Kamerstuk 21501-02-1097

Verslag van een algemeen overleg

Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Gepubliceerd: 14 oktober 2011
Indiener(s): Boris van der Ham (D66)
Onderwerpen: europese zaken internationaal
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-02-1097.html
ID: 21501-02-1097

Nr. 1097 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 oktober 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft op 15 september 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over:

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, landbouw en innovatie d.d. 12 september 2011 met de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken (over handelspolitiek) van 26 september 2011 (21 501-02, nr. 1087);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 24 mei 2011 met het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken (Handel) d.d. 13 mei 2011 (21 501-02, nr. 1063);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 10 mei 2011 met het Evaluatierapport Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en de beleidsreactie hierop (31 985, nr. 4);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 25 mei 2011 inzake de herziening van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (26 485, nr. 109);

  • de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 30 mei 2011 inzake het vrijhandelsakkoord van de EU en Colombia en Peru (21 501-02, nr. 1066);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 14 juni 2011 met de kabinetsreactie op de recente ontwikkeling in de Doha-onderhandelingen (25 074, nr. 172);

  • de brief van de staatssecretaris van buitenlandse Zaken d.d. 21 juni 2011 met de fiche inzake verordening algemene tariefpreferenties (22 112, nr. 1185).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Van der Ham

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Franke

Voorzitter: Van der Ham

Griffier: Blacquiere

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Van der Ham, Koppejan, Schaart, Smeets, Van Vliet,

en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Dames en heren, de staatssecretaris maakte zojuist zijn diepe verontschuldigingen voor het feit dat hij te laat is. De bewindslieden van ELI zijn vaker te laat. De Kamer zal zich hierover op een later moment met het ministerie verstaan. Kamerleden hebben het ook heel druk, maar zijn op tijd. Dit kan niet.

Ik open dit algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken over handelspolitiek.

De heer Van Vliet (PVV): Voorzitter. Wij spreken over buitenlandse handel. Ik heb hierover enkele vragen aan de staatssecretaris. Ik houd mij zoals gebruikelijk keurig aan de agenda. Als agendapunt staat de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) genoteerd. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat de FOM kostendekkend kan worden? Zou dit binnen drie jaar kunnen worden gerealiseerd? Ik informeer ook naar de rol van Agentschap NL. Vorig jaar was ik als een van de weinige parlementariërs aanwezig bij het overleg met de Algemene Rekenkamer over de begroting van Economische Zaken. Een van de grote minpunten was het optreden en het presteren van Agentschap NL. De Algemene Rekenkamer heeft dit ook gezegd. Ik heb hierover later met de minister gesproken. Nu krijgt Agentschap NL weer een rol. Zouden we die rol van Agentschap NL niet moeten beëindigen? Graag ontvang ik een reactie op dit punt.

Over de Doha-ronde heeft de Kamer ook in een vorig debat met de staatssecretaris gesproken. De PVV beschouwt de Doha als een dood paard en trekken aan een dood paard heeft niet veel zin. Mijn fractie zou graag willen dat het ministerie opkomt voor het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse economische ontwikkeling. Hoe ziet de regering dit met betrekking tot het sluiten van bilaterale handelsakkoorden? Is zij bereid op dit terrein actief te zijn en loopt er iets op het terrein van bilaterale akkoorden met derde staten?

Ik had voor aanstaande dinsdag een mondelinge vraag ingediend. Later kreeg ik te horen dat dat verzoek vanwege dit debat helaas niet is gehonoreerd. Ik stel de vraag nu in een enigszins gewijzigde vorm. Ik maak me net als veel Nederlanders zorgen over het feit dat wij iedere keer de loftrompet steken over de economische ontwikkeling van China. Dat heeft natuurlijk zijn redenen. De Chinezen zijn niet eerlijk in hun manier van handel drijven. Zij houden al 100 jaar de waarde van hun munt kunstmatig laag. Op die wijze kan iedereen de fabriek van de wereld spelen. Daarnaast betalen de Chinezen slavenlonen aan de mensen in de maakindustrie. In Nederland kunnen wij dit niet en daarom vind ik het niet eerlijk. De Nederlandse bedrijven ondervinden nog steeds zeer zware barrières bij het handeldrijven op de Chinese markt of bij het aldaar verkrijgen van opdrachten. De Chinezen kopen zelf de halve wereld op, strijken neer in Afrikaanse landen, gaan daar na een paar maanden plunderen weer weg en willen Griekse havens enzovoorts opkopen. Wat kan de Nederlandse regering c.q. het Nederlandse ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie doen om ervoor te zorgen dat Nederlandse bedrijven eerlijker kansen krijgen in China? Ik vraag dit met nadruk, omdat ik mij hierover grote zorgen maak. Deze vraag had ik dinsdag willen stellen, maar ik stel hem nu alsnog.

Ik kom op het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Er komt nu een APS-plus. Uiteindelijk gaan minder landen hiervan profiteren. Het wordt doelmatig ingezet, hetgeen een goede zaak is.

Ik had nog een punt over China, maar dat komt wellicht later in het debat. Ik houd het hierbij.

Mevrouw Smeets (PvdA): Voorzitter, ik begin over de Doha-ronde. De PvdA betreurt het dat er opnieuw een impasse is ontstaan. De Doha-ronde duurt al tien jaar en we komen helaas niet verder. Met name de ontwikkelingslanden worden hiervan de dupe. In de brief van 14 juni 2011 schrijft de staatssecretaris redelijk optimistisch dat er tussenakkoorden komen. Dit vooruitzicht zien we echter ook vervluchtigen. Vormen vooral de Verenigde Staten de dwarsbomer, omdat zij geen concessies willen doen aan de BRIC-landen? Is het niet mogelijk om te komen tot een handelsakkoord zonder de VS? Krijgen we misschien na de verkiezingen van november 2012 in de VS betere tijden wat betreft de WTO?

Welke inzet ziet Nederland op EU-niveau om uit de impasse te geraken? Graag hoor ik een reactie van de staatssecretaris op een bericht van vanochtend in het Agrarisch Dagblad. De Nederlandse permanente vertegenwoordiger, de heer Pieter Gooren, zegt: «De EU heeft geen kaarten meer in handen om onderhandelingen een stimulans te geven: de EU heeft in een hoog tempo geliberaliseerd en kan weinig weggeven. De verschillen tussen de 27 lidstaten zijn groot. Komt er een deal, dan is het voor de EU prima. Komt er geen deal, dan geldt hetzelfde.» Het was bijzonder om dit te lezen. Graag ontvang ik hierop een reactie van de staatssecretaris.

