Het gebrek aan passende leermiddelen in het speciaal onderwijs |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat leerlingen in het speciaal onderwijs les krijgen uit schoolboeken die niet geschikt voor hen zijn, omdat commerciële uitgevers van schoolboeken het financieel niet interessant genoeg vinden passende schoolboeken uit te geven?1
Ja.
Deelt u de mening dat commercialisering er nooit toe mag leiden dat leerlingen afhankelijk zijn van lesmateriaal dat niet geschikt voor hen is en zelfs averechtse gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en zelfbeeld? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat iedere leerling toegang heeft tot kwalitatief goed en toegankelijk lesmateriaal dat aansluit bij zijn of haar ontwikkelbehoefte.
Ziet u dit als een voorbeeld van het falen van marktwerking in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het gespecialiseerd onderwijs kent een heel diverse populatie aan leerlingen, met specifieke behoeften. Daardoor zijn leermiddelen vaak alleen geschikt voor een kleine groep en is soms tot op leerlingniveau maatwerk nodig. Ik zie dat marktpartijen niet altijd in staat zijn om oplossingen te bieden die aansluiten bij wat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs nodig hebben. Daarom zet ik voor deze groepen extra stappen om het bieden van maatwerk te ondersteunen.
Ik ondersteun bijvoorbeeld Dedicon, die schoolboeken voor blinde en slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voor leerlingen met dyslexie.
Via het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal (IOL) realiseer ik met vele partners een brede kwaliteitsimpuls in het hele funderend onderwijs voor het effectief gebruiken van open leermiddelen. Het voordeel van open leermateriaal is dat leraren dit zelf kunnen aanpassen aan de behoeften van hun leerlingen, om zo meer maatwerk mogelijk te maken, maar het niet helemaal zelf te hoeven doen.
Het project GOpen wordt binnen het programma Impuls Open Leermateriaal ondersteund met als doel om open leermiddelen voor het gespecialiseerd onderwijs te verbeteren en toegankelijk te maken. Leraren kunnen dit materiaal hierdoor eenvoudig vinden, hergebruiken en aanpassen aan de specifieke onderwijsbehoeften van hun leerlingen. Het combineren en arrangeren met open en methodisch materiaal kan leiden tot kwalitatief goed en passend materiaal, juist ook voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Hierover vinden verkennende gesprekken plaats, onder andere tussen IOL, de sectorraad GO en Neon. Ik volg deze ontwikkeling om te zien of dit nu voldoende impact heeft.
Daarnaast vind ik het belangrijk om structurele verbeteringen in de toegankelijkheid van leermiddelen voor alle leerlingen met diverse ondersteuningsbehoeften te realiseren. Daarom onderzoekt OCW via een nulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen wat er nog meer nodig is om leermiddelen voor alle leerlingen toegankelijk te maken. Zoals verzocht in de motie Ceder (ChristenUnie)2, wordt daarbij ook gekeken naar het oplossen van één van de bestaande knelpunten: het ontbreken van standaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen.
Wat vindt u ervan dat docenten nu in hun vrije tijd zelf geschikt lesmateriaal maken om alsnog te zorgen dat deze leerlingen op een passende manier les kunnen krijgen?
Ik waardeer alle inzet van leraren in het gespecialiseerd onderwijs die er veel tijd en energie in steken om hun leerlingen het beste en meest passende te bieden. Tegelijkertijd vind ik het niet wenselijk als het passend maken van lesmateriaal structureel in de vrije tijd van leraren plaatsvindt. Daarom is GOpen een belangrijk initiatief. Dit geeft scholen en leraren de mogelijkheid om gezamenlijk lesmateriaal te ontwikkelen op een professionele manier. Krachten worden gebundeld en leraren houden regie over hun eigen leermateriaal, wat tijd kan besparen en de kwaliteit kan verhogen.
Bent u in gesprek gegaan met het onderwijsveld om na te gaan hoeveel docenten dergelijke taken bovenop hun functie uitvoeren? Zo nee, waar wordt de uitspraak dat dit geen structureel probleem is op gebaseerd en bent u bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?
Ik ben in gesprek met de sectorraad GO. Uit onderzoek van de sectorraad GO blijkt dat leraren veelal materiaal aanpassen of ontwikkelen voor hun eigen leerlingen. Leraren geven aan structureel bezig zijn met lesmateriaal geschikt maken voor hun lessen. Exacte aantallen ontbreken. Ook is onbekend of leraren dat als een structureel probleem ervaren3. Uit de meest recente Monitor Digitalisering Onderwijs (MDO) blijkt dat het aandeel leraren dat zelf materiaal ontwikkelt gelijk is aan leraren in het po. Ook blijkt uit de MDO dat de tevredenheid over de leermiddelenmarkt in het gespecialiseerd onderwijs hoger is dan in het vo.4
Deelt u de mening dat structurele problemen om een structurele oplossing vragen?
Ik vind het belangrijk om problemen te helpen oplossen.
Deelt u de mening dat een tijdelijke subsidie van nog onbekende hoogte onvoldoende en te onzeker is om het initiatief van scholen voor een eigen landelijk platform met passend lesmateriaal goed te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Het programma Impuls Open Leermateriaal en het project GOpen zijn ingericht om een kwaliteitsimpuls te geven aan open leermateriaal via bestaande initiatieven en organisaties. Er is voldoende budget beschikbaar om de beoogde kwaliteitsimpuls te realiseren, aanvullend op bestaande middelen van initiatieven en organisaties. Het is in eerste instantie aan deze partijen zelf om te voorzien in borging van de kwaliteitsimpuls na afloop van het programma. Recent heeft de Minister van EZK aangekondigd € 38 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het programma Impuls Open Leermateriaal t/m 2030. Dat biedt meerjarig financiële zekerheid. Het programma werkt momenteel aan een verdere concretisering van de plannen. Dat betekent dat ook GOpen kan rekenen op voortgezette ondersteuning binnen deze programmaperiode, mits passend binnen de programmadoelen.
Heeft u contact gehad met de sectorraad GO om te kijken wat zij nodig hebben om een dergelijk platform structureel te kunnen laten voortbestaan? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
Het programma Impuls Open Leermateriaal en de sectorraad GO zijn in constructief overleg over de plannen voor GOpen tot en met 2030. Omdat het programma als een tijdelijke kwaliteitsimpuls is ingericht, is daarbij ook aandacht voor de borging van de opbrengsten na afloop van deze periode.
Wat is de hoogte van het subsidiebedrag dat de sectorraad GO kan verwachten of, indien dit nog niet bekend is, wanneer kan de sectorraad GO hier meer informatie over verwachten?
De plannen en bijbehorende budgetten worden uitgewerkt in het gesprek tussen Impuls Open Leermateriaal en GOpen. In de loop van 2026 zal daar meer over bekend worden.
Deelt u de mening dat een subsidie voor een kwaliteitsimpuls voor een structureel en wezenlijk onderdeel van het speciaal onderwijs de werkdruk voor de desbetreffende docenten die de leermiddelen ontwikkelen niet vermindert en te weinig is om een structurele tekortkoming op te lossen?
Nee, zoals hierboven toegelicht deel ik deze mening niet.
Wordt in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat doen naar marktwerking rondom leermiddelen ook specifiek gekeken naar het aanbod van leermiddelen voor het speciaal onderwijs? Zo nee, kan dit nog meegenomen worden?
Ja, in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat uitvoeren, wordt ook het gespecialiseerd onderwijs meegenomen. De onderzoekers van Dialogic, Oberon en eConomics zijn gevraagd om de marktwerking van het gehele funderend onderwijs, inclusief gespecialiseerd onderwijs, in beeld te brengen.
Wat gaat u naast de subsidie voor een kwaliteitsimpuls doen om te garanderen dat elke leerling op het speciaal onderwijs in de toekomst les kan krijgen op basis van voor hen geschikte leermiddelen?
Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuze van hun leermiddelen. Het is daarmee in eerste instantie aan leraren en scholen om te voorzien in passende leermiddelen. Schoolbesturen ontvangen hiervoor een bekostiging waarmee zij het onderwijs kunnen organiseren. Hier valt ook de aanschaf van leermiddelen onder. In het antwoord op vraag 3 is toegelicht op welke wijze ik het onderwijs ondersteun om leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van passende leermiddelen te voorzien.
Het bericht 'Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk staat door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap?1
Ik acht het zorgelijk als het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk zou staan door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap. Ik deel de analyse dat een afnemend draagvlak tot risico’s zou leiden voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving. Daarom acht ik het een goede zaak dat bij verduurzaming op verschillende manieren rekening wordt gehouden met de betaalbaarheid en de zeggenschap van huurders.
In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties serieuze stappen zetten in het isoleren van huurwoningen. Ze zijn daarmee goed op weg. Met deze doelstellingen verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te verlagen met 330 m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van € 350 tot € 550 per jaar. Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen is namelijk blijvend lager. Daarbij geldt dat corporaties woningen isoleren zonder daarvoor een huurverhoging te vragen. Ook zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten toegekend voor de energielabels E, F en G. Dit heeft geleid tot lagere maximale huurprijzen voor woningen met die energielabels.
De huurder heeft voorts met verschillende instrumenten de nodige zeggenschap waardoor bij de verduurzaming goed aandacht kan zijn voor de betaalbaarheid.
Zo is met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Omgevingswet goede participatie van bewoners, waaronder huurders, geborgd bij de wijkgerichte aanpak van een gemeente. Zo moeten gemeenten in de toelichting bij een warmteprogramma en omgevingsplan motiveren hoe onder andere burgers worden betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Ook zal een verhuurder op grond van de huurregelgeving niet zonder meer een woning kunnen verduurzamen zonder overleg met de huurder en zonder diens instemming.
Deelt u de analyse dat dit risico’s oplevert voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat het risico bestaat dat de energietransitie in de gebouwde omgeving stagneert als 3,6 miljoen hurende huishoudens het financiële voordeel van verduurzaming niet meer ervaren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse niet dat er sprake is van een groot risico. Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2 waarin ik aangeef, dat op verschillende manieren rekening wordt gehouden met het financiële voordeel dat huurders ervaren bij verduurzaming.
Klopt het dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie, terwijl zij door de afbouw van de salderingsregeling en oplopende terugleverkosten deze investering niet langer kunnen terugverdienen?
Het klopt dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie. Voor het effect van de afbouw van de salderingsregeling wijs ik u op het rapport dat is toegezonden bij brief van 30 mei 20252. Daarin is onder meer aangegeven dat de huurder met zonnepanelen door de afschaffing van de salderingsregeling per saldo € 4 tot € 8 meer betaalt dan de huurder zonder zonnepanelen. De huurder betaalt namelijk voor de zonnepanelen via de servicekosten. Dit weegt niet op tegen het voordeel van de terugleververgoeding en de opwek voor eigen verbruik. Het is van belang te vermelden dat de resultaten gemiddelden zijn: de effecten kunnen per huishouden behoorlijk verschillen. Afhankelijk van onder andere gezinsgrootte, verbruik en hoeveelheid panelen, kan het voorkomen dat huurders voordeel behouden met hun zonnepanelen. Het verhogen van het eigen gebruik beperkt de negatieve financiële effecten bij huurders, maar zal het niet volledig wegnemen.
Deelt u de opvatting dat dit in feite kan neerkomen op een verkapte huurverhoging? Acht u dit wenselijk in een periode waarin veel huurders al kampen met hoge woonlasten?
Ik erken dat huurders de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling zullen gaan voelen. Tegelijkertijd zijn er diverse maatregelen genomen die leiden tot afnemende woonlasten bij huurders. Ik wijs daarbij op Nationale prestatieafspraken waardoor corporaties huurwoningen isoleren met een besparing van € 350 tot € 550 per jaar zonder daarvoor een huurverhoging te vragen, en de aftrekpunten voor de energielabels E, F en G. Dit heb ik toegelicht in mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Daarnaast geldt dat de netto huurquote, de verhouding tussen de netto huur en het netto besteedbaar inkomen, tussen 2021 en 2024 afnam: van 25,4% naar 24,7%3. Voor de jaren daarna wijs ik onder meer op de Wet betaalbare huur en het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag. De Wet betaalbare huur heeft geleid tot uitbreiding van huurprijsbescherming naar de woningen in het middensegment en tot aftrekpunten en daardoor lagere maximale huurprijzen voor huurwoningen met een energielabel E, F of G. Het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag heeft geleid tot een verhoging van € 215 miljoen extra huurtoeslag in 2025 en structureel € 650 miljoen per jaar vanaf 2026.
Bent u bereid te onderzoeken of en hoe de rijksoverheid de resterende investeringskosten van zonnepanelen bij woningcorporaties kan overnemen, zodat huurders niet geconfronteerd worden met hogere woonlasten en corporaties hun investeringsruimte behouden voor nieuwbouw en renovatie? Zo nee, waarom niet?
Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoek gevoegd. In de brief was ook aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20264 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief van 9 januari 2026 meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik wijs voorts op mijn antwoord op vraag 5 waarin ik wijs op de verschillende maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid voor huurders.
Ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek zoals wordt gevraagd.
Klopt het dat huurders die worden aangesloten op een warmtenet op grond van de huidige wetgeving vaak de maximale vaste kosten betalen, terwijl hun huurprijs niet wordt aangepast omdat het woningwaarderingsstelsel uitgaat van een gasaansluiting? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat de huidige tariefregulering bij warmte op basis van gasreferentie de kosten van een cv-ketel zijn meegenomen. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Warmtebedrijven hanteren vaak het maximale gereguleerde tarief. Het klopt ook, dat het met woningwaarderingsstelsel mogelijk is dat een cv-ketel of een warmtenet ertoe leidt dat huurders een hogere huurprijs betalen. Er kunnen namelijk met het woningwaarderingsstelsel punten worden toegekend voor vertrekken die verwarmd zijn door middel van een onroerende voorziening zoals een cv-ketel of een warmtenet, en voor een goed energielabel bij een energiezuinige cv-ketel. Het woningwaarderingsstelsel maakt hierbij geen onderscheid tussen een cv-ketel of een warmtenet.
Mijn oordeel is dat de betaalbaarheid van warmte voor huurders een belangrijk aandachtspunt is. Er is ook al actie op ondernomen: sinds 2025 worden de stijgingen van energiebelasting op aardgas niet meegenomen in de warmtetarieven en de berekening van de vaste tarieven is aangepast, waardoor de tarieven lager zijn geworden en beter aansluiten op de praktijk. Daardoor is ook voor huurders de betaalbaarheid ten opzichte van aardgas verbeterd. Dit blijft zo in fase 1 tariefregulering onder de wet collectieve warmtevoorziening.
Ook bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving blijft de betaalbaarheid voor huurders een belangrijk aandachtspunt. Zo is met het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) het amendement Erkens c.s.5 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Gemeenten moeten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven
de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten, juist ook bij de groep kwetsbare afnemers. Anders kunnen gemeenten de aanwijsbevoegdheid niet inzetten. De wijkaanpak is bij uitstek een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen, mee te laten doen aan de verduurzaming.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aansluiting op een warmtenet huurders gemiddeld circa € 370 per jaar extra kan kosten?
Het kabinet herkent de observatie dat huurders soms duurder uit zijn na overstap op een warmtenet. Woonlastenneutraliteit is een belangrijke ambitie, maar kan niet in elke individuele situatie gerealiseerd worden. De betaalbaarheid van warmte voor huurders ten opzichte van aardgas is een belangrijk aandachtspunt.
In veel gevallen beschermt huurregelgeving huurders tegen kostenstijging na overstap op een warmtenet. Zo vergt overstap dat de huurder daarmee instemt; bij een complex gaat het om instemming van minimaal 70% van de huurders. Om deze instemming te verkrijgen, zal de verhuurder in de praktijk oog moeten hebben voor woonlastenneutraliteit. Om woonlastenneutraliteit te bereiken, maken verhuurders vaak afspraken met warmtebedrijven waarbij zij een deel van het vastrecht afkopen, waardoor de rekening voor de huurders constant blijft. Deze werkwijze is ook afgesproken in het Startmotorkader, waarin woningcorporaties en warmtebedrijven afspraken maken over verduurzaming van huurwoningen.
Deelt u de mening dat deze stapeling van kosten leidt tot afnemend draagvlak voor verduurzaming onder huurders?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8.
Bent u bereid het woningwaarderingsstelsel zodanig aan te passen dat huurders niet financieel worden benadeeld bij aansluiting op een warmtenet? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 7 is mijn mening, dat de betaalbaarheid voor huurders van belang is bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving. Het kabinet wil binnen vier jaar bij warmtenetten overstappen naar kostengebaseerde tarieven. Vanaf fase 2 van de wet collectieve warmtevoorziening worden warmtetarieven namelijk gebaseerd op kosten van warmtebedrijven. In deze wet is opgenomen dat de overgang naar fase 2 van de tariefregulering pas plaatsvindt wanneer de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte ten opzichte van het gangbare alternatief voldoende is geborgd. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Bij de voorbereiding van die overstap zal ook worden bezien of een aanpassing van het woningwaarderingsstelsel noodzakelijk is.
Hoe beoordeelt u het feit dat het merendeel van de verduurzamingssubsidies de afgelopen jaren terecht is gekomen bij eigenaar-bewoners, terwijl huurders minder directe financiële voordelen hebben ontvangen?
Ook huurders hebben de afgelopen jaren bij verduurzaming financiële voordelen genoten, ook bij subsidieverstrekking voor verduurzaming aan uitsluitend de verhuurder. In de eerste plaats geldt, dat met de Nationale prestatieafspraken is overeengekomen dat corporaties geen huurverhoging verbinden aan het isoleren van de woning. In de Nationale prestatieafspraken is aangegeven, dat woningen die een significante sprong maken in isolatie een besparing opleveren van € 350 tot € 550 per jaar. Voor een private verhuurder die met instemming van de huurder verduurzaamt en wel een huurverhoging vraagt, geldt dat de verhuurder daarvoor de ontvangen subsidies buiten beschouwing dient te laten. Een huurder heeft daardoor indirect voordeel van een subsidie die de verhuurder heeft ontvangen. In de tweede plaats zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G. Deze huurwoningen kregen daardoor een lagere maximale huur hetgeen leidde tot voordeel voor de huurder. Tenslotte geldt, dat een hogere huur na verduurzaming leidt tot meer recht op huurtoeslag. Ook dit is een financieel voordeel voor de huurder.
Bent u bereid te bezien hoe publieke middelen eerlijker kunnen worden verdeeld, zodat huurders evenredig profiteren van subsidies en fiscale regelingen voor verduurzaming?
De verdeling van publieke middelen is aan de orde bij de vaststelling van de Rijksbegroting. Op dat moment kan worden bezien hoe deze publieke middelen eerlijk kunnen worden verdeeld gezien de verschillende beleidsdoelen van de regering.
Hoe waarborgt u dat bij grootschalige renovaties waarvoor instemming van 70% van de huurders vereist is, daadwerkelijk sprake is van vrijwillige en geïnformeerde instemming, en niet van druk of financiële dwang?
Vrijwillige en geïnformeerde instemming, zonder druk of financiële dwang bij grootschalige renovaties van huurders is geborgd door een reeks aan maatregelen. In de eerste plaats is de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht de nodige participatie te laten plaatsvinden bij de wijkgerichte aanpak. In de tweede plaats is een verhuurder bij grootschalige renovaties op grond van de Wet overleg huurders verhuurder verplicht de huurdersorganisatie te betrekken. In de derde plaats betekent een grootschalige renovatie met instemming van 70% van de huurders niet, dat een individuele huurder van betrokken complex, zonder meer een renovatie moet accepteren. Die individuele huurder kan zich wenden tot de kantonrechter. Tenslotte wijs ik u op een aantal maatregelen die hebben geleid tot een voordeel bij de huurders, en dus niet tot financiële dwang. Dit betreft de Nationale prestatieafspraken waarin is afgesproken, dat corporaties geen huurverhoging zullen verbinden aan isolatie. Ook wijs ik op de aftrekpunten die met de Wet betaalbare huur zijn geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G.
Deelt u de opvatting dat verlaging van het instemmingspercentage geen structurele oplossing is voor afnemend draagvlak, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat verduurzaming per saldo leidt tot lagere woonlasten voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van oordeel dat huurders in beginsel zelf het beste kunnen afwegen of en welke vorm van verduurzaming het beste past bij hun situatie. Daarbij kunnen zij niet alleen lagere woonlasten voor ogen hebben, maar ook een aspect als meer wooncomfort. Daarbij wordt ook met andere wet- en regelgeving ingezet op betaalbare verduurzaming voor huurders. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, moeten gemeenten bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid de betaalbaarheid voor bewoners in de wijk, waaronder de huurders, waarborgen. Gemeenten moeten in de wijkaanpak rekening houden met de financierbaarheid van de maatregelen en de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens. Gemeente kunnen via de wijkaanpak huishoudens met een lager inkomen ondersteunen. Daarmee kan voor deze huishoudens een comfortabeler huis worden gerealiseerd tegen acceptabele energielasten. Of het vereiste instemmingspercentage van 70% moet worden gehandhaafd, acht ik afhankelijk van de vraag of bij een ander percentage voldoende draagvlak aanwezig blijft.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de huursector onbetaalbaar wordt en het draagvlak onder huurders verder afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8. Daarnaast wil ik wijzen op een ontwerpwetsvoorstel ter aanpassing van het instemmingsrecht en initiatiefrecht. In dit ontwerp blijft draagvlak onder de huurders van belang, door de huurdersvertegenwoordiging een belangrijkere positie te geven. Ook wijs ik op het ontwerpbesluit ter aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit ontwerpbesluit is gericht op uitfasering van de energielabels E, F en G in de huursector. De verhuurder wordt daarmee verplicht tot verduurzaming van huurwoningen met een energielabel E, F of G. Dit ontwerpwetsvoorstel en dit ontwerpbesluit zijn ter internetconsultatie beschikbaar gesteld. Ik verwacht u rond de zomer te melden of deze internetconsultaties zullen leiden tot aanvullende maatregelen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over compensatie voor huurders die worden getroffen door de afschaffing van de salderingsregeling (Kamerstuk 36 725 XXII, nr. 14)?
De genoemde motie verzocht te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden, en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoekrapport toegezonden waarin de omvang van de compensatie was aangegeven die aan de orde zou kunnen zijn. In die brief was tevens aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20266 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik acht de genoemde motie hiermee afgehandeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over onderzoek doen naar hoe huurders met bestaande zonnepanelen beschermd kunnen worden tegen hogere prijzen dan ze zouden hebben zonder zonnepanelen (Kamerstuk 36 378, nr. 79)?
De naleving van de verplichting tot het registreren van nevenfuncties van hoogleraren |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Leiden noemt niet-gemeld nevenwerk van hoogleraar Kinneging voor pro-Orbán denktanks «uit hoofde van zijn functie»»?1
Ja.
