Dreigende opnamestops in de gehandicaptenzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicaptenzorg waarschuwt voor opnamestops vanwege personeelstekort»?1 Herkent u dit beeld?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ik herken deels het beeld dat wordt geschetst. Ik zie zorgorganisaties die kampen met personeelstekorten en een dagelijkse strijd voeren om de roosters rond te krijgen. Ik spreek zorgverleners die in hun vrije tijd bijspringen en zich zorgen maken over de toekomst.
Aan de andere kant zie ik ook zorgorganisaties die minder moeite hebben om personeel aan te trekken en hun roosters, al dan niet met een flexibele schil, op te vullen. Dit geeft aan dat het beeld genuanceerder ligt dan het bericht oproept.
Klopt het dat de crisisopvang als eerste te maken krijgt met een opnamestop als het personeelstekort verder oploopt? Zo ja, waar kunnen mensen met een beperking die thuis wonen opgevangen worden als de noodzaak er is? Wat zijn de alternatieven als er een opnamestop komt?
Wanneer zorgorganisaties kampen met personeelstekorten, kiezen zij zelf voor bepaalde maatregelen. Dat hoeft niet altijd een opnamestop of de crisisopvang te betreffen. Ik heb geen zicht op de individuele maatregelen van zorgorganisaties. Wel zie ik dat er in de regio’s wordt samengewerkt en gezamenlijk naar oplossingen wordt gezocht, al dan niet met het zorgkantoor.
Indien er sprake is van crisisopvang is het de verantwoordelijkheid van het zorgkantoor om een geschikte plek te vinden. Ik heb tot op heden geen specifieke signalen over de crisisopvang van het zorgkantoor ontvangen dat zij hun zorgplicht hierin niet kunnen vervullen.
Kunt u aangeven hoe groot de huidige personeelstekorten zijn binnen de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Nee, dat kan ik niet. Er zijn geen cijfers over deelsectoren beschikbaar. Voor de gehele gehandicaptenzorg staan er momenteel (Q4 2025) 8.700 vacatures open.
Wat is uw reactie op de brandbrief van 14 organisaties uit de gehandicaptenzorg, verzonden op 16 oktober jongstleden?2 Herkent u de zorgen die zij schetsen?
Ik kan me voorstellen dat de brievenschrijvers zich hier zorgen over maken. Ik heb de partijen uitgenodigd om zeer binnenkort over hun brief in gesprek te gaan.
Welke oplossingsrichtingen zijn er op korte termijn om te voorkomen dat het personeelstekort dusdanig verder oploopt dat instellingen genoodzaakt zijn om opnamestops in te stellen? Bent u ook bereid om deze maatregelen te nemen? Zo ja, wat voor tijdspad ziet u voor zich? Zo nee, kunt u per oplossingsrichting aangeven waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat de arbeidsmarkt niet alleen in de gehandicaptenzorg onder druk staat, maar dat dit zorgbreed speelt. Het arbeidsmarkttekort is een complex probleem met vele oorzaken zonder een eenduidige oplossing. Het is een probleem dat niet door één partij is op te lossen, maar iets vraagt van de hele sector, de overheid en de maatschappij. Ik hoop daarom dat de werkgevers, beroepsverenigingen, cliëntenorganisaties en zorgkantoren samen met mij naar oplossingen willen zoeken die ook op langere termijn de toekomstbestendigheid van de sector verstevigen.
In diverse moties van de Tweede Kamer wordt met het oog op de continuïteit van zorg, in verschillende bewoordingen, verzocht om een benodigde flexibele schil te kunnen behouden voor de zorg of te komen tot maatregelen om de zorgsector de ruimte te blijven geven om te werken met zelfstandigen. De Minister van VWS is met een aantal brancheorganisaties in de zorg in overleg over de verschillende mogelijkheden die er op basis van huidige wet- en regelgeving zijn om een flexibele schil te behouden. Hierbij wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil. De inzichten uit dit lopende traject kunnen ook worden gebruikt voor oplossingsrichtingen binnen de gehandicaptenzorg. Het is daarbij voor alle partijen van belang te onderkennen dat in de zorg een beweging naar meer loondienstverbanden wenselijk is.
Op de korte termijn zie ik ook kansen om het verzuim en verloop van medewerkers structureel aan te pakken. Het Preventieplan Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn3, een initiatief van Stichting IZZ, PGGM, en FWG Progressional People biedt concrete handvatten om werkgerelateerd verzuim en ongewenst verloop met een kwart te verlagen. Het is aan de werkgevers om deze bouwstenen te verankeren in de dagelijkse praktijk.
Hoe lang zijn momenteel de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Het aantal wachtenden is in te delen in drie categorieën, namelijk; «wacht op voorkeur», «actief plaatsen» en «urgent plaatsen».
Voor de gehandicaptenzorg kan een splitsing gemaakt worden per deelsector en per zorgprofiel/zorgzwaartepakket, maar niet op basis van een beperking. Bij de interpretatie van deze cijfers moet rekening gehouden worden met het feit dat mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek niet altijd in deze cijfers terug te zien zijn, door uiteenlopende oorzaken. Zoals mijn ambtsvoorganger in Kamerbrief 24 170, nr. 357 («vervolg complexe zorg, gehandicaptenzorg- juni 20254)» heeft aangegeven, wordt in het kader van de bestuurlijke afspraken complexe zorg, waar ik met Ieder(in), VGN, en ZN intensief samenwerk, gewerkt aan het in beeld krijgen van alle mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek, zodat zo snel mogelijk een passende plek gevonden kan worden.
Hieronder treft u de wachtlijstcijfers over het derde kwartaal van 2025, per zorgzwaartepakket5.
zzp 1 VG Wonen met enige begeleiding.
7
0
7
0
zzp 2 VG Wonen met begeleiding.
24
3
21
0
zzp 3 VG Wonen met begeleiding en ver.
352
247
104
1
zzp 4 VG Wonen met begeleiding en int.
273
220
53
0
zzp 5 VG Wonen met intensieve begelei.
146
115
30
1
zzp 6 VG Wonen met intensieve begelei.
339
212
127
0
zzp 7 VG (Besloten) wonen met zeer in.
152
98
52
2
zzp 8 VG Wonen met begeleiding en vol.
54
35
19
0
zzp 1 LVG Wonen met enige behandeling.
0
0
0
0
zzp 2 LVG Wonen met behandeling en be.
4
2
2
0
zzp 3 LVG Wonen met intensieve behand.
22
2
20
0
zzp 4 LVG Wonen met zeer intensieve b.
8
4
4
0
zzp 5 LVG Besloten wonen met zeer int.
1
0
1
0
zzp 1 SGLVG Behandeling in een SGLVG.
18
1
17
0
zzp 1 LG Wonen met enige begeleiding.
0
0
0
0
zzp 2 LG Wonen met begeleiding en eni.
29
14
15
0
zzp 3 LG Wonen met enige begeleiding.
1
1
0
0
zzp 4 LG Wonen met begeleiding en ver.
102
79
23
0
zzp 5 LG Wonen met begeleiding en int.
25
17
7
1
zzp 6 LG Wonen met intensieve begelei.
116
76
37
3
zzp 7 LG Wonen met zeer intensieve be.
11
5
5
1
zzp 1 ZG visueel Wonen met enige bege.
0
0
0
0
zzp 2 ZG visueel Wonen met begeleidin.
2
2
0
0
zzp 3 ZG visueel Wonen met intensieve.
4
2
2
0
zzp 4 ZG visueel Wonen met intensieve.
7
2
4
1
zzp 5 ZG visueel Wonen met zeer inten.
2
2
0
0
zzp 1 ZG auditief Wonen met begeleidi.
1
0
1
0
zzp 2 ZG auditief Wonen met intensiev.
4
2
2
0
zzp 3 ZG auditief Wonen met intensiev.
6
4
2
0
zzp 4 ZG auditief Wonen met intensiev.
1
1
0
0
Welke gevolgen zou het verder oplopen van de personeelstekorten hebben voor de wachttijden binnen de gehandicaptenzorg en de kwaliteit van de gehandicaptenzorg?
Op basis van de laatste prognoses is het de verwachting dat het personeelstekort in de gehandicaptenzorg verder gaat oplopen. Niet uit te sluiten valt dat zorgaanbieders in reactie op een oplopend personeelstekort overwegen woningen of afdelingen te sluiten waardoor de wachttijden verder zouden oplopen. Ik zet er vol op in dat we niet in deze situatie terecht komen. We moeten daarom op een andere manier gaan kijken naar hoe we de zorg organiseren en tegelijkertijd goede kwaliteit van zorg behouden. De afgelopen jaren heb ik al veel goede voorbeelden gezien6 waarvan ik denk dat we de kansen nog meer kunnen benutten waardoor de wachttijden binnen aanvaardbare kaders blijven en de kwaliteit gewaarborgd blijft.
Op welke concrete manier wordt de kwaliteit van de zorg geborgd, ondanks de personeelstekorten?
Het waarborgen van de kwaliteit van zorg is primair de verantwoordelijkheid van een zorgorganisatie. De taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is toezicht te houden op de kwaliteit van de zorg.
Deelt u de verwachting dat het structurele personeelstekort in de gehandicaptenzorg zal oplopen tot 33.400 in 2033? Zo nee, waarom niet en wat is dan wel uw verwachting?
Volgens het beleidsarme Referentiescenario van de arbeidsmarktprognose 2024 bedroeg het verwachte personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2034 circa 33.400 personen7 Op 19 december jl. is uw kamer op de hoogte gebracht van de uitkomsten van een nieuwe arbeidsmarktprognose (arbeidsmarktprognose 2025)8 Het personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2035 zal volgens deze nieuwe prognose oplopen tot iets minder dan 24 duizend personen volgens het Referentiescenario en ruim 20 duizend personen volgens het scenario Beleid. In het scenario Beleid zijn onder meer de ambities ten aanzien van arbeidsbesparing vanuit het AZWA en HLO meegenomen, waardoor de tekorten in de branches met akkoorden lager uitkomen. Het tekort in de gehandicaptenzorg komt volgens dat scenario ook lager uit doordat de branches met akkoorden minder arbeidsmarktspanning ervaren en verondersteld wordt dat deze branches daardoor iets minder inspanning leveren om personeel aan te trekken uit.
Daarbij is het goed om op te merken dat het primaire doel van het prognosemodel is om sturingsinformatie te geven aan partijen (en onszelf) om hierop te acteren. Beleidswijzigingen en gedragsveranderingen zullen ervoor zorgen dat het tekort uiteindelijk anders zal uitvallen in 2035 dan geraamd, nog los van de onzekerheid die zit in allerlei exogene factoren (zoals de personeelskrapte in de rest van de economie die ook van invloed is op de personeelstekorten in de gehandicaptenzorg).
Kunt u een opsommen welke concrete maatregelen u de afgelopen jaren hebt genomen om het personeelstekort in de gehandicaptenzorg tegen te gaan? Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze maatregel, naar uw mening, heeft bijgedragen aan het tegengaan van het personeelstekort?
Samen met de sector wordt uitvoering gegeven aan de Toekomstagenda Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking9. Hoofdstuk 5 richt zich specifiek op Arbeidsmarkt en Vakmanschap. Samen met de VGN, BPSW, Ieder(in), NVAVG, NIP, NVO, V&VN en ZN geef ik invulling aan de speerpunten boeien, binden en benutten van personeel. Via een jaarlijkse rapportage10 houd ik de Kamer op de hoogte van de maatregelen en resultaten van de Toekomstagenda.
De afgelopen jaren zijn er ook zorgbreed verschillende programma’s gestart en akkoorden gesloten, zoals de Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ), het Integraal Zorgakkoord (IZA), het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) met als doel om het stijgende arbeidsmarkttekort zorgbreed te verlagen. De gehandicaptenzorg is niet aangesloten bij deze akkoorden, maar de verwachting is dat deze akkoorden een zorgbreed effect hebben. Bij de uitvoering van sommige maatregelen wordt de subsidie ook specifiek beschikbaar gesteld voor de gehandicaptenzorg. Zo is met de partijen van het AZWA afgesproken om in te zetten op het versterken van een lerende omgeving. Organisaties in de gehandicaptenzorg kunnen in 2026 ook aanspraak maken op de subsidie voor het stimuleren van strategische opleidingsactiviteiten in zorg en welzijn.
Kunt u een opsomming geven van de concrete maatregelen en acties die ingezet worden om meer personeel te werven voor de gehandicaptenzorg? Kunt u per maatregel aangeven wat u gaat doen en wat u gaat doen om de effectiviteit te beoordelen?
Het wervingsbeleid van zorgorganisaties is de verantwoordelijkheid van werkgevers. Voor maatregelen die zijn ingezet om het personeelstekort tegen te gaan verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Kunt u een opsomming geven van de diverse factoren die spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg? Kunt u per oorzaak ook concreet maken hoe dit bijdraagt aan het personeelstekort en op welke manieren dit is aan te pakken?
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg, zoals onder andere vergrijzing, verschuivingen tussen branches, uitstroom/verloop, ziekteverzuim, personeel in deeltijd, toenemende zorgvraag en arbeidsomstandigheden. Ik wil hierbij benadrukken dat deze factoren per regio en per organisatie heel verschillend kunnen zijn. Er is dus niet één veelbelovende oplossing.
Ik kan niet aangeven hoe elke factor concreet bijdraagt aan het personeelstekort. Er is hier sprake van een complex probleem waar meerdere oorzaken aan ten grondslag liggen waardoor ik niet los voor een factor het effect op het tekort kan aangeven.
Wat is de impact van de huidige aanpak van schijnzelfstandigheid op de personeelstekorten? Herkent u dat door het terugdringen van zzp’ers zorgorganisaties nu meer gebruik maken van uitzendbureaus en de kosten oplopen door tarieven voor de diensten van uitzendbureaus, marges en omdat btw betaald moet worden over de inhuur? Kunt u een inschatting maken van die toegenomen kosten? Bent u bereid om met de sector afspraken te maken over het opzetten van flexpools naar voorbeeld van het (primair) onderwijs zodat mensen in vaste dienst komen en zekerheid hebben, en zorginstellingen geen additionele kosten kwijt zijn?
Op basis van beschikbare cijfers bij het CBS11 is geen relatie te leggen tussen de aanpak van schijnzelfstandigheid en een toename van de personeelstekorten. Er is een afname van het aantal zzp’ers waarneembaar. Tegelijkertijd is sprake van een toename van het totaal aantal werkenden en het aantal werknemers in de gehandicaptenzorg.
De signalen over een verschuiving van de inzet van zzp’ers naar aangeboden diensten via uitzendbureaus zijn vaker genoemd. Uit de cijfers is dit nog niet direct te destilleren voor de gehandicaptenzorg. Evenmin is een antwoord te geven hoe de tarieven van zzp’ers zich verhouden tot de tarieven die gelden bij bemiddeling via uitzendbureaus. Het lijkt logisch dat daarbij sprake zal zijn van een (gedeeltelijke) opslag voor bemiddelingskosten, als ook de invloed van btw.
Het organiseren van de zorg en daarmee ook de personele inzet is de verantwoordelijkheid van de sector. Dit geldt ook voor het vormgeven van een flexibele schil, al dan niet in loondienst. Zoals bij het antwoord op vraag 5 aangegeven is de Minister van VWS bereid, gegeven deze verantwoordelijkheidsverdeling, met brancheorganisaties in de gehandicaptenzorg te verkennen welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil.
Voor wat betreft de genoemde optie om voor de flexpools het voorbeeld van het (primair) onderwijs te volgen, is het belangrijk om te benoemen dat dit niet zomaar mogelijk is. Anders dan in het onderwijs geldt de zorg als een economische activiteit. Als gevolg hiervan zijn voor de zorgsector de mogelijkheden om werknemers btw-onbelast uit te lenen aan andere werkgevers beperkter dan in het onderwijs. Dit betekent niet dat het betalen van btw per se een belemmering hoeft te zijn. Er zijn voorbeelden van uitleen met btw waarbij toch kostenbesparingen worden ervaren.
In hoeverre is de Toekomstagenda Gehandicaptenzorg nog accuraat en actueel? Ziet u redenen om aanvullende maatregelen te nemen zodat de doelen in de Toekomstagenda gehaald worden? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat de zorg en ondersteuning aan mensen met een beperking echt toekomstbestendig wordt?
De Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking loopt tot en met eind 2026. De agenda is dynamisch en afhankelijk van de actualiteit kan een onderwerp worden toegevoegd. Voor komende periode heb ik de sector uitgenodigd om samen met mij plannen te maken hoe de zorg toekomstbestendig te maken.
Het nieuwsbericht ‘Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Daan de Kort (VVD) |
|
Rijkaart , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin»? Zo ja, wat is uw reactie op dit bericht?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben van mening dat alle kinderen, ook kinderen die een beperking hebben, moeten kunnen spelen in een speeltuin, samen met andere kinderen. Er zijn nog steeds te veel gemeenten waar geen speeltuinen zijn waar kinderen met een beperking terecht kunnen. Daarom is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd.
In het nieuwsbericht van de NOS wordt beschreven dat één op de drie kinderen met een handicap nooit bij een speelplek in de eigen buurt komt. Als ze dat wel doen speelt een kwart daar vaak alleen. Wat is uw reactie op deze cijfers van Stichting het Gehandicapte Kind?
Deze cijfers vind ik zeer verdrietig. Kinderen met en zonder beperking moeten met elkaar kunnen opgroeien en spelen. Al sinds de ondertekening van het SamenSpeelAkkoord in 2019 wordt ingezet op een inclusieve speelcultuur met meer samenspeelplekken en meer en beter toegankelijke kennis over samen spelen. De inzet die Jantje Beton en Het Gehandicapte Kind hierop plegen, is van groot belang voor het realiseren van een echte inclusieve speelcultuur. Ook de VNG maakt onderdeel uit van dit netwerk en denkt actief mee. Zij dragen bij aan activiteiten in het netwerk en verspreiden ook actief informatie via haar kanalen en zullen dit ook in de toekomst blijven doen.
Bent u het eens dat er nog veel winst te halen valt bij het inclusiever maken van speeltuinen in Nederland? Hoe worden gemeenten vanuit het Rijk gestimuleerd om speeltuinen inclusiever te maken? Zowel wel bij aanleg van een nieuwe speeltuin als bij een herontwikkeling of vernieuwing?
Buitenspelen is primair een taak van gemeenten. Binnen GALA en Sportakkoord II is aandacht voor de beweegvriendelijke omgeving en buitenspelen in de openbare ruimte. VWS ondersteunt het SamenSpeelNetwerk, dat informatie en expertise ter beschikking stelt om zowel gemeenten als bedrijven te ondersteunen die werk willen maken van samen spelen. Zoals gezegd is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Daarnaast verkent VWS samen met partners hoe inclusiviteit een plek krijgt in de (interdepartementale) stimulering en ontwikkeling van groen/blauwe schoolpleinen, de speelleeromgeving van scholen.
Uit het bericht blijkt dat 155 gemeenten in Nederland nog geen aangepaste speelplek hebben. Wat is uw reactie op dit aantal en hoe worden deze gemeenten al ondersteund om hun speeltuinen inclusiever in te richten?
Middels een meerjarige subsidie van VWS aan het SamenSpeelFonds wordt ingezet op een landelijke dekking van inclusieve speeltuinen. In samenspraak met het SamenSpeelFonds hebben we de reikwijdte van het programma verbreed waardoor ook gemeenten een aanvraag in kunnen dienen. Doel is om eind 2026 in 70% van de gemeenten een inclusieve speeltuin gerealiseerd te hebben. Eind 2030 moet in lijn met de strategie «Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030» 100% van de Nederlandse gemeenten een inclusieve speeltuin hebben.
Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om het verschil tussen gemeenten met en zonder toegankelijke speelplekken te verkleinen en er zo voor te zorgen dat in iedere gemeente er in ieder geval één toegankelijke speelplek te vinden is voor kinderen met een handicap?
De overheden, dus ook gemeenten, zijn op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht om het mogelijk te maken dat ook kinderen met een beperking mee kunnen doen. Zoals gezegd is buitenspelen primair een taak van gemeenten. Met de eerder in deze brief genomen maatregelen worden alle gemeenten door het kabinet, waaronder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, gestimuleerd en ondersteund om inclusieve speeltuinen te hebben. De afspraak is dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Het is aan gemeenten om lokaal, in nauwe samenspraak met inwoners met een beperking en vertegenwoordigende organisaties, vast te stellen hoe zij deze verplichting lokaal zo goed mogelijk opvolging kunnen geven.
Zijn er landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen? Zo ja, zou daar vanuit het ministerie enerzijds opnieuw aandacht voor gevraagd kunnen worden en anderzijds een doelstelling aan gekoppeld kunnen worden?
Er zijn geen landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen. Zoals hierboven geschetst, ondersteunt het SamenSpeelnetwerk gemeenten bij het toegankelijk maken van speeltuinen. De VNG maakt in de inspiratiebundel «Aan de slag met samen spelen»2 gebruik van de 100-70-50 regel die de speeltuinbende3 heeft opgesteld. Dit wil zeggen dat iedereen op speelplekken 100% welkom is, 70% van de ruimte toegankelijk en 50% van de voorzieningen bespeelbaar is voor ieder kind.
Bent u van mening dat het toegankelijk maken van speelplekken een verplichting is die voortvloeit uit het VN-verdrag Handicap? Zo nee, waarom niet?
Het VN-Verdrag Handicap benadrukt het recht om samen op te groeien en samen te spelen. Wij hebben met elkaar de verplichting om dit mogelijk te maken.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om hen te wijzen op het belang van inclusieve speelplekken en om hen te vragen dit standaard in hun beleid of lokale inclusie-agenda op te nemen? Zo nee, waarom niet?
