De aanpak van nepreviews |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
In 2021 zijn nepreviews verboden bij wet, in 2024 werd echter geconcludeerd dat de problemen met nepbeoordelingen niet afnemen maar toenemen, herkent u dit beeld?1
Ik ben bekend met de publicatie van BEUC uit december 2025. BEUC geeft daarin aan dat consumenten nog steeds worden blootgesteld aan nepbeoordelingen en dat de huidige regelgeving nog onvoldoende effectief is om deze praktijken tegen te gaan.
Consumenten gebruiken online reviews bij het vergelijken van producten en diensten en wegen deze informatie mee bij hun aankoopbeslissing. De betrouwbaarheid van reviews is daarbij van belang. Nepbeoordelingen kunnen consumenten daarom misleiden en ertoe leiden dat zij een andere aankoopbeslissing nemen dan zij zouden hebben gedaan wanneer zij over betrouwbare informatie hadden beschikt.
Ik herken het beeld dat de aanpak van nepbeoordelingen in de praktijk complex is. Het is mij niet bekend dat deze problemen zouden zijn toegenomen. De opkomst van AI kan ervoor zorgen dat nepreviews makkelijker opgesteld kunnen worden. Tegelijkertijd biedt AI ook mogelijkheden om dergelijke content sneller op te sporen.
Erkent u dat consumenten misleid worden en de verkeerde keuzes maken doordat de aanpak van nepreviews nog niet afdoende werkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat lidstaten nu voldoende mogelijkheden hebben om nepreviews aan te kunnen pakken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke extra maatregelen zijn volgens u nodig?
Het (laten) plaatsen van valse beoordelingen of aanbevelingen is sinds mei 2022 in Nederland expliciet verboden voor handelaren.2 Ook is het voor handelaren verboden om te beweren dat beoordelingen van producten zijn ingediend door consumenten die het product daadwerkelijk hebben gebruikt of aangekocht, zonder dat de handelaar redelijke en proportionele stappen heeft genomen om dit na te gaan. Dit geldt ook voor review-websites. Ik ben daarom van mening dat er voldoende wettelijke mogelijkheden zijn om handelaren aan te kunnen pakken die gebruik maken van nepbeoordelingen.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM), die belast is met de handhaving van onderhavige wetgeving, concludeert dat het nog zeer lastig is om op te treden tegen het aanbieden en verkopen van nepinteracties en -recensies, erkent u dit en steunt u hun wens voor uitbreiding van de Digital Fairness Act?
De ACM heeft in 2024 handhavingsacties ondernomen rondom nepbeoordelingen.3 In dit kader heeft de ACM onder meer 14 verkopers verzocht te stoppen met het aanbieden en plaatsen van nepreviews. De helft van de aangesproken partijen heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. De ACM beoordeelde dit als een geschikte eerste stap met impact.4
Optreden tegen partijen die nepbeoordelingen verkopen is voor de ACM gecompliceerd, onder meer omdat deze partijen regelmatig vanuit een ander land (ook buiten de EU) opereren. Ook moet de ACM aannemelijk maken dat de nepbeoordelingen daadwerkelijk geplaatst zijn (door de verkoper van nepbeoordelingen of door de handelaar die de nepbeoordelingen heeft gekocht).
De ACM verzoekt in haar inzet rondom de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA) om ook het verkopen van nepbeoordelingen zelf te verbieden.5 Ik heb begrip voor deze wens van de ACM, omdat de ACM daarmee effectiever zou kunnen optreden. Het aanbieden van nepbeoordelingen is namelijk makkelijker te bewijzen dan het (laten) plaatsen van deze nepbeoordelingen. Een complicerende factor hierbij is echter dat de verkoop van nepbeoordelingen een transactie tussen twee bedrijven is en daardoor lastig binnen de reikwijdte van het consumentenrecht past. Het consumentenrecht ziet namelijk op de relatie tussen de handelaar en de consument en in principe niet op een transactie tussen een handelaar en toeleverancier. Een mogelijk alternatief zou kunnen zijn om het opstellen van nepbeoordelingen op verzoek van een handelaar als oneerlijke handelspraktijk aan te merken.
Steunt u het voorstel van de ACM om het aanbieden en verkopen van neprecensies of -interacties te verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen wilt u zetten om de Europese Commissie te overtuigen van een verbod op de verkoop van neprecensies en -interacties?
De inzet van de Nederlandse regering6 en van de ACM7 rondom de DFA is separaat in een eerdere fase van het proces aan de Europese Commissie (hierna: EC) kenbaar gemaakt. Door de ACM is haar voorstel rondom de verkoop van nepbeoordelingen hierin meegenomen. Het wetgevend voorstel van de EC voor de DFA wordt in het vierde kwartaal van dit jaar verwacht. Het wetgevingsproces bevindt zich reeds in een vergevorderd stadium waarbij zeer beperkt ruimte is voor de Commissie om nog aanvullende beleidsvoorstellen mee te nemen. Het kabinet zal de verdere inzet rondom de DFA bepalen nadat het wetgevend voorstel van de EC is gepubliceerd en daartoe een BNC-fiche opstellen.
Hoe beoordeelt u het voorstel van de ACM om externe leveranciers of tussenpersonen aansprakelijk te stellen voor de oneerlijke beïnvloedingstechnieken die zij ontwikkelen of helpen ontwikkelen en faciliteren?
Het voorstel van de ACM voor de aansprakelijkheid van derde partijen is breder van aard dan de problematiek rondom nepbeoordelingen. Het zou hierbij bijvoorbeeld kunnen gaan om verkopers van designs en templates voor websites waar mogelijk verboden handelspraktijken in worden gebruikt. Volgens de ACM maakt een groot deel van Nederlandse online webwinkels gebruik van dergelijke derde partijen, waardoor het de effectiviteit van handhaving ten goede kan komen om ook deze leveranciers rechtstreeks aan te kunnen spreken.
Het is goed de mogelijkheid van een wettelijke aansprakelijkheid van externe leveranciers in ogenschouw te nemen en in Europees verband de voor- en nadelen daarvan te beoordelen, als ook te kijken naar andere oplossingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden in het kader van de aankomende onderhandelingen over de DFA. Dit zou dan moeten gebeuren tegen de achtergrond dat consumenten onder het huidige consumenten- en contractenrecht een hoog niveau van bescherming hebben.
Het consumentenrecht kent al regels inzake oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende handelspraktijken (bijv. artikel 6:193 g BW). Als er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, dan kan de consument de overeenkomst vernietigen. Daarnaast kunnen consumenten voor producten die zij online hebben gekocht gebruik maken van het herroepingsrecht en het product binnen 14 dagen retourneren. Ook hebben consumenten in Nederland recht op een goed product zolang zij dat redelijkerwijs mogen verwachten. Als het product bij normaal gebruik toch snel kapotgaat, dan moet de verkoper dit probleem verhelpen (bijvoorbeeld door het product te repareren, vervangen of het geld terug te geven). Als het product stuk gaat binnen een jaar, dan wordt aangenomen dat het product ondeugdelijk was op het moment van de aankoop. Het is dan aan de verkoper om het tegendeel te bewijzen. Na een jaar is het aan de consument om te bewijzen dat hij het product normaal heeft gebruikt en niet door zijn toedoen kapotgegaan is. Schade die door een product wordt veroorzaakt, dient de verkoper op grond van wanprestatie te vergoeden (artikel 7:24 lid 1 BW).
Hierbij merk ik nog op dat een consument op grond van het huidige recht ook een derde (iemand met wie hij geen contractuele relatie heeft) kan aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Dit lijkt in het geval van bijvoorbeeld nepreviews wel een moeizame weg voor de in de vraag genoemde externe leveranciers. Niet alleen zal het voor een consument moeilijk zijn om te achterhalen wie de nepreviews heeft verstrekt aan de verkoper, als dit al mogelijk is. Ook zal de consument aan dienen te tonen dat hij schade heeft als gevolg van de nepreviews (schade en causaal verband). Bij de aankoop van een product zijn immers meer aspecten van belang dan de nepreviews, waaronder de prijs, de kwaliteit en de door de verkoper verstrekte informatie.
Deelt u onze mening dat schade die aangebracht wordt aan consumenten vergoed moet kunnen worden?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u voorstander van een uitbreiding van het consumentenrecht met een wettelijke aansprakelijkheid voor externe leveranciers?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u voorts onze mening dat consumenten meer mogelijkheden moeten krijgen om gepersonaliseerde content van grote bedrijven te weigeren?
Ik vind dat consumenten effectieve controle moeten hebben over het gebruik van (persoons)gegevens en hun voorkeuren voor gepersonaliseerde data. Voor consumenten kan het soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer en hoe zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit kan onder andere het gevolg zijn van een gebrek aan transparantie over hoe de personalisatie van content precies tot stand komt, of van misleidende patronen, ingewikkelde formulieren of toestemmingsmoeheid. Hierdoor bestaat het risico dat consumenten hun ware voorkeuren niet (kunnen) uiten. Het kabinet zet zich daarom in voor de verbetering van deze situatie, onder meer binnen het kader van de DFA en ePrivacyrichtlijn.8
Gepersonaliseerde content staat nu standaard ingeschakeld, deelt u de mening van de ACM dat dit moet worden omgedraaid en dat algemene content de standaardinstelling moet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ACM schetst in haar document9 een drietal beleidsopties die niet logischerwijs allemaal gelijktijdig zouden moeten worden ingevoerd. Één daarvan is dat algemene, niet-gepersonaliseerde content de standaardinstelling zou moeten zijn.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 ben ik van mening dat consumenten effectieve controle moeten hebben over hun personalisatievoorkeuren. Ik sta daarom in de basis positief tegenover een «opt-in» of «opt-out» systeem zoals geschetst door de ACM en dit is ook een richting die door de EC verkend lijkt te worden in het kader van de DFA. Of een dergelijk systeem een effectieve en proportionele maatregel zou zijn, moet daarom ook blijken uit de impact assessment van de EC voor de DFA. Hierbij vind ik het van belang dat de maatregel ook realistisch uitvoerbaar moet zijn voor kleinere handelaren en dat de maatregel de effectieve controle van consumenten daadwerkelijk vergroot. Ik wacht de voorstellen van de EC en de resultaten van de impact assessment daarom met interesse af.
De AMC wil ook dat er meer transparantie en consistentie wordt geëist van handelaren over hoe ze gepersonaliseerde content aanbieden, deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u zich inzetten voor verbetering van de EU-wetgeving over consumentenbescherming en privacy zodat dit kan worden afgedwongen?
Ja, deze mening deel ik. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 10 kan het voor consumenten soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Conform mijn inzet voor de aankomende DFA ben ik in dit kader ook van mening dat algemene voorwaarden makkelijker te begrijpen moeten zijn, bijvoorbeeld via standaardisatie.10 Dit kan consumenten helpen betere keuzes te maken voordat ze zich aanmelden voor digitale diensten.
Daarnaast zet het kabinet zich op het gebied van privacy in om het voor burgers makkelijker te maken om hun rechten uit te oefenen. Dit doet zij in de lopende onderhandelingen over de Omnibus Digitaal.
Tot slot stelt de ACM voor om consumenten een «één-klik» optie te geven om gepersonaliseerde reclame te weigeren, wilt u zich hiervoor inzetten?
De «één-klik» optie is een van de andere opties die door de ACM geschetst is om meer grip te krijgen op gepersonaliseerde content. Ik ben van mening dat consumenten controle moeten hebben over hun (persoonlijke) data en personalisatie voorkeuren, en dat er keuzevrijheid moet zijn voor de consument. Dat wil zeggen: de consument moet zelf kunnen bepalen of hij gepersonaliseerde content of niet-gepersonaliseerde/standaard content wil zien. Zoals weergegeven in het BNC-fiche over de Omnibus Digitaal, welke op 12 december 2025 met uw Kamer is gedeeld, staat het kabinet positief tegenover oplossingen om het voor burgers makkelijker te maken hun rechten uit te oefenen. Het steunen van deze voorstellen in Europees verband is daarom reeds onderdeel van de kabinetsinzet. Voor een «opt-out» voor de gepersonaliseerde content zou het vooral van belang zijn dat deze effectief is en op een makkelijke manier toegankelijk. Daarnaast moet het ook voor kleinere handelaren realistisch zijn om een dergelijke opt-out te realiseren.
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen in Dagblad van het Noorden van 25 juli 2026 over de interne kritiek op het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de ervaringen van gedupeerden met vastgelopen dossiers? Deelt u de conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet staat met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?1
Ik heb kennisgenomen van de publicaties in het Dagblad van het Noorden. Daarin spreekt onder meer een aantal (voormalig) medewerkers haar zorgen uit over de schadeafhandeling door het IMG. Sommige zorgen herken ik, bijvoorbeeld over het langzaam op gang komen van de nieuwe herstelregelingen. Hiervoor zijn ook de benodigde acties ondernomen. Inmiddels zien we dat de uitvoering steeds meer op gang komt.
In het artikel wordt tevens opgemerkt dat de veelheid aan wijzigingen en nieuwe regelingen van de afgelopen jaren op zichzelf al tot vertraging en onduidelijkheid hebben geleid, zowel bij bewoners als bij medewerkers in de uitvoering. Dat is ook één van de redenen dat ik heb aangegeven nu bewust te kiezen voor stabiliteit in de uitvoering, zodat het IMG zich kan concentreren op het zo goed mogelijk helpen van gedupeerden.
De conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet zou staan met een mildere, menselijkere en makkelijkere schadeafhandeling deel ik niet, evenmin dat het IMG hier niet naar zou willen of kunnen handelen. Binnen de geldende kaders bestaat juist veel ruimte om schades ruimhartig af te handelen. Ik zie ook dat het IMG hier voortvarend invulling aan geeft. De organisatie heeft de afgelopen jaren ongeveer 700.000 schademeldingen afgehandeld en bijna 3,5 miljard euro uitgekeerd. Daarnaast zijn mede naar aanleiding van Nij Begun nieuwe regelingen ontwikkeld en geïmplementeerd, waarbij ook hard is gewerkt aan het verbeteren van de dienstverlening, met meer persoonlijk contact en een aanvragersgerichte aanpak. Rapporten, zoals de Staat van Groningen & Noord-Drenthe en de Bouwen aan Herstel-monitor, laten ook zien dat dit heeft geleid tot een toenemende tevredenheid over en vertrouwen in de schadeafhandeling.
Dit laat onverlet dat het duidelijk is dat de opgave in Groningen groot en complex is en daarin soms dingen niet goed gaan. Wanneer dat gebeurt, is het belangrijk om dat te erkennen en het in de toekomst beter te doen. Het IMG blijft hier alert op en verbeteringen doorvoeren waar nodig.
Hoe rijmt u de beschrijving van een eigen medewerker dat het IMG «in de kern een keiharde, juridische organisatie» is, en het gevoel van bewoners dat het loket «oogkleppen op heeft en alleen naar een toetsenbord kijkt», met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een verhouding waarbij bijna de helft van het geld niet bij gedupeerden terechtkomt, symptomatisch is voor een fundamenteel verkeerd ingericht stelsel van schadeafhandeling? Welk percentage uitvoeringskosten acht u wel acceptabel voor een publieke schadeorganisatie?
Het klopt niet dat bijna de helft van de uitgaven in de schadeafhandeling opgaan aan uitvoeringskosten. In 2025 heeft het IMG ca. € 640 mln. aan schade-vergoedingen uitgekeerd en daarnaast ca. € 298 mln. aan uitvoeringskosten gemaakt.2 In totaal ging vorig jaar dus iets minder dan een derde van de totale uitgaven in de schadeafhandeling naar de uitvoering. Daarbij vind ik het belangrijk om te benadrukken dat uitvoeringskosten nooit ten koste gaan van de schadevergoeding die aan gedupeerden wordt uitgekeerd. Ook het beeld dat de uitvoeringskosten relatief hoog zouden zijn, verdient nuancering. Een externe evaluatie in 2022 concludeerde immers nog dat de uitvoeringskosten van het IMG niet bijzonder hoog zijn, gelet op de opgave die zij heeft te vervullen.3
Ik wil daarbij benadrukken dat het terugdringen van uitvoeringskosten niet ten koste mag gaan van bewoners. Ik vind het namelijk belangrijk dat bewoners een goed geïnformeerde keuze kunnen maken tussen de verschillende schaderegelingen. Dit vraagt een persoonlijke benadering en begeleiding van bewoners en dat vergt extra tijd en daarmee geld. Daarbij weten we ook dat de uitvoeringskosten sterk samenhangen met de keuzes van bewoners. De vaste vergoedingen kennen aanzienlijk lagere uitvoeringskosten dan maatwerk en daadwerkelijk herstel.
Dat hoge uitvoeringskosten zouden voortkomen uit een systeem dat gebaseerd is op wantrouwen herken ik dan ook niet. Dit laat onverlet dat het ministerie uiteraard doorlopend in gesprek is met het IMG om te kijken of en hoe uitvoeringskosten redelijkerwijs verder verlaagd kunnen worden, zonder in te leveren op kwaliteit en persoonlijk contact.
Erkent u dat de hoge uitvoeringskosten in belangrijke mate voortkomen uit een systeem dat is gebouwd op wantrouwen? Op welke wijze gaat u het stelsel zo herzien dat eenvoud en vertrouwen het uitgangspunt worden, waardoor de uitvoeringskosten structureel dalen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat circa 40 procent van de ongeveer duizend medewerkers van het IMG extern wordt ingehuurd, tegen tarieven van 115 tot bijna 200 euro per uur? Hoeveel is er sinds de oprichting van het IMG in totaal uitgegeven aan externe inhuur?
Ja, dit percentage klopt. Dit betreft zowel uitzendkrachten als externe inhuur. Zowel deze ingehuurde als de ambtelijke medewerkers van het IMG worden via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) bekostigd op basis van gestandaardiseerde uurtarieven. Voor 2026 loopt de bandbreedte in uurtarieven van € 86,– tot € 191. Behalve loonkosten zijn alle andere kosten, zoals huisvesting en overhead, hierin ook verdisconteerd. RVO betaalt aan ingehuurde externen en uitzendkrachten de werkelijke kosten op basis van facturen. Deze kunnen dus afwijken van de gestandaardiseerde uurtarieven. Het IMG geeft aan dat er sinds de oprichting van het IMG op 1 juli 2020, ongeveer € 340 mln. is besteed aan inhuur van uitzendkrachten en externen.
Hoe verhoudt dit inhuurpercentage zich tot de Roemer-norm van maximaal tien procent? Bent u bereid de Roemer-norm bij het IMG alsnog af te dwingen?
Het inhuurpercentage van IMG ligt boven de Roemernorm. Ik zal in mijn gesprekken met IMG de inzet van externe inhuur meenemen en in gezamenlijkheid bekijken of en waar eventueel vermindering mogelijk is. Tegelijkertijd merk ik op dat een aantal onderdelen van het IMG de afgelopen jaren al fors is verambtelijkt: het gehele managementteam en vrijwel alle medewerkers die in direct contact staan met schademelders zijn inmiddels in dienst. Waar dat qua marktaanbod (kwantitatief en kwalitatief) kan en waar niet expliciet sprake is van tijdelijkheid komen mensen in ambtelijke dienst.
Hoe beoordeelt u de beschrijving van medewerkers van een «draaicarrousel» van externen die elkaar binnenhalen, kort blijven, werk overdoen dat al eerder is geprobeerd en vertrekken zonder overdracht? Erkent u dat een dergelijk verdienmodel voor consultancybureaus haaks staat op het publieke belang van een snelle en zorgvuldige schadeafhandeling?
Het IMG geeft aan zich niet in het geschetste beeld in het artikel te herkennen en neemt expliciet afstand van de suggestie dat de organisatie er belang bij zou hebben om problemen traag op te lossen. Ik sluit me daar volledig bij aan; ik zie in mijn contacten dat de medewerkers in de uitvoering zeer betrokken zijn bij het oplossen van de problemen van inwoners in Groningen en Noord-Drenthe. In het antwoord op vragen 1 en 2 gaf ik al aan dat er de afgelopen jaren hard is gewerkt aan de afhandeling van schademeldingen, het ontwikkelen en implementeren van nieuwe regelingen, en het continu verbeteren van de dienstverlening. Dit heeft veel gevraagd van het IMG en haar medewerkers. Het in twijfel trekken van hun intenties doet geen recht aan deze betrokkenheid en inspanningen.
Wat vindt u van de constatering van een manager binnen het IMG dat de organisatie er belang bij lijkt te hebben zichzelf langer in leven te houden dan nodig? Deelt u de analyse dat een organisatie die voor een groot deel draait op commerciële inhuur een ingebouwde prikkel heeft om problemen niet definitief op te lossen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de situatie bij het IMG geen incident is, maar past in een breder patroon waarbij de rijksoverheid en uitvoeringsorganisaties structureel leunen op dure externe inhuur?
