Kamerstuk 26419-35

Verslag van een algemeen overleg

Toerisme en recreatie; Verslag van een Algemeen Overleg

Gepubliceerd: 13 oktober 2008
Indiener(s):
Onderwerpen: cultuur en recreatie economie recreatie toerisme
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26419-35.html
ID: 26419-35

26 419
Toerisme en recreatie

nr. 35
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 8 oktober 2008

De vaste commissie voor Economische Zaken1, de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 en de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer3 hebben op 10 september 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken en minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:

– de Toerismebrief, Holland meesterwerk aan het water d.d. 9 juni 2008 (26 419, nr. 34).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Jacobi Griffier: De Veth

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De voorzitter: Hartelijk welkom bij het algemeen overleg over de Toerismebrief. Het is een prachtig onderwerp en het is fijn dat veel mensen de moeite hebben genomen om naar Den Haag te komen en hier op de tribune het debat te volgen. Ik heet u bijzonder welkom. Minister Verburg zit nog vast in het verkeer; een extra reden om eens echt wat aan die files te doen. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is hier ambtelijk al volledig aanwezig. Ik verzoek de ambtenaren alles zo volledig mogelijk te noteren, want ik weet dat in de eerste termijn vragen voor de minister worden ingebracht. Ook een welkom aan staatssecretaris Heemskerk die wel aanwezig is en blijkbaar op de fiets is gekomen. Het is de eerste keer dat ik voorzit, dus ik ben nog een beetje zenuwachtig ook. Ik stel voor dat elke woordvoerder tien minuten spreekt, dat is te doen in drie uur, en dat wij om 13.00 uur afsluiten.

Mevrouw Smeets (PvdA): Voorzitter. Ik ben blij dat wij vandaag eindelijk spreken over een belangrijke sector: de toeristensector. In maart 2005 hebben wij in de Kamer voor het laatst met elkaar gesproken over de toeristische agenda. Daarna zijn er nog wel algemene overleggen geweest maar die betroffen deelaspecten van verschillende departementen. Daarmee heb ik ook direct het probleem te pakken: de versnippering in de sector zelf, maar ook in het overheidsbeleid. Ik waardeer de brief van de minister en de staatssecretaris, maar mijn fractie is ook teleurgesteld. Die teleurstelling wil ik graag toelichten. Tegelijkertijd wil ik ook met de bewindslieden kijken waar wij verbeterpunten kunnen aanbrengen. Mijn fractie wil hier over een halfjaar weer aan tafel zitten om de toeristische agenda nogmaals te bespreken. Ik kom daar straks nog op terug.

Aan het binnenlands toerisme wordt naar onze smaak veel te weinig aandacht geschonken. Juist voor mensen met een smallere beurs is Nederland een belangrijke vakantiebestemming. Ook de werkgelegenheid, met relatief veel «blauweboordenbanen» is een belangrijk argument om het binnenlands toerisme hoog op de politieke beleidsagenda te zetten. De minister werkt nog steeds aan een nota over de toekomst van het recreatiebeleid: de zogenaamde strategische dialoog recreatie. Maar waar zien wij nu resultaten van die dialoog? Daar wachten wij echt al heel lang op.

Teleurstelling ook omdat de versnippering niet wordt aangepakt. Er is in de sector sprake van een gebrekkige samenwerking bij relevante organisaties en betrokken partijen. Bovendien is er versnippering op rijksniveau. De ministeries van Economische Zaken (EZ), van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), van Verkeer en Waterstaat (VenW) en van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zijn alle verantwoordelijk voor een stukje van het beleid. Er is ook een gebrekkig kennisniveau bij de lagere overheden, niet uit onwil maar omdat het moeilijk is alle kennis van vrije tijd en het toerisme bij elkaar te brengen. Het zal ons een lief ding waard zijn als de staatssecretaris hier een regisseursrol oppakt. Samenwerking moet gestimuleerd worden!

Daarnaast vinden wij dat de regio’s in de voorliggende brief maar een marginale rol krijgen toebedeeld. Ik definieer regio’s dan als gebieden op enige afstand van het economisch centrum in West-Nederland. Bij het toerismebeleid blijkt een duidelijke koppeling te worden gelegd met regionaal economisch beleid. Juist in de regio is het toerisme een belangrijke factor. Ook de VROM-raad legt daar overigens de nadruk op om juist ook kansen te benutten buiten de Randstad. Laat ik er dan maar eens één regio uitpakken: Friesland. Friesland bezit het grootste watersportgebied van West-Europa met ongeveer 30 000 hectare aan meren en plassen. De brief van de minister en staatssecretaris heeft de titel meegekregen: «Holland, meesterwerk aan het water». Bij deze mooie titel gingen bij eerste lezing direct mijn gedachten uit naar Friesland. Naar de jachthavens, de botenverhuur, de jachtbouw. Maar wat schetst mijn verbazing, ik kom ze in de brief totaal niet tegen. Onvoorstelbaar. De watersportsector had in ieder geval goed gepast in de aanpak via de Product-Markt-Partner-Combinatie. Mijn fractie juicht het toe als de watersportsector alsnog wordt opgenomen in het promotiebeleid van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC), zodat er ook geld beschikbaar komt voor de internationale promotie van het watersporttoerisme. Wat zou de staatssecretaris denken van Holland Sail Free?

Nu de naam NBTC is gevallen, heb ik daar direct een aantal vragen over. In de brief schrijft de staatssecretaris over de missie van het NBTC. Maar mijn fractie wil graag weten wat de concrete doelstellingen zijn waarop de staatssecretaris het NBTC gaat afrekenen. Kunnen wij als Kamer daarover periodiek geïnformeerd worden? Interessant is ook om te weten of het NBTC wordt ingeschakeld als centraal aanspreekpunt voor provincies, regio’s en steden.

Voorzitter, de spreektijd is beperkt. Ik leg mijn focus graag op drie dingen: innovatie, regeldruk en de afschrijvingsproblematiek in de branche. De toeristische sector bestaat uit veel kleinschalige en individueel opererende ondernemers. Het innovatievermogen is vaak laag en er blijft weinig kapitaal over om te investeren. Het innoverend vermogen moeten wij stimuleren en daarvoor zijn ruime faciliteiten noodzakelijk. De beschikbaarheid, maar vaak ook de bereikbaarheid, is een probleem. Denkt u bijvoorbeeld aan de innovatievouchers? Gerichte voorlichting is nodig. Welke acties heeft de staatssecretaris in petto om de branche met het innovatiegebeuren te stimuleren? Hoe betrekt hij de brancheorganisatie hierbij? De rol van Syntens op het gebied van innovatie is belangrijk. Onze indruk is dat de koppeling tussen Syntens en de vrijetijd- en toerismebranche nog niet goed gemaakt is. Ik denk dat het goed is als de staatssecretaris dat stimuleert en Syntens ook inzet voor deze belangrijke sector.

De watersport en de verblijfsrecreatie ervaren helaas een toename van de regeldruk. Dat willen wij niet want wij hebben grote ambities op dit vlak. Toen wij onlangs met een aantal hier aanwezige collega’s campings bezochten, werden wij met de neus op de feiten gedrukt. Ik hoop dat de coördinerende bewindspersonen, staatssecretaris Heemskerk en staatssecretaris De Jager van Financiën, maatregelen nemen. Wij hebben de Commissie Bouw gehad, de Commissie Transport, waarom niet ook een Commissie Toerisme? In die branche is echt nog heel veel te winnen.

Dan over de afschrijvingsproblematiek. Sinds de invoering van Werken aan Winst is voor vele ondernemers het fiscale klimaat verbeterd. Helaas kampt de recreatiesector met een specifiek probleem. Doordat niet meer op gebouwen kan worden afgeschreven, zal de winst voor belastingen toenemen. Dat betekent dat de investeringscapaciteit maar ook de liquiditeit terugloopt. Het zal heel goed zijn als staatssecretaris De Jager – hier kan staatssecretaris Heemskerk een bemiddelende rol vervullen – met de branche kijkt welke mogelijkheden maar ook onmogelijkheden er zijn om dat punt op te lossen. Wij zijn twee weken geleden bij camping De Wildhoeve in Emst geweest. Daar heeft de eigenaar, mevrouw Van der Kaaden, ons heel erg duidelijk gemaakt wat de gevolgen zijn voor haar bedrijf. Ik kan u zeggen, dat stemde tot nadenken.

Zoals in het begin van mijn betoog vermeld, wil ik graag over een halfjaar weer hier zitten om te spreken over een vervolgbrief. In die brief zou ik graag aandacht zien voor de regisseursrol van EZ, Syntens als aanjager voor de innovatie, de watersportsector, de aanpak van de innovatie en de regeldruk. Last but not least: er is behoefte aan betrouwbare cijfers voor de branche. Is het mogelijk om één maal per jaar een soort «Staat van Recreatie» te krijgen zodat wij op basis van eenduidige en betrouwbare cijfers met elkaar kunnen praten over deze belangrijke sector? Ik hoop dat de bewindslieden dan ook iets kunnen schrijven over de afschrijvingsproblematiek en wat wel en niet haalbaar is. En maak alstublieft haast met de nota recreatiebeleid.

Ik hoop dat de bewindslieden tegemoet kunnen komen aan de voorgestelde thema’s in een vervolgbrief, zodat een vervolg algemeen overleg (VAO) overbodig is. Werk aan de winkel dus voor de bewindslieden, maar ook werk aan de winkel voor de sector. Geen inkomend toerisme zonder een goed binnenlands product, want dat gaat hand in hand. Laat dat het uitgangspunt zijn voor het denken in de komende decennia.

De heer Aptroot (VVD): Voorzitter. U vertelde net heel openhartig dat het uw eerste keer is dat u een commissievergadering voorzit. Als ik naar de Toerismebrief van de twee bewindslieden kijk, denk ik dat het de eerste keer is dat zij over toerisme hebben nagedacht. Dat hebben zij niet al te diep gedaan. Zij hebben het blijkbaar gauw opgeschreven na hun bezoek aan India en China. Dat er meer op toerismegebied is, zijn zij vergeten. Het gaat om een heel belangrijke sector met ruim 33 mld. omzet en 375 000 banen. Dat is niet niks. Er zijn kleinere sectoren die een eigen ministerie hebben. Deze sector zou alle aandacht moeten krijgen. Wij waarderen de inzet van de bewindslieden; zij komen met een toerismebrief, dat is positief, en willen er wat van maken. Aan de inzet twijfel ik niet, maar de inhoud is teleurstellend. Dat mevrouw Smeets en ik deels met dezelfde kritiekpunten komen, is begrijpelijk als u weet dat wij samen op werkbezoeken zijn geweest. Wij hebben met dezelfde ondernemers gesproken en op de werkvloer gekeken bij dezelfde bedrijven, vooral bij de campings. Wij zagen de mogelijkheden, maar schrokken ook van de belemmeringen in dit land.

Het nieuwe toeristische beleid brengt bezuinigingen op het promotiebudget en heel veel aandacht voor het toerisme uit India en China. Men vergeet het overig toerisme; de aandacht gaat vooral uit naar Amsterdam en omgeving en een stukje van de Randstad. Men noemt niet de belangrijke toeristische gebieden in de rest van Nederland en de watersportsector in Friesland, Zeeland en Groningen. Die uniek is in Europa. Ook het kamperen, het verblijven in Overijssel, Drenthe, Gelderland, Brabant en Limburg is heel belangrijk voor de werkgelegenheid in die provincies. Daar zijn nog mogelijkheden. Het binnenlands toerisme en het toerisme vanuit de buurlanden wordt vergeten in de Toerismebrief. Daarbij is er nog steeds geen coördinerend bewindspersoon. Gezien de aanwezigheid van de staatssecretaris zou ik zeggen dat het besluit hierover al is genomen. Wat betreft de VVD is er vanaf nu één bewindspersoon voor toerisme en recreatie: de heer Heemskerk van Economische Zaken. Het toerisme hoort bij EZ en ik vind het fijn dat de bewindslieden dat onderling al zo hebben geregeld.

Aan de knelpunten in de regio wordt te weinig gedaan. Overheden werken langs elkaar heen. De toegang tot innovatie is beperkt, mevrouw Smeets noemde het al. De soms onredelijke toeristenbelasting wordt niet besproken in de Toerismebrief. Kortom: de bedoeling is goed, maar de resultaten zijn onvoldoende en er is te weinig ambitie. Daarom noem ik veertien punten waarvan ik hoop dat die in de volgende Toerismebrief verwerkt worden. Net als mevrouw Smeets verzoek om een nieuw overleg. De bewindslieden kunnen na dit algemeen overleg hun huiswerk overdoen.

Punt één. Het lijkt ons niet verstandig het promotiebudget van het NBTC te verlagen van 22 naar 17 mln. Er hoeft niet heel veel geld extra besteed te worden, maar het oude niveau van meer dan 20 mln. moet mogelijk zijn. Binnen de begroting van EZ van 2,5 mld. moet 4 à 5 mln. extra gevonden kunnen worden. Zet bijvoorbeeld maar het mes in SenterNovem dat 1700 medewerkers bezighoudt met het uitvoeren van allerlei subsidieregelingen.

Punt twee. Er wordt te veel aandacht besteed aan India en China. De VVD is er niet tegen om daar extra toeristen vandaan te halen, maar laten wij eerlijk zijn; het betreft 1,5% van het binnenkomend toerisme en het aantal toeristen dat Nederland, Groot-Amsterdam, in een halve dag bezoekt. Ook als wij dat percentage jaarlijks met 20 à 30% weten te vergroten en er al onze inspanningen en budget in stoppen, zet het niet veel zoden aan de dijk. Dit is een extra aandachtspunt maar het moet zeker niet ten koste gaan van de andere stromen.

Punt drie. Belangrijk zijn het binnenlands toerisme en het toerisme van de buurlanden: Duitsland, Frankrijk, België en Engeland. Het binnenlands toerisme is goed voor driekwart van de omzet in de branche: 27 mld. van de 33 mld. Dat moeten wij vasthouden en opbouwen, net als het toerisme uit de buurlanden. Het binnenlands toerisme biedt enorme kansen: watersport, geweldige campings, hotels en attractieparken. Nederland heeft nog veel mogelijkheden om het toerisme jaarlijks te laten groeien. De andere kleine dingen zoals het toerisme uit India en China zijn leuk, ze kunnen een beetje worden opgepept, maar daar verdienen wij de komende jaren de kost niet mee.

