Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Wij delen dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een kleine markt betreft, er enkel één aanbieder is en alternatieve vervoersmiddelen geen volwaardig substituut bieden. De eilanden zijn bereikbaar door de meerdere dagelijkse vluchten op de luchtverbindingen en via de veerdienst.
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Goede veerverbindingen zijn van groot belang voor de leefbaarheid op de Waddeneilanden. Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de Friese Waddeneilanden. Om goede veerverbindingen te garanderen heeft de Rijksoverheid voor dit vervoer concessies verleend. Omdat de huidige concessies aflopen, bereidt het ministerie nieuwe concessies voor, die ingaan in 2029. De doelen en uitgangspunten die worden gehanteerd voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddeneilanden vanaf 2029 zijn: betrouwbaar, frequent en structureel; toekomstbestendig; prettige reisbeleving; en, betaalbaar en beheersbaar. Daarover is de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van IenW op 22 september 20252.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft het publieke belang bereikbaarheid het kunnen reizen van, naar en binnen Caribisch Nederland onder redelijke voorwaarden. Dit publieke belang wordt primair geborgd door het luchtvaartsysteem. Daarnaast zijn er veel reisbewegingen met de veerdienst tussen de Bovenwindse Eilanden.
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Om de eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen organiseert het Rijk concessies voor passagiersvervoer van en naar de Friese Waddeneilanden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. RWS is verantwoordelijk voor het structurele beheer en onderhoud van vaarwegen in de Waddenzee.
Allereerst is het van belang te onderstrepen dat het zeevervoer op de Waddeneilanden en het luchtvervoer op Saba en Sint Eustatius verschillend van aard zijn en niet een-op-een kunnen worden vergeleken. In Caribisch Nederland zal het instrument van overheidsingrijpen de vorm hebben van een openbaredienstverplichting (Public Service Obligation, PSO). In het Multilateraal luchtvaartprotocol3 waarin luchtvervoer afspraken zijn gemaakt met de landen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, is namelijk afgesproken eventuele afspraken over overheidsingrijpen in de luchtvaartmarkt door middel van een PSO uit te voeren. Een PSO is een instrument dat de overheid de mogelijkheid geeft om in te grijpen in de vrije markt voor luchtvervoer. Met een PSO kunnen nadere eisen aan de ticketprijzen en aan het minimum aantal vluchten worden gesteld. Op Saba en Sint Eustatius zouden lagere ticketprijzen de kosten voor de luchtvaartmaatschappij niet dekken, waardoor een overheidsbijdrage noodzakelijk zal zijn. Indien het besluit genomen zou worden door het Rijk om een PSO in te stellen dient de financiering hiervoor gevonden te worden.
Daarnaast is een wijziging in de Luchtvaartwet BES noodzakelijk om een PSO in te kunnen stellen. Het wetsvoorstel daartoe is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. Het genoemde wetsvoorstel regelt de wettelijke grondslag voor een PSO. De eventuele instelling, invulling en financiering worden hierin niet geregeld, maar zullen geregeld moeten worden bij de regeling die vastgesteld moet worden bij een concreet besluit tot instelling van een PSO. In 2023 is de vereiste jaarlijkse subsidie door onderzoeksbureau SEO geschat tussen de 3,8 en 7,6 miljoen dollar per jaar. Deze bedragen worden op dit moment geactualiseerd. De resultaten worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Uit de evaluatie van de beleidsdeelneming in Winair komt naar voren dat een PSO de enige effectieve manier is om de ticketprijzen te kunnen verlagen5. Gezien deze conclusie kan in de tussenliggende periode niets worden gedaan aan de hoge ticketprijzen. Indien het besluit genomen wordt om een PSO in te stellen, dan zal dat pas kunnen nadat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES in werking is getreden. Het wetsvoorstel is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. De daadwerkelijke instelling van de PSO vraagt om dekking, zoals beschreven in het antwoord op de vorige vraag. Er is nog geen financiering beschikbaar voor de instelling van de PSO. De geschatte benodigde financiering wordt momenteel geactualiseerd.
Naast de luchtverbinding, draagt de veerdienst tussen Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij aan de bereikbaarheid. Zoals gemeld in de brief van 11 december jl.6 heeft het kabinet besloten voor de jaren 2026 en 2027 € 1,5 mln. beschikbaar te stellen om de subsidie voor deze veerdienst voort te zetten en te verhogen. Eerder is vastgesteld dat deze veerdienst zonder rijksbijdrage niet levensvatbaar is. Voor de periode na 2027 is nog geen financiering beschikbaar.
Verder kan vanuit eigen initiatief door de eilanden ingezet worden op het stimuleren en verbeteren van de bereikbaarheid. Een voorbeeld hiervan zijn de initiatieven die het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius neemt om luchtverbindingen van Sint Eustatius op te zetten met de luchtvaartmaatschappij Dutch Caribbean Islandhopper (DCI).
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Het kabinet erkent dat het vervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarbij is het van belang om aan te geven dat het vervoer naar verschillende essentiële voorzieningen, zoals medische zorg en onderwijs, al wordt geborgd via andere instrumenten. Zo wordt medisch vervoer geborgd via VWS, waarbij er aparte afspraken zijn over medische vluchten. De mogelijke PSO is dus specifiek gericht op reguliere vluchten.
Dat neemt niet weg dat lucht- en zeevervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarom wordt ingezet op de maatregelen die genoemd zijn onder het antwoord op vraag 4.
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
De ministeries zijn voortdurend in overleg met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius. In deze overleggen wordt onder andere stilgestaan bij de veiligheid van de luchtvaart en het voldoen aan internationale standaarden. Ook de connectiviteit, zowel in algemene zin als wat betreft deze specifieke verbindingen, wordt besproken. Ondanks dat wij onder vraag 4 hebben aangegeven dat wij geen mogelijkheden zien om momenteel de ticketprijzen te kunnen verlagen, kan dit onderwerp in deze overleggen worden besproken.
