Het bericht 'Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling»?1
Ja.
Klopt het dat in 2023, op een aantal van 129.250 meldingen van huiselijk geweld, vijfhonderd meldingen van ouderenmishandeling in de thuissituatie zijn gedaan?
In 2023 ontving Veilig Thuis landelijk 127.390 meldingen van kindermishandeling of huiselijk geweld. Van dat aantal ging het bij 2.335 meldingen om situaties van ouderenmishandeling. In 2024 waren er landelijk 129.250 meldingen, waarbij het in 2.500 situaties ging om ouderenmishandeling.
Kunt u aangeven hoe deze 2.500 meldingen zijn onderverdeeld in de diverse categorieën van ouderenmishandeling, namelijk lichamelijke, geestelijke of financieel misbruik?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteert halfjaarlijks over de aard van het geweld van meldingen van kindermishandeling en huiselijk geweld. Onder de categorie ouderenmishandeling vallen onder andere fysieke mishandeling, verwaarlozing, emotionele mishandeling en financieel misbruik. Per situatie van ouderenmishandeling kan sprake zijn van meerdere vormen van geweld, bijvoorbeeld fysieke mishandeling in combinatie met financieel misbruik.
De meeste meldingen over ouderenmishandeling in 2023 betroffen emotionele mishandeling (1.430), gevolgd door fysieke mishandeling (1.030). 620 keer ging het over financiële mishandeling van ouderen, 420 keer over verwaarlozing en 65 keer over seksueel misbruik. Dit totaal is hoger dan het totaal van 2.335 meldingen, omdat binnen één melding sprake kan zijn van meerdere vormen van geweld.
Deelt u de conclusies van VU-hoogleraar Kees Blankman dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting, dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van mishandeling en dat ouderenmishandeling vaker voorkomt dan kindermishandeling? Zo nee, kunt u dan toelichten waarom niet?
De uitkomst dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van een vorm van mishandeling, is afkomstig uit een onderzoek van Regioplan uit 2018. Dit is het meest recente prevalentieonderzoek. Ik ben niet bekend met andere onderzoeken. Ik deel daarmee niet zondermeer de conclusie dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting. Om hier uitspraken over te kunnen doen is meer inzicht in actuele cijfers nodig. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht. Daarmee komen nieuwe, actuele cijfers beschikbaar over de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Deelt u het vermoeden van de voorzitter van het landelijk netwerk Veilig Thuis, dat er sprake is (of kan zijn) van onderregistratie van ouderenmishandeling ten opzichte van andere vormen van huiselijk geweld, dat slechts een klein percentage van de meldingen die zij binnenkrijgen gaat over ouderenmishandeling en dat zij meent dat dat «er veel meer moeten zijn»?
Ik herken het signaal van de voorzitter van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis dat er mogelijk sprake is van onderregistratie van ouderenmishandeling. Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling: het aantal meldingen ouderenmishandeling is al enkele jaren stabiel rond de 2.000 á 2.500 per jaar. Het aantal meldingen dat Veilig Thuis ontvangt is veel lager dan het aantal ouderen dat, zo blijkt uit het prevalentie onderzoek van regioplan uit 2018, te maken krijgt met ouderenmishandeling.
Mogelijke verklaringen voor deze onderrapportage zijn dat ouderenmishandeling lange tijd ongezien of verborgen kan blijven. Dit kan bijvoorbeeld komen door gevoelens van schaamte of taboe bij ouderen. Daarnaast kan het door de vaak geleidelijke ontwikkeling en dunne grens tussen intensieve zorg en grensoverschrijdend gedrag lastig zijn om signalen te herkennen, zowel voor ouderen zelf als voor het (in)formele netwerk. Ook de afhankelijkheidsrelatie tussen de oudere en de persoon die de onveiligheid veroorzaakt kan een rol spelen.
Via diverse activiteiten wordt geprobeerd dit te verbeteren. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin één van de drie centrale thema’s een vorm van ouderenmishandeling was. Het doel van de campagne was om omstanders van kindermishandeling, partnergeweld en ouderenmishandeling te stimuleren om bij een vermoedelijk slachtoffer het gesprek aan te gaan en te vragen hoe het gaat.
Op welke wijze kan de onderregistratie van ouderenmishandeling met zekerheid worden aangetoond (of weerlegd)? Welke stappen heeft u al genomen om de drempels over melding van ouderenmishandeling te verlagen c.q. weg te nemen zodat een waarheidsgetrouw beeld ontstaat over ouderenmishandeling?
Door het aantal meldingen bij Veilig Thuis te vergelijken met onderzoeksgegevens over hoe vaak ouderenmishandeling voor komt, kan een beeld worden gevormd over in hoeveel gevallen ouderenmishandeling wordt gemeld. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht.
Om drempels voor het melden van ouderenmishandeling te verlagen wordt ingezet op bewustwording en het vergroten van herkenning. Een initiatief dat hierop gericht is betreft de chatfunctie op de website van Veilig Thuis. Deze biedt toegankelijke informatie, tips en advies voor het voeren van gesprekken over signalen van ouderenmishandeling. Ook biedt Veilig Thuis een AI-tool door middel waarvan gerichte informatie en aandachtspunten worden geboden over het voeren van gesprekken met ouderen over zorgelijke situaties en onveiligheid. Dit ondersteunt zowel professionals als burgers bij het sneller herkennen en bespreekbaar maken van signalen van ouderenmishandeling.
Daarnaast lanceert het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) deze maand een signalenpagina over ouderenmishandeling, met informatie over herkenbare signalen, handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning. Deze pagina is specifiek bedoeld om betrokkenen te helpen het gesprek aan te gaan en passende vervolgstappen te zetten. Verder wordt binnen beroepsgroepen, waaronder huisartsen, ingezet op scholing en training in signalering van ouderenmishandeling. Door professionals kennis, handvatten en handelingskaders aan te reiken, wordt hun bewustzijn vergroot ten aanzien van mogelijke signalen, wat kan bijdragen aan de signalering en opvolging van vermoedens.
Indien de onderregistratie met zekerheid kan worden aangetoond, welke maatregelen gaat u dan nemen om de onderregistratie aan te pakken en het aantal meldingen significant te verhogen?
Ongeacht inzicht dat nieuw onderzoek kan geven in welk deel van de situaties ouderenmishandeling wordt gemeld, wordt in de huidige aanpak al uitgegaan van de mogelijkheid dat ouderenmishandeling nog te vaak en te lang niet zichtbaar is. Om deze reden wordt ingezet op het vergroten van bewustwording en herkenning van signalen, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van samenwerking in de keten en het vergroten van kennis bij mantelzorgers en naasten. Op basis van de uitkomsten van nieuw onderzoek kan worden bekeken of en welke vervolgstappen nodig zijn.
Is er volgens u een verband tussen de toename van mantelzorg als gevolg van beleidsaanpassingen en het overbelast raken van mantelzorg, met een toename van spanningen en zelfs mishandelingen tot gevolg? Is hier specifiek onderzoek naar gedaan?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag harder dan zowel het aantal zorgverleners als de beroepsbevolking in het algemeen. Hierdoor ontstaat er een toenemende druk op mantelzorgers. Dit zorgt ook voor een toenemend risico op overbelasting van mantelzorgers. Overbelasting van mantelzorgers kan leiden tot ontspoorde mantelzorg2. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers, om zo overbelasting te voorkomen.
Het SCP voert periodiek onderzoek uit op het thema informele zorg, waarin ook de (over)belasting van mantelzorgers is opgenomen. In 2026 verwachten we nieuwe rapportages van het SCP. Hierin wordt echter geen onderzoek gedaan naar de mate waarin overbelasting van mantelzorgers leidt tot ontspoorde mantelzorgsituaties.
Wat vindt u van het voorstel om een nieuw expertisecentrum op te zetten, met betrokkenheid van politie, banken, en notarissen, voor snellere signalering en actie?
Er bestaat een infrastructuur van samenwerkingsverbanden die gericht zijn op de bescherming van ouderen tegen misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Deze lokale allianties zijn intensieve samenwerkingsverbanden van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk én Veilig Thuis. De meerwaarde van een lokale alliantie is dat deze specifieke expertise kan inbrengen vanuit de private partijen, en die kan combineren met kennis van publieke partijen. Hierdoor kan financieel misbruik in de praktijk eerder gesignaleerd worden.