Punt vier. De brief is duidelijk in de opsomming van de komende themajaren en het binnenhalen van congressen. Wij hebben echter het gevoel dat het aantal thema’s per saldo minder wordt, als wij het lijstje met dat van voorgaande jaren vergelijken. Graag wil ik hierin inzicht. Kan hier niet een tandje worden bijgezet?

Punt vijf. De VVD vindt met de bewindslieden dat de regionale beeldverhalen, zoals genoemd in het VROM-advies «Groeten uit Holland», kansen geven voor toerisme en recreatie. Als de provincies het idee goed en snel uitvoeren en rekening houden met de branche, werkt het positief. Het gevaar zit in ellenlange procedures en een betweterige provincie die een ellenlange strijd aan zou kunnen gaan met de gemeenten. Wij willen geen situatie waarbij de bekende natuur- en milieudrammers de boel blokkeren omdat zij niet willen dat mensen zich in de natuur begeven. Er is altijd wel een woelmuisje dat ergens last van heeft.

Punt zes. Wij zijn blij dat de staatssecretaris schrijft dat de motie-Van der Ham/Aptroot (31 200-XIII, nr. 39) uitgevoerd moet worden. De motie vraagt om zorg voor een geïntegreerde aanpak, de samenvoeging van de budgetten van NBTC, ministeries, provincies en gemeenten en het zo veel mogelijk gezamenlijk optrekken. De inzet van de regering is er, maar hoe gaat u het aanpakken? Ik ben de afgelopen zomer niet in Beijing bij de Olympische Spelen geweest – dat was kennelijk uitzonderlijk – maar in Friesland. Ik heb de indruk dat niet alleen de regering en de departementen daar waren, maar ook elke provincie en elke grote stad met een eigen afvaardiging. Ik vraag mij af waar wij mee bezig zijn. Dit kost veel geld en iedereen behartigt zijn eigen zaken en vindt zichzelf belangrijker dan de rest van Nederland. Deze situatie geldt zowel voor de handels- als voor de toeristenpromotie. Dit moet echt ophouden.

Punt zeven. De toeristenbelasting is genoemd, maar er wordt geen standpunt ingenomen. Wij willen van de regering weten wat zij wil, nu of binnen een paar maanden. Schaft zij de toeristenbelasting af zoals een paar gemeenten hebben gedaan, waaronder grote steden als Rotterdam en kleinere recreatieve gemeenten? Of verandert zij haar in een bestemmingsheffing? Vanuit het idee «wie profiteert, betaalt», kan een gemeente deze belasting heffen als zij extra kosten maakt voor toerisme en recreatie. Of blijft het zoals het nu is? Tijdens het bezoek aan de campings werd ons verteld dat in de betreffende gemeente ’s avonds om tien voor elf, aan het eind van de begrotingsbehandeling, bleek dat er een gat in de begroting zat. Als oplossing kwam toen uit de lucht vallen om de toeristenbelasting met 12% te verhogen. Zo was de begroting gedekt. De toerismebelasting beschouwen als een sluitpost – zo is het in een aantal gemeenten – vinden wij een onacceptabel en onbehoorlijk beleid.

Punt acht. Ik sluit mij aan bij het standpunt van mevrouw Smeets over de regeldruk. Deze moet aangepakt worden. Een commissie, zoals mevrouw Smeets voorstelt, is een prima idee, maar men zou ook de betrokken ondernemersorganisaties uit kunnen nodigen over twee of drie weken op het ministerie van EZ. Praat dan gewoon twee of drie uur met elkaar en maak een lijst met 20 à 25 onredelijke regels. Spreek met elkaar af dat er binnen twee maanden een plan van aanpak is. Is de klacht onredelijk, dan gebeurt er niets. Is de klacht redelijk dan schaffen wij regels af, vereenvoudigen wij ze of beperken wij de autonomie van gemeenten omdat die vaak onzinnige extra regelgeving bedenken.

Punt negen. De vennootschapsbelasting is gewijzigd. Het levert het bedrijfsleven per saldo 1 mld. voordeel op. In deze branche speelt echter de afschrijvingsproblematiek op de gebouwen: toiletgebouwen, attracties van de attractieparken en toeristische accommodaties. Het is een probleem omdat de beperkte afschrijvingsmogelijkheid wordt gecombineerd met heel hoge onderhoudskosten. Wij hebben het gevoel dat het hier onredelijk uitpakt en dat reparatie noodzakelijk is. Wij willen graag dat de regering een voorstel doet om dit probleem op te lossen.

De voorzitter: Meneer Aptroot wilt u afronden? Uw tien minuten zijn voorbij.

De heer Aptroot (VVD): Ik rond snel af. Er wordt voor innovatiesubsidies 500 mln. extra uitgetrokken maar ik zie graag minder aan subsidies en regels zodat de afschrijvingsmogelijkheden verruimd kunnen worden.

Punt tien. Wat betreft de innovatie sluit ik mij aan bij mevrouw Smeets.

Punt elf. De vliegtaks pakt heel slecht uit, ook voor het toerisme in Nederland, zoals het NBTC laat horen. Wij willen graag een overzicht van de effecten en de afschaffing van deze belasting. De vliegtaks breekt de werkgelegenheid in Nederland af en verplaatst die naar de buurlanden.

De voorzitter: Uw tijd is voorbij.

De heer Aptroot (VVD): Dan noem ik als laatste punt twaalf, dat over duurzaamheid. De overheid moet zich daar niet mee bemoeien want de praktijk regelt dat perfect. Wij zijn dus ontevreden en willen binnen drie maanden een nieuwe Toerismebrief van de regering waarin met al deze punten rekening wordt gehouden. Dan kunnen wij begin volgend jaar een besluit nemen hoe wij verder gaan.

De voorzitter: Dank u voor uw inbreng. Nog even een bijzonder welkom voor de minister van LNV, mevrouw Verburg. Zij heeft het heel moeilijk gehad om hier te komen.

Minister Verburg: Voorzitter, dank u wel. Mijn excuses aan u en de Kamerleden die hier aanwezig zijn. Ik heb een stuk op de fiets gedaan en dat voelde wel goed wat betreft toerisme en recreatie. Ik heb veel recreanten gezien bij het station, waar een groot bouwwerk op een hotel wordt gezet. Recreatie en toerisme kunnen heel dicht in de buurt plaatsvinden.

De voorzitter: Wij zijn blij dat u er bent. Misschien kunt u als marathonloopster voortaan beter hardlopen naar het ministerie. Ondertussen hebben wij de afspraak gemaakt dat de inbreng door uw ambtenaren goed is gevolgd, zodat u bij de beantwoording geen problemen ondervindt.

De heer Hessels (CDA): Voorzitter. Als de minister met de auto te laat komt, kan ik dat begrijpen maar dat zij te voet en met de fiets te laat komt, valt mij vies van haar tegen. Ik had haar conditie hoger ingeschat.

Een opmerking vooraf: ik vervang hier collega Schreijer-Pierik. U zult van mij aannemen dat zij echt ziek is als zij een debat over toerisme laat schieten. Het lijkt mij goed om haar van hieruit van harte beterschap te wensen.

De ondertitel van de Toerismebrief luidt: «Holland, meesterwerk aan het water». Het advies van de VROM-raad heet: «Groeten uit Holland». Kaarten met die laatste wens krijg ik thuis ook wel eens van streekgenoten die op vakantie zijn in Holland. Nederland is toch veel meer dan Holland en toeristisch Nederland heeft toch veel meer te bieden dan alleen de Randstad. De meeste Nederlanders en buitenlandse toeristen weten dat; nu de regering nog! De CDA-fractie doet niets af aan de grote aantrekkingskracht van de vier grote steden op de buitenlandse toerist. Laten wij eerlijk zijn: Amsterdam steekt met kop en schouders boven de andere drie uit. Toch bezoekt meer dan de helft van de buitenlandse toeristen en meer dan 90% van de Nederlandse, andere bestemmingen dan de grote steden. Waarom vinden wij daar zo weinig van terug in deze Toerismebrief? Kunnen de staatssecretaris en de minister inzicht geven in hun strategie wat betreft het groene toerisme op de Veluwe, het watertoerisme op de Friese meren of de bij de Duitsers zeer geliefde, maar bij de Nederlanders minder bekende, Midden-Limburgse Maasplassen? Hoe bevorderen wij het fietsen in Drenthe, het wadlopen of het kamperen bij de Achterhoekse boer? Waar vind ik het belang terug van een kwalitatief en gevarieerd winkelaanbod voor de grote groepen die bij het kiezen van een bestemming eerst kijken of er wel een leuke binnenstad in de buurt is? Haarlem, Zwolle of Roermond scoren dan vaak beter dan de grote steden. Waar is de aandacht voor de oude historische steden in Nederland? Nijmegen en Maastricht vierden hun duizendjarig bestaan lang voordat de eerste steen in Amsterdam gelegd was. Nederland heeft zo veel meer te bieden. Prijs dat dan ook aan bij onze toeristen.

De heer Aptroot (VVD): De heer Hessels vindt terecht winkelen belangrijk voor het toerisme. Wat vindt hij dan van het voornemen van het kabinet om de koopzondagen de nek om te draaien?

De heer Hessels (CDA): De zondag is slechts één van de zeven dagen waarop toeristen in ons land zijn. Het lijkt mij van belang om het kooptoerisme en het winkelaanbod op te nemen in de totale mix van redenen waarom mensen Nederland bezoeken. Daarna kijken wij wel naar de koopzondagen. Ik weet zeker dat wij daar wel uitkomen met het goede voornemen dat het kabinet geuit heeft en door er op een gefundeerde manier naar te kijken.

Voorzitter. De toeristen in Nederland komen vooral uit Nederland zelf. Dat is nog een punt van kritiek op de Toerismebrief. Als je de brief leest, krijgt je de indruk dat wij overspoeld worden door Japanners en Chinezen. Er wordt extra ingezet op de groeimarkten India en China, de heer Aptroot heeft de percentages van 1,5 en 2,5 al genoemd. Als je die groepen bij elkaar neemt, is dat natuurlijk heel erg weinig. Alleen de buitenlander lijkt te tellen. Toch blijkt uit de cijfers van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen dat slechts 20% van de toerisme-uitgaven komt van buitenlanders. Het is prima dat Nederland in het buitenland gepromoot wordt en het verdient lof dat daarbij gekeken wordt naar groeimarkten als China en India. Ik heb echter in het bedrijfsleven geleerd dat het goedkoper is om bestaande klanten te houden dan nieuwe te werven. Laten wij onze oude schoenen niet weggooien voordat wij nieuwe hebben.

De heer Van der Ham (D66): Natuurlijk moeten wij houden wat wij hebben en moet Nederland als binnenlandse markt goed op de kaart blijven. Wij verdienen echter wel het meeste geld aan mensen die hun in het buitenland verdiende geld hier uitgeven. Ik hoop dat u economisch redeneert rond het toerisme, want het is van belang dat wij de buitenlandse markt vergroten om de weegschaal in het voordeel van Nederland door te laten slaan. Realiseert de heer Hessels zich dat wel?

De heer Hessels (CDA): Ik vind dat een zeer interessante maar wel volstrekt nieuwe economische theorie van D66. Als men toegevoegde waarde biedt in het binnenland levert dat minstens zo veel op voor de economie als dat men deze uit het buitenland haalt. Ik wil de heer Van der Ham erop wijzen dat vlak over de grens, in België en vooral in Duitsland, tientallen miljoenen mensen wonen die gemakkelijker naar Nederland en vooral de grensstreek kunnen komen dan mensen uit China en India. Het toerisme uit die landen is ongeveer een factor 75 van het toerisme uit India en China. Dat is heel erg goed voor het toerisme in Nederland.

De heer Van der Ham (D66): De heer Hessels zegt dat het binnenlands toerisme het allerbelangrijkste is. Gezien de cijfers is dat ook zo. De mogelijkheden voor de economie die verder gaan dan wat wij in het binnenland kunnen realiseren, liggen echter in het buitenland. Ik ben het met de heer Hessels eens dat de grootste uitdaging ligt in de omringende landen; daar komt het meeste geld vandaan en dat moeten wij handhaven en vergroten. Als u zegt dat het belachelijk is dat de staatssecretaris zo veel aandacht geeft aan die andere landen dan zeg ik dat het een schande is als hij dat niet zou doen.

De heer Hessels (CDA): Ik vind dat wij beter die 17 miljoen Nederlanders kunnen houden, dan dat wij ons voor 100% richten op die 200 000 Chinezen en Indiërs.

Voorzitter. Er zijn nog meer redenen om de focus op de binnenlandse toerist te leggen: terugdringing van de mobiliteit bij voorbeeld. Het past toch perfect in het beleid van deze regering om verre buitenlandse vakanties vanuit milieuoverwegingen terug te dringen ten faveure van vakantie in eigen land. Dan snijdt het mes aan twee kanten.

De CDA-fractie maakt zich zorgen over de plannen om vooral in te zetten op de bovenkant van de markt. Het goedkopere aanbod biedt de kans aan gezinnen die het zich anders niet kunnen permitteren om op vakantie te gaan. Hoe gaan de bewindslieden hiermee om?

Een andere groep die in de problemen dreigt te komen, is de kleine toeristische ondernemer. Wij horen verontrustende geluiden over de negatieve gevolgen van de voornemens uit het plan Werken aan Winst. De lagere vennootschapsbelasting weegt niet op tegen de nadelen van de verminderde afschrijvingsmogelijkheden op gebouwen. Wat doet de regering hieraan? Deze ondernemers zijn overigens kampioenen in het innoveren van de bedrijfstak. Waar ziet men ieder jaar opnieuw zoveel nieuwe concepten en ideeën? Toch komt de toerismesector in het innovatiebeleid van het kabinet nauwelijks voor. Is daar een reden voor? Wordt er in het innovatieplatform niet te veel ingezet op technische innovaties? Waarom zijn de innovatievouchers niet inzetbaar voor toeristische innovaties? De ondernemers lopen ook aan tegen de brij van regels en voorschriften. Gelukkig pakt de regering de bureaucratie voortvarend aan. Mijn oproep is om ook goed naar de toeristensector te kijken. Deze echte ondernemers, vaak familiebedrijven, worden niet alleen geconfronteerd met veel regels en geboden, maar moeten hun bedrijf ook nog zien in te wurmen tussen alle landschappelijke belangen die voorrang lijken te krijgen op het toerisme. Het pleidooi van de CDA-fractie is om ruimte te maken voor het toerisme.

