Kamerstuk 23490-563

Verslag van een algemeen overleg

Ontwerpbesluiten Unie-Verdrag

Gepubliceerd: 10 juli 2009
Indiener(s):
Onderwerpen: europese zaken internationaal
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23490-563.html
ID: 23490-563

23 490
Ontwerpbesluiten Unie-Verdrag

nr. 563
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 7 juli 2009

De vaste commissie voor Justitie1, de vaste commissie voor Europese Zaken2 en de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties3 hebben op 3 juni 2009 overleg gevoerd met minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 20 mei 2009 over de geannoteerde agenda JBZ-Raad van 4 en 5 juni 2009 (23 490, nr. 556) en de brief van de minister van Justitie d.d. 2 juni 2009 over de aangevulde geannoteerde agenda JBZ-Raad van 4 en 5 juni 2009 (23 490, nr. 558);

– de brief van de minister van Justitie d.d. 17 april 2009 met het verslag van de JBZ-Raad van 6 april 2009 (23 490, nr. 554);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 23 december 2008 over de fiche: Beschikking inzake een netwerk voor waarschuwing en informatie kritieke infrastructuur (CIWIN) (22 112, nr. 759);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 15 april 2009 over de fiche: Verordening inzake controle Schengenacquis (22 112, nr. 847);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 15 april 2009 over de fiche: Verordening inzake Schengenuitvoeringsovereenkomst (22 112, nr. 846);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 7 mei 2009 over de fiche: Kaderbesluit inzake voorkoming en bestrijding van mensenhandel (22 112, nr. 859);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 7 mei 2009 over de fiche: Kaderbesluit inzake bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen (22 112, nr. 860).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Leerdam

De griffier van de commissie voor Justitie,

Nava

Voorzitter: Kuiken

Griffier: Nava

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten Teeven, Van Velzen, Heemelaar, Van Vroonhoven-Kok en Kuiken,

en minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en staatssecretaris Albayrak van Justitie, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

De voorzitter: Welkom. De minister van Justitie laat zich verontschuldigen.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Om te kunnen beoordelen hoe de verhoudingen liggen tussen de problemen met asiel op Europees niveau en de Nederlandse problemen daarmee, heb ik de cijfers er nog eens op nageslagen. Per hoofd van de bevolking heeft Nederland te maken met twee keer meer asielaanvragen dan gemiddeld in Europa. Bovendien leidt in Nederland 52% van de aanvragen tot een statusverlening. In België ligt dit percentage op 23 en in Frankrijk op 16. Als wij vinden dat asiel een Europees probleem is, moeten wij die problemen niet naar ons toehalen.

De staatssecretaris heeft op 13 mei gezegd dat zij nooit meer situaties wil zien die vergelijkbaar zijn met die van de tentenkampen in Ermelo in 1999. Toen moesten mensen in die tentenkampen worden opgevangen omdat er geen betere opvangcapaciteit beschikbaar was. Zij zei in mei dat zij er alle vertrouwen in had dat het zou gaan lukken om deze situaties te voorkomen. Kort daarna kwam zij met de mededeling dat zij acht gevangenissen moest sluiten. Kort daarna constateerden wij dat er toch asielzoekers in tenten moesten worden opgevangen. Dit gebeurde allemaal binnen ongeveer veertien dagen en levert een armoedig beeld op. Hoe wil de staatssecretaris in Europa uitleggen dat Nederland geen criminelen opsluit in gevangenissen omdat zij er niet meer zijn, maar dat Nederland blijkbaar wel twee keer meer asielzoekers heeft en men niet van tevoren heeft bedacht dat met een beetje verbouwing en aanpassing deze mensen wellicht in gebouwen in plaats van «paviljoens» kunnen worden gehuisvest? De staatssecretaris wil de paviljoens in Gilze en Rijen geen tenten noemen. Lang en kort geleden heb ik gekampeerd. Iets wat van zeil en stokken is gemaakt, is volgens mij een tent en moet je gewoon zo noemen. Het is raar dat de staatssecretaris dit op 13 mei tijdens het algemeen overleg al wist, maar dat de Kamer toen niet heeft gemeld, en dat wij daarna hiermee ineens werden geconfronteerd. De heer De Krom heeft hiervoor gisteren al aandacht gevraagd. Ik kan mij voorstellen dat een aantal Europese collega’s van de staatssecretaris haar hierover vragen zullen stellen. Hoe is het mogelijk dat het binnen een jaar in Nederland zo vreselijk uit de hand loopt?

Punt A2a en A2f van de geannoteerde agenda gaan over persoonsbeveiligers. Het is goed dat wij proberen om op dit punt zo veel mogelijk met andere landen samen te werken. Het lijkt mij verstandig om een definitie op te stellen van de personen die binnen Europa bescherming krijgen. In Nederland wordt wat eerder bescherming geboden dan in andere lidstaten. Is er sprake van afstemming binnen Europa? Als dat niet het geval is, wat is dan de inzet van de minister? Wil zij tot afstemming komen?

Punt B6 gaat over het Schengen Informatiesysteem (SIS). Over de voortgang van dit systeem is al veelvuldig gesproken naar aanleiding van de JBZ-Raad. Tijdens de komende Raad moet volgens planning een beslissing worden genomen over de voortgang van het systeem. Wordt deze beslissing tijdens de komende bijeenkomst genomen en, zo niet, wanneer dan wel? Op grond van welke criteria is de minister van Binnenlandse Zaken voornemens om te kiezen voor het ene of het andere systeem? Als de beslissing daarover niet tijdens de komende bijeenkomst valt, wil de minister de Kamer hierover dan een brief sturen?

Punt B4 gaat over de bestrijding van extremistische activiteiten. Tsjechië heeft al eerder aandacht gevraagd voor de verbetering van de samenwerking bij de bestrijding van rechts-extremisme. Dat is een goede zaak die de VVD-fractie steunt. Het is begrijpelijk dat hiervoor aandacht wordt gevraagd in een Oost-Europees land waar het rechts-extremisme toeneemt. Vraagt de minister van Binnenlandse Zaken ook aandacht voor bijvoorbeeld dierenrechtenextremisme en links-extremisme? Alle extremisme is in principe niet goed. De samenwerking in Europa moet zich op de bestrijding van alle vormen daarvan richten.

De VVD-fractie maakt zich wat ongerust over wat onder punt B10 beschreven staat over het gemeenschappelijk referentiekader voor het Europees contractenrecht. Volgens ons is het een goede zaak om de beginselen van contractvrijheid, contractuele zekerheid en goede trouw op te nemen in de Europese regels. Het zal daarbij gaan om modelregels met een algemeen karakter. Ik wil echter via de staatssecretaris van Justitie aan de minister van Justitie vragen of het over-en-weercriterium dat voor het contractenrecht geldt, ook kan worden opgenomen. Wat gaat er precies gebeuren als sprake zou zijn van wanprestatie? Gaat het verder enkel om grensoverschrijdende gevallen, of ook om gevallen binnen de lidstaten zelf? Als het laatste het geval is, kan dit op termijn – op dit moment is het kader nog niet bindend – leiden tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek. Wat is het standpunt van de regering op dit punt?

In de stukken wordt ook geschreven over het Europese e-Justice-Portaal en grensoverschrijdende videoconferenties. Mijn fractie wil die ontwikkeling graag bevorderen. Ik begrijp echter dat het project rond videoconferenties bijzonder langzaam vordert. Waar ligt dat aan? Wat is de inzet van de regering om dit te versnellen?

Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. De staatssecretaris van Justitie is teruggekeerd van een werkbezoek aan Griekenland. Tijdens een vorig overleg hebben wij het redelijk uitgebreid gehad over de slechte toestanden bij de opvang van asielzoekers in Griekenland en het ontbreken van goede asielprocedures in dat land. De Kamer heeft hierover keer op keer haar bezorgdheid geuit. Ik was daarom zeer verbaasd om in de krant te moeten lezen dat de staatssecretaris de deuren opengooit en de komende tijd 1100 asielzoekers naar Griekenland wenst uit te zetten. Ik had verwacht dat zij daarover eerst met de Kamer zou spreken. Ik hoor graag of de berichten in de krant kloppen.

De situatie in Griekenland is onverminderd slecht. Het is nauwelijks mogelijk om asiel aan te vragen en er zijn plannen om de mogelijkheid voor hoger beroep in asielzaken af te schaffen. Mensen die illegaal in Griekenland zijn, worden stante pede in de gevangenis gezet. Niet alleen Amnesty International, maar ook de UNHCR heeft grote bezorgdheid uitgesproken over de situatie in Griekenland. Waarom heeft de staatssecretaris dit besluit klaarblijkelijk toch genomen? Mogen wij horen wat haar bevindingen zijn over de gesprekken die zij heeft gevoerd met de Griekse regering? In een vorig algemeen overleg heb ik al gesteld dat dit volgens mij hét moment is om de Dublin-verordening tijdelijk op te schorten en deze mensen dus in Nederland te houden. Dat moet niet gezien worden als een beloning voor slecht gedrag van Griekenland; dat is nodig met het oog op de mensenrechtensituatie voor asielzoekers in dat land. Ik hoop dat de staatssecretaris mijn bezorgdheid weg kan nemen door te stellen dat zij gebruik gaat maken van de mogelijkheid om de Dublin-verordening tijdelijk op te schorten. Uiteraard moeten wij Griekenland helpen. Daar kan men immers klaarblijkelijk de stroom asielzoekers niet aan. Ik roep de staatssecretaris dus op om geen mensen terug te sturen naar Griekenland, maar om dat land te helpen de boel op orde te brengen. Pas als de zaken daar serieus zijn verbeterd, moeten wij mensen terugsturen op basis van de Dublin-verordening. Bij de verbeteringen kan Nederland zeker iets betekenen.

Van VluchtenlingenWerk Nederland heb ik vernomen dat een aantal lidstaten op de rem trapt bij het proces rond de nieuwe voorstellen voor het Europese asielbeleid. Heeft de staatssecretaris dit ook vernomen? Hoe gaat Nederland daarmee om?

Terwijl er minder asielaanvragen in Nederland zijn gedaan dan werd verwacht, blijkt er plotseling toch een gebrek aan opvangcapaciteit te zijn. Daarover ben ik erg verbaasd. De oorzaak daarvan kan niet alleen de opschorting in Tienray zijn, een klein dorpje dat plotseling enorm veel asielzoekers zou moeten gaan herbergen. Het lijkt mij dat op deze manier het draagvlak wordt verstoord. Ik vraag de staatssecretaris om op te houden met het taalspelletje over werken met tenten, paviljoens, pagodes of paleizen. Er is in Gilze en Rijen sprake van een soort noodopvang, en dat is niet de manier waarop wij de opvang willen regelen. Deze noodopvang moet van korte duur zijn. Als het hierbij gaat om paleizen, laten wij dan de ambtenaren van het ministerie van Justitie daarin huisvesten, en de asielzoekers op het ministerie. Als wij dat doen, zal er volgens mij heel snel een oplossing gevonden zijn voor het gebrek aan capaciteit.

De heer Teeven (VVD): Ik hoor mevrouw Van Velzen zeggen dat er geen stijging is van het aantal asielaanvragen. Ik heb de cijfers erbij gepakt. Mevrouw Van Velzen zal ongetwijfeld weten dat er in 2007 7102 eerste aanvragen in Nederland zijn gedaan. In 2008 waren dat er 13 399. Het gaat dus bijna om een verdubbeling. In de rest van de EU was de stijging in die periode 6%. Er is dus sprake van een explosieve stijging in Nederland. Hoe kan mevrouw Van Velzen zeggen dat er geen sprake is van een stijging van het aantal asielaanvragen?

Mevrouw Van Velzen (SP): Dat is niet wat ik zei.

De heer Teeven (VVD): Ik hoorde u toch echt zeggen dat het aantal asielaanvragen niet is gestegen.

