Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Laura Bromet (GL), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme, technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd. Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt. Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische, en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames. Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming, op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd». In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot «verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan en zo in eerste instantie veilig zijn.
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen. Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei 2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen. Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig (zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken (zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken. Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie» en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld «de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie» opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. [..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan, is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie. Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren. Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied) is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van 2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt, hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen, landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht, voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden, waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000 mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders; de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden, spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau. Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s en schade bij hoogwater.
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar, los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens het basisbeschermingsniveau.
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast, dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen hierbij een belangrijke rol.
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat. Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen. In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
Bent u bekend met de toegenomen risico’s op calamiteiten op de Waddenzee en de huidige dekking van de incidentenbestrijdingsplan Waddenzee, als gevolg van steeds intensiever gebruik?1
Ik ben bekend met het intensieve gebruik van de Waddenzee en dat dit risico's met zich meebrengt voor het ontstaan van calamiteiten.
Calamiteiten worden zo goed mogelijk bestreden door te werken met incidentbestrijdingsplannen (IBP’s) die regelmatig geoefend worden door de hierbij betrokken partijen.
In IBP’s wordt beschreven hoe de ketenpartners samenwerken en wie bij welk type incident verantwoordelijk is. Veiligheidsregio Fryslân beheert het IBP Waddenzee en Eems-Dollard namens de samenwerkende veiligheidsregio’s Noord-Holland Noord, Groningen en Fryslân. Rijkswaterstaat is een van de deelnemende partijen en heeft daarvoor twee contracten afgesloten met marktpartijen:
Heeft u met betrokken partijen, zoals uitvoerende aannemers en beheerders, gesproken over het feit dat de platen ’t Rif, de Noorderhaaks en de Rottums (Rottumeroog en Rottumerplaat) niet in het incidentenbestrijdingplan Waddenzee zijn opgenomen en dat Terschelling en Vlieland niet onder de Noordzeestrandencontracten vallen?
Er is regulier contact met betrokken aannemers en beheerders over het incidentmanagement in het gebied. De gehele Waddenzee valt onder het IBP Waddenzee en Eems-Dollard. Ook de platen ’t Rif, de Noorderhaaks en de Rottums (Rottumeroog en Rottumerplaat) vallen hier voor het grootste deel onder. Een klein gedeelte valt onder het IBP Noordzee.
Het IBP Waddenzee en Eems-Dollard valt onder de verantwoordelijkheid van de Veiligheidsregio Fryslân, het IBP Noordzee onder die van Rijkswaterstaat. Beide organisaties nemen actief deel aan de Coördinatieregeling Waddenzee (CRW). Dit is een netwerk van diverse organisaties, zoals veiligheidsregio's, gemeenten, Kustwacht en Rijkswaterstaat, dat gezamenlijk verantwoordelijk is voor de incident- en rampenbestrijding op de Waddenzee. Deze regeling zorgt ervoor dat alle betrokken partijen direct kunnen handelen wanneer zich een incident voordoet op de Waddenzee.
Terschelling en Vlieland vallen voor de noordzijde onder de Noordzeestrandencontracten en voor de zuidzijde onder de Waddenzeecontracten.
Waarom zijn de voornoemde Waddenplaten en -eilanden niet gedekt door deze contracten?
Voor de bewoonde gebieden zijn er vooraf contracten afgesloten met aannemers voor incidentbestrijding (Noordzeestrandcontracten en Waddenzeecontracten). Terschelling en Vlieland vallen voor de noordzijde onder de Noordzeestrandcontracten en voor de zuidzijde onder de Waddenzeecontracten.
Voor de onbewoonde gebieden – ’t Rif, de Noorderhaaks, Rottumeroog en Rottumerplaat – geldt dat op voorhand contracteren te hoge kosten met zich meebrengt. Hier wordt bij incidenten maatwerk toegepast en per incident de meest geschikte maatregel genomen en/of partij gecontracteerd. In alle gevallen vindt er dus incidentbestrijding plaats, maar in het ene geval gebeurt dit op basis van contractering vooraf en in het andere geval op basis van een individuele opdracht per incident.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te voorkomen dat bij een calamiteit op onbewoonde platen of niet-gecontracteerde eilanden vertraging ontstaat in de inzet van materieel en personeel?
Er zijn momenteel voldoende middelen om een calamiteit effectief te bestrijden en daarom ben ik niet voornemens extra maatregelen te nemen. Bij een calamiteit die zijn oorsprong op de Waddenzee of Noordzee heeft, treedt een incidentbestrijdingsteam op. Zo’n team heeft de beschikking over vooraf gecontracteerde aannemers om bijvoorbeeld olie op zee op te ruimen, stranden op te ruimen en vogels te verzorgen. Daarnaast heeft de voorzitter van het incidentbestrijdingsteam ruime bevoegdheid om op dat moment maatregelen te nemen (zoals het contracteren van andere partijen) als de situatie daar om vraagt. Hierbij is alles erop ingericht om de gevolgen van een calamiteit zo snel mogelijk en zo veel mogelijk te beperken.
Zou u in kaart willen brengen welke risico’s dit met zich meebrengt voor natuur en veiligheid in de Rottumerplaat, Rottumeroog, Terschelling, Vlieland, ’t Rif en de Noorderhaaks?
De in de vorige antwoorden beschreven werkwijze geeft geen aanleiding om risico's in kaart te brengen voor genoemde gebieden.
Welke normen en responstijden gelden bij mogelijke calamiteiten in het Waddengebied?
Voor het Waddengebied wordt een algemene responstijd van 1 uur nagestreefd voor verkenning en verificatie van een gemeld incident. Bij drijvende verontreinigingen wordt nagestreefd om a) uiterlijk 2 uur na een melding tot maatregelen over te gaan die verdere verspreiding moeten voorkomen en b) uiterlijk 6 uur na een melding te beginnen met het opruimen van de verontreiniging.