Als laatste punt zeg ik iets over de liberalisering van de energiesector die in dit Huis al tot veel mooie debatten heeft geleid. Ik voeg daar nog een hoofdstukje aan toe. Iedere afnemer van elektriciteit en gas in Nederland moet zijn leverancier vrij kunnen kiezen, ongeacht het netwerk waarop hij aangesloten is. Dat is de wet zoals wij die hier allemaal bij ons volle verstand gemaakt hebben. Nu bereiken ons berichten van eigenaren van jachthavens dat sommigen dit uitgangspunt extrapoleren naar de aanlegsteiger van de jachthaven. Deze jachthavenbeheerders zouden aan alle boten die aanleggen in de haven, alle mogelijke elektriciteitsleveranciers moeten aanbieden. Het gerucht gaat dat het bij bungalowparken en campings ook geldt. Elke camping of caravan moet kiezen of hij zijn energie van Oxxio, Eneco, Essent of Nuon krijgt. Als dit waar is, gaat dit duidelijk verder dan de geest van de wet. Ik wil de regering oproepen om dit te veranderen.

Tot slot mag het duidelijk zijn dat de CDA-fractie een aantal waardevolle aspecten ontdekt in deze Toerismebrief, maar dat hij niet af is. Ik stel voor om de laatste punt te vervangen door een komma, en sluit mij aan bij de vorige twee sprekers om hier op een later tijdstip op terug te komen.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Vorig jaar werd de motie-Van der Ham/Aptroot aangenomen – en door de staatssecretaris omarmd – om het toerisme een nieuwe impuls te geven en het weer hoog op de agenda te krijgen. Ik ben blij dat wij hier bij elkaar zitten om erover te discussiëren. Ik ben, net als de vorige sprekers, enigszins teleurgesteld in de inhoud van de brief. Ik licht er een aantal aspecten uit, misschien wat andere dan de vorige sprekers.

Tijdens de zomervakantie ben ik veel in Nederland geweest. Wat is het toch een fantastisch land, zelfs bij regen. Wat een mooie plassengebieden hebben wij in Nederland en wat kunnen wij hier fantastisch op vakantie gaan. Wij komen een beetje uit dezelfde omgeving en kennen die zeer goed, de minister en ik. Dat gebied is een fantastische plek voor Nederlanders om erop uit te gaan en te recreëren.

Ik richt mij in het eerste deel van mijn betoog toch even op de buitenlandse toerist. Daar valt veel te halen en uit de cijfers blijkt dat wij inmiddels achterlopen, in vergelijking met een aantal jaren geleden. Als D66 maken wij ons daar zorgen over. Ik mis in de reacties op de brief een integrale visie. Toerisme en congressen hangen nauw samen met een algehele sfeer in een land of stad. De woningbouw in de Randstad neemt af, de hotelbouw stagneert en er wordt nauwelijks gekeken naar de meerwaarde van concentratie van diensten en cultuur. Dat de integrale visie te kort schiet, blijkt ook uit de voorbeelden die de minister en de staatssecretaris aanhalen in hun brief. Het Henry Hudson-jaar, waar wij veel over hebben gesproken in de Kamer, is een goed voorbeeld van wat er misgaat in de samenwerking tussen overheden. Er is sprake van versnippering: elke overheid – ook de ministeries – is met een eigen plannetje bezig en er komen volgend jaar allerlei leuke incidentele bijeenkomstjes. De vraag is of er een structurele band wordt gecreëerd met Amerika en New York om de toeristische industrie en de culturele banden aan te halen. Ik maak mij daar grote zorgen over, net als de Henry Hudson Stichting die het jaar organiseert en Kees van Twist die onlangs is opgestapt als adviseur van minister Plasterk. De structurele benadering van dit soort acties komt niet op gang. Iedereen heeft zijn eigen toko en dat is doodzonde, zowel cultureel als economisch. Ik zie niet in de brief hoe de regering enige lijn aanbrengt zodat dit soort vervelende omstandigheden wordt voorkomen. Hoe gaat de staatssecretaris alsnog voor het volgend jaar proberen enige structuur aan te brengen. Hoe gaat zij ervoor zorgen dat het niet alleen bij leuke incidentele bijeenkomstjes blijft, maar dat er langdurige connecties gelegd worden die ook voor het toerisme interessant zijn?

Wij zouden wel gek zijn als wij niet inzetten op India en China. Natuurlijk mag dit niet ten koste gaan van de oude doelgroepen en landen waar wij ons op richten. Dat stelt ook het NBTC. De omvang moet niet worden overschat; het is nog maar een klein segment. De vraag is echter wat wij aan India en China te bieden hebben. Ik zie niet eens het begin van een visie en dan lijkt de keuze voor deze landen wel erg leeg en lukraak. Mensen die ik spreek over het aantrekken van nieuwe markten, menen dat geschiedenis altijd een aardige «ankeiler» is om ergens binnen te komen. Hebben wij een historische band met India en China? Volgens de mensen die zich in Amsterdam met het toerisme bezighouden, is Rusland wat dat betreft veel interessanter. Wij delen een gemeenschappelijke geschiedenis in de persoon van Peter de Grote: er zijn allerlei artefacten in Amsterdam, Zaandam en andere delen van Nederland waarnaar men tours kan organiseren. Die tours zijn er nog amper. Wij laten deze markten nu liggen omdat wij geen nieuw aanbod verzinnen en alleen kijken naar de vraagzijde. Als men ondernemend wil zijn in de toeristische industrie, moet men meer nadenken over het aanbod voor de nieuwe markten. In deze brief zie ik daar geen begin van.

De brief noemt jubileajaren voor de aankomende drie jaar. Wat zijn de jubilea die wij de komende tien jaar hebben en waarop wij nu al vooruit kunnen lopen? Het Henry Hudson jaar is al volgend jaar. Ik neem aan dat er nog wel wat andere jaren te verzinnen zijn. Hoe voorkomen wij al die problemen die wij hadden en nog steeds hebben met de toekomstige jubileajaren? Het zijn allemaal kansen voor het Nederlands bedrijfsleven, voor de toeristische industrie, die veel te beperkt worden omschreven in de brief en waardoor ik nog geen inzicht heb gekregen in de plannen van het kabinet.

Ik lees ook over de beurzen. Vorig jaar heb ik het voorbeeld aangehaald van de «Grüne Woche», een grote beurs waar veel mensen komen. Ik ben daar twee jaar geleden met oud-minister Veerman geweest. Er staan fantastische stands van de landbouwsector maar waar blijven de toeristische aantrekkelijkheden van Nederland? Andere landen stallen die wel uit. Ook daar ontbreekt de integrale aanpak van het kabinet.

Het is waar dat de rest van Nederland zeer belangrijk is en een groot aandeel heeft in het toerisme. Amsterdam zorgt echter voor 44% van het buitenlands toerisme. De naamsbekendheid van Amsterdam is groter dan die van Holland, in het buitenland. Wat is er met die uitkomsten gedaan? Ik zie geen specifiek beleid waar de kracht van Amsterdam wordt uitgenut en verdiept. Wat doet de staatssecretaris van toerisme als hij ziet dat de grootste musea van ons land jarenlang niet open zijn? Hoe spreekt de staatssecretaris daar zijn collega van Cultuur op aan? Dat is toch een schande voor het toeristische leven in Amsterdam? Er is in Amsterdam een voorstel gedaan om tot meer Engelstalig toerisme te komen door ervoor te zorgen dat de Engelstalige aanspraak naar toeristen wordt vergroot, naar voorbeeld van Barcelona. Daar staat op de Ramblas een politiepost waar toeristen 24 uur per dag in het Engels aangifte kunnen doen. Er zou in het centrum van Amsterdam een politiekiosk moeten komen en agenten moeten in het Engels kunnen worden aangesproken door op hun uniform aan te geven dat zij die taal spreken. Dat soort zaken, die van Amsterdam een stad maken waar de Engelstalige buitenlandse toerist zich gemakkelijk voelt, zijn mooie initiatieven waarbij de Rijksoverheid zich kan aansluiten.

Het gay toerisme, een belangrijke sector in Amsterdam, holt achteruit. In de gemeenteraad heeft D66 voorgesteld om de Gay Games weer naar Amsterdam te halen. Ik heb hierover schriftelijke vragen gesteld. Dit is een mooie impuls om hoogopgeleide tweeverdieners terug te krijgen die hun centen hier kwamen uitgeven en nu naar Barcelona en Berlijn gaan. Het gay toerisme wordt in uw brief niet eens genoemd, terwijl het een belangrijke culturele sector is en een doelgroep betreft waarmee wij veel geld kunnen verdienen en waar wij altijd goed in waren. Ik hoop dat in een nieuwe brief specifiekere aandacht komt voor de kracht van Amsterdam en wat de bewindslieden met de lokale overheid daar gaan ondernemen.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik hoor D66 hier spreken voor Amsterdam. In een bijzin noemt de heer Van der Ham de regio. De VROM-raad heeft duidelijk gezegd dat er veel meer kansen buiten de Randstad moeten worden benut en dat de regio moet worden versterkt. Hoe gaat D66 daarmee om? Het is toch van tweeën één. Ik begrijp dat u de regio een warm hart toedraagt, u refereert nog aan het mooie gebied waar u beiden vandaan komt, maar verder hoor ik u daar weinig over.

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter, ik wilde daar juist in mijn laatste woorden wat over zeggen. Heel veel andere woordvoerders hebben zich vooral op de regio gericht. Ik richt mij meer op de grootstedelijkheid en het buitenland. Zo vullen wij elkaar mooi aan. In de brief van RECRON waaruit iedereen heeft geciteerd, staan behartenswaardige dingen over de toeristische industrie in Nederland. De buitenlandse toeristen die juist over de grens wonen, bieden een enorme kans die men niet moet laten liggen. Ik sluit mij kortheidshalve aan bij de woorden van mevrouw Smeets. Bij de vorige begroting heeft D66 een amendement ingediend om de bezuinigingen die het kabinet wilde doorvoeren, te corrigeren. Als u dat in de aankomende begroting niet rechttrekt, zullen wij een nieuw amendement indienen om extra geld voor het toerisme vrij te maken. Ik hoop dat een meerderheid in de Kamer dit steunt, juist ook de coalitiefracties. Al die punten die RECRON noemt, zijn wat mij betreft te omarmen door dit kabinet en ik hoop dat het daar positief op reageert.

Ik noem twee laatste punten. Wij zijn in principe voorstander van de vliegtaks. Wij hebben wel een Kamervraag gesteld om ervoor te zorgen dat het kabinet aan het einde van het zomerseizoen met de sectoren, waaronder Schiphol, kijkt welke uitwerking de vliegtaks heeft gehad en voor aanpassingen zorgt als er grote negatieve effecten zijn op het toerisme. Het kabinet lijkt daarmee te wachten tot 2010. Dat lijkt mij veel te laat en ik hoop van de staatssecretaris te horen dat hij binnen een paar maanden met de sector om de tafel gaat zitten.

De heer Aptroot (VVD): Het klinkt allemaal leuk; dingen samen met Amerika doen en het steunen van het toerisme uit China en India. Toch komt 27 mld. van de 33 mld. omzet uit het binnenlands toerisme en van de overige 6 mld. komt meer dan 5 mld. uit Europa. U praat over een aandeeltje van 2 à 3%. Zelfs als dat in tien jaar verdubbelt of verdrievoudigt, zet het niet veel zoden aan de dijk. U bent eigenlijk nog extremer dan de regering over het buitenlands toerisme uit die verre landen. Het gevolg is dat wij mensen binnenhalen die één à twee dagen in Nederland zijn, Groot-Amsterdam bezoeken en vertrekken. Al die toeristen die twee à drie weken blijven in de hotels, de campings en de attractieparken bezoeken, verwaarlozen wij. Ik vind dit onverstandig economisch beleid.

De heer Van der Ham (D66): Ik hoop dat u goed geluisterd hebt. Het gaat bij voorbeeld over de aanbeveling van de RECRON. Die neem ik voor 100% over, net als u dat doet. Wij zijn het daarover eens. Ik heb mij meer willen richten op de samenwerking in het verre buitenland, zoals de aanwezigheid in Beijing. Die versnippering verkwist ontzettend veel geld en is zonde van de energie, terwijl er geen specifiek beleid wordt gevoerd. Ik ga ervan uit dat elke partij hetzelfde denkt over het binnenlands toerisme. Ik probeer complementair te zijn. Anders gaan wij elkaar herhalen en dat lijkt mij zonde. Dat het buitenlands toerisme in mijn bijdrage een zwaarder accent heeft, is ook omdat het een belangrijk strategisch onderdeel is. Op dat punt schiet het kabinet tekort. Dat is de verhouding waarin u mijn bijdrage moet zien en met elkaar, als parlement, houden wij elkaar in evenwicht.

Voorzitter. Ik ben het volstrekt oneens met het onverstandige plan van het kabinet over de koopzondagen. Het is van de gekke dat het kabinet voor ons uitmaakt wat toeristisch is en wat niet. Ik hoop dat straks dat rare wetsvoorstel van minister van der Hoeven wordt afgeschoten door deze Kamer, want dat is voor het toerisme niet goed.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik wil het volgende zeggen in aansluiting op de woorden van de heer Van der Ham. Volgens het kabinet en volgens de initiatiefwet van der Vlies/Gesthuizen worden juist de gebieden met grootschalig toerisme uitgezonderd. Dat betekent dat op de plekken waar veel toerisme is, er wel degelijk koopzondagen mogen zijn. Ik snap eerlijk gezegd niet zo goed wat uw punt is. Misschien moet ik nog even toevoegen dat vooral de kleine ondernemers, waarvoor D66 en de VVD zeggen op te komen, tegen al die koopzondagen zijn omdat zij er last van hebben.

De heer Aptroot (VVD): De 120 000 ondernemers in bijvoorbeeld de plaats Sluis, willen absoluut dat de koopzondagen blijven. Als die afgeschaft worden, gaan zij failliet. U zegt dat de koopzondagen moeten blijven voor toerisme en recreatie. Dat betekent dat de winkels in de grote steden, op de Veluwe en in Friesland elke zondag open kunnen omdat er veel toeristen zijn.

