Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van het bericht en kunnen bevestigen dat de aanleiding ligt in de structurele financiële verliezen van de bezoekerscentra. Om in tijden van schaarse middelen te kunnen focussen op natuurbeheer en biodiversiteitsbehoud, heeft Staatsbosbeheer (hierna: SBB) het voornemen om zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra anders in te gaan vullen. Per locatie zal gekeken worden naar de mogelijkheden, waarbij sluiting van een bezoekerscentrum ook een resultaat zou kunnen zijn.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een maatschappelijke waarde hebben voor publieksvoorlichting en natuurbegrip. Gelijktijdig heeft SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen verantwoordelijkheid om financieel gezond te blijven. De wettelijke taak op het gebied van natuureducatie en het creëren van draagvlak blijft onverminderd van kracht. SBB blijft publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden.
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Wij beoordelen de keuze van SBB als een pijnlijke maar begrijpelijke afweging, waarbij de organisatie vanwege structurele tekorten de prioriteit legt bij zijn kerntaak van natuurbeheer en biodiversiteitsherstel in het veld boven het openhouden van verlieslatende bezoekerscentra. Het gaat om zeven buitencentra, maar publieksvoorlichting wordt voorzien in alle SBB-gebieden. Hoewel wij de autonomie van SBB als zelfstandig bestuursorgaan respecteren en de verschuiving naar een andere invulling van publieksvoorlichting steunen, benadrukken wij dat deze bezuiniging niet mag leiden tot het verdwijnen van de educatieve functie en dat er daarom actief moet worden gezocht naar lokale partners en alternatieven om de vitale schakel tussen burger en natuur te behouden.
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
SBB weegt natuurbeheer als zijn prioritaire basistaak, waarbij publiekseducatie dient als noodzakelijk maatschappelijke verankering. Dit mag echter bij financiële krapte niet ten koste gaan van het ecologische beheer in het veld. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies ontvangt SBB geen specifieke bekostiging meer voor de bezoekerscentra. SBB maakt daarom keuzes over de wijze waarop educatie en publieksvoorlichting worden georganiseerd. Het voorgenomen besluit om te stoppen met het huidige concept van bezoekerscentra betekent niet dat SBB stopt met educatie en publieksvoorlichting, SBB blijft deze activiteiten uitvoeren.
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Ja, wij delen de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel moeten zijn van het werk van SBB, aangezien deze maatschappelijke opdracht wettelijk is verankerd en cruciaal is voor het maatschappelijk draagvlak van het natuurbeleid. Wij benadrukken echter dat de uitvoering van deze taak niet verplicht gekoppeld is aan het behoud van bezoekerscentra, waardoor SBB de ruimte krijgt om deze publieksfunctie in tijden van financiële krapte op een andere en flexibelere manier vorm te geven zonder dat de essentie van de voorlichting verloren gaat.
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Wij voorzien dat het afnemen van fysieke zichtbaarheid en uitleg kan leiden tot een risico op verminderd maatschappelijk draagvlak en onbegrip bij burgers voor ingrijpende beheermaatregelen, maar stellen dat dit negatieve gevolg ondervangen moet worden door de voorlichting effectiever in te richten op de locaties waar de maatregelen daadwerkelijk plaatsvinden. In plaats van communicatie via statische bezoekerscentra moet de uitleg over het natuurbeleid verschuiven naar de werkvloer zelf, door de inzet van gerichte digitale informatie, tijdelijke borden in het veld en boswachters als direct aanspreekpunt, waardoor de cruciale binding en acceptatie bij het publiek behouden kunnen blijven.
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Wij erkennen dat deze ontwikkeling op het eerste gezicht haaks lijkt te staan op de kabinetsambitie om burgers meer bij natuur en biodiversiteit te betrekken, maar wij stellen tegelijkertijd wel vast dat wordt ingezet op een kwalitatieve modernisering van de betrokkenheid in plaats van het in stand houden van verlieslatende fysieke locaties. De Rijksambitie richt zich op het stimuleren van actieve participatie en natuurbeleving in de directe leefomgeving van burgers, wat betekent dat voorlichting en educatie effectiever naar de mensen toe gebracht moet worden via scholen, digitale kanalen en lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Wij willen een daling van het maatschappelijk draagvlak voorkomen door van SBB te vragen dat de voorlichting over noodzakelijk natuurbeheer proactief en direct op de projectlocaties in het veld wordt vormgegeven, in plaats van te leunen op statische bezoekerscentra. Daarnaast stimuleren wij overleg met lokale overheden en partners om de publieksfunctie van vitale locaties waar mogelijk via alternatieve exploitatievormen te behouden.
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Ja, (internationaal) wetenschappelijk onderzoek toont aan dat natuureducatie en gerichte publieksvoorlichting de schade aan natuurgebieden aantoonbaar verminderen, doordat geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder afval achterlaten wat leidt tot lagere schoonmaak- en herstelkosten binnen het natuurbeheer. Hoewel deze preventieve kostenbesparingen in de praktijk zijn bewezen, landen deze indirecte maatschappelijke baten niet als inkomsten op de exploitatiebalans van de bezoekerscentra zelf, die door de hoge vastgoed- en personeelslasten verlieslatend blijven. Wij benadrukken daarom dat deze effectieve preventieve voorlichting niet moet stoppen, maar in tijden van financiële krapte efficiënter en goedkoper rechtstreeks op de werkvloer in het veld moet worden vormgegeven om de natuur te beschermen.
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Wij delen de opvatting dat het sluiten van fysieke bezoekerscentra het risico in zich draagt dat natuur door het publiek meer als een puur technisch beheersvraagstuk in plaats van een gezamenlijk publiek goed wordt ervaren, maar wij stellen dat dit risico kan worden ondervangen door maatschappelijke verbinding op andere manieren vorm te geven. Wij wegen dit risico zorgvuldig en benadrukken dat natuurbeleid alleen succesvol kan zijn als er een sterke educatieve en emotionele binding met burgers blijft bestaan. Om te voorkomen dat de natuurbeleving versmelt tot louter ecologisch beheer, sturen wij erop aan dat natuur toegankelijk blijft voor bezoekers en dat SBB niet bezuinigt op de inhoud van de publiekstaak zelf, maar de transitie maakt naar een directere, laagdrempelige aanwezigheid in het veld, waardoor de status van natuur als publiek goed juist op de feitelijke plek van de natuurervaring wordt versterkt.
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
SBB heeft onderzocht op welke wijze de functies van de bezoekerscentra ook op een andere manier kunnen worden ingevuld, zonder afbreuk te doen aan de kerntaak van natuurbeheer. Daarbij is het uitgangspunt dat publieksvoorlichting, educatie en natuurbeleving behouden blijven, maar niet noodzakelijkerwijs vanuit een door SBB geëxploiteerd bezoekerscentrum. SBB blijft publieksactiviteiten uitvoeren via onder meer informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met o.a. scholen, gemeenten, IVN Natuureducatie en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Voor de huidige gebouwen wordt per locatie, in overleg met betrokken partners en rekening houdend met bestaande afspraken en contracten, onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij kan worden gedacht aan exploitatie door lokale ondernemers of andere maatschappelijke partijen. Ook kunnen, waar passend, tijdelijke of mobiele voorzieningen worden ingezet, bijvoorbeeld bij (natuurherstel)projecten of evenementen.
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Ja, wij zijn bereid om met SBB in gesprek te treden en ondersteunend op te treden, mits dit gebeurt binnen de kaders van de operationele autonomie van de organisatie en zonder dat dit leidt tot een structurele financiële bijdrage vanuit het Rijk. Wij willen ons in deze gesprekken met name richten op het faciliteren en samenbrengen van SBB met provincies, gemeenten en lokale ondernemers om alternatieve, kostenneutrale exploitatievormen voor de centra te onderzoeken. Tegelijkertijd zullen wij er tijdens deze overleggen scherp op toezien dat de wettelijke opdracht voor natuureducatie en publieksvoorlichting kwalitatief gewaarborgd blijft binnen de nieuwe bedrijfsvoering.
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De operationele en de financiële prioriteitstelling vallen onder de zelfstandige verantwoordelijkheid van de directie van SBB en natuurbeheer heeft bij financiële krapte de wettelijke prioriteit boven vastgoed. Hoewel wij de autonomie van de organisatie als zelfstandig bestuursorgaan respecteren, willen wij wel borgen dat de wettelijke taak op het gebied van educatie en bewustwording overeind blijft. Wij vragen SBB dan ook dat deze maatschappelijke functie bij het wegvallen van de bezoekerscentra kwalitatief gewaarborgd blijft via een modernere, directere en kostenefficiëntere invulling in de klas en in de natuurgebieden zelf.
Sluiting Twentekanaal |
|
Renilde Huizenga (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven voor welke binnenvaartwegen, naast de in de artikelen «Twentekanaal vanaf zaterdag dicht voor scheepvaart vanwege lage waterstand» en «Maatregelen Kanaal Almelo-De Haandrik vanwege de droogte» genoemde vaarwegen, in Nederland op dit moment sluiting of stremming geldt of dreigt?1 2
Op dit moment geldt een sluiting of stremming alleen voor de volgende vaarwegen in beheer van het Rijk: de Twentekanalen en de uitlopers daarvan. Bij verdere beperking van de wateraanvoer wordt steeds bezien of vaarwegen zonder beperking open kunnen blijven, met inachtneming van de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de IJssel is voorbereid.
Welke gevolgen voorziet u voor de regionale economie, logistieke ketens en werkgelegenheid in (Oost-) Nederland als scheepstransport over diverse kanalen (gedeeltelijk) stilvalt, en hoe zijn deze geraamd (bijvoorbeeld qua extra kosten, vertragingen en CO2-uitstoot door verplaatsing naar wegtransport)?
Wat de gevolgen zijn voor de regionale economie, logistieke ketens, en werkgelegenheid in (Oost-)Nederland, is niet exact in te schatten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van een stremming, of er alternatieve vervoersmogelijkheden zijn, hoe laag het water staat en de maatregelen die in de toekomst mogelijk nog genomen worden. Op dit moment heeft IenW nog geen eigen cijfers over kosten en gevolgen. Er zal een economische evaluatie worden gedaan dit najaar. Op de korte termijn is in ieder geval wel te verwachten dat transport duurder wordt voor verladers, in verband met omvaren, inzet van meerdere vrachtwagens en latere leveringen. Op de lange termijn is de impact (nog) niet goed in te schatten. Op lange termijn zouden logistieke ketens anders ingevuld kunnen gaan worden. In de Beleidsagenda Goederenvervoer is uiteengezet dat een weerbaar en veerkrachtig logistiek systeem nodig is.
Hoe vaak zijn kanalen in de afgelopen vijf jaar (geheel of gedeeltelijk) gesloten of beperkt inzetbaar geweest als gevolg van lage waterstanden en is er een trend zichtbaar die duidt op toenemende kwetsbaarheid door klimaatverandering?
Een beperking als gevolg van lage waterstanden wordt niet centraal bijgehouden. Een vaarwegbeheerder (gemeente, provincie, waterschap) neemt daarover zelfstandig een besluit. Ook voor de vaarwegen in het beheer van het Rijk wordt stremming wegens droogte niet afzonderlijk geregistreerd. Voor bijvoorbeeld het Twentekanaal is het tussen 2018 en 2025 zes maal voorgekomen dat de gemalen als gevolg van een te lage waterstand in de IJssel zijn afgeschakeld (jaren 2018, 2019, 2020, 2022, 2023 en 2025). Als het gemaal vanwege te weinig water niet meer kan draaien, dan is er een pomp nodig om extra water aan te voeren om het gemaal weer te laten functioneren. Om te voorzien in voldoende wateraanvoer naar de Twentekanalen wordt er dan zo lang als mogelijk gebruik gemaakt van een Tijdelijke Pompinstallatie (TPI). In de huidige situatie is het kanaalpeil te snel en te ver doorgezakt. Daarom konden TPI’s niet voorkomen dat het kanaal volledig gestremd werd.
Deelt u de mening dat Nederland zich moet voorbereiden op vaker voorkomende droogteperiodes? Wat zijn de concrete maatregelen van het kabinet om de wateraanvoer naar cruciale vaarwegen zoals het Twentekanaal klimaatbestendig te borgen (bijvoorbeeld middels bufferbekkens, slimme sturing en koppeling met regionale waterreserves)?
Ja, deze mening deel ik. Programma’s als het Deltaplan Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» helpen ons voor te bereiden op waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken. Daarnaast neemt het programma «Ruimte voor de Rivier 2.0» maatregelen in het hoofdwatersysteem om te voorzien in verschillende socio-economische functies, waaronder zoetwatervoorziening, natuur en bevaarbaarheid. Bij de Twentekanalen is er dit jaar bijvoorbeeld preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren. Daarnaast zijn er tijdelijke pompinstallaties geïnstalleerd voor extra wateraanvoer.
Hoe borgt het kabinet dat bij waterschaarste een eerlijke verdeling plaatsvindt tussen belangen als scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw, conform de landelijke afspraken over waterverdeling (Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling)?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte (pdf, 1.2 MB) staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Bent u bereid om, samen met provincies, waterschappen en gemeenten, een regionaal waterbufferplan Twentekanaal te ontwikkelen dat specifiek gericht is op het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen door lage waterstand?
Het Rijk werkt binnen het Deltaplan zoetwater al nauw samen met de provincies, waterschappen en gemeenten om voorbereid te zijn op periodes met lage aanvoeren en zo vaarwegsluitingen door lage waterstand zoveel mogelijk te voorkomen, zie het antwoord op vraag 4. Zo is er al onderzocht of het aanleggen van regionale waterbuffers kan bijdragen aan het voorkomen van watertekorten. De mogelijkheden hiervoor blijken echter beperkt. Het gebied is hooggelegen en zandig, waardoor de buffers relatief snel weer leeglopen. Door de sterk drainerende werking van de bodem zou ook in de winter extra water moeten worden aangevoerd om de buffers goed te vullen en zo te houden. Dit is kostbaar en kan lokaal leiden tot wateroverlastproblemen door interacties met het grondwatersysteem. De inzet ten aanzien van het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen is daarom primair gericht op het robuuster maken van de wateraanvoermogelijkheden.
Om de wateraanvoer te verbeteren wordt vanuit het Deltafonds een tweejarige planstudie gefinancierd. Deze planstudie is samen met partners uit de regio voorbereid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vervanging van het gemaal bij sluis Eefde, zodat de inzet van noodpompen op termijn zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Bij een positief besluit over de uitkomsten van de planstudie zullen het Rijk, de provincie Overijssel, de provincie Drenthe en de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel de uitvoering ervan gezamenlijk financieren.
Hoe verhoudt de huidige afhankelijkheid van het binnenvaarttransport zich tot de plannen voor multimodaal transport (spooraansluitingen, overslagpunten) en welke versnelling is nodig om bij sluitingen alternatieven te bieden?
Het Ministerie van IenW zet zich al langer in voor het versterken van het multimodale karakter van het goederenvervoer. De modaliteiten weg, binnenvaart, spoor en buisleidingen werken daarbij nauw samen om leveringszekerheid te garanderen, zoals recent ook uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer. Onderdeel daarvan is een veerkrachtig en weerbare logistieke keten die in staat is om disrupties, zoals laagwater, zo goed mogelijk op te vangen. Elke modaliteit heeft daarbinnen een eigen rol en voorziet in een bepaalde transportbehoefte.
Binnen het programma Topcorridors wordt in het kader van veerkracht momenteel onderzocht wat op multimodale knooppunten nodig is om verstoringen van de goederenstromen op te vangen. Daarin wordt specifiek gekeken naar de situatie waarin één modaliteit niet beschikbaar is. De resultaten worden in het laatste kwartaal van 2026 verwacht. De Kamer wordt hierover na publicatie geïnformeerd.
Wat doet het kabinet om bedrijven te stimuleren hun logistiek te verduurzamen (bijvoorbeeld een modal shift naar spoor, elektrificatie van wagenparken en slimme logistieke planning) zodat de impact van toekomstige sluitingen van vaarwegen kleiner wordt?
Zoals gemeld in de Beleidsagenda Goederenvervoer is één van de leidende principes voor het goederenvervoer dat deze duurzaam is (TK 2025–2026, 34 244, nr. 13). De inzet is daarbij dat het vrachtvervoer over de weg, het water en het spoor geheel emissieloos is in 2050. Het kabinet zet daarom concreet in op verduurzaming van de vervoersystemen en het creëren van de juiste omstandigheden voor het duurzaam organiseren van transporten. Dat gebeurt onder meer door het stimuleren van een modal shift naar duurzamere transportwijzen, de elektrificatie van het wegtransport, de verduurzaming van de binnenvaart en het realiseren van een netwerk van laad- en tankfaciliteiten voor herwinbare brandstoffen langs de grotere transportroutes. Voor een overzicht van de maatregelen voor het verduurzamen van het goederenvervoer verwijs ik u kortheidshalve naar de Voortgangsbrief Duurzaam vervoer 2025 (TK 2025–2026, 31 305, nr. 524). Het is de bedoeling dat de regeling voor de verduurzaming van de binnenvaart (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie binnenschepen 2026–2029) opengaat in het vierde kwartaal van 2026.