Mevrouw Van Velzen (SP): Ik zie dat u thee drinkt. Ik drink koffie. Wellicht moet u mijn koffie drinken en ik uw thee. Ik heb gezegd dat men had verwacht dat er meer asielaanvragen zouden worden gedaan dan er in werkelijkheid zijn gedaan. Men had 16 000 asielaanvragen verwacht en er zijn in werkelijkheid zo’n 13 400 aanvragen gedaan. Er is dus sprake van minder aanvragen dan werd verwacht. Daarmee wil ik niet zeggen dat er geen sprake was van een stijging van het aantal asielaanvragen. Er was absoluut sprake van een stijging; de heer Teeven leest de getallen correct voor. Men verwachtte echter dat er 16 000 mensen uit potentiële conflictgebieden in Nederland zouden aankoppen, mensen die rust nodig hebben en de asielprocedure in moeten. Als men zich daarop voldoende had voorbereid, was er een overschot aan opvangcapaciteit geweest in plaats van een tekort. Er lijkt mij op dit punt sprake te zijn van wanbeheer op het ministerie.

De heer Teeven (VVD): Is het voor de SP-fractie aanvaardbaar om de gevangenissen die moeten worden gesloten omdat er tot 2012 geen behoefte aan is, wat te verbouwen om er tijdelijk, wellicht de komende anderhalf jaar, asielzoekers in te kunnen huisvesten?

Mevrouw Van Velzen (SP): Het debat daarover hebben wij twee weken geleden gevoerd. Toen heb ik gesteld dat het voor de SP-fractie in orde is om dat te bezien. Wij moeten vluchtelingen niet in kale cellen opsluiten. Er zijn ook zogenaamde Zeer Beperkt Beveiligde Inrichtingen (ZBBI’s) Ik zou deze ZBBI’s het liefst beschikbaar houden voor gedetineerden, omdat deze inrichtingen mijns inziens een belangrijke rol spelen bij het voorkomen van recidive. Als de meerderheid van de Kamer echter vindt dat deze inrichtingen kunnen worden gesloten, kunnen zij volgens mij met relatief weinig middelen worden aangepast voor de opvang van asielzoekers. Ook daarvoor is echter tijd nodig. De staatssecretaris is nu pas begonnen met het denken over de mogelijkheid om daarin asielzoekers op te vangen. Dat is gewoon te laat. Men heeft geen vooruitziende blik gehad. Dat vind ik kwalijk.

Wij hebben tijdens eerdere overleggen al gesproken over het Europees Asiel Ondersteuningsbureau (EASO). Hierover zullen waarschijnlijk beslissingen worden genomen. Mijn fractie vindt het goed dat er zo’n bureau komt om het asielbeleid te coördineren. Het bureau mag echter niet de facto beslissingen op Europees niveau gaan nemen. Als het bureau landenberichten gaat opstellen, zal het dan niet de facto ook beslissingen nemen over de vraag welke landen veilig genoeg zijn om asielzoekers naar te laten terugkeren? Op die manier zal het Nederlandse beleid en de vraag hoe Nederland omgaat met asielzoekers de facto worden bepaald door een weinig transparant Europees bureau. Op die manier houden wij te weinig invloed op de besluitvorming.

Heeft de staatssecretaris al contact gehad met de Italiaanse regering over het terugzenden van vluchtelingen? Dat land zendt kinderen en zwangere vrouwen terug naar Libië. Dat is volgens mij in strijd met alle afspraken die wij hebben gemaakt.

Punt B10 gaat over het Europees burgerlijk wetboek. Dit wordt heel eufemistisch het Gemeenschappelijk Referentiekader voor het Europees Contractenrecht genoemd. In de stukken wordt de indruk gewekt dat het hierbij gaat om een soort wetenschappelijk onderzoek, waarbij de mogelijkheden worden verkend die er in theorie zijn. Bij de behandeling van de richtlijn over consumentenrechten wordt het resultaat van het zogenaamde wetenschappelijke onderzoek beschouwd als een stevig advies. Er is daarbij sprake van maximumnormen. Mijn angst dat dit gemeenschappelijk referentiekader uiteindelijk gewoon een Europees burgerlijk wetboek wordt, wordt daarmee bevestigd. In hoeverre is dit referentiekader een inspiratiebron en in hoeverre een fundament voor een Europees burgerlijk wetboek? Mijn fractie heeft geen behoefte aan harmonisatie van het contractenrecht, en zeker niet aan maximumnormen daarbij. Een aanbeveling kan geen kwaad, maar bij maximumnormen moet Nederland de vrijheid behouden. Bij grensoverschrijdende activiteiten kan dit aan de orde zijn, maar wat in Nederland plaatsvindt, hoeft niet naar Europa toe.

Punt B2 gaat over de gecombineerde verblijfs- en werkvergunning. Men stelt dat Nederland op dit punt eigenlijk niets hoeft te veranderen, omdat wij al werken met een arbeidsmarkttoets. Weet de staatssecretaris zeker dat Nederland de volgens mij goede huidige praktijk gewoon kan handhaven, ook als dit voorstel wordt aangenomen? Kan zij dat garanderen?

Punt B6 gaat over het SIS. De update SIS II komt maar niet. Wat is hierbij aan de hand? Wat is de planning? Hoe hoog zijn de kosten inmiddels? Is een budget vastgesteld? Dit duurt maar voort.

De EU zoekt naar een soort mandaat om overeenkomsten te sluiten over familierecht met derde landen (punten B8 en B9). Ik ben het eens met de opstelling van het kabinet. Wat heeft het praktisch gezien voor consequenties als Nederland zijn zin niet krijgt op dit punt, en onderhandeld wordt en overeenkomsten worden gesloten met andere landen?

De heer Heemelaar (GroenLinks): Voorzitter. Tijdens de komende JBZ-Raad zal oriënterend worden gesproken over voorstellen om nieuwe stappen te zetten die leiden naar een geharmoniseerd Europees asielbeleid. Zo’n beleid juicht de fractie van GroenLinks van harte toe, mits het bijdraagt aan asielbescherming en in overeenstemming is met de geldende mensenrechten- en vluchtelingenverdragen. Ook wij hebben het persbericht van VluchtenlingenWerk Nederland ontvangen. De vraag die mevrouw Van Velzen hierover zojuist stelde, spits ik wat toe. VluchtenlingenWerk Nederland vermoedt dat er minder draagvlak is bij een aantal lidstaten. VluchtelingenWerk schrijft aan de fracties:«Ook wij hebben vernomen dat de posities van de Raad van Ministers en het Europees Parlement dermate ver uit elkaar liggen dat de Europese Commissie mogelijk overweegt om de huidige voorstellen, die al door het Europees Parlement zijn goedgekeurd, niet aan de Raad voor te leggen.» Kan de regering op deze stelling reageren? Uiteraard wil de fractie van GroenLinks dat alles op alles wordt gezet om ervoor te zorgen dat deze voorstellen wel worden voorgelegd en zullen worden aangenomen.

Ik sluit mij van harte aan bij alles wat mevrouw Van Velzen heeft gezegd over Griekenland. Als wij kiezen voor een Europees asielbeleid dat is gebaseerd op solidariteit, kunnen wij ons niet helemaal aan de oude regels houden als er in bepaalde landen sprake is van een gigantische instroom. Wij kunnen deze 1100 mensen niet terugsturen als Griekenland systematisch niet goed omgaat met de procedures voor toelating en dat land mensen terugstuurt zonder dat zij het recht hebben om in beroep te gaan tegen besluiten. Wij horen daarop graag een reactie van de regering.

Gisteren spraken wij over de tenten. Ik heb daarover nog een nachtje geslapen en ben tot de conclusie gekomen dat «paviljoens» in dit kader een term van voorlichters is. Volgens mij gaat het gewoon om tenten. Ik vind het woord pagode ook prachtig, maar hoe lang gaat dit duren? Wij moeten gewoon snel van deze tijdelijke noodopvang af. Ook mijn fractie vindt dat asielzoekers niet in kille gevangeniscellen moeten worden opgevangen. Wel kan worden bezien of opvang in omgebouwde gevangeniscellen mogelijk is. De staatssecretaris heeft vorige week tijdens het debat daarover de voorwaarden genoemd.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): Voorzitter. Ik vervang in dit overleg mevrouw Joldersma, die zojuist heeft gehoord dat haar moeder is overleden. Daardoor heb ik zojuist de stukken in handen gedrukt gekregen en zal ik nu voor het eerst spreken over een Europese JBZ-Raad. Ik moet zeggen dat ik erg verbaasd ben dat de zaken allemaal zo netjes zijn aangeleverd. Het staat allemaal keurig onder elkaar. Dat is erg prettig als je plotseling moet invallen. Ik hoop dat men mij het niet kwalijk neemt dat ik, door omstandigheden, de spreektekst voordraag die door mevrouw Joldersma is voorbereid.

Punt A2a gaat over het EU-actieplan inzake radicalisering en rekrutering. Mijn fractie vraagt zich af waarom het blijkbaar niet is gelukt om het actieplan ook toe te snijden op bijvoorbeeld dierenrechtenextremisme. Zoals bekend, ligt dat de CDA-fractie zeer na aan het hart. Ook de andere vormen van extremisme zijn niet meegenomen in het actieplan. Zal Nederland aandringen op aandacht in de toekomst voor deradicalisering?

Bij de punten A2b, c, d en v gaat het om de samenwerking tussen bijvoorbeeld Europol, Eurojust en OCTA. Tussen deze instituten bestaat veel samenhang. In de jaarverslagen staat echter eigenlijk alleen wat er allemaal goed gaat. Over wat minder goed gaat, staat niets te lezen. Er wordt alleen gesteld dat lidstaten in verschillende mate zaken naar voren brengen en anders aanpakken. Tijdens het werkbezoek dat de commissie voor Justitie aan Eurojust heeft gebracht, kwamen deze kritische geluiden wel aan de orde. Zo werd erg duidelijk dat in het kader van het Europese dreigingsbeeld Europol en Eurojust slechts zo ver kunnen springen en in zoverre de tanden kunnen laten zien als de Europese lidstaten dat deze organisaties mogelijk maken. Als lidstaten niet zijn georganiseerd en geen gegevens aanleveren, hebben alle dure activiteiten van Europol en Eurojust erg weinig toegevoegde waarde. Hoe kunnen wij de lidstaten erop aanspreken dat zij de gegevens daadwerkelijk leveren? Dit gebeurt wel bij de ontwerpraadsconclusies voor beter gebruik van SIS en SIRENE bij de bescherming van kinderen. Zijn de jaarverslagen, en met name de conclusies die op basis van het jaarverslag van Eurojust worden getrokken, wellicht aanleiding voor de bewindspersonen om hiervoor meer aandacht te vragen? Wij vragen ons ook af of de belangrijkste aandachtspunten van Europol voor 2009 dezelfde zijn als de aandachtspunten die uit het Europese dreigingsbeeld naar voren komen.

Punt A2g en A2i gaan over de registratie van gestolen en vermiste voertuigen. Wij vinden de voorstellen prima, maar zij richten zich wel erg op een bepaald deelelement. Volgens mijn fractie kan er in de samenwerking veel meer worden gedaan om de transportcriminaliteit aan te pakken. Wij denken daarbij aan veilige parkeerplaatsen, traceercamera’s boven Europese snelwegen, maar ook aan het ongewenst vreemdeling verklaren van leden van roofbendes. Ook vinden wij dat tagging standaard moet worden toegepast. Daarbij wordt een beetje verf gesmeerd op de kwetsbare onderdelen van voertuigen om ze te kunnen herkennen. Is de regering bereid om dergelijke voorstellen in te brengen? De minister van Justitie heeft al gezegd dat hij de pluk-ze-wetgeving op Europees niveau wil inzetten. Kan de staatssecretaris op dat punt nader ingaan?

Punt A2h gaat over de verklaring over veiliger internet voor kinderen. De verklaring vindt mijn fractie prima, maar de implementatie lijkt nog een probleem te zijn.

