Bent u bekend met het Zembla-artikel waaruit blijkt dat de 200% verhoging van de strafeis bij geweldsdelicten tegen NS-medewerkers, en anderen met een publieke taak, nauwelijks wordt uitgevoerd in de praktijk?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het Openbaar Ministerie als uitgangspunt hanteert dat bij geweldsdelicten tegen hulpverleners een 200% hogere strafeis kan worden geëist, maar dat dit uitgangspunt in de praktijk nauwelijks terug is te zien?
Ik ben uiteraard bekend met het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie hanteert. Met dit uitgangspunt houdt de officier van justitie rekening in de strafeis. In de antwoorden hierna zal ik verder ingaan in uitwerking hiervan in de praktijk.
Kunt u begrijpen dat medewerkers met een publieke taak – die zich iedere dag inzetten voor onze samenleving en op steun van de overheid rekenen – zich in de steek gelaten voelen doordat de 200% verhoging van de strafeis nauwelijks wordt toegepast in de praktijk?
Vooropgesteld veroordeel ik al het geweld tegen medewerkers met een publieke taak in de sterkst mogelijke woorden. Rond de jaarwisseling hebben we helaas weer vreselijke incidenten gezien. Ik kan mij goed de beleving van medewerkers met een publieke taak voorstellen dat zij – omdat zij andere verwachtingen hebben – zich soms in de steek gelaten voelen.
Het uitgangspunt van 200% betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf opgelegd krijgt. De 200% hogere strafeis is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende richtlijnen ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir.
De strafeis is slechts één van de maatregelen om agressie en geweld een halt toe te roepen. Voor de werknemers betekent dit dat naast het opsporen en vervolgen van daders de overheid ook inzet op andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld preventieprogramma’s om agressie en geweld te voorkomen, het verstrekken aan werkgevers van handvatten voor een veilige(re) werkomgeving en door wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar thema’s als agressie en geweld tegen hulpverleners.
Kunt u exact aangeven hoeveel zaken met geweld tegen medewerkers met een publieke taak hebben plaatsgevonden, hoeveel daarvan tot vervolging hebben geleid, in hoeveel gevallen de 200%-strafeis is geëist en in hoeveel gevallen de rechter deze strafeis heeft gevolgd?
In de beleidsreactie van mijn ambtsvoorganger aan de Kamer naar aanleiding van het onderzoek van de DSP groep naar straftoemeting bij VPT-delicten in 2024 is reeds bericht dat het overgrote deel van de geïnterviewde officieren van justitie enige mate van strafverhoging toepast, maar dat de 200% strafverhoging uit de OM-richtlijn slechts zelden wordt toegepast.2 Mijn ambtsvoorganger heeft hier met het Openbaar Ministerie het gesprek over gevoerd. Het OM heeft mij naar aanleiding van dit gesprek laten weten dat dit inmiddels opnieuw bij de officieren van justitie met het taakaccent veilige publieke taak (VPT) onder de aandacht is gebracht. Daarnaast zal het OM blijvend aandacht schenken aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is binnen het OM en of het genoemde strafeisverhogingspercentage als uitgangspunt wordt gebruikt. Ook wordt in het onderzoeksrapport van DSP geconcludeerd dat het bij de rechters als een strafverzwarende omstandigheid wordt aangemerkt als het slachtoffer een publieke taak uitoefende.
Uit de jaarrapportage van het Openbaar Ministerie volgt dat van alle VPT-zaken die bij het Openbaar Ministerie binnenkomen 60% aan de rechter wordt voorgelegd en dat is meer dan gemiddeld. De overige 40% wordt door het OM zelf afgedaan. Exacte cijfers over hoe vaak een 200% hogere strafeis wordt geëist en hoe vaak dit wordt opgelegd zijn niet betrouwbaar uit de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie te halen.
Kunt u toelichten waarom zijn eigen instructie om de strafeis met 200% te verhogen in de praktijk nauwelijks terug te zien is in de strafeis van de officier van justitie?
De verhoging van de strafeis met 200% is een uitgangspunt waarmee de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis rekening houdt. Door het wegen van alle relevante factoren van het geval, komt de officier van justitie tot een op maat gesneden (betekenisvolle) sanctie of strafeis.
Kunt u een oordeel vellen over de toelichting die u hiervoor noemt en ziet u de bij vraag 6 genoemde redenen zelf als een afdoende verklaring voor het uitblijven van de 200%-strafeis?
Naast de 200% verhoging als uitgangspunt zullen door het Openbaar Ministerie, zoals gezegd, ook andere factoren worden meegewogen (zoals de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte).
De beoordelingsruimte van de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis is een vrijheid die voortvloeit uit de wet, die eveneens inherent is aan het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie om een strafzaak af te doen. Het is derhalve niet aan mij om in die strafrechtelijke beoordeling te treden. Wel veroordeel ik uiteraard al het geweld tegen hulpverleners en anderen met een publieke taak.
Deelt u de opvatting dat het essentieel is om 200% verhoging van de strafeis in de praktijk veel vaker toe te passen om medewerkers met een publieke taak extra te beschermen en daders beter af te schrikken?
In uw vraagstelling gaat u ervan uit dat de verhoging van de strafeis met 200% als uitgangspunt medewerkers met een publieke taak extra beschermt. Ik wil ten eerste benadrukken dat bescherming van werknemers vooral ligt in de fase die aan strafrechtelijke interventie voorafgaat.
Desondanks kan een hogere strafeis een afschrikwekkende werking hebben mits daders hiermee bekend zijn en daar ook gevoelig voor zijn. Aangezien daders van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak niet altijd een weloverwogen beslissing voor hun daad lijken te nemen – denk aan verwarde personen – laat ik nader onderzoek doen naar het type dader en hun motieven om agressie tegen werknemers met een publieke taak beter te kunnen voorkomen.3 Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, is ook wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk om uiteindelijk aan agressie en geweld tegen werknemers met een publiek taak het hoofd te kunnen bieden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw eigen instructie, om een verhoogde strafeis op te leggen bij geweldsdelicten tegen personen met een publieke taak, wordt uitgevoerd?
De verhoogde strafeis is vastgelegd in een instructie van het OM zelf. Zoals ook in het antwoord op vraag 6 toegelicht treed ik niet in de beoordelingsruimte die wettelijk aan het Openbaar Ministerie is toegekend. Wel voer ik zeer regelmatig het gesprek met het Openbaar Ministerie over dit belangrijke onderwerp. Afgelopen jaarwisseling hebben we helaas een groot aantal gevallen van geweld tegen personen met een publieke taak gezien. De jaarwisseling wordt op dit moment geëvalueerd. Ook naar aanleiding hiervan zal ik het gesprek met OM aangaan om te bespreken hoe de strafrechtelijke aanpak van daders van dit onacceptabele geweld kan worden versterkt. In dit gesprek zal ik ook de 200% strafeis wederom ter sprake brengen.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen en kunt u elk van de voorgenomen maatregelen toelichten?
Met het Wetsvoorstel aanscherping taakstrafverbod, dat op dit moment bij de Raad van State ligt voor advies, leggen we wettelijk vast dat mishandeling van hulpverleners en handhavers onacceptabel is en dat een taakstraf niet op zijn plaats is. Zoals ik hiervoor in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, wordt door de overheid naast het strafrecht ingezet op diverse andere maatregelen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen. Preventieve maatregelen (door de werkgever) gaan aan het strafrecht vooraf en moeten aansluiten op de gesignaleerde knelpunten. Vanuit de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de werkgever hierin ondersteund door onder andere een Werkinstructie agressie en geweld. Met toezicht en handhaving beoogt de Arbeidsinspectie naleving van de arbeidsomstandighedenwet en het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van incidenten van agressie en geweld.
Wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland momenteel geen wettelijke bescherming kent voor immaterieel cultureel erfgoed en hierdoor – anders dan in andere landen – geen beschermingsmechanisme bevat voor tradities, geluiden, rituelen, ambachten of culturele praktijken?
Nee, dat kan ik niet. Het klopt weliswaar dat de Erfgoedwet geen specifiek beschermingsregime voor immaterieel erfgoed bevat, maar dat wil niet zeggen dat er geen beschermingsmechanisme is.
Nederland heeft bij het beschermen van immaterieel erfgoed bewust gekozen voor een beleidsmatige benadering, omdat dit past bij de aard van dit erfgoed en bij de Nederlandse context. Immaterieel erfgoedgemeenschappen zijn zelf verantwoordelijk voor hun tradities, bepalen zelf wat hun erfgoed is en hoe zij het beoefenen, ontwikkelen en doorgeven. Dit is niet aan de overheid, en dat moet ook zo blijven.
De basis voor de beleidsmatige benadering vormt het Unesco-verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed (hierna: Unesco-verdrag) uit 2003, dat het Koninkrijk der Nederlanden in 2012 heeft geratificeerd. De structuren die in Nederland de borging en overdracht van immaterieel erfgoed faciliteren, zijn op dit verdrag gestoeld. Dit omvat o.a. het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), het programma Faro van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het Fonds voor Cultuurparticipatie (via de Wet op het specifiek cultuurbeleid) en de provinciale erfgoedhuizen. Ter nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 van de Kamerbrief immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen uit 2024, met een beschrijving van de kernonderdelen van het Nederlandse beleid rond immaterieel erfgoed.1 Het belang dat overheden hechten aan immaterieel erfgoed komt ook tot uitdrukking in de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 die Rijk, VNG en IPO daarover maakten en de mogelijkheden in de Omgevingswet, zoals beschreven in vraag 7.2
Anders dan bij materiële vormen van erfgoed wordt in Nederland bij immaterieel erfgoed niet de term «beschermen», maar «borgen» of «overdracht» gebruikt. «Beschermen» impliceert dat immaterieel erfgoed in een bepaalde vorm kan worden bewaard. Immaterieel erfgoed is echter levende cultuur die door gemeenschappen wordt beoefend en meebeweegt met de tijd en omstandigheden.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de overheid de belangen van immaterieel erfgoedgemeenschappen goed meeneemt bij het voorbereiden of aanpassen van wetgeving die effect heeft op immaterieel erfgoed. In de praktijk gebeurt dat ook.
KIEN heeft richting gemeenschappen een rol als wet- of regelgeving wordt aangepast. Zo heeft KIEN bijvoorbeeld een brochure uitgebracht voor immaterieel erfgoedgemeenschappen en gemeenten over de waarde, context en wetgeving rond vuurtradities (paasvuren, carbidschieten en vreugdevuren). Ook organiseert KIEN daarover workshops en gesprekken tussen burgemeesters, wethouders en gemeenschappen zoals carbidschieters.
Naar aanleiding van de motie van Oostenbrink (BBB) ben ik in gesprek met de VNG, met als doel te komen tot een handreiking voor vergunningverleningen voor streekevenementen.
