De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
In de kamerbrief van 18 december 2025 staan het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak (Taskforce) beschreven: De Taskforce komt tot een gezamenlijke aanpak met als doel:
De te verwachten resultaten van de Taskforce zijn een risicoclassificatie voor verschillende typologieën van staalslaktoepassingen en een handreiking voor bevoegde gezagen. Daarnaast zal gekeken worden hoe en op welke wijze relevante kennis over toepassing van staalslak publiekelijk beschikbaar kan worden gesteld.
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen, met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter de burgemeester van Haarlem de heer Jos Wienen. Vanuit IPO is gedeputeerde Sjaak Simonse (Flevoland) en vanuit VNG zijn de wethouders Suzanne Klaassen (Beverwijk) en Eva van Esch (Arnhem) bereid gevonden om op persoonlijke titel deel te nemen aan de Taskforce. Verder zijn de Unie van Waterschappen, Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland op ambtelijk niveau vertegenwoordigd in de Taskforce.
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Aan het Bestuurlijk Overleg Bodem (BO) nemen namens het IPO twee gedeputeerden deel: de gedeputeerde van de provincie Zeeland en de gedeputeerde van de provincie Flevoland. Het resultaat van de Taskforce wordt aangeboden aan het BO te zijner tijd. De gedeputeerde van Flevoland is op persoonlijke titel lid van de Taskforce.
Voor de Ooster- en Westerschelde loopt er een aparte actielijn waarbij de gedeputeerde Natuur van de provincie Zeeland betrokken is (zie het antwoord op vraag 10).
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Ja. In mijn brief heb ik aangegeven dat mijn voornemen is om in 2027 een verbod in te voeren voor de toepassing van LD- en ELO-staalslak tenzij hiervoor een vergunning kan worden verkregen omdat de toepasser kan aantonen dat een toepassing veilig is vanuit het oogpunt van milieu- en gezondheid. Zoals ook aangegeven is de handreiking bedoeld ter ondersteuning van de bevoegde overheden bij het toetsen of een voorgenomen toepassing veilig kan voor mens en milieu. Een handreiking doet niets af aan de bevoegdheden van lokale bevoegde gezagen om maatwerkregels op te stellen.
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat neemt het initiatief om een handreiking op te stellen die kan helpen bij de vergunningverlening. Ten eerste wordt de handreiking gebaseerd op objectief literatuuronderzoek en de actuele stand van de wetenschap. Ten tweede worden er expertsessies georganiseerd waarvoor zowel kennisinstellingen als partijen met praktijkervaringen in het veld worden uitgenodigd. Ook wordt de op dat moment beschikbare informatie van RIVM hiervoor gebruikt.
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
De expertsessies staan gepland voor de tweede helft van dit jaar (september/oktober en december) en er wordt op dit moment bekeken wie daarbij aanwezig moeten zijn.
De expertsessies worden georganiseerd om een handreiking op te kunnen stellen als praktisch toetsingskader om bevoegde gezagen (zoals de omgevingsdiensten) te ondersteunen bij het beoordelen van de milieu- en gezondheidsrisico's (zoals uitloging en pH-verhoging) bij vergunningaanvragen. Het ligt niet voor de hand om daar vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, maatschappelijke organisaties of externe juristen worden betrokken. Deze partijen kunnen wel input geven op het voorgenomen besluit tot het invoeren van een verbod tenzij de toepassing veilig kan en er een vergunning is verleend via de internetconsulatie waarvan de start gepland staat in september.
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
De voorzitter van de Taskforce is gevraagd op basis van zijn ervaring als lokaal bestuurder. De stelling in de vraag is onjuist. Een burgemeester voert op dit onderwerp ook geen eigen beleid. De Taskforce staat los van beslissingen die het college van B&W van de gemeente Haarlem, als bevoegd gezag, heeft genomen of zal nemen over locaties waar staalslakken zijn aangetroffen in de gemeente Haarlem.
Voor wat betreft het collegebeleid in Haarlem heb ik het volgende begrepen: Er is vorig jaar vooruitlopend op een nationaal beleid, door de gemeente Haarlem een meldplicht voor het toepassen van staalslakken ingesteld. Daarnaast is er onderzoek gedaan door de gemeente waar staalslakken zijn gebruikt en is advies van de GGD-GHOR ingewonnen. Op een locatie zijn op basis daarvan de staalslakken afgedekt (recreatieschap in overleg met gemeente) en op de andere locatie worden de staalslakken op basis van advies GGD op dit moment niet verwijderd of aangepast. Verdere landelijke regeling of adviezen worden afgewacht door de gemeente Haarlem.
De door de Taskforce op te stellen handreiking voor bestaande toepassingen staalslak biedt handvatten hoe om te gaan met bestaande toepassingen door bevoegde gezagen. De Taskforce zelf stelt geen beleid op.
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Zie het antwoord op vraag 1. De Taskforce kijkt naar het type van toepassingen van staalslak en mogelijke maatregelen op basis van de risicoclassificatie. De Taskforce is niet het gremium waar wordt gesproken over een schadefonds of een andere vorm van financiering en het herstellen van schade van staalslakken en zal dan ook daarover geen uitspraken doen. In de Bestuurlijke afspraken Bodem en ondergrond 2023 t/m 20301 hebben IenW, VNG, IPO en UvW afspraken gemaakt over het financieel kader van de aanpak van bodem- en grondwaterverontreinigingen. In dat kader kan mogelijke financiering aan de orde komen.
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
De periode waarover is toegezegd dat er fysiek geen staalslak zal worden toegepast door Rijkswaterstaat in de Ooster- en Westerschelde, is verlengd met een half jaar tot 23 januari 2027, zie ook de Kamerbrief van 5 juni 20262. Op 18 juni 2026 had ik bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van gedeputeerde staten van Zeeland, de Vereniging Zeeuwse Gemeenten, de visserijsector en de natuur- en milieuorganisaties. In de Kamerbrief van 2 juli 20263 heb ik aan u aangegeven dat daar is afgesproken om een expertsessie te organiseren met als doel te achterhalen of er kennishiaten zijn t.a.v. de lange termijneffecten van toepassingen met staalslak in de Ooster- en Westerschelde. Deze expertsessie zal in het najaar plaatsvinden en aan de hand van de uitkomsten daarvan zal ik met de gesprekspartners van het bestuurlijk overleg Zeeland staalslak overleggen over het vervolg.
De expertsessie voor de Ooster- en Westerschelde staat los van de expertsessie die in het kader van de handreiking vergunningverlening worden georganiseerd (zie het antwoord op vraag 7).
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Ja.
Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
In Duitsland werkt de vergoedingsprocedure anders dan in Nederland. In Nederland wordt een duur geneesmiddel eerst beoordeeld en daarna wel of niet toegelaten tot het basispakket. In Duitsland wordt een geneesmiddel eerst toegelaten en wordt pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling gestart. In de beantwoording van vraag 10 ga ik hier nader op in.
De Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) maakt in haar analyse niet duidelijk of het om alle of om bepaalde indicaties van een geneesmiddel zou gaan. Een geneesmiddel kan bijvoorbeeld al onderdeel zijn van het basispakket voor een bepaalde aandoening, terwijl het voor een nieuwe indicatie nog in de geneesmiddelensluis verblijft. Zonder inzicht in de betreffende indicaties kan daardoor ten onrechte de indruk ontstaan dat een geneesmiddel helemaal niet beschikbaar is voor Nederlandse patiënten.
Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) heeft naar de desbetreffende geneesmiddelen gekeken en voor de meest aannemelijke indicatie bekeken waarom het geneesmiddel voor die indicatie niet is opgenomen in het basispakket.
Daaruit blijkt dat:
In totaal lopen of liepen er prijsonderhandelingen voor 12 geneesmiddelen, de 7 en 5 geneesmiddelen zoals genoemd bij de laatste twee bullets hierboven. Voor 6 middelen lopen deze nog. Voor de 6 andere middelen heeft dit niet geleid tot een overeenkomst tussen overheid en leverancier, waarbij voor 4 van deze middelen geldt dat er gelijkwaardige behandelalternatieven beschikbaar zijn. Wanneer er geen overeenkomst bereikt wordt tussen overheid en leverancier blijft een geneesmiddel in de sluis. Bij dergelijke gevallen informeert het kabinet de Kamer hierover.3
Cijfers over de doorlooptijden tussen marktautorisatie en vergoeding in een lidstaat, zoals de WAIT-monitor van de Europese branchevertegenwoordiger EFPIA, zijn ook om andere redenen vaak vertekenend. Zo kan er tussen een vergoedingsbeslissing op nationaal niveau en daadwerkelijke toepassing in de klinische praktijk nog tijd zitten, waardoor de WAIT-monitor als vergelijkend instrument beperkt van waarde is.
Het kabinet deelt niet de conclusie dat Nederland slecht(er) scoort. Zoals de hierboven genoemde cijfers duidelijk maken, is het beleid er niet op gericht om zoveel mogelijk geneesmiddelen te vergoeden, maar om zoveel mogelijk gezondheidswinst te realiseren voor de gehele bevolking met de collectieve financiële middelen. Het absolute aantal geneesmiddelen, of indicaties, dat in Nederland wordt vergoed, zegt dus niet zoveel.
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Het kabinet moedigt innovatie van nieuwe geneesmiddelen aan en dat hierbij wordt samengewerkt met Nederlandse ziekenhuizen is een mooie ontwikkeling. Maar dat samen is gewerkt met Nederlandse ziekenhuizen maakt niet dat een dergelijk geneesmiddel daardoor ook automatisch tegen elke prijs en totale uitgaven vergoed moet worden. In Nederland gelden de pakketcriteria en het Zorginstituut toetst bij sluisgeneesmiddelen of extramurale geneesmiddelen of een geneesmiddel in het basispakket opgenomen zou moeten worden. De pakketcriteria zijn effectiviteit, kosteneffectiviteit, noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid.
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Het kabinet begrijpt de frustratie van patiënten en hun gezinnen wanneer een geneesmiddel in Nederland niet wordt vergoed en in bepaalde andere Europese landen wel. Met name wanneer de geneesmiddelen aangetoonde meerwaarde hebben ten opzichte van de standaardbehandeling, maar vanwege de prijs niet worden vergoed, is dat lastig om uit te leggen aan hen die mogelijk baat bij de behandeling zouden hebben.
In Nederland hebben we een zorgbudget dat niet onbeperkt is en niet zomaar kan worden verhoogd. Dit maakt dat er keuzes gemaakt worden. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren met beschikbare collectieve middelen. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst worden behaald. Op deze manier houdt het kabinet rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers.
Dat een geneesmiddel een handelsvergunning heeft gekregen en aangeboden mag worden op de markt, maakt niet dat deze automatisch aan de pakketcriteria voldoet. Het Zorginstituut bekijkt of het geneesmiddel effectief is en daarmee voldoet aan de SWP, wat inhoudt of het geneesmiddel een therapeutische meerwaarde of gelijke waarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling in Nederland. Het uitgangspunt is namelijk dat niet moet worden betaald voor een geneesmiddel dat bijvoorbeeld ernstigere bijwerkingen heeft dan de standaardbehandeling en daardoor per saldo niet meer gezondheidswinst oplevert. Wanneer een geneesmiddel aantoonbare meerwaarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling, is het kabinet bereid om hier veel voor te betalen. Dit moet echter wel in verhouding staan met de gezondheidswinst. Het Zorginstituut adviseert hierover. Het kabinet doet in de prijsonderhandelingen haar uiterste best om met de desbetreffende leverancier een prijs overeen te komen die daar recht aan doet, maar dit lukt niet altijd. Dit betekent in sommige gevallen helaas dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse patiënten hebben recht op de toegang tot behandelingen die toegelaten zijn in het basispakket en daardoor worden vergoed. Wanneer geneesmiddelen aangetoond effectief zijn (voldoen aan SWP) kunnen deze vergoed worden, maar wel enkel als ook aan de andere pakketcriteria wordt voldaan, waar ook een prijs bij hoort die in verhouding staat met de gezondheidswinst die het geneesmiddel oplevert (criterium kosteneffectiviteit).
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat Nederlandse patiënten zich genoodzaakt voelen om voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen uit te wijken naar het buitenland, maar is van mening dat dit niet afdoet aan de solidariteit van het huidige stelsel en het pakketbeheer. Ik verwijs voor een toelichting naar de antwoorden op vraag 3 en 4.
Het kabinet vindt het niet uit te leggen aan alle huidige en toekomstige patiënten, die ook premiebetalers zijn, om een duur middel met een beperkte of zeer onzekere kosteneffectiviteit zonder meer te vergoeden en ook niet om uitzonderingen te maken die de juridische houdbaarheid van het hele stelsel aantasten. Dan riskeren we juist die solidariteit.
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Doorlooptijden zijn een onvermijdbaar gevolg van het Nederlandse systeem waarbij er eerst zekerheid moet zijn over effectiviteit en maatschappelijk aanvaardbare prijs, voordat een duur geneesmiddel wordt vergoed. Deze uitgangspunten zijn geen papieren of bureaucratische werkelijkheid, want een besluit om bijvoorbeeld een middel te vergoeden dat niet voldoet aan effectiviteit of een prijs te accepteren die ver af staat van wat een kosteneffectieve prijs zou zijn, zal uiteindelijk andere patiënten en premiebetalers schaden. Gesteld voor een dilemma als deze, is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om besluiten te nemen in het belang van alle patiënten en burgers. Het kabinet erkent tegelijkertijd dat lange wachttijden een probleem kunnen zijn dat raakt aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen voor individuele patiënten. Zij zet zich daarom hard in om onnodige wachttijden voor deze patiënten te verminderen.
Ook binnen het traject «Toekomstbestendig stelsel geneesmiddelen» (TSG) is hier aandacht voor. Hierin is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. Verder doet het kabinet haar uiterste best om in prijsonderhandelingen met de leverancier zo snel mogelijk tot een aanvaardbare prijs te komen.
Er zijn echter ook gevallen waarin de wachttijd langer is vanwege het uitblijven van het indienen van een dossier bij het Zorginstituut door de leverancier. Dan kan het Zorginstituut het geneesmiddel niet beoordelen en kan het tot die tijd niet vergoed worden. De wachttijd blijft ondertussen oplopen. Voor dergelijke geneesmiddelen is de leverancier aan zet om zo spoedig mogelijk een dossier in te dienen.