Op welke wijze worden ondernemers en vervoerders tijdig en eenduidig geïnformeerd over (dreigende) sluitingen van vaarwegen, de verwachte duur, alternatieve routes en alternatieve capaciteit?
Gebruikers van vaarwegen worden standaard geïnformeerd door een zogenaamd BAS-bericht (berichten aan de scheepvaart). Hierin wordt zoveel mogelijk informatie verstrekt over oorzaak, aard en duur van de stremming. Daarnaast vindt rechtstreeks informatie-uitwisseling plaats met brancheorganisaties, georganiseerd bedrijfsleven, individuele bedrijven, overheden, recreatievaart, omwonenden en andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld de sportvisserij. Afhankelijk van de aard en de omvang van de stremming worden aanvullende zaken georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten. Ook ben ik in gesprek met ondernemers, zoals boeren, tuinders, schippers en de industrie en houd ik komende periode vinger aan de pols. Verder wordt actief gebruik gemaakt van de media om met algemene berichtgeving en uitleg zoveel mogelijk mensen te bereiken.
Bestaan er afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte en bent u bereid hier actief op aan te sturen?
Er bestaan geen afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte. Het Ministerie van IenW kent geen specifieke compensatie voor extreme droogte maar wel een algemene «Beleidsregel nadeelcompensatie 2024» op grond waarvan ondernemers, ook in geval van droogte, een aanvraag kunnen doen. Situaties van (extreme) droogte worden in de toekomst vaker voorzien als gevolg van verandering van het klimaat. Het is daarom van groot belang dat we daarmee om leren gaan. Het Ministerie van IenW stuurt daarom aan op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van de logistieke ketens, zoals uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer.
Hoe borgt u dat lessen uit de huidige sluiting van het Twentekanaal en het kanaal Almelo-De Haandrik structureel worden meegenomen in het nationale mobiliteit- en waterbeleid (bijvoorbeeld via het Nationaal Waterprogramma)?
Voor wat betreft de borging in het nationale waterbeleid, zie het antwoord op vraag 4. Voor wat betreft de borging in het nationale mobiliteitsbeleid, wordt er gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050, waarover de Kamer wordt geïnformeerd. Het leren van deze situatie helpt om te komen tot scenario’s en keuzes in het hoofdvaarwegennetwerk. Voor wat betreft het kanaal Almelo-De Haandrik is de provincie Overijssel het bevoegd gezag en voert deze het vaarwegbeheer.
Bent u bereid om in overleg te treden met belanghebbenden (bedrijven, vervoerders, waterschappen, natuurorganisaties en medeoverheden) over een langetermijnvisie voor kanalen als klimaatbestendige, schone transportas in Nederland?
Ik praat nu al regelmatig met ondernemers die getroffen zijn doordat sluis Eefde is gestremd. Verder vooruitkijkend wordt binnen IenW ook gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050 waarover de Kamer later wordt geïnformeerd. Belanghebbenden worden reeds betrokken en in de Binnenvaarttafel zijn de contouren van de visie aan bod gekomen en strategisch besproken. Hierbij gaat het over het hele vaarwegennetwerk, een klimaatbestendige en schone transportas beslaat immers niet alleen kanalen.
Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Felix Klos (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Het bericht 'Gronings chemiebedrijf liet illegaal zoutafval dumpen rond Nederlands-Belgische grens' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie heeft u ontvangen over de illegale verspreiding van circa vijf miljoen kilogram afvalzout nabij de Nederlands-Belgische grens, waaronder de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, de betrokken locaties en de mogelijke gevolgen voor bodem, grond- en oppervlaktewater?1
Vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is in kader van toezicht en handhaving onderzoek gedaan. De ILT heeft in 2025 een melding ontvangen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Het Openbaar Ministerie (OM) is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van het bedrijf. Zolang er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan er verder niet in detail op de zaak worden ingegaan.
Heeft onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijke gevolgen van deze afvaldumpingen voor Nederlandse KRW-oppervlaktewaterlichamen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog uit te laten voeren?
Dit ligt bij het bevoegd gezag. Voor Nederlandse regionale oppervlaktewateren is dit het waterschap, niet het Rijk.
Op welke wijze wordt momenteel in beeld gebracht welke gevolgen de verhoogde zoutbelasting kan hebben voor de kwaliteit en het gebruik van landbouwgronden, natuurgebieden en waterlichamen in het grensgebied?
Ook dit ligt bij de bevoegde gezagen. In Nederland is dat voor oppervlaktewaterkwaliteit het waterschap, voor grondwater de provincie.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van deze verontreiniging voor het behalen van de KRW-doelen en voor reeds gedane investeringen in de verbetering van de waterkwaliteit in grensoverschrijdende stroomgebieden?
Voor de KRW wordt gemonitord en getoetst volgens het voorgeschreven protocol. Indien nodig zou het bevoegd gezag aanvullend hierop extra metingen kunnen doen om mogelijke effecten te kunnen bepalen.
Hoe beoordeelt u het feit dat een stof die mogelijk als afvalstof had moeten worden aangemerkt gedurende meerdere jaren als product of bodemverbeteraar kon worden verhandeld en toegepast? Welke lessen worden hieruit gehaald voor het verbeteren van het toezicht op dergelijke reststromen?
In zijn algemeenheid is het onwenselijk wanneer materialen worden toegepast die ongunstige effecten voor mens en milieu hebben. Ik kan echter niet ingaan op of hiervan sprake is in deze specifieke casus, aangezien er een strafrechtelijk onderzoek loopt.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat afvalstoffen onder het mom van een product of grondstof worden verspreid? En welke maatregelen worden genomen om het toezicht op industriële afvalstromen en grensoverschrijdende afvalverwerking te verbeteren?
In Nederland geldt dat de verantwoordelijkheid voor het beoordelen of een materiaal een product/grondstof is of afval (de afvalstatus), in eerste instantie bij de bedrijven zelf ligt. Het is aan de omgevingsdiensten om die beoordeling te toetsen en erop toe te zien dat bedrijven handelen conform wet- en regelgeving. Het ministerie biedt diverse ondersteuning voor bedrijven en bevoegde gezagen bij de afvalstatusbeoordeling.
Een juiste afvalstatusbeoordeling is van belang voor de toepassing van afvalstoffenwetgeving in het geval van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) wanneer sprake is van grensoverschrijdend transport. Dan kan de Inspectie Leefomgeving en Transport, als toezichthouder voor de EVOA, toezien op het transport en controleren of de voorgestelde toepassing of verwerking van de afvalstoffen in het land van ontvangst zijn toegestaan.
Het ministerie neemt op dit moment verschillende maatregelen om de uitvoeringspraktijk nog verder te versterken. De beschikbare ondersteuning vanuit het Rijk is getoetst bij stakeholders en wordt aangescherpt om beter aan te sluiten bij wensen en behoeften van bedrijven en bevoegde gezagen. Daarnaast zorgt kennisplatform «Afval of niet» voor meer kennisopbouw en -deling tussen omgevingsdiensten.
Op 21 mei jl. is de nieuwe Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA 2024) in werking getreden. Onder deze nieuwe EVOA vinden een aantal wijzigingen en aanscherpingen plaats t.a.v. afvaltransport, waardoor het toezicht wordt verbeterd. Dankzij een centraal EU digitaal systeem (DIWASS) kan er beter toezicht worden gehouden op afvalstromen. Dankzij dit systeem krijgen de ILT en inspecteurs van omgevingsdiensten een compleet beeld van de aan- en afvoer van afvalstoffen bij (afval-)bedrijven waarop zij toezicht houden. De ILT zal ervoor zorgen dat Douane en politie direct toegang tot dit systeem kunnen krijgen en betrokkenen opleiden voor gebruik ervan. Bij hun (transport-)controles kunnen zij dan nagaan of aan alle vereisten wordt voldaan.
Is bekend of vergelijkbare afvalstromen van dit bedrijf ook op andere locaties in Nederland of andere Europese landen zijn toegepast of verspreid? Zo ja, welke risico’s brengt dit met zich mee en welke maatregelen worden genomen om eventuele verdere milieuschade te voorkomen?
Bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zijn alleen gevallen van de illegale overbrenging van afvalzout naar België, Polen en Duitsland bekend. ILT heeft met de buitenlandse autoriteiten contact hierover opgenomen. Vanuit België en Polen ligt er een verzoek om het afval terug te halen. Afvalstoffen die illegaal zijn overgebracht moeten namelijk terug naar het land van herkomst (in dit geval Nederland). Daar is het betrokken bedrijf verantwoordelijk voor en de ILT houdt daar toezicht op.
Voor de afvalstoffen die reeds (voorlopig) zijn toegepast of verwerkt, bestaat niet meer de plicht van artikel 25 EVOA om het terug te halen. De ILT heeft hierover contact gehad met de Duitse en Belgische autoriteiten. In Duitsland is het zout gemengd met grit, wat gebruikt wordt om bij gladheid op de wegen te strooien. Het zout is dan zodanig gemengd, dat het niet meer als afvalzout aangemerkt kan worden.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van zelfregulering in deze sector, nu een zelf opgelegde norm bij een groot nieuw project ruim wordt overschreden?1
Kunt u toelichten welke informatie het Rijk op dit moment structureel ontvangt over het feitelijke drinkwatergebruik per datacenter in Nederland?
Kunt u toelichten op welke juridische grondslag een bevoegd gezag het drinkwatergebruik van een nieuwe vestiging kan meewegen bij de verlening van een omgevingsvergunning?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van drinkwater in het huidige stelsel vooral achteraf wordt geregeld via de leveringsrelatie met het drinkwaterbedrijf, en niet vooraf in het ruimtelijk spoor?
Kunt u toelichten welke wijzigingen in wet- en regelgeving nodig zouden zijn om waterbeschikbaarheid een expliciete afwegingsgrond te maken bij vergunningverlening aan grootverbruikers?
Kunt u toelichten of het juridisch en uitvoeringstechnisch denkbaar is om de logica van de verdringingsreeks ook vooraf toe te passen, bij het toestaan van nieuw grootschalig drinkwatergebruik, in plaats van uitsluitend bij feitelijke schaarste? Zo ja, hoe kijkt u naar een dergelijke aanpassing?
Kunt u toelichten in hoeverre de zorg- en leveringsplicht uit de Drinkwaterwet zich uitstrekt tot laagwaardig industrieel gebruik, zoals koeling?
Kunt u toelichten hoe u opvolging geeft aan de aanbeveling uit het Rli-advies «Zorg voor water» om de systeemverantwoordelijkheid voor de drinkwatervoorziening actiever in te vullen?2
Kunt u toelichten hoe een nieuwe aansluiting van deze omvang zich verhoudt tot het doel uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het zakelijke drinkwatergebruik in 2035 met 20 procent te verminderen ten opzichte van de referentieperiode 2016–2019?3
Bent u bereid te verkennen of het besluitmoment over meer sturende maatregelen, dat nu is voorzien bij de herijking van dat plan in 2028, naar voren kan worden gehaald?
Sluiting Twentekanaal |
|
Renilde Huizenga (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven voor welke binnenvaartwegen, naast de in de artikelen «Twentekanaal vanaf zaterdag dicht voor scheepvaart vanwege lage waterstand» en «Maatregelen Kanaal Almelo-De Haandrik vanwege de droogte» genoemde vaarwegen, in Nederland op dit moment sluiting of stremming geldt of dreigt?1 2
Op dit moment geldt een sluiting of stremming alleen voor de volgende vaarwegen in beheer van het Rijk: de Twentekanalen en de uitlopers daarvan. Bij verdere beperking van de wateraanvoer wordt steeds bezien of vaarwegen zonder beperking open kunnen blijven, met inachtneming van de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de IJssel is voorbereid.
Welke gevolgen voorziet u voor de regionale economie, logistieke ketens en werkgelegenheid in (Oost-) Nederland als scheepstransport over diverse kanalen (gedeeltelijk) stilvalt, en hoe zijn deze geraamd (bijvoorbeeld qua extra kosten, vertragingen en CO2-uitstoot door verplaatsing naar wegtransport)?
Wat de gevolgen zijn voor de regionale economie, logistieke ketens, en werkgelegenheid in (Oost-)Nederland, is niet exact in te schatten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van een stremming, of er alternatieve vervoersmogelijkheden zijn, hoe laag het water staat en de maatregelen die in de toekomst mogelijk nog genomen worden. Op dit moment heeft IenW nog geen eigen cijfers over kosten en gevolgen. Er zal een economische evaluatie worden gedaan dit najaar. Op de korte termijn is in ieder geval wel te verwachten dat transport duurder wordt voor verladers, in verband met omvaren, inzet van meerdere vrachtwagens en latere leveringen. Op de lange termijn is de impact (nog) niet goed in te schatten. Op lange termijn zouden logistieke ketens anders ingevuld kunnen gaan worden. In de Beleidsagenda Goederenvervoer is uiteengezet dat een weerbaar en veerkrachtig logistiek systeem nodig is.
Hoe vaak zijn kanalen in de afgelopen vijf jaar (geheel of gedeeltelijk) gesloten of beperkt inzetbaar geweest als gevolg van lage waterstanden en is er een trend zichtbaar die duidt op toenemende kwetsbaarheid door klimaatverandering?
Een beperking als gevolg van lage waterstanden wordt niet centraal bijgehouden. Een vaarwegbeheerder (gemeente, provincie, waterschap) neemt daarover zelfstandig een besluit. Ook voor de vaarwegen in het beheer van het Rijk wordt stremming wegens droogte niet afzonderlijk geregistreerd. Voor bijvoorbeeld het Twentekanaal is het tussen 2018 en 2025 zes maal voorgekomen dat de gemalen als gevolg van een te lage waterstand in de IJssel zijn afgeschakeld (jaren 2018, 2019, 2020, 2022, 2023 en 2025). Als het gemaal vanwege te weinig water niet meer kan draaien, dan is er een pomp nodig om extra water aan te voeren om het gemaal weer te laten functioneren. Om te voorzien in voldoende wateraanvoer naar de Twentekanalen wordt er dan zo lang als mogelijk gebruik gemaakt van een Tijdelijke Pompinstallatie (TPI). In de huidige situatie is het kanaalpeil te snel en te ver doorgezakt. Daarom konden TPI’s niet voorkomen dat het kanaal volledig gestremd werd.
Deelt u de mening dat Nederland zich moet voorbereiden op vaker voorkomende droogteperiodes? Wat zijn de concrete maatregelen van het kabinet om de wateraanvoer naar cruciale vaarwegen zoals het Twentekanaal klimaatbestendig te borgen (bijvoorbeeld middels bufferbekkens, slimme sturing en koppeling met regionale waterreserves)?
Ja, deze mening deel ik. Programma’s als het Deltaplan Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» helpen ons voor te bereiden op waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken. Daarnaast neemt het programma «Ruimte voor de Rivier 2.0» maatregelen in het hoofdwatersysteem om te voorzien in verschillende socio-economische functies, waaronder zoetwatervoorziening, natuur en bevaarbaarheid. Bij de Twentekanalen is er dit jaar bijvoorbeeld preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren. Daarnaast zijn er tijdelijke pompinstallaties geïnstalleerd voor extra wateraanvoer.
Hoe borgt het kabinet dat bij waterschaarste een eerlijke verdeling plaatsvindt tussen belangen als scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw, conform de landelijke afspraken over waterverdeling (Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling)?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte (pdf, 1.2 MB) staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Bent u bereid om, samen met provincies, waterschappen en gemeenten, een regionaal waterbufferplan Twentekanaal te ontwikkelen dat specifiek gericht is op het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen door lage waterstand?
Het Rijk werkt binnen het Deltaplan zoetwater al nauw samen met de provincies, waterschappen en gemeenten om voorbereid te zijn op periodes met lage aanvoeren en zo vaarwegsluitingen door lage waterstand zoveel mogelijk te voorkomen, zie het antwoord op vraag 4. Zo is er al onderzocht of het aanleggen van regionale waterbuffers kan bijdragen aan het voorkomen van watertekorten. De mogelijkheden hiervoor blijken echter beperkt. Het gebied is hooggelegen en zandig, waardoor de buffers relatief snel weer leeglopen. Door de sterk drainerende werking van de bodem zou ook in de winter extra water moeten worden aangevoerd om de buffers goed te vullen en zo te houden. Dit is kostbaar en kan lokaal leiden tot wateroverlastproblemen door interacties met het grondwatersysteem. De inzet ten aanzien van het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen is daarom primair gericht op het robuuster maken van de wateraanvoermogelijkheden.
Om de wateraanvoer te verbeteren wordt vanuit het Deltafonds een tweejarige planstudie gefinancierd. Deze planstudie is samen met partners uit de regio voorbereid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vervanging van het gemaal bij sluis Eefde, zodat de inzet van noodpompen op termijn zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Bij een positief besluit over de uitkomsten van de planstudie zullen het Rijk, de provincie Overijssel, de provincie Drenthe en de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel de uitvoering ervan gezamenlijk financieren.