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie de beantwoording onder vraag 4 voor borging van de bereikbaarheid. Daarnaast actualiseert het Ministerie van IenW momenteel het onderzoek uit 2023 over de subsidiekosten voor een PSO voor de luchtverbindingen op Saba en Sint Eustatius. De Kamer wordt in het tweede kwartaal van 2026 over dit onderzoek en de mogelijk door het Rijk te nemen stappen geïnformeerd.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.
Het bericht dat het Van Gogh Museum de deuren dreigt te sluiten |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het gebouw van het Van Gogh Museum eigendom is van de Nederlandse Staat en dat hiermee ook de verantwoordelijkheid voor de staat van het gebouw, de veiligheid en de instandhouding bij de Staat ligt?
Aan welke veiligheids-, klimaat- en instandhoudingsnormen moeten gebouwen van het Rijksvastgoedbedrijf voldoen en in hoeverre voldoet het Van Gogh Museumgebouw op dit moment aan deze normen?
Het museum meldt risico’s bij onder meer verouderde liften, daklekkages en klimaatinstallaties, zijn deze risico’s bij het Ministerie van OCW bekend en hoe worden deze beoordeeld binnen de verantwoordelijkheid van de Staat als eigenaar van het gebouw?
Kunt u aangeven welke signalen over de staat van het gebouw het Ministerie van OCW de afgelopen jaren heeft ontvangen en welke opvolging daaraan is gegeven?
De huisvestingssubsidie van rijksmusea wordt gebruikt voor zowel operationele kosten als gebouwonderhoud, acht u dit een passend model voor rijksvastgoed dat meer dan 50 jaar oud is, gezien de toenemende kosten voor vervanging van installaties en structureel onderhoud?
Ja, ik acht dit een passend model. De huisvestingssubsidie is bedoeld voor zowel kort-cyclisch als lang-cyclisch onderhoud en verduurzaming. Het museum krijgt ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag voor huisvesting (in 2025 € 7,8 miljoen). De huisvestingssubsidie kan alleen worden verhoogd als er loon- en prijsbijstelling wordt toegekend. Een deel van dit subsidiebedrag is bedoeld voor kort-cyclisch onderhoud. Een ander deel (gemiddeld € 4,9 miljoen per jaar) is bedoeld om te sparen voor lang-cyclisch onderhoud en investeringen. Dit laatste bedrag is voor het Van Gogh Museum relatief hoog, juist omdat er in de subsidie rekening is gehouden met de onderhoudsstaat van de panden. Ook ontvangt het museum subsidie voor verduurzaming van hun panden. Juist omdat het museum ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag krijgt, kan het met vertrouwen sparen of lenen voor grote investeringen en renovaties. Ik ben van mening dat de subsidie die het Van Gogh Museum ontvangt, voldoende is om het noodzakelijk onderhoud te kunnen uitvoeren. De uitkomsten van het deskundigenonderzoek dat ik heb laten verrichten in de bezwaarprocedure, onderschrijven dat.
Daarbij merk ik op dat de andere rijksmusea, sommige ook met zeer complexe of oude gebouwen, gebruik maken van hetzelfde subsidiemodel en dat het voor hen wel werkbaar is.
Hoe beoordeelt u de samenhang tussen structureel onderhoud, goed functionerende beveiligingssystemen en het voorkomen van incidenten, mede in het licht van de recente diefstal in het Louvre en de internationale discussie over museumbeveiliging?
Het huisvestingsstelsel van de rijksmusea is er juist op gericht dat de musea zelf aan het roer zitten om deze samenhang te bereiken, als goed huisvader. Hiervoor ontvangen zij een subsidie op grond van de Erfgoedwet. Ik merk daarbij nog op dat naar aanleiding van de diefstal van twee schilderijen uit het Van Gogh Museum in 2002, in 2004 een risico-inventarisatie en -analyse bij de rijksgesubsidieerde musea is uitgevoerd. Vanaf 2005 is op basis van de resultaten van deze analyse vervolgens structureel € 7 miljoen toegevoegd aan de subsidie voor collectiebeheer van de rijksgesubsidieerde musea ten behoeve van extra veiligheidsvoorzieningen.
Hoe verhoudt de huidige financiering van huisvesting en instandhouding zich tot de afspraken die in 1962 zijn gemaakt over het duurzaam kunnen bewaren en openbaar tonen van de collectie?
Ik ben ik van mening dat de staat voldoet aan de afspraken uit de overeenkomst van 1962. Ik verwijs hiervoor ook graag naar mijn eerdere antwoorden op vragen van uw Kamer over ditzelfde onderwerp.4
Welke mogelijkheden ziet u op korte termijn om risico’s voor bezoekersveiligheid, collectiebehoud en de continuïteit van het museum te mitigeren totdat structureel onderhoud kan worden uitgevoerd?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, is het binnen het huidige huisvestingsstelsel voor rijksmusea de eigen verantwoordelijkheid van de musea om de museale panden te onderhouden en te beheren en zo de bezoekersveiligheid en de continuïteit van het museum te garanderen. Zie ook het antwoord bij vraag 5. Binnen dit stelsel is het aan de musea zelf om keuzes te maken hoe het onderhoud wordt ingepland en in de tijd wordt gezet. De musea kennen hun museale panden het best en kunnen op basis van deze informatie besluiten welk onderhoud noodzakelijk is en welk onderhoud nog even kan worden uitgesteld.
Naast de subsidie, biedt de staat ook te mogelijkheid om tegen een gunstige rente te lenen bij het Nationaal Restauratiefonds voor verduurzaming. Daarnaast is het mogelijk om te lenen bij de schatkist voor onderhoud en instandhouding.
In de jaarrekening van het museum over 2024 is te lezen dat het museum beschikt over een bestemmingsreserve voor huisvesting van meer dan € 9 miljoen en een voorziening groot onderhoud van meer dan € 19 miljoen. De bestemmingsreserve is overigens onderdeel van een eigen vermogen van meer dan € 53 miljoen. Deze bedragen kan het Van Gogh Museum ook aanwenden om het onderhoud te bekostigen. Het is dus zeker niet zo dat het Van Gogh Museum voor haar plannen volledig afhankelijk is van de huisvestingssubsidie.
