Kamerstuk 21501-02-968

Verslag van een algemeen overleg

Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Gepubliceerd: 20 mei 2010
Indiener(s): Waalkens , Henk Jan Ormel (CDA)
Onderwerpen: europese zaken internationaal
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-02-968.html
ID: 21501-02-968

Nr. 968 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 mei 2010

De vaste commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken2 hebben op 21 april 2010 overleg gevoerd met minister Verhagen van Buitenlandse Zaken, minister voor Ontwikkelingssamenwerking over:

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 19 april 2010, met de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken en de Raad Buitenlandse Zaken van 26 april 2010, (21 501-02, nr. 960);

  • de brief van minister van Buitenlandse Zaken d.d. 17 april 2010, inzake de uitvoering van de motie Van Gent c.s. over de correspondentie tussen het kabinet en de Europese Commissie, (21 501-02, nr. 955);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 6 april 2010, inzake Coöperatie en Verificatiemechanisme Bulgarije en Roemenië, (23 987, nr. 108);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 19 april 2010, inzake Europese Dienst voor het Externe Optreden, (21 501-02, nr. 962).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken

Waalkens

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken

Ormel

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken

Nijssen

Voorzitter: Van Bommel

Griffier: Mittendorff

Aanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Haverkamp, Ten Broeke, Van Dam en Van Bommel,

en minister Verhagen van Buitenlandse Zaken, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik open deze vergadering over de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken. Wij zijn met vier sprekers. De spreektijd is vier minuten.

De heer Haverkamp (CDA): Voorzitter. Allereerst wil ik even kort stilstaan bij de Europese diplomatieke dienst. Dank voor de uitgebreide appreciatie van het kabinet. Ik steun de inzet van het kabinet wat betreft de consulaire taken. De EU-burger moet deze dienst kunnen beschouwen als een service waar men in het buitenland ondersteuning kan krijgen. Ik begrijp dat nog niet alle landen deze opvatting delen. Kan de minister ingaan op de bezwaren van de andere lidstaten? Hoe gaan wij daarmee om?

Hoe ziet het kabinet de wisselwerking tussen het Europees Parlement, de raad en de Europese Commissie als het gaat om die Europese diplomatieke dienst? Wie stuurt mevrouw Ashton op welke punten politiek aan? Is de minister het met de CDA-fractie eens dat de individuele lidstaten nog steeds het recht hebben om hun eigen buitenlands beleid te voeren, maar dat we dat zo veel mogelijk proberen te coördineren? Eigenlijk zou de raad eerder het primaat moeten hebben dan het Europees Parlement, aangezien we dat soort taken nog niet hebben overgedragen.

Het is ook verstandig om stapsgewijs voortgang te maken en evaluatiemomenten in te bouwen, zodat de effecten voor Nederland optimaal gevolgd kunnen worden. Is ook al helder voor het kabinet welke noodremmen dan wel gaspedaalmomenten er in die evaluatie zitten en hoe wij daar als Kamer bij betrokken worden?

De Kamer heeft haar appreciatie kunnen geven van het Europees burgerinitiatief. Dank voor de antwoorden. Wij verschillen op één punt nog van mening met de regering. Wij zijn van mening dat het van belang is om te regelen dat niet herhaaldelijk dezelfde onderwerpen kunnen worden ingediend. Ik hoor graag een reactie waarom het kabinet die mening niet deelt.

De CDA-fractie was en blijft kritisch over de situatie in Roemenië en Bulgarije. Dit punt wordt onderstreept door de tussenrapportage. De uitspraak van het Hof in Roemenië over het ongrondwettig zijn van het National Integrity Agency baart ons zorgen. Wij zien dat die zorgen worden gedeeld door verschillende politici in Roemenië, omdat zij zich ook afvragen hoe het verdergaat met de contacten in Europa als zij zo'n instituut niet hebben. Hoe gaat Europa hiermee om? Helpen wij de Roemenen om toch een formulering te vinden die wel binnen de grondwet past? Hebben wij daarvoor ook best practices op de plank liggen?

De CDA-fractie blijft van mening dat EU-fondsen en toegang tot de Schengenzone samenhangen met voortgang op het justitiedossier. Hoe ziet de regering verdere stappen op dit dossier als er geen voortgang in Roemenië en Bulgarije wordt gemaakt?

