Het bericht dat ouderen zich in toenemende mate onveilig voelen |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgen bij ouderen om oorlog en fatbikes: 40 procent houdt deur ’s avonds dicht, roep om meer politie op straat»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB waaruit onder andere blijkt dat meer dan de helft van 65-plussers in Nederland van mening is dat hun gemeente onvoldoende doet om te zorgen voor hun veiligheid?
Iedereen moet zich in Nederland veilig kunnen voelen, ook ouderen. Het kabinet streeft ernaar iedereen een veilige en rechtvaardige samenleving te bieden. Ik vind het vervelend dat ouderen in Nederland zich volgens dit onderzoek onveilig voelen.
Ik zou de cijfers wel in een bredere context willen plaatsen. Begin maart verscheen namelijk ook de Veiligheidsmonitor, een grootschalig onderzoek vanuit het CBS waarin ook veiligheidsbeleving is meegenomen.2 Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat 65-plussers zich van alle leeftijdsgroepen juist het minst onveilig voelen.
De cijfers uit het onderzoek van de ouderenbond gaan wel wat breder dan de Veiligheidsmonitor. Zo worden de zorgen van ouderen over bijvoorbeeld financiële problemen, het niet meekunnen in de digitale maatschappij, vallen en autorijden niet meegenomen in de Veiligheidsmonitor.
Wat is uw mening over de bevinding uit het onderzoek dat 40 procent van de ouderen ’s avonds niet meer de deur wilt opendoen als er wordt aangebeld?
De Veiligheidsmonitor geeft hier een wat ander beeld dan het onderzoek van ANBO-PCOB. Uit de cijfers van het CBS blijkt namelijk dat 13% van de 65-plussers de deur ’s avonds niet opendoet.3 Dit percentage ligt echter wel hoger dan bij andere leeftijdsgroepen.
Dat gezegd hebbende, vind ik wel dat ouderen zich ’s avonds in hun eigen huis veilig zouden moeten voelen. In mijn beantwoording van vraag 5 ga ik verder in op acties die ik daarvoor onderneem.
Verder vind ik het in beginsel geen verkeerde zaak dat mensen zelf actie ondernemen om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Verschillende preventiecampagnes vanuit de Rijksoverheid zijn hier ook op gericht.
Deelt u de bezorgdheid van veel ouderen dat zij zich onveiliger voelen dan vroeger, door onder andere oorlogsdreiging, sociale onrust, cybercriminaliteit en verkeersoverlast?
Ik begrijp die zorgen. Voor veel ouderen stapelen verschillende bronnen van onrust zich op: de internationale spanningen komen dichtbij via nieuws en sociale media, in de eigen omgeving is er soms meer sociale frictie, en criminaliteit verschuift deels naar het digitale domein. Ik kan me voorstellen dat dit gevoelens van onveiligheid oproept, ook als de statistieken niet overal en voor iedereen hetzelfde beeld laten zien.
Ik blijf hierover in gesprek met lokale partners. Zo zorgen we er gezamenlijk voor dat we ons niet alleen richten op het verbeteren van objectieve veiligheid, maar vooral op het dagelijkse gevoel van veiligheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid van ouderen te versterken?
Een van mijn prioriteiten is om veiligheid en gezag op straat te versterken. Daar wil ik voor alle Nederlanders op inzetten, dus ook voor ouderen.
Volgens het onderzoek van ANBO-PCOB ziet een groot deel van de ouderen het vergroten van zichtbaarheid en aanwezigheid van politie en wijkagenten als de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan. Dit kabinet wil meer wijkagenten opleiden en inzetten. Daarbij wil ik benadrukken dat niet alleen wijkagenten invulling geven aan de zichtbaarheid en aanwezigheid van de politie in de wijk: dat doen alle agenten in de gebiedsgebonden politie met elkaar. In toenemende mate beschikken agenten over de apparatuur om hun werk op straat of op locatie te kunnen doen. Zo kan ook maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Dit gebeurt met name bij online criminaliteit, zoals bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude. Gezien de grote impact hiervan bezoeken agenten het slachtoffer inmiddels in alle politie-eenheden ook thuis. Verder verwijs ik graag naar de, naar het zich op dit moment laat aanzien, succesvolle campagne Game-over. OM en politie voeren die campagne met als doel om personen die verdacht worden van bankhelpdeskfraude, of het zich voordoen als nepagent, te identificeren en op te pakken. Dit zijn vormen van criminaliteit waarvan met name ook kwetsbare ouderen het slachtoffer worden.
Daarnaast wil ik doen wat ik kan ouderen zich veiliger te laten voelen. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van de Veiligheidsmonitor, heb ik toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en gemeenten zal verkennen waar mogelijkheden liggen om de veiligheidsbeleving te verbeteren, juist ook op lokaal niveau.4 Daarin zal ik specifiek aandacht hebben voor de oudere doelgroep.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ouderen beter te beschermen tegen digitale oplichting?
Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) biedt op de website algemene informatie en advies voor slachtoffers van identiteitsfraude en geeft naar aanleiding van incidenten ook gerichtere informatie middels nieuwsbrieven. Ook dit jaar werk ik gezamenlijk met ketenpartners aan goede voorlichting om ouderen weerbaarder te maken tegen digitale oplichting. Dit jaar staat, net als eerdere jaren, de maand april in het teken van senioren en veiligheid. Onder andere het CMI, de politie, de Nederlandse Vereniging van Banken, Slachtofferhulp Nederland en de Fraudehelpdesk informeerden recentelijk bezoekers van de Senioren Expo en de huishoudbeurs over verschillende fraudevormen, met speciale aandacht voor identiteitsfraude en preventieve maatregelen, waaronder het gebruik van de KopieID-app.
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek.
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Ja, ik deel uw zorgen. Ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben een (deels) aflossingsvrije hypotheek. Het is belangrijk dat klanten kennis hebben van de kenmerken en risico’s van de (deels) aflossingsvrije hypotheek. Voor een meerderheid van de klanten zal gelden dat er nu of in de toekomst geen problemen ontstaan met het voldoen aan de financiële verplichtingen. Echter, een aflossingsvrije hypotheek kan voor individuele huishoudens verhoogde financiële risico’s met zich meebrengen. Aan het einde van de looptijd van de hypotheek kan de situatie ontstaan dat een klant de hypotheek niet uit inkomen of ander vermogen dan de eigen woning kan herfinancieren of aflossen, wat ertoe kan leiden dat de woning verkocht moet worden, al dan niet met een restschuld. Terugval van inkomen na pensionering kan deze risico’s vergroten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2021 onderzoek gedaan naar deze risico’s. Hieruit bleek dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat ze hun aflossingsvrije hypotheek niet kunnen herfinancieren op het moment dat deze afloopt, en een deel hiervan met een restschuld achterblijft.2 Het is mogelijk dat de omvang van deze groepen inmiddels is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in onder andere lonen, woningprijzen en rentes.
De daadwerkelijke risico’s per individueel huishouden verschillen. Het is daarom belangrijk dat de kredietaanbieder hier zicht op heeft. De AFM ziet erop toe dat aanbieders van hypothecair krediet het klantbelang centraal stellen. De AFM verwacht daarbij van aanbieders dat ze zich inspannen om klanten met een aflossingsvrije hypotheek te benaderen om meer inzicht te krijgen in hun financiële situatie om zo eventuele betaalbaarheidsrisico’s vroegtijdig te kunnen signaleren. De AFM verwacht van aanbieders dat hun klanten, voor zover de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is, zorgeloos kunnen blijven wonen. Na het startschot met de campagne «Word ook aflossingsblij» in 2018 hebben kredietaanbieders tot eind 2024 1,76 miljoen klanten benaderd over mogelijke risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. 744.000 klanten ondernamen in die periode acties om hun financiële situatie te verbeteren.
Kredietaanbieders moeten klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen om potentiële betaalbaarheidsrisico’s aan het einde van de aflossingsvrije looptijd in beeld te brengen en klanten een handelingsperspectief te bieden. Ook hypotheekadviseurs kunnen hier een rol in spelen. Daarnaast is het verstandig als consumenten zelf het gesprek aangaan met hun aanbieder of adviseur. Ik constateer dat het genoemde onderzoek erop wijst dat er nog steeds onwetendheid en zorgen bestaan onder mensen over de risico’s van een aflopende aflossingsvrije hypotheek. Zoals aangegeven deel ik uw zorg hierover en ik vind het daarom belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten blijven benaderen en activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht.
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen en waar nodig activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de AFM blijkt dat een deel van de klanten betaalbaarheidsrisico’s loopt, maar dat de meeste mensen met een aflossingsvrije hypotheek niet in betaalbaarheidsproblemen komen. Op het moment dat de aflossingsvrije hypotheek afloopt, zal de aanbieder moeten bepalen of een nieuwe financiering mogelijk is. Ik vind het belangrijk dat klanten waarvan de hypotheeklasten betaalbaar zijn – ook wanneer de aflossingsvrije hypotheek afloopt – zorgeloos kunnen blijven wonen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Het is aan aanbieders en adviseurs om klanten te benaderen en waar nodig te activeren en aan de AFM om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat deze partijen hiermee doorgaan en blijf daarover met hen in gesprek.
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Een hypotheek is een langlopende financiële verplichting, die voor veel mensen doorloopt nadat zij met pensioen gaan. Omdat veel mensen te maken krijgen met een lager inkomen na pensionering moeten kredietaanbieders niet alleen beoordelen of de hypotheek nu financieel verantwoord is, maar ook na pensionering. Daarnaast geldt dat in 2031 en de jaren daarna mensen met een aflossingsvrije hypotheek het recht op hypotheekrenteaftrek verliezen. Deze zaken kunnen doorwerken in een nieuwe kredietbeoordeling: mensen kunnen mogelijk minder lenen door een lager pensioeninkomen terwijl de netto hypotheeklasten in de toekomst juist toenemen. Mede tegen deze achtergrond besteden de Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken in hun toezicht. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat dit zal leiden tot een verdere afname van de aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland.3
Door de combinatie van deze factoren kan het voor sommige huishoudens, bijvoorbeeld bij huishoudens met een laag pensioeninkomen, lastiger worden om een hypotheek te verkrijgen, over te sluiten of aan te passen. Het moet voorkomen worden dat mensen bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s aangaan. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat mensen de stap naar een nieuwe woning kunnen maken als ze dat willen en dit voor hen financieel verantwoord is. Hiertoe zijn de afgelopen jaren ook verschillende goede stappen gezet, bijvoorbeeld met de werkelijkelastentoets voor senioren bij doorstroming naar een goedkopere woning.
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Ja, ik ben daarmee bekend en volg de ontwikkelingen nauwgezet. Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De ECB en DNB houden daar prudentieel toezicht op. DNB besteedt, voor banken samen met de ECB, in haar toezicht nadere aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken voor financiële instellingen. Ik sta met DNB in contact over de maatregelen en de gevolgen en volg de ontwikkelingen zoals aangegeven nauwgezet. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders het klantbelang centraal blijven stellen. Ook met hen sta ik in contact over de gevolgen van de maatregelen.
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
De ECB en DNB zijn onafhankelijk in hun toezicht en in de maatregelen die zij opleggen aan banken. Ik vind het belangrijk dat de prudentiële toezichthouders daarbij zicht hebben op de bredere gevolgen van hun maatregelen en deze in ogenschouw nemen. Het gaat in dit geval om de gevolgen van maatregelen voor de maandlasten van groepen huishoudens en de doorstroming op de woningmarkt. Ik ben hierover met DNB in gesprek.
De AFM heeft aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat klanten voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hypotheekaanbieders hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten niet onevenredig worden getroffen door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen. Omdat de AFM erop toeziet dat aanbieders het klantbelang centraal blijven stellen, bijvoorbeeld in de context van het terugbrengen van het volume van aflossingsvrije hypotheken, vind ik het belangrijk dat er nauw contact is tussen de ECB, DNB en de AFM over de maatregelen en de bredere gevolgen hiervan.
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Het is van belang om in de beoordeling van financiële stabiliteitsrisico’s in brede zin te kijken naar het vermogen dat tegenover de (aflossingsvrije) hypotheekschuld staat, omdat bij aflossingsvrije hypotheken de opbrengst bij verkoop de primaire bron is van afbetaling van de lening.
Door de jaren heen zijn er verschillende maatregelen genomen die de risico’s voor huishoudens en de bredere prudentiële risico’s van aflossingsvrije hypotheken beperken. Daarbij doel ik naast de doorlopende toezichtinspanningen onder andere op de introductie van de fiscale en niet-fiscale aflossingseisen en de verlaging van de loan-to-value-limiet.4 Mede hierdoor heeft er een relatieve groei plaatsgevonden van aflossende hypotheken, zoals annuïtaire, en is er de afgelopen jaren een dalende trend waarneembaar in het aandeel aflossingsvrije schuld van de totale hypotheekschuld.
Er kan een hoger risico verbonden zijn aan aflossingsvrije hypotheken, omdat er gedurende de looptijd niet wordt afgelost. Ook hebben aanbieders beperkt inzicht in de capaciteit van huishoudens om ook na pensionering aan de financiële verplichtingen te voldoen. Tegelijkertijd constateer ik dat er relatief veel vermogen tegenover de nog uitstaande aflossingsvrije hypotheekschuld staat en dat er bij relatief veel (deels) aflossingsvrije hypotheken aanzienlijke overwaarde is. Zo hebben (deels) aflossingsvrije hypotheken in Nederland doorgaans een lage loan-to-value-ratio (wat betekent dat de hoogte van de hypotheek ten opzichte van de waarde van de woning relatief laag is): twintig procent van de hypotheken op de Nederlandse markt heeft een loan-to-value-ratio van hoger dan 75 procent, terwijl dit bij aflossingsvrije leningen maar zo’n zeven procent van het totale aantal is.
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
In het Coalitieakkoord 2026–2030 is aangegeven dat met een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek) stenen makkelijker in geld worden omgezet. De aandacht vanuit het Coalitieakkoord voor doorstroming en hypotheken voor ouderen sluit aan bij al ondernomen acties, zoals via het Convenant Ouderen en toekomstbestendig wonen.5 De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal de Kamer rond de zomer informeren over de status van het verbeteren van de doorstroommogelijkheden voor ouderen.6
Een Amerikaanse aanbesteding voor ICT van de Belastingdienst |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Digitale autonomie en de uitbesteding applicatiediensten omzetbelasting door de Staat»1 en de desbetreffende aanbesteding van de Belastingdienst?2
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht en de aanbesteding?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Kamerbrief die u op 17 maart jl. over dit onderwerp heeft ontvangen.