Hoe verhoudt de huidige afhankelijkheid van het binnenvaarttransport zich tot de plannen voor multimodaal transport (spooraansluitingen, overslagpunten) en welke versnelling is nodig om bij sluitingen alternatieven te bieden?
Het Ministerie van IenW zet zich al langer in voor het versterken van het multimodale karakter van het goederenvervoer. De modaliteiten weg, binnenvaart, spoor en buisleidingen werken daarbij nauw samen om leveringszekerheid te garanderen, zoals recent ook uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer. Onderdeel daarvan is een veerkrachtig en weerbare logistieke keten die in staat is om disrupties, zoals laagwater, zo goed mogelijk op te vangen. Elke modaliteit heeft daarbinnen een eigen rol en voorziet in een bepaalde transportbehoefte.
Binnen het programma Topcorridors wordt in het kader van veerkracht momenteel onderzocht wat op multimodale knooppunten nodig is om verstoringen van de goederenstromen op te vangen. Daarin wordt specifiek gekeken naar de situatie waarin één modaliteit niet beschikbaar is. De resultaten worden in het laatste kwartaal van 2026 verwacht. De Kamer wordt hierover na publicatie geïnformeerd.
Wat doet het kabinet om bedrijven te stimuleren hun logistiek te verduurzamen (bijvoorbeeld een modal shift naar spoor, elektrificatie van wagenparken en slimme logistieke planning) zodat de impact van toekomstige sluitingen van vaarwegen kleiner wordt?
Zoals gemeld in de Beleidsagenda Goederenvervoer is één van de leidende principes voor het goederenvervoer dat deze duurzaam is (TK 2025–2026, 34 244, nr. 13). De inzet is daarbij dat het vrachtvervoer over de weg, het water en het spoor geheel emissieloos is in 2050. Het kabinet zet daarom concreet in op verduurzaming van de vervoersystemen en het creëren van de juiste omstandigheden voor het duurzaam organiseren van transporten. Dat gebeurt onder meer door het stimuleren van een modal shift naar duurzamere transportwijzen, de elektrificatie van het wegtransport, de verduurzaming van de binnenvaart en het realiseren van een netwerk van laad- en tankfaciliteiten voor herwinbare brandstoffen langs de grotere transportroutes. Voor een overzicht van de maatregelen voor het verduurzamen van het goederenvervoer verwijs ik u kortheidshalve naar de Voortgangsbrief Duurzaam vervoer 2025 (TK 2025–2026, 31 305, nr. 524). Het is de bedoeling dat de regeling voor de verduurzaming van de binnenvaart (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie binnenschepen 2026–2029) opengaat in het vierde kwartaal van 2026.
Op welke wijze worden ondernemers en vervoerders tijdig en eenduidig geïnformeerd over (dreigende) sluitingen van vaarwegen, de verwachte duur, alternatieve routes en alternatieve capaciteit?
Gebruikers van vaarwegen worden standaard geïnformeerd door een zogenaamd BAS-bericht (berichten aan de scheepvaart). Hierin wordt zoveel mogelijk informatie verstrekt over oorzaak, aard en duur van de stremming. Daarnaast vindt rechtstreeks informatie-uitwisseling plaats met brancheorganisaties, georganiseerd bedrijfsleven, individuele bedrijven, overheden, recreatievaart, omwonenden en andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld de sportvisserij. Afhankelijk van de aard en de omvang van de stremming worden aanvullende zaken georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten. Ook ben ik in gesprek met ondernemers, zoals boeren, tuinders, schippers en de industrie en houd ik komende periode vinger aan de pols. Verder wordt actief gebruik gemaakt van de media om met algemene berichtgeving en uitleg zoveel mogelijk mensen te bereiken.
Bestaan er afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte en bent u bereid hier actief op aan te sturen?
Er bestaan geen afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte. Het Ministerie van IenW kent geen specifieke compensatie voor extreme droogte maar wel een algemene «Beleidsregel nadeelcompensatie 2024» op grond waarvan ondernemers, ook in geval van droogte, een aanvraag kunnen doen. Situaties van (extreme) droogte worden in de toekomst vaker voorzien als gevolg van verandering van het klimaat. Het is daarom van groot belang dat we daarmee om leren gaan. Het Ministerie van IenW stuurt daarom aan op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van de logistieke ketens, zoals uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer.
Hoe borgt u dat lessen uit de huidige sluiting van het Twentekanaal en het kanaal Almelo-De Haandrik structureel worden meegenomen in het nationale mobiliteit- en waterbeleid (bijvoorbeeld via het Nationaal Waterprogramma)?
Voor wat betreft de borging in het nationale waterbeleid, zie het antwoord op vraag 4. Voor wat betreft de borging in het nationale mobiliteitsbeleid, wordt er gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050, waarover de Kamer wordt geïnformeerd. Het leren van deze situatie helpt om te komen tot scenario’s en keuzes in het hoofdvaarwegennetwerk. Voor wat betreft het kanaal Almelo-De Haandrik is de provincie Overijssel het bevoegd gezag en voert deze het vaarwegbeheer.
Bent u bereid om in overleg te treden met belanghebbenden (bedrijven, vervoerders, waterschappen, natuurorganisaties en medeoverheden) over een langetermijnvisie voor kanalen als klimaatbestendige, schone transportas in Nederland?
Ik praat nu al regelmatig met ondernemers die getroffen zijn doordat sluis Eefde is gestremd. Verder vooruitkijkend wordt binnen IenW ook gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050 waarover de Kamer later wordt geïnformeerd. Belanghebbenden worden reeds betrokken en in de Binnenvaarttafel zijn de contouren van de visie aan bod gekomen en strategisch besproken. Hierbij gaat het over het hele vaarwegennetwerk, een klimaatbestendige en schone transportas beslaat immers niet alleen kanalen.
Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Felix Klos (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van het bericht en kunnen bevestigen dat de aanleiding ligt in de structurele financiële verliezen van de bezoekerscentra. Om in tijden van schaarse middelen te kunnen focussen op natuurbeheer en biodiversiteitsbehoud, heeft Staatsbosbeheer (hierna: SBB) het voornemen om zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra anders in te gaan vullen. Per locatie zal gekeken worden naar de mogelijkheden, waarbij sluiting van een bezoekerscentrum ook een resultaat zou kunnen zijn.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een maatschappelijke waarde hebben voor publieksvoorlichting en natuurbegrip. Gelijktijdig heeft SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen verantwoordelijkheid om financieel gezond te blijven. De wettelijke taak op het gebied van natuureducatie en het creëren van draagvlak blijft onverminderd van kracht. SBB blijft publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden.
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Wij beoordelen de keuze van SBB als een pijnlijke maar begrijpelijke afweging, waarbij de organisatie vanwege structurele tekorten de prioriteit legt bij zijn kerntaak van natuurbeheer en biodiversiteitsherstel in het veld boven het openhouden van verlieslatende bezoekerscentra. Het gaat om zeven buitencentra, maar publieksvoorlichting wordt voorzien in alle SBB-gebieden. Hoewel wij de autonomie van SBB als zelfstandig bestuursorgaan respecteren en de verschuiving naar een andere invulling van publieksvoorlichting steunen, benadrukken wij dat deze bezuiniging niet mag leiden tot het verdwijnen van de educatieve functie en dat er daarom actief moet worden gezocht naar lokale partners en alternatieven om de vitale schakel tussen burger en natuur te behouden.
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
SBB weegt natuurbeheer als zijn prioritaire basistaak, waarbij publiekseducatie dient als noodzakelijk maatschappelijke verankering. Dit mag echter bij financiële krapte niet ten koste gaan van het ecologische beheer in het veld. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies ontvangt SBB geen specifieke bekostiging meer voor de bezoekerscentra. SBB maakt daarom keuzes over de wijze waarop educatie en publieksvoorlichting worden georganiseerd. Het voorgenomen besluit om te stoppen met het huidige concept van bezoekerscentra betekent niet dat SBB stopt met educatie en publieksvoorlichting, SBB blijft deze activiteiten uitvoeren.
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Ja, wij delen de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel moeten zijn van het werk van SBB, aangezien deze maatschappelijke opdracht wettelijk is verankerd en cruciaal is voor het maatschappelijk draagvlak van het natuurbeleid. Wij benadrukken echter dat de uitvoering van deze taak niet verplicht gekoppeld is aan het behoud van bezoekerscentra, waardoor SBB de ruimte krijgt om deze publieksfunctie in tijden van financiële krapte op een andere en flexibelere manier vorm te geven zonder dat de essentie van de voorlichting verloren gaat.
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Wij voorzien dat het afnemen van fysieke zichtbaarheid en uitleg kan leiden tot een risico op verminderd maatschappelijk draagvlak en onbegrip bij burgers voor ingrijpende beheermaatregelen, maar stellen dat dit negatieve gevolg ondervangen moet worden door de voorlichting effectiever in te richten op de locaties waar de maatregelen daadwerkelijk plaatsvinden. In plaats van communicatie via statische bezoekerscentra moet de uitleg over het natuurbeleid verschuiven naar de werkvloer zelf, door de inzet van gerichte digitale informatie, tijdelijke borden in het veld en boswachters als direct aanspreekpunt, waardoor de cruciale binding en acceptatie bij het publiek behouden kunnen blijven.
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Wij erkennen dat deze ontwikkeling op het eerste gezicht haaks lijkt te staan op de kabinetsambitie om burgers meer bij natuur en biodiversiteit te betrekken, maar wij stellen tegelijkertijd wel vast dat wordt ingezet op een kwalitatieve modernisering van de betrokkenheid in plaats van het in stand houden van verlieslatende fysieke locaties. De Rijksambitie richt zich op het stimuleren van actieve participatie en natuurbeleving in de directe leefomgeving van burgers, wat betekent dat voorlichting en educatie effectiever naar de mensen toe gebracht moet worden via scholen, digitale kanalen en lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Wij willen een daling van het maatschappelijk draagvlak voorkomen door van SBB te vragen dat de voorlichting over noodzakelijk natuurbeheer proactief en direct op de projectlocaties in het veld wordt vormgegeven, in plaats van te leunen op statische bezoekerscentra. Daarnaast stimuleren wij overleg met lokale overheden en partners om de publieksfunctie van vitale locaties waar mogelijk via alternatieve exploitatievormen te behouden.
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Ja, (internationaal) wetenschappelijk onderzoek toont aan dat natuureducatie en gerichte publieksvoorlichting de schade aan natuurgebieden aantoonbaar verminderen, doordat geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder afval achterlaten wat leidt tot lagere schoonmaak- en herstelkosten binnen het natuurbeheer. Hoewel deze preventieve kostenbesparingen in de praktijk zijn bewezen, landen deze indirecte maatschappelijke baten niet als inkomsten op de exploitatiebalans van de bezoekerscentra zelf, die door de hoge vastgoed- en personeelslasten verlieslatend blijven. Wij benadrukken daarom dat deze effectieve preventieve voorlichting niet moet stoppen, maar in tijden van financiële krapte efficiënter en goedkoper rechtstreeks op de werkvloer in het veld moet worden vormgegeven om de natuur te beschermen.
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Wij delen de opvatting dat het sluiten van fysieke bezoekerscentra het risico in zich draagt dat natuur door het publiek meer als een puur technisch beheersvraagstuk in plaats van een gezamenlijk publiek goed wordt ervaren, maar wij stellen dat dit risico kan worden ondervangen door maatschappelijke verbinding op andere manieren vorm te geven. Wij wegen dit risico zorgvuldig en benadrukken dat natuurbeleid alleen succesvol kan zijn als er een sterke educatieve en emotionele binding met burgers blijft bestaan. Om te voorkomen dat de natuurbeleving versmelt tot louter ecologisch beheer, sturen wij erop aan dat natuur toegankelijk blijft voor bezoekers en dat SBB niet bezuinigt op de inhoud van de publiekstaak zelf, maar de transitie maakt naar een directere, laagdrempelige aanwezigheid in het veld, waardoor de status van natuur als publiek goed juist op de feitelijke plek van de natuurervaring wordt versterkt.
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
SBB heeft onderzocht op welke wijze de functies van de bezoekerscentra ook op een andere manier kunnen worden ingevuld, zonder afbreuk te doen aan de kerntaak van natuurbeheer. Daarbij is het uitgangspunt dat publieksvoorlichting, educatie en natuurbeleving behouden blijven, maar niet noodzakelijkerwijs vanuit een door SBB geëxploiteerd bezoekerscentrum. SBB blijft publieksactiviteiten uitvoeren via onder meer informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met o.a. scholen, gemeenten, IVN Natuureducatie en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Voor de huidige gebouwen wordt per locatie, in overleg met betrokken partners en rekening houdend met bestaande afspraken en contracten, onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij kan worden gedacht aan exploitatie door lokale ondernemers of andere maatschappelijke partijen. Ook kunnen, waar passend, tijdelijke of mobiele voorzieningen worden ingezet, bijvoorbeeld bij (natuurherstel)projecten of evenementen.
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Ja, wij zijn bereid om met SBB in gesprek te treden en ondersteunend op te treden, mits dit gebeurt binnen de kaders van de operationele autonomie van de organisatie en zonder dat dit leidt tot een structurele financiële bijdrage vanuit het Rijk. Wij willen ons in deze gesprekken met name richten op het faciliteren en samenbrengen van SBB met provincies, gemeenten en lokale ondernemers om alternatieve, kostenneutrale exploitatievormen voor de centra te onderzoeken. Tegelijkertijd zullen wij er tijdens deze overleggen scherp op toezien dat de wettelijke opdracht voor natuureducatie en publieksvoorlichting kwalitatief gewaarborgd blijft binnen de nieuwe bedrijfsvoering.
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De operationele en de financiële prioriteitstelling vallen onder de zelfstandige verantwoordelijkheid van de directie van SBB en natuurbeheer heeft bij financiële krapte de wettelijke prioriteit boven vastgoed. Hoewel wij de autonomie van de organisatie als zelfstandig bestuursorgaan respecteren, willen wij wel borgen dat de wettelijke taak op het gebied van educatie en bewustwording overeind blijft. Wij vragen SBB dan ook dat deze maatschappelijke functie bij het wegvallen van de bezoekerscentra kwalitatief gewaarborgd blijft via een modernere, directere en kostenefficiëntere invulling in de klas en in de natuurgebieden zelf.
Het bericht 'Gronings chemiebedrijf liet illegaal zoutafval dumpen rond Nederlands-Belgische grens' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie heeft u ontvangen over de illegale verspreiding van circa vijf miljoen kilogram afvalzout nabij de Nederlands-Belgische grens, waaronder de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, de betrokken locaties en de mogelijke gevolgen voor bodem, grond- en oppervlaktewater?1
Vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is in kader van toezicht en handhaving onderzoek gedaan. De ILT heeft in 2025 een melding ontvangen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Het Openbaar Ministerie (OM) is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van het bedrijf. Zolang er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan er verder niet in detail op de zaak worden ingegaan.
Heeft onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijke gevolgen van deze afvaldumpingen voor Nederlandse KRW-oppervlaktewaterlichamen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog uit te laten voeren?
Dit ligt bij het bevoegd gezag. Voor Nederlandse regionale oppervlaktewateren is dit het waterschap, niet het Rijk.
Op welke wijze wordt momenteel in beeld gebracht welke gevolgen de verhoogde zoutbelasting kan hebben voor de kwaliteit en het gebruik van landbouwgronden, natuurgebieden en waterlichamen in het grensgebied?
Ook dit ligt bij de bevoegde gezagen. In Nederland is dat voor oppervlaktewaterkwaliteit het waterschap, voor grondwater de provincie.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van deze verontreiniging voor het behalen van de KRW-doelen en voor reeds gedane investeringen in de verbetering van de waterkwaliteit in grensoverschrijdende stroomgebieden?
Voor de KRW wordt gemonitord en getoetst volgens het voorgeschreven protocol. Indien nodig zou het bevoegd gezag aanvullend hierop extra metingen kunnen doen om mogelijke effecten te kunnen bepalen.
Hoe beoordeelt u het feit dat een stof die mogelijk als afvalstof had moeten worden aangemerkt gedurende meerdere jaren als product of bodemverbeteraar kon worden verhandeld en toegepast? Welke lessen worden hieruit gehaald voor het verbeteren van het toezicht op dergelijke reststromen?
In zijn algemeenheid is het onwenselijk wanneer materialen worden toegepast die ongunstige effecten voor mens en milieu hebben. Ik kan echter niet ingaan op of hiervan sprake is in deze specifieke casus, aangezien er een strafrechtelijk onderzoek loopt.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat afvalstoffen onder het mom van een product of grondstof worden verspreid? En welke maatregelen worden genomen om het toezicht op industriële afvalstromen en grensoverschrijdende afvalverwerking te verbeteren?