Bent u van mening dat alle nevenfuncties, waaronder activiteiten voor denktanks in Hongarije, een docentschap in Polen en een voorzitterschap van een ANBI-stichting, opgenomen hadden moeten worden in het register voor nevenfuncties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse Universiteiten beschrijft welke nevenwerkzaamheden meldingsplichtig zijn.2 Daarin staat dat hoogleraren transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en hun betaalde nevenfuncties en daarnaast onbetaalde nevenfuncties waarbij sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Deze regeling nevenwerkzaamheden maakt deel uit van de cao Nederlandse Universiteiten als zelfstandige bijlage. De verantwoordelijkheid ligt dus primair bij de werknemers én werkgevers en ik verwacht dan ook dat zij zich aan deze regeling houden. Het is belangrijk dat het register nevenfuncties volledig, kloppend, vindbaar en actueel is.
Wat vindt u van de uitspraak van de rector magnificus van de Universiteit Leiden dat de nevenfuncties bij denktanks en als docent «uit hoofde van zijn functie zijn» en derhalve niet in het register hoeven te worden opgenomen? Wordt deze route om het register te omzeilen vaker genomen?
Werkzaamheden die behoren bij de functie van een wetenschapper worden binnen universiteiten bepaald op basis van de indeling in het functieprofiel van het Universitair Functie-Ordeningsysteem (UFO), het takenpakket zoals opgesteld door de universiteit en/of andere gemaakte afspraken. Het is dus aan de instelling om te beoordelen of werkzaamheden tot het reguliere takenpakket van de universiteit behoren. Omdat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de werkgever ligt, doe ik geen inhoudelijke uitspraken over een specifieke casus.
Signalen dat het register via deze route omzeild wordt, zijn bij mij niet bekend.
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen aandacht gevraagd voor casussen waarin nevenfuncties niet of onvolledig werden geregistreerd, welke stappen zijn gezet om uitvoering te geven aan de aangenomen motie Heite c.s.?2
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in december jl. geïnformeerd over deze stappen.4 UNL geeft aan dat zij de actuele registratie van nevenfuncties in november jl. heeft besproken met de HR-directeuren van de universiteiten en in januari jl. met de dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel te houden. In deze gesprekken werd het belang van een zorgvuldige registratie van nevenfuncties benadrukt. Ook geeft UNL aan dat er in 2025 aanvullende afspraken zijn gemaakt met de universiteiten. Dat waren de volgende afspraken: de universiteiten publiceren vier keer per jaar een bijgewerkt overzicht van nevenwerkzaamheden hoogleraren; de nevenwerkzaamheden van hoogleraren in het medische domein worden ook gepubliceerd; de universiteiten blijven inzetten op verbetering van het register nevenwerkzaamheden, en zullen ten minste één keer per jaar daarvoor samenkomen.
Daarnaast verwacht ik eind 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit waarbij mijn voorganger extra aandacht heeft gevraagd voor transparantie, onafhankelijkheid en het vermelden van het register nevenfuncties.
Heeft de toegezegde agendering door Universiteiten van Nederland (UNL) van een actuele registratie van nevenfuncties tijdens het jaarlijkse evaluatiemoment reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hebben de toegezegde gesprekken door UNL met alle HR-directeuren van universiteiten over de actuele registratie van nevenfuncties reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er cijfers te noemen hoe vaak overtredingen de afgelopen jaren zijn geconstateerd en hoe vaak zijn er maatregelen genomen in navolging van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024, waarin is opgenomen dat bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, het aan de universiteit is wetenschappers hierop aan te spreken.
UNL geeft aan dat deze specifieke cijfers over overtredingen of maatregelen niet bekend zijn. Mocht er een (vermeende) schending zijn van wetenschappelijke integriteit, dan is het aan de instelling om de wetenschapper hierop aan te spreken. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten maatregelen genomen worden door de werkgever. Dit artikel verplicht werknemers om nevenwerkzaamheden te melden bij de werkgever.
Welke extra aandachtspunten aangaande de registratie van nevenfuncties worden opgenomen in de dit jaar te verschijnen nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)?
De NGWI is een code die wordt opgesteld en onderschreven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenshappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek (TO2-federatie), de Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH). Mijn ambtsvoorganger heeft de schrijfcommissie verzocht om bij de herziening van de vernieuwde NGWI extra aandacht te besteden aan de principes transparantie en onafhankelijkheid en hierbij ook het register nevenfuncties te vermelden. Op basis van de internetconsultatie, in 2025, over de NGWI door genoemde partijen heb ik vernomen dat de schrijfcommissie het voornemen heeft om dit ook te doen.
Transparantie en onafhankelijkheid zijn cruciaal voor de wetenschap, herkent u dat het het vertrouwen in de wetenschap kan schaden wanneer nevenfuncties onvermeld blijven?
Ja, ik vind het belangrijk dat hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en onafhankelijk hun werk kunnen doen, omdat deze transparantie bijdraagt aan het vertrouwen van de samenleving in de wetenschap.
Acht u het nodig dat de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 moet worden aangescherpt en kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet nodig. De regeling biedt in combinatie met de NGWI als toetsingskader voldoende handvatten voor de instellingen om onder andere de principes onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschappelijk integer handelen te waarborgen.
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Het Rijksvastgoedbedrijf is als agentschap gebonden om te handelen binnen financiële kaders, waaronder een sluitende of budget-neutrale begroting. Dit betekent dat Rijksvastgoedbedrijf geen winstdoelstelling heeft. De term «zwarte cijfers» moet gelezen worden als geen verlies maken en/of tekort op de begroting toestaan. Daarbij heeft het Rijksvastgoedbedrijf opdracht om binnen dit kader in te zetten op het realiseren van maatschappelijk meerwaarde.
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel uw opvatting dat rijksgronden geen handelswaar zijn. Het Rijk zet de rijksgronden voor de brede gebiedsontwikkeling van Valkenhorst in als publiek middel om maatschappelijke meerwaarde te realiseren, waaronder de bouw van betaalbare woningen.
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Het door u geschetste beeld herken ik niet. Het Rijk heeft zich niet verzet tegen het bouwen van betaalbare woningen. De wensen en eisen van de gemeente ten aanzien van de programmering («de woningmix») en de financiële kaders en maatschappelijke doelstellingen van het Rijk waren uitgangspunt bij de toenmalige overleggen. Mijn voorganger heeft uw Kamer hier op 23 september 2022 (Kamerstuk 2022Z14057) over geïnformeerd.
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
De veronderstelling dat winst wordt gemaakt door Rijksvastgoedbedrijf met de grondexploitatie is onjuist. Het Rijksvastgoedbedrijf handelt als agentschap binnen het beleidskader dat de grondexploitatie financieel neutraal is. Dit impliceert dat er geen sprake is van een winstoogmerk voor het Rijksvastgoedbedrijf bij gebiedsontwikkeling.
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Zie antwoord op vraag 4.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een transparante verstandhouding met de gemeente Katwijk en heeft zodoende de financiële berekeningen van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst met de gemeente Katwijk gedeeld. In de beginfase van de gebiedsontwikkeling is de grondexploitatie zelfs gezamenlijk met de gemeente opgesteld. Destijds had de gemeente het voornemen om financieel te participeren in de grondexploitatie. Later heeft de gemeente de keuze gemaakt om over te stappen naar faciliterend grondbeleid voor Valkenhorst. Ook toen is het Rijksvastgoedbedrijf transparant gebleven en heeft zij inzage in de grondexploitatie van Valkenhorst gegeven. Ook is er nog steeds sprake van frequent constructief en open overleg tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Katwijk. Onderdeel van die bespreking betreft de kwalitatieve, kwantitatieve en financiële kaders van de gebiedsontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf verschaft daarbij, op basis van vertrouwelijkheid, inzage in de onderliggende (financiële) gegevens van de gebiedsontwikkeling.
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld. Het proces om overeenstemming te bereiken tussen het Rijk, de provincie en de gemeente heeft destijds geruime tijd geduurd omdat verschillende eisen, wensen en uitgangspunten van genoemde partijen bij elkaar moesten worden gebracht. Resultaat van dit grondige proces is dat sinds 2020 er bestuurlijk afspraken en een samenwerkingsovereenkomst van kracht zijn, die door alle partijen worden gedragen.
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
De gemeente Katwijk heeft vele rijksbijdragen ontvangen van het Rijk. In de afgelopen jaren zijn omvangrijke investeringen gedaan door het Rijk (en de provincie) in infrastructurele maatregelen en versterking van de natuur. Het Rijk heeft investeringen gedaan aan de Rijnland-route ad 513 miljoen euro en aan de HOV corridor Zuid-Holland Noord ad 180 miljoen euro (waarvan 24 miljoen euro aan de buscorridor Leiden-Katwijk-Noordwijk). De gemeente ontvangt daarnaast op basis van wettelijk kostenverhaal circa 30 miljoen euro en een bijdrage van 20 miljoen euro als vergoeding van historische plankosten. Vanuit mijn ministerie is tevens een Woningbouw Impuls-subsidie van 6,9 miljoen euro verstrekt aan de gemeente om de financiële tekorten van fase 1 van gebiedsontwikkeling Valkenhorst te bekostigen.
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
De beide gemeenten dragen zelf financieel bij aan binnen- en bovenplanse plankosten, die niet-wettelijk verhaalbaar zijn op de grondeigenaar of ontwikkelaar. Gemeenten dragen zelf zorg voor de aanleg van gemeentelijke voorzieningen zoals sport en onderwijs. De bekostiging daarvan loopt via de gemeentelijke begrotingen. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Voor beide gebiedsontwikkelingen geldt dat het Rijk forse bijdragen heeft gedaan aan aanpalende investeringen op gebied van infrastructuur en een tekort op de gebiedsontwikkeling.
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Het Rijksvastgoedbedrijf zorgt zelf voor het bouwrijp maken van Valkenhorst en draagt hiervan de kosten. De gemeente doet hiervoor geen investering (en hoeft dan ook niet te lenen).
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Nee, voor Valkenhorst worden naast sociale- en middensegment huurwoningen ook koopwoningen gebouwd tot aan de betaalbaarheidsgrens. In mijn Kamerbrief van 8 oktober 2025 (Kamerstuk 32 847, nr. 1381) heb ik aangegeven dat de betaalbaarheidsgrens in 2026 is vastgesteld op EUR 420.000 en dat deze koopwoningen betaalbaar zijn voor tweeverdieners met een inkomen van maximaal twee keer modaal.
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
De gemeente ontvangt rijksbijdragen zoals toegelicht bij beantwoording van 8. Bovendien geldt dat in de regio Holland-Rijnland, waar de gemeente Katwijk binnen valt, een regionale huisvestingsverordening van kracht is. De gemeente kan bovendien lokaal maatwerk toepassen met een gemeentelijke huisvestingsverordening. Op basis hiervan kan de woningcorporatie bij het toewijzen voorrang verlenen aan inwoners van de gemeente voor sociale huurwoningen in Valkenhorst.
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
In de Kamerbrief van 20 maart 2024 (Kamerstuk 32 847, nr. 1159) heb ik u geïnformeerd over het onderzoek dat het Rijksvastgoedbedrijf in september 2023 heeft uitgevoerd naar de woningbouwmogelijkheden voor Valkenhorst. Het bestemmingsplan «Woongebied Valkenhorst» was toen al door de gemeenteraad vastgesteld en in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan is onlangs onherroepelijk geworden.
De gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf zijn momenteel in overleg om kansen en mogelijkheden te verkennen om het eerder vastgestelde aandeel van betaalbare woningen (in het bestemmingsplan) verder te verhogen.
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Het Rijk heeft, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 8 en 9, bijgedragen aan diverse bovenplanse plankosten – zoals bijdrage aan infrastructuur en natuur – van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst. Het bijdragen aan maatschappelijke doelen is een vast onderdeel van de afstemming tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf over de verdere ontwikkeling van Valkenhorst. Dit overleg past ook binnen het beleid van Rijksvastgoedbedrijf om maatschappelijke meerwaarde te creëren bij gebiedsontwikkeling van Rijksgronden.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De verdeling van kosten en opbrengsten is tot stand gekomen binnen de wettelijke financiële- en juridische kaders, waarbinnen het Rijksvastgoedbedrijf moet handelen (zoals aangegeven in antwoord op de vragen 1, 2 en 4). Binnen deze kaders zet het Rijk de rijksgronden in als publiek middel om maatschappelijke doelen te realiseren, waaronder betaalbare woningen. Ik zie geen aanleiding om de huidige verdeling van kosten en opbrengsten te heroverwegen, omdat deze in lijn is met de geldende afspraken met gemeente Katwijk en vigerende wetgeving. Wel blijft het Rijksvastgoedbedrijf met de gemeente Katwijk in gesprek over hoe het binnen het bestaande kader kan bijdragen aan meer betaalbaar wonen en (eventuele) andere publieke belangen.
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA), de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Het bericht ‘Opnieuw asbestzand te koop bij Bol.com, webwinkel stopt verkoop van speelzand helemaal’ |
|
Sandra Beckerman (SP), Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw asbest gevonden is in speelzand dat online te koop was?1
Wat vindt u ervan dat asbesthoudend speelzand alsnog te koop was, ook nadat verschillende producenten en verkopers aangaven dat ze de verkoop ervan hadden opgeschort?
Hoe gaat u bovenstaande in de toekomst voorkomen?
Ziet u met licht op het bovenstaande de tot nu toe genomen acties als voldoende om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand?
Ziet u ook dat terugroepacties op eigen verantwoordelijkheid van bedrijven geen garantie bieden dat potentieel gevaarlijke producten niet langer verkocht worden? Zo ja, hoe ziet u in dit licht de reactie van de voormalige Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport waarin vooral verwezen werd naar de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven?
Deelt u de mening dat de resultaten van het onderzoek dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zelf laat uitvoeren te lang op zich laten wachten? Zo nee, waarom niet?
Ziet u het als een beperking dat de NVWA niet handhavend kan optreden op basis van externe resultaten van geaccrediteerde laboratoria wanneer sprake is van een risico voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het lange wachten op onderzoeksresultaten van de NVWA en het uitblijven van aangekondigde instructies voor kinderdagopvangorganisaties kunnen leiden tot een afwachtende houding bij sommige van deze organisaties?
Wat vindt u van signalen dat sommige scholen het speelzand nog steeds of weer gebruiken, omdat leveranciers zelf zeggen dat het asbestvrij is?
Wat vindt u van het gegeven dat sommige leveranciers hiervoor buitenlandse laboratoria gebruiken die niet in Nederland geaccrediteerd zijn en die bovendien geen elektronenmicroscopie gebruiken, maar lichtmicroscopie waarmee asbest niet altijd aangetoond kan worden?
Kunt u bevestigen dat de resultaten afkomstig van laboratoria die niet in Nederland geaccrediteerd zijn in Nederland niet rechtsgeldig zijn?
Laat de NVWA naast onderzoek naar asbest in het speelzand zelf ook onderzoek doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderdagverblijven en scholen waar dit speelzand gebruikt is, zoals ook in Australië en Nieuw-Zeeland gedaan is?
Deelt u de mening dat zolang dit probleem niet aan de bron aangepakt wordt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen?
Deelt u de mening dat de NVWA voldoende capaciteit moet hebben om zelf slagvaardig op te kunnen treden rondom productveiligheid in plaats van de verantwoordelijkheid vrijwel geheel bij de markt te leggen en dat daar een passende bekostiging bij hoort? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Welke vormen van bekostiging voor de NVWA worden onderzocht, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd en op welke manier wordt daarmee voldoende slagkracht voor de NVWA gewaarborgd?
De naleving van de verplichting tot het registreren van nevenfuncties van hoogleraren |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Leiden noemt niet-gemeld nevenwerk van hoogleraar Kinneging voor pro-Orbán denktanks «uit hoofde van zijn functie»»?1
Ja.
Bent u van mening dat alle nevenfuncties, waaronder activiteiten voor denktanks in Hongarije, een docentschap in Polen en een voorzitterschap van een ANBI-stichting, opgenomen hadden moeten worden in het register voor nevenfuncties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse Universiteiten beschrijft welke nevenwerkzaamheden meldingsplichtig zijn.2 Daarin staat dat hoogleraren transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en hun betaalde nevenfuncties en daarnaast onbetaalde nevenfuncties waarbij sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Deze regeling nevenwerkzaamheden maakt deel uit van de cao Nederlandse Universiteiten als zelfstandige bijlage. De verantwoordelijkheid ligt dus primair bij de werknemers én werkgevers en ik verwacht dan ook dat zij zich aan deze regeling houden. Het is belangrijk dat het register nevenfuncties volledig, kloppend, vindbaar en actueel is.
Wat vindt u van de uitspraak van de rector magnificus van de Universiteit Leiden dat de nevenfuncties bij denktanks en als docent «uit hoofde van zijn functie zijn» en derhalve niet in het register hoeven te worden opgenomen? Wordt deze route om het register te omzeilen vaker genomen?
Werkzaamheden die behoren bij de functie van een wetenschapper worden binnen universiteiten bepaald op basis van de indeling in het functieprofiel van het Universitair Functie-Ordeningsysteem (UFO), het takenpakket zoals opgesteld door de universiteit en/of andere gemaakte afspraken. Het is dus aan de instelling om te beoordelen of werkzaamheden tot het reguliere takenpakket van de universiteit behoren. Omdat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de werkgever ligt, doe ik geen inhoudelijke uitspraken over een specifieke casus.
Signalen dat het register via deze route omzeild wordt, zijn bij mij niet bekend.
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen aandacht gevraagd voor casussen waarin nevenfuncties niet of onvolledig werden geregistreerd, welke stappen zijn gezet om uitvoering te geven aan de aangenomen motie Heite c.s.?2
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in december jl. geïnformeerd over deze stappen.4 UNL geeft aan dat zij de actuele registratie van nevenfuncties in november jl. heeft besproken met de HR-directeuren van de universiteiten en in januari jl. met de dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel te houden. In deze gesprekken werd het belang van een zorgvuldige registratie van nevenfuncties benadrukt. Ook geeft UNL aan dat er in 2025 aanvullende afspraken zijn gemaakt met de universiteiten. Dat waren de volgende afspraken: de universiteiten publiceren vier keer per jaar een bijgewerkt overzicht van nevenwerkzaamheden hoogleraren; de nevenwerkzaamheden van hoogleraren in het medische domein worden ook gepubliceerd; de universiteiten blijven inzetten op verbetering van het register nevenwerkzaamheden, en zullen ten minste één keer per jaar daarvoor samenkomen.
Daarnaast verwacht ik eind 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit waarbij mijn voorganger extra aandacht heeft gevraagd voor transparantie, onafhankelijkheid en het vermelden van het register nevenfuncties.
Heeft de toegezegde agendering door Universiteiten van Nederland (UNL) van een actuele registratie van nevenfuncties tijdens het jaarlijkse evaluatiemoment reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hebben de toegezegde gesprekken door UNL met alle HR-directeuren van universiteiten over de actuele registratie van nevenfuncties reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er cijfers te noemen hoe vaak overtredingen de afgelopen jaren zijn geconstateerd en hoe vaak zijn er maatregelen genomen in navolging van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024, waarin is opgenomen dat bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, het aan de universiteit is wetenschappers hierop aan te spreken.
UNL geeft aan dat deze specifieke cijfers over overtredingen of maatregelen niet bekend zijn. Mocht er een (vermeende) schending zijn van wetenschappelijke integriteit, dan is het aan de instelling om de wetenschapper hierop aan te spreken. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten maatregelen genomen worden door de werkgever. Dit artikel verplicht werknemers om nevenwerkzaamheden te melden bij de werkgever.
Welke extra aandachtspunten aangaande de registratie van nevenfuncties worden opgenomen in de dit jaar te verschijnen nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)?
De NGWI is een code die wordt opgesteld en onderschreven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenshappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek (TO2-federatie), de Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH). Mijn ambtsvoorganger heeft de schrijfcommissie verzocht om bij de herziening van de vernieuwde NGWI extra aandacht te besteden aan de principes transparantie en onafhankelijkheid en hierbij ook het register nevenfuncties te vermelden. Op basis van de internetconsultatie, in 2025, over de NGWI door genoemde partijen heb ik vernomen dat de schrijfcommissie het voornemen heeft om dit ook te doen.
Transparantie en onafhankelijkheid zijn cruciaal voor de wetenschap, herkent u dat het het vertrouwen in de wetenschap kan schaden wanneer nevenfuncties onvermeld blijven?
Ja, ik vind het belangrijk dat hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en onafhankelijk hun werk kunnen doen, omdat deze transparantie bijdraagt aan het vertrouwen van de samenleving in de wetenschap.
Acht u het nodig dat de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 moet worden aangescherpt en kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet nodig. De regeling biedt in combinatie met de NGWI als toetsingskader voldoende handvatten voor de instellingen om onder andere de principes onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschappelijk integer handelen te waarborgen.
Het gebrek aan passende leermiddelen in het speciaal onderwijs |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat leerlingen in het speciaal onderwijs les krijgen uit schoolboeken die niet geschikt voor hen zijn, omdat commerciële uitgevers van schoolboeken het financieel niet interessant genoeg vinden passende schoolboeken uit te geven?1
Ja.
Deelt u de mening dat commercialisering er nooit toe mag leiden dat leerlingen afhankelijk zijn van lesmateriaal dat niet geschikt voor hen is en zelfs averechtse gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en zelfbeeld? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat iedere leerling toegang heeft tot kwalitatief goed en toegankelijk lesmateriaal dat aansluit bij zijn of haar ontwikkelbehoefte.
Ziet u dit als een voorbeeld van het falen van marktwerking in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het gespecialiseerd onderwijs kent een heel diverse populatie aan leerlingen, met specifieke behoeften. Daardoor zijn leermiddelen vaak alleen geschikt voor een kleine groep en is soms tot op leerlingniveau maatwerk nodig. Ik zie dat marktpartijen niet altijd in staat zijn om oplossingen te bieden die aansluiten bij wat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs nodig hebben. Daarom zet ik voor deze groepen extra stappen om het bieden van maatwerk te ondersteunen.
Ik ondersteun bijvoorbeeld Dedicon, die schoolboeken voor blinde en slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voor leerlingen met dyslexie.
Via het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal (IOL) realiseer ik met vele partners een brede kwaliteitsimpuls in het hele funderend onderwijs voor het effectief gebruiken van open leermiddelen. Het voordeel van open leermateriaal is dat leraren dit zelf kunnen aanpassen aan de behoeften van hun leerlingen, om zo meer maatwerk mogelijk te maken, maar het niet helemaal zelf te hoeven doen.
Het project GOpen wordt binnen het programma Impuls Open Leermateriaal ondersteund met als doel om open leermiddelen voor het gespecialiseerd onderwijs te verbeteren en toegankelijk te maken. Leraren kunnen dit materiaal hierdoor eenvoudig vinden, hergebruiken en aanpassen aan de specifieke onderwijsbehoeften van hun leerlingen. Het combineren en arrangeren met open en methodisch materiaal kan leiden tot kwalitatief goed en passend materiaal, juist ook voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Hierover vinden verkennende gesprekken plaats, onder andere tussen IOL, de sectorraad GO en Neon. Ik volg deze ontwikkeling om te zien of dit nu voldoende impact heeft.