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet is niet van mening dat er sprake is van een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen in Nederland.
Zie hiervoor een toelichting bij het antwoord op vraag 2.
Dat wachttijden de toegang tot geneesmiddelen vertragen vindt het kabinet wel onwenselijk. Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 7, zet het kabinet zich hiervoor in, ook binnen het TSG-traject.
Daarnaast hebben in veel gevallen de leveranciers ook invloed op de wachttijden.
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Het kabinet erkent dat de uitgaven aan dure geneesmiddelen op dit moment niet problematisch zijn. Het wijst daarbij wel op het volgende. Ten eerste is deze situatie het gevolg van het beleid dat mede is gericht op kostenbeheersing.4 Dat beleid is overigens niet veranderd. Wat wel veranderd is zijn de steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, én het grote aantal innovatieve middelen dat in ontwikkeling is.5 Zonder voortzetting van het huidige beleid, zou dat een groot budgettair risico betekenen en kunnen leiden tot het verdringen van andere zorg die op het geheel genomen meer gezondheidswinst oplevert.
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
De prijsonderhandeling gelijktijdig laten verlopen met de beoordeling door het Zorginstituut is niet mogelijk. Er is dan nog geen advies op grond waarvan de prijsonderhandeling kan worden gestart.
Het kabinet acht de optie om een geneesmiddel eerst toe te laten en pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling te starten, zoals in Duitsland, niet wenselijk om de volgende redenen:
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
In het TSG wordt erop ingezet om processen waar mogelijk te versnellen en te stroomlijnen, zodat patiënten zo snel als dat mogelijk is toegang krijgen. Ook wordt in het TSG op structurele basis afgestemd met zorgpartijen en de farmaceutische industrie, en wordt in een informatiemanagementsysteem transparant waar het geneesmiddel zich in het proces van pakkettoelating bevindt. Het uitgangspunt van het TSG is zoals gezegd «snel als het kan en uitgebreid als het moet». Dat betekent dat geneesmiddelen met beperkte pakketrisico’s snel kunnen instromen en geneesmiddelen met risico’s uitgebreider beoordeeld worden. Net als nu worden in het TSG de risico’s gewogen voor opname in het basispakket.
Een inschatting van het effect op de doorlooptijden neemt het Zorginstituut mee in de impactanalyse.
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Het Zorginstituut adviseert het kabinet als onafhankelijk pakketbeheerder over de uitvoering van het TSG. Een impactanalyse maakt hier onderdeel van uit. Daarin brengt het Zorginstituut bijvoorbeeld in kaart hoe geneesmiddelen op dit moment door het systeem lopen en hoe dit in het TSG zal verlopen. Alle relevante partijen zijn betrokken en worden geconsulteerd in de uitwerking. Partijen kunnen op basis van de impactanalyse bijvoorbeeld de gevolgen voor investeringen die zij doen afleiden. Op basis van de uitvoeringstoets en de impactanalyse maakt het kabinet een zorgvuldige afweging voor de besluitvorming over de invoering van het TSG.
Water grote rivieren |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u de toenemende watertekorten in Nederland beoordeelt en welke gevolgen u verwacht voor de landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, industrie en regionale economie?
Zoals gemeld in de droogtebrief van 16 juli jl.1 is sprake van een stevige droogteperiode en worden de effecten daarvan helaas steeds merkbaarder. Op dit moment ondervinden de scheepvaart, de agrarische sector, de natuur, de industrie en regionale economie negatieve gevolgen van de droogte. De drinkwatervoorziening is nog geborgd.
Helaas zijn maatregelen, zoals schutbeperkingen en onttrekkingsverboden nodig om de waterveiligheid, drinkwater en energievoorziening te waarborgen. De waterverdelingskeuzes volgen uit de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks uit Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is de rangorde van maatschappelijke belangen bij waterschaarste bepaald. De samenwerkende waterbeheerders doen er alles aan om de negatieve effecten die optreden zo veel mogelijk te mitigeren. Net als iedereen hoop ik op een spoedig herstel van de waterbalans in Nederland waardoor de verschillende getroffen sectoren weer regulier van water kunnen worden voorzien.
Bent u bekend met de zorgen van de waterschappen over de verdeling van het beschikbare Rijn- en Maaswater tussen de verschillende landen en bent u bereid zich in te zetten voor een rechtvaardigere verdeling van het water bij zowel droogte als hoogwater?
Ja, daarmee ben ik bekend. Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land binnenstroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor de bevaarbaarheid van rivieren en daarmee de bevoorrading van de eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Dit is vastgelegd in diverse verdragen. Het beeld dat de verdeling nu niet rechtvaardig zou zijn, herken ik niet.
Nederland is al lang actief om internationaal afspraken te maken binnen diverse intensieve samenwerkingsverbanden waaronder de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC) voor de hoofdstroom van de Rijn en de Maas. Deze Rijn- en Maascommissies gaan onder andere over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden. Binnen deze riviercommissies worden kennis en data uitgewisseld, waardoor betrouwbare voorspellingen gedaan kunnen worden en effecten van klimaatverandering op waterafvoeren worden ingeschat. Naast hoog water wordt binnen de ICBR en de IMC steeds gerichter samengewerkt aan laagwater.
Nederland is er sinds 2018 in geslaagd om de problematiek van afnemende afvoeren en daarmee gepaard gaande droogte in zowel de ICBR als in de IMC op de agenda te krijgen. In de ICBR wordt nu gezamenlijk gewerkt aan het in beeld brengen van sociaaleconomische ontwikkelingen en handelingsperspectieven. Dit biedt de basis voor de aanpassing van de ICBR-klimaatadaptatiestrategie en nadere afspraken. Binnen de IMC is ook afgesproken om een gezamenlijke klimaatstudie te starten als basis voor afspraken in het gehele stroomgebied. Voor de Maas zijn er reeds afspraken over waterverdeling tussen Vlaanderen en Nederland. Dit is vastgelegd in het Maasafvoerverdrag.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland zet vooralsnog in op afspraken binnen de riviercommissies en maakt daarbij mede gebruik van de lopende Europese trajecten zoals de Europese Water Resilience Strategy. Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bereid om met de Rijn- en Maasstaten in overleg te treden om te komen tot nieuwe of aangepaste afspraken over de verdeling van het beschikbare rivierwater, zodat Nederland bij perioden van droogte niet onevenredig wordt benadeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten welke afwegingen momenteel worden gemaakt bij de verdeling van het Rijnwater over de Waal, de Neder-Rijn/Lek en de IJssel tijdens perioden van lage afvoer en hoe daarbij de belangen van landbouw, natuur, drinkwater, scheepvaart en het tegengaan van verzilting worden meegewogen?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders dan cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoor-ziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leverings-zekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Waar verzilting van invloed is op een van de belangen uit de verdringingsreeks, wordt dit dus volwaardig meegewogen in de waterverdelingskeuzes.
Hoe beoordeelt u de signalen dat tijdens droogte een groot deel van het beschikbare zoetwater wordt ingezet voor het tegengaan van verzilting in West-Nederland, terwijl Noord-, Oost- en Zuid-Nederland hierdoor met watertekorten worden geconfronteerd?
Hoewel de geografische verdeling van water geen doel is bij waterschaarste, kan een waterverdelingskeuze op basis van de verdringingsreeks wel positief uitpakken voor de ene regio en negatief voor een andere regio. Maar dat is dan het resultaat van de inhoudelijke belangenafweging binnen deze wettelijke verdringingsreeks. De belangen van alle regio’s worden daarmee, zeker in de zwaarwegender categorieën 1–3, zo goed mogelijk beschermd.
Bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheden om tijdens perioden van lage rivierafvoer meer zoetwater in Nederland vast te houden, bijvoorbeeld door aanvullende stuwen, sluizen of andere waterbergende maatregelen, zodat Nederland beter bestand is tegen langdurige droogte?
Ja, hiertoe ben ik bereid. Het kabinet investeert actief in kennisontwikkeling gericht op het beter vasthouden van zoetwater. In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Daarbij wordt onderzoek gedaan naar een breed pakket aan maatregelen, zoals het optimaliseren van bestaande zoetwaterbuffers (bijvoorbeeld het IJsselmeer), het vergroten van de sponswerking van de bodem, ondergrondse zoetwateropslag en slimmer operationeel waterbeheer met behulp van de bestaande infrastructuur. Ook in het kader van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt onderzoek gedaan naar onder andere het verbeteren van de zoetwaterverdeling over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.02.Er zijn grote keuzes nodig over de indeling van ruimte. We moeten op meer plekken ruimte creëren waar water kan worden opgeslagen, zodat we daaruit kunnen putten in tijden van droogte. Ook moeten we op sommige plekken de grondwaterstanden verhogen. Dit gesprek voeren we in het kabinet, dat is belangrijk want het heeft consequenties voor het gebruik van onze ruimte en de richting daarvan.
Tegelijkertijd geldt dat het hoofdwatersysteem niet overal en altijd kan voorkomen dat watertekorten ontstaan, ook niet met aanvullende maatregelen. Daarom investeert het kabinet ook in regionaal praktijkonderzoek gericht op het vasthouden van grondwater zoals in projecten Proeftuin Zoet Water Zeeland, BodemUP 2.0 in Noord-Brabant en de ondergrondse zoetwateropslag bij Wolphaartsdijk. Ook in Europees verband wordt kennis ontwikkeld, zoals binnen het onderzoeksproject AGROMAR gericht op verantwoorde grondwateraanvulling. Daarnaast zijn er nog verschillende onderzoeken gericht op droogteadaptatie en het omgaan met verzilting.
Nieuwe, aanvullende plannen voor kennisontwikkeling worden momenteel voorbereid in het kader van het nieuwe Nationaal Water Programma (2028–2033) dat eind dit jaar in concept gereed is.
Welke concrete langetermijnmaatregelen bereidt u voor om de Nederlandse zoetwatervoorziening toekomstbestendig te maken en wordt daarbij ook gekeken naar grootschalige infrastructurele oplossingen, zoals extra stuw- en sluizencomplexen en andere maatregelen om meer rivierwater in Nederland vast te houden?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018 en 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Vanwege klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende3, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit Programma (zie ook vraag 6).
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Of deze maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre binnen het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma voldoende aandacht wordt besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland?
Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijk onderwerp in het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma. Hierin wordt voldoende aandacht besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland. Bijvoorbeeld via het onderzoeken van het stapsgewijs vergroten van de buffer in het IJsselmeer en Markermeer.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over de voortgang van de internationale gesprekken met de Rijn- en Maasstaten over een eerlijkere verdeling van het beschikbare rivierwater en de aanvullende maatregelen die Nederland zelf wil treffen om de beschikbaarheid van zoetwater tijdens langdurige droogte te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe worden natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals klimaatbuffers, waterretentiegebieden en natuurlijke sponsgebieden, momenteel ingezet binnen het nationale beleid om droogte en zoetwatertekorten tegen te gaan?
In het hoofdwatersysteem is onze grootste buffer het IJsselmeer. Zoals deze zomer is gebleken, heeft deze buffer ervoor gezorgd dat de noordelijke regio een langere tijd minder effecten van de droogte heeft gevoeld. Voor zoetwaterbuffers buiten het hoofdwatersysteem is het Rijk niet aan zet. Hiervoor treffen de regio’s desgewenst zelf maatregelen. Het rijk wil regionale waterbeheerders, maar ook gemeenten, natuurbeheerder en agrariërs, stimuleren en faciliteren om de kansen voor het vergroten van de sponswerking van de bodem op een zorgvuldige manier te benutten.
Hoeveel natuurlijke zoetwaterbuffers worden in Nederland beheerd door natuurorganisaties, hoeveel zoet water kunnen deze gezamenlijk vasthouden en welke bijdrage leveren zij aan de nationale zoetwatervoorziening?
Het exacte aantal natuurlijke zoetwaterbuffers beheerd door natuurorganisaties in Nederland is lastig te bepalen. Het is een netwerk van zoetwaterbuffers en -zones dat door grond-, regen- en smeltwater, en de natuurlijke zoet-zout dynamiek wordt bepaald. De capaciteit van de buffers is hierdoor lastig vast te stellen. De effectieve capaciteit hangt sterk af van bodemtype, conditie en waterpeil. Op landelijke schaal kunnen natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals veengebieden, moerassen, natte bossen, uiterwaarden, retentiegebieden en andere klimaatbuffers fungeren als «natuurlijke sponzen», en zo zoetwater beter vasthouden (zie ook het antwoord vraag 10). De waterhuishouding in Nederland beweegt zich steeds meer van een afvoerstelsel naar een vasthoudstelsel. Natuurgebieden zijn hierin essentieel.
Kan inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre water dat in deze natuurgebieden wordt vastgehouden ook daadwerkelijk beschikbaar blijft voor omliggende landbouwgebieden en andere maatschappelijke functies tijdens droge perioden?
Zoetwater dat is vastgehouden in natuurgebieden kan niet vanzelfsprekend beschikbaar worden gesteld voor landbouw of andere functies. Een deel van het vastgehouden water verdampt door de combinatie met hogere temperaturen. Een ander deel infiltreert naar de diepere ondergrond alwaar het door (drink)waterwinningen onttrokken grondwater aanvult. En een deel wordt gedraineerd door de naaste omgeving: veelal landbouwgebieden. Verdroging is een van de grootste drukfactoren voor de natuur, zoals de natuurdoelanalyses aangeven. Door droogte komt (kwetsbare) natuur nog verder onder druk te staan. De beschikbaarheid van water in tijden van een feitelijk watertekort voor de verschillende sectoren en maatschappelijke functies hangt af van prioritering volgens de verdringingsreeks, technische mogelijkheden (opties om het water te kunnen sturen) en kwaliteit van het water. Stabiliteit van waterkeringen, voorkomen van klink en zetting (in veen en hoogveen), en voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur bevinden zich in categorie 1 van de verdringingsreeks (zie ook antwoord vraag 4). Deze belangen krijgen voorrang bij de verdeling van het nog beschikbare zoetwater.