Het is prima om in het kader van het EU-Drugsactieplan (punt A2p) indicatoren te ontwikkelen. Wat is het tijdpad voor het stappenplan om te komen tot een standaardisering van sleutelindicatoren voor de aanbodverminderings- en de handhavingsactiviteiten? In het EU-Drugsactieplan voor de komende jaren wordt niet alleen gesproken over een vermindering van het aanbod, maar vooral ook over een vermindering van de vraag. Uit het stuk wordt niet duidelijk in hoeverre de indicatoren hierbij een rol spelen. Kan de staatssecretaris dit toelichten?

Ik kom op de B-punten. Over de Europese voorstellen op het punt van asielbeleid kan de CDA-fractie kort zijn. Daarover is namelijk gesproken tijdens het algemeen overleg van 20 mei. Tijdens dat overleg heeft mijn fractie gesteld dat zij de Nederlandse kritische kanttekeningen onderschrijft, bijvoorbeeld bij de Dublin-voorstellen. Wij maken ons zorgen over de consequenties die dit kan hebben voor de instroom in Nederland. Wij gaan ervan uit dat de staatssecretaris met deze steun in de rug de Nederlandse inzet met nóg meer verve zal verdedigen. Ik zie dat zij instemmend knikt nu ik dit zeg.

Punt B3 gaat over een EU-netwerk voor nationale rapporteurs voor mensenhandel. Ook mijn fractie vindt dat de bestrijding van mensenhandel een prioriteit moet zijn van EU-beleid. Wij vragen de Nederlandse bewindslieden om dit onderwerp nadrukkelijk op de Europese agenda te houden en aan de orde te stellen in de gesprekken en onderhandelingen met derde landen. Wij vragen ons af wanneer de lidstaten een nationale rapporteur zullen hebben.

Ik kom op punt B5a, de ministeriële trojka EU-VS en de gegevensbescherming. Er wordt een road map voorbereid die moet leiden tot een trans-Atlantische overeenkomst. Welke rol gaat een en ander mogelijk spelen bij de discussie over Passenger Name Records (PNR)?

Mijn fractie vraagt zich af wat het doel is van de Euro-Arabische conferentie over, en de oprichting van een Euro-Arabisch netwerk voor juridische opleidingen. Verder zeg ik in het kader van de illegale immigratie in Mediterrane landen dat mijn fractie het Nederlandse standpunt over het door sommige lidstaten voorgestelde lastenverdelingsmechanisme steunt. Wij hebben dit al eens aan de orde gesteld in het debat over het Europees asielbeleid van 20 mei.

Voorzitter: Teeven

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de vragen die zijn gesteld over het Europese asielbeleid en SIS I en II. Ik sluit mij ook aan bij de vraag van mevrouw Van Vroonhoven over autodiefstallen en transportcriminaliteit. Moeten wij dit niet in een breder kader zien? Ik vraag mij ook af of het bestrijden van illegale motorraces (punt A2i) een punt is dat in Europees verband moet worden aangepakt. Dit is geen onderwerp waar mijn hart sneller van gaat kloppen. Ik vraag mij af of Europa zich moet richten op dit type kleine deelonderwerpen. Mijn fractie vindt een breder kader beter.

Ook punt A2j is een wat kleiner onderwerp, namelijk de radiocommunicatie tussen operationele units in grensgebieden. Wij weten dat ook communicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen Nederland al voortdurende aandacht vraagt. Ik lees in de stukken dat men van plan is om een groep deskundigen in te zetten om tot een betere communicatie te komen. Toch levert volgens mij vooral het TETRA-systeem problemen op. Wat is men op dit punt van plan? Wat gaan de deskundigen doen? Is er al zicht op de kosten die hiermee zijn gemoeid?

Welke sleutelindicatoren voor de aanbodvermindering zullen voor de implementatie van het EU-Drugsactieplan (A2p) worden vastgesteld? Als daarbij het aantal coffeeshops zal worden geturfd, zal Nederland hierbij erg hoog scoren, terwijl de uitkomst wellicht heel anders is als naar het aspect verslaving wordt gekeken. Welke sleutelindicatoren zullen hierbij een rol spelen?

Punt A2t gaat over de resultaten op het gebied van moderne technologie en veiligheid. Er wordt daarbij gesproken over een toetsingslijst. Zullen ook bestaande initiatieven zoals de Europese PNR aan deze toetsingslijst worden toegevoegd?

Een eigen laatste punt gaat over de Europese informatie-uitwisseling, met name uitwisseling over strafmaten. Vaak debatteert de Kamer over strafmaten voor bepaalde delicten in het kader van bestaande, maar ook van nieuwe wetgeving. Geregeld stellen wij daarbij aan de regering de vraag welke straffen in andere landen worden gegeven. Vaak moet dat dan worden uitgezocht en is een rechtsvergelijkend onderzoek nodig. Dat duurt vaak lang en vaak is het wetstraject al gestart voordat deze gegevens bekend zijn. Is het wellicht mogelijk om op dit punt op Europees niveau beter samen te werken en te komen tot een betere informatie-uitwisseling over strafmaten? Te denken valt aan een systeem waarin betrekkelijk eenvoudig kan worden nagezocht welke maximum- en minimumstraffen voor een bepaald delict in de verscheidene Europese landen worden gehanteerd. Van minimumstraffen zijn wij uiteraard geen voorstander, maar wellicht komen die in andere Europese landen wel voor. Volgens mijn fractie kan zo’n systeem bijdragen aan een goede discussie over onze wetgeving en strafmaat. Bestaat er al zo’n systeem? Als dat niet het geval is, kan de minister dit dan in Europees verband aan de orde stellen?

Voorzitter: Kuiken

Minister Ter Horst: Voorzitter. Men stelt vaak, ook in deze verkiezingstijd, dat zaken die Europa betreffen technisch en ver weg zijn. Uit de agenda van de Europese Raad die nu voorligt, blijkt het tegenovergestelde. Het gaat daarin over zaken als radicalisering en rekrutering, georganiseerde criminaliteit, bescherming van kinderen en van prominenten, een nieuwe benadering van veiliger internet voor kinderen, motorraces, radiocommunicatie voor politiekorpsen enzovoorts. Als wij op deze manier Europa weten te presenteren, snappen mijns inziens veel meer mensen waar Europa voor is.

Over SIS II is lang gesproken en er is voldoende tijd genomen om uit te zoeken hoe dit systeem als de opvolger van SIS I het beste zou kunnen functioneren. Hierover wordt morgen inderdaad een beslissing genomen. Er zijn in de afgelopen tijd twee systemen ontwikkeld, waarvan SIS II er één is. Uit het rapport waarin deze twee systemen met elkaar worden vergeleken, blijkt dat beide systemen technisch haalbaar zijn. Kiezen voor het alternatief voor SIS II kost echter meer geld en kan minder snel worden ingevoerd dan SIS II. Daarom verwacht ik dat zal worden besloten tot de uitvoering van SIS II. De kosten voor de ontwikkeling van het systeem bedragen nu zo’n 28 mln. Die kosten worden gedragen door de Commissie. De vertraging kost Nederland 6,9 mln. Deze kosten worden betaald door de lidstaten. Als het systeem niet wordt opgeleverd in het vierde kwartaal van 2011 bedragen de kosten van verdere uitloop voor Nederland zo’n € 135 000 per maand. Dit komt allemaal ten laste van de begroting van BZK. Men zal dus begrijpen dat er veel druk zal zijn om het systeem zo snel mogelijk in te voeren nadat er een besluit over is genomen.

De heer Teeven (VVD): Is Nederland er klaar voor in het vierde kwartaal van 2011?

Minister Ter Horst: Ja, wij kunnen de aansluiting op het centrale systeem in het vierde kwartaal van 2011 realiseren. Bij automatiseringsprojecten moet je echter nooit zeggen dat het binnen de gestelde termijnen kan worden afgerond. Ik moet nog van een eerste automatiseringsproject horen dat binnen de gestelde termijnen is gerealiseerd. Wij hebben de afgelopen tijd niet stilgezeten. Er zijn vele testen gedaan rond de aansluiting van de nationale systemen op het centrale systeem. Wij gaan er daarom van uit dat het op tijd zal lukken om deze aansluiting te realiseren. Tijdens het algemeen overleg van januari heb ik al beloofd om de Kamer een brief te sturen over de keuze tussen SIS II en het alternatief nadat de komende bijeenkomst van de Raad is verstreken.

De heer Teeven heeft gevraagd op welke personen het Nederlandse voorstel over persoonsbeveiliging betrekking heeft. Wij stellen voor om de EU-afspraken voor persoonsbeveiliging uit te breiden voor non-officials, dus mensen die geen officiële overheidsfuncties vervullen. Wij weten dat in Nederland bepaalde non-officials toch in aanmerking komen voor bescherming door het Rijk. Het gaat daarbij om uitzonderlijke situaties, waarbij sprake is van een hoge graad van dreiging in combinatie met bekendheid van deze personen. De voorbeelden zijn ons allemaal bekend. Te denken valt aan controversiële columnisten, filmmakers, kunstenaars, cartoonisten enzovoorts. Hierover zal tijdens de komende bijeenkomst van de JBZ-Raad een besluit worden genomen. Men verwacht dat het voorstel om de omschrijving te verruimen zal worden aangenomen. Het lijkt mij niet verstandig om een definitie te gaan zoeken. Zo’n definitie leidt immers tot een sluitende afperking, en dat is in dit geval eerder een nadeel dan een voordeel. Bij de beslissing of persoonsbeveiliging nodig is, moet de NCTb zich alleen op de dreigingsanalyse kunnen baseren. Die analyse is veel belangrijker dan een definitie. Een omschrijving bestaat echter wel; die heb ik zojuist gegeven.

De heer Teeven (VVD): Is men het daarover eens binnen Europa?

Minister Ter Horst: Ja, er is overeenstemming over het voorstel van Nederland om tot uitbreiding te komen. Er moet alleen nog een officieel besluit over worden genomen.

Het is bekend dat Nederland bovenop het onderwerp radicalisering en extremisme zit en ervoor heeft gezorgd dat dit onderwerp hoog op de agenda staat. Ook de Europese terrorismecoördinator heeft hiervoor grote belangstelling. Zes lidstaten zijn bereid om bij deze vorm van terrorismebestrijding het voortouw te nemen. Nederland heeft daarbij de leiding op een punt waar wij heel goed in zijn, namelijk de brede lokale aanpak. In veel landen bestaat de neiging om polarisatie en radicalisering vanuit een centraal orgaan aan te pakken. Wij denken te weten dat dit niet goed werkt. Volgens ons moet je dit aanpakken vanuit de haarvaten van de samenleving. Nederland kan dat erg goed.

Het is niet zo dat er sprake is van alleen belangstelling voor rechts-extremisme. Oostenrijk heeft grote deskundigheid op het punt van bestrijding van rechts-extremisme. De oorzaak daarvan is ons allemaal bekend. Van die deskundigheid maakt Nederland gebruik. In de aanloop naar een vorige JBZ-Raad is een informeel diner georganiseerd waarbij dit onderwerp werd besproken. Het Verenigd Koninkrijk had daartoe het initiatief genomen. Niet alleen rechts-extremisme, maar ook links-extremisme en dierenrechtenextremisme kwamen toen aan de orde. De heer Teeven hoeft zich er dus geen zorgen over te maken dat een van deze onderwerpen buiten de boot valt. De vraag of door alle landen op dezelfde manier wordt gedacht over bijvoorbeeld dierenrechtenextremisme, is uiteraard interessant. Juist om over zulke zaken van gedachten te wisselen, komen wij in de Europese Raad bijeen. In het gewijzigd EU-actieplan inzake radicalisering en rekrutering (punt A2a) zijn alle onderwerpen die hier nu naar voren zijn gebracht, aan de orde.