De VNG is onderdeel van het samenspeelnetwerk. Het belang van samen spelen dragen zij uit naar gemeenten. In de handreiking «Lokale Inclusie Agenda» en praktijkvoorbeeldendatabank van de VNG wordt ook aandacht besteed aan inclusief spelen.
Fraude in de mondzorg in de Wlz door Vitadent |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van EenVandaag van 10 december 2025?1
Ja.
Was u ervan op de hoogte dat dit soort praktijken plaatsvinden?
Het is mij bekend dat Wlz-uitvoerders aangeven dat het ontbreken van doelmatigheidsnormen rondom mondzorg in de Wlz de controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van deze declaraties complex maakt. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft dat geconstateerd in het rapport «De kosten van onze langdurige zorg in 2024» dat ik op 16 december 20252 aan uw Kamer heb verzonden. Momenteel bestaan er geen richtlijnen ten aanzien van de duur en het aantal behandelingen bij Wlz-cliënten, waardoor Wlz-uitvoerders momenteel lastig kunnen concluderen of sprake is van eventuele overbehandeling. De NZa heeft gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz.
Erkent u dat het bij deze declaraties gaat om ondoelmatige én onrechtmatige zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Geleverde zorg moet verantwoord en doelmatig zijn en geleverd worden door personen die daartoe bevoegd zijn. Van belang is dat er sprake is van multidisciplinair overleg over de mondzorg tussen de medewerkers van het verpleeghuis en de tandartsenpraktijken. Daarbij is doelmatigheid van de verleende mondzorg ook een onderwerp van gesprek. Alleen daadwerkelijk geleverde zorg die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, mag worden gedeclareerd. De basis voor de te leveren zorg ligt vast in het (mond)zorgplan. Declaraties worden gecontroleerd door de Wlz-uitvoerders. Op basis van de uitzending kan ik geen antwoord geven op de vraag of in dit geval sprake is van ondoelmatige of onrechtmatige zorg.
Hoe kan het dat commerciële partijen uren van onbevoegden op naam van de algemeen gegevensbeheer zorgverleners, de agb-code, van een tandarts declareren?
De NZa heeft beleidsregels opgesteld over het declareren van geleverde uren. Alle partijen moeten daaraan voldoen. Onbevoegden mogen geen uren declareren. Wel is het zo dat preventie-assistenten een aantal werkzaamheden zelfstandig mogen uitoefenen, maar de basis daarvan ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts. De Wlz-uitvoerders controleren deze werkwijze.
Is er toezicht op misbruik van Wlz-gelden, oftewel het bewust stoppen met het leveren van mondzorg, of het onbevoegd dan wel niet volgens de geldende standaarden leveren daarvan (maar wel geld ontvangen daarvoor via de dagprijs) in het verpleeghuis?
De dagelijkse mondzorg (o.a. (hulp bij) tandenpoetsen) behoort tot de dagelijkse zorg en wordt geleverd door de medewerkers van het verpleeghuis. Alle zorg – dus ook de tandheelkundige zorg – moet voldoen aan de daartoe geldende wet- en regelgeving. Ik heb geen signalen dat verpleeghuizen stoppen met het leveren van mondzorg of tandheelkundige zorg. Wat ik wel zie, is dat steeds vaker de tandheelkundige zorg geleverd wordt in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis. Dat kan naar mijn idee passende zorg zijn – mits voldaan wordt aan alle daaraan te stellen eisen – en er is geen sprake van misbruik van Wlz-gelden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg die mondzorgprofessionals leveren. Hiernaast houdt de NZa toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders.
Als tijdens een bezoek blijkt dat de mondzorg niet in orde is, zal de IGJ een organisatie aanzetten/verplichten te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en veldnormen ten aanzien van mondzorg.
Hoe is het mogelijk dat mondverzorging (bijv. kunstgebit reinigen) behorend bij de ADL tegen 207 euro gedeclareerd wordt als mondzorg? Hoe oordeelt u hierover?
Het in rekening brengen van mondverzorging via de bekostiging van mondzorg is niet toegestaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft prestaties voor mondzorg waarin dit ook duidelijk staat beschreven. Als wordt aangetoond dat een zorgaanbieder mondverzorging uitvoert en daarvoor prestaties mondzorg in rekening brengt, is het aan de Zorgkantoren en eventueel de toezichthouder (NZa) om hiertegen op te treden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat gebitscontroles bij deze kwetsbare groep verpleeghuisbewoners in elk geval bij Vitadent werden uitgevoerd door preventieassistenten in plaats van tandartsen?
De NZa stelt op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) prestaties met bijbehorende tarieven vast. Er is daarbij sprake van functionele bekostiging, hetgeen betekent dat de NZa niet oplegt wie deze zorg mag leveren. De NZa gaat er daarbij wel vanuit dat de uitvoerende zorgaanbieder bevoegd en bekwaam is. Een gebitscontrole is niet als voorbehouden handeling opgenomen in de Wet BIG en mag in beginsel dus ook door niet BIG-geregistreerd zorgverleners worden uitgevoerd. In dit geval is de gebitscontrole dus niet voorbehouden aan tandartsen en mag die ook uitgevoerd worden door andere zorgverleners. De basis van de verrichtingen ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts.
Hoe oordeelt u over het bericht dat controles soms in een keukenstoel werden uitgevoerd en niet in een gewone tandartsstoel?
De huidige richtlijn voor mondzorg pleit ervoor tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving te laten plaatsvinden. Er is geen harde norm of regel die zegt dat dit moet. Uitgangspunt is dat tandartszorg geleverd wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden. Dit kan ook een mobiele praktijkruimte zijn.
Uitgangspunt is ook dat – als het in het voordeel is van de cliënt – een uitzondering gemaakt kan worden en de tandartszorg wel op de eigen kamer plaatsvindt. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen, fysiek en/of psychisch belastend kan zijn. Behandeling in de vertrouwde omgeving is dan vaak de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg, waarbij er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om dat ter plekke te doen. Vooralsnog ben ik van mening dat de huidige regelgeving afdoende is om excessen tegen te gaan.
Of de mondzorg in dit geval op een verantwoorde manier werd uitgevoerd hangt dus af van de context.
Is er toezicht op verpleeghuizen die het leveren van mondzorg staken of terugschroeven, en zijn hier overzichten van?
Bij de IGJ is geen informatie bekend over verpleeghuizen die mondzorg staken of terugschroeven, anders dan de recente berichtgeving in de media.
Bent u het eens met de conclusie dat mondzorg in deze situaties in de laatste levensfase gestaakt wordt, met alle mogelijke implicaties voor de gezondheid van dien?
Ik ben van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis.
Kunt u aangeven hoe groot de vergoeding (binnen het Wlz-tarief) voor tandzorg in een verpleeghuis is?
Alle kosten (m.u.v. het honorarium tandarts, de techniekkosten en de kosten voor narcose) die een zorgaanbieder moet maken om de mondzorg voor hun eigen cliënten te faciliteren zitten in het door de NZa vastgestelde tarief voor een zorgzwaartepakket (ZZP) verdisconteerd. Deze kosten zijn niet separaat geoormerkt en daardoor niet gespecificeerd in beeld. Ze zitten dus wel in het tarief, maar onbekend is hoeveel.
Hoeveel geld van het budget wordt «verdiend» als deze zorg achterwege blijft?
In het antwoord op vraag 11 heb ik aangegeven dat de kosten die zijn opgenomen in het ZZP-tarief niet gespecificeerd en daarmee zijn deze vragen niet te beantwoorden. Daarnaast ben ik van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd.
Heeft u inzicht hoeveel geld het in het geheel betreft door deze praktijken? Zo niet, bent u bereid dit te gaan onderzoeken, en op welke manier?
Zie antwoord vraag 12.
Welke acties gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er bestaan meerdere richtlijnen specifiek gericht op de mondzorg. Dit zijn onder andere:
Verder is er de standaard wet- en regelgeving in de zorg en het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». De IGJ heeft op basis van de bestaande richtlijnen en wet- en regelgeving een toetsingskader opgesteld voor mondzorg in de verpleeghuizen en een toetsingskader voor taakdelegatie in de mondzorg.
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de NZa recent gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz. Ik ondersteun deze oproep van de NZa.
Hoe oordeelt u over de constatering dat er te weinig normen zijn voor het leveren van tandzorg aan deze kwetsbare groep?
Zie antwoord vraag 14.
Kan gesteld worden dat er wordt gehandeld in strijd met de Wlz, aangezien verpleeghuizen worden betaald tandartsen te faciliteren? Indien dat geld aantoonbaar niet daaraan wordt uitgegeven, wat zijn dan de consequenties? Moet dit geld teruggegeven worden?
In het Wlz-tarief zit ook een component opgenomen om de tandheelkundige zorg voor cliënten die verblijven in een instelling die ook de behandeling levert te kunnen bekostigen. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangewezen is dat bedrag niet separaat geoormerkt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het afhankelijk van de context of de geboden zorg op de kamer van de bewoners verantwoord is.
Heeft u inzicht in de manier waarop mond- en tandzorg in het algemeen geleverd wordt in verpleeghuizen?
In 2015, 2016 en 2017 voerde de IGJ themabezoeken uit in verpleeghuizen gericht op mondzorg. Uit deze bezoeken kwamen over het algemeen positieve bevindingen. De inspectie bracht over deze bezoeken een factsheet uit en deelde deze met het veld.
De inspectie ontving afgelopen jaren een beperkt aantal meldingen over mond- en tandzorg in verpleeghuizen. Deze meldingen gaven in die periode geen aanleiding tot het intensiveren van het toezicht op de mondzorg in verpleeghuizen. De huidige aandacht en signalen geven hier wel aanleiding toe.
Kunt u aangeven wat er in werking is gezet sinds de vorige uitzending van EenVandaag over dit onderwerp, op 18 september 2025?
Ik bespreek dit signaal regelmatig in overleg met brancheorganisaties van aanbieders, zorgkantoren, IGJ en NZa. Ook de NZa heeft in een recent rapport (zie antwoord op vraag 2) aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van doelmatigheidsnormen.
Het afschaffen van de begeleidersregeling bij Nationaal Park Hoge Veluwe |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Rummenie , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra kosten voor gehandicapten in NP De Hoge Veluwe?»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er een klacht is ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens aangaande deze maatregel?
Ja.
Hoeveel nationale parken in Nederland hanteren een begeleidersregeling? Bestaat er eenduidig, landelijk beleid voor een begeleidersregeling voor nationale parken en andere recreatieplekken? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend hanteert alleen De Hoge Veluwe (een particulier park) de begeleidersregeling. Er is geen landelijk beleid voor begeleidersregelingen voor andere recreatievoorzieningen, dit valt onder regionaal beleid voor provincies en gemeenten.
Hoe rijmt het voornemen tot het afschaffen van de begeleidersregeling met artikel 5b, lid 1, en artikel 5c, lid 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte?
Deze wet vereist dat personen met een beperking gelijke toegang hebben tot diensten/goederen en dat, indien nodig en voor zover aanpassing binnen de wet redelijk is, maatregelen worden genomen om personen met een handicap of chronische ziekte gelijke toegang te geven. Echter, deze maatregelen moeten wel redelijkerwijs mogelijk zijn en geen onevenredige belasting vormen. Dit uitgangpunt geldt ook voor toegang tot nationale parken. De Hoge Veluwe is een particulier park met eigen verantwoordelijkheid over haar toegangsbeleid.
Hoe reflecteert u op de toegankelijkheid van recreatie- en natuurparken binnen Nederland voor mensen met een beperking, waarbij er rekening wordt gehouden met de variatie in beperkingen en de verschillende behoeften per soorten beperking?
Nationale parken moeten voldoen aan de voorwaarden van de Wet gelijke behandeling en de Omgevingswet (Art.3.68 BKL). In de Omgevingswet is vastgelegd dat de gebieden zijn opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied. De parken zijn zich bewust van het belang van een goede toegankelijkheid voor alle bezoekers en daarom wordt daar binnen de parken aandacht aan besteed. De recreatieparken in Nederland zijn particulier bezit, de rijksoverheid heeft daar geen zeggenschap over.
Welke rol ziet u voor uzelf en uw ambtscollega’s met betrekking tot het concreet verbeteren van de toegankelijkheid van recreatie voor mensen met een beperking?
Met de uitwerking van de werkagenda VN Verdrag Handicap zet de rijksoverheid stappen om natuur- en recreatieparken voor gehandicapten toegankelijk te maken. Door het Ministerie van Economische Zaken wordt in samenspraak met de recreatiesector een voorstel gemaakt voor mogelijke maatregelen op toegankelijke recreatie. Na vaststelling van deze maatregelen is het aan de recreatiesector om deze maatregelen uit te voeren. Hierin speelt de rijksoverheid een stimulerende, faciliterende en verbindende rol. Daar waar nodig worden organisaties in de sector hierop aangesproken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met nationale parken, waaronder NP De Hoge Veluwe, over begeleidersregelingen, en mensen met een beperking en hun belangenorganisaties en hierin met hen op zoek te gaan naar een passende oplossing?
Het Ministerie van LVVN heeft veelvuldig contact met alle nationale parken. De parken zijn zich bewust van het belang van toegankelijkheid van hun park en besteden daar aandacht aan. In de gesprekken met de nationale parken zal het ministerie het belang van de gelijke toegang voor iedereen blijven benadrukken.
Hoe zal de European Disability Card (EDC), die in de toekomst ingevoerd zal worden in Nederland, zich verhouden tot de gehandicaptenparkeerkaart (GPK)?
De European Disability Card (EDC) dient als communicatiemiddel voor mensen met een beperking. De EDC kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot specifieke toegankelijkheidsfaciliteiten die al beschikbaar zijn voor mensen met een beperking bij publieke of private dienstverleners, zowel nationaal als in andere Europese lidstaten.
De EDC zal bestaan naast de gehandicaptenparkeerkaart (GPK) die al tientallen jaren bestaat. Beide kaarten hebben hun eigen criteria voor toekenning en daarmee verschillende doelgroepen. De doelgroep van de EDC zal aanzienlijk ruimer zijn dan die van de GPK omdat de laatste alleen wordt verleend aan personen die door een aandoening redelijkerwijs een afstand van 100 meter niet te voet kunnen afleggen. De GPK speelt vooral een rol bij het parkeren op de openbare weg op de speciaal hiervoor gereserveerde plaatsen, meestal in combinatie met het specifieke verkeersbord dat in de regelgeving is vastgelegd. De kaart wordt door de gemeente verleend na onderzoek door een keuringsarts.
Het bericht dat tandartsketens ouderen als melkkoe gebruiken |
|
Sarah Dobbe |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tandartsketens ouderen als melkkoe gebruiken?1
Hoe kan het dat commerciële tandartsketens zonder duidelijke reden vijf mondzorgcontroles per jaar kunnen declareren?
Is het toegestaan om ouderen in een normale stoel aan de keukentafel een tandartscontrole te geven? Zo nee, waarom vindt dat dan alsnog plaats?
Bent u het ermee eens dat dit laat zien dat commerciële zorgbedrijven en de markt de zorg vaak duurder en slechter maken? Zo ja, bent u bereid om winstbejag in de hele zorg te verbieden?
Wat gaat u doen om de inzet van dit soort commerciële mondzorgketens uit de ouderenzorg te krijgen? Bent u bijvoorbeeld bereid om ouderenzorginstellingen hiervoor te waarschuwen?
Spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Moes |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang is?
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs, terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen (namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige voorzieningen logisch en uitlegbaar?
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja, kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel te monitoren?
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht2 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten? Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn3 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Problemen met de vergoeding van spraakcomputers voor mensen die zonder hulp niet of moeilijk kunnen communiceren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u ons een inschatting geven van hoeveel personen vanaf 1 januari 2024 een aanvraag gedaan hebben bij hun zorgverzekeraar of zorgkantoor voor een spraakcomputer of andere spraakhulpmiddelen?
Hoeveel aanvragen voor spraakcomputers of andere spraakhulpmiddelen zijn er sinds 1 januari 2024 (naar schatting) afgewezen en om welke redenen?
Hoeveel klachten zijn er sinds 1 januari 2024 door de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) ontvangen over de vergoedingen van spraakhulpmiddelen? Bij hoeveel van deze klachten is geoordeeld dat het besluit van de zorgverzekeraar onterecht was?
Kunt u toelichten op welke wijze de uitspraak van de SKGZ van 5 juni 2025 van invloed is op het beleid en de praktijk omtrent het wel of niet goedkeuren van vergoedingen voor spraakhulpmiddelen?1
Klopt het dat er momenteel nog steeds geen vergoeding mogelijk is voor (aangepaste) hardware voor spraakcomputers, ondanks de aangenomen motie Westerveld c.s. over het vergoeden van spraakcomputers en de eerder gestelde vragen over dit onderwerp?2
In hoeverre is de 1,8 miljoen euro die met het amendement-Westerveld is vrijgemaakt om spraakondersteuning voor mensen die onder de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen, uitgegeven aan dit doel?3
Welke redenen zijn er om de vergoeding voor de hardware af te wijzen, maar de vergoeding voor de software goed te keuren?
Bestaat er op dit moment een richtlijn voor zorgverzekeraars en zorgkantoren om te beoordelen of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening of dat aangepaste hardware nodig is?
Klopt het dat in de praktijk momenteel spraakcomputers die niet ooggestuurd zijn, weinig tot niet worden vergoed door zorgverzekeraars? Zo ja, kunt u aangeven op basis waarvan dit wordt besloten?
Heeft u inmiddels zicht op de groepen voor wie toegankelijkheid en beschikbaarheid van spraakhulpmiddelen een probleem is en hoe dit opgelost kan worden? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren?
Klopt het dat verschillende zorgverzekeraars de richtlijnen op verschillende wijzen interpreteren en hanteren zoals dat sommige zorgverzekeraars er voor kiezen spraakcomputers met touchbediening niet meer te vergoeden?
Kunt u aangeven welke criteria er gelden voor aanpassingen om te oordelen of een reguliere iPad dusdanig aangepast is dat het beschouwd kan worden als een geïntegreerd hulpmiddel en daarmee in aanmerking komt voor vergoeding?
Welke mogelijkheden ziet u voor het sturen op de mogelijkheid van een vergoeding van het totaalpakket, dat wil zeggen: passing-hardware-software-aanpassingen-ondersteuning?
Fraude in de mondzorg in de Wlz door Vitadent |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van EenVandaag van 10 december 2025?1
Ja.
Was u ervan op de hoogte dat dit soort praktijken plaatsvinden?
Het is mij bekend dat Wlz-uitvoerders aangeven dat het ontbreken van doelmatigheidsnormen rondom mondzorg in de Wlz de controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van deze declaraties complex maakt. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft dat geconstateerd in het rapport «De kosten van onze langdurige zorg in 2024» dat ik op 16 december 20252 aan uw Kamer heb verzonden. Momenteel bestaan er geen richtlijnen ten aanzien van de duur en het aantal behandelingen bij Wlz-cliënten, waardoor Wlz-uitvoerders momenteel lastig kunnen concluderen of sprake is van eventuele overbehandeling. De NZa heeft gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz.
Erkent u dat het bij deze declaraties gaat om ondoelmatige én onrechtmatige zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Geleverde zorg moet verantwoord en doelmatig zijn en geleverd worden door personen die daartoe bevoegd zijn. Van belang is dat er sprake is van multidisciplinair overleg over de mondzorg tussen de medewerkers van het verpleeghuis en de tandartsenpraktijken. Daarbij is doelmatigheid van de verleende mondzorg ook een onderwerp van gesprek. Alleen daadwerkelijk geleverde zorg die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, mag worden gedeclareerd. De basis voor de te leveren zorg ligt vast in het (mond)zorgplan. Declaraties worden gecontroleerd door de Wlz-uitvoerders. Op basis van de uitzending kan ik geen antwoord geven op de vraag of in dit geval sprake is van ondoelmatige of onrechtmatige zorg.
Hoe kan het dat commerciële partijen uren van onbevoegden op naam van de algemeen gegevensbeheer zorgverleners, de agb-code, van een tandarts declareren?
De NZa heeft beleidsregels opgesteld over het declareren van geleverde uren. Alle partijen moeten daaraan voldoen. Onbevoegden mogen geen uren declareren. Wel is het zo dat preventie-assistenten een aantal werkzaamheden zelfstandig mogen uitoefenen, maar de basis daarvan ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts. De Wlz-uitvoerders controleren deze werkwijze.
Is er toezicht op misbruik van Wlz-gelden, oftewel het bewust stoppen met het leveren van mondzorg, of het onbevoegd dan wel niet volgens de geldende standaarden leveren daarvan (maar wel geld ontvangen daarvoor via de dagprijs) in het verpleeghuis?
De dagelijkse mondzorg (o.a. (hulp bij) tandenpoetsen) behoort tot de dagelijkse zorg en wordt geleverd door de medewerkers van het verpleeghuis. Alle zorg – dus ook de tandheelkundige zorg – moet voldoen aan de daartoe geldende wet- en regelgeving. Ik heb geen signalen dat verpleeghuizen stoppen met het leveren van mondzorg of tandheelkundige zorg. Wat ik wel zie, is dat steeds vaker de tandheelkundige zorg geleverd wordt in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis. Dat kan naar mijn idee passende zorg zijn – mits voldaan wordt aan alle daaraan te stellen eisen – en er is geen sprake van misbruik van Wlz-gelden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg die mondzorgprofessionals leveren. Hiernaast houdt de NZa toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders.
Als tijdens een bezoek blijkt dat de mondzorg niet in orde is, zal de IGJ een organisatie aanzetten/verplichten te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en veldnormen ten aanzien van mondzorg.
Hoe is het mogelijk dat mondverzorging (bijv. kunstgebit reinigen) behorend bij de ADL tegen 207 euro gedeclareerd wordt als mondzorg? Hoe oordeelt u hierover?
