Het bericht ‘Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd»?1
Ja, daar is het kabinet bekend mee.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat duizenden hartpatiënten in Nederland jarenlang hebben rondgelopen met een ICD-draad die mogelijk sneller stukgaat dan zou moeten, terwijl zij daar niet actief over zijn geïnformeerd?
Het kabinet begrijpt de zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van de berichtgeving over de Linox-draden. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische hulpmiddelen veilig zijn en dat signalen over mogelijke risico’s zorgvuldig worden opgevolgd.
Tegelijkertijd is het van belang de feiten zorgvuldig te wegen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat cardiologen vanaf ongeveer 2013/2014 signalen van mogelijke problemen met deze specifieke lead serieus hebben genomen. Zij hebben deze signalen gemeld bij de fabrikant en de toezichthouder en hebben ervoor gekozen patiënten met deze leads extra te monitoren. Daarbij werden patiënten bij wie daadwerkelijk slijtage of andere problemen werden vastgesteld, geïnformeerd en behandeld.
Het klopt dat niet alle patiënten met een Linox-draad destijds actief zijn benaderd. Volgens de betrokken cardiologen was daarvoor gekozen, omdat er geen officiële veiligheidswaarschuwing of terugroepactie van de fabrikant of toezichthouders was afgegeven en een algemene waarschuwing tot onnodige onrust en mogelijk risicovolle medische ingrepen zou kunnen leiden.
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten tijdig en volledig worden geïnformeerd over relevante risico’s die hun gezondheid kunnen raken. Tegelijkertijd moeten zorgverleners steeds een zorgvuldige afweging maken tussen het informeren van patiënten, de beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment en de mogelijke gevolgen van aanvullende medische interventies. Het kabinet zal bij de beroepsgroep benadrukken dat dit een afweging is die regelmatig opnieuw moet worden bezien.
Klopt het dat tussen 2006 en 2019 bij minstens 4.600 Nederlandse patiënten een Linox-draad van fabrikant Biotronik is geïmplanteerd en dat naar schatting nog zeker duizend mensen in Nederland met zo’n draad rondlopen?
Uit contact met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (hierna: NVVC) heeft de IGJ opgemaakt dat de genoemde cijfers inderdaad vergelijkbaar zijn.
Klopt het dat cardiologen in binnen- en buitenland al jarenlang signalen zagen dat deze ICD-draden sneller kapotgingen dan andere draden? Zo ja, sinds wanneer waren de fabrikant, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en betrokken ziekenhuizen hiervan op de hoogte?
In 2014 zijn de Linox-draden besproken in een overleg tussen de IGJ, NVVC, de Netherlands Cardiovascular Data Registry (NCDR) en de Nederlandse Hart Ritme Associatie (NHRA)). De meldingen over de Linox-draden laten geen opmerkelijke verschillen zien met meldingen over andere leads. Daarnaast zijn er geen tegengestelde signalen ontvangen vanuit andere Europese en mondiale toezichthouders. De IGJ had daarom geen reden om aan te nemen dat de Linox-draden minder presteren dan vergelijkbare leads en zag geen aanleiding tot een vervolgactie.
Naar aanleiding van de vragen van Investico en Nieuwsuur heeft de IGJ onlangs opnieuw gesproken met de NVVC en NHRA over de zorgen die cardiologen hebben over deze leads en de wijze waarop de fabrikant omgaat met meldingen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de IGJ vragen uitstaan bij de fabrikant over zijn systeem van post market surveillance. Daarnaast gaat de IGJ de prestaties van de leads bespreken met de betrokken autoriteit in Duitsland, waar de fabrikant is gevestigd.
Kunt u verklaren waarom patiënten niet actief zijn gewaarschuwd, terwijl het gaat om een implantaat in hun lichaam dat bij defecten onterechte, zeer ingrijpende shocks kan geven? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie patiënten niet informeerde omdat zij het vertrouwen in hun apparaat niet wilde aantasten, en hoe beoordeelt u die afweging?
Hierbij wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat bij de IGJ in Nederland ten minste 59 meldingen zijn binnengekomen van onterechte shocks door deze draden, waarvan de meest recente melding uit 2026 komt? Hoeveel meldingen van defecten, complicaties en andere problemen met deze draden zijn in totaal bekend?
Nederlandse ziekenhuizen plaatsen jaarlijks ongeveer tienduizend ICD-draden. De IGJ ontving sinds 2009 in totaal 425 meldingen over Linox-draden. Bij 83 van deze meldingen ging het om onterechte shocks. De IGJ ziet hierin geen verschillen met de meldingen over andere leads.
Welke concrete stappen worden momenteel gezet om patiënten die nog met deze Linox-draden rondlopen persoonlijk te informeren over de mogelijke risico’s en over wat dit voor hen betekent? Kunt u garanderen dat geen enkele patiënt tussen wal en schip valt?
Patiënten worden benaderd wanneer daar aanleiding toe is vanuit de normale ziekenhuiscontrole of thuismonitoring. Verder heeft de NVVC informatie beschikbaar gesteld aan cardiologen, verpleegkundigen, pacemakertechnici, de Hartstichting en patiëntenorganisatie STIN, zodat patiënten en hun omgeving kunnen worden voorgelicht.2 Patiënt die vragen hebben, worden verwezen naar hun eigen cardioloog of behandelcentrum.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor het toezicht op fabrikanten van medische hulpmiddelen en voor de manier waarop patiënten worden geïnformeerd bij signalen over mogelijk falende implantaten?
Deze casus bevestigt het belang van aandacht voor de informatiepositie van patiënten in de regelmatige onderlinge informatie-uitwisseling tussen de inspectie en beroepsgroep. Deze informatie-uitwisseling is onderdeel van het toezicht op de post-market fase, omdat dit ten goede komt aan de monitoring van de kwaliteit van medische hulpmiddelen en daarmee aan de zorgvuldige en veilige zorg voor patiënten.
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Ja.
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Het kabinet zet zich onverminderd in om deze praktijk te voorkomen en te bestrijden.
Uit het onderzoek van Pharos blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Verder laat het onderzoek zien dat het geschatte aantal meisjes dat in de komende twintig jaar reëel risico loopt is gedaald: van ongeveer 4.190 in 2018 naar ongeveer 2.606 in 2023. Volgens de onderzoekers hangt deze daling vooral samen met een verfijning van het rekenmodel, waarin rekening wordt gehouden met veranderende opvattingen na migratie en vooral het lagere risico onder de tweede generatie. Dit duidt erop dat preventie en bewustwording effect hebben.
VGV komt wereldwijd voor in verschillende landen en gemeenschappen en is niet exclusief verbonden aan één religie of herkomst. Vrouwelijke genitale verminking wordt niet veroorzaakt door immigratie, maar komt voort uit sociale normen, culturele opvattingen (over vrouwelijkheid, huwelijk, seksualiteit en sociale acceptatie) en tradities, en sociale verwachtingen die daaruit voortkomen. Mensen handelen niet enkel op basis van persoonlijke overtuigingen maar ook vanuit normen en verwachtingen vanuit de gemeenschap of familie. Pharos merkt op dat deze normen in veel landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt veranderen, onder meer na migratie en onder invloed van onderwijs, wetgeving, preventie en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Dreigende vrouwelijke genitale verminking kan reden zijn om asielbescherming te bieden. Op die wijze kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling.
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Op basis van signalen van professionals en beschikbare kennis stelt Pharos dat VGV in Nederland zelf niet wordt uitgevoerd. Voor meisjes bestaat het risico om tijdens verblijf in het buitenland te worden besneden. Op dit moment doet Pharos een uitvraag onder professionals met de vraag in hoeverre zij te maken hebben gehad met minderjarige meisjes die in Nederland wonen of onder Nederlands recht vallen, en van wie zij wisten of vermoedden dat zij na migratie zijn besneden. Uit een tussentijdse analyse onder bijna 250 professionals, zoals JGZ-professionals, huisartsen en gynaecologen, komen tot nu toe geen bevestigde gevallen naar voren van meisjes die na migratie, terwijl zij in Nederland woonden, zijn besneden. Het is mogelijk dat vrouwen en meisjes in landen van herkomst slachtoffer zijn geworden van vrouwelijke genitale verminking en op latere leeftijd naar Nederland verhuizen.
In Nederland wordt daarom vooral ingezet op preventie en voorlichting, onder andere via de jeugdgezondheidszorg, zorg en ondersteuning voor slachtoffers, en samenwerking met betrokken gemeenschappen, sleutelpersonen en ketenpartners. De verklaring tegen meisjesbesnijdenis kan aan ouders worden meegegeven als zij afreizen naar het land van herkomst. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen en bevat informatie over hoe schadelijk meisjesbesnijdenis is en dat dit strafbaar is in Nederland.
UNICEF schat dat op dit moment ten minste 230 miljoen meisjes en vrouwen in 31 landen leven met de gevolgen van VGV. In de afgelopen tien jaar is het percentage meisjes van 15 tot 19 jaar dat de praktijk heeft ondergaan gedaald van 41 procent naar 34 procent (UNICEF, 2025). Nederland ondersteunt partners die schadelijke praktijken zoals VGV tegengaan, zoals via het Future4Binti programma (2026–2030) in Oost-Afrika.
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Het is van groot belang dat professionals het gesprek over VGV tijdig en zorgvuldig aangaan wanneer er signalen of risico’s zijn. Terughoudendheid die de bescherming van meisjes in de weg staat is niet wenselijk. Het uitgangspunt is dat signalen van mogelijke VGV altijd serieus worden genomen en dat professionals weten hoe zij, met oog voor culturele sensitiviteit én de veiligheid van het kind, het gesprek kunnen voeren en passende stappen kunnen zetten. Om die reden wordt ingezet op het versterken van de deskundigheid en het handelingsperspectief van professionals, onder andere via richtlijnen, training en voorlichting. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling biedt professionals een stappenplan om signalen van onder andere VGV zorgvuldig te beoordelen en hierop te handelen. Daarnaast zijn er diverse trainingen gericht op gespreksvoering beschikbaar en wordt een richtlijn ontwikkeld voor de Jeugdgezondheidszorg waarin handvatten voor professionals zijn opgenomen.
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal meldingen van vermoedens van VGV in de afgelopen vijf jaar. Dit kan onder meer samenhangen met de verborgen aard van VGV en het feit dat VGV vaak in het buitenland plaatsvindt. Als (zorg)professionals in Nederland een slachtoffer zien dat al VGV heeft ondergaan, wordt veelal ingezet op ondersteuning en hulp van het slachtoffer in plaats van melden bij Veilig Thuis.
Het kabinet is niet voornemens om een meldplicht in te stellen, een meldplicht kan juist averechts werken en een drempel vormen om hulp te zoeken. In Nederland wordt gewerkt met de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, die professionals ondersteunt bij het signaleren en beoordelen van signalen om zo de nodige passende stappen te zetten. Bij signalen van vrouwelijke genitale verminking is het belangrijk dat professionals contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is aan organisaties om kennis en kunde over de meldcode onder werknemers blijvend te bevorderen. In de meldcode is opgenomen dat bij acuut en structureel geweld het de professionele norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis. Daarnaast loopt er momenteel een verkenning naar een brede adviesplicht om de adviesfunctie te versterken, waarbij professionals advies moeten vragen als zij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (waaronder vrouwelijke genitale verminking) hebben.
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Vrouwelijke genitale verminking is momenteel al strafbaar als (zware) mishandeling op grond van de artikelen 300 tot en met 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt momenteel gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 961), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9).
Verder is uw Kamer in december 2025, middels de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, geïnformeerd over de beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking». In deze beleidsreactie wordt – in reactie op één van de aanbevelingen – vermeld dat juridisch zal worden onderzocht of en hoe preventieve beschermingsbevelen mogelijk kunnen worden gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod, waarin ook wordt verkend of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. In de verkenning worden ook de mogelijkheden onderzocht van een uitreisverbod ingeval van een risico op vrouwelijke genitale verminking, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. De eerste bevindingen van deze verkenning zullen begin 2027 met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot merk ik op dat de aanpak van vrouwelijke genitale verminking onderdeel uitmaakt van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet heeft met het plan «Stop femicide!» stevige maatregelen getroffen ten aanzien van vroegsignalering, een versterkte samenwerking en het bieden van tijdige en effectieve bescherming aan (potentiële) slachtoffers. Op 10 juli 2025 is de Kamer reeds geïnformeerd over de voortgang van de prioriteiten uit dit plan van aanpak. Daarnaast is de Kamer middels eerdergenoemde Kamerbrief geïnformeerd over de aanstelling van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, die – naar verwachting – voor de zomer zal worden aangesteld.
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 6, is vrouwelijke genitale verminking een ernstig misdrijf en in Nederland strafbaar gesteld als (zware) mishandeling. Afhankelijk van hun precieze rol, is het in voorkomende gevallen mogelijk dat personen die de genitale verminking niet zelf toebrengen, zich schuldig maken aan strafbare deelneming hieraan. Verder biedt artikel 284 Sr de mogelijkheid om personen die een vrouw of meisje dwingen genitale verminking te ondergaan (ook als dit in het buitenland plaatsvindt) strafrechtelijk te vervolgen. Zoals hiervoor bij vraag 6 aan de orde is gekomen, zal de strafbaarheid met het daar genoemde implementatiewetsvoorstel verder worden uitgebreid naar personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te beoordelen of sprake is van strafbaar handelen en of strafrechtelijke vervolging aangewezen is.
Wanneer een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwelijke genitale verminking dan zal zo mogelijk de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke rechterlijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen, asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije, moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking is op dit moment in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr) en is het mogelijk dat personen die genitale verminking faciliteren zich in voorkomende gevallen schuldig maken aan strafbare deelneming aan dat feit. Zoals in reactie op vraag 6 aan de orde is gekomen, wordt met het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn EU 2024/1385 de strafbaarheid verder uitgebreid tot personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen vrouwelijke genitale verminking te ondergaan, waarmee eveneens uitvoering wordt gegeven aan de daar al genoemde motie-Eerdmans.
Wat betreft het intrekken van de verblijfsvergunning geldt hetgeen in het antwoord op vraag 7 is aangegeven. Hetzelfde is ook van toepassing op vreemdelingen die een dubbele nationaliteit hebben, tenzij één van die nationaliteiten die van Nederland is. Nederland mag geen eigen onderdanen het land uitzetten.