Het klopt dat de omgang met externe inhuur een rijksbreed vraagstuk is. Voor toelichting van de inzet van het kabinet hieromtrent verwijs ik kortheidshalve naar de brief die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer naar uw Kamer heeft gestuurd.4
Erkent u dat decennia van inhuur, uitbesteding en het «tijdelijk» organiseren van publieke taken ertoe hebben geleid dat de overheid haar eigen uitvoeringscapaciteit heeft uitgehold, waardoor kennis wegvloeit naar de markt en vervolgens tegen commerciële tarieven moet worden teruggekocht? Wat gaat u doen om deze vicieuze cirkel te doorbreken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het argument dat het IMG een tijdelijke organisatie is en daarom extern inhuurt niet opgaat, aangezien de schadeafhandeling in Groningen al jaren duurt en nog jaren zal duren, en het Rijk permanent behoefte heeft aan uitvoeringskennis op het gebied van schadeafhandeling, herstel en compensatie (denk ook aan de toeslagenaffaire)?
Het klopt dat de opgave van het IMG voor de voorzienbare toekomst blijft voortbestaan. Toch is een groot deel van de werkzaamheden die de organisatie op dit moment verricht, zoals bijvoorbeeld de (door)ontwikkeling van regelingen en de benodigde structuren daarvoor, wel degelijk tijdelijk en komen deze op termijn te vervallen. Daarbij is het ook de verwachting dat de hoeveelheid schade-meldingen op termijn zal afnemen, gelet op het dalend seismisch risico.
Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet inzet op het verbinden en bestendigen van de aanwezige kennis over en capaciteit in (het uitvoeren van) de verschillende hersteloperaties.5
Bent u bereid deze kennis structureel in publieke dienst op te bouwen in plaats van steeds opnieuw in te kopen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het IMG een toplaag kent van ketenmanagers, kwartiermakers, programmaleiders en domeinmanagers, terwijl de zaakbegeleiders die daadwerkelijk contact hebben met bewoners zich een «boksbal» voelen en niet worden gehoord? Herkent u dit als een breder probleem binnen de rijksoverheid zoals ook de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties eerder concludeerde?2
Het artikel baseert zich op een relatief kleine groep (voormalig) medewerkers. Ik wil er daarom voor waken om op basis hiervan algemene conclusies over het sentiment onder de medewerkers van het IMG te trekken, laat staan over de Rijksoverheid in het algemeen. Dat laat onverlet dat dergelijke signalen serieus (moeten) worden genomen. Ik begrijp van het IMG dat zij dat doet en daarom in gesprek gaat met haar medewerkers over de onderwerpen uit het artikel teneinde eventueel bij medewerkers levende zorgen goed te adresseren. Ik heb er vertrouwen in dat dit zorgvuldig gebeurt.
Op wat voor manier worden de conclusies en aanbevelingen van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties geïmplementeerd bij het IMG?
Het IMG werkt op verschillende manieren in lijn met de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties (hierna: TCU). Enkele voorbeelden staan hieronder genoemd:
Deelt u de mening dat uitvoerende medewerkers structureel betrokken moeten worden bij het ontwerp van nieuwe regelingen?
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal woningen dat via Duurzaam Herstel geholpen zou worden, is bijgesteld van 5.000–15.000 naar 800–900? Wat gebeurt er met het niet-bestede deel van het budget van 1,35 miljard euro, en bent u bereid te garanderen dat dit geld voor de regio behouden blijft?
Het budget voor Duurzaam herstel is bij Nij Begun aangevuld tot € 1,4 miljard. De inschatting was destijds namelijk dat maximaal 14.000 woningen in aanmerking zouden kunnen komen, met verwachte gemiddelde kosten van € 100.000 per woning. Daarbij was bekend dat er nog grote onzekerheden bestonden over de daadwerkelijke aard en omvang van de opgave. Er is daarom bewust gekozen om met een pilot te starten, zodat gaandeweg geleerd en bijgestuurd kon worden.
Inmiddels weten we dat Duurzaam herstel minder vaak nodig is om mijnbouwschade te voorkomen dan vooraf werd verwacht, maar ook dat de kosten per adres regelmatig hoger zijn dan gedacht. Vorig jaar is daarom besloten om de maximumbedragen fors te verhogen en de regeling gericht in te zetten voor de gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de gaswinning.9 Aan het eind van dit jaar evalueert het IMG deze nieuwe werkwijze. Ik heb het IMG daarbij ook gevraagd om een reële raming en planning van de uitvoeringsopgave in de komende jaren. Op basis daarvan zal meer duidelijk worden over hoe dit zich verhoudt tot het gereserveerde budget. Ik kan daar nu nog niet op vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat de wirwar aan regelingen ertoe leidt dat aan de randen van het gebied relatief eenvoudig forse bedragen te claimen zijn, terwijl bewoners in het kerngebied met de zwaarste schade vastlopen in complexe trajecten? Erkent u dat dit het gevolg is van beleid dat per regeling is dichtgetimmerd in plaats van vanuit één samenhangende, rechtvaardige aanpak?
Het beeld dat het aan de randen van het effectgebied eenvoudiger zou zijn om een schadevergoeding te ontvangen dan in het kerngebied klopt niet. Binnen het effectgebied kunnen aanvragers met fysieke schade kiezen tussen maatwerk (met onderzoek naar de schadeoorzaak), daadwerkelijk herstel, en een forfaitaire vergoeding (beiden zonder onderzoek naar de schadeoorzaak). Alle inwoners van het effectgebied met fysieke schades hebben dus dezelfde opties voor de afhandeling van hun schade. Bij maatwerk zien we dat juist in het gebied waar nog steeds bevingen plaatsvinden relatief meer schades worden toegekend dan aan de randen, dat is ook logisch. Bij daadwerkelijk herstel en de vaste vergoedingen is ervoor gekozen om niet te differentiëren in de grensbedragen. Het is een bewuste keuze geweest om nieuwe grenzen en verschillen binnen het effectgebied te voorkomen. Zo geldt er overal een grensbedrag van € 60.000 bij daadwerkelijk herstel. Uit de praktijk weten we dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg van de gaswinning dit grensbedrag overschrijden, ook in de kern van het bevingsgebied.
Wel is het zo dat er in de gebieden met de meeste bevingen vaker sprake is van samenloop van schade met andere opgaves, zoals de versterking. Die samenloop vergroot de complexiteit en maakt dat hier aanvullende aandacht en inzet nodig is. Dit gebeurt ook op verschillende manieren, bijvoorbeeld door de inzet van gezamenlijke steunpunten door IMG en NCG, de initiatieven onder Agenda voor Herstel en via aanvullende regelingen als Duurzaam herstel en de vaste herhaalvergoeding. Ook de regeringscommissaris Hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe heeft het verbeteren van de situatie van de inwoners in het kerngebied als één van zijn speerpunten benoemd in zijn opdrachtformulering.10
Wat is uw reactie op de situatie van Willeke Lode uit Midwolde die al 4,5 jaar wacht op duidelijkheid over 97 scheuren in haar woonboerderij maar uit beeld raakte?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties.
Wat is uw reactie op de 329 vergelijkbare dossiers waarover de Nationale ombudsman aan de bel trok? Kunt u garanderen dat al deze 329 dossiers inmiddels weer actief in behandeling zijn en dat deze mensen persoonlijk zijn geïnformeerd?
Ik betreur het feit dat ca. 329 dossiers tijdelijk uit beeld zijn geraakt bij de uitvoering, dit had niet mogen gebeuren. Dit hing samen met ICT-aanpassingen als gevolg van de implementatie van nieuwe schaderegelingen. Inmiddels heeft het IMG met de bewoners in kwestie contact opgenomen en is de behandeling van hun meldingen weer opgepakt en in een aantal gevallen ook al afgehandeld.11 Het IMG is structureel in gesprek met de ombudsman en daarbij ook ingegaan op het aanbod van de ombudsman om te bespreken hoe dit soort situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden.
Wat vindt u ervan dat een bewoner pas via een Woo-verzoek inzicht kreeg in zijn eigen schadedossier, nadat stukken bleken te missen en hij maandenlang niets hoorde? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gedupeerden juridische middelen als Woo-verzoeken en rechtszaken moeten inzetten om überhaupt te weten waar ze aan toe zijn bij een organisatie die er voor hen is?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties. Ten algemene geldt dat aanvragers hun eigen dossier online kunnen inzien via de pagina Mijn Dossier. Mocht de aanvrager daarin correspondentie zoals brieven of mails missen, dan kan hij hierover contact opnemen met de zaakbegeleider of het Serviceloket. Voor inzage in eigen dossiers is vanzelfsprekend geen Woo-verzoek nodig.
Wat is uw reactie op de signalen dat bewoners bij vertraging maandenlang geen brief krijgen, dossiers acht à negen maanden op de plank blijven liggen zonder uitleg, brieven verouderde informatie bevatten en bewoners data kregen toegezegd waarvan intern al bekend was dat die niet gehaald zouden worden?
Ik vind dat bewoners moeten weten waar ze aan toe zijn, ook als er nog geen oplossing is. Ook de Nationale ombudsman wees hier onlangs op. Het IMG neemt deze signalen serieus en blijft werken aan de verdere verbetering van haar dienstverlening richting aanvragers.
Het bericht 'Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties»?1
Ja.
Is het u bekend dat Holland2Stay landelijk op grote schaal woningen verhuurt en beheert, en dat in meerdere steden vergelijkbare klachten bestaan over kapotte liften, defecte toegangssystemen, gebrekkig onderhoud en veiligheidsproblemen?
Ik ben niet bekend met de exacte feiten van deze kwestie, maar indien een verhuurder zich niet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid en onderhoud van woningen houdt, is dat uiteraard een slechte zaak.
Acht u het aanvaardbaar dat bewoners maandenlang in een aantoonbaar onveilige situatie verkeren voordat een verhuurder tot een structurele oplossing overgaat, en welke termijn acht u bij een veiligheidsgebrek van deze aard nog acceptabel?
Iedere huurder heeft recht op een woning van goede kwaliteit, die bovendien goed onderhouden wordt. Verhuurders moeten zich vanzelfsprekend houden aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van de bouwkundige staat en het onderhoud van woningen en de zich daarin bevindende bouwwerkinstallaties, zoals bijvoorbeeld is vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Burgerlijk Wetboek. Gemeenten houden toezicht op de bouwregels, en kunnen in geval van overtreding hiervan ook handhavend optreden. Afhankelijk van het veiligheidsrisico kunnen zij een afweging maken hoe snel moet worden opgetreden en of feitelijke bestuursdwang of een andere herstelsanctie op zijn plaats is of ook een boete opleggen. Regels over liften en keuringen daarvan staan in het Warenwetbesluit liften. Daar houdt de arbeidsinspectie toezicht op.
In het geval van ernstige gebreken aan de huurwoning, zoals het veelvuldig voorkomen van ernstige storingen aan een liftinstallatie als gevolg van ouderdom en/of technische gebreken, kan de huurder ook de Huurcommissie vragen om de huur tijdelijk te verlagen. Wanneer de Huurcommissie de huurprijs in verband met ernstige gebreken tijdelijk heeft verlaagd, mag de huur vervolgens ook niet worden verhoogd zolang de betreffende gebreken niet verholpen zijn. Gebeurt dit onverhoopt wel, dan kan de huurder wederom bij de Huurcommissie terecht om die huurverhoging tegen te houden. Met de Wet betaalbare huur is de groep huurders die een beroep kan doen op de laagdrempelige geschilbeslechting van de Huurcommissie uitgebreid, zodat – naast huurders in het sociale segment – nu ook huurders in het middensegment bij de Huurcommissie terecht kunnen voor een uitspraak in geval van geschillen over – onder andere – huurprijzen, servicekosten, (onderhouds)gebreken en huurverhogingen.
Hoe beoordeelt u het dat de huren worden verhoogd terwijl een basisvoorziening als een werkende lift al maanden niet toegankelijk is, en acht u de mogelijkheden voor huurders om hier iets aan te doen toereikend en toegankelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u het bredere signaal dat juist kwetsbare of minder mondige huurdersgroepen, zoals expats, extra risico lopen op uitbuiting door grote verhuurders, en welke stappen zet u om ook deze groep effectief te beschermen?
Ik herken het signaal dat er groepen huurders zijn die extra risico lopen op ongewenste verhuurpraktijken. Om ongewenste verhuurpraktijken tegen te gaan én kwetsbare groepen te ondersteunen, hebben gemeenten de afgelopen jaren meer instrumentarium gekregen om hiertegen op te treden. Bijvoorbeeld via de Wet betaalbare huur en de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten handhaven als sprake is van misstanden zoals intimidatie en te hoge huren. Ook is daarmee de informatiepositie van huurders, waaronder arbeidsmigranten, versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Met de Wet goed verhuurderschap is het bovendien mogelijk gemaakt voor gemeenten om een verhuurvergunning instellen; een gebiedsgerichte verhuurvergunning voor de verhuur van reguliere woonruimte, en/of een vergunning specifiek voor verhuur aan arbeidsmigranten. Met zo'n vergunning kunnen gemeenten vooraf eisen stellen aan verhuurders en, indien een verhuurder zich structureel niet aan de regels houdt, de vergunning weigeren of intrekken. Dit biedt gemeenten een extra instrument om malafide verhuurpraktijken tegen te gaan, juist in situaties waarin kwetsbare huurders een verhoogd risico lopen.
Om de Wet goed verhuurderschap toegankelijk te maken voor een brede groep huurders, waaronder ook huurders die de Nederlandse taal niet (goed) machtig zijn, heeft het Rijk informatiemateriaal digitaal beschikbaar gesteld in zes talen: Nederlands, Engels, Bulgaars, Pools, Roemeens en Spaans. Daarbij is het voor gemeenten mogelijk gemaakt dit materiaal te personaliseren om zo ook hun meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag onder de aandacht te brengen. Eind 2025 ben ik bovendien opnieuw een bewustwordingscampagne over de Wet goed verhuurderschap en de gemeentelijke meldpunten gestart op sociale media. Die campagne informeerde huurders, verhuurders en woningzoekenden over de wet, en liet zien dat men bij de gemeente terecht kan als zij huurmisstanden meemaken.
Hoe beoordeelt u het dat de oprichter en een directeur van Holland2Stay in 2021 ieder een taakstraf hebben aanvaard wegens het manipuleren van tijdelijke huurcontracten, en welke consequenties verbindt de overheid aan zo'n veroordeling voor een partij die vervolgens op grote schaal actief blijft op de gereguleerde woningmarkt?
Zoals in mijn antwoord op vraag 5 reeds is toegelicht, hebben gemeenten als gevolg van de Wet goed verhuurderschap de mogelijkheid gekregen om een tweetal verhuurvergunningen in te stellen voor de verhuur van woon- of verblijfsruimten. Hiermee kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan verhuurders in de gemeente, waaronder een Bibob-toets. Hiermee kunnen eerder begane – voor de verhuurpraktijk relevante – strafbare feiten worden betrokken bij de overweging om al dan niet een verhuurvergunning te verlenen. Het is aan gemeenten zelf om al dan niet te besluiten om één of beide vergunningplichten uit de Wet goed verhuurderschap in te stellen.
Hoe verhoudt het door Sikkom bevestigde feit dat Holland2Stay meer dan 280 huurders in Groningen tussen € 150 en € 200 aan verboden bemiddelingskosten heeft gerekend en weigerde proactief terug te betalen, zich tot het wettelijke verbod op bemiddelingskosten, en welke mogelijkheden hebben gedupeerde huurders om hun geld terug te krijgen?2
Op basis van het Burgerlijk Wetboek is het verboden om dubbele bemiddelingskosten te vragen. Dit betekent dat een verhuurbemiddelaar geen bemiddelingskosten mag vragen aan de (aspirant)-huurder indien de bemiddelaar in opdracht van de verhuurder bemiddelt. In eerste instantie kan een (aspirant)-huurder deze ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten terugvragen bij de bemiddelaar, bijvoorbeeld via een aangetekende brief. De ACM ConsuWijzer heeft hiervoor op haar website een voorbeeldbrief beschikbaar gesteld.3 Ook het Juridisch Loket4 en de Nederlandse Woonbond5 hebben voorbeeldbrieven voor terugvordering van ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten op hun website staan. Mocht de bemiddelaar de ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten niet goedschiks terugbetalen aan de (aspirant-)huurder, dan kan hij of zij daarna naar de rechter stappen om ze in rechte terug te vorderen.
Ook de Wet goed verhuurderschap bevat een verbod op het in rekening brengen van bemiddelingskosten bij de huurder wanneer de bemiddelaar in opdracht van de verhuurder bemiddelt. Hierdoor is het ook voor gemeenten mogelijk om hierop te handhaven. Mocht er sprake zijn van ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten dan kan een (aspirant-)huurder hiervan melding maken bij het meldpunt van de gemeente. De gemeente kan dan handhaven. Een gemeente kan ook proactief, dus zonder voorafgaande melding, optreden als zij constateert dat verhuurbemiddelaars (stelselmatig) ten onrechte bemiddelingskosten bij (aspirant-)huurders in rekening brengen.
Deelt u, gelet op signalen dat Holland2Stay gebruikmaakt van een vennootschapsstructuur waarbij het bedrijf zich in juridische procedures op het standpunt stelt slechts «beheerder» en niet «verhuurder» te zijn met als gevolg dat huurders bij de rechter bot vangen, de zorg dat ondoorzichtige vennootschapsstructuren huurders het effectief uitoefenen van hun rechten kunnen ontnemen, en welke mogelijkheden ziet u om de werkelijke verhuurder voor huurders kenbaar en aanspreekbaar te maken?
Ik vind het belangrijk dat huurders die te maken hebben met overtredingen van wet- en regelgeving, hun recht kunnen halen. Mede tegen deze achtergrond is in de Wet goed verhuurderschap bijvoorbeeld nadrukkelijk gekozen voor een brede definitie van het begrip «verhuurder». Deze wet geldt daarmee ook onverkort voor bijvoorbeeld onderverhuurders, of voor beheerders die in de plaats van de verhuurder optreden. Langs deze weg wordt geborgd dat de gehanteerde bedrijfsstructuur er niet toe leidt dat verhuurders zich kunnen onttrekken aan de verplichtingen volgend uit de Wet goed verhuurderschap.
Mijn voorstel voor een huurregister is recent in consultatie geweest. Daarmee is opgehaald of een huurregister in de praktijk meerwaarde heeft voor onder meer de handhaving van (huur)regelgeving, of de geschetste opzet haalbaar is, en of er voldoende draagvlak voor is. Het voorgestelde huurregister is erop gericht om de verhuurders en de woonruimte die zij verhuren in beeld te krijgen. Daarmee wordt ook duidelijk welke andere mogelijk betrokken partijen niet de verhuurder zijn. Een huurregister moet in ieder geval duidelijk maken wie de verhuurder is en als zodanig aanspreekbaar is.
Hoe beoordeelt u het dat Holland2Stay een voormalig student van de Technische Universiteit Eindhoven na een bedwantsenplaag aanvankelijk ruim € 12.000 in rekening bracht, een bedrag dat na protest stapsgewijs werd verlaagd tot € 5.083,21, terwijl een onafhankelijk kenniscentrum aangeeft dat de kosten van een dergelijke bestrijding doorgaans veel lager liggen? Deelt u de zorg dat grote verhuurders onderhouds- en bestrijdingskosten op ondoorzichtige wijze en mogelijk bovenmatig op individuele huurders afwentelen?3
Het bestrijden van ongedierte is in principe de verantwoordelijkheid van de huurder, voor zover daaraan geen noemenswaardige kosten verbonden zijn en voor zover de aanwezigheid van dit ongedierte geen gevolg is van de bouwkundige staat van de woonruimte. Wanneer in de huurovereenkomst is bepaald dat de verhuurder (voor de huurder) ook de bestrijding van ongedierte die geen gevolg is van de bouwkundige situatie van de woonruimte verzorgt, mag de verhuurder de kosten hiervan in rekening brengen bij de huurder als servicekostenpost (dienstverlening in de vorm van overnemen huurdersonderhoud). Het gaat hierbij enkel om de werkelijk gemaakte kosten, die de verhuurder ook moet kunnen onderbouwen. Ik kan niet oordelen over dit specifieke geval, omdat ik de casus onvoldoende ken en een dergelijk oordeel aan de Huurcommissie of rechter is voorbehouden. In algemene zin verwacht ik van huurders en verhuurders dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houden.