Mevrouw Van Vroonhoven heeft gevraagd hoe lidstaten kunnen worden aangespoord om een bijdrage te leveren aan het vullen van het Europol-systeem. De formulering«kunnen worden aangespoord» is juist. De belangrijkste overweging voor lidstaten om hieraan mee te doen, is het eigen voordeel. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat er een systeem komt waarvoor landen niet alleen input moeten leveren, maar waaraan zij ook veel hebben. Het kan volgens ons zeer stimulerend werken om informatie te koppelen aan concrete zaken, zodat landen zien wat het voordeel is. Het is ook belangrijk om de resultaten van het systeem uit te dragen naar de lidstaten. Bovendien is het belangrijk om capaciteit vrij te maken om het systeem te vullen. Het is in Europa vaak voorgekomen dat belangrijke beslissingen worden genomen, waarna blijkt dat er nog veel belemmeringen zijn, met name in de automatiseringssystemen, die een goede uitvoering van de mooie besluiten nog jaren in de weg staan. Ik denk aan de besluiten rond autodiefstallen. Daarom hebben wij gezegd dat wij ervoor moeten zorgen dat wetgeving in Europa altijd parallel loopt aan de ontwikkeling van automatiseringssystemen waarmee de uitvoering van mooie wetten mogelijk wordt gemaakt.

Mevrouw Van Vroonhoven heeft gevraagd naar de follow-up van de resultaten van de informele bijeenkomst van de JBZ-Raad van 15 en 16 januari jl. op het gebied van moderne technologie en veiligheid. Dit is een zeer relevante vraag. Tijdens de informele bijeenkomst hebben wij criteria geformuleerd voor de uitwisseling van informatie. Op welke gronden wisselen wij wel informatie uit en op welke gronden niet? Het PNR-systeem voldoet nog niet aan deze criteria, omdat de criteria nog maar net zijn vastgesteld. De volgende stap is echter om PNR-systemen, maar ook andere systemen waarvoor uitwisseling van informatie nodig is, te laten voldoen aan de criteria die tijdens de genoemde informele JBZ-Raad zijn vastgesteld. Vanaf het moment dat de criteria zijn vastgesteld, zullen informatiesystemen aan deze criteria voldoen.

Al vanaf 2004 is Europa actief op het terrein van voertuigcriminaliteit. Nederland heeft vorig jaar voorgesteld om microdotting op voertuigen in de EU in te voeren. Ik hoop niet dat mij op dit moment wordt gevraagd wat dat precies is. Nationale verkeerspolities uit de verschillende landen werken samen op Europese transportroutes. Bovendien is er een netwerk van contrapunten voertuigcriminaliteit. Er bestaan dus verscheidene initiatieven die ertoe moeten leiden dat voertuigcriminaliteit wordt bestreden. Met voertuigcriminaliteit bedoel ik in dit verband het stelen van voertuigen en het over de grens vervoeren ervan. Binnen de EU worden afspraken gemaakt die het gemakkelijker maken om deze gestolen voertuigen op te sporen.

Motorraces zijn geen hoofdpunt van beleid, maar ik stel mij voor dat ook mevrouw Kuiken het belangrijk vindt om te weten dat in het Duits gesproken wordt over de Bekämpfung von illegalen Kraftfahrzeugrennen. Illegale autoraces en andere races worden bestreden om de verkeersveiligheid te verhogen. Europese transportcontroles en handhaving kunnen hiermee worden versterkt. Dit is inderdaad geen hoofdpunt van beleid, maar ik vind het een goede ontwikkeling dat de Europese samenwerking zich niet alleen beperkt tot het ontwerpen van wet- en regelgeving voor Europa, maar dat die samenwerking ook wordt gebruikt voor het oplossen van een aantal grensoverschrijdende problemen. Ook mensen in grensregio’s moeten kunnen zien dat Europa leidt tot oplossing van bepaalde problemen. Het bestrijden van illegale motorraces is een aardig voorbeeld van een grensoverschrijdend probleem waarbij Europa een belangrijke rol kan spelen bij de oplossing ervan.

De heer Teeven (VVD): Na dit warme pleidooi van de minister van Binnenlandse Zaken voor concrete oplossingen zou je denken dat zij ook zou zorgen voor een concrete oplossing bij de bestrijding van transportcriminaliteit. Als een lidstaat hiermee problemen heeft en die met Nederland wil oplossen, moet zo’n staat nu nog bij 25 regionale Nederlandse korpsen om informatie bedelen. Na het pleidooi dat de minister zojuist hield, zou je denken dat zij er zo snel mogelijk voor ging zorgen dat zo’n lidstaat terecht kan bij een bovenregionaal rechercheteam. Er moet één landelijk team voor transportcriminaliteit als aanspreekpunt komen.

Minister Ter Horst: Ik ken de neiging van de heer Teeven om alles te willen centraliseren.

De heer Teeven (VVD): De Kamer heeft hierover een motie aangenomen!

Minister Ter Horst: Een motie om alles te centraliseren?

De heer Teeven (VVD): Nee, om een landelijk team in te richten.

Minister Ter Horst: De neiging bestaat om pavloviaans te reageren op problemen en altijd te kiezen voor één officier van justitie of één centrale coördinator. Voor voertuigcriminaliteit moet je zijn bij hét bestaande landelijke korps, namelijk het KLPD. Ik ga ervan uit dat daar op dit terrein deskundigheid aanwezig is. Toch is de landelijke lijn niet altijd de beste. Bij grensoverschrijdende problematiek speelt vaak een grenskorps een heel belangrijke rol in de contacten met bijvoorbeeld Duitsland. Een centrale oplossing is niet altijd de beste.

In Nederland worden auto’s voornamelijk in de grensregio’s gestolen. Daarom moeten wij goede afspraken maken met de Duitse collega’s. Soms is daarnaast centralisatie nodig. Wat wil de heer Teeven nog meer?

De heer Teeven (VVD): Ik heb van de minister een fantastisch antwoord gekregen op een vraag die ik niet heb gesteld. Het antwoord ging over voertuigcriminaliteit, maar mijn vraag ging over transportcriminaliteit. Daar loopt de minister prachtig omheen. Dat doet zij al anderhalf jaar. Wat gaan wij doen om de transportcriminaliteit te bestrijden?

Minister Ter Horst: Legt u mij dan eerst eens precies uit wat u bedoelt met transportcriminaliteit. Doelt u op het stelen van goederen?

De heer Teeven (VVD): In het dreigingbeeld en het plan van aanpak van uw eigen ministerie staat dit als dreiging nummer 14 genoemd. Als ik u vandaag moet uitleggen wat transportcriminaliteit is, word ik daarvan wat verdrietig. Ik doel dus op diefstallen uit vrachtwagens, het opensnijden van zeilen, de gestructureerde roof van vrachtwagens en bedreiging van chauffeurs. Ik leg het u maar even uit.

Minister Ter Horst: Misschien moet ik de heer Teeven uitleggen dat voor de bestrijding van deze criminaliteit niet de minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is, maar de minister van Justitie.

De heer Teeven (VVD): Misschien moet ik u dan uitleggen dat juist de minister van Binnenlandse Zaken steeds bezwaren opwerpt als de minister van Justitie wil komen tot een landelijke aanpak.

Minister Ter Horst: Dat kan niet het geval zijn. Want in de eerste plaats lig ik nooit dwars bij interessante voorstellen van de minister van Justitie. In de tweede plaats ligt het gezag over de KLPD bij de minister van Justitie. Dat hoef ik de heer Teeven niet uit te leggen.

De voorzitter: Ik vraag de minister om een antwoord te geven op de vraag die werd gesteld, namelijk hoe te komen tot één centraal aanspreekpunt voor transportcriminaliteit.

Minister Ter Horst: Alle zaken waarvoor centrale coördinatie nodig is, lopen via het KLPD. Ik kan mij niet voorstellen dat er bij het KLPD geen deskundigheid aanwezig is op het terrein van transportcriminaliteit. Hetzelfde geldt overigens voor voertuigcriminaliteit. Als de heer Teeven beweert dat je het probleem oplost door het centraal te regelen, spreek ik hem tegen. Dat is volgens mij een illusie.

Mevrouw Kuiken heeft gesproken over de verbetering van radiocommunicatie tussen operationele units in grensgebieden. De groep deskundigen wordt ingezet om tussen het TETRA-systeem van Duitsland en Nederland en het TETRAPOL-systeem van Frankrijk en Spanje een interface te bouwen waarmee de gebruikers van de beide systemen zonder ruis op de lijn met elkaar kunnen communiceren.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. De huidige periode is een belangrijke periode voor de wording van een Europees asielsysteem. Wij staan namelijk aan de vooravond van het Zweeds voorzitterschap. Dat voorzitterschap heeft veel ambities en vele daarvan liggen heel dicht bij de Nederlandse ambities. Nederland en Zweden hebben de afgelopen twee jaar bij veel onderwerpen samen opgetrokken. Ik verwacht dan ook veel van het Zweeds voorzitterschap. Het Tsjechisch voorzitterschap was op deze punten iets minder ambitieus. Bovendien werd dat voorzitterschap gehinderd door een aantal binnenlandse politieke problemen. Daardoor werd de kleine hoeveelheid ambities op dit dossier van Tsjechië alleen maar kleiner.

De Commissie heeft echter hard doorgewerkt. Een aantal voorstellen van de Commissie is bij de Kamer bekend. Deze voorstellen vormen een onderdeel van de verdere eenwording. Nederland stelt enerzijds een stevige wetgeving voor. Het gaat daarbij om de herziening van bestaande richtlijnen en aanvullende nieuwe richtlijnen waarmee verdere verdieping kan worden gezocht. Anderzijds heeft Nederland de afgelopen twee jaar hard gewerkt aan het van onderaf dichter bij elkaar brengen van de praktijk van de EU-landen. De combinatie van enerzijds stevige minimumnormen die worden verankerd in Europese regelgeving en waarvoor heel Europa tekent, en anderzijds praktische samenwerking om ook de praktijk op orde te krijgen van landen die wat minder ervaring hebben met asiel, is de succesformule die moet leiden tot een gemeenschappelijk Europees asielsysteem in 2012. Dat is de ambitie.

Tijdens de komende bijeenkomst van de JBZ-Raad wordt niet onderhandeld over onderdelen van dit pakket. Het document dat voorligt betreft alleen de stand van zaken. Die komt erop neer dat de eerste lezing in de werkgroepen inmiddels is afgerond. Er liggen compromisvoorstellen met het oog op de verschillen tussen de lidstaten. Die verschillen zijn er altijd geweest en zullen blijven voorkomen. Over deze compromisvoorstellen wordt op dit moment verder onderhandeld. Het Europees Parlement heeft op 7 mei amendementen op de vijf voorstellen ingediend en aangenomen. Deze worden inmiddels bij de besprekingen in de Raadswerkgroepen betrokken. Dit is niet onbelangrijk, omdat het bewijst dat de democratische beïnvloedingsmogelijkheden van het Europees Parlement ook leiden tot beïnvloedingsmogelijkheden voor het Nederlandse parlement. Het is bekend dat ik een warm voorstander ben van samenwerking tussen nationale parlementen en het Europees Parlement, ook in mijn rol van verantwoordelijk bewindspersoon. Dit betekent namelijk een forse vooruitgang van de democratie in Europa.

Het is overigens niet ondenkbaar dat na de presentatie van de stand van zaken tijdens de komende bijeenkomst van de JBZ-Raad een discussie gevoerd gaat worden over de hoofdlijnen van het asielpakket. VluchtenlingenWerk Nederland schrijft in een brief over aarzelingen bij een aantal landen. Dat is niet nieuw en daaraan mag niet de conclusie worden verbonden dat er geen Europees asielsysteem zal komen. Volgens mij is het goed om een wat fundamentelere discussie te voeren over de vraag waar wij met de landen van het huidige Europa naartoe willen. Met name Duitsland, Oostenrijk en Denemarken willen deze fundamentele discussie voeren over een aantal onderdelen van het asielpakket. Mijn standpunt daarover heeft de Kamer uitgebreid kunnen vernemen tijdens het debat van 20 mei jl. Dit was een uitgebreid en vrij fundamenteel debat over de toekomst van het Europees asielbeleid en het Nederlandse standpunt daarover.