Daarmee zeg ik niet dat de subsidie ontoereikend is. De externe deskundige die ik heb geraadpleegd laat in zijn onderzoeksrapport zien dat de huidige subsidie vanuit het huisvestingstelsel voor rijksmusea afdoende is. Ik heb dit rapport bij deze antwoorden gevoegd. Het Van Gogh Museum en ik verschillen mijns inziens uiteindelijk vooral van mening over de vraag hoe haar aanvullende ambities, die verder gaan dan noodzakelijk onderhoud en vervanging – bijvoorbeeld op het gebied van verduurzaming – bekostigd moeten worden. Het museum vindt dat de overheid ook daar moet bijspringen. Dat zie ik anders. Het staat het museum natuurlijk vrij om die ambities na te streven. Ik heb daarom aangegeven dat er diverse alternatieve financieringsmogelijkheden zijn voor het museum, sommige gefaciliteerd door de overheid. Zo kan het museumbestuur die ambities ook realiseren. De financiering vanuit het huisvestingsstelsel is daar alleen niet voor bedoeld. Ik zie daarom geen reden om de huisvestingssubsidie te verhogen.
De doorstroomtoets op de BES-eilanden |
|
Heera Dijk (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
van Marum , Becking |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de gezamenlijke brief van de schoolbesturen op Bonaire van 6 november 2025 over de afname van de Doorstroomtoets BES en het verzoek om in 2025–2026 ook de IEP-toets te kunnen blijven afnemen?
Ja.
Klopt het dat de Doorstroomtoets BES in 2025–2026 voor het eerst wettelijk verplicht wordt afgenomen op Bonaire, na jaren van gebruik van de IEP-toets?
Ja dit klopt. De wettelijke verplichting om vanaf het schooljaar 2025–2026 voor het eerst de Doorstroomtoets Bonaire1 (of zoals de schoolbesturen het noemen: de Doorstroomtoets BES) af te nemen volgt uit de in 2022 aangenomen wet doorstroomtoetsen po. In deze wet wordt de wet- en regelgeving voor toetsen in het primair onderwijs (hierna: po) voor Europees Nederland ook van toepassing op het po in Caribisch Nederland. Hiermee krijgen ook de basisscholen daar meer inzicht in de vorderingen die hun leerlingen maken op de basisvaardigheden, ook over tijd. Op die manier kunnen zij net als scholen in Europees Nederland opbrengstgericht werken. Specifiek voor het onderwijs op Bonaire wordt ook de wet- en regelgeving rondom de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs gelijk getrokken. Doordat het nu ook op Bonaire voor alle bekostigde basisscholen verplicht is om een schooladvies te geven, bij alle leerlingen een passende doorstroomtoets af te nemen, en de uitslag van de doorstroomtoets als objectief, tweede gegeven bij het schooladvies te gebruiken krijgen ook Bonairiaanse leerlingen een eerlijke kans op een passend advies welk schooltype in het voortgezet onderwijs het beste bij hen past.
Het grootste probleem dat in voorbereiding op deze wet geconstateerd werd was dat het huidige aanbod doorstroomtoetsen uit Europees Nederland – en dus ook de IEP-doorstroomtoets – op drie belangrijke punten niet goed aansluit bij het onderwijs op Bonaire. De opgaven en teksten zijn gemaakt voor leerlingen in Europees Nederland, en sluiten daardoor onvoldoende aan bij de leefwereld van Bonairiaanse leerlingen. Dit vergroot het risico dat de taal- en rekenvaardigheden van deze leerlingen niet goed vastgesteld worden omdat ze de vragen niet goed begrijpen of voorbeelden niet herkennen. Daarnaast meten de toetsen voor Nederlands het niveau van leerlingen aan de hand van een referentiekader dat opgesteld is voor leerlingen die in hun directe omgeving constant met de Nederlandse taal in aanraking komen. We weten dat voor het merendeel van de leerlingen op Bonaire dit niet het geval is. Tot slot wordt in deze toets de kennis en vaardigheden in het Papiaments niet gemeten ondanks dat dit één van de belangrijkste talen op het eiland is.
Om die redenen heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) de Doorstroomtoets Bonaire laten ontwikkelen. Deze meet de kennis en vaardigheden van de leerlingen op het gebied van Nederlands, Papiaments én rekenen-wiskunde, en kan zo als tweede objectief gegeven gebruikt worden bij het voorlopig schooladvies van de school. Zo krijgen ook de leerlingen op Bonaire gelijke kansen bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs.
Hoe beoordeelt u het signaal van de schoolbesturen dat zij in deze overgangsfase beide toetsen willen afnemen, zodat leerlingen niet afhankelijk zijn van één toetsmoment met een nieuwe, nog ongeteste methodiek?
Net als de schoolbesturen hebben wij het belang van de leerlingen altijd op één staan. Zij hebben recht op een toets die aansluit bij hun leefwereld, die rekening houdt met de talen die voor hen belangrijk zijn, en die hen een passend schooladvies biedt om op het schooltype in het voortgezet onderwijs terecht te komen waar zij zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Daarom is er al sinds de voorbereidingen op de wet doorstroomtoetsen po veel voorwerk gedaan tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire.
Er is vanuit zowel OCW als de toetsaanbieder, Bureau ICE, veelvuldig contact geweest met de schoolbesturen op Bonaire om hen voor te bereiden op de overgang van de IEP-doorstroomtoets naar de Doorstroomtoets Bonaire. Ook zijn er veel gesprekken gevoerd en metingen gedaan om ervoor te zorgen dat de toets zo goed mogelijk aansluit bij de Bonairiaanse leerlingen. Zowel in 2024 als in 2025 zijn er op vrijwillige basis grootschalige pretesten gedaan – enerzijds om data te verzamelen en de methodiek te testen, anderzijds om leerlingen en leerkrachten de mogelijkheid te geven ervaring op te doen met de wijze van afnemen. Tot slot heeft het College voor Toetsen en Examens de toets beoordeeld en erkend dat die aan alle kwaliteitseisen voldoet. Daarom sta ik er ook achter om deze toets dit schooljaar af te nemen. Deze toets is dan ook zeer zeker niet ongetest.
