Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Het kabinet juicht de ontwikkeling van nieuwe behandelingen voor bijvoorbeeld therapieresistentie PTSS, depressie en verslavingsproblematiek toe. Het kabinet is zich ervan bewust dat verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica gunstige resultaten laten zien, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar MDMA bij posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het is goed om te benadrukken dat het hier gaat om geneesmiddelenonderzoek. Het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van deze en andere therapeutische toepassingen van psychedelica is op dit moment echter nog onvoldoende voor inzet in de praktijk. Het kabinet vindt nationaal en internationaal onderzoek op dit gebied dan ook van groot belang en wacht de resultaten van de lopende studies en beoordeling daarvan door autoriteiten zoals het Europees Medicijn Agentschap (European Medicines Agency, EMA) met belangstelling af.
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Het kabinet heeft daarover inderdaad signalen ontvangen.
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Het kabinet kan niet voorkomen dat patiënten op zoek gaan naar alternatieve behandelingen. Het kabinet heeft begrip voor patiënten die een behandeling willen proberen, maar wil benadrukken dat het in hun eigen belang is dat de behandeling wel effectief en veilig is. Op dit moment is nog onduidelijk welke patiënten precies baat kunnen hebben bij dergelijke therapieën. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat de veiligheid en effectiviteit eerst verder worden onderzocht voordat deze therapieën in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Verder kunnen patiënten informatie over bijvoorbeeld de risico’s van het zelf experimenteren met psychedelica vinden op de websites van het Trimbos1-instituut en van Jellinek2.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid eerst voldoende zijn aangetoond voordat een dergelijk middel als behandeling wordt ingezet. Daarom hecht het kabinet eraan dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor het beschikbaar maken van middelen via een compassionate use programma3 moet aan de voorwaarden van het CBG zijn voldaan4. Er moet bijvoorbeeld zicht zijn op spoedige registratie van het middel. Dit onderstreept nogmaals het belang van gedegen onderzoek naar veiligheid en effectiviteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet wel compassie heeft voor patiënten die op zoek zijn naar een behandeling, zoals ook aangegeven bij vraag 3.
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over bijvoorbeeld patiëntselectie en behandelsetting. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het CBG. Dergelijke studies kunnen inzicht geven in de juiste patiëntengroep en de optimale toepassing van het geneesmiddel. In Nederland zijn er verschillende instanties die onderzoekers kunnen adviseren over de opzet van studies met patiënten, bijvoorbeeld de Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO) en het eerdergenoemde CBG.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
In Nederland is al een duidelijk kader ingericht voor compassionate use. Ik verwijs hiervoor naar het CBG5. Een van de vereisten is zicht op registratie, waarvoor het eerder benoemde klinische onderzoek van belang is.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Het kabinet is ervan op de hoogte dat individuele landen zoals Tsjechië regulerende of uitzonderingsroutes hebben ontwikkeld om dergelijke therapieën (onder strikte voorwaarden) mogelijk te maken. Het is echter belangrijk dat de reguliere routes voor geneesmiddelenontwikkeling worden gevolgd zodat autoriteiten zoals het EMA of het CBG de balans tussen werkzaamheid en veiligheid kunnen beoordelen. Juist in het belang van de patiënt.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet is zich bewust van de grote behandelbehoefte bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica laten gunstige resultaten zien. De toenmalige Minister van VWS heeft daarom, samen met de stichting Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw), 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor nader onderzoek naar psychedelica als behandeling, om de effectiviteit, veiligheid en kwaliteit beter in kaart te brengen6.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Het kabinet refereert hier aan de antwoorden op vraag 7 en 8. Het onderzoek binnen de genoemde ZonMw-subsidie moet daarom, vanwege de genoemde redenen, passen in een eventueel toekomstig registratietraject.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Het kabinet erkent de grote behoefte van patiënten aan nieuwe behandelmogelijkheden, maar vindt het belangrijk dat de effectiviteit en veiligheid van psychedelica als behandeling eerst verder worden onderzocht voordat dergelijke behandelingen in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Het kabinet staat er wel voor open om mogelijkheden te verkennen voor eventuele vervolgfinanciering (bij positieve resultaten) van het ZonMw-onderzoek.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
De Amerikaanse regering heeft beleid geïntroduceerd dat erop is gericht de ontwikkeling en toelating van psychedelische geneesmiddelen te versnellen en de toegang daartoe te vergroten. De ontwikkelingen in de VS vormen voor het kabinet geen aanleiding om van de eigen beleidslijn af te wijken, namelijk inzetten op gedegen onderzoek voordat deze middelen worden ingezet als behandeling. Daar waar wetenschappelijke resultaten uit de VS de inzet van deze middelen in Nederland zou kunnen versnellen is dat natuurlijk welkom.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet ziet op dit moment geen lessen, aandachtspunten of kansen voor Nederlands beleid naar aanleiding van uitspraken van de president van de Verenigde Staten over dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
In algemene zin richten veel farmaceutische bedrijven zich primair op de Amerikaanse markt vanwege de hoge prijzen die daar betaald worden voor geneesmiddelen, dat zal hier niet anders zijn.
Het EMA beschikt over verschillende instrumenten om versnelde of eerdere toegang tot innovatieve geneesmiddelen mogelijk te maken. Bedrijven en onderzoekers kunnen deze benutten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het EMA7. Begin dit jaar heeft een eerste psychedelicum de zogenaamde PRIME status ontvangen door het EMA8. PRIME is een programma van het EMA voor veelbelovende geneesmiddelen die een belangrijke onvervulde medische behoefte kunnen vervullen.
