Het bericht 'Privacy toezichthouders vragen Europese Commissie Israëlische registratieplicht voor hulpverleners te toetsen' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Autoriteit Persoonsgegevens over de problemen met de Israëlische registratieplicht voor hulpverleners?1
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) meldt op haar website dat Europese gegevensbeschermingstoezichthouders willen dat de Europese Commissie (EC) zich buigt over de registratieplicht die de Israëlische overheid oplegt aan internationale ngo’s die werken in Palestijnse gebieden.2 Het kabinet onderschrijft dat de verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten ligt bij de EC.
In 2011 oordeelde de EC, destijds onder de geldende gegevensbeschermingsrichtlijn3, dat Israël een passend beschermingsniveau waarborgt voor persoonsgegevens die vanuit de EU worden doorgegeven.4 Met de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op 25 mei 2018 bleven de adequaatheidsbesluiten die onder de gegevensbeschermingsrichtlijn waren vastgesteld, van kracht. Tegelijkertijd heeft de AVG verduidelijkt dat adequaatheidsbesluiten «levende instrumenten» zijn, en bepaald dat de EC verantwoordelijk is voor het houden van doorlopend toezicht op mogelijke ontwikkelingen die afbreuk kunnen doen aan het vereiste beschermingsniveau.5 De eerste evaluatie van de adequaatheidsbesluiten die onder de richtlijn zijn genomen door de EC is afgerond op 15 januari 2024, daarbij is ook het adequaatheidsbesluit van Israël onder de loep genomen. De EC stelde in het verslag van die evaluatie aan de EP en de Raad vast dat Israël nog altijd een passend beschermingsniveau waarborgt en dat voor doorgifte, die onder de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit vallen, naar Israël geen aanvullende waarborgen nodig zijn.6 Daarnaast schrijft artikel 97 AVG voor dat adequaatheidsbesluiten in elk geval iedere vier jaar dienen te worden geëvalueerd door de commissie.7 In het geval ontwikkelingen in een land of gebied met een passend beschermingsniveau een negatieve invloed zouden hebben op het vastgestelde beschermingsniveau, kan de EC gebruik maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 45, lid 5, AVG om een adequaatheidsbesluit op te schorten, te wijzigen of in te trekken. De EC betrekt bij haar beoordeling alle relevante ontwikkelingen, zo nodig ook de in de vraag genoemde registratieplicht.
Bij het maken van een beoordeling over de adequaatheidsbesluiten betrekt de EC alle relevante ontwikkelingen. Of in het geval van de herregistratiewet sprake is van een ontwikkeling die strijdig is met het adequaatheidsbesluit is dan ook aan de EC om te beoordelen. In elk geval heeft het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), mede dankzij de AP, middels een brief de EC aangeboden om samen op trekken waar dat past.
Ten aanzien van de Israëlische herregistratiewet in huidige vorm heeft het kabinet veelvuldig zorgen geuit, waaronder in de reeds gepubliceerde gedeelde verklaring. Het Israëlische Constitutioneel Hof heeft op 19 mei definitief uitspraak gedaan over de zaak die 17 hulporganisaties samen met de koepelorganisatie voor internationale ngo’s werkzaam in de Palestijnse gebieden (AIDA) hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht. Deze valt overwegend slecht uit voor de hulporganisaties. Het Hof verzoekt de organisaties om voor 21 juni alsnog aan de vereisten voor herregistratie te voldoen. De organisaties zullen echter ook in deze periode niet in staat zijn om aan de Israëlische eisen te voldoen, omdat hun inhoudelijke bezwaren niet zijn veranderd en zij gevoelige persoonsbestanden nog steeds niet kunnen delen. Het kabinet blijft Israël oproepen de wet in deze vorm niet te implementeren. Hierbij wijst Nederland op het belang van veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang voor humanitaire hulp.
Deelt u de mening van de Autoriteit Persoonsgegevens over de gevaren van Israëlische registratieplicht voor hulpverleners? Zo nee, waarom niet?
Volgens de AP lijkt de Israëlische overheid de uit de registratieplicht verkregen informatie te gebruiken voor screening en profilering. Op basis van de informatie die de AP van hulporganisaties heeft ontvangen, verwacht de AP dat de gegevensdeling onrechtmatig is en dat de doorgifte kan leiden tot serieuze veiligheidsrisico’s voor de hulpverleners en hun families ter plaatse.8 Het kabinet hecht veel belang aan de veiligheid van hulpverleners (zie antwoord vraag 6).
De vraag die centraal staat in de brief van de EDPB aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath, is of deze uitvraag van data door Israël op gespannen voet staat met het adequaatheidsbesluit.9 Nederland ziet dat de EC doorlopend toezicht houdt op ontwikkelingen in Israël die mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van een adequaatheidsbesluit (artikel 45 AVG). Nederland volgt de ontwikkelingen nauwlettend.
Bent u bereid om, als Nederland danwel multilateraal, aan te dringen bij de Europese Commissie om zich hier over te buigen en over uit te spreken?
Nederland heeft de afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten zorgen over registratiewet aangekaart. Ook in internationaal verband, spreekt Nederland zich hierover uit. Nederland heeft recentelijk, met 20 gelijkgezinde landen en Eurocommissaris Lahbib, een publieke verklaring gepubliceerd waarin zorgen worden geuit over de restrictieve maatregelen die humanitaire hulp in Gaza en de Westelijke Jordaanoever ernstig beperken. Met het statement wordt Israël opgeroepen om onmiddellijk veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot Gaza te faciliteren en specifiek de herregistratiewetgeving voor internationale ngo’s, één van de restrictieve maatregelen die ook humanitaire partners van Nederland raakt, niet in de praktijk te brengen.
Tot op heden is er nog geen reactie geweest vanuit de EC op de brief van de EDPB. Nederland zal de EC wijzen op de positie van de EDPB.
Op welke juridische gronden is deze registratieplicht gebouwd, gezien de hulporganisaties al geregistreerd zijn bij de Palestijnse Autoriteit, waar ook het werk zich centreert?
Het betreft een richtlijn van het Israëlische Ministerie van Diasporazaken en Bestrijding van Antisemitisme onder Israëlisch recht, die ziet op de registratie van hulporganisaties die werken met de Palestijnse bevolking.
In de definitieve uitspraak van het Israëlische Constitutioneel Hof over de zaak die 17 hulporganisaties samen met AIDA hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht, bevestigt het Hof de bevoegdheid van Israël om in het kader van veiligheid operationele beperkingen op te werpen aan hulporganisaties. Het Hof stelt tegelijkertijd dat Israël niet de bevoegdheid heeft om de hulporganisaties uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever te weigeren, omdat deze gebieden onder het gezag en de rechtsmacht van de Palestijnse Autoriteiten vallen (het gaat hierbij niet in op hoe de uitspraak geldt in het door Israël geannexeerde Oost-Jeruzalem).
Wat is het standpunt van het kabinet met betrekking tot het vraagstuk of de Israëlische registratieplicht valt binnen de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit?
Voor een adequaatheidsbesluit moet volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) worden beoordeeld of een derde land het niveau van gegevensbescherming biedt dat in wezen gelijkwaardig is aan dat binnen de Europese Unie.10 Zoals wordt uiteengezet in de brief van de EDPB,11 het samenwerkingsverband van Europese toezichthouders waarin ook de AP zitting heeft, roept de Israëlische herregistratieplicht voor hulporganisaties verschillende vragen op waaraan ook in een adequaatheidsbesluit dient te worden getoetst. Zo dient de proportionaliteit, noodzakelijkheid en transparantie van de verwerkingsactiviteiten te worden gewaarborgd. Ook is vereist dat voor dergelijke verwerkingen een geldige rechtsgrondslag bestaat als bedoeld in artikel 6 AVG, en dient te worden verzekerd dat betrokkenen hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Mede in het licht van deze genoemde vereisten uit de AVG, stelt de EDPB in haar brief aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath de vraag of de herregistratieplicht in lijn is met het adequaatheidsbesluit.12 Het is in de eerste plaats aan de Europese Commissie om op deze brief te reageren.
Deelt u de mening van de vraagstellers en het rapport van AIV & CAVV dat humanitaire hulp in conflictgebieden beschermd moet worden door zowel stille diplomatie als openlijke uitspraken? Zo ja, hoe gaat u hier aan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Humanitaire toegang en veiligheid van humanitaire hulpverleners moeten ook in conflictgebieden beschermd worden. Het kabinet heeft het AIV en CAVV advies over geweld tegen hulpverleners verwelkomd omdat het cruciaal is manieren te vinden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het AIV en CAVV advies heeft het kabinet uiteengezet langs welke verschillende sporen het dit soort geweld, evenals straffeloosheid van schendingen van het humanitair oorlogsrecht wil tegengaan.
Is de conclusie terecht dat hulporganisaties zich in een onmogelijke spagaat bevinden, waarin ze enerzijds zich moeten houden aan Europese privacyregels, maar anderzijds zich niet kunnen veroorloven om mensen die afhankelijke zijn humanitaire hulp in de steek te laten? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet begrijpt dat in de huidige situatie hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden – ook vanwege de situatie in verband met de herregistratieplicht in de vorm die nu wordt beoogd – buitengewoon complex is. Ook maakt het kabinet zich ernstig zorgen over de gevolgen van de recente uitspraak van het Israëlische Constitutionele Hof op het werk van de organisaties, welke naar verwachting overwegend negatief zullen zijn. Nederland blijft Israël dan ook oproepen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, volledige en onvoorwaardelijke humanitaire toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat Israël de herregistratieplicht, in de huidige vorm, van tafel haalt.
Welke humanitaire consequenties voorziet u als deze organisaties hun werk daadwerkelijk moeten stopzetten in bezet Palestijns Gebied?
Het humanitaire werk van de internationale hulporganisaties die werken in Palestijnse gebieden is onmisbaar. Gezien bijna de gehele populatie van Gaza afhankelijk is van humanitaire hulp, zullen de consequenties, indien de hulporganisaties hun werk zouden moeten staken, verstrekkend zijn. De VN heeft vastgesteld dat de hulporganisaties o.a. verantwoordelijk zijn voor 42% van alle water- en sanitaire installaties, 60% van de beschikbare veldhospitalen beheren of ondersteunen en meer dan 75% van alle ontmijningsinspanningen leveren. Ze spelen verder een sleutelrol in het onderwijs en de ondersteuning van ondervoede kinderen.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de schepen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht.
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Het standpunt van het kabinet is dat de exclusiviteit van rechtsmacht van de vlaggenstaat op volle zee met zich mee brengt dat niet zonder (voorafgaande) toestemming van de vlaggenstaat handhavend kan worden opgetreden tegen vreemde (koopvaardijschepen en daarmee gelijkgestelde) schepen op volle zee. Het internationaal recht erkent enkele uitzonderingen hierop, die volgens het kabinet niet van toepassing waren op de huidige situatie. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Verder heeft het kabinet aan de Griekse en Cypriotische autoriteiten verzocht Nederlandse deelnemers aan de Flotilla in nood desgevraagd bij te staan.
Verder ligt in algemene zin de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Ja. Het kabinet deelt de zorgen over de beperkte humanitaire toegang. In Gaza zijn tekorten aan vrijwel alles, van voedsel en water tot medische zorg en onderdak. Tegelijkertijd zien we dat de grensovergangen slechts zeer beperkt geopend zijn, en dat hulporganisaties zich geconfronteerd zien met restricties die hun operaties ernstig bemoeilijken.
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het kabinet zet zich in om de situatie in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever te verbeteren, en doet dit door een combinatie van druk en dialoog in zowel bilateraal als multilateraal verband. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van februari 2026 onderstreept dat de ontwikkelingen in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israëlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen. In de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd duidelijk dat er voor maatregelen, zoals het (gedeeltelijk) opschorten van het associatieakkoord, vooralsnog niet de benodigde meerderheid bestaat. Op 22 mei jl. heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de Nederlandse inzet op dit vlak nogmaals benadrukt. Diverse moties indachtig blijft het kabinet toewerken naar draagvlak hiervoor.
Op gebied van humanitaire hulp in het bijzonder, blijft het kabinet er bij Israël op aandringen om professionele hulporganisaties, zoals de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s ongehinderde humanitaire toegang te verschaffen. Ook hier oefent Nederland druk uit op alle niveaus, zowel bilateraal als multilateraal. In dit kader blijft het kabinet zich ervoor inspannen dat Israël zijn herregistratieplicht voor internationale ngo’s niet implementeert. Zo heeft de Minister-President zijn gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moet openstellen voor humanitaire hulp. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dit nogmaals benadrukt in het gesprek met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 15 april jl.
Een snelle oplossing voor het Noodfonds energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Klopt het dat er op dit moment geen publieke uitvoerder is die het Publieke Energiefonds op zich wil nemen?
Ja, dat klopt. Na een intensief jaar van verkenning met diverse publieke uitvoeringsorganisaties is de eenduidige conclusie dat een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het Europese Sociaal Klimaatfonds (SKF) voor zowel huishoudens als uitvoerder zeer complex zou zijn en voor de continuïteit van de bestaande taken en dienstverlening door deze uitvoeringsorganisaties zeer risicovol zou zijn. Dit betreft onder meer het verwachte aantal aanvragen dat handmatig moet worden beoordeeld en de verantwoording over rechtmatige toekenning aan de Europese Commissie. Daarom kwalificeren de uitvoerders dit energiefonds als niet uitvoerbaar en niet verantwoord, zowel op korte (operationeel in de winter van 2026/2027) als op lange termijn. Dit geldt zowel voor alle betrokken uitvoerders individueel als voor uitvoering door een consortium van uitvoerders.
Dit neemt niet weg dat het kabinet inzet op gerichte inkomensondersteuning dit jaar. Het kabinet bereidt daarom een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF, zoals ook aangekondigd in het coalitieakkoord. Hiertoe worden ook varianten uitgewerkt waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut, zodat de bestaande uitvoerders niet worden belast. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang.
Klopt het dat het kabinet wel naar uitvoering door vier instanties zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank heeft gekeken, maar die alle vier niet geschikt bleken? Zo ja, waarom bleken deze niet geschikt?
Ja dat klopt. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven met welke andere organisaties nog meer gesproken is en waarom deze allen niet geschikt bleken als uitvoerder?
Er is gesproken met Uitvoering van Beleid (UVB, onderdeel van SZW), Dienst Toeslagen, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Daarnaast is gesproken met een aantal organisaties, voornamelijk over een ondersteunende rol. Dit betrof de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV; inclusief Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)), het Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN, voorheen Stichting Inlichtingenbureau) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Alle organisaties zien dezelfde uitvoeringsproblemen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Per wanneer verwacht u dat de publieke uitvoerder operationeel kan zijn en steun kan uitkeren aan huishoudens?
Het kabinet bereidt een noodfonds energie voor dat voor de komende winter operationeel moet kunnen zijn. Het is van belang dat de meest kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening de komende winter ondersteund kunnen worden. Zoals aangegeven in antwoord 2 zal dit niet het publieke energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF zijn.
Wat zijn de verwachte uitvoeringskosten van het Publieke Energiefonds op jaarbasis?
Dit is niet bekend. De uitvoeringskosten zouden volgen uit de nadere uitwerking met een uitvoerder. Maar de uitvoerders hebben de uitvoering van een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF als niet uitvoerbaar en niet verantwoord gekwalificeerd. Daarom is het stadium van kostenraming niet bereikt.
Het kabinet bereidt nu een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF. Daarbij werken we ook varianten uit waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang en uw Kamer informeren over de verwachte uitvoeringskosten wanneer hier voldoende duidelijkheid over is.
Wat zijn de uitvoeringskosten van het Tijdelijke Noodfonds Energie op jaarbasis? waarbij bij alle varianten wordt berekend wat de budgettaire gevolgen zijn bij 1) een maandelijkse bijdrage van € 80,– per huishouden voor de periode van 6 maanden, 2) een maandelijkse bijdrage van € 90,– per huishouden voor de periode van 6 maanden en 3) een maandelijkse bijdrage van € 100,– per huishouden voor de periode van 6 maanden?
In 2025 bedroegen de uitvoeringskosten € 13,15 miljoen. Voor deze uitvoeringskosten heeft TNE ongeveer 210.000 aanvragen verwerkt en aan ongeveer 120.000 huishoudens uitgekeerd. Dit is een beperkt deel van het aantal huishoudens dat op basis van de gehanteerde criteria in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming vanuit TNE. De uitvoeringskosten van TNE zouden bij volledig bereik van de doelgroep hoger zijn geweest.
Kunt u aangeven wat de actuele inkomensgrenzen zijn voor huishoudens met inkomens tot 130%, 200%, 300% en 350% van het sociaal minimum voor zowel alleenstaanden als samenwonenden? Kunt u voor elke inkomensgrens aangeven om hoeveel huishoudens het gaat?
Onderstaande tabel geeft een schatting van de budgettaire gevolgen (doelgroep x steunbedrag) per variant. De schattingen zijn voor 2026. Deze zijn berekend op basis van CBS Microdata over inkomens en energiekosten uit 2024. De inkomens zijn geïndexeerd naar 2026 o.b.v. de CEP2026. De energiekosten zijn geïndexeerd naar de gemiddelde energietarieven voor consumenten in februari 2026 o.b.v. CBS Statline. Verbeterede isolatie vanaf 2024 en gedragseffecten zijn niet meegenomen. Vanaf 2027 zijn er ook (beleidsmatige) ontwikkelingen zoals stijgende nettarieven, ETS2, en de bijmengverplichting groen gas. Deze zitten nog niet in de schattingen van 2026.
Voor de energiekosten is in onderstaande tabel uitgegaan van het scenario dat energieprijzen 28% stijgen. Dit is ten opzichte van de gemiddelde prijzen in februari 2026 en in lijn met de prijsstijging die we de afgelopen periode hebben gezien. Daarnaast wordt er rekening gehouden met het feit dat veel huishoudens nog vaste contracten hebben. Daarom wordt in de raming uitgegaan dat slechts 55% van de prijsstijging doorwerkt. Als de hoge prijzen aanhouden zijn de structurele kosten dus een stuk hoger.
De grootte van de doelgroep, de hoogte van de tegemoetkoming en daarmee budgettaire gevolgen hangen verder af van de daadwerkelijke energieprijs. Om dit te illustreren: Als er in het eerste jaar van 50% of 76% prijsstijging uitgegaan wordt (i.p.v. 28%), bestaat de doelgroep onder de criteria oorspronkelijke voorwaarden van TNE (variant 7) uit 1.132.000, en respectievelijk 1.240.000 huishoudens in het eerste jaar.
Voor de grenzen van het sociaal minimum is uitgegaan van het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026, inclusief vakantietoeslag. Voor alleenstaanden is dat € 1.790 per maand, voor samenwonenden is dat € 2.500 per maand.
Variant
Aantal huishoudens in variant
Budgettaire gevolgen (x € mln.), exclusief uitvoeringskosten bij:
Zes maanden € 80
Zes maanden € 90
Zes maanden € 100
1
1.200.000
580
650
720
2
890.000
430
480
530
3
1.131.000
540
610
680
4
1.163.000
560
630
700
5
1.165.000
560
630
700
6
1.442.000
690
780
860
7
973.000
470
530
580
8
980.000
470
530
590
9
981.000
470
530
590
De motie Klaver c.s.2 verzoekt om bij het uitwerken van de opties mee te nemen of en hoe middeninkomens aanspraak kunnen maken op het fonds. Bovenstaande en andere varianten betrek ik daarom bij de besluitvorming en voer daarmee deze motie uit. Over de uiteindelijke doelgroep en tegemoetkoming zal ik uw Kamer later nader informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aanvang van de tweede termijn van de SZW-begroting op 19 maart of, indien eerder ingepland, voor het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland?
De onderstaande inkomensgrenzen zijn gebaseerd op het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026. Hiervoor is aangesloten bij de bruto normbedragen voor de Toeslagenwet. Deze inkomensgrenzen van TNE waren ook op deze normen gebaseerd. De inkomensgrenzen zijn op maandbasis, bruto, exclusief de inkomensondersteunende toeslagen, inclusief 8% vakantietoeslag en afgerond op tientallen euro. Het aantal huishoudens is geschat voor 2026. De schatting is gemaakt met CBS Microdata over inkomens uit 2024 die zijn geïndexeerd naar 2026. Bij deze schatting is geen rekening gehouden met het energieverbruik.
Percentage sociaal minimum
Bruto inkomensgrens, per huishoudtype
Aantal huishoudens
Alleenstaande
Samenwonenden
130%
€ 2.330
€ 3.260
1.387.000
200%
€ 3.590
€ 5.010
2.804.000
300%
€ 5.380
€ 7.760
4.579.000
350%
€ 6.270
€ 8.760
5.250.000
Het bericht 'Amerikaanse chantage kost mensenlevens' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amerikaanse chantage kost mensenlevens» van Aidsfonds en Rutgers van 23 januari 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Amerikaanse beslissing om hulporganisaties, andere overheden, en Verenigde Naties (VN)-agentschappen die Amerikaans geld ontvangen, te verbieden om te werken aan diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, bovenop het verbod op het verlenen van abortuszorg?
Op 23 januari heeft de VS aangekondigd dat ze de bestaande Mexico City Policy gaan uitbreiden. Er zijn drie «rules» gepubliceerd die restricties opleggen in relatie tot alle VS financiering, op het gebied van abortus, «gender ideology» en DEI (Diversity, Equity en Inclusion). Samen wordt dit het «human flourishing in foreign» assistance beleid genoemd. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie van dit beleid, de juridische haalbaarheid ervan, en de uiteindelijke impact. Organisaties weten dus nog niet hoe dit beleid hen precies zal raken. Het kabinet deelt de zorgen van veel organisaties over de potentiële consequenties voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden. Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is uiterst zorgwekkend.