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Zoals geformuleerd in antwoord op vraag 2 wordt vrouwelijke genitale verminking niet veroorzaakt door immigratie en kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Het bericht dat minima noodzakelijke mondzorg mijden vanwege de kosten |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandarts Ruud ziet wanhoop bij minima, maar straks kunnen zij bij hem terecht: «Iedereen heeft zelfde verhaal»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een smalle beurs noodzakelijke mondzorg uitstellen omdat zij bang zijn de rekening van de tandarts niet te kunnen betalen?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts, 82% bezoekt minimaal een keer per jaar de tandarts. Daar zitten dus ook mensen met een smalle beurs tussen. Voor veel mensen, en ook mensen met een smalle beurs, is mondzorg financieel toegankelijk. Bijvoorbeeld via aanvullende verzekeringen of, specifiek voor minima, een gemeentepolis. Tegelijkertijd is er een groep van naar schatting 640.000 volwassenen die om financiële redenen afzien van mondzorg. Het kabinet vindt dat een pijnlijke situatie.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met tandpijn rondlopen en uit financiële wanhoop hun toevlucht nemen tot onverantwoorde noodoplossingen, zoals het smeren van sambal op het tandvlees, in plaats van tijdig naar de tandarts te kunnen gaan?
Het is zeer pijnlijk als mensen hun toevlucht nemen tot dergelijke noodoplossingen. Er is helaas geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning2 naar gerichte regelingen voor minima blijkt namelijk dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, dan ook andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 keer 5,5 miljoen euro gereserveerd.
Klopt het dat in 2024 64% van de volwassen verzekerden aanvullend verzekerd was voor mondzorg, maar dat daarmee nog niet duidelijk is hoeveel mensen geen aanvullende tandartsverzekering hebben omdat zij deze niet kunnen betalen? Kunt u dit beter in kaart brengen?
Het klopt dat in 2024 64% van de volwassenen een aanvullende verzekering voor mondzorg had. Dat wil niet zeggen dat de overige 36% van de volwassenen deze verzekering niet kunnen betalen. Er zijn ook mensen die bewust geen aanvullende tandartsverzekering afsluiten, bijvoorbeeld omdat zij weinig mondzorgkosten verwachten en/of de kosten zelf kunnen dragen. Het is niet bekend waarom mensen géén tandartsverzekering afsluiten en in hoeverre betaalbaarheid daar de reden van is. Naar schatting mijden 640.000 volwassenen mondzorg vanwege financiële redenen. Het kabinet ziet geen aanleiding dit verder in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat noodzakelijke mondzorg geen luxe is, maar onderdeel is van zorg die voor Nederlanders betaalbaar en toegankelijk moet zijn?
Uiteraard deelt het kabinet het belang van noodzakelijke mondzorg. Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Voor veel mensen is mondzorg, gelukkig, toegankelijk. Er is helaas ook een groep voor wie dat niet geldt. Voor mensen met een lager inkomen kan de gemeentepolis, een zorgverzekering voor minima die altijd mondzorgdekking biedt, een optie zijn. Niet alle deelnemers van een gemeentepolis weten dat er een vergoeding voor mondzorgdekking in hun verzekerd pakket zit, dat biedt wellicht nog aanknopingspunten om de toegankelijkheid van mondzorg te verbeteren. Ook zijn er verschillende andere lokale regelingen of initiatieven. Deze initiatieven leveren een bijdrage aan het terugdringen van mondzorgmijding en het kabinet is deze partijen dus erkentelijk voor deze initiatieven. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige oplossing kunnen bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Ridderkerk een lokale regeling nodig is waarbij minima met acute of urgente mondzorg terechtkunnen bij minimatandartsen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat noodzakelijke mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven, vrijwilligers, donaties, kerken, ondernemers en een beperkte gemeentelijke subsidie?
Alhoewel het kabinet deelt dat er een groep mensen is die om financiële redenen afzien van mondzorg, wordt de vermeende strekking dat mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven niet gedeeld. Via aanvullende verzekeringen of voor minima via een gemeentepolis is mondzorg voor een grote groep mensen financieel toegankelijk. Een gemeentepolis biedt altijd dekking voor mondzorg, al is dat niet altijd bij alle deelnemers bekend. Tegelijkertijd is er inderdaad een groep volwassenen voor wie mondzorg niet toegankelijk is en het kabinet is de diverse partijen zeer erkentelijk voor hun inspanningen om mondzorg voor deze groep verder toegankelijk te maken.
Wat doet u om te voorkomen dat kleine gebitsproblemen bij mensen met een laag inkomen uitgroeien tot ernstige pijnklachten, ontstekingen of abcessen?
Er is geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning3 naar gerichte regelingen voor minima blijkt dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 maal 5,5 miljoen euro beschikbaar. De invulling van de pilot behoeft nog nadere uitwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel (incl. Pakketbeheer) van 10 juni 2026, zodat de antwoorden bij het debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Voor een verbeterd inzicht is representatief onderzoek naar de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling noodzakelijk. Op dit moment voert de Universiteit Maastricht grootschalig onderzoek uit naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten worden in de tweede helft van 2026 verwacht en zullen leiden tot een betrouwbare schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Het vermoeden van een discrepantie tussen de meldcijfers van Veilig Thuis en de werkelijke omvang is gebaseerd op een onderzoek van Regioplan (2018). Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling. Afgezet tegen de uitkomsten van Regioplan is het aantal meldingen van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis laag. Er zijn tegelijkertijd geen actuelere onderzoeken bekend die wijzen op aanzienlijk hogere schattingen. Om die reden kan op dit moment niet met zekerheid worden vastgesteld hoe groot het verschil is tussen de officiële meldcijfers en de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Ik herken echter het vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van onderrapportage. Dat ouderenmishandeling moeilijk zichtbaar wordt hangt samen met verschillende factoren. Zo is er vaak sprake van schaamte en taboe, afhankelijkheid van de pleger, sociaal isolement en handelingsverlegenheid bij omstanders en professionals. Daarnaast zijn signalen van ouderenmishandeling in de praktijk vaak minder zichtbaar en minder eenduidig dan bij andere vormen van huiselijk geweld, waardoor herkenning lastiger kan zijn. Veranderingen in gedrag, gezondheid of zelfredzaamheid kunnen bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van ouderdom, ziekte, dementie, eenzaamheid of medicatiegebruik. Hierdoor kan het lastiger zijn onderscheid te maken tussen kwetsbaarheid door veroudering en signalen van mishandeling.
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Het meest recente grootschalige onderzoek van Regioplan (2018) geeft percentages van ouderenmishandeling. Op basis daarvan circuleren verschillende cijfers en schattingen over de omvang van het probleem. Het onderzoek van de Universiteit Maastricht zal bijdragen aan een actuelere schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Dit verschil hangt samen met het feit dat adviezen en meldingen bij Veilig Thuis laten zien wat daadwerkelijk in beeld komt, terwijl de verwachting is dat ouderenmishandeling in de praktijk vaker verborgen blijft en niet altijd wordt herkend of gemeld.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Ja, daar ben ik het mee eens. Kwetsbare ouderen moeten veilig kunnen zijn in hun eigen huis, ook wanneer zij afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
Voor vroegsignalering is het belangrijk dat professionals toegerust zijn, signalen eerder herkennen, laagdrempelig advies inwinnen bij Veilig Thuis en er een goede samenwerking is tussen zorg, sociaal domein en veiligheidsketen.
Veilig Thuis biedt advies en ondersteuning aan zowel professionals als burgers, ook wanneer nog geen sprake is van acute onveiligheid of een formele melding. Steeds vaker weten professionals en burgers Veilig Thuis in een vroeg stadium te vinden voor advies, wat kan bijdragen aan het voorkomen van escalatie van situaties.
Daarnaast biedt Veilig Thuis informatie over ouderenmishandeling, de bijbehorende signalen en handelingsperspectief voor professionals en betrokkenen. Er zijn regionale voorbeelden waarbij men aansluit bij casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling, waarin professionals uit zorg, sociaal domein en veiligheidsketen samenwerken. In dit soort samenwerkingen zetten professionals steeds vaker signaleringsinstrumenten in die helpen om ouderenmishandeling eerder te herkennen en bespreekbaar te maken.
Daarnaast organiseren regionale netwerken en samenwerkingsverbanden activiteiten waarin kennisdeling en bewustwording centraal staan. Veilig Thuis Gelderland-Zuid neemt bijvoorbeeld deel aan casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling binnen regionale ziekenhuizen. Ook organiseren Veilig Thuis-organisaties bijeenkomsten, scholingen en andere activiteiten om het handelingsperspectief van professionals te versterken en de vroegsignalering van ouderenmishandeling te verbeteren. Daarnaast geven zij in onderwijs- en praktijkcontexten voorlichting en gastlessen om de kennis van (toekomstige) professionals over ouderenmishandeling te vergroten, zodat zij signalen herkennen en eerder kunnen ingrijpen.
Verder biedt Veilig Thuis telefonisch advies, gericht op het doorbreken van taboes en het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Om drempels te verlagen is Veilig Thuis ook via de chat bereikbaar voor advies en ondersteuning. De chatfunctie wordt op dit moment verder doorontwikkeld met als doel deze 24/7 beschikbaar te maken, naar verwachting binnenkort.
Aanvullend is door het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) een signalenpagina over ouderenmishandeling gelanceerd. Deze pagina biedt informatie over het herkennen van signalen, mogelijke handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning en advisering.
Tot slot is er ook het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), bestaande uit medewerkers van Veilig Thuis-organisaties. Dit platform richt zich op kennisontwikkeling, deskundigheidsbevordering en het versterken van de aanpak van ouderenmishandeling.
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners vallen onder de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De wet verplicht deze beroepsgroepen om te werken met een vast stappenplan bij signalen van ouderenmishandeling.
Binnen dit kader worden professionals in de zorg toegerust om signalen te herkennen en te handelen. De meldcode bevat onder meer de stappen van signaleren, overleg met collega’s, en het inwinnen van advies. In het stappenplan is expliciet opgenomen dat professionals advies kunnen vragen bij of melding kunnen doen bij Veilig Thuis. Voor de wijkverpleging is de richtlijn «Vermoeden van ouderenmishandeling» beschikbaar. Deze richtlijn helpt zorgverleners om alert te zijn, tijdig misstanden te signaleren en adequate maatregelen te nemen. In deze richtlijn wordt ook verwezen naar de meldcode. Aanvullend zijn er ook sectorgerichte trainingen waarin ouderenmishandeling als onderdeel van de bredere meldcode-aanpak wordt behandeld. Door deze combinatie van wettelijke verplichting en de beschikbaarheid van advies- en meldstructuren zoals Veilig Thuis, zijn eerstelijnszorgverleners in beginsel voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en op te volgen.
Tot slot speelt de huisarts een grote rol in de signalering van ouderenmishandeling, omdat huisartsen regelmatig contact hebben met ouderen. Huisartsen zijn net zoals andere eerstelijnszorgverleners verplicht te werken volgens de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, waarin ouderenmishandeling nadrukkelijk wordt genoemd als een van de vormen van huiselijk geweld. Dat betekent dat zij de meldcode moeten kennen en handelen volgens de vijf stappen. Ook heeft de KNMG een podcast beschikbaar gesteld die specifiek ingaat op het herkennen en aanpakken van ouderenmishandeling. Verder is op de website van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) een themapagina ingericht waar informatie over ouderenmishandeling overzichtelijk is gebundeld. Ook heeft de LHV meegeschreven aan de vernieuwde Handreiking Kwetsbare Ouderen (februari 2025) waarin ouderenmishandeling eveneens aan bod komt.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Veilig Thuis signaleert dat situaties van ouderenmishandeling regelmatig in beeld komen wanneer de problematiek al is geëscaleerd. In sommige gevallen is daarbij al sprake geweest van acute onveiligheid waarbij inzet van politie noodzakelijk was. Tegelijkertijd is een ontwikkeling zichtbaar waarbij professionals steeds vaker in een eerder stadium advies vragen om signalen te bespreken, wat kan bijdragen aan vroegtijdiger ingrijpen en het voorkomen van verdere escalatie.
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Het herkennen van ouderenmishandeling is complex, mede doordat de problematiek vaak geleidelijk ontstaat, afhankelijkheidsrelaties ingewikkeld zijn, mantelzorgers soms overbelast raken en ouderen terughoudend kunnen zijn om hulp of ondersteuning te vragen. Dat maakt dat er blijvende inzet nodig is op deskundigheidsbevordering, het gebruik van de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, bewustzijn rondom de adviesfunctie van Veilig Thuis en het bevorderen van korte lijnen tussen zorg, sociaal domein en veiligheidspartners.
Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen zichtbaar. Professionals en burgers weten Veilig Thuis steeds beter te vinden voor advies, er is meer aandacht voor de veiligheid van ouderen en de samenwerking tussen betrokken organisaties neemt toe. Dat draagt bij aan het eerder bespreekbaar maken van signalen.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Ik deel het belang dat ouderenmishandeling zo vroeg mogelijk moet worden herkend, zodat kan worden voorkomen dat situaties pas in beeld komen wanneer ze al zijn geëscaleerd. Daarom blijft de inzet gericht op het versterken van vroegsignalering zoals omschreven bij vraag 6.
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Ja, deze meldingen komen voor.
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
De huidige aanpak richt zich specifiek op bewustwording rondom financieel misbruik. Een goed voorbeeld hiervan is de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden», een samenwerking van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk en Veilig Thuis, gekenmerkt door korte lijnen en expertise. Vanuit VWS wordt samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gestimuleerd dat lokale allianties worden opgezet en versterkt. VWS neemt ook deel aan de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden, waarin onder andere Veilig Thuis, ouderenbonden, diverse grootbanken, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er een samenwerking tussen de grootbanken en Veilig Thuis om anoniem te overleggen en vinden binnen de banken trainingen plaats om op dit thema vroegtijdig te signaleren. De banken en Veilig Thuis hebben korte lijnen en melden ook bij Veilig Thuis als zij misstanden tegenkomen en vermoedens hebben van financiële uitbuiting. Veilig Thuis geeft eveneens breder voorlichting aan medewerkers van gemeenten over veilig financieel ouder worden.
Verder is in opdracht van VWS en de VNG een onderzoek uitgevoerd naar de succesfactoren van Lokale Allianties. Dit heeft geleid tot een toolbox met verschillende praktische instrumenten die gratis beschikbaar zijn op de website van huiselijkgeweld.nl. De toolbox stelt gemeenten en lokale partners in staat hun eigen aanpak van financieel misbruik te versterken door lokale allianties op te zetten. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van een samenhangende aanpak van huiselijk geweld in hun lokale beleid, daar valt ook het vormgeven van een aanpak gericht op ouderenmishandeling onder.