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van effectieve behandelingen bij patiënten met PTSS, waaronder patiënten uit geüniformeerde beroepen.
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Eerder heeft VWS, samen met ZonMw, 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van psychedelica als behandeling. Binnen de oproep kan worden gekozen voor een combinatie van één psychedelicum voor de behandeling van één psychiatrische indicatie. Voor een vergelijkbare subsidie op het gebied van neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, is op dit moment helaas geen ruimte in de begroting. Mogelijk kan het Psynapse-consortium, dat is gevormd als onderdeel van de ZonMw-subsidie, een rol spelen bij het ondersteunen van onderzoek naar het effect van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten.
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Het kabinet is verheugd dat het Psynapse-consortium een ontwikkelplan heeft opgesteld om tot meer geregistreerde geneesmiddelen binnen de psychiatrie te komen. Bovendien verkennen en werken diverse partijen, zoals het EMA, het CBG, het landelijk patiëntenplatform MIND, de Hersenstichting en het Psynapse-consortium, aan de mogelijkheden voor onderzoek naar verschillende psychedelica voor psychiatrische aandoeningen11. Het kabinet ziet de samenwerking tussen deze partijen als een goede ontwikkeling.
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot wetswijzigingen of beleidsaanpassingen. Bij positieve onderzoeksresultaten kan aanvullende financiering voor vervolgonderzoek wenselijk zijn. Op dit moment is hiervoor onvoldoende ruimte in de begroting.
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Het kabinet vindt dat het volgen van deze ontwikkelingen primair een verantwoordelijkheid is van onderzoekers, maar staat open voor signalen en informatie hierover.
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig toetsingssysteem dat klinisch onderzoek in het algemeen moet bevorderen. Daarnaast zal het zich bij de Europese onderhandelingen over de Biotech Act I inzetten voor de maatregelen die gericht zijn op versnelling, stroomlijning en voorspelbaarheid van beoordelingsprocedures van klinisch onderzoek12. Wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën kan, zoals eerder aangegeven, eventueel ook worden gefaciliteerd met (vervolg)subsidies, al is daarvoor op dit moment geen ruimte in de begroting.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Het kabinet heeft bij het opzetten van de eerdergenoemde ZonMw-subsidie als voorwaarde gesteld dat het onderzoek moet aansluiten op eerder en lopend nationaal en internationaal onderzoek.
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Het kabinet ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om in kaart te brengen welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Het is niet de verantwoordelijkheid van het kabinet om het belang van psychotherapie bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten te waarborgen. Het kabinet wijst er wel op dat openbare informatie laat zien dat het EMA aandacht heeft voor een mogelijke rol van psychotherapie bij de behandeling met psychedelica en de methodologische aspecten daarvan bij het klinisch onderzoek13.
Tegelijkertijd geeft het EMA aan dat, hoewel geneesmiddelenautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toelaten van nieuwe geneesmiddelen op de markt, zij niet bepalen hoe artsen deze geneesmiddelen in de klinische praktijk gebruiken14.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Ja.
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Ja.
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet all-hazard.
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op (onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen. Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie- en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen. Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus 2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact (of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt. Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda, waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario. Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren van de (militaire) zorgketen.
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood, waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie- en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Marc Vervuurt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
De signalen dat testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk staan, neem ik serieus. Financiering is essentieel voor het functioneren van zorgsystemen en voor een effectieve preventie. Abrupte veranderingen kunnen directe gevolgen hebben voor de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Volgens recent PEPFAR persbericht zijn Amerikaanse uitgaven voor tegengaan van hiv-aids met 30% gedaald, maar blijft de VS een significante donor op dit gebied.
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Ja, die analyse deel ik. Verminderde toegang tot testen en preventie kan op middellange termijn leiden tot een toename van nieuwe hiv-infecties. Als meer mensen geïnfecteerd raken en minder mensen hun hiv-status kennen, is de kans op verdere transmissie groter. Dit kan eerder behaalde vooruitgang in de bestrijding van hiv-aids afremmen.
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Kwetsbare groepen, zoals lhbtiq+ gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen, maar ook sekswerkers en mensen die drugs gebruiken worden doorgaans onevenredig hard geraakt door de gevolgen van teruglopende financiering.
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
Ja, die zorg deel ik. Om het virus te onderdrukken hebben mensen die leven met hiv, levenslang medicatie nodig. In gevallen waar toegang tot deze behandeling plots wegvalt, vormt dit een groot risico voor de eigen gezondheid en voor de beheersing van de infectieziekte.
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
De vooruitgang kan deels verloren gaan als financiering structureel vermindert. Voor Zuid-Afrika, als middeninkomensland, geldt dat de overheid het merendeel (76%) van de aidsbestrijding financiert vanuit het nationaal budget (in 2.024 USD 1.6 miljard), wat het risico op terugval beperkt. Echter, omliggende landen met minder budgettaire ruimte lopen een groter risico. Gerichte internationale steun blijft daarom van belang. Ondanks de daling van 30%, blijft de VS een significante donor in de hiv-bestrijding in Afrikaanse landen.