Twee onderdelen van het pakket kunnen volgens de Nederlandse regering wel sneller tot conclusies leiden. Daarbij trekken wij samen op met Frankrijk. Het eerste onderdeel is de Eurodac-verordening. Daardoor moeten wij binnen Europa meer gaan werken met biometrie en vingerafdrukken van mensen die in Europa asiel aanvragen. Met de indrukken nog vers in mijn hoofd van de bezoeken die ik vorige week bracht aan een aantal Europese lidstaten, kan ik zeggen dat dit instrumenten zijn die voor Nederland vele malen belangrijker zijn dan wij op dit moment wellicht beseffen. Ik zal er bij het herzien van deze verordening vooral voor pleiten dat ook vingerafdrukken worden opgenomen van mensen die geen asiel aanvragen, maar wel bijvoorbeeld illegaal Griekenland binnenkomen. Op basis van de Dublin-verordening mogen wij mensen terugsturen die asiel hebben aangevraagd in een andere lidstaat, maar ook zij die dat hadden kunnen doen maar niet hebben gedaan, kunnen worden teruggestuurd. Zij kunnen immers denken: in Nederland woont familie en daarom vraag ik liever asiel aan in Nederland dan in bijvoorbeeld Griekenland. Ook daarover zijn dus Europese afspraken gemaakt. Ik wil de Eurodac-verordening dus ook gaan gebruiken om de vele mensen beter in beeld te krijgen die via Griekenland, Cyprus, Malta of Italië de Europese Unie binnenkomen. Op die manier kunnen wij ook bezien of wij de behandeling van een asielverzoek eventueel moeten overdragen aan een van de genoemde landen. Vorig jaar zijn alleen al in Griekenland 146 000 illegalen tegengehouden. Slechts een fractie van deze mensen heeft asiel aangevraagd. Daarom is het echt in het belang van Nederland dat wij zicht krijgen op de groep mensen die daar asiel had kunnen aanvragen, maar dat niet heeft gedaan.

Het tweede voorstel dat op korte termijn tot conclusies moet leiden en dus in de tweede helft van 2009 zal moeten worden uitonderhandeld, is het voorstel voor de oprichting van een European Asylum Support Office (EASO), een asielondersteuningssysteem. Ook hierbij heeft Nederland mijns inziens een groot belang. Ik zeg dit met diverse inzichten in gedachte. Middels zo’n asielondersteuningssysteem kunnen wij de praktijk van landen als Griekenland en Cyprus helpen verbeteren, zodat deze landen de richtlijnen waaraan zij zich hebben verbonden, maximaal kunnen uitvoeren. Over het tijdpad voor de overige voorstellen zal meer duidelijkheid ontstaan op grond van de meer principiële discussie. Daarvoor hebben wij tot 1012 de tijd.

De bestaande asielvoorstellen worden niet teruggehaald en zullen de route volgen die ik zojuist beschreef. Sommige lidstaten hebben inderdaad kritiek op een aantal onderdelen van enkele voorstellen, maar dit betekent niet dat de voorstellen zelf zullen worden teruggehaald. Deze kritiek zal samen met de amendementen van het Europees Parlement het vervolgtraject ingaan. Het Stockholm-programma van het Zweeds voorzitterschap wordt erg belangrijk omdat het zo dicht bij de Nederlandse ambities ligt. Wij zijn hierbij nauw betrokken en hebben goede contacten met de Zweedse bewindspersonen. Zij vragen Nederland regelmatig om steun in de JBZ-Raad voor hun ambities. Wij zullen de vele algemene overleggen die wij in de tweede helft van 2009 hierover zullen houden, gebruiken om een en ander met de Kamer te bespreken.

Er is gesproken over de landenberichten van het EASO. Ik heb in het debat van 20 mei al gezegd dat het opstellen van landenberichten door dit ondersteuningsbureau er niet toe zal leiden dat het bureau feitelijke beslissingen zal nemen. Dat is niet de bedoeling. Het EASO zal geen beleidsconclusies verbinden aan de landenberichten die het opstelt. Het zou echter een flinke slok op een borrel schelen als Europese landen in EU-verband in staat zouden zijn om gezamenlijk informatie te verzamelen en eenduidig te zijn in de beantwoording van bijvoorbeeld de vraag of ergens sprake is van een gewapend conflict. Welke gevolgen zo’n beoordeling moet hebben voor het asielbeleid en de toelating, moeten de lidstaten vervolgens zelf bepalen, met inachtneming van de minimumnormen die bijvoorbeeld terug te vinden zijn in de kwalificatierichtlijn.

De heer Teeven heeft mij gevraagd of het klopt dat Nederland twee keer meer asielverzoeken inwilligt dan gemiddeld in de rest van Europa gebeurt. Bij het aantal asielaanvragen is Nederland nummer negen. Daarbij gaat het dus om een gemiddelde positie, en zeker niet meer om de top drie. Nederland heeft verhoudingsgewijs meer dan gemiddeld vergunningen afgegeven naar aanleiding van ingediende asielaanvragen. Dat had te maken met het simpele feit dat Nederland een formeel beschermingsprogramma hanteerde voor onder andere Irak en Somalië. Voor deze landen gold een categoriale bescherming, waardoor er verhoudingsgewijs meer mensen uit deze landen naar Nederland kwamen. Een beschermingsprogramma leidt inderdaad vaker tot een verblijfsvergunning. De heer Teeven weet dat Nederland inmiddels de categoriale bescherming voor zowel Irak als Somalië heeft stopgezet.

Nederland overweegt inderdaad de 1100 Dublin-claimanten aan Griekenland over te dragen. Het gaat hierbij om mensen van wie de behandeling van het asielverzoek moet worden overgedragen aan Griekenland. Deze mensen hebben in Nederland asiel gevraagd. Op basis van de Dublin-regels zijn wij ook in de tussentijd gewoon blijven doorgaan met het terugsturen van individuele asielzoekers naar Griekenland. Mevrouw Van Velzen deed zojuist voorkomen dat wij in de tussentijd dit terugsturen hebben opgeschort, om hierover eerst een debat met de Kamer te kunnen voeren. Dat is onjuist. In elk debat heb ik gezegd dat ik geen reden heb om het vertrouwen in Griekenland op te zeggen, op basis waarvan ik zou kunnen stoppen met Dublin-overdrachten. Samen met Amnesty International en de UNHCR hebben wij de situatie in Griekenland voortdurend bezien. Ook het werkbezoek van vorige week heb ik gebruikt om te bezien of in Griekenland voorbeelden zijn voorgekomen van refoulement. Heeft Griekenland zich de facto schuldig gemaakt aan het terugsturen van mensen naar gebieden waar zich een artikel 3 EVRM-situatie zou kunnen voordoen? Daarbij gaat het dus om een situatie waarin gevreesd moet worden voor een onmenselijke behandeling, marteling of de dood. Ik heb nogmaals aan de UNHCR in Griekenland gevraagd of men mij daarvan voorbeelden kon noemen. Vooralsnog heeft men mij die niet kunnen noemen. Ik vraag dit actief na en wij speuren met alle genoemde organisaties naar deze voorbeelden. Het voorkomen van refoulement is de enige reden om het vertrouwen in Griekenland op te zeggen. Zolang dat niet is gebeurd, breng ik geen wijzigingen aan in het bestaande Nederlandse beleid.

Wij hadden een achterstand opgelopen vanwege een aantal gerechtelijke uitspraken. Deze uitspraken maanden ons tot voorzichtig omgaan met de Dublin-overdrachten. Er is inmiddels echter jurisprudentie, zowel van de rechtbanken als van de Raad van State, die doorzet en die stelt dat Dublin-overdrachten aan Griekenland mogen plaatsvinden. Ik heb dat besproken tijdens mijn werkbezoek aan Griekenland. Ik heb praktische afspraken gemaakt om deze achterstand op een ordentelijke manier in te lopen. Er zijn bijvoorbeeld afspraken gemaakt over de mogelijkheid van mensen om op het vliegveld in Griekenland een asielverzoek in te dienen. Ook zijn afspraken gemaakt over het aantal mensen dat per week terugmag. Nederland en Griekenland kunnen ongeveer 40 terugzendingen per week aan. Niet alle 1100 mensen zullen dus in één keer worden overgedragen.

De heer Heemelaar (GroenLinks): De belangrijkste informatie zit in het staartje van wat de staatssecretaris nu zegt. Asielzoekers die teruggestuurd worden naar Griekenland, mogen op het vliegveld van Griekenland een asielverzoek indienen. De staatssecretaris heeft daarover ook met Amnesty International gesproken. Amnesty schrijft ons in een brief van 28 mei het volgende. «Asielzoekers in Griekenland krijgen moeilijk toegang tot de asielprocedure. Als zij de kans al krijgen om een asielverzoek in te dienen, kunnen zij niet rekenen op een zorgvuldige beoordeling van hun verhaal. Toegang tot rechtshulpverleners en tolken is zeer beperkt en er zijn nauwelijks verblijfsvoorzieningen.» Kan de staatssecretaris garanderen dat al deze problemen zullen zijn opgelost? Kan zij garanderen dat de mensen die zij uitzet over tolken kunnen beschikken en dat zij toegang krijgen tot verblijfsvoorzieningen?

Staatssecretaris Albayrak: In Europa zijn minimumnormen afgesproken waaraan alle lidstaten zich hebben verbonden. Nederland hanteert hogere normen als deze minimumnormen. Minimumnormen zijn geen maximumnormen; dat is de ruimte die het parlement heeft bedongen. Landen kunnen op nationaal niveau besluiten om te kiezen voor een niveau boven het minimum. Men zal mij dus niet horen zeggen dat de manier waarop asielzoekers op dit moment in Griekenland worden opgevangen, eenzelfde niveau heeft als de opvang in Nederland. Ook Griekenland moet echter aan de minimumnormen voldoen. De brief van VluchtenlingenWerk Nederland en Amnesty International gaat vooral over de nieuwe instroom. Ik heb de situatie daarbij vorige week met eigen ogen kunnen zien. Lidstaten als Nederland, met veel ervaring en kennis op het gebied van asielopvang moeten landen als Griekenland helpen om de minimumnormen in de praktijk te brengen. Ik denk daarbij ook aan de ondersteuning door tolken. Een en ander betekent niet dat ik geen asielzoekers naar Griekenland zou mogen terugsturen omdat dat land niet te vertrouwen zou zijn omdat men daar mensen terugstuurt naar gebieden waar een artikel 3 EVRM-situatie zou kunnen ontstaan. Door de praktische samenwerking met Griekenland werken wij dus aan het opschalen van de faciliteiten aldaar. De mensen die wij terugsturen hebben toegang tot asiel. Het is een feit dat er met de aanvragen anders wordt omgegaan dan in Nederland. Ook bijvoorbeeld de Eurodac-faciliteiten zijn in Griekenland erg mager. Vingerafdrukken worden nog met inkt afgenomen. Als wij in Griekenland een aantal scanners neerzetten die ook in Nederland staan, zou de kwaliteit van de vingerafdrukken enorm verbeteren. In het centrum dat ik heb bezocht waren inderdaad amper tolken beschikbaar. Met het Europese ondersteuningsbureau kunnen wij Nederlandse tolkencentra telefonisch inzetten, waardoor mensen in Griekenland hun verhaal kunnen doen. Wij hebben afspraken gemaakt over dergelijke praktische ondersteuning. Wij zullen Griekenland, Cyprus en Malta hiermee steunen. Mijn opmerking over toegang tot asiel op het vliegveld hebben betrekking op de specifieke afspraken die wij hebben gemaakt over de mensen die in onze voorraad zitten en nu terug moeten naar Griekenland. Zij hebben bij aankomst op het vliegveld het recht en de mogelijkheid om een asielverzoek in te dienen.