Aanvullend stelt VWS de fysieke informatiebox «Financieel veilig ouder worden» beschikbaar, die kosteloos online kan worden aangevraagd en steeds beter vindbaar is. Het doel van de box is ouderen informeren en tijdig laten nadenken over de financiële kant van ouder worden, met vragen zoals: hoe regel ik mijn bankzaken goed en veilig? Wie geef ik inzage in mijn administratie als ik het zelf niet meer kan? Waar kan ik terecht als ik iets wil weten over financieel misbruik? De informatieboxen worden veel besteld door gemeenten die de boxen inzetten ter vergroting van het bewustzijn en eventuele vervolgstappen voor ouderen zelf.
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Ja, wij werken hier al actief aan samen, onder meer binnen de Brede Alliantie Veilig Financieel Ouder Worden, waarin verschillende partijen kennis en signalen bundelen om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en tegen te gaan. Vanuit die bestaande samenwerking zijn wij bereid om met de Brede Alliantie verder te bezien hoe signalering, bewustwording en opvolging nog effectiever kan worden ingericht. Zo zijn er recente ontwikkelingen bij banken, waarbij het onderwerp onder de aandacht wordt gebracht bij medewerkers om het bewustzijn rondom financieel misbruik te vergroten. Ook werken we binnen de alliantie aan de versterking van de onderlinge samenwerking tussen partijen. Een voorbeeld hiervan is een betere bereikbaarheid en samenwerking tussen de banken en Veilig Thuis, zodat ze elkaar sneller weten te vinden bij zorgen over de veiligheid of financiële situatie van een oudere.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag. Het aantal (potentiële) zorgverleners, evenals het aantal (potentiële) mantelzorgers groeit niet mee. Dit kan leiden tot een toenemende druk op mantelzorgers, wat ook betekent dat het risico op overbelasting toeneemt. Ik vind het belangrijk dat mantelzorgers ondersteund worden om zo het risico op overbelasting te verkleinen. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers.
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Overbelasting en onmacht bij mantelzorgers kan leiden tot het overschrijden van grenzen. Zonder dat dit opzettelijk is kunnen er dan situaties ontstaan waarin sprake is van «ontspoorde» mantelzorg. Om te voorkomen dat mantelzorgers overbelast raken vind ik het belangrijk dat er passende ondersteuning is voor mantelzorgers.
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Een belangrijk doel van mantelzorgondersteuning is het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger. Daarmee heeft dit ook een preventieve werking op het voorkomen van «ontspoorde» mantelzorg. Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 de taak om mantelzorgers te ondersteunen. Zij bieden verschillende vormen van mantelzorgondersteuning aan, omdat de ondersteuningsbehoefte van mantelzorgers verschilt per (mantelzorg)situatie. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg is deze diversiteit in het ondersteuningsaanbod, volgens de acht vraaggebieden van mantelzorgers, daarom ook het uitgangspunt.
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 een wettelijke taak in de ondersteuning van mantelzorgers en het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan kwetsbare inwoners, waaronder ouderen die thuis wonen. In de praktijk verschilt de mate waarin gemeenten hier zicht op hebben en de wijze waarop zij dit organiseren, bijvoorbeeld afhankelijk van lokale samenwerkingsstructuren en netwerken.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de CBS-cijfers zijn in 2025 circa 2.600 meldingen van ouderenmishandeling (65+) bij Veilig Thuis geregistreerd. Het CBS maakt daarbij onderscheid tussen meldingen enerzijds en een bredere categorie registraties en contactmomenten anderzijds, waarin ook adviesvragen en andere vormen van contact rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling zijn opgenomen.
Binnen deze meldingen is de volgende uitsplitsing naar aard van het geweld zichtbaar: 1.645 meldingen van psychische of emotionele mishandeling, 1.090 meldingen van fysieke mishandeling, 710 meldingen van financiële uitbuiting, 520 meldingen van verwaarlozing en 75 meldingen van seksueel misbruik.
Het hogere cijfer van circa 4.800 heeft betrekking op de bredere categorie registraties en contactmomenten rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling, waaronder ook adviesvragen. Daarbij kan één casus meerdere contactmomenten of registraties omvatten, bijvoorbeeld een adviesvraag gevolgd door een melding of meerdere signalen binnen één situatie.
Op basis van de CBS-cijfers vanaf 2019 is zichtbaar dat het aantal geregistreerde meldingen van ouderenmishandeling in de meest recente jaren (2024–2025) iets hoger ligt dan aan het begin van de periode. Het CBS spreekt daarbij niet van een sterke stijging, maar van een lichte toename in geregistreerde meldingen over de tijd.
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
De aanpak van ouderenmishandeling maakt onderdeel uit van de bredere inzet op huiselijk geweld. Binnen die inzet wordt al actief samengewerkt met ouderenorganisaties, onder andere via de Brede Alliantie. Het contact met deze organisaties is structureel en gericht op het ophalen van signalen uit de praktijk en het tegengaan van ouderenmishandeling. Daarnaast neemt VWS deel aan het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), waar signalen en ervaringen uit de praktijk worden gedeeld.
Deze bestaande samenwerking en activiteiten worden onverminderd voortgezet, met blijvende aandacht voor het beter zichtbaar maken en eerder signaleren van ouderenmishandeling binnen de huidige structuren.
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Na zestig jaar moet mevrouw Rodijnen-Brands (96) tot haar verdriet noodgedwongen verhuizen: «Ik wil mijn laatste tijd het liefst hier doorbrengen»»?1
Wat vindt u ervan dat een vrouw van 96 jaar, die afhankelijk is van mantelzorg en al zestig jaar in dezelfde woning woont, op zeer hoge leeftijd nog gedwongen wordt te verhuizen?
Deelt u de opvatting dat gedwongen verhuizingen op zeer hoge leeftijd grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn, de gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen?
Beschikt u over cijfers hoeveel ouderen van 90 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar vanwege sloop, herstructurering of renovatie van hun woning hebben moeten verhuizen? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Hoe verhoudt het gebrek aan passende woningen voor Nederlandse ouderen zich tot de prioriteit die in veel gemeenten wordt gegeven aan andere woningzoekenden, waaronder statushouders?
Welke mogelijkheden hebben woningcorporaties momenteel om maatwerk te bieden aan zeer kwetsbare ouderen die door sloop of herstructurering hun woning moeten verlaten?
Bent u van mening dat bij ouderen op zeer hoge leeftijd het uitgangspunt zou moeten zijn dat een verhuizing zoveel mogelijk wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Herkent u signalen dat ouderen of hun familie afzien van het aanvragen van een zorgindicatie uit angst dat zij verder van hun sociale netwerk of mantelzorgers worden geplaatst?
Welke mogelijkheden ziet u om te bevorderen dat zeer kwetsbare ouderen die moeten verhuizen, voorrang krijgen op een passende woning in hun eigen woonomgeving?
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en ouderenorganisaties om te bezien of aanvullende afspraken nodig zijn om gedwongen verhuizingen van zeer kwetsbare ouderen zoveel mogelijk te voorkomen?
Bent u bereid om in overleg met de betrokken woningcorporatie, gemeente en andere betrokken partijen te kijken of voor mevrouw Rodijnen-Brands alsnog een passende oplossing kan worden gevonden, zodat zij haar laatste levensfase zoveel mogelijk in haar vertrouwde omgeving kan doorbrengen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd»?1
Ja, daar is het kabinet bekend mee.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat duizenden hartpatiënten in Nederland jarenlang hebben rondgelopen met een ICD-draad die mogelijk sneller stukgaat dan zou moeten, terwijl zij daar niet actief over zijn geïnformeerd?
Het kabinet begrijpt de zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van de berichtgeving over de Linox-draden. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische hulpmiddelen veilig zijn en dat signalen over mogelijke risico’s zorgvuldig worden opgevolgd.
Tegelijkertijd is het van belang de feiten zorgvuldig te wegen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat cardiologen vanaf ongeveer 2013/2014 signalen van mogelijke problemen met deze specifieke lead serieus hebben genomen. Zij hebben deze signalen gemeld bij de fabrikant en de toezichthouder en hebben ervoor gekozen patiënten met deze leads extra te monitoren. Daarbij werden patiënten bij wie daadwerkelijk slijtage of andere problemen werden vastgesteld, geïnformeerd en behandeld.
Het klopt dat niet alle patiënten met een Linox-draad destijds actief zijn benaderd. Volgens de betrokken cardiologen was daarvoor gekozen, omdat er geen officiële veiligheidswaarschuwing of terugroepactie van de fabrikant of toezichthouders was afgegeven en een algemene waarschuwing tot onnodige onrust en mogelijk risicovolle medische ingrepen zou kunnen leiden.
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten tijdig en volledig worden geïnformeerd over relevante risico’s die hun gezondheid kunnen raken. Tegelijkertijd moeten zorgverleners steeds een zorgvuldige afweging maken tussen het informeren van patiënten, de beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment en de mogelijke gevolgen van aanvullende medische interventies. Het kabinet zal bij de beroepsgroep benadrukken dat dit een afweging is die regelmatig opnieuw moet worden bezien.
Klopt het dat tussen 2006 en 2019 bij minstens 4.600 Nederlandse patiënten een Linox-draad van fabrikant Biotronik is geïmplanteerd en dat naar schatting nog zeker duizend mensen in Nederland met zo’n draad rondlopen?
Uit contact met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (hierna: NVVC) heeft de IGJ opgemaakt dat de genoemde cijfers inderdaad vergelijkbaar zijn.
Klopt het dat cardiologen in binnen- en buitenland al jarenlang signalen zagen dat deze ICD-draden sneller kapotgingen dan andere draden? Zo ja, sinds wanneer waren de fabrikant, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en betrokken ziekenhuizen hiervan op de hoogte?
In 2014 zijn de Linox-draden besproken in een overleg tussen de IGJ, NVVC, de Netherlands Cardiovascular Data Registry (NCDR) en de Nederlandse Hart Ritme Associatie (NHRA)). De meldingen over de Linox-draden laten geen opmerkelijke verschillen zien met meldingen over andere leads. Daarnaast zijn er geen tegengestelde signalen ontvangen vanuit andere Europese en mondiale toezichthouders. De IGJ had daarom geen reden om aan te nemen dat de Linox-draden minder presteren dan vergelijkbare leads en zag geen aanleiding tot een vervolgactie.
Naar aanleiding van de vragen van Investico en Nieuwsuur heeft de IGJ onlangs opnieuw gesproken met de NVVC en NHRA over de zorgen die cardiologen hebben over deze leads en de wijze waarop de fabrikant omgaat met meldingen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de IGJ vragen uitstaan bij de fabrikant over zijn systeem van post market surveillance. Daarnaast gaat de IGJ de prestaties van de leads bespreken met de betrokken autoriteit in Duitsland, waar de fabrikant is gevestigd.
Kunt u verklaren waarom patiënten niet actief zijn gewaarschuwd, terwijl het gaat om een implantaat in hun lichaam dat bij defecten onterechte, zeer ingrijpende shocks kan geven? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie patiënten niet informeerde omdat zij het vertrouwen in hun apparaat niet wilde aantasten, en hoe beoordeelt u die afweging?
Hierbij wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat bij de IGJ in Nederland ten minste 59 meldingen zijn binnengekomen van onterechte shocks door deze draden, waarvan de meest recente melding uit 2026 komt? Hoeveel meldingen van defecten, complicaties en andere problemen met deze draden zijn in totaal bekend?
Nederlandse ziekenhuizen plaatsen jaarlijks ongeveer tienduizend ICD-draden. De IGJ ontving sinds 2009 in totaal 425 meldingen over Linox-draden. Bij 83 van deze meldingen ging het om onterechte shocks. De IGJ ziet hierin geen verschillen met de meldingen over andere leads.
Welke concrete stappen worden momenteel gezet om patiënten die nog met deze Linox-draden rondlopen persoonlijk te informeren over de mogelijke risico’s en over wat dit voor hen betekent? Kunt u garanderen dat geen enkele patiënt tussen wal en schip valt?
Patiënten worden benaderd wanneer daar aanleiding toe is vanuit de normale ziekenhuiscontrole of thuismonitoring. Verder heeft de NVVC informatie beschikbaar gesteld aan cardiologen, verpleegkundigen, pacemakertechnici, de Hartstichting en patiëntenorganisatie STIN, zodat patiënten en hun omgeving kunnen worden voorgelicht.2 Patiënt die vragen hebben, worden verwezen naar hun eigen cardioloog of behandelcentrum.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor het toezicht op fabrikanten van medische hulpmiddelen en voor de manier waarop patiënten worden geïnformeerd bij signalen over mogelijk falende implantaten?
Deze casus bevestigt het belang van aandacht voor de informatiepositie van patiënten in de regelmatige onderlinge informatie-uitwisseling tussen de inspectie en beroepsgroep. Deze informatie-uitwisseling is onderdeel van het toezicht op de post-market fase, omdat dit ten goede komt aan de monitoring van de kwaliteit van medische hulpmiddelen en daarmee aan de zorgvuldige en veilige zorg voor patiënten.
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Ja.
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders. Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds 2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen). Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid aan oplossingsrichtingen.
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder. In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem, het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met alle betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen, laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met betrokken partijen.
Het bericht dat minima noodzakelijke mondzorg mijden vanwege de kosten |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandarts Ruud ziet wanhoop bij minima, maar straks kunnen zij bij hem terecht: «Iedereen heeft zelfde verhaal»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een smalle beurs noodzakelijke mondzorg uitstellen omdat zij bang zijn de rekening van de tandarts niet te kunnen betalen?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts, 82% bezoekt minimaal een keer per jaar de tandarts. Daar zitten dus ook mensen met een smalle beurs tussen. Voor veel mensen, en ook mensen met een smalle beurs, is mondzorg financieel toegankelijk. Bijvoorbeeld via aanvullende verzekeringen of, specifiek voor minima, een gemeentepolis. Tegelijkertijd is er een groep van naar schatting 640.000 volwassenen die om financiële redenen afzien van mondzorg. Het kabinet vindt dat een pijnlijke situatie.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met tandpijn rondlopen en uit financiële wanhoop hun toevlucht nemen tot onverantwoorde noodoplossingen, zoals het smeren van sambal op het tandvlees, in plaats van tijdig naar de tandarts te kunnen gaan?
Het is zeer pijnlijk als mensen hun toevlucht nemen tot dergelijke noodoplossingen. Er is helaas geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning2 naar gerichte regelingen voor minima blijkt namelijk dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, dan ook andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 keer 5,5 miljoen euro gereserveerd.