Op welke gronden is gekozen om (het beheer en het onderhoud van) de software van de omzetbelasting bij FAST Enterprises in te kopen, namelijk het softwarepakket «GenTax»?
Het systeem voor de omzetbelasting is sterk verouderd en dringend toe aan modernisering. Daarover is uw Kamer in de laatste jaren veelvuldig geïnformeerd. De Belastingdienst is in 2020 gestart met het traject om het verouderde omzetbelastingsysteem te moderniseren. In 2021 heeft de Belastingdienst een marktconsultatie gedaan, waaruit bleek dat er oplossingen in de markt beschikbaar zijn. In 2022 is na extern advies besloten om een aanbesteding te starten en een pakketoplossing uit de markt aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen. Uit het advies bleek dat een oplossing uit de markt sneller en tegen lagere kosten zou kunnen worden gerealiseerd dan wanneer de Belastingdienst zelf een systeem zou bouwen.
In 2023 is de Belastingdienst een aanbestedingsprocedure (een concurrentiegerichte dialoog) gestart. Na het doorlopen van een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf Fast Enterprises. Dit bedrijf scoorde het beste op de aangegeven criteria uit de vooraf via TenderNed openbaar gemaakte aanbestedingsstukken. Voorbeelden van criteria zijn: gebruiksvriendelijkheid, gegevensbeheer, informatiebeveiliging en datamigratie.
Op welke manier is er, ten tijde van de aanbesteding, rekening gehouden met digitale autonomie als voorwaarde voor aanbestedingen van overheids-ICT? Zou u dit in de huidige politieke context anders beoordelen?
Het traject is gestart in een andere (geo)politieke context. Het versterken van de nationale digitale autonomie door het beperken van de afhankelijkheid van niet-Europese technologie speelde destijds een beperktere rol in de afwegingen. Er is bewust gezocht naar bewezen technologie en gekeken naar de ervaringen van andere Europese landen.
De aanbesteding is zorgvuldig doorlopen conform de Europese aanbestedingsregels. De gevolgde Europese aanbestedingsregels maken het niet mogelijk om niet-Europese landen uit te sluiten indien hier handelsverdragen mee zijn gesloten.
Tegelijkertijd ziet dit kabinet ook dat Nederland kwetsbaar is geworden door afhankelijkheid van een klein aantal buitenlandse (tech)spelers en kijkt daarom met veel aandacht naar de digitale, en open strategische, autonomie van Nederland. In Europees verband wordt daarom gesproken over het herzien van de aanbestedingswet- en regelgeving, en een eventueel EU-voorkeursprincipe bij aanbestedingen in specifieke sectoren.
Indien de keuze voor FAST Enterprises de digitale autonomie niet bevordert, kunt u dan onderbouwen waarom dit alsnog de voorkeursoptie is?
In 2020 startte de Belastingdienst het traject voor de modernisering van het verouderde omzetbelastingsysteem. Een marktconsultatie in 2021 wees uit dat er geschikte pakketoplossingen beschikbaar waren in de markt. In 2022 is na een onderzoek uitgevoerd door McKinsey besloten om een aanbesteding te starten om een bewezen pakketoplossing voor de omzetbelasting aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen.3 Uit het onderzoek bleek dat het aanschaffen van een systeem sneller te realiseren is dan zelf bouwen. Een tweede onafhankelijk onderzoek heeft dit beeld bevestigd.
De Belastingdienst heeft een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure doorlopen in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog. Het stond Nederlandse en Europese bedrijven uiteraard vrij om hieraan deel te nemen, dat hebben zij ook gedaan. Na het doorlopen van deze aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf, Fast Enterprises. Zoals ik reeds aangaf in het antwoord op vraag 3 scoorde dit bedrijf het beste op de van te voren aangegeven criteria in de aanbestedingsstukken. Daarnaast sluiten de gevolgde Europese aanbestedingsregels Amerikaanse bedrijven niet uit.
Kunt u onderbouwen waarom er niet is gekozen om de software van de omzetbelasting intern te ontwikkelen en beheren of dit in te kopen bij een Nederland of Europees bedrijf?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe garandeert u dat de relatie met FAST Enterprises niet door de Verenigde Staten gebruikt zal worden als drukmiddel, in het licht van de Nationale Veiligheidsstrategie van de VS?3 Kunt u inzicht geven in alle maatregelen die zijn genomen om dit risico te voorkomen?
Ik kan u die garantie niet geven. Het volledig uitsluiten van dit risico is bij een afhankelijkheid van een externe leverancier niet mogelijk. Het kabinet is doorlopend met de Verenigde Staten in gesprek om dergelijke vergaande maatregelen te voorkomen.5 In een extreem geval, kan de leverancier onder statelijke druk gedwongen worden om te stoppen met het leveren van diensten. In de recente geschiedenis is dit alleen onder zeer specifieke sanctiewetgeving gebeurd. De risico’s rondom continuïteit in relatie tot de Amerikaanse leverancier dienen te worden afgewogen tegen de risico’s die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem waarover ik u in de oplegbrief heb geïnformeerd. Deze risico’s acht ik groter en reëler dan dat de relatie met de leverancier als drukmiddel wordt ingezet.
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Op basis daarvan worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse laat ik parallel onderzoeken op welke termijn en onder welke voorwaarden de Belastingdienst het beheer en onderhoud van de infrastructuur van het systeem kan overnemen van Fast Enterprises. Dit kan als een alternatieve route dienen in het geval uit de risicoanalyse blijkt dat de restrisico’s, na het treffen van de beheersmaatregelen, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht. Het zorgvuldig uitwerken van deze alternatieve route vergt tijd. Ik zal uw Kamer hierover informeren voor het zomerreces.
Ik zal hierbij ingaan op een aantal maatregelen die nader worden uitgewerkt. De Belastingdienst werkt met Fast aan de invulling van deze mitigerende maatregelen. Zo zal de leverancier gaan werken op locatie in Apeldoorn onder toezicht van medewerkers van de Belastingdienst die worden opgeleid om het systeem te beheren. Er wordt door de leverancier, eenmaal in productie, geen beheer op afstand vanuit de Verenigde Staten gevoerd. De Belastingdienst heeft de infrastructuur ingericht als een «onvertrouwde» omgeving binnen de infrastructuur van de Belastingdienst. De omgeving is gezoneerd en koppelingen of verbindingen met andere systemen worden gecontroleerd.
De Belastingdienst is in gesprek met de leverancier over het treffen van aanvullende beheersmaatregelen. Het gaat daarbij onder meer, maar niet uitsluitend, om te bewerkstelligen dat er wordt gewerkt met medewerkers die niet onder Amerikaanse jurisdictie vallen. Ook is de Belastingdienst in gesprek met de leverancier om de escrow-regeling die is opgenomen in de overeenkomst met Fast een ruimere toepassing te geven. Dit is een regeling die dient als waarborg op de continuïteit van de dienstverlening. Er wordt een kopie van de broncode en documentatie in bewaring gegeven bij een Nederlandse onafhankelijke derde partij. In geval van het niet nakomen van dienstverleningsafspraken wordt deze broncode en documentatie vrijgegeven. De Belastingdienst gaat een proces inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers in dat geval over de benodigde expertise beschikken en werkzaamheden kunnen uitvoeren.
Kan de Belastingdienst gedurende de looptijd van het contract wel of niet volledig zelfstandig en zonder bijdrage van FAST Enterprises: 1) reageren op incidenten in GenTax; 2) bugfixes doorvoeren in GenTax; en 3) GenTax aanpassen zodat het voldoet aan nieuwe regelgeving?
Nee, deze handelingen kan de Belastingdienst niet volledig zelfstandig uitvoeren. Dit onderwerp is wel onderdeel van de kritische blik op de beheersmaatregelen en de nadere uitwerking hiervan. Zoals hiervoor aangegeven is de Belastingdienst een proces aan het inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers de benodigde expertise hebben om continuïteit te waarborgen ingeval van niet nakomen van dienstverleningsafspraken.
Kunt u precies aangeven wat de werkzaamheden en de taken zijn van het projectteam van FAST Enterprises dat op Nederlandse bodem diensten zal leveren, zowel vóór als na de implementatie van GenTax?4
De implementatie betreft een integrale oplossing waarbij Fast het beheer gaat voeren op het totale systeem (software en infrastructuur). De infrastructuur staat in Apeldoorn, maar wordt beheerd door Fast (door middel van een housing-oplossing geleverd door de Belastingdienst). Zoals in de specificatie van de opdracht beschreven zal het projectteam van Fast, op Nederlandse bodem, werkzaamheden uitvoeren die samenhangen met de realisatie, configuratie en implementatie van GenTax. Dit gebeurt onder toezicht van Belastingdienstmedewerkers (vier-ogenprincipe). De Belastingdienst werkt met Fast aan wijze waarop hier invulling aan wordt gegeven.
Het projectteam van Fast ondersteunt daarnaast de voorbereiding en uitvoering van de migratie naar de nieuwe oplossing en begeleidt de organisatorische inbedding daarvan. Ook verzorgt Fast de opleidingsmaterialen die nodig zijn om medewerkers met het nieuwe systeem te laten werken.
Na de implementatie is Fast verantwoordelijk voor het onderhoud van de oplossing, waaronder het herstellen en verbeteren van functionaliteit en het doorvoeren van productupdates. Verder draagt het projectteam van Fast op dit moment zorg voor het technisch applicatiebeheer en de beschikbaarheid en werking van de oplossing op basis van de overeengekomen service levels. Fast biedt daarnaast ondersteuning bij vragen en verstoringen en blijft, waar nodig en binnen de functionele kaders van de oplossing, configuratiewijzigingen doorvoeren wanneer wet- en regelgeving verandert.
In geval van wijzigingen in wet- en regelgeving ondersteunt Fast bij de configuratie hiervan. Deze wijzigingen voert Fast niet zelfstandig uit. Hiervoor geldt het voortbrengingsproces waarbij Fast bij het configureren samenwerkt met de Belastingdienst. De configuratie van het systeem moet worden goedgekeurd door de Belastingdienst. Dat gebeurt via een proces van definities, verschillende testen, goedkeuren en acceptatie.
Verder werkt Fast doorlopend aan verbeteringen van het Gentax-pakket. Deze verbeteringen kunnen zowel betrekking hebben op de implementatie van nieuwe Europese wet- en regelgeving als functionele en technische verbeteringen van het Gentax-pakket zelf. Het doorvoeren van deze verbeteringen vindt plaats onder regie van de Belastingdienst.
Valt FAST Enterprises volledig en uitsluitend onder Nederlandse en Europese jurisdictie? Zo niet, heeft u dan in kaart gebracht welke gevolgen deze aanbesteding heeft voor de digitale autonomie van Nederland?
Nee, Fast Enterprises is een Amerikaans bedrijf en valt daarmee onder Amerikaanse jurisdictie. Daarmee komen de gegevens waartoe de leverancier, na implementatie, toegang krijgt in potentie binnen reikwijdte van extraterritoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en de FISA Amendments Act.
De Belastingdienst is met de leverancier in gesprek over de mogelijkheid dat zij een onafhankelijke Europese entiteit oprichten met de intentie om het contract met de Belastingdienst, dat valt onder Nederlands recht, daarheen te verhuizen. Dit wordt momenteel juridisch nader verkend.
Welke analyses zijn uitgevoerd op het risico op spionage, dataweglek en het vergroten van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten door deze keuze? Kunt u deze aan de Kamer doen toekomen (al dan niet vertrouwelijk), en de uitkomsten op hoofdlijnen delen?
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Dit is een internationaal erkende methodiek om informatierisico's systematisch in kaart te brengen en te beoordelen. Deze analyse is nog niet afgerond; op basis van de uitkomsten worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd, en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Het nieuwe systeem wordt niet in gebruik genomen voordat de beheersmaatregelen aantoonbaar effectief zijn ingericht.
Aangezien de IRAM nog wordt uitgevoerd, kan ik de uitkomsten op dit moment nog niet met uw Kamer delen. Zodra de analyse is afgerond, ben ik bereid de resultaten en de daaruit voortvloeiende maatregelen vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer aan te bieden.
Kunt u alle relevante notities, adviezen, (risico)analyses en documenten, die betrokken zijn bij de keuze voor FAST Enterprises, in volledigheid met de Kamer delen?
Tijdens de regeling van werkzaamheden op 3 maart jl. heeft uw Kamer verzocht om alle relevante stukken en notities die de keuze onderbouwen te ontvangen. Dit verzoek heb ik ontvangen. Omdat ik het belangrijk vind uw Kamer voor het debat van 19 maart te informeren, is de zoekslag met prioriteit uitgevoerd. Daardoor kan ik uw Kamer documenten doen toekomen die bezien op de aanbesteding, advisering, informatievoorziening en besluitvorming vanuit verschillende fasen binnen de overstap naar een ander OB-systeem. De documenten zijn bijgevoegd bij de Kamerbrief over het systeem voor de omzetbelasting die u op 17 maart jl. heeft ontvangen.
Wanneer er nieuwe relevantie informatie naar boven komt, waarmee een nieuw licht wordt geschenen op de reeds gedeelde inlichtingen, wordt dit op korte termijn met u gedeeld.
Onder welke voorwaarden is het in eigen beheer en onderhoud nemen van de applicatiediensten voor de omzetbelasting een haalbare oplossing? Welke aanvullende middelen of capaciteit is nodig om dit te realiseren?
De Belastingdienst heeft dit jaar op hoofdlijnen een aantal andere scenario’s verkend. Eén van deze scenario’s is dat de Belastingdienst het beheer van de infrastructuur overneemt (van housing naar hosting). Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 en in de Kamerbrief die u heeft ontvangen laat ik de mogelijkheid tot het zelfstandig beheren van de infrastructuur gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse parallel onderzoeken en zal ik uw Kamer hier voor het zomerreces over informeren. Voor een besluit wordt genomen of een toezegging wordt gedaan voor een andere variant dan het continueren van de huidige koers geldt wel dat de impact in beeld moet worden gebracht en expliciet worden gewogen inclusief de daarbij behorende dekking.
In het geval dat er voor een andere koers wordt gekozen dan de huidige zullen de risico’s en gevolgen die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem toenemen. Dat betekent dat het gevolgen kan hebben voor de tijdige implementatie van Europese wet- en regelgeving zoals de ViDA. Als deze wetgeving niet tijdig wordt geïmplementeerd kan dit leiden tot ingebrekestellingen van de Europese Commissie en problemen voor het (Nederlandse) bedrijfsleven.