Het in rekening brengen van mondverzorging via de bekostiging van mondzorg is niet toegestaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft prestaties voor mondzorg waarin dit ook duidelijk staat beschreven. Als wordt aangetoond dat een zorgaanbieder mondverzorging uitvoert en daarvoor prestaties mondzorg in rekening brengt, is het aan de Zorgkantoren en eventueel de toezichthouder (NZa) om hiertegen op te treden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat gebitscontroles bij deze kwetsbare groep verpleeghuisbewoners in elk geval bij Vitadent werden uitgevoerd door preventieassistenten in plaats van tandartsen?
De NZa stelt op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) prestaties met bijbehorende tarieven vast. Er is daarbij sprake van functionele bekostiging, hetgeen betekent dat de NZa niet oplegt wie deze zorg mag leveren. De NZa gaat er daarbij wel vanuit dat de uitvoerende zorgaanbieder bevoegd en bekwaam is. Een gebitscontrole is niet als voorbehouden handeling opgenomen in de Wet BIG en mag in beginsel dus ook door niet BIG-geregistreerd zorgverleners worden uitgevoerd. In dit geval is de gebitscontrole dus niet voorbehouden aan tandartsen en mag die ook uitgevoerd worden door andere zorgverleners. De basis van de verrichtingen ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts.
Hoe oordeelt u over het bericht dat controles soms in een keukenstoel werden uitgevoerd en niet in een gewone tandartsstoel?
De huidige richtlijn voor mondzorg pleit ervoor tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving te laten plaatsvinden. Er is geen harde norm of regel die zegt dat dit moet. Uitgangspunt is dat tandartszorg geleverd wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden. Dit kan ook een mobiele praktijkruimte zijn.
Uitgangspunt is ook dat – als het in het voordeel is van de cliënt – een uitzondering gemaakt kan worden en de tandartszorg wel op de eigen kamer plaatsvindt. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen, fysiek en/of psychisch belastend kan zijn. Behandeling in de vertrouwde omgeving is dan vaak de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg, waarbij er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om dat ter plekke te doen. Vooralsnog ben ik van mening dat de huidige regelgeving afdoende is om excessen tegen te gaan.
Of de mondzorg in dit geval op een verantwoorde manier werd uitgevoerd hangt dus af van de context.
Is er toezicht op verpleeghuizen die het leveren van mondzorg staken of terugschroeven, en zijn hier overzichten van?
Bij de IGJ is geen informatie bekend over verpleeghuizen die mondzorg staken of terugschroeven, anders dan de recente berichtgeving in de media.
Bent u het eens met de conclusie dat mondzorg in deze situaties in de laatste levensfase gestaakt wordt, met alle mogelijke implicaties voor de gezondheid van dien?
Ik ben van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis.
Kunt u aangeven hoe groot de vergoeding (binnen het Wlz-tarief) voor tandzorg in een verpleeghuis is?
Alle kosten (m.u.v. het honorarium tandarts, de techniekkosten en de kosten voor narcose) die een zorgaanbieder moet maken om de mondzorg voor hun eigen cliënten te faciliteren zitten in het door de NZa vastgestelde tarief voor een zorgzwaartepakket (ZZP) verdisconteerd. Deze kosten zijn niet separaat geoormerkt en daardoor niet gespecificeerd in beeld. Ze zitten dus wel in het tarief, maar onbekend is hoeveel.
Hoeveel geld van het budget wordt «verdiend» als deze zorg achterwege blijft?
In het antwoord op vraag 11 heb ik aangegeven dat de kosten die zijn opgenomen in het ZZP-tarief niet gespecificeerd en daarmee zijn deze vragen niet te beantwoorden. Daarnaast ben ik van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd.
Heeft u inzicht hoeveel geld het in het geheel betreft door deze praktijken? Zo niet, bent u bereid dit te gaan onderzoeken, en op welke manier?
Zie antwoord vraag 12.
Welke acties gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er bestaan meerdere richtlijnen specifiek gericht op de mondzorg. Dit zijn onder andere:
Verder is er de standaard wet- en regelgeving in de zorg en het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». De IGJ heeft op basis van de bestaande richtlijnen en wet- en regelgeving een toetsingskader opgesteld voor mondzorg in de verpleeghuizen en een toetsingskader voor taakdelegatie in de mondzorg.
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de NZa recent gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz. Ik ondersteun deze oproep van de NZa.
Hoe oordeelt u over de constatering dat er te weinig normen zijn voor het leveren van tandzorg aan deze kwetsbare groep?
Zie antwoord vraag 14.
Kan gesteld worden dat er wordt gehandeld in strijd met de Wlz, aangezien verpleeghuizen worden betaald tandartsen te faciliteren? Indien dat geld aantoonbaar niet daaraan wordt uitgegeven, wat zijn dan de consequenties? Moet dit geld teruggegeven worden?
In het Wlz-tarief zit ook een component opgenomen om de tandheelkundige zorg voor cliënten die verblijven in een instelling die ook de behandeling levert te kunnen bekostigen. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangewezen is dat bedrag niet separaat geoormerkt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het afhankelijk van de context of de geboden zorg op de kamer van de bewoners verantwoord is.
Heeft u inzicht in de manier waarop mond- en tandzorg in het algemeen geleverd wordt in verpleeghuizen?
In 2015, 2016 en 2017 voerde de IGJ themabezoeken uit in verpleeghuizen gericht op mondzorg. Uit deze bezoeken kwamen over het algemeen positieve bevindingen. De inspectie bracht over deze bezoeken een factsheet uit en deelde deze met het veld.
De inspectie ontving afgelopen jaren een beperkt aantal meldingen over mond- en tandzorg in verpleeghuizen. Deze meldingen gaven in die periode geen aanleiding tot het intensiveren van het toezicht op de mondzorg in verpleeghuizen. De huidige aandacht en signalen geven hier wel aanleiding toe.
Kunt u aangeven wat er in werking is gezet sinds de vorige uitzending van EenVandaag over dit onderwerp, op 18 september 2025?
Ik bespreek dit signaal regelmatig in overleg met brancheorganisaties van aanbieders, zorgkantoren, IGJ en NZa. Ook de NZa heeft in een recent rapport (zie antwoord op vraag 2) aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van doelmatigheidsnormen.
De behandeling van patiënten met Ehlers-Dantos. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten die het Ministerie van VWS en de Kamer vragen om zo spoedig mogelijk in actie te komen voor duizenden patiënten die geen, of onvoldoende hulp krijgen? Zo ja, herkent u de signalen en wat heeft u tot nu toe gedaan?
Ik ben bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten en ik neem hun zorgen serieus. De toegankelijkheid van zorg voor patiënten met zeldzame aandoeningen vind ik belangrijk. In het kader van deze oproep heb ik bij verschillende partijen navraag gedaan naar de actuele situatie.
Is bekend hoeveel mensen in Nederland het (hypermobiele) Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben? Hoe is de verdeling naar geslacht?
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben, noch wat de verdeling naar geslacht is. Er bestaat geen landelijke registratie en er zijn geen betrouwbare nationale prevalentiegegevens beschikbaar.
In de internationale literatuur lopen prevalentieschattingen sterk uiteen, variërend van ongeveer 1 op de 500 tot 1 op de 5.000 personen. Deze verschillen hangen samen met methodologische keuzes, variatie in gebruikte databronnen en verschillen in gehanteerde diagnostische criteria. Hierdoor zijn deze cijfers beperkt vergelijkbaar en niet zonder meer te vertalen naar de Nederlandse situatie.
Hoeveel van hen hebben geen of onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg?
Het is niet bekend welk aandeel van de mensen met het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) momenteel geen of onvoldoende zorg ontvangt. Voor deze specifieke doelgroep worden geen landelijke wachtlijsten bijgehouden en er zijn geen systematische gegevens beschikbaar over zorggebruik of zorgtoegang.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) en Zorgverzekeraars Nederland geven bij navraag aan dat bij hen geen signalen bekend zijn van onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg voor deze patiëntengroep.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC, aan dat hoewel exacte aantallen ontbreken, zowel klinische ervaring als signalen uit patiëntenorganisaties erop wijzen dat een deel van de patiënten in de praktijk onvoldoende toegang heeft tot passende zorg. Deze signalen betreffen met name tijdige diagnostiek, doorverwijzing naar gespecialiseerde zorg en de beschikbaarheid van multidisciplinaire behandeling.
Klopt het dat er nauwelijks artsen zijn met specifieke expertise op het gebied van hEDS en HSD? Hoe kan dit?
Er is in Nederland een beperkt aantal artsen die zich via onderzoek en wetenschappelijke expertise specifiek hebben toegelegd op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). Het betreft aandoeningen met een relatief beperkte patiëntengroep; uitgaande van een prevalentie van circa 1 op de 5.000 personen gaat het naar schatting om ongeveer 3.600 patiënten in Nederland. In Nederland zijn meer dan 7.000 zeldzame aandoeningen erkend. Hierdoor is de beschikbare onderzoeks- en expertisecapaciteit per afzonderlijke aandoening beperkt en bestaan slechts voor een deel van deze aandoeningen gespecialiseerde expertisecentra of onderzoeksgroepen.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan dat voor behandeling specifieke expertise in veel gevallen niet nodig is. Afhankelijk van de zorgvraag kunnen patiënten, op verwijzing van de huisarts of medisch specialist, bij reguliere revalidatie-instellingen terecht voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen.
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC geeft desondanks dat er behoefte is aan meer specifieke expertise. Zij stelt daarbij dat dit samenhangt met het ontbreken van duidelijke afspraken over waar de zorg voor hEDS en HSD structureel is belegd binnen de zorgketen. De zorg bevindt zich op het snijvlak van meerdere disciplines, zonder eenduidige verantwoordelijkheid, wat leidt tot versnippering en belemmeringen in de borging van expertise.
De door het expertisecentrum genoemde onduidelijkheid acht ik onwenselijk. Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Klopt het dat het Erasmus MC het enige academische expertisecentrum is dat zich op hEDS en HSD richt? Klopt het ook dat de wachtlijsten langer zijn dan een jaar en het academische expertisecentrum uitsluitend is voor diagnostiek in de derdelijnszorg? En dat er slechts enkele revalidatieartsen zijn, maar zij wachtlijsten hebben van soms meer dan vijf jaar?
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC is momenteel het enige academische expertisecentrum in Nederland dat zich specifiek richt op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). De zorg binnen dit centrum betreft derdelijnszorg en is primair diagnostisch van aard, aangevuld met advisering richting vervolgzorg in de eerste en tweede lijn.
Het expertisecentrum geeft aan dat de wachttijden voor deze specialistische diagnostiek langer dan een jaar bedragen.
Voor revalidatieartsen met specifieke expertise gericht op hEDS en HSD geldt eveneens dat het om een beperkt aantal zorgverleners gaat en dat wachttijden per regio en instelling sterk kunnen verschillen. Uitspraken over exacte wachttijden, waaronder wachttijden van meerdere jaren, zijn bij het ontbreken van landelijke gegevens niet te onderbouwen.
Niet alle mensen met hEDS of HSD hebben specialistische zorg nodig. Een deel kan volstaan met zelfzorg of begeleiding in de eerste lijn. Indien nodig kunnen patiënten, op verwijzing, terecht bij reguliere revalidatie-instellingen voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen, aldus de VRA.
Bent u het eens met de analyse van de Ehlers-Dantos-patiëntenvereniging dat er in Nederland geen multidisciplinaire aanpak is en ondanks dat internationaal de kennis en ontwikkeling toenemen, patiënten in Nederland hier nauwelijks profijt van hebben? Herkent u hun zorgen dat de problemen alleen maar groter worden?
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat de zorg voor deze patiëntengroep niet wordt georganiseerd. Vanuit de revalidatiegeneeskunde wordt aangegeven dat multidisciplinaire zorg binnen bestaande zorgstructuren mogelijk is.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC aan de analyse van de patiëntenvereniging te delen dat er geen structureel ingerichte multidisciplinaire aanpak bestaat voor hEDS en HSD. Het expertisecentrum herkent tevens de zorg dat de problematiek zonder structurele oplossingen kan toenemen.
Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Bent u ermee bekend dat revalidatiezorg vanaf 2026 niet meer wordt vergoed door (de meeste) zorgverzekeraars? Kunt u schetsen welke gevolgen dat heeft voor deze groep patiënten?
Ik heb hierover navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland. Zij geven aan dit beeld niet te herkennen. De zorg zoals revalidatieartsen die plegen te bieden blijft onderdeel van het vergoede pakket.
In uw vraag wordt vermoedelijk verwezen naar berichtgeving van zorgverzekeraar CZ. CZ heeft aangegeven vanaf 2026 medisch specialistische revalidatie alleen te vergoeden indien deze plaatsvindt in een revalidatiecentrum of ziekenhuis waar minimaal twee revalidatieartsen werkzaam zijn. CZ geeft aan dit van belang te vinden om intake en behandeling op één plek te laten plaatsvinden binnen een multidisciplinaire setting.
Kunt u verklaren waarom de zorg en hulp aan deze patiënten zo slecht toegankelijk is? Wat is uw verantwoordelijkheid hierin en welke verantwoordelijkheid hebben zorgverzekeraars?
Uit het contact met Zorgverzekeraars Nederland blijkt dat bij hen geen signalen bekend zijn dat de zorg voor patiënten met een indicatie voor revalidatiezorg slecht toegankelijk is.
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en zijn verplicht ervoor te zorgen dat verzekerde zorg in voldoende mate beschikbaar is.
Bent u bereid om voor het einde van 2025 samen met zorgverzekeraars te zorgen voor duidelijkheid over de vergoedingen?
De onderhandelingen over inkoopcontracten lopen momenteel. Zorgverzekeraars zijn op grond van beleidsregels van de NZa verplicht hun verzekerden te informeren over de gevolgen hiervan voor de vergoedingen. Er moet altijd duidelijkheid zijn over de vergoeding van verzekerde zorg. Verzekerden kunnen daarnaast contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor nadere informatie.
Deelt u de mening dat de andere problemen zoals wachtlijsten, gebrek aan expertise en kennis ook dienen te worden opgelost? Bent u bereid samen met de patiëntenvereniging, revalidatieartsen en andere deskundigen om tafel te gaan en een plan te maken voor een multidisciplinaire aanpak met oplossingen voor de korte en de lange termijn? Zo ja, op welke termijn gaat u hiermee beginnen? Zo nee, waarom niet?
Passende zorg moet voor alle patiënten toegankelijk zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is.
Vanuit het ministerie zal naar aanleiding van de gestelde vragen contact opgenomen worden met de patiëntenorganisatie om te bespreken welke belemmeringen bestaan om tot afspraken te komen over taken en verantwoordelijkheden binnen het zorgpad.
Kunt u deze vragen met spoed behandelen en uiterlijk in de week van 15 december 2025 de antwoorden aan de Kamer sturen?
Dit is helaas niet gelukt. De afstemming met verschillende partijen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen en Zorgverzekeraars Nederland, heeft meer tijd in beslag genomen.
Het gebruik van robots in de ouderenzorg |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Regels voor robots in ouderenzorg nodig: «De menselijke maat moet gehandhaafd blijven»»?1
Het nieuwsitem geeft een beeld hoe de ouderenzorg zich ontwikkelt en welke vraagstukken er spelen als het gaat om innovatieve technologie.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots in de ouderenzorg alleen een aanvulling kan zijn op de inzet van zorgverleners als mensen dat zelf willen en dat ouderen dus de optie moeten houden van menselijke zorg?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zoals in het HLO is beschreven kan slimme digitale ondersteuning directe voordelen bieden voor ouderen en zorgverleners. Robots kunnen een aanvulling zijn op de inzet van zorgverleners zodat zorgverleners tijd hebben om de intensieve zorg uit te blijven voeren. Ouderen behouden hierdoor de menselijke zorg.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots vooral nuttig kan zijn bij taken waarbij sociaal contact minder belangrijk is en veel minder voor zorgtaken die ook een belangrijke sociale functie hebben?
Ja, hier ben ik het mee eens. Robots moeten ingezet worden zodat mensen het mensenwerk kunnen doen.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots geen alternatief is voor een echte inzet op het oplossen van het personeelstekort in de zorg? Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie-Dobbe, die opriep «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?2
Het inzetten van robots is één van de vele technologieën die wordt ingezet om het personeel in de zorg te ondersteunen om invulling te geven aan het personeelstekort. Daarbij kan inzet van technologie wel degelijk een bijdrage leveren aan het oplossen van het arbeidsmarktvraagstuk. Naast de voordelen op het gebied van personeel kan inzet van technologie de zorg ook aanvullen en zorgen voor betere ondersteuning aan de cliënt. Een voorbeeld is zorgrobot Tessa die al bij meer dan 175 zorgorganisaties wordt gebruikt. Tessa begeleidt cliënten verbaal en herinnert hen aan (zorg)taken zodat ze de taken ook uitvoeren wat hun zelfredzaamheid vergroot.
De motie-Dobbe roept op om een wervingscampagne in de zorg te starten. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het brede arbeidsmarktbeleid in de zorg. Hij merkt op dat werving van personeel de verantwoordelijkheid is van werkgevers in zorg en welzijn. Het Ministerie van VWS is, in tegenstelling tot het Ministerie van Defensie, geen werkgever. Tevens zijn er in vele maatschappelijke sectoren personeelstekorten en acht hij het gelet daarop ook niet passend om een dergelijke grootschalige wervingscampagne vanuit het Ministerie van VWS op te zetten. Dit is in lijn met de brede arbeidsmarktagenda van dit kabinet, waarin voor de sectorale inzet juist de afstemming en samenwerking tussen sectoren wordt onderstreept 3.
Om deze redenen ziet de Minister van VWS af van de uitvoering van deze motie. Wel is hij, gelet op de urgentie van de personeelstekorten in de sector, bereid om te onderzoeken welke andere opties er zijn om met de beschikbare middelen invulling te geven aan de gedachte achter deze motie. In het AZWA is bijvoorbeeld afgesproken dat bestaande loopbaaninstrumenten die bijdragen aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet worden. Hij zal uw Kamer voor de begrotingsbehandeling nader informeren over de uitkomst hiervan.
Bent u het ermee eens dat robots niet ingezet mogen worden voor zorg of ondersteuning bij ouderen tenzij deze goedgekeurde en getest zijn en ouderen nooit proefkonijn mogen zijn voor bedrijven? In hoeverre wordt dit nu gegarandeerd?
Robots moeten goedgekeurd en getest zijn voordat ze worden ingezet. Zo bestaat er Europese en Nederlandse normering voor zorgtechnologie. Veiligheid, privacy en betrouwbaarheid zijn absolute randvoorwaarden voor de inzet van zorgtechnologie. Ouderen mogen niet als proefkonijn dienen en onderzoek wordt getoetst bij regionale Medisch Ethische Toetsingscommissies.
Bent u het ermee eens dat, als robots worden ingezet voor ondersteuning, deze toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor iedereen en niet alleen voor mensen die geld hebben? In hoeverre wordt hier nu rekening mee gehouden?
Zorg moet altijd toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn, dat geldt ook voor robots die worden ingezet in de zorg.
Bent u het ermee eens dat er regels nodig zijn om te bepalen wanneer robots verantwoord kunnen worden ingezet in de zorg?
De stelselverantwoordelijkheid van VWS reikt niet tot ontwikkelaars van zorgtechnologie. Daarnaast stelt de sector zelf kwaliteitskaders op voor de langdurige zorg, zoals in de ouderenzorg het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». Inzet van technologie is hier onderdeel van. Als er vanuit de zorgsector behoefte is om richtlijnen/ ethische regels aan te scherpen dan kan de zorgsector daartoe zelf het initiatief nemen.
Welke stappen worden momenteel gezet om regels op te stellen voor de inzet van robots in de ouderenzorg? In hoeverre wordt daarbij ook rekening gehouden met het feit dat commerciële producenten van zorgrobots niet altijd dezelfde belangen hebben als de ouderen en zorgverleners die deze gebruiken?
Ik ben niet bekend met regels die op dit moment worden ontwikkeld voor de inzet van robots in de ouderenzorg. Wel worden door organisaties zoals Vilans handvaten aan de sector aangeboden om digitaal hybride zorgtechnologie goed te organiseren.
Het nieuwsbericht ‘Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Daan de Kort (VVD) |
|
Rijkaart , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin»? Zo ja, wat is uw reactie op dit bericht?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben van mening dat alle kinderen, ook kinderen die een beperking hebben, moeten kunnen spelen in een speeltuin, samen met andere kinderen. Er zijn nog steeds te veel gemeenten waar geen speeltuinen zijn waar kinderen met een beperking terecht kunnen. Daarom is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd.
In het nieuwsbericht van de NOS wordt beschreven dat één op de drie kinderen met een handicap nooit bij een speelplek in de eigen buurt komt. Als ze dat wel doen speelt een kwart daar vaak alleen. Wat is uw reactie op deze cijfers van Stichting het Gehandicapte Kind?
Deze cijfers vind ik zeer verdrietig. Kinderen met en zonder beperking moeten met elkaar kunnen opgroeien en spelen. Al sinds de ondertekening van het SamenSpeelAkkoord in 2019 wordt ingezet op een inclusieve speelcultuur met meer samenspeelplekken en meer en beter toegankelijke kennis over samen spelen. De inzet die Jantje Beton en Het Gehandicapte Kind hierop plegen, is van groot belang voor het realiseren van een echte inclusieve speelcultuur. Ook de VNG maakt onderdeel uit van dit netwerk en denkt actief mee. Zij dragen bij aan activiteiten in het netwerk en verspreiden ook actief informatie via haar kanalen en zullen dit ook in de toekomst blijven doen.