Deze streefwaarden zijn opgenomen in het Uitvoeringskader Bestrijding Olieverontreiniging Rijkswateren (UBOR) dat beschikbaar is via www.noordzeeloket.nl.
Kunt u in kaart brengen in hoeverre de huidige organisatie en contractstructuur voldoen aan deze normen voor een effectieve en tijdige inzet bij incidenten op de Waddenzee? Indien blijkt dat hier tekortkomingen in bestaan: op welke wijze en binnen welk tijdpad bent u voornemens dit te verbeteren?
De wijze waarop het incidentmanagement op de Waddenzee is georganiseerd, inclusief de daarvoor afgesloten contracten, voorziet in een effectieve en tijdige inzet bij incidenten. Dit is ook bevestigd door een audit die de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) in 2023 heeft uitgevoerd.
Bent u bereid hierin actief op te trekken met relevante partners zoals regionale overheden, hulpdiensten en andere betrokken organisaties, om te waarborgen dat bij calamiteiten in het Waddengebied snel en effectief kan worden opgetreden?
Bij het opstellen van en oefenen met de IBP’s en tijdens calamiteiten zelf werken we zoveel mogelijk samen met relevante partners zoals regionale overheden, veiligheidsregio's, hulpdiensten en andere betrokken organisaties, zoals staat beschreven in de IBP's. Daarnaast neemt Rijkswaterstaat actief deel aan de Coördinatieregeling Waddenzee (CRW) die ervoor zorgt dat alle betrokken partijen direct kunnen handelen wanneer zich een incident voordoet op de Waddenzee. Zie ook antwoord 2.
Zorgen over PFAS-lozingen. |
|
Dion Huidekooper (D66), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf, maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje van de maatschappij»»?2
Ja.
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
We weten de laatste jaren steeds meer over de schadelijkheid van PFAS. Ook weten we dat PFAS wijdverspreid is. Daarom werkt het kabinet op meerdere manieren aan de vermindering van PFAS. PFAS behoren tot de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Daarbij is het uitgangspunt dat emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en, waar dit niet mogelijk is, tot een minimum worden beperkt. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de zogenoemde minimalisatieverplichting binnen het bestaande vergunningen- en toezichtkader.
In algemene zin kan niet worden gesteld dat iedere PFAS-emissie per definitie leidt tot onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. Dit is afhankelijk van factoren zoals de schadelijkheid van een stof, de omvang van de emissie, de ontvangende omgeving en de cumulatie met andere lozingen of bovenstroomse aanvoer. Daarom zal het bevoegd gezag elke vergunningaanvraag individueel beoordelen.
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen van 5 kg PFAS per jaar?
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is bevoegd gezag voor de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS. Bij deze beoordeling wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving voor zeer zorgwekkende stoffen, waaronder de verplichting tot minimalisatie van emissies en de toepassing van de beste beschikbare technieken. Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen lozing binnen de wettelijke kaders kan plaatsvinden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de immissietoets. Op basis van deze toetsing is door de provincie Limburg in het ontwerpbesluit geoordeeld dat binnen de huidige wettelijke kaders een vergunning niet kan worden geweigerd.
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS in het bloed heeft?
De provincie Limburg beoordeelt als bevoegd gezag het risico van een lozing voor de functies van het oppervlaktewater (zoals drinkwater) via de immissietoets. Daarbij wordt getoetst of de verwachte PFAS-concentraties in het oppervlaktewater, binnen de geldende gezondheids- en milieugrenswaarden blijven en of rekening is gehouden met cumulatieve achtergrondbelasting. Deze toets geldt ook voor de drinkwaterinnamepunten, zoals deze bijvoorbeeld aanwezig zijn in het stroomgebied van de Maas.
Indien op basis van deze toetsing door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat aan alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Dit past binnen het ZZS-beleid waarin minimalisatie centraal staat, maar waarbij vergunningverlening mogelijk blijft indien aan alle wettelijke eisen wordt voldaan. Ik ga ervan uit dat het bevoegd gezag de beoordeling van de aanvraag op de juiste manier uitvoert en dat daarbij de signalen van de ILT worden meegenomen.
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap en de waterbedrijven?
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt de invloed op oppervlaktewater en grondwater betrokken via een uitgebreide immissietoets, conform het geldende wettelijke kader en het Handboek Immissietoets.
In deze toets wordt beoordeeld of de verwachte concentraties van stoffen in het ontvangende watersysteem, inclusief de Zuid-Willemsvaart en de doorwerking richting de Maas, verenigbaar is met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Daarbij wordt rekening gehouden met hydrologische omstandigheden, mengzones, cumulatieve achtergrondbelasting en de mogelijke effecten op huidige en potentiële drinkwaterinnamepunten.
De immissietoets is in mei 2024 beoordeeld door Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg. Uit de toets volgt dat er geen sprake is van blijvende achteruitgang van de chemische of ecologische toestand van het oppervlaktewater en dat ook grondwater- en drinkwaterbelangen afdoende zijn beschermd.
Daarnaast zullen de adviezen het waterschap en drinkwaterbedrijf worden betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. In reactie op het ontwerpbesluit hebben verschillende partijen een zienswijze ingediend. De Provincie Limburg heeft gesprekken gevoerd met een groot deel van deze partijen. Het laatste gesprek heeft in de tweede helft van december 2025 plaatsgevonden. Begin januari 2026 is CFS in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de ingediende zienswijzen en de toelichting daarop.
Mede aan de hand van deze informatie zal de Provincie Limburg beoordelen of aan CFS definitief een vergunning kan worden verleend voor het innemen en bewerken van PFAS-houdende afvalstromen en, zo ja, onder welke voorwaarden.