Heeft de Belastingdienst een duidelijke sourcingstrategie voor het inkopen van ICT-diensten? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Ja de Belastingdienst heeft een ICT-sourcingstrategie opgesteld. Deze strategie is erop gericht om een onderbouwde keuze te maken bij de aanschaf van software. De voorkeur is om bewezen standaardoplossingen uit de markt te gebruiken, zodat de Belastingdienst marktconform kan werken. Deze strategie is eerder in oktober 2024 met uw Kamer gedeeld.7
De Belastingdienst zal het sourcingbeleid herzien en waar nodig actualiseren. Daarbij zal rekening worden gehouden met recente (geo)politieke en technische ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u om alsnog van deze leverancier af te zien, gezien de veranderende politieke situatie en de uitgesproken wens van de Kamer om digitale afhankelijkheden af te bouwen?
Het is mogelijk om de overeenkomst (onder voorwaarden) met de leverancier te ontbinden. Ik zie dat niet als een reëel scenario. Voor de systemen van de omzetbelasting geldt dat de modernisering niet langer kan wachten. Dit systeem is inmiddels rond de veertig jaar oud, de kennis wordt schaarser, de risico’s op storingen en uitval groter en de mogelijkheid om nieuw beleid uit te voeren is zeer beperkt. De keuze voor deze oplossing is weloverwogen gemaakt. De Belastingdienst heeft de aanbestedingsprocedure zorgvuldig doorlopen en de gunning is in maart 2025 definitief verleend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 zet ik het traject voort en laat ik parellel onderzoeken door de Belastingdienst of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Waarom is het McKinsey-rapport «Kopen of zelf bouwen?,» dat betrokken is geweest bij de keuze om de software van de omzetbelasting in te kopen, niet meer Openbaar?5 Kunt u het rapport opnieuw Openbaar maken?
Het rapport staat nog steeds online. De link uit het artikel is verouderd. Het is in te zien via: Open overheid.
Welke ambities zijn er om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere middelen dan de omzetbelasting, aangezien in het McKinsey-rapport wordt gesteld dat uitbreiding een voordeel is van het inkopen van een extern pakket?
Op dit moment zijn er geen plannen om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere belastingmiddelen.
Uit welk advies bleek dat ook het beheer en onderhoud van de applicatiediensten uitbesteed moest worden? Op welke momenten is de Kamer geïnformeerd dat beheer en onderhoud bij een niet-Europees bedrijf zou worden belegd?
Hierover is geen extern advies ingewonnen.
De Tweede Kamer is periodiek geïnformeerd over de voortgang van de aanbesteding. Tijdens het commissiedebat Belastingdienst in maart 2025 is aangegeven dat de gunning aan Fast Enterprises had plaatsgevonden. Aangezien het ongebruikelijk is om uw Kamer op dit detailniveau te informeren over aanbestedingen, bent u niet specifiek geïnformeerd over het uitbesteden van het beheer en onderhoud van applicatiediensten.
Zijn de waarschuwing en het advies van het Adviescollege ICT uit 2024 naar behoren opgevolgd?6 Zo nee, om welke redenen is dit niet nageleefd?
Ja. Het Adviescollege ICT heeft in april 2024 advies uitgebracht over het programma modernisering omzetbelasting. In dit advies onderschreef het Adviescollege de keuze van de Belastingdienst voor een pakketoplossing, maar werd de Belastingdienst geadviseerd de voorbereiding op een aantal punten te versterken. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer op 7 mei 2024 geïnformeerd over de wijze waarop de Belastingdienst deze adviezen zou opvolgen.10 Deze adviezen zijn opgepakt en benut door de Belastingdienst voor het verdere verloop van het traject.
Kunt u nauwkeurig toelichten in welke mate medewerkers van FAST Enterprises toegang krijgt tot de gegevens die verwerkt worden bij het heffen van de omzetbelasting? Welke garantie is er dat data via deze medewerkers toegankelijk wordt voor Amerikaanse overheidsdiensten?
Fast Enterprises zal de servers gaan beheren die geplaatst worden in het datacenter van de Belastingdienst in Apeldoorn. Daardoor krijgt Fast Enterprises, als de OB-regeling(en) in productie zijn genomen, toegang tot data van belastingplichtigen. De mate waarin medewerkers van Fast toegang krijgen tot data die in deze servers staat hangt af van hun autorisatie. Het uitgangspunt is dat medewerkers van Fast tijdens de productiefase geen toegang hebben tot productiedata en daartoe alleen tijdelijk toegang verkrijgen wanneer dit nodig is om hun beheerwerk te verrichten.
Fast Enterprises heeft een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Deze verklaring voorkomt niet dat de Amerikaanse Staat voorgenoemde data kan vorderen op basis van extra territoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en FISA Amendments Act. Er worden maatregelen genomen om dit risico te mitigeren, zoals het inrichten van het eerdergenoemde vier-ogen principe en infrastructurele beperkingen om data uit het systeem te kunnen halen, en logging en monitoring.
Deelt u de zienswijze dat het feit dat de servers van de Belastingdienst in Nederland blijven onvoldoende is om de risico’s voor de vertrouwelijkheid en cyberveiligheid weg te nemen, als een Amerikaanse partij straks toegang krijgt tot de servers?
Het gegeven dat de servers in het datacenter van de Belastingdienst staan is op zichzelf niet afdoende om alle risico’s weg te nemen. Daarom gaat de Belastingdienst ook aanvullende maatregelen nemen, zoals aangegeven in de brief die u bij met deze antwoorden heeft ontvangen, om deze risico’s tot een acceptabel niveau terug te brengen.
Bent u bereid om een kort, onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheid om het project alsnog stop te zetten, met behoud van de continuïteit van de belastingheffing?
Het stopzetten van het project acht ik niet verstandig, de redenen daarvoor heb ik uitgebreid toegelicht in de Kamerbrief die u heeft ontvangen. Een onderzoek met als uitgangspunt het stopzetten van dit traject lijkt mij prematuur gezien het feit dat de risicoanalyse en de uitwerking van beheersmaatregelen nog gaande zijn. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 laat ik, als onderdeel van de risicoanalyse, door de Belastingdienst parellel onderzoeken of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Ik acht het zorgvuldiger om eerst het uitwerken van deze route en het afronden van de risicoanalyse af te wachten en vervolgens de uitkomsten hiervan te beoordelen. Voorafgaand aan de ingebruikname van het nieuwe systeem zullen alle beheersmaatregelen worden getoetst op hun effectiviteit. Ik ben bereid deze toetsing door een onafhankelijke partij te laten doen en de resultaten met uw Kamer te delen.
Kunt u een actueel overzicht geven van de planning van het lopende implementatietraject?
De Belastingdienst heeft gekozen voor een stapsgewijze implementatie. Deze planning is door mijn ambtsvoorganger op 13 november 2025 met uw Kamer gedeeld.11
Juli 2026
Juli 2027
4. Kleine ondernemersregeling (NL-KOR): de btw-vrijstelling voor ondernemers met een jaaromzet in Nederland tot en met € 20.000;.
Juli 2028
Kunt u toezeggen om geen onomkeerbare stappen te zetten in de migratie van de diensten naar FAST Enterprises, totdat volledig is uitgesloten dat de digitale autonomie hierdoor wordt ondermijnd en de Kamer zich hierover heeft kunnen uitspreken?
Er wordt op dit moment nog geen gebruik gemaakt van het nieuwe systeem. Het huidige systeem functioneert ongewijzigd. Wel wordt er doorgewerkt aan de voorbereiding van de ingebruikname om te voorkomen dat er vertraging optreedt en de risico’s met betrekking tot de continuïteit van het systeem daarmee toenemen. Daarbij merk ik op dat de gunning in maart 2025 definitief is geworden en het contact met Fast Enterprises is getekend. De Belastingdienst is als contractpartij gehouden aan de verplichtingen die hieruit voortvloeien. Het opzeggen of niet nakomen van het contract zal juridische en financiële consequenties met zich meebrengen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief en in de antwoorden op vraag 7 en 13 zal ik u voor het zomerreces en dus voor de ingebruikname van het systeem informeren over het uitwerken van de alternatieve route en de risicoanalyse.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval te voldoen aan de aanvullende informatieverzoeken voordat het commissiedebat Belastingdienst van 19 maart 2026 plaatsvindt?
Ja, de vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Ja.
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
De reclassering heeft de OxRec in 2018 in gebruik genomen.
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
De aard en omvang van de problemen rondom de algoritmes bij de reclassering zijn bij mij in beeld gekomen door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de Inspectie). De Inspectie heeft de reclassering en het ministerie medio 2025 bericht over de voorlopige bevindingen. Het definitieve rapport is in december 2025 opgeleverd door de Inspectie.
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Het pauzeren van de OxRec heeft impact op de wijze waarop adviezen tot stand komen en raakt daarmee het dagelijks werk van vele reclasseringswerkers. Zo’n wijziging lijkt op zichzelf klein, maar heeft flinke impact, zeker omdat deze veel medewerkers raakt. Een goede voorbereiding van de pauzering door nieuwe werkafspraken te maken, was essentieel om de kwaliteit van de adviezen te kunnen blijven garanderen. Dit kostte tijd. Het eerder op verantwoorde wijze pauzeren van de OxRec dan 12 februari jl. werd niet mogelijk geacht.
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
De inspectie concludeert dat de OxRec door de implementatiegebreken in circa 21 procent (bij algemene recidive) en 6 procent (bij gewelddadige recidive) van de gevallen tot een andere risicocategorie zou zijn gekomen. Dat betreur ik zeer. In het verbetertraject van de reclassering worden alle aanbevelingen van de Inspectie overgenomen. Het is helaas niet mogelijk om binnen dit traject met terugwerkende kracht vast te stellen of reclasseringswerkers door de implementatiegebreken in de OxRec tot andere adviezen zijn gekomen, laat staan of dit tot andere strafrechtelijke beslissingen zou hebben geleid. Reclasseringsadviezen zijn namelijk altijd gebaseerd op een menselijk oordeel, en dit menselijk oordeel kan niet achteraf opnieuw worden geconstrueerd.2
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Zie antwoord vraag 5.
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Volgens de Inspectie kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van deze factoren kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.3
Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.4
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Alle conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Inspectie worden in het verbetertraject door de reclassering opgepakt.
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Ik verwacht de Kamer in het najaar van dit jaar te kunnen informeren over de opvolging van de aanbevelingen.
Het bericht dat ouderen zich in toenemende mate onveilig voelen |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgen bij ouderen om oorlog en fatbikes: 40 procent houdt deur ’s avonds dicht, roep om meer politie op straat»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB waaruit onder andere blijkt dat meer dan de helft van 65-plussers in Nederland van mening is dat hun gemeente onvoldoende doet om te zorgen voor hun veiligheid?
Iedereen moet zich in Nederland veilig kunnen voelen, ook ouderen. Het kabinet streeft ernaar iedereen een veilige en rechtvaardige samenleving te bieden. Ik vind het vervelend dat ouderen in Nederland zich volgens dit onderzoek onveilig voelen.
Ik zou de cijfers wel in een bredere context willen plaatsen. Begin maart verscheen namelijk ook de Veiligheidsmonitor, een grootschalig onderzoek vanuit het CBS waarin ook veiligheidsbeleving is meegenomen.2 Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat 65-plussers zich van alle leeftijdsgroepen juist het minst onveilig voelen.
De cijfers uit het onderzoek van de ouderenbond gaan wel wat breder dan de Veiligheidsmonitor. Zo worden de zorgen van ouderen over bijvoorbeeld financiële problemen, het niet meekunnen in de digitale maatschappij, vallen en autorijden niet meegenomen in de Veiligheidsmonitor.
Wat is uw mening over de bevinding uit het onderzoek dat 40 procent van de ouderen ’s avonds niet meer de deur wilt opendoen als er wordt aangebeld?
De Veiligheidsmonitor geeft hier een wat ander beeld dan het onderzoek van ANBO-PCOB. Uit de cijfers van het CBS blijkt namelijk dat 13% van de 65-plussers de deur ’s avonds niet opendoet.3 Dit percentage ligt echter wel hoger dan bij andere leeftijdsgroepen.
Dat gezegd hebbende, vind ik wel dat ouderen zich ’s avonds in hun eigen huis veilig zouden moeten voelen. In mijn beantwoording van vraag 5 ga ik verder in op acties die ik daarvoor onderneem.
Verder vind ik het in beginsel geen verkeerde zaak dat mensen zelf actie ondernemen om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Verschillende preventiecampagnes vanuit de Rijksoverheid zijn hier ook op gericht.
Deelt u de bezorgdheid van veel ouderen dat zij zich onveiliger voelen dan vroeger, door onder andere oorlogsdreiging, sociale onrust, cybercriminaliteit en verkeersoverlast?
Ik begrijp die zorgen. Voor veel ouderen stapelen verschillende bronnen van onrust zich op: de internationale spanningen komen dichtbij via nieuws en sociale media, in de eigen omgeving is er soms meer sociale frictie, en criminaliteit verschuift deels naar het digitale domein. Ik kan me voorstellen dat dit gevoelens van onveiligheid oproept, ook als de statistieken niet overal en voor iedereen hetzelfde beeld laten zien.
Ik blijf hierover in gesprek met lokale partners. Zo zorgen we er gezamenlijk voor dat we ons niet alleen richten op het verbeteren van objectieve veiligheid, maar vooral op het dagelijkse gevoel van veiligheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid van ouderen te versterken?
Een van mijn prioriteiten is om veiligheid en gezag op straat te versterken. Daar wil ik voor alle Nederlanders op inzetten, dus ook voor ouderen.
Volgens het onderzoek van ANBO-PCOB ziet een groot deel van de ouderen het vergroten van zichtbaarheid en aanwezigheid van politie en wijkagenten als de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan. Dit kabinet wil meer wijkagenten opleiden en inzetten. Daarbij wil ik benadrukken dat niet alleen wijkagenten invulling geven aan de zichtbaarheid en aanwezigheid van de politie in de wijk: dat doen alle agenten in de gebiedsgebonden politie met elkaar. In toenemende mate beschikken agenten over de apparatuur om hun werk op straat of op locatie te kunnen doen. Zo kan ook maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Dit gebeurt met name bij online criminaliteit, zoals bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude. Gezien de grote impact hiervan bezoeken agenten het slachtoffer inmiddels in alle politie-eenheden ook thuis. Verder verwijs ik graag naar de, naar het zich op dit moment laat aanzien, succesvolle campagne Game-over. OM en politie voeren die campagne met als doel om personen die verdacht worden van bankhelpdeskfraude, of het zich voordoen als nepagent, te identificeren en op te pakken. Dit zijn vormen van criminaliteit waarvan met name ook kwetsbare ouderen het slachtoffer worden.