Deelt u de analyse dat deze maatregelen hulporganisaties ernstig belemmeren in het bieden van hulp aan kwetsbare groepen en dat dit zal leiden tot meer onveilige abortussen, moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat er een ontheffing (waiver)mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen. Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van toegang tot veilige abortus, diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, dan zal dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot meer onveilige abortussen, een hogere moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Onderhoudt uw ministerie contact met de Amerikaanse autoriteiten over deze beslissing? Op welk niveau? Wat wordt er in die contacten gewisseld? Bent u van plan om ambtgenoten op deze beslissing aan te spreken?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington, zo ook over de uitbreiding van de Mexico City Policy. Het doel van die gesprekken is om zoveel mogelijk te voorkomen dat dit beleid een negatieve impact heeft op vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden en op door Nederland gefinancierde programma’s en organisaties. Gegeven de grote financieringsbehoefte voor mondiale gezondheid zet Nederland, samen met andere donoren, in op een zo efficiënt mogelijke besteding van de nog beschikbare middelen. Voor het kabinet staat de toegang tot gezondheidszorg voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen centraal. De VS blijft een belangrijke donor op het gebied van mondiale gezondheid, waarmee wij in nauwe dialoog blijven over dit thema.
Het kabinet volgt de uitvoering van het «human flourishing in foreign assistance» beleid ook samen met cross regionale coalities zoals de Equal Rights Coalition (ERC). Deze cross regionale coalitie van 44 landen, werkt nauw samen om rechten van lhbtiq+-personen wereldwijd te beschermen en te bevorderen.
Bent u het ermee eens dat Nederland historisch een voortrekkersrol heeft gespeeld in het verdedigen van de rechten en gezondheid van vrouwen, meiden, LHBTI-personen en andere groepen? Onderschrijft u het belang, gezien de terugtrekkende beweging van Amerika, om deze voortrekkersrol stevig te herpakken? Op wat voor manier doet u dat, bijvoorbeeld in Europees en VN-verband?
Ik zie het belang om als Nederland een leidende rol te vervullen op het vlak van SRGR, vrouwenrechten en rechten van lhbtiq+-personen. Dit zijn ook kernprioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid van dit kabinet.
Nederland zal zich nog nadrukkelijker inzetten voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, aangezien we sterker staan als we ons gezamenlijk uitspreken. De Nederlandse inspanningen zijn gericht op het behoud en verder brengen van internationale afspraken op het gebied van SRGR, gendergelijkheid en vrouwenrechten binnen de VN. Nederland nam bijvoorbeeld een leidende rol tijdens de 70e zitting van de Commission on the Status of Women in maart dit jaar. De onderhandelingen over de politieke slotverklaring, werden gekenmerkt door forse tegendruk op bestaande internationale afspraken over vrouwenrechten, gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). De VS diende acht amendementen in op de politieke slotverklaring, die tegen bestaande internationale afspraken in gingen. De leider van de Nederlandse delegatie, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, heeft vervolgens namens de EU een stemming aangevraagd. Daardoor werden de amendementen verworpen en werd de politieke slotverklaring met een grote meerderheid van stemmen aangenomen.
Ook binnen de EU blijft Nederland zich inzetten, samen met gelijkgezinden, voor behoud van bestaande afspraken. Binnen de beschikbare financiële ruimte blijf ik ook inzetten op SRGR (inclusief toegang tot veilige abortus), gendergelijkheid en vrouwenrechten.
Herinnert u zich de leidende rol die Nederland nam tijdens de vorige instelling van de Global Gag Rule, middels het initiatief van toenmalig Minister Ploumen om met SheDecides het financieringsgat op te vullen dat Trump achterliet? Bent u van plan die leidende rol, die door het vorige kabinet is losgelaten, weer te herpakken? Zo nee, waarom niet?
Nederland steunt het platform SheDecides nog steeds, met een bedrag van 900.000 EUR voor drie jaar. SheDecides speelt een belangrijke rol in het beschermen en bevorderen van internationale afspraken op het gebied van SRGR en gendergelijkheid. Tegelijkertijd is de reikwijdte van het «human flourishing in foreign assistance» beleid veel groter dan in 2017. Naast financiering is het bieden van politiek tegenwicht en gezamenlijk optrekken cruciaal. Tijdens mijn recente reis naar de VN heb ik uitgedragen dat Nederland staat voor een sterk multilateraal systeem en dat de VN kan rekenen op steun van Nederland voor normatieve mandaten, zoals op het gebied van gender gelijkheid en SRGR. Nederland wil hierin samen met EU-landen optrekken.
De inzet van het kabinet is om in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen. Het kabinet is bereid hier een leidende rol in te spelen.
Indien het antwoord op vraag 6 «Ja» is, hoe herpakt u die leidende rol? Doet u dit door de bezuinigingen op mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid (54 miljoen in 2026, en 174 miljoen in 2027) terug te draaien?
Zoals beantwoord bij vraag 5 en 6, staat het kabinet pal voor universele mensenrechten en de internationale afspraken die hierover gemaakt zijn in multilateraal verband. Daarbij blijft Nederland zich inzetten voor het recht op gezondheid en SRGR voor iedereen. Het kabinet werkt daarom nauw samen met onze gelijkgezinde partners en de landen waar we werken.
Dit kabinet zal de bezuinigingen van het vorige kabinet op gezondheid en SRGR – EUR 124 miljoen in 2026 en EUR 172 miljoen in 2027 (t.o.v. 2024) – niet volledig ongedaan kunnen maken. Wel heeft het kabinet in de Voorjaarsnota voor 2.026 EUR 11 miljoen extra vrijgemaakt voor de inzet op mondiale gezondheid en SRGR. Daarnaast is het kabinet conform het coalitieakkoord voornemens om vanaf 2027 te blijven bijdragen aan de mondiale gezondheidsstrategie.
Bent u bereid, als Nederland en met gelijkgestemde landen, te zoeken naar alternatieve vormen van financiering voor VN-instanties en organisaties die door deze maatregel worden getroffen?
Nederland onderhoudt nauw contact met VN-organisaties, gelijkgezinde donoren, maatschappelijke organisaties, filantropische instellingen en ontvangende landen, over de mogelijke impact van het VS beleid binnen de VN en hoe wij hier een gezamenlijk antwoord op kunnen geven. In een context van afnemende ODA en tekorten en verstoring in gezondheidsdiensten wereldwijd, lijkt het antwoord vooralsnog te liggen in de kwaliteit van financiering (zoals meerjarige ongeoormerkte financiering), diplomatieke en politieke inspanningen ter bescherming van SRGR, gendergelijkheid en de meest gemarginaliseerde groepen. Nederland is en blijft daarom een stabiele en betrouwbare donor van o.a. de WHO, UNFPA en UNAIDS en van de humanitaire inspanningen van de VN bijvoorbeeld via UNHCR, UNICEF en WFP.
Bent u er van op de hoogte dat elke euro die bezuinigd wordt op dit thema, leidt tot meer ongeplande zwangerschappen, onveilige abortussen, hiv-doden, en hiv-besmettingen? Wat doet u om dit scenario te voorkomen?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is dat Nederland zich inzet voor gezondheidssysteemversterking. Verbeterde dienstverlening op het gebied van SRGR is daar een belangrijk onderdeel van. Zie verder mijn antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Herinnert u zich dat de Nederlandse inzet op vrouwenrechten en gender – die door het vorige kabinet werd gestopt – alleen door een ingreep van de Kamer nog tot en met 2027 wordt gecontinueerd? Wat doet u om dit budget ook na 2027 te herstellen en door te kunnen gaan met het steunen van vrouwen- en LHBTI-rechtenverdedigers wereldwijd?
Ja. Als gevolg van amendement Hirsch c.s. (Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 21) komt – na aanname van de Ontwerpbegroting BHO 2027 in zowel de Eerste als Tweede Kamer – in 2.026 EUR 22 miljoen en in 2.027 EUR 21 miljoen beschikbaar voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Daarnaast heeft het kabinet in de Voorjaarsnota aanvullend EUR 5 miljoen in zowel 2026 en 2027 beschikbaar gemaakt voor de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid. Conform het coalitieakkoord zet dit kabinet zich internationaal actief in voor de bescherming van de rechten van vrouwen en is het voornemens hier vanaf 2027 opnieuw in te investeren. In lijn met deze ambitie zal bij het opstellen van de BHOS begroting 2027 worden bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel van artikel 3.2.
Welke rol ziet u voor uzelf wat betreft het bevorderen van de internationale toegang tot abortuszorg en het internationaal tegengaan van bijvoorbeeld moedersterfte en hiv-infecties?
Nederland is en blijft een betrokken en actieve speler op veilige abortus, het tegengaan van moedersterfte en hiv-infecties. Ik zie hier een belangrijke rol voor mijzelf als Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Als Minister zal ik mij actief blijven inzetten voor de bescherming van gelijke rechten voor iedereen, zowel via partnerschappen met maatschappelijke organisaties en multilaterale instellingen als binnen multilaterale fora zoals de VN Mensenrechtenraad. Tijdens de voorjaarsvergadering van de Wereldbank in april 2026 zal ik aandacht vragen voor de gezondheid van vrouwen en meisjes en de Nederlandse steun hiervoor uitspreken bij een bijeenkomst van het Global Financing Facility dat met dit doel is opgericht.
Naast de diplomatieke inzet via de VN en de EU, investeert Nederland in organisaties zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF), het Safe Abortion Action Fund (SAAF) en Ipas. Nederland is de grootste donor aan UNAIDS en we zijn de zesde donor van UNFPA. Daarnaast is het kabinet dit jaar gestart met een nieuw financieringsinstrument, onderdeel van het bredere FOCUS kader, dat inzet op de preventie en bestrijding van hiv-infecties in Zuidelijk Afrika.
Bent u van plan publiekelijk steun uit te spreken voor de overheden en organisaties die niet het contract ondertekenen dat hen door de Amerikaanse overheid wordt voorgelegd om te stoppen met alle werkzaamheden rond gendergelijkheid en diversiteit?
Nederland kiest voor een zo effectief mogelijke inzet. Het Amerikaanse beleid zal voor elk type organisatie anders uitpakken en het kabinet zal daarom niet ingaan op individuele partners en wat zij doen. Zo kunnen overheden, die geld aannemen van de VS, mogelijkerwijs nog steeds werken op abortus, gender, diversiteit, inclusie en gelijkheid, met andere financieringsbronnen. Het kabinet wil graag in gesprek blijven met deze overheden. De ervaring met de vorige Mexico City Policy leert namelijk dat er een neiging is tot over-implementatie en zelfcensuur. Daarnaast is het van belang om te noemen dat veel partners die essentieel zijn voor de uitvoering van ons SRGR beleid, geen Amerikaanse financiering meer ontvangen. Deze financiering stopte met het opheffen van USAID.
Bent u bekend met de verklaring van 2 maart 2026 van 10 landen, waaronder Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, waarin zij deze nieuwe regels veroordelen en opkomen voor het recht van iedereen op zelfbeschikking? Waarom ontbreekt Nederland onder deze verklaring? Is Nederland gevraagd om mee te tekenen? Zo ja, waarom heeft Nederland niet meegetekend? Steunt Nederland de inhoud van deze verklaring?2
Het kabinet is bekend met de verklaring en Nederland is gevraagd om mee te tekenen. Het kabinet heeft gekozen niet te tekenen omdat dit een bredere afweging vereist. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie en daarmee over de impact van het beleid van de VS. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet om duidelijker in beeld te krijgen hoe dit beleid de gezondheid raakt van vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen. Nederland is hierover in contact met de VS, de landen waar Nederland mee samenwerkt op deze thema’s, gelijkgezinde donoren en partners. De verklaring is op 2 maart gepubliceerd op de website van SheDecides. Zoals reeds beantwoord, staat het kabinet pal voor mensenrechten en blijft het kabinet inzetten op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Honderden miljoenen fraude via verzekeraar Atradius |
|
Suzanne Kröger (PRO), Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staat mogelijk voor honderden miljoenen het schip in door fraude via verzekeraar Atradius»?1
Deelt u de constatering dat er al langer zorgen bestaan rondom mogelijke tekortkomingen in de bestrijding van fraude en financiële criminaliteit bij exportkredietverzekeringen, zoals bijvoorbeeld gepubliceerd in Regimes of Permission: Export Credit Agencies, Anti-Money Laundering and Anti-Terrorism Financing(2025)2 en zoals blijkt uit meerdere zaken de afgelopen jaren?3 4
In hoeverre komen de aangekondigde maatregelen uit uw Kamerbrief d.d. 3 juli 2026 (Kamerstuk 26 485, nr. 463) overeen met de aanbevelingen voor overheden en exportkredietverzekeraars uit het bovengenoemde rapport Regimes of Permission? Kunt u aangeven welke maatregelen u wel, welke gedeeltelijk en welke u niet overneemt en waarom?
Hoe beoordeelt u, tegen de achtergrond van de huidige fraudezaken, de constatering in het rapport Regimes of Permission dat exportkredietverzekeraars voor hun due diligence sterk afhankelijk zijn van informatie die door hun cliënten zelf wordt aangeleverd, waardoor informatie-asymmetrie ontstaat?
In hoeverre verrichtte Atradius Dutch State Business (ADSB) zelfstandig onderzoek naar garanten, tussenpersonen en andere partijen in de transactieketen, in plaats van uitsluitend af te gaan op informatie van de verzekerde?
Klopt het dat bij de huidige fraudezaken vermoedelijk gebruik is gemaakt van vervalste financiële informatie en accountantsverklaringen? Waarom waren de bestaande controlemechanismen van ADSB niet in staat deze informatie eerder als mogelijk frauduleus te identificeren?
Welke controles verrichtte ADSB op de financiële positie van een garant vóór het afgeven van een polis? Werden accountantsverklaringen rechtstreeks bij de betreffende accountant geverifieerd?
Deelt u de mening dat het goed is dat banken, verzekeraars en andere financiële instellingen vergaande verplichtingen hebben om witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit te voorkomen? Waarom gelden voor een publieke exportkredietverzekeraar die namens en voor rekening en risico van de Staat opereert niet dezelfde of vergelijkbare wettelijke verplichtingen?
Welke wettelijke instantie houdt momenteel toezicht op de naleving door ADSB van haar verplichtingen op het gebied van het voorkomen van witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit?
Zijn er voldoende wettelijke waarborgen om ADSB verantwoordelijk te houden voor gebrekkige controles die tot gevolg hebben dat miljoenen aan belastinggeld verloren gaan?
In hoeverre heeft ADSB volgens u de capaciteit en kennis in huis om risico's op misbruik in te schatten en fraude te detecteren voordat een polis wordt afgegeven? Heeft ADSB mensen in dienst die hierin gespecialiseerd zijn? Huurt ADSB hiervoor externe partijen in? Zo ja, welke?
Het kabinetsbesluit ten aanzien van medische evacuaties uit Gaza |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het pakket van € 12 miljoen wordt vrijgemaakt? Uit welke begrotingspost komen deze gelden? Komen deze gelden nog in 2026 beschikbaar uit het extra geld dat in 2026 voor ontwikkelingssamenwerking is vrijgemaakt bij de voorjaarsbesluitvorming? Hoe zijn deze verdeeld over de vier genoemde bestemmingen: World Health Organization (WHO), Jordanië, Save the Children, Egypte, WHO Health Emergency Appeal en het Rode Kruis?
Op welke termijn worden de toegezegde bijdragen daadwerkelijk uitgekeerd aan de WHO, Save the Children en het Rode Kruis, en wanneer verwacht u dat de eerste effecten (bijvoorbeeld de eerste evacuaties naar Jordanië) zichtbaar zullen zijn?
In welk tempo verwacht het u dat de 250 kinderen naar Jordanië geëvacueerd kunnen worden? Klopt het dat landen in de regio verlangen dat eerder geëvacueerde patiënten het land verlaten, alvorens zij nieuwe patiënten toelaten voor evacuatie?
Kunt u bevestigen dat het pakket van € 12 miljoen voor de evacuatie van kinderen uit Gaza naar naburige landen, geen middelen bevat voor nieuwe medische evacuaties van zieke kinderen uit Gaza naar Nederland dit jaar?
Sluit u met deze keuze feitelijk verdere evacuaties naar Nederland uit, of blijft dit een optie? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Klopt het dat meerdere EU-lidstaten dit jaar wel door zijn gegaan met het evacueren van kinderen uit Gaza? Klopt het dat Spanje in 2026 nog 20 kinderen heeft geëvacueerd (waarmee het totaal op 85 komt), Italië nog 26 kinderen (waarmee het totaal op 272 komt) en ons buurland België nog 4 kinderen (waarmee het totaal op 26 komt)? Waarom maken deze landen een andere afweging dan Nederland? Waarom gingen zij dit jaar wel door met medische evacuaties en Nederland niet?
Klopt het dat EU-lidstaten sinds begin 2026 slechts 1% van alle medisch geëvacueerde patiënten uit Gaza hebben opgevangen? Hoe beoordeelt u de Nederlandse en Europese bijdragen in dit licht, en vindt u dit aandeel proportioneel gezien de Nederlandse medische capaciteit?
Bent u bekend met de constatering van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde dat er een groep kinderen is met «hoogcomplexe en meervoudige problematiek» (ernstig trauma, complexe aangeboren aandoeningen, oncologische aandoeningen) die niet in Gaza, Jordanië of Egypte behandeld kan worden? Erkent u deze doelgroep? Welk toekomstperspectief biedt u nu aan deze kinderen?
Kunt u aangeven hoe groot deze doelgroep is? Hoeveel van de circa 18.500 patiënten die naar inschatting van de WHO wachten op evacuatie, behoeven zorg die alleen in landen als Nederland beschikbaar is?
Op basis van welke medische criteria en door wie wordt bepaald welke kinderen wél naar Jordanië en Egypte kunnen en welke kinderen mogelijk toch specialistische zorg nodig hebben die alleen in Europa beschikbaar is (bijv. bepaalde vormen van oncologische zorg, complexe reconstructieve chirurgie)?
Bent u bekend met de bevestiging van de Nederlandse kinderartsen dat zij beschikbare capaciteit in hun ziekenhuizen hebben om kinderen op te vangen, zonder verdringing van reguliere zorg?
Bent u ermee bekend dat Nederlandse artsen een uitgewerkte, Standard Operating Procedure hebben, waarin het hele zorgproces van kinderen inclusief begeleiding is vastgelegd, die in 2025 is gebruikt en uitgebreid geëvalueerd?
Acht u Nederlandse ziekenhuizen daarmee voldoende voorbereid op nieuwe medische evacuaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dan niet gekozen om Nederlandse ziekenhuizen in staat te blijven stellen om kinderen uit Gaza op te vangen?
Is uw doeltreffendheidsargumentatie, namelijk meer patiënten per euro in Jordanië dan in Europa, leidend? Of spelen ook overwegingen van politieke uitlegbaarheid en maatschappelijk draagvlak een rol bij het niet kiezen voor Nederland? Kunt u dit toelichten?
Sluit u uit dat het, indien blijkt dat de Jordaanse en Egyptische capaciteit ontoereikend is voor kinderen met de meest complexe zorgvragen, alsnog een aanvullend besluit neemt over evacuatie naar Nederland?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Informele Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling (van 8 en 9 oktober 2026) van 1 oktober 2026?
De recente passagierscijfers van Groningen Airport Eelde |
|
Suzanne Kröger (PRO) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente passagierscijfers van Groningen Airport Eelde (GAE), waaruit blijkt dat het aantal passagiers is gedaald van 228.698 in 2018 naar 102.589 in 2025 en dat in de eerste zeven maanden van 2026 opnieuw sprake is van een sterke daling ten opzichte van dezelfde periode in 2025?
Klopt het dat in 2022 via het amendement-Koerhuis/Van der Molen (Kamerstuk 36 200-A, nr. 54) 6,5 miljoen euro beschikbaar is gesteld voor weginfrastructuur rondom GAE en dat in 2024 via het amendement-Peter de Groot (Kamerstuk 36 600-A, nr. 11) nogmaals 6,5 miljoen euro beschikbaar is gesteld, waardoor de totale rijksbijdrage inmiddels 13 miljoen euro bedraagt?
Klopt het dat de tweede bijdrage van 6,5 miljoen euro in het amendement-Peter de Groot expliciet werd gemotiveerd met de stelling dat investeringen in infrastructuur nodig waren «om verdere groei van GAE te kunnen accommoderen»?
Hoe beoordeelt u deze motivering in het licht van de feitelijke ontwikkeling van het aantal passagiers, dat sinds 2018 met meer dan 55% is gedaald? Acht u de destijds verwachte groei nog steeds een valide onderbouwing voor de rijksbijdrage? Zo ja, waarop baseert u dat?
Is sinds het beschikbaar stellen van de tweede 6,5 miljoen euro opnieuw onderzocht of nut, noodzaak en doelmatigheid van de volledige rijksbijdrage van 13 miljoen euro nog voldoende zijn onderbouwd op basis van actuele passagiersaantallen en groeiverwachtingen? Zo ja, kunt u deze analyse aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Welke actuele prognose voor de ontwikkeling van het aantal passagiers op GAE hanteert uw ministerie? Hoe verhoudt deze prognose zich tot de economische onderbouwing van GAE, waarin circa 200.000 tot 225.000 passagiers per jaar nodig worden geacht voor een positief resultaat en een groei naar 350.000 passagiers wenselijk wordt geacht voor een robuustere financiële positie?
Klopt het dat deze economische onderbouwing bovendien uitgaat van een jaarlijkse publieke bijdrage in de kosten van niet-economische diensten van algemeen belang (NEDAB)? Hoe beoordeelt u tegen deze achtergrond de financiële zelfstandigheid en toekomstbestendigheid van GAE wanneer het huidige passagiersniveau structureel ruim onder de genoemde 200.000 tot 225.000 passagiers blijft?