De heer Van der Ham (D66): Men gaat uit van een status quo; in de huidige toeristische gebieden mogen er wel koopzondagen zijn, maar in een stad als Almere, die zich wil profileren als een koopregio, mag dat niet omdat er nog geen toeristische attractie is. Ik vind het heel betuttelend. D66 wil het aan de gemeenteraden overlaten en vindt dat het Rijk zich er niet mee mag bemoeien. Als de gemeenten een nieuwe toeristische attractie willen zijn, door de winkels op zondagen vaker open te stellen, is dat aan de gemeente en niet aan het Rijk.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Kopen is inderdaad geen toerisme, meneer Aptroot. Ik kan u geruststellen, ik ben ervan overtuigd dat kleine camping- of museumwinkeltjes gewoon open zijn. Voor de plekken waar grootschalig toerisme is, willen wij een uitzondering maken zoals ook in de wet staat. Het probleem is dat er op dit moment misbruik wordt gemaakt van deze wet. Koopzondagen zijn voor ons geen reden om aan te nemen dat er sprake is van toerisme. Op het moment dat de Koopgoot vol is, is er geen sprake van grootschalig toerisme, maar van kopen. De motor kan in onze ogen niet 24/7 draaien. Er is ook behoefte aan rust en dat geldt voor die kleine ondernemer maar ook voor de mensen die in de binnenstad van Utrecht wonen. Die hebben de uitbreiding van het aantal koopzondagen in een referendum afgeschoten een aantal jaar geleden. Juist om te genieten van al die schoonheid van stad en platteland is het wel eens nodig dat de winkels dicht zijn.

Voorzitter. Toerisme is een pijler van economische voorspoed en een forse bron van werkgelegenheid; een manier om te recreëren en te ontdekken. Ik denk dat wij dat allemaal wel inzien. Dat is goed en zorgt voor de mogelijkheid om de komende jaren een ambitieus plan voor de instandhouding en verdere uitbouw van Nederland als toerismeland te formuleren. Op het punt van toerisme als manier van ontspanning voor onze eigen mensen met zowel een hoger als een lager inkomen zijn wij het minder eens, of lopen onze prioriteiten uiteen. Met de afnemende economische groei en de lagere inkomensgroepen die dankzij de opeenvolgende kabinetten-Balkenende bepaald niet ontzien worden, lijkt het mij logisch dat een groot deel van de Nederlanders met een kleine beurs zijn toevlucht zoekt tot binnenlands toerisme. Dat doen zij al jaren. Wat wij voor die mensen gaan doen, staat niet in verhouding tot wat de bewindslieden van plan zijn te gaan doen om meer buitenlands toerisme mogelijk te maken. Het hebben van meer internationale congressen, meer toeristen uit China en India en betere handelsrelaties is allemaal erg belangrijk. Maar toerisme als inkomstenbron en dienstverlening aan alle andere Nederlanders ontbreekt volledig. Dat terwijl er vele miljarden euro’s, collega’s refereerden er al aan, aan Nederlands toerisme en recreatie wordt uitgegeven. Dat lijkt mij een forse zak geld en een inkomstenbron die in deze brief niet op waarde wordt geschat. Wij willen toch ook dat de Nederlandse toeristen hier hun geld uitgeven? Als wij alleen gokken op de aanwas van buitenlandse toeristen, missen wij de boot. Ik vind het echter wel terecht dat het kabinet zoekt naar en scherp let op nieuwe mogelijkheden. Op nieuwe markten zijn er grote kansen, maar de balans slaat nu door. Ik heb het gevoel dat dit onder vrijwel alle collega’s leeft.

Ik vind de Toerismebrief erg veel nadruk leggen op economische kant van het verhaal. Wij overleggen natuurlijk ook met de staatssecretaris van economische zaken. Toerisme en recreatie dragen bij aan het welzijn van de mensen in ons land. Hoe meer welzijn, hoe minder ziekte-uitval op het werk en dus hoe meer productiviteit en geld. Toeren en recreëren is erg belangrijk voor mensen. In de brief lees ik echter weinig over wat het kabinet doet om de kwaliteit van toerisme en recreatie op peil te houden of zelfs te verbeteren. Hoe gaan de minister en de staatssecretaris ervoor zorgen dat de sector de kans krijgt om te ontwikkelen en te groeien?

Ik lees dat wij niet alleen meer toeristen uit het buitenland willen halen, maar hier vooral meer geld aan moeten geven. Ik begrijp heel goed dat de staatssecretaris en de minister toerisme benaderen als een economisch goed. Zij zouden wel gek zijn als zij dit niet doen. Mijn ervaring is dat men alleen iets goeds en duurzaams opbouwt als men ook een langere termijnstrategie heeft. Dat betekent dat men goed nadenkt hoe men het niveau van toeren en verblijven in Nederland zo hoog mogelijk krijgt. Hoe gaan wij ervoor zorgen dat die mensen zo veel mogelijk genieten zodat zij terugkomen? Er staat in de brief bij voorbeeld iets over wat het innovatieplatform met Holland Branding wil gaan doen: een prijsvraag om de wereld meer van Nederland te laten houden. Dat lukt toch niet met een prijsvraag? Dit is typisch iets wat je moet opbouwen. Natuurlijk moet je ergens beginnen en eenmalige acts zijn prima, maar als je daarnaast geen heldere doelen formuleert, sta ik niet te juichen.

Ik wil deze staatssecretaris en minister ergens aan kunnen houden. Er staan welgeteld vier cijfers in deze brief, alleen over de toename van toerisme van India en China naar Nederland. Ik herinner mij de discussie die wij in het voorjaar voerden over het jaarverslag economische zaken; de Kamer miste doelen, cijfers en kengetallen. Hoe kan zij anders de bewindspersonen afrekenen op hun beleid? Hoe kunnen de bewindspersonen zelf hun beleid beoordelen zonder meetbare doelen? Ik ben er na het lezen van deze brief wel van overtuigd dat deze staatssecretaris en minister veel en ook goede dingen willen, maar hoe zetten zij dat om in een langetermijnstrategie? Zij zullen moeten accepteren dat wat zij willen niet in één kabinetsperiode te bereiken is. Dat is echter geen reden om niet met harde doelen en kengetallen te komen.

Ik heb nog een aantal vragen en opmerkingen. Er is kritiek op de eenzijdige oriëntatie op de Randstad. Ik kan mij niet voorstellen dat het de minister en de staatssecretaris plezier doet als hun Toerismebrief in de wandelgangen door het leven gaat als «Groeten uit de Randstad». De SP is positief over de samenwerking tussen EZ, LNV en VROM bij de totstandkoming van de regionale beeldverhalen. Wat vinden de staatssecretaris en de minister van de suggestie om het college van Rijksadviseurs, en de Rijksbouwmeester in het bijzonder, te betrekken bij de totstandkoming van de beeldverhalen? Of is daar al in voorzien? Een ander punt is de schaarste aan hotelkamers in Amsterdam. Volgens de brief en de gemeente Amsterdam zijn er tot 2015 9 000 extra hotelkamers nodig. Amsterdam heeft echter niet alleen schaarste aan hotelkamers, maar überhaupt aan betaalbare woonruimte. In het centrum is het tekort extreem maar ook daarbuiten zijn wachtlijsten van jaren voor mensen om een betaalbare woning te kunnen bemachtigen. Toch wil wethouder Asscher maar liefst 1 000 kamers extra in het centrum terwijl daar al zo veel hotels zijn. Hierbij kijkt hij niet naar andere bestemmingen zoals extra groen of woningen. Hoe denkt de staatssecretaris daarover?

In het kader van het aantrekken van grote evenementen kunnen wij natuurlijk niet om de Olympische Spelen heen. Ondertussen zijn er drie gebieden die kenbaar hebben gemaakt interesse te hebben: Amsterdam, Rotterdam en Noord-Brabant. Van Amsterdam weet ik dat zij nu al 1,4 mln. per jaar uitgeven om steun te verwerven voor de hoofdstad als Nederlandse kandidaat. Ik ben er voor dat de Nederlandse regering zo snel mogelijk aangeeft of zij de Olympische Spelen willen binnenhalen en welk gebied zij hieraan koppelt. Het lijkt mij niet zinvol als verschillende Nederlandse gebieden elkaar beconcurreren.

Tot slot vraag ik aandacht voor een probleem waar Nederlandse toeristen de laatste tijd regelmatig tegenaan lopen. Zoals men weet, zijn er nogal wat kampeerders die een vaste stacaravan of een vakantiewoninkje op een camping hebben staan. Sommige mensen hebben hier fors in geïnvesteerd en er zijn zelfs mensen die een hypotheek hebben genomen. Veel campinghouders hebben het moeilijk en gooien hun camping in de verkoop. De nieuwe eigenaren die dit aantrekt, gedragen zich vooral als projectontwikkelaar. Zo kreeg ik onlangs een e-mail van iemand met een vaste standplaats die de plek binnen vijf jaar schoon moet opleveren tenzij hij bij de nieuwe eigenaar een nieuwe stacaravan koopt die maar liefst €150 000 moet kosten. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om deze situatie te verbeteren?

Antwoord van de bewindslieden

Staatssecretaris Heemskerk: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng in de eerste termijn. Het is goed dat wij over toerisme en recreatie spreken, want het is een belangrijke sector. De laatste Toerismebrief is verschenen in 2004, tijdens het tweede kabinet Balkenende. Toen ik aantrad in 2007 kreeg ik een brief van het Platform Toerisme en Recreatie dat vond dat er maar één bewindspersoon diende zijn voor het toerisme, namelijk ik, de minister. Ik sta natuurlijk iedereen graag te woord die mij minister wil maken. Ik heb toen toegezegd om een Toerismebrief te schrijven en daarbij zo veel mogelijk partijen te betrekken om meer samenhang aan te brengen, omdat ik erken dat er sprake is van versnippering. Ik weet alleen niet of de versnippering een probleem is van de sector of een kenmerk. De sector heeft nu eenmaal te maken met gemeenten, provincies, het Rijk en met binnenlandse en buitenlandse toeristen. Ik zal uiteenzetten wat wij beogen met de Toerismebrief. Daarbij richt ik mij op het binnenkomend toerisme – dat is mijn primaire verantwoordelijkheid – de verhouding daarbinnen tussen Amsterdam en de regio’s, alsmede op een aantal specifieke vragen die gesteld zijn over de ondersteuning van de Olympische Spelen en de Gay Games. De minister van LNV zal ingaan op de recreatieve elementen van het toerisme en de kwaliteitsaspecten. Zij loopt en fietst in ieder geval meer door het land dan ik.

Over de verhoudingen tussen het binnenland en het buitenland – India en China versus de rest – hebben velen van de commissieleden gesproken. Verreweg het meeste geld van het NBTC wordt besteed aan de nabije markten. Dat blijft ook zo, want een paar procent meer Duitsers levert meer op dan hetzelfde percentage aan toeristen uit China en India. Wij kiezen wel voor accenten. Wij hebben die neergelegd bij India en China omdat wij een samenhang zien tussen het toeristisch bezoek, het zakelijk bezoek en de buitenlandse investeringen. Iemand die hier een congres bezoekt – en dat is te top van de markt – komt misschien nog eens terug met zijn familie. Wellicht dat hij of zij in de toekomst een beslissing moet nemen om een Europees hoofdkantoor neer te zetten. Die persoon heeft dan een goed beeld van Nederland, «the gateway to Europe», en zet ons land bovenaan het kandidatenlijstje voor het regionaal hoofdkantoor. Daarom geven wij die extra aandacht aan India en China. Het budget voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk samen is bijna 4 mln., voor India is het € 100 000 en voor China € 400 000, dat is samen maar 0,5 mln. van het NBTC-budget. Verreweg het grootste gewicht ligt op de nabije markten.

Ik stel ook meteen de bezuiniging van het NBTC aan de orde. Het NBTC valt onder het belastingdienstregime. Dit kabinet heeft zichzelf een buitengewoon forse taakstelling opgelegd. Wij snijden behoorlijk in ons eigen vlees wat betreft de Rijksdienst. Dat gaat al naar gelang het beleid is gericht op uitvoering of op inspectie is. Sommige beleidsdirecties worden met 20% ingekrompen; dat is ook goed voor de bestuurlijke drukte en de overmatige regelgeving in ons land. Wij richten ons op 12 000 full time equivalents (fte’s) minder aan het eind van deze rit. Wij ontzien een aantal cruciale diensten, waaronder de belastingdienst. Die valt onder het 5% regime voor bezuinigingen . Het NBTC benader ik ook met die 5% structurele bezuiniging. Daarmee is het in hoge mate ontzien ten opzichte van andere subsidies en instellingen. Ik baseer dit op een rapport van Berenschot, dat de Kamer overigens ook heeft gekregen, waaruit blijkt dat de overheadkosten aan de hoge kant zijn. Als er binnen het NBTC minder management- en bestuursactiviteiten zijn, kan het zijn promotieactiviteiten, de kernactiviteiten, goed op orde houden. Het NBTC heeft ook als opdracht om dat niet alleen met publieke middelen vanuit de Rijksoverheid te doen, maar ook aanvullende middelen te vinden en goed samen te werken met de private sector. Er is niets mis met het ophalen van privaat geld in de markt. Sterker nog, het zou er wel eens toe kunnen leiden dat men klantgericht gaat werken.

Ik kom nu op de verhouding tussen de landelijke activiteiten, die in Amsterdam en die van de regio’s. Van de buitenlandse toeristen gaat 44% naar Amsterdam. De bekendheid van Amsterdam is groter dan die van «the Netherlands» en «Holland» in sommige delen van de wereld. Daar moet men niet jaloers op zijn of het gelijkheidsbeginsel op willen toepassen. Het is juist fantastisch. Wij moeten daarvan profiteren en ervoor zorgen dat die mensen die naar Amsterdam komen, er een dagje extra naar Den Haag, Maastricht, of de Veluwe aan vastknopen. Daarin passen ook die Product-Markt-Combinaties die door het NBTC zijn ontwikkeld. De grootste reden dat het buitenlands binnenkomend toerisme niet zo hard groeit als wij hopen, is het aantal hotelaccommodaties in Amsterdam. Daar moeten wij hard aan werken en de gemeente Amsterdam is daar volop mee bezig. Die zet die hotels voor een deel neer in de binnenstad, zoals mevrouw Van Gesthuizen zei, maar zoekt ook op andere plekken naar goede locaties. In de binnenstad van Londen kijkt men ook niet zo raar op als men een half uur moet reizen en de binnenstad van Amsterdam hoeft niet altijd in de grachtengordel te zijn. Men heeft daar een hotelloods voor aangesteld die met private investeerders zoekt naar goede plekken en die eventuele belemmeringen wegneemt.

