De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Marc Vervuurt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
De signalen dat testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk staan, neem ik serieus. Financiering is essentieel voor het functioneren van zorgsystemen en voor een effectieve preventie. Abrupte veranderingen kunnen directe gevolgen hebben voor de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Volgens recent PEPFAR persbericht zijn Amerikaanse uitgaven voor tegengaan van hiv-aids met 30% gedaald, maar blijft de VS een significante donor op dit gebied.
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Ja, die analyse deel ik. Verminderde toegang tot testen en preventie kan op middellange termijn leiden tot een toename van nieuwe hiv-infecties. Als meer mensen geïnfecteerd raken en minder mensen hun hiv-status kennen, is de kans op verdere transmissie groter. Dit kan eerder behaalde vooruitgang in de bestrijding van hiv-aids afremmen.
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Kwetsbare groepen, zoals lhbtiq+ gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen, maar ook sekswerkers en mensen die drugs gebruiken worden doorgaans onevenredig hard geraakt door de gevolgen van teruglopende financiering.
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
Ja, die zorg deel ik. Om het virus te onderdrukken hebben mensen die leven met hiv, levenslang medicatie nodig. In gevallen waar toegang tot deze behandeling plots wegvalt, vormt dit een groot risico voor de eigen gezondheid en voor de beheersing van de infectieziekte.
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
De vooruitgang kan deels verloren gaan als financiering structureel vermindert. Voor Zuid-Afrika, als middeninkomensland, geldt dat de overheid het merendeel (76%) van de aidsbestrijding financiert vanuit het nationaal budget (in 2.024 USD 1.6 miljard), wat het risico op terugval beperkt. Echter, omliggende landen met minder budgettaire ruimte lopen een groter risico. Gerichte internationale steun blijft daarom van belang. Ondanks de daling van 30%, blijft de VS een significante donor in de hiv-bestrijding in Afrikaanse landen.
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Deze ontwikkeling kan het behalen van mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het beëindigen van aids als dreiging voor de volksgezondheid in 2030 bemoeilijken. Data van UNAIDS over toekomstige scenario’s tonen aan dat eerder geboekte vooruitgang verloren kan gaan als voldoende financiering voor preventie, diagnose en behandeling ontbreekt.
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
De Europese Unie en Nederland steunen via multilaterale fondsen en maatschappelijke organisaties de versterking van nationale hiv/aids-bestrijdingsprogramma’s in het mondiale zuiden. Nederland hecht aan duurzame, voorspelbare en effectieve financiering voor gezondheidsbeleid en draagt daaraan bij via diplomatieke inzet voor efficiëntere gezondheidssystemen. Door Nederland gesteunde fondsen als het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria hanteren daarbij het uitgangspunt dat partnerlanden meer eigen middelen inzetten naarmate hun inkomensniveau stijgt. Op die manier kan externe financiering geleidelijk worden afgebouwd. Ook via de Nederlandse bijdrage aan de Global Financing Facility van de Wereldbank worden landen gestimuleerd eigen budget vrij te maken voor gezondheidsbeleid.
Op EU-niveau heeft Nederland het stopzetten van USAID besproken in overleggen over de EU Mondiale Gezondheidsstrategie en het EU Global Health Resilience Initiative. Nederland pleit daarbij voor een sterke en gecoördineerde Europese aanpak om de positieve impact te vergroten. De weggevallen Amerikaanse financiering kan echter niet door Nederland en de EU worden gecompenseerd. Daarvoor is de weggevallen steun te omvangrijk.
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich inzetten voor mondiale gezondheid en het tegengaan van hiv-aids binnen de bestaande budgettaire kaders.
Zo is Nederland de grootste donor van UNAIDS (EUR 18,2 miljoen in 2026). Ook draagt het jaarlijks bij aan Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (EUR 48,8 miljoen). Daarnaast loopt er een hiv-aids programma in Zuidelijk Afrika (EUR 9,8 miljoen in 2026).
Het kabinet is voornemens in 2026 een nieuw hiv/aids programma (EUR 100 miljoen 2026- 2030) te starten in 7 landen in Zuidelijk Afrika, waaronder Zuid-Afrika. De Nederlandse bijdrage aan internationale hiv-aids programma’s in 2026 zal daarmee uitkomen op ongeveer EUR 81 mijloen.
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is zorgwekkend. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen.
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat een ontheffing (waiver) mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen.
Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van diversiteit en inclusie, kan dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Het Amerikaanse beleid kan worden toegepast op organisaties die Nederlandse financiering ontvangen. Het kabinet zet zich in om via eigen programma’s en partnerschappen de eventuele negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk te beperken. Zo gaan we het gesprek aan met organisaties waarvan we weten dat zij ook financiering van de VS ontvangen. Tegelijkertijd zal Nederland zich nog nadrukkelijker diplomatiek en politiek inspannen voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, om samen bij te dragen aan aidsbestrijding.