Tot slot heeft het bevoegd gezag aangegeven dat voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit de immissietoets voor deze afweging nogmaals uitvoerig zal worden beoordeeld.
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Het principe dat de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de motie van de leden Kostić en Soepboer.3
Voor waterzuivering is dit verankerd in de zuiveringsheffingen die waterschappen opleggen bij indirecte lozingen (op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, RWZI), en de verontreinigingsheffing die opgelegd wordt bij directe lozingen op het oppervlaktewater. Voor zowel de verontreinigingsheffing als de zuiveringsheffing is het beginsel «de vervuiler betaalt» leidend. De vervuiler betaalt naar rato van de vervuilingswaarde van het afvalwater dat wordt geloosd of afgevoerd. Op het moment dat een waterzuiveraar extra kosten moet maken voor zuivering van het afvalwater van een bedrijf, dan kan een waterzuiveraar de extra kosten in rekening brengen bij dat bedrijf. Los daarvan draaien bedrijven zelf op voor de kosten die ze moeten maken om hun lozingen zoveel als mogelijk te minimaliseren, hetgeen vereist is om voor de (rest)lozingen vergunning te kunnen verkrijgen.
Indien er sprake is van een illegale lozing, en daaruit ontstaat schade, dan kan degene bij wie de schade veroorzaakt wordt, de schade verhalen bij degene die dat veroorzaakt of kan deze eisen dat de schade wordt opgeruimd door de veroorzaker. Gebruikmaking van de daartoe bestaande civielrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er kan nu geen inschatting gemaakt worden of en zo ja welke extra maatschappelijke kosten aan de orde zijn in de situaties zoals geschetst in de vraag.
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Het streven is om ZZS zoals PFAS uit de leefomgeving te weren. De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen regels aan emissies van ZZS die kunnen vrijkomen bij bedrijfsmatige activiteiten. Bedrijven moeten emissies van PFAS zoveel mogelijk voorkomen. Als dat niet mogelijk is, moeten zij deze emissies tot een minimum beperken. Deze verplichting geldt ook voor bedrijven aan het einde van de keten. Het is aan het bevoegd gezag om deze regels toe te passen in een specifieke situatie in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Bedrijven kunnen informatie over de algemene regels vinden via het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en hun omgevingsdienst.
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking te voorkomen?
Vergunningverlening vindt plaats op basis van de geldende wet- en regelgeving en een individuele beoordeling van de specifieke situatie. Een verleende vergunning schept daarmee geen precedent voor toekomstige vergunningaanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk getoetst aan de op dat moment geldende feitelijke situatie, zoals de toestand van het ontvangende waterlichaam, de stoffen of de hoeveelheden.
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid, zwaarder te laten wegen?
De Omgevingswet biedt op zichzelf geen fundamenteel nieuw of ruimer beoordelingskader voor vergunningverlening ten opzichte van het eerdere stelsel, maar brengt de bestaande mogelijkheden voor het integraal afwegen van belangen samen en verduidelijkt deze.
Binnen de geldende wet- en regelgeving kan het bevoegd gezag maatschappelijke belangen, zoals de bescherming van de waterkwaliteit en de gezondheid van mensen, betrekken bij vergunningverlening, waaronder de toepassing van het voorzorgsbeginsel. In de voortgangsbrief Industrie en Omwonenden van april 2025 zijn verschillende concrete sporen benoemd om de bevoegd gezagen hierin te ondersteunen4.
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling van de vergunningaanvraag vindt plaats binnen de strikte grenzen van het geldende wettelijke kader. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, wordt daarbij via de wettelijke toetsingscriteria ook beoordeeld of de bescherming van functies zoals drinkwater voldoende is geborgd. Als uit die toetsing volgt dat aan alle eisen wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Het is aan de rechter om in het kader van een tegen de vergunning ingesteld beroep te beoordelen of deze toetsing op juridisch juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft als onafhankelijk toezichthouder haar bevindingen en aandachtspunten naar voren gebracht. Deze signalen komen voort uit de terechte zorg dat er teveel PFAS in de leefomgeving aanwezig is. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat emissies van PFAS zoveel als mogelijk moeten worden voorkomen en waar dat niet kan tot een minimum moeten worden beperkt.
Het is echter niet aan het ministerie om een inhoudelijk oordeel te vellen over de beoordeling van een individuele vergunning of om te bepalen welk advies doorslaggevend is. De provincie Limburg is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de vergunningverlening en dient daarbij te handelen binnen het geldende wettelijke kader. Op dit moment verloopt dit proces zorgvuldig en binnen dat kader. De provincie betrekt de signalen van de ILT, net als die van andere betrokken partijen, bij de verdere beoordeling en weegt deze mee bij het definitieve besluit.
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu3? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
In de evaluatie van het ZZS-beleid die in 2021–2022 heeft plaatsgevonden, is een aantal problemen in de uitwerking van dit beleid naar voren gekomen6. Mede in reactie hierop is het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023–2026 opgezet7. In dit programma wordt samen met andere overheden en het bedrijfsleven gewerkt aan verduidelijking van bepalingen en verbetering van de uitvoering op verschillende onderwerpen. Concreet werkt men aan de Uitvoeringstafels, waar bevoegde gezagen, Omgevingsdiensten, brancheverenigingen en ILT gezamenlijk aan tafel zitten, en werken aan concrete oplossingen voor knelpunten in de praktijk. Hierbij is dus niet alleen het Ministerie van IenW aan zet, maar ook de andere betrokken partijen zetten zich in voor hun deel van de oplossing. Er zijn onder andere Uitvoeringstafels voor de onderwerpen: «PFAS als ZZS» en de «Vermijdings- en ReductieProgramma’s (VRP’s)», De resultaten worden in 2026 opgeleverd. Sinds de start van dit programma is de Kamer geregeld geïnformeerd over de voortgang van dit programma, meest recent in de brief van 22 september jl.8
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water, milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a. milieu en water om in te grijpen?
De uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving is in dit geval belegd bij de provincie als bevoegd gezag. Dit is conform het uitgangspunt «decentraal, tenzij» dat ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Het is dus niet juist dat de Rijksoverheid als «hogere overheid» eindverantwoordelijk is. Alleen als het met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer noodzakelijk is, kan de Minister van IenW, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, van de Omgevingswet, in het uiterste geval gebruik maken van de instructiebevoegdheid over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer op grond van artikel 2.34 van de Omgevingswet. Dat is echter geen instrument dat lichtvaardig wordt ingezet.
Bij taakverwaarlozing bestaat er op grond van artikel 261 van de Provinciewet ook de mogelijkheid om via interbestuurlijk toezicht in te grijpen door het vernietigen of schorsen van een provinciaal besluit. Dit instrument van interbestuurlijk toezicht is uitdrukkelijk als ultimum remedium bedoeld en kan dus eveneens niet lichtvaardig worden ingezet. Vooralsnog is er geen enkele aanleiding om van deze theoretische wettelijke mogelijkheden gebruik te maken. De reguliere weg om te beoordelen of de vergunning is verleend in overeenstemming met de daaraan gestelde wettelijke vereisten is de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de bestuursrechter.
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal lozingsverbod?
De verantwoordelijkheden in keten zijn al duidelijk belegd, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7. De verschillende bevoegd gezagen dienen de bestaande wettelijke kaders toe te passen in de vergunningverlening. Het is met vergunningverlening juridisch niet mogelijk om vooruit te lopen op wetgeving die er nu nog niet is.
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit precies verwachten?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vorige vragen moet een bevoegd gezag bij een individuele vergunningaanvraag werken binnen de huidige wettelijke kaders. Deze zijn, zoals alle wetgeving, gebaseerd op algemene principes zoals rechtszekerheid en proportionaliteit. De uitkomst in specifieke gevallen geeft niet altijd voor alle partijen een bevredigend resultaat. Daarom is er de mogelijkheid tot bezwaar bij bevoegd gezag en beroep bij de rechter.
De vraag die deze vergunningsaanvraag – en vergelijkbare andere aanvragen – oproept is natuurlijk of het niet mogelijk is de lozing van stoffen zoals PFAS verder te beperken of wellicht te verbieden. Dit vraagt om aanpassing van de regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van juni 20259 is dit niet eenvoudig omdat PFAS alomtegenwoordig in het leefmilieu aanwezig zijn. Een verbod of drastische aanscherping van de normen leidt dan snel tot praktische problemen met mogelijk grote maatschappelijke consequenties. Dit vraagt om zorgvuldig handelen. Zoals toegezegd worden de mogelijkheden van een gedeeltelijk lozingsverbod nader verkend. Hierover wordt u dit voorjaar nader geïnformeerd.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Beantwoording voor het Kerstreces is helaas niet haalbaar gebleken.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Schade binnenvaart op ecologie in rivieren groter dan gedacht' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de berichtgeving?1
In hoeverre is er zicht op de omvang van de ecologische schade veroorzaakt door de binnenvaart in de Nederlandse rivieren?
Het artikel stelt dat er wordt gevreesd voor de toename van ecologische schade, wordt dit tegengegaan? Zo ja, hoe? Op welke manier kan dit worden voorkomen?
In hoeverre is er momenteel toezicht op de uitstoot van vervuilende stoffen door de binnenvaart direct in het rivierwater, en wordt dit toezicht geïntensiveerd nu blijkt dat de ecologische druk groter is dan gedacht?
Wat betekent dit (eventuele) ingrijpen voor de binnenvaart, welke maatregelen moeten schippers nemen en welke gevolgen hebben die maatregelen voor schippers?
Hoe weegt u het belang van een diepe vaargeul voor de binnenvaart af tegen de ecologische doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, gelet op het feit dat in het artikel wordt gesteld dat drempels in KRW-nevengeulen – bedoeld om verzanding van de vaargeul te voorkomen – juist schadelijk zijn voor het ecologisch functioneren van die geulen?
Hoe verklaart u de bevinding dat een afname van 32% in het aantal schepen op de Maas niet leidde tot ecologisch herstel, en wat betekent dit voor de effectiviteit van toekomstig beleid? Is enkel het sturen op intensiteit (aantal schepen) nog wel zinvol als de impact per schip (vermogen, grootte) exponentieel toeneemt?
Bent u bereid om samen met de sector op te trekken in het zoeken naar oplossingen die de ecologische druk verminderen, waarbij wordt uitgegaan van de kracht en de innovatiebereidheid van de binnenvaart in plaats van enkel het opleggen van beperkingen?
Op welke wijze faciliteert u de sector om de al ingezette koers van verduurzaming door te zetten, en bent u bereid om extra in te zetten op kennisdeling over technieken die zowel de uitstoot als de fysieke belasting van het rivierwater (zoals schroefwerking en golfslag) minimaliseren?
Het bericht ‘Hoe de sloten in Nederland verdwijnen’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat de regels voor bufferstroken, bedoeld voor een betere waterkwaliteit, in de praktijk een prikkel vormen voor agrariërs om sloten te dempen zodat zij deze stroken niet hoeven aan te leggen?1
Hoe rijmt u de landelijke ambities om juist meer ruimte te geven aan water en natuur, bijvoorbeeld in het kader van agrarische natuurbeheer, met de in dit artikel beschreven ontwikkelingen, waarbij tienduizenden sloten in rap tempo verdwijnen?