Mevrouw Van Velzen (SP): Mij is uiteraard bekend dat«aan de lopende band» naar Griekenland is uitgezet. Daarvoor hebben wij voortdurend aandacht gevraagd. Stelt de staatssecretaris dat Griekenland met de huidige situatie voldoet aan de Europese minimumnormen? Als dat zo is, moeten wij de discussie over deze minimumnormen nog eens voeren. Wij horen namelijk voortdurend berichten over overvolle gevangenissen, faciliteiten die niet deugen, ontbrekende of onvoldoende toegang tot rechtsbijstand, het ontbreken van tolken, dreigende afschaffing van de mogelijkheid tot hoger beroep. Als dat de situatie is, zouden wij moeten zeggen: wij mogen klaarblijkelijk deze mensen terugsturen, maar hoeven dat niet te doen. Ik vraag de staatssecretaris dringend om haar besluit daarover te heroverwegen. Eerst moet ervoor worden gezorgd dat de situatie in Griekenland verbetert. Dat mensen op het vliegveld asiel kunnen aanvragen, is een verbetering. Hoe wil de staatssecretaris erop toezien dat deze afspraak wordt nageleefd?

Staatssecretaris Albayrak: Zolang er geen sprake is van een geharmoniseerd Europees asielbeleid, zal er op dit punt verschil tussen lidstaten blijven voorkomen. Als het asielsysteem van een van de lidstaten van minder niveau is dan dat van Nederland, kan dat niet betekenen dat ik geen mensen meer naar dat land kan terugsturen. Ik kan er wel toe bijdragen dat landen sneller in staat zijn om aan het minimum te voldoen. Daarin kan ik investeren en ik zal mijn collega’s tijdens de bijeenkomst van de JBZ-Raad oproepen dat ook te doen. Het enige criterium om mensen te kunnen terugsturen naar Griekenland, is het voldoen van dat land aan de normen van het Vluchtelingenverdrag en van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten voor de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM), en daarvan artikel 3 in het bijzonder. Zolang ik geen aanwijzingen heb dat Griekenland deze verdragen schendt, zal ik mensen naar Griekenland blijven terugsturen. Iedereen die ik in de kampen in Griekenland heb gesproken, zegt: ik wil niet in Griekenland blijven. Mensen zijn onderweg naar Zweden, Noorwegen of Nederland. Als Nederland deze Dublin-afspraken nu niet zou toepassen, zou dat enorme gevolgen hebben voor de Nederlandse instroom. Daarom investeer ik in de opvang en de faciliteiten in Zuid-Europa, maar neem ik niet de verantwoordelijkheid over. Dat is mijns inziens namelijk onverantwoord.

Mevrouw Van Velzen (SP): Dit is de lijn die de staatssecretaris consistent volgt. Zij heeft vorige week met eigen ogen de faciliteiten gezien. Het is mooi dat er afspraken zijn gemaakt over mogelijkheden om op het vliegveld een asielaanvraag in te dienen, maar welke concrete afspraken zijn gemaakt om de toegang tot rechtsbijstand te verzekeren? Op welke manier krijgen de faciliteiten een iets menselijker touch? Welke afspraken zijn gemaakt over de inzet van tolken? Ik zal niet alle problemen herhalen, maar er speelt meer dan alleen problemen rond de toegang tot de asielprocedure. Welke concrete afspraken zijn over die andere problemen gemaakt en hoe wil de staatssecretaris de naleving daarvan controleren?

Staatssecretaris Albayrak: Er zijn te veel afspraken gemaakt om nu op te noemen. Ik noem er enkele. Er zijn concrete plannen voor een project van de IND en de Koninklijke Marechaussee (KMAR), waarbij IND’ers ter plaatse processen kunnen ondersteunen. Wij kijken naar de Eurodac-voorzieningen en bezien hoe wij het afnemen van vingerafdrukken kunnen verbeteren. Wij bezien of wij de Europese tolkenpool onder GDISC kunnen inzetten. Er is in Griekenland inmiddels een presidentieel decreet uitgevaardigd waarlangs men de asielprocedure wil versnellen en veranderen. Dit is van belang voor de rechtsbijstand. Dit presidentiële decreet ligt nu bij de«Griekse raad van state». Daar beziet men onder andere of deze voorstellen zich verhouden tot de Europese afspraken over minimumnormen. Dat is een nationaal proces. De resultaten daarvan moeten wij afwachten.

Mevrouw Van Velzen (SP): De staatssecretaris stelt dat er te veel afspraken zijn gemaakt om nu op te noemen. Daarom vraag ik haar nogmaals om een verslag van het werkbezoek, waarin de afspraken die zijn gemaakt, meer gedetailleerd worden genoemd.

Staatssecretaris Albayrak: Zo’n verslag heb ik de Kamer al toegezegd tijdens het debat van 20 mei.

Mevrouw Van Velzen (SP): Dat weet ik. Ik kan nu echter in de krant lezen wat de afspraken zijn, maar had liever gezien dat de staatssecretaris eerst de Kamer hierover had geïnformeerd.

Staatssecretaris Albayrak: Ik zal alle afspraken die zijn gemaakt in een uitgebreid verslag op een rij zetten. De Kamer ontvangt dat verslag, dat ook gaat over Cyprus en Malta.

Er is gesproken over tenten in Gilze en Rijen. Ik heb de afgelopen week iets te veel echte tentenkampen gezien. Daar wordt gebruikgemaakt van legertenten en tenten van de UNHCR. Met die beelden in het achterhoofd stel ik met klem dat eenieder die de voorzieningen in Gilze en Rijen met paviljoens of tenten of hoe men ze ook wil noemen, tentenkampen noemt..., ik slik de kwalificatie daarvan maar even in. In Gilze en Rijen zijn vaste voorzieningen aangebracht en is sanitair aanwezig. Gelooft u mij, de werkelijkheid van echte tentenkampen voor vluchtelingen, die ook in landen van de Europese Unie worden opgetrokken, kennen wij in Nederland niet en zullen wij als het aan mij ligt niet kennen. Ik heb ook gesproken over de lekkende tenten in Ermelo in 1999. Ook daarmee kan de huidige situatie in Gilze en Rijen echt niet worden vergeleken. Als de leden van de vaste commissie willen komen kijken, zijn zij van harte uitgenodigd. Verder wil ik de discussie hierover laten voor wat die is. Wij hebben hierover gisteren tijdens het vragenuur uitgebreid gesproken.

Mevrouw Van Velzen heeft gevraagd naar mijn waardering voor de afspraken tussen Italië en Libië. Dat is een interessante vraag. Wij streven een benadering van het asielprobleem op globaal niveau na. Daarvoor moeten wij in de landen van herkomst beginnen. Daar zijn de pushfactoren, ontwikkelingssamenwerking en conflictbestrijding van belang. Vervolgens komen de transitlanden in beeld, waartoe Libië behoort. Wij zien graag dat ook in deze Noord-Afrikaanse landen minimumnormen worden gehanteerd voor mensenrechten en bij de toegang tot asiel. Ik vind het dus goed als daarin wordt geïnvesteerd, ook in een land als Libië. De Europese Commissaris zal waarschijnlijk binnenkort voorstellen om in Libië een EU-bureau van de UNHCR op te zetten voor toegang tot asiel in Libië. Als vluchtelingen van het Afrikaans continent daar in de procedure komen, kunnen de Europese Unie en de UNHCR wellicht samen verantwoordelijkheid nemen voor de hervestiging van deze mensen. Aan de samenwerking met Libië zijn vooralsnog dus mooie vergezichten verbonden. Ik hoop dat wij bij het maken van concrete afspraken met Libië spijkers met koppen kunnen slaan. Alleen al om deze reden heb ik de afspraken tussen Italië en Libië niet direct van de hand gewezen. Wij zullen echter blijven toezien op de naleving van de mensenrechtenstandaarden en of mensen toegang hebben tot asiel. Dat kan het best gebeuren middels een eigen bureau van de EU en de UNHCR in Libië.

De gecombineerde vergunning is als onderwerp van de agenda geschrapt. De beantwoording van de vragen die daarover zijn gesteld, komt elders terug.

Mevrouw Van Velzen (SP): De uitleg van de staatssecretaris over de afspraken tussen Libië en Italië begrijp ik heel goed. Ik doelde echter op het terugslepen door Italië van boten waarin zich kinderen en zwangere vrouwen bevinden. Dat is iets anders dan afspraken over herhuisvesting en aanverwante zaken. De UNHCR noemt dit een flagrante schending van het internationaal asielrecht. Gaat de staatssecretaris hierover spreken met Italië? Ik heb dit in het debat van 20 mei ook al gevraagd. Wordt dit binnen Europa geaccepteerd?

Staatssecretaris Albayrak: Italië worstelt met dit probleem. De afspraken met Libië vormen een onderdeel van een zespuntenplan van de minister van Buitenlandse Zaken Frattini. Hij is zelf Eurocommissaris geweest en weet dus precies waarover hij spreekt. Ik vind dat dit type bilaterale afspraken moet worden ingebed in Europese afspraken. Dat is de beste waarborg voor de naleving van mensenrechten. Bij deze specifieke situatie moeten wij oppassen voor twee effecten. In de eerste plaats kunnen als gevolg van deze afspraken tussen Italië en Libië, de stromen zich verleggen naar Tunesië, Egypte en andere landen. In Spanje is de situatie nu redelijk onder controle op de Canarische Eilanden. Nu beginnen vervolgens Malta en Italië afspraken te maken, waarvan Griekenland nu al de gevolgen ondervindt. In Griekenland belanden steeds meer Afrikanen en Somaliërs, terwijl het land voorheen veel meer werd geconfronteerd met migranten uit het oosten, dus landen als Afghanistan en Iran. De stromen schuiven dus op. Daarom is het zo belangrijk dat wij hierover afspraken maken op Europees niveau. Als Italië mensen terugstuurt naar Libië, is Italië verantwoordelijk voor de naleving van de mensenrechten, de toegang tot asiel en de ondersteuning van mensen die in Libië zijn gestrand. Daarover zullen wij tijdens de komende JBZ-Raad spreken. Ik hoop daarover dan nadere afspraken te kunnen maken.

Mevrouw Van Velzen (SP): Wij schatten de UNHCR allemaal op waarde. Deze belangrijke VN-organisatie stelt dat de Italiaanse praktijk neerkomt op een stevige schending van internationaal asielrecht. De staatssecretaris kan daarop een mooi verhaal vertellen over afspraken die op Europees niveau moeten worden ingebed, maar wij spreken over een land dat volgens de VN het internationaal asielrecht op een grove manier schendt. Mijns inziens moet dat voldoende aanleiding zijn voor de staatssecretaris om hierover iets te zeggen tijdens de bijeenkomst van de JBZ-Raad. Mag ik van haar horen wat zij hierover, afgezien van het verhaal over de inbedding, zal gaan inbrengen?

Staatssecretaris Albayrak: Precies wat ik al heb gezegd. Dit is een onderdeel van het zespuntenplan dat minister Frattini zal presenteren. Daarin zal moeten staan wat er gebeurt met mensen die teruggaan naar Libië. Daarover wil ik nadere afspraken maken.

Ik kom op het gemeenschappelijk referentiekader voor het Europees contractenrecht. Het gemeenschappelijk referentiekader voor het Europees contractenrecht bevindt zich echt nog in een beginstadium. Er is nog geen commissievoorstel, maar slechts een ontwerp van wetenschappers. Daarover zal worden gesproken. De Raad wil de Commissie richting geven bij de voorbereiding van een eventueel voorstel. Daarvoor vormt dit de input. In ieder geval moeten de beginselen van contractvrijheid, contractuele zekerheid en goede trouw worden opgenomen als een soort basis. Het is echter niet uitgesloten dat ook andere beginselen, zoals wederkerigheid worden opgenomen. De Raad ziet het gemeenschappelijk regiekader als een gereedschapskist om te komen tot betere wetgeving van de Europese wetgever. Beginselen, definities en modelregels voor wanprestatie horen daar nadrukkelijk ook in. Tijdens de komende bijeenkomst van de JBZ-Raad wordt dus nog geen besluit genomen over de toepassing op internationale en nationale overeenkomsten.