Daarnaast wil ik doen wat ik kan ouderen zich veiliger te laten voelen. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van de Veiligheidsmonitor, heb ik toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en gemeenten zal verkennen waar mogelijkheden liggen om de veiligheidsbeleving te verbeteren, juist ook op lokaal niveau.4 Daarin zal ik specifiek aandacht hebben voor de oudere doelgroep.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ouderen beter te beschermen tegen digitale oplichting?
Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) biedt op de website algemene informatie en advies voor slachtoffers van identiteitsfraude en geeft naar aanleiding van incidenten ook gerichtere informatie middels nieuwsbrieven. Ook dit jaar werk ik gezamenlijk met ketenpartners aan goede voorlichting om ouderen weerbaarder te maken tegen digitale oplichting. Dit jaar staat, net als eerdere jaren, de maand april in het teken van senioren en veiligheid. Onder andere het CMI, de politie, de Nederlandse Vereniging van Banken, Slachtofferhulp Nederland en de Fraudehelpdesk informeerden recentelijk bezoekers van de Senioren Expo en de huishoudbeurs over verschillende fraudevormen, met speciale aandacht voor identiteitsfraude en preventieve maatregelen, waaronder het gebruik van de KopieID-app.
Een Amerikaanse aanbesteding voor ICT van de Belastingdienst |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Digitale autonomie en de uitbesteding applicatiediensten omzetbelasting door de Staat»1 en de desbetreffende aanbesteding van de Belastingdienst?2
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht en de aanbesteding?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Kamerbrief die u op 17 maart jl. over dit onderwerp heeft ontvangen.
Op welke gronden is gekozen om (het beheer en het onderhoud van) de software van de omzetbelasting bij FAST Enterprises in te kopen, namelijk het softwarepakket «GenTax»?
Het systeem voor de omzetbelasting is sterk verouderd en dringend toe aan modernisering. Daarover is uw Kamer in de laatste jaren veelvuldig geïnformeerd. De Belastingdienst is in 2020 gestart met het traject om het verouderde omzetbelastingsysteem te moderniseren. In 2021 heeft de Belastingdienst een marktconsultatie gedaan, waaruit bleek dat er oplossingen in de markt beschikbaar zijn. In 2022 is na extern advies besloten om een aanbesteding te starten en een pakketoplossing uit de markt aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen. Uit het advies bleek dat een oplossing uit de markt sneller en tegen lagere kosten zou kunnen worden gerealiseerd dan wanneer de Belastingdienst zelf een systeem zou bouwen.
In 2023 is de Belastingdienst een aanbestedingsprocedure (een concurrentiegerichte dialoog) gestart. Na het doorlopen van een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf Fast Enterprises. Dit bedrijf scoorde het beste op de aangegeven criteria uit de vooraf via TenderNed openbaar gemaakte aanbestedingsstukken. Voorbeelden van criteria zijn: gebruiksvriendelijkheid, gegevensbeheer, informatiebeveiliging en datamigratie.
Op welke manier is er, ten tijde van de aanbesteding, rekening gehouden met digitale autonomie als voorwaarde voor aanbestedingen van overheids-ICT? Zou u dit in de huidige politieke context anders beoordelen?
Het traject is gestart in een andere (geo)politieke context. Het versterken van de nationale digitale autonomie door het beperken van de afhankelijkheid van niet-Europese technologie speelde destijds een beperktere rol in de afwegingen. Er is bewust gezocht naar bewezen technologie en gekeken naar de ervaringen van andere Europese landen.
De aanbesteding is zorgvuldig doorlopen conform de Europese aanbestedingsregels. De gevolgde Europese aanbestedingsregels maken het niet mogelijk om niet-Europese landen uit te sluiten indien hier handelsverdragen mee zijn gesloten.
Tegelijkertijd ziet dit kabinet ook dat Nederland kwetsbaar is geworden door afhankelijkheid van een klein aantal buitenlandse (tech)spelers en kijkt daarom met veel aandacht naar de digitale, en open strategische, autonomie van Nederland. In Europees verband wordt daarom gesproken over het herzien van de aanbestedingswet- en regelgeving, en een eventueel EU-voorkeursprincipe bij aanbestedingen in specifieke sectoren.
Indien de keuze voor FAST Enterprises de digitale autonomie niet bevordert, kunt u dan onderbouwen waarom dit alsnog de voorkeursoptie is?
In 2020 startte de Belastingdienst het traject voor de modernisering van het verouderde omzetbelastingsysteem. Een marktconsultatie in 2021 wees uit dat er geschikte pakketoplossingen beschikbaar waren in de markt. In 2022 is na een onderzoek uitgevoerd door McKinsey besloten om een aanbesteding te starten om een bewezen pakketoplossing voor de omzetbelasting aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen.3 Uit het onderzoek bleek dat het aanschaffen van een systeem sneller te realiseren is dan zelf bouwen. Een tweede onafhankelijk onderzoek heeft dit beeld bevestigd.
De Belastingdienst heeft een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure doorlopen in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog. Het stond Nederlandse en Europese bedrijven uiteraard vrij om hieraan deel te nemen, dat hebben zij ook gedaan. Na het doorlopen van deze aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf, Fast Enterprises. Zoals ik reeds aangaf in het antwoord op vraag 3 scoorde dit bedrijf het beste op de van te voren aangegeven criteria in de aanbestedingsstukken. Daarnaast sluiten de gevolgde Europese aanbestedingsregels Amerikaanse bedrijven niet uit.
Kunt u onderbouwen waarom er niet is gekozen om de software van de omzetbelasting intern te ontwikkelen en beheren of dit in te kopen bij een Nederland of Europees bedrijf?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe garandeert u dat de relatie met FAST Enterprises niet door de Verenigde Staten gebruikt zal worden als drukmiddel, in het licht van de Nationale Veiligheidsstrategie van de VS?3 Kunt u inzicht geven in alle maatregelen die zijn genomen om dit risico te voorkomen?
Ik kan u die garantie niet geven. Het volledig uitsluiten van dit risico is bij een afhankelijkheid van een externe leverancier niet mogelijk. Het kabinet is doorlopend met de Verenigde Staten in gesprek om dergelijke vergaande maatregelen te voorkomen.5 In een extreem geval, kan de leverancier onder statelijke druk gedwongen worden om te stoppen met het leveren van diensten. In de recente geschiedenis is dit alleen onder zeer specifieke sanctiewetgeving gebeurd. De risico’s rondom continuïteit in relatie tot de Amerikaanse leverancier dienen te worden afgewogen tegen de risico’s die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem waarover ik u in de oplegbrief heb geïnformeerd. Deze risico’s acht ik groter en reëler dan dat de relatie met de leverancier als drukmiddel wordt ingezet.
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Op basis daarvan worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse laat ik parallel onderzoeken op welke termijn en onder welke voorwaarden de Belastingdienst het beheer en onderhoud van de infrastructuur van het systeem kan overnemen van Fast Enterprises. Dit kan als een alternatieve route dienen in het geval uit de risicoanalyse blijkt dat de restrisico’s, na het treffen van de beheersmaatregelen, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht. Het zorgvuldig uitwerken van deze alternatieve route vergt tijd. Ik zal uw Kamer hierover informeren voor het zomerreces.
Ik zal hierbij ingaan op een aantal maatregelen die nader worden uitgewerkt. De Belastingdienst werkt met Fast aan de invulling van deze mitigerende maatregelen. Zo zal de leverancier gaan werken op locatie in Apeldoorn onder toezicht van medewerkers van de Belastingdienst die worden opgeleid om het systeem te beheren. Er wordt door de leverancier, eenmaal in productie, geen beheer op afstand vanuit de Verenigde Staten gevoerd. De Belastingdienst heeft de infrastructuur ingericht als een «onvertrouwde» omgeving binnen de infrastructuur van de Belastingdienst. De omgeving is gezoneerd en koppelingen of verbindingen met andere systemen worden gecontroleerd.
De Belastingdienst is in gesprek met de leverancier over het treffen van aanvullende beheersmaatregelen. Het gaat daarbij onder meer, maar niet uitsluitend, om te bewerkstelligen dat er wordt gewerkt met medewerkers die niet onder Amerikaanse jurisdictie vallen. Ook is de Belastingdienst in gesprek met de leverancier om de escrow-regeling die is opgenomen in de overeenkomst met Fast een ruimere toepassing te geven. Dit is een regeling die dient als waarborg op de continuïteit van de dienstverlening. Er wordt een kopie van de broncode en documentatie in bewaring gegeven bij een Nederlandse onafhankelijke derde partij. In geval van het niet nakomen van dienstverleningsafspraken wordt deze broncode en documentatie vrijgegeven. De Belastingdienst gaat een proces inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers in dat geval over de benodigde expertise beschikken en werkzaamheden kunnen uitvoeren.
Kan de Belastingdienst gedurende de looptijd van het contract wel of niet volledig zelfstandig en zonder bijdrage van FAST Enterprises: 1) reageren op incidenten in GenTax; 2) bugfixes doorvoeren in GenTax; en 3) GenTax aanpassen zodat het voldoet aan nieuwe regelgeving?
Nee, deze handelingen kan de Belastingdienst niet volledig zelfstandig uitvoeren. Dit onderwerp is wel onderdeel van de kritische blik op de beheersmaatregelen en de nadere uitwerking hiervan. Zoals hiervoor aangegeven is de Belastingdienst een proces aan het inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers de benodigde expertise hebben om continuïteit te waarborgen ingeval van niet nakomen van dienstverleningsafspraken.
Kunt u precies aangeven wat de werkzaamheden en de taken zijn van het projectteam van FAST Enterprises dat op Nederlandse bodem diensten zal leveren, zowel vóór als na de implementatie van GenTax?4
De implementatie betreft een integrale oplossing waarbij Fast het beheer gaat voeren op het totale systeem (software en infrastructuur). De infrastructuur staat in Apeldoorn, maar wordt beheerd door Fast (door middel van een housing-oplossing geleverd door de Belastingdienst). Zoals in de specificatie van de opdracht beschreven zal het projectteam van Fast, op Nederlandse bodem, werkzaamheden uitvoeren die samenhangen met de realisatie, configuratie en implementatie van GenTax. Dit gebeurt onder toezicht van Belastingdienstmedewerkers (vier-ogenprincipe). De Belastingdienst werkt met Fast aan wijze waarop hier invulling aan wordt gegeven.
Het projectteam van Fast ondersteunt daarnaast de voorbereiding en uitvoering van de migratie naar de nieuwe oplossing en begeleidt de organisatorische inbedding daarvan. Ook verzorgt Fast de opleidingsmaterialen die nodig zijn om medewerkers met het nieuwe systeem te laten werken.
Na de implementatie is Fast verantwoordelijk voor het onderhoud van de oplossing, waaronder het herstellen en verbeteren van functionaliteit en het doorvoeren van productupdates. Verder draagt het projectteam van Fast op dit moment zorg voor het technisch applicatiebeheer en de beschikbaarheid en werking van de oplossing op basis van de overeengekomen service levels. Fast biedt daarnaast ondersteuning bij vragen en verstoringen en blijft, waar nodig en binnen de functionele kaders van de oplossing, configuratiewijzigingen doorvoeren wanneer wet- en regelgeving verandert.
In geval van wijzigingen in wet- en regelgeving ondersteunt Fast bij de configuratie hiervan. Deze wijzigingen voert Fast niet zelfstandig uit. Hiervoor geldt het voortbrengingsproces waarbij Fast bij het configureren samenwerkt met de Belastingdienst. De configuratie van het systeem moet worden goedgekeurd door de Belastingdienst. Dat gebeurt via een proces van definities, verschillende testen, goedkeuren en acceptatie.
Verder werkt Fast doorlopend aan verbeteringen van het Gentax-pakket. Deze verbeteringen kunnen zowel betrekking hebben op de implementatie van nieuwe Europese wet- en regelgeving als functionele en technische verbeteringen van het Gentax-pakket zelf. Het doorvoeren van deze verbeteringen vindt plaats onder regie van de Belastingdienst.
Valt FAST Enterprises volledig en uitsluitend onder Nederlandse en Europese jurisdictie? Zo niet, heeft u dan in kaart gebracht welke gevolgen deze aanbesteding heeft voor de digitale autonomie van Nederland?
Nee, Fast Enterprises is een Amerikaans bedrijf en valt daarmee onder Amerikaanse jurisdictie. Daarmee komen de gegevens waartoe de leverancier, na implementatie, toegang krijgt in potentie binnen reikwijdte van extraterritoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en de FISA Amendments Act.
De Belastingdienst is met de leverancier in gesprek over de mogelijkheid dat zij een onafhankelijke Europese entiteit oprichten met de intentie om het contract met de Belastingdienst, dat valt onder Nederlands recht, daarheen te verhuizen. Dit wordt momenteel juridisch nader verkend.
Welke analyses zijn uitgevoerd op het risico op spionage, dataweglek en het vergroten van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten door deze keuze? Kunt u deze aan de Kamer doen toekomen (al dan niet vertrouwelijk), en de uitkomsten op hoofdlijnen delen?
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Dit is een internationaal erkende methodiek om informatierisico's systematisch in kaart te brengen en te beoordelen. Deze analyse is nog niet afgerond; op basis van de uitkomsten worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd, en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Het nieuwe systeem wordt niet in gebruik genomen voordat de beheersmaatregelen aantoonbaar effectief zijn ingericht.
Aangezien de IRAM nog wordt uitgevoerd, kan ik de uitkomsten op dit moment nog niet met uw Kamer delen. Zodra de analyse is afgerond, ben ik bereid de resultaten en de daaruit voortvloeiende maatregelen vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer aan te bieden.
Kunt u alle relevante notities, adviezen, (risico)analyses en documenten, die betrokken zijn bij de keuze voor FAST Enterprises, in volledigheid met de Kamer delen?
Tijdens de regeling van werkzaamheden op 3 maart jl. heeft uw Kamer verzocht om alle relevante stukken en notities die de keuze onderbouwen te ontvangen. Dit verzoek heb ik ontvangen. Omdat ik het belangrijk vind uw Kamer voor het debat van 19 maart te informeren, is de zoekslag met prioriteit uitgevoerd. Daardoor kan ik uw Kamer documenten doen toekomen die bezien op de aanbesteding, advisering, informatievoorziening en besluitvorming vanuit verschillende fasen binnen de overstap naar een ander OB-systeem. De documenten zijn bijgevoegd bij de Kamerbrief over het systeem voor de omzetbelasting die u op 17 maart jl. heeft ontvangen.