Kunt u per onderdeel aangeven welk bedrag van de 13 miljoen euro is bestemd voor respectievelijk de ontsluitingsweg, de rotonde voor Business Park Bravo, de ov-hub en eventuele andere onderdelen? Kunt u daarbij tevens aangeven welk deel inmiddels daadwerkelijk is uitgegeven, welk deel juridisch is verplicht en welk bedrag nog kan worden heroverwogen?
Op basis van welke concrete verkeerskundige gegevens is vastgesteld dat de huidige bereikbaarheid en verkeersveiligheid rond GAE een rijksinvestering van deze omvang noodzakelijk maken? Kunt u de relevante verkeersmetingen, ongevallencijfers, verkeersveiligheidsanalyses en kosten-batenafwegingen aan de Kamer sturen?
Welk deel van de rijksbijdrage van 13 miljoen euro komt direct of indirect ten goede aan de ontsluiting van Business Park Bravo? Waarom wordt de ontsluiting van dit bedrijventerrein (mede) uit het Mobiliteitsfonds gefinancierd, welke nationale mobiliteitsdoelstelling wordt daarmee gediend en waarom behoren deze kosten niet primair voor rekening te komen van de luchthaven, de ontwikkelaar en/of bedrijven die zich daar willen vestigen?
Klopt het dat het kabinet voorbereidingen treft om Lelystad Airport vanaf oktober 2027 open te stellen voor 10.000 commerciële vliegtuigbewegingen per jaar, waaronder vakantievluchten? Is bij de onderbouwing van de rijksbijdrage voor GAE rekening gehouden met de gevolgen die deze extra luchthavencapaciteit kan hebben voor de passagiersaantallen, het aanbod van vakantievluchten en de financiële positie van GAE? Zo ja, welke gevolgen zijn daarbij verondersteld? Zo nee, waarom niet?
Hoe rechtvaardigt u dat 13 miljoen euro uit het Mobiliteitsfonds beschikbaar blijft voor infrastructuur rond GAE, terwijl het aantal passagiers sinds 2018 meer dan gehalveerd is en tegelijkertijd noodzakelijk onderhoud aan rijkswegen in Noord-Nederland wegens financiële tekorten wordt uitgesteld?
Bent u bereid, voordat verdere nog niet juridisch verplichte middelen uit de 13 miljoen euro worden besteed, nut, noodzaak en doelmatigheid van de volledige rijksbijdrage opnieuw te beoordelen op basis van de actuele passagiersontwikkeling, de actuele financiële vooruitzichten van GAE en de voorgenomen openstelling van Lelystad Airport, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
De notitie ‘eerst de koers, dan de groei?’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Pieter Grinwis (CU), Ulaş Köse (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de notitie «eerst de koers, dan de groei» over vastlegging van klimaatdoelen voor de luchtvaart, gepubliceerd door CE Delft in augustus 2026?1
Herkent u de constatering dat er al nationale doelstellingen voor de verduurzaming van de luchtvaart zijn (zoals opgenomen in de luchtvaartnota 2020–2050), maar dat deze niet wettelijk verankerd zijn?
Ziet u het klimaatdoel voor Schiphol/Lelystad zoals opgenomen in het coalitieakkoord net als CE Delft als aanvullend op de klimaatdoelen in de luchtvaartnota 2020–2050? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende emissiereductie volgt volgens u uit het klimaatdoel in het coalitieakkoord ten opzichte van de klimaatdoelen die al zijn vastgelegd in de Luchtvaartnota 2020–2050?
Hoe beoordeelt u de oproep om tot een politieke keuze te komen over de klimaatkaders waarbinnen de Nederlandse luchtvaart op de langere termijn mag opereren?
CE Delft stelt dat wettelijke borging van klimaatdoelen duidelijkheid en stabiliteit biedt als randvoorwaarde om te innoveren en te investeren (bijv. in Sustainable Aviation Fuels (SAF), vlootvernieuwing en waterstof/elektrisch vliegen); bent u bereid bij de uitwerking van de borgingsopties expliciet te toetsen in hoeverre elke optie bijdraagt aan investeringszekerheid voor verduurzaming van de sector, en dit als apart criterium op te nemen naast klimaatzekerheid, juridische risico's en handhaafbaarheid?
Kunt u een appreciatie geven van de drie borgingsopties die in de notitie op pagina 12 zijn samengevat?
Bent u bereid om de drie borgingsopties zoals opgenomen op pagina 12 van de notitie mee te nemen als mogelijkheden voor borging van de klimaatdoelen voor de luchtvaart, en hierover verslag te doen in de brief die u tijdens het Commissiedebat Luchtvaart van 21 april 2026 aan de Kamer heeft toegezegd (toezegging TZ202605–005) en die volgens uw toezegging rond de zomer zou worden verzonden?
Hoe verhouden de borgingsopties die de notitie presenteert zich tot de wetgeving die eerder op het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is voorbereid en aangekondigd (Kamerstuk 31 936 nr. 1047)? Kunt u toelichten of u bereid bent dit wetsvoorstel als basis te nemen bij de uitwerking van de borging van de klimaatdoelen in de luchtvaart?
Met welke extra maatregelen compenseert u dat de doelen van het duurzame luchtvaartakkoord volgens de KEV niet gehaald worden omdat de afgesproken bijmenging van duurzame brandstoffen (14% in 2030) is vervangen door de bijmengverplichting van ReFuelEU (6%)?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het CD Luchtvaart van 8 oktober 2026?
De mensenrechtensituatie in Argentinië |
|
Suzanne Kröger (PRO), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Sensing the Surveillance State: Argentina's expanding policies and technologies of mass surveillance» van Amnesty International van 19 augustus 20261?
Kunt u een inhoudelijke reactie geven op de belangrijkste bevindingen van dit rapport, in het bijzonder op de conclusie dat de Argentijnse overheid sinds december 2023 haar surveillance- en inlichtingencapaciteiten sterk heeft uitgebreid, grotendeels buiten het parlement om?
Deelt u de zorgen van Amnesty International en van mijn fractie over de toenemende druk op het maatschappelijk middenveld in Argentinië, waaronder journalisten, mensenrechtenverdedigers, vakbonden en feministische en sociale bewegingen, die volgens het rapport in toenemende mate worden geïntimideerd en in de gaten gehouden? Zo ja, op welke wijze brengt Nederland deze zorgen, bilateraal of in EU-verband, onder de aandacht van de Argentijnse autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de ontwikkelingen rond het demonstratierecht in Argentinië, met name het zogenoemde «anti-picket»-protocol waarmee betogingen zonder rechterlijke tussenkomst kunnen worden uiteengedreven en waarbij gegevens van demonstranten, organisaties en voertuigen worden verzameld en geregistreerd?
Bent u bereid zich, al dan niet in EU-verband, uit te spreken tegen het gebruik van massasurveillance rond demonstraties, in lijn met verklaringen van bijvoorbeeld de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten en VN-rapporteurs hierover uit 2025?
Kunt u reageren op de vaststelling in het rapport door Amnesty International dat Argentinië de rechten op privacy, gelijkheid en non-discriminatie, vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering schendt? Wat is de reactie van het Nederlandse kabinet op deze conclusie?
Op welke wijze kunnen de bilaterale handels- en investeringscontacten tussen Nederland en Argentinië, en het EU-Mercosur-akkoord, bijdragen aan het verbeteren van mensenrechten, arbeidsrechten, democratische rechtsstatelijkheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen in Argentinië? Bent u bereid om mensenrechten te agenderen in toekomstige handelsgesprekken en overleggen met Argentinië?
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om binnen de handels- en investeringsrelatie met Argentinië bij te dragen aan het verantwoord gebruik van technologie, waaronder surveillance- en veiligheidstechnologie, met inachtneming van mensenrechten en internationale standaarden?
Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de export van drones, gezichtsherkenningstechnologie of andere surveillance- en veiligheidsapparatuur naar Argentijnse veiligheids- of inlichtingendiensten? Zo ja, kunt u uitleggen hoe deze export voldoet aan criterium 2a van het Europees Gemeenschappelijk Standpunt (overheden moeten export weigeren als er een duidelijk risico is dat de goederen worden gebruikt voor binnenlandse onderdrukking), gelet op het risico dat dergelijke apparatuur wordt ingezet tegen demonstranten, journalisten en het maatschappelijk middenveld?
Op welke wijze ondersteunt Nederland het Argentijnse maatschappelijk middenveld bij het versterken van mensenrechten en democratische instituties, en hoe kan deze inzet worden verbonden aan de bredere Nederlandse handels- en investeringsrelatie met Argentinië? Ziet het kabinet mogelijkheden om juist via de combinatie van diplomatie, handel en maatschappelijke samenwerking bij te dragen aan het verbeteren van mensenrechten en de democratische rechtsstaat in Argentinië?
Worden er vanuit het Mensenrechtenfonds op dit moment maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers in Argentinië ondersteund die zich uitspreken tegen de uitbreiding van staatssurveillance en de inperking van de burgerruimte? Bent u bereid te bezien of er extra middelen voor dit fonds kunnen worden vrijgemaakt?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (PRO) |
|
Eerenberg , Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de schepen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht.
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Het standpunt van het kabinet is dat de exclusiviteit van rechtsmacht van de vlaggenstaat op volle zee met zich mee brengt dat niet zonder (voorafgaande) toestemming van de vlaggenstaat handhavend kan worden opgetreden tegen vreemde (koopvaardijschepen en daarmee gelijkgestelde) schepen op volle zee. Het internationaal recht erkent enkele uitzonderingen hierop, die volgens het kabinet niet van toepassing waren op de huidige situatie. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Verder heeft het kabinet aan de Griekse en Cypriotische autoriteiten verzocht Nederlandse deelnemers aan de Flotilla in nood desgevraagd bij te staan.
Verder ligt in algemene zin de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Ja. Het kabinet deelt de zorgen over de beperkte humanitaire toegang. In Gaza zijn tekorten aan vrijwel alles, van voedsel en water tot medische zorg en onderdak. Tegelijkertijd zien we dat de grensovergangen slechts zeer beperkt geopend zijn, en dat hulporganisaties zich geconfronteerd zien met restricties die hun operaties ernstig bemoeilijken.
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het kabinet zet zich in om de situatie in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever te verbeteren, en doet dit door een combinatie van druk en dialoog in zowel bilateraal als multilateraal verband. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van februari 2026 onderstreept dat de ontwikkelingen in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israëlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen. In de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd duidelijk dat er voor maatregelen, zoals het (gedeeltelijk) opschorten van het associatieakkoord, vooralsnog niet de benodigde meerderheid bestaat. Op 22 mei jl. heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de Nederlandse inzet op dit vlak nogmaals benadrukt. Diverse moties indachtig blijft het kabinet toewerken naar draagvlak hiervoor.
Op gebied van humanitaire hulp in het bijzonder, blijft het kabinet er bij Israël op aandringen om professionele hulporganisaties, zoals de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s ongehinderde humanitaire toegang te verschaffen. Ook hier oefent Nederland druk uit op alle niveaus, zowel bilateraal als multilateraal. In dit kader blijft het kabinet zich ervoor inspannen dat Israël zijn herregistratieplicht voor internationale ngo’s niet implementeert. Zo heeft de Minister-President zijn gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moet openstellen voor humanitaire hulp. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dit nogmaals benadrukt in het gesprek met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 15 april jl.
Het bericht 'Privacy toezichthouders vragen Europese Commissie Israëlische registratieplicht voor hulpverleners te toetsen' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Autoriteit Persoonsgegevens over de problemen met de Israëlische registratieplicht voor hulpverleners?1
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) meldt op haar website dat Europese gegevensbeschermingstoezichthouders willen dat de Europese Commissie (EC) zich buigt over de registratieplicht die de Israëlische overheid oplegt aan internationale ngo’s die werken in Palestijnse gebieden.2 Het kabinet onderschrijft dat de verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten ligt bij de EC.
In 2011 oordeelde de EC, destijds onder de geldende gegevensbeschermingsrichtlijn3, dat Israël een passend beschermingsniveau waarborgt voor persoonsgegevens die vanuit de EU worden doorgegeven.4 Met de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op 25 mei 2018 bleven de adequaatheidsbesluiten die onder de gegevensbeschermingsrichtlijn waren vastgesteld, van kracht. Tegelijkertijd heeft de AVG verduidelijkt dat adequaatheidsbesluiten «levende instrumenten» zijn, en bepaald dat de EC verantwoordelijk is voor het houden van doorlopend toezicht op mogelijke ontwikkelingen die afbreuk kunnen doen aan het vereiste beschermingsniveau.5 De eerste evaluatie van de adequaatheidsbesluiten die onder de richtlijn zijn genomen door de EC is afgerond op 15 januari 2024, daarbij is ook het adequaatheidsbesluit van Israël onder de loep genomen. De EC stelde in het verslag van die evaluatie aan de EP en de Raad vast dat Israël nog altijd een passend beschermingsniveau waarborgt en dat voor doorgifte, die onder de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit vallen, naar Israël geen aanvullende waarborgen nodig zijn.6 Daarnaast schrijft artikel 97 AVG voor dat adequaatheidsbesluiten in elk geval iedere vier jaar dienen te worden geëvalueerd door de commissie.7 In het geval ontwikkelingen in een land of gebied met een passend beschermingsniveau een negatieve invloed zouden hebben op het vastgestelde beschermingsniveau, kan de EC gebruik maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 45, lid 5, AVG om een adequaatheidsbesluit op te schorten, te wijzigen of in te trekken. De EC betrekt bij haar beoordeling alle relevante ontwikkelingen, zo nodig ook de in de vraag genoemde registratieplicht.
Bij het maken van een beoordeling over de adequaatheidsbesluiten betrekt de EC alle relevante ontwikkelingen. Of in het geval van de herregistratiewet sprake is van een ontwikkeling die strijdig is met het adequaatheidsbesluit is dan ook aan de EC om te beoordelen. In elk geval heeft het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), mede dankzij de AP, middels een brief de EC aangeboden om samen op trekken waar dat past.
Ten aanzien van de Israëlische herregistratiewet in huidige vorm heeft het kabinet veelvuldig zorgen geuit, waaronder in de reeds gepubliceerde gedeelde verklaring. Het Israëlische Constitutioneel Hof heeft op 19 mei definitief uitspraak gedaan over de zaak die 17 hulporganisaties samen met de koepelorganisatie voor internationale ngo’s werkzaam in de Palestijnse gebieden (AIDA) hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht. Deze valt overwegend slecht uit voor de hulporganisaties. Het Hof verzoekt de organisaties om voor 21 juni alsnog aan de vereisten voor herregistratie te voldoen. De organisaties zullen echter ook in deze periode niet in staat zijn om aan de Israëlische eisen te voldoen, omdat hun inhoudelijke bezwaren niet zijn veranderd en zij gevoelige persoonsbestanden nog steeds niet kunnen delen. Het kabinet blijft Israël oproepen de wet in deze vorm niet te implementeren. Hierbij wijst Nederland op het belang van veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang voor humanitaire hulp.
Deelt u de mening van de Autoriteit Persoonsgegevens over de gevaren van Israëlische registratieplicht voor hulpverleners? Zo nee, waarom niet?
Volgens de AP lijkt de Israëlische overheid de uit de registratieplicht verkregen informatie te gebruiken voor screening en profilering. Op basis van de informatie die de AP van hulporganisaties heeft ontvangen, verwacht de AP dat de gegevensdeling onrechtmatig is en dat de doorgifte kan leiden tot serieuze veiligheidsrisico’s voor de hulpverleners en hun families ter plaatse.8 Het kabinet hecht veel belang aan de veiligheid van hulpverleners (zie antwoord vraag 6).
De vraag die centraal staat in de brief van de EDPB aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath, is of deze uitvraag van data door Israël op gespannen voet staat met het adequaatheidsbesluit.9 Nederland ziet dat de EC doorlopend toezicht houdt op ontwikkelingen in Israël die mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van een adequaatheidsbesluit (artikel 45 AVG). Nederland volgt de ontwikkelingen nauwlettend.
Bent u bereid om, als Nederland danwel multilateraal, aan te dringen bij de Europese Commissie om zich hier over te buigen en over uit te spreken?
Nederland heeft de afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten zorgen over registratiewet aangekaart. Ook in internationaal verband, spreekt Nederland zich hierover uit. Nederland heeft recentelijk, met 20 gelijkgezinde landen en Eurocommissaris Lahbib, een publieke verklaring gepubliceerd waarin zorgen worden geuit over de restrictieve maatregelen die humanitaire hulp in Gaza en de Westelijke Jordaanoever ernstig beperken. Met het statement wordt Israël opgeroepen om onmiddellijk veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot Gaza te faciliteren en specifiek de herregistratiewetgeving voor internationale ngo’s, één van de restrictieve maatregelen die ook humanitaire partners van Nederland raakt, niet in de praktijk te brengen.
Tot op heden is er nog geen reactie geweest vanuit de EC op de brief van de EDPB. Nederland zal de EC wijzen op de positie van de EDPB.
Op welke juridische gronden is deze registratieplicht gebouwd, gezien de hulporganisaties al geregistreerd zijn bij de Palestijnse Autoriteit, waar ook het werk zich centreert?
Het betreft een richtlijn van het Israëlische Ministerie van Diasporazaken en Bestrijding van Antisemitisme onder Israëlisch recht, die ziet op de registratie van hulporganisaties die werken met de Palestijnse bevolking.
In de definitieve uitspraak van het Israëlische Constitutioneel Hof over de zaak die 17 hulporganisaties samen met AIDA hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht, bevestigt het Hof de bevoegdheid van Israël om in het kader van veiligheid operationele beperkingen op te werpen aan hulporganisaties. Het Hof stelt tegelijkertijd dat Israël niet de bevoegdheid heeft om de hulporganisaties uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever te weigeren, omdat deze gebieden onder het gezag en de rechtsmacht van de Palestijnse Autoriteiten vallen (het gaat hierbij niet in op hoe de uitspraak geldt in het door Israël geannexeerde Oost-Jeruzalem).
Wat is het standpunt van het kabinet met betrekking tot het vraagstuk of de Israëlische registratieplicht valt binnen de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit?
Voor een adequaatheidsbesluit moet volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) worden beoordeeld of een derde land het niveau van gegevensbescherming biedt dat in wezen gelijkwaardig is aan dat binnen de Europese Unie.10 Zoals wordt uiteengezet in de brief van de EDPB,11 het samenwerkingsverband van Europese toezichthouders waarin ook de AP zitting heeft, roept de Israëlische herregistratieplicht voor hulporganisaties verschillende vragen op waaraan ook in een adequaatheidsbesluit dient te worden getoetst. Zo dient de proportionaliteit, noodzakelijkheid en transparantie van de verwerkingsactiviteiten te worden gewaarborgd. Ook is vereist dat voor dergelijke verwerkingen een geldige rechtsgrondslag bestaat als bedoeld in artikel 6 AVG, en dient te worden verzekerd dat betrokkenen hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Mede in het licht van deze genoemde vereisten uit de AVG, stelt de EDPB in haar brief aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath de vraag of de herregistratieplicht in lijn is met het adequaatheidsbesluit.12 Het is in de eerste plaats aan de Europese Commissie om op deze brief te reageren.
Deelt u de mening van de vraagstellers en het rapport van AIV & CAVV dat humanitaire hulp in conflictgebieden beschermd moet worden door zowel stille diplomatie als openlijke uitspraken? Zo ja, hoe gaat u hier aan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Humanitaire toegang en veiligheid van humanitaire hulpverleners moeten ook in conflictgebieden beschermd worden. Het kabinet heeft het AIV en CAVV advies over geweld tegen hulpverleners verwelkomd omdat het cruciaal is manieren te vinden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het AIV en CAVV advies heeft het kabinet uiteengezet langs welke verschillende sporen het dit soort geweld, evenals straffeloosheid van schendingen van het humanitair oorlogsrecht wil tegengaan.
Is de conclusie terecht dat hulporganisaties zich in een onmogelijke spagaat bevinden, waarin ze enerzijds zich moeten houden aan Europese privacyregels, maar anderzijds zich niet kunnen veroorloven om mensen die afhankelijke zijn humanitaire hulp in de steek te laten? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet begrijpt dat in de huidige situatie hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden – ook vanwege de situatie in verband met de herregistratieplicht in de vorm die nu wordt beoogd – buitengewoon complex is. Ook maakt het kabinet zich ernstig zorgen over de gevolgen van de recente uitspraak van het Israëlische Constitutionele Hof op het werk van de organisaties, welke naar verwachting overwegend negatief zullen zijn. Nederland blijft Israël dan ook oproepen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, volledige en onvoorwaardelijke humanitaire toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat Israël de herregistratieplicht, in de huidige vorm, van tafel haalt.
Welke humanitaire consequenties voorziet u als deze organisaties hun werk daadwerkelijk moeten stopzetten in bezet Palestijns Gebied?
Het humanitaire werk van de internationale hulporganisaties die werken in Palestijnse gebieden is onmisbaar. Gezien bijna de gehele populatie van Gaza afhankelijk is van humanitaire hulp, zullen de consequenties, indien de hulporganisaties hun werk zouden moeten staken, verstrekkend zijn. De VN heeft vastgesteld dat de hulporganisaties o.a. verantwoordelijk zijn voor 42% van alle water- en sanitaire installaties, 60% van de beschikbare veldhospitalen beheren of ondersteunen en meer dan 75% van alle ontmijningsinspanningen leveren. Ze spelen verder een sleutelrol in het onderwijs en de ondersteuning van ondervoede kinderen.