Er is geen rechtsbasis in Europa voor een gemeenschappelijk volledig Europees wetboek. Zo’n wetboek wordt ook niet nagestreefd door de Raad. Dit referentiekader kunnen wij opvatten als een inspiratiebron voor vrijwillige samenwerking. De Europese wetgever kan op basis van vrijwilligheid in het gemeenschappelijk referentiekader inspiratie opdoen. Het doel is in ieder geval om te voorkomen dat in verschillende richtlijnen verschillende definities van bijvoorbeeld consumenten en contracten worden opgenomen. Dat leidt immers tot rechtsonzekerheid.

De heer Teeven heeft gevraagd naar de voortgang op het e-Justice-dossier. Beleid op Europees niveau bestaat al op dit punt. Er doen zich vooral moeilijkheden voor in de uitvoering van dit beleid. Verschillende technieken die worden gebruikt, moeten op elkaar worden afgestemd. Lidstaten gebruiken verschillende standaarden. e-Justice, en meer in het algemeen het gebruiken van technologische ontwikkelingen om beleid in Europa op één lijn te brengen is nog steeds een van de prioriteiten van het Tsjechisch voorzitterschap. Onder dit voorzitterschap zijn in ieder geval een handleiding en een brochure opgesteld, om het gebruik zowel te vergemakkelijken als te promoten. Lidstaten blijven zich voor dit belangrijke onderwerp inzetten en Nederland probeert de actieve rol die het had op dit punt, te continueren.

In aanvulling op wat de minister van BZK zojuist zei over transportcriminaliteit, kan ik melden dat sinds twee jaar een team ladingdiefstal bestaat, dat met name in Zuid-Nederland opereert. De activiteiten van dit team worden op dit moment geëvalueerd. Uit de eerste resultaten blijkt dat het goed werkt en effect heeft. Zodra de evaluatie is afgerond, zullen de resultaten daarvan samen met een advies van het College van procureurs-generaal aan de minister van Justitie worden aangeboden en wordt de Kamer daarover geïnformeerd, zoals eerder al is toegezegd.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): De CDA-fractie heeft op het punt van transportcriminaliteit heel concrete voorstellen gedaan in Nederland. Die gingen over veiliger parkeerplaatsen, het werken met printjes – de minister sprak in dit verband over microdotting – en met camera’s. Zijn bewindspersonen bereid deze voorstellen in breder verband uit te dragen in Brussel? Of blijft dit een puur nationale kwestie?

Staatssecretaris Albayrak: De ambitie zal er zeker zijn, maar afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie zal worden bepaald waar wij concreet op inzetten.

Mevrouw Van Velzen heeft gesproken over agendapunt B8 en B9 over de verordening over bilaterale overeenkomsten, en specifiek over de onderdelen over familierecht. Gelet op de stand van zaken is hierover eigenlijk niet veel meer te zeggen dan ik al heb gezegd.

Mevrouw Van Vroonhoven vraagt naar de inzet op Europees niveau van de pluk-ze-wetgeving. Op dit punt is binnen de Europese Unie al veel gedaan. Er zijn kaderbesluiten tot stand gekomen en geïmplementeerd, onder andere over de samenwerking bij inbeslagneming. Op de vraag of dit voldoende is om op te treden tegen de meest voorkomende manieren van het verplaatsen en verhullen van geld uit de misdaad, is het antwoord nee. Dit is nooit optimaal en wij kunnen hieraan met nadere voorstellen in Europa verdere bijdragen leveren. Ik noem het onderwerp schijnconstructies dat onder de aandacht is gebracht. Wij zullen daarvoor de komende tijd aandacht blijven vragen, met name voor situaties waarbij het geld wordt weggezet via anderen. Op het punt van confiscatie van geld via anderen zullen wij in Europa nog de nodige initiatieven moeten nemen. Het gaat vaak om de ene boot die met misdaadgeld is gekocht en op naam van een ander wordt gezet. Wij trekken het net op nationaal niveau steeds strakker om dit type constructies. Daarom vinden deze acties vaak in het buitenland plaats en hebben wij de Europese samenwerking ook op dit punt hard nodig.

Mevrouw Van Vroonhoven heeft gevraagd naar de relatie tussen het Dataprotectieverdrag en PNR. De goedkeuringswet voor het PNR-verdrag tussen de EU en de VS ligt in de Tweede Kamer. Dit voorstel dateert al uit 2007. Het toekomstige dataprotectieverdrag tussen de EU en de VS zal later in werking treden. Er is daarvoor nog geen Raadsmandaat vastgesteld. De onderhandelingen daarover zijn dus nog niet begonnen.

Het doel van het Euro-Arabisch netwerk voor juridische opleidingen. Toevallig heb ik drie weken geleden zelf in Amman op deze conferentie gesproken. Daar heb ik onder andere gepromoot dat via dit type opleidingsnetwerken ook in Arabische landen het vertrouwen in de rechtsstaat wordt verstevigd via de positie van de rechters. Het gaat hierbij vooral om het stimuleren van contacten en om het kijken in elkaars keuken. Er worden bijeenkomsten voor rechters georganiseerd. Dit type conferentie geeft mensen een idee over hoe een rechtsstaat functioneert in ons deel van de wereld. Ook worden contacten tussen nationale opleidingsinstituten voor rechters gestimuleerd. Geleidelijk moeten ook gezamenlijke trainingscurricula en -instrumenten worden gecreëerd. Een van de onderwerpen waarbij wij waarschijnlijk de komende tijd stappen voorwaarts kunnen maken, is de oprichting van een Arabisch forensisch instituut, dat mogelijk in Amman kan worden gevestigd. Ik heb samenwerking met het Nederlands Forensisch Instituut aangeboden. Het werken met DNA-bewijsmateriaal staat in de Arabische landen nog in de kinderschoenen. Met alle expertise die wij op dat gebied in Nederland hebben, kunnen wij de rechtsstaten dienen die wij in de Arabische wereld zo graag willen zien.

Het inrichten van nationale rapporteurs mensenhandel is onderdeel van een voorstel voor een nieuw kaderbesluit over mensenhandel. Wanneer de lidstaten zullen komen tot het instellen van de nationale rapporteurs, is op dit moment nog niet te zeggen.

Naar aanleiding van een vraag van mevrouw Van Vroonhoven meld ik dat de EU-prioriteiten naar aanleiding van het Europees dreigingsbeeld overeenkomen met de aandachtspunten van Europol voor 2009. Het gaat daarbij dus om drugshandel, mensenhandel, fraude en witwassen.

Er is gevraagd naar de sleutelindicatoren voor het bepalen van de aanbodvermindering in het kader van het EU-Drugsactieplan. In de conclusies worden nog geen definitieve sleutelindicatoren voorgesteld. Voor de evaluatie van het laatste EU-Drugsactieplan is gebruikgemaakt van de volgende indicatoren: de hoeveelheid door douane en politie onderschepte drugs; de puurheid, maar ook de prijs van drugs op de illegale markt; het aantal arrestaties dat kan worden gerelateerd aan drugs en het aantal veroordelingen dat kan worden gerelateerd aan drugsdelicten. De conclusies leiden tot de stelling dat deze indicatoren beter vergelijkbaar moeten worden gemaakt. Het gaat daarbij om vergelijkingen tussen de lidstaten. De indicatoren zijn dus wel bruikbaar, maar de vergelijkbaarheid ervan tussen de lidstaten is beperkt, door de praktijk en de registratie in de lidstaten. Er worden suggesties gedaan over de ontwikkeling van aanvullende indicatoren, bijvoorbeeld de hoeveelheid drugs waarop verdachten uiteindelijk worden veroordeeld, de waarde van de vermogensbestanddelen die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek worden bevroren, de gegevens over de gepercipieerde beschikbaarheid van drugs en overzichten van websites waarop illegale drugs worden aangeboden. In principe zijn al deze gegevens in enigerlei vorm voorhanden, maar het probleem is de vergelijkbaarheid tussen de lidstaten.

De keuze voor deze indicatoren is door verschillende overwegingen ingegeven. Voor Nederland geldt dat de benodigde gegevens relatief gemakkelijk te vergaren moeten zijn. De gegevens moeten dus al ergens voorhanden zijn. Verder moet er een mogelijkheid zijn om de gegevens die aan de indicatoren ten grondslag liggen vergelijkbaar te maken met dezelfde gegevens van de andere lidstaten. De methodologie waarmee de gegevens in de landen worden verzameld, moet dus ongeveer hetzelfde zijn. Ook geldt voor de Nederlandse situatie dat met name de te ontwikkelen aanvullende indicatoren iets kwalitatiefs over de aanbodverminderingsinterventies moeten kunnen opleveren. Dit is in het nationale debat een van de toetsstenen. Vandaar de suggestie dat ook gegevens over de gepercipieerde beschikbaarheid van de drugs uit de indicatoren te betrekken moeten zijn.

Mevrouw Kuiken heeft gevraagd om een Europees informatie-uitwisselingssysteem voor strafmaten. Elke lidstaat heeft een eigen normstellingssytematiek en systeem van strafbaarstelling en een eigen systeem voor strafmaten. Bovendien heeft elke lidstaat een eigen systematiek om te bepalen hoe per strafzaak wordt omgegaan met de combinatie daarvan. Elke systeem bezit vervolgens ook nog een eigen innerlijke logica. In Nederland geldt bijvoorbeeld dat er geen verplichting tot vervolging bestaat, in tegenstelling tot wat bijvoorbeeld in Duitsland en Italië geldt. Nederland kent ook geen minimumstraf, maar wel per delict een maximumstraf. De rechter is vrij om aan de uiteindelijke strafoplegging een maatwerkinvulling te geven. Bekend is dat in Nederland steeds vaker wordt gekozen voor deze persoonsgerichte aanpak, waarbij de strafmaat en het straftype op de achtergronden van de dader toegesneden dienen te zijn, vooral met het oog op resocialisatie. In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht wordt per delict bepaald wat de minimumstraf is, maar dit zegt dus weinig over de uiteindelijke strafoplegging of de aanpak van een bepaald soort gedraging. Om die reden lijkt een rechtsvergelijkend onderzoek naar de maximumstraffen sec in de EU niet erg zinvol. De praktijk en de toepassing ervan is immers minstens zo belangrijk. Wel is van betekenis dat wij in Europees verband werken aan een materiële normstelling, dus dat wij bepalen welke gedragingen in alle lidstaten op vergelijkbare wijze strafbaar gesteld dient te zijn. Dit geldt bijvoorbeeld al voor mensenhandel. Dit doen wij bij de bestrijding van een aantal van dit type delicten en willen wij veel beter willen gaan samenwerken.

De heer Teeven (VVD): Enige tijd gelden hebben wij in de plenaire zaal gedebatteerd over de vraag of wel voldoende hard werd gestraft in Nederland en hoe de vergelijking met de strafmaat in andere landen uitviel. Ik meen mij ter herinneren dat de minister van Justitie tijdens dat debat de Kamer een brief heeft toegezegd waarin een overzicht zou worden gegeven van strafmaten in andere Europese landen. Daarin zou ook worden ingegaan op de vraag in hoeverre Nederland hoger of lager straft dan andere Europese landen. Deze toezegging is dus al gedaan door de minister van Justitie naar aanleiding van het plenair debat.

Staatssecretaris Albayrak: Ik ken die toezegging niet en weet niet wat zij precies inhoudt. Ik benadruk echter nogmaals dat de vergelijkbaarheid niet erg groot is, omdat behalve regels in wetboeken en behalve strafmaten, ook de praktijk in de verscheidene landen een rol speelt. Een vergelijking zou daarom een diepgaand onderzoek vergen. Als de minister van Justitie iets heeft toegezegd, zal hij die uiteraard nakomen. Ik zal bezien wat er precies is toegezegd en hoe wij de toezegging kunnen nakomen als zij is gedaan op de manier zoals de heer Teeven nu schetst.