Wanneer er nieuwe relevantie informatie naar boven komt, waarmee een nieuw licht wordt geschenen op de reeds gedeelde inlichtingen, wordt dit op korte termijn met u gedeeld.
Onder welke voorwaarden is het in eigen beheer en onderhoud nemen van de applicatiediensten voor de omzetbelasting een haalbare oplossing? Welke aanvullende middelen of capaciteit is nodig om dit te realiseren?
De Belastingdienst heeft dit jaar op hoofdlijnen een aantal andere scenario’s verkend. Eén van deze scenario’s is dat de Belastingdienst het beheer van de infrastructuur overneemt (van housing naar hosting). Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 en in de Kamerbrief die u heeft ontvangen laat ik de mogelijkheid tot het zelfstandig beheren van de infrastructuur gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse parallel onderzoeken en zal ik uw Kamer hier voor het zomerreces over informeren. Voor een besluit wordt genomen of een toezegging wordt gedaan voor een andere variant dan het continueren van de huidige koers geldt wel dat de impact in beeld moet worden gebracht en expliciet worden gewogen inclusief de daarbij behorende dekking.
In het geval dat er voor een andere koers wordt gekozen dan de huidige zullen de risico’s en gevolgen die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem toenemen. Dat betekent dat het gevolgen kan hebben voor de tijdige implementatie van Europese wet- en regelgeving zoals de ViDA. Als deze wetgeving niet tijdig wordt geïmplementeerd kan dit leiden tot ingebrekestellingen van de Europese Commissie en problemen voor het (Nederlandse) bedrijfsleven.
Heeft de Belastingdienst een duidelijke sourcingstrategie voor het inkopen van ICT-diensten? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Ja de Belastingdienst heeft een ICT-sourcingstrategie opgesteld. Deze strategie is erop gericht om een onderbouwde keuze te maken bij de aanschaf van software. De voorkeur is om bewezen standaardoplossingen uit de markt te gebruiken, zodat de Belastingdienst marktconform kan werken. Deze strategie is eerder in oktober 2024 met uw Kamer gedeeld.7
De Belastingdienst zal het sourcingbeleid herzien en waar nodig actualiseren. Daarbij zal rekening worden gehouden met recente (geo)politieke en technische ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u om alsnog van deze leverancier af te zien, gezien de veranderende politieke situatie en de uitgesproken wens van de Kamer om digitale afhankelijkheden af te bouwen?
Het is mogelijk om de overeenkomst (onder voorwaarden) met de leverancier te ontbinden. Ik zie dat niet als een reëel scenario. Voor de systemen van de omzetbelasting geldt dat de modernisering niet langer kan wachten. Dit systeem is inmiddels rond de veertig jaar oud, de kennis wordt schaarser, de risico’s op storingen en uitval groter en de mogelijkheid om nieuw beleid uit te voeren is zeer beperkt. De keuze voor deze oplossing is weloverwogen gemaakt. De Belastingdienst heeft de aanbestedingsprocedure zorgvuldig doorlopen en de gunning is in maart 2025 definitief verleend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 zet ik het traject voort en laat ik parellel onderzoeken door de Belastingdienst of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Waarom is het McKinsey-rapport «Kopen of zelf bouwen?,» dat betrokken is geweest bij de keuze om de software van de omzetbelasting in te kopen, niet meer Openbaar?5 Kunt u het rapport opnieuw Openbaar maken?
Het rapport staat nog steeds online. De link uit het artikel is verouderd. Het is in te zien via: Open overheid.
Welke ambities zijn er om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere middelen dan de omzetbelasting, aangezien in het McKinsey-rapport wordt gesteld dat uitbreiding een voordeel is van het inkopen van een extern pakket?
Op dit moment zijn er geen plannen om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere belastingmiddelen.
Uit welk advies bleek dat ook het beheer en onderhoud van de applicatiediensten uitbesteed moest worden? Op welke momenten is de Kamer geïnformeerd dat beheer en onderhoud bij een niet-Europees bedrijf zou worden belegd?
Hierover is geen extern advies ingewonnen.
De Tweede Kamer is periodiek geïnformeerd over de voortgang van de aanbesteding. Tijdens het commissiedebat Belastingdienst in maart 2025 is aangegeven dat de gunning aan Fast Enterprises had plaatsgevonden. Aangezien het ongebruikelijk is om uw Kamer op dit detailniveau te informeren over aanbestedingen, bent u niet specifiek geïnformeerd over het uitbesteden van het beheer en onderhoud van applicatiediensten.
Zijn de waarschuwing en het advies van het Adviescollege ICT uit 2024 naar behoren opgevolgd?6 Zo nee, om welke redenen is dit niet nageleefd?
Ja. Het Adviescollege ICT heeft in april 2024 advies uitgebracht over het programma modernisering omzetbelasting. In dit advies onderschreef het Adviescollege de keuze van de Belastingdienst voor een pakketoplossing, maar werd de Belastingdienst geadviseerd de voorbereiding op een aantal punten te versterken. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer op 7 mei 2024 geïnformeerd over de wijze waarop de Belastingdienst deze adviezen zou opvolgen.10 Deze adviezen zijn opgepakt en benut door de Belastingdienst voor het verdere verloop van het traject.
Kunt u nauwkeurig toelichten in welke mate medewerkers van FAST Enterprises toegang krijgt tot de gegevens die verwerkt worden bij het heffen van de omzetbelasting? Welke garantie is er dat data via deze medewerkers toegankelijk wordt voor Amerikaanse overheidsdiensten?
Fast Enterprises zal de servers gaan beheren die geplaatst worden in het datacenter van de Belastingdienst in Apeldoorn. Daardoor krijgt Fast Enterprises, als de OB-regeling(en) in productie zijn genomen, toegang tot data van belastingplichtigen. De mate waarin medewerkers van Fast toegang krijgen tot data die in deze servers staat hangt af van hun autorisatie. Het uitgangspunt is dat medewerkers van Fast tijdens de productiefase geen toegang hebben tot productiedata en daartoe alleen tijdelijk toegang verkrijgen wanneer dit nodig is om hun beheerwerk te verrichten.
Fast Enterprises heeft een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Deze verklaring voorkomt niet dat de Amerikaanse Staat voorgenoemde data kan vorderen op basis van extra territoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en FISA Amendments Act. Er worden maatregelen genomen om dit risico te mitigeren, zoals het inrichten van het eerdergenoemde vier-ogen principe en infrastructurele beperkingen om data uit het systeem te kunnen halen, en logging en monitoring.
Deelt u de zienswijze dat het feit dat de servers van de Belastingdienst in Nederland blijven onvoldoende is om de risico’s voor de vertrouwelijkheid en cyberveiligheid weg te nemen, als een Amerikaanse partij straks toegang krijgt tot de servers?
Het gegeven dat de servers in het datacenter van de Belastingdienst staan is op zichzelf niet afdoende om alle risico’s weg te nemen. Daarom gaat de Belastingdienst ook aanvullende maatregelen nemen, zoals aangegeven in de brief die u bij met deze antwoorden heeft ontvangen, om deze risico’s tot een acceptabel niveau terug te brengen.
Bent u bereid om een kort, onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheid om het project alsnog stop te zetten, met behoud van de continuïteit van de belastingheffing?
Het stopzetten van het project acht ik niet verstandig, de redenen daarvoor heb ik uitgebreid toegelicht in de Kamerbrief die u heeft ontvangen. Een onderzoek met als uitgangspunt het stopzetten van dit traject lijkt mij prematuur gezien het feit dat de risicoanalyse en de uitwerking van beheersmaatregelen nog gaande zijn. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 laat ik, als onderdeel van de risicoanalyse, door de Belastingdienst parellel onderzoeken of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Ik acht het zorgvuldiger om eerst het uitwerken van deze route en het afronden van de risicoanalyse af te wachten en vervolgens de uitkomsten hiervan te beoordelen. Voorafgaand aan de ingebruikname van het nieuwe systeem zullen alle beheersmaatregelen worden getoetst op hun effectiviteit. Ik ben bereid deze toetsing door een onafhankelijke partij te laten doen en de resultaten met uw Kamer te delen.
Kunt u een actueel overzicht geven van de planning van het lopende implementatietraject?
De Belastingdienst heeft gekozen voor een stapsgewijze implementatie. Deze planning is door mijn ambtsvoorganger op 13 november 2025 met uw Kamer gedeeld.11
Juli 2026
Juli 2027
4. Kleine ondernemersregeling (NL-KOR): de btw-vrijstelling voor ondernemers met een jaaromzet in Nederland tot en met € 20.000;.
Juli 2028
Kunt u toezeggen om geen onomkeerbare stappen te zetten in de migratie van de diensten naar FAST Enterprises, totdat volledig is uitgesloten dat de digitale autonomie hierdoor wordt ondermijnd en de Kamer zich hierover heeft kunnen uitspreken?
Er wordt op dit moment nog geen gebruik gemaakt van het nieuwe systeem. Het huidige systeem functioneert ongewijzigd. Wel wordt er doorgewerkt aan de voorbereiding van de ingebruikname om te voorkomen dat er vertraging optreedt en de risico’s met betrekking tot de continuïteit van het systeem daarmee toenemen. Daarbij merk ik op dat de gunning in maart 2025 definitief is geworden en het contact met Fast Enterprises is getekend. De Belastingdienst is als contractpartij gehouden aan de verplichtingen die hieruit voortvloeien. Het opzeggen of niet nakomen van het contract zal juridische en financiële consequenties met zich meebrengen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief en in de antwoorden op vraag 7 en 13 zal ik u voor het zomerreces en dus voor de ingebruikname van het systeem informeren over het uitwerken van de alternatieve route en de risicoanalyse.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval te voldoen aan de aanvullende informatieverzoeken voordat het commissiedebat Belastingdienst van 19 maart 2026 plaatsvindt?
Ja, de vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Ja, van dit artikel heb ik kennis genomen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sta ik achter onze raadsleden. Het is onacceptabel dat onze volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. De berichten over de toename van agressie, bedreiging en intimidatie richting de gemeenteraadsleden zijn zorgelijk. Daarom zet ik mij door middel van het programma Weerbaar Bestuur in om de gemeenteraadsleden beter te beschermen en te ondersteunen na een incident.
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Agressie, bedreiging en intimidatie aan het adres van raadsleden zijn onaanvaardbaar. De berichten over de toename van incidenten zijn mij bekend en ik vind deze zeer verontrustend. Samen met het Netwerk Weerbaar Bestuur werkt mijn ministerie sinds 2018 aan het vergroten van de veiligheid van politieke ambtsdragers, onder wie raadsleden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Het is ontoelaatbaar dat bedreigingen het functioneren van raadsleden beïnvloeden. Bedreigingen zijn niet normaal en horen niet bij het ambt. Raadsleden moeten hun werk zonder dreiging of druk van buitenaf kunnen uitvoeren. Als zij niet vrij hun werk kunnen doen, schaadt dit de democratie. Agressie, bedreiging en intimidatie moeten niet genormaliseerd worden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Online agressie treft vrouwelijke ambtsdragers in hogere mate dan hun mannelijke collega’s. Deze agressie is vaker op de persoon gericht en wordt als ernstiger ervaren. Dit is zorgwekkend. Daarom heeft mijn ministerie in samenwerking met het Netwerk Weerbaar Bestuur een steunpakket online agressie en intimidatie ontwikkeld, gericht op het ondersteunen van (vrouwelijke) politieke ambtsdragers die slachtoffer worden van online agressie. Dit steunpakket bevat praktische tips voor de preventie van, reactie op en nazorg na online agressie en intimidatie. Het steunpakket is te vinden op de website van het Netwerk Weerbaar Bestuur: https://www.weerbaarbestuur.nl/producten-en-diensten/steunpakket-preventie.
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van BZK zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Er is al veel hulp beschikbaar voor decentrale volksvertegenwoordigers wanneer zij met agressie, intimidatie of bedreiging te maken krijgen. Toch kunnen wij hen op sommige vlakken beter ondersteunen. Dit geldt allereerst voor steun bij online agressie en bedreigingen. Daarom wil ik middelen vrijmaken voor een onderzoek naar online agressie en alternatieve sanctiemogelijkheden. Hierdoor kunnen we daders beter aanpakken. Ook het aangifteproces kan worden versimpeld. Daarom werken mijn ambtsgenoot van JenV en ik aan een modelaangifte waardoor het doen van aangifte door of namens politieke ambtsdragers makkelijker wordt. Over de opvolging van aangifte door Politie en OM blijf ik met mijn ambtsgenoot van JenV in gesprek. Tot slot moeten raadsleden, Statenleden en algemeen besturen van waterschappen veilig kunnen vergaderen. Daarom heb ik uw Kamer op 16 februari jl. geïnformeerd dat ik voornemens ben hier aanvullende middelen voor vrij te maken (Kamerstukken II 2025–2026 36 800 VII, nr. 66).
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Naast de eerder benoemde preventieve en weerbaarheidsverhogende maatregelen kunnen er verschillende veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Binnen het taakveld bewaken en beveiligen kunnen op gezag van OM, burgemeester of NCTV veiligheidsmaatregelen ingezet worden. Ik werk daarom nauw samen met de Minister van Justitie en Veiligheid met als doel om al onze volksvertegenwoordigers veilig hun werk te kunnen laten doen.
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Ja.
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
De reclassering heeft de OxRec in 2018 in gebruik genomen.
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
De aard en omvang van de problemen rondom de algoritmes bij de reclassering zijn bij mij in beeld gekomen door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de Inspectie). De Inspectie heeft de reclassering en het ministerie medio 2025 bericht over de voorlopige bevindingen. Het definitieve rapport is in december 2025 opgeleverd door de Inspectie.
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Het pauzeren van de OxRec heeft impact op de wijze waarop adviezen tot stand komen en raakt daarmee het dagelijks werk van vele reclasseringswerkers. Zo’n wijziging lijkt op zichzelf klein, maar heeft flinke impact, zeker omdat deze veel medewerkers raakt. Een goede voorbereiding van de pauzering door nieuwe werkafspraken te maken, was essentieel om de kwaliteit van de adviezen te kunnen blijven garanderen. Dit kostte tijd. Het eerder op verantwoorde wijze pauzeren van de OxRec dan 12 februari jl. werd niet mogelijk geacht.