Verder deel ik het belang van het versterken van (landelijke) samenwerking. VWS neemt deel aan de «Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden», waarin onder andere Veilig Thuis, seniorenorganisaties, diverse grootbanken, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan de preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), een samenwerkingsverband dat zich expliciet richt op het voorkomen, signaleren en bestrijden van ouderenmishandeling. Het LPBO wordt georganiseerd door medewerkers van Veilig Thuis en betrekt diverse ketenpartners. Ook banken en notarissen kunnen, wanneer relevant, deelnemen. Daarmee vormt het LPBO een landelijk netwerk gericht op de aanpak van ouderenmishandeling.
Gezien alle reeds bestaande samenwerkingsverbanden ben ik geen voorstander van het opzetten van een nieuw expertisecentrum.
Deelt u de opvatting van hoogleraar Blankman, dat «Veilig Thuis» meer bevoegdheden moet krijgen, onder meer als primaire verzoeker van maatregelen bij de rechter, zoals bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming dat doet voor kinderen die in de knel zitten? Welke stappen gaat u hiervoor ondernemen?
Hoogleraar Blankman lijkt te verwijzen naar de doorzettingsmacht in situaties waarin sprake is van mogelijke wilsonbekwaamheid. Ik deel de opvatting niet dat Veilig Thuis meer bevoegdheden als primaire verzoeker bij de rechter zou moeten krijgen. Veilig Thuis opereert in het vrijwillig kader en het toevoegen van de functionaliteit van verzoeker van maatregelen bij de rechter staat haaks op het belang van laagdrempeligheid en vrijwilligheid. Daarbij komt dat Veilig Thuis zich primair richt op meldingen, advies en ondersteuning, niet op juridische interventies. Veilig Thuis kán op dit moment al bij uitzonderlijke gevallen een verzoek doen bij de officier van justitie voor mentorschap of ondercuratelestelling. Verder is er tussen Veilig Thuis, het Openbaar Ministerie en de politie een stevig netwerk op het thema ouderenmishandeling en op casus-niveau afstemming. De aanpak richt zich op preventie en vroegsignalering van ouderenmishandeling zodat schrijnende situaties tijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Deelt u de opvatting dat als ouderenmishandeling inderdaad net zo vaak of vaker voorkomt dan kindermishandeling, de aanpak van ouderenmishandeling ook een min of meer vergelijkbare hoeveelheid aandacht en middelen toebedeeld zou moeten krijgen in vergelijking met kindermishandeling?
Ik deel de opvatting dat ouderenmishandeling een ernstig maatschappelijk probleem is dat structurele aandacht verdient. Ik streef naar een aanpak die is afgestemd op de specifieke aard en context van de problematiek en die de beschikbare middelen zo effectief mogelijk inzet. Naast de specifieke inzet op ouderenmishandeling wordt deze groep ook expliciet meegenomen in de brede aanpak huiselijk geweld, die zich richt op slachtoffers van alle leeftijden.
Deelt u de mening dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn voor een buitenstaander? Zou mishandeling in de zorg daar bijvoorbeeld voor de leek niet buitenvallen?
Ik herken niet dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn in de context van huiselijk geweld. Kern van de term is dat het gaat om situaties in de persoonlijke leefwereld van een slachtoffer en de afhankelijkheidsrelatie met de (vermoedelijke) pleger. Het onderscheid tussen een eigen woning of een woning in een zorginstelling is daarbij niet relevant. Belangrijk verschil kan wel zijn wie de (vermoedelijke) pleger van het geweld is, bijvoorbeeld een kind of ander familielid, of juist een professional uit een zorginstelling. Mishandeling in de zorginstelling of door zorgverleners valt formeel onder andere categorieën, zoals professionele of institutionele mishandeling en wordt via specifieke meld- en toezichtssystemen aangepakt.
Deelt u de mening dat een betere omschrijving zou zijn: «Alle soorten van ouderenmishandeling zijn strafbaar»? Kan dit worden aangepast?
Ouderenmishandeling komt in verschillende vormen voor, zoals fysieke, psychische, seksuele mishandeling en financiële uitbuiting. Er is echter geen strafrechtelijke definitie van ouderenmishandeling. In plaats daarvan worden de strafbare vormen van ouderenmishandeling zoals mishandeling, opzettelijk benadelen van de gezondheid, onthouden van zorg, bedreiging, seksueel misbruik en financiële misdrijven afzonderlijk behandeld op basis van de relevante strafbepalingen (zoals genoemd in het Wetboek van Strafrecht).
Hoewel de term «ouderenmishandeling» als zodanig geen specifieke strafrechtelijke betekenis heeft, worden de afzonderlijke strafbare gedragingen wel degelijk strafrechtelijk vervolgd. Het Openbaar Ministerie beslist in voorkomende gevallen of vervolging opportuun is, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak.
Bent u zich ervan bewust dat de toenemende vergrijzing gecombineerd met schaamte en afhankelijkheid, steeds vaker kan leiden tot nagenoeg onzichtbare ouderenmishandeling op geestelijk en financieel gebied, en welk soort stappen wordt ondernomen om de bewustwording hiervoor te vergroten?
Ik ben mij bewust van de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen die kunnen leiden tot meer en/of onzichtbare situaties van ouderenmishandeling. De toenemende digitalisering stelt ook toenemende eisen aan de digitale vaardigheden van ouderen, waardoor mogelijk sneller een beroep wordt gedaan op derden om ouderen te helpen bij bijvoorbeeld bankzaken.
Om de bewustwording te vergroten en ouderenmishandeling bespreekbaar te maken zijn verschillende initiatieven ontwikkeld. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin ouderenmishandeling specifiek werd uitgelicht. Andere voorbeelden zijn de signalenpagina ouderenmishandeling en de activiteiten van het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), die het herkennen van signalen en de samenwerking tussen professionals ondersteunen. Er zijn initiatieven specifiek gericht op het voorkomen van financieel misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Op het gebied van financieel veilig ouder worden zijn er informatieboxen van VWS, die kosteloos kunnen worden aangevraagd en steeds vaker worden besteld.
Zijn de verplichte trainingen of protocollen thans voldoende voor zorgprofessionals om ouderenmishandeling routinematig te signaleren, aangezien fysieke ouderenmishandeling vaak pas zichtbaar wordt bij ziekenhuisopnames van 70-plussers?
Zorgprofessionals die werken met ouderen vallen onder de Wet verplichte meldcode HHuiselijk Geweld en Kindermishandeling. Dat betekent dat zij verplicht zijn om te werken met de meldcode, deze te kennen en volgens de vijf stappen van de meldcode te handelen. Dit geldt voor onder meer voor artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal werkers en wijkteams. Iedere organisatie moet duidelijke werkafspraken hebben voor het signaleren en handelen bij vermoedens van huiselijk geweld en ouderenmishandeling. Iedere beroepsgroep die onder de meldcode valt heeft een eigen afwegingskader ontwikkeld, gebaseerd op het landelijke basismodel dat in 2019 werd vernieuwd. Dat afwegingskader helpt professionals bepalen wanneer het noodzakelijk is om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Zou een jaarlijkse check bij een voorziening als een consultatiebureau – zoals verzocht in de motie-Tielen – voor ouderen deze mishandeling tijdig kunnen signaleren?2
De insteek van de motie-Tielen zag op het realiseren van eenduidige toegang tot preventie en vroegsignalering van gezondheidsrisico’s en problemen voor ouderen. Op dit moment wordt verkend welke functies en vormen een dergelijke voorziening zou kunnen omvatten. Deze verkenning bevindt zich nog in een oriënterende fase.
Kunt u aangeven hoe ver gevorderd u bent met het onderzoek naar deze in onzd ogen zeer gewenste en gemiste voorziening voor ouderen?
Naar verwachting zal in de loop van 2026 meer duidelijkheid komen over hoe een toekomstig aanbod gericht op gezondheidsbevordering voor ouderen eruit zou kunnen zien.
Het artikel ‘Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de cijfers zoals weergegeven in de tabellen bij dit artikel inderdaad correct worden weergegeven en gebaseerd zijn op CBS-data?1
De cijfers in dit artikel geven inzicht in hoe de mediane koopkracht van personen zich van jaar-op-jaar ontwikkelt en zijn afkomstig van het CBS. Alhoewel de cijfers correct worden weergegeven, zijn er ook nuances bij het artikel te plaatsen (zie het antwoord op vraag 2).
Wat vindt u van de in het artikel getoonde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden versus de koopkrachtontwikkeling van werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden? Ziet u hier een «evenwichtig inkomensbeeld» of niet? Graag een toelichting.