Bent u het eens dat er nog veel winst te halen valt bij het inclusiever maken van speeltuinen in Nederland? Hoe worden gemeenten vanuit het Rijk gestimuleerd om speeltuinen inclusiever te maken? Zowel wel bij aanleg van een nieuwe speeltuin als bij een herontwikkeling of vernieuwing?
Buitenspelen is primair een taak van gemeenten. Binnen GALA en Sportakkoord II is aandacht voor de beweegvriendelijke omgeving en buitenspelen in de openbare ruimte. VWS ondersteunt het SamenSpeelNetwerk, dat informatie en expertise ter beschikking stelt om zowel gemeenten als bedrijven te ondersteunen die werk willen maken van samen spelen. Zoals gezegd is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Daarnaast verkent VWS samen met partners hoe inclusiviteit een plek krijgt in de (interdepartementale) stimulering en ontwikkeling van groen/blauwe schoolpleinen, de speelleeromgeving van scholen.
Uit het bericht blijkt dat 155 gemeenten in Nederland nog geen aangepaste speelplek hebben. Wat is uw reactie op dit aantal en hoe worden deze gemeenten al ondersteund om hun speeltuinen inclusiever in te richten?
Middels een meerjarige subsidie van VWS aan het SamenSpeelFonds wordt ingezet op een landelijke dekking van inclusieve speeltuinen. In samenspraak met het SamenSpeelFonds hebben we de reikwijdte van het programma verbreed waardoor ook gemeenten een aanvraag in kunnen dienen. Doel is om eind 2026 in 70% van de gemeenten een inclusieve speeltuin gerealiseerd te hebben. Eind 2030 moet in lijn met de strategie «Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030» 100% van de Nederlandse gemeenten een inclusieve speeltuin hebben.
Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om het verschil tussen gemeenten met en zonder toegankelijke speelplekken te verkleinen en er zo voor te zorgen dat in iedere gemeente er in ieder geval één toegankelijke speelplek te vinden is voor kinderen met een handicap?
De overheden, dus ook gemeenten, zijn op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht om het mogelijk te maken dat ook kinderen met een beperking mee kunnen doen. Zoals gezegd is buitenspelen primair een taak van gemeenten. Met de eerder in deze brief genomen maatregelen worden alle gemeenten door het kabinet, waaronder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, gestimuleerd en ondersteund om inclusieve speeltuinen te hebben. De afspraak is dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Het is aan gemeenten om lokaal, in nauwe samenspraak met inwoners met een beperking en vertegenwoordigende organisaties, vast te stellen hoe zij deze verplichting lokaal zo goed mogelijk opvolging kunnen geven.
Zijn er landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen? Zo ja, zou daar vanuit het ministerie enerzijds opnieuw aandacht voor gevraagd kunnen worden en anderzijds een doelstelling aan gekoppeld kunnen worden?
Er zijn geen landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen. Zoals hierboven geschetst, ondersteunt het SamenSpeelnetwerk gemeenten bij het toegankelijk maken van speeltuinen. De VNG maakt in de inspiratiebundel «Aan de slag met samen spelen»2 gebruik van de 100-70-50 regel die de speeltuinbende3 heeft opgesteld. Dit wil zeggen dat iedereen op speelplekken 100% welkom is, 70% van de ruimte toegankelijk en 50% van de voorzieningen bespeelbaar is voor ieder kind.
Bent u van mening dat het toegankelijk maken van speelplekken een verplichting is die voortvloeit uit het VN-verdrag Handicap? Zo nee, waarom niet?
Het VN-Verdrag Handicap benadrukt het recht om samen op te groeien en samen te spelen. Wij hebben met elkaar de verplichting om dit mogelijk te maken.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om hen te wijzen op het belang van inclusieve speelplekken en om hen te vragen dit standaard in hun beleid of lokale inclusie-agenda op te nemen? Zo nee, waarom niet?
De VNG is onderdeel van het samenspeelnetwerk. Het belang van samen spelen dragen zij uit naar gemeenten. In de handreiking «Lokale Inclusie Agenda» en praktijkvoorbeeldendatabank van de VNG wordt ook aandacht besteed aan inclusief spelen.
Het bericht 'Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang»?1
Bent u bekend met de Italiaanse wet waarin femicide officieel wordt erkend als misdrijf en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf?
Welke juridische criteria worden gebruikt om femicide te onderscheiden van andere vormen van moord in de Italiaanse wet? Hoe verhoudt zich dit tot de bewijslast dat moet worden kunnen bewezen dat het slachtoffer is vermoord omdat zij vrouw is?
Op basis van welke motivatie wordt aan femicide een strafverzwarend kenmerk toegevoegd in de Italiaanse wet?
Is de redenering in de Italiaanse wet ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Hoe ziet u een Nederlandse versie van de Italiaanse wet? Welke voordelen en nadelen ziet u? Welke implicaties heeft het erkennen van femicide als apart misdrijf voor de opsporing en vervolging van de dader, de hulp en bescherming van de slachtoffers en prioritering bij het Openbaar Ministerie?
Zijn de rode vlaggen van femicide zoals onder andere stalking, (poging tot) verwurging, huiselijk geweld en dwingende controle opgenomen in deze Italiaanse wet? Zo ja, op welke manier is dit gebeurd en is dit ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Welke elementen uit de Italiaanse wet zouden wel en niet toepasbaar zijn binnen de Nederlandse kaders?
Bent u op de hoogte of er andere landen zijn die vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd of voornemens zijn dit te doen? Zo ja, zou u per land kunnen aangeven welke mogelijkheden u ziet om hun wetgeving toe te passen op Nederland? Heeft u bijvoorbeeld over dit onderwerp al eens contact gehad met uw Belgische counterpart over hun «femicinide wet»? Bent u bereid deze vragen één voor één en voor het kerstreces te beantwoorden?
Het afschaffen van de begeleidersregeling bij Nationaal Park Hoge Veluwe |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Rummenie , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra kosten voor gehandicapten in NP De Hoge Veluwe?»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er een klacht is ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens aangaande deze maatregel?
Ja.
Hoeveel nationale parken in Nederland hanteren een begeleidersregeling? Bestaat er eenduidig, landelijk beleid voor een begeleidersregeling voor nationale parken en andere recreatieplekken? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend hanteert alleen De Hoge Veluwe (een particulier park) de begeleidersregeling. Er is geen landelijk beleid voor begeleidersregelingen voor andere recreatievoorzieningen, dit valt onder regionaal beleid voor provincies en gemeenten.
Hoe rijmt het voornemen tot het afschaffen van de begeleidersregeling met artikel 5b, lid 1, en artikel 5c, lid 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte?
Deze wet vereist dat personen met een beperking gelijke toegang hebben tot diensten/goederen en dat, indien nodig en voor zover aanpassing binnen de wet redelijk is, maatregelen worden genomen om personen met een handicap of chronische ziekte gelijke toegang te geven. Echter, deze maatregelen moeten wel redelijkerwijs mogelijk zijn en geen onevenredige belasting vormen. Dit uitgangpunt geldt ook voor toegang tot nationale parken. De Hoge Veluwe is een particulier park met eigen verantwoordelijkheid over haar toegangsbeleid.
Hoe reflecteert u op de toegankelijkheid van recreatie- en natuurparken binnen Nederland voor mensen met een beperking, waarbij er rekening wordt gehouden met de variatie in beperkingen en de verschillende behoeften per soorten beperking?
Nationale parken moeten voldoen aan de voorwaarden van de Wet gelijke behandeling en de Omgevingswet (Art.3.68 BKL). In de Omgevingswet is vastgelegd dat de gebieden zijn opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied. De parken zijn zich bewust van het belang van een goede toegankelijkheid voor alle bezoekers en daarom wordt daar binnen de parken aandacht aan besteed. De recreatieparken in Nederland zijn particulier bezit, de rijksoverheid heeft daar geen zeggenschap over.
Welke rol ziet u voor uzelf en uw ambtscollega’s met betrekking tot het concreet verbeteren van de toegankelijkheid van recreatie voor mensen met een beperking?
Met de uitwerking van de werkagenda VN Verdrag Handicap zet de rijksoverheid stappen om natuur- en recreatieparken voor gehandicapten toegankelijk te maken. Door het Ministerie van Economische Zaken wordt in samenspraak met de recreatiesector een voorstel gemaakt voor mogelijke maatregelen op toegankelijke recreatie. Na vaststelling van deze maatregelen is het aan de recreatiesector om deze maatregelen uit te voeren. Hierin speelt de rijksoverheid een stimulerende, faciliterende en verbindende rol. Daar waar nodig worden organisaties in de sector hierop aangesproken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met nationale parken, waaronder NP De Hoge Veluwe, over begeleidersregelingen, en mensen met een beperking en hun belangenorganisaties en hierin met hen op zoek te gaan naar een passende oplossing?
Het Ministerie van LVVN heeft veelvuldig contact met alle nationale parken. De parken zijn zich bewust van het belang van toegankelijkheid van hun park en besteden daar aandacht aan. In de gesprekken met de nationale parken zal het ministerie het belang van de gelijke toegang voor iedereen blijven benadrukken.
Hoe zal de European Disability Card (EDC), die in de toekomst ingevoerd zal worden in Nederland, zich verhouden tot de gehandicaptenparkeerkaart (GPK)?
De European Disability Card (EDC) dient als communicatiemiddel voor mensen met een beperking. De EDC kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot specifieke toegankelijkheidsfaciliteiten die al beschikbaar zijn voor mensen met een beperking bij publieke of private dienstverleners, zowel nationaal als in andere Europese lidstaten.
De EDC zal bestaan naast de gehandicaptenparkeerkaart (GPK) die al tientallen jaren bestaat. Beide kaarten hebben hun eigen criteria voor toekenning en daarmee verschillende doelgroepen. De doelgroep van de EDC zal aanzienlijk ruimer zijn dan die van de GPK omdat de laatste alleen wordt verleend aan personen die door een aandoening redelijkerwijs een afstand van 100 meter niet te voet kunnen afleggen. De GPK speelt vooral een rol bij het parkeren op de openbare weg op de speciaal hiervoor gereserveerde plaatsen, meestal in combinatie met het specifieke verkeersbord dat in de regelgeving is vastgelegd. De kaart wordt door de gemeente verleend na onderzoek door een keuringsarts.
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
Dreigende opnamestops in de gehandicaptenzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicaptenzorg waarschuwt voor opnamestops vanwege personeelstekort»?1 Herkent u dit beeld?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ik herken deels het beeld dat wordt geschetst. Ik zie zorgorganisaties die kampen met personeelstekorten en een dagelijkse strijd voeren om de roosters rond te krijgen. Ik spreek zorgverleners die in hun vrije tijd bijspringen en zich zorgen maken over de toekomst.
Aan de andere kant zie ik ook zorgorganisaties die minder moeite hebben om personeel aan te trekken en hun roosters, al dan niet met een flexibele schil, op te vullen. Dit geeft aan dat het beeld genuanceerder ligt dan het bericht oproept.
Klopt het dat de crisisopvang als eerste te maken krijgt met een opnamestop als het personeelstekort verder oploopt? Zo ja, waar kunnen mensen met een beperking die thuis wonen opgevangen worden als de noodzaak er is? Wat zijn de alternatieven als er een opnamestop komt?
Wanneer zorgorganisaties kampen met personeelstekorten, kiezen zij zelf voor bepaalde maatregelen. Dat hoeft niet altijd een opnamestop of de crisisopvang te betreffen. Ik heb geen zicht op de individuele maatregelen van zorgorganisaties. Wel zie ik dat er in de regio’s wordt samengewerkt en gezamenlijk naar oplossingen wordt gezocht, al dan niet met het zorgkantoor.
Indien er sprake is van crisisopvang is het de verantwoordelijkheid van het zorgkantoor om een geschikte plek te vinden. Ik heb tot op heden geen specifieke signalen over de crisisopvang van het zorgkantoor ontvangen dat zij hun zorgplicht hierin niet kunnen vervullen.
Kunt u aangeven hoe groot de huidige personeelstekorten zijn binnen de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Nee, dat kan ik niet. Er zijn geen cijfers over deelsectoren beschikbaar. Voor de gehele gehandicaptenzorg staan er momenteel (Q4 2025) 8.700 vacatures open.
Wat is uw reactie op de brandbrief van 14 organisaties uit de gehandicaptenzorg, verzonden op 16 oktober jongstleden?2 Herkent u de zorgen die zij schetsen?
Ik kan me voorstellen dat de brievenschrijvers zich hier zorgen over maken. Ik heb de partijen uitgenodigd om zeer binnenkort over hun brief in gesprek te gaan.
Welke oplossingsrichtingen zijn er op korte termijn om te voorkomen dat het personeelstekort dusdanig verder oploopt dat instellingen genoodzaakt zijn om opnamestops in te stellen? Bent u ook bereid om deze maatregelen te nemen? Zo ja, wat voor tijdspad ziet u voor zich? Zo nee, kunt u per oplossingsrichting aangeven waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat de arbeidsmarkt niet alleen in de gehandicaptenzorg onder druk staat, maar dat dit zorgbreed speelt. Het arbeidsmarkttekort is een complex probleem met vele oorzaken zonder een eenduidige oplossing. Het is een probleem dat niet door één partij is op te lossen, maar iets vraagt van de hele sector, de overheid en de maatschappij. Ik hoop daarom dat de werkgevers, beroepsverenigingen, cliëntenorganisaties en zorgkantoren samen met mij naar oplossingen willen zoeken die ook op langere termijn de toekomstbestendigheid van de sector verstevigen.
In diverse moties van de Tweede Kamer wordt met het oog op de continuïteit van zorg, in verschillende bewoordingen, verzocht om een benodigde flexibele schil te kunnen behouden voor de zorg of te komen tot maatregelen om de zorgsector de ruimte te blijven geven om te werken met zelfstandigen. De Minister van VWS is met een aantal brancheorganisaties in de zorg in overleg over de verschillende mogelijkheden die er op basis van huidige wet- en regelgeving zijn om een flexibele schil te behouden. Hierbij wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil. De inzichten uit dit lopende traject kunnen ook worden gebruikt voor oplossingsrichtingen binnen de gehandicaptenzorg. Het is daarbij voor alle partijen van belang te onderkennen dat in de zorg een beweging naar meer loondienstverbanden wenselijk is.
Op de korte termijn zie ik ook kansen om het verzuim en verloop van medewerkers structureel aan te pakken. Het Preventieplan Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn3, een initiatief van Stichting IZZ, PGGM, en FWG Progressional People biedt concrete handvatten om werkgerelateerd verzuim en ongewenst verloop met een kwart te verlagen. Het is aan de werkgevers om deze bouwstenen te verankeren in de dagelijkse praktijk.
Hoe lang zijn momenteel de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Het aantal wachtenden is in te delen in drie categorieën, namelijk; «wacht op voorkeur», «actief plaatsen» en «urgent plaatsen».
Voor de gehandicaptenzorg kan een splitsing gemaakt worden per deelsector en per zorgprofiel/zorgzwaartepakket, maar niet op basis van een beperking. Bij de interpretatie van deze cijfers moet rekening gehouden worden met het feit dat mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek niet altijd in deze cijfers terug te zien zijn, door uiteenlopende oorzaken. Zoals mijn ambtsvoorganger in Kamerbrief 24 170, nr. 357 («vervolg complexe zorg, gehandicaptenzorg- juni 20254)» heeft aangegeven, wordt in het kader van de bestuurlijke afspraken complexe zorg, waar ik met Ieder(in), VGN, en ZN intensief samenwerk, gewerkt aan het in beeld krijgen van alle mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek, zodat zo snel mogelijk een passende plek gevonden kan worden.
Hieronder treft u de wachtlijstcijfers over het derde kwartaal van 2025, per zorgzwaartepakket5.
zzp 1 VG Wonen met enige begeleiding.
7
0
7
0
zzp 2 VG Wonen met begeleiding.
24
3
21
0
zzp 3 VG Wonen met begeleiding en ver.
352
247
104
1
zzp 4 VG Wonen met begeleiding en int.
273
220
53
0
zzp 5 VG Wonen met intensieve begelei.
146
115
30
1
zzp 6 VG Wonen met intensieve begelei.
339
212
127
0
zzp 7 VG (Besloten) wonen met zeer in.
152
98
52
2
zzp 8 VG Wonen met begeleiding en vol.
54
35
19
0
zzp 1 LVG Wonen met enige behandeling.
0
0
0
0
zzp 2 LVG Wonen met behandeling en be.
4
2
2
0
zzp 3 LVG Wonen met intensieve behand.
22
2
20
0
zzp 4 LVG Wonen met zeer intensieve b.
8
4
4
0
zzp 5 LVG Besloten wonen met zeer int.
1
0
1
0
zzp 1 SGLVG Behandeling in een SGLVG.
18
1
17
0
zzp 1 LG Wonen met enige begeleiding.
0
0
0
0
zzp 2 LG Wonen met begeleiding en eni.
29
14
15
0
zzp 3 LG Wonen met enige begeleiding.
1
1
0
0
zzp 4 LG Wonen met begeleiding en ver.
102
79
23
0
zzp 5 LG Wonen met begeleiding en int.
25
17
7
1
zzp 6 LG Wonen met intensieve begelei.
116
76
37
3
zzp 7 LG Wonen met zeer intensieve be.
11
5
5
1
zzp 1 ZG visueel Wonen met enige bege.
0
0
0
0
zzp 2 ZG visueel Wonen met begeleidin.
2
2
0
0
zzp 3 ZG visueel Wonen met intensieve.
4
2
2
0
zzp 4 ZG visueel Wonen met intensieve.
7
2
4
1
zzp 5 ZG visueel Wonen met zeer inten.
2
2
0
0
zzp 1 ZG auditief Wonen met begeleidi.
1
0
1
0
zzp 2 ZG auditief Wonen met intensiev.
4
2
2
0
zzp 3 ZG auditief Wonen met intensiev.
6
4
2
0
zzp 4 ZG auditief Wonen met intensiev.
1
1
0
0
Welke gevolgen zou het verder oplopen van de personeelstekorten hebben voor de wachttijden binnen de gehandicaptenzorg en de kwaliteit van de gehandicaptenzorg?
Op basis van de laatste prognoses is het de verwachting dat het personeelstekort in de gehandicaptenzorg verder gaat oplopen. Niet uit te sluiten valt dat zorgaanbieders in reactie op een oplopend personeelstekort overwegen woningen of afdelingen te sluiten waardoor de wachttijden verder zouden oplopen. Ik zet er vol op in dat we niet in deze situatie terecht komen. We moeten daarom op een andere manier gaan kijken naar hoe we de zorg organiseren en tegelijkertijd goede kwaliteit van zorg behouden. De afgelopen jaren heb ik al veel goede voorbeelden gezien6 waarvan ik denk dat we de kansen nog meer kunnen benutten waardoor de wachttijden binnen aanvaardbare kaders blijven en de kwaliteit gewaarborgd blijft.
Op welke concrete manier wordt de kwaliteit van de zorg geborgd, ondanks de personeelstekorten?
Het waarborgen van de kwaliteit van zorg is primair de verantwoordelijkheid van een zorgorganisatie. De taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is toezicht te houden op de kwaliteit van de zorg.
Deelt u de verwachting dat het structurele personeelstekort in de gehandicaptenzorg zal oplopen tot 33.400 in 2033? Zo nee, waarom niet en wat is dan wel uw verwachting?
Volgens het beleidsarme Referentiescenario van de arbeidsmarktprognose 2024 bedroeg het verwachte personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2034 circa 33.400 personen7 Op 19 december jl. is uw kamer op de hoogte gebracht van de uitkomsten van een nieuwe arbeidsmarktprognose (arbeidsmarktprognose 2025)8 Het personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2035 zal volgens deze nieuwe prognose oplopen tot iets minder dan 24 duizend personen volgens het Referentiescenario en ruim 20 duizend personen volgens het scenario Beleid. In het scenario Beleid zijn onder meer de ambities ten aanzien van arbeidsbesparing vanuit het AZWA en HLO meegenomen, waardoor de tekorten in de branches met akkoorden lager uitkomen. Het tekort in de gehandicaptenzorg komt volgens dat scenario ook lager uit doordat de branches met akkoorden minder arbeidsmarktspanning ervaren en verondersteld wordt dat deze branches daardoor iets minder inspanning leveren om personeel aan te trekken uit.
Daarbij is het goed om op te merken dat het primaire doel van het prognosemodel is om sturingsinformatie te geven aan partijen (en onszelf) om hierop te acteren. Beleidswijzigingen en gedragsveranderingen zullen ervoor zorgen dat het tekort uiteindelijk anders zal uitvallen in 2035 dan geraamd, nog los van de onzekerheid die zit in allerlei exogene factoren (zoals de personeelskrapte in de rest van de economie die ook van invloed is op de personeelstekorten in de gehandicaptenzorg).
Kunt u een opsommen welke concrete maatregelen u de afgelopen jaren hebt genomen om het personeelstekort in de gehandicaptenzorg tegen te gaan? Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze maatregel, naar uw mening, heeft bijgedragen aan het tegengaan van het personeelstekort?
Samen met de sector wordt uitvoering gegeven aan de Toekomstagenda Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking9. Hoofdstuk 5 richt zich specifiek op Arbeidsmarkt en Vakmanschap. Samen met de VGN, BPSW, Ieder(in), NVAVG, NIP, NVO, V&VN en ZN geef ik invulling aan de speerpunten boeien, binden en benutten van personeel. Via een jaarlijkse rapportage10 houd ik de Kamer op de hoogte van de maatregelen en resultaten van de Toekomstagenda.