Natuurlijk neem ik de zorgen van de besturen serieus. Naar aanleiding van deze brief ga ik opnieuw met de schoolbesturen in gesprek over de mogelijkheden die er zijn voor een overgangsfase tijdens de eerste afnames van de Doorstroomtoets Bonaire waarin alle talenten van elke leerling zo goed mogelijk in kaart worden gebracht. Twee doorstroomtoetsen afnemen zie ik echter niet als een reële optie. Allereerst vanwege de zeer intensieve belasting voor de Bonairiaanse leerlingen in groep 8. Maar ook vanwege de logistieke, organisatorische en financiële aanpassingen die dit van zowel schoolbesturen als de toetsaanbieder vraagt. In het gesprek kijk ik graag met hen naar mogelijke doelmatige alternatieven om aan hun wensen tegemoet te komen. Met de kanttekening dat deze noodzakelijk, uitvoerbaar en doelmatig zijn.
Overwegende dat de scholen aangeven dat een later afnamemoment op Bonaire wenselijk is (omdat de laatste maanden in groep 8 cruciaal zijn voor de ontwikkeling van leerlingen), erkent u dat de reden voor vroege afname in Europees Nederland (inschrijving bij verschillende vo-scholen) op Bonaire niet van toepassing is? Waarom is desondanks voor een vroeg afnamemoment gekozen?
In eerdere gesprekken over de overgang naar de Doorstroomtoets Bonaire hebben de schoolbesturen al aangegeven met hun afnamemoment graag te willen afwijken van de situatie in Europees Nederland. Op dit moment kan dat niet vanwege geldende wet- en regelgeving. Daarom zijn gesprekken gestart om te verkennen wat er in wet- en regelgeving aangepast moet worden aangepast, op welke termijn dit mogelijk is en welke consequenties dit heeft.
Welke risico’s ziet u voor de onderwijskansen van leerlingen op Bonaire wanneer zij worden beoordeeld op basis van een toets die vroeg in het schooljaar wordt afgenomen én waarvan de voorspellende waarde nog niet is vastgesteld?
De doorstroomtoets Bonaire is specifiek ontwikkeld om beter bij de lokale context aan te sluiten en de kansengelijkheid van de leerlingen op het eiland te vergroten. Daarom sta ik voor de kwaliteit van de Doorstroomtoets Bonaire en zie ik geen reden deze te verplaatsen. De afgelopen twee jaar hebben de basisscholen op Bonaire de IEP-doorstroomtoets in januari/februari afgenomen – net als in Europees Nederland. De overstap naar de Doorstroomtoets Bonaire brengt op dit punt geen aanvullende risico’s met zich mee.
Immers, de IEP-doorstroomtoets acht ik veel minder geschikt voor de leerlingen op Bonaire. Doordat de opgaven geen rekening houden met de meertalige context is er een vergrote kans dat leerlingen een opgave verkeerd beantwoorden omdat zij een vraag niet goed lezen of begrijpen – terwijl zij wel over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken. Tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire is daarom zorgvuldig bekeken welke opgaven het beste aansluiten bij de meertalige context waarin de leerlingen op Bonaire opgroeien. Onder andere door het uitvoeren van twee grote pretests met voorbeeldopgaven. Of de Doorstroomtoets Bonaire een goed voorspellende waarde heeft kan pas bepaald worden als deze door alle leerlingen op Bonaire afgenomen wordt, en een aantal jaar later bekeken kan worden op welk type onderwijs in het vo zij terechtgekomen zijn.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de scholen over de overgangsperiode tussen de oude doorstroomtoets en de nieuwe, wettelijk verplichte, doorstroomtoets?
Ja dat ben ik. We hebben ons te houden aan de wet, maar denken maximaal mee om eventuele zorgen bij schoolbesturen weg te nemen. Met als gezamenlijk doel de kansengelijkheid voor alle leerlingen op Bonaire zo groot mogelijk te maken. Zoals benoemd in antwoord 3 zal hiervoor contact opgenomen worden met de schoolbesturen.
Gaat u de eerste afname van de Doorstroomtoets BES en de overgangsperiode evalueren in samenwerking met de scholen op Bonaire, en de Kamer hierover informeren?
Ja. Tijdens de afname zorgen wij er samen met de toetsaanbieder voor dat er medewerkers op de eilanden aanwezig zijn om scholen te ondersteunen en vragen te beantwoorden. En na de eerste afname van de Doorstroomtoets Bonaire wordt er samen met de scholen gekeken hoe de prestaties op de toetsen het beste geïnterpreteerd kunnen worden, en wat dit betekent voor de overgang naar het voortgezet onderwijs. Indien nodig zal ik de Kamer hier opnieuw over informeren.
De noodkreet van de BES-eilanden over veiligheid |
|
Heera Dijk (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep vanuit de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) tot structurele versterking van de justitieketen in Caribisch Nederland?1
Herkent u de situatie zoals deze door de gezaghebbers van Saba, Bonaire en Sint-Eustatius wordt geschetst en wat is uw reactie op de drie concrete oproepen zoals deze zijn opgenomen in het bericht richting de beide Kamers en richting het kabinet?
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de personele bezetting van politie-, justitie- en veiligheidspersoneel op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte), bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling?
Welke concrete stappen heeft het u al gezet of gepland om het structurele personeelstekort bij het Korps Politie Caribisch Nederland en de Douane op de BES-eilanden aan te pakken?
Welke informatie heeft u over de omvang en aard van de wapenproblematiek op de BES-eilanden, en welke maatregelen worden overwogen?