Daarnaast vind ik het belangrijk om structurele verbeteringen in de toegankelijkheid van leermiddelen voor alle leerlingen met diverse ondersteuningsbehoeften te realiseren. Daarom onderzoekt OCW via een nulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen wat er nog meer nodig is om leermiddelen voor alle leerlingen toegankelijk te maken. Zoals verzocht in de motie Ceder (ChristenUnie)2, wordt daarbij ook gekeken naar het oplossen van één van de bestaande knelpunten: het ontbreken van standaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen.
Wat vindt u ervan dat docenten nu in hun vrije tijd zelf geschikt lesmateriaal maken om alsnog te zorgen dat deze leerlingen op een passende manier les kunnen krijgen?
Ik waardeer alle inzet van leraren in het gespecialiseerd onderwijs die er veel tijd en energie in steken om hun leerlingen het beste en meest passende te bieden. Tegelijkertijd vind ik het niet wenselijk als het passend maken van lesmateriaal structureel in de vrije tijd van leraren plaatsvindt. Daarom is GOpen een belangrijk initiatief. Dit geeft scholen en leraren de mogelijkheid om gezamenlijk lesmateriaal te ontwikkelen op een professionele manier. Krachten worden gebundeld en leraren houden regie over hun eigen leermateriaal, wat tijd kan besparen en de kwaliteit kan verhogen.
Bent u in gesprek gegaan met het onderwijsveld om na te gaan hoeveel docenten dergelijke taken bovenop hun functie uitvoeren? Zo nee, waar wordt de uitspraak dat dit geen structureel probleem is op gebaseerd en bent u bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?
Ik ben in gesprek met de sectorraad GO. Uit onderzoek van de sectorraad GO blijkt dat leraren veelal materiaal aanpassen of ontwikkelen voor hun eigen leerlingen. Leraren geven aan structureel bezig zijn met lesmateriaal geschikt maken voor hun lessen. Exacte aantallen ontbreken. Ook is onbekend of leraren dat als een structureel probleem ervaren3. Uit de meest recente Monitor Digitalisering Onderwijs (MDO) blijkt dat het aandeel leraren dat zelf materiaal ontwikkelt gelijk is aan leraren in het po. Ook blijkt uit de MDO dat de tevredenheid over de leermiddelenmarkt in het gespecialiseerd onderwijs hoger is dan in het vo.4
Deelt u de mening dat structurele problemen om een structurele oplossing vragen?
Ik vind het belangrijk om problemen te helpen oplossen.
Deelt u de mening dat een tijdelijke subsidie van nog onbekende hoogte onvoldoende en te onzeker is om het initiatief van scholen voor een eigen landelijk platform met passend lesmateriaal goed te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Het programma Impuls Open Leermateriaal en het project GOpen zijn ingericht om een kwaliteitsimpuls te geven aan open leermateriaal via bestaande initiatieven en organisaties. Er is voldoende budget beschikbaar om de beoogde kwaliteitsimpuls te realiseren, aanvullend op bestaande middelen van initiatieven en organisaties. Het is in eerste instantie aan deze partijen zelf om te voorzien in borging van de kwaliteitsimpuls na afloop van het programma. Recent heeft de Minister van EZK aangekondigd € 38 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het programma Impuls Open Leermateriaal t/m 2030. Dat biedt meerjarig financiële zekerheid. Het programma werkt momenteel aan een verdere concretisering van de plannen. Dat betekent dat ook GOpen kan rekenen op voortgezette ondersteuning binnen deze programmaperiode, mits passend binnen de programmadoelen.
Heeft u contact gehad met de sectorraad GO om te kijken wat zij nodig hebben om een dergelijk platform structureel te kunnen laten voortbestaan? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
Het programma Impuls Open Leermateriaal en de sectorraad GO zijn in constructief overleg over de plannen voor GOpen tot en met 2030. Omdat het programma als een tijdelijke kwaliteitsimpuls is ingericht, is daarbij ook aandacht voor de borging van de opbrengsten na afloop van deze periode.
Wat is de hoogte van het subsidiebedrag dat de sectorraad GO kan verwachten of, indien dit nog niet bekend is, wanneer kan de sectorraad GO hier meer informatie over verwachten?
De plannen en bijbehorende budgetten worden uitgewerkt in het gesprek tussen Impuls Open Leermateriaal en GOpen. In de loop van 2026 zal daar meer over bekend worden.
Deelt u de mening dat een subsidie voor een kwaliteitsimpuls voor een structureel en wezenlijk onderdeel van het speciaal onderwijs de werkdruk voor de desbetreffende docenten die de leermiddelen ontwikkelen niet vermindert en te weinig is om een structurele tekortkoming op te lossen?
Nee, zoals hierboven toegelicht deel ik deze mening niet.
Wordt in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat doen naar marktwerking rondom leermiddelen ook specifiek gekeken naar het aanbod van leermiddelen voor het speciaal onderwijs? Zo nee, kan dit nog meegenomen worden?
Ja, in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat uitvoeren, wordt ook het gespecialiseerd onderwijs meegenomen. De onderzoekers van Dialogic, Oberon en eConomics zijn gevraagd om de marktwerking van het gehele funderend onderwijs, inclusief gespecialiseerd onderwijs, in beeld te brengen.
Wat gaat u naast de subsidie voor een kwaliteitsimpuls doen om te garanderen dat elke leerling op het speciaal onderwijs in de toekomst les kan krijgen op basis van voor hen geschikte leermiddelen?
Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuze van hun leermiddelen. Het is daarmee in eerste instantie aan leraren en scholen om te voorzien in passende leermiddelen. Schoolbesturen ontvangen hiervoor een bekostiging waarmee zij het onderwijs kunnen organiseren. Hier valt ook de aanschaf van leermiddelen onder. In het antwoord op vraag 3 is toegelicht op welke wijze ik het onderwijs ondersteun om leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van passende leermiddelen te voorzien.
Het bericht 'Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk staat door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap?1
Ik acht het zorgelijk als het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk zou staan door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap. Ik deel de analyse dat een afnemend draagvlak tot risico’s zou leiden voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving. Daarom acht ik het een goede zaak dat bij verduurzaming op verschillende manieren rekening wordt gehouden met de betaalbaarheid en de zeggenschap van huurders.
In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties serieuze stappen zetten in het isoleren van huurwoningen. Ze zijn daarmee goed op weg. Met deze doelstellingen verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te verlagen met 330 m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van € 350 tot € 550 per jaar. Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen is namelijk blijvend lager. Daarbij geldt dat corporaties woningen isoleren zonder daarvoor een huurverhoging te vragen. Ook zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten toegekend voor de energielabels E, F en G. Dit heeft geleid tot lagere maximale huurprijzen voor woningen met die energielabels.
De huurder heeft voorts met verschillende instrumenten de nodige zeggenschap waardoor bij de verduurzaming goed aandacht kan zijn voor de betaalbaarheid.
Zo is met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Omgevingswet goede participatie van bewoners, waaronder huurders, geborgd bij de wijkgerichte aanpak van een gemeente. Zo moeten gemeenten in de toelichting bij een warmteprogramma en omgevingsplan motiveren hoe onder andere burgers worden betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Ook zal een verhuurder op grond van de huurregelgeving niet zonder meer een woning kunnen verduurzamen zonder overleg met de huurder en zonder diens instemming.
Deelt u de analyse dat dit risico’s oplevert voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat het risico bestaat dat de energietransitie in de gebouwde omgeving stagneert als 3,6 miljoen hurende huishoudens het financiële voordeel van verduurzaming niet meer ervaren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse niet dat er sprake is van een groot risico. Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2 waarin ik aangeef, dat op verschillende manieren rekening wordt gehouden met het financiële voordeel dat huurders ervaren bij verduurzaming.
Klopt het dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie, terwijl zij door de afbouw van de salderingsregeling en oplopende terugleverkosten deze investering niet langer kunnen terugverdienen?
Het klopt dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie. Voor het effect van de afbouw van de salderingsregeling wijs ik u op het rapport dat is toegezonden bij brief van 30 mei 20252. Daarin is onder meer aangegeven dat de huurder met zonnepanelen door de afschaffing van de salderingsregeling per saldo € 4 tot € 8 meer betaalt dan de huurder zonder zonnepanelen. De huurder betaalt namelijk voor de zonnepanelen via de servicekosten. Dit weegt niet op tegen het voordeel van de terugleververgoeding en de opwek voor eigen verbruik. Het is van belang te vermelden dat de resultaten gemiddelden zijn: de effecten kunnen per huishouden behoorlijk verschillen. Afhankelijk van onder andere gezinsgrootte, verbruik en hoeveelheid panelen, kan het voorkomen dat huurders voordeel behouden met hun zonnepanelen. Het verhogen van het eigen gebruik beperkt de negatieve financiële effecten bij huurders, maar zal het niet volledig wegnemen.
Deelt u de opvatting dat dit in feite kan neerkomen op een verkapte huurverhoging? Acht u dit wenselijk in een periode waarin veel huurders al kampen met hoge woonlasten?
Ik erken dat huurders de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling zullen gaan voelen. Tegelijkertijd zijn er diverse maatregelen genomen die leiden tot afnemende woonlasten bij huurders. Ik wijs daarbij op Nationale prestatieafspraken waardoor corporaties huurwoningen isoleren met een besparing van € 350 tot € 550 per jaar zonder daarvoor een huurverhoging te vragen, en de aftrekpunten voor de energielabels E, F en G. Dit heb ik toegelicht in mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Daarnaast geldt dat de netto huurquote, de verhouding tussen de netto huur en het netto besteedbaar inkomen, tussen 2021 en 2024 afnam: van 25,4% naar 24,7%3. Voor de jaren daarna wijs ik onder meer op de Wet betaalbare huur en het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag. De Wet betaalbare huur heeft geleid tot uitbreiding van huurprijsbescherming naar de woningen in het middensegment en tot aftrekpunten en daardoor lagere maximale huurprijzen voor huurwoningen met een energielabel E, F of G. Het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag heeft geleid tot een verhoging van € 215 miljoen extra huurtoeslag in 2025 en structureel € 650 miljoen per jaar vanaf 2026.
Bent u bereid te onderzoeken of en hoe de rijksoverheid de resterende investeringskosten van zonnepanelen bij woningcorporaties kan overnemen, zodat huurders niet geconfronteerd worden met hogere woonlasten en corporaties hun investeringsruimte behouden voor nieuwbouw en renovatie? Zo nee, waarom niet?
Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoek gevoegd. In de brief was ook aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20264 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief van 9 januari 2026 meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik wijs voorts op mijn antwoord op vraag 5 waarin ik wijs op de verschillende maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid voor huurders.
Ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek zoals wordt gevraagd.
Klopt het dat huurders die worden aangesloten op een warmtenet op grond van de huidige wetgeving vaak de maximale vaste kosten betalen, terwijl hun huurprijs niet wordt aangepast omdat het woningwaarderingsstelsel uitgaat van een gasaansluiting? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat de huidige tariefregulering bij warmte op basis van gasreferentie de kosten van een cv-ketel zijn meegenomen. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Warmtebedrijven hanteren vaak het maximale gereguleerde tarief. Het klopt ook, dat het met woningwaarderingsstelsel mogelijk is dat een cv-ketel of een warmtenet ertoe leidt dat huurders een hogere huurprijs betalen. Er kunnen namelijk met het woningwaarderingsstelsel punten worden toegekend voor vertrekken die verwarmd zijn door middel van een onroerende voorziening zoals een cv-ketel of een warmtenet, en voor een goed energielabel bij een energiezuinige cv-ketel. Het woningwaarderingsstelsel maakt hierbij geen onderscheid tussen een cv-ketel of een warmtenet.
Mijn oordeel is dat de betaalbaarheid van warmte voor huurders een belangrijk aandachtspunt is. Er is ook al actie op ondernomen: sinds 2025 worden de stijgingen van energiebelasting op aardgas niet meegenomen in de warmtetarieven en de berekening van de vaste tarieven is aangepast, waardoor de tarieven lager zijn geworden en beter aansluiten op de praktijk. Daardoor is ook voor huurders de betaalbaarheid ten opzichte van aardgas verbeterd. Dit blijft zo in fase 1 tariefregulering onder de wet collectieve warmtevoorziening.
Ook bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving blijft de betaalbaarheid voor huurders een belangrijk aandachtspunt. Zo is met het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) het amendement Erkens c.s.5 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Gemeenten moeten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven
de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten, juist ook bij de groep kwetsbare afnemers. Anders kunnen gemeenten de aanwijsbevoegdheid niet inzetten. De wijkaanpak is bij uitstek een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen, mee te laten doen aan de verduurzaming.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aansluiting op een warmtenet huurders gemiddeld circa € 370 per jaar extra kan kosten?
Het kabinet herkent de observatie dat huurders soms duurder uit zijn na overstap op een warmtenet. Woonlastenneutraliteit is een belangrijke ambitie, maar kan niet in elke individuele situatie gerealiseerd worden. De betaalbaarheid van warmte voor huurders ten opzichte van aardgas is een belangrijk aandachtspunt.
In veel gevallen beschermt huurregelgeving huurders tegen kostenstijging na overstap op een warmtenet. Zo vergt overstap dat de huurder daarmee instemt; bij een complex gaat het om instemming van minimaal 70% van de huurders. Om deze instemming te verkrijgen, zal de verhuurder in de praktijk oog moeten hebben voor woonlastenneutraliteit. Om woonlastenneutraliteit te bereiken, maken verhuurders vaak afspraken met warmtebedrijven waarbij zij een deel van het vastrecht afkopen, waardoor de rekening voor de huurders constant blijft. Deze werkwijze is ook afgesproken in het Startmotorkader, waarin woningcorporaties en warmtebedrijven afspraken maken over verduurzaming van huurwoningen.
Deelt u de mening dat deze stapeling van kosten leidt tot afnemend draagvlak voor verduurzaming onder huurders?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8.
Bent u bereid het woningwaarderingsstelsel zodanig aan te passen dat huurders niet financieel worden benadeeld bij aansluiting op een warmtenet? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 7 is mijn mening, dat de betaalbaarheid voor huurders van belang is bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving. Het kabinet wil binnen vier jaar bij warmtenetten overstappen naar kostengebaseerde tarieven. Vanaf fase 2 van de wet collectieve warmtevoorziening worden warmtetarieven namelijk gebaseerd op kosten van warmtebedrijven. In deze wet is opgenomen dat de overgang naar fase 2 van de tariefregulering pas plaatsvindt wanneer de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte ten opzichte van het gangbare alternatief voldoende is geborgd. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Bij de voorbereiding van die overstap zal ook worden bezien of een aanpassing van het woningwaarderingsstelsel noodzakelijk is.
Hoe beoordeelt u het feit dat het merendeel van de verduurzamingssubsidies de afgelopen jaren terecht is gekomen bij eigenaar-bewoners, terwijl huurders minder directe financiële voordelen hebben ontvangen?
Ook huurders hebben de afgelopen jaren bij verduurzaming financiële voordelen genoten, ook bij subsidieverstrekking voor verduurzaming aan uitsluitend de verhuurder. In de eerste plaats geldt, dat met de Nationale prestatieafspraken is overeengekomen dat corporaties geen huurverhoging verbinden aan het isoleren van de woning. In de Nationale prestatieafspraken is aangegeven, dat woningen die een significante sprong maken in isolatie een besparing opleveren van € 350 tot € 550 per jaar. Voor een private verhuurder die met instemming van de huurder verduurzaamt en wel een huurverhoging vraagt, geldt dat de verhuurder daarvoor de ontvangen subsidies buiten beschouwing dient te laten. Een huurder heeft daardoor indirect voordeel van een subsidie die de verhuurder heeft ontvangen. In de tweede plaats zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G. Deze huurwoningen kregen daardoor een lagere maximale huur hetgeen leidde tot voordeel voor de huurder. Tenslotte geldt, dat een hogere huur na verduurzaming leidt tot meer recht op huurtoeslag. Ook dit is een financieel voordeel voor de huurder.
Bent u bereid te bezien hoe publieke middelen eerlijker kunnen worden verdeeld, zodat huurders evenredig profiteren van subsidies en fiscale regelingen voor verduurzaming?
De verdeling van publieke middelen is aan de orde bij de vaststelling van de Rijksbegroting. Op dat moment kan worden bezien hoe deze publieke middelen eerlijk kunnen worden verdeeld gezien de verschillende beleidsdoelen van de regering.
Hoe waarborgt u dat bij grootschalige renovaties waarvoor instemming van 70% van de huurders vereist is, daadwerkelijk sprake is van vrijwillige en geïnformeerde instemming, en niet van druk of financiële dwang?
Vrijwillige en geïnformeerde instemming, zonder druk of financiële dwang bij grootschalige renovaties van huurders is geborgd door een reeks aan maatregelen. In de eerste plaats is de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht de nodige participatie te laten plaatsvinden bij de wijkgerichte aanpak. In de tweede plaats is een verhuurder bij grootschalige renovaties op grond van de Wet overleg huurders verhuurder verplicht de huurdersorganisatie te betrekken. In de derde plaats betekent een grootschalige renovatie met instemming van 70% van de huurders niet, dat een individuele huurder van betrokken complex, zonder meer een renovatie moet accepteren. Die individuele huurder kan zich wenden tot de kantonrechter. Tenslotte wijs ik u op een aantal maatregelen die hebben geleid tot een voordeel bij de huurders, en dus niet tot financiële dwang. Dit betreft de Nationale prestatieafspraken waarin is afgesproken, dat corporaties geen huurverhoging zullen verbinden aan isolatie. Ook wijs ik op de aftrekpunten die met de Wet betaalbare huur zijn geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G.
Deelt u de opvatting dat verlaging van het instemmingspercentage geen structurele oplossing is voor afnemend draagvlak, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat verduurzaming per saldo leidt tot lagere woonlasten voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van oordeel dat huurders in beginsel zelf het beste kunnen afwegen of en welke vorm van verduurzaming het beste past bij hun situatie. Daarbij kunnen zij niet alleen lagere woonlasten voor ogen hebben, maar ook een aspect als meer wooncomfort. Daarbij wordt ook met andere wet- en regelgeving ingezet op betaalbare verduurzaming voor huurders. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, moeten gemeenten bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid de betaalbaarheid voor bewoners in de wijk, waaronder de huurders, waarborgen. Gemeenten moeten in de wijkaanpak rekening houden met de financierbaarheid van de maatregelen en de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens. Gemeente kunnen via de wijkaanpak huishoudens met een lager inkomen ondersteunen. Daarmee kan voor deze huishoudens een comfortabeler huis worden gerealiseerd tegen acceptabele energielasten. Of het vereiste instemmingspercentage van 70% moet worden gehandhaafd, acht ik afhankelijk van de vraag of bij een ander percentage voldoende draagvlak aanwezig blijft.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de huursector onbetaalbaar wordt en het draagvlak onder huurders verder afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8. Daarnaast wil ik wijzen op een ontwerpwetsvoorstel ter aanpassing van het instemmingsrecht en initiatiefrecht. In dit ontwerp blijft draagvlak onder de huurders van belang, door de huurdersvertegenwoordiging een belangrijkere positie te geven. Ook wijs ik op het ontwerpbesluit ter aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit ontwerpbesluit is gericht op uitfasering van de energielabels E, F en G in de huursector. De verhuurder wordt daarmee verplicht tot verduurzaming van huurwoningen met een energielabel E, F of G. Dit ontwerpwetsvoorstel en dit ontwerpbesluit zijn ter internetconsultatie beschikbaar gesteld. Ik verwacht u rond de zomer te melden of deze internetconsultaties zullen leiden tot aanvullende maatregelen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over compensatie voor huurders die worden getroffen door de afschaffing van de salderingsregeling (Kamerstuk 36 725 XXII, nr. 14)?
De genoemde motie verzocht te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden, en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoekrapport toegezonden waarin de omvang van de compensatie was aangegeven die aan de orde zou kunnen zijn. In die brief was tevens aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20266 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik acht de genoemde motie hiermee afgehandeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over onderzoek doen naar hoe huurders met bestaande zonnepanelen beschermd kunnen worden tegen hogere prijzen dan ze zouden hebben zonder zonnepanelen (Kamerstuk 36 378, nr. 79)?
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Het bericht ‘Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang»?1
Hoe beoordeelt u de situatie op c?
Camping Vogelenzang, waar plannen bestaan om een familiecamping om te zetten naar een luxe vakantiepark met circa 350 chalets en waar vaste kampeerders daarvoor moeten wijken?
Wat vindt u ervan dat deze chalets volgens berichtgeving worden verkocht vanaf circa € 395.000 per vierpersoonschalet, terwijl het terrein tot nu toe juist een betaalbare gezinscamping was?
Klopt het dat de provincie Noord-Holland daarbij stelt dat maximaal 1.600 m2 bebouwd mag worden, terwijl de plannen volgens de berichtgeving neerkomen op circa 21.000 m2 bebouwd oppervlak?
Deelt u de opvatting dat het niet aanvaardbaar is wanneer grootschalige bebouwing doorgang vindt terwijl deze evident in strijd is met het omgevingsplan?
Hoe kijkt u aan tegen het bezwaar dat de provincie noemt over het permanente karakter van de chalets, terwijl recreatie in beginsel tijdelijk hoort te zijn en kampeermiddelen volgens berichtgeving slechts tussen 1 maart en 31 oktober geplaatst mogen worden?
Vindt u dat de bouw van luxe chalets met een (semi-)permanent karakter het risico vergroot op verkapte woonbestemmingen buiten de normale woningbouwregels om?
Acht u het wenselijk om de definitie van «kampeermiddelen» aan te scherpen, zodat chalets die in de praktijk een permanent karakter hebben niet langer onder deze definitie vallen?
Welke directe maatregelen kan een gemeente nemen om werkzaamheden stil te leggen om te voorkomen dat een ontwikkelaar een voldongen feit creëert?
Hoe beoordeelt u het signaal dat volgens betrokkenen al grondwerkzaamheden zijn verricht voordat vergunningen zouden zijn verleend, terwijl het gebied bovendien als beschermd landschap wordt omschreven?
Deelt u de mening dat gemeenten verplicht zijn om te handhaven wanneer sprake is van duidelijke strijdigheid met het omgevingsplan, zeker wanneer een provincie dit expliciet opdraagt?
Welke mogelijkheden heeft de provincie om af te dwingen dat een gemeente daadwerkelijk handhaaft, wanneer een gemeente blijft talmen of onvoldoende optreedt?
Vindt u het wenselijk dat commerciële partijen in de praktijk kunnen opereren volgens het principe «eerst doen, dan pas vragen», en welke maatregelen acht u nodig om dat te voorkomen?
Deelt u de zorg dat familiecampings steeds vaker worden opgekocht door commerciële ketens die vaste kampeerders wegdrukken ten gunste van dure chalets en recreatiewoningen?