In mei zijn enkele van de hier aanwezige Kamerleden in Genève geweest en hebben zij gesproken met Pascal Lamy. Laatstgenoemde wilde ons ervan overtuigen dat de bilaterale akkoorden die worden gesloten geen goede weg vormen. Vorige week heeft de Kamer gesproken met Eurocommissaris De Gucht, die het tegenovergestelde beweerde. Hij gaf aan dat die bilaterale akkoorden straks in het multilaterale kader kunnen worden geplaatst. Wie van de heren heeft nu gelijk? Het is interessant om dat van de staatssecretaris te horen.

Ik kom op Rusland. De vorderingen om Rusland bij de WTO te betrekken lijken ertoe te leiden dat er in ieder geval eind van het jaar plek komt. Er is nog iets met technische standaarden. Heeft dit te maken met de auto-onderdelen? Zijn er onredelijke eisen op dit terrein? Het is ook interessant om van de staatssecretaris te horen welke invloed het importverbod van 2 juni jl. wegens de EHEC-bacterie heeft gehad op het verloop van de onderhandelingen.

De heer Van Vliet (PVV): Ik sluit mij aan bij het betoog van mevrouw Smeets. Het is een gegeven dat Rusland op een bepaald moment tot de WTO toetreedt. Dat is prima. Maakt mevrouw Smeets zich net als mijn fractie zorgen over het feit dat die WTO zelf enigszins een slappe hap club wordt? Gemaakte regels en afspraken, soms keihard op papier gezet, worden niet nageleefd. De WTO treedt hiertegen niet op. Ik kom weer terug bij China. Maakt mevrouw Smeets zich ook zorgen als Rusland als grote machtige economie met gigantische energievoorraden toetreedt, terwijl gemaakte afspraken niet worden afgedwongen?

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik maak mij zeer grote zorgen over de WTO. Daarmee ben ik begonnen. Ik neem de woorden «slappe hap» van de heer Van Vliet niet in de mond. Ik constateer alleen dat er niet voldoende doorzettingsmacht is om uiteindelijk die Doha-ronde af te sluiten. Mijn fractie wil dat heel graag, met name voor de ontwikkelingslanden. Ik ga ervan uit dat, gezien de politieke kleur van de PvdA, de PVV-fractie hierin anders staat.

De voorzitter: De heer Van Vliet maakt een instemmend handgebaar, maar hij mag dit ook woordelijk toelichten.

De heer Van Vliet (PVV): Nee, er komt een reactie. Ik begrijp het verschil in benadering. Mij gaat het vooral om de Nederlandse positie. Ik maak mij zorgen als de Nederlandse economische belangen op het spel staan en – «slappe hap» zijn inderdaad mijn woorden – die afspraken niet worden nageleefd. Rusland is niet zomaar een landje dat toetreedt. We zullen de Nederlandse economische belangen heel scherp in de gaten moeten houden.

Mevrouw Smeets (PvdA): Uiteraard is het van belang dat wij ook onze eigen belangen als handelsland zeer goed in de picture houden. Daarin vindt de heer Van Vliet de PvdA wel op zijn weg.

Voorzitter. Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de gehele Doha-ronde?

Ik noem nog een aantal zaken over de geannoteerde agenda en andere beleidsbrieven. Wat wordt er precies bedoeld met de zinsnede in de brief van de staatssecretaris over de liberalisering van goederen en diensten in een vrijhandelsakkoord met India?

Het Algemeen Preferentieel Stelsel verloopt op 31 december 2013. Dat hebben we ook van de Commissaris gehoord. Is het juist dat de meest vergaande variant op het APS, Everything But Arms (EBA), niet goed blijkt te werken in Afrika en niet leidt tot meer handel? Graag verneem ik van de staatssecretaris hoe dit komt.

Ik kom op het handelsverdrag met Colombia. De PvdA-fractie heeft in april haar zorgen geuit over het vrijhandelsakkoord vanwege schending van mensenrechten, martelingen enzovoorts. De staatssecretaris schrijft in zijn brief dat dat akkoord binnenkort zal worden gesloten. Hoe staan de vakbonden hiertegenover? Wordt daarover teruggekoppeld naar de Tweede Kamer?

Mevrouw Schaart (VVD): Voorzitter. Ik begin ook graag met de Doha-onderhandelingen. Enkele Kamerleden zijn inderdaad op een zeer interessant werkbezoek geweest. Het staat mij nog helder voor ogen dat we zelf geen onderhandelingspositie hebben, maar een en ander vooral via de EU laten verlopen. Dat is op zich prima. We moeten de staatssecretaris zeker verzoeken om het via dat gremium over de bühne te krijgen. Dat moet op zich wel lukken. Volgens de VVD-fractie hebben multilaterale overeenkomsten de voorkeur boven bilaterale. Als er echter bilaterale akkoorden worden gesloten, moeten die uiteindelijk aan het multilateraal akkoord worden toegevoegd. Dat is enigszins de gangbare weg binnen Doha. Er is tien jaar onderhandeld, maar men is niet veel verder gekomen. Er liggen wel allerlei deelakkoorden, waarover binnenkort gestemd wordt. Mijn fractie meent dat het handig is om in te stemmen met die deelakkoorden zonder daarbij afstand te nemen van die gehele Doha-agenda. Er worden dan in ieder geval wat stappen gezet. Het economisch belang hiervan is groot. Er is maar liefst 100 mld. welvaartswinst te behalen. Hoe groot acht de staatssecretaris de kans dat de gehele Doha-ronde echt wordt afgerond? In december van dit jaar worden die deelakkoorden in stemming gebracht. Is het wat betreft die gehele Doha-ronde de bedoeling om het op een akkoord te gooien?