Acht u, mede gelet op de oproep van meerdere partijen in de Groningse gemeenteraad in februari 2025 om de verhuurdersvergunning van Holland2Stay te heroverwegen wegens veiligheidsovertredingen en aanhoudend wangedrag, de instrumenten die gemeenten met de Wet goed verhuurderschap hebben gekregen toereikend om landelijk opererende verhuurders met een aantoonbaar patroon van misstanden aan te pakken, en op welke wijze faciliteert het Rijk de uitwisseling van handhavingsinformatie over zulke verhuurders tussen gemeenten?4
Gemeenten hebben met de Wet goed verhuurderschap verschillende instrumenten gekregen om ongewenst verhuurgedrag tegen te gaan. Ik ben met de vraagsteller van mening dat het voor een goede werking van de wet van belang is dat hiermee ook effectief kan worden opgetreden tegen landelijk opererende malafide verhuurders, en dat wordt voorkomen dat malafide verhuurders naar aanleiding van handhaving in de ene gemeente, hun verhuurpraktijk simpelweg verplaatsen naar een andere gemeente. Om dit te voorkomen verplicht de Wet goed verhuurderschap gemeenten om – voorafgaand aan het instellen van een verhuurvergunningplicht – overleg te voeren met de desbetreffende woningmarktregio. Een en ander met het doel om waterbedeffecten te voorkomen. Ook schrijft de wet voor dat besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete en/of het in beheer nemen van een woning openbaar worden gemaakt. Deze maatregel is niet alleen bedoeld om huurders en woningzoekenden te informeren en waarschuwen, maar leidt er ook toe dat gemeenten beter zicht hebben op eventuele waterbedeffecten van verhuurders die ofwel óók in hun gemeente actief zijn, ofwel die hun activiteiten van de ene gemeente naar de andere verplaatsen.
Het in consultatie gebrachte voorstel voor een huurregister bevatte de mogelijkheid om hierin een centrale plek te bieden voor deze besluiten. Hierdoor kunnen woningzoekenden, huurders en gemeenten eenvoudig zien of een verhuurder eerder is gesanctioneerd, ook in andere gemeenten. Dit vergroot de mogelijkheden voor gemeenten om kennis over problematische verhuurders en handhaving met elkaar af te stemmen. Voor woningzoekenden draagt dit bij aan een beter geïnformeerde keuze bij het aangaan van een huurovereenkomst, en huurders kunnen op dezelfde manier nagaan of hun verhuurder eerder in overtreding is geweest, bijvoorbeeld bij een lopend geschil.
Deelt u de opvatting dat een verhuurder die in de ene stad misstanden begaat of een vergunning verliest, niet ongehinderd in een andere stad zou moeten kunnen doorgaan, en bent u bereid te onderzoeken of een landelijk register van verhuurders met herhaalde overtredingen wenselijk en mogelijk is?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u, gelet op dit incident en het bredere patroon van fraude, illegale kosten, gebrekkig onderhoud en het ontwijken van aansprakelijkheid, bereid de handelwijze van Holland2Stay te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Signalen over ongewenste verhuurpraktijken neem ik serieus, maar als Minister heb geen wettelijke bevoegdheid om op eigen initiatief een specifiek onderzoek in te stellen naar de bedrijfsvoering of handelwijze van één individuele, private Verhuurpartij, noch om eventueel sancties op te leggen. Huurders die te maken krijgen met ongewenst verhuurgedrag kunnen hiervoor, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 en 4, terecht bij hun gemeente. Daarnaast staat voor huurders de gang naar de Huurcommissie open bij geschillen over de hoogte van de huurprijs, servicekosten of onderhoudsgebreken.
Indien er sprake is van oneerlijke handelspraktijken of consumentenmisleiding, is de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de aangewezen toezichthouder. Ook kunnen huurders bij verhuurmisstanden (weigeren ernstige onderhoudsgebreken waarvoor de verhuurder verantwoordelijk is te verhelpen, onredelijk hoge servicekosten) en bemiddelingsmisstanden (ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten) een procedure starten bij de rechtbank. Ik roep huurders dan ook op van deze mogelijkheden gebruik te maken.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om huurders beter te beschermen tegen grote, landelijk opererende verhuurders die een structureel patroon van misstanden laten zien?
De huidige wet- en regelgeving voorziet reeds in een stevig kader op basis waarvan kan worden opgetreden in geval van ongewenst verhuurgedrag. Het gaat hier onder andere om de Wet goed verhuurderschap en Wet betaalbare huur, als gevolg waarvan gemeenten kunnen handhaven op misstanden als intimidatie, discriminatie, onredelijke servicekosten en te hoge huren. Ook heeft de gemeente de mogelijkheid om te handhaven op het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarmee kan worden opgetreden als bijvoorbeeld de staat van de woning onder de in dat besluit opgenomen minimumkwaliteit zakt of wordt gebracht of wanneer installaties niet goed worden onderhouden.
Op dit moment evalueer ik de Wet goed verhuurderschap. Ik verwacht de resultaten hiervan komend najaar met uw Kamer te delen.
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Het artikel 'De wonderbaarlijke waardestijging van 23 boswoningen: hoe een zorginstelling miljoenen aan inkomsten misliep' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat 23 sociale huurwoningen voor ouderen, ooit gefinancierd met gemeenschapsgeld, voor 3,8 miljoen euro zijn verkocht aan private beleggers en binnen een jaar voor tweeënhalf keer de aankoopprijs zijn doorverkocht?1
Deelt u de mening dat hier feitelijk miljoenen euro's aan zorggeld zijn weggelekt naar particuliere vastgoedbeleggers? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de verkoopprijs een miljoen euro onder de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde lag?
Hoe beoordeelt u het optreden van het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) in deze zaak?
Heeft u de bevoegdheid om het CSZ opdracht te geven? Zo ja, bent u van plan deze bevoegdheid te gebruiken in deze zaak?
Bent u van mening dat de waarde van een goed functionerend CSZ zich heeft bewezen door deze zaak?
Hoe verhoudt deze casus zich tot uw voornemen om het CSZ op te heffen? Deelt u de waarschuwing van de bestuursvoorzitter van het CSZ dat er na opheffing «nauwelijks extern toezicht» op vastgoedtransacties in de zorg zal bestaan?
Deelt u de mening dat deze zaak juist aantoont dat het toezicht op de verkoop van zorgvastgoed niet moet worden afgeschaft maar moet worden versterkt?
Klopt het dat de taxatie en de goedkeuring door het CSZ berustten op de aanname dat er een «uitpondverbod» gold, terwijl dit verbod in werkelijkheid niet bleek te bestaan? Hoe kan een dergelijke fundamentele fout in het toezicht ontstaan?
Vindt u het aanvaardbaar dat externe gemachtigden die voor het CSZ transacties beoordelen zelf actief zijn als vastgoedondernemer? Komt dit vaker voor?
Hoe beoordeelt u de handelwijze van het CSZ in de Woo-procedure, waarbij het bestaan van een cruciaal document werd verzwegen?
Bent u bereid het CSZ opdracht te geven de goedkeuring van de Valckenhof-transactie te evalueren en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Hoeveel vastgoedtransacties van zorginstellingen zijn de afgelopen vijf jaar goedgekeurd door het CSZ? Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeveel gevallen het verkochte vastgoed kort na de transactie met forse winst is doorverkocht?
Wat betekent deze casus voor bewoners van vergelijkbare complexen die op de nominatie staan om verkocht te worden, zoals het wooncomplex van Warande in Driebergen? Welke bescherming hebben deze veelal oudere huurders tegen de uitverkoop van hun woongemeenschap?
Deelt u de mening dat sociale huurwoningen voor ouderen die met publiek geld zijn gefinancierd, in beginsel in publieke of maatschappelijke handen zouden moeten blijven, bijvoorbeeld door een eerste aanbiedingsplicht aan woningcorporaties? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'Kernafvalrekening van kabinetsplannen loopt mogelijk op tot €31 miljard' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de eindberging van het hoogradioactieve afval € 16 tot 31 miljard kan gaat kosten, waarvan € 12 tot 23 miljard bovenop de tot nu toe beoogde bedragen? Zo nee, wat gaat het dan wel kosten?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de eindberging van kernafval hoogstwaarschijnlijk meer gaat kosten dan het gehele bouwbudget van de nieuw te bouwen kerncentrales?
Vindt u het verantwoordelijk bestuur dat het totale kostenplaatje van de bouw van kerncentrales niet in volle transparantie met de Kamer en de kiezers wordt gedeeld?
Is de Kamer, naar uw mening, fatsoenlijk geïnformeerd over de volledige kosten van de bouw van kerncentrales?
Waarom zijn de besluiten over de bouw van nieuwe kerncentrales en de eindberging van het afval van elkaar gescheiden?
Hoe verklaart u dat de kostenraming van COVRA in een jaar tijd bijna vervijfvoudigde? Bent u bereid het kostenramingsmodel aan te passen? Wordt deze al aangepast?
Bent u van mening dat de Kamer moet vertrouwen op de huidige ramingen gezien de discrepanties die worden besproken in dit artikel?
Kunt u bevestigen dat de bijdragen van producenten van radioactief materiaal aan het eindbergingsfonds van COVRA zijn vastgelegd in langlopende afspraken waarvan de bedragen niet openbaar zijn? Bent u bereid deze bedragen alsnog openbaar te maken?
Waarom zit er geen risico-opslag op het fonds voor eindberging van radioactief materiaal? Bent u bereid deze alsnog in te stellen?
Bent u bereid, conform aanbeveling 1 uit het WISE rapport, een volledige opbergkostenrekening te publiceren voordat er onomkeerbare besluiten worden genomen over nieuwe kerncentrales? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 2, een bergingsheffing op nucleaire elektriciteit van 0,35 tot 0,7 cent per kilowattuur in te voeren, zoals Finland en Zweden die kennen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 3, een einde te maken aan de vertrouwelijkheid van de kernafvalcontracten tussen COVRA en de exploitanten van Borssele en Petten, en deze ten minste wat betreft prijs en risicoverdeling openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 4, een onafhankelijke periodieke kostentoets in te richten naar Zweeds model, met de bevoegdheid om de bijdragen van producenten aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 5, financiële zekerheden te garanderen van nucleaire exploitanten voor het geval een exploitant omvalt voordat zijn afval betaald is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 6, een volledige kostenbasis te laten opstellen voor de berging van laag- en middelradioactief afval, NORM-afval en de bovengrondse opslag, zodat ook deze ontbrekende helft van de rekening in beeld komt? Zo nee, waarom niet?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie-Beckerman c.s. (Kamerstuk 32 645, nr. 149), die de regering verzoekt de Groninger zoutkoepels Pieterburen, Onstwedde en Bourtange definitief te schrappen van de lijst van mogelijke opslagplaatsen voor kernafval?
Is het bij u al bekend op wat voor manier kernafval uit de te bouwen kerncentrales en bestaande kerncentrales langdurig wordt opgeslagen? Zo nee, hoe is het mogelijk om een reële raming te maken van de kosten?
Vindt u het verantwoord dat er kerncentrales gebouwd gaan worden zonder een plan te hebben voor de eindberging van kernafval en zonder een volledig overzicht te hebben van de kosten hiervan?
Het artikel ‘Giftige stof gebruikt bij veel huizen, woningcorporaties doen massaal onderzoek’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kan de Minister aangeven hoeveel huurwoningen in Nederland met UF-schuim zijn geïsoleerd, en zo nee, is zij bereid dit landelijk in kaart te brengen?1
Is de Minister bereid de locaties te noemen waar UF-schuim is gebruikt? Deelt de Minister de mening dat bewoners het recht hebben te weten of hun eigen woning ermee is geïsoleerd, en is zij bereid corporaties te verplichten hierover actief en transparant te communiceren?
Is de Minister bekend met regio’s buiten die van het artikel waar UF-schuim door woningcorporaties werd toegepast? Zo ja, welke?
Hoe verklaart de Minister dat de overheid tot april van dit jaar nog subsidie verstrekte voor isolatie met UF-schuim, terwijl de GGD in februari al met advies kwam om te stoppen?
Wie draait er straks op voor de kosten van onderzoek, sanering en eventuele verwijdering van het schuim? Kan de Minister garanderen dat deze kosten niet via de huur worden afgewenteld op huurders?
Welke stappen gaat de Minister zetten voor bewoners die nu al gezondheidsklachten hebben of zich zorgen maken?
Is de Minister bereid om, in afwachting van de nieuwe RIVM-adviesnormen, een landelijk verbod op het gebruik van UF-schuim in te stellen?
Wat is uw reactie op het bericht «Verplichte rijhulpsystemen zitten ambulances in de weg: «Onnodige noodstop kan levensgevaarlijk zijn»»?1
Hoe reageert u op de kritiek op de verplichting van Advanced Driver Distraction Warning systemen voor ambulances?
Deelt u de analyse dat automatische rijhulpsystemen, die bijvoorbeeld automatisch remmen of bijsturen, ongeschikt zijn voor ambulances, omdat die in spoedgevallen juist vaak harder en op ongebruikelijke manieren moeten rijden? Zo ja, bent u bereid ervoor te zorgen dat deze systemen niet in ambulances worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe moeten ambulances omgaan met dit soort systemen in drukke verkeerssituaties, zoals in binnensteden, waar al snel automatisch kan worden ingegrepen wanneer er bijvoorbeeld voetgangers in de buurt zijn?
Heeft u signalen ontvangen dat er vergelijkbare problemen spelen bij andere hulpdiensten, zoals de brandweer en de politie? Zo ja, hoe wordt er daarbij omgegaan met dit soort systemen? Zo nee, bent u bereid om na te gaan in hoeverre dit daar ook speelt?
Bent u bereid om u in te zetten voor uitzonderingen voor ambulances als het gaat om verplichtingen voor dit soort systemen?
Bent u bereid om in gesprek te treden met ambulancepersoneel over welke problemen zij ervaren met verplichte waarschuwings- en rijhulpsystemen?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen in Dagblad van het Noorden van 25 juli 2026 over de interne kritiek op het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de ervaringen van gedupeerden met vastgelopen dossiers? Deelt u de conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet staat met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?1
Ik heb kennisgenomen van de publicaties in het Dagblad van het Noorden. Daarin spreekt onder meer een aantal (voormalig) medewerkers haar zorgen uit over de schadeafhandeling door het IMG. Sommige zorgen herken ik, bijvoorbeeld over het langzaam op gang komen van de nieuwe herstelregelingen. Hiervoor zijn ook de benodigde acties ondernomen. Inmiddels zien we dat de uitvoering steeds meer op gang komt.
In het artikel wordt tevens opgemerkt dat de veelheid aan wijzigingen en nieuwe regelingen van de afgelopen jaren op zichzelf al tot vertraging en onduidelijkheid hebben geleid, zowel bij bewoners als bij medewerkers in de uitvoering. Dat is ook één van de redenen dat ik heb aangegeven nu bewust te kiezen voor stabiliteit in de uitvoering, zodat het IMG zich kan concentreren op het zo goed mogelijk helpen van gedupeerden.
De conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet zou staan met een mildere, menselijkere en makkelijkere schadeafhandeling deel ik niet, evenmin dat het IMG hier niet naar zou willen of kunnen handelen. Binnen de geldende kaders bestaat juist veel ruimte om schades ruimhartig af te handelen. Ik zie ook dat het IMG hier voortvarend invulling aan geeft. De organisatie heeft de afgelopen jaren ongeveer 700.000 schademeldingen afgehandeld en bijna 3,5 miljard euro uitgekeerd. Daarnaast zijn mede naar aanleiding van Nij Begun nieuwe regelingen ontwikkeld en geïmplementeerd, waarbij ook hard is gewerkt aan het verbeteren van de dienstverlening, met meer persoonlijk contact en een aanvragersgerichte aanpak. Rapporten, zoals de Staat van Groningen & Noord-Drenthe en de Bouwen aan Herstel-monitor, laten ook zien dat dit heeft geleid tot een toenemende tevredenheid over en vertrouwen in de schadeafhandeling.
Dit laat onverlet dat het duidelijk is dat de opgave in Groningen groot en complex is en daarin soms dingen niet goed gaan. Wanneer dat gebeurt, is het belangrijk om dat te erkennen en het in de toekomst beter te doen. Het IMG blijft hier alert op en verbeteringen doorvoeren waar nodig.
Hoe rijmt u de beschrijving van een eigen medewerker dat het IMG «in de kern een keiharde, juridische organisatie» is, en het gevoel van bewoners dat het loket «oogkleppen op heeft en alleen naar een toetsenbord kijkt», met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een verhouding waarbij bijna de helft van het geld niet bij gedupeerden terechtkomt, symptomatisch is voor een fundamenteel verkeerd ingericht stelsel van schadeafhandeling? Welk percentage uitvoeringskosten acht u wel acceptabel voor een publieke schadeorganisatie?
Het klopt niet dat bijna de helft van de uitgaven in de schadeafhandeling opgaan aan uitvoeringskosten. In 2025 heeft het IMG ca. € 640 mln. aan schade-vergoedingen uitgekeerd en daarnaast ca. € 298 mln. aan uitvoeringskosten gemaakt.2 In totaal ging vorig jaar dus iets minder dan een derde van de totale uitgaven in de schadeafhandeling naar de uitvoering. Daarbij vind ik het belangrijk om te benadrukken dat uitvoeringskosten nooit ten koste gaan van de schadevergoeding die aan gedupeerden wordt uitgekeerd. Ook het beeld dat de uitvoeringskosten relatief hoog zouden zijn, verdient nuancering. Een externe evaluatie in 2022 concludeerde immers nog dat de uitvoeringskosten van het IMG niet bijzonder hoog zijn, gelet op de opgave die zij heeft te vervullen.3
Ik wil daarbij benadrukken dat het terugdringen van uitvoeringskosten niet ten koste mag gaan van bewoners. Ik vind het namelijk belangrijk dat bewoners een goed geïnformeerde keuze kunnen maken tussen de verschillende schaderegelingen. Dit vraagt een persoonlijke benadering en begeleiding van bewoners en dat vergt extra tijd en daarmee geld. Daarbij weten we ook dat de uitvoeringskosten sterk samenhangen met de keuzes van bewoners. De vaste vergoedingen kennen aanzienlijk lagere uitvoeringskosten dan maatwerk en daadwerkelijk herstel.
Dat hoge uitvoeringskosten zouden voortkomen uit een systeem dat gebaseerd is op wantrouwen herken ik dan ook niet. Dit laat onverlet dat het ministerie uiteraard doorlopend in gesprek is met het IMG om te kijken of en hoe uitvoeringskosten redelijkerwijs verder verlaagd kunnen worden, zonder in te leveren op kwaliteit en persoonlijk contact.
Erkent u dat de hoge uitvoeringskosten in belangrijke mate voortkomen uit een systeem dat is gebouwd op wantrouwen? Op welke wijze gaat u het stelsel zo herzien dat eenvoud en vertrouwen het uitgangspunt worden, waardoor de uitvoeringskosten structureel dalen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat circa 40 procent van de ongeveer duizend medewerkers van het IMG extern wordt ingehuurd, tegen tarieven van 115 tot bijna 200 euro per uur? Hoeveel is er sinds de oprichting van het IMG in totaal uitgegeven aan externe inhuur?
Ja, dit percentage klopt. Dit betreft zowel uitzendkrachten als externe inhuur. Zowel deze ingehuurde als de ambtelijke medewerkers van het IMG worden via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) bekostigd op basis van gestandaardiseerde uurtarieven. Voor 2026 loopt de bandbreedte in uurtarieven van € 86,– tot € 191. Behalve loonkosten zijn alle andere kosten, zoals huisvesting en overhead, hierin ook verdisconteerd. RVO betaalt aan ingehuurde externen en uitzendkrachten de werkelijke kosten op basis van facturen. Deze kunnen dus afwijken van de gestandaardiseerde uurtarieven. Het IMG geeft aan dat er sinds de oprichting van het IMG op 1 juli 2020, ongeveer € 340 mln. is besteed aan inhuur van uitzendkrachten en externen.
Hoe verhoudt dit inhuurpercentage zich tot de Roemer-norm van maximaal tien procent? Bent u bereid de Roemer-norm bij het IMG alsnog af te dwingen?
Het inhuurpercentage van IMG ligt boven de Roemernorm. Ik zal in mijn gesprekken met IMG de inzet van externe inhuur meenemen en in gezamenlijkheid bekijken of en waar eventueel vermindering mogelijk is. Tegelijkertijd merk ik op dat een aantal onderdelen van het IMG de afgelopen jaren al fors is verambtelijkt: het gehele managementteam en vrijwel alle medewerkers die in direct contact staan met schademelders zijn inmiddels in dienst. Waar dat qua marktaanbod (kwantitatief en kwalitatief) kan en waar niet expliciet sprake is van tijdelijkheid komen mensen in ambtelijke dienst.
Hoe beoordeelt u de beschrijving van medewerkers van een «draaicarrousel» van externen die elkaar binnenhalen, kort blijven, werk overdoen dat al eerder is geprobeerd en vertrekken zonder overdracht? Erkent u dat een dergelijk verdienmodel voor consultancybureaus haaks staat op het publieke belang van een snelle en zorgvuldige schadeafhandeling?