Overwegende dat de gezaghebbers stellen dat de Douane haar inzet momenteel primair op inning van accijnzen en belastingen richt en minder op veiligheidsvraagstukken, kunt u toelichten hoe de taakverdeling en prioriteiten van de Douane worden afgestemd op veiligheidsrisico’s en welke maatregelen nodig zijn om eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding te dichten?
Overwegende dat de gezaghebbers aangeven dat het gewenste en acceptabele niveau van rechtsbescherming in Caribisch Nederland onder druk staat, Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om de rechtsbescherming en toegang tot rechtspraak voor inwoners van de BES-eilanden te garanderen op een niveau dat gelijkwaardig is aan Europees Nederland?
Welke opvolging is er tot op heden gegeven aan het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» van de Raad voor de Rechtshandhaving?
Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Wij delen dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een kleine markt betreft, er enkel één aanbieder is en alternatieve vervoersmiddelen geen volwaardig substituut bieden. De eilanden zijn bereikbaar door de meerdere dagelijkse vluchten op de luchtverbindingen en via de veerdienst.
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Goede veerverbindingen zijn van groot belang voor de leefbaarheid op de Waddeneilanden. Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de Friese Waddeneilanden. Om goede veerverbindingen te garanderen heeft de Rijksoverheid voor dit vervoer concessies verleend. Omdat de huidige concessies aflopen, bereidt het ministerie nieuwe concessies voor, die ingaan in 2029. De doelen en uitgangspunten die worden gehanteerd voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddeneilanden vanaf 2029 zijn: betrouwbaar, frequent en structureel; toekomstbestendig; prettige reisbeleving; en, betaalbaar en beheersbaar. Daarover is de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van IenW op 22 september 20252.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft het publieke belang bereikbaarheid het kunnen reizen van, naar en binnen Caribisch Nederland onder redelijke voorwaarden. Dit publieke belang wordt primair geborgd door het luchtvaartsysteem. Daarnaast zijn er veel reisbewegingen met de veerdienst tussen de Bovenwindse Eilanden.
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Om de eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen organiseert het Rijk concessies voor passagiersvervoer van en naar de Friese Waddeneilanden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. RWS is verantwoordelijk voor het structurele beheer en onderhoud van vaarwegen in de Waddenzee.
Allereerst is het van belang te onderstrepen dat het zeevervoer op de Waddeneilanden en het luchtvervoer op Saba en Sint Eustatius verschillend van aard zijn en niet een-op-een kunnen worden vergeleken. In Caribisch Nederland zal het instrument van overheidsingrijpen de vorm hebben van een openbaredienstverplichting (Public Service Obligation, PSO). In het Multilateraal luchtvaartprotocol3 waarin luchtvervoer afspraken zijn gemaakt met de landen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, is namelijk afgesproken eventuele afspraken over overheidsingrijpen in de luchtvaartmarkt door middel van een PSO uit te voeren. Een PSO is een instrument dat de overheid de mogelijkheid geeft om in te grijpen in de vrije markt voor luchtvervoer. Met een PSO kunnen nadere eisen aan de ticketprijzen en aan het minimum aantal vluchten worden gesteld. Op Saba en Sint Eustatius zouden lagere ticketprijzen de kosten voor de luchtvaartmaatschappij niet dekken, waardoor een overheidsbijdrage noodzakelijk zal zijn. Indien het besluit genomen zou worden door het Rijk om een PSO in te stellen dient de financiering hiervoor gevonden te worden.
Daarnaast is een wijziging in de Luchtvaartwet BES noodzakelijk om een PSO in te kunnen stellen. Het wetsvoorstel daartoe is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. Het genoemde wetsvoorstel regelt de wettelijke grondslag voor een PSO. De eventuele instelling, invulling en financiering worden hierin niet geregeld, maar zullen geregeld moeten worden bij de regeling die vastgesteld moet worden bij een concreet besluit tot instelling van een PSO. In 2023 is de vereiste jaarlijkse subsidie door onderzoeksbureau SEO geschat tussen de 3,8 en 7,6 miljoen dollar per jaar. Deze bedragen worden op dit moment geactualiseerd. De resultaten worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Uit de evaluatie van de beleidsdeelneming in Winair komt naar voren dat een PSO de enige effectieve manier is om de ticketprijzen te kunnen verlagen5. Gezien deze conclusie kan in de tussenliggende periode niets worden gedaan aan de hoge ticketprijzen. Indien het besluit genomen wordt om een PSO in te stellen, dan zal dat pas kunnen nadat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES in werking is getreden. Het wetsvoorstel is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. De daadwerkelijke instelling van de PSO vraagt om dekking, zoals beschreven in het antwoord op de vorige vraag. Er is nog geen financiering beschikbaar voor de instelling van de PSO. De geschatte benodigde financiering wordt momenteel geactualiseerd.
Naast de luchtverbinding, draagt de veerdienst tussen Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij aan de bereikbaarheid. Zoals gemeld in de brief van 11 december jl.6 heeft het kabinet besloten voor de jaren 2026 en 2027 € 1,5 mln. beschikbaar te stellen om de subsidie voor deze veerdienst voort te zetten en te verhogen. Eerder is vastgesteld dat deze veerdienst zonder rijksbijdrage niet levensvatbaar is. Voor de periode na 2027 is nog geen financiering beschikbaar.
Verder kan vanuit eigen initiatief door de eilanden ingezet worden op het stimuleren en verbeteren van de bereikbaarheid. Een voorbeeld hiervan zijn de initiatieven die het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius neemt om luchtverbindingen van Sint Eustatius op te zetten met de luchtvaartmaatschappij Dutch Caribbean Islandhopper (DCI).
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Het kabinet erkent dat het vervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarbij is het van belang om aan te geven dat het vervoer naar verschillende essentiële voorzieningen, zoals medische zorg en onderwijs, al wordt geborgd via andere instrumenten. Zo wordt medisch vervoer geborgd via VWS, waarbij er aparte afspraken zijn over medische vluchten. De mogelijke PSO is dus specifiek gericht op reguliere vluchten.