Kunt u toelichten hoe u de positie van Nederlands immaterieel erfgoed beoordeelt in het huidige, niet-wettelijke systeem en of u van mening bent dat dit systeem voldoende is om immaterieel erfgoed op lange termijn te beschermen?
Het beleid voor immaterieel erfgoed in Nederland heeft zich sinds de ratificatie van het Unesco-verdrag in 2012 sterk ontwikkeld. Het immaterieel erfgoedveld is uitgegroeid tot een volwaardig beleidsterrein, dat een duurzaam en integraal onderdeel vormt van landelijk, provinciaal en gemeentelijk cultuurbeleid. De kracht van het Nederlandse systeem ligt in de centrale rol die erfgoedgemeenschappen zelf spelen. Want alleen gemeenschappen kunnen zorgen voor borging op de lange termijn. De Nederlandse bottom-up benadering sluit aan bij het gedachtengoed van het Unesco-verdrag, de Nederlandse maatschappelijke context en zorgt ervoor dat de ondersteuning aansluit bij de behoeften van de gemeenschappen.
In Nederland is gekozen om de coördinatie van het Unesco-verdrag bij een NGO (KIEN) te beleggen, zodat de uitvoering van het verdrag niet direct verbonden is aan de politiek en overheid. KIEN draagt bij aan borging van immaterieel erfgoed op de lange termijn door o.a. ondersteuning en deskundigheidsbevordering aan gemeenschappen te bieden en zorgt voor begrip en kennisontwikkeling over immaterieel erfgoed. Daarnaast coördineert KIEN de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland met ruim 400 bijgeschreven tradities, ambachten en gebruiken.
Voor het versterken van het immaterieel erfgoedbeleid op de langere termijn is ook het huidige ratificatietraject van het Verdrag van Faro relevant.3 In 2024 heeft Nederland het verdrag ondertekend, waarmee Nederland zich verbindt aan de drie Faro-kerndoelen; meedoen en meebeslissen over erfgoed, erfgoed verbinden aan sociaal-maatschappelijke doelen en openstaan voor andere erfgoedopvattingen. Dit verdrag en de implementatie via o.a. RCE en KIEN draagt bij aan de versterking van zeggenschap en eigenaarschap van erfgoedgemeenschappen bij de borging op de lange termijn.
Hoe denkt u over de opvatting dat het ontbreken van wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed betekent dat Nederlandse immateriële tradities, waaronder het luiden van kerkklokken als concreet voorbeeld, volledig afhankelijk zijn van beleid en vrijwillige borging, en dat dit op lange termijn kan leiden tot verlies van cultureel erfgoed?
De rol van de overheden bij immaterieel erfgoed is faciliterend, om een kader te scheppen waarin immaterieel erfgoed kan gedijen. Een wettelijke plicht tot bescherming zou leiden tot ongewenste overheidsbemoeienis met de inhoud van tradities. Dat gaat direct in tegen het centrale uitgangspunt van het Unesco-verdrag dat gemeenschappen zelf bepalen wat hun erfgoed is.
Het is inherent aan immaterieel erfgoed dat het wordt gedragen door mensen en gemeenschappen. Zonder actieve beoefening door mensen houdt immaterieel erfgoed op te bestaan. Daarmee verschilt het fundamenteel van alle andere vormen van erfgoed.
Hoe beoordeelt u het wettelijk kader dat andere landen wel hebben ontwikkeld voor immaterieel erfgoed, zoals Zuid-Korea met de Act on the Safeguarding and Promotion of Intangible Cultural Heritage, waarin onder meer een nationale lijst met immaterieel erfgoed, erkende erfgoeddragers en een wettelijke staatsplicht tot bescherming en overdracht zijn opgenomen?1
Het Unesco-verdrag geeft landen veel vrijheid om structuren passend bij de eigen context in te richten. De Zuid-Koreaanse casus is ontstaan in een specifieke historische context na de Japanse bezetting en de Koreaanse oorlog. Dit leidde tot top-down systeem met wettelijke erkenning en een sterk hiërarchisch onderscheid tussen «erkend» en «niet erkend» immaterieel erfgoed.
In Nederland is -passend bij het sterke Nederlandse maatschappelijk middenveld- het uitgangspunt geweest om bij het ontwikkelen van het immaterieel erfgoedbeleid uit te gaan van een bottom-up benadering waarbij gemeenschappen zelf hun erfgoed aanmelden, borgen en overdragen en waarin geen hiërarchie wordt aangebracht tussen vormen van immaterieel erfgoed.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toepasbaarheid is van het Koreaanse model voor Nederland, specifiek met betrekking tot een wettelijke definitie van immaterieel erfgoed, een bindende nationale inventaris en een wettelijke erkenning van gemeenschappen of dragers die een traditie onderhouden?
Nee, er is geen aanleiding om een onderzoek naar de toepasbaarheid van het Koreaanse model voor Nederland te starten.
De Erfgoedwet kent een definitie van cultureel erfgoed die is ontleend aan het Verdrag van Faro en die aansluit bij de Unesco-definitie van immaterieel erfgoed. Mijn ambtsvoorganger heeft eind 2024 aangekondigd deze begripsbepaling te willen aanscherpen om te verduidelijken dat -passend bij het Unesco-verdrag- overheden, erfgoedinstellingen en erfgoedgemeenschappen allemaal de ruimte hebben om in een voortdurend maatschappelijk gesprek te bepalen wat cultureel erfgoed is.
Daarnaast bestaat er een nationale inventaris; de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Deze inventaris is niet «bindend» in juridische zin, omdat dit zou impliceren dat de overheid bepaalt wat wel en niet erkend immaterieel erfgoed is. De inventaris is een instrument ten behoeve van zichtbaarheid en toekomst geven. Gemeenschappen krijgen hierin ondersteuning vanuit KIEN.
Hoe beoordeelt u de Franse Wet nr. 2021-85 van 29 januari 2021, waarin het sensorisch erfgoed van rurale gebieden – waaronder kenmerkende geluiden zoals kerkklokken, maar ook geuren vallen – juridisch wordt verankerd in het Franse milieuwetboek als onderdeel van het nationale erfgoed?2
De Franse wet over het patrimoine sensoriel des campagnes is een reactie op het Frans fenomeen van rechtszaken van nieuwkomers in landelijke gebieden tegen geluiden en geuren zoals hanengekraai, kerkklokken en mest. De wet heeft geen direct afdwingbare rechten gecreëerd, maar wordt wel bij rechtelijke beoordelingen tijdens burengeschillen meegewogen.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze Franse benadering, waarbij immateriële en sensorische uitingen wettelijk worden beschermd, inspiratie kan bieden voor de Nederlandse praktijk rond immaterieel cultureel erfgoed en de bescherming van tradities, landschappelijke kenmerken en omgevingsgeluiden zoals kerkklokken?
De Franse benadering biedt in beperkte mate inspiratie voor Nederland. In Nederland houden rechters al rekening met de context van een burengeschil.
Relevant voor de Nederlandse praktijk is de Omgevingswet. Deze wet biedt mogelijkheden om immaterieel erfgoed te verankeren in omgevingsvisies en -plannen. Gemeenten kunnen bij het opstellen van het omgevingsvisie en -plan rekening houden met bijvoorbeeld jaarlijks terugkerende evenementen zoals processies, corso’s of carnaval, met bouwplaatsen voor wagens, met kermisterreinen of molenbiotopen en andere streekgebonden kenmerken die verbonden zijn aan de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet biedt zodoende verankering van immaterieel erfgoed zonder dat een aparte wet nodig is.
KIEN heeft samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de publicatie Ruimte voor immaterieel erfgoed uitgebracht.6 Deze biedt gemeenten en gemeenschappen handvatten om immaterieel erfgoed te integreren in het omgevingsbeleid. Dit is een voorbeeld van een wijze van borging die beter past bij het Nederlandse gedecentraliseerde bestel dan een nationale wet.
De Wet versterking participatie op decentraal niveau vraagt overheden een participatieverordening op te stellen waarin wordt aangegeven hoe inwoners invloed kunnen uitoefenen op het beleid, van beleidsvorming, tot uitvoering en evaluatie. In de praktijk zorgt deze wet voor deelname van o.a. immaterieel erfgoedgemeenschappen aan beleidsvorming van overheden.
Acht u het wenselijk dat ook Nederland een vorm van wettelijke verankering van immaterieel erfgoed ontwikkelt, bijvoorbeeld via een wijziging van de Erfgoedwet, of een andere wet naar voorbeeld van Frankrijk?
Nee, een wijziging van de Erfgoedwet specifiek voor immaterieel erfgoed is niet wenselijk. Het in de Erfgoedwet gehanteerde begrip «cultureel erfgoed» omvat roerend, onroerend en immaterieel erfgoed. Voor wat betreft roerend en onroerend cultureel erfgoed richt de Erfgoedwet zich primair op de aanwijzing, het gebruik en de bescherming daarvan. Immaterieel erfgoed heeft een fundamenteel ander karakter, zoals hierboven reeds verduidelijkt. Het wordt gedragen door mensen en kan niet als zodanig niet worden «beschermd». Borging van immaterieel erfgoed vindt plaats door onder antwoord 1 genoemde beleidsmatige benadering.
Bent u bereid te verkennen hoe het Nederlandse systeem voor immaterieel erfgoed versterkt kan worden door internationale best practices, en in dat kader specifiek te kijken naar wettelijke borging van immaterieel erfgoed die generaties lang zijn doorgegeven?
Nederland blijft doorlopend op de hoogte van internationale best practices via verschillende routes. Nederland wisselt bijvoorbeeld actief kennis uit via o.a. de Intergouvernementele Comité Meetings en de General Assembly van het Unesco-verdrag en via bilaterale contacten. Deze internationale uitwisseling levert inspiratie voor Nederlands beleid en de praktijk.
KIEN onderhoudt als geaccrediteerde NGO bij het Unesco-verdrag structureel internationale contacten en kijkt hoe andere landen het Unesco-verdrag implementeren. In de Kennisagenda 2021–2024 van KIEN is bijvoorbeeld internationaal vergelijkend onderzoek naar inventarisatiemethodieken opgenomen. Hieruit blijkt dat landen zeer verschillende benaderingen hanteren, passend bij hun eigen context.
Bent u bereid een verkenning uit te voeren naar mogelijke juridische instrumenten om immaterieel erfgoed te beschermen, waarin zowel het Koreaanse model (met wettelijke dragers en nationale Intangible Cultural Heritage Committee (ICH-commissie)) als het Franse model (wettelijke status voor immateriële erfgoed) worden meegenomen?
Nee, gezien voorgaande antwoorden is een verkenning van het Koreaanse en Franse modellen niet opportuun.
Kunt u aangeven welke stappen nodig zouden zijn om in Nederland tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen, én of u bereid bent deze stappen in gang te zetten?
Nee, gezien voorgaande antwoorden ben ik niet bereid om tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen.
Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt dat 40 procent van de leerlingen vmbo basis en kader onder het basisniveau schrijf- en rekenvaardigheid zitten?1
Ik ben bekend met dit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.