Klopt het dat in 2024 64% van de volwassen verzekerden aanvullend verzekerd was voor mondzorg, maar dat daarmee nog niet duidelijk is hoeveel mensen geen aanvullende tandartsverzekering hebben omdat zij deze niet kunnen betalen? Kunt u dit beter in kaart brengen?
Het klopt dat in 2024 64% van de volwassenen een aanvullende verzekering voor mondzorg had. Dat wil niet zeggen dat de overige 36% van de volwassenen deze verzekering niet kunnen betalen. Er zijn ook mensen die bewust geen aanvullende tandartsverzekering afsluiten, bijvoorbeeld omdat zij weinig mondzorgkosten verwachten en/of de kosten zelf kunnen dragen. Het is niet bekend waarom mensen géén tandartsverzekering afsluiten en in hoeverre betaalbaarheid daar de reden van is. Naar schatting mijden 640.000 volwassenen mondzorg vanwege financiële redenen. Het kabinet ziet geen aanleiding dit verder in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat noodzakelijke mondzorg geen luxe is, maar onderdeel is van zorg die voor Nederlanders betaalbaar en toegankelijk moet zijn?
Uiteraard deelt het kabinet het belang van noodzakelijke mondzorg. Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Voor veel mensen is mondzorg, gelukkig, toegankelijk. Er is helaas ook een groep voor wie dat niet geldt. Voor mensen met een lager inkomen kan de gemeentepolis, een zorgverzekering voor minima die altijd mondzorgdekking biedt, een optie zijn. Niet alle deelnemers van een gemeentepolis weten dat er een vergoeding voor mondzorgdekking in hun verzekerd pakket zit, dat biedt wellicht nog aanknopingspunten om de toegankelijkheid van mondzorg te verbeteren. Ook zijn er verschillende andere lokale regelingen of initiatieven. Deze initiatieven leveren een bijdrage aan het terugdringen van mondzorgmijding en het kabinet is deze partijen dus erkentelijk voor deze initiatieven. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige oplossing kunnen bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Ridderkerk een lokale regeling nodig is waarbij minima met acute of urgente mondzorg terechtkunnen bij minimatandartsen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat noodzakelijke mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven, vrijwilligers, donaties, kerken, ondernemers en een beperkte gemeentelijke subsidie?
Alhoewel het kabinet deelt dat er een groep mensen is die om financiële redenen afzien van mondzorg, wordt de vermeende strekking dat mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven niet gedeeld. Via aanvullende verzekeringen of voor minima via een gemeentepolis is mondzorg voor een grote groep mensen financieel toegankelijk. Een gemeentepolis biedt altijd dekking voor mondzorg, al is dat niet altijd bij alle deelnemers bekend. Tegelijkertijd is er inderdaad een groep volwassenen voor wie mondzorg niet toegankelijk is en het kabinet is de diverse partijen zeer erkentelijk voor hun inspanningen om mondzorg voor deze groep verder toegankelijk te maken.
Wat doet u om te voorkomen dat kleine gebitsproblemen bij mensen met een laag inkomen uitgroeien tot ernstige pijnklachten, ontstekingen of abcessen?
Er is geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning3 naar gerichte regelingen voor minima blijkt dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 maal 5,5 miljoen euro beschikbaar. De invulling van de pilot behoeft nog nadere uitwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel (incl. Pakketbeheer) van 10 juni 2026, zodat de antwoorden bij het debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Voor een verbeterd inzicht is representatief onderzoek naar de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling noodzakelijk. Op dit moment voert de Universiteit Maastricht grootschalig onderzoek uit naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten worden in de tweede helft van 2026 verwacht en zullen leiden tot een betrouwbare schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Het vermoeden van een discrepantie tussen de meldcijfers van Veilig Thuis en de werkelijke omvang is gebaseerd op een onderzoek van Regioplan (2018). Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling. Afgezet tegen de uitkomsten van Regioplan is het aantal meldingen van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis laag. Er zijn tegelijkertijd geen actuelere onderzoeken bekend die wijzen op aanzienlijk hogere schattingen. Om die reden kan op dit moment niet met zekerheid worden vastgesteld hoe groot het verschil is tussen de officiële meldcijfers en de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Ik herken echter het vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van onderrapportage. Dat ouderenmishandeling moeilijk zichtbaar wordt hangt samen met verschillende factoren. Zo is er vaak sprake van schaamte en taboe, afhankelijkheid van de pleger, sociaal isolement en handelingsverlegenheid bij omstanders en professionals. Daarnaast zijn signalen van ouderenmishandeling in de praktijk vaak minder zichtbaar en minder eenduidig dan bij andere vormen van huiselijk geweld, waardoor herkenning lastiger kan zijn. Veranderingen in gedrag, gezondheid of zelfredzaamheid kunnen bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van ouderdom, ziekte, dementie, eenzaamheid of medicatiegebruik. Hierdoor kan het lastiger zijn onderscheid te maken tussen kwetsbaarheid door veroudering en signalen van mishandeling.
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Het meest recente grootschalige onderzoek van Regioplan (2018) geeft percentages van ouderenmishandeling. Op basis daarvan circuleren verschillende cijfers en schattingen over de omvang van het probleem. Het onderzoek van de Universiteit Maastricht zal bijdragen aan een actuelere schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Dit verschil hangt samen met het feit dat adviezen en meldingen bij Veilig Thuis laten zien wat daadwerkelijk in beeld komt, terwijl de verwachting is dat ouderenmishandeling in de praktijk vaker verborgen blijft en niet altijd wordt herkend of gemeld.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Ja, daar ben ik het mee eens. Kwetsbare ouderen moeten veilig kunnen zijn in hun eigen huis, ook wanneer zij afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
Voor vroegsignalering is het belangrijk dat professionals toegerust zijn, signalen eerder herkennen, laagdrempelig advies inwinnen bij Veilig Thuis en er een goede samenwerking is tussen zorg, sociaal domein en veiligheidsketen.
Veilig Thuis biedt advies en ondersteuning aan zowel professionals als burgers, ook wanneer nog geen sprake is van acute onveiligheid of een formele melding. Steeds vaker weten professionals en burgers Veilig Thuis in een vroeg stadium te vinden voor advies, wat kan bijdragen aan het voorkomen van escalatie van situaties.
Daarnaast biedt Veilig Thuis informatie over ouderenmishandeling, de bijbehorende signalen en handelingsperspectief voor professionals en betrokkenen. Er zijn regionale voorbeelden waarbij men aansluit bij casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling, waarin professionals uit zorg, sociaal domein en veiligheidsketen samenwerken. In dit soort samenwerkingen zetten professionals steeds vaker signaleringsinstrumenten in die helpen om ouderenmishandeling eerder te herkennen en bespreekbaar te maken.
Daarnaast organiseren regionale netwerken en samenwerkingsverbanden activiteiten waarin kennisdeling en bewustwording centraal staan. Veilig Thuis Gelderland-Zuid neemt bijvoorbeeld deel aan casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling binnen regionale ziekenhuizen. Ook organiseren Veilig Thuis-organisaties bijeenkomsten, scholingen en andere activiteiten om het handelingsperspectief van professionals te versterken en de vroegsignalering van ouderenmishandeling te verbeteren. Daarnaast geven zij in onderwijs- en praktijkcontexten voorlichting en gastlessen om de kennis van (toekomstige) professionals over ouderenmishandeling te vergroten, zodat zij signalen herkennen en eerder kunnen ingrijpen.
Verder biedt Veilig Thuis telefonisch advies, gericht op het doorbreken van taboes en het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Om drempels te verlagen is Veilig Thuis ook via de chat bereikbaar voor advies en ondersteuning. De chatfunctie wordt op dit moment verder doorontwikkeld met als doel deze 24/7 beschikbaar te maken, naar verwachting binnenkort.
Aanvullend is door het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) een signalenpagina over ouderenmishandeling gelanceerd. Deze pagina biedt informatie over het herkennen van signalen, mogelijke handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning en advisering.
Tot slot is er ook het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), bestaande uit medewerkers van Veilig Thuis-organisaties. Dit platform richt zich op kennisontwikkeling, deskundigheidsbevordering en het versterken van de aanpak van ouderenmishandeling.
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners vallen onder de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De wet verplicht deze beroepsgroepen om te werken met een vast stappenplan bij signalen van ouderenmishandeling.
Binnen dit kader worden professionals in de zorg toegerust om signalen te herkennen en te handelen. De meldcode bevat onder meer de stappen van signaleren, overleg met collega’s, en het inwinnen van advies. In het stappenplan is expliciet opgenomen dat professionals advies kunnen vragen bij of melding kunnen doen bij Veilig Thuis. Voor de wijkverpleging is de richtlijn «Vermoeden van ouderenmishandeling» beschikbaar. Deze richtlijn helpt zorgverleners om alert te zijn, tijdig misstanden te signaleren en adequate maatregelen te nemen. In deze richtlijn wordt ook verwezen naar de meldcode. Aanvullend zijn er ook sectorgerichte trainingen waarin ouderenmishandeling als onderdeel van de bredere meldcode-aanpak wordt behandeld. Door deze combinatie van wettelijke verplichting en de beschikbaarheid van advies- en meldstructuren zoals Veilig Thuis, zijn eerstelijnszorgverleners in beginsel voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en op te volgen.
Tot slot speelt de huisarts een grote rol in de signalering van ouderenmishandeling, omdat huisartsen regelmatig contact hebben met ouderen. Huisartsen zijn net zoals andere eerstelijnszorgverleners verplicht te werken volgens de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, waarin ouderenmishandeling nadrukkelijk wordt genoemd als een van de vormen van huiselijk geweld. Dat betekent dat zij de meldcode moeten kennen en handelen volgens de vijf stappen. Ook heeft de KNMG een podcast beschikbaar gesteld die specifiek ingaat op het herkennen en aanpakken van ouderenmishandeling. Verder is op de website van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) een themapagina ingericht waar informatie over ouderenmishandeling overzichtelijk is gebundeld. Ook heeft de LHV meegeschreven aan de vernieuwde Handreiking Kwetsbare Ouderen (februari 2025) waarin ouderenmishandeling eveneens aan bod komt.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Veilig Thuis signaleert dat situaties van ouderenmishandeling regelmatig in beeld komen wanneer de problematiek al is geëscaleerd. In sommige gevallen is daarbij al sprake geweest van acute onveiligheid waarbij inzet van politie noodzakelijk was. Tegelijkertijd is een ontwikkeling zichtbaar waarbij professionals steeds vaker in een eerder stadium advies vragen om signalen te bespreken, wat kan bijdragen aan vroegtijdiger ingrijpen en het voorkomen van verdere escalatie.
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Het herkennen van ouderenmishandeling is complex, mede doordat de problematiek vaak geleidelijk ontstaat, afhankelijkheidsrelaties ingewikkeld zijn, mantelzorgers soms overbelast raken en ouderen terughoudend kunnen zijn om hulp of ondersteuning te vragen. Dat maakt dat er blijvende inzet nodig is op deskundigheidsbevordering, het gebruik van de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, bewustzijn rondom de adviesfunctie van Veilig Thuis en het bevorderen van korte lijnen tussen zorg, sociaal domein en veiligheidspartners.
Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen zichtbaar. Professionals en burgers weten Veilig Thuis steeds beter te vinden voor advies, er is meer aandacht voor de veiligheid van ouderen en de samenwerking tussen betrokken organisaties neemt toe. Dat draagt bij aan het eerder bespreekbaar maken van signalen.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Ik deel het belang dat ouderenmishandeling zo vroeg mogelijk moet worden herkend, zodat kan worden voorkomen dat situaties pas in beeld komen wanneer ze al zijn geëscaleerd. Daarom blijft de inzet gericht op het versterken van vroegsignalering zoals omschreven bij vraag 6.
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Ja, deze meldingen komen voor.
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
De huidige aanpak richt zich specifiek op bewustwording rondom financieel misbruik. Een goed voorbeeld hiervan is de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden», een samenwerking van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk en Veilig Thuis, gekenmerkt door korte lijnen en expertise. Vanuit VWS wordt samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gestimuleerd dat lokale allianties worden opgezet en versterkt. VWS neemt ook deel aan de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden, waarin onder andere Veilig Thuis, ouderenbonden, diverse grootbanken, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er een samenwerking tussen de grootbanken en Veilig Thuis om anoniem te overleggen en vinden binnen de banken trainingen plaats om op dit thema vroegtijdig te signaleren. De banken en Veilig Thuis hebben korte lijnen en melden ook bij Veilig Thuis als zij misstanden tegenkomen en vermoedens hebben van financiële uitbuiting. Veilig Thuis geeft eveneens breder voorlichting aan medewerkers van gemeenten over veilig financieel ouder worden.
Verder is in opdracht van VWS en de VNG een onderzoek uitgevoerd naar de succesfactoren van Lokale Allianties. Dit heeft geleid tot een toolbox met verschillende praktische instrumenten die gratis beschikbaar zijn op de website van huiselijkgeweld.nl. De toolbox stelt gemeenten en lokale partners in staat hun eigen aanpak van financieel misbruik te versterken door lokale allianties op te zetten. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van een samenhangende aanpak van huiselijk geweld in hun lokale beleid, daar valt ook het vormgeven van een aanpak gericht op ouderenmishandeling onder.
Aanvullend stelt VWS de fysieke informatiebox «Financieel veilig ouder worden» beschikbaar, die kosteloos online kan worden aangevraagd en steeds beter vindbaar is. Het doel van de box is ouderen informeren en tijdig laten nadenken over de financiële kant van ouder worden, met vragen zoals: hoe regel ik mijn bankzaken goed en veilig? Wie geef ik inzage in mijn administratie als ik het zelf niet meer kan? Waar kan ik terecht als ik iets wil weten over financieel misbruik? De informatieboxen worden veel besteld door gemeenten die de boxen inzetten ter vergroting van het bewustzijn en eventuele vervolgstappen voor ouderen zelf.