In hoeverre dragen sloten bij aan het opslaan van stikstof en nitraten, en in het verlengde daarvan aan een betere waterkwaliteit en minder stikstofdruk op natuurgebieden?
Op welke wijze houdt de overheid op dit moment overzicht van de bestaande sloten in Nederland, en hoe wordt gecontroleerd of de tienduizenden verdwenen sloten legaal of illegaal zijn gedempt?
Hoe verklaart u dat veel gemeenten aangeven «geen prioriteit» te geven aan het handhaven van hun eigen bestemmingsplannen voor watergangen, terwijl dit de nationale doelen voor water en natuur direct raakt?
Welk effect heeft het niet consequent handhaven van regels rondom waterbeheer en landschapsinrichting volgens u op de algemene waterkwaliteit, de natuurwaarden in de regio en betrouwbare overheid?
Wat vindt u van het feit dat omwonenden die melding maken van illegale demping vaak in de kou worden gezet door de overheid en soms zelfs te maken krijgen met intimidatie en dreigementen?
Hoe gaat u, in samenwerking met uw collega-minister van Justitie en Veiligheid, de positie en de fysieke veiligheid van deze kritische burgers en lokale toezichthouders beschermen, nu uit het artikel blijkt dat zij zich soms ernstig bedreigd voelen?
Bent u bekend met het risico dat door het dempen van sloten en het ophogen van landbouwpercelen de lokale waterhuishouding ontregeld raakt, waardoor de waterdruk op omliggende funderingen van woningen gevaarlijk toeneemt?
Bent u bereid om een landelijk onderzoek in te stellen naar de directe relatie tussen illegale slootdemping, perceelophoging en de toename van funderingsschade bij burgers in het buitengebied?
Erkent u dat illegale slootdemping de nationale woningbouwopgave bemoeilijkt, omdat de benodigde waterberging verdwijnt en de kans op wateroverlast op andere (bouw)locaties in de regio toeneemt?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de biodiversiteit in en rond deze sloten beter beschermd wordt, zodat planten en dieren niet langer «levend begraven» worden bij illegale werkzaamheden?
Op welke wijze gaat u het belang van sloten voor de hydrologie van de bodem en natuur meenemen in de zonering rond Natura 2000-gebieden?
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om te zorgen dat de handhaving zal toenemen en daarmee de goeden niet lijden onder de kwaden?
Kunt u toezeggen om voor het commissiedebat Water op 25 juni een terugkoppeling te geven van de gesprekken, uw maatregelen en de ontwikkelingen omtrent het illegaal dempen van sloten?
Bent u bekend met de toegenomen risico’s op calamiteiten op de Waddenzee en de huidige dekking van de incidentenbestrijdingsplan Waddenzee, als gevolg van steeds intensiever gebruik?1
Ik ben bekend met het intensieve gebruik van de Waddenzee en dat dit risico's met zich meebrengt voor het ontstaan van calamiteiten.
Calamiteiten worden zo goed mogelijk bestreden door te werken met incidentbestrijdingsplannen (IBP’s) die regelmatig geoefend worden door de hierbij betrokken partijen.
In IBP’s wordt beschreven hoe de ketenpartners samenwerken en wie bij welk type incident verantwoordelijk is. Veiligheidsregio Fryslân beheert het IBP Waddenzee en Eems-Dollard namens de samenwerkende veiligheidsregio’s Noord-Holland Noord, Groningen en Fryslân. Rijkswaterstaat is een van de deelnemende partijen en heeft daarvoor twee contracten afgesloten met marktpartijen:
Heeft u met betrokken partijen, zoals uitvoerende aannemers en beheerders, gesproken over het feit dat de platen ’t Rif, de Noorderhaaks en de Rottums (Rottumeroog en Rottumerplaat) niet in het incidentenbestrijdingplan Waddenzee zijn opgenomen en dat Terschelling en Vlieland niet onder de Noordzeestrandencontracten vallen?
Er is regulier contact met betrokken aannemers en beheerders over het incidentmanagement in het gebied. De gehele Waddenzee valt onder het IBP Waddenzee en Eems-Dollard. Ook de platen ’t Rif, de Noorderhaaks en de Rottums (Rottumeroog en Rottumerplaat) vallen hier voor het grootste deel onder. Een klein gedeelte valt onder het IBP Noordzee.
Het IBP Waddenzee en Eems-Dollard valt onder de verantwoordelijkheid van de Veiligheidsregio Fryslân, het IBP Noordzee onder die van Rijkswaterstaat. Beide organisaties nemen actief deel aan de Coördinatieregeling Waddenzee (CRW). Dit is een netwerk van diverse organisaties, zoals veiligheidsregio's, gemeenten, Kustwacht en Rijkswaterstaat, dat gezamenlijk verantwoordelijk is voor de incident- en rampenbestrijding op de Waddenzee. Deze regeling zorgt ervoor dat alle betrokken partijen direct kunnen handelen wanneer zich een incident voordoet op de Waddenzee.
Terschelling en Vlieland vallen voor de noordzijde onder de Noordzeestrandencontracten en voor de zuidzijde onder de Waddenzeecontracten.
Waarom zijn de voornoemde Waddenplaten en -eilanden niet gedekt door deze contracten?
Voor de bewoonde gebieden zijn er vooraf contracten afgesloten met aannemers voor incidentbestrijding (Noordzeestrandcontracten en Waddenzeecontracten). Terschelling en Vlieland vallen voor de noordzijde onder de Noordzeestrandcontracten en voor de zuidzijde onder de Waddenzeecontracten.