Ik kom op China en protectionisme. Ik heb dit onderwerp al heel vaak ingebracht in onze gesprekken over handel. Het is mij een grote doorn in het oog. Wij zijn absoluut niet protectionistisch, wij zijn afhankelijk van open economieën. We doen dit ook goed. Juist door een financieel-economische crisis gaan veel meer landen zich protectionistisch opstellen. Zeker China heeft hiervan een handje. Ik was derhalve heel blij met de mondelinge vraag die de heer Van Vliet had aangemeld voor het Vragenuur van afgelopen dinsdag. Helaas heeft deze het niet gered. Ik deel absoluut de mening van de heer Van Vliet dat China een andere rol begint te krijgen. Het Nederlandse bedrijfsleven ziet heel veel kansen en doet het ook goed in China. Bijna de helft van de bedrijven die aan een onderzoek hierover hebben meegedaan, verwacht dat de aankomende jaren veel meer discriminatie zal optreden en er veel meer protectionisme zal bestaan. De Chinese regering heeft altijd gezegd dat China zichzelf moest beschermen omdat het nog niet zou kunnen concurreren met het buitenland. De ontwikkeling is nog lang niet evenwichtig, maar we moeten een en ander wel voor ogen houden. Gaat de staatssecretaris hierop op diplomatiek niveau iets ondernemen?

Ik heb nog enkele vragen over de FOM. De eventuele rol van de ambassades inzake de FOM komt niet terug in de brief van de staatssecretaris. Is het niet mogelijk om de kennis en ervaring van het ambassadenetwerk gerichter in te zetten voor instrumenten als de FOM? Ik noem bijvoorbeeld het identificeren van potentiële klanten. Op welke wijze sluit de FOM aan bij het nieuwe bedrijfslevenbeleid?

De heer Koppejan (CDA): De Doha-ronde verkeert inderdaad in een impasse. De CDA-fractie vindt het geheel stoppen met de onderhandelingen niet gewenst. Zij heeft hiervoor meerdere argumenten, maar die zal ik omwille van de tijd niet noemen. Is het op enigerlei wijze voortzetten van de gesprekken in het kader van de Doha-ronde, zij het op een lager pitje, ook de inzet van de Nederlandse regering? Is zij in afwachting van betere tijden? Hiervan zal met name sprake zijn na de Amerikaanse presidentsverkiezingen.

Het is van extra belang dat er energiek gewerkt wordt aan het afsluiten van nieuwe bilaterale handelsakkoorden. De heer Van Vliet noemde dit ook al. Deelt de staatssecretaris deze opvatting en wat doet hij eraan om het afsluiten van dergelijke free trade agreements te bevorderen in EU-verband? Deze akkoorden kunnen niet enkel betrekking hebben op tariefsverlaging, maar dienen ook te gaan om zogenaamde deep integration, het naar elkaar toegroeien van aspecten van economisch beleid en structuur. Deelt de staatssecretaris ook deze opvatting van het CDA?

Mijn fractie staat positief tegenover de FOM. Er zijn nog wel enkele verbeterpunten, onder andere op het terrein van de communicatie richting de doelgroep. Ik sluit mij graag aan bij mevrouw Schaart wat betreft het inzetten van de economische diplomatie, die wellicht hieraan een bijdrage kan leveren. Aan welke andere maatregelen denkt de staatssecretaris?

Er is ook enige onduidelijkheid over de modaliteiten in de communicatiehoek. Bestaat er onduidelijkheid over bepaalde FOM-criteria, waardoor de perceptie ontstaat dat bepaalde projecten buiten de boot vallen? De CDA-fractie vraagt de staatssecretaris maatregelen te nemen om duidelijkheid te scheppen met betrekking tot deze criteria.

Mevrouw Smeets (PvdA): Ik heb een vraag aan de CDA-fractie. De evaluatie is goed. De heer Koppejan memoreert dat ook. Kan de CDA-fractie als hoeder van het rentmeesterschap bij de PvdA aansluiten? De PvdA-fractie heeft problemen met het feit dat bedrijven die voor een en ander in aanmerking komen vaak hun mvo-beleid niet op orde hebben. Zij moeten hieraan werken. Op het moment dat bedrijven de financiering krijgen, hoeven zij niet per definitie mvo geïmplementeerd te hebben. Hoe staat het CDA hiertegenover?

De heer Koppejan (CDA): Het CDA is sterk voorstander van mvo. Mvo moet vanzelfsprekend zijn voor bedrijven. Het is een behoorlijk containerbegrip. Ik hoor graag van mevrouw Smeets op welke punten van mvo-beleid de bedrijven niet zouden voldoen. Dat maakt wel uit. Als het gaat om behoorlijke overtredingen, zoals bijvoorbeeld kinderarbeid et cetera, is een en ander vanzelfsprekend. Ik wil niet in algemene zin een toezegging doen, maar het CDA vindt net als de PvdA mvo heel erg belangrijk, ook als criterium. Er moet echter wel toegespitst zijn welke onderdelen het betreft.

Voorzitter. Ik kom op de OESO-richtlijnen en multinationale ondernemingen. Mijn fractie vindt deze heel belangrijk. Zij heeft enige vragen over de zogenaamde governance gap, waardoor internationaal vastgestelde normen ten aanzien van mensenrechten, milieu en arbeid niet overal worden toegepast en gehandhaafd. Het CDA is van mening dat bijsturing vanuit de overheid in het kader van gespreide verantwoordelijkheid hierbij noodzakelijk is. Deelt de staatssecretaris deze visie? Zo ja, welke maatregelen wil hij nemen om die governance gap bij te sturen? Mijn fractie gelooft ook in de bemiddeling van het Nationaal Contact Punt (NCP) tussen melders en een bedrijf. Daarnaast zou het NCP in zijn eindverklaring een uitspraak moeten kunnen doen over de naleving van richtlijnen door het bedrijf. Nederland heeft reeds voor een oordeelsvormende functie gepleit. Het CDA wil daarnaast ook duidelijk hebben wat nu precies de handvatten worden die het NCP tot beschikking heeft om daadwerkelijk ervoor te zorgen dat bedrijven zich aan die richtlijnen houden? Er zijn enkele voorbeelden te noemen, waarbij dit niet het geval is. Graag ontvang ik de visie van de staatssecretaris op dit punt.

Mijn fractie zou ook graag zien dat landen als China en India zich hieraan houden. Hoe groot acht de staatssecretaris de kans dat landen als India en China in de nabije toekomst de OESO-richtlijnen ook zullen onderschrijven?