In Nederland geldt dat de verantwoordelijkheid voor het beoordelen of een materiaal een product/grondstof is of afval (de afvalstatus), in eerste instantie bij de bedrijven zelf ligt. Het is aan de omgevingsdiensten om die beoordeling te toetsen en erop toe te zien dat bedrijven handelen conform wet- en regelgeving. Het ministerie biedt diverse ondersteuning voor bedrijven en bevoegde gezagen bij de afvalstatusbeoordeling.
Een juiste afvalstatusbeoordeling is van belang voor de toepassing van afvalstoffenwetgeving in het geval van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) wanneer sprake is van grensoverschrijdend transport. Dan kan de Inspectie Leefomgeving en Transport, als toezichthouder voor de EVOA, toezien op het transport en controleren of de voorgestelde toepassing of verwerking van de afvalstoffen in het land van ontvangst zijn toegestaan.
Het ministerie neemt op dit moment verschillende maatregelen om de uitvoeringspraktijk nog verder te versterken. De beschikbare ondersteuning vanuit het Rijk is getoetst bij stakeholders en wordt aangescherpt om beter aan te sluiten bij wensen en behoeften van bedrijven en bevoegde gezagen. Daarnaast zorgt kennisplatform «Afval of niet» voor meer kennisopbouw en -deling tussen omgevingsdiensten.
Op 21 mei jl. is de nieuwe Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA 2024) in werking getreden. Onder deze nieuwe EVOA vinden een aantal wijzigingen en aanscherpingen plaats t.a.v. afvaltransport, waardoor het toezicht wordt verbeterd. Dankzij een centraal EU digitaal systeem (DIWASS) kan er beter toezicht worden gehouden op afvalstromen. Dankzij dit systeem krijgen de ILT en inspecteurs van omgevingsdiensten een compleet beeld van de aan- en afvoer van afvalstoffen bij (afval-)bedrijven waarop zij toezicht houden. De ILT zal ervoor zorgen dat Douane en politie direct toegang tot dit systeem kunnen krijgen en betrokkenen opleiden voor gebruik ervan. Bij hun (transport-)controles kunnen zij dan nagaan of aan alle vereisten wordt voldaan.
Is bekend of vergelijkbare afvalstromen van dit bedrijf ook op andere locaties in Nederland of andere Europese landen zijn toegepast of verspreid? Zo ja, welke risico’s brengt dit met zich mee en welke maatregelen worden genomen om eventuele verdere milieuschade te voorkomen?
Bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zijn alleen gevallen van de illegale overbrenging van afvalzout naar België, Polen en Duitsland bekend. ILT heeft met de buitenlandse autoriteiten contact hierover opgenomen. Vanuit België en Polen ligt er een verzoek om het afval terug te halen. Afvalstoffen die illegaal zijn overgebracht moeten namelijk terug naar het land van herkomst (in dit geval Nederland). Daar is het betrokken bedrijf verantwoordelijk voor en de ILT houdt daar toezicht op.
Voor de afvalstoffen die reeds (voorlopig) zijn toegepast of verwerkt, bestaat niet meer de plicht van artikel 25 EVOA om het terug te halen. De ILT heeft hierover contact gehad met de Duitse en Belgische autoriteiten. In Duitsland is het zout gemengd met grit, wat gebruikt wordt om bij gladheid op de wegen te strooien. Het zout is dan zodanig gemengd, dat het niet meer als afvalzout aangemerkt kan worden.
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marc Vervuurt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het bericht ‘Hoe de Waddentop in Esbjerg uitmondde in een deceptie’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het verloop en de uitkomsten van de trilaterale Waddenzeeconferentie in Esbjerg?1
Ik betreur dat het vanwege de op dat moment nog lopende kabinetsformatie in Denemarken onmogelijk was om een politieke ontmoeting met mijn Deense en Duitse collega’s te hebben op de conferentie in Esbjerg. Dit was een onvoorziene samenloop van omstandigheden waar helaas niets aan te doen was. Toch beoordeel ik het verloop en de uitkomsten van de conferentie als geheel positief. Er zijn veel nieuwe connecties gelegd tussen overheden, NGO’s en bedrijfsleven in de drie Waddenzeelanden en er is onder andere een gezamenlijk statement getekend door de drie landen waarin het belang van de bescherming van de Waddenzee opnieuw bevestigd is.2
Hoe beoordeelt u het feit dat er geen gezamenlijke regeringsverklaring tot stand is gekomen tussen Nederland, Duitsland en Denemarken?
In het gezamenlijke statement van de drie landen op de conferentie is uitgesproken dat de drie landen alsnog een regeringsverklaring zullen tekenen zodra de nieuwe Deense regering geïnstalleerd is. Van uitstel komt dus zeker geen afstel.
Deelt u de mening dat voor een goede bescherming van het Werelderfgoed Waddenzee goede internationale afspraken onontbeerlijk zijn?
Ja.
Acht u intensievere samenwerking tussen de Waddenzeelanden noodzakelijk gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van de Waddenzee als ecologische eenheid en UNESCO Werelderfgoed?
Ja. De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking tussen de drie landen Denemarken, Duitsland en Nederland.3 De wens om intensiever samen te werken zal dus ook door de andere twee landen gedeeld moeten worden om gerealiseerd te kunnen worden. Nederland zal als voorzitter deze wens met Duitsland en Denemarken bespreken.
Welke concrete resultaten zijn volgens u, ondanks het uitblijven van een regeringsverklaring, wel bereikt tijdens de conferentie in Esbjerg?
Het belang van de bescherming van de Waddenzee is op de conferentie opnieuw bevestigd door de drie deelnemende landen in een gezamenlijk statement. Ook is het voorzitterschap van de trilaterale samenwerking overgegaan van Denemarken naar Nederland. Luzette Kroon, Dijkgraaf van het Wetterskip Fryslân, zal deze rol de komende vier jaar namens Nederland vervullen. De brede deelname van overheden, NGO’s en bedrijfsleven aan de conferentie heeft daarnaast geleid tot meer wederzijds begrip.
Welke prioriteiten stelt Nederland tijdens het aankomende voorzitterschap van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking?
Zodra de nieuwe Deense regering is aangetreden, leggen we de gezamenlijke inzet voor de samenwerking in de komende vier jaar vast in de Verklaring van Esbjerg. Zodra het zover is, zal ik deze ook met uw Kamer delen. Uit de Verklaring van Esbjerg zullen ook de prioriteiten en doelen van het Nederlandse voorzitterschap volgen. Deze prioriteiten en doelen worden de komende tijd uitgewerkt in samenspraak met overheden, NGO’s en stakeholders in het gebied. Hierbij zal de Waddengovernance worden betrokken. Ook zal er afstemming plaatsvinden met Duitsland en Denemarken. Inzet van Nederland is om het Werelderfgoed en de natuur beter te beschermen, met tegelijk oog voor de mensen die in het Waddengebied wonen en werken.
Welke concrete doelen wil Nederland tijdens het voorzitterschap bereiken op het gebied van natuurherstel, klimaatadaptatie en ecologische bescherming van de Waddenzee?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke stappen gaat Nederland als voorzitter zetten om te komen tot meer gezamenlijke en bindende afspraken tussen de drie Waddenzeelanden?
De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking. Deze vrijwillige samenwerking komt voort uit de grote verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie verschillende landen. Nederland zal als voorzitter de wens om tot meer gezamenlijke en bindende afspraken te komen met Duitsland en Denemarken bespreken. Mocht deze wens door de andere twee landen gedeeld worden, dan zal er hiertoe gedurende het Nederlandse voorzitterschap een voorstel gedaan worden aan de andere twee landen.
Hoe gaat Nederland zich tijdens het voorzitterschap inzetten voor betere afstemming over grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de aanleg van stroomkabels door het Waddengebied?
In trilateraal verband werken Nederland, Denemarken en Duitsland aan het LANICE-project.4 Dit project heeft als doelstelling om de EU-doelstellingen voor de aansluiting van hernieuwbare energie te ondersteunen met behoud van de unieke (ecologische) waarden van de Waddenzee. Nederland, Denemarken en Duitsland werken binnen LANICE aan het ontwikkelen van maatregelen om de milieu-impact effectief te verminderen. Dit wordt gedaan door milieueffecten -en conflicten te onderzoeken en de mogelijkheden voor mitigatie en versnelling van projecten voor de energie-infrastructuur in de Waddenzee in kaart te brengen.
Nederland heeft in het Programma Aansluiting Wind op Zee – Eemshaven onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor energie-infrastructuur in het Nederlandse deel van de Waddenzee. In PAWOZ – Eemshaven is uitgebreid gekeken naar de effecten van de aanleg van energie-infrastructuur en mitigerende maatregelen. Vanuit de opgedane kennis, ervaring en expertise van PAWOZ – Eemshaven zal Nederland in haar rol als voorzitter actief blijven bijdragen aan de verdere ontwikkeling van LANICE. Uiteraard in samenwerking met de andere Waddenzee-landen en de betrokken stakeholders, zoals de Waddengovernance en het Omgevingsberaad Waddengebied, alsmede met natuur -en milieuorganisaties.
Hoe gaat Nederland tijdens het voorzitterschap voorkomen dat nationale verschillen blijven leiden tot versnipperde besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking?
De verschillen in besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking komen voort uit de verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie landen. Dit is inherent aan het feit dat de Waddenzee zich binnen de grenzen van drie landen bevindt. Met de aanwijzing in 2009 tot Werelderfgoed is het wel minder vrijblijvend geworden: Unesco spreekt de Waddenzeelanden gezamenlijk aan. Nederland zal zich als voorzitter inzetten voor goede afstemming van de besluitvorming binnen de trilaterale Wadden Sea Board, die minimaal twee keer per jaar vergaderd.5
Wanneer is de eerstvolgende geplande bestuurlijke bijeenkomst in het kader van de trilaterale Waddenzee-samenwerking?
De trilaterale Wadden Sea Board vergadert minimaal twee keer per jaar, de eerstvolgende keer in november 2026. Hierin zijn de drie samenwerkende landen op ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De eerstvolgende reguliere bestuurlijke bijeenkomst van de trilaterale Waddenzee samenwerking is gepland medio 2030, op de volgende regeringsconferentie in Nederland. Omdat de Waddenzee daarop niet kan wachten, zal ik – in overleg met mijn Deense collega – mijn collegaministers uitnodigen in Nederland om de Verklaring van Esbjerg te tekenen, zodra de nieuwe Deense regering daartoe in staat is. Ook is het mijn streven om in 2028, wanneer de trilaterale samenwerking 50 jaar bestaat, een extra trilaterale bestuurlijke bijeenkomst en conferentie te organiseren, in het Nederlandse Waddengebied.
Aanhoudende zorgen over buitenproportionele eisen voor de vrijwillige scheepsvaart. |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rondvaartbedrijf Amersfoortse grachten wil uitzondering op Europees schippersdiploma»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe reflecteert u op signalen dat vrijwilligers bij vele organisaties en stichtingen vrezen dat zij hun activiteiten in de toekomst niet kunnen voortzetten vanwege de aangescherpte kwalificatie-eisen? Kunt u aangeven van welke organisaties zorgen hierover bij u bekend zijn?
Vanuit het ministerie en het CBR is op verschillende momenten contact geweest met bedrijven, organisaties en stichtingen in de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Zo zijn bezoeken afgelegd in Zutphen, Leiden, Giethoorn, de Keukenhof, Kinderdijk, Bunnik en Leeuwarden. Daarbij zijn de zorgen die bij organisaties en stichtingen leven duidelijk geworden. Bij de opstelling van de eisen aan het certificaat is daarom zoveel mogelijk rekening gehouden met deze zorgen, door de aan het nieuwe kwalificatiecertificaat gestelde eisen op de kenmerken van deze sector af te stemmen. Een van de geuite zorgen was bijvoorbeeld, dat de vaak oudere vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. Mede daarom ligt het accent voor het behalen van het certificaat op het aantonen van voldoende praktijkkennis. Ook is getracht de kosten zo laag mogelijk te houden en is er een overgangsregeling voor bestaande schippers, die kunnen aantonen over voldoende ervaring te beschikken.
Kunt u reflecteren op de kosten die gepaard gaan met de aangescherpte kwalificatie-eisen, specifiek de scholingskosten en de tweejaarlijkse medische keuring? Acht u die draagbaar en redelijk voor dergelijke, van vrijwilligers afhankelijke, organisaties?
De totale kosten voor het behalen van het certificaat bij het CBR liggen rond de € 450,–. Met het CBR kan worden afgesproken dat er meerdere personen op dezelfde dag het praktijkexamen doen, wat voordeliger kan zijn.
Voor wat betreft het opleidingsplan is het voor organisaties, bedrijven en instellingen mogelijk om zelf een opleidingsplan in te dienen en te laten goedkeuren bij het CBR. De jaarlijkse kosten hiervoor liggen op gemiddeld € 175,–. Wanneer het bedrijf of de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen de kosten voor het behalen van het certificaat ongeveer € 300,– per kandidaat hoger. Daarbij komen de kosten voor een medische keuring. Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–. De tweejaarlijkse keuring is verplicht vanaf 70 jaar. De kosten liggen dus aanzienlijk lager dan gesteld in genoemd artikel.2
Met het ontwikkelde kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is volgens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een goede en redelijke balans gevonden tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en een voldoende garantie van de veiligheid voor de passagiers, die aan boord stappen.
Kunt u toelichten waarom bij de vrijstellingsmogelijkheid voor open rondvaartboten, die met lage snelheden varen in beperkte en afgesloten vaargebieden, is gekozen voor een certificaat met verzwaarde kwalificatie-eisen, in plaats van een daadwerkelijke vrijstelling waarin voor deze groep vastgehouden wordt aan de bestaande situatie met het klein vaarbewijs? Kunt u hierbij ook reflecteren op de situatie in Amersfoort waar sprake is van een beperkt en afgesloten vaargebied met ondiepe wateren, waar met lage snelheid wordt gevaren en geen ander gemotoriseerd vaarverkeer en geen verkeerstekens aanwezig zijn en de bestuurders over praktijkervaring beschikken?
Ook een vaargebied als in Amersfoort valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn. De Richtlijn stelt de eis dat, wanneer er een vrijstelling verleend wordt en er een ander certificaat wordt afgegeven, dit certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor deze schippers gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Bij dit certificaat ligt de nadruk op het kennen van de veiligheidsvoorschriften en of de schipper in het eigen vaargebied het schip onder controle heeft. Daarnaast wordt getoetst of een schipper juist weet te handelen als bijvoorbeeld een passagier overboord slaat. Ook in een vaargebied als in Amersfoort, waar beperkt ander vaarverkeer is, is het van belang dat de schipper kan aantonen over deze vaardigheden te beschikken. Het praktijkexamen, dat onder toezicht van het CBR dient te worden afgelegd, mag plaatsvinden in het eigen vaargebied. Met het ontwikkelen van dit certificaat is dus al zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt.
Kunt u toelichten hoe u het begrip afdoende veiligheidsniveau bij de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/2397 (hierna: de Richtlijn) heeft geïnterpreteerd?
Voor het voldoen aan de eis van een afdoende veiligheidsniveau is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector, waarin ook veel vrijwilligers werken, gevraagd kan worden en het belang van de passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft dit ook in verschillende rapporten naar aanleiding van ongevallen met passagiersvaart benoemd. Met het ontwikkelde certificaat wordt dit afdoende veiligheidsniveau bereikt.
Kunt u bevestigen dat de Richtlijn niet voorschrijft dat uitsluitend een praktijkexamen kan bijdragen aan een afdoende veiligheidsniveau, maar ruimte laat voor andere vormen van veiligheidsborging? Hoe is deze ruimte door Nederland geïnterpreteerd?
In de Richtlijn is zeer gericht voor het behalen van het Kwalificatiecertificaat schipper een verplicht praktijkexamen geïntroduceerd. De bijdrage van dit praktijkexamen aan het bereiken van een afdoende veiligheidsniveau wordt hier als essentieel beschouwd. De Richtlijn schrijft bij een vervangend certificaat inderdaad niet voor, dat er een praktijkexamen dient plaats te vinden. Echter, ook bij het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten acht het ministerie het vooral van belang dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt is. Daarnaast is er door verschillende organisaties op gewezen, dat de meeste vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. De voor bestaande schippers opgenomen overgangsregeling, waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden om op basis van aantoonbare ervaring direct het door het CBR af te nemen praktijkexamen te doen, komt hier maximaal aan tegemoet. Deze schippers hoeven dan geen opleidingstraject te doorlopen.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de implementatie van de Richtlijn rekening is gehouden met het proportionaliteitsbeginsel, mede gelet op het feit dat de aangescherpte kwalificatie-eisen met name negatieve gevolgen hebben voor vrijwilligers en kleine stichtingen?
Bij de implementatie van de Richtlijn voor deze sector is gezocht naar een balans tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd is. Het gaat bij deze passagiers bijvoorbeeld ook om kwetsbare groepen zoals kinderen of ouderen. Hiertoe is gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt en zoveel mogelijk rekening gehouden met de kenmerken van de sector. Met het nieuwe certificaat blijven de lasten voor de sector zoveel als mogelijk beperkt, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau voor de passagiers bereikt wordt.