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Ja, wij werken hier al actief aan samen, onder meer binnen de Brede Alliantie Veilig Financieel Ouder Worden, waarin verschillende partijen kennis en signalen bundelen om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en tegen te gaan. Vanuit die bestaande samenwerking zijn wij bereid om met de Brede Alliantie verder te bezien hoe signalering, bewustwording en opvolging nog effectiever kan worden ingericht. Zo zijn er recente ontwikkelingen bij banken, waarbij het onderwerp onder de aandacht wordt gebracht bij medewerkers om het bewustzijn rondom financieel misbruik te vergroten. Ook werken we binnen de alliantie aan de versterking van de onderlinge samenwerking tussen partijen. Een voorbeeld hiervan is een betere bereikbaarheid en samenwerking tussen de banken en Veilig Thuis, zodat ze elkaar sneller weten te vinden bij zorgen over de veiligheid of financiële situatie van een oudere.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag. Het aantal (potentiële) zorgverleners, evenals het aantal (potentiële) mantelzorgers groeit niet mee. Dit kan leiden tot een toenemende druk op mantelzorgers, wat ook betekent dat het risico op overbelasting toeneemt. Ik vind het belangrijk dat mantelzorgers ondersteund worden om zo het risico op overbelasting te verkleinen. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers.
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Overbelasting en onmacht bij mantelzorgers kan leiden tot het overschrijden van grenzen. Zonder dat dit opzettelijk is kunnen er dan situaties ontstaan waarin sprake is van «ontspoorde» mantelzorg. Om te voorkomen dat mantelzorgers overbelast raken vind ik het belangrijk dat er passende ondersteuning is voor mantelzorgers.
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Een belangrijk doel van mantelzorgondersteuning is het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger. Daarmee heeft dit ook een preventieve werking op het voorkomen van «ontspoorde» mantelzorg. Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 de taak om mantelzorgers te ondersteunen. Zij bieden verschillende vormen van mantelzorgondersteuning aan, omdat de ondersteuningsbehoefte van mantelzorgers verschilt per (mantelzorg)situatie. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg is deze diversiteit in het ondersteuningsaanbod, volgens de acht vraaggebieden van mantelzorgers, daarom ook het uitgangspunt.
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 een wettelijke taak in de ondersteuning van mantelzorgers en het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan kwetsbare inwoners, waaronder ouderen die thuis wonen. In de praktijk verschilt de mate waarin gemeenten hier zicht op hebben en de wijze waarop zij dit organiseren, bijvoorbeeld afhankelijk van lokale samenwerkingsstructuren en netwerken.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de CBS-cijfers zijn in 2025 circa 2.600 meldingen van ouderenmishandeling (65+) bij Veilig Thuis geregistreerd. Het CBS maakt daarbij onderscheid tussen meldingen enerzijds en een bredere categorie registraties en contactmomenten anderzijds, waarin ook adviesvragen en andere vormen van contact rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling zijn opgenomen.
Binnen deze meldingen is de volgende uitsplitsing naar aard van het geweld zichtbaar: 1.645 meldingen van psychische of emotionele mishandeling, 1.090 meldingen van fysieke mishandeling, 710 meldingen van financiële uitbuiting, 520 meldingen van verwaarlozing en 75 meldingen van seksueel misbruik.
Het hogere cijfer van circa 4.800 heeft betrekking op de bredere categorie registraties en contactmomenten rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling, waaronder ook adviesvragen. Daarbij kan één casus meerdere contactmomenten of registraties omvatten, bijvoorbeeld een adviesvraag gevolgd door een melding of meerdere signalen binnen één situatie.
Op basis van de CBS-cijfers vanaf 2019 is zichtbaar dat het aantal geregistreerde meldingen van ouderenmishandeling in de meest recente jaren (2024–2025) iets hoger ligt dan aan het begin van de periode. Het CBS spreekt daarbij niet van een sterke stijging, maar van een lichte toename in geregistreerde meldingen over de tijd.
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
De aanpak van ouderenmishandeling maakt onderdeel uit van de bredere inzet op huiselijk geweld. Binnen die inzet wordt al actief samengewerkt met ouderenorganisaties, onder andere via de Brede Alliantie. Het contact met deze organisaties is structureel en gericht op het ophalen van signalen uit de praktijk en het tegengaan van ouderenmishandeling. Daarnaast neemt VWS deel aan het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), waar signalen en ervaringen uit de praktijk worden gedeeld.
Deze bestaande samenwerking en activiteiten worden onverminderd voortgezet, met blijvende aandacht voor het beter zichtbaar maken en eerder signaleren van ouderenmishandeling binnen de huidige structuren.
Het bericht ‘Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro’: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro»: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vindt u het onwenselijk dat als een ziekenhuis om niet-medisch noodzakelijke redenen een patiënt een nacht langer laat liggen en daarmee 12.000 euro extra kan declareren terwijl de nacht in werkelijkheid maar een paar honderd euro kost? Zo nee, waarom niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. We willen de voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak. We willen bijsturen waar dat nog niet zover is. De ruimte om niet mee te doen aan passende zorg wordt verkleind. Het kabinet vindt het dan ook onwenselijk als er niet-passende zorg wordt geboden, om welke reden dan ook. Niet-passende zorg is niet alleen niet wenselijk voor de patiënt en zorgprofessional, het leidt ook tot hogere zorgkosten en daarmee een hogere zorgpremie.
Daarom heeft het kabinet de Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel van het passende zorg als norm maken wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over de zorginhoud van passende zorg, de rol van zorgaanbieders, de rol van zorgverzekeraars en over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Staat u achter het principe van «passende zorg»? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet staat achter dat principe, zoals ook toegelicht in het vorige antwoord.
Deelt u de mening dat de manier waarop ziekenhuizen worden gefinancierd slecht aansluit op het principe «passende zorg» en leidt tot perverse prikkels? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden voor partijen ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en de kosten van de zorginstelling. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren(kpi’s), die gericht kunnen zijn op passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Bent u van mening dat de financiële zekerheid voor de regionale ziekenhuizen vergroot moet worden? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland, ongeacht woon- of verblijfplaats, toegang heeft tot goede zorg. Toegankelijke medisch-specialistische zorg vraagt om gezamenlijke doorontwikkeling en afstemming van de organisatie van zorg in ons land. Regionale ziekenhuizen vervullen een belangrijke rol in het zorglandschap. In het AZWA is afgesproken dat aanbieders in een regio samenwerken in netwerken, waarbij de ziekenhuizen hun aanbod en hun huidig en toekomstig portfolio op elkaar afstemmen, zodat het regionale zorgaanbod ook in de toekomst aansluit op de zorgbehoefte in de regio en optimaal gebruik wordt gemaakt van regionaal beschikbare kennis, capaciteit en infrastructuur. Het is aan verzekeraars en aanbieders om via de contractering onder meer passende financiële afspraken te maken.
Staat het doel van de invoering van de budgetbekostiging seh nog overeind, namelijk meer financiële zekerheid voor regionale ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de invoering van budgetbekostiging SEH is een bijdrage leveren aan de transitie van de organisatie van acute zorg die nodig is om de acute zorg ook in de toekomst voor patiënten toegankelijk en van goede kwaliteit te houden. De invoering van budgetbekostiging voor de SEH gebeurt in stappen. Per 1 januari 2027 wordt de eerste stap gezet, waarna de bekostiging verder zal worden doorontwikkeld. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat de invoering macro budgetneutraal plaatsvindt.
Doordat ziekenhuizen bij de huidige bekostiging een directer financieel belang kunnen hebben bij het behandelen van patiënten op de SEH, kan het moeilijker zijn om regionale afspraken te maken over samenwerking en bijvoorbeeld het verplaatsen van zorg naar een beter passende plek in de spoedzorgketen zoals van de SEH naar de huisartsenspoed-post. Binnen de acute zorg worden de ambulancezorg en de huisartsenspoedposten al op basis van een budget bekostigd. Budgetbekostiging voor de SEH kan de productieprikkel verminderen, de ketensamenwerking bevorderen en daarmee een doelmatige inzet van schaarse capaciteit beter ondersteunen. En vanwege de garantie van een budget, biedt budgetbekostiging meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen om in een passend zorgaanbod op de SEH te kunnen voorzien.
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Ja.
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat veranderingen in de zorg onzekerheid met zich kunnen meebrengen, maar ik verwacht dat er ook in de toekomst een grote vraag zal zijn naar geclusterde woonvoorzieningen voor mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, waarbij geldt dat de vergoeding voor de zorg redelijkerwijs kostendekkend moet zijn en blijven. Overigens worden ouderenwoningen niet alleen gerealiseerd door zorgorganisaties, maar ook door woningbouwcorporaties en private partijen.
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
De introductie van een nieuwe leveringsvorm in de ouderenzorg – waarover in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) afspraken zijn gemaakt – vergt een wetswijziging. Op dit moment wordt in overleg met alle betrokken HLO-partijen nagedacht over de vormgeving van die nieuwe leveringsvorm voor Wlz-zorg thuis. Ik verwacht dat in het voorjaar 2027 een eerste voorstel voor internetconsultatie gereed is.
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat we de aankomende jaren doorgaan met het bouwen van voor ouderen geschikte woningen, en meer specifiek met geclusterde- en zorggeschikte woningen waar ouderen met een zorgvraag kunnen wonen. Dat kunnen ook kleinschaligere woonzorgvormen zijn. Ik onderken dat de bouw de afgelopen jaren is achtergebleven bij de opgave en daarom zet het kabinet op allerlei manieren in op het vergroten van de planvorming en realisatie van deze woonvormen. Hierover ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in nauw overleg met alle betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en zorgpartijen. Wij blijven in gesprek met de sector om knelpunten bij de realisatie van nieuwe woonvormen voor ouderen weg te nemen.
Belangrijke elementen van de aanpak van het kabinet om de realisatie van woningtypes geschikt voor ouderen te vergroten zijn het maken van programmatische afspraken in de woondeals over de huisvestingsopgave voor ouderen, het voeren van gesprekken met bestuurders in de woondealregio’s over de planvorming en realisatie van deze opgave én het reserveren van extra middelen voor de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook kan na invoering van de Wet Regie bijvoorbeeld sterker worden gestuurd op het bouwen voor ouderen. Gemeenten moeten in hun volkshuisvestingsprogramma’s aangeven hoe zij invulling gaan geven aan deze bouwopgave.
Voor de zomer zal nader op het voorgaande worden ingegaan in een voortgangsbrief ouderenhuisvesting aan uw Kamer, zoals ook toegezegd tijdens het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting van 11 maart jl.
Het bericht ‘Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: ’Er is niets dat ik niet wil doen’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: «Er is niets dat ik niet wil doen»»?1
Ja
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat de personeelstekorten in de zorg fors oplopen, terwijl ondertussen nog altijd 22.000 mensen met een beperking langs de zijlijn staan?
Wij zouden dat graag anders zien. Het terugdringen van de personeelstekorten is een brede uitdaging waar we alle partijen voor nodig hebben. Volgens onderzoek van kenniscentrum Movisie en VGN (Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland) zouden ongeveer 22.000 mensen die nu in de dagbesteding zitten, de stap kunnen maken naar een vorm van betaald werk. De Minister van Werk en Participatie zet zich in voor het bevorderen van participatie op de arbeidsmarkt. Dat gebeurt op allerlei manieren, zie hiervoor het antwoord op vraag 4. Het Programma Simpel Switchen in de Participatieketen omvat onder andere de overstap van dagbesteding naar betaald werk. Binnen dit gezamenlijke programma van de Ministeries van SZW en VWS met landelijke partners als Divosa, de VGN, Cedris en Movisie, lopen verschillende activiteiten gericht op het vergemakkelijken van deze overstap.
Deelt u de mening dat juist mensen met een beperking zorgorganisaties veel te bieden hebben en dat het beter voor henzelf en de samenleving zou zijn indien zij de stap zouden maken van dagbesteding naar betaald werk? Zo nee, waarom niet?
Het is zeker belangrijk dat ook mensen met een beperking zo veel mogelijk betaald werk verrichten. Betaald werk draagt bij aan zelfstandigheid, aan meedoen in de samenleving en het is van belang voor de economie. Het bevorderen van betaald werk is één van de prioriteiten van de Minister van Werk en Participatie. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 ziet het gezamenlijke Programma Simpel Switchen in de Participatieketen onder meer op de stap van arbeidsmatige dagbesteding naar een vorm van betaald werk.
Constateert u ook dat er landelijk maar een handjevol zorgorganisaties zijn die werken met mensen met een beperking en de meeste werkgevers vooral de problemen en niet de kansen zien?
Nog steeds hebben te weinig werkgevers mensen met een beperking in dienst. Helaas gaat het nog maar om minder dan een op de vijf werkgevers.2 Dat probleem speelt niet alleen in de zorgsector. Er zijn wel goede voorbeelden van zorgorganisaties die mensen met een beperking in dienst hebben. Maar het is zaak dat meer werkgevers, ook in de zorg, het goede voorbeeld volgen. Het is onacceptabel dat de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking achterblijft. Het is niet goed voor de mensen zelf en ook de samenleving als geheel is daarmee slechter af. Zeker nu bedrijven in het land nog steeds om personeel verlegen zitten. In een krappe arbeidsmarkt kunnen we de talenten en inzet van mensen simpelweg niet missen. Door zoveel talent onbenut te laten, schieten we onszelf als samenleving in de voet.
Er zijn de afgelopen tijd al veel maatregelen getroffen om dit probleem aan te pakken.3 Zo zijn er verbeteringen van de Banenafspraak tot stand gekomen. Er is een Sociaal Innovatiefonds om inclusief werkgeverschap aan te moedigen, er is budget voor het structureel maken van het instrument Individuele Plaatsing en Steun, er zijn middelen voor investeringen voor een toekomstbestendige infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk (structureel gaat het om € 190 miljoen extra per jaar), er is een subsidieregeling inclusieve technologie. Ook komen sectorale Ontwikkelpaden tot stand, onder meer in de zorg, de wet van school naar duurzaam werk is begin 2026 in werking getreden en er zijn maatregelen genomen in de Participatiewet in balans ter bevordering van uitstroom naar werk. Met de komst van Werkcentra is er één loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk.
De komende tijd worden onverminderd maatregelen getroffen ter bevordering van de arbeidsparticipatie. Zo wordt er ingezet op het harmoniseren van het re-integratiebeleid, waaronder de inzet van werkvoorzieningen, zodat werkzoekenden en werkgevers sneller krijgen wat nodig is. Er wordt meer ingezet op praktijkgerichte scholing, zodat mensen sneller kunnen instromen in banen in sectoren als de zorg. Ook wordt er gewerkt aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin wordt ingegaan op hoe de informatievoorziening verder kan worden vergroot. Daarnaast vindt er een hervorming van de Participatiewet plaats en er wordt gewerkt aan een fundamentele herziening van de Banenafspraak.
Bent u bereid werkgevers beter voor te lichten over de mogelijkheden die er zijn? Zo nee, waarom niet?