Veel gemeenten kampen met vergelijkbare situaties rond de omzetting van familiecampings naar luxe chaletparken. Welke concrete voorstellen heeft u om dit probleem landelijk aan te pakken, zodat gemeenten dit niet ieder voor zich hoeven te bevechten?
Kunt u aangeven hoeveel familiecampings in Nederland in de afgelopen 10 jaar zijn verdwenen of zijn omgezet naar (semi-)permanente chaletparken?
Kunt u inzicht geven in hoeveel recreatieparken in handen zijn van ketens en/of private equity, en hoeveel daarvan plannen hebben voor grootschalige herontwikkeling?
Welke middelen bestaan er op dit moment om herverkaveling van recreatieparken tegen te gaan, en welke bestuurslagen (gemeente, provincie, Rijk) kunnen deze middelen inzetten?
Bent u bereid, in het licht van dit bericht, uw reactie op de voorstellen uit de initiatiefnota «Red de camping» te herzien? Zo ja, wat is uw nieuwe reactie? Zo nee, waarom niet?
Wat is de stand van zaken bij de uitvoering van de aangenomen motie van de leden Van Nispen en Vermeer over een voorstel voor een nieuwe kampeerwet en de voorstellen uit de initiatiefnota-Beckerman als richtinggevend beschouwen (Kamerstuk 36 452, nr. 9)?
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Het Rijksvastgoedbedrijf is als agentschap gebonden om te handelen binnen financiële kaders, waaronder een sluitende of budget-neutrale begroting. Dit betekent dat Rijksvastgoedbedrijf geen winstdoelstelling heeft. De term «zwarte cijfers» moet gelezen worden als geen verlies maken en/of tekort op de begroting toestaan. Daarbij heeft het Rijksvastgoedbedrijf opdracht om binnen dit kader in te zetten op het realiseren van maatschappelijk meerwaarde.
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel uw opvatting dat rijksgronden geen handelswaar zijn. Het Rijk zet de rijksgronden voor de brede gebiedsontwikkeling van Valkenhorst in als publiek middel om maatschappelijke meerwaarde te realiseren, waaronder de bouw van betaalbare woningen.
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Het door u geschetste beeld herken ik niet. Het Rijk heeft zich niet verzet tegen het bouwen van betaalbare woningen. De wensen en eisen van de gemeente ten aanzien van de programmering («de woningmix») en de financiële kaders en maatschappelijke doelstellingen van het Rijk waren uitgangspunt bij de toenmalige overleggen. Mijn voorganger heeft uw Kamer hier op 23 september 2022 (Kamerstuk 2022Z14057) over geïnformeerd.
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
De veronderstelling dat winst wordt gemaakt door Rijksvastgoedbedrijf met de grondexploitatie is onjuist. Het Rijksvastgoedbedrijf handelt als agentschap binnen het beleidskader dat de grondexploitatie financieel neutraal is. Dit impliceert dat er geen sprake is van een winstoogmerk voor het Rijksvastgoedbedrijf bij gebiedsontwikkeling.
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Zie antwoord op vraag 4.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een transparante verstandhouding met de gemeente Katwijk en heeft zodoende de financiële berekeningen van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst met de gemeente Katwijk gedeeld. In de beginfase van de gebiedsontwikkeling is de grondexploitatie zelfs gezamenlijk met de gemeente opgesteld. Destijds had de gemeente het voornemen om financieel te participeren in de grondexploitatie. Later heeft de gemeente de keuze gemaakt om over te stappen naar faciliterend grondbeleid voor Valkenhorst. Ook toen is het Rijksvastgoedbedrijf transparant gebleven en heeft zij inzage in de grondexploitatie van Valkenhorst gegeven. Ook is er nog steeds sprake van frequent constructief en open overleg tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Katwijk. Onderdeel van die bespreking betreft de kwalitatieve, kwantitatieve en financiële kaders van de gebiedsontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf verschaft daarbij, op basis van vertrouwelijkheid, inzage in de onderliggende (financiële) gegevens van de gebiedsontwikkeling.
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld. Het proces om overeenstemming te bereiken tussen het Rijk, de provincie en de gemeente heeft destijds geruime tijd geduurd omdat verschillende eisen, wensen en uitgangspunten van genoemde partijen bij elkaar moesten worden gebracht. Resultaat van dit grondige proces is dat sinds 2020 er bestuurlijk afspraken en een samenwerkingsovereenkomst van kracht zijn, die door alle partijen worden gedragen.
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
De gemeente Katwijk heeft vele rijksbijdragen ontvangen van het Rijk. In de afgelopen jaren zijn omvangrijke investeringen gedaan door het Rijk (en de provincie) in infrastructurele maatregelen en versterking van de natuur. Het Rijk heeft investeringen gedaan aan de Rijnland-route ad 513 miljoen euro en aan de HOV corridor Zuid-Holland Noord ad 180 miljoen euro (waarvan 24 miljoen euro aan de buscorridor Leiden-Katwijk-Noordwijk). De gemeente ontvangt daarnaast op basis van wettelijk kostenverhaal circa 30 miljoen euro en een bijdrage van 20 miljoen euro als vergoeding van historische plankosten. Vanuit mijn ministerie is tevens een Woningbouw Impuls-subsidie van 6,9 miljoen euro verstrekt aan de gemeente om de financiële tekorten van fase 1 van gebiedsontwikkeling Valkenhorst te bekostigen.
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
De beide gemeenten dragen zelf financieel bij aan binnen- en bovenplanse plankosten, die niet-wettelijk verhaalbaar zijn op de grondeigenaar of ontwikkelaar. Gemeenten dragen zelf zorg voor de aanleg van gemeentelijke voorzieningen zoals sport en onderwijs. De bekostiging daarvan loopt via de gemeentelijke begrotingen. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Voor beide gebiedsontwikkelingen geldt dat het Rijk forse bijdragen heeft gedaan aan aanpalende investeringen op gebied van infrastructuur en een tekort op de gebiedsontwikkeling.
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Het Rijksvastgoedbedrijf zorgt zelf voor het bouwrijp maken van Valkenhorst en draagt hiervan de kosten. De gemeente doet hiervoor geen investering (en hoeft dan ook niet te lenen).
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Nee, voor Valkenhorst worden naast sociale- en middensegment huurwoningen ook koopwoningen gebouwd tot aan de betaalbaarheidsgrens. In mijn Kamerbrief van 8 oktober 2025 (Kamerstuk 32 847, nr. 1381) heb ik aangegeven dat de betaalbaarheidsgrens in 2026 is vastgesteld op EUR 420.000 en dat deze koopwoningen betaalbaar zijn voor tweeverdieners met een inkomen van maximaal twee keer modaal.
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
De gemeente ontvangt rijksbijdragen zoals toegelicht bij beantwoording van 8. Bovendien geldt dat in de regio Holland-Rijnland, waar de gemeente Katwijk binnen valt, een regionale huisvestingsverordening van kracht is. De gemeente kan bovendien lokaal maatwerk toepassen met een gemeentelijke huisvestingsverordening. Op basis hiervan kan de woningcorporatie bij het toewijzen voorrang verlenen aan inwoners van de gemeente voor sociale huurwoningen in Valkenhorst.
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
In de Kamerbrief van 20 maart 2024 (Kamerstuk 32 847, nr. 1159) heb ik u geïnformeerd over het onderzoek dat het Rijksvastgoedbedrijf in september 2023 heeft uitgevoerd naar de woningbouwmogelijkheden voor Valkenhorst. Het bestemmingsplan «Woongebied Valkenhorst» was toen al door de gemeenteraad vastgesteld en in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan is onlangs onherroepelijk geworden.
De gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf zijn momenteel in overleg om kansen en mogelijkheden te verkennen om het eerder vastgestelde aandeel van betaalbare woningen (in het bestemmingsplan) verder te verhogen.
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Het Rijk heeft, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 8 en 9, bijgedragen aan diverse bovenplanse plankosten – zoals bijdrage aan infrastructuur en natuur – van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst. Het bijdragen aan maatschappelijke doelen is een vast onderdeel van de afstemming tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf over de verdere ontwikkeling van Valkenhorst. Dit overleg past ook binnen het beleid van Rijksvastgoedbedrijf om maatschappelijke meerwaarde te creëren bij gebiedsontwikkeling van Rijksgronden.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De verdeling van kosten en opbrengsten is tot stand gekomen binnen de wettelijke financiële- en juridische kaders, waarbinnen het Rijksvastgoedbedrijf moet handelen (zoals aangegeven in antwoord op de vragen 1, 2 en 4). Binnen deze kaders zet het Rijk de rijksgronden in als publiek middel om maatschappelijke doelen te realiseren, waaronder betaalbare woningen. Ik zie geen aanleiding om de huidige verdeling van kosten en opbrengsten te heroverwegen, omdat deze in lijn is met de geldende afspraken met gemeente Katwijk en vigerende wetgeving. Wel blijft het Rijksvastgoedbedrijf met de gemeente Katwijk in gesprek over hoe het binnen het bestaande kader kan bijdragen aan meer betaalbaar wonen en (eventuele) andere publieke belangen.
Nieuwe problemen met vergoedingen voor gedupeerden |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
De SP is in bezit van een document van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) waarin staat dat de vaste vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen (hierna: ZAV) in 2026 6.500 euro zal bedragen, woningbouwcorporatie Wierden en Borgen heeft dit ook aan huurders verteld. Klopt het dat deze aangekondigde hogere vergoeding nu niet doorgaat? Waarom is hiervoor gekozen?
Deelt u onze mening dat het wrang is dat sommige huurders al te horen hebben gekregen dat de forfaitaire ZAV vergoeding verhoogd zou worden en nu niet het bedrag krijgen dat hen in het vooruitzicht is gesteld?
Bent u bereid de forfaitaire ZAV vergoeding alsnog te verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke andere vergoedingen worden in 2026 niet geïndexeerd? Kunt u voor alle vergoedingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de NCG aangeven welke indexatie er plaatsvindt?
Het IMG indexeert elk jaar de bouwkosten en bij NCG kunnen de bouwkosten tot aan de start van de bouw geïndexeerd worden door aannemers en wordt periodiek de Groninger Maatregelen Catalogus geïndexeerd. Als het gaat om de vergoedingen die mensen ontvangen in het kader van schade door versterken (NCG) of bijkomende kosten (IMG), maak ik jaarlijks een afweging met betrekking tot indexatie van de verschillende vergoedingen. Het gaat hier om de vergoedingen waarvoor een vast bedrag is vastgesteld in bijlage 2.2 van de Regeling Tijdelijke wet Groningen.
Alle vergoedingen uit de lijst in bijlage 2.2 worden dit jaar geïndexeerd met 3,27%. Uitzonderingen hierop zijn de forfaitaire ZAV-vergoeding, de vergoeding voor eigen tijd en lang wachten op een opgeleverde versterkte woning (maatregel 16) en de vergoeding om de verschillen recht te trekken tussen eigenaren en huurders ten aanzien van de overlastvergoeding voor de versterking (maatregel 12b). De vergoeding voor het thuisblijven tijdens de schadeopname en het schadeherstel kan jaarlijks door het IMG wordt geïndexeerd op basis van het minimumloon.
De reden waarom de ZAV-vergoeding niet wordt geïndexeerd heeft te maken met de eerder genoemde verkenning van mogelijkheden om het forfaitaire bedrag te verhogen. Maatregel 16 is een eenmalige vergoeding van € 2.500. Deze vergoeding is niet gekoppeld aan bepaalde kosten die aan inflatie onderhevig zijn en wordt daarom niet geïndexeerd. Maatregel 12b is bedoeld als vergoeding voor tijd en overlast uit het verleden, waardoor jaarlijkse indexatie niet in de rede ligt. Bij regelingen van het IMG met een maximale vergoeding, zoals de forfaitaire vergoedingen en immateriële schadevergoeding, wordt deze maximale vergoeding niet geïndexeerd. Ook wordt de waardedalingsregeling niet geïndexeerd.
De wijziging in de Regeling Tijdelijke wet Groningen, waarin deze indexatie van 3,27% terugwerkende kracht tot 1 januari wordt geregeld, is op 21 januari gepubliceerd in de Staatscourant.1
Klopt het dat bewoners in Tjamsweer tijdens een presentatie over de sloop van hun woning beloofd is dat ze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor zelf aangebrachte voorzieningen en nu alsnog een afwijzing van de NCG krijgen?
Ja, dit klopt.
Waarom komen deze bewoners niet in aanmerking voor de ZAV regeling van de NCG?
De aanpak in Tjamsweer betreft een aanpak voor het dempen van onaanvaardbare verschillen. Zoals ik in mijn brief van 19 september 20252 heb aangegeven horen bij deze aanpak ook de juiste vergoedingen. Hiervoor ontbreekt echter de juiste grondslag in de wetgeving. Vandaar dat NCG op dit moment de bewoners een afwijzing moet sturen. Momenteel wordt verkend of er toch een wettelijke grondslag kan worden gecreëerd om ook de kosten van deze bewoners te vergoeden. Ik verwacht uw Kamer hier spoedig over te informeren.
Erkent u dat hier weer ongelijkheid ontstaat tussen bewoners? Waarom wordt hiervoor gekozen?
Ja, ik erken dat hierdoor ongelijkheid ontstaat. Vandaar dat ik met NCG de mogelijkheden verken om dit recht te zetten.
Bent u bereid de huurders uit Tjamsweer en mogelijke andere huurders die nu niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor ZAV via de NCG alsnog voor deze regeling in aanmerking te laten komen?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom stoppen de «Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000» en de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen – € 17.000» op 31 mei aanstaande?
De wijzigingsregeling die een verlenging van deze subsidies mogelijk maakt, leg ik nog deze maand ter voorhang aan uw Kamer voor.
Gedupeerden in de versterkingsoperatie die nog wachten op een beoordeling van de NCG krijgen nu een afwijzing voor de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen». Kunt u garanderen dat alle rechthebbende gedupeerden alsnog in aanmerking komen voor deze subsidieregelingen? Wanneer dat niet zo is, dan ontstaat toch opnieuw ongelijkheid omdat gedupeerden die «toevallig» eerder een beoordeling kregen van de NCG wél en gedupeerden die nog wachten op een beoordeling niet in aanmerking zijn gekomen voor dit geld?
Ja, ook bewoners die nog een beoordeling krijgen, kunnen aanspraak maken op deze subsidie.
In Nij Begun is een maatregel (16) opgenomen om mensen die nog wachten op de versterking te compenseren met 2.500 euro. Een deel van de mensen die nu nog wachten hebben dit geld ook nog niet gekregen, waarom is hiervoor gekozen?
Er is niet bewust voor gekozen om bepaalde bewoners wel en andere bewoners geen vergoeding toe te kennen. Binnen maatregel 16 worden verschillende doelgroepen onderscheiden, waarbij de uitvoerbaarheid per doelgroep verschilt. Het uitkeren van de vergoeding aan eigenaren van een gebouw dat in de werkvoorraad van de NCG zit en waarvoor een versterkingsbesluit of besluit op norm is ontvangen is het meest eenvoudig gebleken. Deze groep heeft de vergoeding inmiddels ontvangen of ontvangt deze op korte termijn.
Voor huurders van sociale huurwoningen binnen de werkvoorraad van de NCG geldt een andere situatie. Omdat ik voor uitbetaling van de vergoeding aan deze groep afhankelijk ben van woningcorporaties, is de situatie hier ingewikkelder. Op dit moment werk ik samen met NCG en woningcorporaties aan een complete lijst van adressen die recht hebben op de vergoeding.
Voor de uitbreiding van deze vergoeding naar bewoners in de Batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid te Delfzijl geldt dat ik met de betrokken gemeenten heb afgesproken dat zij de vergoeding zullen uitkeren aan deze bewoners. Ik verwacht dat bewoners hier binnen enkele weken meer duidelijkheid over zullen krijgen.
Erkent u dat het krom is dat compensatie voor het lange wachten nu alweer jaren op zich laat wachten?
Ik vind het uiteraard vervelend dat de vergoeding voor eigen tijd en het lange wachten op een versterkte, opgeleverde woning voor een deel van de doelgroep later komt dan werd verwacht. Ondanks dat alle betrokken partijen zich inzetten voor een spoedige uitkering, blijkt de regeling in de uitvoering complex. Mijn inzet blijft erop gericht alle bewoners zo snel mogelijk te vergoeden.
Wanneer zullen alle rechthebbende bewoners dit bedrag ontvangen hebben?
Uiteraard onderschrijft het kabinet het doel om, in het geval van vergoedingen, bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen. Daarom werkt de NCG er op dit moment aan om ervoor te zorgen dat alle doelgroepen van maatregel 16 uit Nij Begun zo snel mogelijk de vergoeding ontvangen. De processen hiervoor zijn ingericht en veel bewoners hebben de vergoeding al ontvangen of zullen deze binnenkort ontvangen. Ik zet me ervoor in dat alle bewoners die recht hebben op de vergoeding en hier nu op wachten, deze voor het vierde kwartaal van 2026 kunnen ontvangen. Hierbij moet ik wel zeggen dat NCG bij sommige doelgroepen, zoals huurders, ook afhankelijk is van informatie die zij zelf aanleveren voordat NCG de vergoeding aan hen kan uitkeren.
Waarom is geen uitvoer gegeven aan een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 529, nr. 1334) om te zorgen dat alle bewoners dit bedrag voor 1 november 2025 zouden hebben ontvangen?
Zoals gezegd heb ik het doel om bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen in de vergoedingen waar zij recht op hebben. Zoals ik in mijn appreciatie van de betreffende motie aangaf, was het niet mogelijk om deze vergoeding voor 1 november uit te keren aan alle bewoners. Vanwege de eerder genoemde complexiteit in het uitkeren van de vergoeding aan bepaalde doelgroepen, is dit tot nu toe helaas nog niet voor iedereen mogelijk geweest.
Bewoners die al gebruik hebben kunnen maken van de 2.500 euro regeling (maatregel 16) hebben dit bedrag op de rekening ontvangen, bij bewoners die nog wachten wordt het opgenomen in hun versterkingsbudget en is het dus niet vrij besteedbaar. Waarom is hiervoor gekozen?
Het bedrag wordt niet opgenomen in het versterkingsbudget. De maatregel van maatregel 16 wordt vastgelegd in het versterkingsbesluit, zodat NCG geen apart besluit hoeft te nemen om deze vergoeding uit te keren. In het versterkingsbesluit is een afzonderlijke alinea aan deze maatregel gewijd. Bewoners, onder wie ook bewoners die nog in afwachting zijn van een versterkingsbesluit, ontvangen het bedrag te zijner tijd rechtstreeks op hun rekening. Er is dus geen sprake van ongelijkheid. Het bedrag is voor iedereen die het ontvangt vrij besteedbaar.
Erkent u dat dit weer een keuze voor ongelijkheid tussen gedupeerden is? Bent u bereid dit terug te draaien?
Zie antwoord vraag 15.
Bouweisen bij optoppen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de ontruiming van een Rotterdamse flat vanwege verroeste vloeren en de vrees dat dit een signaal is voor bredere, landelijke problemen met opgetopte woningen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hoogst zorgelijk is dat optopprojecten die nog geen twintig jaar geleden zijn uitgevoerd nu al serieuze structurele mankementen vertonen?
Als bij in het recente verleden uitgevoerde optopprojecten daadwerkelijk sprake is van serieuze structurele mankementen is dit inderdaad zorgelijk.
Wat vindt u van de reactie van architect en universiteit docent bouwtechniek Stephan Verkuijlen die aangeeft dat dit geval aantoont dat controle versnipperd is en dat naar verwachting bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen?
Ik ben het niet eens dat de controle versnipperd is op bestaande optopprojecten. De verantwoordelijk voor de veiligheid van bestaande woningen (waaronder optopprojecten) is primair de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Gemeenten kunnen hierop als bevoegd gezag toezicht houden en waar nodig handhaven.
Ik heb geen aanwijzingen dat bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen.
Wanneer heeft u contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes om te zien in hoeverre dit een groter – landelijk – probleem is?
Mijn ambtenaren hebben reeds contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes. Op dit moment is er nog geen volledig beeld of sprake is van een groter landelijk probleem. Ik verwacht hier de komende weken meer zicht op te krijgen in samenspraak met de genoemde partijen.
Bent u bereid om problemen met optopprojecten proactief te onderzoeken en niet te wachten tot de volgende onveilige situatie zich openbaart? Welke stappen gaat u zetten om de problemen in beeld te krijgen en aan te laten pakken?
Ik heb vooralsnog geen aanwijzingen dat er zich ook bij andere optopprojecten onveilige situaties openbaren. Ik zie voor mij nu geen aanleiding om optopprojecten proactief te onderzoeken.
Deelt u de mening dat bestaande problemen met opgetopte gebouwen moeten worden aangepakt, maar dat bovendien ook nieuwe problemen moeten worden voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het eens dat als er een probleem is geconstateerd met een opgetopt gebouw dit moet worden aangepakt door de eigenaar van het gebouw. Ook ben ik het eens dat nieuwe problemen moeten voorkomen. Vooralsnog ga ik er vanuit dat bij nieuwe optopprojecten die voldoen aan de bouwvoorschriften er geen nieuwe problemen zijn te verwachten.
In 2023 diende de SP reeds een motie in (Kamerstuk 32 813, nr. 1339) in om de eisen voor het optoppen van gebouwen niet te versoepelen. Deelt u de mening dat de huidige eisen erg soepel zijn en dit in de toekomst problemen kan veroorzaken?
Ik deel deze mening niet. Voor optoppen gelden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) de eisen voor verbouw. Deze eisen zijn dan wel minder zwaar dan de eisen voor nieuwbouw, maar leiden bij juiste toepassing nog steeds tot goede woningen. Overigens is er sinds de aanpassing van de verbouwregels (zie mijn antwoord op vraag 8) geen sprake geweest van versoepeling van regels voor optoppen.
Bent u bereid om, in lijn met de eerdere oproep van de VNG, de eisen voor brandveiligheid, duurzaamheid en kwaliteit bij optoppen weer in lijn te brengen met de eisen die we stellen aan nieuwbouw?
Nee. Onder het Bouwbesluit 2003 golden voor verbouw (waaronder optoppen) de nieuwbouweisen en hadden gemeenten met maatwerk per project de mogelijkheid om hiervan af te wijken met lagere eisen. In het Bouwbesluit 2012 is hiervan bewust afscheid genomen en gekozen voor landelijk geldende verbouweisen. Gemeenten bleken namelijk terughoudend te zijn om lagere eisen dan nieuwbouw toe te staan waardoor verbouw-, transformatie- en optopprojecten onvoldoende van de grond kwamen. Ook was hierdoor geen sprake van landelijke eenduidige verbouweisen waardoor bouwers bij iedere gemeente geconfronteerd konden worden met ander beleid en andere regels. In het huidige Bbl zijn deze landelijke verbouweisen voortgezet. Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Welke stappen gaat u zetten om te borgen dat de controle op de bouw altijd afdoende is zodat problemen met de veiligheid van opgestopte woningen worden voorkomen?