De cijfers in het artikel laten zien dat gepensioneerden in doorsnee een lagere koopkrachtontwikkeling hebben gehad dan werknemers, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden sinds 2011. In onderstaande figuur 1, eveneens afkomstig van het CBS, wordt de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 verder uitgesplitst naar hoogte van het aanvullend pensioen. De figuur toont dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen: hoe hoger het aanvullend pensioen, hoe lager de koopkrachtontwikkeling. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen in deze periode. Voor gepensioneerden met de laagste inkomens geldt dat de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, en dat de AOW wel geïndexeerd is in deze periode omdat deze gekoppeld is aan het minimumloon. Voor de gepensioneerden met de laagste inkomens is tot en met 2022 dus sprake geweest van een koopkrachtstijging die meer in lijn is met de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden tot en met 2022, dan van gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen.
Bij het artikel past ook een aantal kanttekeningen.
Ten eerste suggereren de cijfers in het artikel dat de inkomenspositie van de groep werknemers als geheel fors verbeterd is ten opzichte van de groep gepensioneerden, maar dat is niet het geval. De cijfers in het artikel geven de koopkrachtontwikkeling weer van iemand al sinds 2011 gepensioneerd is of vanaf 2011 tot nu toe heeft gewerkt. In figuur 2 wordt de ontwikkeling van het absolute inkomen van groepen (gedefinieerd als het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen) weergegeven tussen 2011 en 2024. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van het inkomen van gepensioneerden meer in lijn ligt met dat van werkenden, dan de cijfers in het artikel suggereren.
Dat de ontwikkeling van het absolute gemiddeld inkomen van werkenden en gepensioneerden meer met elkaar in de pas loopt dan in het artikel, is toe te schrijven aan meerdere factoren. Zo geldt dat nieuwe gepensioneerden gemiddeld genomen steeds hogere pensioenen hebben dan oudere gepensioneerden. Verder geldt dat een deel van de koopkrachtstijging van werkenden in het artikel het gevolg is van de inkomensgroei die werknemers realiseren tijdens hun carrière, bijvoorbeeld door een hogere salarisschaal of -trede. Binnen de groep werkenden nemen individuele werknemers ieder jaar een steeds betere positie in. Maar de inkomenspositie van de groep werkenden verbetert hierdoor niet per se. Dit komt doordat startende werknemers vaak onder aan het inkomensgebouw beginnen, en werknemers die met pensioen gaan vaak aanzienlijk hoger zitten in het inkomensgebouw. Gepensioneerden hebben deze inkomensgroei vaak ook meegemaakt in hun werkverleden.
Een tweede kanttekening bij de cijfers in het artikel is dat het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen ook de (toekomstige) pensioenen van werknemers raakt. Dit effect is echter niet zichtbaar in de koopkracht- of inkomenscijfers van het CBS, CPB en het Ministerie van SZW.
Figuur 1
Bron: CBS
Figuur 2: Ontwikkeling gemiddeld reëel gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, 2011–2024, 2011=100
Bron: CBS (onbewerkte cijfers: StatLine - Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerken), bewerking Ministerie van SZW
Klopt de volgende constatering: «Uiteindelijk bleef de koppeling overeind, maar het staafdiagram laat zien dat daar weinig van overbleef. Het voordeel voor de gepensioneerden werd via fiscale maatregelen weer afgeroomd?». Indien nee, waarom klopt de constatering niet? En zo ja, kunt u preciseren welke maatregelen hiervoor verantwoordelijk waren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 geldt dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen. Voor gepensioneerden met lagere inkomens geldt dat de ontwikkeling van de AOW, die gekoppeld is aan minimumloon, gezorgd heeft voor een positieve koopkrachtontwikkeling in de periode 2011–2022. Het kabinet herkent de constatering dat de koppeling overeind bleef voor deze groepen, maar niet dat deze weer werd afgeroomd. De koppeling zorgde immers voor koopkrachtstijging voor gepensioneerden met de laagste inkomens (zie figuur 1). Wel geldt dat gepensioneerden inderdaad geen profijt hebben gehad van de lastenverlichting via de hogere arbeidskorting, die als doel heeft gehad om (meer) werken meer lonend te maken (zie ook het antwoord op vraag 4). Voor gepensioneerden met hogere aanvullende pensioenen is de koopkrachtontwikkeling sinds 2011 minder gunstig geweest. Het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen is hiervoor een belangrijke verklaring geweest.
Deelt u de conclusie dat de concentratie van lastenverlichting via de arbeidskorting, ervoor heeft gezorgd dat lastenverlichting relatief minder neerslaat bij AOW’ers? Erkent u dat de onevenredig harde groei van de arbeidskorting, medeverantwoordelijk is voor het achterblijven van de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden en zelfstandigen? Indien nee, waarom niet?
Het klopt dat de maximale arbeidskorting fors is toegenomen sinds de invoering ervan (zie ook het antwoord op vraag 5). Met name werkenden met een inkomen tussen het minimumloon en modaal, die een hoge arbeidskorting ontvangen, hebben hiervan profijt gehad. De hogere arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat (meer) werken meer lonend is geworden. Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben inderdaad geen profijt gehad van de hogere arbeidskorting. Voor gepensioneerden geldt ten slotte wel dat de ouderenkorting is toegenomen sinds 2011, zij het niet in dezelfde mate als de arbeidskorting (zie het antwoord op vraag 5).
Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de maximale hoogte van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek, per jaar sinds 2010? Kan daarbij tevens per jaar het budgettaire beslag van deze regelingen worden getoond?
Onderstaande tabel toont de maximale hoogte en het budgettair beslag van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek sinds 2010.
1.489
9.721
684
1.386
9.427
1.672
1.574
10.230
739
1.530
9.484
1.760
1.611
10.005
762
1.628
7.280
1.647
1.723
9.694
1.032
2.419
7.280
1.733
2.097
11.742
1.032
2.434
7.280
1.660
2.220
12.968
1.042
2.484
7.280
1.645
3.1031
17.276
1.187
2.756
7.280
1.652
3.2231
18.564
1.292
3.008
7.280
1.769
3.2491
19.755
1.418
3.506
7.280
1.882
3.3991
19.522
1.596
4.017
7.280
1.860
3.8191
21.968
1.622
4.168
7.030
1.752
4.2051
25.447
1.703
4.360
6.670
1.692
4.2601
26.374
1.726
4.459
6.310
1.743
5.0521
32.110
1.835
4.701
5.030
1.343
5.5321
36.016
2.010
5.269
3.750
1.022
5.5991
36.921
2.035
5.439
2.470
645
voor hogere inkomens wordt de arbeidskorting afgebouwd naar nul in deze jaren
Erkent u, dat het inkomensbeeld van Nederlandse gepensioneerden zoals getoond in het artikel, veel gunstiger zou zijn geweest als de Nederlandse aanvullende pensioenen sinds 2010 zouden zijn verhoogd met hetzelfde percentage als de aanvullende pensioenen in andere EU-landen, of met hetzelfde percentage als de staatspensioenen in andere EU-landen?
Zie ook het antwoord op vraag 9. De indexatie van aanvullende pensioenen en staatspensioenen in EU-landen zijn niet zonder meer vergelijkbaar. Figuur 1 laat voor Nederland in ieder geval zien dat de AOW sinds 2011 wel geïndexeerd is geweest, vanwege de koppeling aan het minimumloon. Hier zijn gepensioneerden waarvan de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, er meer op vooruitgegaan zijn dan gepensioneerden bij wie het aanvullend pensioen een groter deel van het inkomen uitmaakt. Verder geldt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen (zie het antwoord op vraag 12).
Kunt u een tabeloverzicht geven, per jaar vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de Nederlandse aanvullende pensioenen, in de tweede kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de aanvullende pensioenen in andere EU-landen en in de derde kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in andere EU-landen?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u tevens een landen specifiek overzicht geven vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in Frankrijk en daarnaast respectievelijk ook van Italië, Spanje en Duitsland?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u weerleggen, dat diverse toonaangevende artificiële intelligentie toepassingen, waaronder Grok en ChatGPT, bevestigend antwoorden op de vraag of het klopt dat Nederlandse aanvullende (beroepspensioenen) in de periode 2008–2024 inderdaad minder zijn geïndexeerd dan aanvullende pensioenen in andere EU-landen, minder dan de staatspensioenen in andere EU-landen én minder dan het Nederlandse staatspensioen (AOW)? Geven deze toepassingen een onjuist antwoord? Baseren zij zich op andere data of kunt u erkennen dat het inderdaad de waarheid is? Deelt u de mening dat dit eigenlijk onaanvaardbaar is?
In algemene zin deel ik niet de mening dat eventuele verschillen in indexatie tussen gepensioneerden in verschillende landen per definitie onaanvaardbaar zijn. De indexatie van aanvullende pensioenen kan namelijk niet op een gelijkwaardige manier worden vergeleken met de indexatie van staatspensioenen. Beide vormen van pensioen worden immers op een andere wijze gefinancierd.