Dan de verhouding tussen «Groeten uit Holland» en «Groeten uit buiten de Randstad» en de verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid. Laat ik daar helder over zijn. Wij ondersteunen op heel veel punten de regionale beeldverhalen en wat men kan doen rond de Veluwe en de Friese meren. Het is echter niet aan ons, het kabinet, om Friesland te bevorderen boven Limburg. Dat moeten de lokale spelers zelf doen en daar geven wij hen heel veel instrumenten voor in handen, zoals de regionale beeldverhalen en de Product-Markt-Combinaties. Dat moet men vervolgens zelf gaan ontwikkelen.

De voorzitter: Iedereen krijgt nu gelegenheid om te reageren op dit eerste blok.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik vind het een beetje moeilijk om hier een reactie te geven. Ik heb vragen gesteld over het NBTC en de doelstellingen. Komt de staatssecretaris daar nog op?

Staatssecretaris Heemskerk: Ik zal de specifieke targets meteen noemen. Wij hebben dat niet toegespitst op specifieke landen, maar wij hebben een groeipercentage vastgesteld dat het NBTC moet halen, gebaseerd op de ons omringende landen. Op basis daarvan krijgt men de subsidie, dus dat is het «wat». «Hoe» zij het doen is hun eigen verantwoordelijkheid. De doelstellingen die EZ met het NBTC heeft afgesproken in het kader van de subsidierelatie zijn: een stijging van het volume van het inkomend toerisme van gemiddeld 2% per jaar over de jaren 2008 tot 2010, een stijging van het segment stedentoerisme met gemiddeld 4% – dat lucratieve segment moet harder stijgen omdat het meer geld uitgeeft – en een marktaandeel op de internationale congresmarkt in 2010 van 19% ten opzichte van Duitsland, België, Verenigd Koninkrijk en Denemarken.

Richten wij ons alleen nog maar op de rijke toerist? Ik denk dat het goed is mensen uit het buitenland te trekken die zo veel mogelijk uitgeven. Dat is goed voor de werkgelegenheid, voor de mensen die werken in de schoonmaak, de beveiliging, de dienstverlening en het creëert veel banen en daarmee goede koopkracht. Tegelijkertijd zorgen wij er natuurlijk wel voor dat het segment van de backpackers, die allemaal in Amsterdam willen komen en weinig uitgeven, ooit nog een keer terugkomt met hun gezinnetje als zij rijker zijn. Laten wij er nou voor zorgen dat wij die toerist binnenhalen die het meest oplevert voor de Nederlandse economie. Daarom willen wij ook een stijging in het segment stedentoerisme van gemiddeld 4% per jaar.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik neem aan dat de staatssecretaris nog meer antwoorden heeft. Ik reageer liever straks. Het enige wat ik nu kwijt wil, is dat ik ervan uitga dat er nog aandacht aan de regio wordt besteed in algemene zin en aan wat ik heb ingebracht. Dat u de ene regio niet boven de andere wilt stellen, begrijp ik maar ik dacht dat er wat meer van het kabinet is gevraagd dan dit antwoord. Ik wacht even af wat de staatssecretaris hier nog over te zeggen heeft.

De heer Aptroot (VVD): Ik begrijp dat wij de regio’s en provincies een paar stukken papier in handen geven: regionale beeldverhalen en een papiertje over Product-Markt-Combinaties. Dat is niets. Hoe bereiken wij nu een gezamenlijke aanpak van bijvoorbeeld de watersport door Rijk, provincie en gemeenten? Dat kan niet door een paar dingen op papier te zetten. Men moet aan tafel gaan, de neuzen in dezelfde richting krijgen. Als er een dwarsligger tussenzit, krijgt die een draai om zijn oren en wordt hij ook de goede kant opgezet. Dát moet er gebeuren.

De heer Hessels (CDA): De staatssecretaris zegt terecht dat de regio’s het beleid zelf moeten invullen, maar de basis moet in dit stuk liggen. Als ik het hele stuk doorkijk, lees ik veertig keer Randstad en Amsterdam, drie keer Holland en in de allerlaatste paragraaf gaat over de gebiedsgerichte benadering. Alsof men het over Siberië heeft en zegt: er is nog wel een stel gekken dat daar naartoe gaat. De regio’s zijn net zo belangrijk en het aandeel van het toerisme is er nog veel belangrijker. Ik verwacht dat de staatssecretaris met een aanvulling komt op deze nota, die omvangrijker is dan de nota zelf, waarin hij wel spreekt van de Veluwe, Friesland, Zeeland en al die andere mooie gebieden in Nederland waar ontzettend veel toeristen naartoe gaan.

De heer Van der Ham (D66): Ik complementeer dat weer door te zeggen dat het zelfs voor Amsterdam en de Randstad nog tekort schiet. Er zijn niet genoeg ambities en ik zie niet wat wij nou gaan doen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik maak mij er geen zorgen over dat wij die rijke toerist willen binnenhalen, de staatssecretaris zou wel gek zijn als hij dat niet zou willen. Ik mis, in lijn met wat de collega’s zeggen, een langetermijnvisie op wat er moet gebeuren als die toeristen er eenmaal zijn. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat zij terugkomen? Wij kunnen daar niet op gaan zitten wachten want misschien zijn zij dan wel ergens staatssecretaris en hebben zij geen tijd meer om met hun gezinnetje terug te komen. Ik vind de brief erg arm aan plannen voor de lange termijn en mogelijkheden om het de kwaliteit van aanbod te verhogen. Het omzetten in ambities, in plannen ontbreekt en ik maak mij daar zorgen over. Waarom stonden de cijfers die de staatssecretaris net noemde, niet in de stukken die wij hebben gekregen? Als er een nieuwe brief komt zou ik het prettig vinden als hij deze de cijfers bevat.

De voorzitter: Ik stel voor dat de staatssecretaris nog een korte reactie geeft en dan overgaat op het volgende blok. Daarna is het woord aan de minister van LNV.

Staatssecretaris Heemskerk: Ik kan die cijfers overmorgen al in een kort briefje geven. Overigens, als ik ze uitspreek en het wordt stenografisch bijgehouden, dan zeg ik dat op dat moment ook toe.

Ik kom terug op de vorige Toerismebrief. De vorige staatssecretaris van Economische Zaken haalde de toeristen binnen en vond dat wat zij in Nederland doen, de verantwoordelijkheid was van provincies, LNV enzovoort. Ik vind dat als men wil dat de toeristen binnenkomen, men ook een paar opvattingen moet hebben over hun activiteiten en over hoe wij Nederland aan hen verkopen. In die zin heeft de binnenlandcomponent veel meer aandacht in deze Toerismebrief dan in de vorige. Ik beschik over een aantal instrumenten. Verreweg het belangrijkste is het NBTC, de organisatie die de totale toeristische promotie voor het buitenland bundelt. De provincies, gemeenten en het bedrijfsleven kunnen daarop aanhaken. Het is inderdaad niet handig als iedereen alleen zijn eigen zaken behartigt.

Ik koppel toerisme meer aan «Holland Branding» en economische missies dan in het verleden is gebeurd. Wij hebben het Holland Business Promotion Office (HBPO) dat in 2000 is opgericht door partijen uit de Randstad. De provincies, Schiphol, het Rotterdams Havenbedrijf en de bloemenveilingen kijken naar de bedrijfskant en het Holland-imago. Het NBTC is verreweg het belangrijkste instrument en het Holland Business Promotion Office is het overlegorgaan. Minister Verburg en ik zitten eind deze maand aan tafel met het Platform Toerisme en Recreatie. Dat platform was een beetje versloft, maar wij willen dat het een geïnstitutionaliseerd bestuurlijk overleg wordt waarin men allerlei dingen kwijt kan en waarin ook partijen die zich niet aan de afspraken houden, tot de orde geroepen kunnen worden. Wij gaan niet de verantwoordelijkheden tussen Rijk, private partijen en provincies overhoop halen. Provincies moeten de partijen voor hun specifieke beeldverhalen bij elkaar krijgen. Ik ondersteun dat met het NBTC, het HBPO en innovatie-instrumenten. ICT-ondersteuning is ook van belang, omdat wij zien dat in het toerisme iedereen opnieuw het wiel probeert uit te vinden. Over de keten heen is winst te behalen en daarom kijk ik of het ICT-budget van het ministerie van EZ een rol kan spelen. Dat zijn mijn financiële en bestuurlijke instrumenten om het toerisme in Nederland verder te bevorderen. Daarnaast is het de kwestie om zo veel mogelijk toerisme op allerlei manieren in het beleid mee te nemen.

De inzet van Syntens is gerelateerd aan de sleutelgebieden van het innovatiebeleid en beperkt zich tot de zaken waarin wij goed zijn: food and flowers, hightechsystemen, water, chemie en creatieve industrie. Al deze sleutelgebieden hebben ook effect en uitstraling op het toerisme. De sector toerisme en recreatie behoort niet tot de sleutelgebieden. Dat betekent niet dat ondernemers in deze sector niet terecht kunnen met vragen over innovatie, vernieuwing en verduurzaming. Syntens werkt vraaggestuurd: iedere ondernemer kan met zijn vragen terecht. Specifieke regio’s als Zeeland en Limburg waar veel vragen binnenkomen, kennen gespecialiseerde Syntensadviseurs.

Er werd gesuggereerd dat de sector weinig heeft aan het innovatie-instrumentarium van EZ, zoals de innovatievouchers. Juist dat instrument is bijzonder geschikt voor de dienstensector. Uit de evaluatie van de innovatievouchers blijkt ook dat de dienstensector er bovengemiddeld gebruik van maakt. Het is lastig aan te geven welk percentage van de vouchers bij de sector toerisme en recreatie terechtkomt, omdat veel bedrijven in meerdere categorieën vallen en niet elke ondernemer aangeeft in welke sector hij of zij onderneemt. Volgens de gegevens die wij hebben van de evaluatie van dit jaar, kwam in 2006 2 à 3% terecht in sector cultuur, recreatie en sport. De schatting van SenterNovem is dat de verdeling over de sectoren bij de aanvragen van de vouchers in 2008 niet veel afwijkt van het beeld in 2006. Volgens het CBS is de sector toerisme en recreatie goed voor 3% van het Bruto Nationaal Product. Dat komt overeen met die vouchers uit de sector. De communicatie over de mogelijkheden kan beter, want vanuit de sector blijven signalen komen dat de mogelijkheden onbekend zijn. Wij hebben dat als actiepunt in de Toerismebrief opgenomen en het stellen het tijdens het bestuurlijk overleg aan de orde. Syntens verzamelt een aantal voorbeelden van ondernemers die een voucher hebben gebruikt en maakt daar een boekje van om te verspreiden via de brancheorganisaties. Het Platform Toerisme en Recreatie heeft daarbij al hulp aangeboden. Het aantal vouchers wordt de komende twee jaar uitgebreid met 2000 tot 8000. Kortom: ze zijn beschikbaar en worden gebruikt. De bekendheid moet nog toenemen en dat brengen wij onder de aandacht.

Er is geen commissie ingesteld om de regeldruk in de branche aan te pakken. Wel staan alle kanalen open. Vaak blijkt dat vermeende regeldruk vanuit de overheid bestaat uit de regels van de brancheorganisaties zelf om de kwaliteit van het zwembad of de veiligheid van de speelapparatuur beter te checken. Dat zijn allemaal hulpmiddelen, maar het is niet zo dat de wet voorschrijft dat men dat iedere week afvinkt. Men moet laten zien hoe men dat gebruikt. Ik was ook op werkbezoek bij een camping met een klacht over tegenstrijdige regels over de toevoer van zwemwater en het waterkeerklepje. Dan blijkt dat het waterleidingbedrijf een andere opvatting heeft dan de milieu-inspectie en dat men daar uiteindelijk wel uitkomt. Veel van wat overbodige regelgeving lijkt, blijkt oplosbaar als je er induikt en kijkt naar de definitie. Het is een taak van de overheid en de brancheorganisaties om daar duidelijk in te zijn. Er is een branchewijzer voor de recreatie- en toerismesector, bij voorbeeld op de website antwoordvoorbedrijven.nl en een Recreatiekompas met oplossingen voor tegenstrijdige regels in de sector. Het is ook een punt dat op het overleg met het Platform Toerisme en Recreatie dient te staan. De sector kan zelf aangeven of men een extra impuls nodig heeft en als het een beroemde voorman of -vrouw alles wil laten uitpluizen, ondersteun ik dat. Vooralsnog heb ik het idee dat men met vragen en klachten goed de weg weet te vinden. De sector profiteert ook van algemene maatregelen om de regeldruk te verminderen: de jaarrekening die fiscaal en commercieel samenvalt, de vergunningenstelsels die aangepakt worden, meer samenwerkend Rijkstoezicht en auteursrechten waarbij men naar één rekening moet gaan om het te innen en waarvan de kosten transparanter en daarmee lager worden. Kortom, in die zin profiteert de sector van algemeen Rijksbeleid van dit kabinet.

Volgens de leden zou Werken aan Winst nadelig uitpakken voor de recreatiesector. Overigens is het een beslissing geweest van het vorig kabinet om de tarieven van de vennootschapsbelasting te verlagen en de grondslag te verbreden. Het moet uit de lengte of uit de breedte komen. Als het totale bedrag dat wordt opgehaald gelijk blijft, wordt er op andere terreinen extra belasting geheven. Daar is toen uitgebreid over gediscussieerd. RECRON heeft ook haar kritiek op Werken aan Winst geleverd aan de hand van een fictieve case. De fiscalisten van het ministerie van Financiën en mijn ministerie hebben die bestudeerd en onze ambtenaren zijn het niet eens met de kritiek van RECRON over de gevolgen van Werken aan Winst voor de recreatiesector. Er is afgesproken dat RECRON met een aantal geanonimiseerde jaarrekeningen komt die wij zullen bestuderen. Het klopt niet dat de grondslag waarover belasting is geheven, door Werken aan Winst is gewijzigd. Het klopt wel dat de afschrijvingen beperkt kunnen worden, waardoor er meer belasting betaald moet worden in de jaren dat er wordt afgeschreven. Daar staat tegenover dat bij verkoop van het bedrijfsmiddel minder winst wordt gemaakt en minder belasting wordt betaald. Het is het verschil tussen de boekwaarde en de economische waarde. Het verschil zit alleen in de beperking van de afschrijving en dat veroorzaakt een verschuiving van tijd in de heffing. Men heeft een liquiditeitsnadeel – maar daar zijn banken voor – en men heeft een vennootschapsbelastingvoordeel omdat het tarief omlaag is gegaan.

