg te halen. Dan hebben wij hen niet meer in beeld en zijn wij hen mooi kwijt.

De heer Biskop wil precies weten welke administratieve krachten en welke leerplichtambtenaren allemaal in het gemeentehuis zitten. Ik zou het niet weten. Ik spreek hen aan op de output. Dat is mijn taak. Zij hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen dat zij adequaat menselijke inzet hebben om te zorgen dat zij dit kunnen waarmaken.

Minister Rouvoet: Voorzitter. Een minuut is te kort om de misverstanden die bij de heer Pechtold leven over de zorgcoördinatie in één keer te verhelpen, maar ik neem aan dat een gesprek met zijn fractiewoordvoerder op dit punt verhelderend kan zijn. Ik ben graag bereid om een aparte briefing te verzorgen.

De heer Dibi heeft nog opmerkingen gemaakt over verkokering en ontkokering. Hij heeft gelijk dat wij hier al heel lang mee bezig zijn en dat dit een hardnekkig probleem is in allerlei sectoren, maar het moet wel gebeuren. Ik denk dat ik met een gerust hart kan stellen dat Jeugd en Gezin het goede voorbeeld heeft gegeven, door een jaar eerder dan gepland de verschillende potjes die naar de gemeenten gaan samen te brengen in de brede doeluitkering, met een heel rustige, laagdrempelige verantwoording naar het Rijk. Zo hoort het om wethouders meer ruimte en armslag te geven. Nu bezien wij naar aanleiding van het debat van vorige week of wij er voor de wethouders in de G4, de vier grote steden in het land, nog van andere departementen potjes bij kunnen doen in die brede doeluitkering of anderszins, zodat zij precies op die snijvlakken van de terreinen die de heer Depla noemde meer armslag krijgen als wethouder Jeugd.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Mijn vraag is nu in twee termijnen niet beantwoord wat de staatssecretaris ervan vindt dat het eerder sluiten van zeer zwakke scholen zou horen in een integrale aanpak van schooluitval.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wij hebben beloofd dat er een wetsvoorstel goed bestuur komt. Daarin zullen wij ingaan op de mogelijkheden die wij als bewindslieden en als kabinet wel en niet hebben op dit punt, met het oog op artikel 23. U krijgt dat wetsvoorstel zo spoedig mogelijk. Ik weet niet precies wat wij daarover hebben toegezegd, maar het komt voor het eind van het jaar.

Toezeggingen

– De Kamer ontvangt begin 2009 een rapportage over de harmonisatie van de systematiek in de wet- en regelgeving met betrekking tot schoolverzuim, twee maanden later gevolgd door een wetsvoorstel.

– De Kamer ontvangt voor de begrotingsbehandeling van OCW een nota over de menselijke maat in het onderwijs.

– De Kamer ontvangt voorjaar 2009 een voortgangsrapportage over het schoolverzuim.

– De Kamer ontvangt van de minister van Justitie een afschrift van diens brief aan de Raad voor de rechtspraak.

– De Kamer wordt door de minister van Justitie geïnformeerd over normtijden voor het OM voor de procedures.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van de Camp

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Leerdam

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

La Rocca


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (ChristenUnie), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GroenLinks).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Timmer (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Halsema (GroenLinks).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van Beek (VVD), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), De Pater-van der Meer (CDA), Van Bochove (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Sterk (CDA), Leerdam (PvdA), voorzitter, De Krom (VVD), ondervoorzitter, Griffith (VVD), Boelhouwer (PvdA), Irrgang (SP), Kalma (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Van der Burg (VVD), Brinkman (PVV), Pechtold (D66), Van Raak (SP), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Heijnen (PvdA), Bilder (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Teeven (VVD), Azough (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Smilde (CDA), Knops (CDA), Polderman (SP), Spies (CDA), Wolbert (PvdA), Aptroot (VVD), Zijlstra (VVD), Vermeij (PvdA), Van Gerven (SP), Heerts (PvdA), Çörüz (CDA), Remkes (VVD), De Roon (PVV), Van der Ham (D66), Van Bommel (SP), Ouwehand (PvdD), Timmer (PvdA), De Wit (SP), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Cramer (ChristenUnie).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).