Dat neemt niet weg dat lucht- en zeevervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarom wordt ingezet op de maatregelen die genoemd zijn onder het antwoord op vraag 4.
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
De ministeries zijn voortdurend in overleg met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius. In deze overleggen wordt onder andere stilgestaan bij de veiligheid van de luchtvaart en het voldoen aan internationale standaarden. Ook de connectiviteit, zowel in algemene zin als wat betreft deze specifieke verbindingen, wordt besproken. Ondanks dat wij onder vraag 4 hebben aangegeven dat wij geen mogelijkheden zien om momenteel de ticketprijzen te kunnen verlagen, kan dit onderwerp in deze overleggen worden besproken.
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie de beantwoording onder vraag 4 voor borging van de bereikbaarheid. Daarnaast actualiseert het Ministerie van IenW momenteel het onderzoek uit 2023 over de subsidiekosten voor een PSO voor de luchtverbindingen op Saba en Sint Eustatius. De Kamer wordt in het tweede kwartaal van 2026 over dit onderzoek en de mogelijk door het Rijk te nemen stappen geïnformeerd.
Het bericht dat het Van Gogh Museum de deuren dreigt te sluiten |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het gebouw van het Van Gogh Museum eigendom is van de Nederlandse Staat en dat hiermee ook de verantwoordelijkheid voor de staat van het gebouw, de veiligheid en de instandhouding bij de Staat ligt?
Aan welke veiligheids-, klimaat- en instandhoudingsnormen moeten gebouwen van het Rijksvastgoedbedrijf voldoen en in hoeverre voldoet het Van Gogh Museumgebouw op dit moment aan deze normen?
Het museum meldt risico’s bij onder meer verouderde liften, daklekkages en klimaatinstallaties, zijn deze risico’s bij het Ministerie van OCW bekend en hoe worden deze beoordeeld binnen de verantwoordelijkheid van de Staat als eigenaar van het gebouw?
Kunt u aangeven welke signalen over de staat van het gebouw het Ministerie van OCW de afgelopen jaren heeft ontvangen en welke opvolging daaraan is gegeven?
De huisvestingssubsidie van rijksmusea wordt gebruikt voor zowel operationele kosten als gebouwonderhoud, acht u dit een passend model voor rijksvastgoed dat meer dan 50 jaar oud is, gezien de toenemende kosten voor vervanging van installaties en structureel onderhoud?
Ja, ik acht dit een passend model. De huisvestingssubsidie is bedoeld voor zowel kort-cyclisch als lang-cyclisch onderhoud en verduurzaming. Het museum krijgt ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag voor huisvesting (in 2025 € 7,8 miljoen). De huisvestingssubsidie kan alleen worden verhoogd als er loon- en prijsbijstelling wordt toegekend. Een deel van dit subsidiebedrag is bedoeld voor kort-cyclisch onderhoud. Een ander deel (gemiddeld € 4,9 miljoen per jaar) is bedoeld om te sparen voor lang-cyclisch onderhoud en investeringen. Dit laatste bedrag is voor het Van Gogh Museum relatief hoog, juist omdat er in de subsidie rekening is gehouden met de onderhoudsstaat van de panden. Ook ontvangt het museum subsidie voor verduurzaming van hun panden. Juist omdat het museum ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag krijgt, kan het met vertrouwen sparen of lenen voor grote investeringen en renovaties. Ik ben van mening dat de subsidie die het Van Gogh Museum ontvangt, voldoende is om het noodzakelijk onderhoud te kunnen uitvoeren. De uitkomsten van het deskundigenonderzoek dat ik heb laten verrichten in de bezwaarprocedure, onderschrijven dat.
Daarbij merk ik op dat de andere rijksmusea, sommige ook met zeer complexe of oude gebouwen, gebruik maken van hetzelfde subsidiemodel en dat het voor hen wel werkbaar is.
Hoe beoordeelt u de samenhang tussen structureel onderhoud, goed functionerende beveiligingssystemen en het voorkomen van incidenten, mede in het licht van de recente diefstal in het Louvre en de internationale discussie over museumbeveiliging?
Het huisvestingsstelsel van de rijksmusea is er juist op gericht dat de musea zelf aan het roer zitten om deze samenhang te bereiken, als goed huisvader. Hiervoor ontvangen zij een subsidie op grond van de Erfgoedwet. Ik merk daarbij nog op dat naar aanleiding van de diefstal van twee schilderijen uit het Van Gogh Museum in 2002, in 2004 een risico-inventarisatie en -analyse bij de rijksgesubsidieerde musea is uitgevoerd. Vanaf 2005 is op basis van de resultaten van deze analyse vervolgens structureel € 7 miljoen toegevoegd aan de subsidie voor collectiebeheer van de rijksgesubsidieerde musea ten behoeve van extra veiligheidsvoorzieningen.
Hoe verhoudt de huidige financiering van huisvesting en instandhouding zich tot de afspraken die in 1962 zijn gemaakt over het duurzaam kunnen bewaren en openbaar tonen van de collectie?
Ik ben ik van mening dat de staat voldoet aan de afspraken uit de overeenkomst van 1962. Ik verwijs hiervoor ook graag naar mijn eerdere antwoorden op vragen van uw Kamer over ditzelfde onderwerp.4
Welke mogelijkheden ziet u op korte termijn om risico’s voor bezoekersveiligheid, collectiebehoud en de continuïteit van het museum te mitigeren totdat structureel onderhoud kan worden uitgevoerd?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, is het binnen het huidige huisvestingsstelsel voor rijksmusea de eigen verantwoordelijkheid van de musea om de museale panden te onderhouden en te beheren en zo de bezoekersveiligheid en de continuïteit van het museum te garanderen. Zie ook het antwoord bij vraag 5. Binnen dit stelsel is het aan de musea zelf om keuzes te maken hoe het onderhoud wordt ingepland en in de tijd wordt gezet. De musea kennen hun museale panden het best en kunnen op basis van deze informatie besluiten welk onderhoud noodzakelijk is en welk onderhoud nog even kan worden uitgesteld.