Het IMG geeft aan zich niet in het geschetste beeld in het artikel te herkennen en neemt expliciet afstand van de suggestie dat de organisatie er belang bij zou hebben om problemen traag op te lossen. Ik sluit me daar volledig bij aan; ik zie in mijn contacten dat de medewerkers in de uitvoering zeer betrokken zijn bij het oplossen van de problemen van inwoners in Groningen en Noord-Drenthe. In het antwoord op vragen 1 en 2 gaf ik al aan dat er de afgelopen jaren hard is gewerkt aan de afhandeling van schademeldingen, het ontwikkelen en implementeren van nieuwe regelingen, en het continu verbeteren van de dienstverlening. Dit heeft veel gevraagd van het IMG en haar medewerkers. Het in twijfel trekken van hun intenties doet geen recht aan deze betrokkenheid en inspanningen.
Wat vindt u van de constatering van een manager binnen het IMG dat de organisatie er belang bij lijkt te hebben zichzelf langer in leven te houden dan nodig? Deelt u de analyse dat een organisatie die voor een groot deel draait op commerciële inhuur een ingebouwde prikkel heeft om problemen niet definitief op te lossen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de situatie bij het IMG geen incident is, maar past in een breder patroon waarbij de rijksoverheid en uitvoeringsorganisaties structureel leunen op dure externe inhuur?
Het klopt dat de omgang met externe inhuur een rijksbreed vraagstuk is. Voor toelichting van de inzet van het kabinet hieromtrent verwijs ik kortheidshalve naar de brief die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer naar uw Kamer heeft gestuurd.4
Erkent u dat decennia van inhuur, uitbesteding en het «tijdelijk» organiseren van publieke taken ertoe hebben geleid dat de overheid haar eigen uitvoeringscapaciteit heeft uitgehold, waardoor kennis wegvloeit naar de markt en vervolgens tegen commerciële tarieven moet worden teruggekocht? Wat gaat u doen om deze vicieuze cirkel te doorbreken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het argument dat het IMG een tijdelijke organisatie is en daarom extern inhuurt niet opgaat, aangezien de schadeafhandeling in Groningen al jaren duurt en nog jaren zal duren, en het Rijk permanent behoefte heeft aan uitvoeringskennis op het gebied van schadeafhandeling, herstel en compensatie (denk ook aan de toeslagenaffaire)?
Het klopt dat de opgave van het IMG voor de voorzienbare toekomst blijft voortbestaan. Toch is een groot deel van de werkzaamheden die de organisatie op dit moment verricht, zoals bijvoorbeeld de (door)ontwikkeling van regelingen en de benodigde structuren daarvoor, wel degelijk tijdelijk en komen deze op termijn te vervallen. Daarbij is het ook de verwachting dat de hoeveelheid schade-meldingen op termijn zal afnemen, gelet op het dalend seismisch risico.
Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet inzet op het verbinden en bestendigen van de aanwezige kennis over en capaciteit in (het uitvoeren van) de verschillende hersteloperaties.5
Bent u bereid deze kennis structureel in publieke dienst op te bouwen in plaats van steeds opnieuw in te kopen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het IMG een toplaag kent van ketenmanagers, kwartiermakers, programmaleiders en domeinmanagers, terwijl de zaakbegeleiders die daadwerkelijk contact hebben met bewoners zich een «boksbal» voelen en niet worden gehoord? Herkent u dit als een breder probleem binnen de rijksoverheid zoals ook de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties eerder concludeerde?2
Het artikel baseert zich op een relatief kleine groep (voormalig) medewerkers. Ik wil er daarom voor waken om op basis hiervan algemene conclusies over het sentiment onder de medewerkers van het IMG te trekken, laat staan over de Rijksoverheid in het algemeen. Dat laat onverlet dat dergelijke signalen serieus (moeten) worden genomen. Ik begrijp van het IMG dat zij dat doet en daarom in gesprek gaat met haar medewerkers over de onderwerpen uit het artikel teneinde eventueel bij medewerkers levende zorgen goed te adresseren. Ik heb er vertrouwen in dat dit zorgvuldig gebeurt.
Op wat voor manier worden de conclusies en aanbevelingen van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties geïmplementeerd bij het IMG?
Het IMG werkt op verschillende manieren in lijn met de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties (hierna: TCU). Enkele voorbeelden staan hieronder genoemd:
Deelt u de mening dat uitvoerende medewerkers structureel betrokken moeten worden bij het ontwerp van nieuwe regelingen?
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal woningen dat via Duurzaam Herstel geholpen zou worden, is bijgesteld van 5.000–15.000 naar 800–900? Wat gebeurt er met het niet-bestede deel van het budget van 1,35 miljard euro, en bent u bereid te garanderen dat dit geld voor de regio behouden blijft?
Het budget voor Duurzaam herstel is bij Nij Begun aangevuld tot € 1,4 miljard. De inschatting was destijds namelijk dat maximaal 14.000 woningen in aanmerking zouden kunnen komen, met verwachte gemiddelde kosten van € 100.000 per woning. Daarbij was bekend dat er nog grote onzekerheden bestonden over de daadwerkelijke aard en omvang van de opgave. Er is daarom bewust gekozen om met een pilot te starten, zodat gaandeweg geleerd en bijgestuurd kon worden.
Inmiddels weten we dat Duurzaam herstel minder vaak nodig is om mijnbouwschade te voorkomen dan vooraf werd verwacht, maar ook dat de kosten per adres regelmatig hoger zijn dan gedacht. Vorig jaar is daarom besloten om de maximumbedragen fors te verhogen en de regeling gericht in te zetten voor de gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de gaswinning.9 Aan het eind van dit jaar evalueert het IMG deze nieuwe werkwijze. Ik heb het IMG daarbij ook gevraagd om een reële raming en planning van de uitvoeringsopgave in de komende jaren. Op basis daarvan zal meer duidelijk worden over hoe dit zich verhoudt tot het gereserveerde budget. Ik kan daar nu nog niet op vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat de wirwar aan regelingen ertoe leidt dat aan de randen van het gebied relatief eenvoudig forse bedragen te claimen zijn, terwijl bewoners in het kerngebied met de zwaarste schade vastlopen in complexe trajecten? Erkent u dat dit het gevolg is van beleid dat per regeling is dichtgetimmerd in plaats van vanuit één samenhangende, rechtvaardige aanpak?
Het beeld dat het aan de randen van het effectgebied eenvoudiger zou zijn om een schadevergoeding te ontvangen dan in het kerngebied klopt niet. Binnen het effectgebied kunnen aanvragers met fysieke schade kiezen tussen maatwerk (met onderzoek naar de schadeoorzaak), daadwerkelijk herstel, en een forfaitaire vergoeding (beiden zonder onderzoek naar de schadeoorzaak). Alle inwoners van het effectgebied met fysieke schades hebben dus dezelfde opties voor de afhandeling van hun schade. Bij maatwerk zien we dat juist in het gebied waar nog steeds bevingen plaatsvinden relatief meer schades worden toegekend dan aan de randen, dat is ook logisch. Bij daadwerkelijk herstel en de vaste vergoedingen is ervoor gekozen om niet te differentiëren in de grensbedragen. Het is een bewuste keuze geweest om nieuwe grenzen en verschillen binnen het effectgebied te voorkomen. Zo geldt er overal een grensbedrag van € 60.000 bij daadwerkelijk herstel. Uit de praktijk weten we dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg van de gaswinning dit grensbedrag overschrijden, ook in de kern van het bevingsgebied.
Wel is het zo dat er in de gebieden met de meeste bevingen vaker sprake is van samenloop van schade met andere opgaves, zoals de versterking. Die samenloop vergroot de complexiteit en maakt dat hier aanvullende aandacht en inzet nodig is. Dit gebeurt ook op verschillende manieren, bijvoorbeeld door de inzet van gezamenlijke steunpunten door IMG en NCG, de initiatieven onder Agenda voor Herstel en via aanvullende regelingen als Duurzaam herstel en de vaste herhaalvergoeding. Ook de regeringscommissaris Hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe heeft het verbeteren van de situatie van de inwoners in het kerngebied als één van zijn speerpunten benoemd in zijn opdrachtformulering.10
Wat is uw reactie op de situatie van Willeke Lode uit Midwolde die al 4,5 jaar wacht op duidelijkheid over 97 scheuren in haar woonboerderij maar uit beeld raakte?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties.
Wat is uw reactie op de 329 vergelijkbare dossiers waarover de Nationale ombudsman aan de bel trok? Kunt u garanderen dat al deze 329 dossiers inmiddels weer actief in behandeling zijn en dat deze mensen persoonlijk zijn geïnformeerd?
Ik betreur het feit dat ca. 329 dossiers tijdelijk uit beeld zijn geraakt bij de uitvoering, dit had niet mogen gebeuren. Dit hing samen met ICT-aanpassingen als gevolg van de implementatie van nieuwe schaderegelingen. Inmiddels heeft het IMG met de bewoners in kwestie contact opgenomen en is de behandeling van hun meldingen weer opgepakt en in een aantal gevallen ook al afgehandeld.11 Het IMG is structureel in gesprek met de ombudsman en daarbij ook ingegaan op het aanbod van de ombudsman om te bespreken hoe dit soort situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden.
Wat vindt u ervan dat een bewoner pas via een Woo-verzoek inzicht kreeg in zijn eigen schadedossier, nadat stukken bleken te missen en hij maandenlang niets hoorde? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gedupeerden juridische middelen als Woo-verzoeken en rechtszaken moeten inzetten om überhaupt te weten waar ze aan toe zijn bij een organisatie die er voor hen is?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties. Ten algemene geldt dat aanvragers hun eigen dossier online kunnen inzien via de pagina Mijn Dossier. Mocht de aanvrager daarin correspondentie zoals brieven of mails missen, dan kan hij hierover contact opnemen met de zaakbegeleider of het Serviceloket. Voor inzage in eigen dossiers is vanzelfsprekend geen Woo-verzoek nodig.
Wat is uw reactie op de signalen dat bewoners bij vertraging maandenlang geen brief krijgen, dossiers acht à negen maanden op de plank blijven liggen zonder uitleg, brieven verouderde informatie bevatten en bewoners data kregen toegezegd waarvan intern al bekend was dat die niet gehaald zouden worden?
Ik vind dat bewoners moeten weten waar ze aan toe zijn, ook als er nog geen oplossing is. Ook de Nationale ombudsman wees hier onlangs op. Het IMG neemt deze signalen serieus en blijft werken aan de verdere verbetering van haar dienstverlening richting aanvragers.
De aanpak van nepreviews |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
In 2021 zijn nepreviews verboden bij wet, in 2024 werd echter geconcludeerd dat de problemen met nepbeoordelingen niet afnemen maar toenemen, herkent u dit beeld?1
Ik ben bekend met de publicatie van BEUC uit december 2025. BEUC geeft daarin aan dat consumenten nog steeds worden blootgesteld aan nepbeoordelingen en dat de huidige regelgeving nog onvoldoende effectief is om deze praktijken tegen te gaan.
Consumenten gebruiken online reviews bij het vergelijken van producten en diensten en wegen deze informatie mee bij hun aankoopbeslissing. De betrouwbaarheid van reviews is daarbij van belang. Nepbeoordelingen kunnen consumenten daarom misleiden en ertoe leiden dat zij een andere aankoopbeslissing nemen dan zij zouden hebben gedaan wanneer zij over betrouwbare informatie hadden beschikt.
Ik herken het beeld dat de aanpak van nepbeoordelingen in de praktijk complex is. Het is mij niet bekend dat deze problemen zouden zijn toegenomen. De opkomst van AI kan ervoor zorgen dat nepreviews makkelijker opgesteld kunnen worden. Tegelijkertijd biedt AI ook mogelijkheden om dergelijke content sneller op te sporen.
Erkent u dat consumenten misleid worden en de verkeerde keuzes maken doordat de aanpak van nepreviews nog niet afdoende werkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat lidstaten nu voldoende mogelijkheden hebben om nepreviews aan te kunnen pakken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke extra maatregelen zijn volgens u nodig?
Het (laten) plaatsen van valse beoordelingen of aanbevelingen is sinds mei 2022 in Nederland expliciet verboden voor handelaren.2 Ook is het voor handelaren verboden om te beweren dat beoordelingen van producten zijn ingediend door consumenten die het product daadwerkelijk hebben gebruikt of aangekocht, zonder dat de handelaar redelijke en proportionele stappen heeft genomen om dit na te gaan. Dit geldt ook voor review-websites. Ik ben daarom van mening dat er voldoende wettelijke mogelijkheden zijn om handelaren aan te kunnen pakken die gebruik maken van nepbeoordelingen.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM), die belast is met de handhaving van onderhavige wetgeving, concludeert dat het nog zeer lastig is om op te treden tegen het aanbieden en verkopen van nepinteracties en -recensies, erkent u dit en steunt u hun wens voor uitbreiding van de Digital Fairness Act?
De ACM heeft in 2024 handhavingsacties ondernomen rondom nepbeoordelingen.3 In dit kader heeft de ACM onder meer 14 verkopers verzocht te stoppen met het aanbieden en plaatsen van nepreviews. De helft van de aangesproken partijen heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. De ACM beoordeelde dit als een geschikte eerste stap met impact.4
Optreden tegen partijen die nepbeoordelingen verkopen is voor de ACM gecompliceerd, onder meer omdat deze partijen regelmatig vanuit een ander land (ook buiten de EU) opereren. Ook moet de ACM aannemelijk maken dat de nepbeoordelingen daadwerkelijk geplaatst zijn (door de verkoper van nepbeoordelingen of door de handelaar die de nepbeoordelingen heeft gekocht).
De ACM verzoekt in haar inzet rondom de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA) om ook het verkopen van nepbeoordelingen zelf te verbieden.5 Ik heb begrip voor deze wens van de ACM, omdat de ACM daarmee effectiever zou kunnen optreden. Het aanbieden van nepbeoordelingen is namelijk makkelijker te bewijzen dan het (laten) plaatsen van deze nepbeoordelingen. Een complicerende factor hierbij is echter dat de verkoop van nepbeoordelingen een transactie tussen twee bedrijven is en daardoor lastig binnen de reikwijdte van het consumentenrecht past. Het consumentenrecht ziet namelijk op de relatie tussen de handelaar en de consument en in principe niet op een transactie tussen een handelaar en toeleverancier. Een mogelijk alternatief zou kunnen zijn om het opstellen van nepbeoordelingen op verzoek van een handelaar als oneerlijke handelspraktijk aan te merken.
Steunt u het voorstel van de ACM om het aanbieden en verkopen van neprecensies of -interacties te verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen wilt u zetten om de Europese Commissie te overtuigen van een verbod op de verkoop van neprecensies en -interacties?
De inzet van de Nederlandse regering6 en van de ACM7 rondom de DFA is separaat in een eerdere fase van het proces aan de Europese Commissie (hierna: EC) kenbaar gemaakt. Door de ACM is haar voorstel rondom de verkoop van nepbeoordelingen hierin meegenomen. Het wetgevend voorstel van de EC voor de DFA wordt in het vierde kwartaal van dit jaar verwacht. Het wetgevingsproces bevindt zich reeds in een vergevorderd stadium waarbij zeer beperkt ruimte is voor de Commissie om nog aanvullende beleidsvoorstellen mee te nemen. Het kabinet zal de verdere inzet rondom de DFA bepalen nadat het wetgevend voorstel van de EC is gepubliceerd en daartoe een BNC-fiche opstellen.
Hoe beoordeelt u het voorstel van de ACM om externe leveranciers of tussenpersonen aansprakelijk te stellen voor de oneerlijke beïnvloedingstechnieken die zij ontwikkelen of helpen ontwikkelen en faciliteren?
Het voorstel van de ACM voor de aansprakelijkheid van derde partijen is breder van aard dan de problematiek rondom nepbeoordelingen. Het zou hierbij bijvoorbeeld kunnen gaan om verkopers van designs en templates voor websites waar mogelijk verboden handelspraktijken in worden gebruikt. Volgens de ACM maakt een groot deel van Nederlandse online webwinkels gebruik van dergelijke derde partijen, waardoor het de effectiviteit van handhaving ten goede kan komen om ook deze leveranciers rechtstreeks aan te kunnen spreken.
Het is goed de mogelijkheid van een wettelijke aansprakelijkheid van externe leveranciers in ogenschouw te nemen en in Europees verband de voor- en nadelen daarvan te beoordelen, als ook te kijken naar andere oplossingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden in het kader van de aankomende onderhandelingen over de DFA. Dit zou dan moeten gebeuren tegen de achtergrond dat consumenten onder het huidige consumenten- en contractenrecht een hoog niveau van bescherming hebben.
Het consumentenrecht kent al regels inzake oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende handelspraktijken (bijv. artikel 6:193 g BW). Als er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, dan kan de consument de overeenkomst vernietigen. Daarnaast kunnen consumenten voor producten die zij online hebben gekocht gebruik maken van het herroepingsrecht en het product binnen 14 dagen retourneren. Ook hebben consumenten in Nederland recht op een goed product zolang zij dat redelijkerwijs mogen verwachten. Als het product bij normaal gebruik toch snel kapotgaat, dan moet de verkoper dit probleem verhelpen (bijvoorbeeld door het product te repareren, vervangen of het geld terug te geven). Als het product stuk gaat binnen een jaar, dan wordt aangenomen dat het product ondeugdelijk was op het moment van de aankoop. Het is dan aan de verkoper om het tegendeel te bewijzen. Na een jaar is het aan de consument om te bewijzen dat hij het product normaal heeft gebruikt en niet door zijn toedoen kapotgegaan is. Schade die door een product wordt veroorzaakt, dient de verkoper op grond van wanprestatie te vergoeden (artikel 7:24 lid 1 BW).
Hierbij merk ik nog op dat een consument op grond van het huidige recht ook een derde (iemand met wie hij geen contractuele relatie heeft) kan aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Dit lijkt in het geval van bijvoorbeeld nepreviews wel een moeizame weg voor de in de vraag genoemde externe leveranciers. Niet alleen zal het voor een consument moeilijk zijn om te achterhalen wie de nepreviews heeft verstrekt aan de verkoper, als dit al mogelijk is. Ook zal de consument aan dienen te tonen dat hij schade heeft als gevolg van de nepreviews (schade en causaal verband). Bij de aankoop van een product zijn immers meer aspecten van belang dan de nepreviews, waaronder de prijs, de kwaliteit en de door de verkoper verstrekte informatie.
Deelt u onze mening dat schade die aangebracht wordt aan consumenten vergoed moet kunnen worden?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u voorstander van een uitbreiding van het consumentenrecht met een wettelijke aansprakelijkheid voor externe leveranciers?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u voorts onze mening dat consumenten meer mogelijkheden moeten krijgen om gepersonaliseerde content van grote bedrijven te weigeren?
Ik vind dat consumenten effectieve controle moeten hebben over het gebruik van (persoons)gegevens en hun voorkeuren voor gepersonaliseerde data. Voor consumenten kan het soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer en hoe zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit kan onder andere het gevolg zijn van een gebrek aan transparantie over hoe de personalisatie van content precies tot stand komt, of van misleidende patronen, ingewikkelde formulieren of toestemmingsmoeheid. Hierdoor bestaat het risico dat consumenten hun ware voorkeuren niet (kunnen) uiten. Het kabinet zet zich daarom in voor de verbetering van deze situatie, onder meer binnen het kader van de DFA en ePrivacyrichtlijn.8
Gepersonaliseerde content staat nu standaard ingeschakeld, deelt u de mening van de ACM dat dit moet worden omgedraaid en dat algemene content de standaardinstelling moet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ACM schetst in haar document9 een drietal beleidsopties die niet logischerwijs allemaal gelijktijdig zouden moeten worden ingevoerd. Één daarvan is dat algemene, niet-gepersonaliseerde content de standaardinstelling zou moeten zijn.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 ben ik van mening dat consumenten effectieve controle moeten hebben over hun personalisatievoorkeuren. Ik sta daarom in de basis positief tegenover een «opt-in» of «opt-out» systeem zoals geschetst door de ACM en dit is ook een richting die door de EC verkend lijkt te worden in het kader van de DFA. Of een dergelijk systeem een effectieve en proportionele maatregel zou zijn, moet daarom ook blijken uit de impact assessment van de EC voor de DFA. Hierbij vind ik het van belang dat de maatregel ook realistisch uitvoerbaar moet zijn voor kleinere handelaren en dat de maatregel de effectieve controle van consumenten daadwerkelijk vergroot. Ik wacht de voorstellen van de EC en de resultaten van de impact assessment daarom met interesse af.