De bouwer (aannemer en opdrachtgever) van opgetopte woningen is er volgens het Bbl verantwoordelijk voor dat deze woningen ten minste voldoen aan de eisen in het Bbl. Het is aan de bouwer om zelf de kwaliteitscontrole goed te regelen. Optopprojecten zijn verder altijd vergunningplichtig. Het is aan de gemeente om de vergunningaanvraag te toetsen en toezicht te houden op het voldoen aan de vergunning. Er is voor mij nu geen aanleiding om stappen te zetten.
Bent u van mening dat het toezicht voldoende is, gezien het feit dat er jaarlijks vele klachten over hygiëne- en gezondheidsregels die niet worden nageleefd bij geboekte overnachtingen in bijvoorbeeld hotels, hostels en campings zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Het toezicht op hygiëne- en gezondheidsrisico’s in de horeca wordt voldoende geacht.
In uw vraag verwijst u naar een nieuwsartikel waarin wordt gemeld dat de plaagdierensector een toename van het aantal meldingen van bedwantsen in Nederland signaleert. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) houden geen centrale cijfers bij over het aantal meldingen van bedwantsen in Nederland.
Het overheidstoezicht op hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca is risicogericht. Het richt zich op aspecten, zoals voedselveiligheid en infectieziektebestrijding, die een risico zijn voor de volksgezondheid. Bedwantsen vormen, hoe buitengewoon hinderlijk ook, geen risico waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft. Om die reden houden toezichthouders hier geen specifiek toezicht op.
Dat neemt niet weg dat ondernemers een grote verantwoordelijkheid dragen om hygiëneregels en voorschriften in brede zin na te leven en overlast en onwenselijke situaties voor consumenten te voorkomen. Wanneer consumenten onhygiënische omstandigheden ervaren, kunnen zij dit in eerste instantie melden bij de ondernemer en, waar van toepassing, bij de gemeente of branchevereniging.
Erkent u dat het voor consumenten nu vaak niet duidelijk is waar ze zich bij de overheid kunnen melden met klachten die een gevaar zijn voor de gezondheid zoals plaagdieren of schimmels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij klachten over voedselbereiding in horecagelegenheden kunnen consumenten een melding kunnen doen bij de NVWA. Bij het vermoeden van risico’s voor infectieziekten kunnen consumenten een melding maken bij de GGD. Consumenten kunnen klachten over de naleving van algemene hygiëne- en gezondheidsregels kenbaar maken bij de betreffende ondernemer en branchevereniging. Gelet op de verdeling van verantwoordelijkheden is het voorstelbaar dat consumenten het melden van specifieke klachten bij de juiste overheidsinstantie als complex ervaren. Indien consumenten een klacht indienen die niet binnen de werkzaamheden van de betreffende overheidsinstantie valt, wordt de melding doorgezet naar de juiste instantie of wordt toegelicht bij welke instantie de melding het best kan worden gedaan.
Erkent u dat problemen met voedselbereiding in de horeca worden gecontroleerd, maar dat het erop lijkt dat controle op hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel minder aandacht krijgt?
De NVWA houdt toezicht op voedselbereiding in de horeca. Hygiënische omstandigheden in slaapvertrekken en badkamers vallen niet onder dit toezicht. Dit is primair de verantwoordelijkheid van de ondernemer.
Deelt u voorts de mening dat problemen met voedselbereiding in de horeca eenvoudig kunnen worden gemeld door consumenten bij de NVWA maar dat het melden van problemen met hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel ingewikkelder is? Herkent u het beeld dat melders soms van de ene naar de andere toezichthouder worden verwezen zonder dat hun klacht wordt opgepakt?
De risico’s op het gebied van voedselveiligheid in de horeca vallen onder het toezicht van de NVWA. Consumenten kunnen dit soort problemen daarom eenvoudig melden. Wanneer het klachten over algemene hygiëne- en gezondheidsregels betreft, kunnen consumenten dit kenbaar maken bij de betreffende ondernemer en branchevereniging. Deze aspecten vallen niet onder het overheidstoezicht.
Bent u van mening dat toezichthouders voldoende zijn toegerust om bij overnachtingshoreca voldoende toezicht te houden op hygiëne- en gezondheidsregels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, toezichthouders zijn voldoende toegerust om toezicht bij overnachtingshoreca te houden op die risico’s waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft.
Erkent u dat het niet altijd duidelijk is welke toezichthouder verantwoordelijk is voor welk hygiëne- en gezondheidsprobleem in overnachtingshoreca? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is begrijpelijk dat betrokkenen niet altijd direct weten bij welke instantie een melding kan worden gedaan, zeker omdat voor een aantal hindergevende plaagdieren geen toezichthouder is aangewezen. Voor plaagdieren die, gelet op het risico voor de volksgezondheid, wel een rol voor de overheid vereisen, is hiervan echter geen sprake, aangezien voor deze gevallen specifieke toezichthouders zijn aangewezen.
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij verschillende soorten overnachtingshoreca?
Hieronder is het aantal voedselveiligheidsinspecties van de NVWA bij overnachtingshoreca opgenomen (voor 2025 tot en met november). Het gaat hierbij om controles op voedselbereiding en niet om inspecties van slaapgelegenheden.
Jaar
Inspecties bij overnachtinghoreca
2021
153
2022
330
2023
301
2024
335
2025
371
De ILT houdt toezicht op legionellapreventie bij eigenaren van collectieve drinkwaterinstallaties die onder de reikwijdte van artikel 35 van het Drinkwaterbesluit vallen, zoals hotels, campings en bungalowparken.
De ILT heeft hiervoor een samenwerkingsovereenkomst (de Inspectierichtlijn) met de 10 Nederlandse drinkwaterbedrijven. Zij voeren controles uit in het kader van de naleving van maatregelen voor legionellapreventie. Hoge risico gevallen worden vervolgens voor handhaving gemeld bij de ILT. Jaarlijks worden er door de ILT gemiddeld 165 controles gedaan bij B&B’s en 875 controles bij logies accommodaties (hotels/groepsaccommodaties/bungalowparken).
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij sauna’s?
GGD’en doen inspecties bij sauna’s als zij daarvoor een opdracht hebben van de colleges van burgemeester en wethouders in hun regio of als zij, via bron- en contactonderzoek, reden hebben om aan te nemen dat een bepaalde sauna een rol speelt in de verspreiding van een infectieziekte.
Hieronder is het aantal voedselveiligheidsinspecties van de NVWA bij sauna’s opgenomen (voor 2025 tot en met november). Het gaat hierbij om controles op voedselbereiding en niet om inspecties van andere onderdelen van sauna’s.
Jaar
Inspecties bij sauna's
2021
5
2022
9
2023
12
2024
13
2025
12
In het kader van legionellapreventie worden sauna’s periodiek door de ILT geïnspecteerd. Sinds 1 juni 2024 vallen ook de gebouwen die zijn ingericht als sauna zonder zwembad (bassin) onder deze periodieke inspecties.
De ILT heeft een samenwerkingsovereenkomst (de Inspectierichtlijn) met de 10 Nederlandse drinkwaterbedrijven. Zij voeren controles uit in het kader van de naleving van maatregelen voor legionellapreventie. Hoogrisicogevallen worden vervolgens voor handhaving gemeld bij de ILT. Jaarlijks worden er gemiddeld 35 controles uitgevoerd bij sauna’s. Sinds 1 juni 2024 vallen ook de gebouwen die zijn ingericht als sauna zonder zwembad (bassin) onder deze periodieke inspecties.
Waarom grijpen het RIVM en de GGD niet in wanneer er signalen zijn dat er bedwantsen zijn in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Het RIVM en de GGD zijn geen toezichthouders voor bedwantsen of andere plaagdieren. Als er een risico is voor infectieziekten kan de GGD maatregelen treffen op basis van de Wet publieke gezondheid. De GGD’en adviseren inwoners van hun regio wel over maatregelen die zij kunnen treffen om de overlast van plaagdieren te beperken. Op www.ggdleefomgeving.nl zijn bijvoorbeeld adviezen te vinden over bedwantsen, muizen en ratten.
Klopt het dat er geen beeld is van hoe vaak bedwantsen in Nederland voorkomen omdat er geen meldplicht is?
Het RIVM maakt elke twee jaar een overzicht en analyse van meldingen die bij de GGD’en binnenkomen, waardoor we kunnen zien of er sterke veranderingen zijn in het aantal meldingen. Dat geeft echter geen inzicht in hoe vaak bedwantsen in Nederland voorkomen. Bedwantsen vormen geen direct risico voor de volksgezondheid, ze zijn lastig, vies en kunnen als vervelend ervaren worden maar zijn geen risico waar er een rol voor de overheid is. De verantwoordelijkheid voor het voorkomen en bestrijden van bedwantsen ligt primair bij de consument en ondernemer.
Erkent u dat er, ondanks het ontbreken van een meldplicht, signalen zijn, bijvoorbeeld van Platform Plaagdierbeheersing Nederland, dat de bedwants in Nederland in opmars is? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Er zijn signalen uit de branche over een toename van sommige plaagdieren, maar hierover zijn geen cijfers beschikbaar.
Bent u bereid een meldplicht in te stellen voor bedwantsen in Nederlandse overnachtingshoreca?
De bestrijding van bedwantsen is geen primaire verantwoordelijkheid van de overheid. Er wordt geen meerwaarde gezien in het instellen van een dergelijke meldplicht.
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van bedwantsen?
Bij de NVWA zijn geen meldingen van bedwantsen in het kader van voedselbereiding voor derden bekend.
Deelt u onze mening dat het voorkomen van bedwantsenplagen beter is dan het verhelpen en er daarom vroegtijdig moet worden ingegrepen wanneer bedwantsen worden geconstateerd?
Het is in het belang van consumenten en ondernemers om bedwantsenplagen zoveel mogelijk te voorkomen. De verantwoordelijkheid voor preventie en het tijdig nemen van maatregelen ligt bij ondernemers zelf en, waar van toepassing, bij brancheverenigingen.
Erkent u dat hetzelfde geldt voor kakkerlakken die toeristen aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken? Erkent u dat het onduidelijk is waar mensen zich bij de overheid kunnen melden wanneer ze kakkerlakken aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Kakkerlakken, hoe vervelend ook, zijn geen risico waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft. Dat laat de verantwoordelijkheid van ondernemers en brancheverenigingen onverlet.
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van kakkerlakken?
Van de genoemde toezichthouders houdt alleen de NVWA cijfers bij van meldingen van kakkerlakken. Hieronder staat het aantal voedselveiligheidsinspecties van de NVWA naar aanleiding van meldingen van kakkerlakken bij horecagelegenheden (voor 2025 tot en met november). Het gaat hierbij uitsluitend om controles op plekken waar voedsel wordt bereid.
Jaar
Inspecties n.a.v. melding kakkerlakken
2021
12
2022
17
2023
15
2024
33
2025
19
Hoe vaak is er na melding bij de GGD niet ingegrepen wanneer er plaagdieren werden geconstateerd in hostels, hotels of andere overnachtingshoreca?
De GGD heeft geen handhavende taak voor plaagdieren, tenzij er risico’s zijn voor infectieziekten.
Is het toezicht op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op orde, gezien het feit dat het aantal bed and breakfasts (B&B’s) in Nederland groeit? Is er voldoende capaciteit bij toezichthouders om te voldoen aan de groei?
Toezichthouders moeten altijd keuzes maken over waar de beschikbare capaciteit het meest effectief zal zijn. Toezichthouders werken risicogericht bij het prioriteren van werkzaamheden en moeten dus altijd keuzes maken over waar de beschikbare capaciteit het meest effectief zal zijn. Prioriteiten worden bijgesteld als daar aanleiding voor is.
Hoe vaak is er de afgelopen jaren bij hoeveel B&B’s toezicht gehouden op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels? Welk percentage van de B&B’s is het afgelopen jaar bezocht door toezichthouders? Welk percentage van de B&B’s is de afgelopen vijf jaar bezocht door toezichthouders?
De NVWA verzamelt geen aparte data over B&B’s. De NVWA registreert de bedrijven op basis van de Standaard bedrijfsindeling (SBI)-codes van de KVK. B&B’s vallen onder de SBI-code voor hotels en indien er een inspectie heeft plaatsgevonden wordt deze hieronder geregistreerd.
Erkent u dat schimmels in kamers en badkamers een gezondheidsprobleem kunnen zijn ook in overnachtingshoreca?
Ja. Schimmels in kamers en badkamers kunnen gezondheidsklachten veroorzaken, ook in de overnachtingshoreca, maar met name bij langdurige blootstelling of bij kwetsbare groepen.
Wordt er gericht toezicht gehouden op het voorkomen van schimmels in overnachtingshoreca? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de bevindingen met de Kamer delen?
Schimmels vormen geen risico waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft. Er wordt dus niet gericht toezicht gehouden op het voorkomen van schimmels in overnachtingshoreca. Ondernemers zijn primair verantwoordelijk voor het naleven van algemene hygiëneregels en voorschriften in overnachtingshoreca en voor het voorkomen van schimmelvorming.
Het RIVM heeft een hygiënerichtlijn voor kampeergelegenheden, jachthavens en groepsaccommodaties, hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd?
In lijn met eerdere antwoorden is hygiëne bij kampeergelegenheden, jachthavens en groepsaccommodaties in brede zin, niet primair onderdeel van overheidstoezicht. De richtlijn vanuit het RIVM betreft uitsluitend informatievoorziening, wat op zichzelf geen handhaafbare regels betreffen. De richtlijn helpt ondernemers wel om algemene hygiëne- en gezondheidsregels te waarborgen.
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels op campings maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met betrekking tot legionellapreventie zijn campings onderdeel van het risico- gestuurde toezicht van de ILT en inspecties hierop zijn niet «zeer beperkt». In lijn met de antwoorden op vragen 7 en 8, vinden er via dezelfde samenwerkingsvorm met de drinkwaterbedrijven jaarlijks gemiddeld 465 controles plaats bij campings.
Voor overige hygiëne- en gezondheidsregels geldt dat dit een private aangelegenheid is. De verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij ondernemers en brancheverenigingen. Er is hier, tenzij er sprake is van voedselbereiding van derden, geen rol voor overig overheidstoezicht.
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op campings en bijvoorbeeld plaagdieren zoals ratten aantreffen?
In vervolg op het antwoord van vraag 23, kunnen consumenten klachten over de naleving van algemene hygiëne- en gezondheidsregels bij campings kenbaar maken bij de ondernemer en branchevereniging.
Wanneer het klachten bij de voedselbereiding betreft, kunnen consumenten een melding maken bij de NVWA. Bij het vermoeden van risico’s voor infectieziekten kunnen consumenten een melding maken bij de GGD.
Hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd, gezien het feit dat het RIVM een hygiënerichtlijn heeft voor sauna's, wellnesscomplexen en zwembaden?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 22, is de richtlijn van het RIVM uitsluitend informatievoorziening voor ondernemers en betreft dit geen handhaafbare wet- en regelgeving.
Er wordt geconstateerd dat certificerende instanties deze richtlijnen gebruiken om algemene hygiëne- en gezondheidsregels in de sector te waarborgen.
Wanneer er sprake is van een risico op overdracht van infectieziekten, bijvoorbeeld voortkomend uit bron- en contactopsporing, kan de GGD deze richtlijn gebruiken om advies te geven voor een verbetering van desbetreffende locatie.
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit klopt niet. Met betrekking tot voedselbereiding in sauna’s houdt de NVWA risicogericht toezicht. Daarnaast worden sauna’s risicogestuurd geïnspecteerd op legionellapreventie door de ILT (zie hiervoor ook de antwoorden op vragen 7, 8 en 23).
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s?
Voor consumentenactiviteiten waarbij risico’s op infectieziekten kunnen optreden, zoals sauna’s en tatoeagestudio’s, ligt de advies- en toezichtsverantwoordelijkheid bij het college van burgemeester en wethouders, dat hiervoor een opdracht geeft aan de GGD.
Deelt u de mening dat het toezicht op verschillende aspecten betreffende hygiëne- en gezondheidsregels is versnipperd?
Het toezicht op specifieke risico’s voor de volksgezondheid, zoals voedselveiligheid en infectieziektebestrijding die het gevolg kunnen zijn van onhygiënische situaties, is belegd bij verschillende overheden, ieder vanuit een eigen wettelijke verantwoordelijkheid en expertise. De NVWA houdt primair toezicht op voedsel en voedselbereiding voor derden. De ILT houdt toezicht op legionellapreventie. Het RIVM en de GGD verzorgen daarnaast informatievoorziening voor consumenten en ondernemers over gezondheidsrisico’s.
Werken verschillende inspectiediensten en overheidsdiensten voldoende samen om altijd effectief toezicht te houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Overheidsdiensten en toezichthouders werken, afhankelijk van het onderwerp, met elkaar samen om risicogericht effectief toezicht te houden. Een voorbeeld daarvan is het toezicht op de kwaliteit bij en van collectieve drinkwaterinstallaties. Daarvoor heeft de ILT een samenwerkingsovereenkomst met Vewin (drinkwaterbedrijven). Samenwerking met andere toezichthouders is er, indien nodig (bijvoorbeeld met Omgevingsdiensten en de NVWA).
Is er bij alle betrokken toezichthouders voldoende capaciteit om effectief toezicht te houden?
Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 18.
Bent u bereid te komen tot één duidelijke plek waar mensen zich bij de overheid kunnen melden waanneer ze aanwijzingen hebben dat de inspectie moet handelen wanneer hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca in het gedrang lijken te zijn? Wilt u tevens zorgen dat melders ook een terugkoppeling krijgen van wat er met hun melding is gedaan?
Hierbij wordt geen rol gezien voor de overheid, dit gaat immers niet over de volksgezondheid maar over de kwaliteit. Klachten over hygiëne moeten bij de ondernemer gemeld worden. Als er geen respons is van de ondernemer kan er vaak gebruik gemaakt worden van een klachtenprocedure vanuit de branchevereniging.
Als er een rol is weggelegd voor een inspectie of toezichthouder, kan de melding bij de desbetreffende instantie worden gedaan. Als er bij de inspectie of toezichthouder aanwijzingen zijn dat er risico’s zijn voor de volksgezondheid dan zal deze zelf actie ondernemen. Er bestaat dan ook geen bereidheid om een nieuwe plek in te richten voor alle hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca.
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Nee, dat is helaas niet gelukt als gevolg van de benodigde afstemming.
Het bericht ‘Tolweg A24: Meer opbrengst uit boetes en herinneringskosten dan aan e-TOL’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de uitzending van Kassa van 22 november jongstleden, waarin duidelijk wordt gemaakt dat de tolweg A24 meer inkomsten via boetes, en in de toekomst ook via herinneringsbrieven, genereert dan via de tol zelf?1
Het is goed dat het Tv-programma Kassa aandacht heeft besteed aan de tolheffing op de A24/Blankenburgverbinding. Om deze reden is ook medewerking verleend aan een interview met Kassa. In de uitzending werd het beeld geschetst dat wordt gestuurd op zoveel mogelijk inkomsten uit betalingsherinneringen en boetes. Dit beeld wordt niet herkend. Zie ook de antwoorden op de vragen hierna.
Hoe reageert u op de uitspraken van de Nationale ombudsman, dat het digitale tolsysteem onnodige lasten bij burgers legt en mensen die niet digitaal vaardig zijn uitsluit, waardoor zij in de problemen komen?
De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. De tolheffing is uitsluitend bedoeld om een deel van de investering van de Blankenburgverbinding terug te betalen (€ 405 mln. van € 2,138 mld.). De tolheffing wordt beëindigd als deze opgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan.
De situatie ter plaatse leende zich vanwege de verkeersveiligheid en doorstroming niet voor het inrichten van een tolplein met slagbomen. Betaling vindt daarom digitaal plaats. Dit kan door aan te melden voor automatisch betalen of door per rit te betalen op www.e-tol.nl. Inmiddels betaalt bijna 80% van de weggebruikers de tol automatisch. Hier zit een stijgende trend in.
Het systeem kan ingewikkeld zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten) en op goede ondersteuning. Het klantcontactcentrum van RDW biedt telefonische en schriftelijke ondersteuning bij het verrichten van betalingen en het aanmelden voor automatisch betalen. Wel is het zo dat burgers uiteindelijk zelf (betaal)handelingen moeten verrichten. Ook met ondersteuning van het klantcontactcentrum is dat niet voor iedereen mogelijk. In het klantcontact wordt in dergelijke gevallen aangeraden om hulp te vragen aan familie, vrienden of buren. Ook kunnen mensen terecht bij een Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). IDO’s zijn vaak gevestigd in bibliotheken en bieden hulp en ondersteuning bij digitale overheidsdiensten. Alle IDO’s hebben van RDW informatie ontvangen over de tolheffing. Medewerkers van IDO’s in de omgeving van de A24 hebben daarnaast een aanvullende training gekregen.
In aanvulling hierop is bij de handhaving van de tolplicht oog voor de menselijke maat en persoonlijke omstandigheden. Er wordt bijvoorbeeld per brief getracht in contact te komen met gebruikers met meerdere openstaande betalingsherinneringen of boetes. Doel hiervan is ondersteuning bieden en voorkomen dat mensen in de problemen komen. De handhaving kan daarbij tijdelijk worden gepauzeerd. Ook wordt in bepaalde gevallen coulant opgetreden.
Waarop zijn de boetebedragen voor het niet op tijd betalen van de tol gebaseerd?
Als een rit op de A24 niet op tijd is betaald, wordt een betalingsherinnering verstuurd. In het eerste jaar na opening van de A24 zijn hierbij geen aanvullende kosten gerekend. Sinds 7 december 2025 wordt een vergoeding van € 9, bovenop het verschuldigde toltarief, in rekening gebracht. Dit bedrag is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als ook na een betalingsherinnering niet tijdig is betaald, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Deze boete bedraagt € 35, vermeerderd met het toltarief en de vergoeding voor de betalingsherinnering. Het boetebedrag is onderbouwd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15.2 De hoogte van het boetebedrag is een afweging tussen proportionaliteit en afschrikwekkende werking: de boetehoogte moet evenredig zijn aan de ernst van de overtreding én weggebruikers aanzetten tot het nakomen van de verplichting om tol te betalen. In de memorie van toelichting staat daarnaast benoemd dat de regering het niet betalen van tol vergelijkbaar acht met het niet kopen van een vervoerbewijs in het openbaar vervoer. Destijds (de memorie van toelichting is in 2015 opgesteld) bedroeg deze boete ook € 35, vermeerderd met de oorspronkelijke ritprijs.3 De boete voor niet-betaalde tol is sinds 2015 niet geïndexeerd.
Kunt u onderbouwen wat de werkelijke kosten zijn van het versturen van de betalingsherinnering? Waarop is het bedrag van negen euro gebaseerd?
