Voorgesteld 5 februari 2026
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Thorbecke een fel tegenstander was van de ledenpartij;
overwegende dat hij vreesde dat volksvertegenwoordigers gereduceerd zouden worden tot partijvertegenwoordigers;
constaterende dat hij gelijk heeft gekregen;
constaterende dat parlementariërs het staatsrechtelijke principe dienen te eerbiedigen dat zij moeten handelen zonder last of ruggespraak;
constaterende dat ledenpartijen een aantasting betekenen van het mandaat van gekozen parlementariërs en dus schadelijk zijn voor de parlementaire democratie;
verzoekt de regering een einde te maken aan de subsidie voor politieke partijen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Martin Bosma