De AMC wil ook dat er meer transparantie en consistentie wordt geëist van handelaren over hoe ze gepersonaliseerde content aanbieden, deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u zich inzetten voor verbetering van de EU-wetgeving over consumentenbescherming en privacy zodat dit kan worden afgedwongen?
Ja, deze mening deel ik. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 10 kan het voor consumenten soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Conform mijn inzet voor de aankomende DFA ben ik in dit kader ook van mening dat algemene voorwaarden makkelijker te begrijpen moeten zijn, bijvoorbeeld via standaardisatie.10 Dit kan consumenten helpen betere keuzes te maken voordat ze zich aanmelden voor digitale diensten.
Daarnaast zet het kabinet zich op het gebied van privacy in om het voor burgers makkelijker te maken om hun rechten uit te oefenen. Dit doet zij in de lopende onderhandelingen over de Omnibus Digitaal.
Tot slot stelt de ACM voor om consumenten een «één-klik» optie te geven om gepersonaliseerde reclame te weigeren, wilt u zich hiervoor inzetten?
De «één-klik» optie is een van de andere opties die door de ACM geschetst is om meer grip te krijgen op gepersonaliseerde content. Ik ben van mening dat consumenten controle moeten hebben over hun (persoonlijke) data en personalisatie voorkeuren, en dat er keuzevrijheid moet zijn voor de consument. Dat wil zeggen: de consument moet zelf kunnen bepalen of hij gepersonaliseerde content of niet-gepersonaliseerde/standaard content wil zien. Zoals weergegeven in het BNC-fiche over de Omnibus Digitaal, welke op 12 december 2025 met uw Kamer is gedeeld, staat het kabinet positief tegenover oplossingen om het voor burgers makkelijker te maken hun rechten uit te oefenen. Het steunen van deze voorstellen in Europees verband is daarom reeds onderdeel van de kabinetsinzet. Voor een «opt-out» voor de gepersonaliseerde content zou het vooral van belang zijn dat deze effectief is en op een makkelijke manier toegankelijk. Daarnaast moet het ook voor kleinere handelaren realistisch zijn om een dergelijke opt-out te realiseren.
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Het bericht 'Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties»?1
Ja.
Is het u bekend dat Holland2Stay landelijk op grote schaal woningen verhuurt en beheert, en dat in meerdere steden vergelijkbare klachten bestaan over kapotte liften, defecte toegangssystemen, gebrekkig onderhoud en veiligheidsproblemen?
Ik ben niet bekend met de exacte feiten van deze kwestie, maar indien een verhuurder zich niet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid en onderhoud van woningen houdt, is dat uiteraard een slechte zaak.
Acht u het aanvaardbaar dat bewoners maandenlang in een aantoonbaar onveilige situatie verkeren voordat een verhuurder tot een structurele oplossing overgaat, en welke termijn acht u bij een veiligheidsgebrek van deze aard nog acceptabel?
Iedere huurder heeft recht op een woning van goede kwaliteit, die bovendien goed onderhouden wordt. Verhuurders moeten zich vanzelfsprekend houden aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van de bouwkundige staat en het onderhoud van woningen en de zich daarin bevindende bouwwerkinstallaties, zoals bijvoorbeeld is vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Burgerlijk Wetboek. Gemeenten houden toezicht op de bouwregels, en kunnen in geval van overtreding hiervan ook handhavend optreden. Afhankelijk van het veiligheidsrisico kunnen zij een afweging maken hoe snel moet worden opgetreden en of feitelijke bestuursdwang of een andere herstelsanctie op zijn plaats is of ook een boete opleggen. Regels over liften en keuringen daarvan staan in het Warenwetbesluit liften. Daar houdt de arbeidsinspectie toezicht op.
In het geval van ernstige gebreken aan de huurwoning, zoals het veelvuldig voorkomen van ernstige storingen aan een liftinstallatie als gevolg van ouderdom en/of technische gebreken, kan de huurder ook de Huurcommissie vragen om de huur tijdelijk te verlagen. Wanneer de Huurcommissie de huurprijs in verband met ernstige gebreken tijdelijk heeft verlaagd, mag de huur vervolgens ook niet worden verhoogd zolang de betreffende gebreken niet verholpen zijn. Gebeurt dit onverhoopt wel, dan kan de huurder wederom bij de Huurcommissie terecht om die huurverhoging tegen te houden. Met de Wet betaalbare huur is de groep huurders die een beroep kan doen op de laagdrempelige geschilbeslechting van de Huurcommissie uitgebreid, zodat – naast huurders in het sociale segment – nu ook huurders in het middensegment bij de Huurcommissie terecht kunnen voor een uitspraak in geval van geschillen over – onder andere – huurprijzen, servicekosten, (onderhouds)gebreken en huurverhogingen.
Hoe beoordeelt u het dat de huren worden verhoogd terwijl een basisvoorziening als een werkende lift al maanden niet toegankelijk is, en acht u de mogelijkheden voor huurders om hier iets aan te doen toereikend en toegankelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u het bredere signaal dat juist kwetsbare of minder mondige huurdersgroepen, zoals expats, extra risico lopen op uitbuiting door grote verhuurders, en welke stappen zet u om ook deze groep effectief te beschermen?
Ik herken het signaal dat er groepen huurders zijn die extra risico lopen op ongewenste verhuurpraktijken. Om ongewenste verhuurpraktijken tegen te gaan én kwetsbare groepen te ondersteunen, hebben gemeenten de afgelopen jaren meer instrumentarium gekregen om hiertegen op te treden. Bijvoorbeeld via de Wet betaalbare huur en de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten handhaven als sprake is van misstanden zoals intimidatie en te hoge huren. Ook is daarmee de informatiepositie van huurders, waaronder arbeidsmigranten, versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Met de Wet goed verhuurderschap is het bovendien mogelijk gemaakt voor gemeenten om een verhuurvergunning instellen; een gebiedsgerichte verhuurvergunning voor de verhuur van reguliere woonruimte, en/of een vergunning specifiek voor verhuur aan arbeidsmigranten. Met zo'n vergunning kunnen gemeenten vooraf eisen stellen aan verhuurders en, indien een verhuurder zich structureel niet aan de regels houdt, de vergunning weigeren of intrekken. Dit biedt gemeenten een extra instrument om malafide verhuurpraktijken tegen te gaan, juist in situaties waarin kwetsbare huurders een verhoogd risico lopen.
Om de Wet goed verhuurderschap toegankelijk te maken voor een brede groep huurders, waaronder ook huurders die de Nederlandse taal niet (goed) machtig zijn, heeft het Rijk informatiemateriaal digitaal beschikbaar gesteld in zes talen: Nederlands, Engels, Bulgaars, Pools, Roemeens en Spaans. Daarbij is het voor gemeenten mogelijk gemaakt dit materiaal te personaliseren om zo ook hun meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag onder de aandacht te brengen. Eind 2025 ben ik bovendien opnieuw een bewustwordingscampagne over de Wet goed verhuurderschap en de gemeentelijke meldpunten gestart op sociale media. Die campagne informeerde huurders, verhuurders en woningzoekenden over de wet, en liet zien dat men bij de gemeente terecht kan als zij huurmisstanden meemaken.
Hoe beoordeelt u het dat de oprichter en een directeur van Holland2Stay in 2021 ieder een taakstraf hebben aanvaard wegens het manipuleren van tijdelijke huurcontracten, en welke consequenties verbindt de overheid aan zo'n veroordeling voor een partij die vervolgens op grote schaal actief blijft op de gereguleerde woningmarkt?
Zoals in mijn antwoord op vraag 5 reeds is toegelicht, hebben gemeenten als gevolg van de Wet goed verhuurderschap de mogelijkheid gekregen om een tweetal verhuurvergunningen in te stellen voor de verhuur van woon- of verblijfsruimten. Hiermee kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan verhuurders in de gemeente, waaronder een Bibob-toets. Hiermee kunnen eerder begane – voor de verhuurpraktijk relevante – strafbare feiten worden betrokken bij de overweging om al dan niet een verhuurvergunning te verlenen. Het is aan gemeenten zelf om al dan niet te besluiten om één of beide vergunningplichten uit de Wet goed verhuurderschap in te stellen.
Hoe verhoudt het door Sikkom bevestigde feit dat Holland2Stay meer dan 280 huurders in Groningen tussen € 150 en € 200 aan verboden bemiddelingskosten heeft gerekend en weigerde proactief terug te betalen, zich tot het wettelijke verbod op bemiddelingskosten, en welke mogelijkheden hebben gedupeerde huurders om hun geld terug te krijgen?2
Op basis van het Burgerlijk Wetboek is het verboden om dubbele bemiddelingskosten te vragen. Dit betekent dat een verhuurbemiddelaar geen bemiddelingskosten mag vragen aan de (aspirant)-huurder indien de bemiddelaar in opdracht van de verhuurder bemiddelt. In eerste instantie kan een (aspirant)-huurder deze ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten terugvragen bij de bemiddelaar, bijvoorbeeld via een aangetekende brief. De ACM ConsuWijzer heeft hiervoor op haar website een voorbeeldbrief beschikbaar gesteld.3 Ook het Juridisch Loket4 en de Nederlandse Woonbond5 hebben voorbeeldbrieven voor terugvordering van ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten op hun website staan. Mocht de bemiddelaar de ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten niet goedschiks terugbetalen aan de (aspirant-)huurder, dan kan hij of zij daarna naar de rechter stappen om ze in rechte terug te vorderen.
Ook de Wet goed verhuurderschap bevat een verbod op het in rekening brengen van bemiddelingskosten bij de huurder wanneer de bemiddelaar in opdracht van de verhuurder bemiddelt. Hierdoor is het ook voor gemeenten mogelijk om hierop te handhaven. Mocht er sprake zijn van ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten dan kan een (aspirant-)huurder hiervan melding maken bij het meldpunt van de gemeente. De gemeente kan dan handhaven. Een gemeente kan ook proactief, dus zonder voorafgaande melding, optreden als zij constateert dat verhuurbemiddelaars (stelselmatig) ten onrechte bemiddelingskosten bij (aspirant-)huurders in rekening brengen.
Deelt u, gelet op signalen dat Holland2Stay gebruikmaakt van een vennootschapsstructuur waarbij het bedrijf zich in juridische procedures op het standpunt stelt slechts «beheerder» en niet «verhuurder» te zijn met als gevolg dat huurders bij de rechter bot vangen, de zorg dat ondoorzichtige vennootschapsstructuren huurders het effectief uitoefenen van hun rechten kunnen ontnemen, en welke mogelijkheden ziet u om de werkelijke verhuurder voor huurders kenbaar en aanspreekbaar te maken?
Ik vind het belangrijk dat huurders die te maken hebben met overtredingen van wet- en regelgeving, hun recht kunnen halen. Mede tegen deze achtergrond is in de Wet goed verhuurderschap bijvoorbeeld nadrukkelijk gekozen voor een brede definitie van het begrip «verhuurder». Deze wet geldt daarmee ook onverkort voor bijvoorbeeld onderverhuurders, of voor beheerders die in de plaats van de verhuurder optreden. Langs deze weg wordt geborgd dat de gehanteerde bedrijfsstructuur er niet toe leidt dat verhuurders zich kunnen onttrekken aan de verplichtingen volgend uit de Wet goed verhuurderschap.
Mijn voorstel voor een huurregister is recent in consultatie geweest. Daarmee is opgehaald of een huurregister in de praktijk meerwaarde heeft voor onder meer de handhaving van (huur)regelgeving, of de geschetste opzet haalbaar is, en of er voldoende draagvlak voor is. Het voorgestelde huurregister is erop gericht om de verhuurders en de woonruimte die zij verhuren in beeld te krijgen. Daarmee wordt ook duidelijk welke andere mogelijk betrokken partijen niet de verhuurder zijn. Een huurregister moet in ieder geval duidelijk maken wie de verhuurder is en als zodanig aanspreekbaar is.
Hoe beoordeelt u het dat Holland2Stay een voormalig student van de Technische Universiteit Eindhoven na een bedwantsenplaag aanvankelijk ruim € 12.000 in rekening bracht, een bedrag dat na protest stapsgewijs werd verlaagd tot € 5.083,21, terwijl een onafhankelijk kenniscentrum aangeeft dat de kosten van een dergelijke bestrijding doorgaans veel lager liggen? Deelt u de zorg dat grote verhuurders onderhouds- en bestrijdingskosten op ondoorzichtige wijze en mogelijk bovenmatig op individuele huurders afwentelen?3
Het bestrijden van ongedierte is in principe de verantwoordelijkheid van de huurder, voor zover daaraan geen noemenswaardige kosten verbonden zijn en voor zover de aanwezigheid van dit ongedierte geen gevolg is van de bouwkundige staat van de woonruimte. Wanneer in de huurovereenkomst is bepaald dat de verhuurder (voor de huurder) ook de bestrijding van ongedierte die geen gevolg is van de bouwkundige situatie van de woonruimte verzorgt, mag de verhuurder de kosten hiervan in rekening brengen bij de huurder als servicekostenpost (dienstverlening in de vorm van overnemen huurdersonderhoud). Het gaat hierbij enkel om de werkelijk gemaakte kosten, die de verhuurder ook moet kunnen onderbouwen. Ik kan niet oordelen over dit specifieke geval, omdat ik de casus onvoldoende ken en een dergelijk oordeel aan de Huurcommissie of rechter is voorbehouden. In algemene zin verwacht ik van huurders en verhuurders dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houden.
Acht u, mede gelet op de oproep van meerdere partijen in de Groningse gemeenteraad in februari 2025 om de verhuurdersvergunning van Holland2Stay te heroverwegen wegens veiligheidsovertredingen en aanhoudend wangedrag, de instrumenten die gemeenten met de Wet goed verhuurderschap hebben gekregen toereikend om landelijk opererende verhuurders met een aantoonbaar patroon van misstanden aan te pakken, en op welke wijze faciliteert het Rijk de uitwisseling van handhavingsinformatie over zulke verhuurders tussen gemeenten?4
Gemeenten hebben met de Wet goed verhuurderschap verschillende instrumenten gekregen om ongewenst verhuurgedrag tegen te gaan. Ik ben met de vraagsteller van mening dat het voor een goede werking van de wet van belang is dat hiermee ook effectief kan worden opgetreden tegen landelijk opererende malafide verhuurders, en dat wordt voorkomen dat malafide verhuurders naar aanleiding van handhaving in de ene gemeente, hun verhuurpraktijk simpelweg verplaatsen naar een andere gemeente. Om dit te voorkomen verplicht de Wet goed verhuurderschap gemeenten om – voorafgaand aan het instellen van een verhuurvergunningplicht – overleg te voeren met de desbetreffende woningmarktregio. Een en ander met het doel om waterbedeffecten te voorkomen. Ook schrijft de wet voor dat besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete en/of het in beheer nemen van een woning openbaar worden gemaakt. Deze maatregel is niet alleen bedoeld om huurders en woningzoekenden te informeren en waarschuwen, maar leidt er ook toe dat gemeenten beter zicht hebben op eventuele waterbedeffecten van verhuurders die ofwel óók in hun gemeente actief zijn, ofwel die hun activiteiten van de ene gemeente naar de andere verplaatsen.
Het in consultatie gebrachte voorstel voor een huurregister bevatte de mogelijkheid om hierin een centrale plek te bieden voor deze besluiten. Hierdoor kunnen woningzoekenden, huurders en gemeenten eenvoudig zien of een verhuurder eerder is gesanctioneerd, ook in andere gemeenten. Dit vergroot de mogelijkheden voor gemeenten om kennis over problematische verhuurders en handhaving met elkaar af te stemmen. Voor woningzoekenden draagt dit bij aan een beter geïnformeerde keuze bij het aangaan van een huurovereenkomst, en huurders kunnen op dezelfde manier nagaan of hun verhuurder eerder in overtreding is geweest, bijvoorbeeld bij een lopend geschil.
Deelt u de opvatting dat een verhuurder die in de ene stad misstanden begaat of een vergunning verliest, niet ongehinderd in een andere stad zou moeten kunnen doorgaan, en bent u bereid te onderzoeken of een landelijk register van verhuurders met herhaalde overtredingen wenselijk en mogelijk is?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u, gelet op dit incident en het bredere patroon van fraude, illegale kosten, gebrekkig onderhoud en het ontwijken van aansprakelijkheid, bereid de handelwijze van Holland2Stay te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Signalen over ongewenste verhuurpraktijken neem ik serieus, maar als Minister heb geen wettelijke bevoegdheid om op eigen initiatief een specifiek onderzoek in te stellen naar de bedrijfsvoering of handelwijze van één individuele, private Verhuurpartij, noch om eventueel sancties op te leggen. Huurders die te maken krijgen met ongewenst verhuurgedrag kunnen hiervoor, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 en 4, terecht bij hun gemeente. Daarnaast staat voor huurders de gang naar de Huurcommissie open bij geschillen over de hoogte van de huurprijs, servicekosten of onderhoudsgebreken.
Indien er sprake is van oneerlijke handelspraktijken of consumentenmisleiding, is de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de aangewezen toezichthouder. Ook kunnen huurders bij verhuurmisstanden (weigeren ernstige onderhoudsgebreken waarvoor de verhuurder verantwoordelijk is te verhelpen, onredelijk hoge servicekosten) en bemiddelingsmisstanden (ten onrechte in rekening gebrachte bemiddelingskosten) een procedure starten bij de rechtbank. Ik roep huurders dan ook op van deze mogelijkheden gebruik te maken.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om huurders beter te beschermen tegen grote, landelijk opererende verhuurders die een structureel patroon van misstanden laten zien?
De huidige wet- en regelgeving voorziet reeds in een stevig kader op basis waarvan kan worden opgetreden in geval van ongewenst verhuurgedrag. Het gaat hier onder andere om de Wet goed verhuurderschap en Wet betaalbare huur, als gevolg waarvan gemeenten kunnen handhaven op misstanden als intimidatie, discriminatie, onredelijke servicekosten en te hoge huren. Ook heeft de gemeente de mogelijkheid om te handhaven op het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarmee kan worden opgetreden als bijvoorbeeld de staat van de woning onder de in dat besluit opgenomen minimumkwaliteit zakt of wordt gebracht of wanneer installaties niet goed worden onderhouden.
Op dit moment evalueer ik de Wet goed verhuurderschap. Ik verwacht de resultaten hiervan komend najaar met uw Kamer te delen.
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium per september opgeheven wordt?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
De Hogeschool der Kunsten Den Haag (hierna: de hogeschool) heeft mij geïnformeerd dat besloten is tot een organisatorische wijziging van het onderwijs. De variant ArtScience binnen de bachelor Fine Arts wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst (KABK) en de variant ArtScience binnen de Master of Music wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijk Conservatorium (KC) van de hogeschool. De interfaculteit ArtScience wordt daarmee opgeheven.
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor het stelsel van het hoger onderwijs. De instelling is zelf verantwoordelijk voor de inrichting en kwaliteit van het onderwijs, waarbij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) periodiek de kwaliteit van de opleidingen in het hoger onderwijs toetst. Het is vanuit mijn stelselrol niet passend dat ik als Minister uitspraken doe over de wenselijkheid van organisatorische wijzigingen in het onderwijs binnen een instelling.
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen, geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen over de toekomst van hun studie?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, wordt de interfaculteit ArtScience opgeheven en het onderwijs in respectievelijk de KABK en het KC ondergebracht. Door deze organisatiewijziging kunnen volgens de instelling zowel de bachelorvariant ArtScience als de mastervariant ArtScience duurzamer worden ingericht met behoud van de interdisciplinariteit, experimentele cultuur en identiteit van het onderwijs. Wat met name wijzigt is de plaats van het onderwijs binnen de organisatie.
De hogeschool heeft mij tevens laten weten dat de kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en het belangrijk te vinden met de studenten in gesprek te zijn en blijven over de veranderingen in het onderwijs. De hogeschool heeft aangegeven dat de studenten toegang blijven houden tot alle faciliteiten.
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De hogeschool heeft mij laten weten dat kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en met de zittende bachelor- en masterstudenten hierover reeds in gesprek te zijn. Dit is ook de verantwoordelijkheid van de instelling en ik constateer dat de instelling die ook neemt.
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35 jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
De instelling gaat over de organisatorische inrichting van het onderwijs en doorloopt hiervoor de gebruikelijke interne besluitvormings- en communicatieprocessen. Zo ook in dit geval. De hogeschool heeft mij geïnformeerd dat zorgvuldig de tijd is genomen om tot het besluit te komen. Het docententeam en de studenten zijn gedurende het proces meegenomen in de voorgenomen veranderingen. Het uiteindelijke besluit is genomen na positief advies van de medezeggenschapsraad.
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen – worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Het ministerie beschikt niet over een dergelijk overzicht. Hogescholen en universiteiten bepalen zelf hoe zij de middelen voor onderwijs en onderzoek inzetten; ze hebben hierin bestedingsvrijheid.