De afgelopen jaren zijn er ook zorgbreed verschillende programma’s gestart en akkoorden gesloten, zoals de Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ), het Integraal Zorgakkoord (IZA), het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) met als doel om het stijgende arbeidsmarkttekort zorgbreed te verlagen. De gehandicaptenzorg is niet aangesloten bij deze akkoorden, maar de verwachting is dat deze akkoorden een zorgbreed effect hebben. Bij de uitvoering van sommige maatregelen wordt de subsidie ook specifiek beschikbaar gesteld voor de gehandicaptenzorg. Zo is met de partijen van het AZWA afgesproken om in te zetten op het versterken van een lerende omgeving. Organisaties in de gehandicaptenzorg kunnen in 2026 ook aanspraak maken op de subsidie voor het stimuleren van strategische opleidingsactiviteiten in zorg en welzijn.
Kunt u een opsomming geven van de concrete maatregelen en acties die ingezet worden om meer personeel te werven voor de gehandicaptenzorg? Kunt u per maatregel aangeven wat u gaat doen en wat u gaat doen om de effectiviteit te beoordelen?
Het wervingsbeleid van zorgorganisaties is de verantwoordelijkheid van werkgevers. Voor maatregelen die zijn ingezet om het personeelstekort tegen te gaan verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Kunt u een opsomming geven van de diverse factoren die spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg? Kunt u per oorzaak ook concreet maken hoe dit bijdraagt aan het personeelstekort en op welke manieren dit is aan te pakken?
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg, zoals onder andere vergrijzing, verschuivingen tussen branches, uitstroom/verloop, ziekteverzuim, personeel in deeltijd, toenemende zorgvraag en arbeidsomstandigheden. Ik wil hierbij benadrukken dat deze factoren per regio en per organisatie heel verschillend kunnen zijn. Er is dus niet één veelbelovende oplossing.
Ik kan niet aangeven hoe elke factor concreet bijdraagt aan het personeelstekort. Er is hier sprake van een complex probleem waar meerdere oorzaken aan ten grondslag liggen waardoor ik niet los voor een factor het effect op het tekort kan aangeven.
Wat is de impact van de huidige aanpak van schijnzelfstandigheid op de personeelstekorten? Herkent u dat door het terugdringen van zzp’ers zorgorganisaties nu meer gebruik maken van uitzendbureaus en de kosten oplopen door tarieven voor de diensten van uitzendbureaus, marges en omdat btw betaald moet worden over de inhuur? Kunt u een inschatting maken van die toegenomen kosten? Bent u bereid om met de sector afspraken te maken over het opzetten van flexpools naar voorbeeld van het (primair) onderwijs zodat mensen in vaste dienst komen en zekerheid hebben, en zorginstellingen geen additionele kosten kwijt zijn?
Op basis van beschikbare cijfers bij het CBS11 is geen relatie te leggen tussen de aanpak van schijnzelfstandigheid en een toename van de personeelstekorten. Er is een afname van het aantal zzp’ers waarneembaar. Tegelijkertijd is sprake van een toename van het totaal aantal werkenden en het aantal werknemers in de gehandicaptenzorg.
De signalen over een verschuiving van de inzet van zzp’ers naar aangeboden diensten via uitzendbureaus zijn vaker genoemd. Uit de cijfers is dit nog niet direct te destilleren voor de gehandicaptenzorg. Evenmin is een antwoord te geven hoe de tarieven van zzp’ers zich verhouden tot de tarieven die gelden bij bemiddeling via uitzendbureaus. Het lijkt logisch dat daarbij sprake zal zijn van een (gedeeltelijke) opslag voor bemiddelingskosten, als ook de invloed van btw.
Het organiseren van de zorg en daarmee ook de personele inzet is de verantwoordelijkheid van de sector. Dit geldt ook voor het vormgeven van een flexibele schil, al dan niet in loondienst. Zoals bij het antwoord op vraag 5 aangegeven is de Minister van VWS bereid, gegeven deze verantwoordelijkheidsverdeling, met brancheorganisaties in de gehandicaptenzorg te verkennen welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil.
Voor wat betreft de genoemde optie om voor de flexpools het voorbeeld van het (primair) onderwijs te volgen, is het belangrijk om te benoemen dat dit niet zomaar mogelijk is. Anders dan in het onderwijs geldt de zorg als een economische activiteit. Als gevolg hiervan zijn voor de zorgsector de mogelijkheden om werknemers btw-onbelast uit te lenen aan andere werkgevers beperkter dan in het onderwijs. Dit betekent niet dat het betalen van btw per se een belemmering hoeft te zijn. Er zijn voorbeelden van uitleen met btw waarbij toch kostenbesparingen worden ervaren.
In hoeverre is de Toekomstagenda Gehandicaptenzorg nog accuraat en actueel? Ziet u redenen om aanvullende maatregelen te nemen zodat de doelen in de Toekomstagenda gehaald worden? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat de zorg en ondersteuning aan mensen met een beperking echt toekomstbestendig wordt?
De Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking loopt tot en met eind 2026. De agenda is dynamisch en afhankelijk van de actualiteit kan een onderwerp worden toegevoegd. Voor komende periode heb ik de sector uitgenodigd om samen met mij plannen te maken hoe de zorg toekomstbestendig te maken.
Bent u bekend met het bericht «Eerste wijkkliniek die ouderen helpt revalideren is succesvol, maar moet toch stoppen, zorgverleners geschokt: «Complete verrassing»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u uitleggen wat deze nieuwe visie inhoudt en waarom deze niet meer past? Zo nee, waarom niet?
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft een herijkte visie op het algemene concept wijkkliniek opgesteld op basis van eigen evaluatie en lessen van het leernetwerk acute ouderenzorg. Actiz en Verenso hebben aangegeven niet vooraf betrokken te zijn geweest bij het opstellen van deze visie. Zij hebben ook laten weten het inhoudelijk niet eens te zijn met het voorstel van zorgverzekeraars.
Ik vind het belangrijk dat partijen gezamenlijk tot één gedragen visie komen, gebaseerd op onderzoek en passend bij de landelijke ambitie voor toekomstbestendige ouderenzorg. Actiz, Verenso en ZN hebben zich bereid geuit om zich hiervoor in te spannen. In aanloop naar en tijdens het bekostigingsexperiment revalidatie- en herstelzorg gaan onder andere deze partijen aan de slag met het opstellen van een gezamenlijke visie op de wijkkliniek.
Omdat de visie van ZN niet door alle veldpartijen wordt gedragen, vind ik het niet passend om op de specifieke inhoud vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe de eerder geboekte resultaten van De Wijkkliniek zoals betere patiëntenzorg, minder spoedeisende hulpbezoek, minder ambulanceritten en minder opnames, ook binnen de nieuwe visie van Zorgverzekeraars Nederland worden gehaald? Zo nee, waarom niet?
ZN geeft aan dat op verschillende punten rekening wordt gehouden met het behalen van de eerder geboekte resultaten van de De WijkKliniek in Amsterdam Zuidoost in hun visie. Een locatie in directe nabijheid van een spoedeisende hulp voorkomt ambulanceritten naar de wijkkliniek. Nauwe samenwerking tussen het ziekenhuis en de zorgaanbieder van de wijkkliniek leidt tot meer kennisuitwisseling en laagdrempelige samenwerking, met het idee om ziekenhuisopnames te voorkomen. Verder is een vaste plek in de buurt van de patiënt bijdragend aan minder verplaatsingen en rust voor ouderen in een kwetsbare situatie.
In de verdere ontwikkeling van de visie van de zorgverzekeraars met onder andere Actiz en Verenso zullen inzichten uit bestaande wijkkliniekproeftuinen, waaronder de behaalde resultaten in Amsterdam Zuidoost, worden meegenomen.
Kunt u aangeven waar de «herstelbedden» vandaan komen en wie eindverantwoordelijk is voor deze «herstelbedden»? Zo nee, waarom niet?
Zorgverzekeraar Zilveren Kruis heeft aangegeven dat er voor de hele regio voldoende capaciteit beschikbaar blijft voor de opvang en zorg van kwetsbare ouderen, ondanks de sluiting van deze wijkkliniek in Amsterdam. Zij hebben hierover contact gehad met betrokken zorgaanbieders, waaronder verpleeg- en verzorgingshuizen, ziekenhuizen, huisartsen en de ambulancedienst.
Zorgverzekeraars zijn, op grond van hun zorgplicht, verantwoordelijk voor tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg voor hun verzekerden. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet hierop toe. De eindverantwoordelijkheid voor de geleverde zorg ligt bij de zorgaanbieders.
Deelt u de mening dat de sluiting van de wijkkliniek (welke zelfs dient als voorbeeld voor een landelijke uitrol in 2026!) niet in het belang van de regio is? Indien nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het zorgconcept wijkkliniek een positieve stap is richting passende zorg. Zorgverzekeraars hebben nog steeds de intentie om het aantal wijkklinieken uit te breiden van vijf naar tien in 2026, ondanks het sluiten van de wijkkliniek in Amsterdam.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, blijft er voldoende capaciteit in de regio voor de opvang van kwetsbare ouderen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Zorgverzekeraars Nederland om de sluiting van de Wijkkliniek in Amsterdam-Zuidoost tegen te gaan? Indien nee, waarom niet?
Het past niet bij mijn rol om zorgverzekeraars te verplichten om zorg te contracteren bij specifieke zorgaanbieders. De NZa en ZiNL pakken hier hun systeemverantwoordelijke rol door samen in gesprek te gaan met Cordaan en Zilveren Kruis als respectievelijk zorgaanbieder en zorgverzekeraar, en met het Amsterdam UMC als betrokken partner. Zij onderzoeken gezamenlijk wat er is gebeurd en welke lessen hieruit getrokken kunnen worden.
Ik heb er vertrouwen in dat de informatie die in deze gesprekken wordt opgehaald, zorgverzekeraars en zorgaanbieders behulpzaam is bij de doorontwikkeling van deze zorgvorm. Ook draagt dit bij aan het ontstaan van een gemeenschappelijke visie op wijkkliniekzorg. Uiteraard laat ik mij goed informeren door NZa en ZiNL over de uitkomsten van de gesprekken.
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de randvoorwaarden zet ik mij in om de noodzakelijke voorwaarden voor het bekostigingsexperiment revalidatie- en herstelzorg mogelijk te maken. Binnen dit experiment kunnen zorgaanbieders en zorgverzekeraars deze zorgvorm verder ontwikkelen, waarbij wordt toegewerkt naar structurele bekostiging.
Het aanpakplan ‘kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers’ |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het aanpakplan: «kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers»?
Ja. Op 25 november 2025 heb ik dit plan overhandigd gekregen door Barbara Godwaldt, die dit plan in samenwerking met de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers (hierna: FNG) en de Blijf Groep heeft opgesteld.
Deelt u de mening dat het van belang is om zo snel mogelijk een coördinator aan te stellen die aan de slag gaat met de problemen omtrent harmonisatie en regie binnen de jeugdbeschermingsketen zoals in het aanpakplan wordt omschreven?
Het aanpakplan beveelt een expertiseteam aan bij zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de gecertificeerde instellingen. Dit expertiseteam kan op basis van kennis en ervaring advies en begeleiding bieden bij het verrichten van het raadsonderzoek en vervolgens de uitvoering daarvan. Deze aanbeveling neem ik ter harte en zal ik meenemen in de gesprekken die ik op dit moment voer met de betrokken organisaties, zoals onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, en andere betrokken professionals.
Bent u bereid te onderzoeken of de behandeling van zaken over geweld in huiselijke kring in combizittingen breder uitgerold kan worden?
Naar aanleiding van het onderzoek Waar geweld uit beeld raakt door het Verwey-Jonker Instituut is een verbetertraject gestart met als doel dat wordt gewaarborgd dat wanneer huiselijk geweld en/of kindermishandeling speelt, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure.1 Het versterken van de verbinding tussen het straf- en civielrecht is onderdeel van dit traject. Het is namelijk zinvol als er een betere informatie-uitwisseling tussen de familierechter en strafrechter plaatsvindt. Daarvoor zijn verschillende mogelijkheden denkbaar. De behandeling van zaken over huiselijk geweld in combizittingen zoals bij de rechtbank Rotterdam wordt gedaan, is daarvan een concreet voorbeeld. Deze werkwijze zal om die reden worden meegenomen in de gesprekken die ik in het kader van het verbetertraject voer met onder meer de Rechtspraak.
Bent u bereid spoed te zetten achter het wetsvoorstel om het erfrecht aan te passen zodat nabestaanden niet langer op basis van artikel 6:2 lid 2 BW een juridische procedure moeten starten om de dader uit te sluiten van de erfenis aangezien de motie Becker c.s.1 door de Kamer unaniem is aangenomen en uit het aanpakplan kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers dit een dringende wens van nabestaanden blijkt?
De motie Becker c.s. sluit aan op een dringende wens van nabestaanden van slachtoffers van femicide. Deze motie wil ik uitvoeren door de gronden voor automatische onwaardigheid in het erfrecht uit te breiden, zodat deze beter aansluiten op de problemen die slachtoffers van partnermoord, inclusief femicide ervaren.
Ik streef ernaar een concept van dit wetsvoorstel in 2026 vóór de zomer in internetconsultatie te brengen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de ketenpartners in de jeugdbeschermingsketen, nabestaanden en slachtoffers over de aanbevelingen uit het aanpakplan?
Ja, met de FNG zijn over deze problematiek dit jaar al gesprekken gevoerd. Hierin zijn de meeste aanbevelingen uit het aanpakplan al naar voren gebracht. Ik ga hierover graag verder met de FNG in gesprek, en, zoals met de FNG is afgesproken, betrek ik daar ook de betrokken uitvoeringsorganisaties en experts bij.
Kunt u voor het kerstreces een kabinetsreactie op het aanpakplan naar de Kamer sturen waarin u één voor één ingaat op alle aanbevelingen?
Ik bezie dit aanpakplan in samenhang met het plan van aanpak «Stop Femicide!» en het in antwoord 3 genoemde verbetertraject over het meewegen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling in familierechtelijke procedures. Daarom volgt een bredere reactie op het aanpakplan in de eerste helft van 2026 als ik uw Kamer informeer over het genoemde verbetertraject.
De antwoorden op eerdere vragen over het bericht ‘Verpleeghuizen kampen met leegstand terwijl bijna 18.000 ouderen op de wachtlijst staan: hoe kan dat?’ |
|
Sarah Dobbe |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Hoe reageert u op de uitspraak «Maar als verpleeghuizen nu omvallen vanwege financiële problemen, heb je die kamers niet een-twee-drie terug als ze straks nodig zijn»?1
Ik ben het eens met de uitspraak dat kamers niet zomaar terugkomen. Daarom moeten we moeten voorkomen dat we nu plekken verliezen die we later nodig hebben, immers ouderen die aangewezen zijn op een plek in een verpleeghuis moeten erop kunnen rekenen dat deze dan ook beschikbaar is.
Over de verandering in de zorgvraag heb ik de afgelopen periode gesproken met zorgaanbieders in diverse regio’s. Het beeld van minder vraag naar ouderenzorg dan op grond van demografische trends verwacht had mogen worden, wordt vaak herkend. Dat leidt niet in iedere regio of bij iedere aanbieder tot leegstand. Het kan ook blijven bij een kortere wachtlijst dan voorheen. Zorgaanbieders die ik gesproken heb waar wel sprake is van enige leegstand, anticiperen op de ontstane situatie door kamers (tijdelijk) op een andere manier in te zetten. Voorbeelden zijn dat zij de samenwerking zoeken met de GGZ of jongeren (tijdelijk) een plek geven in vrijgekomen kamers.
Zorgaanbieders geven aan behoefte te hebben aan duidelijkheid over de oorzaak van de verminderde vraag naar ouderenzorg en een goede projectie voor de komende jaren. Zij hebben meer informatie nodig om toekomstgericht te kunnen sturen op hun organisatie en de capaciteit. Ik heb het RIVM gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. Het RIVM zal onderzoeken of (en zo ja, in welke mate) sprake is van vraaguitval, welke verklaringen daarvoor zijn en of sprake is van tijdelijke of structureel verminderde vraag.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat er nu verpleeghuisplekken verdwijnen die we later juist hard nodig zullen hebben? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel verpleeghuizen komen nu of op korte termijn in financiële problemen doordat er kamers leegstaan?
Het is aan zorgaanbieders om adequaat in te spelen op veranderende omstandigheden. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor een financieel gezonde bedrijfsvoering. Deze analyse van het RIVM is ook waar zorgaanbieders om vragen om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Zorgaanbieders hebben helderheid nodig omtrent de vraagontwikkeling zodat zij kunnen sturen op de vraag van de toekomst. Zorgaanbieders stellen zich daar nu al op in door flexibel te zijn in de inzet van hun vastgoed. Uiteraard zal ik ook zelf de vinger aan de pols houden. Mochten zich onverhoopt financiële problemen bij een verpleeghuis voordoen, dan treedt het continuïteitsbeleid in werking waarbij het zorgkantoor als eerste aan zet is om de ontstane situatie te beoordelen.2
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat verpleeghuizen omvallen als gevolg van leegstaande kamers? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre hangt de afname van het aantal aanvragen voor een verpleeghuisindicatie samen met uw beleid om ouderen te stimuleren langer thuis te blijven wonen?
Dit is onderdeel van het onderzoek van het RIVM. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Waar komen de ouderen die zich eerder zouden hebben gemeld voor een verpleeghuisplek nu terecht? Hoeveel daarvan blijven nu langer thuis wonen, hoeveel verhuizen naar een geclusterde woonvorm en hoeveel zijn nu afhankelijk van commerciële dure alternatieven?
In onderstaande tabel treft u de ontwikkeling van het aantal mensen dat wijkverpleging, een volledig pakket thuis (vpt) of een modulair pakket thuis (mpt) ontvangt. In de tabel is zichtbaar dat het aantal mensen dat een vpt of mpt ontvangt sterk is toegenomen.
2020
2021
2022
2023
2024
Wijkverpleging1
225.175
219.650
209.035
205.695
211.075
Zin volledig pakket thuis (vpt)2
10.335
12.345
15.585
18.500
22.175
Modulair pakket thuis (mpt)3
24.705
27.880
32.040
34.500
34.725
CBS: StatLine – Personen met gebruik Zvw-wijkverpleging; zorgvorm en huishouden
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg in natura; leveringsvorm, zzp/zorgvorm, regio
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg; leveringsvorm, zorgzwaartepakket
Hierbij zij opgemerkt dat het niet bekend is wat geclusterd en niet-geclusterd wordt geleverd en wat de organisatievorm is. Het RIVM onderzoek zal ons meer informatie geven over de ontwikkelingen in de ouderenzorg.
Ouderenmishandeling |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van Max Meldpunt «Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld» en wat is daarop uw reactie?1
Ik ben bekend met de aflevering en ik vind het zorgwekkend dat ouderenmishandeling vaak niet wordt gesignaleerd of gemeld.
Hoe kijkt u tegen het feit aan dat de gangbare schatting van mishandeling bij 1 op de 20 ouderen waarschijnlijk veel te laag is door ondersignalering en dat dit slechts het topje van de ijsberg is?
Ik herken het signaal in de uitzending dat er vermoedelijk sprake is van ondersignalering van ouderenmishandeling. Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling: het aantal meldingen ouderenmishandeling is al enkele jaren stabiel rond de 2.000 á 2.500 per jaar. Het aantal meldingen dat Veilig Thuis ontvangt is veel lager dan het aantal ouderen dat, zo blijkt uit het prevalentie onderzoek van regioplan uit 2018, te maken krijgt met ouderenmishandeling.
Mogelijke verklaringen voor deze onderregistratie zijn dat ouderenmishandeling lange tijd ongezien of verborgen kan blijven. Dit kan bijvoorbeeld komen door gevoelens van schaamte of taboe bij ouderen. Daarnaast kan het door de vaak geleidelijke ontwikkeling en dunne grens tussen intensieve zorg en grensoverschrijdend gedrag lastig zijn om signalen te herkennen, zowel voor ouderen zelf als voor het (in)formele netwerk. Ook de afhankelijkheidsrelatie tussen de oudere en de persoon die de onveiligheid veroorzaakt kan een rol spelen.
Via diverse activiteiten wordt geprobeerd bewustwording te vergroten. Een voorbeeld is de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» uit 2024, waarin oudermishandeling één van de drie centrale thema’s was. Het doel van de campagne was om omstanders van kindermishandeling, partnergeweld en ouderenmishandeling aan te moedigen om bij vermoedens het gesprek aan te gaan.
Kunt u een reële schatting geven van hoe groot het probleem van ouderenmishandeling daadwerkelijk is? Zo nee, wilt u dit dan in kaart brengen?
Vanuit de Universiteit Maastricht wordt momenteel onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht. Daarmee komen nieuwe, actuele cijfers beschikbaar over de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Hoe gaat u bijdragen aan het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling, zodat het taboe wordt doorbroken?
Om ouderenmishandeling bespreekbaar te maken worden verschillende middelen ingezet. Veilig Thuis biedt (telefonisch) advies gericht op het doorbreken van het taboe en het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Daarnaast is Veilig Thuis ook bereikbaar via een chatfunctie waarbij een medewerker advies geeft en hulp biedt. De chatfunctie zou mogelijk de toegankelijkheid tot het bespreken van zorgen vergroten door de anonimiteit en lage drempel tot contact. Ook biedt Veilig Thuis een AI-tool door middel waarvan gerichte informatie en aandachtspunten worden geboden over het voeren van gesprekken met ouderen over zorgelijke situaties en onveiligheid.
Aanvullend wordt deze maand door het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) een signalenpagina over ouderenmishandeling gelanceerd. Deze pagina biedt informatie over het herkennen van signalen, handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning en advisering.
Met bovenstaande middelen wordt niet alleen bijgedragen aan bewustwording, maar ook aan het doorbreken van taboes rondom ouderenmishandeling en het tegengaan van handelingsverlegenheid bij het (in)formele netwerk.