Het vonnis van de Raad van State op het tussen-LVB Schiphol |
|
Suzanne Kröger (GL), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat u precies bedoelde met de uitspraak «We moeten door.» in reactie op het vonnis van de Raad van State (RvS) op het tussen-LVB Schiphol?1
De uitspraak «We moeten door» onderstreept het belang van de ontwerpwijziging van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (hierna: LVB), die momenteel in het kader van de voorhangprocedure bij zowel de Eerste als de Tweede Kamer ligt. Het is van groot belang om de juridische basis van Schiphol op orde te brengen.
Klopt het dat het nu voorliggende LVB, inhoudelijk en in de aannames, grotendeels een voortzetting is van het vernietigde tussen-LVB? Zo nee, waar baseert u dat precies op?
De in voorhang voorliggende LVB-wijziging is een integrale wijziging van het LVB, inclusief onderzoek naar de milieu- en natuureffecten van het besluit. Daarbij is ook getoetst op de gelijkwaardigheidscriteria en hebben zowel Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) als de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toetsen uitgevoerd op respectievelijk de uitvoering vanuit LVNL en de handhaving, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid vanuit ILT. Met de ontwerp LVB-wijziging wordt het stelsel met de baangebruiksregels en de uitbreiding van het stelsel met de handhavingspunten in het LVB opgenomen. Het gaat hier dus om de integrale wijziging van het LVB waarmee het anticiperend handhaven kan worden beëindigd. De milieu- en natuurimpact van de ontwerpwijziging van het LVB wordt daarbij afgezet tegen de situatie van het LVB 2008 en het maximale gebruik onder het NNHS. Dit is enerzijds de (theoretische) situatie waarin het huidige gebruik van de luchthaven passend is binnen de grenzen van het LVB 2008. Anderzijds wordt de ontwerpwijziging van het LVB afgezet tegen het continueren van het anticiperend handhaven. Deze situatie is identiek aan de bovengrens van de voorgenomen activiteit.
In de referentiesituatie 2008, zoals opgenomen in de milieueffectrapportage (MER), zijn de huidige grenswaarden voor geluid zoals vastgelegd in het geldende LVB voor het etmaal (de Lden) in handhavingspunten maatgevend voor het aantal vliegtuigbewegingen dat op basis van het huidige (zichtjaar 2024) en het toekomstige (zichtjaar 2030) verkeersbeeld mogelijk is. Het inpasbaar jaarvolume is met de gestelde uitgangspunten voor zichtjaar 2024 vastgesteld op circa 294.000 vliegtuigbewegingen en voor zichtjaar 2030 op circa 335.000 vliegtuigbewegingen. Deze toename komt door vlootvernieuwing door de jaren heen. Dit is als uitgangspunt gekozen omdat deze situatie inzicht geeft in de milieueffecten die optreden in de (theoretische) situatie dat het huidige gebruik van de luchthaven passend dient te zijn binnen de grenzen van het LVB 2008.
De versnelde LVB-wijziging had tot doel om twee van de maatregelen die volgden uit de doorlopen balanced approach-procedure (beperking in aantal vliegtuigbewegingen op het etmaal en in de nacht) op korte termijn vast te leggen. Zowel de inhoud als het proces van de twee besluiten verschillen dus van elkaar.
Erkent u dat de RvS met de recente uitspraak expliciet heeft bepaald dat de gedoogsituatie van 500.000 vliegbewegingen met het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel (NNHS), onrechtmatig als uitgangspunt is genomen?
De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 maart 2026 overwogen dat in deze procedure de rechtmatigheid van het NNHS niet ter beoordeling staat. De Afdeling heeft wel een oordeel gegeven of wordt voldaan aan de gelijkwaardige bescherming ten opzichte van het eerste LVB uit 2004. Voor de onderbouwing dat aan dit wettelijk vereiste is voldaan, is in de toelichting bij de versnelde LVB-wijziging verwezen naar een milieuonderzoek dat ten grondslag lag aan de niet vastgestelde LVB-wijziging voor het NNHS. De Afdeling oordeelt dat, nu dit LVB NNHS niet is vastgesteld, de verwijzing naar dat milieuonderzoek onvoldoende onderbouwing is voor de gelijkwaardige bescherming. Aan de voorliggende LVB-wijziging ligt wel een eigenstandig milieuonderzoek ten grondslag.
Welke gevolgen heeft de RvS-uitspraak voor het nu voorliggende LVB, nu niet de milieuruimte van het LVB-2008 als uitgangspunt is genomen, maar het Refahh, (500.000 vliegbewegingen + NNHS)? Op welke juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer delen?
De uitspraak van de Afdeling heeft uitsluitend tot gevolg dat het besluit van 6 mei 2025 tot wijziging van het LVB is vernietigd. Dit betekent dat het LVB 2008 blijft gelden zonder dat er (wettelijk) een maximumaantal vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar voor het etmaal en de nacht geldt. De Afdeling heeft geoordeeld dat onvoldoende is onderbouwd dat het besluit van 6 mei 2025 tot wijziging van het LVB voldoet aan de gelijkwaardigheidscriteria. Hieruit volgt dat elk LVB per saldo een beschermingsniveau moet bieden dat (minimaal) gelijkwaardig moet zijn aan het beschermingsniveau dat het eerste LVB bood. Ook is onvoldoende aangetoond dat sprake is van de met het besluit beoogde verbetering van het beschermingsniveau ten aanzien van het geldend wettelijk kader (LVB 2008). Het gaat hier om een motiveringsgebrek wegens het ontbreken van een gelijkwaardigheidsonderbouwing. Voor de voorliggende wijziging van het LVB is een milieueffectrapport (MER) opgesteld, inclusief gelijkwaardigheidsonderbouwing. De Landsadvocaat heeft een procesadvies uitgebracht over de gevolgen van de uitspraak. Bij procesadviezen is actieve openbaarmaking echter niet aan de orde. De Staat heeft namelijk het recht om zich voor bijstand en advies vertrouwelijk tot een advocaat te wenden.
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, zoals de Afdeling besloot, wat zijn dan de gelijkwaardigheidscriteria waaraan het nieuwe LVB moet voldoen?
In de MER, dat is opgesteld voor de voorgenomen integrale wijziging van het LVB, wordt zowel getoetst aan de situatie in het LVB 2008 als aan de situatie onder het anticiperend handhaven en het NNHS, zie ook de beantwoording van vraag 2. Beide situaties worden getoetst aan gelijkwaardigheid, zijnde een toets op het beschermingsniveau dat het voorliggende LVB moet bieden. Dit moet per saldo minimaal gelijkwaardig zijn aan het beschermingsniveau dat het eerste LVB uit 2004 bood. De gelijkwaardigheidscriteria veranderen dus niet als gevolg van de keuze van een referentiesituatie.
Erkent u dat het LVB-2008 de referentie moet zijn? Op welke juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Zie het antwoord op vraag 2. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt niet wat de juiste referentiesituatie is. Dat vraagstuk lag ook niet voor in de zaak over de versnelde LVB-wijziging. De juridische situatie rond Schiphol is complex met een vigerend LVB 2008, de jarenlange gedoogsituatie van het anticiperend handhaven en verschillende rechterlijke uitspraken. Om recht te doen aan alle invalshoeken zijn in het MER beide referenties inzichtelijk gemaakt en zijn de alternatieven afgezet tegen deze referenties. Daarmee wordt voorkomen dat bij een later oordeel over de juiste referentiesituatie er gebreken kunnen bestaan als gevolg van een onjuiste referentie. Voor de voorliggende integrale LVB-wijziging is in het MER getoetst aan de situatie in het LVB 2008 en aan de situatie onder het anticiperend handhaven en het NNHS.
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, moet er dan een nieuw milieurapport gemaakt worden met een nieuwe passende beoordeling? Zo nee, waarom niet?
Dit is niet aan de orde. Het MER is zowel getoetst aan de situatie onder het LVB 2008 als aan de situatie onder het anticiperend handhaven met het NNHS.
Voor de passende beoordeling geldt dat de referentiesituatie in lijn is met de passende beoordeling bij de natuurvergunning uit 2023. In deze passende beoordeling worden twee referentiesituaties gehanteerd, afhankelijk van het betreffende Natura 2000-gebied:
Kan het nu voorliggende LVB worden aangepast met een gewijzigde referentiesituatie (LVB-200), zodat het niet ook sneuvelt bij een toetsing door de RvS? Zo nee, waarom niet?
Dit is niet aan de orde. Bij het opstellen van de MER is zowel getoetst aan de situatie onder het LVB 2008 als aan de situatie onder het anticiperend handhaven met het NNHS.
Kunt u ingaan op de constatering van To70 van 2023, dat binnen de milieuruimte van het nog steeds geldende LVB-2008 slechts 400.000 tot 410.000 vliegbewegingen mogelijk zouden zijn?2 En dat dit aantal de meest recente aanscherping is van eerdere schattingen van uw voorganger(s) en van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)? Waarom is niet voor dit aantal gekozen als referentiesituatie?
Voor de aantallen in de (theoretische) referentiesituatie voor het LVB 2008, zie ook het antwoord op vraag 2. Dit is echter wel als uitgangspunt gekozen omdat deze situatie inzicht geeft in de milieueffecten die optreden in de (theoretische) situatie dat het huidige gebruik van de luchthaven passend dient te zijn binnen de grenzen van het vigerend LVB.
Waarom is voor het tussen-LVB gekozen voor een aantal vliegbewegingen, in plaats van hinder, terwijl de wet en de referentiesituatie hinder voorschrijven?
De balanced approach-procedure is doorlopen om tot maatregelen te komen die moeten leiden tot het bereiken van de vastgestelde doelstelling voor de bestrijding van geluidshinder. Het besluit van 6 mei 2025 tot versnelde wijziging van het LVB had als voornaamste doel om een van de resultaten van de balanced approach-procedure te verankeren. Met de wijziging werd het maximumaantal vliegtuigbewegingen op het etmaal en in de nacht vastgelegd respectievelijke gewijzigd. Deze twee maatregelen zijn onderdeel van het totale maatregelenpakket. Daarbij was het doel om in ieder geval de lagere capaciteit als slotstuk van de balanced approach-procedure te verankeren.
Waarom is voor de «balanced approach»-procedure ervoor gekozen om de gedoogsituatie van het NNHS als uitgangspunt te nemen en niet het toen nog geldende LVB-2008, terwijl de rechter inmiddels in de RBV-zaak had bepaald dat die gedoogsituatie moest worden beëindigd en dus illegaal was?
Voor de balanced approach-procedure is bij de start van de procedure, eind 2022, een referentiescenario gemaakt met daarin de verwachte situatie per november 2024. Voor die verwachte situatie op 1 november 2024 is uitgegaan van de maximaal toegestane aantallen onder de toen toegestane operatie: het anticiperend handhaven op 500.000 vliegtuigbewegingen, waarvan 32.000 in de nacht. Ten opzichte van die verwachte situatie is het geluidsdoel vastgesteld. Dat sluit ook aan bij het latere arrest van de Hoge Raad3, waarin wordt geoordeeld dat de toen voorgenomen experimenteerregeling in combinatie met het stoppen met anticiperend handhaven leidde tot een afname in capaciteit ten opzichte van het toegestane aantal vliegtuigbewegingen van 500.000.
Kunt u ingaan op de uitspraak van de Afdeling dat voor het handhaven van het wettige LVB 2008 geen «balanced approach»-procedure nodig is en dat dit alleen gold voor de experimenteerregeling?
De uitspraak van de Afdeling gaat niet in op de vraag wanneer een balanced approach-procedure moet worden doorlopen. De Afdeling heeft bij het schetsen van de context een feitelijke verwijzing opgenomen naar de uitspraak van de Hoge Raad over het stoppen met anticiperend handhaven en de experimenteerregeling, waarbij wel wordt ingegaan op het doorlopen van een balanced approach procedure.
Hoe komen we tot een nieuwe capaciteitsdeclaratie voor de komende periodes, nu het tussen-LVB met 478.000 vliegbewegingen geen wettige basis meer heeft? Geldt dan automatisch weer het LVB-2008 met een capaciteitsdeclaratie gebaseerd op de milieuruimte van het LVB-2008?
Door de vernietiging van de versnelde LVB-wijziging wordt teruggevallen op de gedoogsituatie van het anticiperend handhaven. Zoals in de brief van 31 oktober 2025 aan de Kamer is gemeld, gaat de huidige aanwijzing aan de ILT uit van maximaal 478.000 vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar.4 De capaciteitsdeclaratie voor het komende zomerseizoen is reeds vastgesteld. Het kabinet streeft ernaar om de algehele wijziging van het LVB in werking te laten treden met ingang van 1 november 2026. In deze wijziging zal ook het maximumaantal voor het etmaal en in de nacht worden opgenomen. De capaciteitsdeclaratie voor het winterseizoen 2026/2027 wordt gebaseerd op de huidige gedoogsituatie en sluit aan bij de voorgenomen integrale wijziging van het LVB.
Bent u het ermee eens dat een jaarvolume geluid of Lden’s geen goede kwantificering voor hinderbeleving is? Hoe wordt voor een nieuw besluit hinderbeleving betrokken en nieuw gedefinieerd om tot een gelijkwaardige bescherming te komen? Hoe wordt dit betrokken bij het vaststellen van aantallen ernstig gehinderden en het politieke doel om te komen tot 20% minder ernstig gehinderden?
In het LVB wordt gekeken naar geluidsbelasting, dit wordt uitgedrukt in Lden niveaus. Dit betreft een gemiddelde geluidsmaat gedurende een jaar. Binnen deze contouren wordt gekeken het aantal gehinderden en slaapverstoorden. Om een aanvullende hinderindicator vast te leggen is een wetswijziging nodig; de Wet luchtvaart biedt hier op dit moment geen grondslag voor. Hier wordt aan gewerkt in het kader van het nieuwe stelsel vliegtuiggeluid. In dit stelsel wordt nagedacht over een aanvullende hindernorm. Uw Kamer wordt later dit jaar uitvoeriger geïnformeerd over de inhoudelijke keuzes in het nieuwe stelsel.
Bent u het ermee eens dat het oordeel van de RvS de juridische kaders opnieuw heeft vastgesteld en dat het volgen van deze kaders de snelste weg naar een wettig LVB zal zijn?
Nee, de Afdeling heeft uitspraak gedaan in een procedure die is gestart ten aanzien van het besluit van 6 mei 2025. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat dit besluit onvoldoende gemotiveerd is, maar heeft geen uitspraak gedaan ten aanzien van de juridische kader van de Wet luchtvaart of deze opnieuw vastgesteld. Met de uitspraak van de Afdeling zal verder rekening worden gehouden gedurende het verdere traject met betrekking tot dit LVB.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het komende CD Luchtvaart?
Ja.
Een snelle oplossing voor het Noodfonds energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Klopt het dat er op dit moment geen publieke uitvoerder is die het Publieke Energiefonds op zich wil nemen?
Ja, dat klopt. Na een intensief jaar van verkenning met diverse publieke uitvoeringsorganisaties is de eenduidige conclusie dat een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het Europese Sociaal Klimaatfonds (SKF) voor zowel huishoudens als uitvoerder zeer complex zou zijn en voor de continuïteit van de bestaande taken en dienstverlening door deze uitvoeringsorganisaties zeer risicovol zou zijn. Dit betreft onder meer het verwachte aantal aanvragen dat handmatig moet worden beoordeeld en de verantwoording over rechtmatige toekenning aan de Europese Commissie. Daarom kwalificeren de uitvoerders dit energiefonds als niet uitvoerbaar en niet verantwoord, zowel op korte (operationeel in de winter van 2026/2027) als op lange termijn. Dit geldt zowel voor alle betrokken uitvoerders individueel als voor uitvoering door een consortium van uitvoerders.
Dit neemt niet weg dat het kabinet inzet op gerichte inkomensondersteuning dit jaar. Het kabinet bereidt daarom een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF, zoals ook aangekondigd in het coalitieakkoord. Hiertoe worden ook varianten uitgewerkt waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut, zodat de bestaande uitvoerders niet worden belast. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang.
Klopt het dat het kabinet wel naar uitvoering door vier instanties zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank heeft gekeken, maar die alle vier niet geschikt bleken? Zo ja, waarom bleken deze niet geschikt?
Ja dat klopt. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven met welke andere organisaties nog meer gesproken is en waarom deze allen niet geschikt bleken als uitvoerder?
Er is gesproken met Uitvoering van Beleid (UVB, onderdeel van SZW), Dienst Toeslagen, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Daarnaast is gesproken met een aantal organisaties, voornamelijk over een ondersteunende rol. Dit betrof de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV; inclusief Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)), het Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN, voorheen Stichting Inlichtingenbureau) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Alle organisaties zien dezelfde uitvoeringsproblemen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Per wanneer verwacht u dat de publieke uitvoerder operationeel kan zijn en steun kan uitkeren aan huishoudens?
Het kabinet bereidt een noodfonds energie voor dat voor de komende winter operationeel moet kunnen zijn. Het is van belang dat de meest kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening de komende winter ondersteund kunnen worden. Zoals aangegeven in antwoord 2 zal dit niet het publieke energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF zijn.
Wat zijn de verwachte uitvoeringskosten van het Publieke Energiefonds op jaarbasis?
Dit is niet bekend. De uitvoeringskosten zouden volgen uit de nadere uitwerking met een uitvoerder. Maar de uitvoerders hebben de uitvoering van een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF als niet uitvoerbaar en niet verantwoord gekwalificeerd. Daarom is het stadium van kostenraming niet bereikt.
Het kabinet bereidt nu een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF. Daarbij werken we ook varianten uit waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang en uw Kamer informeren over de verwachte uitvoeringskosten wanneer hier voldoende duidelijkheid over is.
Wat zijn de uitvoeringskosten van het Tijdelijke Noodfonds Energie op jaarbasis? waarbij bij alle varianten wordt berekend wat de budgettaire gevolgen zijn bij 1) een maandelijkse bijdrage van € 80,– per huishouden voor de periode van 6 maanden, 2) een maandelijkse bijdrage van € 90,– per huishouden voor de periode van 6 maanden en 3) een maandelijkse bijdrage van € 100,– per huishouden voor de periode van 6 maanden?
In 2025 bedroegen de uitvoeringskosten € 13,15 miljoen. Voor deze uitvoeringskosten heeft TNE ongeveer 210.000 aanvragen verwerkt en aan ongeveer 120.000 huishoudens uitgekeerd. Dit is een beperkt deel van het aantal huishoudens dat op basis van de gehanteerde criteria in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming vanuit TNE. De uitvoeringskosten van TNE zouden bij volledig bereik van de doelgroep hoger zijn geweest.
Kunt u aangeven wat de actuele inkomensgrenzen zijn voor huishoudens met inkomens tot 130%, 200%, 300% en 350% van het sociaal minimum voor zowel alleenstaanden als samenwonenden? Kunt u voor elke inkomensgrens aangeven om hoeveel huishoudens het gaat?
Onderstaande tabel geeft een schatting van de budgettaire gevolgen (doelgroep x steunbedrag) per variant. De schattingen zijn voor 2026. Deze zijn berekend op basis van CBS Microdata over inkomens en energiekosten uit 2024. De inkomens zijn geïndexeerd naar 2026 o.b.v. de CEP2026. De energiekosten zijn geïndexeerd naar de gemiddelde energietarieven voor consumenten in februari 2026 o.b.v. CBS Statline. Verbeterede isolatie vanaf 2024 en gedragseffecten zijn niet meegenomen. Vanaf 2027 zijn er ook (beleidsmatige) ontwikkelingen zoals stijgende nettarieven, ETS2, en de bijmengverplichting groen gas. Deze zitten nog niet in de schattingen van 2026.
Voor de energiekosten is in onderstaande tabel uitgegaan van het scenario dat energieprijzen 28% stijgen. Dit is ten opzichte van de gemiddelde prijzen in februari 2026 en in lijn met de prijsstijging die we de afgelopen periode hebben gezien. Daarnaast wordt er rekening gehouden met het feit dat veel huishoudens nog vaste contracten hebben. Daarom wordt in de raming uitgegaan dat slechts 55% van de prijsstijging doorwerkt. Als de hoge prijzen aanhouden zijn de structurele kosten dus een stuk hoger.
De grootte van de doelgroep, de hoogte van de tegemoetkoming en daarmee budgettaire gevolgen hangen verder af van de daadwerkelijke energieprijs. Om dit te illustreren: Als er in het eerste jaar van 50% of 76% prijsstijging uitgegaan wordt (i.p.v. 28%), bestaat de doelgroep onder de criteria oorspronkelijke voorwaarden van TNE (variant 7) uit 1.132.000, en respectievelijk 1.240.000 huishoudens in het eerste jaar.
Voor de grenzen van het sociaal minimum is uitgegaan van het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026, inclusief vakantietoeslag. Voor alleenstaanden is dat € 1.790 per maand, voor samenwonenden is dat € 2.500 per maand.
Variant
Aantal huishoudens in variant
Budgettaire gevolgen (x € mln.), exclusief uitvoeringskosten bij:
Zes maanden € 80
Zes maanden € 90
Zes maanden € 100
1
1.200.000
580
650
720
2
890.000
430
480
530
3
1.131.000
540
610
680
4
1.163.000
560
630
700
5
1.165.000
560
630
700
6
1.442.000
690
780
860
7
973.000
470
530
580
8
980.000
470
530
590
9
981.000
470
530
590
De motie Klaver c.s.2 verzoekt om bij het uitwerken van de opties mee te nemen of en hoe middeninkomens aanspraak kunnen maken op het fonds. Bovenstaande en andere varianten betrek ik daarom bij de besluitvorming en voer daarmee deze motie uit. Over de uiteindelijke doelgroep en tegemoetkoming zal ik uw Kamer later nader informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aanvang van de tweede termijn van de SZW-begroting op 19 maart of, indien eerder ingepland, voor het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland?