Voor de onbewoonde gebieden – ’t Rif, de Noorderhaaks, Rottumeroog en Rottumerplaat – geldt dat op voorhand contracteren te hoge kosten met zich meebrengt. Hier wordt bij incidenten maatwerk toegepast en per incident de meest geschikte maatregel genomen en/of partij gecontracteerd. In alle gevallen vindt er dus incidentbestrijding plaats, maar in het ene geval gebeurt dit op basis van contractering vooraf en in het andere geval op basis van een individuele opdracht per incident.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te voorkomen dat bij een calamiteit op onbewoonde platen of niet-gecontracteerde eilanden vertraging ontstaat in de inzet van materieel en personeel?
Er zijn momenteel voldoende middelen om een calamiteit effectief te bestrijden en daarom ben ik niet voornemens extra maatregelen te nemen. Bij een calamiteit die zijn oorsprong op de Waddenzee of Noordzee heeft, treedt een incidentbestrijdingsteam op. Zo’n team heeft de beschikking over vooraf gecontracteerde aannemers om bijvoorbeeld olie op zee op te ruimen, stranden op te ruimen en vogels te verzorgen. Daarnaast heeft de voorzitter van het incidentbestrijdingsteam ruime bevoegdheid om op dat moment maatregelen te nemen (zoals het contracteren van andere partijen) als de situatie daar om vraagt. Hierbij is alles erop ingericht om de gevolgen van een calamiteit zo snel mogelijk en zo veel mogelijk te beperken.
Zou u in kaart willen brengen welke risico’s dit met zich meebrengt voor natuur en veiligheid in de Rottumerplaat, Rottumeroog, Terschelling, Vlieland, ’t Rif en de Noorderhaaks?
De in de vorige antwoorden beschreven werkwijze geeft geen aanleiding om risico's in kaart te brengen voor genoemde gebieden.
Welke normen en responstijden gelden bij mogelijke calamiteiten in het Waddengebied?
Voor het Waddengebied wordt een algemene responstijd van 1 uur nagestreefd voor verkenning en verificatie van een gemeld incident. Bij drijvende verontreinigingen wordt nagestreefd om a) uiterlijk 2 uur na een melding tot maatregelen over te gaan die verdere verspreiding moeten voorkomen en b) uiterlijk 6 uur na een melding te beginnen met het opruimen van de verontreiniging.
Deze streefwaarden zijn opgenomen in het Uitvoeringskader Bestrijding Olieverontreiniging Rijkswateren (UBOR) dat beschikbaar is via www.noordzeeloket.nl.
Kunt u in kaart brengen in hoeverre de huidige organisatie en contractstructuur voldoen aan deze normen voor een effectieve en tijdige inzet bij incidenten op de Waddenzee? Indien blijkt dat hier tekortkomingen in bestaan: op welke wijze en binnen welk tijdpad bent u voornemens dit te verbeteren?
De wijze waarop het incidentmanagement op de Waddenzee is georganiseerd, inclusief de daarvoor afgesloten contracten, voorziet in een effectieve en tijdige inzet bij incidenten. Dit is ook bevestigd door een audit die de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) in 2023 heeft uitgevoerd.
Bent u bereid hierin actief op te trekken met relevante partners zoals regionale overheden, hulpdiensten en andere betrokken organisaties, om te waarborgen dat bij calamiteiten in het Waddengebied snel en effectief kan worden opgetreden?
Bij het opstellen van en oefenen met de IBP’s en tijdens calamiteiten zelf werken we zoveel mogelijk samen met relevante partners zoals regionale overheden, veiligheidsregio's, hulpdiensten en andere betrokken organisaties, zoals staat beschreven in de IBP's. Daarnaast neemt Rijkswaterstaat actief deel aan de Coördinatieregeling Waddenzee (CRW) die ervoor zorgt dat alle betrokken partijen direct kunnen handelen wanneer zich een incident voordoet op de Waddenzee. Zie ook antwoord 2.
Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Laura Bromet (GL), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme, technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd. Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt. Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische, en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames. Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming, op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd». In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot «verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan en zo in eerste instantie veilig zijn.
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen. Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei 2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen. Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig (zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken (zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken. Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie» en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld «de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie» opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. [..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan, is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie. Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren. Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied) is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van 2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt, hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen, landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht, voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden, waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000 mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders; de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden, spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau. Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s en schade bij hoogwater.
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar, los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens het basisbeschermingsniveau.
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast, dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen hierbij een belangrijke rol.
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat. Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen. In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
Zorgen over PFAS-lozingen. |
|
Dion Huidekooper (D66), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf, maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje van de maatschappij»»?2
Ja.
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
We weten de laatste jaren steeds meer over de schadelijkheid van PFAS. Ook weten we dat PFAS wijdverspreid is. Daarom werkt het kabinet op meerdere manieren aan de vermindering van PFAS. PFAS behoren tot de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Daarbij is het uitgangspunt dat emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en, waar dit niet mogelijk is, tot een minimum worden beperkt. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de zogenoemde minimalisatieverplichting binnen het bestaande vergunningen- en toezichtkader.
In algemene zin kan niet worden gesteld dat iedere PFAS-emissie per definitie leidt tot onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. Dit is afhankelijk van factoren zoals de schadelijkheid van een stof, de omvang van de emissie, de ontvangende omgeving en de cumulatie met andere lozingen of bovenstroomse aanvoer. Daarom zal het bevoegd gezag elke vergunningaanvraag individueel beoordelen.
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen van 5 kg PFAS per jaar?
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is bevoegd gezag voor de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS. Bij deze beoordeling wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving voor zeer zorgwekkende stoffen, waaronder de verplichting tot minimalisatie van emissies en de toepassing van de beste beschikbare technieken. Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen lozing binnen de wettelijke kaders kan plaatsvinden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de immissietoets. Op basis van deze toetsing is door de provincie Limburg in het ontwerpbesluit geoordeeld dat binnen de huidige wettelijke kaders een vergunning niet kan worden geweigerd.