Bent u het ermee eens dat artikel 7 van de Richtlijn ruimte laat voor een functionele beoordeling van veiligheid, waarbij niet uitsluitend gekeken hoeft te worden naar de inhoud of zwaarte van een diploma, maar ook naar de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart?
Artikel 7 biedt de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen en dan een certificaat af te geven dat een afdoende veiligheidsniveau dient te bieden. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart. Bij de ontwikkeling van het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is dat dan ook gedaan. Zo is de gevraagde theoretische kennis tot een minimum beperkt, is zoveel mogelijk vrijheid gegeven aan organisaties om zelf hun opleiding te ontwikkelen en mogen de praktijkexamens, waarvan alleen de laatste onder toezicht van het CBR hoeft plaats te vinden, in het eigen vaargebied worden afgenomen.
Kunt u toelichten waarom Nederland ervoor gekozen heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 van de Richtlijn beperkt toe te passen, terwijl deze bepaling juist bedoeld lijkt om maatwerk mogelijk te maken voor minder complexe of lokaal begrensde vormen van binnenvaart?
Het ministerie heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 zo ruim als mogelijk toegepast en er is juist zoveel mogelijk maatwerk geboden voor deze sector. Daarbij is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt.
Klopt de constatering dat u, gezien de beantwoording van eerdere Kamervragen op dit onderwerp, geen ruimte ziet om tegemoet te komen aan de in de artikelen geschetste zorgen van onder andere de traditionele scheepsvaartsector – zoals de Berkelse en de Enterse Zompen – en de vrijwillige rondvaartsector?2, 3
Uit het artikel in Schuttevaer en ook uit andere artikelen is mij gebleken, dat er in deze sector het misverstand lijkt te blijven bestaan, dat aan alle eisen van de Richtlijn dient te worden voldaan en er geen gebruik is gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid, die de Richtlijn biedt. Zo wordt in genoemd artikel gesteld dat er een Europees MBO-3 diploma behaald zou moeten worden en worden de kosten te hoog ingeschat. Ook wordt gesteld dat alle vrijwilligers omgeschoold zouden moeten worden. Zoals hiervoor aangegeven hoeven bestaande vrijwilligers geen opleiding te volgen, maar kunnen zij tijdens een overgangsperiode na het aantonen van voldoende vaarervaring direct het praktijkexamen bij het CBR afleggen.
Niet alle zorgen, die nog in de sector leven, lijken terecht te zijn. En voor zover mogelijk, is aan de zorgen van de sector al tegemoet gekomen binnen de grenzen die een veilig vervoer van passagiers vereisen.
Bent u bereid, met inachtneming van de bovengenoemde zorgen, in overleg met de Commissie te treden over de Nederlandse implementatie van de Richtlijn?
Naar mijn mening biedt de Richtlijn voldoende ruimte om een juiste balans te vinden tussen de kenmerken van deze sector en het belang van passagiers, dat een voldoende veiligheidsniveau gegarandeerd wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding om met de Europese Commissie in overleg te treden.
Bent u bereid, indien uit overleg met de Commissie blijkt dat een ruimere interpretatie van de Richtlijn mogelijk is, met een nieuw voorstel voor de implementatie van de kwalificatie-eisen te komen?
Ik ben ervan overtuigd met het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten een goede balans te hebben gevonden tussen het belang van deze sector en het belang van passagiers dat een voldoende veiligheidsniveau geboden wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding de nu al zo veel als mogelijk op deze sector aangepaste eisen aan te passen.
Het bericht ‘Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?’ |
|
Robert van Asten (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte, klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
In het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, dat in 2024 met de Kamer is gedeeld (2024D26664), is het doel opgenomen om laagwaardig gebruik van drinkwater te beperken, zowel bij de zakelijke gebruikers als bij huishoudens. We streven naar «juiste kwaliteit voor het juiste gebruik». Vanuit dat perspectief is het doorspoelen van de wc met drinkwater niet gunstig. Toepassing van andere kwaliteiten water moet echter wel zonder al te grote gezondheidsrisico’s kunnen. Daarom is vorig jaar door RIVM onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van grijs- en hemelwatergebruik in de gebouwde omgeving2.
Het RIVM concludeert dat er microbiologische risico’s zijn die op dit moment onvoldoende afgedekt kunnen worden met beheersmaatregelen. De beleidsappreciatie van dit onderzoek is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 27 625, nr. 735).
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op de drinkwatervoorziening?
Ja, en deze wordt ook onderschreven door het RIVM, mits dit op een verantwoorde manier kan.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aan het lid Vellinga-Beemsterboer toegezegd dat de Kamer na een jaar zal worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de aanbevelingen3. Het ministerie is op dit moment bezig met het vormgeven van de opdracht om de aanbevelingen van het RIVM uit te werken. Hierin wordt aan experts gevraagd om uit te werken wat de minimale kwaliteitseis voor grijswater zou moeten zijn. Ook overlegt het ministerie met de installatiebranche om beheersmaatregelen vast te laten leggen in werkprotocollen voor aanleg, beheer en onderhoud van grijs- en hemelwatersystemen.
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer, en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing2 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Het laten uitvoeren en monitoren van pilots is een belangrijk onderdeel van de aanpak. De selectie van representatieve pilots wil het ministerie samen met de (bouw)partners doen. Deze zijn niet alleen gericht op het opdoen van ervaring met de effectiviteit van beheersmaatregelen voor gebouwgebonden systemen, maar ook ervaring op te doen met bijvoorbeeld collectieve oplossingen. Hierbij wordt ook gekeken naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die een rol heeft in het verlenen van ontheffingen en het goedkeuren van meetprogramma’s.
Met een ontheffing van de ILT is bijvoorbeeld al een pilot in Tilburg5 opgestart om bad- en douchewater te gebruiken om toiletten te spoelen. In Silvolde6 zijn meerdere woningen gebouwd die regenwater in het gebied opgevangen waar ze drinkwater van kunnen maken; met een goedgekeurd meetprogramma kunnen ze daarmee aan de slag. Datzelfde geldt voor SUPERLOCAL7 in Kerkrade waar voor twee appartementencomplexen regenwater hergebruikt wordt. Dit soort pilots kunnen we gebruiken om van te leren hoe het gebruik van grijs- en hemelwater verantwoord kan. Zoals toegezegd wordt de Kamer hier in 2027 over geïnformeerd.
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen? Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid en regelgeving?
Pilots bieden de gelegenheid om op gecontroleerde schaal te experimenteren en te monitoren hoe gezondheidsrisico’s beheerst kunnen worden. De lessen uit andere landen nemen we daarin mee. De overeenkomsten en verschillen met Vlaanderen heeft onderzoeksinstituut KWR in juli 2025 geïnventariseerd in het rapport «Veilig water uit alternatieve bronnen»8. Vertaling naar beleid en regelgeving kan pas als de risico’s beheersbaar zijn. Een cruciaal verschil tussen het Nederlandse en Vlaamse drinkwater is overigens wel de toevoeging van chloor in Vlaanderen, waardoor daar de gezondheidsrisico’s veel kleiner zijn bij gebruik van alternatieve bronnen.
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering, toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
Het RIVM heeft in haar kennisnotitie concrete aanbevelingen gedaan voor het beheersbaar maken van de gezondheidsrisico’s: o.a. borging van correcte aanleg en ingebruikname van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen te voorkomen en het voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s. Deze aanbevelingen zien toe op concrete acties voor zowel beleid als praktijk. In de Kamerbrief van 27 januari jl. is dit nader toegelicht.
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s te beperken?
Hiervoor wordt verwezen naar de kennisnotitie van het RIVM en de beleidsappreciatie die hierop aan de Kamer is gegeven op 27 januari jl.
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aangegeven dat over twee jaar samen met de Minister van VRO de balans opgemaakt kan worden uit de acties in de beleidsappreciatie en we dan bezien of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit (of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Zoals met de Kamer gedeeld in januari jl., kunnen aan het gebruik van grijs- en hemelwater risico’s voor de volksgezondheid zitten. Ook dat is een verantwoordelijkheid van de regering. Daarnaast speelt bij zo’n extra eis in het Bbl de substantiële verhoging van de bouwkosten, die de betaalbaarheid van de nieuwbouw verder onder druk zet. De komende twee jaar zijn nodig om de beheersing van de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te onderzoeken in praktijkproeven in de verschillende fases van aanleg, beheer en onderhoud. Ook worden de kosten en baten en integrale impact op milieu onderzocht om zo verantwoord een heroverweging te kunnen maken. Tegelijk kijkt het ministerie naar alternatieve oplossingen om vraag en aanbod van drinkwater in evenwicht te houden, zoals de aanbodkant vergroten maar ook het drinkwaterbesparings-potentieel, op verschillende schaalniveaus van de drinkwaterketen.
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
In algemene zin moeten de kosten opwegen tegen de baten. Uit eerder onderzoek van Witteveen en Bos (2023) blijkt dat de investeringen in een grijs- of hemelwatersysteem € 4.000 tot € 7.000 per grondgebonden woning bedragen, met jaarlijkse onderhoudskosten van € 330 tot € 640. In de beleidsappreciatie op dat rapport (Kamerstukken 27 625, nr. 658) is aangegeven dat een nadere uitwerking van de kosten en baten van individuele mogelijke systemen volgt. Hierbij moeten ook de kosten van (extra) drinkwaterbereiding in ogenschouw worden genomen.
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Het is belangrijk dat vraag en aanbod van drinkwater in balans blijven. Hiervoor werkt het Ministerie van IenW met de provincies en drinkwaterbedrijven samen aan het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 om de productiecapaciteit van de drinkwaterbedrijven te vergroten met minimaal 100 miljoen kubieke meter drinkwater per jaar. Tegelijk wordt ook met veel partijen samengewerkt aan het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het drinkwatergebruik bij particulieren terug te dringen naar 100 liter per persoon per dag en 20% zuiniger drinkwatergebruik bij bedrijven. Voor de periode na 2030 werkt het ministerie aan een perspectief en strategie. Decentrale oplossingen zijn daar een onderdeel in en deze kunnen van betekenis zijn als er lokale knelpunten zijn.
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Op de Milieulijst voor MIA/Vamil staan verschillende technieken die bijdragen aan besparing van water (niet per sé drinkwater) in brede zin. Zowel in de industrie als in de landbouw. Uit het jaarverslag 2024 blijkt dat de totale steun die is verleend aan waterbesparing vanuit het MIA/Vamil-budget op het totale budget helaas beperkt is. Daarom wil ik in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing verkennen of uitbreiding van financiële regelingen voor drinkwaterbesparing bij zakelijke gebruikers mogelijk is. Specifiek wordt gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande nationale financiële regelingen, zoals MIA/Vamil en Veki9 en vraag ik IPO en VNG de bestaande regionale financiële regelingen in kaart te brengen met daarbij de mogelijkheden voor uitbreiding.
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen? Zo ja, welke?
Zoals hierboven toegelicht wil ik nu al pilots stimuleren. Om het generiek uit te rollen zijn er concrete beheersmaatregelen aanbevolen om dit in de toekomst wel veilig te kunnen doen. Hiermee ga ik aan de slag en pas dan kan worden overwogen of het drinkwaterbesluit en het besluit bouwwerken leefomgeving in deze zin worden aangepast.
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht besluitvorming kan plaatsvinden?
In het WGO Water van 2 februari jl. is al toegezegd dat de Kamer over een jaar wordt geïnformeerd.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en 2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze sancties zijn opgelegd?
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm in wet- en regelgeving?
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende therapeuten met zich meebrengt?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties, te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Op welke wetenschappelijke basis wordt de flyshoot-methode momenteel beoordeeld als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van ecosysteembeheer en acht u die onderbouwing voldoende, gezien de schaal waarop deze methode inmiddels wordt toegepast?1
Om de visbestanden en het ecosysteem waar deze zich in bevinden te beschermen, zijn regels en beleid op Europees niveau vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (hierna: GVB). Het GVB streeft duurzaam gebruik van visserij en aquacultuur na om bijvoorbeeld overbevissing te voorkomen. De flyshoot, ook wel «Schotse zegen» genoemd, is een door de Europese Unie (hierna: EU) erkende visserijtechniek die binnen de kaders van het GVB valt. Het GVB streeft ecologische, economische en sociale duurzaamheid na.
Het vissen met de flyshoot-methode gebeurt door Nederlandse vissers seizoensmatig op de Noordzee en in Het Kanaal. De schaal waarop deze methode wordt toegepast, is begrensd in het Kanaal en de Noordzee. Het totale aantal Nederlandse schepen dat gebruik mag maken van de flyshoot-techniek in het Kanaal is beperkt tot 24. Daarnaast worden de visserijen in het Kanaal beheerd door middel van een visserij-inspanningsregeling op basis van KW-dagen. KW-dagen staat voor de periode of het aantal zeedagen (kW-dagen) dat er gevist mag worden. Op de Noordzee is flyshoot begrensd in (delen van) beschermde gebieden waar een verbod op bodemberoerende visserij geldt (momenteel gaat het om 7,2% van de Nederlandse Noordzee).
Deelt u de analyse dat flyshoot in zijn geïndustrialiseerde Nederlandse vorm met zware kabels en hoog motorvermogen wezenlijk verschilt van de oorspronkelijke, kleinschalige Deense snurrevaad-methode en wat betekent dat voor de ecologische beoordeling?
De flyshoot (afgekort SSC) is een andere techniek dan de Deense Zegen (afgekort SDN) en verschilt daarmee per definitie. De flyshoot wordt uitgevoerd met een motorvermogen dat ongeveer 1/3 minder is dan de boomkorvisserij waardoor de methode eerder een «gemiddeld motorvermogen» inzet bij de visserijactiviteit dan een «hoog motorvermogen» in vergelijking met de totale Nederlandse kottervisserij. Er zijn geen Nederlands gevlagde vissers actief met een Deense Zegen waardoor een vergelijking qua ecologische beoordeling op nationaal niveau geen meerwaarde heeft. Een eerdere internationale analyse over de verschillende bodemimpact tussen visserijtechnieken laat zien dat de impact van de beroering (dieper dan 2cm) per oppervlak bij flyshootvisserij fors minder is dan bij de conventionele boomkor.2
Hoe reflecteert u op de visserij die volgens het artikel niet mee willen werken aan het onderzoek van 4,8 miljoen euro naar de ecologische impact van flyshoot vissen?
Verschillende vertegenwoordigers van de visserij zijn betrokken geweest in het proces rondom de aanvraag vanuit de Nederlandse Wetenschapsagenda: «Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid». De raad van bestuur van NWO heeft op 10 juni jl. een besluit genomen over de aanvraag. Tot het besluit gecommuniceerd is, kan niet aangenomen worden dat het project doorgang vindt en of de visserij deelneemt.
Herkent u zich in de analyse dat het risico op overbevissing toeneemt door het uitblijven van onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen?
De suggestie dat onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen uitblijven herken ik niet. Er vindt onderzoek plaats naar de hoeveelheid vis die door de Europese visserijvloot wordt bevist vanuit de Datacollectie verordening, in Nederland uitgewerkt in de Wettelijke Onderzoektaken (WOT-05 Visserijonderzoek). Deze dataverzameling vindt ook plaats in de Schotse zegenvisserij en de doelsoorten van deze visserij worden in surveys zoals de International Bottom Trawl Survey (IBTS) bemonsterd. Er bestaan daardoor ook ICES-vangstadviezen voor verschillende doelsoorten die bevist worden in «flyshootvisserij». Als de informatie beschikbaar is kan er per vissoort beoordeeld worden of de visserijdruk hoger is dan de maximale duurzame opbrengst (MSY). Wanneer de visserijdruk langdurig boven MSY plaatsvindt neemt het risico op overbevissing toe.
Ik herken mij wel in een analyse dat de informatiedichtheid voor de verschillende soorten in Schotse zegenvisserij lager is dan bijvoorbeeld voor de soorten tong of schol en dat aanvullend onderzoek nodig is. Hiervoor heb ik via de Nederlandse Wetenschapsorganisatie een onderzoekscall uitgezet om meer kennis te verwerven over onbeschermde soorten. Dit ishet onderzoek dat in het artikel wordt aangehaald. Ik blijf mij inzetten voor het vergroten en versterken van onze kennisbasis, zodat de visserij ecologisch duurzamer kan opereren.
Tot slot worden er beheermaatregelen genomen ter bescherming van niet-gequoteerde soorten die door de flyshoot-visserij worden gevangen. Zo heeft Nederland in 2021 op verzoek van onze visserijsector het initiatief genomen om de maaswijdte aan te passen voor de visserij op pijlinktvis. In de visserij op inktvis was het tot vorig jaar oktober toegestaan met kuilen met een maaswijdte van minimaal 40 mm te vissen. Nu geldt er een minimale maaswijdte van 80 mm. Het vergroten van de maaswijdte draagt bij aan het verminderen van vangst van kleinere inktvisexemplaren en bijvangst van andere soorten.
Welk instrumentarium heeft u om deelname aan het onderzoek alsnog te bevorderen? Kunt u toezeggen dat instrumentarium in te zetten?