Laaggeletterdheid in Nederland neemt ieder jaar toe, welke oorzaken ziet u voor deze trend?
De gemiddelde taalvaardigheid van Nederlandse volwassenen is al dertig jaar relatief stabiel en ook in de afgelopen tien jaar niet significant afgenomen. Het percentage Nederlanders dat als laaggeletterd kan worden getypeerd is dus niet toegenomen. Wel is het zo dat laaggeletterde Nederlanders in 2023 een lager taalvaardigheidsniveau hadden dan tien jaar eerder. De afwezigheid van een toename in het percentage laaggeletterden betekent dus niet dat we tevreden zijn: het verbeteren van de taalvaardigheid van deze groep is en blijft een prioriteit.
Hoe verklaart u dat de taal- en rekenprestaties, ondanks jaren van basisvaardighedenbeleid, blijven dalen?
De taal- en rekenprestaties van leerlingen blijven gelukkig niet over de hele linie dalen. Dat kunt u ook lezen in mijn brief van 4 december 2025 over het Masterplan basisvaardigheden en de Monitor basisvaardigheden 2025 met de meest actuele data over de leerprestaties.2 Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs zich na de coronapandemie goed hersteld hebben. Groep 3-leerlingen doen het zelfs iets beter dan voor corona, met name bij begrijpend lezen en spelling. Het beeld in het vo is helaas in de onderbouw minder positief, maar ook daar zien we soms tekenen van stabilisatie en herstel en lijken leerlingen tijd het eindexamen stabieler te presteren over de jaren heen. De verschillende onderzoeken in het kader van het Masterplan basisvaardigheden bevestigen dat we op de goede weg zijn, maar ook hoe belangrijk het is om nu door te zetten. Om de focus op de basisvaardigheden vast te houden, scholen te ondersteunen evidence-informed onderwijs te geven en te helpen bij de invoering van een actueel en kennisrijk curriculum.
Volgens het onderzoek beginnen veel kinderen aan groep 1 met taalachterstand, hoe bent u van plan om dit probleem aan te pakken?
Alle kinderen verdienen het om een goede start te maken in het basisonderwijs. Vaak is dit ook het geval, maar helaas niet altijd. Daarom hebben we in 2024 een onderzoek laten uitvoeren naar kansrijke beleidsmaatregelen om jonge kinderen goed te laten starten in het basisonderwijs.3 Het gaat hierbij onder andere over de verlaging van de leerplicht en de verhoging van de kwaliteit en het bereik van voorschoolse educatie. In de beleidsreactie van 24 juni jl. worden hiervoor verschillende maatregelen aangedragen.4 Het Ministerie van VWS stelt daarnaast vanuit de aanpak Kansrijke Start subsidie beschikbaar voor het project Taalschatten. Vanuit Taalschatten is een aanpak ontwikkeld die als doel heeft om kinderen taalvaardig aan de basisschool te laten beginnen. Zo heeft Taalschatten praktische tools en voorbeelden ontwikkeld voor ouders, zorgprofessionals, en gemeenten die willen werken aan de taalontwikkeling van kinderen.
Hoe verklaart u dat vooral leerlingen vmbo basis en kader ver onder het gewenste niveau voor taal en rekenen zitten in tegenstelling tot leerlingen op vmbo-t, havo, en vwo?
Het is van groot belang dat óók deze leerlingen de basisvaardigheden voldoende beheersen om mee te doen in de samenleving en arbeidsmarkt. Zo zien we dat in het vmbo sprake is van een hardere daling van de leerprestaties sinds corona. Daarom geven we binnen de aanpak basisvaardigheden het vmbo op verschillende manieren prioriteit. Leerlingen uit vmbo basis en kader hebben over het algemeen wat meer tijd nodig dan leerlingen in de tl, havo of het vwo om het gewenste niveau 2F te halen. Hierbij geldt wel dat 2F het gewenste eindniveau voor leerlingen is die het voortgezet onderwijs verlaten. Dit onderzoek heeft in klas 2 plaatsgevonden en dat betekent dat deze leerlingen in het vmbo nog twee jaar de tijd hebben om dit niveau te bereiken. Hierbij geldt bovendien dat het vmbo geen eindonderwijs is, deze leerlingen vervolgen hun onderwijs in het mbo, om daar hun startkwalificatie te halen.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de arbeidsmarkt wanneer mbo-studenten hun opleidingen afronden met onvoldoende taal- en rekenvaardigheden?
Het mbo leidt studenten op zodat zij onder andere goed kunnen functioneren op de arbeidsmarkt. De generieke taal- en rekeneisen voor het behalen van een mbo-diploma zijn daarop afgestemd. Voor specifieke beroepen waarvoor een hoger taal- en/of rekenniveau nodig is, is dit opgenomen als eis in een beroepsgericht vak. Studenten die niet aan deze diploma-eisen voldoen, kunnen niet gediplomeerd uitstromen naar de arbeidsmarkt.
Volgens het Ministerie van OCW wordt er sinds 2000 elk jaar structureel meer geïnvesteerd in het onderwijs, zowel door de overheid als door bedrijven en huishoudens. Hoe verklaart de Minister dat we in 2025 dan toch kampen met dalende onderwijskwaliteit en leerlingen die moeite hebben met basisvaardigheden zoals schrijven en rekenen?
Er zijn in deze periode verschillende investeringen gedaan. Zo is de loonkloof tussen onderwijspersoneel in het po en het vo gedicht en zijn er, om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, werkdrukmiddelen toegevoegd aan de bekostiging. Vanaf 2021 is tijdelijk geïnvesteerd met het Nationaal Programma Onderwijs en vanaf 2022 is specifiek structureel geïnvesteerd om leerprestaties van leerlingen op de basisvaardigheden te herstellen en te verbeteren met het Masterplan basisvaardigheden. Scholen zijn positief over de resultaten die zij behalen met de extra middelen voor basisvaardigheden, maar we zijn er nog niet.
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen genomen zullen worden om deze neerwaartse trend te keren?
Het Masterplan basisvaardigheden dat in 2022 van start is gegaan is een integrale en langjarige aanpak dat bestaat uit een breed pakket aan maatregelen. De dalende trend in de leerprestaties, met name bij lezen, was de directe aanleiding. Vanaf het eerste jaar van het Masterplan is ieder jaar een deel van de scholen in staat gesteld, om met subsidie en ondersteuning, evidence-informed in te zetten op de verbetering van de basisvaardigheden. Vanaf 1 januari 2027 kunnen alle scholen rekenen op structurele middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
Naast deze snelle start op scholen omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen om de randvoorwaarden voor goed onderwijs voor de lage termijn te verbeteren. Het gaat daarbij om zaken als de curriculumherziening, de Bibliotheek op School, de kwaliteit van leermiddelen, het bevorderen van evidence-informed onderwijs en de professionalisering van leraren. Al deze maatregelen dragen bij aan een structurele verbetering van de onderwijskwaliteit in de klas. En ook met de lerarenstrategie, school en omgeving en de schoolmaaltijden wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van basisvaardigheden. In mijn brief van 4 december jl. kunt u meer lezen over het Masterplan basisvaardigheden.5
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld de afgelopen vijf jaar is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in basisvaardigheden hebben opgeleverd?
Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in de afgelopen vijf jaar geld is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in de basisvaardigheden hebben opgeleverd.
Hoe kijkt u naar de inzet van zogeheten «brede brugklassen» en de invloed die gemengde klassen hebben op de taal- en rekenvaardigheden?
Uit onderzoek weten we dat onderwijs in een brede(re) brugklas (bijv. in een dakpanklas voor vmbo-t/havo) voor de meeste leerlingen positieve effecten heeft op leerprestaties: de cognitief minder sterke leerlingen kunnen zich optrekken aan de cognitief sterkere leerlingen (het zogenoemde «peereffect»). Dit positieve effect op de leerprestaties zien we voor leerlingen met een vmbo tot en met havo/vwo-advies. Het effect van brede(re) brugklassen op de leerprestaties van leerlingen met een vwo-advies is niet eenduidig uit onderzoek op te maken. Uit een recente meta-analyse blijkt dat vroege selectie niet leidt tot hogere onderwijsprestaties, maar wel de ongelijkheid in het onderwijssysteem vergroot. Om dit te onderzoeken loopt er onder andere via het NRO een leertraject «Van breder naar beter: De effecten van verschillende inrichtingsvarianten van heterogene brugklassen op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen.» Dit leertraject zal nader ingaan op het effect van verschillende brugklasvarianten op cognitief sterkere leerlingen.
Hoe beoordeelt u het risico dat toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand ertoe leidt dat reguliere scholen minder tijd en aandacht hebben voor overige leerlingen?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend die een toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand bij aanvang van hun schoolloopbaan bevestigen. Er zijn wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Een enquête van de Academie en Vakvereniging voor Schoolleiders wees bijvoorbeeld uit dat 80 procent van de schooldirecteuren aangeeft dat de instroom van kinderen die eigenlijk voorschool nodig hadden, maar niet zijn geweest, voor extra uitdagingen zorgt op school.6 Een leerkracht kan zijn of haar aandacht maar één keer verdelen, dus het is voorstelbaar dat dit betekent dat leerkrachten minder tijd en aandacht over hebben voor de overige leerlingen.
Die signalen neem ik serieus, en dit bevestigt opnieuw het belang van voorschoolse educatie. Uit onder andere het pre-COOL-cohortonderzoek blijkt dat voorschoolse educatie helpt om achterstanden terug te dringen, mits de kwaliteit goed is.7 Tegelijkertijd zien we dat het bereik van voorschoolse educatie de laatste jaren lijkt te dalen.8 In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een goede start» worden verschillende maatregelen aangedragen om het bereik van voorschoolse educatie te verhogen.9
Daarnaast wijs ik graag op het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, dat wordt uitgevoerd in de 20 meest kwetsbare focusgebieden in Nederland. De focusgebieden ontvangen onder andere extra middelen om extra te investeren in de voor- en vroegschoolse periode. Die worden bijvoorbeeld besteed aan extra professionalisering van jonge kind professionals, of aan de inzet van een extra beroepskracht in groep 1 en 2.
Hoe ziet u een mogelijk verband tussen de toename aan inzet van digitale leermethoden – zoals tablets, notebooks, computers – voor het verwerken van opdrachten en de dalende trend in schrijfvaardigheid?
De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillende mogelijke oorzaken, zoals het toenemende aantal taken voor scholen, het tekort aan leraren en schoolleiders en een verouderd en overladen curriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieve schermtijd dragen hier eveneens aan bij.
Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW sinds 2022 volop in op ondersteuning van scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardigheden en het Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal, onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen – zowel digitaal als papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen. Zo is het Kwaliteitskader Taal ontwikkeld door een werkgroep van onderwijsprofessionals, experts en wetenschappers. Dit kader is in juni van dit jaar gelanceerd. Met dit kader kunnen scholen en educatieve uitgevers de kwaliteit van leermiddelen en aangeboden teksten beoordelen. Daarnaast onderzoekt het Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab AI momenteel de mogelijkheden die digitale media bieden om verhalen op nieuwe, interactieve manieren te presenteren en kinderen beter te ondersteunen bij het lezen. Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat kinderen enkel korte, oppervlakkige teksten online lezen, wat ten koste kan gaan van diep lezen. Het nieuwe curriculum legt de focus op lezen, schrijven en rekenen. Het verplicht scholen om rijke, kwalitatief hoogstaande teksten aan te bieden, zoals originele artikelen uit kranten, tijdschriften en passages uit literatuur.
Om een sociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heeft OCW met een brede vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken dat niet-educatief gebruik van mobiele telefoons en andere persoonlijke devices niet langer is toegestaan in de klas. Deze afspraak werpt zijn vruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken geconcentreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat (de gevolgen van de) massale immigratie niet bevorderlijk is voor het algemene taal- en rekenniveau?
Het funderend onderwijs in Nederland is erop gericht dat alle leerlingen het benodigde taal- en rekenniveau halen.
Kunt u aangeven welk percentage van de leerlingen met ernstige taalachterstanden bestaat uit kinderen die geen Nederlands spreken bij aanvang van de schoolloopbaan?
Nee, dat kan ik niet. Ik heb geen cijfers van kinderen die bij aanvang van hun schoolloopbaan ernstige taalachterstanden hebben. Zoals ik bij vraag 11 heb aangegeven zijn er wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Daarnaast blijkt uit de Kansrijke Start monitor 2024 van het RIVM uit de gegevens van Jeugdgezondheidsorganisaties dat het aantal kinderen met een spraak-taalontwikkelingsachterstand op tweejarige leeftijd toeneemt.10
In de data wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende oorzaken van deze taalachterstand. Het is dus niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken over het percentage kinderen dat geen Nederlands spreekt.
Wel blijkt hieruit dat er des te meer reden is om al op jonge leeftijd in te zetten op extra ondersteuning, zoals ook in de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start is aangehaald.11
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs?
Nee, ik ben niet voornemens een separaat onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs. Met onder meer het Masterplan Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van alle leerlingen in het onderwijs. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op de lees-, schrijf- en -rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. In de monitoring van het Masterplan wordt via het Nationaal Cohortonderzoek ook gekeken naar de achtergrondkenmerken van leerlingen, waaronder een eventuele migratieachtergrond. Daarnaast investeert het kabinet al extra in kinderen met een groter risico op een achterstand door middel van voorschoolse educatie en extra financiering van scholen met een relatief grote populatie leerlingen met een groter risico op een achterstand.
De brand in de Vondelkerk te Amsterdam en het aanstaande herstel daarvan |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brand in de Vondelkerk te Amsterdam, een rijksmonument ontworpen door Pierre Cuypers?
Klopt het dat bij deze brand de hoofdmuren van de kerk behouden zijn gebleven en dat ook een aanzienlijk deel van het historische glaswerk intact is gebleven, waardoor het gebouw als geheel constructief behouden is gebleven?
Is het kabinet bekend met het feit dat de Vondelkerk in 1904 reeds deels door brand is getroffen en dat de destijds beschadigde onderdelen historisch getrouw zijn hersteld, zonder moderniserende of interpretatieve ingrepen?
Deelt u de opvatting dat dit eerdere herstel na de brand van 1904 een relevant precedent vormt voor de wijze waarop ook nu met de herbouw van dit rijksmonument dient te worden omgegaan?
Deelt u de opvatting dat bij rijksmonumenten die door calamiteiten zijn beschadigd, historische reconstructie op basis van beschikbare documentatie het uitgangspunt dient te zijn?
Acht u het wenselijk dat bij de herbouw van de Vondelkerk wordt gekozen voor eigentijdse of interpretatieve ingrepen (zoals een moderne of glazen dakconstructie), indien een historisch getrouwe reconstructie technisch mogelijk is?
Deelt u de mening dat van historische reconstructie uitsluitend mag worden afgeweken indien sprake is van aantoonbare technische of veiligheidsnoodzaak, en niet op basis van esthetische, beleidsmatige of functionele voorkeuren?
Welke rol ziet u voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bij het vaststellen van de uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, en bent u bereid deze uitgangspunten expliciet vast te leggen voordat ontwerptrajecten of architectenselecties plaatsvinden?
In hoeverre acht u het van belang dat bij de herbouw recht wordt gedaan aan het oorspronkelijke ontwerp, de materiaalkeuze en het architectonisch silhouet van Pierre Cuypers, mede gezien de nationale betekenis van diens oeuvre?
Bent u bereid rijksmiddelen voor herstel of herbouw van de Vondelkerk te verbinden aan de voorwaarde van historisch getrouwe reconstructie conform het oorspronkelijke ontwerp, en zo ja, onder welke voorwaarden?
Hoe voorkomt u dat bij de herbouw van rijksmonumenten na calamiteiten een precedent ontstaat waarbij «reconstructie» in de praktijk leidt tot modernisering of herinterpretatie van monumentaal erfgoed?
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de door het kabinet en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, voordat onomkeerbare ontwerpkeuzes worden gemaakt?
Het structureel voorrang verlenen aan militaire transporten op het spoor ten koste van regulier reizigers- en goederenvervoer. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leger krijgt in 2026 voorrang: «Treinen rijden de komende twee uur niet, want er is een militair transport»?1
Bent u bekend met de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 13 oktober 2025 over weerbaarheid en militaire mobiliteit per spoor (Kamerstuk 30 821, nr. 321)?
Klopt het dat het kabinet voornemens is om militaire transporten op het spoor vanaf eind 2026 structureel voorrang te geven boven het reguliere personen- en goederenvervoer, ook indien dit leidt tot het urenlang stilleggen van treinverbindingen voor reizigers?
Kunt u bevestigen dat deze prioritering geen tijdelijke noodmaatregel betreft, maar een structurele beleidswijziging die wordt verankerd via een wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling, zoals aangekondigd in de voornoemde Kamerbrief?
Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid om te voorzien in betrouwbare, toegankelijke en voorspelbare mobiliteit voor burgers, studenten en forenzen?
Acht u het aanvaardbaar dat reizigers zonder reëel alternatief geconfronteerd kunnen worden met de mededeling dat «treinen de komende twee uur niet rijden» vanwege een militair transport?
Op basis van welke concrete dreigingsanalyse acht het kabinet deze maatregel noodzakelijk en kan deze analyse openbaar met de Kamer worden gedeeld?
Klopt het dat deze beleidswijziging mede voortvloeit uit NAVO-verplichtingen, waaronder Host Nation Support, en uit internationale afspraken over militaire corridors richting Oost-Europa, zoals de North Sea-Baltic Corridor?
In hoeverre betekent het streven naar een zogenoemd «militair Schengen» dat nationale besluitvorming over het gebruik van vitale civiele infrastructuur, zoals het spoor, wordt verschoven naar het internationale niveau?
In hoeverre wordt het Nederlandse civiele spoor hiermee feitelijk ingezet als logistieke schakel in internationale militaire operaties, waaronder vervoer van materieel richting Oekraïne, zoals ook in de Kamerbrief wordt benoemd?
Acht u het wenselijk dat vitale civiele infrastructuur structureel ondergeschikt wordt gemaakt aan internationale militaire agenda’s?
Waarom wordt er niet primair ingezet op alternatieven die de maatschappelijke hinder beperken, in plaats van het stilleggen van regulier reizigersvervoer?
Klopt het dat een voorganger van de huidige Staatssecretaris eerder nog stelde dat voorrang voor militaire transporten «op gespannen voet» staat met andere maatschappelijke belangen en kunt u delen wat er inhoudelijk is veranderd waardoor deze bezwaren nu worden losgelaten?
Wie bepaalt in de praktijk of een militair transport als «urgent» wordt aangemerkt, welke objectieve criteria worden daarbij gehanteerd en welke democratische controle bestaat hierop?
Hoe wordt voorkomen dat het begrip «urgent» in de praktijk steeds ruimer wordt geïnterpreteerd, waardoor structurele prioritering van militair vervoer de norm wordt in plaats van de uitzondering?
Kan worden uitgesloten dat de kosten en gevolgen van deze prioritering – waaronder verstoringen, infrastructurele aanpassingen en capaciteitsverlies – uiteindelijk worden afgewenteld op reizigers via hogere tarieven of een verslechterde dienstverlening?
Acht u het wenselijk dat Ministers via uitvoeringsbesluiten, zonder voorafgaande instemming van de Kamer, kunnen besluiten tot maatregelen met zulke ingrijpende gevolgen voor het dagelijks leven van burgers?
De toename van incidenten op de buslijnen van en naar Ter Apel en de beslissing om een gratis pendeldienst in te zetten tussen het azc in Ter Apel en station Emmen. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er een pendelbus speciaal voor asielzoekers rijdt tussen het asielzoekerscentrum (azc) in Ter Apel en station Emmen, georganiseerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeenten Westerwolde en Emmen en gefinancierd door het Ministerie van Asiel en Migratie?
Bent u ervan op de hoogte dat er een stijging is te zien in zowel het aantal incidenten als de ernst ervan op buslijn 73 (Emmen–Ter Apel) en 74 (Emmen–Stadskanaal)?
Kunt u bevestigen dat zowel buschauffeurs als reizigers zich onveilig voelen op genoemde trajecten, zoals eerder ook door FNV Streekvervoer in een brandbrief is gemeld?
Kunt u een overzicht geven van alle incidenten op deze buslijnen in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar: aard van de incidenten, ernst van de incidenten, herkomst van de daders en de afhandeling – inclusief vervolging en opgelegde sancties?
Acht u het wenselijk dat de Rijksoverheid faciliteert dat asielzoekers – van wie een deel aantoonbaar voor ernstige veiligheidsproblemen zorgt – vrijelijk worden vervoerd van het azc in Ter Apel naar Emmen?
Vindt u het niet een fundamenteel problematische ontwikkeling dat de overheid een aparte gratis buslijn opzet, omdat een deel van de asielzoekers zich niet aan basale betalings- en gedragsnormen houdt, waardoor feitelijk niet de overtreders zich aanpassen aan de norm maar de norm aan de overtreders?
Bent u het eens met de stelling dat het onwenselijk is dat asielzoekers die nog geen verblijfsvergunning hebben, zich nog in hun procedure bevinden en volgens vervoerders en vakbonden voor veiligheidsproblemen zorgen, door de overheid gefaciliteerd vrij kunnen reizen naar Emmen, waar dit tot veiligheidsrisico’s leidt?
Indien u dit wel wenselijk acht, kunt u uitvoerig toelichten waarom u het noodzakelijk vindt om dit vervoer te faciliteren, ondanks de veiligheidsproblemen die dit ten gevolge heeft voor Emmen?