In de vraag wordt gerefereerd aan de nog voor 2026 staande bezuinigingen. Ik neem aan dat dan gedoeld wordt op de bezuiniging gekoppeld aan internationale studenten. Deze is grotendeels ingevuld met de afname van het aantal niet-Nederlandse EER-studenten die volgde uit de referentieraming. In het hbo resteert in 2026 daardoor een opgave van € 2 miljoen in totaal.2 Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de rijksbijdrage van instellingen, deze zal daardoor op instellingsniveau beperkt afnemen.
Het betekent natuurlijk ook dat er minder internationale studenten ingeschreven staan bij de instellingen en als gevolg van demografische ontwikkelingen tevens het totaal aantal studenten daalt. Dit kan ervoor zorgen dat instellingen genoodzaakt zijn keuzes te maken en bezuinigingen door te voeren om de organisatie daarmee financieel gezond te houden.
Ik heb echter van de hogeschool begrepen dat het besluit omtrent ArtScience geen bezuinigingsoperatie is, maar juist is bedoeld om het onderwijs een duurzame borging te geven.
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen daarvan zouden worden teruggedraaid?
Dit kabinet investeert in het hoger onderwijs en draait een aantal bezuinigingen van het vorige kabinet terug. Naast de hierboven genoemde € 2 mln. in het hbo kunnen instellingen te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van demografische ontwikkelingen waardoor ze minder studentgebonden financiering ontvangen, en kunnen instellingsspecifieke factoren en gestegen kosten een rol spelen bij dergelijke keuzes om hun instelling financieel gezond te houden.
In het geval van het opheffen van de interfaculteit ArtScience benadrukt de hogeschool dat dit niet door bezuinigingen is ingegeven maar juist een investering is in een duurzaam toekomstperspectief voor zowel het bachelor- als het masteronderwijs ArtScience.
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof?
Het resultaat van de onderhandelingen van de coalitiepartijen is dat dit kabinet vanaf 2027 extra investeert in onderwijs. Deze investering loopt op van € 1 miljard tot € 1,5 miljard structureel.
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te laat zullen komen?
In zijn algemeenheid kan ik hier geen antwoord op geven. Wijzigingen in het opleidingsaanbod, zoals het stoppen of samenvoegen van opleidingen, kunnen het gevolg zijn van bezuinigingen, maar voor het hbo resteert enkel een bezuiniging van € 2 miljoen in 2026. Er kunnen daarom ook andere redenen zijn zoals teruglopende studentenaantallen, een veranderende behoefte van de arbeidsmarkt of instellingsspecifieke redenen en algemeen gestegen kosten. Het is daardoor niet uit te sluiten dat er ergens opleidingen stoppen, ook na eventuele investeringen.
Zoals hiervoor reeds aangegeven is dat voor wat betreft ArtScience niet het geval. Bovendien stopt de opleiding niet, maar betreft het een organisatorische wijziging met als doel het onderwijs duurzaam in te richten.
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te overbruggen?
Dit kabinet investeert in 2027 € 1 miljard in onderwijs en dit loopt op tot structureel € 1,5 miljard vanaf 2031. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 en 7 heb aangegeven resteert in het hbo in 2026 een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar. Dalende studentenaantallen of instellingsspecifieke factoren kunnen ook leiden tot keuzes van instellingen om opleidingen stop te zetten.
Vanuit mijn stelselrol ben ik verantwoordelijk voor een landelijk dekkend, doelmatig opleidingsaanbod. Dit opleidingsaanbod is altijd in beweging, er komen opleidingen bij, er worden opleidingen stopgezet en opleidingen worden gewijzigd. Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden aan de onderwijsbezuinigingen?
Ervan uitgaande dat de vragensteller doelt op de passage in de Beleidsbrief
2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die gaat over de verdeling van de middelen van onderzoek en wetenschapsbeleid:3 Het kabinet investeert in bestaande instrumenten van het onderzoek en wetenschapsbeleid. Deze bestaande instrumenten zijn praktijkgericht onderzoek, sectorplannen, infrastructuur en Europese samenwerking. Kleine of niche opleidingen zijn geen primair beleidsdoel van deze instrumenten.
Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Hierbij is specifiek aandacht voor kleine of niche studies. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
De verdeling van het geld over de instrumenten is opgenomen in de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om studenten goed te informeren over de opleidingen en het onderwijs dat zij aanbieden. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit ook gebeurt.
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten die hierdoor geraakt zijn te helpen?
Zoals bij het antwoord op vraag 10 is aangegeven resteert in het hbo een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar.
In het geval een instelling heeft besloten een opleiding – om welke reden ook – stop te zetten, dan is de instelling verplicht de in de opleiding ingeschreven studenten de mogelijkheid te bieden de opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Het besluit van het CBR om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond te centraliseren naar één locatie in Sittard-Geleen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond per 1 januari 2027 te centraliseren in Sittard-Geleen?
Ja.
Klopt het dat het CBR dit besluit tot centralisatie intern heeft genomen zonder overleg met de actiegroep van ruim 100 rijschoolhouders uit Zuid-Limburg? Zo ja, waarom heeft hierover geen overleg plaatsgevonden?
Het CBR stelt dat het besluit onderdeel is van een bredere herziening van de huisvesting en exameninfrastructuur. Het is aan het CBR zelf, als zelfstandig bestuursorgaan, om invulling te geven aan de wijze waarop stakeholders worden betrokken bij voorgenomen wijzigingen. In het gehele traject heeft het CBR gesprekken gevoerd met verschillende betrokken partijen in de regio.
Vertegenwoordigers van de Rijscholen zijn eerder geïnformeerd over de huisvestingsstrategie van het CBR. Daarbij is niet expliciet de situatie in Zuid-Limburg besproken. Na het indienen van de vergunningaanvraag voor de nieuwe locatie in Sittard/Geleen zijn informatiebijeenkomsten voor rijscholen georganiseerd. De afgelopen maanden is meermaals gesproken met een actiegroep van rijschoolhouders uit Limburg, die is opgericht na de bekendmaking van de huisvestingsplannen van het CBR in Zuid-Limburg.
Heeft het CBR onderzocht of alternatieve examenlocaties binnen de gemeenten Maastricht, Kerkrade en Urmond beschikbaar waren? Zo nee, waarom niet?
Het CBR heeft verschillende scenario’s onderzocht, waaronder de mogelijkheid van alternatieve locaties. Daarbij zijn onder meer goede bereikbaarheid, voldoende parkeergelegenheid en de mogelijkheid om voldoende valide examenroutes te rijden belangrijke criteria. Het CBR heeft uiteindelijk gekozen voor Sittard-Geleen vanwege de centrale ligging en omdat deze locatie voldeed aan de criteria voor huisvesting van het CBR. Centraal daarbij staat dat de reistijden binnen de landelijk norm blijven die voor alle huisvesting van het CBR geldt. Voor een praktijklocatie betekent dit dat 95% van de kandidaten en rijscholen – onder normale omstandigheden – binnen 30 minuten op een praktijklocatie moet kunnen zijn. Die norm wordt gehaald met de nieuwe locatie.
Erkent u dat het sluiten van deze examenlocaties kan leiden tot hogere kosten voor zowel rijschoolhouders als examenkandidaten, onder meer door extra brandstofkosten en hogere lesprijzen? Welke maatregelen bent u bereid te nemen om deze gevolgen te beperken?
Wijzigingen in examenlocaties kunnen (negatieve) gevolgen hebben voor de reistijd en kosten voor sommige rijschoolhouders en kandidaten. Aan de andere kant, zal dit voor andere rijschoolhouders en kandidaten weer positieve gevolgen hebben.
Het CBR is verantwoordelijk voor de organisatie van examens en dient daarbij een zorgvuldige afweging te maken tussen bereikbaarheid, kwaliteit en doelmatigheid. Dit besluit voldoet aan de landelijke normen die het CBR stelt om zijn dienstverlening te waarborgen en levert ook voordelen op voor de dienstverlening door het CBR in Limburg. Zo leidt één examenlocatie tot een efficiëntere inzet van examinatoren, een breder aanbod van alle type examens op één locatie en ruimere openingstijden. Ook zijn de afstanden in Zuid-Limburg vergelijkbaar met de bereikbaarheid van andere (centrale) CBR-locaties in het land. Het besluit draagt bij aan het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening van het CBR, wat de examenkandidaten ten goede komt. Ik zie daarom voor het CBR geen reden tot maatregelen om de gevolgen te beperken.
Deelt u de opvatting dat deze centralisatie in een regio als Zuid-Limburg extra nadelige gevolgen kan hebben, mede gezien de kwetsbare sociaaleconomische positie van een deel van de inwoners?
Het is van belang dat publieke dienstverlening voor inwoners toegankelijk blijft, ook in regio’s waar bereikbaarheid en sociaaleconomische omstandigheden extra aandacht vragen. Het CBR weegt de regionale effecten zorgvuldig mee in de afweging over de inrichting van de dienstverlening.
In dit geval heeft het CBR door (externe) analyses laten zien dat zij binnen de transparante en aanvaardbare normen blijven zoals deze gelden voor de CBR locaties in heel Nederland (zie ook het antwoord op vraag 3). In het geval van Zuid-Limburg blijft de dienstverlening van CBR op hetzelfde niveau en is er geen sprake van krimp voor wat betreft het aantal medewerkers of het aantal examens dat wordt afgenomen.
Hoe verhoudt deze keuze van het CBR zich tot het kabinetsbeleid om publieke voorzieningen en rijksdiensten regionaal toegankelijk en gespreid te houden, zoals verwoord in onder meer het rapport «Elke Regio Telt!»?
Het niveau van dienstverlening van het CBR blijft gelijk in Zuid-Limburg (zie ook het antwoord op vraag 5). Door verplaatsing krijgen kandidaten en opleiders meer keuzemogelijkheid voor de dag en het tijdstip waarop zij examen willen doen. Het CBR kan elke dag alle specialisaties aanbieden. Daarnaast blijft het CBR binnen de norm voor wat betreft reisafstanden de in heel Nederland geldt.
Zoals aangegeven in de beantwoording op eerdere vragen van lid Wijen-Nass1 door de Minister van BZK, is er geen sprake van verschraling van de dienstverlening. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u als Minister om hierop te sturen, en bent u bereid die in dit geval in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Het CBR is een zelfstandig bestuursorgaan met een eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van zijn wettelijke taken en de inrichting van de bedrijfsvoering. Zolang het CBR binnen de aanvaarbare normen blijft voor huisvestinglocaties, zie ik geen noodzaak om hier op bij te sturen. Dat is hier ook het geval.
Klopt het dat het CBR voornemens is om op termijn ook de examenlocaties in Venlo en Weert te concentreren in Roermond? Zo ja, op welke termijn en waarom?
Het CBR heeft aangegeven dat voortdurend wordt gekeken naar de toekomstbestendigheid van het locatiebestand. Ook voor de regio Venlo, Weert en Roermond geldt dat CBR kijkt naar lopende huurcontracten en toekomstbestendige huisvesting in de regio waarbij ook overleg met de regio plaatsvindt. Over eventuele toekomstige wijzigingen ten aanzien van Venlo, Weert en Roermond zijn op dit moment door het CBR nog geen definitieve besluiten genomen.
Bent u bereid zich in te spannen om ten minste één van de huidige examenlocaties in Maastricht of Kerkrade te behouden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 6. Dit is de verantwoordelijkheid van het CBR en zolang zij zich houden aan de criteria, zie ik geen rol voor IenW.
Hoeveel praktijk- en theorie-examenlocaties heeft het CBR momenteel in Nederland? Hoeveel locaties zijn de afgelopen tien jaar gesloten, en hoeveel locaties zullen volgens de huidige plannen nog sluiten?
Het CBR heeft op dit moment 53 praktijklocaties, waarvan 17 in combinatie met een theorie-examencentrum en 3 zelfstandige theorie-examenlocaties (Roermond, Breda en Arnhem). Tien jaar geleden betrof het aantal praktijklocaties 54 en het aantal theorie-examencentra 20. Het CBR kijkt voortdurend naar de toekomstbestendigheid van de huisvesting, over verdere ontwikkelingen zijn nog geen definitieve besluiten genomen (zie ook het antwoord op vraag 8)
Erkent u dat verdere concentratie van examenlocaties negatieve gevolgen kan hebben voor de kwaliteit en toegankelijkheid van rijopleidingen, bijvoorbeeld door minder vertrouwdheid met examenroutes en extra druk op kandidaten en rijscholen? Hoe weegt u daarbij mee dat Zuid-Limburg juist relatief hoge slagingspercentages kent ten opzichte van sterk gecentraliseerde stedelijke regio’s?
Ik ben blij met de hoge slagingspercentages in Zuid-Limburg. Dat geeft aan dat daar goede rijscholen zijn die hun vak verstaan en het geven van rijles zeer serieus nemen. Dat verandert niet door een concentratie van CBR-locaties. Ik begrijp de zorgen die leven onder rijschoolhouders en kandidaten over de mogelijke effecten van verdere concentratie van examenlocaties. Echter, daarbij dienen zowel de belangen van kandidaten alsook de uitvoerbaarheid voor het CBR zorgvuldig te worden gewogen. Het is uiteraard wel belangrijk een evenredige spreiding van examenlocaties door het land te houden.
Bent u bekend met de berichten over Naomi Janssen (26) uit Rotterdam, die na afloop van haar jongerenhuurcontract dreigt dakloos te worden omdat zij ondanks jarenlange inschrijving en actieve zoektocht geen vervangende woning kan vinden?1, 2
Ja, ik ben met dat bericht bekend. Het raakt me dat jongeren in Nederland in onzekerheid verkeren over hun huurwoonruimte. Ook ben ik mij bewust van de motie van het lid-Beckerman (Kamerstukken II, 2025–2026, 32 847, nr. 1484) die de regering verzoekt onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Deelt u de mening dat het jongerenhuurcontract, dat oorspronkelijk bedoeld was als oplossing voor jongeren op de woningmarkt, door de vastgelopen woningmarkt is veranderd in een instrument dat jongeren na vijf jaar feitelijk op straat kan zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij zorgen over de onzekere woonsituatie van jongeren en het feit dat de krappe woning- en huurmarkt van invloed is op de wijze waarop zijn hun leven kunnen inrichten. De mening dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren op straat zet, deel ik echter niet. Het huurrecht kent verschillende van dit soort «doelgroepcontracten». Uitgangspunt bij deze contractvorm is dat de huur kan worden beëindigd als de huurder niet meer tot de doelgroep behoort waarvoor de woning bedoeld is. Voor jongeren die een woning huren die speciaal voor jongeren is bedoeld, kan de verhuurder ervoor kiezen om een speciaal jongerenhuurcontract aan te bieden.
Het doelgroepcontract voor jongeren is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. In de kern gaat het om een vast huurcontract, met huurbescherming voor onbepaalde tijd, waaraan bijzondere opzeggingsgronden zijn verbonden. Voor een jongerencontract geldt dat dit contract door de verhuurder kan worden opgezegd als:
Een door de verhuurder opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder schriftelijk met de huurbeëindiging heeft toegestemd, van kracht. Wanneer de huurder niet binnen zes weken schriftelijk met de huurbeëindiging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. Het is dan aan de verhuurder om de rechter om beëindiging van de huurovereenkomst te vragen. De rechter weegt bij het oordeel of de huur moet eindigen alle omstandigheden mee.
Voorts is ook specifiek wettelijk bepaald dat de huurder diens inschrijfduur als woningzoekende behoudt als hij een jongerencontract aangaat, waardoor de huurder niet opnieuw inschrijfduur hoeft op te bouwen.
Tot slot merk ik op dat aan de opzeggingsgrond «dringend eigen gebruik» in het Burgerlijk Wetboek expliciet de voorwaarde is verbonden dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is. Maar aan het kunnen opzeggen van een jongerencontract, met het weer aan de doelgroep (jongere/student/ promovendus) kunnen verhuren als dringend eigen gebruik, is deze wettelijke voorwaarde niet verbonden. Deze keuze is door de wetgever in 2015 gemaakt vanuit de overtuiging dat jongeren weten dat hun huurcontract na 5 jaar (of na verlenging maximaal 7 jaar) eindigt en daarmee voldoende tijd hebben om op zoek te gaan naar een volgende woning.
Doelgroepencontracten waaronder het jongerencontract zijn bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 geïntroduceerd. De wet is in 2021 geëvalueerd.3 Ik heb niet eerder signalen ontvangen over dat deze specifieke contractvorm problemen oplevert. Daarmee wil ik zeker niet voorbij gaan aan de moeite die vele jongeren hebben om passende en betaalbare huisvesting te vinden en de onzekere situatie waarin zij zitten.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een aflopend of reeds verlopen jongerenhuurcontract en lopen daarmee het risico op dakloosheid? Is dit bij uw ministerie in beeld?
Een huurcontract, waaronder een doelgroepcontract voor jongeren, is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder. De overheid beschikt niet over cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van huurcontracten zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek.
Bent u het eens met advocaat Jennifer Alspeer dat je mensen niet zomaar de dakloosheid of illegaliteit kunt induwen omdat een contracttermijn is verstreken, zeker gezien de huidige staat van de woningmarkt? Zo nee, wat is uw rechtvaardiging voor het handhaven van deze contractvorm onder de huidige omstandigheden?
Ja, ik deel uiteraard het uitgangspunt dat dakloosheid en illegaliteit voorkomen moeten worden. De belangrijkste manier om dit te voorkomen is om te zorgen dat we snel meer woningen toevoegen, zowel met nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Dan is er voor meer mensen een plek en dus ook een plek om naar door te stromen.
Welke concrete verplichtingen hebben woningcorporaties naar uw mening richting jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt, mede gelet op de zorgplicht die corporaties hebben ten aanzien van hun huurders? Acht u de huidige verplichtingen afdoende?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op wettelijke bepalingen waaraan de verhuurder gehouden is. Deze acht ik afdoende. Bovendien mag een verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar verlengen. En wanneer de verhuurder de huurovereenkomst niet na vijf jaar (of na de verlengde termijn van maximaal 7 jaar) opzegt om de woning weer aan een jongere (of student/promovendus) te kunnen verhuren, loopt het huurcontract voor onbepaalde tijd door («vast huurcontract»). Daarnaast verwacht ik van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de woonsituatie van hun huurder, in het bijzonder in gevallen van dreigende dakloosheid. Op basis van de genoemde krantenartikelen heb ik geen aanleiding te concluderen dat de betrokken verhuurder in deze te kort schiet.
Is het u bekend dat jongeren in wanhoop honderden euro's betalen aan dubieuze tussenpersonen die woonruimte aanbieden via sociale media zoals TikTok, en dat dit leidt tot oplichting? Welke maatregelen neemt u om deze praktijken te bestrijden en kwetsbare woningzoekenden te beschermen?
De problematiek van dubieuze tussenpersonen en woonfraude is niet een direct gevolg van een jongerencontract, maar speelt breder. Ik ben in het antwoord op Kamervragen over woonfraude ingegaan op deze problematiek.4 Ik roep huurders of woningzoekenden die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit, bijvoorbeeld van huurbemiddelaars, op om aangifte te doen bij de politie en om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Voorts heb ik op een voorstel voor een huurregister in internetconsultatie gebracht.5 Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Bent u bereid om woningcorporaties via wet- of regelgeving te verplichten dat zij jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt niet uit hun woning mogen zetten zolang er geen passend alternatief beschikbaar is? Zo nee, welke andere maatregelen overweegt u?
Zoals in het antwoord op vraag 4 uiteen is gezet is de aanvullende voorwaarde dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is, in het Burgerlijk wetboek niet verbonden aan het kunnen opzeggen van een specifiek doelgroepcontract. Ik heb geen voornemen de wet op dit punt aan te passen. Ik wijs er nogmaals op dat de verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar kan verlengen. En de inschrijfduur als woningzoekende loopt voor de huurder gedurende de looptijd van het (verlengde) jongerencontract door. Bovendien zet ik in op het vergroten van het aanbod, zodat er meer mogelijkheden zijn voor jongeren om door te stromen en plek te maken voor anderen die tot de doelgroep behoren.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en jongerenorganisaties om een landelijke noodprocedure in te stellen voor jongeren die bij het aflopen van hun jongerenhuurcontract geen vervangende woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
De aangehaalde krantenartikelen betreffen het geval van één specifieke huurder, die in de voor haar persoonlijk in de zeer vervelende onzekerheid verkeert over haar woonruimte. Uit de berichtgeving komt ook naar voren dat de betreffende woningcorporatie in gesprek is met de betreffende huurder. Ik zie daarom geen aanleiding om een landelijke noodprocedure in het leven te roepen.