De beoordeling van het voorstel heeft nog niet plaatsgevonden. Van aanvullende inzet is daarom op dit moment geen sprake. De aanname dat de visserijsector ten algemene niet mee wil werken aan wetenschappelijk onderzoek is in mijn ogen niet juist. Zo zijn verschillende vissers betrokken bij verschillende onderzoeken, zoals het onderzoek naar de FloMo, Fully Documented Fisheries of andere onderzoeken zoals in de garnalenvisserij.
Hoe wordt de bijvangst van niet-doelsoorten bij flyshoot-schepen momenteel gemonitord en acht u die monitoring toereikend voor soorten waarvoor geen quota bestaan?
Vanuit de Europese controleverordening2 moeten alle vissers met een vaartuiglengte van 12 meter of meer tijdens de visreis hun (bij)vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. De Nederlandse flyshoot-vaartuigen vallen binnen deze doelgroep. De verplichting geldt voor zowel gequoteerde als niet gequoteerde soorten. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting.
De logboekgegevens worden door de NVWA geverifieerd door middel van kruiscontroles met het resultaat van de weging. Op basis van de controleverordening is een tolerantiewaarde toegestaan waarbij een overschrijding kan leiden tot een ernstige inbreuk en de toekenning van punten. Deze kruiscontrole stimuleert de correcte registratie in het elektronisch logboek. Naast de administratieve kruiscontroles ziet de NVWA door middel van risico-gebaseerde fysieke controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Op basis van de herziene controleverordening zal het toezicht op de vangsten die onder de aanlandplicht vallen vanaf 10 januari 2028 voor een deel van de Nederlandse vloot worden aangevuld met sensor- en cameratoezicht (REM/CCTV). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) monitort op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota. De monitoring voor soorten waar geen quota voor bestaat acht ik daarmee toereikend.
Hoe verhoudt het huidige vergunningenbeleid voor flyshoot zich tot de verplichting om te handelen op basis van het voorzorgsprincipe uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Bent u voornemens dit beleid aan te passen?
Nederland kent geen specifiek vergunningenbeleid voor de flyshootvisserij. Vissers die met flyshoot willen vissen moeten beschikken over een vismachtiging voor de vistuigcategorie TR, waartoe ook de flyshootvisserij behoort. Het aantal vismachtigingen dat voor de vistuigcategorie TR kan worden afgegeven is begrensd en gereguleerd via het meerjarenplan Noordzee en de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Vissers die deze visserij willen uitoefenen in het Kanaal moeten bovendien beschikken over een zogenaamde «kanaalvergunning». De afgifte van deze vismachtiging is primair gereguleerd via het meerjarenplan Westelijke wateren en verordening (EG) nr. 1954/2003 waarin het beheer van de visserijinspanning is gereguleerd. Het aantal kanaalvergunningen dat Nederland verstrekt is begrensd tot maximaal 24. Daarmee blijft Nederland binnen het Europees bepaalde visserijinspanningsniveau. Ik ben op dit moment niet voornemens om dit beleid aan te passen.
Kunt u in Europees verband pleiten voor uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen voor visserijmethoden met een vergelijkbare vangstkracht als de huidige Nederlandse flyshoot?
Op dit moment gelden er op basis van de Europese controleverordening al uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Welke andere concrete stappen gaat u nemen om overbevissing te voorkomen, te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de situatie waar Nederland eerder mee te maken had omtrent de pulsvisserij en welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat de relatie met onze buurlanden constructief blijft?
Het behouden van gezonde vispopulaties is belangrijk voor de biodiversiteit en het functioneren van het mariene ecosysteem. Daarnaast zijn gezonde bestanden van belang voor vissers die nu én in de toekomst hun boterham willen verdienen. Om die reden ben ik in gesprek met de visserijsector over de toenemende interesse van Nederlandse vissers in niet-gequoteerde soorten en in het bijzonder over de relatie met buurlanden in het Kanaal.
Verder lopen er op dit moment verkennende gesprekken om te kijken naar het huidige beheer van ongequoteerde soorten. Deze gesprekken worden gevoerd door de Europese Commissie met het Verenigd Koningrijk, omdat deze bestanden doorgaans gedeeld beheerd worden. Zo wordt er gewerkt aan het bouwen van een goede wetenschappelijke kennis van diverse bestanden en zal vervolgens in kaart worden gebracht welke beheermogelijkheden er mogelijk zijn om overbevissing te voorkomen.
Ik zie geen overeenkomst of verband met de pulsvisserij.
In welke mate zorgt flyshoot-vissen voor bodemberoering in vergelijking met conventionele boomkor- en pulsvisserij?
Flyshoot-vissen heeft een andere vorm van bodemcontact dan de conventionele boomkor (met wekkerkettingen) of de pulskor. Flyshoot-vissen kan plaatsvinden over een groter oppervlak per trek dan een conventionele boomkor en beïnvloedt daardoor qua oppervlak meer van de bodem. De impact van de beroering per oppervlak is echter fors minder, omdat de bodempenetratie van flyshoot-vissen minder is dan bij de conventionele boomkor. Een eerdere analyse over de verschillende bodemimpact tussen vistuigtypen geeft dit ook aan (zie antwoord vraag 2).
Wat is de klimaatimpact van bodemberoering door de vormen van visserij in voorgaande vraag en in hoeverre wordt die impact meegenomen in de klimaatscenario’s en uitstootcijfers van deze sector?
De potentiële CO2-emissies van bodemberoering zijn onderzocht als deel van het bredere onderzoek naar CO2 uitstoot van de visserijsector. De Kamer is hierover geïnformeerd op 2 april jl. (Kamerstuk 32 813/29 675, nr. 1557).
Welke stappen zet u om de ecologische en klimaatimpact van bodemberoerende visserij te beperken?
Het kabinet zet zich in voor een toekomstbestendige en duurzame visserijsector.
Hiervoor wordt relevant onderzoek gefinancierd en stelt het kabinet regelmatig innovatieregelingen open. Ook zet het kabinet zich in voor de legalisering van beproefde duurzamere innovaties zoals de pulskor en het versimpelen van de wet- en regelgeving voor de introductie van nieuwe innovaties. Deze inzet is onder meer uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren, waarin concrete acties zijn opgenomen die bijdragen aan de verduurzaming, innovatie en toekomstbestendigheid van de visserijsector. Voor deze inzet heeft het kabinet meerdere middelen en instrumenten beschikbaar, zoals toegelicht in vraag 15.
Anderzijds streef ik ernaar om in 2030 15% van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij in beschermd natuurgebieden zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord. Dit draagt bij aan het verminderen van de ecologische impact en komt voort uit wettelijke verplichtingen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natuurherstelverordening.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen de reeds aangekondigde «energie-efficiëntieregeling visserij» van 25 miljoen euro zal bekostigen (Kamerstuk 36 933, nr. 1)?
Zoals in de Kamerbrieven «Acties weerbaarheid energieschok» en «Energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten» (Kamerstuk 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795) aangegeven, zal het kabinet eind september een energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openstellen. Hiervoor wordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden wie er in aanmerking komt, welke investeringen subsidiabel zijn en hoe deze middelen verdeeld worden. Over de details van de regeling zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Wordt bij de toekenning van de verduurzamingssubsidie onderscheid gemaakt tussen investeringen die de vangstkracht verhogen en investeringen die de milieu-impact per gevangen kilo vis verlagen? Zo ja, hoe?
De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden welke investeringen subsidiabel zijn. Het verhogen van de vangstcapaciteit van vissersvaartuigen is uitgesloten onder de verordening die gebruikt wordt voor deze regeling, de visserijvrijstellingsverordening. Over de details van de regeling zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Kunt u bevestigen dat het ministerie in de periode 2025–2029 80 miljoen euro apart heeft gezet voor de verduurzaming van de vloot, bovenop eerdere middelen uit het klimaatfonds?
Voor het bevorderen van verduurzaming van de visserijsector heeft het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verschillende middelen en instrumenten beschikbaar.
Zo is er o.a. in 2022 199 miljoen vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij. Een deel van deze middelen is reeds ingezet voor subsidieregelingen, onderzoek en het Visserij Ontwikkel Plan (VOP).
Onder het kabinet Schoof 1 is er bij het Hoofdlijnenakkoord € 4,5 miljoen voor 2025 en onder het regeerprogramma € 50 miljoen voor de periode 2026–2033 beschikbaar gesteld om de visserij te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige vloot. Deze middelen zullen deels worden ingezet voor verduurzaming.
Zoals al aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstuk, 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795), zal ik eind september 2026 een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.
Hoeveel procent van de kotters en andere vissersschepen verwacht u dat met deze nieuwe 25 miljoen euro bovenop de reeds gereserveerde 80 miljoen euro te kunnen verduurzamen?
Dit percentage is nog niet bekend. Het aantal vissersvaartuigen dat verduurzaamd zou kunnen worden onder de energie-efficiëntieregeling (€ 25 miljoen) is onder meer afhankelijk van het aantal aanvragen voor steun van de regeling, welke investeringen er onder de regeling subsidiabel zijn en hoe de middelen verdeeld worden.
Hoe wordt voorkomen dat deze middelen ten goede komen aan methoden die de visstand verder onder druk zetten?
Het kabinet hecht aan een toekomstbestendige visserij die vist binnen de draagkracht van het ecosysteem. Daarom is het belangrijk dat de regeling niet ten goede komt aan methoden die de visstand verder onder druk zetten. Dit wordt gewaarborgd in de regeling zelf, ook vanwege de voorwaarden uit het steunkader, waaronder het feit dat het niet-naleven van het GVB betekent dat men niet in aanmerking komt voor subsidie.
Is de Staatssecretaris bereid de subsidiecriteria zo in te richten dat vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode voorrang of een toeslag krijgen?
Met deze subsidieregeling wil ik mij voornamelijk richten op het verminderen van brandstofverbruik in de visserijsector. Ik wil iedere visser gelijke kansen bieden om hun vissersvaartuig te verduurzamen. Een voorrangspositie voor vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode draagt hier niet aan bij.
Welke ruimte ziet u om de verduurzamingssubsidies specifiek te benutten voor de overgang naar kleinschaligere en meer selectieve vismethoden, zoals handlijnvisserij en passieve visserij, als alternatief voor opschaling van de flyshoot?
Zoals ook te lezen is in de «Visie voedsel uit zee en grote wateren» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) streef ik naar een flexibele, innovatieve en ook diverse visserijsector. Het doel van deze energie-efficiëntieregeling is het brandstofverbruik van de visserijsector naar beneden te brengen. De overgang naar kleinschalige en meer selectieve vismethoden is niet de focus van deze regeling. Het stimuleren van innovatie, waaronder selectieve vangststechnieken, wordt ondersteund door andere regelingen, namelijk de innovatieregelingen voor de visserij.
Het bericht 'Schade binnenvaart op ecologie in rivieren groter dan gedacht' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de berichtgeving?1
De berichtgeving gaat over een intern Rijkswaterstaat uitgevoerde bureaustudie naar effecten van scheepvaart op ecologie. Het rapport onderzoekt op basis van al beschikbare gegevens hoe de binnenvaart zich tussen 2009 en 2024 heeft ontwikkeld en combineert dit met een eerdere bureaustudie «Effecten recreatieve en commerciële binnenvaart op ecologie» (Collas, 2021, Radboud Universiteit).
In hoeverre is er zicht op de omvang van de ecologische schade veroorzaakt door de binnenvaart in de Nederlandse rivieren?
De effecten van binnenvaart op ecologie zijn door Collas in 2021 onderzocht in een bureaustudie. Hierin wordt een kwalitatieve beschrijving gegeven van de mogelijke effecten van binnenvaart op ecologie. Er is geen duidelijk kwantitatief beeld van de omvang van de mogelijke ecologische schade ten gevolge van de binnenvaart.
Het artikel stelt dat er wordt gevreesd voor de toename van ecologische schade, wordt dit tegengegaan? Zo ja, hoe? Op welke manier kan dit worden voorkomen?
De nu beschikbare onderzoeksgegevens lenen zich niet om conclusies te trekken over de noodzaak van maatregelen. De uitgevoerde bureaustudie waarop het artikel is gebaseerd, is een verkenning. Er is aanvullend onderzoek nodig om te bepalen of er sprake is van toenemende schade en of maatregelen nodig zijn. Daarnaast is scheepvaart niet de enige drukfactor op ecologie.
In hoeverre is er momenteel toezicht op de uitstoot van vervuilende stoffen door de binnenvaart direct in het rivierwater, en wordt dit toezicht geïntensiveerd nu blijkt dat de ecologische druk groter is dan gedacht?
Vanuit Europese en nationale regelgeving en verdragen zoals het CDNI2 zijn strenge eisen gesteld aan de uitstoot van vervuilende stoffen in het rivierwater. De handhaving vindt plaats via controle van de scheepsadministratie, inspecties van de ILT aan boord en aanvullende toezichtmiddelen zoals drones, meldingen en signalering. De aard van de studie maakt dat er op dit moment geen reden is voor intensivering van de toezicht en handhaving.
Wat betekent dit (eventuele) ingrijpen voor de binnenvaart, welke maatregelen moeten schippers nemen en welke gevolgen hebben die maatregelen voor schippers?
Zie antwoord op vragen 3 en 4.
Hoe weegt u het belang van een diepe vaargeul voor de binnenvaart af tegen de ecologische doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, gelet op het feit dat in het artikel wordt gesteld dat drempels in KRW-nevengeulen – bedoeld om verzanding van de vaargeul te voorkomen – juist schadelijk zijn voor het ecologisch functioneren van die geulen?
Zowel de aanleg van nevengeulen in het kader van de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) als overige ingrepen aan de vaarweg ten behoeve van de scheepvaart moeten worden getoetst aan de voorwaarden van de KRW. Zij mogen niet leiden tot achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam. Studies als de onderhavige dragen bij aan de kennis die nodig is voor deze beoordeling. Daarnaast dient Nederland als lidstaat zich ook te houden aan de Europese TEN-T Verordening3 waarbij eisen aan de vaarweg zijn opgelegd door de Europese Commissie, waaronder een niet-achteruitgangsbepaling voor de Goede Navigatie Status van de vaarwegen zoals de diepgang. Eisen uit de KRW en TEN-T zullen zorgvuldig moeten worden afgewogen.
Hoe verklaart u de bevinding dat een afname van 32% in het aantal schepen op de Maas niet leidde tot ecologisch herstel, en wat betekent dit voor de effectiviteit van toekomstig beleid? Is enkel het sturen op intensiteit (aantal schepen) nog wel zinvol als de impact per schip (vermogen, grootte) exponentieel toeneemt?
In het rapport waarop H2O het artikel baseert, staat dat er geen daling in ecologisch risico kon worden vastgesteld. Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat ecologisch herstel uitblijft. Daarnaast is scheepvaart niet de enige drukfactor op ecologie.
Bovendien is sturen op aantal schepen geen vigerend beleid, er wordt gestuurd op vervoerde vracht (tonnage en TEU), mobiliteit en leveringszekerheid4. Hiermee is de effectiviteit van toekomstig beleid niet in het geding.
Bent u bereid om samen met de sector op te trekken in het zoeken naar oplossingen die de ecologische druk verminderen, waarbij wordt uitgegaan van de kracht en de innovatiebereidheid van de binnenvaart in plaats van enkel het opleggen van beperkingen?
Van het opleggen van beperkingen is geen sprake. Het ministerie onderhoudt nauw contact met de binnenvaartsector op tal van onderwerpen. Dit zullen we onverminderd blijven doen.
Op welke wijze faciliteert u de sector om de al ingezette koers van verduurzaming door te zetten, en bent u bereid om extra in te zetten op kennisdeling over technieken die zowel de uitstoot als de fysieke belasting van het rivierwater (zoals schroefwerking en golfslag) minimaliseren?
Nederland heeft zich door middel van nationale en internationale afspraken gecommitteerd aan een klimaatneutrale en nagenoeg emissieloze binnenvaart in 2050. Normerings- en beprijzingsmaatregelen (REDIII en ETS2) zullen er op termijn voor zorgen dat de businesscase voor verduurzaming verbetert, doordat het prijsverschil tussen fossiele brandstoffen en duurzame energiedragers steeds kleiner wordt. Deze maatregelen kennen echter een ingroeipad, waardoor investeringen in verduurzaming in de komende jaren nog een onrendabele top kennen.