Hoe wordt voorkomen dat water langdurig wordt vastgehouden in afzonderlijke natuurgebieden, terwijl elders in dezelfde regio tekorten ontstaan voor landbouw, scheepvaart of drinkwatervoorziening?
Zoals bij vraag 4 eerder aangeven, bevindt natuur zich in categorie 4 en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur zich in categorie 1. Voldoende water van de juiste kwaliteit is noodzakelijk om ons hieraan te houden. Tegelijkertijd zorgt het vasthouden van water in natuurgebieden voor een buffer voor andere sectoren.
Ziet u mogelijkheden om bestaande natuurlijke zoetwaterbuffers nadrukkelijker onderdeel te maken van de landelijke zoetwaterstrategie, zodat zij niet alleen bijdragen aan natuurdoelen, maar ook aan de beschikbaarheid van zoet water voor landbouw, drinkwater, scheepvaart en economie?
De huidige zoetwaterbuffers zijn niet alleen ontwikkeld om aan de natuurdoelen te voldoen. Zij vervullen reeds een rol in de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, scheepvaart en economie. In tijden van watertekort worden deze zoetwaterbuffers ingezet aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks.
De afsluiting kwelders Wierum en Ternaard en beperking recreatief gebruik Waddenzee |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten over het afsluiten van delen van de Waddenzee, waaronder de kwelders bij Wierum en Ternaard, en het stopzetten van excursies naar Rottum?
Ja.
De kwelders bij Wierum en Ternaard zijn van grote waarde voor vogels. Om de ongewenste verstoring van vogels door menselijke activiteiten hier te voorkomen heeft Rijkswaterstaat, in afstemming met de eigenaar van de gebieden – het Wetterskip Fryslân – hier verboden toegang borden geplaatst. Dit is gedaan naar aanleiding van de ecologische evaluatie van het Natura 2000-beheerplan waarbij vanuit Rijkswaterstaat is geconcludeerd dat het treffen van deze maatregelen al vooruitlopend op het nieuwe Natura 2000-beheerplan Waddenzee wenselijk is.
Vanuit de urgentie op de korte termijn (broedseizoen) zijn tot en met 15 juli 2026 twee kwelders aan de Waddenkust bij Ternaard afgesloten. Na 15 juli worden de verboden toegangsborden weggehaald.
Voordat deze maatregel is gestart, zijn er meerdere informatiebijeenkomsten voor omwonenden gehouden.
Klopt het dat Rijkswaterstaat inzet op het afsluiten van meerdere gebieden in de Waddenzee voor publiek gebruik in het kader van Natura 2000-doelstellingen?
In het kader van het actualiseren van de N2000-beheerplannen Waddenzee en Noordzeekustzone is in het voorjaar een aantal bijeenkomsten gehouden op de Waddeneilanden. Naar aanleiding van deze sessies in het voorjaar 2026 met bewoners, ondernemers, ambtenaren en belangenorganisaties is bij sommigen de indruk ontstaan dat Rijkswaterstaat van plan is om grote delen van eilanden af te sluiten voor publiek ten behoeve van behoud van natuurkwaliteit. Dit is niet het geval. Binnen een Natura 2000-gebied kunnen deelgebieden deels, tijdelijk of volledig worden afgesloten als dat ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen noodzakelijk is. Dat gebeurt over het algemeen via een Toegangsbeperkend Besluit. Voor de regio Rottum geldt bijvoorbeeld een dergelijk Toegangsbeperkend Besluit, onder andere voor het beschermen van rust- en broedgebieden van vogels en zeehonden.
De rol van Rijkswaterstaat in de totstandkoming van het nieuwe Natura 2000 beheerplan voor de Waddenzee is die van voortouwnemer. De nut en noodzaak voor het treffen van toegangsbeperkende maatregelen komt veelal voort uit het beheerplanproces.
Het Ministerie van LVVN is het bevoegd gezag om – indien nodig – via een afzonderlijke procedure toegangsbeperkende besluiten (TBB) te treffen in de Rijkswateren.
Welke concrete ecologische problemen liggen volgens het kabinet ten grondslag aan deze maatregelen en welke rol speelt recreatie daarin ten opzichte van andere factoren, zoals visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden?
Uit de ecologische evaluatie van het Natura 2000 Beheerplan, opgesteld namens alle bevoegd gezagen en in opdracht van Rijkswaterstaat1 (2023), blijkt dat recreatie een belangrijke verstorende factor kan zijn voor foeragerende vogels en broedvogels. Visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden vinden niet plaats op de kwelders.
Kunt u onderbouwen welk aandeel recreatief medegebruik heeft in de verstoring van natuurwaarden in de Waddenzee?
Recreatief medegebruik van de Wadden hoort bij het Waddengebied, zo beleven mensen de natuur en leren ze die te waarderen. Er is geen kwantitatieve informatie beschikbaar over het aandeel van het recreatief medegebruik. De gevraagde data en informatie worden niet op een structurele manier bijgehouden. Wel is bekend dat betreding van kwelders met name tijdens weekenden, vakanties en met mooi weer, tot een grote mate van verstoring kan leiden (Fieten et al., 2022). Kleine kwelders, zoals die bij Wierum, zijn hier met name gevoelig voor omdat vogels hier niet kunnen uitwijken, waardoor bij betreding al snel veel vogels opvliegen. Daarom is besloten om de toegang te sluiten tijdens het broedseizoen, dat eindigt op 15 juli, waarna de borden worden weggehaald.
Waarom is in deze gevallen gekozen voor een vergaande en vaak jaarronde afsluiting, terwijl recreatie in het Waddengebied grotendeels seizoensgebonden, weersafhankelijk en tijdelijk van aard is?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2, de sluiting is uitsluitend voor het broedseizoen.
In hoeverre zijn alternatieven onderzocht, zoals seizoensgebonden openstelling, zonering, vergunningen of begeleide toegang?
Voordat over wordt gegaan tot tijdelijke sluiting van een gebied wordt altijd eerst naar alternatieven gekeken om bestaande activiteiten zoals recreatie toch mogelijk te blijven maken. Voor de kwelders van Wierum en Ternaard is door RWS op basis van het onderzoek geconcludeerd dat het combineren van functies op deze relatieve kleine kwelders helaas niet mogelijk is. Wel is per locatie gekeken naar maatwerk: zo blijft bij Ternaard de pier toegankelijk voor recreatief gebruik en worden wadlopers in Wierum meer richting het oosten geleid, buiten de meest kwetsbare delen van de kwelder.
Hoe weegt u het feit dat lokale gebruikers, zoals wadlopers, vissers, schippers en bewoners al generaties lang verbonden zijn met het gebied en een belangrijke rol vervullen als «ogen en oren» van de natuur?
Ik laat de historische verbinding van de lokale gebruikers met het waddengebied zwaar meewegen in de keuzes die gemaakt worden ten behoeve van de natuur. Het is – zoals u stelt in uw vraag – zeker zo dat zij met hun diepgewortelde gebiedskennis de ogen en oren van het gebied zijn. Die kennis is waardevol voor natuur en cultuur, welke samen de identiteit van de Wadden bepalen. Het is niet voor niets dat Texel het oudste weidevogelreservaat kent van Nederland, mede dankzij pionier van de Nederlandse natuurbescherming Jac. P. Thijsse.
Deelt u de zorg dat het uitsluiten van deze groepen kan leiden tot verlies van lokale kennis, minder toezicht in het gebied en afname van betrokkenheid bij natuurbeheer?
Die zorg deel ik niet, want er is in Wierum en Ternaard sprake van het tijdelijk sluiten van gebieden en niet van het uitsluiten van groepen bij de totstandkoming van nieuwe beheerplannen. Betrokkenheid van de omgeving is cruciaal bij het in stand houden van de natuurwaarden. Er zijn succesvolle vormen van participatie die daaraan bijdragen, zoals signalerende rollen of betrokkenheid bij monitoring.
Kunt u toelichten hoe de belangen van natuur, leefbaarheid en cultureel gebruik van het gebied tegen elkaar zijn afgewogen bij deze besluiten?
Bij besluiten over Natura 2000-gebieden in rijkswateren geldt dat de natuurdoelen juridisch leidend zijn op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Activiteiten kunnen alleen doorgaan als zeker is dat deze de vastgestelde instandhoudingsdoelen niet aantasten, daarbij worden waar nodig mitigerende maatregelen getroffen. Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die worden genomen om negatieve effecten van een activiteit te verminderen of te beperken door bijvoorbeeld het gebruik op andere tijdstippen te laten plaatsvinden of technische maatregelen te nemen. Belangen zoals leefbaarheid, economische activiteiten en cultureel gebruik worden in dit kader zorgvuldig meegewogen via bijvoorbeeld een passende beoordeling, met name in beheerplannen waar bestaand gebruik wordt beoordeeld en zo nodig aangepast.
Voor de kwelders van Wierum en Ternaard is door RWS op basis van het onderzoek geconcludeerd dat er sprake is van ecologische noodzaak, urgentie en dat het combineren van functies op deze relatieve kleine kwelders niet of zeer beperkt mogelijk is in het broedseizoen.
Waarom richt het beleid zich volgens signalen uit de regio relatief sterk op het beperken van recreatie, terwijl grotere drukfactoren mogelijk onderbelicht blijven?
Het beleid richt zich op natuurherstel, natuurbeheer en het terugdringen van druk op de natuur. Dat gebeurt via de Programmatische Aanpak Grote Wateren, versterking van de samenwerking van het beheer via de Beheerautoriteit Waddenzee met de gezamenlijke beheerders en middels het Natura 2000-beheerplan met Rijkswaterstaat als voortouwnemer. Het Natura 2000-beheerplan gaat over gebruik en beheer gericht op het behalen van de instandhoudingsdoelen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Minister van LVVN werkt aan een Beleidskader Natuur Waddenzee om de cumulatieve druk op de natuur te verminderen, het Ministerie van IenW is hierbij betrokken. Tevens werkt de Minister van LVVN samen met de medebevoegde gezagen aan een natuurplan in het kader van de Natuurherstelverordening. In deze trajecten wordt nadrukkelijk breder gekeken dan alleen recreatie en toerisme.
Bent u het ermee eens dat natuur en mens in veel gevallen samen kunnen gaan en dat volledige uitsluiting van mensen niet altijd de meest effectieve maatregel is?
Sluiting van gebieden is één van de mogelijke maatregelen om natuurdoelen te bereiken. In veel situaties kunnen natuur en mens samengaan zonder dat sluiting van een gebied hoeft plaats te vinden, denk bijvoorbeeld aan de wadlopers naar Texel die rekening houden met de foeragerende vogels en afstand bewaren tot de zeehonden of de fietsers op Vlieland die tijdens het fietsen rekening houden met de broedvogels via aangepaste fietsroutes. In specifieke gevallen, zoals bijvoorbeeld bij kwetsbare gebieden met een belangrijke broedfunctie voor vogels kan sluiting echter een noodzakelijke maatregel zijn.
Hoe voorkomt u dat maatregelen vooral bijdragen aan het behalen van papieren natuurdoelen, zonder aantoonbaar effect op daadwerkelijke natuurverbetering?
Het niet verstoren van vogels tijdens het broedseizoen leidt tot aantoonbare positieve effecten voor de natuur, want hierdoor neemt het broedsucces toe. Dat is geen papieren natuurdoel, maar een zinvolle effectieve maatregel.
Van belang is dat verstoring van soorten en verslechtering van habitats in de N2000-gebieden moet worden voorkomen. Het nemen van maatregelen is hiervoor nodig. Hierbij wordt rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied. De effecten van beheermaatregelen worden gevolgd via monitoring en periodieke evaluatie van Natura 2000-beheerplannen. Wanneer blijkt dat maatregelen onvoldoende effect sorteren, kunnen zij worden heroverwogen of aangepast.
Bent u bereid om samen met regionale partijen, gebruikers en bewoners te werken aan gebiedsgerichte oplossingen met draagvlak, in plaats van generieke afsluitingen?
Rijkswaterstaat werkt als voortouwnemer in opdracht van de Minister van IenW en samen met de verschillende bevoegd gezagen aan een nieuw Natura 2000-beheerplan voor de Waddenzee, ter vervanging van het vigerende plan uit 2016. Daarmee is in 2024 gestart en het plan moet eind 2028 klaar zijn zodat het nieuwe plan op 1 januari 2029 in werking kan treden. Rijkswaterstaat werkt met partijen aan maatregelen en waar mogelijk worden gebiedsgerichte oplossingen gezocht. In 2025 zijn er informatiesessies voor het grote publiek georganiseerd. Recent is er een tweede ronde voor genodigden – overheden zoals de betrokken gemeenten, ondernemers en gebiedsbeheerders – georganiseerd over concept-maatregelen in de Waddenzee. Daarbij is gekeken naar mogelijke locaties waar op verschillende manieren maatregelen genomen kunnen worden en wat dit zou kunnen betekenen voor de regionale gemeenschap.
Kunt u toezeggen dat toekomstige maatregelen in de Waddenzee expliciet worden getoetst op effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak?
Bij toekomstige maatregelen wordt uiteraard aandacht besteed aan effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak. Van belang is wel dat, om aan de verplichtingen ten aanzien van de natuurdoelen te voldoen, significante verstoring van soorten en verslechtering van habitats in de Natura2000-gebieden moet worden voorkomen. Het nemen van maatregelen is hiervoor nodig. Hierbij wordt rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied.
We hebben ons als land te houden aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn vanuit het belang van de natuur. Tegelijk zien we ook dat wanneer we dit niet voldoende doen dit leidt tot economische schade doordat de woningbouw, de energietransitie en de verduurzaming van de industrie vertraging oploopt. Het gaat er dus om dat we in onze afwegingen niet alleen aandacht hebben voor de bestaande activiteiten, maar ook de lange termijn economische consequenties meewegen.
Waarom is specifiek gekozen voor locaties zoals ’t Skoar bij Ternaard en de nieuwe kwelder bij Wierum en bijvoorbeeld niet voor kwelders in de Peazumerlannen?