Bent u ermee bekend dat – ondanks de inzet van de pendelbus – de incidenten op de reguliere buslijnen blijven toenemen en dat deze maatregel geen structurele verbetering oplevert voor de veiligheid?
Bent u voornemens om aanvullende maatregelen te nemen om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen?
Indien het antwoord op vraag 9 bevestigend luidt, welke maatregelen zult u dan nemen?
Indien het antwoord op vraag 9 ontkennend luidt, waarom kiest u ervoor om geen aanvullende maatregelen te nemen?
Bent u het eens met de stelling dat er een veiligheidsrisico ontstaat, omdat asielzoekers zonder verblijfsvergunning, die zich nog in hun procedure bevinden en van wie de overheid onvoldoende weet wie zij zijn, vrij in Nederland kunnen rondreizen, waardoor het ontbreken van betrouwbare identiteitskennis direct bijdraagt aan de veiligheidsrisico’s?
Achterstallig onderhoud van onze kritieke infrastructuur. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Algemeen Dagblad waaruit blijkt – op basis van informatie van Rijkswaterstaat en ProRail – dat er sprake is van circa 54 miljard euro aan achterstallig onderhoud aan onder meer bruggen, wegen, tunnels, sluizen en spoorlijnen?1
Onderschrijft u de analyse dat de huidige onderhoudsachterstand is opgelopen tot circa 54 miljard euro?
Kunt u inzichtelijk maken welke objecten – zoals bruggen, tunnels, sluizen, sporen, wegen – momenteel in een staat verkeren die acuut of middellang onderhoud vereist, inclusief veiligheidsrisico, resterende levensduur en kostenraming?
Kunt u dit overzicht zo spoedig mogelijk opstellen en delen met de Tweede Kamer?
Welke oorzaken hebben volgens u ertoe geleid dat onderhoud jarenlang onvoldoende is uitgevoerd?
Gelet op het feit dat deze week bekend is geworden dat er – vanwege financiële meevallers bij verschillende ministeries – circa 700 miljoen euro extra wordt overgemaakt aan Oekraïne: acht u het dan niet verstandiger om dit belastinggeld in te zetten voor het wegwerken van het achterstallig onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur, zodat Nederlands belastinggeld direct ten goede komt aan Nederland?
Deelt u de mening dat de overheid de komende jaren minder royaal om dient te gaan met belastinggeld bij uitgaven die niet direct het Nederlands belang dienen – zoals diversiteitssubsidies en ontwikkelingshulp – om zo financiële ruimte te creëren voor het dichten van de onderhoudsachterstand?
Wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland momenteel geen wettelijke bescherming kent voor immaterieel cultureel erfgoed en hierdoor – anders dan in andere landen – geen beschermingsmechanisme bevat voor tradities, geluiden, rituelen, ambachten of culturele praktijken?
Nee, dat kan ik niet. Het klopt weliswaar dat de Erfgoedwet geen specifiek beschermingsregime voor immaterieel erfgoed bevat, maar dat wil niet zeggen dat er geen beschermingsmechanisme is.
Nederland heeft bij het beschermen van immaterieel erfgoed bewust gekozen voor een beleidsmatige benadering, omdat dit past bij de aard van dit erfgoed en bij de Nederlandse context. Immaterieel erfgoedgemeenschappen zijn zelf verantwoordelijk voor hun tradities, bepalen zelf wat hun erfgoed is en hoe zij het beoefenen, ontwikkelen en doorgeven. Dit is niet aan de overheid, en dat moet ook zo blijven.
De basis voor de beleidsmatige benadering vormt het Unesco-verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed (hierna: Unesco-verdrag) uit 2003, dat het Koninkrijk der Nederlanden in 2012 heeft geratificeerd. De structuren die in Nederland de borging en overdracht van immaterieel erfgoed faciliteren, zijn op dit verdrag gestoeld. Dit omvat o.a. het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), het programma Faro van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het Fonds voor Cultuurparticipatie (via de Wet op het specifiek cultuurbeleid) en de provinciale erfgoedhuizen. Ter nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 van de Kamerbrief immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen uit 2024, met een beschrijving van de kernonderdelen van het Nederlandse beleid rond immaterieel erfgoed.1 Het belang dat overheden hechten aan immaterieel erfgoed komt ook tot uitdrukking in de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 die Rijk, VNG en IPO daarover maakten en de mogelijkheden in de Omgevingswet, zoals beschreven in vraag 7.2
Anders dan bij materiële vormen van erfgoed wordt in Nederland bij immaterieel erfgoed niet de term «beschermen», maar «borgen» of «overdracht» gebruikt. «Beschermen» impliceert dat immaterieel erfgoed in een bepaalde vorm kan worden bewaard. Immaterieel erfgoed is echter levende cultuur die door gemeenschappen wordt beoefend en meebeweegt met de tijd en omstandigheden.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de overheid de belangen van immaterieel erfgoedgemeenschappen goed meeneemt bij het voorbereiden of aanpassen van wetgeving die effect heeft op immaterieel erfgoed. In de praktijk gebeurt dat ook.
KIEN heeft richting gemeenschappen een rol als wet- of regelgeving wordt aangepast. Zo heeft KIEN bijvoorbeeld een brochure uitgebracht voor immaterieel erfgoedgemeenschappen en gemeenten over de waarde, context en wetgeving rond vuurtradities (paasvuren, carbidschieten en vreugdevuren). Ook organiseert KIEN daarover workshops en gesprekken tussen burgemeesters, wethouders en gemeenschappen zoals carbidschieters.
Naar aanleiding van de motie van Oostenbrink (BBB) ben ik in gesprek met de VNG, met als doel te komen tot een handreiking voor vergunningverleningen voor streekevenementen.
Kunt u toelichten hoe u de positie van Nederlands immaterieel erfgoed beoordeelt in het huidige, niet-wettelijke systeem en of u van mening bent dat dit systeem voldoende is om immaterieel erfgoed op lange termijn te beschermen?
Het beleid voor immaterieel erfgoed in Nederland heeft zich sinds de ratificatie van het Unesco-verdrag in 2012 sterk ontwikkeld. Het immaterieel erfgoedveld is uitgegroeid tot een volwaardig beleidsterrein, dat een duurzaam en integraal onderdeel vormt van landelijk, provinciaal en gemeentelijk cultuurbeleid. De kracht van het Nederlandse systeem ligt in de centrale rol die erfgoedgemeenschappen zelf spelen. Want alleen gemeenschappen kunnen zorgen voor borging op de lange termijn. De Nederlandse bottom-up benadering sluit aan bij het gedachtengoed van het Unesco-verdrag, de Nederlandse maatschappelijke context en zorgt ervoor dat de ondersteuning aansluit bij de behoeften van de gemeenschappen.
In Nederland is gekozen om de coördinatie van het Unesco-verdrag bij een NGO (KIEN) te beleggen, zodat de uitvoering van het verdrag niet direct verbonden is aan de politiek en overheid. KIEN draagt bij aan borging van immaterieel erfgoed op de lange termijn door o.a. ondersteuning en deskundigheidsbevordering aan gemeenschappen te bieden en zorgt voor begrip en kennisontwikkeling over immaterieel erfgoed. Daarnaast coördineert KIEN de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland met ruim 400 bijgeschreven tradities, ambachten en gebruiken.
Voor het versterken van het immaterieel erfgoedbeleid op de langere termijn is ook het huidige ratificatietraject van het Verdrag van Faro relevant.3 In 2024 heeft Nederland het verdrag ondertekend, waarmee Nederland zich verbindt aan de drie Faro-kerndoelen; meedoen en meebeslissen over erfgoed, erfgoed verbinden aan sociaal-maatschappelijke doelen en openstaan voor andere erfgoedopvattingen. Dit verdrag en de implementatie via o.a. RCE en KIEN draagt bij aan de versterking van zeggenschap en eigenaarschap van erfgoedgemeenschappen bij de borging op de lange termijn.
Hoe denkt u over de opvatting dat het ontbreken van wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed betekent dat Nederlandse immateriële tradities, waaronder het luiden van kerkklokken als concreet voorbeeld, volledig afhankelijk zijn van beleid en vrijwillige borging, en dat dit op lange termijn kan leiden tot verlies van cultureel erfgoed?
De rol van de overheden bij immaterieel erfgoed is faciliterend, om een kader te scheppen waarin immaterieel erfgoed kan gedijen. Een wettelijke plicht tot bescherming zou leiden tot ongewenste overheidsbemoeienis met de inhoud van tradities. Dat gaat direct in tegen het centrale uitgangspunt van het Unesco-verdrag dat gemeenschappen zelf bepalen wat hun erfgoed is.
Het is inherent aan immaterieel erfgoed dat het wordt gedragen door mensen en gemeenschappen. Zonder actieve beoefening door mensen houdt immaterieel erfgoed op te bestaan. Daarmee verschilt het fundamenteel van alle andere vormen van erfgoed.
Hoe beoordeelt u het wettelijk kader dat andere landen wel hebben ontwikkeld voor immaterieel erfgoed, zoals Zuid-Korea met de Act on the Safeguarding and Promotion of Intangible Cultural Heritage, waarin onder meer een nationale lijst met immaterieel erfgoed, erkende erfgoeddragers en een wettelijke staatsplicht tot bescherming en overdracht zijn opgenomen?1
Het Unesco-verdrag geeft landen veel vrijheid om structuren passend bij de eigen context in te richten. De Zuid-Koreaanse casus is ontstaan in een specifieke historische context na de Japanse bezetting en de Koreaanse oorlog. Dit leidde tot top-down systeem met wettelijke erkenning en een sterk hiërarchisch onderscheid tussen «erkend» en «niet erkend» immaterieel erfgoed.
In Nederland is -passend bij het sterke Nederlandse maatschappelijk middenveld- het uitgangspunt geweest om bij het ontwikkelen van het immaterieel erfgoedbeleid uit te gaan van een bottom-up benadering waarbij gemeenschappen zelf hun erfgoed aanmelden, borgen en overdragen en waarin geen hiërarchie wordt aangebracht tussen vormen van immaterieel erfgoed.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toepasbaarheid is van het Koreaanse model voor Nederland, specifiek met betrekking tot een wettelijke definitie van immaterieel erfgoed, een bindende nationale inventaris en een wettelijke erkenning van gemeenschappen of dragers die een traditie onderhouden?
Nee, er is geen aanleiding om een onderzoek naar de toepasbaarheid van het Koreaanse model voor Nederland te starten.
De Erfgoedwet kent een definitie van cultureel erfgoed die is ontleend aan het Verdrag van Faro en die aansluit bij de Unesco-definitie van immaterieel erfgoed. Mijn ambtsvoorganger heeft eind 2024 aangekondigd deze begripsbepaling te willen aanscherpen om te verduidelijken dat -passend bij het Unesco-verdrag- overheden, erfgoedinstellingen en erfgoedgemeenschappen allemaal de ruimte hebben om in een voortdurend maatschappelijk gesprek te bepalen wat cultureel erfgoed is.