Ik kom op het vrijhandelsakkoord met Columbia en Peru. De Kamer heeft een vakbondsdelegatie mogen ontvangen. Deze was nogal negatief over dit vrijhandelsakkoord vanwege de nog zeer ernstige mensenrechtensituatie in Colombia en Peru. Hoe kan dit akkoord een bijdrage leveren aan het verbeteren van die mensenrechtensituatie?

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik behandel achtereenvolgens de Doha-ronde, het akkoord met Columbia en Peru, India, Rusland, de OESO-richtlijnen, het FOM en overige zaken. Dit is de volgorde der dingen.

De voorzitter: Dat is goed. Wij hebben meegeschreven. Ik stel de Kamerleden per blokje in de gelegenheid om vragen te stellen.

Staatssecretaris Bleker: Zoals onlangs zijdens de Kamer werd gemeld, worden de onderhandelingen over de Doha mede namens Nederland door de Europese Unie gevoerd. Nederland is een van de 27 lidstaten. Uiteindelijk zal de Europese Unie, Eurocommissaris De Gucht en anderen, die onderhandelingen voeren. De inzet van de Europese Unie is altijd geweest om te komen tot een positieve afsluiting van de Doha-ronde. Dit is niet in het minst in het belang van ontwikkelingslanden, die de meeste baat zouden hebben een goed Doha-akkoord. Toen een compleet Doha-akkoord steeds minder realistisch werd, is er zijdens de Europese Unie ingezet op een specifiek akkoord ten bate van de ontwikkelingslanden. Dit bleek uiteindelijk niet mogelijk. Het is niet goed te bepalen of de Verenigde Staten, Rusland of China hiervan de veroorzaker is. Een ding is zeker: een en ander ligt in beide kampen. De Verenigde Staten wilden gegarandeerd toegang tot de Chinese markt, maar hierop werd ook niet royaal gereageerd. Van meerdere kanten liggen er heel harde en grote belangen, die uiteindelijk tot deze blokkade hebben geleid. Er wordt gesuggereerd dat als er eenmaal verkiezingen in de Verenigde Staten zijn geweest, een en ander weer binnen handbereik zou liggen. Wij vragen ons dit ten zeerste af. Het gaat om heel grote economische belangen. Hierover kan niet ineens heel makkelijk worden gedeald zodra een nieuwe, andere of dezelfde president stevig in het zadel zit als gevolg van nieuwe verkiezingen. We moeten hierover heel nuchter en realistisch zijn.

Moet je gaan voor bilaterale akkoorden en, zoals mevrouw Smeets aangaf, met name voor bilaterale akkoorden die uiteindelijk weer kunnen passen in een groot Doha-akkoord? Dat is op zichzelf een interessante route. Vanuit de Europese Unie wordt dit ook als een second best optie gezien. Mevrouw Smeets heeft twee Commissarissen geciteerd, de heer De Gucht en de heer Gooren. Het kabinet meent dat beiden gelijk hebben, maar de heer De Gucht het meest.

De heer Koppejan (CDA): Wat is nu de inzet van de staatssecretaris? Voortzetting van de Doha-rondes, weliswaar op een lager pitje, of ermee kappen?

Staatssecretaris Bleker: De inzet van Nederland is om een en ander voorlopig op de waakvlamstand te houden, maar de kraan niet dicht te draaien. Nederland wil een soort basis creëren, opdat ingeval van nieuwe ontwikkelingen je toch weer met die Doha-ronde verder kunt. Daarnaast zal er gewerkt worden aan bilaterale akkoorden. De vragen over de Doha-ronde zijn volgens mij goeddeels aan de orde geweest.

In december 2011 zal alweer de tweejaarlijkse ministeriële bijeenkomst van de WTO plaatsvinden. We zullen de toekomstagenda moeten bekijken, waarbij we de Doha wel in leven houden maar ook onder ogen moeten zien dat we niet kunnen afkoersen op een compleet akkoord. In de komende maanden zal er ook hard worden gewerkt aan de toetredingsgesprekken met Rusland inzake de WTO. Daarbij heeft Nederland belang. Op het moment dat Rusland toetreedt tot het WTO-systeem is het ook gecommitteerd aan de afspraken, bijvoorbeeld op fytosanitair terrein. Nu is dat wel eens een probleem. Je denkt afspraken te hebben, maar deze zien er in een bepaalde periode opeens anders uit. Je hebt dan in ieder geval afdwingbare afspraken met een land als Rusland, waar wij grote economische belangen hebben.

Mevrouw Schaart heeft gevraagd naar de kans van slagen van de deelakkoorden. Dit is niet gelukt wat betreft de minst ontwikkelde landen. De Verenigde Staten voelden ook niet voor een deelakkoord met de minst ontwikkelde landen. Naar aanleiding van de gestelde vragen over de Doha-ronde heb ik nu niets meer te melden.

Er werd nog gevraagd welke bilaterale akkoorden er nu lopen. We hebben Columbia en Peru.

De heer Van Vliet (PVV): Ik hoor wat de staatssecretaris zegt over eventuele bilaterale akkoorden tussen de EU en andere landen. Nederland heeft een heel uitgebreid verdragennetwerk wat betreft belastingverdragen. Die vormen een asset voor de Nederlandse economie. Wat zou erop tegen zijn om als Nederland een bilateraal akkoord te sluiten met een derde staat? Met bilateraal bedoel ik Nederland en een derde staat. Waarom moet dit iedere keer per se via Brussel?

Staatssecretaris Bleker: Daarmee komen we op Europa terecht. Daarover verschillen we mogelijk van mening met de heer Van Vliet. We hebben de competentie wat betreft het sluiten van dit type handelsverdragen op Europees niveau gelegd. Uiteindelijk is dit voor het Nederlandse bedrijfsleven en voor de Nederlandse exportpositie het beste. De heer Koppejan vroeg welke akkoorden er op de rol staan. De Europese Unie is in overleg met India en de Oekraïne. Met de Oekraïne zijn we vergevorderd. Het afsluiten van een akkoord met een land waarbij de ene president de vorige president zonder enige vorm van proces in de gevangenis zet, zien wij niet zitten. Dat moet eerst op een correcte wijze verlopen. Er loopt een belangrijk akkoord tussen de EU en de Oekraïne. Het Nederlandse bedrijfsleven is hierin behoorlijk geïnteresseerd. We hebben natuurlijk de Mercosur-onderhandelingen. Daarnaast wordt er met de Euromediterrane landen, zoals de golfstaat Libië, onderhandeld. Vanuit de Europese Unie staan er meerdere akkoorden op de rol.