Met de komst van Werkcentra is er een loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk. Daarnaast werkt de Minister van Werk en Participatie aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin hij verder in zal gaan op hoe de bekendheid van regelingen en mogelijkheden verder kan worden versterkt.
Streven is de agenda rond de zomer met uw Kamer te delen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe bestaande regelingen versimpeld kunnen worden zodat deze minder ingewikkeld zijn voor werkgevers en de bevindingen met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het antwoord op vraag 4 blijkt, wordt er volop ingezet op het verbeteren van bestaande regelingen. Daarbij gaat het ook om de informatievoorziening over die regelingen en de uitvoering ervan. Dat gebeurt met nauwe betrokkenheid van werkgevers, werknemers, ervaringsdeskundigen, uitvoerders en andere belanghebbende partijen. De Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de ontwikkelingen in de verschillende dossiers.
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Ja.
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Het kabinet zet zich onverminderd in om deze praktijk te voorkomen en te bestrijden.
Uit het onderzoek van Pharos blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Verder laat het onderzoek zien dat het geschatte aantal meisjes dat in de komende twintig jaar reëel risico loopt is gedaald: van ongeveer 4.190 in 2018 naar ongeveer 2.606 in 2023. Volgens de onderzoekers hangt deze daling vooral samen met een verfijning van het rekenmodel, waarin rekening wordt gehouden met veranderende opvattingen na migratie en vooral het lagere risico onder de tweede generatie. Dit duidt erop dat preventie en bewustwording effect hebben.
VGV komt wereldwijd voor in verschillende landen en gemeenschappen en is niet exclusief verbonden aan één religie of herkomst. Vrouwelijke genitale verminking wordt niet veroorzaakt door immigratie, maar komt voort uit sociale normen, culturele opvattingen (over vrouwelijkheid, huwelijk, seksualiteit en sociale acceptatie) en tradities, en sociale verwachtingen die daaruit voortkomen. Mensen handelen niet enkel op basis van persoonlijke overtuigingen maar ook vanuit normen en verwachtingen vanuit de gemeenschap of familie. Pharos merkt op dat deze normen in veel landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt veranderen, onder meer na migratie en onder invloed van onderwijs, wetgeving, preventie en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Dreigende vrouwelijke genitale verminking kan reden zijn om asielbescherming te bieden. Op die wijze kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling.
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Op basis van signalen van professionals en beschikbare kennis stelt Pharos dat VGV in Nederland zelf niet wordt uitgevoerd. Voor meisjes bestaat het risico om tijdens verblijf in het buitenland te worden besneden. Op dit moment doet Pharos een uitvraag onder professionals met de vraag in hoeverre zij te maken hebben gehad met minderjarige meisjes die in Nederland wonen of onder Nederlands recht vallen, en van wie zij wisten of vermoedden dat zij na migratie zijn besneden. Uit een tussentijdse analyse onder bijna 250 professionals, zoals JGZ-professionals, huisartsen en gynaecologen, komen tot nu toe geen bevestigde gevallen naar voren van meisjes die na migratie, terwijl zij in Nederland woonden, zijn besneden. Het is mogelijk dat vrouwen en meisjes in landen van herkomst slachtoffer zijn geworden van vrouwelijke genitale verminking en op latere leeftijd naar Nederland verhuizen.
In Nederland wordt daarom vooral ingezet op preventie en voorlichting, onder andere via de jeugdgezondheidszorg, zorg en ondersteuning voor slachtoffers, en samenwerking met betrokken gemeenschappen, sleutelpersonen en ketenpartners. De verklaring tegen meisjesbesnijdenis kan aan ouders worden meegegeven als zij afreizen naar het land van herkomst. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen en bevat informatie over hoe schadelijk meisjesbesnijdenis is en dat dit strafbaar is in Nederland.
UNICEF schat dat op dit moment ten minste 230 miljoen meisjes en vrouwen in 31 landen leven met de gevolgen van VGV. In de afgelopen tien jaar is het percentage meisjes van 15 tot 19 jaar dat de praktijk heeft ondergaan gedaald van 41 procent naar 34 procent (UNICEF, 2025). Nederland ondersteunt partners die schadelijke praktijken zoals VGV tegengaan, zoals via het Future4Binti programma (2026–2030) in Oost-Afrika.
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Het is van groot belang dat professionals het gesprek over VGV tijdig en zorgvuldig aangaan wanneer er signalen of risico’s zijn. Terughoudendheid die de bescherming van meisjes in de weg staat is niet wenselijk. Het uitgangspunt is dat signalen van mogelijke VGV altijd serieus worden genomen en dat professionals weten hoe zij, met oog voor culturele sensitiviteit én de veiligheid van het kind, het gesprek kunnen voeren en passende stappen kunnen zetten. Om die reden wordt ingezet op het versterken van de deskundigheid en het handelingsperspectief van professionals, onder andere via richtlijnen, training en voorlichting. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling biedt professionals een stappenplan om signalen van onder andere VGV zorgvuldig te beoordelen en hierop te handelen. Daarnaast zijn er diverse trainingen gericht op gespreksvoering beschikbaar en wordt een richtlijn ontwikkeld voor de Jeugdgezondheidszorg waarin handvatten voor professionals zijn opgenomen.
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal meldingen van vermoedens van VGV in de afgelopen vijf jaar. Dit kan onder meer samenhangen met de verborgen aard van VGV en het feit dat VGV vaak in het buitenland plaatsvindt. Als (zorg)professionals in Nederland een slachtoffer zien dat al VGV heeft ondergaan, wordt veelal ingezet op ondersteuning en hulp van het slachtoffer in plaats van melden bij Veilig Thuis.
Het kabinet is niet voornemens om een meldplicht in te stellen, een meldplicht kan juist averechts werken en een drempel vormen om hulp te zoeken. In Nederland wordt gewerkt met de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, die professionals ondersteunt bij het signaleren en beoordelen van signalen om zo de nodige passende stappen te zetten. Bij signalen van vrouwelijke genitale verminking is het belangrijk dat professionals contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is aan organisaties om kennis en kunde over de meldcode onder werknemers blijvend te bevorderen. In de meldcode is opgenomen dat bij acuut en structureel geweld het de professionele norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis. Daarnaast loopt er momenteel een verkenning naar een brede adviesplicht om de adviesfunctie te versterken, waarbij professionals advies moeten vragen als zij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (waaronder vrouwelijke genitale verminking) hebben.
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Vrouwelijke genitale verminking is momenteel al strafbaar als (zware) mishandeling op grond van de artikelen 300 tot en met 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt momenteel gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 961), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9).
Verder is uw Kamer in december 2025, middels de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, geïnformeerd over de beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking». In deze beleidsreactie wordt – in reactie op één van de aanbevelingen – vermeld dat juridisch zal worden onderzocht of en hoe preventieve beschermingsbevelen mogelijk kunnen worden gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod, waarin ook wordt verkend of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. In de verkenning worden ook de mogelijkheden onderzocht van een uitreisverbod ingeval van een risico op vrouwelijke genitale verminking, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. De eerste bevindingen van deze verkenning zullen begin 2027 met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot merk ik op dat de aanpak van vrouwelijke genitale verminking onderdeel uitmaakt van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet heeft met het plan «Stop femicide!» stevige maatregelen getroffen ten aanzien van vroegsignalering, een versterkte samenwerking en het bieden van tijdige en effectieve bescherming aan (potentiële) slachtoffers. Op 10 juli 2025 is de Kamer reeds geïnformeerd over de voortgang van de prioriteiten uit dit plan van aanpak. Daarnaast is de Kamer middels eerdergenoemde Kamerbrief geïnformeerd over de aanstelling van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, die – naar verwachting – voor de zomer zal worden aangesteld.
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 6, is vrouwelijke genitale verminking een ernstig misdrijf en in Nederland strafbaar gesteld als (zware) mishandeling. Afhankelijk van hun precieze rol, is het in voorkomende gevallen mogelijk dat personen die de genitale verminking niet zelf toebrengen, zich schuldig maken aan strafbare deelneming hieraan. Verder biedt artikel 284 Sr de mogelijkheid om personen die een vrouw of meisje dwingen genitale verminking te ondergaan (ook als dit in het buitenland plaatsvindt) strafrechtelijk te vervolgen. Zoals hiervoor bij vraag 6 aan de orde is gekomen, zal de strafbaarheid met het daar genoemde implementatiewetsvoorstel verder worden uitgebreid naar personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te beoordelen of sprake is van strafbaar handelen en of strafrechtelijke vervolging aangewezen is.
Wanneer een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwelijke genitale verminking dan zal zo mogelijk de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke rechterlijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen, asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije, moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking is op dit moment in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr) en is het mogelijk dat personen die genitale verminking faciliteren zich in voorkomende gevallen schuldig maken aan strafbare deelneming aan dat feit. Zoals in reactie op vraag 6 aan de orde is gekomen, wordt met het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn EU 2024/1385 de strafbaarheid verder uitgebreid tot personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen vrouwelijke genitale verminking te ondergaan, waarmee eveneens uitvoering wordt gegeven aan de daar al genoemde motie-Eerdmans.
Wat betreft het intrekken van de verblijfsvergunning geldt hetgeen in het antwoord op vraag 7 is aangegeven. Hetzelfde is ook van toepassing op vreemdelingen die een dubbele nationaliteit hebben, tenzij één van die nationaliteiten die van Nederland is. Nederland mag geen eigen onderdanen het land uitzetten.
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Zoals geformuleerd in antwoord op vraag 2 wordt vrouwelijke genitale verminking niet veroorzaakt door immigratie en kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Bent u bekend met het bericht «Huisartsenpost Rotterdam verheerlijkt bombardement op Israëlische burgers: «Het is jullie tijd om te bloeden»»?1
Ja. Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een huisartsenpraktijk met een groot videoscherm op de gevel bombardementen op Israëlische burgers verheerlijkt? Zo ja, hoe gaat u daar tegen op treden? Zo nee, waarom niet?
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Diverse instanties hebben een rol in opsporings- of toezichtsonderzoek. Allereerst is er een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is. Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Tot slot is ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Bent u van mening dat deze arts zich hiermee aan de gedragscode voor artsen houdt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties heeft dit?
De gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.3 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk.
Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden maakt daarvan deel uit.
Het bericht dat instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid»?1
Ja.
Kunt u aangeven bij hoeveel zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog gesloten zijn, aangezien de inspectie ziet dat veel zorgaanbieders werken aan een opendeurenbeleid maar bij een groot deel van de zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog altijd gesloten? Kunt u dit uitsplitsen per sector en daarbij aangeven wat daarvoor de hoofd beweegredenen zijn?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd opendeurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wet zorg en dwang (Wzd).
Op welke manieren bent u van plan om in te zetten op kwaliteit van leven voor mensen met dementie?
Ik zet met de Nationale Dementiestrategie (NDS) in op meer onderzoek naar dementie, een dementievriendelijke samenleving en goede zorg en ondersteuning voor mensen met dementie. Deze strategie is onlangs geactualiseerd en in januari 2026 met uw Kamer gedeeld.2
Op welke manieren gaat u inzetten op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie? En hoe faciliteert u daarin de zorgaanbieders, zorgprofessionals en familie?
Het belangrijkste instrument waarmee ingezet kan worden op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie is de Wzd zelf. Het uitgangspunt van de Wzd is «nee, tenzij». Dat betekent dat cliënten niet beperkt worden in hun vrijheid, tenzij dat echt niet anders kan. En in dat geval alleen als dat gebeurt met inachtneming van de eisen die de Wzd stelt.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023)3 afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»4 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025. Daarnaast heeft Vilans naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken samen met veldpartijen de folder «Leven in vrijheid voor cliënten en hun naasten of vertegenwoordigers» uitgebracht.5 In de folder wordt in duidelijke taal uitgelegd wat de Wzd is en welke stappen zorgorganisaties moeten doorlopen bij het inzetten van gedwongen zorg aan cliënten.
Binnen de Wzd-programma’s van Vilans zijn talrijke kennisproducten en -sessies ontwikkeld en aangeboden aan het veld. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over de Wzd en het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans.6
Tot slot kent de Wzd om de cliënt en zijn naasten te ondersteunen de functie cliëntvertrouwenspersoon (CVP). Iedere cliënt die te maken krijgt met gedwongen zorg heeft recht op ondersteuning van een CVP.
Deelt u de mening dat dit niet alleen iets van aanbieders, professionals en familie is maar van de samenleving als geheel? Hoe zet u daar op in?
Eén van de lijnen van de Nationale Dementiestrategie is de Dementievriendelijke samenleving. Binnen dit thema werken we aan bewustwording van de samenleving over dementie en zorgen we voor inclusiviteit. We werken aan meer begrip uit de omgeving voor mensen met dementie en hun naasten. We stimuleren betere toegankelijkheid van sportclubs en verenigingen voor mensen met dementie.
Daarnaast heeft Vilans in het kader van het programma «Open de deuren» een «Dossier passende vrijheid» ontwikkeld. Dit dossier bestaat uit meerdere bouwstenen. Eén van deze bouwstenen is «Gebouw en omgeving». Het dossier geeft zorgaanbieders handvatten hoe zij zowel intern als extern een dementievriendelijke omgeving creëren.
Deelt u de zorg van de instellingen dat dementerende bewoners door het opendeurbeleid in gevaarlijke situaties terechtkomen of niet meer terugkeren? Zo ja, wat gaat u doen om hen hierin te begeleiden? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp deze zorg. Het artikel geeft de emotie goed weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt.
Juist daarom is de individuele afweging noodzakelijk. Als gevaarlijke situaties voorstelbaar zijn bij een cliënt, kan de zorgaanbieder de afweging maken dat deze cliënt niet alleen naar buiten gaat, maar kan de zorgaanbieder andere opties verkennen, zoals onder begeleiding van een zorgverlener de afdeling af en/of naar buiten.
Begrijpt u dat ook familieleden van bewoners vaak enorm worstelen met de afweging tussen vrijheid en veiligheid dat zij grote machteloosheid ervaren als het gaat om de fysieke bescherming van hun dementerende geliefden? Zo nee, waarom niet? Hoe neemt u hen mee in het opendeurenbeleid?
Het is mij bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en dat zij soms ook in situaties terechtkomen waarin zij dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we, ook van familieleden, dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Daarom is het belangrijk dat zorgprofessionals in overleg met de naasten van een cliënt en zo mogelijk de cliënt zelf een goede afweging maken.