Naast de subsidie, biedt de staat ook te mogelijkheid om tegen een gunstige rente te lenen bij het Nationaal Restauratiefonds voor verduurzaming. Daarnaast is het mogelijk om te lenen bij de schatkist voor onderhoud en instandhouding.
In de jaarrekening van het museum over 2024 is te lezen dat het museum beschikt over een bestemmingsreserve voor huisvesting van meer dan € 9 miljoen en een voorziening groot onderhoud van meer dan € 19 miljoen. De bestemmingsreserve is overigens onderdeel van een eigen vermogen van meer dan € 53 miljoen. Deze bedragen kan het Van Gogh Museum ook aanwenden om het onderhoud te bekostigen. Het is dus zeker niet zo dat het Van Gogh Museum voor haar plannen volledig afhankelijk is van de huisvestingssubsidie.
Daarmee zeg ik niet dat de subsidie ontoereikend is. De externe deskundige die ik heb geraadpleegd laat in zijn onderzoeksrapport zien dat de huidige subsidie vanuit het huisvestingstelsel voor rijksmusea afdoende is. Ik heb dit rapport bij deze antwoorden gevoegd. Het Van Gogh Museum en ik verschillen mijns inziens uiteindelijk vooral van mening over de vraag hoe haar aanvullende ambities, die verder gaan dan noodzakelijk onderhoud en vervanging – bijvoorbeeld op het gebied van verduurzaming – bekostigd moeten worden. Het museum vindt dat de overheid ook daar moet bijspringen. Dat zie ik anders. Het staat het museum natuurlijk vrij om die ambities na te streven. Ik heb daarom aangegeven dat er diverse alternatieve financieringsmogelijkheden zijn voor het museum, sommige gefaciliteerd door de overheid. Zo kan het museumbestuur die ambities ook realiseren. De financiering vanuit het huisvestingsstelsel is daar alleen niet voor bedoeld. Ik zie daarom geen reden om de huisvestingssubsidie te verhogen.
De doorstroomtoets op de BES-eilanden |
|
Heera Dijk (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
van Marum , Becking |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de gezamenlijke brief van de schoolbesturen op Bonaire van 6 november 2025 over de afname van de Doorstroomtoets BES en het verzoek om in 2025–2026 ook de IEP-toets te kunnen blijven afnemen?
Ja.
Klopt het dat de Doorstroomtoets BES in 2025–2026 voor het eerst wettelijk verplicht wordt afgenomen op Bonaire, na jaren van gebruik van de IEP-toets?
Ja dit klopt. De wettelijke verplichting om vanaf het schooljaar 2025–2026 voor het eerst de Doorstroomtoets Bonaire1 (of zoals de schoolbesturen het noemen: de Doorstroomtoets BES) af te nemen volgt uit de in 2022 aangenomen wet doorstroomtoetsen po. In deze wet wordt de wet- en regelgeving voor toetsen in het primair onderwijs (hierna: po) voor Europees Nederland ook van toepassing op het po in Caribisch Nederland. Hiermee krijgen ook de basisscholen daar meer inzicht in de vorderingen die hun leerlingen maken op de basisvaardigheden, ook over tijd. Op die manier kunnen zij net als scholen in Europees Nederland opbrengstgericht werken. Specifiek voor het onderwijs op Bonaire wordt ook de wet- en regelgeving rondom de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs gelijk getrokken. Doordat het nu ook op Bonaire voor alle bekostigde basisscholen verplicht is om een schooladvies te geven, bij alle leerlingen een passende doorstroomtoets af te nemen, en de uitslag van de doorstroomtoets als objectief, tweede gegeven bij het schooladvies te gebruiken krijgen ook Bonairiaanse leerlingen een eerlijke kans op een passend advies welk schooltype in het voortgezet onderwijs het beste bij hen past.
Het grootste probleem dat in voorbereiding op deze wet geconstateerd werd was dat het huidige aanbod doorstroomtoetsen uit Europees Nederland – en dus ook de IEP-doorstroomtoets – op drie belangrijke punten niet goed aansluit bij het onderwijs op Bonaire. De opgaven en teksten zijn gemaakt voor leerlingen in Europees Nederland, en sluiten daardoor onvoldoende aan bij de leefwereld van Bonairiaanse leerlingen. Dit vergroot het risico dat de taal- en rekenvaardigheden van deze leerlingen niet goed vastgesteld worden omdat ze de vragen niet goed begrijpen of voorbeelden niet herkennen. Daarnaast meten de toetsen voor Nederlands het niveau van leerlingen aan de hand van een referentiekader dat opgesteld is voor leerlingen die in hun directe omgeving constant met de Nederlandse taal in aanraking komen. We weten dat voor het merendeel van de leerlingen op Bonaire dit niet het geval is. Tot slot wordt in deze toets de kennis en vaardigheden in het Papiaments niet gemeten ondanks dat dit één van de belangrijkste talen op het eiland is.
Om die redenen heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) de Doorstroomtoets Bonaire laten ontwikkelen. Deze meet de kennis en vaardigheden van de leerlingen op het gebied van Nederlands, Papiaments én rekenen-wiskunde, en kan zo als tweede objectief gegeven gebruikt worden bij het voorlopig schooladvies van de school. Zo krijgen ook de leerlingen op Bonaire gelijke kansen bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs.
Hoe beoordeelt u het signaal van de schoolbesturen dat zij in deze overgangsfase beide toetsen willen afnemen, zodat leerlingen niet afhankelijk zijn van één toetsmoment met een nieuwe, nog ongeteste methodiek?