Welke lessen trekt u uit de situatie van Naomi Janssen en andere jongeren in vergelijkbare omstandigheden voor het toekomstige beleid rondom tijdelijke huurcontracten in het algemeen?
Ik ben blij dat deze casus onder mijn aandacht wordt gebracht. Deze casus, net als de vele andere verhalen van woningzoekenden, raken mij. Het motiveert mij om mij iedere dag weer vol in te zetten, samen met alle partners in de volkshuisvesting, om snel meer betaalbare woningen te realiseren.
Ziet u, gezien deze berichtgeving, aanleiding om het voorstel tot uitbreiding van flexibele huurcontracten uit het pakket voor de versoepeling van de Wet betaalbare huur te halen? Zo nee, waarom wilt u de woonsituatie van meer jongeren onzekerder maken?
Het voorstel waar in deze vraag op gedoeld wordt, beoogt een omissie te herstellen waarbij aan studenten die buiten de eigen woonplaats gaan studeren wel een tijdelijk huurcontract aangeboden mag worden en aan studenten die binnen de eigen woonplaats gaan studeren niet. Dit creëert een gelijk speelveld onder studenten en moet ervoor zorgen dat er voor deze groep meer woningen beschikbaar komen, waardoor het dus ook voor méér studenten mogelijk moet worden om in de eigen woonplaats een woonruimte te vinden.
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Ja.
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Met het besluit tot instemming met het winningsplan van maart 2025 mag de NAM tot en met 2032 maximaal nog 2213 miljoen Nm3 gas winnen.
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Nee. Voor een nieuwe put zou een wijziging van het winningsplan nodig zijn en een omgevingsvergunning. De gebruikelijke juridische procedures, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Omgevingswet, zullen in dat geval van toepassing zijn op deze aanvragen. Zo zal voor de wijziging van het winningsplan advies worden gevraagd aan TNO, SodM en de decentrale overheden. Tegen eventuele besluiten kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Ik merk voor de volledigheid op dat ik op dit moment geen aanvraag voor een nieuwe put van de NAM heb ontvangen.
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bij een eventuele wijzing van het winningsplan zal de NAM informatie moeten aanleveren over het seismisch risico. Deze informatie wordt getoetst door TNO en SodM. Ik laat nu dan ook geen risicoanalyse uitvoeren naar een eventuele nieuwe boring.
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nee. Ik kijk zeer zorgvuldig naar aanvragen voor activiteiten in de diepe ondergrond en vraag hierover advies aan onder meer TNO en SodM. Alleen als dit veilig en verantwoord kan, verleen ik een vergunning.
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat ook geen mogelijkheid om een algemene permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied.
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Als de NAM een nieuwe put wil boren moet de NAM een omgevingsvergunning aanvragen en een aanpassing van het winningsplan indienen. Deze aanvragen zal ik indien dit zich zou voordoen toetsen aan het wettelijke kader. Het feit dat er een rechtszaak loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het huidige instemmingsbesluit op het winningsplan, staat buiten een dergelijke beoordeling.
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van het geldende wettelijke kader is ingestemd met de aanvraag van de NAM om langer gas te winnen uit het gasveld Warffum. Ik kan voor een individuele aanvraag geen besluiten nemen buiten het wettelijke kader. Dit geldt ook voor het intrekken of opschorten van reeds genomen besluiten. Hiervoor moet een juridische grondslag zijn en die is niet aanwezig.
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
De vraag of SodM nu anders zou adviseren kan ik niet beantwoorden. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM is gekeken, alvorens een besluit is genomen. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Daarbij heeft het toenmalig kabinet recht willen doen aan de zorgen. Om deze reden is met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt voor het gasveld Warffum. De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Zoals bij vraag 8 aangegeven, dient er een juridische grondslag te zijn om een vergunning in te trekken of te herzien en die is niet aanwezig.
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Zoals bij vraag 9 aangegeven heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Zoals bij vraag 9 aangegeven, heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
Nee. Bij de aanvraag Ternaard speelden specifieke omstandigheden: juridisch, ruimtelijk en procedureel. Juist vanwege die unieke combinatie heeft het toenmalig kabinet aanleiding gezien om een afwijkend besluit te overwegen en uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dat besluit stond dus in directe relatie tot die bijzondere context. Dat betekent ook dat dit elders niet zal plaatsvinden; een uitzondering vormt geen nieuw beleidskader. Het uitgangspunt blijft dat beslissingen over gaswinning worden genomen binnen het bestaande wettelijke kader, de daarin vastgelegde verantwoordelijkheden en toetsingskaders. Daarbij wil ik benadrukken dat vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond alleen worden verleend als dit veilig en verantwoord kan.
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Ja, het artikel is bekend. Het totaalaanbod van recreatiewoningen groeit en de vraag groeit niet of nauwelijks. De prijzen stagneren. Er is sprake van een stabiliserende markt.
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Ja, het aantal te koop staande vakantiewoningen groeit. Deze trend zet zich voort in 2026. Kopers hebben meer keuze en bieden vaker en ruimer onder de vraagprijs. De afgelopen vijf jaar zijn de prijzen van recreatiewoningen met 40% gestegen. Deze groei is nu voorbij. De gemiddelde verkoopprijs van in 2025 verkochte recreatiewoningen komt uit op 247 duizend euro. Dat is vrijwel even hoog als het jaar ervoor, de stijging bedraagt slechts 0,1%, zo blijkt uit cijfers van de NVM2, vraag en aanbod komen meer in balans.
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
Er is sprake van een normalisatie van de markt voor vakantiewoningen. Het aantal transacties groeit nog licht, maar niet spectaculair. In 2025 werden 4.273 vakantiewoningen verkocht, een stijging van 2,9% ten opzichte van 2024. Dat is volgens het eerdergenoemde NVM-rapport een gematigde stijging. Daarmee beweegt de markt zich van een krappe verkopersmarkt naar een meer evenwichtige marktsituatie. Daar past een duiding als «grote verkoopgolf» niet bij.
De rendementen staan vaker onder druk door hogere belastingen, btw-verhogingen en stijgende lasten. Dat 75% van de vakantiehuizen geen rendement meer zouden opleveren lijkt mij een hele hoge inschatting, die ook nergens bevestigd wordt door data. De vraag naar de huur van vakantiewoningen blijft relatief sterk. Ondernemers en particuliere beleggers zullen wel steeds kritischer en professioneler moeten kijken naar hun investeringen.
Daarnaast zijn de verschillen per regio groot. Het is daarom lastig alles te vervatten in een landelijk rendementsbeeld. In bijvoorbeeld Zeeland, in Limburg of op de Veluwe bestaan veel verschillen. Het aantal vakantiehuizen dat in de verkoop gaat zal sterk verschillen per regio. Met name particuliere beleggers zullen waarschijnlijk eerder uit deze markt stappen vanwege lagere rendementen en fiscale druk.
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
De koopmarkt koelt af, maar de huurvraag naar vakantiewoningen houdt aan, mede door de groei van buitenlands en binnenlands toerisme. Degene die kortgeleden hebben gekocht zullen wel scherper moeten zijn op hun rendementen. Daarnaast zien we in Nederland geen opvallende prijsbewegingen in deze markt.
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Hoewel de verkoopmarkt voor vakantiehuizen momenteel stabiliseert, blijft de vraag onverminderd aanwezig. Het opkopen en herstructureren van campings kan bijdragen aan een toekomstbestendig recreatieaanbod. Het geeft vernieuwing in het aanbod, het versterkt de toeristische aantrekkingskracht van een regio, draagt bij aan de lokale economie en werkgelegenheid.
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Het is mij bekend dat er gevallen zijn waarbij recreanten hun vaste kampeerplek verliezen doordat het huurcontract wordt opgezegd. Ik beschik op dit moment niet over signalen waaruit blijkt dat sprake is van een landelijke ontwikkeling. Dit is een ontwikkeling die ik zeer spijtig vind voor de betrokken recreanten. Echter, ik erken ook het belang van ondernemers om hun bedrijfsvoering rendabel en concurrerend te houden in een markt die voortdurend in beweging is.
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Ja.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Ik trek me de zorgen aan van de Veluwse gemeenten over de overnames van vakantieparken door grote ketens. Op landelijk niveau zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat overnames structureel leiden tot hogere prijzen, tot marktdominantie of tot een uniforme inrichting van vakantieparken die recreatie ontoegankelijk maakt voor brede groepen. De Autoriteit Consumenten & Markt (ACM) houdt hierop toezicht en bewaakt de markt hierop. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor marktdominante posities.
Overnames door grotere partijen zie ik niet allereerst als problematisch. Ik kan me ook niet vinden in de vrees voor een uniforme inrichting. Integendeel, het versterkt vaak juist professionalisering, modernisering en veranderingen gericht op nieuwe doelgroepen. Daarmee blijft een vakantiepark ook dynamisch en in staat om met nieuwe impulsen te blijven concurreren en te blijven bestaan. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om te sturen op de gewenste lokale invulling. Lokaal doen zich wel prijsstijgingen voor en wisselingen in het aanbod, maar dit hangt vaak nauw samen met het aansluiten op veranderende doelgroepen en de regionale marktcontext.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
Zie antwoord vraag 8.
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Het staat eigenaren van parken vrij om privaatrechtelijk hun park te verkopen aan andere partijen. Dat kan natuurlijk ook een overheid zijn. De gemeente kan in het omgevingsplan publiekrechtelijk regels stellen over de toegelaten kampeermiddelen, een maximaal aantal recreatiewoningen of een maximaal bebouwd oppervlakte. Op deze manier kan door de gemeente actief gestuurd worden op de ontwikkeling van een park.
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Ik kan mij goed voorstellen dat recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen dit als zeer ingrijpend ervaren en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Afhankelijk van de situatie zal hun juridische positie ten aanzien van de nieuwe eigenaar verschillen. Huurders van een vaste standplaats kunnen zich bijvoorbeeld beroepen op het algemeen huurrecht waarin de plichten van zowel de verhuurder als de huurder zijn geregeld.
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Ik kan daar in algemeenheid geen antwoord op geven. Gemeenten en provincie maken beleid en regels over recreatie. Dat kan ook gaan over de vitalisering van vakantieparken of recreatieparken. Gemeenten kunnen uiteindelijk concreet op de ontwikkeling van een recreatiefunctie op een bepaalde locatie sturen via het omgevingsplan of de verlening van een vergunning om daarvan af te wijken.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Het is in beginsel aan de gemeenten en daarna aan de provincie om ruimtelijk beleid te maken over recreatie. In dat kader kunnen zij ook beoordelen of het recreatief gebruik van gronden binnen hun grondgebied afneemt en een afweging te maken over de gevolgen daarvan voor de beschikbaarheid van betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme. De gemeente en daarna de provincie kunnen de lokale en regionale situatie het beste beoordelen en in dat kader ook de ruimtelijke afweging het beste maken. Als het gaat om concrete lokale of regionale ontwikkelingen heb ik daar in beginsel vanuit het Rijk geen rol in.
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Ik herken me niet in de stelling dat recreanten momenteel niet of nauwelijks beschermd zijn. Recreanten kunnen met een vaste standplaats zich beroepen op het algemeen huurrecht, waarin de rechten en plichten van verhuurder en huurder zijn geregeld.4 Daarnaast zijn herstructureringen die buiten het geldende omgevingsplan vallen onderworpen aan planologische toetsing op grond van de Omgevingswet, waarbij de effecten op de fysieke leefomgeving moeten worden onderzocht. Bovendien bieden de HISWA-RECRON-voorwaarden recreanten op aangesloten parken aanvullende bescherming boven op de wettelijke kaders. Deze voorwaarden zijn recent aangescherpt in samenwerking met de ANWB en zijn consumentvriendelijker geworden. Zo geldt bij herstructurering zonder vervangende plaats een minimale opzegtermijn van 18 maanden en zijn de verplaatsingsvergoedingen verhoogd. Geschillen kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Recreatie en Watersport, waarbij HISWA-RECRON de nakoming van bindende uitspraken garandeert.
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Er is geen officiële telling van alle overnames in Nederland. Er is wel sprake van een beweging van de markt van een situatie met veel individuele eigenaren naar een situatie waarin een groeiend deel van de vakantieparken wordt beheerd door professionele partijen. Dit draagt bij aan kwaliteitsverbetering, meer comfort, meer veiligheid en goed beheer.
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Onder vaste kampeerplaats wordt doorgaans verstaan een plek waar een kampeermiddel het gehele jaar mag blijven staan doordat de huurder de grond huurt voor een jaar met stilzwijgende verlenging. Het gaat dan veelal om specifieke huurafspraken tussen de eigenaar van de grond en de huurder. Vanuit het kabinet is hier geen zicht op.
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Ik heb geen gegevens over het aantal vergunde luxe recreatiewoningen die de afgelopen vijf jaar vergund zijn en het aantal betaalbare kampeerplaatsen. In dit kader is ook van belang dat er geen vastomlijnde definitie is van betaalbare kampeerplaatsen. Dat maakt dat het aantal verdwenen betaalbare kampeerplaatsen überhaupt niet concreet te bepalen is. Hetzelfde geldt voor luxe recreatiewoningen.
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van campings en vakantieparken. Hierdoor heb ik ook geen inzicht in hoeverre de overnames gepaard gaan met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen. Ik wil toch graag nog het volgende toelichten over de marktsituatie. Het beeld dat overnames vooral door grote concerns worden gedreven, is te eenzijdig. De markt bestaat voor een belangrijk deel uit mkb’ers, familiebedrijven en kleinere investeerders. Bovendien investeren sommige buitenlandse concerns juist gericht in het behoud en de verbetering van vaste standplaatsen.
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Een onderzoek naar het enkel verdwijnen van vaste kampeerplaatsen en de reden daarvan acht ik niet noodzakelijk. Vanuit het Rijk zet ik in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag. Dit vergt een breder perspectief dan alleen de ontwikkeling in het aantal vaste kampeerplaatsen.
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatiewoningen en vakantieparken. Het is aan de gemeente om te beoordelen in hoeverre activiteiten zoals de huisvesting van arbeidsmigranten op een vakantiepark of in een recreatiewoning past binnen de regels voor die locatie het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is.
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Zie het antwoord op vraag 22.
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Dat kan ik in algemeenheid zo niet zeggen. Zoals eerder aangegeven zet ik mij vanuit het Rijk in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag.
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Zoals eerder aangegeven heb ik geen inzicht in de eigendomssituatie van vakantieparken en de mate waarin deze parken gebruikt worden voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Ik kan dan ook niet aangeven of de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen.
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
De kaders zijn voor alle projecten gelijk, woningbouw noch recreatie krijgt een voorkeursbehandeling in wet- en regelgeving. De toetsing en vergunningverlening blijft altijd liggen bij gemeenten en provincies als bevoegde gezagen. Zij beschikken over voldoende instrumentarium om hier zorgvuldig op te sturen. Wanneer een project significante effecten heeft op een Natura 2000-gebied, is een natuurvergunning verplicht.
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Het Kabinet begrijpt die spanning, maar deelt de conclusie niet dat er sprake is van een ongelijk speelveld. Zie eerder toelichting bij het antwoord van vraag 26.
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Ja. Het is gebruikelijk dat initiatiefnemers zelf de benodigde berekeningen en onderzoeksgegevens aanleveren. Overigens geldt dat voor alle sectoren, niet alleen voor recreatie.
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Zoals eerder omschreven ligt de toetsing van aangeleverde berekeningen en onderzoeken bij de bevoegde gezagen (gemeenten en provincie). Zij beoordelen of de onderbouwing volledig en realistisch is voordat een vergunning wordt verleend.
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Hiervan ben ik niet op de hoogte. Dit is vooral een juridisch en planologisch vraagstuk. Gefaseerde ontwikkelingen zijn meestal zichtbaar. De discussie gaat daarom doorgaans niet over de zichtbaarheid van een project, maar over de manier waarop het juridisch wordt beoordeeld. Dit speelt met name bij provincies en gemeenten.
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Het is aan de initiatiefnemer en het bevoegd gezag om te bepalen of een project een geheel vormt of juridisch sprake is van losse projecten. Op basis van deze beoordeling moet ook bepaald worden welke stikstofberekening nodig is.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Zie het antwoord op vraag 31.
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Ik erken dat de reactie op de motie langer op zich heeft laat wachten dan ik had voorzien. De motie vroeg om een zorgvuldige afweging en dat vergde de nodige tijd.
Ik realiseer mij dat het verlies van een jaarplaats op een kampeerterrein voor recreanten ingrijpend kan zijn en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Die zorgen neem ik serieus en heb ik meegewogen in mijn overwegingen.
Om verschillende redenen ben ik echter tot de conclusie gekomen dat een nieuwe Kampeerwet niet leidt tot een betere situatie voor recreanten en ondernemers. Ik zie dan ook geen aanleiding voor aanvullende landelijke wetgeving. Hierin heb ik een zorgvuldige afweging gemaakt waaruit blijkt dat meer wettelijke bescherming niet leidt tot meer beschikbare plaatsen, maar wel tot meer regeldruk en hogere kosten voor zowel ondernemers als voor recreanten.
In de Kamerbrief Toerisme, die ik vandaag naar de Kamer heb gestuurd, ga ik uitgebreider in op de verschillende redenen die hieraan ten grondslag liggen.
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Zie antwoord vraag 33.
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Zie antwoord vraag 33.
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Ruimte voor recreatie is belangrijk voor complete en prettige leefomgevingen. Voor de Nota Ruimte bezie ik hoe er meer dan in de Ontwerp-Nota Ruimte aandacht kan zijn voor reactie, welke vaak goed samengaat bij ontwikkelingen van bijvoorbeeld woningbouw of natuurontwikkeling. Dit betreft dan de ruimtelijke aspecten daar waar het Rijk een rol heeft. Vaak liggen verantwoordelijkheden rondom recreatie bij de medeoverheden en het bedrijfsleven, zo ook waar dat de mogelijkheden voor elk budget betreft.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Door de zorgvuldige afweging die ik gemaakt heb over deze motie, is het helaas niet gelukt de vragen tijdig te beantwoorden.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van de bewoners van de flat Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee, die door woningcorporatie Kennemerwonen worden geconfronteerd met een plotselinge omslag van renovatieplannen naar sloopplannen?
Ik ben bekend met de situatie van enkele complexen aan het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee waarbij woningcorporatie Kennemer Wonen overweegt deze te slopen of te renoveren.
Kunt u bevestigen dat Kennemerwonen tot en met januari 2025 heeft gesproken en geschreven over verbetering, duurzaamheidswerkzaamheden en renovatie, en dat in mei 2025 plotseling sloop als enige optie op tafel is gelegd, terwijl er geen aantoonbare nieuwe feiten zijn die deze radicale koerswijziging rechtvaardigen?
Dit kan ik niet bevestigen. Ik heb na contact met Aedes begrepen dat er nog geen beslissing is genomen over sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie. Kennemer Wonen heeft aangegeven de opties voor sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie nog te zullen onderzoeken. Ik ga ervanuit dat elke woningcorporatie, en in dit geval Kennemer Wonen, alvorens zij tot de beslissing komt tot slopen of renovatie onderbouwd een afweging maakt.
Erkent u dat het onacceptabel is dat woningcorporaties bewoners jarenlang een renovatieperspectief bieden, om vervolgens zonder gedegen participatieproces over te gaan op sloop?
Het moeten verlaten van je woning voor sloop en nieuwbouw is voor bewoners heel ingrijpend. Een tijdige en duidelijke communicatie over de voornemens is daarom essentieel om ook bewoners zo goed mogelijk mee te nemen in een afweging. Hiervoor is door Aedes en de Woonbond in 2024 het Nationaal sloop- en renovatiestatuut opgesteld. Hiermee wordt het belang van vroegtijdige betrokkenheid van bewoners erkend en gewaarborgd. In dit geval begrijp ik dat er nog geen besluit is genomen.
Deelt u de mening dat dit een sloopoverval is die bewoners in grote onzekerheid en stress achterlaat, zoals ook de Nationale ombudsman heeft gesignaleerd in zijn rapport uit 2024?1
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onbegrijpelijk is om toch voor sloop te kiezen, terwijl Kennemerwonen zelf heeft verklaard dat de bouwkundige staat van het gebouw redelijk is en bouwkundigen de geconstateerde gebreken beschouwen als herstelbaar binnen regulier groot onderhoud? Erkent u dat dit patroon structureel voorkomt bij Nederlandse woningcorporaties?
Het is in beginsel aan woningcorporaties om, met alle betrokken partners op lokaal niveau, te bepalen wat in een specifieke situatie de beste optie is. Er wordt hierbij van woningcorporaties verwacht dat zij, in overleg met die partners, bij het realiseren van de opgave alle belangen zorgvuldig tegen elkaar afwegen: van bewoners, maar ook van toekomstige huurders, de leefbaarheid in de wijk, het gemeentelijk beleid, de eigen portefeuillestrategie en de financiële consequenties. Ik heb geen signalen dat woningcorporaties structureel voor sloop kiezen als regulier onderhoud een meer wenselijke optie is.