Het bedrag van € 9 is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt met het versturen van een betalingsherinnering en de verdere afhandeling daarvan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om ICT-kosten, print- en portokosten en personeelskosten. Dit gaat niet alleen om de personele inzet die betrekking heeft op het versturen van een betalingsherinnering, maar ook om aanvullend klantcontact dat naar aanleiding van de herinneringsbrief plaatsvindt. De hoogte van de vergoeding is vastgelegd in artikel 4:113 van de Awb.4 Dit bedrag wordt gehanteerd bij diverse aanmaningen onder het bestuursrecht. Dit bedrag is daarmee niet specifiek toegespitst op de tolheffing.
Zijn de aanmaningen voor het niet op tijd betalen van de tol winstgevend? Zo ja, bent u ervan op de hoogte dat dit tegen de wens van de Tweede Kamer ingaat, aangezien de motie-Hoogland/Visser, over het beperken van het aantal niet-betalingen tot het absolute minimum, is aangenomen?2
Conform de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet TTH) zijn in het eerste jaar bij betalingsherinneringen geen aanvullende kosten in rekening gebracht. Aangezien het versturen en afhandelen van deze betalingsherinnering wel geld kost, zijn de betalingsherinneringen tot nu toe niet kostendekkend geweest. Sinds 7 december jl. wordt de vergoeding van € 9 in rekening gebracht. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, is deze vergoeding bedoeld om de kosten van de betalingsherinnering te dekken.
De motie-Hoogland/Visser6 is bekend. De tolheffing wordt in overeenstemming met deze motie uitgevoerd. De doelstelling is om de hoeveelheid niet-betalingen zoveel mogelijk te beperken, waardoor het aantal betalingsherinneringen en de hiermee gepaard gaande kosten voor de overheid én de weggebruiker beperkt blijven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Hoe groot is het gat in de begroting als alle passanten op de A24 de tol op tijd betalen? Moet het bedrag verhoogd worden zodra meer mensen op tijd de tol betalen?
Er is geen sprake van een gat in de begroting als alle passanten de tol op tijd betalen. Met de tolheffing op de A24 wordt een financieringsbehoefte gedekt van € 405 miljoen (bedrag in contante waarde en in prijspeil 2025). De tolheffing wordt beëindigd als deze opgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan. Het aantal gebruikers van de A24 en het betaalgedrag van deze gebruikers is bepalend voor de kosten en opbrengsten van tolheffing. Lagere opbrengsten leiden naar verwachting tot een langere termijn van tolheffing. Als veel passanten de tol tijdig betalen wordt wel bespaard op de uitvoeringskosten.
Deelt u de conclusie dat als één op de vijf passanten een herinneringsbrief nodig heeft om de tol te betalen, dat er dan sprake is van een onduidelijk systeem?
Nee, deze conclusie wordt niet gedeeld. De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Dit is ook het geval bij vergelijkbare elektronische tolwegen in het buitenland. Ook speelt mee dat sommige weggebruikers het tolsysteem wel begrijpen, maar de herinneringsbrief (ten onrechte) als een factuur beschouwen. In de afgelopen maanden heeft intensievere communicatie hierover ertoe geleid steeds meer weggebruikers automatisch betalen. De aankondiging van de vergoeding voor de betalingsherinnering werkt hierbij als gedragsprikkel.
Steeds meer gebruikers betalen op tijd. Momenteel wordt circa 85% van de passages tijdig betaald. Dit is boven de verwachting zoals opgenomen in de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 2026.7 Bovendien neemt dit percentage naar verwachting de komende periode verder toe, zodat ook het aantal betalingsherinneringen en boetes afneemt. Hier zijn ook stappen voor in gang gezet. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat de herinneringsbrief voor het niet op tijd betalen van de tol alsnog gratis verstuurd moet worden, aangezien één op de vijf passages op de A24 een betalingsherinnering nodig heeft, en dat ook bedrijven wettelijk verplicht zijn de eerste betalingsherinnering gratis te versturen?
Nee, deze mening wordt niet gedeeld. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, worden voor het versturen en afhandelen van betalingsherinneringen kosten gemaakt. Op grond van de Awb mag hiervoor een vergoeding in rekening worden gebracht.
Welke stappen gaat u nemen om het aantal passanten dat tol op tijd betaalt te verhogen, om daarmee het aantal herinneringsbrieven en boetes te verminderen? Bent u ook bereid de drempel te verlagen voor mensen die niet digitaal vaardig zijn, door bijvoorbeeld mogelijkheid te bieden fysiek voor de tol te betalen? En deelt u de mening dat tolheffing überhaupt een ongewenst systeem is om onze infrastructuur te bekostigen?
Er wordt op verschillende manieren gecommuniceerd over de tolheffing. Onder andere via verkeersborden, de website e-tol.nl en het klantcontactcentrum. Daarnaast heeft voorafgaand aan de opening van de A24 een uitgebreide campagne plaatsgevonden, met onder meer advertenties in kranten, radio en televisie, vakbladen en social media.
In aanloop naar 7 december jl. (de start van de vergoeding van € 9 bij een betalingsherinnering), heeft wederom veel communicatie plaatsgevonden. Zo is de website e-tol.nl verduidelijkt, wordt informatie getoond op matrixborden in de omgeving van de A24 en staat er informatie op bouwborden en op digitale panelen bij tankstations in de wijde omgeving van de A24. Weggebruikers die gebruikmaken van bepaalde navigatiesystemen krijgen in december gedurende enige tijd een pushbericht dat ze over de tolweg hebben gereden. Ook zijn op 6 december jl. advertenties geplaatst in landelijke en regionale dagbladen om weggebruikers te wijzen op het tijdig betalen van tol op de A24. Tot slot staat er sinds oktober al informatie over de kosten voor de betalingsherinnering op zowel de brief als de envelop van de betalingsherinnering. Dit alles moet eraan bijdragen dat het aantal passanten dat tijdig tol betaalt verder wordt verhoogd en dat het aantal herinneringsbrieven en boetes afneemt.
Bij de inrichting van het tolsysteem is de drempel om tol te betalen zo laag mogelijk gehouden. Fysieke betaalpunten bleken hierbij echter niet mogelijk. Een «klassiek» tolplein met slagbomen bleek niet inpasbaar in het wegontwerp van de A24 en zou daarnaast leiden tot filevorming en reistijdverlies. Ook een fysiek betaalpunt langs de A24 bleek niet mogelijk. De A24 is namelijk een korte snelweg (slechts 4,2 kilometer lang), met daarin twee tunnels. Er is geen ruimte voor op- en afritten of een verzorgingsplaats. Eventuele fysieke betaalpunten kunnen daarom alleen op het onderliggend wegennet of langs omringende snelwegen worden gecreëerd. Gezien de complexe wegenstructuur in het gebied is het de vraag of niet digitaal vaardige burgers in dat geval een fysiek betaalpunt zouden weten te vinden. Daarmee is het de vraag of er tegenover de uitvoeringskosten van dergelijke betaalpunten wel voldoende baten staan. Het inrichten van een fysiek betaalpunt is immers niet eenvoudig en brengt ook kosten met zich mee. Er moet bijvoorbeeld gezocht worden naar geschikte locaties, met de juiste betaalvoorzieningen, personeel, beveiliging, etc. Er is daarom ingezet op goede informatievoorziening en ondersteuning voor niet digitaal vaardige burgers. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Tot slot wordt de mening dat tolheffing een ongewenst systeem is om infrastructuur te bekostigen niet gedeeld. Voor de A24 geldt dat deze weg niet gerealiseerd had kunnen worden zonder tolheffing. Voor de in aanleg zijnde ViA15 is dezelfde keuze gemaakt.
Heeft u in uw berichtgeving naar de pers daadwerkelijk gezegd dat als mensen niet de digitale vaardigheden hebben om deze tol te betalen, dat zij dan een computerles moeten volgen? Zo ja, draagt u met deze woorden niet bij aan de uitsluiting van deze groep door zo te reageren op vragen van de pers?
Nee, dit heb ik niet gezegd. Er is aangegeven dat mensen die niet digitaal vaardig zijn voor ondersteuning naar de bibliotheek kunnen gaan. Bibliotheken kunnen namelijk ondersteuning bieden bij digitale dienstverlening in de rol van Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). Zie verder het antwoord op vraag 2.
Waarom gaat u ervan uit dat er in de toekomst alsnog 400.000 boetes geïnd moeten worden voor het niet betalen van tol, als u zelf aangeeft dat aantal naar nul te willen brengen?
In tabellen 87 en 88 van de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 2026 staat een inschatting van de verwachte opbrengsten uit tolgelden, betalingsherinneringen en boetes op de A24 en de ViA15. In deze tabellen staat dat wordt verwacht dat bij de A24 vanaf 2028 jaarlijks circa 400.000 boetes worden verzonden. De raming in de begroting is volledig gebaseerd op veronderstellingen over het verwachte gebruik en betaalgedrag van de weggebruiker voorafgaand aan de start van de tolheffing. De raming is nog niet gebaseerd op de werkelijke situatie en kent dus veel onzekerheid.
Nu de tolheffing een jaar loopt, ontstaat een beter beeld van het werkelijke aantal betalingsherinneringen en boetes en ook van de kosten en opbrengsten van tolheffing. Het aantal betalingsherinneringen en boetes ligt in de praktijk substantieel lager dan vooraf geraamd. De Kamer ontvangt in het eerste kwartaal van 2026 een voortgangsbrief tijdelijke tolheffing, waarin nader wordt ingegaan op deze cijfers en de ervaringen in het eerste jaar van tolheffing. Via het jaarlijkse begrotingsproces wordt telkens een actuele raming opgesteld op basis van de meest actuele inzichten en de verwachtingen met betrekking tot het aantal tolpassages, betalingsherinneringen en boetes.
Waarop heeft u gebaseerd dat voor de nog te bouwen verlenging van de A15 meer dan 50 miljoen euro aan administratiekosten en boetes ontvangen wordt?
Zie het antwoord op vraag 11.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Sandra Beckerman (SP), Dion Graus (PVV), Laurens Dassen (Volt), Laura Bromet (GL), Anne-Marijke Podt (D66), Esther Ouwehand (PvdD), Pieter Grinwis (CU) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
MKB-ondernemers die nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie in Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Erkent u dat veel (MKB) ondernemers nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie?
Ja, ik zie dat het versterkingen van gebouwen van mkb-ondernemers complex is en meer aandacht vraagt dan reguliere versterking. In mijn Kamerbrief van 25 juni jl.1 geef ik dan ook aan dat ik zie dat er meer aandacht is voor deze doelgroep vanuit uitvoeringsorganisaties en partijen die ondersteuning bieden.
Erkent u dat er veel vertraging is en plannen steeds wijzigen, bijvoorbeeld rondom het Koopmansplein in Ten Boer, waardoor ondernemers in grote onzekerheid zitten?
Ja, ik zie dat mkb-ondernemers vaker vastlopen vanwege de complexiteit van de dossiers. Mkb-ondernemers hebben daarom mijn speciale aandacht.
Hoeveel MKB-ers wachten nog op versterking? Wat is hiervan de planning?
Op dit moment zijn er 113 mkb-adressen in het mkb-programma van NCG die nog nog niet in de planvormingsfase zitten, bijvoorbeeld omdat het versterkingsadvies nog niet is gedeeld. Voor 243 mkb-adressen geldt dat zij wel in de planvormingsfase zitten. Dit betreft enkel de adressen waarbij de onderneming afhankelijk is van het te versterken pand en om die reden in het mkb-programma zijn opgenomen.
Erkent u dat ook wanneer de versterkingsoperatie al wel zou beginnen en de zaak gesloten is, de werkzaamheden alsnog niet van start gaan? Kent u bijvoorbeeld het bericht «Boze teksten op eetcafé De Brug in Nieuwolda. Eigenaar Peter (55): «De overheid hoort je te helpen»» wat hier een voorbeeld van is?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als bij gedeeltelijke sloop van het gebouw toch duidelijk wordt dat er constructieve gebreken zichtbaar worden die nieuwe berekeningen vragen.
Bij hoeveel ondernemers is de versterking officieel gestart maar liggen de werkzaamheden stil?
NCG heeft persoonlijk contact met alle projecten die versterkt worden. Ik hecht eraan uw Kamer mee te geven dat NCG er alles aan doet om tijdig in kaart te brengen hoe de bedrijfssituatie er uit ziet. Het regelen van tijdelijke huisvesting, mogelijke tijdelijke bedrijfsruimte of tijdelijke sluiting en vergoedingen die daar verband mee houden, komt in samenspraak met de ondernemer tot stand. Uw Kamer kan erop vertrouwen dat ik aandacht voor de voortgang heb, zodat ondernemers altijd weten waar ze aan toe zijn.
Begrijpt u de woorden van ondernemer Peter Wedda die over de overheid zegt: «Zij krijgen keurig betaald van 9 tot 5, met hun Tesla’s en Van Bommel-schoenen. Petra en ik zitten hier zeven dagen per week middenin.»? Erkent u dat de versterkingsoperatie ondernemers veel energie en vaak ook geld kost, en ze vaak het gevoel hebben geen grip te hebben?
Ik begrijp goed dat ondernemers de situatie waarin ze terecht gekomen zijn, als zeer frustrerend ervaren. Deze mensen willen aan de slag met hun bedrijf en niet met de versterking.
Erkent u dat MKB-ers cruciaal zijn voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied? Zo ja, kunt u daarom kiezen voor een aanpak waarbij MKB-ers beter worden ondersteund?
Ja, mkb’ers zijn cruciaal voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied.
NCG is met betrokken partijen in gesprek over hoe zij zo vroeg en volledig mogelijk inzicht kunnen geven in de vergoedingen om schade als gevolg van versterken te vergoeden.
De resultaten van het onderzoek van Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen over het mkb van vorig jaar biedt NCG verdere waardevolle inzichten om de dienstverlening voor het mkb verder te verbeteren. Een aantal aanbevelingen heeft NCG al in gang gezet. Zo is het onderzoek voor NCG mede aanleiding geweest om vaker en eerder met ondernemers in gesprek te gaan.
Daarnaast is er sinds mei dit jaar een provinciale investeringsregeling voor mkb-ondernemers in het aardbevingsgebied. De regeling is bedoeld om de hardst getroffen groep, micro-ondernemers met schade of versterking, te helpen bij het werken aan de toekomst van hun bedrijf. Daarnaast is er ondersteuning vanuit het provinciale mkb-programma en ook kunnen ondernemers bij Stut en Steun terecht.
Steeds vaker worden er signalen ontvangen van zowel MKB-ers als bewoners dat er een schaarste ontstaat aan tijdelijke huisvesting, kunt u dit bevestigen of ontkrachten? Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) heeft eerder (Beoordeling Meerjaren Versterkingsplan) aangegeven dat het gebrek aan tijdelijke huisvesting één van de bottlenecks kan zijn waardoor de versterkingsoperatie kan vertragen, wat is hiermee gedaan?
Ik herken deze signalen niet. NCG past maatwerk toe bij het vinden van passende tijdelijke huisvesting. Daarbij wordt in overleg met de ondernemer vaak gezocht naar mogelijkheden op dezelfde locatie, zodat er niet uitgeweken hoeft te worden naar tijdelijke huisvesting elders. Ook voor bewoners is er afdoende tijdelijke huisvesting.
Bij hoeveel MKB-ers is er een conflict over de verduurzamingssubsidies? Zou u willen kiezen voor een voortvarende aanpak en het ruime bedrag willen toekennen, en gesteggel over voor welke ruimtes wel en niet in aanmerking komen voorkomen?
Het is mij niet bekend om hoeveel adressen dit in totaliteit gaat. Tegelijkertijd heeft het wel doorlopend mijn aandacht. Juist bij ondernemers die wonen- en werken in het zelfde gebouw is het belangrijk om precies te zijn bij het uitkeren van subsidies. Bij subsidies aan bedrijven zijn er duidelijke regels omtrent staatssteun, waarbij ik wil benadrukken dat een te ruimhartige opstelling kan leiden tot het moeten terugvorderen van de subsidie, waarmee de ondernemer niet geholpen is.
Veel MKB-ers zijn huurder en hebben daardoor minder rechten dan eigenaren, erkent u dat dit een probleem kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wilt u hieraan doen? Bent u bereid de regeling voor technische, juridische en financiële steun ook beschikbaar te maken voor huurders waaronder MKB-ondernemers?
Het klopt dat de situatie van een hurende mkb’er anders is dan van een eigenaar. Ook een hurende mkb’er kan ondersteuning krijgen. Voor juridische, planologische, bedrijfskundige of psychologische ondersteuning kunnen gedupeerde ondernemers sinds 29 januari 2024 voor € 10.000 subsidie aanvragen via de deskundigenregeling bij de provincie. Daarnaast heeft de provincie mkb-consulenten in dienst om ondernemers – dus ook mkb-huurders – bij te staan.
In 2024 en 2025 werden drie zeer kritische rapporten gepubliceerd over de situatie van MKB-ers in het gaswinningsgebied, welke lessen heeft u hieruit getrokken?2 3 4
De rapportages vanuit Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen, Gronings Perspectief en Ipsos I&O hebben er mede toe geleid dat ik de toegankelijkheid van regelingen aanhoudend blijf verbeteren. Ik zorg er voor dat ondernemers niet van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Een belangrijke maatregel hiervoor is het beter inzetten van Stut en Steun en mkb-consulenten, die ondernemers kunnen begeleiden. Daarnaast is om gedupeerde ondernemers weer op weg te helpen na afronding van de afhandeling van schade of uitvoering van de versterking de investeringsregeling mkb van de provincie gestart. Zie voor de beantwoording ook het antwoord op vraag 7.
Wat heeft u gedan met de conclusie van Ipsos I&O dat MKB-bedrijven in het aardbevingsgebied slechter presteren, hun omzet minder groeit en het gat met ondernemingen elders waarschijnlijk is toegenomen?5
Ik richt mij op het efficiënter inrichten van procedures en toegankelijker maken van regelingen samen met NCG, IMG en Provincie. Met name de investeringsregeling voor micro-MKB van de Provincie Groningen sluit goed aan bij de conclusies van het Ipsos I&O onderzoek. Daarom heeft het Rijk 30 miljoen voor deze regeling beschikbaar gesteld. Deze regeling zorgt ervoor dat micro-ondernemers die de laatste jaren minder of niet in hun bedrijf hebben kunnen investeren een steun in de rug krijgen.
Wat heeft u gedaan met de conclusie van het kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen dat het bestaande hulpsysteem te complex is?6
Het Kennisplatform benoemt dat mkb-ondernemers vaak last hebben van een stapeling van problemen. Ik heb een verkenning laten uitvoeren naar complexe casuïstiek, waar veel mkb-problematiek in voorkomt. Bij de oplossing voor deze complexe casuïstiek zijn vaak meerdere organisaties betrokken. Ik bekijk hoe alle partijen beter integraal kunnen samenwerken door ze zo vroeg mogelijk in de schadeafhandeling en versterkingsoperatie om tafel te zetten. Dat gezegd hebbende, het moet wel een verbetering zijn, dus dit kost tijd.
Wat heeft u gedaan met hun advies voor maatwerk, betere samenwerking, vaste contactpersonen en lagere drempels voor ondersteuning? Hoe zet u behoeften van ondernemers centraal in plaats van de systeemwerkelijkheid?
Zie hiervoor de antwoorden op vraag 7 en 11.
Erkent u, gezien MKB-ers aangeven nog steeds tegen dezelfde problemen aan te lopen, dat er meer maatregelen nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten? Wat heeft u gedaan met de conclusie van Gronings Perspectief dat ondernemers kampen met omzetverlies door de hersteloperatie, extra personeelskosten en fiscale problemen door waardedaling van bedrijfspanden?7
Nee, er zijn op dit moment al veel mogelijkheden. Ik wil inzetten op optimaliseren van de regelingen en het intensiveren van een persoonlijke begeleiding. De schade die ondernemers hebben, wordt reeds vergoed met verschillende regelingen vanuit IMG en NCG.
Deelt u onze mening dat de conclusie van Gronings Perspectief nog steeds geldt dat de financiële kwetsbaarheid door de versterkingsoperatie zorgt voor stress en frustratie, en daarmee druk op het mentale welzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen wilt u zetten?
Ja. In zijn algemeenheid ervaren sommige inwoners van Groningen stress en frustratie. Voor ondernemers is dit niet anders. Daar komt bij dat de tijd die ondernemers in de aardbevingsproblematiek steken, deze niet in hun onderneming kunnen steken. Dit heeft invloed op hun mentale welzijn. Er zijn veel welzijnsorganisaties actief in het gebied, waarvan er één specifiek gericht op aardbevingsleed: Geestelijke Verzorging Aardbevingsgebied Groningen.
Daarnaast staan naast de begeleiders vanuit NCG en IMG, Stut en Steun en ook de consulenten van het MKB programma klaar om hen te ondersteunen bij hun schade of versterkingstraject.
In mijn antwoord op vraag 7, 10, 11, 13 en 15 ziet u welke (verdere) concrete stappen ik neem.
Kunt u zorgen voor één plek waar alle regelingen voor MKB-ers overzichtelijk gepresenteerd worden?
Hiervoor kunnen mkb-ondernemers terecht bij de mkb-consulenten van de provincie.
Kunt u zorgen dat ondernemers die nu geen gebruik kunnen maken van specifieke regelingen omdat ze nog wachten op de versterking, later alsnog gebruik kunnen maken van die regelingen?
De regelingen van het NCG en IMG zijn beschikbaar zo lang als nodig is voor ondernemers die te maken hebben met schade en/of versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Herstel Groningen?
Ja.
De gezondheid van scholieren in Groningen na één van de zwaarste aardbevingen in Groningen |
|
Etkin Armut (CDA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Kunt u uw reactie geven op het door Gronings Perspectief gepresenteerde rapport over de diepe sporen die de ellende die samenhangt met de aardbevingen nalaat bij scholieren?1
Het is belangrijk dat we blijven luisteren naar jongeren in Groningen. Hun verhalen helpen ons beter begrijpen wat herstel echt betekent. Daarom vind ik projecten zoals «Lang verhaal kort» van het IMG belangrijk. Daarom praat ik ook met jongeren en stimuleer ik hun betrokkenheid. En daarom is het goed dat onderzoekers van het Gronings Perspectief naar de effecten bij jongeren hebben gekeken. Dit onderzoek bevestigt wat ik vaker hoor van jongeren uit de regio: de stress die ouders ervaren raakt ook hen. Dit onderstreept het belang van een voortvarende uitvoering van Nij Begun, en in het bijzonder de Sociale Agenda, waarbij we voor de komende 30 jaar investeren in het mentaal welzijn van jongeren. Denk hierbij aan maatregelen op scholen, laagdrempelige inloop bij de huisarts en het vergroten van de mentale weerbaarheid van jongeren.
Het zijn volgens de wetenschappers niet de bevingen zelf, maar de scheuren en het trage herstel daarvan waardoor scholieren meer gezondheidsproblemen krijgen die zorgen voor stress, schoolverzuim en depressieve klachten. Welke stappen gaat u zetten om het herstel te versnellen en daarmee gezondheidsproblemen te voorkomen?