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
De inspectie concludeert dat de OxRec door de implementatiegebreken in circa 21 procent (bij algemene recidive) en 6 procent (bij gewelddadige recidive) van de gevallen tot een andere risicocategorie zou zijn gekomen. Dat betreur ik zeer. In het verbetertraject van de reclassering worden alle aanbevelingen van de Inspectie overgenomen. Het is helaas niet mogelijk om binnen dit traject met terugwerkende kracht vast te stellen of reclasseringswerkers door de implementatiegebreken in de OxRec tot andere adviezen zijn gekomen, laat staan of dit tot andere strafrechtelijke beslissingen zou hebben geleid. Reclasseringsadviezen zijn namelijk altijd gebaseerd op een menselijk oordeel, en dit menselijk oordeel kan niet achteraf opnieuw worden geconstrueerd.2
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Zie antwoord vraag 5.
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Volgens de Inspectie kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van deze factoren kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.3
Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.4
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Alle conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Inspectie worden in het verbetertraject door de reclassering opgepakt.
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Ik verwacht de Kamer in het najaar van dit jaar te kunnen informeren over de opvolging van de aanbevelingen.
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek.
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Ja, ik deel uw zorgen. Ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben een (deels) aflossingsvrije hypotheek. Het is belangrijk dat klanten kennis hebben van de kenmerken en risico’s van de (deels) aflossingsvrije hypotheek. Voor een meerderheid van de klanten zal gelden dat er nu of in de toekomst geen problemen ontstaan met het voldoen aan de financiële verplichtingen. Echter, een aflossingsvrije hypotheek kan voor individuele huishoudens verhoogde financiële risico’s met zich meebrengen. Aan het einde van de looptijd van de hypotheek kan de situatie ontstaan dat een klant de hypotheek niet uit inkomen of ander vermogen dan de eigen woning kan herfinancieren of aflossen, wat ertoe kan leiden dat de woning verkocht moet worden, al dan niet met een restschuld. Terugval van inkomen na pensionering kan deze risico’s vergroten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2021 onderzoek gedaan naar deze risico’s. Hieruit bleek dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat ze hun aflossingsvrije hypotheek niet kunnen herfinancieren op het moment dat deze afloopt, en een deel hiervan met een restschuld achterblijft.2 Het is mogelijk dat de omvang van deze groepen inmiddels is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in onder andere lonen, woningprijzen en rentes.
De daadwerkelijke risico’s per individueel huishouden verschillen. Het is daarom belangrijk dat de kredietaanbieder hier zicht op heeft. De AFM ziet erop toe dat aanbieders van hypothecair krediet het klantbelang centraal stellen. De AFM verwacht daarbij van aanbieders dat ze zich inspannen om klanten met een aflossingsvrije hypotheek te benaderen om meer inzicht te krijgen in hun financiële situatie om zo eventuele betaalbaarheidsrisico’s vroegtijdig te kunnen signaleren. De AFM verwacht van aanbieders dat hun klanten, voor zover de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is, zorgeloos kunnen blijven wonen. Na het startschot met de campagne «Word ook aflossingsblij» in 2018 hebben kredietaanbieders tot eind 2024 1,76 miljoen klanten benaderd over mogelijke risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. 744.000 klanten ondernamen in die periode acties om hun financiële situatie te verbeteren.
Kredietaanbieders moeten klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen om potentiële betaalbaarheidsrisico’s aan het einde van de aflossingsvrije looptijd in beeld te brengen en klanten een handelingsperspectief te bieden. Ook hypotheekadviseurs kunnen hier een rol in spelen. Daarnaast is het verstandig als consumenten zelf het gesprek aangaan met hun aanbieder of adviseur. Ik constateer dat het genoemde onderzoek erop wijst dat er nog steeds onwetendheid en zorgen bestaan onder mensen over de risico’s van een aflopende aflossingsvrije hypotheek. Zoals aangegeven deel ik uw zorg hierover en ik vind het daarom belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten blijven benaderen en activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht.
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen en waar nodig activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de AFM blijkt dat een deel van de klanten betaalbaarheidsrisico’s loopt, maar dat de meeste mensen met een aflossingsvrije hypotheek niet in betaalbaarheidsproblemen komen. Op het moment dat de aflossingsvrije hypotheek afloopt, zal de aanbieder moeten bepalen of een nieuwe financiering mogelijk is. Ik vind het belangrijk dat klanten waarvan de hypotheeklasten betaalbaar zijn – ook wanneer de aflossingsvrije hypotheek afloopt – zorgeloos kunnen blijven wonen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Het is aan aanbieders en adviseurs om klanten te benaderen en waar nodig te activeren en aan de AFM om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat deze partijen hiermee doorgaan en blijf daarover met hen in gesprek.
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Een hypotheek is een langlopende financiële verplichting, die voor veel mensen doorloopt nadat zij met pensioen gaan. Omdat veel mensen te maken krijgen met een lager inkomen na pensionering moeten kredietaanbieders niet alleen beoordelen of de hypotheek nu financieel verantwoord is, maar ook na pensionering. Daarnaast geldt dat in 2031 en de jaren daarna mensen met een aflossingsvrije hypotheek het recht op hypotheekrenteaftrek verliezen. Deze zaken kunnen doorwerken in een nieuwe kredietbeoordeling: mensen kunnen mogelijk minder lenen door een lager pensioeninkomen terwijl de netto hypotheeklasten in de toekomst juist toenemen. Mede tegen deze achtergrond besteden de Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken in hun toezicht. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat dit zal leiden tot een verdere afname van de aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland.3
Door de combinatie van deze factoren kan het voor sommige huishoudens, bijvoorbeeld bij huishoudens met een laag pensioeninkomen, lastiger worden om een hypotheek te verkrijgen, over te sluiten of aan te passen. Het moet voorkomen worden dat mensen bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s aangaan. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat mensen de stap naar een nieuwe woning kunnen maken als ze dat willen en dit voor hen financieel verantwoord is. Hiertoe zijn de afgelopen jaren ook verschillende goede stappen gezet, bijvoorbeeld met de werkelijkelastentoets voor senioren bij doorstroming naar een goedkopere woning.
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Ja, ik ben daarmee bekend en volg de ontwikkelingen nauwgezet. Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De ECB en DNB houden daar prudentieel toezicht op. DNB besteedt, voor banken samen met de ECB, in haar toezicht nadere aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken voor financiële instellingen. Ik sta met DNB in contact over de maatregelen en de gevolgen en volg de ontwikkelingen zoals aangegeven nauwgezet. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders het klantbelang centraal blijven stellen. Ook met hen sta ik in contact over de gevolgen van de maatregelen.
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
De ECB en DNB zijn onafhankelijk in hun toezicht en in de maatregelen die zij opleggen aan banken. Ik vind het belangrijk dat de prudentiële toezichthouders daarbij zicht hebben op de bredere gevolgen van hun maatregelen en deze in ogenschouw nemen. Het gaat in dit geval om de gevolgen van maatregelen voor de maandlasten van groepen huishoudens en de doorstroming op de woningmarkt. Ik ben hierover met DNB in gesprek.
De AFM heeft aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat klanten voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hypotheekaanbieders hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten niet onevenredig worden getroffen door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen. Omdat de AFM erop toeziet dat aanbieders het klantbelang centraal blijven stellen, bijvoorbeeld in de context van het terugbrengen van het volume van aflossingsvrije hypotheken, vind ik het belangrijk dat er nauw contact is tussen de ECB, DNB en de AFM over de maatregelen en de bredere gevolgen hiervan.
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Het is van belang om in de beoordeling van financiële stabiliteitsrisico’s in brede zin te kijken naar het vermogen dat tegenover de (aflossingsvrije) hypotheekschuld staat, omdat bij aflossingsvrije hypotheken de opbrengst bij verkoop de primaire bron is van afbetaling van de lening.
Door de jaren heen zijn er verschillende maatregelen genomen die de risico’s voor huishoudens en de bredere prudentiële risico’s van aflossingsvrije hypotheken beperken. Daarbij doel ik naast de doorlopende toezichtinspanningen onder andere op de introductie van de fiscale en niet-fiscale aflossingseisen en de verlaging van de loan-to-value-limiet.4 Mede hierdoor heeft er een relatieve groei plaatsgevonden van aflossende hypotheken, zoals annuïtaire, en is er de afgelopen jaren een dalende trend waarneembaar in het aandeel aflossingsvrije schuld van de totale hypotheekschuld.
Er kan een hoger risico verbonden zijn aan aflossingsvrije hypotheken, omdat er gedurende de looptijd niet wordt afgelost. Ook hebben aanbieders beperkt inzicht in de capaciteit van huishoudens om ook na pensionering aan de financiële verplichtingen te voldoen. Tegelijkertijd constateer ik dat er relatief veel vermogen tegenover de nog uitstaande aflossingsvrije hypotheekschuld staat en dat er bij relatief veel (deels) aflossingsvrije hypotheken aanzienlijke overwaarde is. Zo hebben (deels) aflossingsvrije hypotheken in Nederland doorgaans een lage loan-to-value-ratio (wat betekent dat de hoogte van de hypotheek ten opzichte van de waarde van de woning relatief laag is): twintig procent van de hypotheken op de Nederlandse markt heeft een loan-to-value-ratio van hoger dan 75 procent, terwijl dit bij aflossingsvrije leningen maar zo’n zeven procent van het totale aantal is.
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
In het Coalitieakkoord 2026–2030 is aangegeven dat met een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek) stenen makkelijker in geld worden omgezet. De aandacht vanuit het Coalitieakkoord voor doorstroming en hypotheken voor ouderen sluit aan bij al ondernomen acties, zoals via het Convenant Ouderen en toekomstbestendig wonen.5 De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal de Kamer rond de zomer informeren over de status van het verbeteren van de doorstroommogelijkheden voor ouderen.6
Het artikel ‘Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de cijfers zoals weergegeven in de tabellen bij dit artikel inderdaad correct worden weergegeven en gebaseerd zijn op CBS-data?1
De cijfers in dit artikel geven inzicht in hoe de mediane koopkracht van personen zich van jaar-op-jaar ontwikkelt en zijn afkomstig van het CBS. Alhoewel de cijfers correct worden weergegeven, zijn er ook nuances bij het artikel te plaatsen (zie het antwoord op vraag 2).
Wat vindt u van de in het artikel getoonde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden versus de koopkrachtontwikkeling van werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden? Ziet u hier een «evenwichtig inkomensbeeld» of niet? Graag een toelichting.
De cijfers in het artikel laten zien dat gepensioneerden in doorsnee een lagere koopkrachtontwikkeling hebben gehad dan werknemers, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden sinds 2011. In onderstaande figuur 1, eveneens afkomstig van het CBS, wordt de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 verder uitgesplitst naar hoogte van het aanvullend pensioen. De figuur toont dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen: hoe hoger het aanvullend pensioen, hoe lager de koopkrachtontwikkeling. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen in deze periode. Voor gepensioneerden met de laagste inkomens geldt dat de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, en dat de AOW wel geïndexeerd is in deze periode omdat deze gekoppeld is aan het minimumloon. Voor de gepensioneerden met de laagste inkomens is tot en met 2022 dus sprake geweest van een koopkrachtstijging die meer in lijn is met de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden tot en met 2022, dan van gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen.
Bij het artikel past ook een aantal kanttekeningen.
Ten eerste suggereren de cijfers in het artikel dat de inkomenspositie van de groep werknemers als geheel fors verbeterd is ten opzichte van de groep gepensioneerden, maar dat is niet het geval. De cijfers in het artikel geven de koopkrachtontwikkeling weer van iemand al sinds 2011 gepensioneerd is of vanaf 2011 tot nu toe heeft gewerkt. In figuur 2 wordt de ontwikkeling van het absolute inkomen van groepen (gedefinieerd als het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen) weergegeven tussen 2011 en 2024. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van het inkomen van gepensioneerden meer in lijn ligt met dat van werkenden, dan de cijfers in het artikel suggereren.
Dat de ontwikkeling van het absolute gemiddeld inkomen van werkenden en gepensioneerden meer met elkaar in de pas loopt dan in het artikel, is toe te schrijven aan meerdere factoren. Zo geldt dat nieuwe gepensioneerden gemiddeld genomen steeds hogere pensioenen hebben dan oudere gepensioneerden. Verder geldt dat een deel van de koopkrachtstijging van werkenden in het artikel het gevolg is van de inkomensgroei die werknemers realiseren tijdens hun carrière, bijvoorbeeld door een hogere salarisschaal of -trede. Binnen de groep werkenden nemen individuele werknemers ieder jaar een steeds betere positie in. Maar de inkomenspositie van de groep werkenden verbetert hierdoor niet per se. Dit komt doordat startende werknemers vaak onder aan het inkomensgebouw beginnen, en werknemers die met pensioen gaan vaak aanzienlijk hoger zitten in het inkomensgebouw. Gepensioneerden hebben deze inkomensgroei vaak ook meegemaakt in hun werkverleden.
Een tweede kanttekening bij de cijfers in het artikel is dat het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen ook de (toekomstige) pensioenen van werknemers raakt. Dit effect is echter niet zichtbaar in de koopkracht- of inkomenscijfers van het CBS, CPB en het Ministerie van SZW.
Figuur 1
Bron: CBS
Figuur 2: Ontwikkeling gemiddeld reëel gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, 2011–2024, 2011=100
Bron: CBS (onbewerkte cijfers: StatLine - Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerken), bewerking Ministerie van SZW
Klopt de volgende constatering: «Uiteindelijk bleef de koppeling overeind, maar het staafdiagram laat zien dat daar weinig van overbleef. Het voordeel voor de gepensioneerden werd via fiscale maatregelen weer afgeroomd?». Indien nee, waarom klopt de constatering niet? En zo ja, kunt u preciseren welke maatregelen hiervoor verantwoordelijk waren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 geldt dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen. Voor gepensioneerden met lagere inkomens geldt dat de ontwikkeling van de AOW, die gekoppeld is aan minimumloon, gezorgd heeft voor een positieve koopkrachtontwikkeling in de periode 2011–2022. Het kabinet herkent de constatering dat de koppeling overeind bleef voor deze groepen, maar niet dat deze weer werd afgeroomd. De koppeling zorgde immers voor koopkrachtstijging voor gepensioneerden met de laagste inkomens (zie figuur 1). Wel geldt dat gepensioneerden inderdaad geen profijt hebben gehad van de lastenverlichting via de hogere arbeidskorting, die als doel heeft gehad om (meer) werken meer lonend te maken (zie ook het antwoord op vraag 4). Voor gepensioneerden met hogere aanvullende pensioenen is de koopkrachtontwikkeling sinds 2011 minder gunstig geweest. Het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen is hiervoor een belangrijke verklaring geweest.