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Deze ontwikkeling kan het behalen van mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het beëindigen van aids als dreiging voor de volksgezondheid in 2030 bemoeilijken. Data van UNAIDS over toekomstige scenario’s tonen aan dat eerder geboekte vooruitgang verloren kan gaan als voldoende financiering voor preventie, diagnose en behandeling ontbreekt.
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
De Europese Unie en Nederland steunen via multilaterale fondsen en maatschappelijke organisaties de versterking van nationale hiv/aids-bestrijdingsprogramma’s in het mondiale zuiden. Nederland hecht aan duurzame, voorspelbare en effectieve financiering voor gezondheidsbeleid en draagt daaraan bij via diplomatieke inzet voor efficiëntere gezondheidssystemen. Door Nederland gesteunde fondsen als het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria hanteren daarbij het uitgangspunt dat partnerlanden meer eigen middelen inzetten naarmate hun inkomensniveau stijgt. Op die manier kan externe financiering geleidelijk worden afgebouwd. Ook via de Nederlandse bijdrage aan de Global Financing Facility van de Wereldbank worden landen gestimuleerd eigen budget vrij te maken voor gezondheidsbeleid.
Op EU-niveau heeft Nederland het stopzetten van USAID besproken in overleggen over de EU Mondiale Gezondheidsstrategie en het EU Global Health Resilience Initiative. Nederland pleit daarbij voor een sterke en gecoördineerde Europese aanpak om de positieve impact te vergroten. De weggevallen Amerikaanse financiering kan echter niet door Nederland en de EU worden gecompenseerd. Daarvoor is de weggevallen steun te omvangrijk.
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich inzetten voor mondiale gezondheid en het tegengaan van hiv-aids binnen de bestaande budgettaire kaders.
Zo is Nederland de grootste donor van UNAIDS (EUR 18,2 miljoen in 2026). Ook draagt het jaarlijks bij aan Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (EUR 48,8 miljoen). Daarnaast loopt er een hiv-aids programma in Zuidelijk Afrika (EUR 9,8 miljoen in 2026).
Het kabinet is voornemens in 2026 een nieuw hiv/aids programma (EUR 100 miljoen 2026- 2030) te starten in 7 landen in Zuidelijk Afrika, waaronder Zuid-Afrika. De Nederlandse bijdrage aan internationale hiv-aids programma’s in 2026 zal daarmee uitkomen op ongeveer EUR 81 mijloen.
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is zorgwekkend. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen.
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat een ontheffing (waiver) mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen.
Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van diversiteit en inclusie, kan dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Het Amerikaanse beleid kan worden toegepast op organisaties die Nederlandse financiering ontvangen. Het kabinet zet zich in om via eigen programma’s en partnerschappen de eventuele negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk te beperken. Zo gaan we het gesprek aan met organisaties waarvan we weten dat zij ook financiering van de VS ontvangen. Tegelijkertijd zal Nederland zich nog nadrukkelijker diplomatiek en politiek inspannen voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, om samen bij te dragen aan aidsbestrijding.
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Nederland zet zich zowel in EU- als multilateraal verband actief in voor een effectieve mondiale aidsbestrijding, met een nadrukkelijke focus op de mensenrechtenbenadering (tegengaan van stigma en discriminatie van gemarginaliseerde groepen) hierbinnen. Nederland zet tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Global Europe-pijler van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), in op aandacht voor zowel mondiale gezondheid als seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (inclusief hiv-aids).
Op multilateraal niveau zal Nederland tijdens de vijfjaarlijkse VN High Level Meeting on HIV/AIDS in juni pleiten voor de aanname van een sterke politieke verklaring, waarmee het internationale politieke draagvlak voor een effectieve en duurzaam gefinancierde mondiale aidsbestrijding opnieuw bevestigd wordt. Verder is Nederland op dit moment de voorzitter van de Programme Coordinating Board (PCB) van UNAIDS. In deze rol maakt Nederland zich sterk voor duurzame financiering en integratie van hiv-aids aanpak binnen brede gezondheidszorg. Binnen het hervormingsproces van de VN (UN80) zet Nederland zich actief in voor een succesvolle transitie van UNAIDS en het behoud van een sterke multi-sectorale, community-led en op mensenrechten gebaseerde mondiale hiv/aids aanpak.Nederland vervult hiermee een erkende voortrekkersrol binnen de mondiale aidsbestrijding op Europees en multilateraal niveau.
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
De EU en Europese lidstaten zijn samen een van de grootste donoren op het gebied van mondiale gezondheid in Afrika. Deze positie brengt mogelijkheden om gezamenlijk te werken aan een grotere impact op het vlak van mondiale gezondheid en SRGR in Afrikaanse landen. Zie beantwoording vraag 8.
De EU en lidstaten werken al veel samen op het gebied van gezondheid en SRGR, inclusief hiv-aids in Afrika binnen de kaders van de EU mondiale gezondheidsstrategie. Zo werkt NL samen met EU lidstaten aan een versterkte samenwerking en coördinatie op het gebied van SRGR in de context van het Team Europe Initiatief SRGR. Nederland is een actieve en vastberaden partner met name op gelijke toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, specifiek voor gemarginaliseerde groepen.
Een sterkere positionering vereist eensgezindheid binnen de EU op SRGR. Dit vergt voortdurend diplomatieke inspanningen waarvoor Nederland zich met gelijkgezinden blijft inzetten.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Helaas is dat niet gelukt.