Daarnaast bestaat er een nationale inventaris; de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Deze inventaris is niet «bindend» in juridische zin, omdat dit zou impliceren dat de overheid bepaalt wat wel en niet erkend immaterieel erfgoed is. De inventaris is een instrument ten behoeve van zichtbaarheid en toekomst geven. Gemeenschappen krijgen hierin ondersteuning vanuit KIEN.
Hoe beoordeelt u de Franse Wet nr. 2021-85 van 29 januari 2021, waarin het sensorisch erfgoed van rurale gebieden – waaronder kenmerkende geluiden zoals kerkklokken, maar ook geuren vallen – juridisch wordt verankerd in het Franse milieuwetboek als onderdeel van het nationale erfgoed?2
De Franse wet over het patrimoine sensoriel des campagnes is een reactie op het Frans fenomeen van rechtszaken van nieuwkomers in landelijke gebieden tegen geluiden en geuren zoals hanengekraai, kerkklokken en mest. De wet heeft geen direct afdwingbare rechten gecreëerd, maar wordt wel bij rechtelijke beoordelingen tijdens burengeschillen meegewogen.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze Franse benadering, waarbij immateriële en sensorische uitingen wettelijk worden beschermd, inspiratie kan bieden voor de Nederlandse praktijk rond immaterieel cultureel erfgoed en de bescherming van tradities, landschappelijke kenmerken en omgevingsgeluiden zoals kerkklokken?
De Franse benadering biedt in beperkte mate inspiratie voor Nederland. In Nederland houden rechters al rekening met de context van een burengeschil.
Relevant voor de Nederlandse praktijk is de Omgevingswet. Deze wet biedt mogelijkheden om immaterieel erfgoed te verankeren in omgevingsvisies en -plannen. Gemeenten kunnen bij het opstellen van het omgevingsvisie en -plan rekening houden met bijvoorbeeld jaarlijks terugkerende evenementen zoals processies, corso’s of carnaval, met bouwplaatsen voor wagens, met kermisterreinen of molenbiotopen en andere streekgebonden kenmerken die verbonden zijn aan de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet biedt zodoende verankering van immaterieel erfgoed zonder dat een aparte wet nodig is.
KIEN heeft samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de publicatie Ruimte voor immaterieel erfgoed uitgebracht.6 Deze biedt gemeenten en gemeenschappen handvatten om immaterieel erfgoed te integreren in het omgevingsbeleid. Dit is een voorbeeld van een wijze van borging die beter past bij het Nederlandse gedecentraliseerde bestel dan een nationale wet.
De Wet versterking participatie op decentraal niveau vraagt overheden een participatieverordening op te stellen waarin wordt aangegeven hoe inwoners invloed kunnen uitoefenen op het beleid, van beleidsvorming, tot uitvoering en evaluatie. In de praktijk zorgt deze wet voor deelname van o.a. immaterieel erfgoedgemeenschappen aan beleidsvorming van overheden.
Acht u het wenselijk dat ook Nederland een vorm van wettelijke verankering van immaterieel erfgoed ontwikkelt, bijvoorbeeld via een wijziging van de Erfgoedwet, of een andere wet naar voorbeeld van Frankrijk?
Nee, een wijziging van de Erfgoedwet specifiek voor immaterieel erfgoed is niet wenselijk. Het in de Erfgoedwet gehanteerde begrip «cultureel erfgoed» omvat roerend, onroerend en immaterieel erfgoed. Voor wat betreft roerend en onroerend cultureel erfgoed richt de Erfgoedwet zich primair op de aanwijzing, het gebruik en de bescherming daarvan. Immaterieel erfgoed heeft een fundamenteel ander karakter, zoals hierboven reeds verduidelijkt. Het wordt gedragen door mensen en kan niet als zodanig niet worden «beschermd». Borging van immaterieel erfgoed vindt plaats door onder antwoord 1 genoemde beleidsmatige benadering.
Bent u bereid te verkennen hoe het Nederlandse systeem voor immaterieel erfgoed versterkt kan worden door internationale best practices, en in dat kader specifiek te kijken naar wettelijke borging van immaterieel erfgoed die generaties lang zijn doorgegeven?
Nederland blijft doorlopend op de hoogte van internationale best practices via verschillende routes. Nederland wisselt bijvoorbeeld actief kennis uit via o.a. de Intergouvernementele Comité Meetings en de General Assembly van het Unesco-verdrag en via bilaterale contacten. Deze internationale uitwisseling levert inspiratie voor Nederlands beleid en de praktijk.
KIEN onderhoudt als geaccrediteerde NGO bij het Unesco-verdrag structureel internationale contacten en kijkt hoe andere landen het Unesco-verdrag implementeren. In de Kennisagenda 2021–2024 van KIEN is bijvoorbeeld internationaal vergelijkend onderzoek naar inventarisatiemethodieken opgenomen. Hieruit blijkt dat landen zeer verschillende benaderingen hanteren, passend bij hun eigen context.
Bent u bereid een verkenning uit te voeren naar mogelijke juridische instrumenten om immaterieel erfgoed te beschermen, waarin zowel het Koreaanse model (met wettelijke dragers en nationale Intangible Cultural Heritage Committee (ICH-commissie)) als het Franse model (wettelijke status voor immateriële erfgoed) worden meegenomen?
Nee, gezien voorgaande antwoorden is een verkenning van het Koreaanse en Franse modellen niet opportuun.
Kunt u aangeven welke stappen nodig zouden zijn om in Nederland tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen, én of u bereid bent deze stappen in gang te zetten?
Nee, gezien voorgaande antwoorden ben ik niet bereid om tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen.
Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt dat 40 procent van de leerlingen vmbo basis en kader onder het basisniveau schrijf- en rekenvaardigheid zitten?1
Ik ben bekend met dit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.
Laaggeletterdheid in Nederland neemt ieder jaar toe, welke oorzaken ziet u voor deze trend?
De gemiddelde taalvaardigheid van Nederlandse volwassenen is al dertig jaar relatief stabiel en ook in de afgelopen tien jaar niet significant afgenomen. Het percentage Nederlanders dat als laaggeletterd kan worden getypeerd is dus niet toegenomen. Wel is het zo dat laaggeletterde Nederlanders in 2023 een lager taalvaardigheidsniveau hadden dan tien jaar eerder. De afwezigheid van een toename in het percentage laaggeletterden betekent dus niet dat we tevreden zijn: het verbeteren van de taalvaardigheid van deze groep is en blijft een prioriteit.
Hoe verklaart u dat de taal- en rekenprestaties, ondanks jaren van basisvaardighedenbeleid, blijven dalen?
De taal- en rekenprestaties van leerlingen blijven gelukkig niet over de hele linie dalen. Dat kunt u ook lezen in mijn brief van 4 december 2025 over het Masterplan basisvaardigheden en de Monitor basisvaardigheden 2025 met de meest actuele data over de leerprestaties.2 Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs zich na de coronapandemie goed hersteld hebben. Groep 3-leerlingen doen het zelfs iets beter dan voor corona, met name bij begrijpend lezen en spelling. Het beeld in het vo is helaas in de onderbouw minder positief, maar ook daar zien we soms tekenen van stabilisatie en herstel en lijken leerlingen tijd het eindexamen stabieler te presteren over de jaren heen. De verschillende onderzoeken in het kader van het Masterplan basisvaardigheden bevestigen dat we op de goede weg zijn, maar ook hoe belangrijk het is om nu door te zetten. Om de focus op de basisvaardigheden vast te houden, scholen te ondersteunen evidence-informed onderwijs te geven en te helpen bij de invoering van een actueel en kennisrijk curriculum.
Volgens het onderzoek beginnen veel kinderen aan groep 1 met taalachterstand, hoe bent u van plan om dit probleem aan te pakken?
Alle kinderen verdienen het om een goede start te maken in het basisonderwijs. Vaak is dit ook het geval, maar helaas niet altijd. Daarom hebben we in 2024 een onderzoek laten uitvoeren naar kansrijke beleidsmaatregelen om jonge kinderen goed te laten starten in het basisonderwijs.3 Het gaat hierbij onder andere over de verlaging van de leerplicht en de verhoging van de kwaliteit en het bereik van voorschoolse educatie. In de beleidsreactie van 24 juni jl. worden hiervoor verschillende maatregelen aangedragen.4 Het Ministerie van VWS stelt daarnaast vanuit de aanpak Kansrijke Start subsidie beschikbaar voor het project Taalschatten. Vanuit Taalschatten is een aanpak ontwikkeld die als doel heeft om kinderen taalvaardig aan de basisschool te laten beginnen. Zo heeft Taalschatten praktische tools en voorbeelden ontwikkeld voor ouders, zorgprofessionals, en gemeenten die willen werken aan de taalontwikkeling van kinderen.
Hoe verklaart u dat vooral leerlingen vmbo basis en kader ver onder het gewenste niveau voor taal en rekenen zitten in tegenstelling tot leerlingen op vmbo-t, havo, en vwo?
Het is van groot belang dat óók deze leerlingen de basisvaardigheden voldoende beheersen om mee te doen in de samenleving en arbeidsmarkt. Zo zien we dat in het vmbo sprake is van een hardere daling van de leerprestaties sinds corona. Daarom geven we binnen de aanpak basisvaardigheden het vmbo op verschillende manieren prioriteit. Leerlingen uit vmbo basis en kader hebben over het algemeen wat meer tijd nodig dan leerlingen in de tl, havo of het vwo om het gewenste niveau 2F te halen. Hierbij geldt wel dat 2F het gewenste eindniveau voor leerlingen is die het voortgezet onderwijs verlaten. Dit onderzoek heeft in klas 2 plaatsgevonden en dat betekent dat deze leerlingen in het vmbo nog twee jaar de tijd hebben om dit niveau te bereiken. Hierbij geldt bovendien dat het vmbo geen eindonderwijs is, deze leerlingen vervolgen hun onderwijs in het mbo, om daar hun startkwalificatie te halen.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de arbeidsmarkt wanneer mbo-studenten hun opleidingen afronden met onvoldoende taal- en rekenvaardigheden?
Het mbo leidt studenten op zodat zij onder andere goed kunnen functioneren op de arbeidsmarkt. De generieke taal- en rekeneisen voor het behalen van een mbo-diploma zijn daarop afgestemd. Voor specifieke beroepen waarvoor een hoger taal- en/of rekenniveau nodig is, is dit opgenomen als eis in een beroepsgericht vak. Studenten die niet aan deze diploma-eisen voldoen, kunnen niet gediplomeerd uitstromen naar de arbeidsmarkt.
Volgens het Ministerie van OCW wordt er sinds 2000 elk jaar structureel meer geïnvesteerd in het onderwijs, zowel door de overheid als door bedrijven en huishoudens. Hoe verklaart de Minister dat we in 2025 dan toch kampen met dalende onderwijskwaliteit en leerlingen die moeite hebben met basisvaardigheden zoals schrijven en rekenen?