De kwelders bij Wierum en Ternaard kenmerken zich door recente natuurontwikkeling, beperkte omvang, hoge kwetsbaarheid en een specifieke functie als broedgebied. Andere kwelders hebben een andere ecologische functie, gebruiksdruk en zijn vaak groter, wat heeft geleid tot andere beheerkeuzes. Zo zijn de wandelroutes in de Peazemerlannen vrij toegankelijk voor publiek naast dat een deel tijdens het broedseizoen voor het publiek wordt afgesloten.
Waarom worden dergelijke besluiten volgens signalen uit de regio in sterke mate top-down genomen, zonder voldoende overleg met de lokale gemeenschap, lokale politiek en omwonenden?
Er zijn twee informatiebijeenkomsten over de sluiting van de kwelders georganiseerd in Wierum en Ternaard waarbij betrokkenen zijn geïnformeerd. Tegelijkertijd wordt erkend dat deze communicatie door een deel van de omgeving niet als tijdig of voldoende is ervaren. Dit onderstreept het belang om bij toekomstige maatregelen eerder en intensiever met de omgeving in gesprek te gaan.
Ook voor het opstellen van het nieuwe Natura 2000 Beheerplan worden themabijeenkomsten gehouden over onder andere recreatieve zonering. Tijdens de bijeenkomst worden de conceptmaatregelen voor de nieuwe N2000 beheerplannen (Waddenzee en Noordzeekustzone) besproken. De input uit deze sessies wordt gebruikt om de haalbaarheid en impact van concept maatregelen in kaart te brengen, en vormt een belangrijke bouwsteen voor het planMER en het ontwerp van het nieuwe Beheerplan.
Heeft het afsluiten van buitendijkse gebieden gevolgen voor lopende dijkversterkingsprojecten?
Het afsluiten van deze buitendijkse gebieden heeft geen gevolgen voor lopende of geplande dijkversterkingsprojecten.
Waarom wordt de lokale gemeente volgens signalen op geen enkele manier betrokken bij dergelijke besluiten, terwijl zij over belangrijke gebiedskennis beschikt en de gevolgen ook haar plannen rond toerisme raken?
De lokale overheid is betrokken. Zo zijn de gemeenten betrokken via diverse themabijeenkomsten in het kader van de totstandkoming van een nieuw Natura 2000 plan voor de Waddenzee. Voor de kwelders zijn informatiebijeenkomsten gehouden in Wierum en Ternaard.
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke besluiten plaatsvinden in regio’s aan de randen van Nederland, waar voorzieningen onder druk staan en waar deze gebieden juist bijdragen aan de leefkwaliteit en het gevoel van verbondenheid van bewoners?
Ja. Ik ben mij bewust van de sociaal-economische context van deze regio’s en de belangrijke betekenis van de Waddenzee voor de bewoners. Dit benadrukt het belang van zorgvuldige afweging en duidelijke communicatie over maatregelen om deze waardevolle omgeving te behouden.
Deelt u de zorg dat het op deze wijze afsluiten van gebieden negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van inwoners in de overheid?
Draagvlak en begrip voor overheidsmaatregelen is van belang, zeker als het gaat om kwetsbare natuur. Daarom wordt ingezet op transparantie, heldere uitleg van besluiten en een doorgaand gesprek met de omgeving, zeker ook wanneer maatregelen ingrijpend zijn.
Extra huizen voor migranten |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het interview met de Telegraaf van 13 oktober 2026 waarin u spreekt over de huisvesting van statushouders en de positie van starters op de woningmarkt?1
Klopt het dat u in dit interview, in reactie op de situatie van jonge starters die geen woning kunnen vinden, heeft gezegd dat starters «gelukkig bij hun ouders kunnen wonen»? Zo ja, wat bedoelde u precies met deze uitspraak?
Begrijpt u dat deze uitspraak hard aankomt bij jonge Nederlanders die soms noodgedwongen jarenlang thuis wonen omdat zij geen betaalbare woning kunnen vinden?
Waarom geldt de door u genoemde «pauzestand» voor statushouders zonder woning volgens u niet voor een 28-jarige starter die noodgedwongen op zijn oude slaapkamer bij zijn ouders woont en daardoor geen zelfstandig bestaan kan opbouwen?
Deelt u de mening dat van Nederlandse jongeren niet kan worden verwacht dat zij het woningtekort oplossen door maar langer bij hun ouders te blijven wonen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom het ontbreken van zelfstandige woonruimte bij een statushouder volgens u om een snelle oplossing vraagt, terwijl thuis wonen bij de ouders bij een jonge woningzoekende kennelijk als een mogelijke uitkomst wordt genoemd?
Waarom spreekt u over de positie van statushouders in termen van urgentie en noodzakelijke oplossingen, terwijl u bij starters verwijst naar de mogelijkheid om bij hun ouders te blijven wonen? Welke boodschap geeft u daarmee volgens u aan de honderdduizenden jonge woningzoekenden?
Bent u Minister van Volkshuisvesting voor alle woningzoekenden of vindt u dat de huisvestingsopgave voor statushouders urgenter is dan die voor Nederlandse starters? Hoe blijkt dit uit de prioriteiten die u stelt en uitspraken die u doet?
Vindt u het rechtvaardig dat een starter jarenlang op een wachtlijst kan staan, terwijl een statushouder op grond van zijn of haar status eerder voor een woning in aanmerking kan komen? Waarom wel of niet?
Waarom heeft u, ondanks uw constatering dat de voorrang voor statushouders steeds meer knelt voor andere woningzoekenden, het eerdere wetsvoorstel ingetrokken in plaats van deze voorrang zo snel mogelijk te beëindigen?
Waarom stelt u als voorwaarde dat eerst voldoende alternatieve huisvesting voor statushouders beschikbaar moet zijn voordat hun voorrang verdwijnt? Waarom geldt andersom niet dat eerst voldoende woningen voor Nederlandse starters beschikbaar moeten zijn voordat schaarse sociale huurwoningen met voorrang aan andere groepen worden toegewezen?
Wat verstaat u precies onder «voldoende» alternatieve huisvesting? Aan welke concrete voorwaarden moet zijn voldaan voordat gemeenten statushouders niet meer op grond van hun status voorrang kunnen geven?
Kunt u garanderen dat het koppelen van het verbod aan voldoende alternatieve huisvesting niet betekent dat de huidige mogelijkheid tot voorrang in de praktijk nog jaren blijft bestaan?
Waarom stelt u voor jonge starters niet dezelfde extra inzet en financiële ondersteuning beschikbaar als voor de huisvesting van statushouders?
Bent u bereid om als uitgangspunt te hanteren dat verblijfsstatus op zichzelf nooit mag betekenen dat iemand eerder toegang krijgt tot een schaarse sociale huurwoning dan iemand die al jarenlang op een woning wacht? Zo nee, waarom niet?
Geldt de door u uitgesproken urgentie dat iedereen een dak boven het hoofd moet hebben ook voor Nederlandse jongeren die noodgedwongen bij hun ouders wonen, en welke concrete maatregelen neemt u voor hen?
Deelt u de mening dat het enkele feit dat iemand statushouder is nooit voldoende reden mag zijn om die persoon voorrang te geven op een sociale huurwoning boven iemand die al jarenlang op een woning wacht? Zo nee, waarom acht u dat verschil in behandeling gerechtvaardigd?
U zegt dat iedereen die hier wil wonen een dak boven het hoofd moet hebben; waarom leidt dat uitgangspunt bij statushouders tot de noodzaak van een woonoplossing, terwijl een starter die noodgedwongen bij zijn ouders woont volgens u «gelukkig» daar terecht kan?
Bent u het ermee eens dat het draagvlak voor de huisvesting van statushouders onder druk kan komen te staan wanneer woningzoekenden het gevoel krijgen dat zij zelf achteraan moeten aansluiten? Zo ja, hoe weegt u dat mee in uw beleid?
Begrijpt u dat jonge woningzoekenden uit uw uitspraken de boodschap kunnen halen: voor de statushouder zoekt de overheid een woning, maar de Nederlandse starter kan voorlopig bij zijn ouders blijven wonen? Vindt u dat een aanvaardbare boodschap van een Minister van Volkshuisvesting?
Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
De onderbouwing van beekdalmaatregelen bij de Tungelroyse Beek |
|
Caroline van der Plas (BBB), Femke Wiersma (BBB) |
|
Bertram , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meetgegevens van Waterschap Limburg voor de Tungelroyse Beek en de Raam en de discrepantie daarmee met het Deltares-rapport Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor Kader Richtlijn Water (KRW)-doelbereik nutriënten?
Klopt het dat de Tungelroyse Beek behoort tot de 17 beken waarvoor in de verdiepingsbijlage bij de Kamerbrief een bufferzone van 250 meter wordt voorzien, op basis van het Deltares-scenario «250m extensief nat», waarin voor deze waterlichamen een verbetering van de KRW-oordeelklasse voor stikstof wordt berekend (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87, verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3)? Kunt u inzichtelijk maken welke meetgegevens, brongegevens en modelaannames specifiek voor de Tungelroyse Beek aan deze conclusie ten grondslag liggen?
Klopt het dat waterlichamen waarvan meer dan 50 procent van de nutriëntenbelasting afkomstig is uit het buitenland, door Deltares juist buiten deze selectie zijn gehouden, omdat beekdalmaatregelen daar volgens het onderzoek minder dan 1 procent reductie van de nutriëntenconcentratie opleveren?
Hoe verklaart u in dat licht dat uit de openbare meetgegevens van Waterschap Limburg blijkt dat de stikstofconcentratie in de Tungelroyse Beek vóór de samenkomst met de Raam zeer laag is, terwijl in de Raam bij de Belgische grens een aanzienlijk hogere concentratie wordt gemeten en de concentratie in de Tungelroyse Beek na de samenkomst sterk hoger ligt? Kunt u onderbouwen dat de buitenlandse bijdrage aan de nutriëntenbelasting van de Tungelroyse Beek daadwerkelijk minder dan 50 procent bedraagt?
Kunt u de volledige onderliggende meetgegevens, bronverdeling en berekeningen per KRW-waterlichaam openbaar maken waarmee is bepaald welke waterlichamen voor meer dan 50 procent door buitenlandse aanvoer worden beïnvloed en welke waterlichamen tot de selectie voor beekdalmaatregelen behoren? Zo nee, waarom niet?
Hoe is bij deze berekeningen rekening gehouden met buitenlandse nutriënten die via een bovenstrooms Nederlands KRW-waterlichaam, zoals de Raam, vervolgens een ander Nederlands KRW-waterlichaam instromen? Blijft deze belasting in de gebruikte bronnenanalyse ook stroomafwaarts als buitenlandse belasting herkenbaar?
Indien uit een nadere analyse van de Tungelroyse Beek blijkt dat de buitenlandse bijdrage is onderschat of onjuist is toegerekend, welke gevolgen heeft dat dan voor de voorgenomen beekdalmaatregelen rond deze beek?
Hoe kan worden uitgesloten dat een eventuele onjuiste bronverdeling bij de Tungelroyse Beek ook bij andere waterlichamen is opgetreden? Bent u bereid de bronverdeling en selectie van alle 111 betrokken waterlichamen te laten verifiëren voordat op basis van deze modelberekeningen ruimtelijke beperkingen aan agrarische bedrijven worden opgelegd?
Kunt u daarbij ook verifiëren of de bijdrage van rioolwaterzuiveringsinstallaties aan de nutriëntenbelasting van de betrokken waterlichamen correct en volledig is toegerekend? Hoe kan worden uitgesloten dat ook bij de berekening van deze belasting fouten of onjuiste toerekeningen zijn gemaakt, waardoor de bijdrage vanuit de landbouw te hoog is ingeschat?
Het artikel 'Verkoopgolf huurwoningen gaat nog harder: ’Zwartste scenario Hugo de Jonge komt nu al dichtbij'' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Telegraaf van 26 augustus 2026, waarin uit recente cijfers van het Kadaster blijkt dat investeerders en particuliere verhuurders in het afgelopen kwartaal opnieuw per saldo duizenden huurwoningen hebben verkocht aan eigenaar-bewoners?1 2
Hoe beoordeelt u het feit dat er volgens het Kadaster per saldo weer 6.400 woningen door investeerders en 1.970 woningen door kleine particuliere verhuurders zijn afgestoten, waardoor inmiddels 76.471 huurwoningen in twee jaar tijd van de private huurmarkt zijn verdwenen?
Deelt u de schokkende conclusie van verhuurdersorganisatie Vastgoed Belang dat het absolute worstcasescenario van het ministerie (160.000 verdwenen huurwoningen over tien jaar) na slechts twee jaar al voor 48 procent is bereikt, en dat de effecten van de «uitpondgolf» door uw voorganger ernstig zijn onderschat?
Erkent u dat de stapeling van de Wet betaalbare huur, het verbod op tijdelijke huurcontracten en de hoge belastingdruk in box 3 direct leidt tot een verdere verschraling van het aanbod, waarbij het aandeel van investeerders in de totale woningvoorraad in één jaar tijd is gedaald van 9,2 procent naar 8,9 procent?
Hoe kijkt u naar de situatie in studentensteden, waar inmiddels één op de vijf verkochte koopwoningen een voormalige huurwoning is, en bent u er niet van geschrokken dat middeninkomens (die de wet juist moest beschermen) nu op de private huurmarkt vrijwel nergens meer terecht kunnen doordat het aanbod middenhuur vrijwel non-existent is geworden?
Deelt u de mening dat het beleid averechts uitpakt en dat snelle herziening of versoepeling van de regulering noodzakelijk is om verdere uitverkoop van de huursector te stoppen? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, gelet op deze alarmerende cijfers en de constatering dat het worstcasescenario al jaren eerder in beeld komt, de wettelijke evaluatie van de Wet betaalbare huur per omschakeling per direct naar voren te halen en de Kamer binnen drie maanden te informeren over mogelijke noodgrepen?
Erkent u dat indien het streefdoel van een wet (het beschermen van huurders met middeninkomens) aantoonbaar leidt tot het verdwijnen van juist díé huurwoningen en er sprake is van een gefaald instrument?
Bij welk exact aantal verdwenen huurwoningen of bij welk gedaald percentage van de vrije huursector trekt u formeel de conclusie dat de grens bereikt is en dat de Wet betaalbare huur per direct buiten werking moet worden gesteld of moet worden herzien?