Ik begrijp dat jongeren stress ervaren als de versterking lang voortsleept. Om die reden heeft NCG de afgelopen jaren intensief ingezet op het scholenprogramma en momenteel worden de laatste twee scholen versterkt. Daarmee hoop ik dat jongeren in ieder geval minder stress ervaren op school. Voor de totale versterkingsoperatie begrijp ik goed dat bewoners – en jongeren in het bijzonder – evenals uw Kamer verlangen naar meer voortgang, zeker na een aardbeving als die van 14 november jl.
Tegelijkertijd vraagt de versterking om koersvastheid en stabiliteit; de parlementaire enquête heeft laten zien dat ingrijpende wijzigingen in de aanpak juist tot nieuwe vertraging kunnen leiden. Daarom blijf ik gericht werken aan het opschalen van het tempo, binnen realistische en haalbare kaders en zonder de kwaliteit voor bewoners uit het oog te verliezen. Met de jaarlijkse actualisaties van de diepteanalyse informeer ik uw Kamer transparant over de maatregelen die ik met alle betrokken partijen daartoe tref en het verwachte verloop van de versterkingsoperatie.
Ook de aanwezigheid van schade in een woning kan een groot effect hebben op jongeren. Het IMG stuurt actief op de voortgang van langlopende schademeldingen. Deze gerichte aanpak heeft al tot de afronding van veel oude zaken geleid. Voor de complexere dossiers, die door uiteenlopende redenen niet binnen de reguliere termijnen kunnen worden afgehandeld, heeft het IMG het Team op Maat ingericht. Dit team is specifiek bedoeld om complexe schadeafhandelingen die vertraging hebben opgelopen sneller af te ronden.
Herkent u zich in de woorden van de voorzitter van Jong Noord, Cody Rozema, die zegt: «We hebben in Groningen een hele generatie jongeren die denkt: de overheid staat niet naast mijn ouders, mijn broertjes en zusjes en mijzelf, maar tegenover ons.»? Welke extra stappen wilt u zetten om het vertrouwen van deze generatie te herstellen?2
Ja, ik herken de woorden van de voorzitter van Jong Noord dat het vertrouwen van meerdere generaties zwaar beschadigd is. Ik heb hem hier een aantal keer over gesproken. Ook spreek ik met jongeren buiten de georganiseerde jongerenorganisaties, om een beeld te krijgen van de ervaringen van jongeren die niet uit zichzelf naar voren stappen. Het herstellen van dat vertrouwen is niet van de ene op de andere dag geregeld, maar vergt naast schadeherstel en versterking ook een generatielange inzet op de sociale en economische omstandigheden.
Woensdag 12 november j.l. was ik bij de presentatie van het jongerenproject lang verhaal kort, georganiseerd door het IMG. Jongeren presenteerden daar hun video's met daarin hun persoonlijke verhaal. De stress die ouders ervaren raakte in sommige gevallen het hele gezin. Om het vertrouwen van deze jongeren te herstellen hebben rijk en regio gezamenlijk de sociale en economische agenda opgesteld. Jaarlijks is voor beide agenda's, dertig jaar lang, 100 miljoen beschikbaar met als doel het vertrouwen in de overheid te herstellen en brede welvaart in de regio te bevorderen.
Welke stappen zijn gezet en gaat u zetten om het aanbod van psychosociale hulp, waarvan uit eerder onderzoek bleek dat dat beperkt vindbaar en vaak ontoereikend is, te verbeteren?3
In de Sociale Agenda zijn verschillende maatregelen gekozen die écht het verschil maken om het mentaal welzijn van jongeren te verbeteren. Denk daarbij aan brugfunctionarissen op scholen, laagdrempelige inloop bij de huisarts en het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. Gemeenten hebben daarnaast 55,8 miljoen ontvangen voor het verbeteren van psychosociale hulp, bijvoorbeeld voor aardbevingscoaches. Aardbevingscoaches ondersteunen ook jongeren. Zij bieden inwoners een luisterend oor en praktische ondersteuning. Zij kijken met kinderen wat zij nodig hebben of organiseren activiteiten voor kinderen in de buurt. Over de uitvoering van de Sociale Agenda wordt voor eind januari 2026 een Kamerbrief gestuurd.
Is er volgens u momenteel voldoende erkenning vanuit de overheid voor het leed dat kinderen en jongeren ervaren? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u?
We erkennen het leed dat jongeren en kinderen ervaren en zetten de eerste stappen om dit te herstellen en het vertrouwen te vergroten. De Sociale en Economische Agenda gaan over hen en zijn tot stand gekomen met de input van jongeren. De uitvoering is al deels gestart en zal volgend jaar verder gaan. Deze maatregelen zijn nog niet direct voelbaar voor jongeren, maar moeten op termijn bijdragen aan een regio waar het fijn wonen, werken, opgroeien, oud worden en waar het fijn leven is.
Ook heeft het IMG in 2023 de vergoedingen voor immateriële schade binnen huishoudens gelijkgetrokken. Dit betekent dat kinderen en jongeren in het aardbevingsgebied voortaan evenveel compensatie voor immateriële schade krijgen als hun ouders/verzorgers. Deze verruiming is met terugwerkende kracht ingegaan. Met deze gelijktrekking wordt onderkend dat het leed van jongeren niet onderdoet voor dat van volwassenen.
De mogelijkheden voor verbetering die ik zie gaan met name over de betrokkenheid van jongeren. Daarvoor zetten we nu de eerste stappen, zie voor een uitgebreide toelichting vraag 6. Jaarlijks zullen naar aanleiding van de publicatie van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe ook gesprekken plaatsvinden met jongeren uit de regio.
Welke stappen wilt u zetten om te zorgen dat jongeren meer mee mogen praten en zeggenschap krijgen over het beleid rondom schadeherstel, versterking en herstel van Groningen?
De betrokkenheid van jongeren is van groot belang voor het verbeteren van beleid en uitvoering voor het herstel van Groningen. Jongeren moeten een actieve rol kunnen spelen en hun zorgen en ideeën moeten worden gehoord, zodat zij invloed kunnen hebben op de toekomst van Groningen en Noord-Drenthe.
Het organiseren van deze betrokkenheid bij het herstel van Groningen gaat verder dan het opzetten van een traditionele jongerenraad, omdat ook jongeren die niet uit zichzelf naar voren stappen bereikt dienen te worden. Door jongeren op een creatieve en laagdrempelige manier te betrekken wordt een bredere doelgroep bereikt.
De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) voert in samenwerking met bureau Jimmy's het participatieve actieonderzoek Opgeschud uit met subsidie van het Ministerie van BZK. Het onderzoek heeft als doel organisaties te stimuleren en te ondersteunen bij het opbouwen van een duurzame samenwerking met jongeren, zodat het kindperspectief een vast onderdeel wordt van hun werkzaamheden en een vanzelfsprekende afweging in beleid en besluitvorming. Op deze manier wordt gestreefd naar duurzame participatie en wordt schijnparticipatie voorkomen. Dit draagt bij om het vertrouwen van jongeren in instanties, de overheid en de politiek te vergroten. Een kernteam jongeren werkt in een netwerk aan inspraak van jongeren op verschillende beleidsterreinen. Jongeren hebben een bepalende rol met betrekking tot de onderzoeksonderwerpen en werken mee in het uitvoeren van het onderzoek.
De verschillende onderwerpen zijn ondergebracht in zogenaamde proeftuinen. Eén van de proeftuinen wordt uitgevoerd in samenwerking met NCG, waar jongeren worden betrokken bij het beleid rondom wisselwoningen. In het onderzoek door jongeren wordt voor een periode van 3 jaar gekeken hoe kinderen en jongeren de parken met tijdelijke huisvesting ervaren. De (tussen)resultaten bieden NCG handvatten om de parken te verbeteren.
Het IMG deelt mijn inzet om jongeren actief te betrekken bij het schadeherstel. In 2024 organiseerde het IMG het symposium «Herstel en versterk de Groninger jeugd, nu!», waarin ook het belang van jongeren binnen de Sociale Agenda werd onderstreept. Daarnaast werkt het IMG samen met jongeren aan videoportretten over hoe zij het ervaren om te leven in een aardbevingsgebied.
De wetenschappers wijzen erop dat opgroeien met schade-ervaringen en onzekerheid ook op langere termijn invloed kan hebben op de gezondheid. Welke maatregelen neemt u om dat te volgen en deze mensen te steunen?
De RUG voert naast het bovengenoemde actie-onderzoek een langlopend onderzoek in opdracht van het Ministerie van BZK. Het onderzoek Gegrond volgt hoe het psychosociaal welzijn van jongeren zich ontwikkelt wanneer zij zijn blootgesteld aan de gevolgen van gaswinning. Dit onderzoek geeft mogelijk meer inzicht in hoe jongeren gesteund kunnen worden. Daarnaast worden al concrete maatregelen genomen met de sociale agenda, zoals beschreven in vraag 4.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden vóór het volgende commissiedebat Herstel Groningen?
Ja.
Verhuurfraude |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat tientallen Hagenaars slachtoffer zijn geworden van verhuurfraude, waarbij mensen een woning bezichtigen, een voorschot betalen en zelfs een huurcontract tekenen waarna blijkt dat de woning niet van de vermeende verhuurder is?1
Ja.
Kan de Minister van Justitie en Veiligheid aangeven of hij van plan is deze vorm van fraude waar nu weinig zicht op is op te laten nemen in de volgende slachtofferenquête van het CBS, zoals onderzoekers van het CBS zelf voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Het CBS en het Ministerie van Justitie en Veiligheid beslissen gezamenlijk welke vragen er gesteld worden in de Veiligheidsmonitor, de slachtofferenquête waar het hier over gaat. Wij doen dit in nauwe samenwerking met partners die belang hebben bij de monitor, zoals politie en gemeenten.
Het uitgangspunt is dat de vragenlijst door de jaren heen zoveel mogelijk hetzelfde blijft. Anders zijn de cijfers door de jaren heen niet meer te vergelijken en verliest de monitor zijn kracht. Tegelijkertijd moet de Veiligheidsmonitor ook meegaan met de tijd. Daarom verkennen het CBS, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de partners in voorbereiding op iedere nieuwe Veiligheidsmonitor in welke mate er behoefte is aan data over eventuele aanvullende onderwerpen.
Op het moment van schrijven wordt de Veiligheidsmonitor 2025 uitgevoerd. De voorbereidingen voor de Veiligheidsmonitor 2027 worden in het najaar van 2026 opgestart. Dan zal het Ministerie van Justitie en Veiligheid samen met het CBS en de partners verkennen of het nuttig, wenselijk en haalbaar is om vragen over verhuurfraude op te nemen in de vragenlijst.
Kan de Minister van Justitie en Veiligheid aangeven of hij van plan is deze vorm van fraude apart te laten registreren door bijvoorbeeld de politie? Zo nee, waarom niet?
Door middel van het toekennen van een Maatschappelijke Klasse registreert de politie meldingen in haar systemen. Dat gebeurt ook voor vastgoedfraude, maar niet specifiek voor verhuurfraude. De politie geeft desgevraagd aan dat het ook niet wenselijk is hier een aparte klasse voor te creëren, omdat er vele vormen van vastgoedfraude zijn. Dit maakt de registratie diffuus en door alle verschillende definities minder overzichtelijk. Ik vind het van belang om te benadrukken dat slachtoffers van oplichting, en dus ook van verhuurfraude, aangifte bij de politie kunnen doen.
Kan de Minister van Veiligheid en Justitie aangeven wat de Fraudehelpdesk van het ministerie nu al doet rondom deze vorm van fraude en ziet de Minister aanleiding om de Fraudehelpdesk hier extra aandacht aan te laten besteden, bijvoorbeeld via specifieke ondersteuning voor slachtoffers of het beschikbaar stellen van preventieve informatie gericht op immigranten, gezien zij een «makkelijke» doelgroep voor deze fraude zijn?
De Fraudehelpdesk geeft desgevraagd aan dat dit jaar ongeveer 300 meldingen over (pogingen tot) verhuurfraude zijn gedaan, waarbij ongeveer de helft van deze melders financieel is gedupeerd. Het gaat hierbij om slachtoffers die geld hebben betaald voor een niet-bestaande woning of voor een woning die feitelijk niet beschikbaar is voor verhuur.
De Fraudehelpdesk biedt slachtoffers ondersteuning door samen met de melder te bekijken welke stappen kunnen worden gezet, en waar nodig door te verwijzen naar de juiste instanties. Daarnaast wordt via de website en sociale media actief gewaarschuwd voor deze vorm van oplichting. Zie bijvoorbeeld de campagne «Een dak boven je hoofd, of van je centen beroofd?» (https://www.fraudehelpdesk.nl/campagnes/een-dak-boven-je-hoofd-of-van-je-centen-beroofd/). De toegankelijkheid en vindbaarheid van kwetsbare groepen is voor de Fraudehelpdesk is een belangrijk aandachtspunt. De algemene folder van de Fraudehelpdesk is beschikbaar in het Nederlands, Engels, Turks en Arabisch, om ook anderstalige doelgroepen beter te bereiken.
Zien de Ministers aanleiding om extra aandacht te besteden aan het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid van verhuurfraude, aangezien de drempel voor veel mensen hoog is vanwege het feit dat ze het zichzelf verwijten? Zo nee, waarom niet?
Wij roepen burgers die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit op om aangifte te doen bij de politie of om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Zoals bij het antwoord op vraag 4 is toegelicht heeft de Fraudehelpdesk, die ook wordt aangehaald in het interview, aandacht voor verhuurfraude en biedt hierover voorlichting en geeft informatie wat de potentiële huurder zelf kan doen om te voorkomen dat deze wordt opgelicht. Daarnaast treden gemeenten én woningbouwcorporaties op tegen illegale verhuurconstructies en frauduleuze praktijken met sociale huurwoningen.
Ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ook dat de commerciële huursector een «black box» is wat fraude vergemakkelijkt en ziet de Minister reden om daar iets aan te doen? Zo nee, waarom niet?
Het huren en verhuren van woonruimte en het aangaan van een huur-verhuurrelatie, is een privaatrechtelijke overeenkomst, die bij de overheid onbekend is. Ik onderzoek op dit moment de meerwaarde van een huurregister, dit n.a.v. van verschillende Kamermoties, waarin in een huurregister een instrument wordt gezien om particuliere verhuur in beeld te krijgen en frauduleuze verhuurpraktijken beter aan te kunnen pakken.2
Ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verhuurfraude als een extra reden om een landelijk huurregister in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Een huurregister wordt op dit moment door mij nader onderzocht. Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Wordt de aanwezigheid van deze vorm van verhuurfraude meegenomen in de plannen voor een landelijk huurregister? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 7 is genoemd, wordt een huurregister op dit moment door mij nader onderzocht. Eén van de mogelijkheden van een huurregister is dat de huurder na zou kunnen gaan of de verhurende partij bij het register bekend is.
Welke scenario’s voor een huurregister worden op dit moment uitgewerkt door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en wanneer zal de Kamer hierover geïnformeerd worden?
Ik verwacht een voorstel voor het huurregister in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie te kunnen brengen. Daarmee wil ik alle relevante stakeholders uitnodigen mee te denken over de nadere inrichting van een huurregister. In het voorstel zal ik ook ingaan op onderzochte scenario’s en alternatieven.
De brief 'Uitnodiging bewonersonderzoek' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is ervoor gekozen deze enquête juist nu te versturen, terwijl er brede politieke en maatschappelijke weerstand bestaat in Groningen tegen de komst van een kerncentrale?1
Het kabinet is zich zeer bewust van de weerstand die in Groningen bestaat tegen de komst van een kerncentrale. Eerder heeft het kabinet de Kamer laten weten dat Eemshaven uit de eerste beoordeling van de reacties op het Voornemen en voorstel voor participatie van 2 februari 2024 naar voren komt als gebied dat voldoet aan de kenmerken voor de vestiging van kerncentrales. Er is een (380kV) hoogspanningsnet, er is beschikbaarheid van koelwater, er zijn geen grote bevolkingsconcentraties in de directe omgeving en er zijn voldoende toegangswegen voor rampenbestrijding. Het voldoen aan deze (zuiver inhoudelijke) criteria betekent dat het kabinet formeel moet bezien of er ook binnen de Eemshaven locaties zijn die als kansrijk aangemerkt kunnen worden.2
Omdat het kabinet zich bewust is van de gevoeligheden in Groningen en de politieke en maatschappelijke wensen van zowel de Kamer, provinciale staten als de gemeenteraad van Het Hogeland kent, heeft het de Landsadvocaat gevraagd om te onderzoeken of de Eemshaven buiten het locatieonderzoek gehouden kan worden, zonder dat dit tot grote juridische risico's leidt. Het kabinet heeft op basis van het advies van de Landsadvocaat geconcludeerd dat het niet mogelijk is om het gebied Eemshaven op voorhand van de plan-MER uit te sluiten en daarbij tegelijkertijd tot een juridisch houdbaar besluit te komen3. Het niet onderzoeken van het gebied Eemshaven leidt tot een te groot juridisch risico waarbij het projectbesluit uiteindelijk door een proces bij de Raad van State kan worden vertraagd of zelfs worden vernietigd. Dit is onlangs nog aangegeven in de Kamerbrief van 16 mei 20254. Het kabinet heeft daarbij opgemerkt dat als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure een keuze heeft tussen geschikte locaties, het de voorkeur zal geven aan een locatie in Zeeland.
Het kabinet onderzoekt op dit moment als initiatiefnemer in vier gebieden mogelijke locaties voor nieuwe kerncentrales: Maasvlakte II, het Sloegebied en Terneuzen in Zeeland en de Eemshaven in Groningen5. In de onderzoeken worden verschillende zaken meegenomen, zoals de effecten op het milieu, wat er technisch mogelijk is en de impact op de omgeving. Op basis van alle onderzoeksresultaten wordt een Integrale Effectenanalyse opgesteld, die dient als beslisinformatie voor de voorkeursbeslissing. In de (ontwerp-)Voorkeursbeslissing wordt de gekozen locatie beschreven en gemotiveerd. De onderzoeken dienen gelijkwaardig te worden uitgevoerd in de vier gebieden.
Om een beeld te krijgen van de impact die wordt gevoeld in de omgeving, worden diverse gesprekken gevoerd met belanghebbenden (bewoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven, decentrale overheden). Met het bewonersonderzoek wil het kabinet toetsen of dit beeld compleet is of nog moet worden aangevuld. Ook wil het kabinet een vergelijking kunnen maken tussen zorgen die leven of kansen die worden gezien in de verschillende gebieden. Het is van belang dat deze input in alle gebieden – dus ook Groningen – zorgvuldig wordt opgehaald en meegenomen. Andersom is het belangrijk dat de bewoners van Groningen niet de mogelijkheid wordt onthouden om hun vragen en zorgen kenbaar te maken.
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer met brede steun een motie van het lid Beckerman heeft aangenomen waarin wordt uitgesproken dat er geen kerncentrale in Groningen moet komen? Waarom negeert u deze motie?
Ja, het kabinet is zich bewust van de motie Beckerman c.s.6 Als gevolg daarvan is Eemshaven als mogelijke waarborglocatie geschrapt uit het Programma Energiehoofdstructuur.7 Op 28 november is het Verzamelbesluit Omgevingswet LVVN en KGG 2026 gepubliceerd, waarin het vervallen van de locatie Eemshaven als waarborglocatie voor de vestiging van een kernenergiecentrale in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen.
Overigens betekent het schrappen van Eemshaven als waarborgingslocatie niet dat de Eemshaven ongeschikt is voor de vestiging van kerncentrales. Al eerder wees het kabinet erop8 dat het kabinet verplicht is om Eemshaven te beschouwen als mogelijke locatie voor de vestiging van twee nieuwe kerncentrales (zie ook het antwoord op vraag 1). Het waarborgingsbeleid voor kerncentrales is bedoeld om op aangewezen locaties ruimtelijke ontwikkelingen, die de komst van kerncentrales onmogelijk maken of ernstig belemmeren, te voorkomen. Bijvoorbeeld de bouw van kantoren of ziekenhuizen.
Kunt u uitleggen waarom de Eemshaven tóch is meegenomen in het onderzoek naar mogelijke locaties voor nieuwe kerncentrales, ondanks het herhaaldelijke en duidelijke «nee» van zowel de provincie Groningen als de gemeente Het Hogeland?
In de Kamerbrief van 11 september 20249 is aangegeven dat er binnen vier gebieden op zoek gegaan wordt naar mogelijke locaties voor de nieuwbouw van de eerste twee centrales: Sloegebied, Terneuzen, Maasvlakte I en Maasvlakte II. Ook is aangegeven dat alle binnengekomen reacties op het Voornemen en voorstel voor participatie worden bestudeerd. Op het Voornemen en voorstel voor participatie van 2 februari 2024 zijn in totaal 1.374 reacties ontvangen. Al deze reacties zijn inhoudelijk beoordeeld. Uit de beoordeling van de reacties op het Voornemen en voorstel voor Participatie is de Eemshaven naar voren gekomen als gebied dat voldoet aan de kernmerken voor de vestiging van kerncentrales (zie vraag 1).
Omdat het kabinet zich bewust is van de gevoeligheden in Groningen en de politieke en maatschappelijke wensen van zowel de Kamer, provinciale staten als de gemeenteraad van Het Hogeland kent, heeft het de Landsadvocaat gevraagd om te onderzoeken of de Eemshaven buiten het locatieonderzoek gehouden kan worden, zonder dat dit tot grote juridische risico's leidt. Het kabinet heeft op basis van het advies van de Landsadvocaat geconcludeerd dat het niet mogelijk is om het gebied Eemshaven op voorhand van de plan-MER uit te sluiten en daarbij tegelijkertijd tot een juridisch houdbaar besluit te komen10. Het niet onderzoeken van het gebied Eemshaven leidt tot een te groot juridisch risico waarbij het projectbesluit uiteindelijk door een proces bij de Raad van State kan worden vertraagd of zelfs worden vernietigd. Dit is onlangs nog aangegeven in de Kamerbrief van 16 mei 202511. Het kabinet heeft daarbij opgemerkt dat als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure een keuze heeft tussen geschikte locaties, het de voorkeur zal geven aan een locatie in Zeeland.
Hoeveel geld is er gemoeid met het opzetten en uitvoeren van deze enquête, en wie heeft de opdracht gegeven deze uit te voeren?
Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en kost € 56.240,- ex btw. Dit betreft de totale kosten voor de enquêtes in alle gebieden.
Begrijpt u dat het opnieuw aanwijzen van Groningen voor een zware energie-infrastructuur – na decennia van gaswinning, aardbevingen en schade – bij veel inwoners voelt als een nieuwe klap in het gezicht?
Het kabinet is zich bewust van de gevoeligheden in Groningen en is daarover uitvoerig in gesprek met diverse belanghebbenden. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de Eemshaven, gezien de bevolkingsdichtheid, het aanwezige natuurgebied en de kwetsbare positie van het gebied, een slechte locatiekeuze is voor een kerncentrale?
Al deze zaken worden op dit moment onderzocht voor alle locaties en de resultaten worden beschreven in de Integrale Effectenanalyse. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de onderzoeksresultaten. In de (ontwerp-)Voorkeursbeslissing zal het kabinet de gekozen locatie beschrijven en motiveren.