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS in het bloed heeft?
De provincie Limburg beoordeelt als bevoegd gezag het risico van een lozing voor de functies van het oppervlaktewater (zoals drinkwater) via de immissietoets. Daarbij wordt getoetst of de verwachte PFAS-concentraties in het oppervlaktewater, binnen de geldende gezondheids- en milieugrenswaarden blijven en of rekening is gehouden met cumulatieve achtergrondbelasting. Deze toets geldt ook voor de drinkwaterinnamepunten, zoals deze bijvoorbeeld aanwezig zijn in het stroomgebied van de Maas.
Indien op basis van deze toetsing door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat aan alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Dit past binnen het ZZS-beleid waarin minimalisatie centraal staat, maar waarbij vergunningverlening mogelijk blijft indien aan alle wettelijke eisen wordt voldaan. Ik ga ervan uit dat het bevoegd gezag de beoordeling van de aanvraag op de juiste manier uitvoert en dat daarbij de signalen van de ILT worden meegenomen.
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap en de waterbedrijven?
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt de invloed op oppervlaktewater en grondwater betrokken via een uitgebreide immissietoets, conform het geldende wettelijke kader en het Handboek Immissietoets.
In deze toets wordt beoordeeld of de verwachte concentraties van stoffen in het ontvangende watersysteem, inclusief de Zuid-Willemsvaart en de doorwerking richting de Maas, verenigbaar is met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Daarbij wordt rekening gehouden met hydrologische omstandigheden, mengzones, cumulatieve achtergrondbelasting en de mogelijke effecten op huidige en potentiële drinkwaterinnamepunten.
De immissietoets is in mei 2024 beoordeeld door Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg. Uit de toets volgt dat er geen sprake is van blijvende achteruitgang van de chemische of ecologische toestand van het oppervlaktewater en dat ook grondwater- en drinkwaterbelangen afdoende zijn beschermd.
Daarnaast zullen de adviezen het waterschap en drinkwaterbedrijf worden betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. In reactie op het ontwerpbesluit hebben verschillende partijen een zienswijze ingediend. De Provincie Limburg heeft gesprekken gevoerd met een groot deel van deze partijen. Het laatste gesprek heeft in de tweede helft van december 2025 plaatsgevonden. Begin januari 2026 is CFS in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de ingediende zienswijzen en de toelichting daarop.
Mede aan de hand van deze informatie zal de Provincie Limburg beoordelen of aan CFS definitief een vergunning kan worden verleend voor het innemen en bewerken van PFAS-houdende afvalstromen en, zo ja, onder welke voorwaarden.
Tot slot heeft het bevoegd gezag aangegeven dat voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit de immissietoets voor deze afweging nogmaals uitvoerig zal worden beoordeeld.
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Het principe dat de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de motie van de leden Kostić en Soepboer.3
Voor waterzuivering is dit verankerd in de zuiveringsheffingen die waterschappen opleggen bij indirecte lozingen (op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, RWZI), en de verontreinigingsheffing die opgelegd wordt bij directe lozingen op het oppervlaktewater. Voor zowel de verontreinigingsheffing als de zuiveringsheffing is het beginsel «de vervuiler betaalt» leidend. De vervuiler betaalt naar rato van de vervuilingswaarde van het afvalwater dat wordt geloosd of afgevoerd. Op het moment dat een waterzuiveraar extra kosten moet maken voor zuivering van het afvalwater van een bedrijf, dan kan een waterzuiveraar de extra kosten in rekening brengen bij dat bedrijf. Los daarvan draaien bedrijven zelf op voor de kosten die ze moeten maken om hun lozingen zoveel als mogelijk te minimaliseren, hetgeen vereist is om voor de (rest)lozingen vergunning te kunnen verkrijgen.
Indien er sprake is van een illegale lozing, en daaruit ontstaat schade, dan kan degene bij wie de schade veroorzaakt wordt, de schade verhalen bij degene die dat veroorzaakt of kan deze eisen dat de schade wordt opgeruimd door de veroorzaker. Gebruikmaking van de daartoe bestaande civielrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er kan nu geen inschatting gemaakt worden of en zo ja welke extra maatschappelijke kosten aan de orde zijn in de situaties zoals geschetst in de vraag.
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Het streven is om ZZS zoals PFAS uit de leefomgeving te weren. De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen regels aan emissies van ZZS die kunnen vrijkomen bij bedrijfsmatige activiteiten. Bedrijven moeten emissies van PFAS zoveel mogelijk voorkomen. Als dat niet mogelijk is, moeten zij deze emissies tot een minimum beperken. Deze verplichting geldt ook voor bedrijven aan het einde van de keten. Het is aan het bevoegd gezag om deze regels toe te passen in een specifieke situatie in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Bedrijven kunnen informatie over de algemene regels vinden via het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en hun omgevingsdienst.
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking te voorkomen?
Vergunningverlening vindt plaats op basis van de geldende wet- en regelgeving en een individuele beoordeling van de specifieke situatie. Een verleende vergunning schept daarmee geen precedent voor toekomstige vergunningaanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk getoetst aan de op dat moment geldende feitelijke situatie, zoals de toestand van het ontvangende waterlichaam, de stoffen of de hoeveelheden.
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid, zwaarder te laten wegen?
De Omgevingswet biedt op zichzelf geen fundamenteel nieuw of ruimer beoordelingskader voor vergunningverlening ten opzichte van het eerdere stelsel, maar brengt de bestaande mogelijkheden voor het integraal afwegen van belangen samen en verduidelijkt deze.