Hoe denkt u te kunnen voorkomen dat de dubbele vergrijzing en dus een toenemend aantal ouderen dat afhankelijk wordt van zorg niet tot nog meer ouderenmishandeling leidt?
Ik ben mij bewust van de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen die kunnen leiden tot meer en/of onzichtbare situaties van ouderenmishandeling. Er zijn verschillende acties en initiatieven om de bewustwording ten aanzien van ouderenmishandeling te vergroten en om ouderenmishandeling te voorkomen. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin ouderenmishandeling specifiek werd uitgelicht. Andere voorbeelden zijn de signalenpagina ouderenmishandeling en de activiteiten van het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), die het herkennen van signalen en de samenwerking tussen professionals ondersteunen. Daarnaast wordt binnen beroepsgroepen, zoals bij huisartsen, sterk ingezet op scholing en het verbeteren van signalering.
Aanvullend op bovenstaande wordt specifiek ingezet op bewustwording rondom financieel misbruik. Het onderzoek van Regioplan (2018) liet zien dat ouderen financieel misbruik vaker rapporteerden dan andere vormen van ouderenmishandeling. Om die reden zijn er initiatieven ontwikkeld die gericht zijn op het voorkomen van financieel misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Op het gebied van financieel veilig ouder worden zijn er informatieboxen van VWS, die kosteloos kunnen worden aangevraagd en steeds vaker worden besteld. VWS neemt ook deel aan de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden, waarin onder andere Veilig Thuis, ouderenbonden, diverse grootbanken, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan preventie en aanpak van financieel misbruik.
Met een verbeterd inzicht in de prevalentie, dat wordt verwacht op basis van het onderzoek van de Universiteit Maastricht, kan op basis van inzicht bij burgers, uitvoeringsorganisaties en gemeenten meer urgentie worden gecreëerd over de omvang van het probleem.
Hoe kijkt u tegen de veronderstelde relatie aan tussen het beleid om ouderen langer thuis te laten wonen en het toenemende aantal slachtoffers van ouderenmishandeling?
Ik ben niet bekend met onderzoek dat samenhang tussen beleid om ouderen langer thuis te laten wonen en het toenemend aantal slachtoffers van ouderenmishandeling heeft onderzocht. Ik kan mij voorstellen dat dit beleid in sommige situaties kan samenlopen met risicofactoren voor ouderenmishandeling.
Welke rol ziet u voor de huisarts weggelegd in de vroeg signalering van ouderenmishandeling?
De huisarts speelt een actieve rol in de vroegsignalering van ouderenmishandeling, omdat de huisarts vaak langdurig en regelmatig in contact staat met ouderen. Tijdens consulten kan de huisarts signalen opvangen die mogelijk wijzen op onveiligheid binnen een afhankelijke situatie. Huisartsen zijn verplicht te werken volgens de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Dat betekent dat zij de meldcode moeten kennen en handelen volgens de vijf stappen. Iedere beroepsgroep die onder de meldcode valt, waaronder huisartsen, heeft een eigen afwegingskader ontwikkeld. Het afwegingskader, gebaseerd op het landelijke basismodel dat in 2019 is vernieuwd, ondersteunt professionals bij het bepalen wanneer het noodzakelijk is om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Daarnaast worden huisartsen op verschillende manieren ondersteund bij deze taak. In november 2023 is door de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) de vernieuwde meldcode gepubliceerd, waarin ook praktische tools zijn opgenomen, zoals verwijzingen naar scholing. Via de LHV Academie wordt de e-learning Werken met de meldcode aangeboden, die huisartsen helpt bij het toepassen van de meldcode in de praktijk. Ook heeft de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) een podcast beschikbaar gesteld die specifiek ingaat op het herkennen en tegengaan van ouderenmishandeling. Verder is op de website van de LHV een themapagina ingericht waar informatie over ouderenmishandeling overzichtelijk is gebundeld, en heeft de LHV meegeschreven aan de vernieuwde Handreiking Kwetsbare Ouderen (februari 2025), waarin ouderenmishandeling eveneens aan bod komt.
Bent u bereid te kijken naar een uitbreiding van het mantelzorgverlof, gezien het feit dat overbelasting bij mantelzorgers kan leiden tot ontsporing van zorg en wordt genoemd als een van de oorzaken is van mishandeling van ouderen?
Ik vind het belangrijk dat mensen de ruimte hebben om werk en mantelzorgtaken te combineren. Het is daarnaast ook belangrijk om te voorkomen dat werkende mantelzorgers overbelast raken. Het mantelzorgverlof, en eventuele uitbreiding hiervan, kan bijdragen aan het voorkomen van overbelasting. Dit geldt ook voor andere vormen van mantelzorgondersteuning. Mijn ambtsvoorganger heeft, samen met de toenmalig bewindspersonen van VWS, OCW en FIN, de SER in oktober 2023 om advies gevraagd over de toekomstige combinatie van werk en mantelzorg. In de adviesaanvraag wordt onder meer gevraagd welke toekomstscenario’s en concrete domeinoverstijgende oplossingsrichtingen of ingrepen in het stelsel, zoals het zorgstelsel, het verlofstelsel of het belastingstelsel, mogelijk zijn. Het advies, dat begin 2026 wordt verwacht, is een belangrijke basis voor verdere beleidsvorming en gedegen keuzes voor de toekomst. Het is aan mijn ambtsopvolger om hier uitvoering aan te geven.
Hoe kijkt u tegen het idee van Kees Blankman aan om meer slagkracht te geven aan Veilig Thuis en er de taak te beleggen van primaire verzoeker van maatregelen bij de rechter voor ouderen in de knel?
Hoogleraar Blankman lijkt te verwijzen naar de doorzettingsmacht in situaties waarin sprake is van mogelijke wilsonbekwaamheid. Ik ben het ermee eens dat dit een belangrijk aandachtspunt is en dat het van belang is om gezamenlijk te bepalen hoe dit zorgvuldig kan worden vastgesteld. Ik deel de opvatting echter niet dat Veilig Thuis meer bevoegdheden als primaire verzoeker bij de rechter zou moeten krijgen. Veilig Thuis richt zich primair op meldingen, advies en ondersteuning, niet op juridische interventies. Veilig Thuis kán bij uitzonderlijke gevallen een verzoek doen bij de officier van justitie voor mentorschap of onder curatelestelling. Verder is er tussen Veilig Thuis, het Openbaar Ministerie en de Politie een stevig netwerk op thema ouderenmishandeling en op casus-niveau afstemming. De aanpak richt zich op preventie en vroegsignalering van ouderenmishandeling zodat schrijnende situaties tijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Het bericht 'Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling»?1
Ja.
Klopt het dat in 2023, op een aantal van 129.250 meldingen van huiselijk geweld, vijfhonderd meldingen van ouderenmishandeling in de thuissituatie zijn gedaan?
In 2023 ontving Veilig Thuis landelijk 127.390 meldingen van kindermishandeling of huiselijk geweld. Van dat aantal ging het bij 2.335 meldingen om situaties van ouderenmishandeling. In 2024 waren er landelijk 129.250 meldingen, waarbij het in 2.500 situaties ging om ouderenmishandeling.
Kunt u aangeven hoe deze 2.500 meldingen zijn onderverdeeld in de diverse categorieën van ouderenmishandeling, namelijk lichamelijke, geestelijke of financieel misbruik?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteert halfjaarlijks over de aard van het geweld van meldingen van kindermishandeling en huiselijk geweld. Onder de categorie ouderenmishandeling vallen onder andere fysieke mishandeling, verwaarlozing, emotionele mishandeling en financieel misbruik. Per situatie van ouderenmishandeling kan sprake zijn van meerdere vormen van geweld, bijvoorbeeld fysieke mishandeling in combinatie met financieel misbruik.
De meeste meldingen over ouderenmishandeling in 2023 betroffen emotionele mishandeling (1.430), gevolgd door fysieke mishandeling (1.030). 620 keer ging het over financiële mishandeling van ouderen, 420 keer over verwaarlozing en 65 keer over seksueel misbruik. Dit totaal is hoger dan het totaal van 2.335 meldingen, omdat binnen één melding sprake kan zijn van meerdere vormen van geweld.
Deelt u de conclusies van VU-hoogleraar Kees Blankman dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting, dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van mishandeling en dat ouderenmishandeling vaker voorkomt dan kindermishandeling? Zo nee, kunt u dan toelichten waarom niet?
De uitkomst dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van een vorm van mishandeling, is afkomstig uit een onderzoek van Regioplan uit 2018. Dit is het meest recente prevalentieonderzoek. Ik ben niet bekend met andere onderzoeken. Ik deel daarmee niet zondermeer de conclusie dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting. Om hier uitspraken over te kunnen doen is meer inzicht in actuele cijfers nodig. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht. Daarmee komen nieuwe, actuele cijfers beschikbaar over de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Deelt u het vermoeden van de voorzitter van het landelijk netwerk Veilig Thuis, dat er sprake is (of kan zijn) van onderregistratie van ouderenmishandeling ten opzichte van andere vormen van huiselijk geweld, dat slechts een klein percentage van de meldingen die zij binnenkrijgen gaat over ouderenmishandeling en dat zij meent dat dat «er veel meer moeten zijn»?
Ik herken het signaal van de voorzitter van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis dat er mogelijk sprake is van onderregistratie van ouderenmishandeling. Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling: het aantal meldingen ouderenmishandeling is al enkele jaren stabiel rond de 2.000 á 2.500 per jaar. Het aantal meldingen dat Veilig Thuis ontvangt is veel lager dan het aantal ouderen dat, zo blijkt uit het prevalentie onderzoek van regioplan uit 2018, te maken krijgt met ouderenmishandeling.
Mogelijke verklaringen voor deze onderrapportage zijn dat ouderenmishandeling lange tijd ongezien of verborgen kan blijven. Dit kan bijvoorbeeld komen door gevoelens van schaamte of taboe bij ouderen. Daarnaast kan het door de vaak geleidelijke ontwikkeling en dunne grens tussen intensieve zorg en grensoverschrijdend gedrag lastig zijn om signalen te herkennen, zowel voor ouderen zelf als voor het (in)formele netwerk. Ook de afhankelijkheidsrelatie tussen de oudere en de persoon die de onveiligheid veroorzaakt kan een rol spelen.
Via diverse activiteiten wordt geprobeerd dit te verbeteren. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin één van de drie centrale thema’s een vorm van ouderenmishandeling was. Het doel van de campagne was om omstanders van kindermishandeling, partnergeweld en ouderenmishandeling te stimuleren om bij een vermoedelijk slachtoffer het gesprek aan te gaan en te vragen hoe het gaat.
Op welke wijze kan de onderregistratie van ouderenmishandeling met zekerheid worden aangetoond (of weerlegd)? Welke stappen heeft u al genomen om de drempels over melding van ouderenmishandeling te verlagen c.q. weg te nemen zodat een waarheidsgetrouw beeld ontstaat over ouderenmishandeling?
Door het aantal meldingen bij Veilig Thuis te vergelijken met onderzoeksgegevens over hoe vaak ouderenmishandeling voor komt, kan een beeld worden gevormd over in hoeveel gevallen ouderenmishandeling wordt gemeld. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht.
Om drempels voor het melden van ouderenmishandeling te verlagen wordt ingezet op bewustwording en het vergroten van herkenning. Een initiatief dat hierop gericht is betreft de chatfunctie op de website van Veilig Thuis. Deze biedt toegankelijke informatie, tips en advies voor het voeren van gesprekken over signalen van ouderenmishandeling. Ook biedt Veilig Thuis een AI-tool door middel waarvan gerichte informatie en aandachtspunten worden geboden over het voeren van gesprekken met ouderen over zorgelijke situaties en onveiligheid. Dit ondersteunt zowel professionals als burgers bij het sneller herkennen en bespreekbaar maken van signalen van ouderenmishandeling.
Daarnaast lanceert het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) deze maand een signalenpagina over ouderenmishandeling, met informatie over herkenbare signalen, handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning. Deze pagina is specifiek bedoeld om betrokkenen te helpen het gesprek aan te gaan en passende vervolgstappen te zetten. Verder wordt binnen beroepsgroepen, waaronder huisartsen, ingezet op scholing en training in signalering van ouderenmishandeling. Door professionals kennis, handvatten en handelingskaders aan te reiken, wordt hun bewustzijn vergroot ten aanzien van mogelijke signalen, wat kan bijdragen aan de signalering en opvolging van vermoedens.
Indien de onderregistratie met zekerheid kan worden aangetoond, welke maatregelen gaat u dan nemen om de onderregistratie aan te pakken en het aantal meldingen significant te verhogen?
Ongeacht inzicht dat nieuw onderzoek kan geven in welk deel van de situaties ouderenmishandeling wordt gemeld, wordt in de huidige aanpak al uitgegaan van de mogelijkheid dat ouderenmishandeling nog te vaak en te lang niet zichtbaar is. Om deze reden wordt ingezet op het vergroten van bewustwording en herkenning van signalen, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van samenwerking in de keten en het vergroten van kennis bij mantelzorgers en naasten. Op basis van de uitkomsten van nieuw onderzoek kan worden bekeken of en welke vervolgstappen nodig zijn.
Is er volgens u een verband tussen de toename van mantelzorg als gevolg van beleidsaanpassingen en het overbelast raken van mantelzorg, met een toename van spanningen en zelfs mishandelingen tot gevolg? Is hier specifiek onderzoek naar gedaan?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag harder dan zowel het aantal zorgverleners als de beroepsbevolking in het algemeen. Hierdoor ontstaat er een toenemende druk op mantelzorgers. Dit zorgt ook voor een toenemend risico op overbelasting van mantelzorgers. Overbelasting van mantelzorgers kan leiden tot ontspoorde mantelzorg2. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers, om zo overbelasting te voorkomen.
Het SCP voert periodiek onderzoek uit op het thema informele zorg, waarin ook de (over)belasting van mantelzorgers is opgenomen. In 2026 verwachten we nieuwe rapportages van het SCP. Hierin wordt echter geen onderzoek gedaan naar de mate waarin overbelasting van mantelzorgers leidt tot ontspoorde mantelzorgsituaties.
Wat vindt u van het voorstel om een nieuw expertisecentrum op te zetten, met betrokkenheid van politie, banken, en notarissen, voor snellere signalering en actie?
Er bestaat een infrastructuur van samenwerkingsverbanden die gericht zijn op de bescherming van ouderen tegen misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Deze lokale allianties zijn intensieve samenwerkingsverbanden van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk én Veilig Thuis. De meerwaarde van een lokale alliantie is dat deze specifieke expertise kan inbrengen vanuit de private partijen, en die kan combineren met kennis van publieke partijen. Hierdoor kan financieel misbruik in de praktijk eerder gesignaleerd worden.
Verder deel ik het belang van het versterken van (landelijke) samenwerking. VWS neemt deel aan de «Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden», waarin onder andere Veilig Thuis, seniorenorganisaties, diverse grootbanken, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan de preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), een samenwerkingsverband dat zich expliciet richt op het voorkomen, signaleren en bestrijden van ouderenmishandeling. Het LPBO wordt georganiseerd door medewerkers van Veilig Thuis en betrekt diverse ketenpartners. Ook banken en notarissen kunnen, wanneer relevant, deelnemen. Daarmee vormt het LPBO een landelijk netwerk gericht op de aanpak van ouderenmishandeling.
Gezien alle reeds bestaande samenwerkingsverbanden ben ik geen voorstander van het opzetten van een nieuw expertisecentrum.
Deelt u de opvatting van hoogleraar Blankman, dat «Veilig Thuis» meer bevoegdheden moet krijgen, onder meer als primaire verzoeker van maatregelen bij de rechter, zoals bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming dat doet voor kinderen die in de knel zitten? Welke stappen gaat u hiervoor ondernemen?
Hoogleraar Blankman lijkt te verwijzen naar de doorzettingsmacht in situaties waarin sprake is van mogelijke wilsonbekwaamheid. Ik deel de opvatting niet dat Veilig Thuis meer bevoegdheden als primaire verzoeker bij de rechter zou moeten krijgen. Veilig Thuis opereert in het vrijwillig kader en het toevoegen van de functionaliteit van verzoeker van maatregelen bij de rechter staat haaks op het belang van laagdrempeligheid en vrijwilligheid. Daarbij komt dat Veilig Thuis zich primair richt op meldingen, advies en ondersteuning, niet op juridische interventies. Veilig Thuis kán op dit moment al bij uitzonderlijke gevallen een verzoek doen bij de officier van justitie voor mentorschap of ondercuratelestelling. Verder is er tussen Veilig Thuis, het Openbaar Ministerie en de politie een stevig netwerk op het thema ouderenmishandeling en op casus-niveau afstemming. De aanpak richt zich op preventie en vroegsignalering van ouderenmishandeling zodat schrijnende situaties tijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Deelt u de opvatting dat als ouderenmishandeling inderdaad net zo vaak of vaker voorkomt dan kindermishandeling, de aanpak van ouderenmishandeling ook een min of meer vergelijkbare hoeveelheid aandacht en middelen toebedeeld zou moeten krijgen in vergelijking met kindermishandeling?
Ik deel de opvatting dat ouderenmishandeling een ernstig maatschappelijk probleem is dat structurele aandacht verdient. Ik streef naar een aanpak die is afgestemd op de specifieke aard en context van de problematiek en die de beschikbare middelen zo effectief mogelijk inzet. Naast de specifieke inzet op ouderenmishandeling wordt deze groep ook expliciet meegenomen in de brede aanpak huiselijk geweld, die zich richt op slachtoffers van alle leeftijden.
Deelt u de mening dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn voor een buitenstaander? Zou mishandeling in de zorg daar bijvoorbeeld voor de leek niet buitenvallen?
Ik herken niet dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn in de context van huiselijk geweld. Kern van de term is dat het gaat om situaties in de persoonlijke leefwereld van een slachtoffer en de afhankelijkheidsrelatie met de (vermoedelijke) pleger. Het onderscheid tussen een eigen woning of een woning in een zorginstelling is daarbij niet relevant. Belangrijk verschil kan wel zijn wie de (vermoedelijke) pleger van het geweld is, bijvoorbeeld een kind of ander familielid, of juist een professional uit een zorginstelling. Mishandeling in de zorginstelling of door zorgverleners valt formeel onder andere categorieën, zoals professionele of institutionele mishandeling en wordt via specifieke meld- en toezichtssystemen aangepakt.
Deelt u de mening dat een betere omschrijving zou zijn: «Alle soorten van ouderenmishandeling zijn strafbaar»? Kan dit worden aangepast?
Ouderenmishandeling komt in verschillende vormen voor, zoals fysieke, psychische, seksuele mishandeling en financiële uitbuiting. Er is echter geen strafrechtelijke definitie van ouderenmishandeling. In plaats daarvan worden de strafbare vormen van ouderenmishandeling zoals mishandeling, opzettelijk benadelen van de gezondheid, onthouden van zorg, bedreiging, seksueel misbruik en financiële misdrijven afzonderlijk behandeld op basis van de relevante strafbepalingen (zoals genoemd in het Wetboek van Strafrecht).
Hoewel de term «ouderenmishandeling» als zodanig geen specifieke strafrechtelijke betekenis heeft, worden de afzonderlijke strafbare gedragingen wel degelijk strafrechtelijk vervolgd. Het Openbaar Ministerie beslist in voorkomende gevallen of vervolging opportuun is, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak.
Bent u zich ervan bewust dat de toenemende vergrijzing gecombineerd met schaamte en afhankelijkheid, steeds vaker kan leiden tot nagenoeg onzichtbare ouderenmishandeling op geestelijk en financieel gebied, en welk soort stappen wordt ondernomen om de bewustwording hiervoor te vergroten?
Ik ben mij bewust van de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen die kunnen leiden tot meer en/of onzichtbare situaties van ouderenmishandeling. De toenemende digitalisering stelt ook toenemende eisen aan de digitale vaardigheden van ouderen, waardoor mogelijk sneller een beroep wordt gedaan op derden om ouderen te helpen bij bijvoorbeeld bankzaken.
Om de bewustwording te vergroten en ouderenmishandeling bespreekbaar te maken zijn verschillende initiatieven ontwikkeld. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin ouderenmishandeling specifiek werd uitgelicht. Andere voorbeelden zijn de signalenpagina ouderenmishandeling en de activiteiten van het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), die het herkennen van signalen en de samenwerking tussen professionals ondersteunen. Er zijn initiatieven specifiek gericht op het voorkomen van financieel misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Op het gebied van financieel veilig ouder worden zijn er informatieboxen van VWS, die kosteloos kunnen worden aangevraagd en steeds vaker worden besteld.
Zijn de verplichte trainingen of protocollen thans voldoende voor zorgprofessionals om ouderenmishandeling routinematig te signaleren, aangezien fysieke ouderenmishandeling vaak pas zichtbaar wordt bij ziekenhuisopnames van 70-plussers?
Zorgprofessionals die werken met ouderen vallen onder de Wet verplichte meldcode HHuiselijk Geweld en Kindermishandeling. Dat betekent dat zij verplicht zijn om te werken met de meldcode, deze te kennen en volgens de vijf stappen van de meldcode te handelen. Dit geldt voor onder meer voor artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal werkers en wijkteams. Iedere organisatie moet duidelijke werkafspraken hebben voor het signaleren en handelen bij vermoedens van huiselijk geweld en ouderenmishandeling. Iedere beroepsgroep die onder de meldcode valt heeft een eigen afwegingskader ontwikkeld, gebaseerd op het landelijke basismodel dat in 2019 werd vernieuwd. Dat afwegingskader helpt professionals bepalen wanneer het noodzakelijk is om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Zou een jaarlijkse check bij een voorziening als een consultatiebureau – zoals verzocht in de motie-Tielen – voor ouderen deze mishandeling tijdig kunnen signaleren?2
De insteek van de motie-Tielen zag op het realiseren van eenduidige toegang tot preventie en vroegsignalering van gezondheidsrisico’s en problemen voor ouderen. Op dit moment wordt verkend welke functies en vormen een dergelijke voorziening zou kunnen omvatten. Deze verkenning bevindt zich nog in een oriënterende fase.