De vergoeding van diabetessensoren |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diabetessensor nodig, maar niet vergoed: wat als je nét buiten de criteria valt?»1
Klopt het dat de vergoedingscriteria voor een glucosesensor die gekoppeld is aan een insulinepomp grotendeels dateren uit 2017? Zo ja, wanneer zijn deze criteria voor het laatst geëvalueerd?
Hoe beoordeelt u het signaal dat mensen met diabetes type 1 deze technologie regelmatig niet vergoed krijgen, omdat zij net buiten de huidige vergoedingscriteria vallen, terwijl hun behandelaar vindt dat zij die nodig hebben?
Hoe kijkt u naar de oproep van diabetesverpleegkundigen en patiëntenorganisaties om bij de beoordeling naast glucosewaarden ook de dagelijkse ziektelast en de kwaliteit van leven mee te wegen?
Hoeveel mensen met diabetes vallen buiten de huidige criteria, terwijl hun behandelaar vindt dat zij medisch baat hebben bij deze technologie? Hoe verhoudt dit zich tot de schatting van Diabetesvereniging Nederland van zo’n 10.000 mensen, en bent u bereid dit nader in kaart te brengen?
Hoe kijkt u ertegenaan dat zorgverzekeraars verwijzen naar de criteria van het Zorginstituut, terwijl het Zorginstituut aangeeft hierin niet aan zet te zijn? Wie is volgens u verantwoordelijk voor het actualiseren van deze criteria?
Hoe past het tijdig inzetten van deze technologie, die complicaties en zorgkosten kan voorkomen, binnen uw inzet op passende zorg?
Bent u bereid zorgverzekeraars, behandelaars en patiëntenorganisaties bij elkaar te brengen om de criteria te laten aansluiten bij de stand van de wetenschap en praktijk, en zo nodig het Zorginstituut om een herbeoordeling te vragen?
De mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden van Chemelot |
|
Dion Huidekooper (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Chemelot: de schoorsteen moet roken» over de uitstoot van schadelijke stoffen door Chemelot en de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden?1
Klopt het dat van slechts een beperkt aantal zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) metingen in de leefomgeving beschikbaar zijn en dat deze metingen bovendien maar op één locatie plaatsvinden? Acht u de huidige meetinfrastructuur toereikend om een representatief beeld te krijgen van de werkelijke blootstelling van omwonenden?
Hoeveel door Chemelot uitgestoten ZZS worden op dit moment níét structureel gemeten in de leefomgeving? Bent u bereid ervoor te zorgen dat er op meerdere locaties en op een breder pallet aan ZZS wordt gemeten?
Hoe controleren de Inspectie Leefomgeving & Transport (ILT) en Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) of de gerapporteerde uitstoot van Chemelot overeenkomt met de daadwerkelijke uitstoot uit de installaties op het Chemelot-terrein? Ziet u aanleiding om meer direct bij de bron te meten?
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt voor een mogelijk verhoogd gezondheidsrisico door de combinatie van verschillende ZZS, ook wanneer deze stoffen afzonderlijk onder de wettelijke normen blijven? Wat betekent deze conclusie volgens u voor de risico’s die omwonenden lopen?
Hoe wordt op dit moment bij vergunningverlening rond Chemelot rekening gehouden met de gecombineerde uitstoot van verschillende ZZS?
Welke mogelijkheden heeft de provincie Limburg volgens u om uit voorzorg vergunningen aan te scherpen of aanvullende eisen te stellen vanwege mogelijke risico’s van de gecombineerde uitstoot van ZZS?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de leefomgeving en volksgezondheid om ervoor te zorgen dat bij de vergunningverlening rond Chemelot voldoende rekening wordt gehouden met deze gecombineerde uitstoot? En welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf?
Hoe beoordeelt u de verschillende opvattingen van het RIVM en de provincie Limburg over de betekenis van de mogelijke risico’s van gecombineerde blootstelling? Deelt u de opvatting dat juist meer metingen nodig zijn om duidelijkheid te krijgen over de daadwerkelijke risico’s voor omwonenden?
Hoe wordt bij besluitvorming over Chemelot de economische betekenis van het industriecomplex afgewogen tegen de bescherming van milieu en de gezondheid van omwonenden? Hoe wordt daarbij geborgd dat economische belangen niet ten koste gaan van de gezondheid van omwonenden?
Kunt u verklaren waarom rond bijvoorbeeld Tata Steel uitgebreid gezondheidsonderzoek plaatsvindt, terwijl het RIVM ook rond Chemelot constateert dat belangrijke kennis ontbreekt en aanvullend onderzoek en metingen adviseert?
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van omwonenden van grote industriële complexen in alle regio’s van Nederland voldoende aandacht krijgt en dat Limburg hierin niet achterblijft?
Bent u bereid om samen met de provincie Limburg, het RIVM en de RUD Zuid-Limburg tot een plan van aanpak te komen voor aanvullende metingen en vervolgonderzoek rond Chemelot, en dit plan per Kamerbrief aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus» van RTL Nieuws?1
Hoeveel besmettingen zijn er dit jaar in Nederland vastgesteld, uitgesplitst naar regio, leeftijd en ernst van ziektebeeld?
Is er reden om aan te nemen dat de infectie met het westnijlvirus heeft bijgedragen aan het overlijden van de patiënt die onlangs is overleden en geïnfecteerd is geraakt door het ontvangen van een besmet bloedproduct?