Kunt u toezeggen dat de Eemshaven definitief wordt geschrapt als mogelijke locatie voor de bouw van (een) nieuwe kerncentrale(s)?
De Eemshaven wordt geschrapt als waarborgingslocatie voor de vestiging van kerncentrales. Dit betekent echter niet dat Eemshaven ongeschikt is voor de vestiging van kerncentrales. Het kabinet is nog steeds verplicht om Eemshaven te beschouwen als mogelijke locatie voor kerncentrales en mee te nemen in de plan-MER (zie vraag 2). Het kabinet heeft verder aangegeven dat als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure voor kerncentrale 1+2 een keuze heeft tussen geschikte locaties, het de voorkeur zal geven aan een locatie in Zeeland (zie vraag 3). Voor de ruimtelijke inpassing van kerncentrale 3+4 en kleine kerncentrales (SMR’s) volgt het kabinet een tweede spoor, via het Programma Energie Hoofdstructuur. In de scope van PEH II, waarin in de eerste fase alleen gebieden afvallen die niet voldoen aan de juridische criteria of die geen potentie voor koelwater hebben, valt Eemshaven niet bij voorbaat af.
Hoe denkt u het vertrouwen van Groningers te herstellen, nu opnieuw de indruk is gewekt dat hun stem niet serieus wordt genomen?
Om de stem van Groningen goed mee te kunnen nemen in de locatieafweging, moet het kabinet de stem van de Groningers juist onderzoeken. Dat wordt gedaan met dit bewonersonderzoek. Het kabinet is en blijft open en transparant in gesprek met Groningen, om zodoende te kunnen bouwen aan de relatie en het vertrouwen.
De immateriële schaderegeling tussen DeHaan en de NAM |
|
Julian Bushoff (PvdA), Sandra Beckerman (SP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Kunt u reflecteren op de immateriële schaderegeling die DeHaan en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) zijn overeengekomen?1
Een groep bewoners heeft ervoor gekozen hun proces tegen de NAM af te wachten en niet over te stappen naar de immateriële schaderegeling van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG). Ik ben blij dat nu ook deze groep bewoners een vergoeding krijgt voor hun geleden immateriële schade en gederfd woongenot. Zij kunnen nu een keuze maken tussen deze schikking en de IMG-regeling.
Is hiermee volgens u voldoende recht gedaan aan het leed van de gedupeerden, de eisers, voor de mentale schade die zij hebben geleden als gevolg van de gaswinning?
Dit is niet aan mij als Staatssecretaris om te beoordelen, omdat het hier gaat om een schikking tussen private partijen. Wel ben ik blij dat er nu voor deze groep mensen een einde aan het wachten is gekomen.
Gederfd woongenot wordt in de schadevergoeding, overeengekomen tussen de eisers en de NAM, vergoed, deelt u de mening dat dat een belangrijk succes is?
Ja, die mening deel ik. Het is belangrijk dat bewoners alle vormen van schade die zij geleden hebben als gevolg van de exploitatie of aanleg van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk vergoed krijgen.
In 2019 heeft de Hoge Raad bevestigd dat gederfd woongenot materiële schade is, hoe kan het dat er zes jaar later nog geen regeling is om alle gedupeerden met gederfd woongenot te compenseren?
Vanaf de start in juli 2020 heeft het IMG zich in eerste instantie gericht op het ontwikkelen en uitvoeren van regelingen om fysieke en immateriële schade van gedupeerden te vergoeden. Ook is er een regeling voor compensatie van waardedaling (woningen en niet-woningen) ontwikkeld en op dit moment wordt – naar aanleiding van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen en de kabinetsreactie Nij Begun in 2023 – gewerkt aan de (verdere) uitrol van de regelingen Daadwerkelijk Herstel tot € 60.000, de Aanvullende Vaste Vergoeding, de Vaste Herhaalvergoeding en Duurzaam Herstel. Het betreft allemaal unieke en nieuwe regelingen waarvoor geen voorbeelden bestaan, het ontwikkelen en uitrollen van deze regelingen vergt tijd. Het IMG heeft aan de ontwikkeling van bovenstaande regelingen prioriteit gegeven, omdat die relevant zijn voor de grootste groep bewoners. Wel wordt door het IMG al gewerkt aan een regeling voor gederfd woongenot, in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad uit 2021 dat ook deze vorm van schade moet worden vergoed. Het IMG handelt daarmee straks ook deze vorm van schade af als gevolg van de aansprakelijkheid van de NAM. De verwachting is dat deze regeling in 2027 van start kan gaan.
In januari 2025 gaf u in antwoord op Kamervragen aan dat er dit jaar een besluit zou worden genomen over een regeling voor gederfd woongenot, hoe ver staat het daarmee?2
Zie antwoord op vraag 4.
Vindt u dat een eventuele regeling van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) inzake gederfd woongenot er grofweg hetzelfde uit moet komen te zien als de overeengekomen vergoeding tussen de DeHaan en de NAM?
Het IMG gaat als zelfstanding bestuursorgaan over de ontwikkeling en werkwijze van nieuwe regelingen die zien op de afhandeling van schade waar de NAM voor aansprakelijk is. Het IMG kijkt daarbij goed naar recente ontwikkelingen en bijvoorbeeld rechterlijke uitspraken. Ten algemene geldt dat bewoners ruimhartig vergoed moeten worden voor de schade die is geleden als gevolg van de exploitatie of aanleg van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk. Dit is ook wettelijk vastgelegd. Daarbij is het ook belangrijk om aan te geven dat het IMG bij de ontwikkeling van regelingen met andere kaders en afwegingen te maken heeft dan dat bij een privaatrechtelijke schikking tussen twee partijen het geval is.
De immateriële schaderegeling van het IMG krijgt al zeer lange tijd een negatief rapportcijfer van de betrokkenen, wat vindt u daarvan? De laatste cijfers van het IMG laten zien dat de regeling nog steeds slechts een 5 scoort, deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is?3
Zoals ook in mijn eerdere beantwoording op vragen van de leden Beckerman en Bushoff van 9 mei jl.4 aangeven, is het lastig om een erkenning voor ernstig verdriet of lijden als gevolg van de gaswinningvorm te geven in een generieke schaderegeling, juist omdat leed voor iedereen zo persoonlijk is. Het IMG ziet als mogelijke verklaring voor de lage waardering van de immateriële schaderegeling dat het voor iedereen mogelijk is om een schadeaanvraag voor immateriële schade te doen, los van de vraag of je binnen het effectgebied woont of fysieke schade aan een gebouw hebt gemeld. Welk recht iemand heeft op deze vergoeding wordt bepaald aan de hand van de bouwstenen locatie en veiligheid van de woning, de omvang van de schade daaraan, de doorlooptijd van de schademelding en de persoonlijke impact die iemand heeft ervaren. Een afwijzing van een aanvraag kan als een ontkenning van persoonlijke leed worden ervaren, bewoners met een afwijzing scoren de regeling dan ook veel lager dan bewoners die een toewijzing hebben ontvangen. Over 2024 scoort de immateriële schadevergoeding gemiddeld een 5,5, aanvragers die de vergoeding wel hebben ontvangen geven de regeling een 7,6. Om bewoners te helpen een inschatting te maken of zij recht hebben op een immateriële schadevergoeding heeft het IMG een QuickScan op de website staan, hiermee kan de bewoner snel zien of het zin heeft om een aanvraag te doen.
Erkent u de signalen van gedupeerden die immateriële schadevergoeding hebben aangevraagd dat ze zich niet erkend voelen door een regeling bedoeld om aangedaan leed te erkennen? Erkent u de signalen over ongelijkheid tussen gedupeerden door deze regeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn beantwoording van vraag 7. Het is lastig om met een generieke regeling erkenning te geven aan persoonlijk leed. Met Nij Begun maatregel 8 is er een aantal verruimingen aangekondigd die inmiddels door het IMG zijn doorgevoerd om verschillen zo veel mogelijk te voorkomen. Zo krijgt nu iedereen binnen een huishouden, ook minderjarigen, dezelfde vergoeding en hierbij is de hoogste vergoeding binnen het huishouden leidend. Ook wordt veiligheid van de woning nu zwaarder gewogen bij de IMG-regeling, waardoor bewoners die door deze onveiligheid onderdeel zijn van de versterkingsopgave of een sloop/nieuwbouwtraject altijd de hoogste vergoeding krijgen. Ook worden aanvragen van huurders en andere niet-woningeigenaren nu op dezelfde wijze beoordeeld.
In de gestelde vragen wordt enerzijds gevraagd naar het voorkomen van verschillen en anderzijds erkenning voor gedupeerden. Juist omdat erkenning voor iedereen verschillend is, zit tussen deze uitgangspunten een spanningsveld. Het IMG kijkt bij de vaststelling van de immateriële schadevergoeding naar een aantal objectieve criteria (bouwstenen): de locatie, de veiligheid, de omvang van de schade en de doorlooptijd van de schadeaanvraag. Daarnaast krijgen bewoners de mogelijkheid om via een vragenlijst de persoonlijke impact extra tot uitdrukking te brengen, deze vragenlijst kan aan aanleiding geven om de schadevergoeding op basis van objectieve criteria naar boven bij te stellen. Op deze manier wordt geprobeerd om recht te doen aan allebei de uitgangspunten.
Hoe beoordeelt u dat er een verschil ontstaat tussen de immateriële schaderegeling zoals nu overeengekomen tussen de eisers en de NAM en de overige gedupeerden die aangewezen zijn op het IMG?
Naast de publiekrechtelijke schadeafhandeling via het IMG hebben bewoners nog altijd de wettelijke mogelijkheid om in een civiele procedure de NAM rechtstreeks aansprakelijk te stellen. Dit maakt dat dit soort verschillen niet volledig te voorkomen zijn. Voor de groep bewoners die onderdeel is van de schikking van De Haan met de NAM geldt dat wanneer zij voor hun immateriële schade minder ontvangen via de schikking dan dat zij van het IMG zouden ontvangen, het mogelijk blijft om de overstap naar het IMG te maken. Deze overstap is per schadesoort. Dit betekent dat, bijvoorbeeld, deze bewoners ervoor kunnen kiezen voor immateriële schade over te stappen naar het IMG, maar voor gederfd woongenot gebruik te blijven maken van de schikking tussen DeHaan en de NAM.
Erkent u dat de in 2023 aangenomen motie-Beckerman (Kamerstuk 33 529, nr. 1126), met als dictum «verzoekt de regering te komen tot een rechtvaardige regeling voor immateriële schade, waarbij ook versterking en sloop/nieuwbouw worden meegenomen, ongewenste verschillen worden opgelost en de toegekende bedragen, met name voor kinderen, worden verhoogd», nog niet volledig is uitgevoerd?
Nee, deze motie is uitgevoerd5. De immateriële schaderegeling van het IMG is zorgvuldig tot stand gekomen en rechterlijk getoetst.6 Daarnaast is de regeling zoals eerder in de beantwoording aangeven op verschillende punten verruimd zoals in Nij Begun ook is toegezegd.
Bent u bereidt de immateriële schaderegeling van het IMG aan te passen?
Nee, ik ga het IMG niet vragen de regeling te herzien. Beide regelingen kennen een andere systematiek en een andere context, zoals ik beschreef in het antwoord op vraag 6.
De regeling van het IMG is zo ontwikkeld dat een grote groep snel geholpen kan worden, maar dat er ook recht wordt gedaan aan de individuele situatie. De schikking van DeHaan met de NAM is voor een kleinere groep mensen en is de uitkomst van een schikking tussen private partijen.
Voor een deel van de bewoners zal de schikking van DeHaan met de NAM nadeliger uitvallen dan de immateriële schaderegeling van het IMG, voor een groter deel is de verwachting dat het verschil beperkt zal zijn en voor een deel van bewoners zal de regeling van DeHaan gunstiger uitpakken.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 kunnen mensen alsnog overstappen naar de regeling voor immateriële schade van IMG.
Wat vindt u van het feit dat er een jarenlang juridisch gevecht voor nodig is voordat de NAM haar verantwoordelijkheid neemt in het compenseren van de gelede immateriële schade?
Ik vind het vervelend dat deze bewoners lang hebben moeten wachten. Zoals aangegeven mogen bewoners de keuze voor een civielrechtelijke procedure echter zelf maken. Ik vind het belangrijk dat bewoners altijd een goed alternatief hebben via de publiekrechtelijke regeling van het IMG
In mijn brief van september jl.7 heb ik aangeven dat ik ten algemene aandacht heb voor de lang lopende dossiers die nog in procedure zijn met de NAM. NAM heeft aangeven mee te willen denken over de afronding van de nog lopende civielrechtelijke zaken. Als een dergelijke procedure wordt beëindigd, komt de reguliere schadeafhandeling door het IMG beschikbaar.
Hoe beoordeelt u bovenstaand juridisch gevecht dat ervoor nodig was om de NAM in beweging te krijgen mede in het licht van de NAM die ook weigert meerdere rekeningen voor het aangerichte leed in Groningen te betalen?
Zie mijn antwoord op vraag 12.
Het onderhoud en de verkoop van sociale woningen van Heimstaden |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Zweedse belegger Heimstaden, de grootste buitenlandse wooninvesteerder in Nederland, na jarenlang gebrekkig onderhoud van plan is 12.000 van zijn 13.500 huurwoningen te verkopen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat deze belegger in 2019 grootschalig sociale huurwoningen opkocht en deze vervolgens heeft verwaarloosd, met gezondheidsproblemen voor de huurders tot gevolg?
Ongeacht wie de eigenaar is, iedere huurder heeft het recht op een betaalbare woning van goede kwaliteit, die bovendien goed onderhouden wordt. De verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de bouwkundige kwaliteit van de huurwoningen ligt grotendeels bij de eigenaar.
Wat vindt u van de reactie van Heimstaden op berichten over schimmel- en vochtproblematiek, waarbij het de schuld legt bij «onwetendheid bij bewoners van het cruciale belang van ventilatie», terwijl bewoners spreken van het langdurig niet uitvoeren van reparaties, waaronder aan verrotte kozijnen en ramen die niet meer open kunnen?
Verhuurders moeten zich vanzelfsprekend houden aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van de bouwkundige staat en het onderhoud van woningen. In geval van vocht- en schimmelproblematiek is vaak sprake van een hoge mate van complexiteit. Vaak ligt de oorzaak van de problematiek aan een combinatie van gebruik van de woning en de bouwtechnische kwaliteit van de woning. Ook de grondwaterstand en/of technische installaties kunnen invloed hebben op vocht- en schimmelvorming. Het feit dat er verschillende oorzaken kunnen zijn voor vocht- en schimmelproblematiek, maakt dat het altijd aan te bevelen is dat de verhuurder zowel in gesprek gaat met de bewoner(s) over het gebruik van de woning, als dat hij de technisch bouwkundige oorzaken onderzoekt.
In het artikel dat aan deze Kamervragen ten grondslag ligt, geeft Heimstaden aan gebreken altijd op te lossen, maar dat het tijd kost om de oorzaak van vochtproblematiek goed te achterhalen. Met betrekking tot de drie in het artikel genoemde adressen, en de daarbij horende meldingen, is aangegeven dat deze bekend zijn bij Heimstaden, en dat de werkzaamheden om de vocht- of schimmelproblematiek op te lossen zijn gepland, in uitvoering zijn of al zijn afgerond. Heimstaden lijkt in die zin derhalve niet de schuld van de schimmelvorming enkel bij de bewoners te leggen.
Deelt u de mening dat plannen voor de verkoop van woningen geen reden mogen zijn om noodzakelijk onderhoud achterwege te laten? Welke middelen ziet u om Heimstaden er alsnog toe te dwingen aan de onderhoudsplicht als verhuurder te voldoen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 reeds heb aangegeven, moeten verhuurders zich vanzelfsprekend houden aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van de bouwkundige staat en het onderhoud van woningen. Een eventueel voornemen tot verkoop van de woning maakt dit niet anders. Gemeenten zijn – vanuit hun verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving – bevoegd om handhavend op te treden wanneer relevante bouwregelgeving- en voorschriften niet worden nageleefd. Ook zorgt de Wet goed verhuurderschap ervoor dat huurders beter worden beschermd tegen achterstallig onderhoud en gebreken aan hun huurwoning. Gemeenten kunnen als gevolg van deze wet een vergunningplicht instellen, en kunnen het hebben en het uitvoeren van een onderhoudsplan als voorwaarde stellen voor het al dan niet verlenen van een verhuurvergunning. In het geval er niet wordt voldaan aan deze vergunningvoorwaarde, kunnen gemeenten handhavend optreden.
Daarnaast kunnen huurders in het lage- en middenhuursegment met (onderhouds)gebreken terecht bij de Huurcommissie. De Huurcommissie zal in dat geval onderzoek doen in de woning en – bij constatering van aanwezige gebreken – een huurverlaging uitspreken. Afhankelijk van de aard en omvang van de gebreken, kan deze huurverlaging oplopen tot maximaal 80% van de huurprijs.
Vindt u dat er van de belofte, bij aankoop van de woningen, om deze te verduurzamen en te moderniseren, zoals genoemd in de beantwoording van toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ollongren op eerdere Kamervragen van de SP, genoeg terecht is gekomen?2
Bij de aankoop van deze woningen heeft Heimstaden de belofte gedaan om deze te verduurzamen en te moderniseren. De verantwoordelijkheid voor het nakomen van deze belofte ligt bij Heimstaden. Ik ben huiverig om op basis van het aangedragen nieuwsartikel een algemeen oordeel te vellen over de bedrijfsvoering van Heimstaden. Ik kan namelijk niet inschatten of de casuïstiek aangedragen in het nieuwsartikel symptomatisch is voor de bedrijfsvoering van deze verhuurder.
Vindt u het acceptabel dat deze sociale woningen slechts enkele jaren nadat ze overgenomen zijn, nota bene met een ontheffing van de overheid voor een lagere verkoopprijs, alweer verkocht worden met een stevige winst van gemiddeld 32%?
De aankoop en eventuele doorverkoop van woningen moet plaatsvinden binnen de geldende wettelijke kaders en de voorwaarden die aan een eerdere ontheffing of transactie zijn verbonden. Zolang aan die voorwaarden wordt voldaan en eventuele termijnen zijn verstreken, staat het de eigenaar vrij om de woningen te verkopen. Uit statistieken van het CBS blijkt dat koopwoningprijzen sinds januari 2019 met 67,1% zijn gestegen. De door Heimstaden gerealiseerde winst bij verkoop is daarmee niet uitzonderlijk, maar een manifestatie die voorkomt uit de krapte op de woningmarkt.
Wat vindt u ervan dat Heimstaden aanvankelijk overheidsbeleid de schuld gaf van de noodzaak tot verkoop, terwijl ze later toegaven dat dit komt doordat het bedrijf haar snelle groei voor een belangrijke deel met schulden gefinancierd had die nu herfinancierd moeten worden in tijden van hoge rentes?3
Ik vind dat het aan de betreffende onderneming is om haar beweegredenen toe te lichten. In zijn algemeenheid geldt dat zowel marktomstandigheden, zoals rente- en financieringskosten, als wijzigingen in regelgeving invloed hebben op het rendement en investeringsbeslissingen van investeerders.
In de beantwoording van toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ollongren op eerdere Kamervragen van de SP zei deze het volgende: «Bij de aankoop van woningen vind ik het belangrijk om onderscheid te maken tussen beleggers die op een duurzame manier woningen aan de voorraad toevoegen en tussen beleggers die excessief gedrag tonen en speculatief handelen. Hierbij geldt dat beleggers die excessief gedrag vertonen moeten worden aangepakt.» Terugblikkend op het handelen van Heimstaden, deelt u de mening dat hier inderdaad sprake was van excessief gedrag en speculatief handelen? Zo ja, op welke manier moet hier worden ingegrepen?4
In 2019 heeft toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ollongren op eerdere Kamervragen van de SP aangegeven dat «Beleggers die excessief gedrag vertonen moeten worden aangepakt.» Op basis van het artikel dat aan de onderhavige Kamervragen ten grondslag ligt, wordt niet duidelijk of eventuele klachten over excessief gedrag door Heimstaden door een bevoegde instantie, zoals een rechter of de Huurcommissie, zijn onderzocht en behandeld. Of dus sprake is van bewezen onrechtmatig en excessief handelen, valt voor mij niet te verifiëren, waardoor ik de situatie niet kan beoordelen.
Wel zijn er de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen die ervoor zorgen dat excessief gedrag van een verhurende belegger beter kan worden aangepakt.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 reeds heb aangegeven, hebben gemeenten als gevolg van de Wet goed verhuurderschap meer mogelijkheden gekregen om op te treden tegen ongewenst verhuurgedrag, zoals bijvoorbeeld intimidatie, discriminatie, onredelijke servicekosten en te hoge waarborgsommen. Ook kunnen gemeenten een vergunningplicht instellen, waaraan landelijk geüniformeerde voorwaarden kunnen worden verbonden, die o.a. kunnen zien op het onderhoud van de woning. Deze handhavende bevoegdheid van gemeenten is als gevolg van de Wet betaalbare huur per 1 januari 2025 uitgebreid met handhaving op te hoge huren en huurverhogingen. Ook heeft de Wet betaalbare huur ervoor gezorgd dat ook huurders in het middensegment voortaan bij de Huurcommissie terecht kunnen om een huurverlaging te vragen als gevolg van (onderhouds)gebreken aan de woning.
Deelt u de mening dat het goed zou zijn als deze woningen weer in handen van een woningcorporatie of -coöperatie komen? Bent u bereid de mogelijkheden daartoe te onderzoeken en daar praktisch en financieel aan bij te dragen?
Als Minister heb ik geen voorkeur voor wie de eigenaar van deze woningen is. Voorop staat voor mij het belang dat de (nieuwe) eigenaar voldoende zorg draagt voor de leefbaarheid van de woningen en zich houdt aan de geldende wet- en regelgeving. Woningcorporaties en wooncoöperaties voeren hun eigen aan- en verkoopbeleid en het Rijk heeft geen rol bij specifieke casussen. Woningcorporaties kunnen lokaal in overleg met de gemeente en huurdersverenigingen wel afspraken maken over het aan- en verkoopbeleid. Zij kunnen woningen van investeerders kopen als zij van mening zijn dat deze woningen een bijdrage leveren aan de lokale volkshuisvesting en de aankoop ook vanuit financieel perspectief te verantwoorden is.
Zo nee, wat vindt u dan wenselijk dat er met de woningen gebeurt en op welke andere manier voorkomt u dat deze woningen wederom in handen vallen van investeerders die uit zijn op snelle winst ten nadele van de bewoners?
Zoals in vraag 2 en 9 ook benoemd, heb ik geen voorkeur voor wie de eigenaar van de woningen is. Zowel marktpartijen als corporaties zijn van groot belang voor het realiseren van voldoende betaalbare, kwalitatieve woningen. Van belang is dat verhuurders voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en zorgdragen voor kwaliteit en leefbaarheid.