De voorzitter: Voor de tweede termijn heeft ieder lid een minuut spreektijd.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister en de staatssecretaris voor de antwoorden. Ik dank de minister van Binnenlandse Zaken voor de toezegging dat zij na de bijeenkomst van de JBZ-Raad de Kamer een brief zal sturen over het SIS. Op die manier komen wij precies te weten wat de kosten zijn. Ik wil de staatssecretaris nog een vraag stellen over punt B8, het ontwikkelen van een procedure voor de EU om te oordelen over de bilaterale verdragen. Uit de stukken begrijp ik dat het nu nog puur gaat om een procedure om te bezien of lidstaten een overeenkomst kunnen sluiten met andere lidstaten of zelfs met derde landen, bijvoorbeeld ook op het terrein van familierecht. Ik heb ook begrepen dat dit lidstaten op dit moment op geen enkele wijze bindt om zelf een overeenkomst te sluiten, bijvoorbeeld in het kader van familierecht over adoptie of kindontvoeringen. Klopt het dat er nog geen enkele bindende verplichting is voor Nederland op dit terrein? Tot slot zeg ik de minister van Binnenlandse Zaken dat de VVD-fractie niet vindt dat landelijke oplossingen altijd het beste zijn. Een landelijke regeling is niet altijd het beste. De gang van zaken rond getuigenbescherming in Nederland is hiervan een schoolvoorbeeld.

Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. Kortheidshalve zeg ik dat de SP-fractie geen vertrouwen heeft in de situatie in Griekenland. Wij vinden het geen goed idee om het terugzenden van vluchtelingen naar Griekenland op te voeren. Ik hoop dat de staatssecretaris de Kamer snel de brief zal sturen met daarin het verslag van het werkbezoek en een beschrijving van de afspraken die zijn gemaakt. Dan kunnen wij ons hierover nogmaals buigen.

Als ik de krant mag geloven, heeft Italië al afspraken gemaakt met Libië. De UNHCR noemt juist deze afspraken een schending van internationale verdragen en het internationaal asielrecht. De UN-organisatie spreekt met name verontwaardigd over het gebrek aan toegang tot asiel van politieke vluchtelingen die uit Libië komen. Als zij met schip en al uit de Italiaanse wateren worden gesleept, hebben zij geen toegang tot Italiaanse en dus Europese asielprocedures. De UNHCR spreekt daarvan schande. Waarom wordt dit niet binnen Europa op soortgelijke wijze overgebracht aan Italië? Waarom stelt men niet dat dit zo niet mag en kan en dat dus de verdragen met Libië strijdig zijn met het internationaal recht? Of vindt de staatssecretaris dat de UNHCR dit allemaal verkeert beoordeelt of dat de uitspraken op een verkeerde manier in de krant terechtgekomen zijn? Als dat zo is, wil ik daarover een heldere uitspraak van haar horen.

De heer Heemelaar (GroenLinks): Voorzitter. Ook mijn fractie heeft vooralsnog geen vertrouwen in de opvang van asielzoekers in Griekenland. Wij zijn niet alleen benieuwd naar de brief waarin de staatssecretaris de afspraken zal noemen die zij heeft gemaakt met de vier landen, maar vooral naar de resultaten van deze afspraken. Leiden deze afspraken ertoe dat voortaan een tolk beschikbaar is enzovoorts?

Gaat het de staatssecretaris verder lukken om de extra 2500 plaatsen voor asielzoekers die naar verwachting dit jaar nodig zijn, op een andere manier te realiseren dan nu in Gilze en Rijen? Die plaatsen moeten dus niet bestaan uit tenten/paviljoens.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): Voorzitter. De minister van Binnenlandse Zaken heeft in antwoord op vragen van mijn fractie gesteld dat alle vormen van terreur en extremisme in Europa zullen worden besproken. Zij stelde ook dat wij er niet van op aan kunnen dat dierenrechtenextremisme in alle landen even zwaar wordt opgenomen. Kunnen wij op dit punt een bondgenootschap met het Verenigd Koninkrijk sluiten? Wij weten immers dat dit onderwerp ook daar prominent op de agenda staat. Ik roep de minister op om dit punt in Europa zwaarder op de agenda te zetten.

Ik geef de minister gelijk als zij stelt dat de Europese verkiezingen in deze week gememoreerd mogen worden en ik complimenteer Europa nogmaals met de goede ambtelijke stukken en de overzichtelijke agenda.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik heb ook een vraag aan de minister over de Europese verkiezingen. Heeft de minister iemand gemachtigd om morgen voor haar te stemmen? Zij zal op de verkiezingsdag morgen de JBZ-Raad bezoeken en dus niet in Nederland aanwezig zijn.

Minister Ter Horst: Voorzitter. Ik heb er alle vertrouwen in dat de heer Teeven en ik de komende tijd de discussie constructief zullen voortzetten over de voor- en nadelen van centralisme en de effectiviteit van decentrale versus centrale aanpak.

Er zijn zeer nauwe contacten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk over de aanpak van dierenrechtenactivisme. Wij hebben namelijk de indruk dat het Verenigd Koninkrijk op dit punt effectief optreedt. Uiteraard leren wij graag van landen die een effectieve aanpak hebben gevonden van ongewenste verschijnselen.

Ik kan de voorzitter geruststellen. Ik heb mij ook gerealiseerd dat ik op de dag van de Europese verkiezingen in Nederland de JBZ-Raad zal bezoeken. Ik ben echter op tijd terug en zal daarom zelf kunnen stemmen. Stemmen doe ik graag zelf.

Staatssecretaris Albayrak: Er is inderdaad geen sprake van een verplichting voor Nederland om bilaterale overeenkomsten te sluiten. Het gaat hierbij slechts om de mogelijkheid om een machtiging te krijgen om bepaalde bilaterale overeenkomsten te sluiten, bijvoorbeeld op het terrein van het familierecht. Wij willen eigenlijk dat er zo weinig mogelijk bilaterale overeenkomsten worden gesloten, omdat die overeenkomsten bij veel landen de druk wegnemen om zich in een multilateraal kader te verbinden aan verdragen. Bij multilaterale verdragen heb je vaak meer armslag en een betere onderhandelingspositie en krijg je vaak meer dingen voor elkaar.

De heer Teeven (VVD): Dit verdrag bindt Nederland toch niet op zo’n manier dat wij het niet meer op een bilaterale manier kunnen regelen?

Staatssecretaris Albayrak: Nee.

Het oordeel van mevrouw Van Velzen over Griekenland laat ik graag aan haar. Ik heb daarover op dit moment een ander oordeel. Zij vraagt wat er precies met Italië aan de hand is en spreekt in dit verband over het Italiaanse krantenartikel. Laat duidelijk zijn dat ik uiteraard morgen mijn Italiaanse collega Maroni, de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, zal vragen wat er precies is gebeurd. Ik zal vragen hoe het gebeuren zich volgens hem verhoudt tot de Europese afspraken, de internationale verdragen en het respect voor de mensenrechten. Dat is precies wat premier Balkenende heeft gevraagd toen hij op bezoek was in Italië. In het kader van de overeenkomst met Libië heeft hij gezegd dat er aandacht moet zijn voor degenen die bescherming willen aanvragen. Dat staat, vrij vertaald, ook in de kop van het Italiaanse krantenartikel. Dit onderwerp wordt dus niet alleen besproken door de staatssecretaris, maar ook in gesprekken tussen de premiers. Deze lijn zullen wij blijven volgen. In het verslag van de JBZ-Raad zullen de leden kunnen lezen wat daarover is gezegd.

De heer Heemelaar vraagt wanneer de afspraken die met Griekenland zijn gemaakt tot resultaten zullen leiden. Zodra er concrete resultaten te melden zijn, zal ik die de Kamer meedelen. Het voornemen is om binnen vier weken een IND-team naar Griekenland te sturen. Het gaat hierbij om Nederlandse experts; om IND-medewerkers die veel ervaring hebben op het terrein van asiel, maar ook om KMAR-medewerkers. Het lijkt mij ook erg belangrijk dat medewerkers van de Dienst Terugkeer en Vertrek meegaan. Zij moeten bezien hoe Griekenland op dit moment de terugkeer probeert te regelen met de landen van herkomst waarmee Italië bilaterale of Europese readmissie-overeenkomsten heeft. Ik zal de Kamer hierover nader informeren.

De heer Heemelaar (GroenLinks): Wanneer krijgen wij het rapport over de afspraken?

Staatssecretaris Albayrak: De Kamer krijgt het verslag van de reis zodra het klaar is. Ik ben bang dat het een boekje wordt, want wij hebben tijdens de reis erg veel gedaan. Het moet lukken om dit verslag binnen twee weken naar de Kamer te sturen.

Er moeten 2500 nieuwe opvangplaatsen worden gerealiseerd, vooral ter vervanging van de plaatsen die verloren gaan door aflopende contracten van het COA. Ik heb gisteren tijdens het debat hierover geschetst hoe wij mijns inziens de tweede helft van 2009 kunnen gebruiken om maximaal te voorkomen dat er nog meer paviljoens of tenten of hoe men de onderkomens ook wil noemen, moeten worden opgezet. Ik vind het wel belangrijk dat het COA doorgaat met het leggen van bestuurlijke contracten om afspraken te maken over het opzetten van deze paviljoens. Mochten zij dan toch nodig zijn, dan kunnen ze daadwerkelijk worden opgezet. Het realiseren van fatsoenlijke opvang is namelijk de eerste zorg.

Toezeggingen

– Het uitgebreide verslag van het werkbezoek van de staatssecretaris van Justitie aan Griekenland, Malta en Cyprus zal binnen twee weken naar de Kamer worden gestuurd.

– De minister van Binnenlandse Zaken zal na de bijeenkomst van de JBZ-Raad de Kamer een brief sturen over de vraag hoe het verder is gegaan met SIS II.

De voorzitter: De Kamer is ten slotte gevraagd om in te stemmen met de volgende punten (instemming met B2 is vervallen). Kunnen de leden akkoord gaan met het punt genoemd onder A2f, over het ontwerpbesluit tot oprichting van een netwerk voor de bescherming van prominenten? Ik zie dat dit het geval is. Kunnen de leden verder instemmen met punt B8, het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een procedure voor de onderhandelingen over en de sluiting van overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen inzake huwelijkszaken en onderhoudsverplichtingen? Ik zie dat de leden hiermee akkoord gaan.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Roemer (SP), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (ChristenUnie) en Heemelaar (GroenLinks).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Leijten (SP), Ulenbelt (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP) Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma-Buma (CDA), Slob (ChristenUnie) en Van Gent (GroenLinks).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Van Baalen (VVD), Ormel (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Gill’ard (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) en Peters (GroenLinks).

Plv. leden: Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Haverkamp (CDA), Lempens (SP), Schermers (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Spies (CDA), Roemer (SP), Wilders (PVV), Nicolaï (VVD), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Besselink (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD), Voordewind (ChristenUnie) en Vendrik (GroenLinks).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van Beek (VVD), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), De Pater-van der Meer (CDA), Van Bochove (CDA), Gerkens (SP), Sterk (CDA), Leerdam (PvdA), voorzitter, De Krom (VVD), ondervoorzitter, Griffith (VVD), Boelhouwer (PvdA), Irrgang (SP), Kalma (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Van der Burg (VVD), Brinkman (PVV), Pechtold (D66), Van Raak (SP), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Heijnen (PvdA), Bilder (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Teeven (VVD), Heemelaar (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Smilde (CDA), Polderman (SP), Spies (CDA), Wolbert (PvdA), Aptroot (VVD), Zijlstra (VVD), Vermeij (PvdA), Van Gerven (SP), Heerts (PvdA), Çörüz (CDA), Remkes (VVD), De Roon (PVV), Van der Ham (D66), Van Bommel (SP), Ouwehand (PvdD), Timmer (PvdA), De Wit (SP), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Cramer (ChristenUnie) en Knops (CDA).