De onderstaande inkomensgrenzen zijn gebaseerd op het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026. Hiervoor is aangesloten bij de bruto normbedragen voor de Toeslagenwet. Deze inkomensgrenzen van TNE waren ook op deze normen gebaseerd. De inkomensgrenzen zijn op maandbasis, bruto, exclusief de inkomensondersteunende toeslagen, inclusief 8% vakantietoeslag en afgerond op tientallen euro. Het aantal huishoudens is geschat voor 2026. De schatting is gemaakt met CBS Microdata over inkomens uit 2024 die zijn geïndexeerd naar 2026. Bij deze schatting is geen rekening gehouden met het energieverbruik.
Percentage sociaal minimum
Bruto inkomensgrens, per huishoudtype
Aantal huishoudens
Alleenstaande
Samenwonenden
130%
€ 2.330
€ 3.260
1.387.000
200%
€ 3.590
€ 5.010
2.804.000
300%
€ 5.380
€ 7.760
4.579.000
350%
€ 6.270
€ 8.760
5.250.000
Het bericht 'Amerikaanse chantage kost mensenlevens' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amerikaanse chantage kost mensenlevens» van Aidsfonds en Rutgers van 23 januari 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Amerikaanse beslissing om hulporganisaties, andere overheden, en Verenigde Naties (VN)-agentschappen die Amerikaans geld ontvangen, te verbieden om te werken aan diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, bovenop het verbod op het verlenen van abortuszorg?
Op 23 januari heeft de VS aangekondigd dat ze de bestaande Mexico City Policy gaan uitbreiden. Er zijn drie «rules» gepubliceerd die restricties opleggen in relatie tot alle VS financiering, op het gebied van abortus, «gender ideology» en DEI (Diversity, Equity en Inclusion). Samen wordt dit het «human flourishing in foreign» assistance beleid genoemd. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie van dit beleid, de juridische haalbaarheid ervan, en de uiteindelijke impact. Organisaties weten dus nog niet hoe dit beleid hen precies zal raken. Het kabinet deelt de zorgen van veel organisaties over de potentiële consequenties voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden. Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is uiterst zorgwekkend.
Deelt u de analyse dat deze maatregelen hulporganisaties ernstig belemmeren in het bieden van hulp aan kwetsbare groepen en dat dit zal leiden tot meer onveilige abortussen, moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat er een ontheffing (waiver)mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen. Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van toegang tot veilige abortus, diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, dan zal dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot meer onveilige abortussen, een hogere moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Onderhoudt uw ministerie contact met de Amerikaanse autoriteiten over deze beslissing? Op welk niveau? Wat wordt er in die contacten gewisseld? Bent u van plan om ambtgenoten op deze beslissing aan te spreken?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington, zo ook over de uitbreiding van de Mexico City Policy. Het doel van die gesprekken is om zoveel mogelijk te voorkomen dat dit beleid een negatieve impact heeft op vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden en op door Nederland gefinancierde programma’s en organisaties. Gegeven de grote financieringsbehoefte voor mondiale gezondheid zet Nederland, samen met andere donoren, in op een zo efficiënt mogelijke besteding van de nog beschikbare middelen. Voor het kabinet staat de toegang tot gezondheidszorg voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen centraal. De VS blijft een belangrijke donor op het gebied van mondiale gezondheid, waarmee wij in nauwe dialoog blijven over dit thema.
Het kabinet volgt de uitvoering van het «human flourishing in foreign assistance» beleid ook samen met cross regionale coalities zoals de Equal Rights Coalition (ERC). Deze cross regionale coalitie van 44 landen, werkt nauw samen om rechten van lhbtiq+-personen wereldwijd te beschermen en te bevorderen.
Bent u het ermee eens dat Nederland historisch een voortrekkersrol heeft gespeeld in het verdedigen van de rechten en gezondheid van vrouwen, meiden, LHBTI-personen en andere groepen? Onderschrijft u het belang, gezien de terugtrekkende beweging van Amerika, om deze voortrekkersrol stevig te herpakken? Op wat voor manier doet u dat, bijvoorbeeld in Europees en VN-verband?
Ik zie het belang om als Nederland een leidende rol te vervullen op het vlak van SRGR, vrouwenrechten en rechten van lhbtiq+-personen. Dit zijn ook kernprioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid van dit kabinet.
Nederland zal zich nog nadrukkelijker inzetten voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, aangezien we sterker staan als we ons gezamenlijk uitspreken. De Nederlandse inspanningen zijn gericht op het behoud en verder brengen van internationale afspraken op het gebied van SRGR, gendergelijkheid en vrouwenrechten binnen de VN. Nederland nam bijvoorbeeld een leidende rol tijdens de 70e zitting van de Commission on the Status of Women in maart dit jaar. De onderhandelingen over de politieke slotverklaring, werden gekenmerkt door forse tegendruk op bestaande internationale afspraken over vrouwenrechten, gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). De VS diende acht amendementen in op de politieke slotverklaring, die tegen bestaande internationale afspraken in gingen. De leider van de Nederlandse delegatie, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, heeft vervolgens namens de EU een stemming aangevraagd. Daardoor werden de amendementen verworpen en werd de politieke slotverklaring met een grote meerderheid van stemmen aangenomen.
Ook binnen de EU blijft Nederland zich inzetten, samen met gelijkgezinden, voor behoud van bestaande afspraken. Binnen de beschikbare financiële ruimte blijf ik ook inzetten op SRGR (inclusief toegang tot veilige abortus), gendergelijkheid en vrouwenrechten.
Herinnert u zich de leidende rol die Nederland nam tijdens de vorige instelling van de Global Gag Rule, middels het initiatief van toenmalig Minister Ploumen om met SheDecides het financieringsgat op te vullen dat Trump achterliet? Bent u van plan die leidende rol, die door het vorige kabinet is losgelaten, weer te herpakken? Zo nee, waarom niet?
Nederland steunt het platform SheDecides nog steeds, met een bedrag van 900.000 EUR voor drie jaar. SheDecides speelt een belangrijke rol in het beschermen en bevorderen van internationale afspraken op het gebied van SRGR en gendergelijkheid. Tegelijkertijd is de reikwijdte van het «human flourishing in foreign assistance» beleid veel groter dan in 2017. Naast financiering is het bieden van politiek tegenwicht en gezamenlijk optrekken cruciaal. Tijdens mijn recente reis naar de VN heb ik uitgedragen dat Nederland staat voor een sterk multilateraal systeem en dat de VN kan rekenen op steun van Nederland voor normatieve mandaten, zoals op het gebied van gender gelijkheid en SRGR. Nederland wil hierin samen met EU-landen optrekken.
De inzet van het kabinet is om in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen. Het kabinet is bereid hier een leidende rol in te spelen.
Indien het antwoord op vraag 6 «Ja» is, hoe herpakt u die leidende rol? Doet u dit door de bezuinigingen op mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid (54 miljoen in 2026, en 174 miljoen in 2027) terug te draaien?
Zoals beantwoord bij vraag 5 en 6, staat het kabinet pal voor universele mensenrechten en de internationale afspraken die hierover gemaakt zijn in multilateraal verband. Daarbij blijft Nederland zich inzetten voor het recht op gezondheid en SRGR voor iedereen. Het kabinet werkt daarom nauw samen met onze gelijkgezinde partners en de landen waar we werken.
Dit kabinet zal de bezuinigingen van het vorige kabinet op gezondheid en SRGR – EUR 124 miljoen in 2026 en EUR 172 miljoen in 2027 (t.o.v. 2024) – niet volledig ongedaan kunnen maken. Wel heeft het kabinet in de Voorjaarsnota voor 2.026 EUR 11 miljoen extra vrijgemaakt voor de inzet op mondiale gezondheid en SRGR. Daarnaast is het kabinet conform het coalitieakkoord voornemens om vanaf 2027 te blijven bijdragen aan de mondiale gezondheidsstrategie.
Bent u bereid, als Nederland en met gelijkgestemde landen, te zoeken naar alternatieve vormen van financiering voor VN-instanties en organisaties die door deze maatregel worden getroffen?
Nederland onderhoudt nauw contact met VN-organisaties, gelijkgezinde donoren, maatschappelijke organisaties, filantropische instellingen en ontvangende landen, over de mogelijke impact van het VS beleid binnen de VN en hoe wij hier een gezamenlijk antwoord op kunnen geven. In een context van afnemende ODA en tekorten en verstoring in gezondheidsdiensten wereldwijd, lijkt het antwoord vooralsnog te liggen in de kwaliteit van financiering (zoals meerjarige ongeoormerkte financiering), diplomatieke en politieke inspanningen ter bescherming van SRGR, gendergelijkheid en de meest gemarginaliseerde groepen. Nederland is en blijft daarom een stabiele en betrouwbare donor van o.a. de WHO, UNFPA en UNAIDS en van de humanitaire inspanningen van de VN bijvoorbeeld via UNHCR, UNICEF en WFP.
Bent u er van op de hoogte dat elke euro die bezuinigd wordt op dit thema, leidt tot meer ongeplande zwangerschappen, onveilige abortussen, hiv-doden, en hiv-besmettingen? Wat doet u om dit scenario te voorkomen?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is dat Nederland zich inzet voor gezondheidssysteemversterking. Verbeterde dienstverlening op het gebied van SRGR is daar een belangrijk onderdeel van. Zie verder mijn antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Herinnert u zich dat de Nederlandse inzet op vrouwenrechten en gender – die door het vorige kabinet werd gestopt – alleen door een ingreep van de Kamer nog tot en met 2027 wordt gecontinueerd? Wat doet u om dit budget ook na 2027 te herstellen en door te kunnen gaan met het steunen van vrouwen- en LHBTI-rechtenverdedigers wereldwijd?
Ja. Als gevolg van amendement Hirsch c.s. (Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 21) komt – na aanname van de Ontwerpbegroting BHO 2027 in zowel de Eerste als Tweede Kamer – in 2.026 EUR 22 miljoen en in 2.027 EUR 21 miljoen beschikbaar voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Daarnaast heeft het kabinet in de Voorjaarsnota aanvullend EUR 5 miljoen in zowel 2026 en 2027 beschikbaar gemaakt voor de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid. Conform het coalitieakkoord zet dit kabinet zich internationaal actief in voor de bescherming van de rechten van vrouwen en is het voornemens hier vanaf 2027 opnieuw in te investeren. In lijn met deze ambitie zal bij het opstellen van de BHOS begroting 2027 worden bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel van artikel 3.2.
Welke rol ziet u voor uzelf wat betreft het bevorderen van de internationale toegang tot abortuszorg en het internationaal tegengaan van bijvoorbeeld moedersterfte en hiv-infecties?
Nederland is en blijft een betrokken en actieve speler op veilige abortus, het tegengaan van moedersterfte en hiv-infecties. Ik zie hier een belangrijke rol voor mijzelf als Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Als Minister zal ik mij actief blijven inzetten voor de bescherming van gelijke rechten voor iedereen, zowel via partnerschappen met maatschappelijke organisaties en multilaterale instellingen als binnen multilaterale fora zoals de VN Mensenrechtenraad. Tijdens de voorjaarsvergadering van de Wereldbank in april 2026 zal ik aandacht vragen voor de gezondheid van vrouwen en meisjes en de Nederlandse steun hiervoor uitspreken bij een bijeenkomst van het Global Financing Facility dat met dit doel is opgericht.
Naast de diplomatieke inzet via de VN en de EU, investeert Nederland in organisaties zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF), het Safe Abortion Action Fund (SAAF) en Ipas. Nederland is de grootste donor aan UNAIDS en we zijn de zesde donor van UNFPA. Daarnaast is het kabinet dit jaar gestart met een nieuw financieringsinstrument, onderdeel van het bredere FOCUS kader, dat inzet op de preventie en bestrijding van hiv-infecties in Zuidelijk Afrika.
Bent u van plan publiekelijk steun uit te spreken voor de overheden en organisaties die niet het contract ondertekenen dat hen door de Amerikaanse overheid wordt voorgelegd om te stoppen met alle werkzaamheden rond gendergelijkheid en diversiteit?
Nederland kiest voor een zo effectief mogelijke inzet. Het Amerikaanse beleid zal voor elk type organisatie anders uitpakken en het kabinet zal daarom niet ingaan op individuele partners en wat zij doen. Zo kunnen overheden, die geld aannemen van de VS, mogelijkerwijs nog steeds werken op abortus, gender, diversiteit, inclusie en gelijkheid, met andere financieringsbronnen. Het kabinet wil graag in gesprek blijven met deze overheden. De ervaring met de vorige Mexico City Policy leert namelijk dat er een neiging is tot over-implementatie en zelfcensuur. Daarnaast is het van belang om te noemen dat veel partners die essentieel zijn voor de uitvoering van ons SRGR beleid, geen Amerikaanse financiering meer ontvangen. Deze financiering stopte met het opheffen van USAID.
Bent u bekend met de verklaring van 2 maart 2026 van 10 landen, waaronder Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, waarin zij deze nieuwe regels veroordelen en opkomen voor het recht van iedereen op zelfbeschikking? Waarom ontbreekt Nederland onder deze verklaring? Is Nederland gevraagd om mee te tekenen? Zo ja, waarom heeft Nederland niet meegetekend? Steunt Nederland de inhoud van deze verklaring?2
Het kabinet is bekend met de verklaring en Nederland is gevraagd om mee te tekenen. Het kabinet heeft gekozen niet te tekenen omdat dit een bredere afweging vereist. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie en daarmee over de impact van het beleid van de VS. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet om duidelijker in beeld te krijgen hoe dit beleid de gezondheid raakt van vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen. Nederland is hierover in contact met de VS, de landen waar Nederland mee samenwerkt op deze thema’s, gelijkgezinde donoren en partners. De verklaring is op 2 maart gepubliceerd op de website van SheDecides. Zoals reeds beantwoord, staat het kabinet pal voor mensenrechten en blijft het kabinet inzetten op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Lelystad Airport |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Vakantievluchten Lelystad Airport staan op gespannen voet met uitspraak in nieuwe klimaatzaak»1, «Lelystad airport spint garen bij komst F35»2 en «Licht op groen voor Lelystad Airport, maar één cruciale factor blijft keer op keer onbereikbaar: «Overheid al jaren bottleneck»»?3
Ja.
Hoe verhoudt de winstverwachting van slechts € 100.000 (bij 10.000 vluchten) zich tot de enorme publieke investeringen die al in de luchthaven zijn gedaan? Bent u het ermee eens dat de luchthaven zonder militaire steun commercieel failliet is? Zo nee, waarom niet?
In november 2024 bent u geïnformeerd over de businesscase van de luchthaven bij 10.000 bewegingen. Die laat een positief operationeel resultaat zien bij 10.000 bewegingen. Het in gebruik nemen van de luchthaven voor zowel civiel als militair gebruik kan leiden tot een verbetering van dit resultaat. Bij het wijzigen van een luchthavenbesluit hoort het opstellen van een economische onderbouwing. Dit geldt voor elke luchthaven en dus stelt ook Lelystad Airport een economische onderbouwing op ten behoeve van de wijziging van luchthavenbesluit. Die wordt onafhankelijk getoetst. Bij het ter voorhang aanbieden van het gewijzigd luchthavenbesluit zal de onderbouwing en de toetsing met de Kamer worden gedeeld.
Kunt u specificeren welke «vergoeding» Defensie gaat betalen voor het gebruik van Lelystad Airport? In hoeverre is hier sprake van een verkapte staatssteunconstructie om een onrendabele commerciële luchthaven overeind te houden?
Het militair gebruik op Lelystad Airport vloeit voort uit een operationele noodzaak. In dat kader is beoordeeld welke locatie het meest geschikt is om in deze behoefte te voorzien. Lelystad Airport is daarbij als meest geschikte locatie naar voren gekomen. Defensie zal met de luchthaven in overleg treden over de precieze invulling van het medegebruik en de bijbehorende kosten. Militaire en civiele luchtvaart zullen beide medegebruiker zijn van de faciliteiten als de landingsbaan, de luchtverkeersleiding en brandweervoorzieningen. Defensie zal niet alle voorzieningen en diensten dus geheel zelf moeten organiseren. Voorop staat dat Defensie uitsluitend betaalt voor hun gebruik en de faciliteiten die daarvoor nodig zijn, conform geldende wet- en regelgeving.
Hoe rijmt u de geplande groei van 10.000 vakantievluchten met de uitspraak van de rechtbank Den Haag (28 januari 2026), waarin wordt gesteld dat de uitstoot van luchtvaart volledig moet worden meegeteld in de nationale klimaatdoelen?
De uitspraak in de Klimaatzaak Bonaire wordt nog bestudeerd. Hierover wordt de Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Erkent u, nu de rechter heeft geoordeeld dat het huidige klimaatbeleid onvoldoende is om de mensenrechten van inwoners van Bonaire te beschermen, dat elke extra ton CO2-uitstoot door nieuwe luchthavens juridisch onhoudbaar is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om, in lijn met het vonnis, eerst een bindend CO2-plafond voor de volledige Nederlandse luchtvaart vast te stellen, voordat er überhaupt sprake kan zijn van een opening van Lelystad Airport?
In het coalitieakkoord is de afspraak opgenomen dat de totale CO2 uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol en Lelystad Airport in 2030 lager moet zijn dan in 2024 op Schiphol. De komende maanden wordt onderzocht wat de consequenties zijn van deze afspraak en op welke wijze aan deze afspraak invulling kan worden gegeven. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd.
Waarom blijft u, ondanks dat de woordvoerder van LVVN «glashard» stelt dat er geen zicht is op een natuurvergunning, dan toch vasthouden aan een openingsscenario, terwijl de wettelijke basis (de natuurvergunning) volgens experts nog jaren buiten bereik blijft?
Zorgvuldige besluitvorming staat voorop. De vergunningen voor Lelystad Airport zullen, net als alle andere natuurvergunningen, moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Het kabinet zal nader beslissen over aanvullende maatregelen om de natuur te herstellen om zo ruimte te maken voor economische ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de conclusie van hoogleraren dat de uitgekochte stikstofrechten van boeren eerst ten goede moeten komen aan natuurherstel, en dus niet gebruikt mogen worden voor de opening van een nieuw vliegveld?
In afstemming met het Ministerie van LVVN kan worden gemeld dat de uitlatingen van de hoogleraar het belang benadrukken van het verminderen van stikstofdepositie en het herstel van natuur in overbelaste Natura 2000-gebieden. Uit de geldende jurisprudentie volgt dat extern salderen niet op voorhand is uitgesloten. Zoals ook is aangegeven in de beantwoording van Kamervragen over het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn (kenmerk WJZ / 103085144), is de geldende jurisprudentie richtinggevend.
Kunt u garanderen dat er géén gebruik wordt gemaakt van «salamitactieken» (eerst 10.000 vluchten aanvragen, terwijl de infrastructuur is gebouwd voor 45.000) om de milieueffecten op papier kleiner te laten lijken dan ze in werkelijkheid zijn?
Zorgvuldige besluitvorming staat voorop, gericht op 10.000 vliegtuigbewegingen groothandelsverkeer. Elke eventuele toekomstige aanpassing zal opnieuw eenzelfde zorgvuldig besluitvormingsproces moeten doorlopen.
Het bericht ‘Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds’ |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds»1 van Energeia?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Wat zijn de verschillen in doel en opzet tussen het Publiek Energiefonds en het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) ondersteunde huishoudens met een laag tot midden inkomen en een hoge energierekening bij het betalen van hun energierekening. Het betrof een publiek-private samenwerking. De stichting TNE werd deels gefinancierd door een subsidie van het Rijk en deels door energieleveranciers en netbeheerders. Om de subsidie binnen de bestaande juridische kaders te verstrekken, was een private bijdrage van meer dan één derde van de totale som vereist.
Het TNE heeft in 2023, 2024 en 2025 uitgekeerd. Het had een jaarlijks vaststaand budget. Mensen kregen op volgorde van aanmelding een uitkering, totdat het budget was uitgeput. Aangezien het budget niet toereikend was voor het aantal huishoudens binnen de doelgroep, kon helaas niet iedereen geholpen worden. Omdat het een private stichting betreft, stond voor mensen geen bezwaar en beroep open.
Kenmerken van een publiek energiefonds zijn onder andere:
Binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF krijgen huishoudens met een gasaansluiting, een relatief hoog energieverbruik en een beperkt inkomen jaarlijks € 200 voor de verwachte stijging van hun energierekening als gevolg van de invoering van ETS-2. De looptijd van het fonds is minimaal 2 jaar, mogelijk langer afhankelijk van niet-gebruik. Het is de bedoeling dat tegelijkertijd wordt gewerkt aan het verduurzamen van woningen. Ook kunnen huishoudens die daar geen bezwaar tegen hebben ondersteuning krijgen van hun gemeenten bij de verlaging van hun energierekening, bijvoorbeeld energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit artikel dat het aangekondigde Publiek Energiefonds is bedoeld om huishoudens te beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van Europees beleid, en daarmee geen vervanging is voor de inkomenssteun die het Tijdelijk Noodfonds Energie gaf aan huishoudens, en dus niet kan fungeren als directe vervanger van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het klopt dat de Europese middelen uit het Social Climate Fund en de vereiste nationale cofinanciering alleen aangewend kunnen worden voor het beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van de invoering van het nieuwe Europese emissiehandelssysteem ETS-2. De middelen zijn echter ook bedoeld voor compensatie van hoge energiekosten en komen in belangrijke mate terecht bij de doelgroep van het Tijdelijk Noodfonds Energie.
In de brief van het vorige kabinet aan de Kamer (Kamerstuk 2025D38183) is aangegeven dat het publiek energiefonds wordt voorbereid in samenwerking met de werkeenheid Uitvoering van Beleid (UVB) en dat invoering per januari 2027 werd beoogd. Wat is de huidige stand van zaken? wordt de beoogd uitvoerder definitief aangesteld?