Zijn er naar aanleiding van dit overlijden extra maatregelen genomen om de veiligheid van bloedproducten te garanderen? Indien ja, welke?
Beschouwt u het stijgend aantal infecties met het westnijlvirus bij patiënten als een tijdelijk incident, of beschouwt u dit als een structurele vestiging van het westnijlvirus in Nederland?
Overweegt u een publiekscampagne op te zetten om mensen zo goed als redelijkerwijs mogelijk te informeren over wat mensen zelf kunnen doen om besmetting te voorkomen?
Welke (andere) maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat mensen in Nederland niet besmet raken met het westnijlvirus?
Is onze zorgketen voldoende in staat om symptomen te herkennen bij mensen die geïnfecteerd zijn met het westnijlvirus, en deze patiënten vervolgens te behandelen?
Ziet u raakvlakken met andere infectieziekten die potentieel overgedragen kunnen worden door muggen, en het risico dat deze infectieziekten zich structureel vestigen in Nederland? Zo ja, welke risico's brengen deze ziekten met zich mee en welke maatregelen neemt u om hier adequaat op voorbereid te zijn?
Wat kan Nederland leren van hoe het Caribisch deel van het Koninkrijk, maar ook andere (Europese) landen omgaan met de aanwezigheid en de dreigingen van het westnijlvirus of andere infectieziekten – aangezien het westnijlvirus relatief nieuw is in Europees Nederland, maar in andere (Europese) landen structureel is gevestigd?
Hoe haalt u best practices op uit andere landen die Nederland zouden kunnen helpen bij het bestrijden van het westnijlvirus?
Kunt u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de ontwikkelingen van het westnijlvirus en andere infectieziekten die door muggen of andere dieren worden overgedragen in Nederland, bijvoorbeeld via bestaande structurele rapportages?
Hoe beoordeelt u het bericht «Vier ziekenhuizen en elf ggz-locaties in gebied met hoog risico op natuurbrand» van Skipr, en het onderliggende onderzoek «189 gebouwen met kwetsbare mensen in gebieden met hoog natuurbrandrisico» door Pointer (KRO-NRCV)?1 2
Liggen er voor elk van deze locaties noodscenario’s klaar die ook uitvoerbaar zijn als een natuurbrand zich snel uitbreidt en er weinig tijd is om kwetsbare mensen zoals patiënten/cliënten/leerlingen te evacueren?
Zijn er voor elk van deze locaties uitwijklocaties aangewezen en is daar in de regio genoeg plek en vervoer voor?
Welke maatregelen zijn getroffen om deze locaties in gebieden met hoog risico op natuurbrand ook te beschermen tegen een brand van buitenaf?
Klopt het dat de brandweer voor bescherming van deze locaties tegen brand van buitenaf alleen kan adviseren en geen maatregelen kan afdwingen zoals ze dat wel kan voor brandveiligheid binnen in de gebouwen? Zo ja, hoe beoordeelt u die situatie en bent u voornemens daar iets aan te doen?
Hoe neemt u het risico op natuurbranden in de buurt van zorginstellingen mee in de plannen rond het weerbaarder maken van de zorg?
Het bericht 'Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om»?1
Klopt het dat uit het jaarverslag van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over 2025 blijkt dat de sectoroverstijgende prestatie binnen de Zorgverzekeringswet er niet komt, omdat er geen draagvlak is voor een dergelijk generiek instrument onder zorgverzekeraars?
Deelt u de opvatting dat schotten tussen de zorgwetten samenwerking rond de patiënt in de weg zitten, en dat het wegnemen daarvan bijdraagt aan het leveren van passende zorg?
Kunt u toelichten hoe dit traject is verlopen sinds uw ambtsvoorgangers Helder en Dijkstra de NZa in 2024 vroegen de betaaltitel gereed te hebben voor de contractering van 2025, en of u of uw ministerie hierover met de NZa heeft gesproken?
Welke bezwaren leven er bij zorgverzekeraars, en welke daarvan zijn volgens u oplosbaar?
Hoe betrekt u bij het vervolg de brede steun voor zo'n betaaltitel onder zorgaanbieders en professionals, die eerder bleek uit een consultatie van de NZa?
Welke instrumenten blijven er over om hetzelfde doel te bereiken, namelijk zorg kunnen bekostigen over de grenzen van sectoren en zorgwetten heen, en kunnen bestaande mogelijkheden zoals de facultatieve prestatie of maatwerkafspraken in de contractering hierin voorzien?
Welke van die instrumenten gaat u inzetten, en op welke termijn?
Op welke manier wordt de sectoroverstijgende en domeinoverstijgende beweging geborgd in de wetgeving over passende zorg die u heeft aangekondigd, en bent u bereid daarin vast te leggen dat bekostiging over de schotten van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning heen mogelijk wordt?
Hoe wordt in die wetgeving geborgd dat succesvolle initiatieven voor sectoroverstijgende passende zorg ook echt worden opgeschaald in plaats van te blijven steken in pilots?
Wat betekent deze ontwikkeling voor uw eigen plannen en voor de afspraken die hierover met het veld zijn gemaakt, en ziet u kansen om sectoroverstijgende initiatieven samen met de NZa, het Zorginstituut, zorgverzekeraars en zorgaanbieders alsnog vlot te trekken?
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Ja.