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Ik heb een iets andere volgorde. Ik begin bij het deel van het verslag dat gaat over de Taskforce onder leiding van de heer Van Rompuy, die mede wordt vormgegeven door de heer Barroso, meen ik. Ik heb een paar punten die de minister al eerder heeft gehoord, maar die ik voor dit overleg zal herhalen. Wat betekent dit nu precies? Gaat er iemand namens de Nederlandse regering in zitten? Weten we al wie dat is? Wordt er inhoudelijk gepraat over het voorstel dat in de boezem van het kabinet leeft om meer bevoegdheden te geven aan Eurostat? Wat gaan we doen om nadrukkelijker en sneller de gele kaart uit te reiken aan lidstaten die zich niet aan de discipline van het Stabiliteits- en Groeipact houden? Onder het Verdrag van Lissabon geldt toch nog steeds dat degenen die in aanmerking komen voor een buitensporigtekortprocedure, worden uitgesloten van het Commissieadvies dat over die lidstaat wordt gegeven? Kan men ervan verzekerd zijn dat er inderdaad boetes worden opgelegd? Als laatste punt zou de VVD-fractie graag zien dat bij het disciplineren van lidstaten die zich niet aan het SGP houden en bij het opleggen van sancties ook de Cohesiefondsen, zoals nu al mogelijk is, en in de toekomst de Structuurfondsen worden betrokken.

Ik ben het eens met het kabinet dat we moeten vasthouden aan 0,2% van de bevolking bij het Europees burgerinitiatief en geen rare tussenstap moeten maken van een afspiegeling die is gebaseerd op het aantal leden in het Europees Parlement. Wij weten allemaal hoe die verdeelsleutel tot stand komt en dan krijg je uiteindelijk wel gekke verhoudingen. Dat betekent dat er ongeveer 40.000 Nederlanders nodig zijn voor zo'n initiatief.

Wij willen ook graag weten of de financiële controle op EDEO mede wordt vormgegeven door het Europees Parlement. In principe zijn wij er voorstander van dat dit onderdeel uitmaakt van categorie 5 van het huidige financiële perspectief. Wij zijn het eens met consulaire taken, maar vragen ons af hoe ver deze strekken. Verder snap ik niet helemaal wat er wordt bedoeld met thematische bureaus over mensenrechten, non-proliferatie en geografisch. Hoe moeten we ons dat voorstellen?

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ik heb soortgelijke vragen als de heer Ten Broeke, allereerst over de Taskforce financiën. Het is op zichzelf goed dat er wordt gesproken over een strategie voor crisisrespons, begrotingsdiscipline en economische coördinatie. De vraag is hoe ver deze gaat. De heer Van Rompuy heeft de wens uitgesproken om te komen tot een soort Europese economische regering. Dat klinkt als verregaand federalisme. Ik kan me niet voorstellen dat dit de bedoeling is. Wat is de betrokkenheid van Nederland hierbij? Welke zeggenschap hoort er bij die Taskforce?

Er blijf onduidelijkheid over een aantal punten bij EDEO, zoals de budgettaire controle, de zeggenschap, de positie van EDEO ten opzichte van de raad, de Commissie en het Europees Parlement. Daarover krijg ik graag wat meer duidelijkheid van de minister.

Er wordt gesproken over de bemensing van EDEO. Ik heb in een eerder AO al gezegd dat ik met veel instemming heb kennisgenomen van de woorden van de minister over de positie van de EU wat betreft buitenlands beleid. We zullen de EU daarin een sterkere positie moeten geven. Dat hangt voor een belangrijk deel af van de manier waarop de Hoge Vertegenwoordiger gaat werken en ondersteund wordt door de diplomatieke dienst. De Hoge Vertegenwoordiger maakt helaas nog niet de krachtige indruk die nodig zal zijn om Europa als unie een stevige positie te geven op het wereldtoneel.

De minister zegt over de inrichting van de diplomatieke dienst dat kwaliteit een leidend beginsel moet zijn en niet representativiteit over de verschillende lidstaten. Dat is een mooi voornemen, maar heeft de minister ook enige garantie dat het werkelijk zo zal gaan? Mogen we ervan uitgaan dat de inzet van Nederland is om met zo sterk mogelijke kandidaten de kracht van EDEO te versterken, zodat EDEO met kwalitatief goede mensen een sterke dienst kan worden?