Het kabinet bekijkt de mogelijkheden van een meerjarig publiek Energiefonds. Dat gaat helaas niet makkelijk. Met name de uitvoerbaarheid blijft een uitdaging.
Tegelijkertijd begrijpt het kabinet dat huishoudens zich zorgen maken over hoe het conflict hen zal raken en het kabinet neemt die zorgen serieus. Voor komende winter wil het kabinet onder andere kijken of het noodfonds energie weer op poten gezet kan worden, zodat mensen die daar echt behoefte aan hebben daar gebruik van kunnen maken. Ook brengt het kabinet zoals toegezegd door de Staatssecretaris van Financiën, alternatieve opties in kaart voor gerichte ondersteuning, zodat deze wanneer nodig bij de augustusbesluitvorming benut kunnen worden.
Wanneer moet de vormgeving van het fonds definitief zijn om op 1 januari open te gaan? Is daar wetgeving voor nodig? Lopen de voorbereidingen op schema, en kunt u een gedetailleerde planning aan de Kamer doen toekomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Aangezien het publieke energiefonds in 2026 nog niet operationeel zal zijn, welke maatregelen treft u om huishoudens met lage en middeninkomens in de winter van 2026 te beschermen tegen hoge energielasten en mogelijke betalingsproblemen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u zicht op hoeveel huishoudens worden geholpen met de dit jaar beschikbaar gestelde 30 miljoen euro voor gemeenten, en hoeveel hen dit scheelt op hun energierekening?
Er zijn meer dan 151.000 huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld en toestemming hebben gegeven om hun gegevens met de eigen gemeente te delen. Aan gemeenten is € 10 miljoen beschikbaar gesteld om met deze huishoudens contact op te nemen over ondersteuning bij verlaging van de energierekening.
De overige € 20 miljoen dient als impuls voor de bestaande lokale dienstverlening in de aanpak van energiearmoede. Gemeenten kunnen deze middelen bijvoorbeeld inzetten voor energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen. Deze middelen kunnen gebruikt worden voor ondersteuning aan huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld, maar ook voor andere huishoudens in energiearmoede.
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de uitvoering van hun energiearmoede aanpak, waardoor de effecten per gemeente en per huishouden kunnen verschillen.
Uit het TNO-rapport «Kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de effecten van energiehulp op huishoudens»2 blijkt dat vergelijkbare energiehulp een meetbaar effect heeft op het gas- en elektriciteitsverbruik van huishoudens, met name voor mensen in energiearmoede. Gemiddeld leidt dit tot een besparing van € 215 per jaar op de energierekening. Daarnaast heeft energiehulp een breder effect, het vermindert zorgkosten en draagt bij aan een betere leefsituatie voor de huishoudens.
In hoeverre is onderzocht of het bestaande Tijdelijk Noodfonds Energie tijdelijk kan worden ingezet om 2026 te overbruggen? Is deze analyse heroverwogen naar aanleiding van de gerechtelijke uitspraak dat het Noodfonds geen zelfstandig bestuursorgaan betreft? Zo ja, hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de eerder opgevoerde argumenten om het Tijdelijk Noodfonds Energie in te zetten ter overbrugging van 2026?
Het kabinet wil ervoor zorgen dat er komende winter hulp is voor mensen die dat nodig hebben. Er liggen verschillende opties op tafel om mensen te helpen. Het Noodfonds Energie is daar één van. Die worden richting augustusbesluitvorming uitgewerkt.
Hoeveel huishoudens hadden dit jaar recht gehad op een uitkering uit het Tijdelijk Noodfonds Energie? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
Het Tijdelijk Noodfonds Energie bakende haar potentiële doelgroep af op basis van inkomens en energiequote. Op basis van de door het Tijdelijk Noodfonds Energie gestelde voorwaarden bedroeg in 2023 de doelgroep naar (grove) schatting ca. 1,8 mln. huishoudens. 2023 was wel een jaar met zeer hoge energieprijzen en daarmee een potentieel grote doelgroep van huishoudens met een hoge energiequote. Het jaar 2024 was qua energieprijzen een meer «gemiddeld» jaar. Op basis van de gestelde voorwaarden bedroeg de doelgroep toen naar schatting 685.000 huishoudens. Over 2026 heeft het kabinet geen inschatting van de potentiële doelgroep, ook omdat de prijzen nog niet vaststaan. Het ligt gezien de huidige prijzen voor de hand dat deze tussen die van 2023 en 2024 ligt.
Hoeveel huishoudens die recht hadden gehad op inkomenssteun door het Tijdelijk Noodfonds Energie zullen dat niet meer hebben onder de voorwaarden van het Publiek Energiefonds? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
We kijken momenteel nog naar de vormgeving van een publiek energiefonds. De voorwaarden daarvoor staan dus nog niet vast. Om die reden kan de gevraagde inschatting nog niet worden gegeven.
Waarom is ervoor gekozen om het inkomensplafond om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Publiek Energiefonds te verlagen van 200% naar 130% van het sociaal minimum?
Een vernauwing van de omvang van de doelgroep sluit aan bij de bevindingen vanuit het onderzoeksprogramma energiearmoede van TNO3, met als doel om de beschikbare steun te richten op de doelgroep die dit het hardste nodig heeft.
Waarom is ervoor gekozen om de uitkering te maximeren op 200 euro, terwijl TNO berekende dat de «diepte» van energiearmoede veel dieper is (gemiddeld 472 euro per jaar)?
Zoals op vraag 3 geantwoord, mogen de Europese middelen uit het Social Climate Fund alleen gebruikt worden om de verwachte prijsstijgingen door de invoering van ETS-2 te compenseren. Onderzoek van CE-Delft laat zien dat de deze prijsstijging verder oploopt naarmate de jaren verstrijken. Het bedrag van € 200 per jaar sluit aan bij de verwachte gemiddelde prijsstijging waar huishoudens mee te maken krijgen door de meerprijs van ETS-2.
Daarnaast is de inzet van het kabinet om deze kloof te overbruggen ook breder dan alleen inkomensondersteuning; zo wordt er binnen het Ministerie van VRO nadrukkelijk ingezet op de verbetering van de energetische kwaliteit van woningen, en werkt het Ministerie van KGG als systeemverantwoordelijke aan een rechtvaardig energiesysteem.
Waar kunnen huishoudens met een warmtenet terecht die hun energierekening niet kunnen betalen?
Mensen met zorgen over de energierekening kunnen een betalingsregeling met de energieleverancier treffen of aankloppen bij de gemeente of bij Geldfit.
Kan uitstel van ETS2 leiden tot een lager budget in het Sociaal Klimaatfonds voor Nederland, en voor het Publiek Energiefonds in het bijzonder? Zo ja, (hoe) gaat u ervoor zorgen dat dit geen effect heeft op het beschikbare budget in het Publiek Energiefonds?
Het uitstel van ETS-2 zal geen gevolgen hebben voor het totale bedrag waar lidstaten aanspraak op kunnen maken. Wel is het mogelijk dat door het uitstel van ETS-2 de middelen pas later beschikbaar komen, aangezien het Social Climate Fund gevuld wordt uit de opbrengsten van ETS-2.
Kan uitstel van ETS2 naar 2028 ertoe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het Publiek Energiefonds in 2027, bijvoorbeeld omdat het fonds alleen toeziet op compensatie van extra kosten veroorzaakt door ETS2? Zo niet, op basis waarvan wordt in dat geval de vergoeding bepaald in 2027?
Uitstel van ETS-2 naar 2028 kan er niet toe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het publiek Energiefonds in 2027. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat het Sociaal Klimaatfonds ondanks uitstel van ETS2 per 1 januari open zal gaan? Zo niet, wat zijn de gevolgen voor het Publiek Energiefonds als dit niet zo zou zijn?
Zie het antwoord op vraag 4.
Het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine nog steeds veel hoger is dan technisch mogelijk of gebruikelijk voor bijvoorbeeld diesel?
Ja, dat klopt. Het zwavelgehalte van kerosine is hoger dan het zwavelgehalte van brandstoffen zoals diesel en benzine. Het is technisch mogelijk om fossiele brandstoffen te produceren met zeer lage zwavelniveaus, ook voor kerosine. In tegenstelling tot diesel en benzine (maximaal 10 parts per million, ppm) geldt voor het zwavelgehalte van kerosine in Europa geen wettelijke limiet. Wel is er een veiligheidsstandaard voor de samenstelling van kerosine, die geldt als mondiale industriestandaard (maximaal 3.000 ppm). Ook de kerosine die op Schiphol wordt geleverd moet voldoen aan deze Jet A-1-specificatie.
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine in de praktijk hoger is (450–900 ppm) dan waar in de emissieberekeningen van wordt uitgegaan?
Ja, het klopt dat zwavelgehaltes in de praktijk hoger zijn gebleken dan waar in verschillende berekeningen van uit is gegaan. Deze constatering is gepubliceerd in de «Staat van de Luchtvaart 2023» van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).1 De Kamer is met de beleidsreactie van het ministerie op de «Staat van de Luchtvaart 2023» geïnformeerd over aanpassingen die hierop zijn gedaan.2 Dit heeft onder andere geleid tot het aanpassen van de rekenvoorschriften voor zwavelgehaltes in de ontwerpwijziging van de Regeling milieu-informatie (RMI).3
Bij de berekening van emissies ten behoeve van de beoordeling van de bijdrage van luchthaven Schiphol aan de concentraties en depositie van SO2, zoals in de milieueffectrapportage (MER) bij het LVB Schiphol, wordt uitgegaan van de emissiefactoren die zijn opgenomen in de zogeheten IPLO-database.4 In 2025 zijn ook de emissiefactoren in de IPLO-database geactualiseerd op basis van de resultaten van het onderzoek van ILT naar het zwavelgehalte in kerosine.
Bij de berekening van de totale SO2-emissies door luchtvaart in het kader van de Emissieregistratie wordt uitgegaan van een zwavelgehalte van 500 ppm. Dit is een internationaal veelgebruikte waarde voor het zwavelgehalte in kerosine. De gegevens uit de Emissieregistratie vormen de basis voor de jaarlijkse monitoring van de luchtkwaliteit door het RIVM.
Wat is het feitelijke gemiddelde zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine en is dit altijd hetzelfde of zijn er uitschieters?
De in antwoord 2 genoemde reikwijdte van 450–900 ppm is gebaseerd op de jaargemiddelden in de jaren 2014 tot en met 2022 van de geleverde kerosine op Schiphol. Van nature kunnen zwavelgehalten in fossiele brandstoffen sterk fluctueren. Ook het raffinageproces heeft een grote invloed op het uiteindelijke zwavelgehalte, waarbij de industriestandaard voorschrijft dat het zwavelgehalte altijd onder 3.000 ppm moet liggen. Binnen de afzonderlijke kerosinebatches kan het zwavelgehalte tussen verschillende kerosineleveringen variëren van ongeveer 3 tot 3.000 ppm zwavel.
Wie controleert dit en hoe?
De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is, op basis van de regelgeving ReFuelEU Aviation die in 2025 is ingegaan, de instantie die toeziet op de jaarlijkse rapportage van zwavelgehaltes in kerosine. Hiervoor leveren brandstofleveranciers jaarlijks specificaties aan. De NEa neemt ook steekproefsgewijs kerosinemonsters af. Er bestaat momenteel geen afzonderlijk toezicht op het zwavelgehalte op basis van de ReFuelEU Aviation, omdat in ReFuelEU Aviation geen maximale zwavelnorm voor kerosine is opgenomen.
Met hoeveel zwavel wordt gerekend in de luchtkwaliteitsmodellen en bij de berekening van de milieu en gezondheidseffecten? Is dit voor alle modellen en instanties hetzelfde?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoeveel duurder is zwavelarme kerosine en wat zijn de maatschappelijke kosten (milieu en gezondheidskosten) van het ultrafijnstof (UFP) en de SO2-emissies afkomstig van de luchtvaart?
Het ontzwavelen van kerosine voegt een extra stap toe aan het productieproces, waarvoor meer energie en infrastructuur nodig is, waardoor ontzwavelde kerosine duurder is. CE Delft heeft in 2022 onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten en baten van het verlagen van het gehalte van zwavel, aromaten en naftalenen in kerosine.5 In het rapport heeft CE Delft berekend dat de meerprijs voor tot 45,4 ppm ontzwavelde kerosine 0,05 cent per liter bedraagt. Op Schiphol wordt circa 4 miljard liter kerosine per jaar getankt. Dit betekent dat zwavelarmere kerosine (van 45,5 ppm) ongeveer € 2 miljoen per jaar duurder zou zijn.
Er is geen integraal beeld van de milieu- en gezondheidskosten van de uitstoot van SO2 en UFP door de Nederlandse luchtvaart. Er kan op basis van de beschikbare informatie wel een indicatie worden gegeven van de milieukosten van de uitstoot van SO2 en UFP, berekend met behulp van de kengetallen uit het Handboek Milieuprijzen 2023 van CE Delft.6
Voor een schatting van de huidige maatschappelijke kosten van de emissies van SO2 en UFP door de Nederlandse luchtvaart moet eerst worden vastgesteld hoeveel uitstoot er plaatsvindt (onder de 3.000 voet). De Emissieregistratie registreerde voor 2024 een uitstoot van circa 0,27 kiloton SO2 per jaar voor luchtvaart.7 Volgens CE Delft is de milieuprijs voor SO2 € 57,50 per kg, waarmee milieukosten voor SO2 neerkomen op € 15,5 miljoen per jaar voor uitstoot onder de 3.000 voet.
De totale uitstoot van ultrafijnstof wordt niet op dezelfde wijze bijgehouden of berekend als bij SO2. Bij ultrafijnstof wordt gekeken naar concentraties, uitgedrukt in aantallen deeltjes/cm3. Hoewel niet bekend is hoeveel SO2 omgezet wordt naar ultrafijnstof, kan op basis van de door CE Delft bepaalde milieuprijs (waarde van € 438 per kg) geschat worden dat de milieukosten € 1,2 tot 12 miljoen per jaar zijn (uitgaande van een omzetting 1% tot 10%) voor uitstoot onder de 3.000 voet.
Bij het overwegen van maatregelen om het zwavelgehalte in kerosine te verlagen, is ook gekeken naar zowel de technische haalbaarheid als de mogelijkheden om lagere zwavelgehaltes via nationale regelgeving af te dwingen. Momenteel lijkt het technisch niet haalbaar om specifiek voor de Nederlandse markt laagzwavelige kerosine te produceren. Door een complex netwerk van Europese pijpleidingen kan namelijk niet worden gegarandeerd dat in Nederland geproduceerde laagzwavelige kerosine ook daadwerkelijk op de Nederlandse markt terechtkomt.
Daarnaast is het juridisch complex om in een mondiale markt eenzijdig strengere eisen te stellen aan het zwavelgehalte in kerosine. Bovendien kan het eenzijdig stellen van eisen zogenoemd tankering tot gevolg hebben, waarbij luchtvaartmaatschappijen hun vliegtuigen in het buitenland volledig voltanken met goedkopere, niet-ontzwavelde kerosine voordat zij naar Schiphol vliegen.
Daarom is gekozen om in te zetten op aanpassing van internationale regelgeving in plaats van op eenzijdige nationale regulering van kerosine. Daarbij ligt de nadruk op het stimuleren van het gebruik van duurzame brandstoffen (SAF). Deze brandstoffen hebben een bredere positieve impact op emissies dan uitsluitend het verder verlagen van het zwavelgehalte in kerosine.
De ontwikkeling en grootschalige toepassing van duurzame brandstoffen voor de luchtvaart is echter een langdurig en complex proces, waardoor op korte termijn nog geen positief effect wordt verwacht op de uitstoot van SO2 en UFP. Eerder is aan de Kamer gemeld dat nader onderzoek wordt uitgevoerd naar de effecten van emissies van de luchtvaart in Nederland. 8 De Kamer zal op korte termijn worden geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en de vervolgstappen op dit onderwerp.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kröger c.s. (Kamerstuk 31 936, nr. 609) om het zwavelgehalte van kerosine terug te brengen naar het niveau van reguliere diesel (10ppm)? Is alleen met de sectorpartijen gepraat of is er ook gewerkt aan nieuwe nationale normen?
In 2020 is aan de Kamer gemeld dat invulling wordt gegeven aan de motie-Kröger c.s. door in te zetten op duurzame, zwavelvrije brandstoffen en het realiseren van een Europese bijmengverplichting en daarbij niet te kiezen voor het invoeren van een nationale norm voor zwavelarme(re) fossiele kerosine.9 Landen die het Oslo Protocol hebben geratificeerd zijn verplicht het zwavelgehalte in fossiele brandstoffen, waaronder kerosine, terug te dringen. In dat kader geldt een toekomstig zwavelgehalte van 100 ppm in kerosine als richtwaarde.
De verduurzaming van luchtvaartbrandstoffen heeft de afgelopen jaren niet stilgestaan. Zoals recent aan de Kamer gemeld, is met de inwerkingtreding van de Europese bijmengverplichting voor duurzame luchtvaartbrandstoffen (ReFuelEU-verordening) in Europa een belangrijke stap richting verduurzaming van luchtvaartbrandstoffen gezet.10 Deze verordening stelt een sterk stijgend bijmengpercentage van duurzame luchtvaartbrandstof (SAF) vast, vanaf momenteel 2% oplopend tot 70% in 2050. Omdat SAF in de regel zwavelvrij is, draagt dit bij aan lagere emissies van onder meer SO2 en UFP. Bovendien verplicht ReFuelEU brandstofleveranciers om te rapporteren over het gehalte aan aromaten en naftalenen in hun brandstoffen.
Ook voor luchtvaartmaatschappijen geldt een vergelijkbare aanpak. Sinds 1 januari 2025 verplicht het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) luchtvaartmaatschappijen om niet-CO2-effecten te monitoren en te rapporteren, waaronder roetdeeltjes, waterdamp, stikstofoxiden en geoxideerde zwavelsoorten. Deze verplichting is mede tot stand gekomen dankzij inspanningen van Nederland en andere lidstaten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Luchtvaart?
Ja.
Het bericht 'Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp' |
|
Suzanne Kröger (GL), Christine Teunissen (PvdD), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp» van 29 januari jongstleden, waarin wordt beschreven dat het omstreden gasproject in Mozambique weer van start gaat en Nederland betrokken blijft via de exporteurspolis aan Van Oord?1
Ja.
Waarom acht u het verstandig om de exporteurspolis te laten doorlopen en een Nederlands bedrijf met publieke dekking van de Nederlandse belastingbetaler door te laten gaan met werkzaamheden aan dit project?
Zoals uiteengezet in mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025 is er voor de exporteurspolis geen sprake van een nieuw wegingsmoment.2 Volgend uit Nederlands verzekeringsrecht kan de Staat deze polis alleen pauzeren of beëindigen wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Hoe ziet u toe op de naleving van internationale regelgeving en richtlijnen van de werkzaamheden van Van Oord?
Van Oord rapporteert sinds begin 2021 middels reguliere monitoringsrapportages over hun werkzaamheden aan ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB). Er is afgesproken dat zij dit blijven doen. Op deze manier monitort ADSB of de werkzaamheden van Van Oord in lijn zijn met internationale standaarden.
Herinnert u zich het onderzoek van Clingendael dat u met de Kamer heeft gedeeld waarin een beeld wordt geschetst van structurele mensenrechtenschendingen door Mozambikaanse veiligheidsdiensten in de regio, begaan bij de bescherming van dit gasproject?2
Ja.
Waarom blijft u werkzaamheden aan dit gasproject via een exporteurspolis dekken terwijl onderzoek – nota bene in uw opdracht – heeft geconcludeerd dat de bescherming van het project gepaard ging met structurele mensenrechtenschendingen? Hoe rijmt dit met wat u op 1 september 2025 aan de Kamer schreef: «In algemene zin kan ik bevestigen dat Nederland geen exportkredietverzekering verstrekt aan projecten waarbij sprake is van onacceptabele mensenrechtenrisico’s»?3
Besluitvorming over het verstrekken van een ekv vindt plaats voorafgaand aan polis afgifte. Dan wordt getoetst of het project in lijn is met het Nederlandse beleid voor de ekv. Projecten met onacceptabele risico’s zullen niet in verzekering worden genomen. Na afgifte van de polis kan deze alleen worden ingetrokken wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door de verzekerde partij, in dit geval Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Welke, bijvoorbeeld juridische, risico’s ziet u hier voor de Nederlandse overheid die deze werkzaamheden dekt en op die manier nog altijd betrokken is bij dit project?
De Staat loopt een financieel risico dat is gelijk aan het maximale verzekerde schadebedrag onder de exporteurspolis. Verder is de Staat onder Nederlands verzekeringsrecht gehouden aan het nakomen van zijn verplichtingen als verzekeraar onder de exporteurspolis. Indien dit niet gebeurt kan dit juridische consequenties met zich meebrengen.
Kunt u precies uiteenzetten wat het verschil is tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en waarom de financieringspolis wel is stopgezet, maar Nederland de exporteurspolis niet stop wil of kan zetten?
De exporteurspolis dekt het risico dat Van Oord niet betaald krijgt voor uitgevoerde werkzaamheden. De financieringspolis voor Standard Chartered Bank dekt het risico dat de lening die verstrekt wordt aan het project niet wordt terugbetaald. Het gaat om twee verzekeringen met verschillende partijen, die los van elkaar staan. Voor een uitgebreide uiteenzetting van het verschil tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en het daaruit volgende handelingsperspectief voor de Staat verwijs ik naar mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025.5
Hoe is het stopzetten van de financieringspolis gebeurd? Kunt u bevestigen dat de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB, samen met de Britse exportkredietverzekeraar, de deelname aan het project niet opnieuw had bevestigd en dat TotalEnergies daarom heeft besloten zonder Nederlandse en Britse financiering verder te gaan met het project?