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Nederland zet zich zowel in EU- als multilateraal verband actief in voor een effectieve mondiale aidsbestrijding, met een nadrukkelijke focus op de mensenrechtenbenadering (tegengaan van stigma en discriminatie van gemarginaliseerde groepen) hierbinnen. Nederland zet tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Global Europe-pijler van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), in op aandacht voor zowel mondiale gezondheid als seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (inclusief hiv-aids).
Op multilateraal niveau zal Nederland tijdens de vijfjaarlijkse VN High Level Meeting on HIV/AIDS in juni pleiten voor de aanname van een sterke politieke verklaring, waarmee het internationale politieke draagvlak voor een effectieve en duurzaam gefinancierde mondiale aidsbestrijding opnieuw bevestigd wordt. Verder is Nederland op dit moment de voorzitter van de Programme Coordinating Board (PCB) van UNAIDS. In deze rol maakt Nederland zich sterk voor duurzame financiering en integratie van hiv-aids aanpak binnen brede gezondheidszorg. Binnen het hervormingsproces van de VN (UN80) zet Nederland zich actief in voor een succesvolle transitie van UNAIDS en het behoud van een sterke multi-sectorale, community-led en op mensenrechten gebaseerde mondiale hiv/aids aanpak.Nederland vervult hiermee een erkende voortrekkersrol binnen de mondiale aidsbestrijding op Europees en multilateraal niveau.
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
De EU en Europese lidstaten zijn samen een van de grootste donoren op het gebied van mondiale gezondheid in Afrika. Deze positie brengt mogelijkheden om gezamenlijk te werken aan een grotere impact op het vlak van mondiale gezondheid en SRGR in Afrikaanse landen. Zie beantwoording vraag 8.
De EU en lidstaten werken al veel samen op het gebied van gezondheid en SRGR, inclusief hiv-aids in Afrika binnen de kaders van de EU mondiale gezondheidsstrategie. Zo werkt NL samen met EU lidstaten aan een versterkte samenwerking en coördinatie op het gebied van SRGR in de context van het Team Europe Initiatief SRGR. Nederland is een actieve en vastberaden partner met name op gelijke toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, specifiek voor gemarginaliseerde groepen.
Een sterkere positionering vereist eensgezindheid binnen de EU op SRGR. Dit vergt voortdurend diplomatieke inspanningen waarvoor Nederland zich met gelijkgezinden blijft inzetten.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Helaas is dat niet gelukt.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Joost Sneller (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Marc Vervuurt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
De signalen dat testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk staan, neem ik serieus. Financiering is essentieel voor het functioneren van zorgsystemen en voor een effectieve preventie. Abrupte veranderingen kunnen directe gevolgen hebben voor de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Volgens recent PEPFAR persbericht zijn Amerikaanse uitgaven voor tegengaan van hiv-aids met 30% gedaald, maar blijft de VS een significante donor op dit gebied.
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Ja, die analyse deel ik. Verminderde toegang tot testen en preventie kan op middellange termijn leiden tot een toename van nieuwe hiv-infecties. Als meer mensen geïnfecteerd raken en minder mensen hun hiv-status kennen, is de kans op verdere transmissie groter. Dit kan eerder behaalde vooruitgang in de bestrijding van hiv-aids afremmen.
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Kwetsbare groepen, zoals lhbtiq+ gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen, maar ook sekswerkers en mensen die drugs gebruiken worden doorgaans onevenredig hard geraakt door de gevolgen van teruglopende financiering.
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
Ja, die zorg deel ik. Om het virus te onderdrukken hebben mensen die leven met hiv, levenslang medicatie nodig. In gevallen waar toegang tot deze behandeling plots wegvalt, vormt dit een groot risico voor de eigen gezondheid en voor de beheersing van de infectieziekte.
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
De vooruitgang kan deels verloren gaan als financiering structureel vermindert. Voor Zuid-Afrika, als middeninkomensland, geldt dat de overheid het merendeel (76%) van de aidsbestrijding financiert vanuit het nationaal budget (in 2.024 USD 1.6 miljard), wat het risico op terugval beperkt. Echter, omliggende landen met minder budgettaire ruimte lopen een groter risico. Gerichte internationale steun blijft daarom van belang. Ondanks de daling van 30%, blijft de VS een significante donor in de hiv-bestrijding in Afrikaanse landen.
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Deze ontwikkeling kan het behalen van mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het beëindigen van aids als dreiging voor de volksgezondheid in 2030 bemoeilijken. Data van UNAIDS over toekomstige scenario’s tonen aan dat eerder geboekte vooruitgang verloren kan gaan als voldoende financiering voor preventie, diagnose en behandeling ontbreekt.