Aanvullende pensioenen zijn kapitaalgedekt en zijn daardoor vooral afhankelijk zijn van ontwikkelingen op de financiële markten en de rentestanden. Staatspensioenen worden gefinancierd uit lopende begrotingen en zijn, bijvoorbeeld in het geval van Nederland, gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Daarnaast geeft het ook een onvolledig beeld om louter de indexatie van aanvullende pensioenen van verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dit omdat de doelen en de indexatieregels van aanvullende pensioenen per land verschillen.
Overigens heeft mijn ministerie dezelfde vraag ook gesteld aan Grok en ChatGPT. Grok wees naar de Nederlandse indexatieregels van het oude pensioenstelsel als reden voor waarom de indexatie van Nederlandse pensioenfondsen lager was dan in andere landen. Als bron wordt verwezen naar «Better Finance»2. In deze publicatie is zichtbaar dat in de verschillende EU-lidstaten verschillende pensioensystemen worden gehanteerd en dat het netto-rendement van Nederlandse pensioenfondsen tussen 2014–2023 positief is. ChatGPT stelde dat het een onjuiste of op zijn minst oncontroleerbare bewering is om met zekerheid te stellen dat Nederlandse aanvullende pensioenen minder geïndexeerd zijn dan aanvullende pensioenen in de meeste andere EU-landen omdat daar onvoldoende vergelijkende data voor beschikbaar is.
Bij het gebruik van AI-toepassingen om Kamervragen te beantwoorden is overigens de nodige voorzichtigheid geboden. De verschillende AI-toepassingen leiden vaak nog niet tot waterdichte antwoorden en missen vaak belangrijke nuances, zoals in deze specifieke vraag het punt dat een vergelijking van louter de aanvullende pensioenen van verschillende landen een onvolledig beeld geeft.
Welk deel van het voor aanvullend pensioen bestemde kapitaal in de Europese Unie respectievelijk in de eurozone, kan worden toegerekend aan Nederlandse pensioenfondsen en pensioendeelnemers en welk deel aan andere lidstaten? Kan het antwoord worden gegeven in percentages en met aparte cirkeldiagrammen voor de EU en de eurozone?
Volgens het «IORPS in Focus Report 2024» van EIOPA3 kan 59% van het totale pensioenkapitaal in de Europese Economische Ruimte toegerekend worden aan Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi). In de onderstaande figuur wordt inzicht gegeven in de verdeling over de lidstaten. Het «PensionsEurope Report 2024»4 geeft aan dat in het vierde kwartaal van 2024 53,37% van het totale pensioenvermogen in de eurozone Nederlands pensioenvermogen betrof.
Figuur 3: Pensioenvermogen in beheer in de EER in miljoenen euro’s.
Bron: EIOPA (2025), IORPS in Focus Report 2024
Wat was het cumulatieve rendement van Nederlandse pensioenfondsen over de periode 2008–2020 in procenten? Wat was over dezelfde periode het cumulatieve rendement van niet-Nederlandse pensioenfondsen in de EU? Geeft het verschil in rendement onderbouwing voor het verschil in indexatie in de periode?
Bij het Ministerie van SZW is geen data bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij wil ik opmerken dat de gevraagde vergelijking van Nederlandse pensioenfondsen met buitenlandse pensioenfondsen op louter het cumulatieve rendement beperkte inzichten geeft. Ten eerste behoort het behaalde rendement altijd in samenhang met het bijbehorende risico te worden bekeken. Daarnaast keren Nederlandse pensioenfondsen geen vermogen uit maar een levenslange uitkering. Om dit te kunnen bieden, moeten Nederlandse pensioenfondsen onder andere risico’s zoals de rentevolatiliteit afdekken, iets wat voor buitenlandse pensioenfondsen anders kan zijn, gelet op de verschillende doelen en indexatieregels voor aanvullende pensioenen per land.
Begrijpt u dat Nederlandse gepensioneerden zich ernstig benadeeld voelen als zij op afstand de grootste pensioenpot van Europa bij elkaar hebben gespaard, maar tegelijkertijd moeten aanzien dat zowel staatspensioenen als aanvullende pensioenen in andere EU-landen veel harder zijn gestegen. Indien nee, graag een toelichting.
Voor de ervaren welvaart, is de hoogte van het pensioen een belangrijke indicator. Uit de onderstaande tabel, met data uit 2022, kan worden opgemaakt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen (de kolom «in PPS»). Daarnaast verwijs ik naar de eerdere antwoorden, waarin ik kanttekeningen plaats bij de vergelijking van de (jaarlijkse) stijging van kapitaalgedekte pensioenen met de stijging van begrotingsgefinancierde pensioenen.
16.138
16.138
24.349
21.162
31.835
20.784
30.211
20.587
24.092
20.185
19.589
19.470
18.100
19.371
22.577
18.885
18.855
17.217
22.436
17.204
17.926
16.456
21.085
16.353
21.766
15.324
12.286
14.558
11.286
13.240
12.484
13.085
6.905
11.688
10.613
11.412
8.930
10.175
8.375
10.142
5.094
9.577
4.958
8.015
7.329
7.779
5.684
7.425
4.940
7.212
5.323
7.145
3.611
6.644
4.753
5.978
Opmerking: exclusief verwachte en gedeeltelijke pensioenen.
Bron: Eurostat3
Voorlopig
Raming
Begrijpt u dat het voor veel Nederlanders onbestaanbaar is, dat andere EU-lidstaten die hun ongedekte staatspensioenen fors hebben verhoogd, straks aankloppen bij Nederland en/of bij de EU voor financiële steun via eurobonds of anderszins?
In de EU zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid van lidstaten. In dat verband krijgen lidstaten jaarlijks landspecifieke aanbevelingen van de Raad, die ook betrekking hebben op de houdbaarheid van pensioenstelsels. Daarnaast worden lidstaten geacht zich te houden aan de begrotingsregels. In dat verband moeten lidstaten zich houden aan een maximale uitgavengroei, die ervoor moet zorgen dat hun tekort en schuld op middellange termijn onder de 3% en 60% bbp komt of blijft. Bij de berekening van de maximale uitgavengroei wordt rekening gehouden met de kosten van vergrijzing, waaronder die van pensioenen. Deze afspraken moeten bijdragen aan de houdbaarheid van pensioenstelsels en bijdragen aan de financiële stabiliteit van de EU. Voorstellen om aan te kloppen bij andere landen of bij de EU voor financiële steun zijn daarbij niet aan de orde.
Wat gaat u doen om de koopkrachtresultaten van Nederlandse gepensioneerden op een meer evenwichtig groeipad te krijgen, in vergelijking met werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden?
De AOW en de bijstand zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat een evenwichtige koopkrachtontwikkeling stimuleert. Het feit dat gepensioneerden met een aanvullend pensioen zijn achtergebleven in koopkrachtontwikkeling is voornamelijk gevolg van de beperkte aanvullende pensioenindexatie in het oude pensioenstelsel tot 2022. Daarnaast is er ieder jaar tijdens de augustusbesluitvorming aandacht voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de verschillen tussen de koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Voor komend jaar is een evenwichtig koopkrachtbeeld geraamd waar gepensioneerden er in doorsnee 1,5% op vooruitgaan. Dit komt voor een groot deel door het nieuwe pensioenstelsel, waardoor aanvullende pensioenen meer kunnen worden verhoogd wanneer het goed gaat op de financiële markten. In deze raming wordt uitgegaan van een indexatie van aanvullende pensioenen volgend jaar met gemiddeld met 4%. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan er in doorsnee 1,3% op vooruit.
Deelt u de mening dat hier sprake is van fiscale leeftijdsdiscriminatie?
Het kabinet deelt de mening niet dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het verschil in de koopkrachtonwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de beperkte indexatie van de aanvullende pensioenen in het oude pensioenstelsel tot 2022. Het Nederlandse pensioenstelsel is deels kapitaalgedekt (aanvullend pensioen) en deels omslagstelsel (AOW). Door ze gezamenlijk te gebruiken, kunnen risico’s zoals inflatie en vergrijzing beter worden gespreid. Terwijl het omslagstelsel direct wordt gefinancierd door middel van de lopende begroting, zijn bij het kapitaalgedekte stelsel de individuele bijdrage en de ontwikkelingen op de financiële markten van belang. Hier hoort bij dat de overheid dan ook niet de marktuitkomsten van het kapitaalgedekte deel gaat compenseren.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
Het artikel ‘Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de cijfers zoals weergegeven in de tabellen bij dit artikel inderdaad correct worden weergegeven en gebaseerd zijn op CBS-data?1
De cijfers in dit artikel geven inzicht in hoe de mediane koopkracht van personen zich van jaar-op-jaar ontwikkelt en zijn afkomstig van het CBS. Alhoewel de cijfers correct worden weergegeven, zijn er ook nuances bij het artikel te plaatsen (zie het antwoord op vraag 2).