Over de vliegtaks is al heel veel gediscussieerd in het parlement. Dat moeten wij niet helemaal overdoen. Er is overleg tussen het kabinet, Schiphol en de toeristische sector. De sector heeft nuttige input geleverd voor de implementatie van de vliegtaks en het kabinet heeft ernaar geluisterd en suggesties uit de sector overgenomen. Er wordt nu bij voorbeeld gewerkt met een tarief per land, en niet meer met kilometergrenzen, wat gemakkelijker is voor de reisorganisaties. De vliegtaks kan leiden tot een vertraging in de groei van het internationaal toerisme maar ook tot een groei van het binnenlands toerisme. Ik denk dat veel mensen wel inzien dat een ticket voor €30 naar het Verenigd Koninkrijk niet helemaal de kostprijs reflecteert. Wij willen allemaal dat de kosten van mobiliteit volledige kosten zijn, inclusief de milieukosten.

De toerismebelasting is echt een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Als gemeenten en lokale politieke partijen daar verkeerd mee omgaan, denk ik dat zij daarvoor afgestraft worden in de lokale verkiezingen. Desalniettemin heeft mijn departement al eerder een «Handreiking transparante toeristische inkomsten en uitgaven» laten maken die de gemeenten een voorbeeld geeft hoe men de uitgaven voor publieke ruimten kan toerekenen aan de gebruikers van de ruimte, waaronder de toeristen. Er zijn ook manieren om de toeristenbelasting handiger te innen. De gemeente Soest heeft bijvoorbeeld een convenant gesloten met de plaatselijke toeristische ondernemers die een inspanningsverplichting zijn aangegaan om een bepaald bedrag aan toerismebelasting op te brengen. Men heeft een totaalbudget afgesproken en het gevolg is dat de gemeente die belasting niet heft bij ondernemers afzonderlijk en dat zij dat ook niet afzonderlijk voor iedere nacht hoeven bij te houden. Het is een lumpsum op basis van de inschatting van het aantal toeristen op basis van cijfers van het CBS. Dat is een voorbeeld waarbij men de inning van de belasting niet leuker kan maken, maar wel makkelijker. Het verbaast mij dat andere gemeenten die best practice niet overnemen.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik ga ervan uit dat die vervolgbrief er komt. Ik wil dan toch meer weten over innovatie en regeldruk. Ik vind het antwoord van de staatssecretaris in de verdedigende sfeer en ik wil dat hij juist die ambassadeursrol, die regisseursrol op zich neemt en ook die betrokkenheid met een hele grote «B» aantoont. Die mis ik nu. U hebt gelijk, de toeristensector is geen sleutelgebied, maar u kunt in uw contacten met Syntens zeggen dat zij dat op moeten pakken. Dat de dienstensector bovengemiddeld de innovatievouchers afneemt, is waar, maar dat geldt niet voor de campings, de recreatieparken enzovoort. Ik begrijp dat, als het platform toerisme en recreatie of de RECRON komt met een vooraanstaande vrouw dan wel man die de regeldruk wil aanpakken, u dat ondersteunt. Wat de afschrijving betreft kan ik u zeggen dat mensen, zoals die van camping de Wildhoeve in Emst, bereid zijn om hun boeken aan te leveren. Er moet vaart worden gemaakt.

De heer Aptroot (VVD): Ik sluit mij aan bij mevrouw Smeets. Wij hebben de regeldruk in de praktijk gezien. De overheden, en niet alleen het Rijk, komen met enorme verplichtingen voor het zwemwater in het zwembad, voor de waterkwaliteit, de legionella en de speeltoestellen. Wij hebben de enorme rij ordermappen met verplichtingen gezien. Wij hebben dat opgelegd en daar moeten wij dan ook flink in schrappen. De VVD neemt haar verantwoordelijkheid voor de wijzigingen naar aanleiding van Werken aan Winst. Per saldo is het goed voor het bedrijfsleven. Het pakt in deze branche echter slecht uit. Ondernemers hebben ons eerlijk een inkijkje gegeven in hun cijfers. Er is waarschijnlijk een misverstand over de mogelijke verkoop die de staatssecretaris noemt: een gebouw heeft tussentijds ook groot onderhoud nodig. Daarnaast verhogen gemeenten de belastingen elk jaar bij de WOZ-taxatie een paar procent. Als gemeenten echt zouden taxeren, zou dit niet gebeuren en komt het goed. U moet echt met uw collega De Jager gaan praten over een oplossing voor deze branche.

De heer Hessels (CDA): De berichten die ons bereiken, zijn dat de vouchers niet toegepast worden binnen de toeristensector. De staatssecretaris geeft inderdaad informatie over een bredere categorie dan toerisme. Ik vind het van grote waarde als hij die informatie meer uitsplitst in de nieuwe brief die wij krijgen, zodat wij echt weten wat de kansen zijn voor de toeristische sector om met innovatievouchers te werken.

De heer Van der Ham (D66): Ik voel mee met de staatssecretaris over de vliegtaks en vind niet dat wij daar snel weer vanaf moeten gaan. Ik vind het wel van groot belang dat in een vervolgbrief samen met de staatssecretaris van Financiën wordt gekeken naar de effecten en de uitkomsten van het overleg na de zomervakantie, als de resultaten van de vliegtaks hebben kunnen neerdalen. Graag uw toezegging zodat wij daar weer over kunnen debatteren.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Volgens de staatssecretaris komen wij er wel uit in het geval van tegenstrijdige regels. De klacht die ik hoor, is dat er erg weinig begrip is. Daar bedoelen de klagers mee dat expertise ontbreekt bij degene die op bezoek komt en controleert. Dat lijkt mij wel een taak die bij de overheid ligt. Zorg dat er mensen in een sector rondlopen die weten waar zij het over hebben en waar zij op moeten letten. U noemt de gemeente Soest als goed voorbeeld van het omgaan met de toeristenbelasting. Ik wil mij niet aansluiten bij de heer Aptroot die de bevoegdheden van de gemeenten wil indammen, maar u hebt de taak om deze «best practice» uit te dragen en de gemeenten aan te sporen om die te volgen.

Staatssecretaris Heemskerk: Wij nemen de impact van de vliegtaks op Schiphol en het binnenkomend en uitgaand toerisme mee. Aan de onbekendheid van de innovatievouchers en Syntens moeten wij wat doen. Er wordt een aparte brochure gemaakt en wij bespreken het in het bestuurlijk overleg. Het is volgens mijn informatie zo dat ondernemers in de toeristische sector juist wel gebruik kunnen maken van die innovatievouchers; er zijn daarop geen beperkingen. Het is inderdaad vervelend als er een inspecteur komt zonder verstand van zaken, daar moeten wij alert op zijn. Ik vraag – en dan staat de deur van mijn departement en dat van mijn collega’s wagenwijd open – om mij van specifieke problemen en definities te laten weten. Ik zet mijn ambtenaren erop en wij zoeken uit of het inderdaad ergens in een wet staat, of het een interpretatie is van de wet of dat het een interpretatie is van een brancheorganisatie. Wij moeten met de regeldruk aan de slag tot op het detailniveau van de waterkeerklep. De deur staat ook open voor fiscale klachten. Het fictieve voorbeeld bleek echt niet te kloppen: een ander afschrijvingstempo beïnvloedt de cashflow maar gaat niet ten koste van de winstgevendheid. Sterker nog, de lagere vennootschapsbelasting is gunstig voor ondernemers.

De Gay Games waren een fantastisch evenement in 1998 in Amsterdam. Ik zeg bij deze toe dat ik mij ervoor inzet om opnieuw een hele groep vrolijke, goedbestedende sporters, toeristen en mensen die er op een andere manier een feest van maken, naar Nederland te krijgen. Dit op voorwaarde dat de heer Van der Ham zich inschrijft voor de Gay Games.

De heer Van der Ham (D66): Wij gaan handje drukken, staatssecretaris!

Staatssecretaris Heemskerk: Voorzitter. Ik spreek mijn collega van OCW erop aan dat de musea gesloten zijn. Overigens is het Rijksmuseum per vierkante meter nog nooit zo goed bezocht als nu. Het rendement is buitengewoon hoog. Tegelijkertijd heeft mijn collega bij de aanbestedingsprocedure gezegd dat wij een goede prijs willen betalen. Een ander voorbeeld: ik was in Abu Dhabi waar veel musea van over de hele wereld een dependance hebben geopend of hun topstukken laten zien. In de Emiraten wordt daar buitengewoon goed voor betaald. Ik heb mijn collega erop aangesproken dat stukken die hier alleen in het museumdepot staan, naar de Golfstaten gestuurd kunnen worden tegen een buitengewoon lucratief tarief. Het heeft ertoe geleid dat een grote Nederlandse bank voor de culturele sector een seminar heeft georganiseerd om te kijken hoe daar extra geld verdiend kan worden. Ik sluit niet uit dat als men het werk daar een keer gezien heeft, men hier wil komen om nog meer van die mooie meesterwerken te bekijken. In die zin is de betrokkenheid bij toerisme en recreatie er een met een hele grote «B». Het gaat niet altijd om geld, maar ook om aandacht. Een ander voorbeeld: een groot congres had een aanbevelingsbrief nodig van de minister en kwam er niet doorheen. Ik heb die vraag doorgegeven en de volgende dag ging de aanbevelingsbrief van die collega er uit. Kortom: soms kan het kabinet met extra aandacht het toerisme versterken.

Het Henry Hudson project heet vanaf nu «New York, 1609 made in Holland», een ondertitel die aan Nieuw-Amsterdam refereert. EZ was vrij snel bij dit project betrokken. Ik vind dat het niet alleen over geschiedenis en cultuur moet gaan maar dat er veel meer bedrijfsmatige componenten aan toegevoegd moeten worden. Het project wordt een paraplu waaronder de relaties tussen Amerika en Nederland verder verstevigd kunnen worden in 2009.

Bij het overleg over de jaarlijkse thema’s wil iedere stad en ieder thema in de aandacht staan. Wij hebben een aantal hele mooie jaren gehad zoals dat van Van Gogh en Rembrandt. Het probleem is dat je er daar niet zoveel van hebt. Ik weet dat 2016 het jaar van Jeroen Bosch wordt in Den Bosch. Dat zou aantrekkelijk voor het toerisme kunnen zijn. Voor 2012 hebben wij de Floriade staan, die voor het eerst buiten de Randstad wordt gehouden. Het thema is – en dat vindt de heer Aptroot natuurlijk verschrikkelijk – duurzaamheid en cradle-to-cradle, een benadering van het hergebruik van grondstoffen, waardoor producten 100% recyclebaar zijn.

De heer Van der Ham (D66): Als je er goed kunt parkeren, is de heer Aptroot tevreden.

De heer Aptroot (VVD): Mij spreekt het thema omzet, zaken doen, business het meeste aan.

Staatssecretaris Heemskerk: Het verschil tussen de VVD en dit kabinet is juist dat wij denken dat die zaken samenhangen. Duurzaamheid is goed voor de omzet en hoeft daarvan niet ten koste te gaan als men met strenge milieueisen voorop loopt. Kortom: wij plannen wel degelijk vooruit. In 2009–2010 is het thema Holland Art Cities. Dat wordt niet beperkt tot Amsterdam; men brengt juist de pareltjes in de verschillende steden onder de aandacht.

De voorzitter: Staatssecretaris, ik heb nog een suggestie voor u: honderd jaar Elfstedentocht. Daar kunt u mee beginnen.

Staatssecretaris Heemskerk: Dat zal zeker aantrekkingskracht hebben in Friesland, maar men moet zich afvragen of dat een nationaal thema is of een lokaal pareltje. Het lijkt mij het laatste.

De heer Hessels (CDA): Dat is juist een voorbeeld van een nationaal thema, staatssecretaris. U hebt het dus niet goed begrepen.

Staatssecretaris Heemskerk: 100 jaar Elfstedentocht is niet geschikt voor heel Nederland.

De heer Hessels (CDA): Waarom niet?

Staatssecretaris Heemskerk: Het is bijvoorbeeld een moeilijke kapstok voor Maastricht.

De heer Hessels (CDA): U zou eens moeten kijken hoeveel Limburgers lid zijn van de Elfstedenvereniging.

Staatssecretaris Heemskerk: Dat is juist waarom ik denk dat het een goed thema is om het binnenlands toerisme in Friesland extra onder de aandacht te brengen.

Voorzitter. De vraag of een camping- of jachthavenbeheerder alle elektriciteitsaanbieders moet vastleggen in iedere haven en iedere camping, is volstrekt nieuw voor mij. Het zou mij verbazen. Ik ga dat na bij onze mensen van energie en daar wordt de commissie schriftelijk over geïnformeerd.

Het kabinet heeft middelen ter beschikking gesteld voor een haalbaarheidsonderzoek naar de kandidaatstelling van Nederland voor de Olympische Spelen in 2028. Dat geldt overigens ook voor het Wereldkampioenschap Voetbal in 2018. Ik moet bekennen dat ik even aan het idee moest wennen, toen ik het voor het eerst hoorde. De kracht van de presentatie is dat wij die Olympische berg willen beklimmen en in staat willen zijn om ons te kandideren. Als wij daar toe in staat zijn, betekent het dat wij op heel veel terreinen de infrastructuur op orde hebben, dat wij vele duizenden journalisten kunnen onderbrengen en dat de hotelaccommodatie en de sportvoorzieningen en de sport in de breedte op orde zijn. Het beklimmen van die berg is een buitengewoon goed idee vanuit toeristisch oogpunt, maar ook vanuit de structuurvisie op de Randstad in 2040, waarover het kabinet afgelopen vrijdag nog een uitgebreide nota stuurde.

De afspraak over de koopzondagen komt uit het coalitieakkoord. Het doel is het tegengaan van het oneigenlijk gebruik van die toerismebepaling. Juist de toerismebepaling maakt dat koopzondagen aantrekkelijk kunnen zijn voor toerisme en recreatie in Nederland. Het is uitgewerkt in een wetsvoorstel en de Raad van State heeft advies uitgebracht. Het kabinet hoopt het wetsvoorstel zeer binnenkort aan te bieden aan de Kamer.

Ik vind het een goed idee om het College van Rijksbouwmeesters te betrekken bij de beeldverhalen. Wij werken dit uit en stellen het vanwege de regionale component aan de orde in het overleg met het Platform Toerisme en Recreatie.