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Ja.
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet all-hazard.
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op (onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen. Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie- en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen. Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus 2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact (of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt. Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda, waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario. Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren van de (militaire) zorgketen.
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood, waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie- en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Het kabinet juicht de ontwikkeling van nieuwe behandelingen voor bijvoorbeeld therapieresistentie PTSS, depressie en verslavingsproblematiek toe. Het kabinet is zich ervan bewust dat verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica gunstige resultaten laten zien, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar MDMA bij posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het is goed om te benadrukken dat het hier gaat om geneesmiddelenonderzoek. Het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van deze en andere therapeutische toepassingen van psychedelica is op dit moment echter nog onvoldoende voor inzet in de praktijk. Het kabinet vindt nationaal en internationaal onderzoek op dit gebied dan ook van groot belang en wacht de resultaten van de lopende studies en beoordeling daarvan door autoriteiten zoals het Europees Medicijn Agentschap (European Medicines Agency, EMA) met belangstelling af.
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Het kabinet heeft daarover inderdaad signalen ontvangen.
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Het kabinet kan niet voorkomen dat patiënten op zoek gaan naar alternatieve behandelingen. Het kabinet heeft begrip voor patiënten die een behandeling willen proberen, maar wil benadrukken dat het in hun eigen belang is dat de behandeling wel effectief en veilig is. Op dit moment is nog onduidelijk welke patiënten precies baat kunnen hebben bij dergelijke therapieën. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat de veiligheid en effectiviteit eerst verder worden onderzocht voordat deze therapieën in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Verder kunnen patiënten informatie over bijvoorbeeld de risico’s van het zelf experimenteren met psychedelica vinden op de websites van het Trimbos1-instituut en van Jellinek2.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid eerst voldoende zijn aangetoond voordat een dergelijk middel als behandeling wordt ingezet. Daarom hecht het kabinet eraan dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor het beschikbaar maken van middelen via een compassionate use programma3 moet aan de voorwaarden van het CBG zijn voldaan4. Er moet bijvoorbeeld zicht zijn op spoedige registratie van het middel. Dit onderstreept nogmaals het belang van gedegen onderzoek naar veiligheid en effectiviteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet wel compassie heeft voor patiënten die op zoek zijn naar een behandeling, zoals ook aangegeven bij vraag 3.
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over bijvoorbeeld patiëntselectie en behandelsetting. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het CBG. Dergelijke studies kunnen inzicht geven in de juiste patiëntengroep en de optimale toepassing van het geneesmiddel. In Nederland zijn er verschillende instanties die onderzoekers kunnen adviseren over de opzet van studies met patiënten, bijvoorbeeld de Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO) en het eerdergenoemde CBG.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
In Nederland is al een duidelijk kader ingericht voor compassionate use. Ik verwijs hiervoor naar het CBG5. Een van de vereisten is zicht op registratie, waarvoor het eerder benoemde klinische onderzoek van belang is.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Het kabinet is ervan op de hoogte dat individuele landen zoals Tsjechië regulerende of uitzonderingsroutes hebben ontwikkeld om dergelijke therapieën (onder strikte voorwaarden) mogelijk te maken. Het is echter belangrijk dat de reguliere routes voor geneesmiddelenontwikkeling worden gevolgd zodat autoriteiten zoals het EMA of het CBG de balans tussen werkzaamheid en veiligheid kunnen beoordelen. Juist in het belang van de patiënt.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet is zich bewust van de grote behandelbehoefte bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica laten gunstige resultaten zien. De toenmalige Minister van VWS heeft daarom, samen met de stichting Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw), 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor nader onderzoek naar psychedelica als behandeling, om de effectiviteit, veiligheid en kwaliteit beter in kaart te brengen6.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Het kabinet refereert hier aan de antwoorden op vraag 7 en 8. Het onderzoek binnen de genoemde ZonMw-subsidie moet daarom, vanwege de genoemde redenen, passen in een eventueel toekomstig registratietraject.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Het kabinet erkent de grote behoefte van patiënten aan nieuwe behandelmogelijkheden, maar vindt het belangrijk dat de effectiviteit en veiligheid van psychedelica als behandeling eerst verder worden onderzocht voordat dergelijke behandelingen in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Het kabinet staat er wel voor open om mogelijkheden te verkennen voor eventuele vervolgfinanciering (bij positieve resultaten) van het ZonMw-onderzoek.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
De Amerikaanse regering heeft beleid geïntroduceerd dat erop is gericht de ontwikkeling en toelating van psychedelische geneesmiddelen te versnellen en de toegang daartoe te vergroten. De ontwikkelingen in de VS vormen voor het kabinet geen aanleiding om van de eigen beleidslijn af te wijken, namelijk inzetten op gedegen onderzoek voordat deze middelen worden ingezet als behandeling. Daar waar wetenschappelijke resultaten uit de VS de inzet van deze middelen in Nederland zou kunnen versnellen is dat natuurlijk welkom.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet ziet op dit moment geen lessen, aandachtspunten of kansen voor Nederlands beleid naar aanleiding van uitspraken van de president van de Verenigde Staten over dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
In algemene zin richten veel farmaceutische bedrijven zich primair op de Amerikaanse markt vanwege de hoge prijzen die daar betaald worden voor geneesmiddelen, dat zal hier niet anders zijn.