Wat vindt u van de in het artikel getoonde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden versus de koopkrachtontwikkeling van werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden? Ziet u hier een «evenwichtig inkomensbeeld» of niet? Graag een toelichting.
De cijfers in het artikel laten zien dat gepensioneerden in doorsnee een lagere koopkrachtontwikkeling hebben gehad dan werknemers, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden sinds 2011. In onderstaande figuur 1, eveneens afkomstig van het CBS, wordt de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 verder uitgesplitst naar hoogte van het aanvullend pensioen. De figuur toont dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen: hoe hoger het aanvullend pensioen, hoe lager de koopkrachtontwikkeling. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen in deze periode. Voor gepensioneerden met de laagste inkomens geldt dat de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, en dat de AOW wel geïndexeerd is in deze periode omdat deze gekoppeld is aan het minimumloon. Voor de gepensioneerden met de laagste inkomens is tot en met 2022 dus sprake geweest van een koopkrachtstijging die meer in lijn is met de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden tot en met 2022, dan van gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen.
Bij het artikel past ook een aantal kanttekeningen.
Ten eerste suggereren de cijfers in het artikel dat de inkomenspositie van de groep werknemers als geheel fors verbeterd is ten opzichte van de groep gepensioneerden, maar dat is niet het geval. De cijfers in het artikel geven de koopkrachtontwikkeling weer van iemand al sinds 2011 gepensioneerd is of vanaf 2011 tot nu toe heeft gewerkt. In figuur 2 wordt de ontwikkeling van het absolute inkomen van groepen (gedefinieerd als het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen) weergegeven tussen 2011 en 2024. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van het inkomen van gepensioneerden meer in lijn ligt met dat van werkenden, dan de cijfers in het artikel suggereren.
Dat de ontwikkeling van het absolute gemiddeld inkomen van werkenden en gepensioneerden meer met elkaar in de pas loopt dan in het artikel, is toe te schrijven aan meerdere factoren. Zo geldt dat nieuwe gepensioneerden gemiddeld genomen steeds hogere pensioenen hebben dan oudere gepensioneerden. Verder geldt dat een deel van de koopkrachtstijging van werkenden in het artikel het gevolg is van de inkomensgroei die werknemers realiseren tijdens hun carrière, bijvoorbeeld door een hogere salarisschaal of -trede. Binnen de groep werkenden nemen individuele werknemers ieder jaar een steeds betere positie in. Maar de inkomenspositie van de groep werkenden verbetert hierdoor niet per se. Dit komt doordat startende werknemers vaak onder aan het inkomensgebouw beginnen, en werknemers die met pensioen gaan vaak aanzienlijk hoger zitten in het inkomensgebouw. Gepensioneerden hebben deze inkomensgroei vaak ook meegemaakt in hun werkverleden.
Een tweede kanttekening bij de cijfers in het artikel is dat het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen ook de (toekomstige) pensioenen van werknemers raakt. Dit effect is echter niet zichtbaar in de koopkracht- of inkomenscijfers van het CBS, CPB en het Ministerie van SZW.
Figuur 1
Bron: CBS
Figuur 2: Ontwikkeling gemiddeld reëel gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, 2011–2024, 2011=100
Bron: CBS (onbewerkte cijfers: StatLine - Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerken), bewerking Ministerie van SZW
Klopt de volgende constatering: «Uiteindelijk bleef de koppeling overeind, maar het staafdiagram laat zien dat daar weinig van overbleef. Het voordeel voor de gepensioneerden werd via fiscale maatregelen weer afgeroomd?». Indien nee, waarom klopt de constatering niet? En zo ja, kunt u preciseren welke maatregelen hiervoor verantwoordelijk waren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 geldt dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen. Voor gepensioneerden met lagere inkomens geldt dat de ontwikkeling van de AOW, die gekoppeld is aan minimumloon, gezorgd heeft voor een positieve koopkrachtontwikkeling in de periode 2011–2022. Het kabinet herkent de constatering dat de koppeling overeind bleef voor deze groepen, maar niet dat deze weer werd afgeroomd. De koppeling zorgde immers voor koopkrachtstijging voor gepensioneerden met de laagste inkomens (zie figuur 1). Wel geldt dat gepensioneerden inderdaad geen profijt hebben gehad van de lastenverlichting via de hogere arbeidskorting, die als doel heeft gehad om (meer) werken meer lonend te maken (zie ook het antwoord op vraag 4). Voor gepensioneerden met hogere aanvullende pensioenen is de koopkrachtontwikkeling sinds 2011 minder gunstig geweest. Het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen is hiervoor een belangrijke verklaring geweest.
Deelt u de conclusie dat de concentratie van lastenverlichting via de arbeidskorting, ervoor heeft gezorgd dat lastenverlichting relatief minder neerslaat bij AOW’ers? Erkent u dat de onevenredig harde groei van de arbeidskorting, medeverantwoordelijk is voor het achterblijven van de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden en zelfstandigen? Indien nee, waarom niet?
Het klopt dat de maximale arbeidskorting fors is toegenomen sinds de invoering ervan (zie ook het antwoord op vraag 5). Met name werkenden met een inkomen tussen het minimumloon en modaal, die een hoge arbeidskorting ontvangen, hebben hiervan profijt gehad. De hogere arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat (meer) werken meer lonend is geworden. Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben inderdaad geen profijt gehad van de hogere arbeidskorting. Voor gepensioneerden geldt ten slotte wel dat de ouderenkorting is toegenomen sinds 2011, zij het niet in dezelfde mate als de arbeidskorting (zie het antwoord op vraag 5).
Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de maximale hoogte van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek, per jaar sinds 2010? Kan daarbij tevens per jaar het budgettaire beslag van deze regelingen worden getoond?
Onderstaande tabel toont de maximale hoogte en het budgettair beslag van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek sinds 2010.
1.489
9.721
684
1.386
9.427
1.672
1.574
10.230
739
1.530
9.484
1.760
1.611
10.005
762
1.628
7.280
1.647
1.723
9.694
1.032
2.419
7.280
1.733
2.097
11.742
1.032
2.434
7.280
1.660
2.220
12.968
1.042
2.484
7.280
1.645
3.1031
17.276
1.187
2.756
7.280
1.652
3.2231
18.564
1.292
3.008
7.280
1.769
3.2491
19.755
1.418
3.506
7.280
1.882
3.3991
19.522
1.596
4.017
7.280
1.860
3.8191
21.968
1.622
4.168
7.030
1.752
4.2051
25.447
1.703
4.360
6.670
1.692
4.2601
26.374
1.726
4.459
6.310
1.743
5.0521
32.110
1.835
4.701
5.030
1.343
5.5321
36.016
2.010
5.269
3.750
1.022
5.5991
36.921
2.035
5.439
2.470
645
voor hogere inkomens wordt de arbeidskorting afgebouwd naar nul in deze jaren
Erkent u, dat het inkomensbeeld van Nederlandse gepensioneerden zoals getoond in het artikel, veel gunstiger zou zijn geweest als de Nederlandse aanvullende pensioenen sinds 2010 zouden zijn verhoogd met hetzelfde percentage als de aanvullende pensioenen in andere EU-landen, of met hetzelfde percentage als de staatspensioenen in andere EU-landen?
Zie ook het antwoord op vraag 9. De indexatie van aanvullende pensioenen en staatspensioenen in EU-landen zijn niet zonder meer vergelijkbaar. Figuur 1 laat voor Nederland in ieder geval zien dat de AOW sinds 2011 wel geïndexeerd is geweest, vanwege de koppeling aan het minimumloon. Hier zijn gepensioneerden waarvan de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, er meer op vooruitgegaan zijn dan gepensioneerden bij wie het aanvullend pensioen een groter deel van het inkomen uitmaakt. Verder geldt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen (zie het antwoord op vraag 12).