Kunt u aangeven hoe ver gevorderd u bent met het onderzoek naar deze in onzd ogen zeer gewenste en gemiste voorziening voor ouderen?
Naar verwachting zal in de loop van 2026 meer duidelijkheid komen over hoe een toekomstig aanbod gericht op gezondheidsbevordering voor ouderen eruit zou kunnen zien.
Seksueel misbruik in de Gehandicaptenzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het item van Pointer van 1 november jl. over een veroordeelde zedendelinquent die toch zijn beroep als verpleegkundige kon blijven uitoefenen?1 Wat is uw reactie op deze uitzending?
Ja, ik ben bekend met dit item. Ik leef mee met het slachtoffer en haar naasten, daarnaast vind ik het van groot belang dat dit aan de orde wordt gesteld.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat iemand die tijdens zijn opleiding tot verpleegkundige een persoon met een beperking seksueel heeft misbruikt, waarna door de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) is geconstateerd dat er sprake is van een situatie die voor de veiligheid van patiënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, toch het beroep kan blijven uitoefenen?
Ja, deze mening deel ik.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat er wettelijke mogelijkheden bestaan voor personen die zedendelicten hebben gepleegd, in het bijzonder zedendelicten waarbij personen in een kwetsbare positie zijn betrokken, om vervolgens aan de slag te gaan in sectoren zoals de gehandicaptenzorg, waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de zorg van vaak kwetsbare mensen?
Ik begrijp dat dit tot zorgen leidt. Ik vind het ook ongewenst dat personen die zedendelicten hebben gepleegd, in het bijzonder wanneer er personen in een kwetsbare positie bij zijn betrokken, aan de slag gaan in sectoren zoals de gehandicaptensector.
Hoe reflecteert u op het feit dat het tuchtcollege geen mogelijkheden heeft voor het opleggen van een beroepsverbod indien het zedendelict heeft plaatsgevonden voor de BIG-registratie?
Laat ik in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap en de praktijk.
Het tuchtrecht is van toepassing op zorgverleners die zijn ingeschreven in het BIG-register. Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep uitoefenen, zijn andere waarborgen waaronder de Verklaring Omtrent het gedrag (VOG) aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen.
Bent u bereid om dit gat in de huidige wet- en regelgeving te dichten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) is in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat het voornemen bestaat om bij een vergunningaanvraag op grond van de Wtza voortaan standaard een VOG te vragen aan leden van de dagelijkse of algemene leiding, al dan niet voor bepaalde risicogroepen.2 Dit voornemen wordt de komende maanden inhoudelijk verder uitgewerkt met betrokkenen. Hoewel leden van de dagelijkse of algemene leiding geen zorgverleners hoeven te zijn, is dit een grote stap in de standaardisering en verbetering van de integriteitstoetsing in de zorg. Op dit moment geldt dat alle zorgverleners die zorg verlenen op grond de Wet langdurige zorg (Wlz) binnen een instelling over een VOG moeten beschikken. De VOG-verplichting geldt bij de Wlz ook voor andere personen dan zorgverleners die beroepsmatig met de cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen. Daarnaast bestaat een VOG-verplichting voor zorgverleners die als solist Wlz zorg verlenen. Tenslotte geldt een VOG-verplichting ook voor zorgverleners en andere personen die beroepsmatig met cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen die in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg zorg verlenen.
De reden om niet voor alle zorgverleners verplicht een VOG te verlangen, is dat bij de plenaire behandeling van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) aan de orde is geweest dat een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners zou leiden tot hoge kosten en administratieve lasten. Ook zou de VOG niet de garantie bieden dat de veiligheid van de zorg op orde is. Dit alles laat onverlet dat een zorgaanbieder mede in het kader van de vergewisplicht altijd een VOG van een zorgverlener kan verlangen, ook als er geen VOG-verplichting bestaat.
Hoe reflecteert u op de oproep van meerdere zorgopleidingen om de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verplichten in de hele zorgsector?
Zie antwoord vraag 5.
Herkent u het beeld dat iedere opleiding anders omgaat met verdenkingen en veroordelingen van studenten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om hierbij heldere richtlijnen te creëren? Wie is daar volgens u voor verantwoordelijk?
Ja, ik herken dit beeld. Wanneer een student wordt verdacht van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen de onderwijsinstelling of binnen de stage kan de onderwijsinstelling de student schorsen of verwijderen op grond van beroepshouding of het studentenstatuut als de veiligheid in de onderwijsinstelling in het geding is.
Deze regels gelden niet automatisch in geval van verdenkingen en veroordelingen in de privésfeer, tenzij deze een bedreiging vormen voor de veiligheid op school. Het is aan de onderwijsinstelling dan wel de desbetreffende zorginstelling om te bepalen wat te doen als er dergelijke vermoedens zijn over iemand die zijn opleiding volgt. Hier kan ik geen aanvullende richtlijnen voor creëren, omdat dit buiten mijn verantwoordelijkheid valt.
De onderwijsinstelling mag een diploma verstrekken als aan alle wettelijke eisen is voldaan. De laatste stage moet hierbij in elk geval voldoende zijn. Het kan echter wel zijn voorgekomen dat een student een negatieve beoordeling heeft gekregen bij het opdoen van een eerdere praktijkervaring in een zorginstelling. Het is daarom extra belangrijk dat onderwijs- en zorginstellingen goed met elkaar communiceren over een eventueel voorval, vooral als dit zich in de privésfeer heeft afgespeeld, en wat een passende maatregel daarbij is.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om erop toe te zien dat er tijdig wordt ingegrepen bij (vermoedens van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg?
Er bestaan verschillende waarborgen om tijdig in te kunnen grijpen bij (vermoedens van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg. Preventief werken zorgaanbieders aan een veilige meldcultuur. Dit vraagt doorlopend aandacht. Kernactiviteiten om die veilige meldcultuur te bewerkstelligen zijn bijvoorbeeld scholing voor (nieuwe) medewerkers gericht op het herkennen van signalen van grensoverschrijdend gedrag, bewustwording over het belang van melden en handelen conform intern beleid, voorlichting aan cliënten en naasten en zorgen voor bekendheid van vertrouwenspersonen voor cliënten en medewerkers.
Daarnaast zijn er vanuit wet- en regelgeving verschillende instrumentaria. Zorgaanbieders zijn vanuit de Wkkgz verplicht om een procedure te hebben voor het intern melden van incidenten. Daaronder valt ook het melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag of een vermoeden daarvan. (Zie ook de brochure van de IGJ «Het mag niet, het mag nooit», 2023.) Zorgaanbieders hebben de plicht om «geweld in de zorgrelatie» te melden bij de toezichthouder. Seksueel overschrijdend gedrag is een vorm van «geweld in de zorgrelatie».
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) heeft een handreiking «Sturen op aanpak seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving, bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting cliënten.
Kunt u een recent overzicht geven van de meldingen die in de afgelopen jaren zijn gedaan bij de IGJ over (seksueel) misbruik binnen de verschillende zorgsectoren?
In 2024 ontving de inspectie 330 meldingen over (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag, voor het grootste deel over fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag (84%)3. Het aantal meldingen verschilt per zorgsector. Er waren 90 meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg4.
Wat is er sinds 2023 gedaan om de motie Westerveld uit te voeren waarin wordt gevraagd om gespecialiseerde vertrouwenspersonen vaker langs te laten gaan bij mensen met een beperking?2 Hoeveel extra personen zijn er opgeleid?
Voor mijn reactie op de uitvoering van de genoemde motie verwijs u ik naar beide voortgangsrapportages van de Toekomstagenda6. Ik heb geen zicht op het specifieke aantal extra opgeleiden personen.
Bent u bereid om eindelijk de motie Westerveld c.s.3 uit 2023 uit te voeren waarin de regering wordt verzocht om het aantal inspecteurs voor de gehandicaptenzorg uit te breiden, eventueel door een herprioritering binnen de IGJ, zodat er proactief toezicht gehouden kan worden op alle intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven?
Met de Toekomstagenda is fors (26%) extra capaciteit (6 extra inspecteurs), specifiek voor de gehandicaptenzorg, toegevoegd aan de IGJ. Daarnaast is het eerder toegezegde transparantieregister van pgb-wooninitiatieven in ontwikkeling, waarmee ik wil bereiken dat de IGJ zicht heeft op deze initiatieven.
De problemen met hulpmiddelenbedrijf Medipoint |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op de vele klachten die mensen die hulpmiddelen nodig hebben uiten over hulpmiddelenbedrijf Medipoint?1, 2
Hulpmiddelen zijn belangrijk in het dagelijks leven van mensen om mee te kunnen doen of (langer) thuis te kunnen blijven wonen. Ik vind het daarom betreurenswaardig als mensen niet goed geholpen worden door een hulpmiddelenleverancier. Zeker wanneer mensen ernstig nadeel ondervinden van gebrekkige service, bijvoorbeeld als zij daardoor niet (zelfstandig) kunnen participeren.
Bent u het eens dat het onacceptabel is als mensen lang moeten wachten (soms zelfs in acute situaties), niet geholpen worden, afgewimpeld worden of de verkeerde onderdelen krijgen?
Ja, ik vind dit onacceptabel.
Deelt u de analyse dat marktwerking een rol bij deze problemen speelt, doordat gemeenten aanbestedingen uitschrijven waarbij teveel gestuurd wordt op de laagste prijs? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet. Als gemeenten kiezen voor inkoop via aanbesteden is gunning op basis van de laagste prijs op basis van de Wmo 2015 niet toegestaan. Gemeenten dienen op basis van de Wmo 2015 – naast voldoende minimum kwaliteitseisen – ook een reële prijs te hanteren binnen de Wmo 2015. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld door het toepassen van een adequate tariefdifferentiatie rekening houden met een goede balans tussen reële prijs en kwaliteit. In deze balans wordt ook rekening gehouden met de beleidsruimte die individuele gemeenten hebben. De concrete invulling daarvan kan per regio of gemeente verschillen, maar wel effect hebben op de prijs, danwel de kwaliteit.
Gemeenten worden daarbij ondersteund door diverse kaders en informatie, waaronder de Handreiking Inkoop Hulpmiddelen van de VNG3, het Landelijk Normenkader Hulpmiddelen4 en de landelijke prijslijsten. Tegelijkertijd wordt op dit moment door het Ketenbureau i-Sociaal Domein gewerkt aan de
contractstandaarden voor hulpmiddelen voor de overeenkomst en de inkoopdocumenten. Dit project beoogt onnodige verschillen tussen gemeenten in de contractering van leveranciers te minimaliseren en administratieve lasten voor leveranciers te verlagen.
Bent u het eens dat het onacceptabel en onuitlegbaar is dat er nu grote verschillen zijn tussen gemeenten als het gaat om hoe goed de levering en het onderhoud van hulpmiddelen nu is geregeld? Zo ja, bent u bereid om zich ervoor in te zetten deze verschillen te verminderen, door gemeenten ertoe aan te zetten het Landelijk Normen Kader te ondertekenen? Zo nee, waarom niet?
Het onderhoud en de levering van hulpmiddelen moet ongeacht de gemeente waarin iemand woont, goed georganiseerd zijn. Dit is nog niet overal het geval. Daarom zet ik mij samen met de VNG, leveranciers, clientorganisaties en professionals in om de toegang en beschikbaarheid van hulpmiddelen de komende jaren te verbeteren. In de Werkagenda VN-verdrag Handicap, die ik afgelopen juli naar uw Kamer heb gestuurd, zijn meerdere maatregelen opgenomen gericht op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegang tot hulpmiddelen.5 Met die maatregelen richten we ons onder andere op het vroegtijdig herkennen van complexe aanvragen en het verbeteren van de communicatie tussen verschillende bij hulpmiddelen betrokken partijen. En we werken aan een monitor om te meten of deze maatregelen leiden tot merkbare verbeteringen bij hulpmiddelengebruikers. Tot slot staan in de Werkagenda verschillende maatregelen gericht op het door gemeenten laten ondertekenen van de convenanten die voortkomen uit het Normenkader.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat mensen snel en goed geholpen worden als er problemen zijn met een hulpmiddel? Heeft u hier al over gesproken met Medipoint? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen?
De Wmo 2015 is een gedecentraliseerde wet. Het is daarom aan de gemeente om contractuele afspraken te maken met de leverancier en de leverancier erop aan te spreken als deze zich niet aan de afspraken houdt.
Vanuit VWS is wel met enige regelmaat contact met branchevereniging Firevaned, waar Medipoint onderdeel van is. Firevaned is actief betrokken bij de uitvoering van de maatregelen in de Werkagenda VN-verdrag Handicap, zoals benoemd bij het antwoord op vraag 4. Daarnaast is vanuit VWS gesproken met Medipoint over de klachten. Zie daarop het antwoord van vraag 6.
Heeft Medipoint inmiddels al concrete stappen gezet om de klantenservice te verbeteren? Zo nee, bent u bereid om hen daarop aan te spreken?
Medipoint gaf in gesprek met VWS aan dat zij het erg vervelend vindt dat de kwaliteit van haar klantenservice in enkele vestingen momenteel niet goed is. Zij lichtte toe hoe zij op dit moment werkt aan het verbeteren van de service, waaronder door training van medewerkers, uitbreiding van het klantenserviceteam en betere monitoring van klanttevredenheid. Deze werkwijze breidt zij uit met een «leermeester casemanagement», die casemanagers traint op onder andere klantgerichtheid en klantcommunicatie. Tot slot zegt Medipoint de voortgang op het verbetertraject actief te monitoren, te evalueren en bij te sturen waar nodig.
Het rapport ‘Behoeften en ondersteuning van mantelzorgers op Bonaire’ van Stichting Mantelzorg Bonaire |
|
Don Ceder (CU) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Behoeften en ondersteuning van mantelzorgers op Bonaire» van Stichting Mantelzorg Bonaire?
Ja.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek onder mantelzorgers op Bonaire, namelijk die van structurele overbelasting, bureaucratische knelpunten en een gebrek aan passende ondersteuning van mantelzorgers?
Het rapport verschaft waardevolle inzichten in de huidig situatie van de mantelzorgers op Bonaire en geeft concrete aanbevelingen om passende ondersteuning aan mantelzorgers te bieden. De centrale actie is het opstellen van een mantelzorgbeleid dat zou kunnen bijdragen aan het leveren van structurele ondersteuning aan mantelzorgers. Daarnaast geeft 22% van de mantelzorgers aan dat er behoefte is aan ondersteuning met administratieve werkzaamheden. Deze uitkomst toont aan dat er enerzijds de noodzaak is aan informatie, advies en begeleiding aan mantelzorgers om met deze werkzaamheden om te gaan en anderzijds de noodzaak om mantelzorgers te ontlasten door de administratieve lasten en regeldruk te verminderen. Verder toont dit rapport aan dat het inrichten van maatwerkvoorzieningen vereist is op basis van de type mantelzorgverlening en de doelgroep aan wie mantelzorg wordt verleend. Zo onderstreept het rapport dat mantelzorgers met verpleegtaken overal behoefte aan lijken te hebben, terwijl mantelzorgers met huishoudelijke taken met name behoefte hebben aan financiële hulp. Dergelijke concrete uitkomsten bieden een richting om maatwerkoplossingen voor mantelzorgers te realiseren.
Welk beleid voert u momenteel om mantelzorgers op Bonaire te ondersteunen? Welke wettelijke taken heeft het Rijk om mantelzorgers op Bonaire, Sint Eustatius en Saba te ondersteunen?
Het Besluit Maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES is op 1 januari 2025 ingegaan1. Dit Besluit heeft als doel het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking of, chronische psychische of psychosociale problemen, opdat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Op het gebied van maatschappelijke ondersteuning is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) verantwoordelijk gesteld voor het organiseren van maatwerkvoorzieningen waaronder de dagopvang, de respijtzorg en de huishoudelijke hulp. De Openbare Lichamen dragen zorg voor het welzijn van ouderen, waaronder de mantelzorgondersteuning, het bevorderen van sociaal contact en het aanbieden van activiteiten in de buurten en wijken. Ten aanzien van mantelzorg benadrukt het Besluit dat het bevorderen van de verlening van mantelzorg kan bijdragen aan het creëren van een zelfredzame samenleving. Het vormen van lokaal beleid voor mantelzorgers is dus hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam. Het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB) heeft dat bijvoorbeeld uitgewerkt in het beleidsdoel «Mantelzorgers voelen zich voldoende ondersteund» van het Beleid «Vitaal Ouder worden op Bonaire» (2023–2027)2.
Ik kan het lokaal beleid ondersteunen door middel van het bieden van maatwerkvoorzieningen om mantelzorgers te ontlasten. In de afgelopen jaren is er een inhaalslag gemaakt door te investeren in de uitbreiding van deze voorzieningen. Op basis van de behoefte van ouderen op Saba, St. Eustatius en Bonaire kunnen zij overdag naar de dagbesteding, waarbij transport wordt aangeboden. Ook kunnen zij maaltijden thuis ontvangen en gebruik maken van huishoudelijke hulp. Dit draagt bij aan de zelfredzaamheid van de oudere en verlicht de druk op de mantelzorger. Specifiek is er ook op Bonaire logeeropvang beschikbaar zodat de mantelzorger een paar dagen en nachten ontlast kan worden. Tot slot heeft VWS in de afgelopen twee jaar in samenwerking met lokale partijen cursussen voor mantelzorgers aangeboden om hen te helpen hoe goede zorg te verlenen3. Voorts is er op Bonaire een steunpunt mantelzorg geopend en zijn er op Bonaire en St. Eustatius commissies ouderenzorg waar ook de signalen van behoeften van mantelzorgers besproken kunnen worden en lokale partijen gezamenlijk actie op kunnen inzetten.
Welke aanknopingspunten vindt u in het rapport om het mantelzorgbeleid op Bonaire te intensiveren? Hoe ziet u daarin de verschillende verantwoordelijkheden van het Rijk en de gemeente Bonaire?
Ik zie aanknopingspunten om de mantelzorgondersteuning te optimaliseren door middel van een lokaal mantelzorgbeleid, informatie- en educatievoorziening, en het bieden van respijtzorg. Met de recente implementatie van maatschappelijke ondersteuning kunnen de noden van de hulpbehoevende inwoners en hun mantelzorgers beter in beeld komen. Hiertoe hebben het OLB en VWS intensief contact. Op basis van de afgesproken verantwoordelijkheden in de wet- en regelgeving ben ik van mening dat het OLB de initiatiefnemer dient te zijn voor het opstellen van het mantelzorgbeleid. Ik wil graag in gezamenlijkheid monitoren of de bestaande voorzieningen volstaan in het aantal beschikbare plekken en de kwaliteit van deze voorzieningen. Daarnaast heeft VWS geïnvesteerd in een mantelzorgsteunpunt en heeft het OLB geld beschikbaar gesteld voor Stichting Mantelzorg Bonaire om hun activiteiten te versterken. VWS en het OLB zullen bovenstaande recente intensiveringen met elkaar monitoren.
Welke mogelijkheden ziet u om de gemeente Bonaire en de Stichting Mantelzorg Bonaire extra te ondersteunen, gezien de bijzondere situatie van Bonaire als het gaat om de leeftijdsopbouw en sociaal-economische status van de bevolking? Is het mogelijk om een intensiveringspilot van de inzet te starten op Bonaire, zodat dit bij succes eventueel uitgerold kan worden naar alle BES-eilanden?
Mantelzorgondersteuning dient in gezamenlijkheid door alle aanbieders en stichtingen in de zorg op Bonaire verder gestimuleerd te worden. Een passend gremium om de ondersteuning van mantelzorg bij alle partijen te bespreken is de Cockpitgroep Ketenalliantie Ouderenzorg (hierna: CKO). In dat kader kan het CKO eventueel, indien de noodzaak is onderschreven, een dergelijk intensiveringspilot onder leiding van het OLB opzetten om tegemoet te komen aan de huidige behoeften zoals blijkt uit het rapport. De noodzaak van een intensiveringspilot dient naar voren te komen uit de monitoring van bestaande maatwerkvoorzieningen en de identificatie van concrete aanpassingen, toevoegingen of intensiveringen van de huidige activiteiten. Ik ondersteun, daar waar mogelijk is, het CKO om de integrale ouderenzorg te stimuleren en daarvan de geleerde lessen onder de aandacht te brengen bij de overige BES-eilanden.
Het Grevio rapport 'Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation report' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het GREVIO-rapport «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation report»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe ziet u de aanbeveling dat de definities en maatregelen die in Nederland worden gehanteerd om de problematiek te duiden en op te lossen zich volgens GREVIO te weinig toespitsen op vrouwen, aangezien deze groep onevenredig vaker wordt getroffen? Op welke manier gaat u deze aanbeveling concreet oppakken?
De aanbevelingen van GREVIO onderstrepen het belang van een gendersensitieve benadering van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen. Nederland besteedt hier in recente beleidsprogramma’s al bewust aandacht aan, zoals GREVIO ook opmerkt. Zo wordt nadrukkelijk het verband gelegd tussen genderongelijkheid en seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld in het nationaal actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (2023) en respectievelijk huiselijk geweld in het plan van aanpak Stop femicide! (2024). Bij beleidsvorming wordt rekening gehouden met specifieke behoeften van mannen en vrouwen, om zodanig te streven naar gelijke rechten en kansen.