Onderdeel van deze individuele afweging is de inschatting van de zorgverlener welke risico’s er zijn voor de cliënt en hoe dat afgewogen kan worden tegenover de verbeterde kwaliteit van leven voor de cliënt.
Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking7 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Bent u het eens met de verzorgenden dat personeelstekort de tijd beperkt voor maatwerk en begrijpt u dat tegelijkertijd de sterke verantwoordelijk voor de bewoners en het verantwoording afleggen aan familie grote druk op hen legt? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat begrijp ik. Dat neemt niet weg dat, in geval van gedwongen zorg, altijd een individuele afweging gemaakt moet worden.
Hebt u er in tegenstelling tot de inspectie wel begrip voor dat fysieke aanpassingen geld kosten en wegens bezuinigingen niet altijd mogelijk zijn? Zo ja, op welke manier komt u hen hierin tegemoet? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad mogelijk dat fysieke aanpassingen kosten met zich brengen. In de Wet langdurige zorg (Wlz) wordt via de normatieve huisvestingscomponent geld beschikbaar gesteld voor behoud van het vastgoed. Daar horen ook aanpassingen bij die zijn ingegeven door wijzigingen in de wijze van zorgverlening.
Hoe bevordert u het delen van kennis en ervaringen binnen de verschillende sectoren met het opendeurenbeleid?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid op korte termijn met de Beroepsvereniging V&VN voor verpleegkundigen en verzorgenden en andere betrokkenen in gesprek te gaan, de knelpunten in de wet, problemen waar zij tegen aan lopen en eventueel door hen voorgestelde oplossingen in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, en sterker nog: dat doe ik al. Vanuit het Ministerie van VWS vindt er regelmatig overleg plaats op verschillende niveaus en in wisselende samenstellingen met beroepsverenigingen en dus ook de V&VN. Uw Kamer is en wordt daar op regelmatige basis over geïnformeerd. In de toelichting van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wzd (Evaluatiewet Wvggz en Wzd) dat momenteel wordt voorbereid, zal ook ingegaan worden op de inbreng van beroepsverenigingen.
De wijziging van automatische uitbetaling naar declaratie voor Zilveren Kruis-verzekerden met een hulphond. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat vanaf 2026 Zilveren Kruis-verzekerden met een hulphond de kwartaalvergoeding zelf via een formulier moeten declareren, in plaats van een automatische uitbetaling?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u van mening dat zorgplicht voor kwetsbare groepen boven efficiëntie en controle gaan? Zo nee, waarom niet?
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht voor hun verzekerden. Deze zorgplicht is belangrijk en dient gewaarborgd te worden. Met de nieuwe werkwijze van declaratie lijken er echter geen grote risico’s te ontstaan voor de zorgplicht aan kwetsbare groepen. De nieuwe werkwijze is gericht op het voorkomen van mogelijke terugvordering van onrechtmatig verkregen vergoedingen. Dit verkleint het risico op terugvorderingen achteraf.
Deelt u de zorg dat deze wijziging kan leiden tot onnodige drempels voor verzekerden die recht hebben op een hulphond? Zo ja, bent u bereid om hierover het gesprek met Zilveren Kruis aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
Deze zorg deelt het kabinet niet. De wijziging in het proces van uitbetaling levert een extra stap op voor verzekerden, wat van invloed kan zijn op de (ervaren) toegankelijkheid van de voorziening, maar de wijziging is zo eenvoudig mogelijk ingericht. Zo heeft een verzekerde direct toegang tot het declaratieformulier op de website van Zilveren Kruis, en wordt een deel van de gegevens automatisch ingevuld. Ook heeft Zilveren Kruis verschillende ondersteuningsmogelijkheden ingericht. Zo is er telefonische ondersteuning beschikbaar voor iedereen die hier behoefte aan heeft. Voor verzekerden die door een visuele beperking een hulphond nodig hebben, is het mogelijk om te bellen en het formulier door een medewerker van Zilveren Kruis in te laten vullen. Daarnaast is het ook mogelijk het formulier 1 of 2 keer per jaar in te vullen, waarbij een verzekerde met terugwerkende kracht de gebruikersvergoeding krijgt uitbetaald. Dit kan tot 3 jaar terug.
Bij het wijzigen van de werkwijze is doorlopend nauw contact geweest met de Oogvereniging. De werkwijze wordt in 2026 geëvalueerd en indien zich knelpunten voordoen, wordt de werkwijze waar nodig en mogelijk aangepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het testteam van de Oogvereniging. Gezien de ondersteuningsmogelijkheden en de geplande evaluatie ziet het kabinet geen reden om hierover met Zilveren Kruis in gesprek te gaan.
Deelt u de opvatting dat kwetsbare mensen niet de dupe mogen worden van extra bureaucratie en dat een zorgverzekeraar bestaande vergoedingen niet nodeloos ingewikkelder moet maken? Zo nee, waarom niet?
De wijziging is zo eenvoudig mogelijk ingericht. Terugvorderingen van vergoedingen bij kwetsbare burgers zijn ingrijpender dan het één keer per kwartaal digitaal invullen van een declaratieformulier of bellen met de verzekeraar.
Gaat u in kaart brengen of ook andere zorgverzekeraars vergelijkbare drempels opwerpen bij vergoedingen voor hulpmiddelen of voorzieningen voor kwetsbare verzekerden en kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Met de diverse ondersteuningsmaatregelen die aan de nieuwe werkwijze zijn gekoppeld, heeft Zilveren Kruis geprobeerd zoveel mogelijk drempels voor verzekerden weg te nemen, en het risico op terugvordering van onrechtmatig verkregen kosten te verkleinen. Daarnaast is de werkwijze van het declareren van werkelijk gemaakte kosten gebruikelijk binnen de Zorgverzekeringswet. Het kabinet ziet daarom op dit moment geen reden om hiernaar onderzoek te doen bij andere zorgverzekeraars.
Kunt u zorgen dat dit van tafel gaat als deze extra administratieve last leidt tot het niet of te laat uitbetalen van vergoedingen aan kwetsbare groepen en indien nodig de richtlijnen aan te scherpen over hoe verzekeraars met declaraties van hulpmiddelen zoals hulphonden moeten omgaan? Zo nee, waarom niet?
De wijziging leidt niet tot onevenredige administratieve last of het te laat uitbetalen van vergoedingen aan kwetsbare groepen verzekerden. Zoals in het antwoord op vraag 3 geschetst, heeft Zilveren Kruis verschillende mogelijkheden tot ondersteuning ingevoerd bij deze wijziging. Het is aan de verzekeraar om de service aan klanten optimaal in te richten.
Het bericht ‘De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?»1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Jolie heeft mij een aangrijpende brief gestuurd over haar situatie. Die brief raakt mij zeer.
Kunt u uitgebreid toelichten waarom het medicijn Enhertu (trastuzumab deruxtecan) niet wordt vergoed voor borstkankerpatiënten met HER2-low?
Enhertu is een geneesmiddel dat voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker (en andere soorten kanker) is geregistreerd. Door de hoge prijs in combinatie met de hoge verwachte uitgaven is het middel voor alle toekomstige indicaties in de sluis geplaatst. Dat gebeurt als pakketopname van een nieuw geneesmiddel of een nieuwe indicatie vanuit maatschappelijk perspectief risicovol is. Geneesmiddelen en indicaties die in de sluis staan worden pas vergoed vanuit het basispakket als ze voldoen aan de pakketcriteria. Daarvoor kijkt het Zorginstituut of het geneesmiddel effectief is. Een geneesmiddel is effectief als het even goed of beter werkt dan de huidige standaardbehandeling. Ook beoordeelt het Zorginstituut de kosteneffectiviteit, dat zegt of de extra kosten van een geneesmiddel voor een specifieke indicatie, in dit geval Enhertu bij HER2-low borstkanker, in verhouding staan tot de extra effectiviteit.
Enhertu is voor de behandeling van HER2-low borstkanker nog niet opgenomen in het basispakket. Het Zorginstituut heeft geoordeeld dat Enhertu bij HER2-low borstkanker effectief is, maar dat de extra effecten niet opwegen tegen de extra kosten van HER2-low borstkanker (het middel is voor deze indicatie dus niet kosteneffectief). Daarom adviseert het Zorginstituut dit geneesmiddel pas in het basispakket op te nemen nadat de leverancier een aanzienlijke korting heeft gegeven.2
Helaas heeft de prijsonderhandeling voor Enhertu bij HER2-low borstkanker niet tot een positief resultaat geleid. Het valt mij zwaar dat Enhertu niet kan worden opgenomen in het basispakket voor deze indicatie. Dit is teleurstellend voor patiënten, hun naasten en behandelaren die hun hoop hebben gevestigd op dit geneesmiddel.
Enhertu is voor een andere indicatie inmiddels wel vergoed. Dat is voor patiënten met HER2-positieve borstkanker. Deze indicatie stond ook in de sluis en is vervolgens door het Zorginstituut beoordeeld.
Het Zorginstituut adviseert een lagere korting voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker om de extra effecten in balans te brengen met de extra kosten dan bij HER2-low borstkanker.3 Na een onderhandeling wordt Enhertu sinds 11 april 2024 vergoed vanuit het basispakket bij HER2-positieve borstkanker.
Deelt u de mening dat er sprake is van ongelijke behandeling indien een medicijn voor de ene groep borstkankerpatiënten wel vergoed wordt, maar niet voor een andere groep borstkankerpatiënten die evenredig baat heeft bij dit middel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening niet. Enhertu is voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker geregistreerd. Het Zorginstituut heeft op basis van de ingediende dossiers van de leverancier twee aparte beoordelingen gegeven, één voor Enhertu bij HER2-postieve borstkanker en een bij HER2-low borstkanker. In het kort komt het erop neer dat de extra effecten en extra kosten voor deze twee groepen borstkankerpatiënten niet gelijk zijn. Dat betekent dat er minder korting nodig is voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker dan bij HER2-low borstkanker.
Klopt het dat het gaat om een groep van 1.500 vrouwen in Nederland?
Er zijn jaarlijks ongeveer 1500 vrouwen met HER2-low borstkanker, maar niet alle patiënten komen in aanmerking voor behandeling met Enhertu. Volgens het pakketadvies van het Zorginstituut komen er jaarlijks ongeveer 585 patiënten met HER2-low borstkanker in aanmerking komen voor behandeling met Enhertu.
Klopt het dat het medicijn in 26 andere Europese landen wel beschikbaar is voor deze groep?
Het kabinet kan niet verifiëren in welke landen Enhertu voor de behandeling van vrouwen met HER2-low borstkanker wordt vergoed. Daar komt bij dat vergoeding van een geneesmiddel niet in elk land hetzelfde betekent als in Nederland, namelijk dat elke patiënt die in aanmerking komt voor de behandeling deze ook daadwerkelijk krijgt.
Hoe legt u aan deze 1.500 vrouwen uit dat u het middel, wat hun leven kan verlengen en kwaliteit van leven kan verbeteren, niet vergoedt?
Het lot van deze patiënten raakt mij zeer. De afweging of Enhertu voor deze patiënten wordt opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering, is zorgvuldig gemaakt. Namens het kabinet volg ik daarbij het beleid van mijn voorgangers. Het kabinet begrijpt dat dat zeer teleurstellend is voor Jolie, andere patiënten en hun families.
Daarbij wijst het kabinet op het volgende. Gegeven dat er beperkte financiële middelen zijn, moeten er keuzes worden gemaakt in de zorg. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren. Elke euro kan maar één keer worden uitgegeven. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst behaald worden. Het kabinet houdt rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers – ook als dat betekent dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel. Het kabinet zou willen dat we dergelijke keuzes niet zouden hoeven maken, want het zou patiënten zoals Jolie natuurlijk heel graag een ander bericht geven, maar helaas is dat – en hier moet het kabinet toch ook wijzen op de hoge prijzen van dit soort geneesmiddelen – een luxe die ons niet gegeven is.
Betekent uw reactie op de brief van Jolie Jacobs dat de situatie van patiënten met HER2-low borstkanker «nadrukkelijk uw aandacht heeft» dat u zich niet alleen laat informeren, maar dat u alles zult doen wat in uw mogelijkheden ligt om dit middel zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor deze groep patiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven welke stappen u gaat ondernemen en wat het tijdspad is?
De situatie van patiënten met HER2-low borstkanker heeft nadrukkelijk mijn aandacht. Zo verzoek ik, namens het kabinet, de leverancier of hij nu wel bereid is om een maatschappelijk aanvaardbare prijs overeen te komen. Het kabinet wil patiënten nadrukkelijk geen valse hoop geven, soms lukt het niet om tot overeenstemming te komen met leveranciers.
Bent u bereidt om, zo snel als mogelijk, het besluit van uw voorganger te herzien en om dit medicijn alsnog toe te laten tot het basispakket en daarmee beschikbaar te maken voor de borstkankerpatiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet?
Als de leverancier bereid is om alsnog tot aanvaardbare prijsafspraken te komen, ben ik, namens het kabinet, bereid om Enhertu op te nemen in het basispakket. Het kabinet roept de leverancier op om, in het belang van alle patiënten met HER2-low borstkanker, zijn standpunt te heroverwegen. Ook staat voor de leverancier de mogelijkheid open om nieuwe data aan te leveren bij het Zorginstituut en een herbeoordeling te vragen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: «Mensen smeken erom dood te mogen gaan»»?1
Ja.
Hoeveel zorgbehoevende ouderen wonen er op dit moment nog in De Steeg?
Voor zover bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bekend, verblijven er op dit moment nog zes ouderen in De Steeg.
Vindt u het verantwoord dat zorgbehoevende ouderen daar op dit moment nog verblijven? Hoe garandeert u de veiligheid van en goede zorg aan deze bewoners?
Derman woonzorg is verantwoordelijk om de wet- en regelgeving na te leven en bewoners goed te verzorgen. Momenteel doen twee toezichthouders onderzoek, ik wacht de conclusies van de IGJ af voordat ik verdere maatregelen neem. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en de Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede en veilige zorg.
Hoe kan het dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nooit is ingegrepen? Is hier sprake van incidenteel falen of van systeemfalen? Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rol van alle betrokken instanties en de uitkomsten met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer leveren de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hun onderzoek op?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Het rapport van het laatste toezichtbezoek zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd.
Onderzoeken de Arbeidsinspectie en de IGJ ook alle andere activiteiten van Derman Zorg? Zo nee, bent u bereid hen een aanwijzing te geven tot diepgaand onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht van de IGJ en de Arbeidsinspectie beslaat tezamen alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg van deze zorgaanbieder. Ik zie daarom geen aanleiding om een aanwijzing te geven.