Kunt u een tabeloverzicht geven, per jaar vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de Nederlandse aanvullende pensioenen, in de tweede kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de aanvullende pensioenen in andere EU-landen en in de derde kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in andere EU-landen?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u tevens een landen specifiek overzicht geven vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in Frankrijk en daarnaast respectievelijk ook van Italië, Spanje en Duitsland?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u weerleggen, dat diverse toonaangevende artificiële intelligentie toepassingen, waaronder Grok en ChatGPT, bevestigend antwoorden op de vraag of het klopt dat Nederlandse aanvullende (beroepspensioenen) in de periode 2008–2024 inderdaad minder zijn geïndexeerd dan aanvullende pensioenen in andere EU-landen, minder dan de staatspensioenen in andere EU-landen én minder dan het Nederlandse staatspensioen (AOW)? Geven deze toepassingen een onjuist antwoord? Baseren zij zich op andere data of kunt u erkennen dat het inderdaad de waarheid is? Deelt u de mening dat dit eigenlijk onaanvaardbaar is?
In algemene zin deel ik niet de mening dat eventuele verschillen in indexatie tussen gepensioneerden in verschillende landen per definitie onaanvaardbaar zijn. De indexatie van aanvullende pensioenen kan namelijk niet op een gelijkwaardige manier worden vergeleken met de indexatie van staatspensioenen. Beide vormen van pensioen worden immers op een andere wijze gefinancierd.
Aanvullende pensioenen zijn kapitaalgedekt en zijn daardoor vooral afhankelijk zijn van ontwikkelingen op de financiële markten en de rentestanden. Staatspensioenen worden gefinancierd uit lopende begrotingen en zijn, bijvoorbeeld in het geval van Nederland, gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Daarnaast geeft het ook een onvolledig beeld om louter de indexatie van aanvullende pensioenen van verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dit omdat de doelen en de indexatieregels van aanvullende pensioenen per land verschillen.
Overigens heeft mijn ministerie dezelfde vraag ook gesteld aan Grok en ChatGPT. Grok wees naar de Nederlandse indexatieregels van het oude pensioenstelsel als reden voor waarom de indexatie van Nederlandse pensioenfondsen lager was dan in andere landen. Als bron wordt verwezen naar «Better Finance»2. In deze publicatie is zichtbaar dat in de verschillende EU-lidstaten verschillende pensioensystemen worden gehanteerd en dat het netto-rendement van Nederlandse pensioenfondsen tussen 2014–2023 positief is. ChatGPT stelde dat het een onjuiste of op zijn minst oncontroleerbare bewering is om met zekerheid te stellen dat Nederlandse aanvullende pensioenen minder geïndexeerd zijn dan aanvullende pensioenen in de meeste andere EU-landen omdat daar onvoldoende vergelijkende data voor beschikbaar is.
Bij het gebruik van AI-toepassingen om Kamervragen te beantwoorden is overigens de nodige voorzichtigheid geboden. De verschillende AI-toepassingen leiden vaak nog niet tot waterdichte antwoorden en missen vaak belangrijke nuances, zoals in deze specifieke vraag het punt dat een vergelijking van louter de aanvullende pensioenen van verschillende landen een onvolledig beeld geeft.
Welk deel van het voor aanvullend pensioen bestemde kapitaal in de Europese Unie respectievelijk in de eurozone, kan worden toegerekend aan Nederlandse pensioenfondsen en pensioendeelnemers en welk deel aan andere lidstaten? Kan het antwoord worden gegeven in percentages en met aparte cirkeldiagrammen voor de EU en de eurozone?
Volgens het «IORPS in Focus Report 2024» van EIOPA3 kan 59% van het totale pensioenkapitaal in de Europese Economische Ruimte toegerekend worden aan Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi). In de onderstaande figuur wordt inzicht gegeven in de verdeling over de lidstaten. Het «PensionsEurope Report 2024»4 geeft aan dat in het vierde kwartaal van 2024 53,37% van het totale pensioenvermogen in de eurozone Nederlands pensioenvermogen betrof.
Figuur 3: Pensioenvermogen in beheer in de EER in miljoenen euro’s.
Bron: EIOPA (2025), IORPS in Focus Report 2024
Wat was het cumulatieve rendement van Nederlandse pensioenfondsen over de periode 2008–2020 in procenten? Wat was over dezelfde periode het cumulatieve rendement van niet-Nederlandse pensioenfondsen in de EU? Geeft het verschil in rendement onderbouwing voor het verschil in indexatie in de periode?
Bij het Ministerie van SZW is geen data bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij wil ik opmerken dat de gevraagde vergelijking van Nederlandse pensioenfondsen met buitenlandse pensioenfondsen op louter het cumulatieve rendement beperkte inzichten geeft. Ten eerste behoort het behaalde rendement altijd in samenhang met het bijbehorende risico te worden bekeken. Daarnaast keren Nederlandse pensioenfondsen geen vermogen uit maar een levenslange uitkering. Om dit te kunnen bieden, moeten Nederlandse pensioenfondsen onder andere risico’s zoals de rentevolatiliteit afdekken, iets wat voor buitenlandse pensioenfondsen anders kan zijn, gelet op de verschillende doelen en indexatieregels voor aanvullende pensioenen per land.
Begrijpt u dat Nederlandse gepensioneerden zich ernstig benadeeld voelen als zij op afstand de grootste pensioenpot van Europa bij elkaar hebben gespaard, maar tegelijkertijd moeten aanzien dat zowel staatspensioenen als aanvullende pensioenen in andere EU-landen veel harder zijn gestegen. Indien nee, graag een toelichting.
Voor de ervaren welvaart, is de hoogte van het pensioen een belangrijke indicator. Uit de onderstaande tabel, met data uit 2022, kan worden opgemaakt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen (de kolom «in PPS»). Daarnaast verwijs ik naar de eerdere antwoorden, waarin ik kanttekeningen plaats bij de vergelijking van de (jaarlijkse) stijging van kapitaalgedekte pensioenen met de stijging van begrotingsgefinancierde pensioenen.
16.138
16.138
24.349
21.162
31.835
20.784
30.211
20.587
24.092
20.185
19.589
19.470
18.100
19.371
22.577
18.885
18.855
17.217
22.436
17.204
17.926
16.456
21.085
16.353
21.766
15.324
12.286
14.558
11.286
13.240
12.484
13.085
6.905
11.688
10.613
11.412
8.930
10.175
8.375
10.142
5.094
9.577
4.958
8.015
7.329
7.779
5.684
7.425
4.940
7.212
5.323
7.145
3.611
6.644
4.753
5.978
Opmerking: exclusief verwachte en gedeeltelijke pensioenen.
Bron: Eurostat3
Voorlopig
Raming
Begrijpt u dat het voor veel Nederlanders onbestaanbaar is, dat andere EU-lidstaten die hun ongedekte staatspensioenen fors hebben verhoogd, straks aankloppen bij Nederland en/of bij de EU voor financiële steun via eurobonds of anderszins?
In de EU zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid van lidstaten. In dat verband krijgen lidstaten jaarlijks landspecifieke aanbevelingen van de Raad, die ook betrekking hebben op de houdbaarheid van pensioenstelsels. Daarnaast worden lidstaten geacht zich te houden aan de begrotingsregels. In dat verband moeten lidstaten zich houden aan een maximale uitgavengroei, die ervoor moet zorgen dat hun tekort en schuld op middellange termijn onder de 3% en 60% bbp komt of blijft. Bij de berekening van de maximale uitgavengroei wordt rekening gehouden met de kosten van vergrijzing, waaronder die van pensioenen. Deze afspraken moeten bijdragen aan de houdbaarheid van pensioenstelsels en bijdragen aan de financiële stabiliteit van de EU. Voorstellen om aan te kloppen bij andere landen of bij de EU voor financiële steun zijn daarbij niet aan de orde.
Wat gaat u doen om de koopkrachtresultaten van Nederlandse gepensioneerden op een meer evenwichtig groeipad te krijgen, in vergelijking met werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden?
De AOW en de bijstand zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat een evenwichtige koopkrachtontwikkeling stimuleert. Het feit dat gepensioneerden met een aanvullend pensioen zijn achtergebleven in koopkrachtontwikkeling is voornamelijk gevolg van de beperkte aanvullende pensioenindexatie in het oude pensioenstelsel tot 2022. Daarnaast is er ieder jaar tijdens de augustusbesluitvorming aandacht voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de verschillen tussen de koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Voor komend jaar is een evenwichtig koopkrachtbeeld geraamd waar gepensioneerden er in doorsnee 1,5% op vooruitgaan. Dit komt voor een groot deel door het nieuwe pensioenstelsel, waardoor aanvullende pensioenen meer kunnen worden verhoogd wanneer het goed gaat op de financiële markten. In deze raming wordt uitgegaan van een indexatie van aanvullende pensioenen volgend jaar met gemiddeld met 4%. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan er in doorsnee 1,3% op vooruit.