Er zijn in deze periode verschillende investeringen gedaan. Zo is de loonkloof tussen onderwijspersoneel in het po en het vo gedicht en zijn er, om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, werkdrukmiddelen toegevoegd aan de bekostiging. Vanaf 2021 is tijdelijk geïnvesteerd met het Nationaal Programma Onderwijs en vanaf 2022 is specifiek structureel geïnvesteerd om leerprestaties van leerlingen op de basisvaardigheden te herstellen en te verbeteren met het Masterplan basisvaardigheden. Scholen zijn positief over de resultaten die zij behalen met de extra middelen voor basisvaardigheden, maar we zijn er nog niet.
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen genomen zullen worden om deze neerwaartse trend te keren?
Het Masterplan basisvaardigheden dat in 2022 van start is gegaan is een integrale en langjarige aanpak dat bestaat uit een breed pakket aan maatregelen. De dalende trend in de leerprestaties, met name bij lezen, was de directe aanleiding. Vanaf het eerste jaar van het Masterplan is ieder jaar een deel van de scholen in staat gesteld, om met subsidie en ondersteuning, evidence-informed in te zetten op de verbetering van de basisvaardigheden. Vanaf 1 januari 2027 kunnen alle scholen rekenen op structurele middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
Naast deze snelle start op scholen omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen om de randvoorwaarden voor goed onderwijs voor de lage termijn te verbeteren. Het gaat daarbij om zaken als de curriculumherziening, de Bibliotheek op School, de kwaliteit van leermiddelen, het bevorderen van evidence-informed onderwijs en de professionalisering van leraren. Al deze maatregelen dragen bij aan een structurele verbetering van de onderwijskwaliteit in de klas. En ook met de lerarenstrategie, school en omgeving en de schoolmaaltijden wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van basisvaardigheden. In mijn brief van 4 december jl. kunt u meer lezen over het Masterplan basisvaardigheden.5
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld de afgelopen vijf jaar is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in basisvaardigheden hebben opgeleverd?
Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in de afgelopen vijf jaar geld is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in de basisvaardigheden hebben opgeleverd.
Hoe kijkt u naar de inzet van zogeheten «brede brugklassen» en de invloed die gemengde klassen hebben op de taal- en rekenvaardigheden?
Uit onderzoek weten we dat onderwijs in een brede(re) brugklas (bijv. in een dakpanklas voor vmbo-t/havo) voor de meeste leerlingen positieve effecten heeft op leerprestaties: de cognitief minder sterke leerlingen kunnen zich optrekken aan de cognitief sterkere leerlingen (het zogenoemde «peereffect»). Dit positieve effect op de leerprestaties zien we voor leerlingen met een vmbo tot en met havo/vwo-advies. Het effect van brede(re) brugklassen op de leerprestaties van leerlingen met een vwo-advies is niet eenduidig uit onderzoek op te maken. Uit een recente meta-analyse blijkt dat vroege selectie niet leidt tot hogere onderwijsprestaties, maar wel de ongelijkheid in het onderwijssysteem vergroot. Om dit te onderzoeken loopt er onder andere via het NRO een leertraject «Van breder naar beter: De effecten van verschillende inrichtingsvarianten van heterogene brugklassen op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen.» Dit leertraject zal nader ingaan op het effect van verschillende brugklasvarianten op cognitief sterkere leerlingen.
Hoe beoordeelt u het risico dat toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand ertoe leidt dat reguliere scholen minder tijd en aandacht hebben voor overige leerlingen?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend die een toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand bij aanvang van hun schoolloopbaan bevestigen. Er zijn wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Een enquête van de Academie en Vakvereniging voor Schoolleiders wees bijvoorbeeld uit dat 80 procent van de schooldirecteuren aangeeft dat de instroom van kinderen die eigenlijk voorschool nodig hadden, maar niet zijn geweest, voor extra uitdagingen zorgt op school.6 Een leerkracht kan zijn of haar aandacht maar één keer verdelen, dus het is voorstelbaar dat dit betekent dat leerkrachten minder tijd en aandacht over hebben voor de overige leerlingen.
Die signalen neem ik serieus, en dit bevestigt opnieuw het belang van voorschoolse educatie. Uit onder andere het pre-COOL-cohortonderzoek blijkt dat voorschoolse educatie helpt om achterstanden terug te dringen, mits de kwaliteit goed is.7 Tegelijkertijd zien we dat het bereik van voorschoolse educatie de laatste jaren lijkt te dalen.8 In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een goede start» worden verschillende maatregelen aangedragen om het bereik van voorschoolse educatie te verhogen.9
Daarnaast wijs ik graag op het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, dat wordt uitgevoerd in de 20 meest kwetsbare focusgebieden in Nederland. De focusgebieden ontvangen onder andere extra middelen om extra te investeren in de voor- en vroegschoolse periode. Die worden bijvoorbeeld besteed aan extra professionalisering van jonge kind professionals, of aan de inzet van een extra beroepskracht in groep 1 en 2.
Hoe ziet u een mogelijk verband tussen de toename aan inzet van digitale leermethoden – zoals tablets, notebooks, computers – voor het verwerken van opdrachten en de dalende trend in schrijfvaardigheid?
De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillende mogelijke oorzaken, zoals het toenemende aantal taken voor scholen, het tekort aan leraren en schoolleiders en een verouderd en overladen curriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieve schermtijd dragen hier eveneens aan bij.
Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW sinds 2022 volop in op ondersteuning van scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardigheden en het Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal, onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen – zowel digitaal als papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen. Zo is het Kwaliteitskader Taal ontwikkeld door een werkgroep van onderwijsprofessionals, experts en wetenschappers. Dit kader is in juni van dit jaar gelanceerd. Met dit kader kunnen scholen en educatieve uitgevers de kwaliteit van leermiddelen en aangeboden teksten beoordelen. Daarnaast onderzoekt het Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab AI momenteel de mogelijkheden die digitale media bieden om verhalen op nieuwe, interactieve manieren te presenteren en kinderen beter te ondersteunen bij het lezen. Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat kinderen enkel korte, oppervlakkige teksten online lezen, wat ten koste kan gaan van diep lezen. Het nieuwe curriculum legt de focus op lezen, schrijven en rekenen. Het verplicht scholen om rijke, kwalitatief hoogstaande teksten aan te bieden, zoals originele artikelen uit kranten, tijdschriften en passages uit literatuur.
Om een sociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heeft OCW met een brede vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken dat niet-educatief gebruik van mobiele telefoons en andere persoonlijke devices niet langer is toegestaan in de klas. Deze afspraak werpt zijn vruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken geconcentreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat (de gevolgen van de) massale immigratie niet bevorderlijk is voor het algemene taal- en rekenniveau?
Het funderend onderwijs in Nederland is erop gericht dat alle leerlingen het benodigde taal- en rekenniveau halen.
Kunt u aangeven welk percentage van de leerlingen met ernstige taalachterstanden bestaat uit kinderen die geen Nederlands spreken bij aanvang van de schoolloopbaan?
Nee, dat kan ik niet. Ik heb geen cijfers van kinderen die bij aanvang van hun schoolloopbaan ernstige taalachterstanden hebben. Zoals ik bij vraag 11 heb aangegeven zijn er wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Daarnaast blijkt uit de Kansrijke Start monitor 2024 van het RIVM uit de gegevens van Jeugdgezondheidsorganisaties dat het aantal kinderen met een spraak-taalontwikkelingsachterstand op tweejarige leeftijd toeneemt.10
In de data wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende oorzaken van deze taalachterstand. Het is dus niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken over het percentage kinderen dat geen Nederlands spreekt.
Wel blijkt hieruit dat er des te meer reden is om al op jonge leeftijd in te zetten op extra ondersteuning, zoals ook in de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start is aangehaald.11
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs?
Nee, ik ben niet voornemens een separaat onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs. Met onder meer het Masterplan Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van alle leerlingen in het onderwijs. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op de lees-, schrijf- en -rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. In de monitoring van het Masterplan wordt via het Nationaal Cohortonderzoek ook gekeken naar de achtergrondkenmerken van leerlingen, waaronder een eventuele migratieachtergrond. Daarnaast investeert het kabinet al extra in kinderen met een groter risico op een achterstand door middel van voorschoolse educatie en extra financiering van scholen met een relatief grote populatie leerlingen met een groter risico op een achterstand.
Bent u bekend met het Zembla-artikel waaruit blijkt dat de 200% verhoging van de strafeis bij geweldsdelicten tegen NS-medewerkers, en anderen met een publieke taak, nauwelijks wordt uitgevoerd in de praktijk?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het Openbaar Ministerie als uitgangspunt hanteert dat bij geweldsdelicten tegen hulpverleners een 200% hogere strafeis kan worden geëist, maar dat dit uitgangspunt in de praktijk nauwelijks terug is te zien?
Ik ben uiteraard bekend met het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie hanteert. Met dit uitgangspunt houdt de officier van justitie rekening in de strafeis. In de antwoorden hierna zal ik verder ingaan in uitwerking hiervan in de praktijk.
Kunt u begrijpen dat medewerkers met een publieke taak – die zich iedere dag inzetten voor onze samenleving en op steun van de overheid rekenen – zich in de steek gelaten voelen doordat de 200% verhoging van de strafeis nauwelijks wordt toegepast in de praktijk?
Vooropgesteld veroordeel ik al het geweld tegen medewerkers met een publieke taak in de sterkst mogelijke woorden. Rond de jaarwisseling hebben we helaas weer vreselijke incidenten gezien. Ik kan mij goed de beleving van medewerkers met een publieke taak voorstellen dat zij – omdat zij andere verwachtingen hebben – zich soms in de steek gelaten voelen.
Het uitgangspunt van 200% betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf opgelegd krijgt. De 200% hogere strafeis is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende richtlijnen ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir.
De strafeis is slechts één van de maatregelen om agressie en geweld een halt toe te roepen. Voor de werknemers betekent dit dat naast het opsporen en vervolgen van daders de overheid ook inzet op andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld preventieprogramma’s om agressie en geweld te voorkomen, het verstrekken aan werkgevers van handvatten voor een veilige(re) werkomgeving en door wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar thema’s als agressie en geweld tegen hulpverleners.
Kunt u exact aangeven hoeveel zaken met geweld tegen medewerkers met een publieke taak hebben plaatsgevonden, hoeveel daarvan tot vervolging hebben geleid, in hoeveel gevallen de 200%-strafeis is geëist en in hoeveel gevallen de rechter deze strafeis heeft gevolgd?