TotalEnergies (Total) heeft ADSB op 24 november 2025 via een zogeheten cancellation noticelaten weten af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering van het project. Het besluit van Total heeft de Nederlandse besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis doorkruist. Over het besluitvormingsproces in het Verenigd Koninkrijk kan ik geen uitspraken doen.
Waarom heeft u niet eerder deze financieringspolis uit eigen beweging stop gezet? Waarom heeft u dit niet gedaan na verschijnen van het onderzoek van Clingendael op 7 november 2025? Waarom heeft u dit niet gedaan na één van de sinds 2021 toenemende waarschuwingssignalen die u bereikten over geweld, klimaat- en milieuschade? Was dit een kwestie van niet kunnen of niet willen?
Het kabinet heeft altijd aangegeven vast te houden aan een gedegen besluitvormingsproces waarin alle risico’s zorgvuldig worden gewogen.6 Hiertoe achtte ik het noodzakelijk om over een zo volledig mogelijk beeld te beschikken. Juist vanwege zorgwekkende signalen over de veiligheidssituatie heb ik in december 2024 besloten om aanvullend onafhankelijk advies in te winnen.7 De onderzoekers van Clingendael en Pangea Risk hebben hun adviesrapporten op 7 november 2025 opgeleverd. Met deze adviesrapporten had het kabinet, samen met de adviezen van ADSB en hun onafhankelijke consultants en de input vanuit lokale stakeholders en de Nederlandse ambassade in Maputo, voldoende informatie om tot besluitvorming over te gaan. Tot besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis is het echter niet gekomen vanwege het besluit van Total.
Welke stappen heeft u wél ondernomen na verschijning van het Clingendael-onderzoek op 7 november 2025?
Zoals in voorgaand antwoord toegelicht was er pas na 7 november 2025 voldoende informatie om te starten met de voorbereiding van de besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis. Doordat het besluit van Total de Nederlandse besluitvorming doorkruiste zijn door het kabinet, naast het openbaar maken van de eerder genoemde adviesrapporten, geen besluiten genomen over de ekv-polissen voor onderhavig project.
Aangezien Nederland tot voor kort medefinancier was van het project, welke verantwoordelijk vloeit hieruit voort? Heeft Nederland volgens u een verantwoordelijkheid – zo niet juridisch, danwel moreel en politiek – bij het zorgen voor rechtvaardigheid voor slachtoffers en nabestaanden van het geweld? Bent u voornemens medewerking te verlenen aan de verschillende strafprocedures die lopen, onder andere in de vorm van toegang tot alle relevante documentatie? Neemt Nederland die verantwoordelijkheid ook op andere wijzen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich bij alle projecten waarbij het via een ekv-polis is betrokken in voor naleving van internationale standaarden. Indien er tijdens de uitvoering van het project sprake is van misstanden dan zal Nederland altijd de invloed die het heeft maximaal inzetten om verbetering voor betrokken partijen te realiseren. Nu Nederland niet langer betrokken is bij de financiering van het project kan het via die weg geen invloed meer uitoefenen. Het kabinet heeft wel het adviesrapport van Clingendael gedeeld met de autoriteiten in Mozambique zodat zij deze kunnen gebruiken voor hun eigen onderzoeken. Tevens heeft de Nederlandse ambassade in Maputo bij de relevante Mozambikaanse organisaties (het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie van Mozambique) het belang onderstreept dat Nederland aan deze onderzoeken hecht en dat de voortgang ervan nauwlettend zal worden gevolgd.
Hoe beoordeelt u de huidige contractuele clausules die moeten waarborgen dat opdrachtnemers voldoen aan IMVO-richtlijnen en internationale mensenrechtenstandaarden? Deelt u onze analyse dat de nog steeds uitstaande exporteurspolis voor Van Oord laat zien dat deze verplichtingen mogelijk onvoldoende stevig zijn verankerd in de contracten die Atradius DSB afsluit? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze bepalingen te versterken en herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Elke exporteur ondertekent bij het indienen van een verzekeringsaanvraag een inspanningsverplichting voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. ADSB controleert in hun milieu- en sociale beoordeling of het beleid van exporteurs daarvoor voldoende is. Voor hoog risicoprojecten wordt deze naleving door de exporteur ook tijdens de uitvoering van het project of de levering van het kapitaalgoed gecontroleerd. Indien de verzekerde partij zich niet houdt aan gemaakte afspraken dan kan dit in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering. Deze situatie is voor onderhavige exporteurspolis niet aan de orde omdat ik geen reden heb om aan te nemen dat Van Oord zich niet aan internationale standaarden heeft gehouden. Ik zie dan ook geen aanleiding om de bestaande procedures aan te passen.
Kunt u beschrijven op welke manier u en Atradius DSB afgelopen maanden contact hebben gehad met TotalEnergies?
Sinds ADSB betrokken is bij het project is er regelmatig contact geweest tussen ADSB en Total voor de beoordeling van de financiële, milieu- en sociale, compliance en veiligheidsrisico’s van het project. Dit is conform de reguliere werkwijze van ADSB en ging door middel van gesprekken en site-visits. ADSB heeft na de beslissing van Total om af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering geen contact meer gehad met Total over de financiering van het project.
De Nederlandse ambassade in Maputo heeft op verschillende momenten contact gehad met de leiding van Total in Mozambique, onder andere over mensenrechten. Op laagambtelijk niveau is er contact geweest tussen de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken en Total over het project en om contact tussen de onderzoekers van Pangea Risk en Clingendael tot stand te laten komen. De onderzoekers hebben hun bevindingen aan vertegenwoordigers van Total toegelicht. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën op verzoek van Total op vier momenten in 2025 op hoogambtelijk niveau contact gehad met vertegenwoordigers van het bedrijf. Tijdens deze gesprekken is het ministerie gevraagd naar het Nederlandse besluitvormingsproces en het werk van de eerder genoemde onderzoekers. Tot slot heb ik zelf op initiatief van Total op 1 december 2025 telefonisch gesproken met de President Exploration and Production, waarbij ik heb aangegeven de adviezen van Clingendael en Pangea openbaar te zullen maken. De betreffende rapporten zijn dezelfde dag naar de Tweede Kamer gestuurd.
Op welke manier brengt TotalEnergies verslag uit van het project richting Atradius DSB? Welke informatie over het project wordt met u gedeeld en hoe ziet deze verslaglegging eruit?
Met het beëindigen van de financieringspolis zijn ook de rapportageverplichtingen van Total richting ADSB vervallen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert Van Oord nog wel reguliere monitoringsrapportages aan over hun eigen werkzaamheden binnen het project.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
De gezamenlijke verklaring van 11 landen inzake UNRWA van 28 januari. |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gezamenlijke verklaring van 28 januari j.l. van de Ministers van Buitenlandse Zaken van België, Canada, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Ierland, Japan, Noorwegen, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk waarin zij krachtig de sloop door de Israëlische autoriteiten van het hoofdkwartier van het UNRWA veroordelen?
Ja.
Is Nederland benaderd voor deze gezamenlijke verklaring? Zo ja, waarom is besloten hier niet onder te staan?
Nederland is, samen met een brede groep landen, benaderd om de gezamenlijke verklaring zoals opgesteld door Frankrijk en het VK te medeondertekenen. Gelet op het besluit van het kabinet om de sloop nationaal te veroordelen (zie Kamerbrief 26 150, nr. 242 van 26 januari jl.) was de positie van Nederland duidelijk. Ook heeft de Adviescommissie van UNRWA, waar Nederland lid van is, op 26 januari de sloop veroordeeld en Israël gewezen op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen.1
Overweegt u deze verklaring alsnog te steunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de verklaring is reeds gepubliceerd. Zoals bekend heeft Nederland de sloop al veroordeeld.
Heeft u, afgezien van in uw brief aan de Kamer van 26 januari, publiekelijk de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor stevig veroordeeld? Zo ja, via welke kanalen? Zo nee, waarom niet?
De adviescommissie van UNRWA heeft op 26 januari eveneens een veroordeling gepubliceerd. Nederland heeft deze als lid van de adviescommissie gesteund.
Heeft u na 20 januari hierover gecommuniceerd met de Israëlische autoriteiten? Wat is gecommuniceerd?
In contacten met de Israëlische overheid is de sloop van het UNRWA gebouw direct opgebracht waarbij is benadrukt dat dit VN-terrein betreft, met verwijzing naar de onschendbaarheid van deze gebouwen en terreinen.
Herinnert u zich de aangenomen motie Kröger c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 37) die de regering vraagt om stevig steun uit te spreken voor het werk en het mandaat van UNRWA en stelt dat Nederland pal moet staan voor VN- en hulporganisaties nu deze worden gecriminaliseerd? Vindt u dat u in lijn met deze motie handelt? Zo ja, hoe?
Het kabinet is bekend met de aangenomen motie en heeft bij de appreciatie aangegeven dat Nederland UNRWA steunt en dit zal blijven doen conform het amendement Stoffer/Eerdmans (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). We wegen bij het al dan niet doen van publieke uitspraken altijd zorgvuldig af waar dat wel helpt en waar niet. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook meermaals het belang van volledige implementatie van het Colonna rapport over neutraliteit, waaronder dat van het lesmateriaal, en integriteit binnen UNRWA benoemd. Daarnaast sprak het kabinet eerder zorgen uit over de afhankelijkheid van UNRWA voor het leveren van humanitaire hulp in Gaza, vandaar dat Nederland blijft inzetten op diversificatie van die hulp.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De oproep voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Don Ceder (CU), Pieter Grinwis (CU), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de G4 voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE)?1
Ja.
Wat is uw reactie op de brief, waarin de vier grote steden waarschuwen dat ondersteuning via gemeenten deze winter niet tijdig en niet effectief kan worden ingezet voor huishoudens met acute betalingsproblemen, waardoor inwoners «uiteindelijk de dupe worden»?
We zijn de G4 erkentelijk voor hun betrokkenheid bij dit onderwerp. Wij delen de urgentie om huishoudens die leven in energiearmoede ook aankomende winter te ondersteunen. Daarom is de afgelopen periode nagegaan welke scenario’s mogelijk zijn, en of deze haalbaar zijn. In de Kamerbrief van 7 november jl. worden twee scenario’s inclusief de resultaten en conclusies gedeeld. Deze scenario’s worden hieronder toegelicht.
Er is geconstateerd dat het niet haalbaar is om aankomende winter een publiek-private constructie te realiseren. Een belangrijke randvoorwaarde dat private partijen meer dan één derde van het benodigde bedrag bijdragen, wordt momenteel niet gehaald. Het uitblijven van inleg van derde partijen resulteert in aanzienlijke financiële, juridische en maatschappelijke risico’s waar uw Kamer eerder over is geïnformeerd.
Na bestuurlijk overleg hebben de VNG en SZW gezamenlijk besloten € 30 miljoen via het Gemeentefonds beschikbaar te stellen, om een impuls te geven aan bestaande lokale gemeentelijke dienstverlening. De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen bij het verlagen van hun energierekening. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is door de VNG, Stichting TNE en SZW gewerkt aan een veilige datadeling van gegevens van huishoudens die expliciet toestemming hebben gegeven om hun gegevens te delen met de eigen gemeente om hulp te ontvangen. Hiertoe heeft de Stichting TNE, in opdracht van SZW, een portaal gebouwd. Huishoudens die een aanvraag hebben gedaan bij het Tijdelijk Noodfonds Energie en expliciet toestemming hebben gegeven voor het delen van hun gegevens, kunnen op basis hiervan worden doorverwezen naar het lokale hulpaanbod in de eigen gemeente. Huishoudens worden persoonlijk benaderd voor hulp bij het verlagen van hun energierekening. Dit kan gaan om voorzieningen die zien op de verduurzaming van de woning en om hulp bij het aanvragen van landelijke en lokale voorzieningen, bijvoorbeeld via de Voorzieningenwijzer. Huishoudens kunnen daarnaast hierbuiten ook altijd bij hun gemeente terecht om te bespreken wat de mogelijkheden zijn voor ondersteuning. Indien door de bewoner gewenst kan bredere hulp worden geboden.
Met deze keuze kan vanuit het Rijk een cofinanciering van € 30 miljoen extra worden ingezet voor het publieke energiefonds, deze middelen komen uit het amendement Grinwis. Door het inzetten van in totaal € 90 miljoen aan Rijksmiddelen als cofinanciering, kan met behulp van middelen uit het SCF bijna een viervoudig bedrag voor het energiefonds beschikbaar komen.
Hoe beoordeelt u de constatering van de G4 dat gemeenten de uitvoeringscapaciteit voor inkomenssteun deze winter grotendeels nog moeten opbouwen, terwijl de infrastructuur van het TNE volgens hen volledig klaarstaat om direct ingezet te worden?
Er is door SZW en VNG gezamenlijk gekozen voor de aanpak om inwoners voor de winter van 2025–2026 te ondersteunen via de bestaande gemeentelijke dienstverlening. Daartoe is € 30 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten via het Gemeentefonds. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is gekozen om aan te sluiten bij bestaande lokale dienstverlening. Gemeenten kunnen, afhankelijk van de lokale situatie, het beste inschatten op welke wijze deze ondersteuning het meest effectief kan worden ingezet om bij te dragen aan het verlagen van de energierekening van inwoners.
Zoals ook is vermeld in het antwoord onder vraag twee wordt er niet voldaan aan de randvoorwaarde van voldoende private financiering. Daarmee is de route van een publiek-privaat construct niet verantwoord.
Hoe beziet u de waarschuwingen van de G4 dat gemeenten door beperkte wettelijke mogelijkheden vooral zullen inzetten op verduurzamingsmaatregelen en niet of minder op directe inkomenssteun, terwijl ook die inkomenssteun deze winter voor huishoudens met acute betalingsproblemen dringend nodig is, en het verzoek was in motie Timmermans c.s.2? Hoe waarborgt u dat de beschikbare middelen ook worden benut voor acute financiële ondersteuning van huishoudens met betalingsproblemen, naast de nodige maatregelen op het gebied van verduurzaming die echter pas op langere termijn effect hebben?
De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen binnen het bestaande aanbod van de lokale dienstverlening. Gemeenten kennen beleidsvrijheid wat betreft de invulling van dit bestaande hulpaanbod. Het is niet mogelijk om directe inkomensondersteuning te bieden aan huishoudens vanuit deze middelen. Gemeenten kunnen deze middelen wel aanwenden om huishoudens te bereiken en te wijzen op bestaande voorzieningen zoals toeslagen en/of minimaregelingen. Daarnaast kan bijzondere bijstand worden verleend wanneer de hoge energiekosten het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden, zoals een chronische ziekte of beperking.
Hoe weegt u de juridische en financiële risico’s die u schetst3 bij het inzetten van TNE zonder private inleg, waaronder risico op onrechtmatigheid en staatssteun, ten opzichte van de door TNO en de G4 geschetste gezondheidsproblemen, stress en leerachterstanden die ontstaan wanneer kinderen opgroeien in energiearmoede?
Het is onwenselijk dat kinderen in Nederland opgroeien in energiearmoede en daarbij negatieve gevolgen ondervinden voor hun gezondheid, ontwikkeling en gelijke kansen. Het kabinet zet daarom in op het ondersteunen van huishoudens met hoge energiekosten door deze huishoudens door te werken aan de realisatie van een publiek energiefonds, en met de inzet op het verbeteren van de energetische kwaliteit van de woning, zodat zij structureel grip kunnen krijgen op hun energierekening. Echter, zoals geschetst in de Kamerbrief van 7 november jl. leidt een publiek-private constructie zonder private bijdrage tot forse financiële, juridische en maatschappelijke risico’s.
Met het uitblijven van de benodigde financiering door derde partijen bestaat de mogelijkheid dat de constructie wordt aangemerkt als een buitenwettelijk bestuursorgaan, waardoor uitkeringen onrechtmatig kunnen zijn en sprake kan zijn van een open einde-regeling met grote financiële gevolgen voor het Rijk. Daarnaast is er een reëel risico op staatssteun, wat kan leiden tot onderzoek door de Europese Commissie en mogelijke terugvordering van middelen. In de Kamerbrief van 30 september jl.4 vindt u een nadere toelichting op deze risico’s.
Bent u bereid de optie om de ondersteuning deze winter alsnog via het TNE te organiseren opnieuw te bezien, nu de G4 hier expliciet een oproep toe doet? Waarom wel of niet?
Op basis van de geschetste risico’s in het antwoord op vraag 5 en de conclusie in de Kamerbrief van 7 november jl. is de mogelijkheid om inkomensondersteuning te realiseren in de vorm van een publiek-private constructie niet haalbaar is. Met het uitblijven van een private bijdrage van meer dan één derde van het totale bedrag is deze mogelijkheid niet verantwoord.
Kunt u bovenstaande vragen een voor een beantwoorden voor het tweeminutendebat over Energiebesparing en betaalbare energierekening voor huishoudens?
Ja.
Belastingontwijking via Nederland als gevolg van een in belastingverdragen overeengekomen verlaagde bronheffing |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe de miljardenwinst van Starlink deels via Amsterdam wordt doorgesluisd» (Trouw, 22 november 2025)?
Ja.
Klopt het dat een brievenbusmaatschappij zonder medewerkers in Nederland, die volledig bestuurd wordt vanuit het buitenland, gebruik kan maken van Nederlandse belastingverdragen? Klopt het dat daarmee bilaterale afspraken tussen twee landen omzeild kunnen worden, doordat ook een route via Nederland mogelijk is?
Belastingverdragen hebben als doel om dubbele belasting weg te nemen en belastingontwijking- en ontduiking te voorkomen. Vennootschappen hebben recht op toepassing van een belastingverdrag als ze inwoner zijn van Nederland (of het andere land waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten). Om als inwoner te kwalificeren moet een vennootschap volledig onderworpen zijn aan de Nederlandse belastingheffing. Dat is in principe niet het geval als een vennootschap bestuurd wordt vanuit een ander land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Deze vennootschap heeft dan geen recht op toepassing van Nederlandse belastingverdragen.
Klopt het dat Nederland in belastingverdragen, waaronder dat met Zambia, heeft afgesproken dat de verdragspartners een verlaagde bronheffing mogen heffen over geldstromen naar Nederland? In welke belastingverdragen heeft Nederland dit nog meer afgesproken? Kunt u toelichten waarom Nederland hierop aandringt bij verdragsonderhandelingen?
Met een belastingverdrag wordt beoogd de economische relatie tussen beide landen te bevorderen door dubbele belastingheffing weg te nemen. Een samenloop tussen bronheffingen en woonstaatheffingen kan leiden tot dubbele belasting. Zoals internationaal gebruikelijk spreekt Nederland daarom in belastingverdragen af dat de bronheffing beperkt wordt tot een bepaald maximumpercentage. Dit is ook het geval in het belastingverdrag met Zambia. Achtergrond van deze afspraak is een verdeling van heffingsrechten, waarbij enerzijds het woonland van de ontvanger de inkomsten mag belasten maar anderzijds het bronland (het woonland van de betaler) een beperkt heffingsrecht toekomt. Als het woonland van de betaler niet beperkt zou worden in zijn (bron)heffingsrechten, is er een risico dat er dubbele belasting ontstaat of de reeds bestaande dubbele heffing wordt vergroot. Om oneigenlijk gebruik van deze afspraak te voorkomen, streeft Nederland naar opname van antimisbruikmaatregelen en heeft dit ook met succes in de meeste belastingverdragen opgenomen. In het verdrag met Zambia zijn ook antimisbruikbepalingen opgenomen.
Zoals is neergelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 streeft Nederland naar een uitsluitende woonstaatheffing met betrekking tot deelnemingsdividenden, renten en royalty’s. De achtergrond van deze verdragsinzet voor zover het deelnemingsdividenden betreft is dat Nederland zo dubbele belasting op concernniveau wenst te voorkomen. Daarnaast kunnen (hoge) bronheffingen in het algemeen – zoals bronheffingen op dividenden, renten en royalty’s – een hindernis vormen voor buitenlandse investeringen, ook door mogelijke juridisch dubbele belastingheffing. Met ontwikkelingslanden1 is de Nederlandse inzet anders. Nederland is met ontwikkelingslanden bereid om in een bilateraal belastingverdrag hogere bronheffingspercentages af te spreken dan met andere landen, onder andere omdat het inhouden van bronheffingen voor ontwikkelingslanden een eenvoudige manier is om belastinginkomsten te genereren. Een bilateraal belastingverdrag is altijd het resultaat van onderhandelingen en bevat een evenwichtig compromis tussen beide landen over de verdeling van heffingsrechten.
Voor welke derde landen geldt dat winst die in Zambia wordt gemaakt beter via Nederlands uitgekeerd kan worden dan direct naar deze landen vanwege de verlaagde bronheffing?
Doordat in het verdrag met Zambia antimisbruikbepalingen zijn opgenomen, kunnen bedrijven niet willekeurig winst via Nederland uitkeren in plaats van direct naar een ander land. Voor zover de Nederlandse vennootschap wel recht heeft op verdragsvoordelen, is een vergelijking met andere landen relevant. Zambia kent een nationale bronbelasting van 20% (ten tijde van het sluiten van het verdrag 15%) op uitgekeerde winsten (dividenden). In het belastingverdrag tussen Nederland en Zambia is de volgende beperking afgesproken:
Zambia heeft in zijn verdragen vergelijkbare afspraken gemaakt met onder andere China, India, Duitsland, Finland, Italië, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland. Met Japan heeft Zambia 0% bronheffing afgesproken voor dividenden (oftewel: uitsluitende woonstaatheffing). In Zambia gegenereerde winst kan daarom in beginsel met beperkte(re) of zonder belastingheffing (aan de bron) aan deze landen worden uitgekeerd.