Om binnenvaartondernemers te ondersteunen die hier nu al stappen in willen zetten, stelt het kabinet middelen beschikbaar via verschillende subsidie-regelingen. Zo bieden twee Nationaal Groeifondsprojecten (het Maritiem Masterplan en Zero Emission Services) de mogelijkheid om nieuwe technieken in de praktijk te demonstreren en is er vanuit met name het Klimaatfonds ruim € 230 miljoen beschikbaar voor vroege opschaling van zulke technieken. Allereerst is met een deel van deze middelen een subsidieregeling opengesteld om motorfabrikanten te faciliteren in een versnelde ontwikkeling van motoren op waterstof en methanol. Daarnaast wordt een grotere subsidieregeling ingericht die scheepseigenaren ondersteunt bij investeringen in emissieloze aandrijflijnen. Denk bijvoorbeeld aan elektrificatie in combinatie met een batterij of brandstofcel, of aandrijflijnen voor varen op hernieuwbare brandstoffen zoals waterstof en methanol. Voor kleine schepen wordt voorzien in een mogelijkheid het schip te voorzien van een hybride aandrijflijn, zodat kan worden onderzocht hoe hybride aandrijflijnen in de praktijk kunnen functioneren. Voor deze subsidieregeling staat momenteel, tot en met 3 juni 2026, een internetconsultatie open.
Zoals aan uw Kamer gemeld in de brief van mijn voorganger van 20 september 2024, wordt een deel van de middelen die beschikbaar zijn gesteld vanuit het Klimaatfonds aangewend voor een programma-aanpak «Energietransitie Binnenvaart». De Programma-aanpak «Energietransitie Binnenvaart» heeft o.a. tot doel om samen met relevante stakeholders kennis te delen over technische en economische mogelijkheden voor innovatie en verduurzaming.
Tot slot werkt de Rijksoverheid in het programma Vlootvernieuwing aan de vernieuwing, verjonging en verduurzaming van haar eigen vloot binnen de Rijksrederij.
Het bericht ‘Hoe de sloten in Nederland verdwijnen’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat de regels voor bufferstroken, bedoeld voor een betere waterkwaliteit, in de praktijk een prikkel vormen voor agrariërs om sloten te dempen zodat zij deze stroken niet hoeven aan te leggen?1
Dit is niet de bedoeling geweest van de regels voor bufferstroken. Sloten zijn onderdeel van een watersysteem en hebben daarin vaak meerdere functies. Denk aan afvoer van water, waterkwaliteit en ecologie.Wie een sloot wil dempen, heeft hiervoor veelal toestemming nodig. Dit kan van het waterschap zijn, maar ook van de gemeente. Zowel waterschappen als gemeenten hebben hiervoor regels.
In algemene zin is het zo dat voor grotere watergangen altijd een vergunning van het waterschap nodig voor het dempen. Voor kleinere sloten kan het soms volstaan om een melding te maken en gelden algemene regels voor dempingen van het waterschap. Het is dan ook van belang dat agrariërs altijd eerst in overleg treden met het desbetreffende waterschap of toestemming nodig is voor het dempen van een specifieke sloot, omdat een demping een verandering in de waterhuishouding tot gevolg heeft en over het algemeen de voorwaarde geldt dat de hoeveelheid oppervlaktewater behouden moet blijven.
De individuele waterschappen verstrekken veel informatie over de betreffende regelgeving op hun websites. Gemeenten kunnen ook een taak hebben bij de toetsing of dempingen kunnen worden toegestaan in het kader van omgevingsplannen (voorheen bestemmingsplannen). Bij gemeenten staat in dat geval de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen het belang van ruimtelijke ordening) voorop. Via het Omgevingsloket kan worden bekeken of een vergunning in een specifiek geval nodig is.
Hoe rijmt u de landelijke ambities om juist meer ruimte te geven aan water en natuur, bijvoorbeeld in het kader van agrarische natuurbeheer, met de in dit artikel beschreven ontwikkelingen, waarbij tienduizenden sloten in rap tempo verdwijnen?
Sloten vormen verbindingen in het landschap en dragen bij aan leefgebieden voor soorten zoals vogels, amfibieën en bestuivers. Zeker wanneer dit wordt gecombineerd met agrarisch natuurbeheer. Het Rijk en regionale partijen zetten daarom in op het aanleggen, beheren, herstellen en behouden van blauwe landschapselementen, zoals opgenomen in het Aanvalsplan Landschap.
Sloten vervullen ook een belangrijke rol in het weerbaarder maken tegen piekbuien. Zowel de bodem van percelen als de sloten tussen percelen kunnen als wateropvang fungeren. Sloten en greppels dragen in dat geval bij aan het goed beheer van landbouwpercelen, omdat deze voorkomen dat grote plassen op het land blijven staan.
Tegelijkertijd hebben sloten een drainerende werking, wat ook negatieve effecten kan hebben. Na de Tweede Wereldoorlog zijn met name op de hoge zandgronden veel extra sloten gegraven om water snel af te voeren en om van nature drassige gronden geschikt te maken voor landbouw. Dat heeft geleid tot structurele daling van de grondwaterstanden en verdroging van natuurgebieden. Het verminderen van de ontwatering door het ondieper maken of dempen van sloten kan dus ook een goede manier om de sponswerking van de bodem te verbeteren, de grondwaterstand te verhogen en om te zorgen voor hydrologisch herstel van natuurgebieden. Het hangt dus af van de specifieke locatie of het dempen van sloten problematisch is in een gebied of niet.
In hoeverre dragen sloten bij aan het opslaan van stikstof en nitraten, en in het verlengde daarvan aan een betere waterkwaliteit en minder stikstofdruk op natuurgebieden?
In sloten spelen zich processen af, waarbij stikstof en nitraten onder meer worden opgenomen door waterplanten. Dat betekent dat zij, tot op zekere hoogte, als filter kunnen fungeren en de druk op de waterkwaliteit in natuurgebieden kunnen beperken. Natuurlijke oevers hebben een filterende werking en bufferen water. De blauwe dooradering kan bijdragen aan het behalen van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Aan de andere kan het beperken van de ontwatering door het verondiepen of dempen van sloten ook bijdragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden.
Op welke wijze houdt de overheid op dit moment overzicht van de bestaande sloten in Nederland, en hoe wordt gecontroleerd of de tienduizenden verdwenen sloten legaal of illegaal zijn gedempt?
De overheid houdt zicht op bestaande sloten en waterlopen via de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van deze informatie ligt bij de bronhouders van de BGT. De bronhouders die verantwoordelijk zijn voor een overzicht van sloten in de BGT zijn voornamelijk de waterschappen, gemeenten, provincies en voor een klein percentage het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Daarnaast volgt de Monitor Landschap2 sinds 2019 de veranderingen in het Nederlandse landschap. Elke twee jaar wordt de staat en ontwikkeling van het landschap in beeld gebracht.
De Monitor Landschap geeft overheden, onderzoekers, ontwerpers en beleidsmakers objectief inzicht in hoe het landschap verandert, door de tijd heen en op verschillende schaalniveaus. Deze informatie is ook gebruikt bij het schrijven van het Volkskrantartikel. De Monitor Landschap is gerealiseerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van LVVN. Op verzoek van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening brengt het Planbureau voor de Leefomgeving regelmatig de rapportage «Het landschap geduid» uit, met duiding van de indicatoren van de Monitor Landschap en de Kustpactmonitor.
Voor waterschappen geldt dat zij sloten registreren in zogenoemde leggers (profielenlegger en onderhoudslegger). Niet alle sloten staan (altijd) geregistreerd in de leggers van het waterschap. Sommige sloten zijn namelijk van te geringe afmeting en behoren tot de haarvaten van het regionaal watersysteem, of ze hebben nauwelijks effect op het watersysteem. Welke sloten wel en welke sloten niet in de legger staan, is niet bij elk waterschap hetzelfde. Dit hangt samen met gebiedsspecifieke kenmerken van het betreffende beheergebied.
Bij reguliere controles, de jaarlijkse schouw en het herzien van peilbesluiten worden veranderingen in het watersysteem waargenomen en wordt met perceeleigenaren gesproken over het eventueel terugdraaien, compenseren of legaliseren van het dempen van sloten.
Gemeenten registreren sloten meestal via beheerplannen, voor sloten die voor hen functioneel of juridisch relevant zijn. De keuze welke sloten worden opgenomen hangt, net als bij waterschappen, af van gebiedsspecifieke kenmerken en gemeentelijke beleidskeuzes. Over het algemeen geldt dan dat deze sloten in eigendom zijn van de gemeente, ze functioneel belangrijk zijn voor afwatering en/of onderdeel zijn van groen- of bermbeheer. In zulke plannen worden sloten vaak genoemd als onderdeel van het areaal, maar worden deze niet altijd individueel geregistreerd.
Hoe verklaart u dat veel gemeenten aangeven «geen prioriteit» te geven aan het handhaven van hun eigen bestemmingsplannen voor watergangen, terwijl dit de nationale doelen voor water en natuur direct raakt?
Ik kan geen antwoord geven namens de gemeenten (en waterschappen). Wel zal ik in het Bestuurlijk Overleg Water dat periodiek gehouden wordt met onder andere decentrale overheden, aandacht vragen voor het belang van watergangen voor de nationale doelen. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Welk effect heeft het niet consequent handhaven van regels rondom waterbeheer en landschapsinrichting volgens u op de algemene waterkwaliteit, de natuurwaarden in de regio en betrouwbare overheid?
De kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater wordt periodiek gemonitord via verschillende meetsystemen, waaronder het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid van het Ministerie van LVVN. Het verdwijnen van sloten gaat ten koste van de biodiversiteit die de sloten herbergen. In de sloten komen, naast algemene soorten, ook beschermde dier- en plantensoorten voor van populaties die al jaren aanwezig zijn. Met het dempen van de sloten verdwijnen de habitats, en daarmee deze soorten in het gebied. Deze populaties staan in verbinding met andere sloten. Door het verdwijnen van sloten wordt ook deze verbinding onderbroken. Aan de andere kant kan het dempen van sloten tot verhoging van de grondwaterstand leiden, wat bij kan dragen aan hydrologisch herstel van natuurgebieden, wat weer gunstig is voor de biodiversiteit. Het hangt van de specifieke locatie af of het dempen van sloten op het totaal gezien positief of negatief is voor de waterkwaliteit en natuurwaarden in het gebied.
Wat vindt u van het feit dat omwonenden die melding maken van illegale demping vaak in de kou worden gezet door de overheid en soms zelfs te maken krijgen met intimidatie en dreigementen?
Omwonenden die melding maken van illegale dempingen, kunnen hiervoor terecht bij de betreffende gemeente of het waterschap. Vaak kan dit ook anoniem. Signalen van mogelijke fraude binnen de LVVN-domeinen kunnen worden gemeld bij de Inlichtingen- en opsporingsdienst (IOD) van de NVWA. Anoniem melden van fraude is ook mogelijk via het Team Criminele Inlichtingen (TCI). De overheid is in het kader van haar beginselplicht tot handhaving gehouden om klachten of meldingen te onderzoeken en de melders op de hoogte te stellen van de afhandeling van hun klacht of melding. Dit betekent niet dat ook altijd opvolging wordt gegeven aan een melding van een illegale demping. Dit hangt namelijk af van het type sloot en de relevantie voor het watersysteem (zie het antwoord op vraag 4).
Intimidatie en dreigementen keur ik in alle gevallen ten zeerste af en ik raad omwonenden en lokale toezichthouders die hiermee te maken krijgen aan om hiervan melding of aangifte te doen bij de politie. Waterschappen en gemeenten hebben vaak ook protocollen over hoe wordt omgegaan met agressie tegen en bedreigingen van medewerkers.
Hoe gaat u, in samenwerking met uw collega-minister van Justitie en Veiligheid, de positie en de fysieke veiligheid van deze kritische burgers en lokale toezichthouders beschermen, nu uit het artikel blijkt dat zij zich soms ernstig bedreigd voelen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het risico dat door het dempen van sloten en het ophogen van landbouwpercelen de lokale waterhuishouding ontregeld raakt, waardoor de waterdruk op omliggende funderingen van woningen gevaarlijk toeneemt?
Het dempen van sloten kan effect hebben op de waterhuishouding en daarmee ook op de omgeving. Het risico dat dit met zich meebrengt is locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen.
Bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen naar de directe relatie tussen illegale slootdemping, perceelophoging en de toename van funderingsschade bij burgers in het buitengebied?
De relatie tussen slootdemping, perceelophoging en de staat van woningen is zeer locatiespecifiek. Er is een gedegen water- en bodemsysteemanalyse nodig van de specifieke situatie om inzichtelijk te kunnen maken welke gevolgen er zijn voor de omgeving, waaronder ook voor de woningen. Het is noodzakelijk dat een dergelijke analyse lokaal wordt uitgevoerd. Het instellen van een landelijk onderzoek acht ik daarmee niet zinvol.
Erkent u dat illegale slootdemping de nationale woningbouwopgave bemoeilijkt, omdat de benodigde waterberging verdwijnt en de kans op wateroverlast op andere (bouw)locaties in de regio toeneemt?
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, dient er, ongeacht eerder gedempte sloten, binnen de betreffende ontwikkeling voldoende waterberging en -afvoer gerealiseerd te worden naar de normen voor de betreffende ontwikkeling.3
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de biodiversiteit in en rond deze sloten beter beschermd wordt, zodat planten en dieren niet langer «levend begraven» worden bij illegale werkzaamheden?
Gezien de rol van al deze regionale overheden ga ik vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid hierover in gesprek met hen. Het betreft diverse wateropgaven, waaronder waterkwaliteit, waterkwantiteit, maar ook biodiversiteit, governance, regelgeving, en vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarom heb ik dit, in aanwezigheid van het Ministerie van LVVN, op 9 april jl. besproken in het brede Bestuurlijk Overleg Water. Ik zal de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in aanloop naar het commissiedebat Water van 25 juni a.s.
Op welke wijze gaat u het belang van sloten voor de hydrologie van de bodem en natuur meenemen in de zonering rond Natura 2000-gebieden?
In het kader van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt gewerkt aan een zoneringsaanpak rondom gevoelige Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante drukfactoren op het betreffende gebied en de KRW-doelen, waaronder hydrologisch herstel. In een samenhangende aanpak, met oog voor de bredere bijdrage van groene en blauwe dooradering in het landelijk gebied voor natuur en hydrologie, wordt vervolgens bezien wat nodig is om de weg naar systeemherstel in te zetten.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om te zorgen dat de handhaving zal toenemen en daarmee de goeden niet lijden onder de kwaden?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u toezeggen om voor het commissiedebat Water op 25 juni een terugkoppeling te geven van de gesprekken, uw maatregelen en de ontwikkelingen omtrent het illegaal dempen van sloten?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bekend met de toegenomen risico’s op calamiteiten op de Waddenzee en de huidige dekking van de incidentenbestrijdingsplan Waddenzee, als gevolg van steeds intensiever gebruik?1
Ik ben bekend met het intensieve gebruik van de Waddenzee en dat dit risico's met zich meebrengt voor het ontstaan van calamiteiten.
Calamiteiten worden zo goed mogelijk bestreden door te werken met incidentbestrijdingsplannen (IBP’s) die regelmatig geoefend worden door de hierbij betrokken partijen.
In IBP’s wordt beschreven hoe de ketenpartners samenwerken en wie bij welk type incident verantwoordelijk is. Veiligheidsregio Fryslân beheert het IBP Waddenzee en Eems-Dollard namens de samenwerkende veiligheidsregio’s Noord-Holland Noord, Groningen en Fryslân. Rijkswaterstaat is een van de deelnemende partijen en heeft daarvoor twee contracten afgesloten met marktpartijen:
Heeft u met betrokken partijen, zoals uitvoerende aannemers en beheerders, gesproken over het feit dat de platen ’t Rif, de Noorderhaaks en de Rottums (Rottumeroog en Rottumerplaat) niet in het incidentenbestrijdingplan Waddenzee zijn opgenomen en dat Terschelling en Vlieland niet onder de Noordzeestrandencontracten vallen?
Er is regulier contact met betrokken aannemers en beheerders over het incidentmanagement in het gebied. De gehele Waddenzee valt onder het IBP Waddenzee en Eems-Dollard. Ook de platen ’t Rif, de Noorderhaaks en de Rottums (Rottumeroog en Rottumerplaat) vallen hier voor het grootste deel onder. Een klein gedeelte valt onder het IBP Noordzee.
Het IBP Waddenzee en Eems-Dollard valt onder de verantwoordelijkheid van de Veiligheidsregio Fryslân, het IBP Noordzee onder die van Rijkswaterstaat. Beide organisaties nemen actief deel aan de Coördinatieregeling Waddenzee (CRW). Dit is een netwerk van diverse organisaties, zoals veiligheidsregio's, gemeenten, Kustwacht en Rijkswaterstaat, dat gezamenlijk verantwoordelijk is voor de incident- en rampenbestrijding op de Waddenzee. Deze regeling zorgt ervoor dat alle betrokken partijen direct kunnen handelen wanneer zich een incident voordoet op de Waddenzee.
Terschelling en Vlieland vallen voor de noordzijde onder de Noordzeestrandencontracten en voor de zuidzijde onder de Waddenzeecontracten.
Waarom zijn de voornoemde Waddenplaten en -eilanden niet gedekt door deze contracten?
Voor de bewoonde gebieden zijn er vooraf contracten afgesloten met aannemers voor incidentbestrijding (Noordzeestrandcontracten en Waddenzeecontracten). Terschelling en Vlieland vallen voor de noordzijde onder de Noordzeestrandcontracten en voor de zuidzijde onder de Waddenzeecontracten.