Bent u bereid om af te zien van verdere «monitortrajecten» of «onderzoeksfases» en in plaats daarvan vóór het einde van dit jaar een concreet noodplan aan de Kamer voor te leggen dat de uitponding van de private huurmarkt stopt? Zo nee, hoe legt u dit uit aan de duizenden woningzoekenden die met lede ogen toezien hoe de huurmarkt leegstroomt?
Hoe beoordeelt u het recente onderzoek van Argos, waaruit blijkt dat veel gemeenten nauwelijks optreden tegen verhuurders die meer huur vragen dan wettelijk is toegestaan?
Kunt u per gemeente aangeven hoeveel meldingen over te hoge huren sinds de invoering van de gemeentelijke handhaving zijn ontvangen, hoeveel controles zijn uitgevoerd, hoeveel waarschuwingen en lasten onder dwangsom zijn opgelegd, hoeveel boetes zijn uitgedeeld en in hoeveel gevallen daadwerkelijk een lagere huurprijs is gerealiseerd? Zo nee, waarom beschikt het Rijk niet over deze gegevens?
Hoeveel middelen heeft het Rijk sinds de invoering van de Wet betaalbare huur beschikbaar gesteld aan gemeenten voor toezicht en handhaving, hoeveel daarvan is daadwerkelijk besteed en welk concreet handhavingsresultaat is daarmee bereikt?
Deelt u de mening dat wanneer gemeenten de maximale huurprijzen nauwelijks handhaven, een belangrijk uitgangspunt onder de Wet betaalbare huur – namelijk dat huurders daadwerkelijk worden beschermd tegen te hoge huren – in de praktijk onvoldoende wordt waargemaakt? Zo nee, waarom niet?
Water grote rivieren |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u de toenemende watertekorten in Nederland beoordeelt en welke gevolgen u verwacht voor de landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, industrie en regionale economie?
Zoals gemeld in de droogtebrief van 16 juli jl.1 is sprake van een stevige droogteperiode en worden de effecten daarvan helaas steeds merkbaarder. Op dit moment ondervinden de scheepvaart, de agrarische sector, de natuur, de industrie en regionale economie negatieve gevolgen van de droogte. De drinkwatervoorziening is nog geborgd.
Helaas zijn maatregelen, zoals schutbeperkingen en onttrekkingsverboden nodig om de waterveiligheid, drinkwater en energievoorziening te waarborgen. De waterverdelingskeuzes volgen uit de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks uit Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is de rangorde van maatschappelijke belangen bij waterschaarste bepaald. De samenwerkende waterbeheerders doen er alles aan om de negatieve effecten die optreden zo veel mogelijk te mitigeren. Net als iedereen hoop ik op een spoedig herstel van de waterbalans in Nederland waardoor de verschillende getroffen sectoren weer regulier van water kunnen worden voorzien.
Bent u bekend met de zorgen van de waterschappen over de verdeling van het beschikbare Rijn- en Maaswater tussen de verschillende landen en bent u bereid zich in te zetten voor een rechtvaardigere verdeling van het water bij zowel droogte als hoogwater?
Ja, daarmee ben ik bekend. Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land binnenstroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor de bevaarbaarheid van rivieren en daarmee de bevoorrading van de eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Dit is vastgelegd in diverse verdragen. Het beeld dat de verdeling nu niet rechtvaardig zou zijn, herken ik niet.
Nederland is al lang actief om internationaal afspraken te maken binnen diverse intensieve samenwerkingsverbanden waaronder de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC) voor de hoofdstroom van de Rijn en de Maas. Deze Rijn- en Maascommissies gaan onder andere over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden. Binnen deze riviercommissies worden kennis en data uitgewisseld, waardoor betrouwbare voorspellingen gedaan kunnen worden en effecten van klimaatverandering op waterafvoeren worden ingeschat. Naast hoog water wordt binnen de ICBR en de IMC steeds gerichter samengewerkt aan laagwater.
Nederland is er sinds 2018 in geslaagd om de problematiek van afnemende afvoeren en daarmee gepaard gaande droogte in zowel de ICBR als in de IMC op de agenda te krijgen. In de ICBR wordt nu gezamenlijk gewerkt aan het in beeld brengen van sociaaleconomische ontwikkelingen en handelingsperspectieven. Dit biedt de basis voor de aanpassing van de ICBR-klimaatadaptatiestrategie en nadere afspraken. Binnen de IMC is ook afgesproken om een gezamenlijke klimaatstudie te starten als basis voor afspraken in het gehele stroomgebied. Voor de Maas zijn er reeds afspraken over waterverdeling tussen Vlaanderen en Nederland. Dit is vastgelegd in het Maasafvoerverdrag.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland zet vooralsnog in op afspraken binnen de riviercommissies en maakt daarbij mede gebruik van de lopende Europese trajecten zoals de Europese Water Resilience Strategy. Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bereid om met de Rijn- en Maasstaten in overleg te treden om te komen tot nieuwe of aangepaste afspraken over de verdeling van het beschikbare rivierwater, zodat Nederland bij perioden van droogte niet onevenredig wordt benadeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten welke afwegingen momenteel worden gemaakt bij de verdeling van het Rijnwater over de Waal, de Neder-Rijn/Lek en de IJssel tijdens perioden van lage afvoer en hoe daarbij de belangen van landbouw, natuur, drinkwater, scheepvaart en het tegengaan van verzilting worden meegewogen?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders dan cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoor-ziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leverings-zekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Waar verzilting van invloed is op een van de belangen uit de verdringingsreeks, wordt dit dus volwaardig meegewogen in de waterverdelingskeuzes.
Hoe beoordeelt u de signalen dat tijdens droogte een groot deel van het beschikbare zoetwater wordt ingezet voor het tegengaan van verzilting in West-Nederland, terwijl Noord-, Oost- en Zuid-Nederland hierdoor met watertekorten worden geconfronteerd?
Hoewel de geografische verdeling van water geen doel is bij waterschaarste, kan een waterverdelingskeuze op basis van de verdringingsreeks wel positief uitpakken voor de ene regio en negatief voor een andere regio. Maar dat is dan het resultaat van de inhoudelijke belangenafweging binnen deze wettelijke verdringingsreeks. De belangen van alle regio’s worden daarmee, zeker in de zwaarwegender categorieën 1–3, zo goed mogelijk beschermd.
Bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheden om tijdens perioden van lage rivierafvoer meer zoetwater in Nederland vast te houden, bijvoorbeeld door aanvullende stuwen, sluizen of andere waterbergende maatregelen, zodat Nederland beter bestand is tegen langdurige droogte?
Ja, hiertoe ben ik bereid. Het kabinet investeert actief in kennisontwikkeling gericht op het beter vasthouden van zoetwater. In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Daarbij wordt onderzoek gedaan naar een breed pakket aan maatregelen, zoals het optimaliseren van bestaande zoetwaterbuffers (bijvoorbeeld het IJsselmeer), het vergroten van de sponswerking van de bodem, ondergrondse zoetwateropslag en slimmer operationeel waterbeheer met behulp van de bestaande infrastructuur. Ook in het kader van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt onderzoek gedaan naar onder andere het verbeteren van de zoetwaterverdeling over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.02.Er zijn grote keuzes nodig over de indeling van ruimte. We moeten op meer plekken ruimte creëren waar water kan worden opgeslagen, zodat we daaruit kunnen putten in tijden van droogte. Ook moeten we op sommige plekken de grondwaterstanden verhogen. Dit gesprek voeren we in het kabinet, dat is belangrijk want het heeft consequenties voor het gebruik van onze ruimte en de richting daarvan.
Tegelijkertijd geldt dat het hoofdwatersysteem niet overal en altijd kan voorkomen dat watertekorten ontstaan, ook niet met aanvullende maatregelen. Daarom investeert het kabinet ook in regionaal praktijkonderzoek gericht op het vasthouden van grondwater zoals in projecten Proeftuin Zoet Water Zeeland, BodemUP 2.0 in Noord-Brabant en de ondergrondse zoetwateropslag bij Wolphaartsdijk. Ook in Europees verband wordt kennis ontwikkeld, zoals binnen het onderzoeksproject AGROMAR gericht op verantwoorde grondwateraanvulling. Daarnaast zijn er nog verschillende onderzoeken gericht op droogteadaptatie en het omgaan met verzilting.
Nieuwe, aanvullende plannen voor kennisontwikkeling worden momenteel voorbereid in het kader van het nieuwe Nationaal Water Programma (2028–2033) dat eind dit jaar in concept gereed is.
Welke concrete langetermijnmaatregelen bereidt u voor om de Nederlandse zoetwatervoorziening toekomstbestendig te maken en wordt daarbij ook gekeken naar grootschalige infrastructurele oplossingen, zoals extra stuw- en sluizencomplexen en andere maatregelen om meer rivierwater in Nederland vast te houden?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018 en 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Vanwege klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende3, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit Programma (zie ook vraag 6).
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Of deze maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre binnen het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma voldoende aandacht wordt besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland?
Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijk onderwerp in het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma. Hierin wordt voldoende aandacht besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland. Bijvoorbeeld via het onderzoeken van het stapsgewijs vergroten van de buffer in het IJsselmeer en Markermeer.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over de voortgang van de internationale gesprekken met de Rijn- en Maasstaten over een eerlijkere verdeling van het beschikbare rivierwater en de aanvullende maatregelen die Nederland zelf wil treffen om de beschikbaarheid van zoetwater tijdens langdurige droogte te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe worden natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals klimaatbuffers, waterretentiegebieden en natuurlijke sponsgebieden, momenteel ingezet binnen het nationale beleid om droogte en zoetwatertekorten tegen te gaan?
In het hoofdwatersysteem is onze grootste buffer het IJsselmeer. Zoals deze zomer is gebleken, heeft deze buffer ervoor gezorgd dat de noordelijke regio een langere tijd minder effecten van de droogte heeft gevoeld. Voor zoetwaterbuffers buiten het hoofdwatersysteem is het Rijk niet aan zet. Hiervoor treffen de regio’s desgewenst zelf maatregelen. Het rijk wil regionale waterbeheerders, maar ook gemeenten, natuurbeheerder en agrariërs, stimuleren en faciliteren om de kansen voor het vergroten van de sponswerking van de bodem op een zorgvuldige manier te benutten.
Hoeveel natuurlijke zoetwaterbuffers worden in Nederland beheerd door natuurorganisaties, hoeveel zoet water kunnen deze gezamenlijk vasthouden en welke bijdrage leveren zij aan de nationale zoetwatervoorziening?
Het exacte aantal natuurlijke zoetwaterbuffers beheerd door natuurorganisaties in Nederland is lastig te bepalen. Het is een netwerk van zoetwaterbuffers en -zones dat door grond-, regen- en smeltwater, en de natuurlijke zoet-zout dynamiek wordt bepaald. De capaciteit van de buffers is hierdoor lastig vast te stellen. De effectieve capaciteit hangt sterk af van bodemtype, conditie en waterpeil. Op landelijke schaal kunnen natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals veengebieden, moerassen, natte bossen, uiterwaarden, retentiegebieden en andere klimaatbuffers fungeren als «natuurlijke sponzen», en zo zoetwater beter vasthouden (zie ook het antwoord vraag 10). De waterhuishouding in Nederland beweegt zich steeds meer van een afvoerstelsel naar een vasthoudstelsel. Natuurgebieden zijn hierin essentieel.
Kan inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre water dat in deze natuurgebieden wordt vastgehouden ook daadwerkelijk beschikbaar blijft voor omliggende landbouwgebieden en andere maatschappelijke functies tijdens droge perioden?
Zoetwater dat is vastgehouden in natuurgebieden kan niet vanzelfsprekend beschikbaar worden gesteld voor landbouw of andere functies. Een deel van het vastgehouden water verdampt door de combinatie met hogere temperaturen. Een ander deel infiltreert naar de diepere ondergrond alwaar het door (drink)waterwinningen onttrokken grondwater aanvult. En een deel wordt gedraineerd door de naaste omgeving: veelal landbouwgebieden. Verdroging is een van de grootste drukfactoren voor de natuur, zoals de natuurdoelanalyses aangeven. Door droogte komt (kwetsbare) natuur nog verder onder druk te staan. De beschikbaarheid van water in tijden van een feitelijk watertekort voor de verschillende sectoren en maatschappelijke functies hangt af van prioritering volgens de verdringingsreeks, technische mogelijkheden (opties om het water te kunnen sturen) en kwaliteit van het water. Stabiliteit van waterkeringen, voorkomen van klink en zetting (in veen en hoogveen), en voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur bevinden zich in categorie 1 van de verdringingsreeks (zie ook antwoord vraag 4). Deze belangen krijgen voorrang bij de verdeling van het nog beschikbare zoetwater.
Hoe wordt voorkomen dat water langdurig wordt vastgehouden in afzonderlijke natuurgebieden, terwijl elders in dezelfde regio tekorten ontstaan voor landbouw, scheepvaart of drinkwatervoorziening?
Zoals bij vraag 4 eerder aangeven, bevindt natuur zich in categorie 4 en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur zich in categorie 1. Voldoende water van de juiste kwaliteit is noodzakelijk om ons hieraan te houden. Tegelijkertijd zorgt het vasthouden van water in natuurgebieden voor een buffer voor andere sectoren.
Ziet u mogelijkheden om bestaande natuurlijke zoetwaterbuffers nadrukkelijker onderdeel te maken van de landelijke zoetwaterstrategie, zodat zij niet alleen bijdragen aan natuurdoelen, maar ook aan de beschikbaarheid van zoet water voor landbouw, drinkwater, scheepvaart en economie?
De huidige zoetwaterbuffers zijn niet alleen ontwikkeld om aan de natuurdoelen te voldoen. Zij vervullen reeds een rol in de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, scheepvaart en economie. In tijden van watertekort worden deze zoetwaterbuffers ingezet aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks.
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
In de kamerbrief van 18 december 2025 staan het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak (Taskforce) beschreven: De Taskforce komt tot een gezamenlijke aanpak met als doel:
De te verwachten resultaten van de Taskforce zijn een risicoclassificatie voor verschillende typologieën van staalslaktoepassingen en een handreiking voor bevoegde gezagen. Daarnaast zal gekeken worden hoe en op welke wijze relevante kennis over toepassing van staalslak publiekelijk beschikbaar kan worden gesteld.