Deelt u de mening dat hier sprake is van fiscale leeftijdsdiscriminatie?
Het kabinet deelt de mening niet dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het verschil in de koopkrachtonwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de beperkte indexatie van de aanvullende pensioenen in het oude pensioenstelsel tot 2022. Het Nederlandse pensioenstelsel is deels kapitaalgedekt (aanvullend pensioen) en deels omslagstelsel (AOW). Door ze gezamenlijk te gebruiken, kunnen risico’s zoals inflatie en vergrijzing beter worden gespreid. Terwijl het omslagstelsel direct wordt gefinancierd door middel van de lopende begroting, zijn bij het kapitaalgedekte stelsel de individuele bijdrage en de ontwikkelingen op de financiële markten van belang. Hier hoort bij dat de overheid dan ook niet de marktuitkomsten van het kapitaalgedekte deel gaat compenseren.
Het bericht 'Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling»?1
Ja.
Klopt het dat in 2023, op een aantal van 129.250 meldingen van huiselijk geweld, vijfhonderd meldingen van ouderenmishandeling in de thuissituatie zijn gedaan?
In 2023 ontving Veilig Thuis landelijk 127.390 meldingen van kindermishandeling of huiselijk geweld. Van dat aantal ging het bij 2.335 meldingen om situaties van ouderenmishandeling. In 2024 waren er landelijk 129.250 meldingen, waarbij het in 2.500 situaties ging om ouderenmishandeling.
Kunt u aangeven hoe deze 2.500 meldingen zijn onderverdeeld in de diverse categorieën van ouderenmishandeling, namelijk lichamelijke, geestelijke of financieel misbruik?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteert halfjaarlijks over de aard van het geweld van meldingen van kindermishandeling en huiselijk geweld. Onder de categorie ouderenmishandeling vallen onder andere fysieke mishandeling, verwaarlozing, emotionele mishandeling en financieel misbruik. Per situatie van ouderenmishandeling kan sprake zijn van meerdere vormen van geweld, bijvoorbeeld fysieke mishandeling in combinatie met financieel misbruik.
De meeste meldingen over ouderenmishandeling in 2023 betroffen emotionele mishandeling (1.430), gevolgd door fysieke mishandeling (1.030). 620 keer ging het over financiële mishandeling van ouderen, 420 keer over verwaarlozing en 65 keer over seksueel misbruik. Dit totaal is hoger dan het totaal van 2.335 meldingen, omdat binnen één melding sprake kan zijn van meerdere vormen van geweld.
Deelt u de conclusies van VU-hoogleraar Kees Blankman dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting, dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van mishandeling en dat ouderenmishandeling vaker voorkomt dan kindermishandeling? Zo nee, kunt u dan toelichten waarom niet?
De uitkomst dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van een vorm van mishandeling, is afkomstig uit een onderzoek van Regioplan uit 2018. Dit is het meest recente prevalentieonderzoek. Ik ben niet bekend met andere onderzoeken. Ik deel daarmee niet zondermeer de conclusie dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting. Om hier uitspraken over te kunnen doen is meer inzicht in actuele cijfers nodig. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht. Daarmee komen nieuwe, actuele cijfers beschikbaar over de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Deelt u het vermoeden van de voorzitter van het landelijk netwerk Veilig Thuis, dat er sprake is (of kan zijn) van onderregistratie van ouderenmishandeling ten opzichte van andere vormen van huiselijk geweld, dat slechts een klein percentage van de meldingen die zij binnenkrijgen gaat over ouderenmishandeling en dat zij meent dat dat «er veel meer moeten zijn»?
Ik herken het signaal van de voorzitter van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis dat er mogelijk sprake is van onderregistratie van ouderenmishandeling. Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling: het aantal meldingen ouderenmishandeling is al enkele jaren stabiel rond de 2.000 á 2.500 per jaar. Het aantal meldingen dat Veilig Thuis ontvangt is veel lager dan het aantal ouderen dat, zo blijkt uit het prevalentie onderzoek van regioplan uit 2018, te maken krijgt met ouderenmishandeling.
Mogelijke verklaringen voor deze onderrapportage zijn dat ouderenmishandeling lange tijd ongezien of verborgen kan blijven. Dit kan bijvoorbeeld komen door gevoelens van schaamte of taboe bij ouderen. Daarnaast kan het door de vaak geleidelijke ontwikkeling en dunne grens tussen intensieve zorg en grensoverschrijdend gedrag lastig zijn om signalen te herkennen, zowel voor ouderen zelf als voor het (in)formele netwerk. Ook de afhankelijkheidsrelatie tussen de oudere en de persoon die de onveiligheid veroorzaakt kan een rol spelen.
Via diverse activiteiten wordt geprobeerd dit te verbeteren. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin één van de drie centrale thema’s een vorm van ouderenmishandeling was. Het doel van de campagne was om omstanders van kindermishandeling, partnergeweld en ouderenmishandeling te stimuleren om bij een vermoedelijk slachtoffer het gesprek aan te gaan en te vragen hoe het gaat.
Op welke wijze kan de onderregistratie van ouderenmishandeling met zekerheid worden aangetoond (of weerlegd)? Welke stappen heeft u al genomen om de drempels over melding van ouderenmishandeling te verlagen c.q. weg te nemen zodat een waarheidsgetrouw beeld ontstaat over ouderenmishandeling?
Door het aantal meldingen bij Veilig Thuis te vergelijken met onderzoeksgegevens over hoe vaak ouderenmishandeling voor komt, kan een beeld worden gevormd over in hoeveel gevallen ouderenmishandeling wordt gemeld. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht.
Om drempels voor het melden van ouderenmishandeling te verlagen wordt ingezet op bewustwording en het vergroten van herkenning. Een initiatief dat hierop gericht is betreft de chatfunctie op de website van Veilig Thuis. Deze biedt toegankelijke informatie, tips en advies voor het voeren van gesprekken over signalen van ouderenmishandeling. Ook biedt Veilig Thuis een AI-tool door middel waarvan gerichte informatie en aandachtspunten worden geboden over het voeren van gesprekken met ouderen over zorgelijke situaties en onveiligheid. Dit ondersteunt zowel professionals als burgers bij het sneller herkennen en bespreekbaar maken van signalen van ouderenmishandeling.
Daarnaast lanceert het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) deze maand een signalenpagina over ouderenmishandeling, met informatie over herkenbare signalen, handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning. Deze pagina is specifiek bedoeld om betrokkenen te helpen het gesprek aan te gaan en passende vervolgstappen te zetten. Verder wordt binnen beroepsgroepen, waaronder huisartsen, ingezet op scholing en training in signalering van ouderenmishandeling. Door professionals kennis, handvatten en handelingskaders aan te reiken, wordt hun bewustzijn vergroot ten aanzien van mogelijke signalen, wat kan bijdragen aan de signalering en opvolging van vermoedens.
Indien de onderregistratie met zekerheid kan worden aangetoond, welke maatregelen gaat u dan nemen om de onderregistratie aan te pakken en het aantal meldingen significant te verhogen?
Ongeacht inzicht dat nieuw onderzoek kan geven in welk deel van de situaties ouderenmishandeling wordt gemeld, wordt in de huidige aanpak al uitgegaan van de mogelijkheid dat ouderenmishandeling nog te vaak en te lang niet zichtbaar is. Om deze reden wordt ingezet op het vergroten van bewustwording en herkenning van signalen, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van samenwerking in de keten en het vergroten van kennis bij mantelzorgers en naasten. Op basis van de uitkomsten van nieuw onderzoek kan worden bekeken of en welke vervolgstappen nodig zijn.
Is er volgens u een verband tussen de toename van mantelzorg als gevolg van beleidsaanpassingen en het overbelast raken van mantelzorg, met een toename van spanningen en zelfs mishandelingen tot gevolg? Is hier specifiek onderzoek naar gedaan?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag harder dan zowel het aantal zorgverleners als de beroepsbevolking in het algemeen. Hierdoor ontstaat er een toenemende druk op mantelzorgers. Dit zorgt ook voor een toenemend risico op overbelasting van mantelzorgers. Overbelasting van mantelzorgers kan leiden tot ontspoorde mantelzorg2. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers, om zo overbelasting te voorkomen.
Het SCP voert periodiek onderzoek uit op het thema informele zorg, waarin ook de (over)belasting van mantelzorgers is opgenomen. In 2026 verwachten we nieuwe rapportages van het SCP. Hierin wordt echter geen onderzoek gedaan naar de mate waarin overbelasting van mantelzorgers leidt tot ontspoorde mantelzorgsituaties.