Voor de onbewoonde gebieden – ’t Rif, de Noorderhaaks, Rottumeroog en Rottumerplaat – geldt dat op voorhand contracteren te hoge kosten met zich meebrengt. Hier wordt bij incidenten maatwerk toegepast en per incident de meest geschikte maatregel genomen en/of partij gecontracteerd. In alle gevallen vindt er dus incidentbestrijding plaats, maar in het ene geval gebeurt dit op basis van contractering vooraf en in het andere geval op basis van een individuele opdracht per incident.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te voorkomen dat bij een calamiteit op onbewoonde platen of niet-gecontracteerde eilanden vertraging ontstaat in de inzet van materieel en personeel?
Er zijn momenteel voldoende middelen om een calamiteit effectief te bestrijden en daarom ben ik niet voornemens extra maatregelen te nemen. Bij een calamiteit die zijn oorsprong op de Waddenzee of Noordzee heeft, treedt een incidentbestrijdingsteam op. Zo’n team heeft de beschikking over vooraf gecontracteerde aannemers om bijvoorbeeld olie op zee op te ruimen, stranden op te ruimen en vogels te verzorgen. Daarnaast heeft de voorzitter van het incidentbestrijdingsteam ruime bevoegdheid om op dat moment maatregelen te nemen (zoals het contracteren van andere partijen) als de situatie daar om vraagt. Hierbij is alles erop ingericht om de gevolgen van een calamiteit zo snel mogelijk en zo veel mogelijk te beperken.
Zou u in kaart willen brengen welke risico’s dit met zich meebrengt voor natuur en veiligheid in de Rottumerplaat, Rottumeroog, Terschelling, Vlieland, ’t Rif en de Noorderhaaks?
De in de vorige antwoorden beschreven werkwijze geeft geen aanleiding om risico's in kaart te brengen voor genoemde gebieden.
Welke normen en responstijden gelden bij mogelijke calamiteiten in het Waddengebied?
Voor het Waddengebied wordt een algemene responstijd van 1 uur nagestreefd voor verkenning en verificatie van een gemeld incident. Bij drijvende verontreinigingen wordt nagestreefd om a) uiterlijk 2 uur na een melding tot maatregelen over te gaan die verdere verspreiding moeten voorkomen en b) uiterlijk 6 uur na een melding te beginnen met het opruimen van de verontreiniging.
Deze streefwaarden zijn opgenomen in het Uitvoeringskader Bestrijding Olieverontreiniging Rijkswateren (UBOR) dat beschikbaar is via www.noordzeeloket.nl.
Kunt u in kaart brengen in hoeverre de huidige organisatie en contractstructuur voldoen aan deze normen voor een effectieve en tijdige inzet bij incidenten op de Waddenzee? Indien blijkt dat hier tekortkomingen in bestaan: op welke wijze en binnen welk tijdpad bent u voornemens dit te verbeteren?
De wijze waarop het incidentmanagement op de Waddenzee is georganiseerd, inclusief de daarvoor afgesloten contracten, voorziet in een effectieve en tijdige inzet bij incidenten. Dit is ook bevestigd door een audit die de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) in 2023 heeft uitgevoerd.
Bent u bereid hierin actief op te trekken met relevante partners zoals regionale overheden, hulpdiensten en andere betrokken organisaties, om te waarborgen dat bij calamiteiten in het Waddengebied snel en effectief kan worden opgetreden?
Bij het opstellen van en oefenen met de IBP’s en tijdens calamiteiten zelf werken we zoveel mogelijk samen met relevante partners zoals regionale overheden, veiligheidsregio's, hulpdiensten en andere betrokken organisaties, zoals staat beschreven in de IBP's. Daarnaast neemt Rijkswaterstaat actief deel aan de Coördinatieregeling Waddenzee (CRW) die ervoor zorgt dat alle betrokken partijen direct kunnen handelen wanneer zich een incident voordoet op de Waddenzee. Zie ook antwoord 2.
Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Laura Bromet (GL), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme, technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd. Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt. Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische, en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames. Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming, op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd». In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot «verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan en zo in eerste instantie veilig zijn.
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen. Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei 2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen. Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig (zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken (zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken. Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie» en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld «de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie» opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. [..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan, is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie. Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren. Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied) is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van 2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt, hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen, landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht, voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden, waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000 mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders; de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden, spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau. Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s en schade bij hoogwater.
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar, los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens het basisbeschermingsniveau.
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast, dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen hierbij een belangrijke rol.
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat. Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen. In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
Zorgen over PFAS-lozingen. |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Dion Huidekooper (D66), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf, maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje van de maatschappij»»?2
Ja.
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
We weten de laatste jaren steeds meer over de schadelijkheid van PFAS. Ook weten we dat PFAS wijdverspreid is. Daarom werkt het kabinet op meerdere manieren aan de vermindering van PFAS. PFAS behoren tot de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Daarbij is het uitgangspunt dat emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en, waar dit niet mogelijk is, tot een minimum worden beperkt. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de zogenoemde minimalisatieverplichting binnen het bestaande vergunningen- en toezichtkader.
In algemene zin kan niet worden gesteld dat iedere PFAS-emissie per definitie leidt tot onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. Dit is afhankelijk van factoren zoals de schadelijkheid van een stof, de omvang van de emissie, de ontvangende omgeving en de cumulatie met andere lozingen of bovenstroomse aanvoer. Daarom zal het bevoegd gezag elke vergunningaanvraag individueel beoordelen.
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen van 5 kg PFAS per jaar?
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is bevoegd gezag voor de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS. Bij deze beoordeling wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving voor zeer zorgwekkende stoffen, waaronder de verplichting tot minimalisatie van emissies en de toepassing van de beste beschikbare technieken. Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen lozing binnen de wettelijke kaders kan plaatsvinden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de immissietoets. Op basis van deze toetsing is door de provincie Limburg in het ontwerpbesluit geoordeeld dat binnen de huidige wettelijke kaders een vergunning niet kan worden geweigerd.
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS in het bloed heeft?
De provincie Limburg beoordeelt als bevoegd gezag het risico van een lozing voor de functies van het oppervlaktewater (zoals drinkwater) via de immissietoets. Daarbij wordt getoetst of de verwachte PFAS-concentraties in het oppervlaktewater, binnen de geldende gezondheids- en milieugrenswaarden blijven en of rekening is gehouden met cumulatieve achtergrondbelasting. Deze toets geldt ook voor de drinkwaterinnamepunten, zoals deze bijvoorbeeld aanwezig zijn in het stroomgebied van de Maas.
Indien op basis van deze toetsing door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat aan alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Dit past binnen het ZZS-beleid waarin minimalisatie centraal staat, maar waarbij vergunningverlening mogelijk blijft indien aan alle wettelijke eisen wordt voldaan. Ik ga ervan uit dat het bevoegd gezag de beoordeling van de aanvraag op de juiste manier uitvoert en dat daarbij de signalen van de ILT worden meegenomen.
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap en de waterbedrijven?
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt de invloed op oppervlaktewater en grondwater betrokken via een uitgebreide immissietoets, conform het geldende wettelijke kader en het Handboek Immissietoets.
In deze toets wordt beoordeeld of de verwachte concentraties van stoffen in het ontvangende watersysteem, inclusief de Zuid-Willemsvaart en de doorwerking richting de Maas, verenigbaar is met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Daarbij wordt rekening gehouden met hydrologische omstandigheden, mengzones, cumulatieve achtergrondbelasting en de mogelijke effecten op huidige en potentiële drinkwaterinnamepunten.
De immissietoets is in mei 2024 beoordeeld door Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg. Uit de toets volgt dat er geen sprake is van blijvende achteruitgang van de chemische of ecologische toestand van het oppervlaktewater en dat ook grondwater- en drinkwaterbelangen afdoende zijn beschermd.
Daarnaast zullen de adviezen het waterschap en drinkwaterbedrijf worden betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. In reactie op het ontwerpbesluit hebben verschillende partijen een zienswijze ingediend. De Provincie Limburg heeft gesprekken gevoerd met een groot deel van deze partijen. Het laatste gesprek heeft in de tweede helft van december 2025 plaatsgevonden. Begin januari 2026 is CFS in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de ingediende zienswijzen en de toelichting daarop.
Mede aan de hand van deze informatie zal de Provincie Limburg beoordelen of aan CFS definitief een vergunning kan worden verleend voor het innemen en bewerken van PFAS-houdende afvalstromen en, zo ja, onder welke voorwaarden.
Tot slot heeft het bevoegd gezag aangegeven dat voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit de immissietoets voor deze afweging nogmaals uitvoerig zal worden beoordeeld.
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Het principe dat de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de motie van de leden Kostić en Soepboer.3
Voor waterzuivering is dit verankerd in de zuiveringsheffingen die waterschappen opleggen bij indirecte lozingen (op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, RWZI), en de verontreinigingsheffing die opgelegd wordt bij directe lozingen op het oppervlaktewater. Voor zowel de verontreinigingsheffing als de zuiveringsheffing is het beginsel «de vervuiler betaalt» leidend. De vervuiler betaalt naar rato van de vervuilingswaarde van het afvalwater dat wordt geloosd of afgevoerd. Op het moment dat een waterzuiveraar extra kosten moet maken voor zuivering van het afvalwater van een bedrijf, dan kan een waterzuiveraar de extra kosten in rekening brengen bij dat bedrijf. Los daarvan draaien bedrijven zelf op voor de kosten die ze moeten maken om hun lozingen zoveel als mogelijk te minimaliseren, hetgeen vereist is om voor de (rest)lozingen vergunning te kunnen verkrijgen.
Indien er sprake is van een illegale lozing, en daaruit ontstaat schade, dan kan degene bij wie de schade veroorzaakt wordt, de schade verhalen bij degene die dat veroorzaakt of kan deze eisen dat de schade wordt opgeruimd door de veroorzaker. Gebruikmaking van de daartoe bestaande civielrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er kan nu geen inschatting gemaakt worden of en zo ja welke extra maatschappelijke kosten aan de orde zijn in de situaties zoals geschetst in de vraag.
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Het streven is om ZZS zoals PFAS uit de leefomgeving te weren. De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen regels aan emissies van ZZS die kunnen vrijkomen bij bedrijfsmatige activiteiten. Bedrijven moeten emissies van PFAS zoveel mogelijk voorkomen. Als dat niet mogelijk is, moeten zij deze emissies tot een minimum beperken. Deze verplichting geldt ook voor bedrijven aan het einde van de keten. Het is aan het bevoegd gezag om deze regels toe te passen in een specifieke situatie in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Bedrijven kunnen informatie over de algemene regels vinden via het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en hun omgevingsdienst.
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking te voorkomen?
Vergunningverlening vindt plaats op basis van de geldende wet- en regelgeving en een individuele beoordeling van de specifieke situatie. Een verleende vergunning schept daarmee geen precedent voor toekomstige vergunningaanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk getoetst aan de op dat moment geldende feitelijke situatie, zoals de toestand van het ontvangende waterlichaam, de stoffen of de hoeveelheden.
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid, zwaarder te laten wegen?
De Omgevingswet biedt op zichzelf geen fundamenteel nieuw of ruimer beoordelingskader voor vergunningverlening ten opzichte van het eerdere stelsel, maar brengt de bestaande mogelijkheden voor het integraal afwegen van belangen samen en verduidelijkt deze.
Binnen de geldende wet- en regelgeving kan het bevoegd gezag maatschappelijke belangen, zoals de bescherming van de waterkwaliteit en de gezondheid van mensen, betrekken bij vergunningverlening, waaronder de toepassing van het voorzorgsbeginsel. In de voortgangsbrief Industrie en Omwonenden van april 2025 zijn verschillende concrete sporen benoemd om de bevoegd gezagen hierin te ondersteunen4.
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling van de vergunningaanvraag vindt plaats binnen de strikte grenzen van het geldende wettelijke kader. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, wordt daarbij via de wettelijke toetsingscriteria ook beoordeeld of de bescherming van functies zoals drinkwater voldoende is geborgd. Als uit die toetsing volgt dat aan alle eisen wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Het is aan de rechter om in het kader van een tegen de vergunning ingesteld beroep te beoordelen of deze toetsing op juridisch juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft als onafhankelijk toezichthouder haar bevindingen en aandachtspunten naar voren gebracht. Deze signalen komen voort uit de terechte zorg dat er teveel PFAS in de leefomgeving aanwezig is. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat emissies van PFAS zoveel als mogelijk moeten worden voorkomen en waar dat niet kan tot een minimum moeten worden beperkt.
Het is echter niet aan het ministerie om een inhoudelijk oordeel te vellen over de beoordeling van een individuele vergunning of om te bepalen welk advies doorslaggevend is. De provincie Limburg is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de vergunningverlening en dient daarbij te handelen binnen het geldende wettelijke kader. Op dit moment verloopt dit proces zorgvuldig en binnen dat kader. De provincie betrekt de signalen van de ILT, net als die van andere betrokken partijen, bij de verdere beoordeling en weegt deze mee bij het definitieve besluit.
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu3? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
In de evaluatie van het ZZS-beleid die in 2021–2022 heeft plaatsgevonden, is een aantal problemen in de uitwerking van dit beleid naar voren gekomen6. Mede in reactie hierop is het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023–2026 opgezet7. In dit programma wordt samen met andere overheden en het bedrijfsleven gewerkt aan verduidelijking van bepalingen en verbetering van de uitvoering op verschillende onderwerpen. Concreet werkt men aan de Uitvoeringstafels, waar bevoegde gezagen, Omgevingsdiensten, brancheverenigingen en ILT gezamenlijk aan tafel zitten, en werken aan concrete oplossingen voor knelpunten in de praktijk. Hierbij is dus niet alleen het Ministerie van IenW aan zet, maar ook de andere betrokken partijen zetten zich in voor hun deel van de oplossing. Er zijn onder andere Uitvoeringstafels voor de onderwerpen: «PFAS als ZZS» en de «Vermijdings- en ReductieProgramma’s (VRP’s)», De resultaten worden in 2026 opgeleverd. Sinds de start van dit programma is de Kamer geregeld geïnformeerd over de voortgang van dit programma, meest recent in de brief van 22 september jl.8
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water, milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a. milieu en water om in te grijpen?
De uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving is in dit geval belegd bij de provincie als bevoegd gezag. Dit is conform het uitgangspunt «decentraal, tenzij» dat ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Het is dus niet juist dat de Rijksoverheid als «hogere overheid» eindverantwoordelijk is. Alleen als het met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer noodzakelijk is, kan de Minister van IenW, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, van de Omgevingswet, in het uiterste geval gebruik maken van de instructiebevoegdheid over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer op grond van artikel 2.34 van de Omgevingswet. Dat is echter geen instrument dat lichtvaardig wordt ingezet.
Bij taakverwaarlozing bestaat er op grond van artikel 261 van de Provinciewet ook de mogelijkheid om via interbestuurlijk toezicht in te grijpen door het vernietigen of schorsen van een provinciaal besluit. Dit instrument van interbestuurlijk toezicht is uitdrukkelijk als ultimum remedium bedoeld en kan dus eveneens niet lichtvaardig worden ingezet. Vooralsnog is er geen enkele aanleiding om van deze theoretische wettelijke mogelijkheden gebruik te maken. De reguliere weg om te beoordelen of de vergunning is verleend in overeenstemming met de daaraan gestelde wettelijke vereisten is de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de bestuursrechter.
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal lozingsverbod?
De verantwoordelijkheden in keten zijn al duidelijk belegd, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7. De verschillende bevoegd gezagen dienen de bestaande wettelijke kaders toe te passen in de vergunningverlening. Het is met vergunningverlening juridisch niet mogelijk om vooruit te lopen op wetgeving die er nu nog niet is.
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit precies verwachten?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vorige vragen moet een bevoegd gezag bij een individuele vergunningaanvraag werken binnen de huidige wettelijke kaders. Deze zijn, zoals alle wetgeving, gebaseerd op algemene principes zoals rechtszekerheid en proportionaliteit. De uitkomst in specifieke gevallen geeft niet altijd voor alle partijen een bevredigend resultaat. Daarom is er de mogelijkheid tot bezwaar bij bevoegd gezag en beroep bij de rechter.
De vraag die deze vergunningsaanvraag – en vergelijkbare andere aanvragen – oproept is natuurlijk of het niet mogelijk is de lozing van stoffen zoals PFAS verder te beperken of wellicht te verbieden. Dit vraagt om aanpassing van de regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van juni 20259 is dit niet eenvoudig omdat PFAS alomtegenwoordig in het leefmilieu aanwezig zijn. Een verbod of drastische aanscherping van de normen leidt dan snel tot praktische problemen met mogelijk grote maatschappelijke consequenties. Dit vraagt om zorgvuldig handelen. Zoals toegezegd worden de mogelijkheden van een gedeeltelijk lozingsverbod nader verkend. Hierover wordt u dit voorjaar nader geïnformeerd.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Beantwoording voor het Kerstreces is helaas niet haalbaar gebleken.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.