In de beleidsreactie van mijn ambtsvoorganger aan de Kamer naar aanleiding van het onderzoek van de DSP groep naar straftoemeting bij VPT-delicten in 2024 is reeds bericht dat het overgrote deel van de geïnterviewde officieren van justitie enige mate van strafverhoging toepast, maar dat de 200% strafverhoging uit de OM-richtlijn slechts zelden wordt toegepast.2 Mijn ambtsvoorganger heeft hier met het Openbaar Ministerie het gesprek over gevoerd. Het OM heeft mij naar aanleiding van dit gesprek laten weten dat dit inmiddels opnieuw bij de officieren van justitie met het taakaccent veilige publieke taak (VPT) onder de aandacht is gebracht. Daarnaast zal het OM blijvend aandacht schenken aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is binnen het OM en of het genoemde strafeisverhogingspercentage als uitgangspunt wordt gebruikt. Ook wordt in het onderzoeksrapport van DSP geconcludeerd dat het bij de rechters als een strafverzwarende omstandigheid wordt aangemerkt als het slachtoffer een publieke taak uitoefende.
Uit de jaarrapportage van het Openbaar Ministerie volgt dat van alle VPT-zaken die bij het Openbaar Ministerie binnenkomen 60% aan de rechter wordt voorgelegd en dat is meer dan gemiddeld. De overige 40% wordt door het OM zelf afgedaan. Exacte cijfers over hoe vaak een 200% hogere strafeis wordt geëist en hoe vaak dit wordt opgelegd zijn niet betrouwbaar uit de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie te halen.
Kunt u toelichten waarom zijn eigen instructie om de strafeis met 200% te verhogen in de praktijk nauwelijks terug te zien is in de strafeis van de officier van justitie?
De verhoging van de strafeis met 200% is een uitgangspunt waarmee de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis rekening houdt. Door het wegen van alle relevante factoren van het geval, komt de officier van justitie tot een op maat gesneden (betekenisvolle) sanctie of strafeis.
Kunt u een oordeel vellen over de toelichting die u hiervoor noemt en ziet u de bij vraag 6 genoemde redenen zelf als een afdoende verklaring voor het uitblijven van de 200%-strafeis?
Naast de 200% verhoging als uitgangspunt zullen door het Openbaar Ministerie, zoals gezegd, ook andere factoren worden meegewogen (zoals de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte).
De beoordelingsruimte van de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis is een vrijheid die voortvloeit uit de wet, die eveneens inherent is aan het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie om een strafzaak af te doen. Het is derhalve niet aan mij om in die strafrechtelijke beoordeling te treden. Wel veroordeel ik uiteraard al het geweld tegen hulpverleners en anderen met een publieke taak.
Deelt u de opvatting dat het essentieel is om 200% verhoging van de strafeis in de praktijk veel vaker toe te passen om medewerkers met een publieke taak extra te beschermen en daders beter af te schrikken?
In uw vraagstelling gaat u ervan uit dat de verhoging van de strafeis met 200% als uitgangspunt medewerkers met een publieke taak extra beschermt. Ik wil ten eerste benadrukken dat bescherming van werknemers vooral ligt in de fase die aan strafrechtelijke interventie voorafgaat.
Desondanks kan een hogere strafeis een afschrikwekkende werking hebben mits daders hiermee bekend zijn en daar ook gevoelig voor zijn. Aangezien daders van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak niet altijd een weloverwogen beslissing voor hun daad lijken te nemen – denk aan verwarde personen – laat ik nader onderzoek doen naar het type dader en hun motieven om agressie tegen werknemers met een publieke taak beter te kunnen voorkomen.3 Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, is ook wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk om uiteindelijk aan agressie en geweld tegen werknemers met een publiek taak het hoofd te kunnen bieden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw eigen instructie, om een verhoogde strafeis op te leggen bij geweldsdelicten tegen personen met een publieke taak, wordt uitgevoerd?
De verhoogde strafeis is vastgelegd in een instructie van het OM zelf. Zoals ook in het antwoord op vraag 6 toegelicht treed ik niet in de beoordelingsruimte die wettelijk aan het Openbaar Ministerie is toegekend. Wel voer ik zeer regelmatig het gesprek met het Openbaar Ministerie over dit belangrijke onderwerp. Afgelopen jaarwisseling hebben we helaas een groot aantal gevallen van geweld tegen personen met een publieke taak gezien. De jaarwisseling wordt op dit moment geëvalueerd. Ook naar aanleiding hiervan zal ik het gesprek met OM aangaan om te bespreken hoe de strafrechtelijke aanpak van daders van dit onacceptabele geweld kan worden versterkt. In dit gesprek zal ik ook de 200% strafeis wederom ter sprake brengen.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen en kunt u elk van de voorgenomen maatregelen toelichten?
Met het Wetsvoorstel aanscherping taakstrafverbod, dat op dit moment bij de Raad van State ligt voor advies, leggen we wettelijk vast dat mishandeling van hulpverleners en handhavers onacceptabel is en dat een taakstraf niet op zijn plaats is. Zoals ik hiervoor in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, wordt door de overheid naast het strafrecht ingezet op diverse andere maatregelen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen. Preventieve maatregelen (door de werkgever) gaan aan het strafrecht vooraf en moeten aansluiten op de gesignaleerde knelpunten. Vanuit de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de werkgever hierin ondersteund door onder andere een Werkinstructie agressie en geweld. Met toezicht en handhaving beoogt de Arbeidsinspectie naleving van de arbeidsomstandighedenwet en het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van incidenten van agressie en geweld.
De economische impact van extra defensie-uitgaven volgens het Centraal Planbureau (CPB). |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel – op basis van onderzoek van het CPB – over de beperkte economische impact van extra defensie-uitgaven?1
Hoe beoordeelt u het CPB-onderzoek dat de meeste defensie-investeringen geen economische groei in Nederland zullen opleveren?
Wat is uw plan om te voorkomen dat extra investeringen slechts zullen leiden tot een budget-stapeling zonder operationele verbetering?
Waarom kiest het kabinet ervoor om Nederlandse investeringsuitgaven grootschalig te besteden in het buitenland?
Bent u bereid een plan te ontwikkelen om de Nederlandse defensie-industrie te versterken zodat er minder Nederlands belastinggeld naar het buitenland lekt?
Hoe voorkomt u een verdere krapte op de arbeidsmarkt doordat defensie extra personeelsleden probeert te werven?
Kunt u uitsluiten dat de extra defensie-uitgaven worden gefinancierd middels lastenverzwaringen die een negatief effect zullen hebben op de Nederlandse economie, zoals het CPB waarschuwt?
Waarom investeert defensie relatief weinig in zogeheten «dual-use» technologie, die dus ook de civiele innovatie versterkt?
Hoe verklaart u dat het kabinet defensie-uitgaven presenteert alsof ze economische groei zouden genereren, terwijl het CPB nu duidelijk laat zien dat dit niet tot nauwelijks het geval is?
Bent u bereid transparanter te zijn over de beperkte impact die extra defensie-investeringen zullen hebben op de Nederlandse economie?
Deelt u de opvatting dat defensie-investeringen – waar mogelijk – zo veel mogelijk ten goede zouden moeten komen aan de Nederlandse economie en de Nederlandse defensie-industrie?
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn voor de arbeidsmarkt wanneer defensie inzet op uitbreiding van het personeelsbestand?
Bent u bereid om de focus veelal te leggen op Nederlandse productie en industrie in plaats van het buitenland?
Kunt u een transparante kosten-effectiviteitsanalyse opstellen waarin duidelijk wordt in hoeverre extra uitgaven zorgen voor daadwerkelijke weerbaarheid en veiligheid van Nederland?
Hoe verhouden de investeringen in materieel, zoals wapensystemen en voertuigen, zich tot de met name digitale bedreiging zou vormen?
Hoe verantwoord u dat Nederlandse belastingmiddelen vooral buitenlandse defensie-industrieën – en daarmee hun weerbaarheid – versterken?
Ziet u mogelijkheden om Nederlandse belastingmiddelen meer in te zetten voor de Nederlandse defensie-industrie en de Nederlandse weerbaarheid?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat defensie-uitgaven maximaal rendabel zijn?
Het verwijderen van het dorp Moerdijk ten behoeve van de energietransitie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD), Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over het opheffen van het dorp Moerdijk?1
Deelt u de zorgen van onder andere bewoners dat het opheffen van dit (eeuwenoude) dorp een buitengewoon ingrijpende maatregel is?
Acht u het wenselijk dat (eeuwenoude) dorpen in Nederland verdwijnen om ruimte te maken voor de energietransitie?
Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, kunt u aangeven hoe vaak dit naar verwachting nog zal voorkomen?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, welke stappen onderneemt u om te voorkomen dat dit gestelde precedent navolging krijgt in de toekomst?
Hoe verhoudt het verwijderen van een dorp zich tot het huidige kabinetsbeleid dat inzet op leefbare woonomgevingen, het behoud van gemeenschappen, het oplossen van de wooncrisis en het behoud van erfgoed?
Deelt u de mening dat het verwijderen van een dorp in strijd is met het eigendomsrecht?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom is het verwijderen van een dorp volgens u niet in strijd met het eigendomsrecht?
Vindt u dat de energietransitie zo ver mag gaan dat dorpen verwijderd mogen worden?
Erkent u de dat bewoners in de praktijk geen mogelijkheden hebben om zo’n besluit te voorkomen, terwijl het gaat over het verlies van hun woonplaats en gemeenschap?
Bent u van mening dat het democratisch onwenselijk is dat een gemeentebestuur – in samenwerking met provincie en Rijk – zulke beslissingen kan nemen zonder bindende inspraak, zoals een referendum, onder de bewoners?
Vindt u het in het algemeen belang om (eeuwenoude) dorpen te verwijderen?
Indien het antwoord op vraag 12 bevestigend luidt, waarom is dit in het algemeen belang?
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, deelt u de mening idat het in het algemeen belang is om historie, cultuur en erfgoed te beschermen en zodoende te staan voor het behoud van een (eeuwenoud) dorp?
Welke criteria zijn gehanteerd door het gemeentebestuur in samenwerking met het Rijk om te bepalen dat het verwijderen van het dorp Moerdijk noodzakelijk is?
In hoeverre is er sprake van een systematisch onderzoek waarin alternatieve locaties voor nieuwe energie-infrastructuur met elkaar zijn vergeleken?
In hoeverre en op welke manier zijn bewoners van het dorp Moerdijk bij dit besluit betrokken geweest?
Welke wettelijke grondslag is er voor het verwijderen van het dorp en hoe zal dit eruit komen te zien in de praktijk?
Indien tot verwijdering van het dorp wordt overgegaan, hoe worden de 1100 bewoners dan concreet gecompenseerd en wordt hierin (im)materiële schade door ontheemding meegenomen, denk aan psychische belasting, verlies van gemeenschap, voorzieningenverlies en de effecten op het woon-werkverkeer?
Hoe wordt er – nota bene tijdens een wooncrisis – gezorgd voor een nieuwe, passende woonruimte voor 1.100 bewoners?
Zijn er plannen om in de toekomst andere woongebieden te verwijderen ten behoeve van de energietransitie?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, kunt u aangeven om welke plannen dit gaat?
Bent u bereid te onderzoeken of – samen met provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk – alternatieven ontwikkeld kunnen worden die het behoud van het dorp Moerdijk waarborgen?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?