Deelt u de conclusie dat de concentratie van lastenverlichting via de arbeidskorting, ervoor heeft gezorgd dat lastenverlichting relatief minder neerslaat bij AOW’ers? Erkent u dat de onevenredig harde groei van de arbeidskorting, medeverantwoordelijk is voor het achterblijven van de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden en zelfstandigen? Indien nee, waarom niet?
Het klopt dat de maximale arbeidskorting fors is toegenomen sinds de invoering ervan (zie ook het antwoord op vraag 5). Met name werkenden met een inkomen tussen het minimumloon en modaal, die een hoge arbeidskorting ontvangen, hebben hiervan profijt gehad. De hogere arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat (meer) werken meer lonend is geworden. Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben inderdaad geen profijt gehad van de hogere arbeidskorting. Voor gepensioneerden geldt ten slotte wel dat de ouderenkorting is toegenomen sinds 2011, zij het niet in dezelfde mate als de arbeidskorting (zie het antwoord op vraag 5).
Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de maximale hoogte van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek, per jaar sinds 2010? Kan daarbij tevens per jaar het budgettaire beslag van deze regelingen worden getoond?
Onderstaande tabel toont de maximale hoogte en het budgettair beslag van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek sinds 2010.
1.489
9.721
684
1.386
9.427
1.672
1.574
10.230
739
1.530
9.484
1.760
1.611
10.005
762
1.628
7.280
1.647
1.723
9.694
1.032
2.419
7.280
1.733
2.097
11.742
1.032
2.434
7.280
1.660
2.220
12.968
1.042
2.484
7.280
1.645
3.1031
17.276
1.187
2.756
7.280
1.652
3.2231
18.564
1.292
3.008
7.280
1.769
3.2491
19.755
1.418
3.506
7.280
1.882
3.3991
19.522
1.596
4.017
7.280
1.860
3.8191
21.968
1.622
4.168
7.030
1.752
4.2051
25.447
1.703
4.360
6.670
1.692
4.2601
26.374
1.726
4.459
6.310
1.743
5.0521
32.110
1.835
4.701
5.030
1.343
5.5321
36.016
2.010
5.269
3.750
1.022
5.5991
36.921
2.035
5.439
2.470
645
voor hogere inkomens wordt de arbeidskorting afgebouwd naar nul in deze jaren
Erkent u, dat het inkomensbeeld van Nederlandse gepensioneerden zoals getoond in het artikel, veel gunstiger zou zijn geweest als de Nederlandse aanvullende pensioenen sinds 2010 zouden zijn verhoogd met hetzelfde percentage als de aanvullende pensioenen in andere EU-landen, of met hetzelfde percentage als de staatspensioenen in andere EU-landen?
Zie ook het antwoord op vraag 9. De indexatie van aanvullende pensioenen en staatspensioenen in EU-landen zijn niet zonder meer vergelijkbaar. Figuur 1 laat voor Nederland in ieder geval zien dat de AOW sinds 2011 wel geïndexeerd is geweest, vanwege de koppeling aan het minimumloon. Hier zijn gepensioneerden waarvan de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, er meer op vooruitgegaan zijn dan gepensioneerden bij wie het aanvullend pensioen een groter deel van het inkomen uitmaakt. Verder geldt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen (zie het antwoord op vraag 12).
Kunt u een tabeloverzicht geven, per jaar vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de Nederlandse aanvullende pensioenen, in de tweede kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de aanvullende pensioenen in andere EU-landen en in de derde kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in andere EU-landen?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u tevens een landen specifiek overzicht geven vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in Frankrijk en daarnaast respectievelijk ook van Italië, Spanje en Duitsland?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u weerleggen, dat diverse toonaangevende artificiële intelligentie toepassingen, waaronder Grok en ChatGPT, bevestigend antwoorden op de vraag of het klopt dat Nederlandse aanvullende (beroepspensioenen) in de periode 2008–2024 inderdaad minder zijn geïndexeerd dan aanvullende pensioenen in andere EU-landen, minder dan de staatspensioenen in andere EU-landen én minder dan het Nederlandse staatspensioen (AOW)? Geven deze toepassingen een onjuist antwoord? Baseren zij zich op andere data of kunt u erkennen dat het inderdaad de waarheid is? Deelt u de mening dat dit eigenlijk onaanvaardbaar is?
In algemene zin deel ik niet de mening dat eventuele verschillen in indexatie tussen gepensioneerden in verschillende landen per definitie onaanvaardbaar zijn. De indexatie van aanvullende pensioenen kan namelijk niet op een gelijkwaardige manier worden vergeleken met de indexatie van staatspensioenen. Beide vormen van pensioen worden immers op een andere wijze gefinancierd.
Aanvullende pensioenen zijn kapitaalgedekt en zijn daardoor vooral afhankelijk zijn van ontwikkelingen op de financiële markten en de rentestanden. Staatspensioenen worden gefinancierd uit lopende begrotingen en zijn, bijvoorbeeld in het geval van Nederland, gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Daarnaast geeft het ook een onvolledig beeld om louter de indexatie van aanvullende pensioenen van verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dit omdat de doelen en de indexatieregels van aanvullende pensioenen per land verschillen.
Overigens heeft mijn ministerie dezelfde vraag ook gesteld aan Grok en ChatGPT. Grok wees naar de Nederlandse indexatieregels van het oude pensioenstelsel als reden voor waarom de indexatie van Nederlandse pensioenfondsen lager was dan in andere landen. Als bron wordt verwezen naar «Better Finance»2. In deze publicatie is zichtbaar dat in de verschillende EU-lidstaten verschillende pensioensystemen worden gehanteerd en dat het netto-rendement van Nederlandse pensioenfondsen tussen 2014–2023 positief is. ChatGPT stelde dat het een onjuiste of op zijn minst oncontroleerbare bewering is om met zekerheid te stellen dat Nederlandse aanvullende pensioenen minder geïndexeerd zijn dan aanvullende pensioenen in de meeste andere EU-landen omdat daar onvoldoende vergelijkende data voor beschikbaar is.
Bij het gebruik van AI-toepassingen om Kamervragen te beantwoorden is overigens de nodige voorzichtigheid geboden. De verschillende AI-toepassingen leiden vaak nog niet tot waterdichte antwoorden en missen vaak belangrijke nuances, zoals in deze specifieke vraag het punt dat een vergelijking van louter de aanvullende pensioenen van verschillende landen een onvolledig beeld geeft.
Welk deel van het voor aanvullend pensioen bestemde kapitaal in de Europese Unie respectievelijk in de eurozone, kan worden toegerekend aan Nederlandse pensioenfondsen en pensioendeelnemers en welk deel aan andere lidstaten? Kan het antwoord worden gegeven in percentages en met aparte cirkeldiagrammen voor de EU en de eurozone?
Volgens het «IORPS in Focus Report 2024» van EIOPA3 kan 59% van het totale pensioenkapitaal in de Europese Economische Ruimte toegerekend worden aan Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi). In de onderstaande figuur wordt inzicht gegeven in de verdeling over de lidstaten. Het «PensionsEurope Report 2024»4 geeft aan dat in het vierde kwartaal van 2024 53,37% van het totale pensioenvermogen in de eurozone Nederlands pensioenvermogen betrof.
Figuur 3: Pensioenvermogen in beheer in de EER in miljoenen euro’s.
Bron: EIOPA (2025), IORPS in Focus Report 2024
Wat was het cumulatieve rendement van Nederlandse pensioenfondsen over de periode 2008–2020 in procenten? Wat was over dezelfde periode het cumulatieve rendement van niet-Nederlandse pensioenfondsen in de EU? Geeft het verschil in rendement onderbouwing voor het verschil in indexatie in de periode?
Bij het Ministerie van SZW is geen data bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij wil ik opmerken dat de gevraagde vergelijking van Nederlandse pensioenfondsen met buitenlandse pensioenfondsen op louter het cumulatieve rendement beperkte inzichten geeft. Ten eerste behoort het behaalde rendement altijd in samenhang met het bijbehorende risico te worden bekeken. Daarnaast keren Nederlandse pensioenfondsen geen vermogen uit maar een levenslange uitkering. Om dit te kunnen bieden, moeten Nederlandse pensioenfondsen onder andere risico’s zoals de rentevolatiliteit afdekken, iets wat voor buitenlandse pensioenfondsen anders kan zijn, gelet op de verschillende doelen en indexatieregels voor aanvullende pensioenen per land.
Begrijpt u dat Nederlandse gepensioneerden zich ernstig benadeeld voelen als zij op afstand de grootste pensioenpot van Europa bij elkaar hebben gespaard, maar tegelijkertijd moeten aanzien dat zowel staatspensioenen als aanvullende pensioenen in andere EU-landen veel harder zijn gestegen. Indien nee, graag een toelichting.
Voor de ervaren welvaart, is de hoogte van het pensioen een belangrijke indicator. Uit de onderstaande tabel, met data uit 2022, kan worden opgemaakt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen (de kolom «in PPS»). Daarnaast verwijs ik naar de eerdere antwoorden, waarin ik kanttekeningen plaats bij de vergelijking van de (jaarlijkse) stijging van kapitaalgedekte pensioenen met de stijging van begrotingsgefinancierde pensioenen.
16.138
16.138
24.349
21.162
31.835
20.784
30.211
20.587
24.092
20.185
19.589
19.470
18.100
19.371
22.577
18.885
18.855
17.217
22.436
17.204
17.926
16.456
21.085
16.353
21.766
15.324
12.286
14.558
11.286
13.240
12.484
13.085
6.905
11.688
10.613
11.412
8.930
10.175
8.375
10.142
5.094
9.577
4.958
8.015
7.329
7.779
5.684
7.425
4.940
7.212
5.323
7.145
3.611
6.644
4.753
5.978
Opmerking: exclusief verwachte en gedeeltelijke pensioenen.
Bron: Eurostat3
Voorlopig
Raming
Begrijpt u dat het voor veel Nederlanders onbestaanbaar is, dat andere EU-lidstaten die hun ongedekte staatspensioenen fors hebben verhoogd, straks aankloppen bij Nederland en/of bij de EU voor financiële steun via eurobonds of anderszins?
In de EU zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid van lidstaten. In dat verband krijgen lidstaten jaarlijks landspecifieke aanbevelingen van de Raad, die ook betrekking hebben op de houdbaarheid van pensioenstelsels. Daarnaast worden lidstaten geacht zich te houden aan de begrotingsregels. In dat verband moeten lidstaten zich houden aan een maximale uitgavengroei, die ervoor moet zorgen dat hun tekort en schuld op middellange termijn onder de 3% en 60% bbp komt of blijft. Bij de berekening van de maximale uitgavengroei wordt rekening gehouden met de kosten van vergrijzing, waaronder die van pensioenen. Deze afspraken moeten bijdragen aan de houdbaarheid van pensioenstelsels en bijdragen aan de financiële stabiliteit van de EU. Voorstellen om aan te kloppen bij andere landen of bij de EU voor financiële steun zijn daarbij niet aan de orde.
Wat gaat u doen om de koopkrachtresultaten van Nederlandse gepensioneerden op een meer evenwichtig groeipad te krijgen, in vergelijking met werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden?
De AOW en de bijstand zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat een evenwichtige koopkrachtontwikkeling stimuleert. Het feit dat gepensioneerden met een aanvullend pensioen zijn achtergebleven in koopkrachtontwikkeling is voornamelijk gevolg van de beperkte aanvullende pensioenindexatie in het oude pensioenstelsel tot 2022. Daarnaast is er ieder jaar tijdens de augustusbesluitvorming aandacht voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de verschillen tussen de koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Voor komend jaar is een evenwichtig koopkrachtbeeld geraamd waar gepensioneerden er in doorsnee 1,5% op vooruitgaan. Dit komt voor een groot deel door het nieuwe pensioenstelsel, waardoor aanvullende pensioenen meer kunnen worden verhoogd wanneer het goed gaat op de financiële markten. In deze raming wordt uitgegaan van een indexatie van aanvullende pensioenen volgend jaar met gemiddeld met 4%. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan er in doorsnee 1,3% op vooruit.
Deelt u de mening dat hier sprake is van fiscale leeftijdsdiscriminatie?
Het kabinet deelt de mening niet dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het verschil in de koopkrachtonwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de beperkte indexatie van de aanvullende pensioenen in het oude pensioenstelsel tot 2022. Het Nederlandse pensioenstelsel is deels kapitaalgedekt (aanvullend pensioen) en deels omslagstelsel (AOW). Door ze gezamenlijk te gebruiken, kunnen risico’s zoals inflatie en vergrijzing beter worden gespreid. Terwijl het omslagstelsel direct wordt gefinancierd door middel van de lopende begroting, zijn bij het kapitaalgedekte stelsel de individuele bijdrage en de ontwikkelingen op de financiële markten van belang. Hier hoort bij dat de overheid dan ook niet de marktuitkomsten van het kapitaalgedekte deel gaat compenseren.
Het bericht 'Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld. Het komt misschien wel vaker voor dan kindermishandeling»?1
Ja.
Klopt het dat in 2023, op een aantal van 129.250 meldingen van huiselijk geweld, vijfhonderd meldingen van ouderenmishandeling in de thuissituatie zijn gedaan?
In 2023 ontving Veilig Thuis landelijk 127.390 meldingen van kindermishandeling of huiselijk geweld. Van dat aantal ging het bij 2.335 meldingen om situaties van ouderenmishandeling. In 2024 waren er landelijk 129.250 meldingen, waarbij het in 2.500 situaties ging om ouderenmishandeling.
Kunt u aangeven hoe deze 2.500 meldingen zijn onderverdeeld in de diverse categorieën van ouderenmishandeling, namelijk lichamelijke, geestelijke of financieel misbruik?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteert halfjaarlijks over de aard van het geweld van meldingen van kindermishandeling en huiselijk geweld. Onder de categorie ouderenmishandeling vallen onder andere fysieke mishandeling, verwaarlozing, emotionele mishandeling en financieel misbruik. Per situatie van ouderenmishandeling kan sprake zijn van meerdere vormen van geweld, bijvoorbeeld fysieke mishandeling in combinatie met financieel misbruik.
De meeste meldingen over ouderenmishandeling in 2023 betroffen emotionele mishandeling (1.430), gevolgd door fysieke mishandeling (1.030). 620 keer ging het over financiële mishandeling van ouderen, 420 keer over verwaarlozing en 65 keer over seksueel misbruik. Dit totaal is hoger dan het totaal van 2.335 meldingen, omdat binnen één melding sprake kan zijn van meerdere vormen van geweld.
Deelt u de conclusies van VU-hoogleraar Kees Blankman dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting, dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van mishandeling en dat ouderenmishandeling vaker voorkomt dan kindermishandeling? Zo nee, kunt u dan toelichten waarom niet?