Daarnaast bereid ik een verruiming voor van de huidige wettelijke definitie van huiselijk geweld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het voornemen is om deze uit te breiden met de begrippen «geweld tegen vrouwen» en «economisch geweld». Hiermee beoog ik dat een meer gendersensitieve benadering bij de aanpak van geweld consequent wordt doorgevoerd op alle bestuurlijke niveaus. De wetswijziging is onderdeel van het implementatietraject van de Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, die medio 2027 in werking treedt.
Deelt u de mening dat het gebrek aan proactieve screening op geschiedenis van huiselijk geweld in scheidingsprocedures, dat wordt aangehaald in het rapport, beter moet? Hoe wordt er op dit moment gescreend op huiselijk geweld bij een scheidingsprocedure? Wordt er al gebruik gemaakt van voorbeelden uit andere landen die wel screenen op huiselijk geweld?
Ja, er is ruimte voor verbetering in de wijze waarop in scheidingsprocedures wordt gescreend op een geschiedenis van huiselijk geweld. GREVIO heeft Nederland aanbevolen om af te stappen van praktijken die neerkomen op verplichte bemiddeling in ouderlijke scheidingsprocedures zonder voorafgaande screening. Daarbij vraagt GREVIO nadrukkelijk aandacht voor de machtsongelijkheid die kan ontstaan door huiselijk geweld en het risico dat familierechtprocedures worden misbruikt voor post-scheidingsgeweld.
Mede naar aanleiding van het onderzoek Waar geweld uit beeld raakt (Verwey-Jonker Instituut, 2025) is een verbetertraject gestart met als doel dat, wanneer huiselijk geweld en/of kindermishandeling speelt, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. Een belangrijk instrument dat hier onder meer aan kan bijdragen en is aanbevolen door het Verwey-Jonker Instituut is het ontwikkelen van een toetsingskader. Volgens de onderzoekers betekent dit onder meer dat risicotaxatie en screening van geweldspatronen aan het begin van de procedure plaatsvindt en de uitwisseling van strafrechtelijke informatie in de familierechtelijke procedure verbeterd wordt. Deze aanbeveling sluit aan op de aansporing van GREVIO om lopende zaken inzake voogdij en omgang te screenen op huiselijk geweld.
In het kader van dit verbetertraject worden gesprekken gevoerd met de Rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming, het Verwey-Jonker Instituut en andere betrokken organisaties, zoals de advocatuur en Slachtofferhulp Nederland. De aanbevelingen van zowel GREVIO als het Verwey-Jonker Instituut worden hierin meegenomen. Binnen de Rechtspraak loopt daarnaast een projectgroep huiselijk geweld die onderzoekt hoe rechters binnen de bestaande wettelijke kaders beter inzicht kunnen krijgen in signalen van geweld. Steeds vaker wordt huiselijk geweld expliciet betrokken bij rechterlijke afwegingen, soms met verwijzing naar het Verdrag van Istanbul.
Een verwijzing naar civiele mediation vindt uitsluitend plaats op basis van vrijwilligheid. De verwijzende rechtbank beoordeelt vooraf de geschiktheid en veiligheid van mediation in een zaak en de mediationfunctionaris koppelt partijen aan een geschikte, MfN (Mediatorsfederatie Nederland) geregistreerde mediator. Deze mediators zijn opgeleid in het herkennen van machtsongelijkheid en conflictdynamieken.
Tot slot wordt bij de uitwerking van het verbetertraject ook gekeken naar buitenlandse voorbeelden, zoals Australië en Spanje, waar systematische screening op huiselijk geweld en gespecialiseerde familierechtprocedures al zijn ingebed.
Met deze initiatieven geeft Nederland opvolging aan de aanbevelingen van GREVIO om in scheidingsprocedures de veiligheid van slachtoffers en hun kinderen beter te waarborgen.
Hoe staat het met de uitvoering van Clare’s Law, naar aanleiding van de motie van het lid Van der Werf c.s. over onderzoek naar een Nederlandse variant van Clare’s Law? Hoe staat het met het onderzoek? Heeft u een tijdspad voor ogen van dit onderzoek en de invoering van de wet in Nederland? Deelt u de mening dat Clare’s Law een deel van de problemen die worden aangehaald in het rapport ook helpt oplossen?2
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van uw Kamervragen van 10 september jl., financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel een eerste juridische verkenning naar de mogelijkheden van een Nederlandse variant van Clare’s Law. Dit onderzoek wordt op initiatief van de Open Universiteit uitgevoerd, in samenwerking met onder andere de gemeente Rotterdam, de politie en Filomena Rotterdam, mede naar aanleiding van een werkbezoek van deze partijen aan het Verenigd Koninkrijk.
De verkenning richt zich op de juridische haalbaarheid, randvoorwaarden en mogelijke uitvoeringsvormen van een dergelijk instrument in de Nederlandse context. De resultaten worden naar verwachting in januari 2026 opgeleverd. Op basis van deze bevindingen zal worden bepaald of en hoe een vervolgfase kan worden vormgegeven. Daarvoor kan op dit moment nog geen concreet tijdpad voor invoering worden gegeven.
Hoewel GREVIO in haar aanbevelingen geen specifiek advies geeft over de invoering van Clare’s Law, sluit het onderliggende doel van dit instrument, namelijk het versterken van de informatiepositie van (potentiële) slachtoffers en het vroegtijdig signaleren van risico’s op huiselijk geweld, nauw aan bij de doelstellingen van het Verdrag van Istanbul, met name waar het gaat om de bescherming van slachtoffers en het voorkomen van herhaald geweld.
Kunt u reflecteren op de conclusie uit het rapport dat het in Nederland nog te vaak gezien als wederzijds conflict wordt gezien waarbij er onvoldoende aandacht is voor gendergerelateerde machtsverhoudingen in intiem partnergeweld? Welke maatregelen bent u van plan te ondernemen om dit aan te pakken?
De afgelopen jaren is de bewustwording toegenomen dat er bij conflicten niet altijd twee mensen «schuld» hebben, maar gendergerelateerde machtsverhoudingen een onevenredige rol hebben en van invloed kunnen zijn. Deze omslag in denken en daarmee handelen wordt verder gefaciliteerd door de deskundigheid van professionals op dit terrein verder te verstevigen. Vanuit de Ministeries van JenV en VWS wordt momenteel ingezet op het verder versterken van deskundigheid over gendergerelateerd geweld bij zorg- en veiligheidsorganisaties/-professionals. Zodat zij beter gendergerelateerd geweld kunnen herkennen, signaleren en adequaat handelen. De samenwerkende organisaties hebben ook de ambitie om deskundigheidsbevordering naar een hoger niveau te tillen.
GREVIO wijst ook in de context van het familierecht op de risico’s van een te sterke focus op zogenoemde «wederzijdse conflicten». Iedere gezags- en omgangszaak vraagt om maatwerk. Het is daarom van belang dat ketenpartners en rechters goed geïnformeerd en opgeleid zijn om deze situaties zorgvuldig te beoordelen. Dit aandachtspunt, in samenhang met dwingende controle en andere vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling, wordt meegenomen in het verbetertraject dat is genoemd bij vraag 3.
Wat is het huidige aantal opvangplekken in Nederland voor slachtoffers die vluchten voor huiselijk geweld?
In 2025 is de monitor Veilige Opvang van Valente en de VNG gepubliceerd, met daarin cijfers over de landelijke en regionale capaciteit van de vrouwenopvang3. In 2023 had Nederland 1024 opvangplaatsen voor slachtoffers van huiselijk en seksueel geweld. Betrokken partijen als Valente signaleren dat momenteel een tekort aan veilige opvangplaatsen bestaat. Recentelijk heeft de Nederlandse regering structureel 12 miljoen extra vrijgemaakt voor het vergroten van de capaciteit van de vrouwenopvanginstellingen.
Hoe wilt u de aanbeveling uit het rapport oppakken dat er te weinig gebruikt wordt gemaakt van noodverboden zoals het contactverbod?
Het kabinet verkent momenteel samen met gemeenten en andere betrokken organisaties hoe het tijdelijk huisverbod voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling vroegtijdiger en beter kan worden ingezet, ter bescherming van slachtoffers. Op basis van het rapport «Het tijdelijk huisverbod vanuit een nieuw perspectief»4 worden pilots voorbereid in vier regio’s waarin wordt onderzocht hoe de verschillende stadia van een huisverbodprocedure (het starten van een dergelijke procedure, het invullen van het risicotaxatie-instrument, het opleggen van het huisverbod, het uitvoeren van het huisverbod, de inzet van de benodigde zorg en hulpverlening en het handhaven van het huisverbod) verbeterd kunnen worden. De pilots zullen begin 2026 starten.
Het doel is om het tijdelijk huisverbod niet alleen in acute crisissituaties in te zetten, maar ook vroegtijdiger op basis van onderbouwde vermoedens van structurele onveiligheid. Naast de politie zouden ook meer partijen het initiatief moeten kunnen nemen om een verzoek tot huisverbod aan de burgemeester voor te leggen. Hoewel er enige vertraging is ontstaan is de inzet dat deze pilots in januari 2026 starten. Omdat bij de inzet van het tijdelijk huisverbod veel partijen zijn betrokken vergt dit een nauwkeurige voorbereiding met de betrokken gemeenten en uitvoeringsorganisaties, waaronder de politie, Veilig Thuis, crisisinterventieteams, de Raad voor de Kinderbescherming, het Openbaar Ministerie, de reclassering en de lokale zorg en hulpverlening.
Er wordt tot en met eind 2026 gewerkt aan een handreiking voor professionals voor een betere inzet van het tijdelijk huisverbod. Hierin worden achtergrondinformatie en tips vermeld, mede op basis van de bevindingen van de hierboven genoemde pilots, om binnen het bestaande wettelijke kader al beter aan de slag te kunnen. Tegelijkertijd kunnen de pilots inzicht en nadere onderbouwing opleveren voor wijziging van de Wet tijdelijk huisverbod en flankerende wetgeving. Ook verkent de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid of burgemeesters aanvullende bestuursrechtelijke bevoegdheden moeten krijgen, en zo ja welke, om slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling beter te kunnen beschermen en hoe burgemeesters hun bestaande bevoegdheden hiervoor beter kunnen benutten. Het is immers van belang dat slachtoffers zo nodig ook na afloop van een huisverbod, of als een huisverbod niet opportuun is, en ook voor een strafrechtelijke afdoening (bijvoorbeeld nog voordat een gedragsaanwijzingen op grond van artikel 509 hh Sv wordt opgelegd) adequaat kunnen worden beschermd en dat hierop kan worden gehandhaafd.
Deelt u de mening over de noodzaak van het aanstellen van een nationaal coördinator, zoals ook wordt aanbevolen in het rapport? Hoe staat het met de gesprekken hierover? Denkt u dat het gaat lukken om voor het einde van dit jaar een nationaal coördinator te hebben aangesteld die het beleid gaat aanjagen rondom de vier ministeries?
Zoals aangegeven in het nota overleg van 22 september j.l. deel ik de mening dat het goed is dat er een vorm van extern toezicht en monitoring op de aanpak komt. Welke vorm deze functie zou moeten hebben en wat het takenpakket van deze externe functie zou moeten zijn, wordt op dit moment met de desbetreffende departementen onderzocht. Er wordt parallel hieraan ook gewerkt aan een plan
om de coördinatie van beleid tussen de vier ministeries beter te organiseren. Dit is in lijn met de aanbevelingen van GREVIO: het organiseren van coördinatie tussen de verschillende programma’s rondom het thema geweld tegen vrouwen én het monitoren van de aanpak. De plannen vanuit het Kabinet zullen op korte termijn met een aantal leden van de Tweede Kamer worden besproken, zoals ook is toegezegd in het notaoverleg van 22 september j.l. De uitkomsten van de interne gesprekken en de gesprekken met de Kamerleden zullen worden gedeeld in de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kindermishandeling die nog eind dit jaar naar de Tweede Kamer wordt verzonden.
Hoe staat het met de uitvoering van het 24/7 meldpunt, zoals ook gevraagd in de motie-Van der Werf/Becker en wordt aanbevolen in het rapport? Wordt er nog meer ondernomen om dit 24/7 meldpunt te realiseren dan de 24/7 chatfunctie van Veilig Thuis?3
Zoals ook in eerdere Kamerbrieven aangegeven, is op dit moment het standpunt dat er in Nederland verschillende meldpunten zijn waar vrouwen die slachtoffer worden van geweld terecht kunnen. Als het gaat om huiselijk geweld dat mogelijk kan escaleren, is Veilig Thuis het landelijke 24/7 meldpunt. Veilig Thuis heeft de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Op dit vlak is er geen beleidsvrijheid voor gemeenten om hier van af te wijken. Veilig Thuis is daarmee in acute situaties altijd bereikbaar en beschikbaar. De chatfunctie is op dit moment alleen bereikbaar tussen 9 en 17 uur. Landelijk wordt er hard aan gewerkt om dit z.s.m. uit te breiden naar 24/7 bereikbaarheid. Daarnaast kunnen slachtoffers van seksueel geweld terecht bij de Centra voor Seksueel Geweld (CSG’s) en kan er bij acute onveiligheid contact op worden genomen met politie. Hiermee voldoet Nederland aan de verplichtingen vanuit de EU-richtlijn Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld.
Gekoppeld aan het meldpunt Veilig Thuis zit ook de functie van adviespunt. Met de recente invoering van het digitale platform van Veilig Thuis is de informatie rondom het herkennen, signaleren en handelen als het gaat om intieme terreur en rode vlaggen voor femicide op één plek gebundeld. Vanuit het digitale platform kan direct per chat of telefonisch aanvullend advies worden gevraagd en, indien nodig, over gegaan worden tot een melding.
Als een vrouw in een onveilige situatie zit, moet zij te allen tijde daar aan kunnen kloppen waar het voor haar het meest veilig voelt. Het is dan zaak dat de relevante organisaties onderling goed samenwerken en zorgen dat zij met haar hulpvraag naar de juiste plek wordt begeleid. Hier is nog veel in te verbeteren en dit heeft de aandacht.
Bent u van plan om aan de slag te gaan met de aanbeveling om meer gegevens bij te houden van zowel het slachtoffer als de dader, zoals hun relatie, de geografische locatie van het delict, het type geweld dat is gebruikt tijdens het delict?
Als onderdeel van de implementatie van het Verdrag van Istanbul heeft Nederland in 2019 de Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ingericht. Deze monitor bevat gecombineerde data van onder meer de politie, justitieorganisaties, Veilig Thuis en het jeugddomein. GREVIO beveelt aan om de bestaande monitor uit te breiden met bijvoorbeeld de zorgsector. En om de data, gegevens en monitoring vanuit de aangesloten domeinen verder te harmoniseren.
Nederland heeft de afgelopen jaren stappen gezet in het verder verbeteren van dataverzameling over huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. Een belangrijke verbetering uit 2024 is het toevoegen van een wettelijke grondslag aan de Verzamelwet Gegevensverwerking VWS. Hierdoor ontstaat voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) de mogelijkheid om data vanuit Veilig Thuis met behulp van het burgerservicenummer (hierna: bsn) op een veilige, niet tot personen herleidbare wijze te koppelen aan andere CBS-databestanden. Het CBS is hierdoor in staat om data van Veilig Thuis te verrijken. Zo kan het CBS meer inzicht krijgen in de achtergronden van slachtoffers en plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling en de geleverde hulp, zorg en eventuele justitiële interventies. Dit is nodig om het beleid en de aanpak op de langere termijn te verbeteren. Momenteel wordt deze wetswijziging in de praktijk geïmplementeerd. Dit gebeurt met de hoogste zorgvuldigheid ten aanzien van privacy en dataveiligheid. De eisen hiervoor zijn vastgelegd in de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS voldoet hiermee aan de geldende Europese standaarden ten aanzien van het anoniem verwerken van en rapporteren over de bij haar beschikbare data.
Daarnaast werkt het CBS samen met de aangesloten sectoren en betrokken ministeries aan de doorontwikkeling van de Impactmonitor. De belangrijkste verbeterpunten zijn het opschonen van dubbele data, om zo (technisch) ruimte te maken voor het toevoegen van nieuwe datacategorieën en heldere overzichtspagina’s. Een nieuw voornemen is het toevoegen van de geografische locatie van geweld en deze te koppelen aan bestaande data over huiselijk geweld. Een ander voornemen is het verrijken van bestaande gegevens met de woonsituatie en met de (vermoedelijke) relationele status van betrokkenen bij huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen.
Een volgende stap is het verkrijgen van meer inzicht in hoe slachtoffers van geweld in het bredere zorgdomein worden geholpen. Dit is een complexe uitdaging, omdat het zorgdomein met alle publieke en private zorgverleners bestaat uit een zeer gevarieerde doelgroep met eigen registratiesystemen, indicatoren en rapportages die zich niet eenvoudig laten harmoniseren. Nederland kampt daarbij met grote personele uitdagingen in de zorg. Om deze hanteerbaar te houden hebben de zorgsectoren in het Integraal Zorg Akkoord afgesproken dat de uitvoeringspraktijk niet met meer bureaucratische eisen moet worden belast dan strikt noodzakelijk is. De betrokken ministeries voeren gesprekken met het CBS over hoe het zorgdomein meer kan worden betrokken bij de gegevensverzameling over huiselijk geweld, zonder dat dit leidt tot extra regeldruk.
Politieregistratie data bevatten reeds informatie over het geslacht en de leeftijd van vermoedelijke slachtoffers en verdachten, hun onderlinge relatie, de geografische locatie en het type geweld (delict, in combinatie met maatschappelijke classificaties voor huiselijk geweld en kindermishandeling). Registratiedata van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) bevatten op zaaksniveau informatie over het geslacht en de leeftijd van verdachten of daders, de geografische locatie en het type geweld (delict, in combinatie met maatschappelijke classificaties voor huiselijk geweld en kindermishandeling). Ook registreert het OM vrouwelijk slachtofferschap bij geweldsdelicten. Met de politie, het OM en het CBS zal worden verkend op welke wijze deze data op geaggregeerd niveau verder inzichtelijk gemaakt kan worden voor huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen, in lijn met de vereisten van het Verdrag van Istanbul en de EU-Richtlijn inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Tevens zal worden verkend in hoeverre routes van
verdachten of daders en (vermoedelijke) slachtoffers in de zorg- en veiligheidsketen op geaggregeerd niveau in beeld gebracht kunnen worden, ten behoeve van verdiepend onderzoek en beleidsevaluatie.
Deelt u de mening dat in gevallen van huiselijk geweld het belang van kinderen voorop moet staan in tegenstelling tot het recht van ouders om zich te beroepen op hun ouder zijn voor bijvoorbeeld het aanvragen van visitatie, omgangsregelingen etc.
Ja. In alle gezags- en omgangszaken staat het belang van het kind centraal. Dit uitgangspunt is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:253a BW) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (artikel 3 en 9). Het belangrijkste is dat naar een situatie wordt toegewerkt die het kind in staat stelt duurzaam veilig op te groeien en het meeste bijdraagt aan het welzijn van het kind. Daarbij heeft het bij vraag 3 genoemde verbetertraject tot doel ervoor te zorgen dat informatie over (een geschiedenis van) huiselijk geweld beter wordt betrokken bij de rechterlijke afweging over wat in het belang van het kind is.
Hoe bent u van plan om de aanbeveling om data beter te beschermen en te delen onder instanties concreet uit te voeren? Welke tools heeft u concreet tot uw beschikking om ervoor te zorgen dat slachtofferverklaringen en andere data beter kan worden gedeeld onderling tussen hulpinstanties zodat slachtoffers niet meerdere malen hun verhaal hoeven te doen?
Op dit moment is het samenwerken en het informatie uitwisselen tussen verschillende organisaties gebaseerd op diverse convenanten en per organisatie verschillende systemen waardoor een estafettemodel is ontstaan. Het uitgangspunt bij de systemen voor uitwisseling van informatie zijn de wettelijke taken, doelbinding (gegevens worden alleen verzameld en verwerkt voor een specifiek, vooraf bepaald en gerechtvaardigd doel) en behoeften van de diverse organisaties in de keten, zoals Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en de politie.
In 2023 is door diverse ketenorganisaties geconcludeerd dat men wil toewerken naar het doel dat professionals eenvoudiger toegang hebben tot informatie. Sinds 2024 wordt gewerkt aan het initiatief «Samen onder Handbereik – netwerksamenwerking onder de vingertoppen». Daarmee wordt een overstap gemaakt van estafettemodel naar netwerkmodel: professionals krijgen op termijn zicht op gebeurtenissen die rond een gezin spelen en kunnen inzage krijgen in meer gedetailleerde informatie bij de betreffende organisatie (de bronhouder) zelf. Het uitgangspunt is dat data niet worden gecentraliseerd op één plek, in één systeem, maar dat informatie vanuit de bron (de betreffende organisatie) toegankelijk is ter inzage. Hiervoor is een landelijk samenwerkproces ontwikkeld. Dit wordt momenteel stap voor stap gerealiseerd. Hierbij is uiteraard het uitgangspunt dat dit conform de privacyregels gebeurt.
De eerste resultaten van deze ontwikkeling «Samen onder Handbereik» zijn inmiddels bereikt. Zo is het mogelijk dat onder andere Veilig Thuis met één druk op de knop kan zien wie het wettelijk gezag heeft over een minderjarige. En vanaf 2026 kan elke Veilig Thuis organisatie digitaal checken of een of meer
netwerkpartners, zoals de Gecertificeerde Instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming, de Zorg- en Veiligheidshuizen en later ook de politie, bekend zijn met een bepaalde persoon. Deze ontwikkelingen wordt stap voor stap uitgebreid met functionaliteiten en organisaties.
Bent u, gelet op de urgentie, bereid de vragen inhoudelijk te beantwoorden binnen een maand en niet te verwijzen naar een latere kabinetsreactie?
De Kamervragen zijn zo snel mogelijk inhoudelijk beantwoord.