Mevrouw Schaart (VVD): Onderhandelen we met Libië?

Staatssecretaris Bleker: Nee, nee, nee. Dat staat hier, maar dat kan niet. We onderhandelen met golfstaten. Dat moest niet Libië zijn.

De voorzitter: Het zou interessant zijn om te weten met wie we in dat geval onderhandelen.

Staatssecretaris Bleker: Het punt is wel interessant. Formeel heeft mevrouw Schaart gelijk. We onderhandelen met de Euromediterrane landen, te weten de golfstaten, Libië en Rusland, die inderdaad één groep vormen. We onderhandelen met die groep. Libië valt hieronder. Ik zou niet weten wie Libië vertegenwoordigt in dat platform, maar dat moeten ze onderling maar regelen.

Mevrouw Smeets (PvdA): Hoe gaat de staatssecretaris de Kamer informeren over die ministeriële bijeenkomst van de WTO in december?

Staatssecretaris Bleker: We zullen de Kamer hierover in januari een separate brief sturen.

De voorzitter: De staatssecretaris gaat door naar het kopje Colombia en Peru.

Staatssecretaris Bleker: Nederland steunt het vrijhandelsakkoord dat voor alle partijen voordelen biedt, ook voor de vakbonden in de betreffende landen. Dat betekent niet dat de mensenrechtensituatie in Colombia ons geen zorgen baart. We kennen natuurlijk ook de berichten over de schending van de mensenrechten aldaar en over de schending van vakbondsrechten. De mensenrechtensituatie in Colombia hoeft de ratificatie van het vrijhandelsverdrag niet in de weg te staan omdat het verdrag juist een positieve invloed beoogt te hebben op die situatie. Dit gebeurt indirect door welvaart en betere omstandigheden. Directer geschiedt dit door permanente gesprekken – in het verdrag is een speciaal comité geregeld – over de mensenrechtensituatie en de positie van de vakbonden en vakbondsleden in Colombia en Peru. Colombia organiseert eind 2011 een forum. Hierbij zal in samenwerking met de EU worden bekeken welke impact het handelsakkoord tussen de EU, Peru en Colombia heeft op de mensenrechten. Door de inwerkingtreding zal de mensenrechtendialoog tussen de EU en beide landen worden voortgezet met als oogmerk de verbetering hiervan. Wij zien dit als een positieve bijdrage aan het geheel, zonder dat hiermee de zorgen worden weggenomen.

De vraag werd gesteld welk type akkoord het betreft. In onze ogen is het een gemeend akkoord. Dit betekent dat het op een gegeven moment bij het parlement in procedure zal moeten komen.

Mevrouw Smeets (PvdA): De staatssecretaris noemt heel uitdrukkelijk dat de regering hierover tot dusver tevreden is. Hoe staan de vakbonden en de ngo's ertegenover? Als een en ander uiteindelijk, weliswaar indirect, beter is voor de arbeidsrechten en de mensenrechten, zou je kunnen concluderen dat de bonden en ngo's ook tevreden zijn.

Staatssecretaris Bleker: Er kan niet met zekerheid worden gezegd dat hierover volledige tevredenheid bestaat. Er is een internationale vakbeweging en 200 ngo's zijn van mening dat hierin goede elementen zitten. Er is echter niet een soort verklaring van goedkeuring in de trant van: «Zo is het helemaal oké.» De ngo's zijn straks indirect wel betrokken bij dat comité.

De voorzitter: De staatssecretaris gaat verder met het blokje India.

Staatssecretaris Bleker: In april of mei is er een grote handelsmissie naar India geweest. Dit land vormt een grote markt voor het Nederlandse bedrijfsleven. Het belangrijkste doel van de Europese Unie en van ons is het verwijderen van hoge tarieven voor chemie en landbouwproducten, het wegnemen van niet-tarifaire belemmeringen, het verruimen van toegang tot de dienstensector en het openen van de aanbestedingsmarkt in India voor het Nederlandse bedrijfsleven. Uit meerdere studies is gebleken dat de winst voor zowel India als voor de Europese Unie groot kan zijn als er een ambitieus en veelomvattend akkoord komt op meerdere punten. Dit komt onder meer door de technische kennisuitwisseling tussen bedrijven, schaalvergroting, specialisatie en meer van dergelijke zaken. De inzet is om het vrijhandelsakkoord nog dit jaar af te ronden. De onderhandelingen verlopen echter moeizaam, met name inzake de liberalisering van de dienstensector. De verwachting is dat er na de zomer, in de loop van de tweede helft van dit jaar, een volgende uitwisseling van officiële onderhandelingsteksten komt. Het hoofdstuk duurzaamheid wordt breed opgevat. Hieronder vallen arbeidsomstandigheden en meer van dat soort zaken. Het blijft een heikel punt. Nederland vindt het essentieel dat er zo'n duurzaamheidshoofdstuk in het akkoord komt. De positie van India is wat dit betreft nog niet 100% meegaand. Hierover zullen we de komende maanden meer duidelijkheid moeten krijgen. Ik meen dat India met name bezwaren heeft tegen het integraal opnemen van zo'n duurzaamheidshoofdstuk met alles wat erbij hoort in dat akkoord. De pap is nog niet gestort. Dat is een oud-Hollandse uitspraak. Het is ook Limburgs. Zo leren de Limburgers en Groningers elkaar nog eens wat.

De discussie over de dienstensector is niet eenzijdig. Wij willen toegang tot de dienstenmarkt in India en omgekeerd. Het is eigenlijk een win-winsituatie. Ook India heeft hierbij belangen, maar is tot nu toe huiverig voor het toelaten van Europese bedrijven op die dienstenmarkt. Overigens ga ik over twee weken voor een ontmoeting met een aantal bewindslieden naar India. Dit zal goed afgestemd zijn met de activiteiten die Eurocommissaris De Gucht onderneemt.