Er zijn vanuit het Rijk de laatste jaren vele miljoenen geïnvesteerd in de toeristische versterking van het Friese platteland. Er wordt samengewerkt tussen het NBTC en Friesland. Hier geldt de «B» van betrokkenheid en van buidel met geld. Er komt ook een reactie op de Deltacommissie die laat zien dat water zowel een kans als een bedreiging kan zijn.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik sluit aan op het laatste punt van de staatssecretaris over Friesland en de Meren. Ik wil u toch vragen deze onder de naam Holland Sail Free bij het buitenland te promoten. Het past perfect in het rijtje Product-Markt-Partner-Combinaties van het NBTC. U kijkt nu terug op het geld dat is gestoken in de ontwikkeling van het gebied maar kijk ook vooruit. Dat is mijn oproep aan u en het kabinet.

De heer Aptroot (VVD): Ik sluit mij bij mevrouw Smeets aan; er is het afgelopen jaar veel geld uitgegeven, maar wij moeten blijven investeren. Ga door met samenwerking met de regio. Er lag al een voorstel van de SP en de SGP over de koopzondagen. Als de SP en de SGP het eens worden, moet men in Nederland echt oppassen. De regering heeft nu hetzelfde standpunt. Ik geef u op een briefje dat wij bij het wetsvoorstel een berekening willen hoeveel het de detailhandel en bedrijfsleven kost, als koopzondagen worden teruggedraaid. Wij hebben een duidelijk standpunt: de ondernemer bepaalt het zelf wel.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik begrijp dat de staatssecretaris nog niet kan zeggen of wij meehengelen naar de Olympische Spelen. U doet eerst een haalbaarheidsonderzoek, dat lijkt mij heel verstandig. De SP ziet zeker de kansen, dus ik hoop dat het onderzoek een positief resultaat oplevert. Ik begrijp hieruit dat u nog niet kunt zeggen naar welke regio uw voorkeur uitgaat. Regio’s zijn elkaar nu aan het beconcurreren en nationaal gezien vind ik dat zonde van het geld. Overigens nog dank voor het omarmen van het idee van het College van de Rijksbouwmeesters bij het regionale beeldverhaal.

Staatssecretaris Heemskerk: Ik denk niet dat het haalbaarheidsonderzoek naar de Olympische Spelen wordt afgesloten zonder dat duidelijk is waar zij moeten worden gehouden. Laten wij daar niet op vooruit lopen. Wij zijn een kabinet dat vertrouwen heeft in de lokale politiek en dat niet alles vanuit Den Haag wil regelen. De koopzondagen zijn bij uitstek een onderwerp waar de gemeentelijke politiek over gaat. Ik denk dat men in Scheveningen een andere afweging maakt dan in Staphorst. Het wetsvoorstel regelt de wijze waarop dat besluit zorgvuldig kan worden genomen.

Minister Verburg: Dank u wel voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng in de eerste termijn en het doet mij goed de leden hier weer allen in goede gezondheid te zien. Ik heb vorige week al een aantal Kamerleden mogen ontmoeten en het doet goed dat de volksvertegenwoordiging weer uitgerust en fit aanwezig is. Ik moet een excuus maken naar mevrouw Smeets; ik heb de heer Aptroot weer vertrouwde geluiden horen spreken maar heb uw inbreng gemist. Ik kan u verzekeren dat die inbreng goed is doorgekomen en ik heb inmiddels ook de antwoorden tot mijn beschikking.

De heer Heemskerk heeft het al aangegeven: wij werken heel goed en soepel samen. Dat betekent dat er geen verdeeldheid is in het kabinet. In tegendeel, wij zijn er in het kabinet zeer van overtuigd dat toerisme en recreatie in ons land vanuit het binnen- en buitenland van groot belang is. De 3% van het binnenlands product die de heer Heemskerk al heeft genoemd, kan nog toenemen. Wij zijn zeer gemotiveerd om dat op een verantwoorde wijze te doen, maar daar is wel het een en ander voor nodig. Kortom: over verdeeldheid in het kabinet hoeven de leden niet in te zitten. Wij werken ook prima samen met andere departementen die met toerisme te maken hebben, zoals het ministerie van VROM.

Ik stel vast dat wij dit jaar ook nog iets te vieren hebben, namelijk dat wij vijftig jaar geleden voor het eerst een Rijksrecreatiebeleid hebben geformuleerd. De term recreatie is nog nieuwer, van na de Tweede Wereldoorlog. Wij hoeven dat soort dingen niet te vieren maar het is wel goed om aan te geven dat recreatie en de recreatiesector in ons land nog in ontwikkeling zijn. Het laatste recreatiebeleid wortelt in de jaren tachtig en is aan vernieuwing en nieuwe doordenking toe. Wij zien dat wel met meer beleid en inzetting uit de jaren tachtig. Wat uit die tijd komt, is niet automatisch geschikt voor de komende jaren. Dat is de reden waarom ik vorig jaar op een congres bij de RECRON heb aangekondigd dat ik met de recreatiesector in dialoog wil, om een toekomstgericht en toegespitst recreatiebeleid te kunnen formuleren in combinatie met een toekomstgericht en toegespitst toerismebeleid.

Er valt in ons land veel te genieten en te recreëren. Mevrouw Gesthuizen heeft gelijk als zij zegt dat toerisme en recreatie niet alleen een economische branche zijn, maar ook van belang zijn voor ons welzijn, onze gezondheid en ontspanning, voor het vinden van rust en ruimte. Hieraan, en aan de diversiteit waaraan behoefte is, moet recht worden gedaan. De een wil rust en ruimte, de ander vogeltjes kijken, een derde wil aan de waterkant zitten vissen en een vierde wil naar een totaal event; een fietstocht maken, vervolgens de sauna in en ’s avonds in een Bourgondische gasterij verwend worden. Aan al die combinaties wordt gewerkt. De overheid hoeft niet voor te schrijven hoe dat gedaan moet worden. Het tegendeel is waar; ik denk dat wij in de Nederlandse toeristische en recreatieve sector ondernemers hebben die iets willen en er zelf wat van maken. Ik weet niet hoe het de Kamerleden is vergaan deze zomervakantie, maar Nederland is mooi. Ik heb daar zelf nog eens van genoten door een fietstocht te maken langs wuivend graan, prachtige natuur en koeien in de wei. In Nederland zijn er daarbij heel veel mogelijkheden om een kopje koffie te drinken: op een boerderij, bij een cafeetje op de hoek met een gezellig terras, als het lekker droog is. Deze zomer moest men wel eens binnen zitten door de regen, maar het gaat om de gastvrijheid en wat recreatieondernemers ervan willen maken. Dat is goed. De vraag is of dat goed genoeg is voor de toekomst. Daarop is mijn antwoord: «nee». Ik denk dat er nog heel veel innovatie mogelijk is. De aanwezige leden hebben allen gesproken over de omgang met innovatie. Wij kunnen zeggen dat de innovatievouchers beter toegankelijk gemaakt moeten worden, maar ik denk dat het verstandiger is om ons af te vragen hoe wij als ondernemers, sector, branche en overheid elkaar van dienst kunnen zijn om die innovatie op de toekomst te richten en handen en voeten te geven. Ik ben samen met andere collega’s innovatietafels aan het inrichten en schakel het innovatienetwerk van LNV in om die ideeën te lanceren.

Een mooi landschap is belangrijk. Wij investeren daarom per provincie in het landelijk gebied. Daarbij hoort verfraaiing van het landschap. Het Friese landschap is aantrekkelijk maar het Limburgse ook, net als dat van de Veluwe, Noord-Holland en Zeeland. In ons kleine land hebben wij veel verschillende smaken en er valt heel veel te genieten.

Ik wil een punt van mevrouw Gesthuizen uit de lucht nemen. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij persoonlijk stak, maar ook als verantwoordelijke voor het recreatiebeleid. U suggereerde dat mensen soms gedwongen waren om hun vakantie door te brengen in Nederland omdat zij iets anders niet kunnen betalen. Ik werp elke suggestie van de hand dat kiezen voor een vakantie en recreatie in Nederland altijd tweede keus is. Er zijn heel veel vakantiegangers in Nederland die zeggen: ik wil niet voor mijn vakantie in een vliegtuig zitten, ik hoef niet ver weg. Ik ga genieten van al het mooie en goede, al het gastvrije en Bourgondische dat ons eigen land te bieden heeft!

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dat heb ik niet gezegd. Ik moet overigens zeggen dat de minister een geïnspireerd betoog houdt en dat geeft mij vertrouwen. Ik vond het prettig om te lezen dat bewindslieden in het kabinet zeggen dat er door de vergrijzing veel vrije tijd en geld vrijkomt. Ik zou zeggen, kom op met dat zoet, dan kunnen de mensen in Nederland meer gaan recreëren!

Minister Verburg: Ik denk dat ik hetzelfde voel als mevrouw Gesthuizen. Ik kan niet wachten op Prinsjesdag, ben erg benieuwd naar de Troonrede en naar de begrotingen. Dat verlangen delen wij en de opvattingen over recreëren in Nederland ook.

Voorzitter. De resultaten van de dialoog komen in de eerste helft van 2009. Ik roep iedereen op om mee te doen op verschillende terreinen. Bijvoorbeeld op het gebied van Natura 2000, een ontwikkeling in de natuur, en op het gebied van het landschap, waar recreatieondernemers zeer veel belang bij hebben. Een aantrekkelijk landschap en een mooie natuur zijn onderdeel van het pakket dat Nederland in de aanbieding heeft. Met minder regels en belemmeringen op het gebied van milieu en natuur denk ik dat er weinig recreatieondernemers zijn die van plan zijn de kip met de gouden eieren te slachten. Afgelopen maandag hebben wij een intentieverklaring getekend met een vijftiental maatschappelijke organisaties waarbij het bewustzijn leeft dat wij in Nederland heel veel willen, met heel weinig grond. Nederland is ambitieus, toekomstgericht en ondernemend. De vraag is hoe wij op een zorgvuldige manier ondernemerschap, sociale en sportieve activiteiten, zoals de Elfstedentocht, de Nijmeegse Wandeltocht, de Limburgse fietstocht en de Brabantse Vennentocht, combineren met behoud van biodiversiteit en natuur. Men heeft elkaar nodig anders weet men zeker dat genieten niet meer vanzelfsprekend is over vijfentwintig jaar.

In de maatschappelijke dialoog gaat het over innovatie, de toekomstagenda en nadrukkelijk over vermindering van regelgeving. Ik zeg het de heer Heemskerk na dat u met concrete voorbeelden moet komen. Als kabinet hebben wij de ambitie om regels, administratieve lastendruk, nalevingslasten enzovoort te verminderen. Wij hebben concrete voorstellen nodig die gedragen worden door de sector. Het moet namelijk niet zo zijn dat de ene ondernemer iets wil veranderen en de andere ondernemer uit dezelfde sector dat niet wil. Het vorige kabinet is er in geslaagd om de totale regeldruk met 18% te verminderen. De grote ambitie van dit kabinet is om dat met nog eens 25% te doen. Dat is niet gemakkelijk, omdat het laaghangend fruit al is geplukt.

Ik begrijp dat verschillende commissieleden de recreatiesector hebben bezocht deze zomer maar ik zou ze willen uitnodigen om samen met mij een dag te organiseren om alle fiets-, wandel- en ruiterpaden en mountainbikevoorzieningen die de afgelopen jaren mede door de overheid en LNV zijn gefinancierd, te verkennen. Dit is fantastisch. Zij kunnen beginnen met trainen op het Pieterpad dat dit jaar vijfentwintig jaar bestaat. Er staan nog net geen files, maar het is gezellig en soms geweldig druk. Het is een aanmoediging om duizenden kilometers wandelpaden, boerenklompenpaden of oudekerkenpaden te voltooien. Ik zie de heer Aptroot popelen, ik kan mij dat helemaal voorstellen. De klompen leveren wij erbij en een kerkbezoek is ook mogelijk. De paden zijn er om van te genieten en ter ondersteuning van de aantrekkelijke recreatie in ons land. Ik noem nog een paar ambitieuze punten: aan het eind van deze kabinetsperiode willen wij rond grote steden 16 000 hectare recreatiegroen gerealiseerd hebben zodat elke stadsbewoner binnen tien minuten fietsen, in normaal fietstempo, in het groen kan zijn. Dat zijn ambities die er niet om liegen en die nog wel wat extra inzet vergen, maar het gaat erom waar men naar toe wil. Voor de volledigheid voeg ik toe dat die strategische dialoog met de recreatiesector plaatsvindt met recreatiebeheerders en -organisaties. Iedereen die iets kan bijdragen is daar hartelijk welkom.

Overigens kunt u zelf ook nog een actieve bijdrage leveren. Op 28 augustus jongstleden is de Groene Maand, september 2008, geopend op kasteel Groeneveld in Baarn. Deze maand valt er te genieten van tal van activiteiten in het landschap en de recreatiegebieden. De gemeenten organiseren deze om kennis te maken met en te recreëren in ons prachtige landschap.

Mevrouw Smeets vroeg of ik bereid ben elk jaar de «staat van de recreatie» op te maken. Ik begrijp het verzoek en zou kunnen zeggen dat het mij sympathiek lijkt, maar ik vraag mij af of wij dat moeten willen. Wij doen er beter aan om dat één keer per drie of vier jaar te doen, om te voorkomen dat wij ondernemers het hemd van het lijf te vragen en vervolgens volgend jaar om deze tijd constateren dat wij een paar stapjes vooruit hebben gezet en dat er een tandje bij moet. In een jaar tijd verandert men de wereld niet. Wij zijn wel ambitieus op dit terrein en ik zeg de Kamer toe dat ik voor het zomerreces volgend jaar de uitkomsten toestuur van de strategische dialoog, inclusief de voornemens van het kabinet die dan terug kunnen komen in de begroting van 2010. De Kamer krijgt dan ook de innovatie-ideeën van de sector in combinatie met de mogelijkheden die wij als overheid zien. Aan de hand daarvan kunnen wij kijken of monitoring nodig is. Een staat van recreatie opmaken is heel veel werk, ik merk het met de natuur- en de milieubalans. Wij doen dit ieder jaar maar wat men ermee bereikt, is de vraag. Ik vind het wel zeer belangrijk dat de Kamer betrokken blijft bij de ontwikkelingen op het gebied van toerisme en recreatie.

Op de vragen over versnippering en ruimtelijke procedures heb ik geantwoord. Er is geen sprake van versnippering. De ruimtelijke procedures hebben te maken met de knellende wet- en regelgeving.

De uitnodiging om een dag te organiseren, staat overigens. Af en toe mag ik een kerken- of klompenpad of Rijndeltaroute openen en dan zit ik met de mensen die daaraan hebben bijgedragen, een half uurtje op de fiets. Dat is veel te kort en daarom nodig ik de commissieleden uit om een dagdeel uit te trekken voor een excursie en een werkbezoek, die ik zelf begeleid. Ik zou zeggen, ga maar in training.