Het EMA beschikt over verschillende instrumenten om versnelde of eerdere toegang tot innovatieve geneesmiddelen mogelijk te maken. Bedrijven en onderzoekers kunnen deze benutten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het EMA7. Begin dit jaar heeft een eerste psychedelicum de zogenaamde PRIME status ontvangen door het EMA8. PRIME is een programma van het EMA voor veelbelovende geneesmiddelen die een belangrijke onvervulde medische behoefte kunnen vervullen.
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van effectieve behandelingen bij patiënten met PTSS, waaronder patiënten uit geüniformeerde beroepen.
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Eerder heeft VWS, samen met ZonMw, 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van psychedelica als behandeling. Binnen de oproep kan worden gekozen voor een combinatie van één psychedelicum voor de behandeling van één psychiatrische indicatie. Voor een vergelijkbare subsidie op het gebied van neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, is op dit moment helaas geen ruimte in de begroting. Mogelijk kan het Psynapse-consortium, dat is gevormd als onderdeel van de ZonMw-subsidie, een rol spelen bij het ondersteunen van onderzoek naar het effect van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten.
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Het kabinet is verheugd dat het Psynapse-consortium een ontwikkelplan heeft opgesteld om tot meer geregistreerde geneesmiddelen binnen de psychiatrie te komen. Bovendien verkennen en werken diverse partijen, zoals het EMA, het CBG, het landelijk patiëntenplatform MIND, de Hersenstichting en het Psynapse-consortium, aan de mogelijkheden voor onderzoek naar verschillende psychedelica voor psychiatrische aandoeningen11. Het kabinet ziet de samenwerking tussen deze partijen als een goede ontwikkeling.
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot wetswijzigingen of beleidsaanpassingen. Bij positieve onderzoeksresultaten kan aanvullende financiering voor vervolgonderzoek wenselijk zijn. Op dit moment is hiervoor onvoldoende ruimte in de begroting.
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Het kabinet vindt dat het volgen van deze ontwikkelingen primair een verantwoordelijkheid is van onderzoekers, maar staat open voor signalen en informatie hierover.
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig toetsingssysteem dat klinisch onderzoek in het algemeen moet bevorderen. Daarnaast zal het zich bij de Europese onderhandelingen over de Biotech Act I inzetten voor de maatregelen die gericht zijn op versnelling, stroomlijning en voorspelbaarheid van beoordelingsprocedures van klinisch onderzoek12. Wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën kan, zoals eerder aangegeven, eventueel ook worden gefaciliteerd met (vervolg)subsidies, al is daarvoor op dit moment geen ruimte in de begroting.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Het kabinet heeft bij het opzetten van de eerdergenoemde ZonMw-subsidie als voorwaarde gesteld dat het onderzoek moet aansluiten op eerder en lopend nationaal en internationaal onderzoek.
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Het kabinet ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om in kaart te brengen welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Het is niet de verantwoordelijkheid van het kabinet om het belang van psychotherapie bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten te waarborgen. Het kabinet wijst er wel op dat openbare informatie laat zien dat het EMA aandacht heeft voor een mogelijke rol van psychotherapie bij de behandeling met psychedelica en de methodologische aspecten daarvan bij het klinisch onderzoek13.
Tegelijkertijd geeft het EMA aan dat, hoewel geneesmiddelenautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toelaten van nieuwe geneesmiddelen op de markt, zij niet bepalen hoe artsen deze geneesmiddelen in de klinische praktijk gebruiken14.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Marc Vervuurt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
De signalen dat testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk staan, neem ik serieus. Financiering is essentieel voor het functioneren van zorgsystemen en voor een effectieve preventie. Abrupte veranderingen kunnen directe gevolgen hebben voor de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Volgens recent PEPFAR persbericht zijn Amerikaanse uitgaven voor tegengaan van hiv-aids met 30% gedaald, maar blijft de VS een significante donor op dit gebied.
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Ja, die analyse deel ik. Verminderde toegang tot testen en preventie kan op middellange termijn leiden tot een toename van nieuwe hiv-infecties. Als meer mensen geïnfecteerd raken en minder mensen hun hiv-status kennen, is de kans op verdere transmissie groter. Dit kan eerder behaalde vooruitgang in de bestrijding van hiv-aids afremmen.
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Kwetsbare groepen, zoals lhbtiq+ gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen, maar ook sekswerkers en mensen die drugs gebruiken worden doorgaans onevenredig hard geraakt door de gevolgen van teruglopende financiering.
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
Ja, die zorg deel ik. Om het virus te onderdrukken hebben mensen die leven met hiv, levenslang medicatie nodig. In gevallen waar toegang tot deze behandeling plots wegvalt, vormt dit een groot risico voor de eigen gezondheid en voor de beheersing van de infectieziekte.
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
De vooruitgang kan deels verloren gaan als financiering structureel vermindert. Voor Zuid-Afrika, als middeninkomensland, geldt dat de overheid het merendeel (76%) van de aidsbestrijding financiert vanuit het nationaal budget (in 2.024 USD 1.6 miljard), wat het risico op terugval beperkt. Echter, omliggende landen met minder budgettaire ruimte lopen een groter risico. Gerichte internationale steun blijft daarom van belang. Ondanks de daling van 30%, blijft de VS een significante donor in de hiv-bestrijding in Afrikaanse landen.