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen, met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter de burgemeester van Haarlem de heer Jos Wienen. Vanuit IPO is gedeputeerde Sjaak Simonse (Flevoland) en vanuit VNG zijn de wethouders Suzanne Klaassen (Beverwijk) en Eva van Esch (Arnhem) bereid gevonden om op persoonlijke titel deel te nemen aan de Taskforce. Verder zijn de Unie van Waterschappen, Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland op ambtelijk niveau vertegenwoordigd in de Taskforce.
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Aan het Bestuurlijk Overleg Bodem (BO) nemen namens het IPO twee gedeputeerden deel: de gedeputeerde van de provincie Zeeland en de gedeputeerde van de provincie Flevoland. Het resultaat van de Taskforce wordt aangeboden aan het BO te zijner tijd. De gedeputeerde van Flevoland is op persoonlijke titel lid van de Taskforce.
Voor de Ooster- en Westerschelde loopt er een aparte actielijn waarbij de gedeputeerde Natuur van de provincie Zeeland betrokken is (zie het antwoord op vraag 10).
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Ja. In mijn brief heb ik aangegeven dat mijn voornemen is om in 2027 een verbod in te voeren voor de toepassing van LD- en ELO-staalslak tenzij hiervoor een vergunning kan worden verkregen omdat de toepasser kan aantonen dat een toepassing veilig is vanuit het oogpunt van milieu- en gezondheid. Zoals ook aangegeven is de handreiking bedoeld ter ondersteuning van de bevoegde overheden bij het toetsen of een voorgenomen toepassing veilig kan voor mens en milieu. Een handreiking doet niets af aan de bevoegdheden van lokale bevoegde gezagen om maatwerkregels op te stellen.
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat neemt het initiatief om een handreiking op te stellen die kan helpen bij de vergunningverlening. Ten eerste wordt de handreiking gebaseerd op objectief literatuuronderzoek en de actuele stand van de wetenschap. Ten tweede worden er expertsessies georganiseerd waarvoor zowel kennisinstellingen als partijen met praktijkervaringen in het veld worden uitgenodigd. Ook wordt de op dat moment beschikbare informatie van RIVM hiervoor gebruikt.
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
De expertsessies staan gepland voor de tweede helft van dit jaar (september/oktober en december) en er wordt op dit moment bekeken wie daarbij aanwezig moeten zijn.
De expertsessies worden georganiseerd om een handreiking op te kunnen stellen als praktisch toetsingskader om bevoegde gezagen (zoals de omgevingsdiensten) te ondersteunen bij het beoordelen van de milieu- en gezondheidsrisico's (zoals uitloging en pH-verhoging) bij vergunningaanvragen. Het ligt niet voor de hand om daar vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, maatschappelijke organisaties of externe juristen worden betrokken. Deze partijen kunnen wel input geven op het voorgenomen besluit tot het invoeren van een verbod tenzij de toepassing veilig kan en er een vergunning is verleend via de internetconsulatie waarvan de start gepland staat in september.
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
De voorzitter van de Taskforce is gevraagd op basis van zijn ervaring als lokaal bestuurder. De stelling in de vraag is onjuist. Een burgemeester voert op dit onderwerp ook geen eigen beleid. De Taskforce staat los van beslissingen die het college van B&W van de gemeente Haarlem, als bevoegd gezag, heeft genomen of zal nemen over locaties waar staalslakken zijn aangetroffen in de gemeente Haarlem.
Voor wat betreft het collegebeleid in Haarlem heb ik het volgende begrepen: Er is vorig jaar vooruitlopend op een nationaal beleid, door de gemeente Haarlem een meldplicht voor het toepassen van staalslakken ingesteld. Daarnaast is er onderzoek gedaan door de gemeente waar staalslakken zijn gebruikt en is advies van de GGD-GHOR ingewonnen. Op een locatie zijn op basis daarvan de staalslakken afgedekt (recreatieschap in overleg met gemeente) en op de andere locatie worden de staalslakken op basis van advies GGD op dit moment niet verwijderd of aangepast. Verdere landelijke regeling of adviezen worden afgewacht door de gemeente Haarlem.
De door de Taskforce op te stellen handreiking voor bestaande toepassingen staalslak biedt handvatten hoe om te gaan met bestaande toepassingen door bevoegde gezagen. De Taskforce zelf stelt geen beleid op.
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Zie het antwoord op vraag 1. De Taskforce kijkt naar het type van toepassingen van staalslak en mogelijke maatregelen op basis van de risicoclassificatie. De Taskforce is niet het gremium waar wordt gesproken over een schadefonds of een andere vorm van financiering en het herstellen van schade van staalslakken en zal dan ook daarover geen uitspraken doen. In de Bestuurlijke afspraken Bodem en ondergrond 2023 t/m 20301 hebben IenW, VNG, IPO en UvW afspraken gemaakt over het financieel kader van de aanpak van bodem- en grondwaterverontreinigingen. In dat kader kan mogelijke financiering aan de orde komen.
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
De periode waarover is toegezegd dat er fysiek geen staalslak zal worden toegepast door Rijkswaterstaat in de Ooster- en Westerschelde, is verlengd met een half jaar tot 23 januari 2027, zie ook de Kamerbrief van 5 juni 20262. Op 18 juni 2026 had ik bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van gedeputeerde staten van Zeeland, de Vereniging Zeeuwse Gemeenten, de visserijsector en de natuur- en milieuorganisaties. In de Kamerbrief van 2 juli 20263 heb ik aan u aangegeven dat daar is afgesproken om een expertsessie te organiseren met als doel te achterhalen of er kennishiaten zijn t.a.v. de lange termijneffecten van toepassingen met staalslak in de Ooster- en Westerschelde. Deze expertsessie zal in het najaar plaatsvinden en aan de hand van de uitkomsten daarvan zal ik met de gesprekspartners van het bestuurlijk overleg Zeeland staalslak overleggen over het vervolg.
De expertsessie voor de Ooster- en Westerschelde staat los van de expertsessie die in het kader van de handreiking vergunningverlening worden georganiseerd (zie het antwoord op vraag 7).
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Ja.
De continuïteit van huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u net als de indiener signalen ontvangen dat de continuïteit van de huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden onder druk staat doordat er geen structurele vergoeding bestaat voor de beschikbaarheid tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW)?
VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en ben ervan op de hoogte dat er uitdagingen zijn bij het organiseren van de huisartsenzorg tijdens avond-, nacht- en weekenduren op de (Friese) Waddeneilanden. Het is bekend dat praktijkhouders zelf aangeven dat de vergoeding voor (bereikbaarheid tijdens) ANW-diensten hier een van de oorzaken van is.
Het is de inzet van het kabinet dat de continuïteit en kwaliteit van huisartsenzorg overal in Nederland, en dus ook op de (Friese) Waddeneilanden, gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de preferente zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de situatie op de Friese Waddeneilanden wezenlijk verschilt van die op het vasteland, omdat patiënten niet eenvoudig kunnen uitwijken naar een huisartsenpost, spoedeisende hulp of andere vormen van vervolgzorg? Zo nee, waarom niet?
Ja, zowel partijen uit de regio als de NZa en LHV geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de Kamerleden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Bent u ermee bekend dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden naast reguliere huisartsenzorg vaak ook taken verrichten op het gebied van spoedzorg, radiologie, traumatologie, apotheekzorg en op sommige eilanden zelfs verloskunde?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden tijdens ANW-diensten uitsluitend worden vergoed voor daadwerkelijk geleverde consulten en verrichtingen, terwijl zij gedurende die gehele periode beschikbaar en inzetbaar moeten zijn voor spoedzorg?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland en dat hiervoor ook een andere wijze van bekostigen geldt. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Deelt u de zorg dat het ontbreken van een vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid het voeren van een huisartsenpraktijk op de Friese Waddeneilanden minder aantrekkelijk maakt en daarmee een risico vormt voor de continuïteit van zorg voor zowel inwoners als bezoekers van de eilanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor wel van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat verzekeraars passende en doelmatige financiering kunnen organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en de preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Acht u het op de langere termijn houdbaar dat een zeer beperkte groep huisartsen verantwoordelijk is voor een groot aantal ANW-diensten per jaar, terwijl de werkdruk hoog is en het door de gebrekkige financiering van deze diensten steeds moeilijker wordt om waarnemers en huisartsen in dienstverband te vinden en te behouden?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, zet het kabinet in op continuïteit van huisartsenzorg in elke regio en is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, te komen tot een structurele oplossing waarbij de bijzondere omstandigheden van de Friese Waddeneilanden worden meegewogen en ook de beschikbaarheid van huisartsenzorg tijdens ANW-diensten passend wordt bekostigd?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 en 6, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt preferente zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Bent u bereid hierover op korte termijn in gesprek te gaan met de betrokken huisartsenpraktijken, de Nederlandse Zorgautoriteit en de zorgverzekeraar, en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het is, zoals in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 aangegeven, aan partijen zelf om vanuit hun rollen en verantwoordelijkheden de hen toegereikte instrumenten in te zetten om de continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden te borgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Eerstelijnszorg?
Ja.
Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
In Duitsland werkt de vergoedingsprocedure anders dan in Nederland. In Nederland wordt een duur geneesmiddel eerst beoordeeld en daarna wel of niet toegelaten tot het basispakket. In Duitsland wordt een geneesmiddel eerst toegelaten en wordt pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling gestart. In de beantwoording van vraag 10 ga ik hier nader op in.
De Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) maakt in haar analyse niet duidelijk of het om alle of om bepaalde indicaties van een geneesmiddel zou gaan. Een geneesmiddel kan bijvoorbeeld al onderdeel zijn van het basispakket voor een bepaalde aandoening, terwijl het voor een nieuwe indicatie nog in de geneesmiddelensluis verblijft. Zonder inzicht in de betreffende indicaties kan daardoor ten onrechte de indruk ontstaan dat een geneesmiddel helemaal niet beschikbaar is voor Nederlandse patiënten.
Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) heeft naar de desbetreffende geneesmiddelen gekeken en voor de meest aannemelijke indicatie bekeken waarom het geneesmiddel voor die indicatie niet is opgenomen in het basispakket.
Daaruit blijkt dat:
In totaal lopen of liepen er prijsonderhandelingen voor 12 geneesmiddelen, de 7 en 5 geneesmiddelen zoals genoemd bij de laatste twee bullets hierboven. Voor 6 middelen lopen deze nog. Voor de 6 andere middelen heeft dit niet geleid tot een overeenkomst tussen overheid en leverancier, waarbij voor 4 van deze middelen geldt dat er gelijkwaardige behandelalternatieven beschikbaar zijn. Wanneer er geen overeenkomst bereikt wordt tussen overheid en leverancier blijft een geneesmiddel in de sluis. Bij dergelijke gevallen informeert het kabinet de Kamer hierover.3
Cijfers over de doorlooptijden tussen marktautorisatie en vergoeding in een lidstaat, zoals de WAIT-monitor van de Europese branchevertegenwoordiger EFPIA, zijn ook om andere redenen vaak vertekenend. Zo kan er tussen een vergoedingsbeslissing op nationaal niveau en daadwerkelijke toepassing in de klinische praktijk nog tijd zitten, waardoor de WAIT-monitor als vergelijkend instrument beperkt van waarde is.
Het kabinet deelt niet de conclusie dat Nederland slecht(er) scoort. Zoals de hierboven genoemde cijfers duidelijk maken, is het beleid er niet op gericht om zoveel mogelijk geneesmiddelen te vergoeden, maar om zoveel mogelijk gezondheidswinst te realiseren voor de gehele bevolking met de collectieve financiële middelen. Het absolute aantal geneesmiddelen, of indicaties, dat in Nederland wordt vergoed, zegt dus niet zoveel.
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Het kabinet moedigt innovatie van nieuwe geneesmiddelen aan en dat hierbij wordt samengewerkt met Nederlandse ziekenhuizen is een mooie ontwikkeling. Maar dat samen is gewerkt met Nederlandse ziekenhuizen maakt niet dat een dergelijk geneesmiddel daardoor ook automatisch tegen elke prijs en totale uitgaven vergoed moet worden. In Nederland gelden de pakketcriteria en het Zorginstituut toetst bij sluisgeneesmiddelen of extramurale geneesmiddelen of een geneesmiddel in het basispakket opgenomen zou moeten worden. De pakketcriteria zijn effectiviteit, kosteneffectiviteit, noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid.
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Het kabinet begrijpt de frustratie van patiënten en hun gezinnen wanneer een geneesmiddel in Nederland niet wordt vergoed en in bepaalde andere Europese landen wel. Met name wanneer de geneesmiddelen aangetoonde meerwaarde hebben ten opzichte van de standaardbehandeling, maar vanwege de prijs niet worden vergoed, is dat lastig om uit te leggen aan hen die mogelijk baat bij de behandeling zouden hebben.
In Nederland hebben we een zorgbudget dat niet onbeperkt is en niet zomaar kan worden verhoogd. Dit maakt dat er keuzes gemaakt worden. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren met beschikbare collectieve middelen. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst worden behaald. Op deze manier houdt het kabinet rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers.
Dat een geneesmiddel een handelsvergunning heeft gekregen en aangeboden mag worden op de markt, maakt niet dat deze automatisch aan de pakketcriteria voldoet. Het Zorginstituut bekijkt of het geneesmiddel effectief is en daarmee voldoet aan de SWP, wat inhoudt of het geneesmiddel een therapeutische meerwaarde of gelijke waarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling in Nederland. Het uitgangspunt is namelijk dat niet moet worden betaald voor een geneesmiddel dat bijvoorbeeld ernstigere bijwerkingen heeft dan de standaardbehandeling en daardoor per saldo niet meer gezondheidswinst oplevert. Wanneer een geneesmiddel aantoonbare meerwaarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling, is het kabinet bereid om hier veel voor te betalen. Dit moet echter wel in verhouding staan met de gezondheidswinst. Het Zorginstituut adviseert hierover. Het kabinet doet in de prijsonderhandelingen haar uiterste best om met de desbetreffende leverancier een prijs overeen te komen die daar recht aan doet, maar dit lukt niet altijd. Dit betekent in sommige gevallen helaas dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse patiënten hebben recht op de toegang tot behandelingen die toegelaten zijn in het basispakket en daardoor worden vergoed. Wanneer geneesmiddelen aangetoond effectief zijn (voldoen aan SWP) kunnen deze vergoed worden, maar wel enkel als ook aan de andere pakketcriteria wordt voldaan, waar ook een prijs bij hoort die in verhouding staat met de gezondheidswinst die het geneesmiddel oplevert (criterium kosteneffectiviteit).