Bent u bereid in te zetten op verscherpt toezicht op zorginstellingen en zorgorganisaties met een verhoogd risico op een zwijgcultuur? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De beslissing om in deze casus al dan niet verscherpt toezicht in te zetten is aan de IGJ als onafhankelijke toezichthouder. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Een verscherpt toezicht behoort daarbij tot de mogelijkheden. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid
Bent u bereid aan te sturen op het direct sluiten van die verpleeghuis en het elders onderbrengen van de zorgbehoevende ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg. Zij doen onderzoek naar Derman woonzorg en zetten op basis daarvan passende toezichtsmaatregelen in. Het rapport van het laatste toezichtbezoek door de IGJ zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd. Ik wacht de conclusies van de IGJ af.
Het verwijderen van schilderijen uit een zorgcentrum vanwege brandveiligheid |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Algemeen Dagblad waarin valt te lezen dat zorgorganisatie Zorgwaard vanwege brandveiligheid heeft opgedragen schilderijen te verwijderen uit de gangen van zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel en daarbij dreigde met een boete van 25.000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat, alhoewel brandveiligheid van groot belang is, het ook mogelijk moet zijn om een gebouw (zoals in dit geval een zorgcentrum) van inrichting te voorzien dat niet enkel op functioneel gebruik is gericht?
Het is nog steeds mogelijk om een zorgcentrum te voorzien van inrichting die niet enkel op functioneel gebruik is gericht. In de kamers van de bewoners en in de bijeenkomstruimten is nog allerlei inrichting mogelijk, zoals het ophangen van schilderijen. Dit is alleen anders voor een gemeenschappelijke verkeersruimte (gangen) waardoor bij brand moet worden gevlucht. In deze gangen mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn of objecten die het vluchten belemmeren. Met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is dit verduidelijkt in opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in zijn rapport van 14 juli 2021 over de flatbrand in Arnhem in 20202.
Is bij de wijziging van het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) uit 2024 rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor inrichting van bijvoorbeeld zorgcentra, door te kijken naar alternatieve zaken om brandveiligheid te waarborgen? Zo ja, graag een toelichting & zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn vorige antwoord was het rapport van de OvV over de flatbrand in Arnhem de aanleiding voor de wijziging van het Bbl. De OvV heeft hierin aanbevolen om te zorgen voor verbetering van het toezicht op de brandveiligheid in de gebruiksfase van woongebouwen en te bezien of een aanpassing van de geldende wet- en regelgeving nodig is. Aansluitend zijn door het voormalig Ministerie van VRO gesprekken gevoerd met gemeenten, Brandweer NL en organisaties van gebouweigenaren3 waaruit bleek dat de regelgeving op het gebied van het vrijhouden van vluchtwegen in woongebouwen onvoldoende duidelijk was. Duidelijkere regelgeving zou gemeenten en ook woningeigenaren helpen bij het uitvoeren van toezicht op het gebied van brandveiligheid en communicatie hierover met bewoners. Hierop is in samenspraak met genoemde partijen besloten om in het Bbl concreter te beschrijven wat wel en niet aanwezig mag zijn in de gemeenschappelijke verkeersruimtes, waar dit voorheen alleen algemeen geformuleerde regelgeving betrof. De wijziging van het Bbl is op 23 november 2023 gepubliceerd4 en op 1 juli 2024 in werking getreden.
Hoewel het al vóór 1 juli 2024 kon, is het voor gemeenten met de verduidelijkte regelgeving eenvoudiger om handhavend op te treden als in een gemeenschappelijke verkeersruimte sprake is van brandgevaarlijke objecten of objecten die het vluchten belemmeren. Dit was ook voorzien en beoogd met de wijziging van het Bbl.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het gewijzigde Bbl uit 2024 kan worden aangepast óf ruimte voor interpretatie geeft die mogelijk onbekend is voor zorgcentra, zodat niet alleen de brandveiligheid kan worden gewaarborgd, maar ook zodat regelgeving niet «doorslaat» zoals in zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel?
Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) wordt in samenspraak met het Ministerie van BZK al informatie gegeven aan eigenaren over het brandveilig gebruik van woongebouwen.5 In het kader daarvan zijn door het NIPV het afgelopen jaar al veel vragen beantwoord over de toepassing van de betreffende Bbl-eisen voor vluchtroutes. Aansluitend daarop is het NIPV recent opdracht gegeven om een handreiking op te stellen over de toepassing (interpretatie) van deze Bbl-eisen. In deze handreiking zal door het NIPV ook worden ingegaan op de ruimte die er is om met een gelijkwaardige oplossing te voldoen aan de eisen, als dit beter past bij een specifiek gebouw en het gebruik daarvan.
Het bericht dat er schrijnende toestanden bij ouderen zijn door langer thuis wonen. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Machteloosheid in ziekenhuizen: schrijnende toestanden bij ouderen door langer thuiswonen»?1
Ja, het kabinet is bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ouderen met doorligplekken van urenlang liggen in eigen ontlasting en met vliegjes in hun haren binnenkomen in het ziekenhuis? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Het kabinet deelt de mening dat ouderen niet in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis zouden mogen belanden. Er is niet direct uit het artikel af te leiden dat de oorzaak altijd gelijk is. Bijvoorbeeld dat het zou gaan om mensen die extra zorg hebben gevraagd maar niet hebben gekregen, thuis of in een verpleeghuis.
Daarbij heeft het kabinet geen signalen dat zorg thuis niet toegankelijk is en niet kan worden verleend aan ouderen die thuis wonen. Recent onderzoek2 laat zien dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging over het algemeen goed is. De meeste cliënten ontvangen binnen de gewenste termijn zorg. De wachttijden zijn over het algemeen kort, zo ontvangt volgens data van 15 ziekenhuizen 84% van de cliënten binnen één dag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging.
Ook zetten we bij de zorg thuis in op tijdige signalering. Door versterking van de eerstelijnszorg verbetert de samenwerking in de wijk tussen zorg en sociaal domein. Een zorg- of hulpverlener die verwaarlozing signaleert kan in samenwerking met andere professionals in de wijk hulp bieden. Ook kunnen mensen met dementie, van beginnend tot vergevorderd, gebruik maken van casemanagement dementie. Een casemanager kan helpen om zorg en ondersteuning voor de cliënt en de omgeving goed te organiseren.
Herkent u het beeld dat eenmaal in het ziekenhuis het moeilijk is om eruit te komen, omdat er een tekort is aan verpleeghuisplekken of gespecialiseerde revalidatiecentra? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Het kabinet herkent dat patiënten soms langer in het ziekenhuis verblijven dan medisch noodzakelijk. Het is belangrijk dat ouderen passende zorg ontvangen en dat een (te lang) verblijf in het ziekenhuis voorkomen wordt. Daarom werken we samen met betrokken partijen aan het versterken van de eerstelijnszorg, het verbeteren van zorgcoördinatie en het verder ontwikkelen van de kortdurende zorg, waaronder de geriatrische revalidatiezorg (GRZ) en het eerstelijnsverblijf (ELV). Voor mensen die na een ziekenhuisopname wijkverpleging nodig hebben, wordt deze vervolgzorg zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 in verreweg de meeste gevallen tijdig georganiseerd. Een betere samenwerking en coördinatie tussen zorgaanbieders is essentieel om mensen snel passende vervolgzorg te bieden. Dit alles is belangrijk, omdat een onnodig lang verblijf in het ziekenhuis niet bevorderlijk is voor herstel en kan leiden tot verminderde zelfredzaamheid, conditieverlies en afname van spierkracht.
Hoe groot is het beschreven tekort aan verpleeghuisplekken en hoe rijmt u dat met de berichten over leegstand?
Op zorgcijferdatabank3 worden iedere maand cijfers gepubliceerd over het aantal wachtenden binnen de Wlz. De meest recente cijfers zijn van 1 december 2025. Toen stonden er binnen de ouderenzorg 18.312 mensen op de wachtlijst waarvan 332 met de status «urgent plaatsen». Bij mensen die urgent geplaatst moeten worden lukt het over het algemeen om die binnen enkele weken te plaatsen in het verpleeghuis, waarbij er wel regionale verschillen kunnen zijn.
De totale omvang van de wachtlijst in de ouderenzorg is overigens lager dan op 1 december in recente voorgaande jaren (1 december 2023 stonden er 22.275 mensen op de wachtlijst voor de Wlz-ouderenzorg en 1 december 2024 20.137 mensen). Het RIVM doet momenteel onderzoek naar de verminderde vraag naar verpleeghuiszorg en de leegstand in verpleeghuizen.
Hoe groot is het tekort aan bedden in revalidatiecentra die gespecialiseerd zijn in oudere mensen met dementie?
Het kabinet is niet bekend met data over het tekort aan bedden in revalidatiecentra voor mensen met dementie of cognitieve problemen waarvan de oorzaak nog niet is vastgesteld. We zijn voornemens een opdracht uit te zetten aan het RIVM voor meer inzicht in de kortdurende en paramedische zorg, met onder andere een terreinbeschrijving. Toegankelijkheid van zorg zal een onderdeel zijn van deze beschrijving. We hopen in het kader van deze opdracht meer inzicht te krijgen in eventuele tekorten. Deze beschrijving zal naar verwachting begin 2027 worden gepubliceerd door het RIVM.
Hoeveel verpleeghuisplekken zijn fysiek beschikbaar, maar niet inzetbaar door personeelstekort?
Het kabinet beschikt niet over de cijfers om deze vraag te beantwoorden.
Welke rol spelen zorgverzekeraars bij het inkopen van voldoende verpleeghuisplekken en geriatrische revalidatieplekken? Vindt u dat zij hier voldoende verantwoordelijkheid nemen?
Zorgverzekeraars (verantwoordelijk voor de inkoop van geriatrische revalidatiezorg) hebben een wettelijke zorgplicht op basis van de Zorgverzekeringswet. De invulling van de zorgplicht betekent verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang moeten hebben tot alle zorg uit het basispakket. Wat een redelijke tijd en reisafstand is hangt af van de zorgvraag van de patiënt. Zorgverzekeraars moeten daarom voldoende zorg inkopen of bemiddelen als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan (wachttijdbemiddeling). De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) controleert of de zorgverzekeraars zich houden aan deze zorgplicht. De NZa heeft dit nader uitgewerkt in de «De zorgplicht: handvatten voor zorgverzekeraars» en in de «Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars»4. We verwijzen u ook naar de brief van 12 februari 20255 waarin uiteengezet wordt welke mogelijkheden de NZa heeft voor het toezicht op de zorgverzekeraars en de handhaving van de zorgplicht. In de brief zijn, naast informele instrumenten zoals normoverdragende gesprekken en waarschuwingen, ook een aantal formele mogelijkheden genoemd. Deze instrumenten zijn opgenomen in de Wmg, te weten: 1. aanwijzing tot opvolgen van een verplichting; 2. publicatie bij niet-naleving van de aanwijzing; 3. toepassen van last onder bestuursdwang; 4. opleggen van een last onder dwangsom en 5. opleggen van een bestuurlijke boete. Het is daarom ook aan de NZa om te beoordelen of zorgverzekeraars voldoende verantwoordelijkheid nemen.
Zorgkantoren, verantwoordelijk voor de inkoop van verpleeghuisplekken, hebben op basis van de Wet langdurige zorg een wettelijke zorgplicht ten aanzien van hun verzekerden. Ook voor de zorgkantoren heeft de NZa Handvatten duiding zorgplicht zorgkantoren6 en een Beleidsregel normenkader Wlz-uitvoerder opgesteld7. In de NZa-rapportage «Nu zorgen voor verpleeghuiscliënten van morgen»8 concludeert de NZa dat zorgkantoren grotendeels voldoen aan hun verplichtingen en dat er tot 2028 naar verwachting tijdige en passende zorg beschikbaar is in het verpleeghuis. Waar de NZa punten voor verbetering zag, zijn die individueel met zorgkantoren gedeeld. De opvolging van deze aanbevelingen zal de NZa monitoren.
Wat zijn de totale meerkosten voor ziekenhuizen door het langer moeten verzorgen van deze patiënten?
Er zijn geen landelijke, eenduidige cijfers beschikbaar over de totale meerkosten voor ziekenhuizen als gevolg van patiënten die langer verblijven dan medisch noodzakelijk. Wel is duidelijk dat onnodig lange verblijfsduur druk zet op ziekenhuiscapaciteit en kan leiden tot hogere kosten en verminderde beschikbaarheid van bedden voor andere patiënten.
Deelt u de mening dat nieuwe bezuinigingen aankondigen op de ouderenzorg het laatste wat de politiek nu zou moeten doen?
In het coalitieakkoord wordt voor de ouderenzorg ingezet op een verschuiving van intramurale zorg naar investeren in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning. Dit gaat gepaard met nieuwe woonvormen en zorgzame buurten waar ontmoeting, de aanpak van eenzaamheid en zorg voor elkaar centraal staat. Er wordt een bestuurlijk akkoord gesloten met alle drie de sectoren in de Wet langdurige zorg om te kunnen bereiken dat de uitgavengroei wordt beperkt. Per saldo is er nog altijd sprake van een groei in de uitgaven.
Het bericht ‘Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoeveel kinderen zijn de dupe van de onverwachte sluiting van de zorgvilla’s van ExpertCare?
Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bieden de vier locaties van Villa Expertcare zorg aan 70 kinderen.
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting. Wat bent u voornemens daaraan te gaan doen? Waarom zijn de tarieven niet kostendekkend?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en houdt mij intensief op de hoogte van de relevante ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn.
Wat betreft de tarieven voor aanbieders van medische kindzorg heeft de NZa mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»2. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u in contact met ExpertCare en de getroffen ouders om hen bij te staan in de zoektocht naar een nieuwe plek voor de kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er nog meer medische kindzorg locaties bekend waar sluiting dreigt? Zo ja, hoeveel?
Het is mij niet bekend dat bij andere locaties voor medische kindzorg sluiting dreigt. Ook bij de NZa zijn op dit moment geen signalen bekend van voorgenomen sluitingen van andere aanbieders van medische kindzorg.
Bent u bereid om met de betrokken partijen om tafel te gaan om te voorkomen dat er meer van dit soort sluitingen plaatsvinden en kinderen en hun ouders de dupe worden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om zelf het initiatief te nemen voor aanvullend overleg. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders in overleg te gaan over een oplossing. Zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) zijn reeds in overleg met elkaar. Daarbij is gesproken over de toegankelijkheid van medische kindzorg op korte, middellange en lange termijn. De NZa houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.