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Deze ontwikkeling kan het behalen van mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het beëindigen van aids als dreiging voor de volksgezondheid in 2030 bemoeilijken. Data van UNAIDS over toekomstige scenario’s tonen aan dat eerder geboekte vooruitgang verloren kan gaan als voldoende financiering voor preventie, diagnose en behandeling ontbreekt.
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
De Europese Unie en Nederland steunen via multilaterale fondsen en maatschappelijke organisaties de versterking van nationale hiv/aids-bestrijdingsprogramma’s in het mondiale zuiden. Nederland hecht aan duurzame, voorspelbare en effectieve financiering voor gezondheidsbeleid en draagt daaraan bij via diplomatieke inzet voor efficiëntere gezondheidssystemen. Door Nederland gesteunde fondsen als het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria hanteren daarbij het uitgangspunt dat partnerlanden meer eigen middelen inzetten naarmate hun inkomensniveau stijgt. Op die manier kan externe financiering geleidelijk worden afgebouwd. Ook via de Nederlandse bijdrage aan de Global Financing Facility van de Wereldbank worden landen gestimuleerd eigen budget vrij te maken voor gezondheidsbeleid.
Op EU-niveau heeft Nederland het stopzetten van USAID besproken in overleggen over de EU Mondiale Gezondheidsstrategie en het EU Global Health Resilience Initiative. Nederland pleit daarbij voor een sterke en gecoördineerde Europese aanpak om de positieve impact te vergroten. De weggevallen Amerikaanse financiering kan echter niet door Nederland en de EU worden gecompenseerd. Daarvoor is de weggevallen steun te omvangrijk.
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich inzetten voor mondiale gezondheid en het tegengaan van hiv-aids binnen de bestaande budgettaire kaders.
Zo is Nederland de grootste donor van UNAIDS (EUR 18,2 miljoen in 2026). Ook draagt het jaarlijks bij aan Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (EUR 48,8 miljoen). Daarnaast loopt er een hiv-aids programma in Zuidelijk Afrika (EUR 9,8 miljoen in 2026).
Het kabinet is voornemens in 2026 een nieuw hiv/aids programma (EUR 100 miljoen 2026- 2030) te starten in 7 landen in Zuidelijk Afrika, waaronder Zuid-Afrika. De Nederlandse bijdrage aan internationale hiv-aids programma’s in 2026 zal daarmee uitkomen op ongeveer EUR 81 mijloen.
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is zorgwekkend. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen.
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat een ontheffing (waiver) mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen.
Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van diversiteit en inclusie, kan dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Het Amerikaanse beleid kan worden toegepast op organisaties die Nederlandse financiering ontvangen. Het kabinet zet zich in om via eigen programma’s en partnerschappen de eventuele negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk te beperken. Zo gaan we het gesprek aan met organisaties waarvan we weten dat zij ook financiering van de VS ontvangen. Tegelijkertijd zal Nederland zich nog nadrukkelijker diplomatiek en politiek inspannen voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, om samen bij te dragen aan aidsbestrijding.
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Nederland zet zich zowel in EU- als multilateraal verband actief in voor een effectieve mondiale aidsbestrijding, met een nadrukkelijke focus op de mensenrechtenbenadering (tegengaan van stigma en discriminatie van gemarginaliseerde groepen) hierbinnen. Nederland zet tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Global Europe-pijler van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), in op aandacht voor zowel mondiale gezondheid als seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (inclusief hiv-aids).
Op multilateraal niveau zal Nederland tijdens de vijfjaarlijkse VN High Level Meeting on HIV/AIDS in juni pleiten voor de aanname van een sterke politieke verklaring, waarmee het internationale politieke draagvlak voor een effectieve en duurzaam gefinancierde mondiale aidsbestrijding opnieuw bevestigd wordt. Verder is Nederland op dit moment de voorzitter van de Programme Coordinating Board (PCB) van UNAIDS. In deze rol maakt Nederland zich sterk voor duurzame financiering en integratie van hiv-aids aanpak binnen brede gezondheidszorg. Binnen het hervormingsproces van de VN (UN80) zet Nederland zich actief in voor een succesvolle transitie van UNAIDS en het behoud van een sterke multi-sectorale, community-led en op mensenrechten gebaseerde mondiale hiv/aids aanpak.Nederland vervult hiermee een erkende voortrekkersrol binnen de mondiale aidsbestrijding op Europees en multilateraal niveau.
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
De EU en Europese lidstaten zijn samen een van de grootste donoren op het gebied van mondiale gezondheid in Afrika. Deze positie brengt mogelijkheden om gezamenlijk te werken aan een grotere impact op het vlak van mondiale gezondheid en SRGR in Afrikaanse landen. Zie beantwoording vraag 8.
De EU en lidstaten werken al veel samen op het gebied van gezondheid en SRGR, inclusief hiv-aids in Afrika binnen de kaders van de EU mondiale gezondheidsstrategie. Zo werkt NL samen met EU lidstaten aan een versterkte samenwerking en coördinatie op het gebied van SRGR in de context van het Team Europe Initiatief SRGR. Nederland is een actieve en vastberaden partner met name op gelijke toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, specifiek voor gemarginaliseerde groepen.
Een sterkere positionering vereist eensgezindheid binnen de EU op SRGR. Dit vergt voortdurend diplomatieke inspanningen waarvoor Nederland zich met gelijkgezinden blijft inzetten.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Helaas is dat niet gelukt.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.