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat Nederlandse patiënten zich genoodzaakt voelen om voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen uit te wijken naar het buitenland, maar is van mening dat dit niet afdoet aan de solidariteit van het huidige stelsel en het pakketbeheer. Ik verwijs voor een toelichting naar de antwoorden op vraag 3 en 4.
Het kabinet vindt het niet uit te leggen aan alle huidige en toekomstige patiënten, die ook premiebetalers zijn, om een duur middel met een beperkte of zeer onzekere kosteneffectiviteit zonder meer te vergoeden en ook niet om uitzonderingen te maken die de juridische houdbaarheid van het hele stelsel aantasten. Dan riskeren we juist die solidariteit.
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Doorlooptijden zijn een onvermijdbaar gevolg van het Nederlandse systeem waarbij er eerst zekerheid moet zijn over effectiviteit en maatschappelijk aanvaardbare prijs, voordat een duur geneesmiddel wordt vergoed. Deze uitgangspunten zijn geen papieren of bureaucratische werkelijkheid, want een besluit om bijvoorbeeld een middel te vergoeden dat niet voldoet aan effectiviteit of een prijs te accepteren die ver af staat van wat een kosteneffectieve prijs zou zijn, zal uiteindelijk andere patiënten en premiebetalers schaden. Gesteld voor een dilemma als deze, is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om besluiten te nemen in het belang van alle patiënten en burgers. Het kabinet erkent tegelijkertijd dat lange wachttijden een probleem kunnen zijn dat raakt aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen voor individuele patiënten. Zij zet zich daarom hard in om onnodige wachttijden voor deze patiënten te verminderen.
Ook binnen het traject «Toekomstbestendig stelsel geneesmiddelen» (TSG) is hier aandacht voor. Hierin is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. Verder doet het kabinet haar uiterste best om in prijsonderhandelingen met de leverancier zo snel mogelijk tot een aanvaardbare prijs te komen.
Er zijn echter ook gevallen waarin de wachttijd langer is vanwege het uitblijven van het indienen van een dossier bij het Zorginstituut door de leverancier. Dan kan het Zorginstituut het geneesmiddel niet beoordelen en kan het tot die tijd niet vergoed worden. De wachttijd blijft ondertussen oplopen. Voor dergelijke geneesmiddelen is de leverancier aan zet om zo spoedig mogelijk een dossier in te dienen.
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet is niet van mening dat er sprake is van een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen in Nederland.
Zie hiervoor een toelichting bij het antwoord op vraag 2.
Dat wachttijden de toegang tot geneesmiddelen vertragen vindt het kabinet wel onwenselijk. Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 7, zet het kabinet zich hiervoor in, ook binnen het TSG-traject.
Daarnaast hebben in veel gevallen de leveranciers ook invloed op de wachttijden.
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Het kabinet erkent dat de uitgaven aan dure geneesmiddelen op dit moment niet problematisch zijn. Het wijst daarbij wel op het volgende. Ten eerste is deze situatie het gevolg van het beleid dat mede is gericht op kostenbeheersing.4 Dat beleid is overigens niet veranderd. Wat wel veranderd is zijn de steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, én het grote aantal innovatieve middelen dat in ontwikkeling is.5 Zonder voortzetting van het huidige beleid, zou dat een groot budgettair risico betekenen en kunnen leiden tot het verdringen van andere zorg die op het geheel genomen meer gezondheidswinst oplevert.
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
De prijsonderhandeling gelijktijdig laten verlopen met de beoordeling door het Zorginstituut is niet mogelijk. Er is dan nog geen advies op grond waarvan de prijsonderhandeling kan worden gestart.
Het kabinet acht de optie om een geneesmiddel eerst toe te laten en pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling te starten, zoals in Duitsland, niet wenselijk om de volgende redenen:
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
In het TSG wordt erop ingezet om processen waar mogelijk te versnellen en te stroomlijnen, zodat patiënten zo snel als dat mogelijk is toegang krijgen. Ook wordt in het TSG op structurele basis afgestemd met zorgpartijen en de farmaceutische industrie, en wordt in een informatiemanagementsysteem transparant waar het geneesmiddel zich in het proces van pakkettoelating bevindt. Het uitgangspunt van het TSG is zoals gezegd «snel als het kan en uitgebreid als het moet». Dat betekent dat geneesmiddelen met beperkte pakketrisico’s snel kunnen instromen en geneesmiddelen met risico’s uitgebreider beoordeeld worden. Net als nu worden in het TSG de risico’s gewogen voor opname in het basispakket.
Een inschatting van het effect op de doorlooptijden neemt het Zorginstituut mee in de impactanalyse.
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Het Zorginstituut adviseert het kabinet als onafhankelijk pakketbeheerder over de uitvoering van het TSG. Een impactanalyse maakt hier onderdeel van uit. Daarin brengt het Zorginstituut bijvoorbeeld in kaart hoe geneesmiddelen op dit moment door het systeem lopen en hoe dit in het TSG zal verlopen. Alle relevante partijen zijn betrokken en worden geconsulteerd in de uitwerking. Partijen kunnen op basis van de impactanalyse bijvoorbeeld de gevolgen voor investeringen die zij doen afleiden. Op basis van de uitvoeringstoets en de impactanalyse maakt het kabinet een zorgvuldige afweging voor de besluitvorming over de invoering van het TSG.
Het artikel 'SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) niet langer wordt betrokken bij overleggen met het Ministerie van VWS over de verdere uitwerking van de budgetbekostiging van de spoedeisende hulp, terwijl de NVSHA eerder wel actief deelnam aan deze gesprekken? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Nee, dat klopt niet.
Begrijpt u dat het voor betrokken partijen onbetrouwbaar en onzorgvuldig kan overkomen wanneer een partij die vanaf het begin intensief betrokken was bij het traject en op basis van gemaakte afspraken heeft meegewerkt aan de eerste stap van budgetbekostiging, vervolgens niet langer mag meepraten over het vervolgtraject? Hoe verhoudt dit zich tot zorgvuldig bestuur en het belang van draagvlak in de sector?
Sinds 1 januari 2026 maken de spoedeisende hulpartsen (SEH-artsen), verenigd in de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA), onderdeel uit van de Federatie Medisch Specialisten (FMS). De FMS is de gesprekspartner van het kabinet en zij vertegenwoordigen hierin de medisch specialisten zoals de SEH-artsen. De FMS is volledig betrokken bij de uitwerking van de ontwikkelroute passende acute zorg in de regio. Het kabinet vindt het desalniettemin belangrijk dat de stem van de SEH-artsen bij de ontwikkelroute goed kan worden gehoord. In reactie op de motie van mevrouw Maeijer2 zal de Minister van VWS daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS. Ze zal partijen verzoeken samen afspraken te maken zodat alle inbreng van partijen gehoord kan worden in de gesprekken over de ontwikkelroute. Het kabinet zal de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek en het vervolg ervan.
Deelt u de zorgen van de NVSHA dat keuzes rondom differentiatie, concentratie of afschaling van spoedzorg grote gevolgen kunnen hebben voor de bereikbaarheid, kwaliteit en continuïteit van acute zorg in de regio, met name voor regionale ziekenhuizen?
Het kabinet begrijpt dat er zorgen kunnen zijn als het aanbod van acute zorg in de regio verandert. Acute zorg moet voor iedereen in Nederland tijdig, toegankelijk en van goede kwaliteit beschikbaar zijn, nu en in de toekomst. En om dat te waarborgen moeten in de regio keuzes gemaakt worden over de inrichting van de acute zorg. Regionaal moet scherper bekeken worden welke acute zorg waar nodig is, welke functies dichtbij moeten blijven en waar concentratie of differentiatie medisch en organisatorisch verstandig kan zijn. De ontwikkelroute passende acute zorg in de regio is daarom gericht op het ondersteunen van noodzakelijke veranderingen in de regionale inrichting van de acute zorg en het bieden van kaders hiervoor.
Kunt u uitsluiten dat het huidige traject uiteindelijk zal leiden tot verdere verschraling of afbouw van SEH-zorg in de regio?
Het kabinet staat voor een passend zorglandschap. Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners toegang hebben tot passende spoedzorg in de regio. Het doel van de ontwikkelroute is dat de acute zorg ook op langere termijn, toegankelijk, kwalitatief goed en doelmatig georganiseerd is.
Op welke wijze bent u voornemens uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Vermeer2 waarin de regering wordt verzocht om bij alle vervolgstappen richting budgetbekostiging te werken aan een passende financiële positie van SEH’s in regionale ziekenhuizen?
In lijn met de motie van het lid Vermeer, vindt het kabinet dat binnen de budgetbekostiging ruimte moet zijn voor goede acute zorg die past, een passend regionaal aanbod van acute zorg en zekerheid dat SEH-zorg beschikbaar is. Een SEH staat nooit op zichzelf en is enerzijds onderdeel van een acute zorgketen (zoals de huisartsenspoedpost en de ambulancezorg) en anderzijds onderdeel van een ziekenhuis en daarmee van het passend aanbod van ziekenhuiszorg in de regio. Regionale ziekenhuizen vervullen daarin een belangrijke rol: zij bieden inwoners herkenbare, toegankelijke en vertrouwde ziekenhuiszorg dichtbij huis, en dragen daarmee bij aan continuïteit, nabijheid en samenhang in de zorg voor de regio. Met de invoering van budgetbekostiging voor de SEH in de eerste stap per 2027, wordt een deel van de SEH-opbrengsten minder afhankelijk van productie. Dat draagt bij aan meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen. Tegelijk is dit niet het eindstation van budgetbekostiging. In de ontwikkelroute wordt voor de bekostiging bezien hoe deze het beste aan kan sluiten bij de beschikbaarheid en de verschillende functies die een SEH vervult in het regionale aanbod van acute zorg.
In hoeverre acht u het wenselijk dat de stem van SEH-artsen zelfstandig wordt gehoord, juist omdat bredere koepel- en belangenorganisaties ook andere en bredere belangen vertegenwoordigen dan uitsluitend de acute zorg?
Het kabinet vindt de betrokkenheid van partijen, zoals de zorgprofessionals, belangrijk bij de verdere uitwerking van de ontwikkelroute. Daarom zijn en worden hierover gesprekken met partijen gevoerd. SEH-artsen werken dagelijks binnen de SEH van een ziekenhuis en kunnen goed aangeven wat keuzes betekenen voor kwaliteit, toegankelijkheid, werkbaarheid en patiëntveiligheid. Het perspectief van de SEH-artsen vindt het kabinet daarom van belang. De Minister van VWS zal daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS en de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
Bent u bereid om de NVSHA alsnog volwaardig te betrekken bij het vervolgtraject rond de budgetbekostiging en de toekomst van de acute zorg, juist vanwege hun praktijkervaring en inhoudelijke expertise op het gebied van spoedzorg en de acute zorgketen?
Zie antwoord vraag 7.
Generieke vrijstelling tewerkstellingsvergunning (TWV) voor de zeevisserij |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de commerciële zeevisserij, in tegenstelling tot de koopvaardij en zeegaande waterbouw, geen gebruik kan maken van de generieke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunning (TWV) zoals opgenomen in het Besluit uitvoering Wav 2022?
Ja.
Hoe beoordeelt u het verschil in behandeling tussen de zeevisserij en andere maritieme sectoren, terwijl zij vergelijkbare arbeid op zee verrichten?
De aard van de andere genoemde maritieme sectoren en de zeevisserij is niet volledig vergelijkbaar. De aard van deze maritieme sectoren is het vervoer van goederen en mensen of het uitvoeren van infrastructurele projecten, waarbij er over het algemeen minder aanknopingspunten zijn met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt. In dergelijke gevallen ligt een vrijstelling meer voor de hand, gelet op één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen, namelijk de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Daar waar er meer aanknopingspunten zijn, bijvoorbeeld bij zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland, is een TWV wel vereist. De zeevisserij heeft tot doel het vangen en verwerken van vis, waarbij de zeevisserijschepen voor een groot deel een Nederlandse haven uitvaren en regelmatig terugkeren naar de haven voor het aanlanden van vis. In deze sector zijn er dus over het algemeen meer aanknopingspunten met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt.
Deelt u de mening dat dit onderscheid leidt tot een structureel zwaardere toegangsdrempel tot arbeidskrachten van buiten de Europese Unie (EU) voor de zeevisserij?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Werkgevers moeten dus eerst kijken of er Nederlands/Europees arbeidsaanbod is voordat zij kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen.
Dit sluit aan bij de huidige bredere arbeidsmarktkrapte aanpak van het kabinet en het principe van gerichte arbeidsmigratie die zich richt op hoogproductieve sectoren en maatschappelijke uitdagingen. Dit zorgt voor prikkels bij werkgevers om, in plaats van naar arbeidsaanbod buiten de EU te kijken, arbeidstekorten eerst binnenlands in te vullen, arbeidsvoorwaarden- en arbeidsomstandigheden te verbeteren of arbeidsbesparende innovaties door te voeren.
In tegenstelling tot de andere maritieme sectoren, moeten eigenaren van zeevissersschepen een TWV (bij werkzaamheden korter dan drie maanden) of een GVVA (bij werkzaamheden langer dan drie maanden) aanvragen indien zij een werknemer met een nationaliteit van buiten de EU aannemen. UWV beoordeelt deze aanvragen aan de hand van een aantal voorwaarden, waaronder:
De toegangsdrempel voor arbeidskrachten van buiten de EU is daarmee voor de zeevisserij niet hoger dan voor zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland. De reden hiervoor is hierboven beschreven.
Bent u bekend met signalen uit de sector dat aanvragen voor TWV's voor vissers regelmatig worden ontmoedigd of afgewezen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en wat is uw reactie daarop?