Voorzitter: Haverkamp

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik kom even kort terug op de uitkomst van de Europese Raad wat betreft EU-2020. Het Spaans voorzitterschap heeft een routekaart opgesteld die ertoe lijkt te leiden dat de strategie officieel tijdens de Europese Raad in juni kan worden vastgesteld. Het kabinet schrijft dat het die planning onderschrijft, maar ook betwijfelt of deze wel haalbaar is. Het is allemaal heel erg vlot, en volgens de SP-fractie te vlot. Daarmee worden wel de economische doelen voor de komende tien jaar vastgelegd voor de Europese Unie. Nederland kan daar ook op worden afgerekend. Ik heb in samenhang hiermee een aantal vragen. Wanneer kunnen wij de kabinetsinzet verwachten bij de kerndoelen die nog niet zijn vastgesteld en nader moeten worden uitgewerkt? Wat bedoelt het kabinet wanneer het meldt dat het gezien de demissionaire status terughoudend zal zijn bij de nationale invulling van de kerndoelen? Wat betekent dat precies? Wanneer we zien dat dit wel Europees wordt vastgesteld, maar dat het kabinet nog geen gestalte wil geven aan een te precieze nationale invulling ervan, wat betekent dit dan voor de positie van de Kamer? Door het kabinet wordt gemeld dat meerdere lidstaten twijfelen aan de haalbaarheid van de doelstellingen. Is het dan wel verstandig om zo’n hoog tempo te nemen bij het vaststellen van dergelijke ambitieuze doelen?

Er was veel verschil van mening of onenigheid over EDEO. Er ligt nu een voorstel. Moeten we nu verwachten dat de onenigheid en de eventuele strijd over de richting en de inrichting van deze instelling zich straks voortzetten binnen de dienst zelf? Het is ons niet duidelijk hoe de parlementaire controle straks precies wordt uitgeoefend. Deze vraag heeft vooral betrekking op ontwikkelingssamenwerking. De Hoge Vertegenwoordiger en de Eurocommissaris zullen gezamenlijk de hoofdlijnen van het beleid moeten uitzetten. Wat betekent dit wanneer er een verschil van opvatting is tussen beiden? Is het juist dat het Europees Parlement voorstelt om onder de Hoge Vertegenwoordiger ook nog drie adjudanten te benoemen die politiek verantwoording kunnen afleggen? Wat betekent dit voor de dagelijkse gang van zaken op dit gebied? Er wordt straks onderhandeld met het Europees Parlement over het besluitvormingstraject met betrekking tot EDEO. Wat betekent dat voor de positie van nationale parlementen? Komen zij nog aan het woord wanneer er resultaat over EDEO is bereikt?

Voorzitter: Van Bommel

Minister Verhagen: Voorzitter. Door de heer Ten Broeke en door anderen is gesproken over de follow-up van de Europese Raad van maart en de actiepunten wat betreft EU-2020 en het klimaat. Er is een roadmap opgesteld voor de EU-2020-strategie en daar zit een redelijke tijdsdruk op. De tijdspanne is erg kort bij de weg die we moeten afleggen. Men wil hier duidelijk snel resultaat bereiken. Men vindt het van belang om die doelen zo snel mogelijk te realiseren. Ook voor het herstel van de economische groei is het van belang om hierop in te zetten. Er zijn nog twee kerndoelen van de strategie, namelijk onderwijs en sociale inclusie, die nader moeten worden ingevuld en die bij de Europese Raad kunnen worden vastgesteld, en dan zul je moeten spreken over de nationale invulling van die Europese kerndoelen. Enkele lidstaten, waaronder Nederland, hebben aandacht gevraagd voor de zorgvuldigheid van het proces en het bijbehorende tijdpad, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de opmerking van de heer Van Bommel. De reden dat wij terughoudend zijn bij het vaststellen van de nationale kerndoelen heeft niet alleen te maken met onze demissionaire status, maar ook met de financiële invulling ervan. Men kan zich voorstellen dat het toch wel vreemd zou zijn als het kabinet in deze twee weken een strategie zou vaststellen die is gericht op het realiseren van die kerndoelen in 2020, en daarmee een nieuwe Kamer en een nieuw kabinet voor het blok zou zetten.