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
De Europese Unie en Nederland steunen via multilaterale fondsen en maatschappelijke organisaties de versterking van nationale hiv/aids-bestrijdingsprogramma’s in het mondiale zuiden. Nederland hecht aan duurzame, voorspelbare en effectieve financiering voor gezondheidsbeleid en draagt daaraan bij via diplomatieke inzet voor efficiëntere gezondheidssystemen. Door Nederland gesteunde fondsen als het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria hanteren daarbij het uitgangspunt dat partnerlanden meer eigen middelen inzetten naarmate hun inkomensniveau stijgt. Op die manier kan externe financiering geleidelijk worden afgebouwd. Ook via de Nederlandse bijdrage aan de Global Financing Facility van de Wereldbank worden landen gestimuleerd eigen budget vrij te maken voor gezondheidsbeleid.
Op EU-niveau heeft Nederland het stopzetten van USAID besproken in overleggen over de EU Mondiale Gezondheidsstrategie en het EU Global Health Resilience Initiative. Nederland pleit daarbij voor een sterke en gecoördineerde Europese aanpak om de positieve impact te vergroten. De weggevallen Amerikaanse financiering kan echter niet door Nederland en de EU worden gecompenseerd. Daarvoor is de weggevallen steun te omvangrijk.
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich inzetten voor mondiale gezondheid en het tegengaan van hiv-aids binnen de bestaande budgettaire kaders.
Zo is Nederland de grootste donor van UNAIDS (EUR 18,2 miljoen in 2026). Ook draagt het jaarlijks bij aan Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (EUR 48,8 miljoen). Daarnaast loopt er een hiv-aids programma in Zuidelijk Afrika (EUR 9,8 miljoen in 2026).
Het kabinet is voornemens in 2026 een nieuw hiv/aids programma (EUR 100 miljoen 2026- 2030) te starten in 7 landen in Zuidelijk Afrika, waaronder Zuid-Afrika. De Nederlandse bijdrage aan internationale hiv-aids programma’s in 2026 zal daarmee uitkomen op ongeveer EUR 81 mijloen.
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is zorgwekkend. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen.
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat een ontheffing (waiver) mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen.
Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van diversiteit en inclusie, kan dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Het Amerikaanse beleid kan worden toegepast op organisaties die Nederlandse financiering ontvangen. Het kabinet zet zich in om via eigen programma’s en partnerschappen de eventuele negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk te beperken. Zo gaan we het gesprek aan met organisaties waarvan we weten dat zij ook financiering van de VS ontvangen. Tegelijkertijd zal Nederland zich nog nadrukkelijker diplomatiek en politiek inspannen voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, om samen bij te dragen aan aidsbestrijding.
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Nederland zet zich zowel in EU- als multilateraal verband actief in voor een effectieve mondiale aidsbestrijding, met een nadrukkelijke focus op de mensenrechtenbenadering (tegengaan van stigma en discriminatie van gemarginaliseerde groepen) hierbinnen. Nederland zet tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Global Europe-pijler van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), in op aandacht voor zowel mondiale gezondheid als seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (inclusief hiv-aids).
Op multilateraal niveau zal Nederland tijdens de vijfjaarlijkse VN High Level Meeting on HIV/AIDS in juni pleiten voor de aanname van een sterke politieke verklaring, waarmee het internationale politieke draagvlak voor een effectieve en duurzaam gefinancierde mondiale aidsbestrijding opnieuw bevestigd wordt. Verder is Nederland op dit moment de voorzitter van de Programme Coordinating Board (PCB) van UNAIDS. In deze rol maakt Nederland zich sterk voor duurzame financiering en integratie van hiv-aids aanpak binnen brede gezondheidszorg. Binnen het hervormingsproces van de VN (UN80) zet Nederland zich actief in voor een succesvolle transitie van UNAIDS en het behoud van een sterke multi-sectorale, community-led en op mensenrechten gebaseerde mondiale hiv/aids aanpak.Nederland vervult hiermee een erkende voortrekkersrol binnen de mondiale aidsbestrijding op Europees en multilateraal niveau.
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
De EU en Europese lidstaten zijn samen een van de grootste donoren op het gebied van mondiale gezondheid in Afrika. Deze positie brengt mogelijkheden om gezamenlijk te werken aan een grotere impact op het vlak van mondiale gezondheid en SRGR in Afrikaanse landen. Zie beantwoording vraag 8.
De EU en lidstaten werken al veel samen op het gebied van gezondheid en SRGR, inclusief hiv-aids in Afrika binnen de kaders van de EU mondiale gezondheidsstrategie. Zo werkt NL samen met EU lidstaten aan een versterkte samenwerking en coördinatie op het gebied van SRGR in de context van het Team Europe Initiatief SRGR. Nederland is een actieve en vastberaden partner met name op gelijke toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, specifiek voor gemarginaliseerde groepen.
Een sterkere positionering vereist eensgezindheid binnen de EU op SRGR. Dit vergt voortdurend diplomatieke inspanningen waarvoor Nederland zich met gelijkgezinden blijft inzetten.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Helaas is dat niet gelukt.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.