Binnen de geldende wet- en regelgeving kan het bevoegd gezag maatschappelijke belangen, zoals de bescherming van de waterkwaliteit en de gezondheid van mensen, betrekken bij vergunningverlening, waaronder de toepassing van het voorzorgsbeginsel. In de voortgangsbrief Industrie en Omwonenden van april 2025 zijn verschillende concrete sporen benoemd om de bevoegd gezagen hierin te ondersteunen4.
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling van de vergunningaanvraag vindt plaats binnen de strikte grenzen van het geldende wettelijke kader. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, wordt daarbij via de wettelijke toetsingscriteria ook beoordeeld of de bescherming van functies zoals drinkwater voldoende is geborgd. Als uit die toetsing volgt dat aan alle eisen wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Het is aan de rechter om in het kader van een tegen de vergunning ingesteld beroep te beoordelen of deze toetsing op juridisch juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft als onafhankelijk toezichthouder haar bevindingen en aandachtspunten naar voren gebracht. Deze signalen komen voort uit de terechte zorg dat er teveel PFAS in de leefomgeving aanwezig is. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat emissies van PFAS zoveel als mogelijk moeten worden voorkomen en waar dat niet kan tot een minimum moeten worden beperkt.
Het is echter niet aan het ministerie om een inhoudelijk oordeel te vellen over de beoordeling van een individuele vergunning of om te bepalen welk advies doorslaggevend is. De provincie Limburg is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de vergunningverlening en dient daarbij te handelen binnen het geldende wettelijke kader. Op dit moment verloopt dit proces zorgvuldig en binnen dat kader. De provincie betrekt de signalen van de ILT, net als die van andere betrokken partijen, bij de verdere beoordeling en weegt deze mee bij het definitieve besluit.
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu3? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
In de evaluatie van het ZZS-beleid die in 2021–2022 heeft plaatsgevonden, is een aantal problemen in de uitwerking van dit beleid naar voren gekomen6. Mede in reactie hierop is het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023–2026 opgezet7. In dit programma wordt samen met andere overheden en het bedrijfsleven gewerkt aan verduidelijking van bepalingen en verbetering van de uitvoering op verschillende onderwerpen. Concreet werkt men aan de Uitvoeringstafels, waar bevoegde gezagen, Omgevingsdiensten, brancheverenigingen en ILT gezamenlijk aan tafel zitten, en werken aan concrete oplossingen voor knelpunten in de praktijk. Hierbij is dus niet alleen het Ministerie van IenW aan zet, maar ook de andere betrokken partijen zetten zich in voor hun deel van de oplossing. Er zijn onder andere Uitvoeringstafels voor de onderwerpen: «PFAS als ZZS» en de «Vermijdings- en ReductieProgramma’s (VRP’s)», De resultaten worden in 2026 opgeleverd. Sinds de start van dit programma is de Kamer geregeld geïnformeerd over de voortgang van dit programma, meest recent in de brief van 22 september jl.8
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water, milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a. milieu en water om in te grijpen?
De uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving is in dit geval belegd bij de provincie als bevoegd gezag. Dit is conform het uitgangspunt «decentraal, tenzij» dat ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Het is dus niet juist dat de Rijksoverheid als «hogere overheid» eindverantwoordelijk is. Alleen als het met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer noodzakelijk is, kan de Minister van IenW, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, van de Omgevingswet, in het uiterste geval gebruik maken van de instructiebevoegdheid over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer op grond van artikel 2.34 van de Omgevingswet. Dat is echter geen instrument dat lichtvaardig wordt ingezet.
Bij taakverwaarlozing bestaat er op grond van artikel 261 van de Provinciewet ook de mogelijkheid om via interbestuurlijk toezicht in te grijpen door het vernietigen of schorsen van een provinciaal besluit. Dit instrument van interbestuurlijk toezicht is uitdrukkelijk als ultimum remedium bedoeld en kan dus eveneens niet lichtvaardig worden ingezet. Vooralsnog is er geen enkele aanleiding om van deze theoretische wettelijke mogelijkheden gebruik te maken. De reguliere weg om te beoordelen of de vergunning is verleend in overeenstemming met de daaraan gestelde wettelijke vereisten is de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de bestuursrechter.
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal lozingsverbod?
De verantwoordelijkheden in keten zijn al duidelijk belegd, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7. De verschillende bevoegd gezagen dienen de bestaande wettelijke kaders toe te passen in de vergunningverlening. Het is met vergunningverlening juridisch niet mogelijk om vooruit te lopen op wetgeving die er nu nog niet is.
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit precies verwachten?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vorige vragen moet een bevoegd gezag bij een individuele vergunningaanvraag werken binnen de huidige wettelijke kaders. Deze zijn, zoals alle wetgeving, gebaseerd op algemene principes zoals rechtszekerheid en proportionaliteit. De uitkomst in specifieke gevallen geeft niet altijd voor alle partijen een bevredigend resultaat. Daarom is er de mogelijkheid tot bezwaar bij bevoegd gezag en beroep bij de rechter.
De vraag die deze vergunningsaanvraag – en vergelijkbare andere aanvragen – oproept is natuurlijk of het niet mogelijk is de lozing van stoffen zoals PFAS verder te beperken of wellicht te verbieden. Dit vraagt om aanpassing van de regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van juni 20259 is dit niet eenvoudig omdat PFAS alomtegenwoordig in het leefmilieu aanwezig zijn. Een verbod of drastische aanscherping van de normen leidt dan snel tot praktische problemen met mogelijk grote maatschappelijke consequenties. Dit vraagt om zorgvuldig handelen. Zoals toegezegd worden de mogelijkheden van een gedeeltelijk lozingsverbod nader verkend. Hierover wordt u dit voorjaar nader geïnformeerd.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Beantwoording voor het Kerstreces is helaas niet haalbaar gebleken.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.