Wij ondersteunen de strategie als zodanig, met uitzondering van de armoededoelstelling, omdat wij vinden dat banen de beste methode zijn om armoede te bestrijden. Wij kunnen ons wel vinden in het nieuwe idee om het over het bredere aspect van sociale inclusie te hebben. We moeten nu allereerst de strategie als zodanig vaststellen, inclusief de richtsnoeren voor economisch beleid en werkgelegenheid, die nader moeten worden ingevuld. Ten slotte zul je op Europees en op nationaal niveau nog de knelpunten voor economische groei in kaart moeten brengen. Ik denk dat we hiermee eigenlijk een voortzetting hebben van de raad van 25 en 26 maart, in concluderende zin, met de kanttekeningen die we net geplaatst hebben.

De heer Ten Broeke is ingegaan op de discussie over wat er moet gebeuren met het Stabiliteits- en Groeipact. Ik had even de indruk dat we er al over hadden gesproken. Ik heb gisteren de hele dag in de Eerste Kamer gesproken, maar volgens mij heb ik die discussie met u ook al gevoerd.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik kan er niets aan doen dat steeds dezelfde zaken op de agenda staan.

Minister Verhagen: Dat begrijp ik, maar op een gegeven moment kent u de opzet en de inzet van de Nederlandse regering. Buiten deze discussie die wij al in het verleden hebben gevoerd, heeft de heer Ten Broeke nog een aantal aanvullende vragen gesteld. Over de vraag wie er voor Nederland in die werkgroep van Van Rompuy gaat zitten, zal de Kamer door minister De Jager geïnformeerd worden bij het verslag van de informele Ecofin-raad. De Commissie heeft al een voorstel gedaan om Eurostat meer bevoegdheden te geven. Dat staat overigens los van de groep van Van Rompuy. Ik heb hierover een BNC-fiche gestuurd aan de Kamer, dus kortheidshalve verwijs ik daarnaar.

Op de vraag van de heer Ten Broeke of de betrokken lidstaat mag meestemmen in geval van een buitensporigtekortprocedure, is het antwoord nee. Dat is natuurlijk winst. Daar zal hij blij mee zijn. De werkgroep zal ook spreken over het opleggen van boetes. Zoals bekend komt de Commissie op 12 mei met voorstellen, ook over de werkzaamheden van de werkgroep. De Commissie heeft al laten weten voor te gaan stellen dat boetes automatisch zullen worden opgelegd in plaats van de huidige besluitvorming door de raad. Dat is ook een goede zaak.

Je krijgt een aantal instrumenten. Ten eerste mag de betrokken lidstaat niet meestemmen. Ten tweede is er een automatische boete in plaats van een discussie daarover, met de mogelijkheid om dat weer te blokkeren. Dat zijn voordelen. Het is mij niet bekend of de Commissie naast de huidige mogelijkheden in de Cohesieverordening, waarover we vrij recent hebben gesproken en waarover we het eens waren, ook de mogelijkheid van bevriezing van Structuurfondsen wil voorstellen. Dat weet ik nog niet, maar daar zullen we op 12 mei meer van weten. Zoals bekend is Nederland er voorstander van om de huidige mogelijkheid die binnen de Cohesiefondsen bestaat, echt toe te passen. Ik vind het een interessante gedachte om wat we voornemens zijn met de Cohesiefondsen te gaan doen, uit te breiden tot de Structuurfondsen. Daarover zal ik met mijn collegae van Financiën en Sociale Zaken spreken. Het gaat natuurlijk om het toepassen van die mogelijkheid. We zijn het met elkaar eens dat we zoeken naar een effectief instrumentarium om in te grijpen indien een lidstaat zich niet houdt aan de regels die we hebben afgesproken met betrekking tot financieel beheer.

De heer Haverkamp en de heer Ten Broeke hebben gesproken over het burgerinitiatief. Ik denk dat met de voorstellen over het burgerinitiatief in het algemeen recht wordt gedaan aan de uitgangspunten van Nederland en de Kamer om een laagdrempelig en simpel instrument te maken. Op een aantal onderdelen hebben wij kanttekeningen geplaatst. We staan kritisch tegenover bepalingen die een veelheid van informatie vereisen van de initiatiefnemer, omdat deze ingaan tegen die laagdrempeligheid. Als je het dan toch doet, doe het dan zo simpel mogelijk. De drempel lag in het groenboek op 0,2% per lidstaat, maar ze hebben nu iets anders gedaan, namelijk het aantal handtekeningen per lidstaat bepaald door het aantal EP-leden te vermenigvuldigen met 750. Waarom niet met 1 000? Dit komt erop neer dat 0,12% van de bevolking voldoende is, zodat 19 500 handtekeningen voor Nederland voldoende zouden zijn. Ik ben het volledig eens met de heer Ten Broeke dat het aantal handtekeningen voor Nederland hoger moet zijn. Onze inzet is om er 40 000 van te maken, zodat we ons houden aan wat we hebben afgesproken. Laten we dat gewoon een keer doen, want dat staat in het groenboek.