Net als de schoolbesturen hebben wij het belang van de leerlingen altijd op één staan. Zij hebben recht op een toets die aansluit bij hun leefwereld, die rekening houdt met de talen die voor hen belangrijk zijn, en die hen een passend schooladvies biedt om op het schooltype in het voortgezet onderwijs terecht te komen waar zij zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Daarom is er al sinds de voorbereidingen op de wet doorstroomtoetsen po veel voorwerk gedaan tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire.
Er is vanuit zowel OCW als de toetsaanbieder, Bureau ICE, veelvuldig contact geweest met de schoolbesturen op Bonaire om hen voor te bereiden op de overgang van de IEP-doorstroomtoets naar de Doorstroomtoets Bonaire. Ook zijn er veel gesprekken gevoerd en metingen gedaan om ervoor te zorgen dat de toets zo goed mogelijk aansluit bij de Bonairiaanse leerlingen. Zowel in 2024 als in 2025 zijn er op vrijwillige basis grootschalige pretesten gedaan – enerzijds om data te verzamelen en de methodiek te testen, anderzijds om leerlingen en leerkrachten de mogelijkheid te geven ervaring op te doen met de wijze van afnemen. Tot slot heeft het College voor Toetsen en Examens de toets beoordeeld en erkend dat die aan alle kwaliteitseisen voldoet. Daarom sta ik er ook achter om deze toets dit schooljaar af te nemen. Deze toets is dan ook zeer zeker niet ongetest.
Natuurlijk neem ik de zorgen van de besturen serieus. Naar aanleiding van deze brief ga ik opnieuw met de schoolbesturen in gesprek over de mogelijkheden die er zijn voor een overgangsfase tijdens de eerste afnames van de Doorstroomtoets Bonaire waarin alle talenten van elke leerling zo goed mogelijk in kaart worden gebracht. Twee doorstroomtoetsen afnemen zie ik echter niet als een reële optie. Allereerst vanwege de zeer intensieve belasting voor de Bonairiaanse leerlingen in groep 8. Maar ook vanwege de logistieke, organisatorische en financiële aanpassingen die dit van zowel schoolbesturen als de toetsaanbieder vraagt. In het gesprek kijk ik graag met hen naar mogelijke doelmatige alternatieven om aan hun wensen tegemoet te komen. Met de kanttekening dat deze noodzakelijk, uitvoerbaar en doelmatig zijn.
Overwegende dat de scholen aangeven dat een later afnamemoment op Bonaire wenselijk is (omdat de laatste maanden in groep 8 cruciaal zijn voor de ontwikkeling van leerlingen), erkent u dat de reden voor vroege afname in Europees Nederland (inschrijving bij verschillende vo-scholen) op Bonaire niet van toepassing is? Waarom is desondanks voor een vroeg afnamemoment gekozen?
In eerdere gesprekken over de overgang naar de Doorstroomtoets Bonaire hebben de schoolbesturen al aangegeven met hun afnamemoment graag te willen afwijken van de situatie in Europees Nederland. Op dit moment kan dat niet vanwege geldende wet- en regelgeving. Daarom zijn gesprekken gestart om te verkennen wat er in wet- en regelgeving aangepast moet worden aangepast, op welke termijn dit mogelijk is en welke consequenties dit heeft.
Welke risico’s ziet u voor de onderwijskansen van leerlingen op Bonaire wanneer zij worden beoordeeld op basis van een toets die vroeg in het schooljaar wordt afgenomen én waarvan de voorspellende waarde nog niet is vastgesteld?
De doorstroomtoets Bonaire is specifiek ontwikkeld om beter bij de lokale context aan te sluiten en de kansengelijkheid van de leerlingen op het eiland te vergroten. Daarom sta ik voor de kwaliteit van de Doorstroomtoets Bonaire en zie ik geen reden deze te verplaatsen. De afgelopen twee jaar hebben de basisscholen op Bonaire de IEP-doorstroomtoets in januari/februari afgenomen – net als in Europees Nederland. De overstap naar de Doorstroomtoets Bonaire brengt op dit punt geen aanvullende risico’s met zich mee.
Immers, de IEP-doorstroomtoets acht ik veel minder geschikt voor de leerlingen op Bonaire. Doordat de opgaven geen rekening houden met de meertalige context is er een vergrote kans dat leerlingen een opgave verkeerd beantwoorden omdat zij een vraag niet goed lezen of begrijpen – terwijl zij wel over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken. Tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire is daarom zorgvuldig bekeken welke opgaven het beste aansluiten bij de meertalige context waarin de leerlingen op Bonaire opgroeien. Onder andere door het uitvoeren van twee grote pretests met voorbeeldopgaven. Of de Doorstroomtoets Bonaire een goed voorspellende waarde heeft kan pas bepaald worden als deze door alle leerlingen op Bonaire afgenomen wordt, en een aantal jaar later bekeken kan worden op welk type onderwijs in het vo zij terechtgekomen zijn.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de scholen over de overgangsperiode tussen de oude doorstroomtoets en de nieuwe, wettelijk verplichte, doorstroomtoets?
Ja dat ben ik. We hebben ons te houden aan de wet, maar denken maximaal mee om eventuele zorgen bij schoolbesturen weg te nemen. Met als gezamenlijk doel de kansengelijkheid voor alle leerlingen op Bonaire zo groot mogelijk te maken. Zoals benoemd in antwoord 3 zal hiervoor contact opgenomen worden met de schoolbesturen.
Gaat u de eerste afname van de Doorstroomtoets BES en de overgangsperiode evalueren in samenwerking met de scholen op Bonaire, en de Kamer hierover informeren?
Ja. Tijdens de afname zorgen wij er samen met de toetsaanbieder voor dat er medewerkers op de eilanden aanwezig zijn om scholen te ondersteunen en vragen te beantwoorden. En na de eerste afname van de Doorstroomtoets Bonaire wordt er samen met de scholen gekeken hoe de prestaties op de toetsen het beste geïnterpreteerd kunnen worden, en wat dit betekent voor de overgang naar het voortgezet onderwijs. Indien nodig zal ik de Kamer hier opnieuw over informeren.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.