Volgend jaar januari is Nederland de hoofdgast op de Grüne Woche. Wij zien in de landbouwsector steeds meer multifunctionele landbouw waarbij agrarische ondernemers aan verbreding doen: agrarisch toerisme, zorgboerderijen enzovoort. Wij gaan kijken hoe wij die combinatie daar goed kunnen etaleren. Daar komt bij dat de landbouwsector ruim 70% van ons grondoppervlak beheert. In de toekomst dragen de groenblauwe diensten veel bij aan het onderhoud van landschap en het waterbeheer. De commissie-Veerman geeft aan wat ons de komende eeuwen wellicht te wachten staat als het waterbeheer verandert door klimaatverandering en andere oorzaken. Niet alleen in Friesland maar ook in andere delen van ons land gaan de blauwgroene diensten van boeren dan een belangrijke rol spelen.

De concentratie op Amsterdam werd mij een beetje te veel. Na een paar dagen Amsterdam, zoveel musea en Kalverstraatwandelingen, is de toerist toe aan een groene neus. Men kan dan kiezen voor de prachtige recreatieve omgeving van Laag-Holland boven Amsterdam of voor het prachtige landschap in Amstelland, een van de gebieden die wij als voorbeeld hebben aangewezen voor de landschapsontwikkeling en het daarbij betrekken van bewoners en bezoekers. Amsterdam zelf wijst ook op de relatie tussen stad en ommelanden omdat het niet alleen wil dat de burgers naar buiten kunnen maar ook om kinderen buiten de stad te laten kijken, zodat zij weten hoe een koe eruit ziet. Voor menig toerist is dat ook heel aantrekkelijk. Andere steden doen dat ook; Amersfoort heeft bijvoorbeeld het traject «stad zoekt boer». Dit past ook in een recreatie- of toerismeconcept zoals dat besproken wordt bij de strategische dialoog.

Mevrouw Gesthuizen vroeg naar de concrete doelen. Ik vraag mij af of zij is gestopt met het lezen van de Toerismebrief bij hoofdstuk drie. Hoofdstuk vier gaat juist over het investeren in die gebieden en de gebiedsgerichte benadering. Het is nog niet af, maar de leden kunnen niet zeggen dat er in de brief geen ambities of concrete doelen staan. Afijn, ik heb de toezeggingen gedaan.

De voorzitter: De staatssecretaris wil nog wat toevoegen.

Staatssecretaris Heemskerk: Vaak komen geruchten niet helemaal uit de lucht vallen en dat is nu ook het geval. Hoe zit het nu met jachthavens en meerdere leveranciers van elektriciteit, zo was de vraag. Iedere afnemer van elektriciteit en gas is inderdaad vrij in zijn keuze van leverancier. De Elektriciteitswet biedt echter ruimte voor uitzonderingen als er geen sprake is van een openbaar net, maar van een privaat net. Voorbeelden van private netten zijn: Schiphol, bedrijventerreinen en mogelijk ook recreatieparken. Voor private netten kunnen ontheffingen worden aangevraagd ten aanzien van de vrije keuze van de leverancier. Het is mogelijk dat bepaalde jachthavens een ontheffing hebben, waardoor de keuze voor de leverancier niet door de booteigenaar maar door de jachthaveneigenaar wordt gemaakt. Naar aanleiding van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie in een Duitse zaak, wordt geanalyseerd of die ontheffingsregelgeving strijdig is met de Europese richtlijn. Indien dat zo is, moet de ontheffingsregelgeving worden aangepast. Minister Van der Hoeven van Economische Zaken zit er bovenop en behartigt de belangen van de watersportsector. Het lijkt mij niet verstandig dat een kostenverhoging volgt uit de situatie dat alle booteigenaren in alle gevallen voor alle energieleveranciers moeten kunnen kiezen. Daar zit niemand op te wachten.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Smeets (PvdA): Wij wachten af hoe de analyse van de ontheffingsregeling uitpakt. Ik ben blij dat de minister het Pieterpad centraal stelt. Dat betekent in mijn woonplaats Sittard, waar het Pieterpad doorloopt, een extra bron van inkomsten. Ik ben blij dat de minister de innovatie niet goed genoeg vindt. Zij zegt dat wij weliswaar tevreden zijn met wat wij hebben, maar dat wij niet toekomstbestendig zijn. Ik vind dat een hele goede, ware uitspraak. Ik heb vele oproepen aan de branche gehoord. De branche moet nu met voorstellen komen over de regeldruk, zodat wij er als Kamer op kunnen toezien dat dit ook door het kabinet wordt aangepakt. Ik had om een jaarlijkse «staat van recreatie» gevraagd, maar ik ben gevoelig voor de extra regeldrukte die dat met zich meebrengt. Het lijkt mij een alleszins redelijke oplossing om het één keer per drie jaar te doen. Ik sluit af met te zeggen dat ik blij ben met de toezegging dat wij voor het zomerreces de uitkomsten van de dialoog en de voornemens van het kabinet krijgen.

De heer Aptroot (VVD): De uitnodiging om een dagdeel – een uurtje of een half uurtje mag ook – te kijken naar een fiets-, wandel of kerkpad neem ik graag aan. Hierbij wil ik wel overleg over de afstand en het tempo, want de minister is op dat terrein beter getraind. Van de Groene Maand had ik nog nooit gehoord. Het allerbelangrijkste vind ik dat wij de toezegging hebben dat de opmerkingen en kritiekpunten in versie twee van de Toerismebrief worden verwerkt. Als wij die eind dit jaar krijgen, dan kunnen wij er begin volgend jaar over praten en goed met elkaar op koers zitten.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik kom nog terug op mijn punt over het tekort aan hotelkamers in Amsterdam. Het risico bestaat dat het toerisme te veel wordt benaderd als geïsoleerde sector. Wat is de visie van de staatssecretaris? Moet de binnenstad volgegooid worden met hotelkamers omdat dat het meest oplevert? Of zegt u – en dat heeft mijn voorkeur – dat u een mix wilt van wonen en recreëren? De minister zegt dat zij nog volop in dialoog is met de sector. Dat verklaart misschien ook het feit dat ik concrete zaken node mis. Ik denk dan aan aantallen projecten, aantallen aanvragen van innovatievouchers, aantallen toeristen enzovoort. Ik zie uitsluitend die vier cijfertjes die gaan over toerisme uit India en China. Ik wil graag meer getallen en doelen. Laten wij ervoor zorgen dat de nieuwe brief er ruim voor het zomerreces is, zodat wij de mogelijkheid hebben om erover te spreken. Ik had nog iets gevraagd over de problemen die ontstaan als campings worden overgenomen door projectontwikkelaars of investeerders, waardoor mensen moeten verkassen Ik krijg daar regelmatig e-mail over. Kan dat verbeterd worden in de regelgeving?

Staatssecretaris Heemskerk: Ik dank de Kamer voor de opmerkingen in tweede termijn. Als mevrouw Gesthuizen mij een voorbeeld van het probleem dat zij zojuist noemde kan sturen, dan zoeken wij dat uit. Het is nu te abstract om op te kunnen reageren, maar er zouden geen kampeerders op campings weggepest of hun voorzieningen opgekocht moeten worden. De hotelbouw in Amsterdam is een zaak van provincie en gemeente. Het kabinet zet zich echter in voor een goede mix van recreëren, wonen en werken. De binnenstad van Amsterdam moet geen openluchtmuseum worden, er moet juist kleinschalige bedrijvigheid zijn. Over de wijkeconomie en de aanpak daarvan spreken wij over twee weken.

Ik probeer een hoofdpunt zo goed mogelijk neer te zetten en dat is de verhouding tussen landelijk en regionaal. Wij komen met de «staat van de recreatie» en de minister van LNV zal aangeven wanneer dat precies klaar is. De regionale component maakt daar een onderdeel van uit in de vorm van de regionale beeldverhalen en de Product-Markt-Combinaties. Ik vind dat het kabinet niet moet kiezen tussen Friesland en Limburg. Dat is een strijd om de binnenlandse toerist waar ik niet tussen wil staan. Bovendien is lokaal campagne voeren veel beter. Wij doen het generieke beleid voor het toerisme. Wij zorgen ervoor dat er zo veel mogelijk buitenlandse toeristen naar Nederland komen. Daarvoor zorgt het NBTC met zijn targets, waarvan ik toezeg dat zij rond het vaststellen van de begroting aan u toegestuurd worden. De toeristen moeten niet alleen naar Amsterdam, maar zij moeten ook daarbuiten een groene neus halen. Het generieke beleid is een landelijke campagne voor «Lekker weg in eigen Land», dat het Rijk voor een groot deel betaalt. Of dat dan Limburg, Groningen of de Veluwe is, daar moeten de regio’s zelf om strijden. Het generieke beleid is ook het innovatiebeleid en «Pieken in de Delta». Provincies en regio’s maken ook hier hun eigen keuze. In Zeeland heeft men «Pieken in de Delta»-geld ingezet voor toeristische doelen. Dat is de verhouding tussen Rijk en regio. Ons zijn al die provincies en regio’s even dierbaar.

Minister Verburg: Hartelijk dank voor de inbreng in de tweede termijn. Mevrouw Smeets zegt terecht dat de sector aan bod is. Kom met voorbeelden van de regeldruk, zodat wij veranderingen kunnen realiseren in het belang van ons allemaal. Volgend jaar voor het zomerreces proberen wij u de uitkomsten van de strategische dialoog en de kabinetsreactie te doen toekomen, zodat de Kamer deze nog kan behandelen en punten kunnen worden meegenomen bij het opstellen van de begroting. Dat zeg ik u graag toe.

Ik hoop dat de heer Aptroot namens de hele commissie heeft gesproken toen hij de uitnodiging aannam. Wij proberen er wat moois van te maken en de recreatiemogelijkheden in Nederland uit te lichten.

Wij sturen alsnog per omgaande een programma toe van de Groene Maand. Ik kijk met staatssecretaris Heemskerk hoe wij dit soort initiatieven meer onder de aandacht kunnen brengen. Als het u is ontgaan, is het risico groot dat het nog een aantal Nederlanders is ontgaan. Hoe breder bekend, hoe beter het is.

Mevrouw Gesthuizen mist concrete projecten, getallen en doelen. Ik weet niet of het focussen op concrete aantallen vouchers en getallen de meest effectieve succesmeter is. Het zijn instrumenten in het kader van de innovatietafels en de inzet van het innovatienetwerk van LNV. Er loopt een aantal pilots en projecten die ondersteunend zijn en kunnen bijdragen aan een toekomstgerichte uitkomst van de strategische dialoog. Ik weet echter niet of het een doel moet zijn om zo veel mogelijk pilots en projecten te hebben. Het beleid van de overheid moet erop gericht zijn om toerisme en recreatie mogelijk te maken door randvoorwaarden te scheppen en te stimuleren. Een focus op alleen getallen en aantallen wil ik vermijden.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Het gaat mij inderdaad niet om het focussen op de kengetallen maar dit is iets wat wij in het voorjaar hebben besproken met de minister en staatssecretaris van Economische Zaken. Wij missen nogal eens kengetallen en doelen en dat maakt het voor ons – maar volgens mij ook voor u – lastig om te evalueren wat het beleid oplevert. Soms moet een bewindspersoon zeggen wat over een aantal jaar het doel moet zijn en constateren dat het niet binnen de kabinetsperiode bereikt wordt. Ook als het niet haalbaar is, kunnen wij daarvan leren.

Staatssecretaris Heemskerk: U refereert aan de EZ-begroting. Ik heb cijfers toegezegd over de targets en budgetten van het NBTC. Er zullen ongetwijfeld vragen gesteld worden over de groei, de doelstelling en de verdeling van de innovatievouchers. Wij zullen de elementen rondom toerisme duidelijk toelichten, zodat die wellicht in het debat nog aan de orde kunnen komen. Het is het doel om duidelijkheid te creëren en de betrokkenheid te benadrukken.

Toezeggingen van de staatssecretaris

– Eerste signalen vliegtaks worden meegenomen in een vervolgbrief.

– EZ zal zich inzetten voor de Gay Games.

– Het wetsvoorstel over de koopzondagen komt eraan en maakt duidelijk welke mogelijkheden het lokaal bestuur heeft voor maatwerk.

– Specifieke problemen die de Kamer aanbrengt over campings met grootschaligheid worden bekeken.

– De targets van NBTC worden rond begrotingstijd schriftelijk toegezonden.

Toezeggingen van de minister

– Op de Grüne Woche zal Nederland met een goede promotie van landbouw en recreatiemogelijkheden komen.

– Het programma van de Groene Maand wordt per omgaande aan de Kamer gestuurd.

– De toezeggingen van de staatssecretaris en de uitkomsten van de strategische dialoog inclusief de reacties van het kabinet worden gecombineerd in een vervolgbrief die voor het zomerreces van 2009 aan de Kamer wordt gestuurd.

– De Friese meren en de watersport in brede zin worden nadrukkelijk meegenomen in de Product-Markt-Combinaties van het NBTC en het regionaal beeldverhaal.

De voorzitter: Hiermee is het algemeen overleg beëindigd. Ik dank u voor uw bijdrage.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tichelaar

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Schreijer-Pierik

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Franke


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Tichelaar (PvdA), voorzitter, Hessels (CDA), ondervoorzitter, Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Samsom (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gesthuizen (SP) en Ouwehand (PvdD), Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Jan Jacob van Dijk (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Blom (PvdA), De Rouwe (CDA), Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Boelhouwer (PvdA), Kalma (PvdA), Weekers (VVD), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Cramer (ChristenUnie), Atsma (CDA), De Krom (VVD), Madlener (PVV), Van Dam (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Heerts (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Vendrik (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Poppe (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), ondervoorzitter, Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), voorzitter, Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Haverkamp (CDA), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Neppérus (VVD), Van Leeuwen (SP), Jansen (SP), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ouwehand (PvdD), Bilder (CDA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Polderman (SP), Remkes (VVD), Jacobi (PvdA), Hessels (CDA), Koppejan (CDA), Ormel (CDA), Koşer Kaya (D66), Leijten (SP), Schreijer-Pierik (CDA), Kamp (VVD), Timmer (PvdA), Waalkens (PvdA), Vos (PvdA), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Gerkens (SP), Van Beek (VVD), Schermers (CDA), Besselink (PvdA), Agema (PVV), Thieme (PvdD), Vietsch (CDA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).