Individuele lidstaten zijn verantwoordelijk voor de authentificatie van de verzamelde handtekeningen, dus wij moeten bekijken of dat allemaal klopt. Dat vinden we prima, maar ik wil dan wel kijken naar de privacy-aspecten bij de praktische uitwerking. De heer Nicolaï zal blij zijn dat ik daarop toezie.

De heer Haverkamp vraagt zich af waarom wij geen bezwaar hebben tegen het meerdere malen herhalen van hetzelfde onderwerp. Als ik het goed begrijp, heeft de fractie van het CDA hier bezwaren tegen. Ik luister soms naar de Kamer, zodat ik weet welke wensen er leven. Ik zal ernaar kijken, want ik vind dit wel een serieus punt.

Ik heb dus twee concrete toezeggingen gedaan. De gedachte van de heer Ten Broeke over de Structuurfondsen vind ik interessant, net als de gedachte van de heer Haverkamp over herhaling bij een onderwerp van een burgerinitiatief. Ik zal de Kamer op de hoogte houden van de uitkomst daarvan, al dan niet in het verslag van de Raad Algemene Zaken.

De heer Haverkamp vraagt hoe het zit met Roemenië. Hij weet dat Nederland op verschillende manieren probeert Roemenië en Bulgarije bij te staan bij het doorvoeren van de noodzakelijke hervormingen. We werken samen met de Roemeense justitie en politie, ook wat betreft corruptiebestrijding. Naar mijn mening is en blijft het hoogstnoodzakelijk, als we kijken naar de ontwikkelingen, om een slag te maken bij de corruptiebestrijding en verbetering van de werking van justitie en politie.

Tot slot het grote blok van EDEO. Op zichzelf zijn wij van het begin af aan sterke voorstanders geweest van zo'n Europese Dienst voor Extern Optreden, omdat deze het gezicht van de Europese Unie bij het buitenlands beleid kan versterken, zoals de heer Van Dam ook zegt. Ik denk dat deze er ook aan bijdraagt om de kwaliteit en de coherentie van de besluitvorming bij dat externe optreden te verbeteren. Er wordt in Brussel op ambtelijk niveau nog onderhandeld over de tekst die maandag zal worden voorgelegd. Er wordt vandaag in de Coreper over gesproken, in het bijzijn van de Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw Ashton. Als de lidstaten het daar eens worden, kan maandag een meer politieke benadering worden vastgesteld. Dat is ook van belang met het oog op de onderhandelingen met het Europees Parlement, waar de heer Van Bommel naar vroeg. Deze worden op dit moment ook nog gevoerd. Ik ga hier later uitvoerig op in. De heer Van Bommel heeft ook gevraagd wanneer het nationale parlement aan de beurt is. Als ik eerlijk ben, is dat nu, maar onderwerpen komen wel vaker terug op de agenda, zoals de heer Ten Broeke zegt. Als men zegt: het moet zus of zo, dan moet dat nu, op basis van de informatie die ik heb gegeven. Ik verwacht het raadsbesluit, waarover we nog zullen spreken bij het overleg ter voorbereiding van de raad, overigens pas in mei of juni. Wij spraken er in het verleden over, wij spreken er vandaag over en wij spreken er in de komende AO's ook over. De Kamer kan er concreter haar gedachten over laten gaan op basis van het conceptbesluit dat ik heb toegestuurd. Ik heb afgelopen maandag een kabinetsappreciatie toegestuurd. Daarbij heb ik gezegd dat het conceptbesluit op zichzelf dicht bij de vastgestelde richtsnoeren zit. Prima. Er zit nog een bepaalde mate van ruimte in voor de Hoge Vertegenwoordiger. Dat vind ik op zichzelf begrijpelijk, want ze moet ook een bepaalde mate van flexibiliteit hebben, omdat het haar dienst wordt.