De heer Van Vliet (PVV): De staatssecretaris maakte een heel interessante slotopmerking. Hij gaat naar India. Op de vraag over die bilaterale akkoorden, antwoordde hij echter dat die competentie aan Brussel is afgegeven. Iedere keer als er een bewindspersoon naar het buitenland gaat om op economisch terrein iets te doen, kan men zich afvragen wat hiervan het nut is.

Staatssecretaris Bleker: Ik wil daarover wel iets zeggen.

De heer Van Vliet (PVV): De staatssecretaris heeft het zojuist eigenlijk al toegelicht. Hij heeft een en ander afgestemd met De Gucht. Hoe werkt dat dan? Hoe behartigt de staatssecretaris de specifieke Nederlandse belangen of hoe houdt hij deze in de gaten?

Staatssecretaris Bleker: Het sluiten van nieuwe verdragen met andere landen hebben we aan de Europese Unie toevertrouwd. Naar mijn overtuiging is dit terecht. Het praktisch functioneren en de praktische toegang van Nederlandse bedrijven binnen een bestaand verdragskader in bepaalde landen kunnen soms op belemmeringen stuiten. Als bewindspersoon uit Nederland ga je dan op pad om die belemmeringen binnen het huidige kader weg te nemen. Het gaat dan om het binnen de bestaande verdragen gericht wegnemen van belemmeringen voor bestaande bedrijven, die worden opgeworpen door andere landen. Getracht wordt deze te slechten in een overleg met collega's aldaar. Iedereen doet dat trouwens. Ik heb dat gedaan voor het gehele verhaal met Rusland. Het lijkt alsof ik als enige naar Rusland ben geweest voor die groenten. Toen ik er was, waren Denemarken en Spanje ook bezig. Dat hoort erbij.

De heer Van Vliet (PVV): De staatssecretaris haalt hiermee een heel goed voorbeeld aan. Ik kan het ook zeer waarderen. Als ik staatssecretaris zou zijn, zou ik ook mijn uiterste best doen. Moet de staatssecretaris de heer De Gucht ook eerst bellen als hij naar Rusland gaat om over die groenten te spreken?

Staatssecretaris Bleker: Nee, het is net andersom. Toen ik er was, werd ik gebeld door de heer De Gucht of door zijn hoogste ambtenaar met de vraag of ik dit ook voor hen wilde doen. Ik ben nu eenmaal een ontzettende Europeaan.

De voorzitter: We gaan naar het kopje Rusland.

Staatssecretaris Bleker: Zoals ik al zei, is het belangrijk dat Rusland toetreedt tot de WTO. Het is een belangrijke en grote groeimarkt. De handelsafspraken die binnen de WTO gelden moeten kunnen worden afgedwongen. Het is voor Nederland, dat bijvoorbeeld exporteert naar Rusland, niet altijd transparant waarom sommige zaken wel en andere zaken tijdelijk niet worden toegelaten. De Russen kunnen hiervoor best goede redenen hebben. Ik wil dat niet in twijfel trekken. Het is echter niet altijd transparant. Als je in WTO-verband opereert, moet je je aan die afspraken houden. Derhalve is het kabinet voorstander hiervan. We zijn er echter nog niet. Een aantal markttoegangsproblemen moet nog worden opgelost voordat Rusland kan toetreden. Ik hoop dat dit spoedig gebeurt, zodat tijdens de ministeriële bijeenkomst van de WTO in december Rusland kan toetreden.

Mevrouw Smeets heeft gevraagd of de EHEC-ontwikkelingen van invloed zijn geweest op die onderhandelingen. Nee, voor zover wij hebben kunnen waarnemen, is dit niet het geval. Het heeft ons wel erin gesterkt dat we een en ander moeten oplossen en dat we belang hebben bij de toetreding van Rusland tot de WTO.

Er is gevraagd of de kwestie van de auto-onderdelen een rol speelt. Het antwoord hierop is volmondig ja. Het is een belangrijk punt voor zowel de Europese Unie als voor de Russen. De Europese Unie heeft onderscheidende belangen. De auto-industrie in Italië en Frankrijk heeft andere belangen dan de auto-industrie in Duitsland. De Duitsers maken veel grote auto's, de Italianen en Fransen maken vooral kleine auto's. Als de Russen meer toegang krijgen, niet zozeer door toetreding tot de WTO, maar met name ook door een verdrag met de Europese Unie, en zij vooral veel kleine auto's maken, is dit vooral lastig voor de Fransen en de Italianen. De Duitsers hebben hiervan niet zo veel last, omdat de Russen niet concurreren met hun BMW's, Audi's enzovoorts. Europa heeft ook binnenslands onderscheidende belangen.

De heer Van Vliet (PVV): De PVV is ook voorstander van vrijhandel. Soit, als dat via de WTO als instituut moet geschieden. Als die Russen komen worden er afspraken gemaakt. Kan de staatssecretaris nogmaals toelichten op welke wijze die afspraken kunnen worden afgedwongen? Hoe werkt dit? Ik heb een voorbeeld van Saoedi-Arabië, dat op schrift heeft verklaard dat het wilde toetreden tot de WTO en in ruil hiervoor zou stoppen met de handelsboycot met Israël. Dat is echter niet gebeurd en het wordt ook niet afgedwongen. Hoe gaat dat met die Russen?

Staatssecretaris Bleker: We hebben een systeem waarbij we als het ware om een sanctie kunnen verzoeken. Een land kan via de Europese Unie een sanctie verzoeken als er sprake is van overtreding van een WTO-regel. Er volgt een juridische procedure waaraan het land, in dit geval Rusland, gebonden is. Het is allemaal wat beter ingekaderd en geformaliseerd. Dat wil niet zeggen dat het van de ene op de andere dag dik voor elkaar is. Dat ben ik met de heer Van Vliet eens.

De voorzitter: We komen op de OESO.