Wat vindt u van het voorstel om een nieuw expertisecentrum op te zetten, met betrokkenheid van politie, banken, en notarissen, voor snellere signalering en actie?
Er bestaat een infrastructuur van samenwerkingsverbanden die gericht zijn op de bescherming van ouderen tegen misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Deze lokale allianties zijn intensieve samenwerkingsverbanden van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk én Veilig Thuis. De meerwaarde van een lokale alliantie is dat deze specifieke expertise kan inbrengen vanuit de private partijen, en die kan combineren met kennis van publieke partijen. Hierdoor kan financieel misbruik in de praktijk eerder gesignaleerd worden.
Verder deel ik het belang van het versterken van (landelijke) samenwerking. VWS neemt deel aan de «Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden», waarin onder andere Veilig Thuis, seniorenorganisaties, diverse grootbanken, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan de preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), een samenwerkingsverband dat zich expliciet richt op het voorkomen, signaleren en bestrijden van ouderenmishandeling. Het LPBO wordt georganiseerd door medewerkers van Veilig Thuis en betrekt diverse ketenpartners. Ook banken en notarissen kunnen, wanneer relevant, deelnemen. Daarmee vormt het LPBO een landelijk netwerk gericht op de aanpak van ouderenmishandeling.
Gezien alle reeds bestaande samenwerkingsverbanden ben ik geen voorstander van het opzetten van een nieuw expertisecentrum.
Deelt u de opvatting van hoogleraar Blankman, dat «Veilig Thuis» meer bevoegdheden moet krijgen, onder meer als primaire verzoeker van maatregelen bij de rechter, zoals bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming dat doet voor kinderen die in de knel zitten? Welke stappen gaat u hiervoor ondernemen?
Hoogleraar Blankman lijkt te verwijzen naar de doorzettingsmacht in situaties waarin sprake is van mogelijke wilsonbekwaamheid. Ik deel de opvatting niet dat Veilig Thuis meer bevoegdheden als primaire verzoeker bij de rechter zou moeten krijgen. Veilig Thuis opereert in het vrijwillig kader en het toevoegen van de functionaliteit van verzoeker van maatregelen bij de rechter staat haaks op het belang van laagdrempeligheid en vrijwilligheid. Daarbij komt dat Veilig Thuis zich primair richt op meldingen, advies en ondersteuning, niet op juridische interventies. Veilig Thuis kán op dit moment al bij uitzonderlijke gevallen een verzoek doen bij de officier van justitie voor mentorschap of ondercuratelestelling. Verder is er tussen Veilig Thuis, het Openbaar Ministerie en de politie een stevig netwerk op het thema ouderenmishandeling en op casus-niveau afstemming. De aanpak richt zich op preventie en vroegsignalering van ouderenmishandeling zodat schrijnende situaties tijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Deelt u de opvatting dat als ouderenmishandeling inderdaad net zo vaak of vaker voorkomt dan kindermishandeling, de aanpak van ouderenmishandeling ook een min of meer vergelijkbare hoeveelheid aandacht en middelen toebedeeld zou moeten krijgen in vergelijking met kindermishandeling?
Ik deel de opvatting dat ouderenmishandeling een ernstig maatschappelijk probleem is dat structurele aandacht verdient. Ik streef naar een aanpak die is afgestemd op de specifieke aard en context van de problematiek en die de beschikbare middelen zo effectief mogelijk inzet. Naast de specifieke inzet op ouderenmishandeling wordt deze groep ook expliciet meegenomen in de brede aanpak huiselijk geweld, die zich richt op slachtoffers van alle leeftijden.
Deelt u de mening dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn voor een buitenstaander? Zou mishandeling in de zorg daar bijvoorbeeld voor de leek niet buitenvallen?
Ik herken niet dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn in de context van huiselijk geweld. Kern van de term is dat het gaat om situaties in de persoonlijke leefwereld van een slachtoffer en de afhankelijkheidsrelatie met de (vermoedelijke) pleger. Het onderscheid tussen een eigen woning of een woning in een zorginstelling is daarbij niet relevant. Belangrijk verschil kan wel zijn wie de (vermoedelijke) pleger van het geweld is, bijvoorbeeld een kind of ander familielid, of juist een professional uit een zorginstelling. Mishandeling in de zorginstelling of door zorgverleners valt formeel onder andere categorieën, zoals professionele of institutionele mishandeling en wordt via specifieke meld- en toezichtssystemen aangepakt.
Deelt u de mening dat een betere omschrijving zou zijn: «Alle soorten van ouderenmishandeling zijn strafbaar»? Kan dit worden aangepast?
Ouderenmishandeling komt in verschillende vormen voor, zoals fysieke, psychische, seksuele mishandeling en financiële uitbuiting. Er is echter geen strafrechtelijke definitie van ouderenmishandeling. In plaats daarvan worden de strafbare vormen van ouderenmishandeling zoals mishandeling, opzettelijk benadelen van de gezondheid, onthouden van zorg, bedreiging, seksueel misbruik en financiële misdrijven afzonderlijk behandeld op basis van de relevante strafbepalingen (zoals genoemd in het Wetboek van Strafrecht).
Hoewel de term «ouderenmishandeling» als zodanig geen specifieke strafrechtelijke betekenis heeft, worden de afzonderlijke strafbare gedragingen wel degelijk strafrechtelijk vervolgd. Het Openbaar Ministerie beslist in voorkomende gevallen of vervolging opportuun is, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak.
Bent u zich ervan bewust dat de toenemende vergrijzing gecombineerd met schaamte en afhankelijkheid, steeds vaker kan leiden tot nagenoeg onzichtbare ouderenmishandeling op geestelijk en financieel gebied, en welk soort stappen wordt ondernomen om de bewustwording hiervoor te vergroten?
Ik ben mij bewust van de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen die kunnen leiden tot meer en/of onzichtbare situaties van ouderenmishandeling. De toenemende digitalisering stelt ook toenemende eisen aan de digitale vaardigheden van ouderen, waardoor mogelijk sneller een beroep wordt gedaan op derden om ouderen te helpen bij bijvoorbeeld bankzaken.
Om de bewustwording te vergroten en ouderenmishandeling bespreekbaar te maken zijn verschillende initiatieven ontwikkeld. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin ouderenmishandeling specifiek werd uitgelicht. Andere voorbeelden zijn de signalenpagina ouderenmishandeling en de activiteiten van het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), die het herkennen van signalen en de samenwerking tussen professionals ondersteunen. Er zijn initiatieven specifiek gericht op het voorkomen van financieel misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Op het gebied van financieel veilig ouder worden zijn er informatieboxen van VWS, die kosteloos kunnen worden aangevraagd en steeds vaker worden besteld.
Zijn de verplichte trainingen of protocollen thans voldoende voor zorgprofessionals om ouderenmishandeling routinematig te signaleren, aangezien fysieke ouderenmishandeling vaak pas zichtbaar wordt bij ziekenhuisopnames van 70-plussers?
Zorgprofessionals die werken met ouderen vallen onder de Wet verplichte meldcode HHuiselijk Geweld en Kindermishandeling. Dat betekent dat zij verplicht zijn om te werken met de meldcode, deze te kennen en volgens de vijf stappen van de meldcode te handelen. Dit geldt voor onder meer voor artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal werkers en wijkteams. Iedere organisatie moet duidelijke werkafspraken hebben voor het signaleren en handelen bij vermoedens van huiselijk geweld en ouderenmishandeling. Iedere beroepsgroep die onder de meldcode valt heeft een eigen afwegingskader ontwikkeld, gebaseerd op het landelijke basismodel dat in 2019 werd vernieuwd. Dat afwegingskader helpt professionals bepalen wanneer het noodzakelijk is om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Zou een jaarlijkse check bij een voorziening als een consultatiebureau – zoals verzocht in de motie-Tielen – voor ouderen deze mishandeling tijdig kunnen signaleren?2
De insteek van de motie-Tielen zag op het realiseren van eenduidige toegang tot preventie en vroegsignalering van gezondheidsrisico’s en problemen voor ouderen. Op dit moment wordt verkend welke functies en vormen een dergelijke voorziening zou kunnen omvatten. Deze verkenning bevindt zich nog in een oriënterende fase.
Kunt u aangeven hoe ver gevorderd u bent met het onderzoek naar deze in onzd ogen zeer gewenste en gemiste voorziening voor ouderen?
Naar verwachting zal in de loop van 2026 meer duidelijkheid komen over hoe een toekomstig aanbod gericht op gezondheidsbevordering voor ouderen eruit zou kunnen zien.