Los van die ruimte die ik de Hoge Vertegenwoordiger wil geven, wil ik hoe dan ook meer duidelijkheid over de financiering en de topstructuur. Ik wil weten hoe die topstructuur zal zijn, juist omdat de sg en plaatsvervangende sg, als het zo vormgegeven wordt, essentieel zijn voor de body die EDEO krijgt. Net als ik heeft het Spaanse voorzitterschap aangegeven dat de raad geen finale instemming zal geven voordat deze duidelijkheid er is, want je kunt je natuurlijk niet binden als deze twee essentiële zaken nog in het vage blijven. Ik verwacht dus dat mevrouw Ashton op beide punten met een voorstel zal komen. Voor de rest zal men waarschijnlijk wel aan onze wensen tegemoetkomen.

Ik licht er een paar punten uit. De heer Ten Broeke wees erop dat Nederland er zeer duidelijk voorstander van is dat EDEO zich van het begin af aan ook bezig kan houden met consulaire taken, zoals het verlenen van consulaire bijstand aan Europese burgers die in de problemen zijn gekomen. Hoewel dit in eerste instantie werd afgewezen, is hierover de vorige keer op ons voorstel een discussie gestart en toen is er vrij brede steun voor gekomen. Tegelijkertijd zijn enkele andere lidstaten, waarvan ik mensen op de tribune zie zitten, hier sterk tegen gekant. Ik vind dit om twee redenen van belang. Om concreet voor de burgers inzichtelijk te maken wat zij aan zo'n buitenlandse dienst hebben, is het natuurlijk fantastisch als er een Europese dienst is in een bepaald land. Als zij hun paspoort zijn kwijtgeraakt of zijn beroofd, en noem maar op, kunnen zij bij zo'n dienst aankloppen, zoals volgens mij eigenlijk al in het Verdrag van Maastricht is bepaald. Je kunt nu ook bij een ambassade van een andere lidstaat komen. Je ziet dat overal in Europa net als in Nederland de discussie wordt gevoerd over de vraag of je het postennetwerk wat je nu hebt, moet handhaven. Er zullen landen zijn waar geen ambassade van een lidstaat is. Dan kun je dus op zoek gaan naar een ambassade van een andere lidstaat. Als ik zie welke maatregelen in Zweden, Finland en de Baltische staten worden voorgesteld, denk ik dat het echt hard gaat.

Ik hoop dat het Verenigd Koninkrijk over zijn bezwaren heen zal stappen, omdat het toch ook ongetwijfeld zijn burgers van dienst wil zijn, waar dan ook ter wereld. We zullen er nog over spreken.

De heer Ten Broeke heeft ook gevraagd hoe het zit met die thematische bureaus. Dat is te vergelijken met het miniserie van Buitenlandse Zaken in Nederland. De Hoge Vertegenwoordiger krijgt een eigen apparaat, een eigen dienst, de EDEO. In het verdrag is vastgelegd welke posten er nu zijn bij de omvorming van commissiedelegaties naar de vertegenwoordiging van de Europese Unie en een Brusselse organisatie. Dat Brusselse deel heeft drie hoofdpijlers. De secretaris-generaal heeft twee plaatsvervangers of drie dg's waarover gesproken wordt. Net als bij het ministerie van Buitenlandse Zaken is er een algemene dienst die zich bezighoudt met personeelszaken, juridische zaken en beheer. Dan zijn er regionale directies onder een dg of plaatsvervangend sg. En er zijn thematische directies onder een dg of plaatsvervangend sg. Dat is gewoon een indeling waarvoor je ambtelijke ondersteuning nodig hebt. Het zijn dus geen adjudanten, maar het is de leiding van de ambtelijke dienst. Hierover zal verder nog overleg plaatsvinden met het Europees Parlement.

De heer Haverkamp vraagt of we nog een eigen buitenlands beleid hebben. Zijn vraag komt erop neer of wij nog een minister van Buitenlandse Zaken nodig hebben, als er een buitenlands beleid van de Unie gaat ontstaan met Ashton. Ik vind dit een opmerkelijke vraag, want deze is nooit gesteld over de minister van Landbouw, terwijl we al jaren een gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben.