Staatssecretaris Bleker: De heer Koppejan heeft gevraagd op welke wijze we een en ander kunnen afdwingen en hij heeft geïnformeerd naar de bijsturing van de governance gap. Nederland meent dat internationaal op het terrein van mvo een vooruitstrevende positie moet worden ingenomen. Wij hebben dit gedaan en dragen dit ook uit, bijvoorbeeld door de OESO-richtlijnen als de referentie voor mvo te hanteren. De herziene richtlijnen zijn het resultaat van een intensief onderhandelingstraject tussen de 42 betrokken landen en vertegenwoordigers van vakbonden, werkgeversorganisaties en maatschappelijke organisaties. Er is een compromis op een enkel punt. Dit is ook door een van de Kamerleden genoemd. De regering zou een stap verder willen gaan, maar hiervoor was geen draagvlak. Een en ander had betrekking op de juridische verplichtingen. De heer Koppejan en mevrouw Smeets spraken hierover. Uiteindelijk is sprake van een compromis, maar hiermee kunnen we wel werken. We hebben een vooraanstaande rol gespeeld in de totstandkoming van de richtlijnen. De nieuwe tekst is een substantiële verbetering en leidt tot een referentie voor bedrijven inzake fatsoenlijk internationaal ondernemen. Dat is het belangrijkste punt.

Wat is er verbeterd? Er is een apart hoofdstuk over mensenrechten toegevoegd. De richtlijnen bevatten meer aanbevelingen voor risicoanalyses inzake de verantwoordelijkheid van bedrijven voor effecten in hun toeleveringsketen. Dat is ook een belangrijk punt. We hebben dit voorjaar een discussie gehad over onder meer C&A en wat dies meer zij. De update zorgt voor meer level playing field voor de Nederlandse bedrijven, doordat de werkwijze van de nationale contactpunten, de ncp's, naar het niveau gaat dat in Nederland al langer de praktijk was. De gemeenschappelijke richtlijnen, die wellicht niet helemaal naar onze wens zijn, gelden voor alle deelnemende landen en deelnemende bedrijven. Dat zijn de belangrijkste punten inzake de OESO.

Ik kom op de bijsturing van de governance gap. De heer Koppejan vroeg of wij de mening delen dat bijsturing vanuit de overheid nodig is om die global governance gap te verminderen. Ja, die delen we. Wij hechten daarom veel waarde aan internationale afspraken, initiatieven en samenwerking, zowel multinationaal in bijvoorbeeld ILO-verband als qua bilaterale contacten. Wij zetten daarbij ook in op een level playing field. Er is nu een behoorlijk aantal landen aangesloten, zoals Brazilië en Argentinië. Dat is van belang. Op de vraag of wij de visie delen dat bijsturing vanuit de overheid nodig is, luidt het antwoord ja.

De voorzitter: Zijn hierover nog vragen? Anders gaan we door naar de Faciliteit Opkomende Markten.

Staatssecretaris Bleker: Kan er een sterkere informatierol voor de economische diplomatie op de ambassades worden vormgegeven om meer bekendheid te geven aan de FOM? Ja, dat moet gebeuren. We hebben ingezet op versterking van die economische diplomatie in landen die wij beschouwen als extra kansrijk voor het Nederlandse bedrijfsleven. Dit gebeurt ook vanuit de ambassades.

Hoe kan het zijn dat er onduidelijkheid bestaat over bepaalde criteria? Die onduidelijkheid zit aan twee kanten. De overheid kan het nog duidelijker uitleggen. Hiertoe is extra informatie en communicatie nodig. Wij nemen een en ander op dit moment onder de loep, teneinde het te verbeteren.

Welke concrete maatregelen hebben wij in gedachten om het bereik van de Facilitair Opkomende Markten onder het bedrijfsleven te vergroten? De rol van de ambassades en de samenwerking met banken en intermediairs zijn van belang plus de zaken die ik zojuist al heb genoemd.

De heer Van Vliet stelde een vraag over kostendekkendheid binnen drie jaar. De FOM is kosteneffectief en op lange termijn ook kostendekkend. Het fluctueert echter wel in de jaren. Je moet een en ander over een langere periode bekijken en dan kun je zien dat het als het ware neutraal verloopt.

Komt de toezichthoudende taak van Agentschap NL te vervallen? Ja, de taak van Agentschap NL beperkte zich grotendeels tot een administratieve controle en omvatte geen eigen inhoudelijke analyse. In overleg met Agentschap NL, de ordedienst van ons ministerie en FMO is inmiddels bezien of op basis van een controleprotocol de verantwoording van FMO voor de FOM voldoende gewaarborgd zal zijn. Dat blijkt nu het geval. De toezichthoudende taak zal derhalve aan het eind van 2011 komen te vervallen. Agentschap NL wordt sowieso in zijn taken beperkt doordat we, zoals de Kamer weet, een aantal subsidies beperken dan wel geheel afschaffen. Dat is de situatie, maar er blijft natuurlijk wel een kerntaak over.

De voorzitter: De staatssecretaris is aan het einde van zijn beantwoording.

Staatssecretaris Bleker: Nee, ik kom nog te spreken over China.

Je moet alles betrekkelijk zien. Uit de cijfers blijkt dat de export naar China groeit. Je hebt soms ook spectaculaire groei heel dichtbij huis. Gisteren heb ik het voorbeeld genoemd van 2004, waarin sprake was van 3,5 mld. export naar Polen. In 2008 was sprake van 7,5 mld., een verdubbeling binnen vier jaar na toetreding tot de EU. Polen is 600 kilometer hiervandaan, na acht uur rijden ben je er. We moeten heel veel doen in China en in andere opkomende markten. Er is echter ook heel potentie binnen de Europese Unie, waarvan je denkt: verdraaid! Dit wilde ik kwijt. Mij is niet geadviseerd om dit te zeggen, maar ik meende het wel te moeten doen.

De voorzitter: U bent uiteindelijk de baas. Yes, minister!