De uitkomst dat één op de twintig ouderen slachtoffer wordt van een vorm van mishandeling, is afkomstig uit een onderzoek van Regioplan uit 2018. Dit is het meest recente prevalentieonderzoek. Ik ben niet bekend met andere onderzoeken. Ik deel daarmee niet zondermeer de conclusie dat ouderenmishandeling veel vaker voorkomt dan de gangbare schatting. Om hier uitspraken over te kunnen doen is meer inzicht in actuele cijfers nodig. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht. Daarmee komen nieuwe, actuele cijfers beschikbaar over de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Deelt u het vermoeden van de voorzitter van het landelijk netwerk Veilig Thuis, dat er sprake is (of kan zijn) van onderregistratie van ouderenmishandeling ten opzichte van andere vormen van huiselijk geweld, dat slechts een klein percentage van de meldingen die zij binnenkrijgen gaat over ouderenmishandeling en dat zij meent dat dat «er veel meer moeten zijn»?
Ik herken het signaal van de voorzitter van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis dat er mogelijk sprake is van onderregistratie van ouderenmishandeling. Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling: het aantal meldingen ouderenmishandeling is al enkele jaren stabiel rond de 2.000 á 2.500 per jaar. Het aantal meldingen dat Veilig Thuis ontvangt is veel lager dan het aantal ouderen dat, zo blijkt uit het prevalentie onderzoek van regioplan uit 2018, te maken krijgt met ouderenmishandeling.
Mogelijke verklaringen voor deze onderrapportage zijn dat ouderenmishandeling lange tijd ongezien of verborgen kan blijven. Dit kan bijvoorbeeld komen door gevoelens van schaamte of taboe bij ouderen. Daarnaast kan het door de vaak geleidelijke ontwikkeling en dunne grens tussen intensieve zorg en grensoverschrijdend gedrag lastig zijn om signalen te herkennen, zowel voor ouderen zelf als voor het (in)formele netwerk. Ook de afhankelijkheidsrelatie tussen de oudere en de persoon die de onveiligheid veroorzaakt kan een rol spelen.
Via diverse activiteiten wordt geprobeerd dit te verbeteren. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin één van de drie centrale thema’s een vorm van ouderenmishandeling was. Het doel van de campagne was om omstanders van kindermishandeling, partnergeweld en ouderenmishandeling te stimuleren om bij een vermoedelijk slachtoffer het gesprek aan te gaan en te vragen hoe het gaat.
Op welke wijze kan de onderregistratie van ouderenmishandeling met zekerheid worden aangetoond (of weerlegd)? Welke stappen heeft u al genomen om de drempels over melding van ouderenmishandeling te verlagen c.q. weg te nemen zodat een waarheidsgetrouw beeld ontstaat over ouderenmishandeling?
Door het aantal meldingen bij Veilig Thuis te vergelijken met onderzoeksgegevens over hoe vaak ouderenmishandeling voor komt, kan een beeld worden gevormd over in hoeveel gevallen ouderenmishandeling wordt gemeld. Vanuit de Universiteit Maastricht wordt onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht.
Om drempels voor het melden van ouderenmishandeling te verlagen wordt ingezet op bewustwording en het vergroten van herkenning. Een initiatief dat hierop gericht is betreft de chatfunctie op de website van Veilig Thuis. Deze biedt toegankelijke informatie, tips en advies voor het voeren van gesprekken over signalen van ouderenmishandeling. Ook biedt Veilig Thuis een AI-tool door middel waarvan gerichte informatie en aandachtspunten worden geboden over het voeren van gesprekken met ouderen over zorgelijke situaties en onveiligheid. Dit ondersteunt zowel professionals als burgers bij het sneller herkennen en bespreekbaar maken van signalen van ouderenmishandeling.
Daarnaast lanceert het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) deze maand een signalenpagina over ouderenmishandeling, met informatie over herkenbare signalen, handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning. Deze pagina is specifiek bedoeld om betrokkenen te helpen het gesprek aan te gaan en passende vervolgstappen te zetten. Verder wordt binnen beroepsgroepen, waaronder huisartsen, ingezet op scholing en training in signalering van ouderenmishandeling. Door professionals kennis, handvatten en handelingskaders aan te reiken, wordt hun bewustzijn vergroot ten aanzien van mogelijke signalen, wat kan bijdragen aan de signalering en opvolging van vermoedens.
Indien de onderregistratie met zekerheid kan worden aangetoond, welke maatregelen gaat u dan nemen om de onderregistratie aan te pakken en het aantal meldingen significant te verhogen?
Ongeacht inzicht dat nieuw onderzoek kan geven in welk deel van de situaties ouderenmishandeling wordt gemeld, wordt in de huidige aanpak al uitgegaan van de mogelijkheid dat ouderenmishandeling nog te vaak en te lang niet zichtbaar is. Om deze reden wordt ingezet op het vergroten van bewustwording en herkenning van signalen, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van samenwerking in de keten en het vergroten van kennis bij mantelzorgers en naasten. Op basis van de uitkomsten van nieuw onderzoek kan worden bekeken of en welke vervolgstappen nodig zijn.
Is er volgens u een verband tussen de toename van mantelzorg als gevolg van beleidsaanpassingen en het overbelast raken van mantelzorg, met een toename van spanningen en zelfs mishandelingen tot gevolg? Is hier specifiek onderzoek naar gedaan?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag harder dan zowel het aantal zorgverleners als de beroepsbevolking in het algemeen. Hierdoor ontstaat er een toenemende druk op mantelzorgers. Dit zorgt ook voor een toenemend risico op overbelasting van mantelzorgers. Overbelasting van mantelzorgers kan leiden tot ontspoorde mantelzorg2. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers, om zo overbelasting te voorkomen.
Het SCP voert periodiek onderzoek uit op het thema informele zorg, waarin ook de (over)belasting van mantelzorgers is opgenomen. In 2026 verwachten we nieuwe rapportages van het SCP. Hierin wordt echter geen onderzoek gedaan naar de mate waarin overbelasting van mantelzorgers leidt tot ontspoorde mantelzorgsituaties.
Wat vindt u van het voorstel om een nieuw expertisecentrum op te zetten, met betrokkenheid van politie, banken, en notarissen, voor snellere signalering en actie?
Er bestaat een infrastructuur van samenwerkingsverbanden die gericht zijn op de bescherming van ouderen tegen misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Deze lokale allianties zijn intensieve samenwerkingsverbanden van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk én Veilig Thuis. De meerwaarde van een lokale alliantie is dat deze specifieke expertise kan inbrengen vanuit de private partijen, en die kan combineren met kennis van publieke partijen. Hierdoor kan financieel misbruik in de praktijk eerder gesignaleerd worden.
Verder deel ik het belang van het versterken van (landelijke) samenwerking. VWS neemt deel aan de «Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden», waarin onder andere Veilig Thuis, seniorenorganisaties, diverse grootbanken, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan de preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), een samenwerkingsverband dat zich expliciet richt op het voorkomen, signaleren en bestrijden van ouderenmishandeling. Het LPBO wordt georganiseerd door medewerkers van Veilig Thuis en betrekt diverse ketenpartners. Ook banken en notarissen kunnen, wanneer relevant, deelnemen. Daarmee vormt het LPBO een landelijk netwerk gericht op de aanpak van ouderenmishandeling.
Gezien alle reeds bestaande samenwerkingsverbanden ben ik geen voorstander van het opzetten van een nieuw expertisecentrum.
Deelt u de opvatting van hoogleraar Blankman, dat «Veilig Thuis» meer bevoegdheden moet krijgen, onder meer als primaire verzoeker van maatregelen bij de rechter, zoals bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming dat doet voor kinderen die in de knel zitten? Welke stappen gaat u hiervoor ondernemen?
Hoogleraar Blankman lijkt te verwijzen naar de doorzettingsmacht in situaties waarin sprake is van mogelijke wilsonbekwaamheid. Ik deel de opvatting niet dat Veilig Thuis meer bevoegdheden als primaire verzoeker bij de rechter zou moeten krijgen. Veilig Thuis opereert in het vrijwillig kader en het toevoegen van de functionaliteit van verzoeker van maatregelen bij de rechter staat haaks op het belang van laagdrempeligheid en vrijwilligheid. Daarbij komt dat Veilig Thuis zich primair richt op meldingen, advies en ondersteuning, niet op juridische interventies. Veilig Thuis kán op dit moment al bij uitzonderlijke gevallen een verzoek doen bij de officier van justitie voor mentorschap of ondercuratelestelling. Verder is er tussen Veilig Thuis, het Openbaar Ministerie en de politie een stevig netwerk op het thema ouderenmishandeling en op casus-niveau afstemming. De aanpak richt zich op preventie en vroegsignalering van ouderenmishandeling zodat schrijnende situaties tijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Deelt u de opvatting dat als ouderenmishandeling inderdaad net zo vaak of vaker voorkomt dan kindermishandeling, de aanpak van ouderenmishandeling ook een min of meer vergelijkbare hoeveelheid aandacht en middelen toebedeeld zou moeten krijgen in vergelijking met kindermishandeling?
Ik deel de opvatting dat ouderenmishandeling een ernstig maatschappelijk probleem is dat structurele aandacht verdient. Ik streef naar een aanpak die is afgestemd op de specifieke aard en context van de problematiek en die de beschikbare middelen zo effectief mogelijk inzet. Naast de specifieke inzet op ouderenmishandeling wordt deze groep ook expliciet meegenomen in de brede aanpak huiselijk geweld, die zich richt op slachtoffers van alle leeftijden.
Deelt u de mening dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn voor een buitenstaander? Zou mishandeling in de zorg daar bijvoorbeeld voor de leek niet buitenvallen?
Ik herken niet dat de term «huiselijk» verwarrend kan zijn in de context van huiselijk geweld. Kern van de term is dat het gaat om situaties in de persoonlijke leefwereld van een slachtoffer en de afhankelijkheidsrelatie met de (vermoedelijke) pleger. Het onderscheid tussen een eigen woning of een woning in een zorginstelling is daarbij niet relevant. Belangrijk verschil kan wel zijn wie de (vermoedelijke) pleger van het geweld is, bijvoorbeeld een kind of ander familielid, of juist een professional uit een zorginstelling. Mishandeling in de zorginstelling of door zorgverleners valt formeel onder andere categorieën, zoals professionele of institutionele mishandeling en wordt via specifieke meld- en toezichtssystemen aangepakt.
Deelt u de mening dat een betere omschrijving zou zijn: «Alle soorten van ouderenmishandeling zijn strafbaar»? Kan dit worden aangepast?
Ouderenmishandeling komt in verschillende vormen voor, zoals fysieke, psychische, seksuele mishandeling en financiële uitbuiting. Er is echter geen strafrechtelijke definitie van ouderenmishandeling. In plaats daarvan worden de strafbare vormen van ouderenmishandeling zoals mishandeling, opzettelijk benadelen van de gezondheid, onthouden van zorg, bedreiging, seksueel misbruik en financiële misdrijven afzonderlijk behandeld op basis van de relevante strafbepalingen (zoals genoemd in het Wetboek van Strafrecht).
Hoewel de term «ouderenmishandeling» als zodanig geen specifieke strafrechtelijke betekenis heeft, worden de afzonderlijke strafbare gedragingen wel degelijk strafrechtelijk vervolgd. Het Openbaar Ministerie beslist in voorkomende gevallen of vervolging opportuun is, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak.
Bent u zich ervan bewust dat de toenemende vergrijzing gecombineerd met schaamte en afhankelijkheid, steeds vaker kan leiden tot nagenoeg onzichtbare ouderenmishandeling op geestelijk en financieel gebied, en welk soort stappen wordt ondernomen om de bewustwording hiervoor te vergroten?
Ik ben mij bewust van de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen die kunnen leiden tot meer en/of onzichtbare situaties van ouderenmishandeling. De toenemende digitalisering stelt ook toenemende eisen aan de digitale vaardigheden van ouderen, waardoor mogelijk sneller een beroep wordt gedaan op derden om ouderen te helpen bij bijvoorbeeld bankzaken.
Om de bewustwording te vergroten en ouderenmishandeling bespreekbaar te maken zijn verschillende initiatieven ontwikkeld. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin ouderenmishandeling specifiek werd uitgelicht. Andere voorbeelden zijn de signalenpagina ouderenmishandeling en de activiteiten van het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), die het herkennen van signalen en de samenwerking tussen professionals ondersteunen. Er zijn initiatieven specifiek gericht op het voorkomen van financieel misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Op het gebied van financieel veilig ouder worden zijn er informatieboxen van VWS, die kosteloos kunnen worden aangevraagd en steeds vaker worden besteld.
Zijn de verplichte trainingen of protocollen thans voldoende voor zorgprofessionals om ouderenmishandeling routinematig te signaleren, aangezien fysieke ouderenmishandeling vaak pas zichtbaar wordt bij ziekenhuisopnames van 70-plussers?
Zorgprofessionals die werken met ouderen vallen onder de Wet verplichte meldcode HHuiselijk Geweld en Kindermishandeling. Dat betekent dat zij verplicht zijn om te werken met de meldcode, deze te kennen en volgens de vijf stappen van de meldcode te handelen. Dit geldt voor onder meer voor artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal werkers en wijkteams. Iedere organisatie moet duidelijke werkafspraken hebben voor het signaleren en handelen bij vermoedens van huiselijk geweld en ouderenmishandeling. Iedere beroepsgroep die onder de meldcode valt heeft een eigen afwegingskader ontwikkeld, gebaseerd op het landelijke basismodel dat in 2019 werd vernieuwd. Dat afwegingskader helpt professionals bepalen wanneer het noodzakelijk is om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Zou een jaarlijkse check bij een voorziening als een consultatiebureau – zoals verzocht in de motie-Tielen – voor ouderen deze mishandeling tijdig kunnen signaleren?2
De insteek van de motie-Tielen zag op het realiseren van eenduidige toegang tot preventie en vroegsignalering van gezondheidsrisico’s en problemen voor ouderen. Op dit moment wordt verkend welke functies en vormen een dergelijke voorziening zou kunnen omvatten. Deze verkenning bevindt zich nog in een oriënterende fase.
Kunt u aangeven hoe ver gevorderd u bent met het onderzoek naar deze in onzd ogen zeer gewenste en gemiste voorziening voor ouderen?
Naar verwachting zal in de loop van 2026 meer duidelijkheid komen over hoe een toekomstig aanbod gericht op gezondheidsbevordering voor ouderen eruit zou kunnen zien.