Bent u van mening dat Zambia en eventuele andere landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten nadeel ondervinden van de afspraak om een verlaagde bronheffing toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Landen sluiten bilaterale belastingverdragen om economische relaties tussen landen te bevorderen en om administratieve samenwerking te verbeteren. Door belastingverdragen wordt dubbele belasting voorkomen en wordt belastingontwijking en -ontduiking voorkomen. In een verdrag worden de heffingsrechten verdeeld waardoor het risico op dubbele belasting sterk wordt tegengegaan. Hierdoor wordt een mogelijke drempel voor inwoners uit beide landen om economische activiteiten in het betreffende andere land te ontplooien weggenomen. Het verdrag zorgt ook voor rechtszekerheid voor de belastingplichtigen in beide landen.
Ik ben niet van mening dat landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten nadeel ondervinden van afgesproken beperkingen van heffingsrechten. Opmerking verdient dat Nederland met verdragspartners antimisbruikbepalingen wil afspreken, zodat beide landen instrumenten hebben om geen verdragsvoordelen (zoals een beperking van bronheffingen) toe te kennen in gevallen van oneigenlijk gebruik van deze belastingverdragen.
Klopt het dat de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over een belastingverdrag met Zambia was dat Zambia helemaal geen bronheffing zou mogen heffen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, waarom was dat de Nederlandse inzet?
Op basis van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 streeft Nederland in onderhandelingen over bilaterale belastingverdragen naar een uitsluitende woonstaatheffing voor deelnemingsdividenden, renten en royalty’s. Nederland is met ontwikkelingslanden bereid om in een bilateraal belastingverdrag hogere bronheffingspercentages af te spreken dan met andere landen, onder andere omdat het inhouden van bronheffingen voor ontwikkelingslanden een eenvoudige manier is om belastinginkomsten te genereren. Dit was ook het geval voor de onderhandelingen met Zambia.
De achtergrond voor het streven naar in beginsel een uitsluitende woonstaatheffing voor deelnemingsdividenden ligt van oudsher besloten in de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting om (economisch) dubbele belasting op concernniveau te voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat winst die al belast is met een winstbelasting nogmaals aan belasting wordt onderworpen als deze winst wordt uitgekeerd aan een ander lichaam binnen hetzelfde concern. Ook voor renten en royalty’s streeft Nederland in beginsel naar een uitsluitende woonstaatheffing, zodat deze inkomsten volledig belast kunnen worden in het woonland van de verstrekker van de lening of van degene die beschikt over de immateriële activa. Daarnaast wordt een bronheffing op renten en royalty’s vrijwel altijd geheven over de brutobetaling, terwijl in het woonland – voor het bepalen van de verschuldigde winstbelasting en de verrekening van de bronheffing op het niveau van de ontvanger van de betaling – het netto-inkomen in aanmerking wordt genomen. Hierdoor kan er in het woonland onvoldoende grondslag zijn om de bronheffingen volledig te verrekenen. Hoewel de kosten van de eventuele (resterende) dubbele belastingheffing in voorkomende gevallen worden doorberekend, zet dit de investeerder uit het buitenland op een achterstand ten opzichte van de investeerder uit de bronstaat zelf. Hierdoor kan een bronheffing op renten en royalty’s een belemmering opwerpen voor het internationale economische verkeer en het doen van investeringen.
Klopt het dat Nederland de grootste investeerder in Zambia is na het Verenigd Koninkrijk en China? Zo ja, hoe verklaart u dat?
Nee, het klopt niet dat Nederland de grootste investeerder is in Zambia na het Verenigd Koninkrijk en China.
Vindt u het, alles afwegende, wenselijk dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden afspreekt dat zij een verlaagde bronheffing moeten toepassen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, kunt u toelichten waarom?
Ja ik vind het wenselijk dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden een bepaald maximum voor bronheffingen afspreekt. Belastingverdragen hebben als doel om dubbele belasting weg te nemen en belastingontwijking- en ontduiking te voorkomen. Door een belastingverdrag worden heffingsrechten tussen landen verdeeld, waardoor het risico op dubbele belasting sterk wordt tegengegaan. Hierdoor wordt voor inwoners van beide landen rechtszekerheid geboden over het wegnemen van fiscale drempels om economische activiteiten te ontplooien tussen beide landen. Dit is eveneens het geval voor wat betreft de beperkingen van het heffingsrecht op uitgaande dividenden, interest en royalty’s. Beperkingen van bronheffingen op deze geldstromen hebben als doel economisch en juridisch dubbele belasting zoveel mogelijk te voorkomen. Omdat doorgaans geen (volledige) verrekening van de in het bronland ingehouden belasting kan plaatsvinden op het niveau van degene die het inkomen ontvangt, zorgt hogere bronheffing vaak voor (meer) dubbele belasting.
Bent u bereid in het vervolg tot een andere onderhandelingsinzet te komen en af te zien van afspraken die sterk nadelig uitpakken voor ontwikkelingslanden, zoals het toepassen van een verlaagde bronheffing?
Ik erken het belang dat ontwikkelingslanden onder verdragen voldoende heffingsrechten behouden. Het uitgangspunt is dan ook dat Nederland in relatie tot ontwikkelingslanden bereid is onder andere hogere bronheffingspercentages af te spreken dan in relatie tot andere landen. Deze inzet richting ontwikkelingslanden is verder verruimd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020. Nederland hanteert hiermee geen onderhandelingsinzet die sterk nadelig uitpakt voor ontwikkelingslanden. Daarom ben ik van mening dat het niet nodig is om de onderhandelingsinzet ten aanzien van verlaagde bronheffingen op dividenden, interest en royalty’s in relatie tot ontwikkelingslanden te herzien. Het onderhandelingsresultaat dient in zijn geheel te worden bezien.
Bent u zich ervan bewust dat de in het artikel omschreven ontwijkingsconstructie ook al beschreven is in het rapport Op weg naar acceptabele doorstroom (2021)? Hoe kan het dat deze constructie nog steeds bestaat, hoewel al jaren bekend is dat er sprake is van belastingontwijking op deze wijze?
Het rapport van de Commissie doorstroomvennootschappen (Op weg naar acceptabele doorstroom)2 constateerde op basis van gegevens uit 2019 dat er relatief veel doorstroom door Nederland plaatsvindt, en dat dit onwenselijk is. Het toenmalige kabinet onderschreef deze conclusie, en het huidige kabinet doet dat ook. Er zijn de afgelopen tijd veel goede maatregelen genomen in de aanpak van doorstroomvennootschappen. Een goed voorbeeld is de bronbelasting op renten en royalty’s naar laagbelastende landen die vanaf 2021 in werking is, en die vanaf 2024 ook voor dividenden geldt. Uit de meest recente cijfers van DNB blijkt dat het gewenste effect van de bronbelasting in de cijfers terug te zien is. Daaruit blijkt namelijk dat de financiële stroom naar laagbelastende landen is gedaald van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024. De gevolgen van het internationale en nationale beleid tegen internationale belastingontwijking komen ook tot uitdrukking in de cijfers over directe buitenlandse investeringen (dbi). Tussen 2017 en 2024 is de Nederlandse voorraad aan directe buitenlandse investeringen ten opzichte van het bbp aanzienlijk gedaald. De aanpak van belastingontwijking is daar de vermoedelijke oorzaak van. In de recente monitoringsbrief over belastingontwijking heb ik dit nader toegelicht.3 Hoewel duidelijk dalende, blijft de voorraad van de dbi in Nederland wel relatief hoog ten opzichte van andere landen. Dit hoeft echter niet met belastingontwijking te maken te hebben. Doordat Nederland relatief veel internationale bedrijven heeft aangetrokken, bestaat een deel van de dbi bijvoorbeeld uit investeringen vanuit het buitenland in een reëel hoofdkantoor in Nederland dat vervolgens investeert in buitenlandse dochterondernemingen. Tot slot zullen sommige structuren die oorspronkelijk een belastingbesparing ten doel hadden, blijven bestaan, ondanks dat deze door de aanpak van belastingontwijking niet langer leiden tot een belastingbesparing.
Zoals de Commissie doorstroomvennootschappen al benoemde, geniet een internationale aanpak van doorstroomvennootschappen de voorkeur boven een nationale aanpak. Het kabinet onderschrijft dat er grenzen zijn aan wat unilateraal mogelijk is om belastingontwijking verder aan te pakken. Eenzijdige maatregelen kunnen ertoe leiden dat het probleem van internationale belastingontwijking zich alleen verplaatst. De Europese Commissie werkt aan het opstellen van een initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied4, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratieve samenwerking die in eind van de eerste helft van 2026 wordt gepubliceerd. Na publicatie zal het kabinet een BNC-fiche over dit voorstel naar uw Kamer versturen.
Hoe denkt u dat de antimisbruikbepaling in belastingverdragen belastingontwijking via Nederland tegen kan gaan?
In het belastingverdrag met Zambia is in het dividend-, interest- en royaltyartikel een zogenoemde «main purpose test» opgenomen. Op grond hiervan dient geen vermindering van bronbelasting te worden verleend als het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen van het aangaan van een transactie het verkrijgen van een verdragsvoordeel is. Door middel van deze antimisbruikbepaling wordt oneigenlijk gebruik van het belastingverdrag met Zambia tegengegaan.
Nederland biedt al zijn verdragspartners – ook Zambia – aan om in de belastingverdragen met Nederland een vergelijkbare antimisbruikbepaling op te nemen, de zogenaamde Principal Purposes Test (PPT). Via deze antimisbruikbepaling kunnen landen verdragsvoordelen (zoals een beperking van bronheffingen) weigeren in geval van oneigenlijk gebruik. Deze antimisbruikbepaling is onderdeel van het internationale BEPS-project tegen «Base Erosion and Profit Shifting». De PPT is daarom opgenomen in het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving, oftewel het «BEPS multilateraal instrument» (BEPS MLI) dat Nederland heeft geratificeerd. Via dit verdrag heeft Nederland aan verdragspartners voorgesteld om antimisbruikbepalingen door te laten werken in bestaande belastingverdragen. Dit BEPS MLI is in totaal door 107 landen ondertekend, maar nog niet door Zambia. Ik hoop dat Zambia – conform het voorstel van Nederland – de in het BEPS-project ontwikkelde antimisbruikbepalingen via het BEPS MLI zal laten doorwerken in het belastingverdrag tussen onze beide landen door ondertekening en ratificatie van het BEPS MLI.
Bent u zich ervan bewust dat voor ontwikkelingslanden vaak moeilijk te controleren is of sprake is van belastingontwijking? Klopt het dat Nederland daarom op basis van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen andere landen kan waarschuwen over mogelijke belastingontwijking?
Ja, daar ben ik me van bewust. Onder meer door een gebrek aan contra-informatie is het voor belastingdiensten vaak lastig om te controleren of er sprake is van belastingontwijking. Beperkte capaciteit kan hierbij ook een belemmering vormen. 151 landen, waaronder Nederland, hebben het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken ondertekend.5 Op basis van dit verdrag kunnen landen op automatische wijze, op verzoek en spontaan inlichtingen uitwisselen die van belang zijn voor de belastingheffing. Ook nemen landen in hun bilaterale belastingverdragen doorgaans een artikel op, op basis waarvan de verdragspartners inlichtingen kunnen uitwisselen. Dit artikel is ook opgenomen in het belastingverdrag tussen Nederland en Zambia. Nederland verstrekt onder andere op basis van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken en bilaterale belastingverdragen spontaan informatie aan een ander verdragsland waarvan het vermoeden bestaat dat die informatie relevant is voor de belastingheffing van het andere land. Richting Zambia maakt Nederland ook gebruik van de mogelijkheid tot spontane informatieverstrekking.
In het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen is onder meer bepaald dat zogeheten dienstverleningslichamen6 die niet voldoen aan de vereisten voor aanwezigheid (substance) in Nederland, Nederland uit eigen beweging informatie moet verstrekken.7 Nederland verstrekt die gegevens en inlichtingen vervolgens spontaan aan een ander land.
Gebeurt het verstrekken van inlichtingen aan andere landen over mogelijke belastingontwijking en misbruik van belastingverdragen volgens u op dit moment voldoende? Zo ja, hoe kan het dan dat nog steeds gebruik wordt gemaakt van constructies zoals beschreven in het genoemde artikel?
Ik ben van mening dat het verstrekken van inlichtingen aan andere landen over mogelijke belastingontwijking en misbruik van belastingverdragen op dit moment voldoende gebeurt. Informatie-uitwisseling gebeurt zowel automatisch, spontaan als op verzoek met andere landen. Het is aan het verdragsland dat het verdrag toepast om de voordelen van het verdrag te ontzeggen wanneer een antimisbruikbepaling in het verdrag van toepassing is. Een belastingdienst in het buitenland die twijfel heeft over de toepasselijkheid van het verdrag, kan in die gevallen dus ook vragen stellen aan Nederland. Indien de antimisbruikbepaling van toepassing is, kan een belastingplichtige geen gebruik maken van het desbetreffende voordeel in het belastingverdrag. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om spontaan informatie te verstrekken over Nederlandse brievenbusmaatschappijen waar dividenden doorheen doorstromen aan landen waarmee Nederland een belastingbedrag heeft gesloten, zoals Zambia?
In het belastingverdrag met Zambia bestaat de mogelijkheid om informatie, onder andere, op spontane basis uit te wisselen en Nederland maakt daar ook gebruik van. Zie hierover ook het antwoord op vraag 12. De Europese Commissie werkt op dit moment aan een hernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied8, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening van de Richtlijn administratieve samenwerking. Dit voorstel wordt eind van de eerste helft van 2026 gepubliceerd. Door internationaal afspraken te maken over de afbakening wordt het oneigenlijk gebruik van doorstroomvennootschappen op een integrale en uniforme wijze aangepakt. Bovendien voorkomt dit eventuele EU-rechtelijke risico’s van een unilaterale afbakening. Na publicatie zal het kabinet een BNC-fiche over dit voorstel naar de Kamer versturen. Zodra er een akkoord is over deze EU-richtlijn kan het volgend kabinet op basis daarvan overwegen of een unilaterale aanpassing in de informatie-uitwisseling met derde landen eveneens geboden is.
Het bericht 'Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea' |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja. Zie onderstaande beantwoording op vragen over dit artikel.
Kunt u specifiek reageren op de bevindingen van Pointer waaruit blijkt dat de Indonesische marine wel degelijk een rol speelt bij mensenrechtenschendingen, zoals illegale uithuiszettingen en martelingen?
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag individueel aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole2 waarbij per ingediende aanvraag wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. De toetsing wordt gedaan op grond van de actuele situatie waarbij alle relevante ontwikkelingen, waaronder de mensenrechtensituatie in het land van eindbestemming, worden meegenomen.
Daaruit volgt dat om te komen tot een negatieve toetsing van het EUGS (waaronder het criterium dat ziet op het bestaan van een duidelijk risico dat de goederen gebruikt worden voor het begaan van ernstige schendingen van mensenrechten en/of het humanitair oorlogsrecht) er een duidelijk (potentieel) verband moet bestaan tussen de uit te voeren goederen en de geconstateerde zorgen. Algemene zorgen over bepaalde ontwikkelingen in een land van eindbestemming leiden niet direct tot een afwijzing van een vergunningaanvraag. Dat geldt eveneens voor de betrokkenheid van een dienstonderdeel van een krijgsmacht bij dergelijke punten van zorg. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen met als eindgebruiker de Indonesische marine niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in het artikel van Pointer genoemde vergunningaanvragen.
Is dit nieuwe informatie voor u of was u al op de hoogte van de in het artikel genoemde aanwijzingen voor betrokkenheid van de marine bij mensenrechtenschendingen?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen werken diverse directies binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauw samen, in afstemming met de betrokken ambassade(s) en waar relevant ook met andere departementen. Ook openbare bronnen en informatie die voortvloeit uit het lokale netwerk van de ambassade(s) worden in de toetsing meegenomen.
Het ministerie is op de hoogte van de genoemde punten van zorg in de door Pointer aangehaalde bronnen. Om te komen tot een negatieve toetsing moet echter sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. In dat licht en gelet op de specifieke aard van de goederen en het eindgebruik is in de toetsingen voor eerdere afgegeven vergunningen een dergelijk risico niet vastgesteld.
Kunt u toelichten hoe u in het verleden bent gekomen tot de conclusie, zoals verwoord in brieven aan de Tweede Kamer, dat de Indonesische marine, «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen? Welke bronnen zijn geraadpleegd en leidden tot deze conclusie? Is de publiekelijk beschikbare informatie geraadpleegd door Pointer hierbij meegewogen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich ervan bewust dat het zeer moeilijk is om informatie over de situatie in West-Papoea te krijgen, omdat internationale journalisten West-Papoea niet binnen komen, lokale journalisten worden geïntimideerd, en ook de VN-mensenrechtencommissaris niet welkom is? Is het u bekend dat West-Papoea om deze reden door experts een «black box» wordt genoemd, vergelijkbaar met Tsjetsjenië, Xinjiang en Tibet?
Het is bekend dat het voor internationale journalisten lastig kan zijn om een vergunning te krijgen om naar de Papoea provincies van Indonesië te reizen. Er zijn echter verschillende organisaties die rapporteren over de mensenrechtensituatie in Indonesië, bijvoorbeeld de organisaties die worden aangehaald in het betreffende artikel van Pointer. Daarnaast heeft de ambassade een uitgebreid netwerk in de verschillende regio’s van Indonesië, inclusief de Papoea provincies, waarmee Nederland de mensenrechtensituatie in Papoea nauwlettend kan en blijft volgen.
Als er zo weinig informatie over de situatie in West-Papoea beschikbaar is, vindt u het dan van gepaste zorgvuldigheid getuigen om export toe te staan omdat de Indonesische marine «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen?
Wapenexportcontrole bestaat uit een zorgvuldige risicoanalyse van alle beschikbare informatie die op het moment van toetsing beschikbaar is. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in deze vraag genoemde vergunningaanvragen met betrekking tot de uitvoer van schepen en scheepsonderdelen. Ter illustratie: in het geval van de uitvoer van scheepsonderdelen is na zorgvuldige analyse geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type goed gezien de aard en specificaties zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover wordt bericht.
Bent u het eens dat Europese regelgeving vraagt om uitvoer niet toe te staan bij alleen al het risico op mensenrechtenschendingen? Hoe is uw ministerie in tegenstelling tot mensenrechtenexperts tot de conclusie gekomen dat dit risico niet bestaat?
Nee. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt vraagt van lidstaten onder meer te onderzoeken of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie kunnen worden gebruikt voor het toepassen of faciliteren van binnenlandse onderdrukking, ernstige daden van op gender gebaseerd geweld of ernstige daden van geweld tegen vrouwen en kinderen of andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Het kabinet erkent in algemene zin dat naleving van de, ook in de Indonesische Grondwet vastgelegde, mensenrechten op verschillende terreinen een punt van zorg is, bijvoorbeeld in de Papoea provincies van Indonesië. Ten aanzien van de voor uitvoer naar Indonesië afgegeven vergunningen geldt echter dat vanwege de aard van de uit te voeren goederen er bij de toetsingen op grond van toepasselijke juridische kaders geen duidelijk risico op ongewenst eindgebruik is vastgesteld dat deze goederen gebruikt zullen worden voor het begaan van de schendingen waarover wordt gerapporteerd.
Wapenexportbeleid is geen sanctiebeleid, waarmee eventuele afkeuring van het beleid van een ander land kenbaar wordt gemaakt. Om een dergelijk gesprek vorm te geven gebruikt het kabinet andere kanalen.
Is het onderzoek van Pointer aanleiding voor u om de uitvoer van materiaal naar de Indonesische marine te heroverwegen? Zo ja, hoe gaat u de kamer over het herbeoordelingsproces informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Met inachtneming van de algemene punten van zorg ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië is het kabinet, gelet op de aard van de onder lopende vergunningen uit te voeren goederen, niet voornemens om lopende vergunningen voor uitvoer naar Indonesië opnieuw te beoordelen.
Wordt het onderzoek van Pointer bij toekomstige beoordeling van uitvoer naar Indonesië meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen maakt het kabinet gebruik van diverse informatiebronnen. Op het moment dat nieuwe informatie zich aandient, wordt ook deze informatie meegewogen; dat geldt ook voor het onderzoek van Pointer.
Bent u van plan uw Indonesische ambtsgenoot te spreken over de bevindingen uit het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken, zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt het kabinet nadrukkelijk naar wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen, dat geldt ook voor de bevindingen uit het onderzoek.
Deelt u de zorgen van de inzet van drones voor mensenrechtenschendingen in West-Papoea, bijvoorbeeld doordat burgers ermee worden aangevallen?2
In algemene zin deelt het kabinet de zorgen over de inzet van drones door de Indonesische strijdkrachten daar waar deze inzet door onafhankelijke berichtgeving in verband wordt gebracht met mensenrechtenschendingen. In het geval van de eerder verleende exportvergunning voor de uitvoer van drones is na zorgvuldige analyse echter geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type drone, gezien de aard en specificaties, zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover is bericht. Op grond van de wapenexporttoets heeft het ministerie geen gronden voor afwijzing gevonden. Ook hier geldt dat het feit dat drone-inzet heeft plaatsgevonden niet een op een wordt vertaald naar een exportverbod op alle typen drones. Die weging wordt per geval gedaan.
Kunt u uitsluiten dat door Nederland geleverde drones in Indonesië worden ingezet bij mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het ermee eens dat ook dual use exportvergunningen voor drones heroverwogen dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
De uitvoer van dual-use goederen voor militair eindgebruik wordt langs dezelfde lijnen beoordeeld als de uitvoer van militaire goederen. Daarmee geldt dat het kabinet van mening is dat het staande exportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn binnen een termijn van drie weken beantwoord. Daar waar dit passend werd geacht zijn enkele vragen gebundeld.