Staatssecretaris Bleker: Zo is het. Het is voor buitenlandse ondernemingen niet altijd even makkelijk om zaken te doen in China. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Zij hebben liever een duidelijk nee op drie punten en een duidelijk ja op drie andere punten, dan onduidelijkheid op zes punten. Hiermee hebben we bijvoorbeeld met China van doen. Qua economische diplomatie en de inrichting van dat postennetwerk hebben wij hoge prioriteit aan een land als China gegeven. In de reisagenda van de bewindspersonen heeft China ook prioriteit. Zolang er met elkaar geen 100% duidelijkheid bestaat en er geen sluitende akkoorden zijn, blijven er onduidelijkheden voor het bedrijfsleven en moet je zo nu en dan, ook vanuit de politiek, interveniëren. Soms gebeurt dit met enig succes, soms komt dit succes pas na verloop van tijd. Het is all in the game. Gisteren sprak ik een bedrijf dat al zeven jaar in China zit en eigenlijk nog nooit echt winst heeft gemaakt. Het blijft aanlopen tegen een bepaald type belemmeringen, waarop het geen grip krijgt. Je kunt een afspraak hebben met een nationale overheid, maar je moet zaken doen met een provincie of regio die vaak twee keer zo groot is als Nederland. Het is gewoon bikkelen. Sinds 1 augustus 2004 is er een investeringsbeschermingsovereenkomst tussen Nederland en China. Deze goede overeenkomst mag er echt zijn. De EU en China hebben vorig jaar besloten om de onderhandelingen voor te bereiden voor een investeringsovereenkomst, de IBO. Voorlopig doen wij het met de onze. De investeringsovereenkomst tussen de EU en China mag geen lagere standaarden bevatten dan die Nederland nu heeft.

Ik kan mij niet vinden in de wijze waarop de heer Van Vliet zich uitte over China. China is een groeimarkt. Wat betreft de toegang tot die markt is het roeien met de riemen die je hebt. We moeten blijven roeien. We moeten proberen om afspraken te maken aan de hand van akkoorden. Dat is de weg. We hebben geen zeggenschap over de economie, de arbeidsvoorwaarden, de beloning enzovoorts in een land als China. Naarmate China meer op het wereldtoneel acteert, ook in termen van handel en economie, zal er ook een interne drive in het land ontstaan tot normalisering van bijvoorbeeld de arbeidsvoorwaarden, beloning en meer van dat soort zaken. Een half jaartje geleden zat ik met een ondernemer in het vliegtuig. Hij kwam vanuit China en ik vanuit Vietnam. Hij had een kledingketen en liet de kleding in China maken. Waarschijnlijk was dat het laatste jaar en zou hij de kleding weer in Nederland laten maken. China was minder goedkoop dan een aantal jaren geleden en de kwaliteit werd er niet beter op. China kan zich niet alles permitteren, ook niet wanneer Nederlandse bedrijven hun werk daaraan uitbesteden enzovoorts. Naarmate zo'n land meer in een wereldgemeenschap moet acteren, ook economisch, ontstaat er een soort beschavingsdrive. Het zal wel een hele tijd duren, maar het gebeurt wel.

Mevrouw Schaart (VVD): Staat dit op diplomatiek en Europees niveau ook hoog op de agenda? China wordt door velen wel gezien als een soort inferieure economie waar andere kwaliteiten worden gehanteerd dan in Europa. Ik vind het een ongelooflijk slim, gewiekst en heel gestructureerd land. Zie maar eens wat China doet op de kapitaalmarkten, waarvoor het ook een en ander terugvraagt. Het neemt strategische posities in in Europa, zoals havens in Griekenland en andere gebieden. Is hiervoor op diplomatiek niveau aandacht, zowel in Europa als in Nederland?

Staatssecretaris Bleker: Dat is absoluut het geval. Als Nederlandse of Europese bedrijven in China aanlopen tegen onredelijke situaties, waardoor zij zich niet kunnen ontwikkelen, expanderen of zelfs niet vestigen, dan wenden wij ons op Europees dan wel op nationaal niveau rechtstreeks tot de Chinese autoriteiten. De minister is in mei nog in China geweest. Onder meer de import van vlees is toen aan de orde geweest. Dat is een deel van het verhaal. Hiervoor is voldoende aandacht. Het feit dat China investeert en participeert in Europese bedrijven of Europese landen moeten we niet bij voorbaat als bedreigend en angstig zien. We vinden het juist goed dat er buitenlandse participatie in de Europese landen en Europese bedrijven plaatsvindt. Europese bedrijven doen dit nog steeds op grote schaal. Er wordt vanuit Europa meer geïnvesteerd in andere landen dan vanuit andere landen in Europa. Je moet hiermee nuchter omgaan. De economie is enigszins multicultureel.

De heer Van Vliet (PVV): Mijn vragen voor het mondeling Vragenuur kwamen voort uit een artikel in de Volkskrant. Ik heb als fiscalist voor een bedrijf gewerkt dat een machine aan China verkocht. Het is algemeen bekend dat Chinezen er maar één kopen, omdat ze deze willen namaken. Het betreffende bedrijf heeft dit ook gedaan. Er is toen een juridische procedure geweest. Vervolgens ontplofte die machine, want dat gebeurt ook vaak; de Chinezen kunnen een en ander vaak niet. Het bedrijf waarvoor ik werkte, had een handelskantoortje. Het rondpompen van banktegoeden werd daarna systematisch getraineerd. Dat is China. Alvorens China bij de WTO komt, zou ik willen weten of er procedures lopen. Zijn mensen bezig om China eindelijk eens aan afspraken te houden? Heeft de staatssecretaris zicht hierop?

Staatssecretaris Bleker: Als er sprake is van ernstige overtredingen, vragen wij de Europese Unie om een WTO-panel te starten. Dat is bijvoorbeeld gedaan op het terrein van grondstoffen. De Europese Unie is toen in het gelijk gesteld. Een en ander kan niet bij individuele bedrijven, maar het moet structureel zijn. Dit is de situatie.

De voorzitter: Goed. Dat was de beantwoording van de staatssecretaris. Hebben de Kamerleden nog behoefte aan een tweede termijn?

De heer Van Vliet (PVV): Mijn fractie wil een serieus signaal afgeven. Ik verzoek de staatssecretaris al het mogelijke te doen om in de gaten te houden dat we eerlijk handel kunnen drijven met China. Dat statement wil ik maken.

De voorzitter: Dat is een statement. De staatssecretaris kan hierop ingaan, maar hoeft dit niet te doen. Hij heeft hierover reeds iets gezegd.

Er is een toezegging gedaan. Ik zal deze herhalen, opdat we elkaar hieraan kunnen houden. De staatssecretaris zal in januari een separate brief sturen over de voortzetting van de Doha-onderhandelingen. Met die toezegging sluit ik dit algemeen overleg. Ik bedank de ambtenaren, de staatssecretaris, de belangstellenden op de publieke tribune, de Kamerleden en de griffier voor hun aanwezigheid.