De heer Haverkamp (CDA): Mijn stelling is dat we als Nederland nog steeds ons eigen buitenlands beleid hebben. Wij proberen dat buitenlands beleid effectief in te zetten door de Europese Unie met één mond te laten spreken. Ik proef echter een tendens dat het Europees Parlement zegt: laten we één buitenlands beleid gaan formuleren. Mijn vraag aan de minister is dan of hij aan de zijde van de CDA-fractie staat, die zegt dat Nederland zijn eigen afwegingen heeft, of aan de zijde van het Europees Parlement.

Minister Verhagen: Je hebt je eigen buitenlands beleid en dat zal zo blijven. Tegelijkertijd is het noodzakelijk, wil je de belangen van de Nederlandse burgers zo effectief mogelijk behartigen, om als Europese Unie meer en meer met één mond te spreken. Dat maakt de Europese Unie gewoon effectiever. Conform het verdrag steunen wij mevrouw Ashton en de oprichting van EDEO. Dat betekent niet dat wij het buitenlands beleid van de lidstaten afschaffen, maar je brengt in die discussie je eigen ideeën in. Je moet bereid zijn om ook water bij de wijn te doen om met één stem te kunnen spreken. Wanneer je dat beleid hebt geformuleerd, is het ook verkieslijk als de lidstaten dat in hun nationale buitenlandse beleid uitdragen. De Hoge Vertegenwoordiger coördineert als voorzitter van de Raad voor Buitenlandse Zaken en is de eerstverantwoordelijke voor de uitvoering van datgene wat afgesproken is in die Raad voor Buitenlandse Zaken. Juist omdat het GBVB intergouvernementeel is, zou het ook heel vreemd zijn als je geen eigen nationaal beleid meer had. Vanwege de betrokkenheid van de lidstaten en vanwege de discussies over soevereiniteit is daar ook voor gekozen. Nogmaals, wil Europa een rol spelen, dan is het essentieel dat er een gezamenlijk buitenlands beleid komt, maar daar heb je wel je eigen invloed op.

De heer Haverkamp (CDA): Hierover is geen verschil van mening tussen de minister en de CDA-fractie, maar ik proef alleen bij het Europees Parlement dat het steeds meer naar zich toe aan het harken is. Het wil er financiële controle op en met die financiële controle wil het straks ook beleidsinhoudelijke controle. Dan vraag ik mij af of het zwaartepunt bij het beleid niet verschuift van het met één mond spreken van de verschillende lidstaten naar een gemeenschappelijk Europees beleid.

Minister Verhagen: Daarom moet het een onafhankelijke dienst blijven. Dat vind ik echt van belang. Parlementen doen wel eens dingen waarover wij ons verbazen, maar dat is een essentieel onderdeel van de parlementaire controle. Als u er zo'n stellige opvatting over hebt, denk ik dat het wel zaak is om de contacten binnen uw politieke smaldeel goed te onderhouden.

De heer Haverkamp vraagt ook welke bezwaren er zijn van andere lidstaten. Deze staan los van de discussie over consulair of niet en gaan vooral over de quota die sommige lidstaten voor de eigen diplomatieke dienst willen. Wij houden vast aan de afspraak dat een derde deel van de diplomaten van EDEO afkomstig is van de lidstaten. Na een aantal jaren zal uiteindelijk wel een globale geografische verdeling gelden, zoals ook voor de Commissie als geheel geldt. Bij de rekrutering moet ik zeggen dat ik vasthoud aan een derde, maar dat dit niet betekent dat er zoveel diplomaten uit land X of uit land Y moeten komen. Ik vind dat kwaliteit en kwalificaties in dezen vooropstaan. Indien je die niet aanlevert of beschikbaar stelt, omdat je die liever wilt behouden voor je eigen nationale buitenlandse dienst, kan dat betekenen dat je 10 mensen houdt in plaats van 15. Omdat ik hier waarde aan hecht, zou het mij een lief ding waard zijn om dusdanige kwaliteit beschikbaar te stellen dat wij op 25 of 30 mensen uit Nederland uitkomen. Wanneer we een discussie gaan voeren dat er zoveel mensen uit Estland, zoveel uit Nederland en zoveel uit België moeten komen, is het volgens mij de dood in de pot. We moeten ervoor zorgen dat EDEO van een dusdanig kwalitatief hoog niveau is dat mevrouw Ashton en de Europese Unie er wat aan hebben.

De voorzitter: Voor zover de minister wat heeft toegezegd, heeft hij aangegeven dat deze toezeggingen via het verslag bij de Kamer terecht zullen komen, en daar gaan we dan ook vanuit.