Erkent u dat aan het complex Dorus Rijkersplein al substantiële investeringen zijn gedaan en dat sloop in dat licht niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook economisch onverantwoord en kapitaalvernietigend is?
Over het algemeen is renovatie duurzamer dan sloop met vervangende nieuwbouw, maar is dit niet altijd goedkoper en hangt van verschillende eigenschappen van het gebouw af. Een voordeel van renovatie is dat de levensduur van bestaande gebouwen wordt verlengd. Het is echter niet altijd mogelijk om te bestaande gebouwen te kunnen renoveren. Het bestaande gebouw moet zich hiervoor lenen en dat is niet altijd het geval. Het is aan de woningcorporatie om hierin de eigen afweging te maken, waarbij ook het totale financiële plaatje een rol speelt. Woningcorporaties hebben in totaal bijna 2,2 miljoen sociale huurwoningen, het is niet aan mij om een oordeel te hebben over of in een individueel geval renovatie of sloop/nieuwbouw logischer is. Dat is aan de corporatie, in samenspraak met de lokale partners.
Bent u bekend met het gegeven dat renovatie in de meeste gevallen aanzienlijk goedkoper is dan sloop-nieuwbouw, en zo ja, waarom wordt naar uw mening hier dan zo vaak toch niet voor gekozen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat sloop van huurwoningen niet alleen fysieke gebouwen maar ook hechte gemeenschappen vernietigt, en bent u bereid te bewerkstelligen dat corporaties de sociale cohesie van bewoners expliciet meewegen als factor in de afweging tussen sloop en renovatie?
Ik kan mij heel goed voorstellen dat voor bewoners de sociale cohesie en de hechte gemeenschappen die zijn opgebouwd belangrijk zijn. Bij de afweging tussen sloop en nieuwbouw of renovatie spelen deze factoren en bijvoorbeeld ook het behoud van de identiteit van de wijk een rol. Het is echter ook in dit geval aan de woningcorporatie om te bepalen welk gewicht zij geven aan het mogelijk verbreken van de sociale cohesie en hechte gemeenschappen die zijn ontstaan in de afweging die zij maken voor sloop met vervangende nieuwbouw of renovatie.
Bent u op de hoogte van het feit dat de bewonerscommissie van het Dorus Rijkersplein stelselmatig wordt belemmerd in haar werk, doordat Kennemerwonen gevraagde technische rapporten niet of slechts deels verstrekt, communicatie via derden laat lopen in plaats van rechtstreeks met de bewonerscommissie te communiceren, en notulen van overleggen worden betwist? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de verplichtingen die de Woningwet en de Wet op het overleg huurders verhuurder aan corporaties opleggen?
De woningcorporaties zijn verplicht om, op grond van artikel 55b van de Woningwet, een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De wet stelt – met uitzondering van een regeling voor de verhuiskostenvergoeding – echter geen specifieke eisen aan de inhoud van zo’n reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kan verschillen. Mocht de corporatie zich hier niet aan houden dan kunnen bewoners stappen naar de huurcommissie of de civiele rechter. Het is niet aan mij om in een individueel geval te oordelen of er sprake is van schending van de Wet op het overleg huurders en verhuurder.
Erkent u dat de enorme psychische druk die bewoners ervaren als gevolg van sloopplannen een ernstig maatschappelijk probleem is, dat al eerder door de Nationale ombudsman is gesignaleerd? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin als Minister?
Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 3. Verder wil ik hier nog aan toevoegen dat ik momenteel een onderzoek uitvoer naar de effecten van sloop en nieuwbouw op onder andere de bewoners, verduurzaming (waaronder het klimaat en de CO2 uitstoot) en de woningvoorraad. In het onderzoek wordt ook een afwegingskader geschetst, waarbij transparanter wordt hoe een afweging tot sloop- nieuwbouw tot stand kan komen. Hierdoor wordt meer inzichtelijk hoe een woningcorporatie tot haar keus kan komen. Ik verwacht de Kamer hier voor de zomer over te informeren.
Erkent u dat het risico onverantwoord groot is dat als gevolg van stikstofproblematiek en de nabijheid van Natura 2000-gebieden nieuwbouw helemaal niet mogelijk blijkt, zoals ook al gebleken is bij het nabijgelegen plan Delversduin? Erkent u dat bewoners worden opgezadeld met de consequenties van een onrealistisch bouwplan?
Het is niet aan mij om dit te beoordelen. De optie voor sloop en vervangende nieuwbouw wordt momenteel nog onderzocht. Hierbij zal ook worden onderzocht of bij dit project stikstof vrijkomt. Als blijkt dat er stikstof vrijkomt, zal moeten worden aangetoond dat het niet leidt tot verslechtering van de staat van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ten slotte is het aan de provincie Noord-Holland om als bevoegd gezag te beoordelen of een natuurvergunning kan worden verleend of niet. Het kabinet werkt verder aan een pakket aan maatregelen voor generieke stikstofreductie, zodat de stikstofdruk op Natura 2000-gebieden wordt verlaagd en Nederland van het stikstofslot af kan.
Erkent u dat sloop-nieuwbouw leidt tot een hogere uitstoot van broeikasgassen en stikstof dan renovatie, en dat dit haaks staat op de klimaatdoelstellingen en stikstofdoelstellingen van Nederland? Deelt u de mening dat de CO2- en stikstofuitstoot van sloop altijd integraal meegewogen moet worden in de afweging tussen sloop en renovatie?
Hergebruik, renovatie en transformatie van bestaande gebouwen is veelal duurzamer dan nieuwbouw, maar niet elk gebouw leent zich daarvoor, zeker daar waar de energetische schil lastig is te verbeteren. Maar ook een wens om te verdichten of een wijk meer divers te maken kan een reden zijn om over te gaan tot sloop. Ik ben van mening dat per gebouw moet worden gekeken wat de beste circulaire strategie is als het gaat om hergebruik, renovatie en/of transformatie dan wel nieuwbouw. Daarbij zouden inderdaad de CO2-uitstoot en andere milieuaspecten moeten worden meegewogen. Als wel tot sloop wordt besloten dan verdient het de voorkeur om circulair te slopen. Dit houdt in dat wordt gekeken welke bouwelementen, -producten en -materialen uit het pand kunnen worden gedemonteerd om vervolgens in een nieuw gebouw of bij renovatie te worden hergebruikt. Ik ondersteun deze werkwijze met de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik.2
Bent u bereid het democratische tekort te herstellen door bewoners een gelijkwaardig instemmingsrecht te geven bij sloopbeslissingen? Bij renovatie geldt namelijk een instemmingsrecht van 70% van de huurders, maar bij sloop niet.
Nee, ik acht het niet noodzakelijk om een instemmingsrecht van 70% te geven bij sloopbeslissingen. Op grond van huidige wet- en regelgeving is het voor de bewoner die niet instemt met sloop (en daarmee geen instemming geeft over het beëindigen van zijn of haar huurovereenkomst), mogelijk om zonder actie van zijn of haar kant te bewerkstelligen dat de rechter zich zal buigen over de vraag of de huurovereenkomst eenzijdig door de verhuurder kan worden beëindigd. De mogelijkheid dat de rechter zich hierover buigt acht ik voldoende.
Bent u bereid om de situatie van de bewoners van het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee actief onder de aandacht te brengen bij Kennemerwonen, en er bij de corporatie op aan te dringen het sloopplan te heroverwegen en alsnog een volwaardige renovatieoptie uit te werken in echte samenspraak met de bewoners?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, worden de opties op sloop en renovatie nog onderzocht en zal woningcorporatie Kennemer Wonen hierover met bewoners in gesprek gaan. Ik kan mij heel goed voorstellen dat, als wordt besloten tot sloop, dit een grote impact heeft op de wijk en de gemeenschap. Het blijft echter een afweging van de corporatie, in overleg met lokale partijen. Bij die afweging en het lokale gesprek kan ook de gemeente en de lokale politiek een rol spelen.
Het artikel ‘Hoe corporaties huurders passeren bij ingrijpende verbouwingen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat woningcorporaties grootschalige verduurzamingsprojecten classificeren als «groot onderhoud» in plaats van «renovatie», waardoor huurders geen instemmingsrecht hebben en de werkzaamheden moeten gedogen?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de daarin beschreven situaties. Ik neem de berichten dat bewoners ervaren dat zij onvoldoende zeggenschap hebben, doordat woningcorporaties ingrijpende verduurzamingswerkzaamheden als «groot onderhoud» classificeren in plaats van «renovatie», serieus. De primaire verantwoordelijkheid voor een zorgvuldig proces ligt echter bij de corporatie zelf. Of werkzaamheden groot onderhoud of renovatie betreffen hangt af van de aard van de werkzaamheden en maatregelen. De woningcorporatie is aanspreekbaar op de wijze waarop bewoners daarin worden betrokken. De wet maakt onderscheid tussen «dringende werkzaamheden» en «renovatie»: bij «renovatie» worden voorheen niet aanwezige voorzieningen aangebracht waardoor het wooncomfort geacht wordt te zijn gestegen. Wanneer slechts sprake is van vervanging van kapotte of versleten onderdelen of voorzieningen is er sprake van onderhoud. Voor renovatiewerkzaamheden is instemming van de huurder vereist2, voor onderhoudswerkzaamheden niet. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter.
Is dit een fenomeen dat bij u al bekend was? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen of onderneemt u om dit recht te zetten? Zo nee, hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat u sneller op de hoogte kan komen van vergelijkbare problematiek onder kwetsbare huurders?
Dat dit onderwerp van gesprek is, is bij mij bekend. De Woonbond heeft eind januari 2026 een brandbrief gepubliceerd over signalen van huurders die zich onvoldoende betrokken voelen bij verduurzamings- en renovatietrajecten, mede in relatie tot betaalbaarheid, draagvlak en de ervaren gevolgen voor hun woonlasten en woongenot.3
De verantwoordelijkheid voor een juiste classificatie van werkzaamheden ligt in eerste instantie bij de woningcorporaties zelf. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter. Ook kunnen huurders zich onder omstandigheden melden bij de huurcommissie en is het mogelijk om een klacht in te dienen bij de corporatie. Corporaties zijn verplicht een onafhankelijke klachtencommissie in te richten. Corporaties hebben 2,2 miljoen sociale huurwoningen in eigendom en een investeringsopgave van 115 miljard euro. Ik kan niet in individuele gevallen beoordelen of er sprake is van renovatie of onderhoud.
Bent u bereid om te reageren op het Trendbeeld 2025 van Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) waarin zij zich kritisch uitten over de handelwijze van corporaties met betrekking tot bewonersparticipatie?2
De signalen in het Trendbeeld over bewonersparticipatie die door SVWN in de in 2025 uitgevoerde visitaties bij 36 corporaties zijn gesignaleerd zijn door mij met belangstelling ontvangen.5 Deze signalen zijn voor mij mede aanleiding geweest om een onderzoek te laten doen naar de stand van zaken ten aanzien van huurdersparticipatie bij corporaties in Nederland. In 2016 vond een eerste onderzoek plaats naar hoe huurdersorganisaties bij corporaties invulling geven aan belangenbehartiging van huurders op basis van de Woningwet 2015. Reden was de invoering van de Woningwet 2015 en de rol die huurders op basis van de wet kregen. Tien jaar na dit onderzoek is het zinvol om dit onderzoek weer te laten plaatsvinden. Ik zal op basis van een tweede onderzoek over meer input beschikken om een onderbouwde reactie te kunnen geven en hierbij naast een vergelijking met het eerste onderzoek ook signalen uit het Trendbeeld 2015 meenemen. In de eerste helft van 2027 verwacht ik de uitkomsten van het onderzoek.
Deelt u de mening dat het financiële belang van corporaties er in de praktijk toe leidt dat corporaties bewust kiezen voor de kwalificatie «groot onderhoud» om kosten te drukken, ten koste van kwetsbare huurders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dat deel ik niet. Zoals aangeven in vraag 1 zijn de aard van de maatregelen en werkzaamheden leidend. Woningcorporaties staan voor een zeer omvangrijke verduurzamings- en renovatieopgave: op basis van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) moeten zij honderdduizenden woningen verbeteren, wat leidt tot lagere energierekeningen en meer wooncomfort voor huurders. Corporaties pakken die opgave voortvarend op. Uiteraard betrekken zij daarbij ook de financiële gevolgen, maar de kwalificatie moet wel in alle gevallen in lijn zijn met de juridische definitie en de geest van de wet.
Kunt u aangeven hoeveel sociale huurwoningen de afgelopen drie jaar zijn verduurzaamd onder de noemer «groot onderhoud» of «dringende werkzaamheden», terwijl er naar het oordeel van huurders of hun juridisch vertegenwoordigers sprake was van renovatie? Beschikt u over deze cijfers, en zo nee, bent u bereid deze te laten inventariseren?
Ik beschik niet over deze cijfers. Er bestaat geen centrale registratie die bijhoudt hoe verduurzamingswerkzaamheden zijn geclassificeerd en in hoeveel gevallen huurders of hun vertegenwoordigers daar anders over oordeelden. Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 2 is het niet aan mij om individuele gevallen te beoordelen. Er zijn andere mogelijkheden die huurders hebben als zij de beoordeling van de corporatie in twijfel trekken.
In het aangekondigde Wetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht wordt het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie niet scherper omschreven. Waarom niet, en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het ontwerpwetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht, gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl, richt zich specifiek op verduurzaming in de vorm van energiebesparende of energieleverende voorzieningen, en niet op renovaties in algemene zin. Het ontwerp gaat uit van een scherpere rol voor de huurdersvertegenwoordiging. Dit ontwerp biedt de mogelijkheid om via een algemene maatregel van bestuur nader te definiëren welke maatregelen vallen onder het begrip verduurzaming.
Daarnaast is de voorgenomen aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving van belang met het oog op het uitfaseren van EFG-labels bij huur. Deze aanpassing is erop gericht dat huurwoningen aan energetische minimumeisen moeten voldoen per 1 januari 2029. Een ontwerp hiervoor is eveneens gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl. Om de verhuurder in staat te stellen om tijdig aan de eis voldoen, moet de huurder op enig moment vóór 2029 meewerken wanneer de verhuurder de woning wil aanpassen voor het bouwvoorschrift.
In het licht van de hiervoor genoemde ontwerpen zal ik bezien of het noodzakelijk is om het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie scherper te beschrijven met het oog op de positie van de huurder.
De komende jaren zullen meer huurders te maken krijgen met de komst van warmtenetten, deelt u de mening dat initiatiefrecht van huurders daarin verankerd moet zijn?
Ik deel de mening dat de positie van huurders van belang is bij warmtenetten.
Met het wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt deze positie geborgd. Zo borgt de Wgiw goede participatie en een helder democratisch proces bij aansluiting op een warmtenet. Huurders hebben hierdoor, net als andere bewoners, en gebouweigenaren, de mogelijkheid inbreng te leveren bij de totstandkoming van het warmteprogramma en vervolgens de wijziging van het omgevingsplan.
De prioritering van verduurzaming, waaronder de aanleg van warmtenetten, is een gezamenlijke zaak van corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties. Gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties maken samen lokale prestatieafspraken. Huurdersorganisaties kunnen ook op die manier invloed uitoefenen op lokale afspraken over warmtenetten.
Hoe vaak zijn warmtenetten aangelegd waarbij deze werden gepresenteerd als «dringende werkzaamheden»? Hoe vaak als «groot onderhoud»? Deelt u onze mening dat dit onwenselijk is omdat het rechten van huurders kan schaden?
Exacte aantallen zijn mij niet bekend; zie ook het antwoord op vraag 5. Bekend is dat rechters in een aantal gevallen hebben geoordeeld dat de aansluiting op een warmtenet als dringende werkzaamheden kan worden aangemerkt. Meest recent heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 10 april 2026 geoordeeld dat huurders van corporatie Woonwaard in Alkmaar moesten meewerken aan aansluiting op het warmtenet, omdat het mislopen van subsidie en gemeentelijke afspraken de werkzaamheden dringend maakten.6 Van corporaties verwacht ik dat zij, ook als zij juridisch geen instemming hoeven te vragen, huurders tijdig en transparant informeren en betrekken bij de plannen. Dit vloeit ook voort uit Wet overleg huurders en verhuurder.
Bent u van mening dat huurders die maandenlang worden blootgesteld aan geluidsoverlast van meer dan 100 decibel, lekkages en schade aan hun inboedel, zoals beschreven in de projecten in Monnickendam, De Westereen en Huizen, recht hebben op een wisselwoning en adequate schadevergoeding, ongeacht de juridische kwalificatie van de werkzaamheden? Zo ja, hoe gaat u dit borgen?
Niemand zou maandenlang onder dergelijke omstandigheden moeten hoeven wonen. Een woning moet een veilige en leefbare plek zijn. Corporaties hebben in dergelijke situaties een belangrijke verantwoordelijkheid om hun zorgplicht als verhuurder volledig na te komen. Huurders hebben de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of de rechter te wenden inzake de huurprijs. In een dergelijke procedure kan worden beoordeeld of sprake is van (geluids)overlast of gebreken die aanleiding geven tot huurverlaging. Daarnaast kunnen huurders bij de rechter vorderen dat maatregelen worden genomen om de overlast te beperken, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van een wisselwoning, en kunnen zij een schadevergoeding eisen voor geleden schade. Het is uiteindelijk aan de rechter om hierover een oordeel te geven. Los van de juridische kwalificatie van de werkzaamheden verwacht ik van corporaties dat zij oog hebben voor de positie van huurders en actief zoeken naar passende oplossingen wanneer bewoners langdurig met ernstige overlast of schade worden geconfronteerd. Dat kan, afhankelijk van de omstandigheden, betekenen dat een wisselwoning beschikbaar wordt gesteld of dat schade aan de inboedel wordt vergoed.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de sociale huursector eenzijdig op de schouders van de meest kwetsbare huurders terechtkomt, en dat draagvlak voor verduurzaming wordt ondermijnd?
In de NPA en de wet zijn kaders opgenomen: verduurzaming gaat gepaard met betaalbare woonlasten, huurders worden na verduurzaming niet geconfronteerd met onredelijke huurverhogingen en de isolatie van woningen bij zittende huurders mag niet leiden tot huurverhoging. Daarnaast leidt verduurzaming van sociale huurwoningen tot meer wooncomfort en meer grip op de energierekening.
Is er een toezichthouder bevoegd en toegerust om te handhaven op de juiste kwalificatie van verduurzamingswerkzaamheden door corporaties? Zo nee, bent u van plan een toezichter deze taak te geven?
Nee, de beoordeling of sprake is van «dringende werkzaamheden» dan wel «renovatie» is aan de rechter, de Hoge Raad heeft dit ook bevestigd.7
Deelt u de mening dat er sprake is van een fundamentele machtsongelijkheid tussen woningcorporaties en sociale huurders, nu corporaties eenzijdig kunnen bepalen hoe ingrijpende werkzaamheden worden geclassificeerd, huurders juridisch en financieel nauwelijks in staat zijn om hiertegen op te komen, en de toegang tot de rechter in de praktijk onbetaalbaar is voor de betrokken bewoners?
Ik erken dat er een structureel verschil bestaat in de positie van corporaties en individuele huurders. De drempel om naar de rechter te stappen is voor veel huurders hoog. De wet biedt echter ook andere wegen. De Overlegwet regelt het recht op informatie van huurdersorganisaties en bewonerscommissies. Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor het delen van informatie met bewoners en het faciliteren van een bewonerscommissie; zij kunnen een bewonerscommissie ook een vergoeding verstrekken om deskundige ondersteuning in te huren. Ook kunnen huurders een klacht indienen bij de onafhankelijke klachtencommissie.
In de NPA 2025–2035 is daarnaast afgesproken dat woningcorporaties en bewoners periodiek evaluaties uitvoeren over de kwaliteit van verrichte renovaties en waar nodig verbeteringen aanbrengen. Dit zijn bestaande instrumenten die de ongelijkheid kunnen verminderen zonder dat de rechter eraan te pas hoeft te komen.
Bewoners in Monnickendam zeggen dat zij de regie over hun eigen leven zijn kwijtgeraakt. Deelt u de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is, en dat de huidige wetgeving dit recht voor sociale huurders in de praktijk onvoldoende waarborgt?
Ja ik deel de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is. Daarom kent de huidige wetgeving ook veel waarborgen voor die zeggenschap. Uiteraard werkt deze waarborg, net als elk systeem, niet feilloos. Om die reden worden huurdersorganisaties betrokken, bestaat de huurcommissie, kunnen huurders een klacht indienen of naar de rechter.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.