Ik heb dit nagevraagd bij het UWV. Het UWV herkent deze signalen niet. Uit de cijfers van het UWV blijkt dat het merendeel van de aanvragen positief is beoordeeld. Het UWV heeft hierbij gekeken naar afgegeven werkvergunningen op basis van twee regelingen:
Voor een tewerkstellingsvergunning voor de zeevisserij zijn er in:
Voor een GVVA voor de functie van:
Hoe verhoudt deze ongelijke behandeling zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
De regulering van de toegang tot de arbeidsmarkt behoort niet tot één van de doelen van het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Conform artikel 79, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is het aan de lidstaten om te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen zij toelaten om daar arbeid te verrichten.
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot het aanvragen van een TWV bijdraagt aan bemanningstekorten in de Nederlandse zeevisserijsector?
De TWV-aanvraag via de Wav bevat een toets op de aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod in Nederland en in de EU. Doel hiervan is dat bedrijven eerst kijken naar Nederlands/Europees arbeidsaanbod alvorens te kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen. TWV’s zorgen hiermee voor prikkels bij werkgevers om arbeidstekorten eerst binnenlands (of Europees) op te lossen, bijvoorbeeld door arbeidsomstandigheden en -voorwaarden te verbeteren (of arbeidsbesparende innovaties door te voeren). Dit sluit daarmee aan bij de bredere aanpak van arbeidsmarktkrapte. Wanneer prioriteit genietend aanbod niet beschikbaar is, is het bij arbeidstekorten mogelijk om een TWV te krijgen. De huidige regelgeving rond de aanvraag van TWV’s is daarmee geen oorzaak van arbeidsmarktkrapte. Dat blijkt ook uit de cijfers vanuit het UWV (zie antwoord op vraag 4).
Erkent u dat de instroom in maritieme opleidingen en het aantal beschikbare Nederlandse en EU-werknemers voor zeevisserij structureel afneemt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De instroom en uitstroom van studenten in het maritiem onderwijs wordt jaarlijks gemonitord. De afgelopen periode was er sprake van een lichte afname van 1,7% van het aantal aanmeldingen. Dat past helaas in de neerwaartse trend van de instroom van studenten in het maritiem onderwijs. Wel was er sprake van een lichte toename van het aantal behaalde diploma’s van 3,7%. In eerste instantie geldt dat werkgevers zelf verantwoordelijk zijn voor de arbeidsvoorwaarden en – omstandigheden in de sector, zodat een sector aantrekkelijk blijft voor werknemers. Arbeidsmigratie kan bijdragen aan tijdelijke verlichting van tekorten.
Om de sector te promoten en het tij te keren wordt wel door diverse partijen gewerkt aan verschillende initiatieven. Behoud van Nederlandse gekwalificeerde zeevarenden, inclusief vissers, is van belang om de maritieme kennis, kunde en infrastructuur in Nederland te behouden. Dat vraagt inspanningen van reders, sociale partners en het maritiem onderwijs. Zo is er sprake van een nieuwe sectorbrede imagocampagne «Mpowered», en projecten als GaTochVaren! In het kader van NederlandMaritiemLand wordt uitvoering gegeven aan de Human Capital Agenda.
De visserijsector werkt tevens samen met de overheid om nieuwe aanwas van arbeidskrachten in de sector te krijgen. De sector werkt samen met SZW aan de totstandkoming van het Ontwikkelpad visserij. Wanneer dit gereed is vraagt de sector officiële erkenning door de Minister van SZW. Dan kunnen opleidingen in het Ontwikkelpad in aanmerking komen voor de SLIM-Scholingssubsidie. De SLIM-Scholingssubsidie is een tijdelijke regeling voor werkgevers om opleidingen te subsidiëren uit onder meer het Ontwikkelpad visserij om instroom, doorstroom en overstappen naar deze branche te stimuleren.
Vanuit de overheid wordt bijgedragen door o.a. de modernisering van de regelgeving voor de bemanningen; met aandacht voor opleiding en training van zeevarenden, meer ruimte voor herintreders en zij-instromers, en een betere uitwisseling van zeevarenden tussen de deelsectoren. Tevens wordt in overleg met sectorpartijen gewerkt aan een oplossing om ervoor te zorgen dat zeevarenden uit de lidstaten aanvullend kunnen worden opgeleid zodat zij aan boord van Nederlandse vissersvaartuigen kunnen worden ingezet. Tevens wordt de huidige overeenkomst met België over de wederzijdse erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen van vissers op onderdelen uitgebreid met als doel te komen tot meer uitwisseling van personeel.
Deelt u de analyse dat het voor de zeevisserij noodzakelijk is om – net als andere maritieme sectoren personeel van buiten de EU te kunnen aantrekken om operationeel te blijven?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord p[vraag 7. Naast de acties voor het behoud van de Nederlandse zeevarenden wordt met name gekeken naar opties om personeel afkomstig uit de EU in te kunnen zetten.
Waarom is er destijds voor gekozen om zeevissersschepen expliciet uit te sluiten van de schepelingendienst-vrijstelling?
In het Besluit uitvoering Wet buitenlandse arbeidskrachten van 1979 staat een vrijstelling voor de zeevaart, maar niet voor de zeevisserij. De nota van toelichting van dit besluit geeft geen expliciete toelichting over het uitsluiten van zeevissersschepen. De beslissing om de zeevisserij niet uit te sluiten van de tewerkstellingsplicht is in lijn met de rationale van de Wav zoals beschreven in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken of de zeevisserij onder voorwaarden kan worden opgenomen in de generieke vrijstelling van de TWV, vergelijkbaar met de koopvaardij en waterbouw?
Ik ben bezig om met de verschillende stakeholders te kijken naar de vraag van de sector. Het arbeidsmigratiebeleid valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Bij dit vraagstuk zijn verder verschillende ministeries, zoals bijvoorbeeld het Ministerie van IenW, de sociale partners in de sector, ILT, UWV en de NLA betrokken. Ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheden. Dit vraagstuk vergt een zorgvuldige afweging van verschillende belangen, waarbij ook naar andere mogelijke en bestaande oplossingen voor het bemanningstekort in deze sector zal worden gekeken, zoals beschreven in vraag 6 en 7. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst van deze afwegingen.
Hoe beoordeelt u het voorstel om deze vrijstelling te koppelen aan registratie in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen (NRV) om handhaafbaarheid te waarborgen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 10 wil ik niet vooruitlopen op de uitkomst van het nagaan van de verschillende mogelijkheden voor oplossingen van het bemanningstekort in de visserij. Ik kan dit voorstel daarom op dit moment (nog) niet beoordelen.
Ziet u mogelijkheden om via het NRV een duidelijke en controleerbare afbakening te creëren van de doelgroep voor een eventuele vrijstelling?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden bij de vragen 10 en 11. Ook deze vraag zal ik niet kunnen beantwoorden voor de eerder beschreven afwegingen zijn gemaakt.
Welke risico’s ziet u bij het invoeren van een dergelijke vrijstelling en hoe kunnen deze volgens u worden ondervangen?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 10 heb aangegeven ben ik bezig met dit vraagstuk. Daarin zullen we ook de risico’s van een mogelijke vrijstelling onderzoeken.
Bent u bereid om, in overleg met de sector en uitvoeringsorganisaties zoals UWV en de Nederlansdse Arbeidsinspectie (NLA), te komen tot een voorstel voor gelijkschakeling van maritieme sectoren op dit punt?
Ik ben bezig om de vraag van de sector te bezien samen met de andere betrokkenen, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 10. Deze vraag vergt een zorgvuldige afweging, waarbij onder andere de hierboven genoemde initiatieven van de sector en overheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid een onderdeel zijn. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst daarvan.
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over mogelijke beleidsaanpassingen of vervolgstappen?
Ik wil de Kamer na de zomer verder informeren. Een nadere invulling is onder meer afhankelijk van de capaciteit die hiervoor beschikbaar is bij betrokken stakeholders.
Het artikel ‘Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: ‘Verzekeraars hebben te veel macht’ |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: «Verzekeraars hebben te veel macht»»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het zorgverzekeringsstelsel de manier waarop Bernhoven passende zorg levert juist zou moeten stimuleren? Zo ja, waarom lukt dit nu niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. De keuze van Bernhoven om de organisatiefocus volledig te richten op het implementeren van passende zorg is de weg die dit kabinet wil inslaan. We moeten leren van de lessen die zijn geleerd bij Bernhoven en veldpartijen aanmoedigen deze lessen te benutten.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan.
Ik heb uw Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Wat vindt u ervan dat het Bernhoven door deze financiële crisis nu financieel afhankelijk wordt van onder andere meer patiënten en goed moet kijken naar welke behandelingen of afdelingen meer geld opleveren? En wat zegt dit over ons zorgverzekeringsstelsel?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en kosten die de zorginstelling maakt. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren (kpi’s), die bijvoorbeeld gericht zijn op afspraken over passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Op welke manieren kan passende zorg worden gerealiseerd, zonder dat het systeem van betaling per patiënt op de schop gaat?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit, met passende zorg nu en in de toekomst. Zoals beschreven in voorgaande vragen kan in sommige gevallen de bekostiging knellen bij het leveren van passende zorg. De NZa onderzoekt daarom samen met veldpartijen welke verbeteringen er nodig zijn. Ook kijken de partijen hoe de huidige bekostiging van de medische-specialistische zorg de beweging naar passende zorg beter kan ondersteunen. Tegelijkertijd biedt de contractering veel ruimte om afspraken te maken over passende zorg, door bijvoorbeeld in te zetten op meerjarenafspraken, waarbij er uitgebreidere en meer inhoudelijke afspraken worden gemaakt dan alleen afspraken over de productie. Deze afspraken in de inkoop van zorg kunnen nu al met de huidige manier van bekostigen worden gemaakt en toegepast.
Deelt u de opvatting dat ziekenhuizen te afhankelijk zijn van zorgverzekeraars voor het maken van langetermijnafspraken? Zo nee, waarom niet?
Ziekenhuizen zijn voor hun inkomsten afhankelijk van zorgverzekeraars. Tegelijk hebben ze ook eigen beleidsruimte en andere vormen van financiering.
Het kabinet vindt het wenselijk dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen en wanneer dat nodig is. Daarom gaat het kabinet actiever sturen op de organisatie van zorg in de regio. De regionale plannen over het zorglandschap moeten daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio en moeten worden door vertaald in het inkoopbeleid. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat ze sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg. Daarvoor gaan we de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Wat kunt u doen om lange-termijnafspraken met ziekenhuizen te bevorderen?
Om lange-termijn afspraken te bevorderen zet het kabinet enerzijds in op een passend zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio. Anderzijds zet het kabinet in op de versterking van de rol van de zorgverzekeraars. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat zij sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg.
Wanneer er een gezamenlijke visie is over de toekomstige inrichting van het regionale zorglandschap en welke aanpak nodig is om dit toekomstbeeld te bereiken, dan is het uitgangspunt dat hier regionale afspraken over worden gemaakt vanuit een meerjarig perspectief.
De doorvertaling van deze regionale afspraken naar de zorginkoop is hierbij van groot belang en is een van de afspraken waar zorgverzekeraars en gemeenten zich in het IZA al aan hebben gecommitteerd.
Wat betekent het dat de financiële positie van het ziekenhuis Bernhoven van BDO een 2 uit 10 krijgt, voor het rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel?
De financiering van de werving en selectie als ook het opleiden en scholen van personeel is een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering in ziekenhuizen. Daar waar er sprake is van marktfalen bij opleiden, pakt het kabinet zijn rol op. Via het instrument van de beschikbaarheidsbijdrage stelt het kabinet opleidingsplaatsen beschikbaar voor een groot aantal (medische) vervolgopleidingen voor artsen, gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel in het ziekenhuis (CZO opleidingen). Daarnaast stelt het kabinet via subsidieregelingen middelen beschikbaar voor het opleiden en ontwikkelen van zorgpersoneel in ziekenhuizen. Het betreft de middelen van de Subsidieregeling Strategisch Opleiden MSZ, en het Stagefonds tot en met schooljaar 2026/2027.
In reactie op deze vraag heeft Bernhoven bij het Ministerie van VWS aangegeven dat zij op dit moment geen knelpunten ervaren als het gaat om rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel. Zij kunnen vacatures bovengemiddeld goed invullen, er zijn weinig moeilijk invulbare vacatures en de uitstroom ligt op jaarbasis lager dan het gemiddelde op regionaal en landelijk niveau. Waar het gaat om opleiden en scholen van personeel geeft het ziekenhuis aan binnen de FZO-regio conform de regionale ramingen op te leiden en recent een jarenlange verlenging te hebben gekregen van de accreditatie van de CZO-opleidingen. Het ziekenhuis laat tot slot weten dat veel van de medewerkers aangeven dat zij heel bewust voor Bernhoven hebben gekozen vanwege de sterke focus op passende zorg, waarbij de patiënt en de mens achter de patiënt centraal staan.
Bent u het eens met de quote van de bestuursvoorzitter van Bernhoven: «De zorg wordt ook niet goedkoper van een fusie?»? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat fusies zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. Zo kunnen fusies schaalvoordelen met zich meebrengen en daarmee de doelmatigheid van zorg vergroten. Soms is een fusie ook noodzakelijk om de continuïteit van zorg te borgen, waardoor de toegankelijkheid van zorg beter geborgd, terwijl hier mogelijk hogere kosten mee gemoeid zijn. Tegelijkertijd kunnen fusies ook risico’s met zich meebrengen. Zo kunnen er door een fusie onvoldoende keuzemogelijkheden overblijven voor de patiënt of kan een ziekenhuis een te sterke economische machtpositie verkrijgen.
Het is niet aan het kabinet om fusies te beoordelen, maar aan de NZa en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als onafhankelijk toezichthouders. De NZa beoordeelt fusies op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) via de zorgspecifieke fusietoets (zft). Daarbij toetst de NZa een voorgenomen fusie op de continuïteit van cruciale zorg en de zorgvuldige betrokkenheid van cliënten, medewerkers en andere stakeholders. De ACM beoordeelt een voorgenomen fusie op grond van de Mededingingswet (Mw). Daarbij toetst de ACM op mogelijk concurrentiebeperkende effecten, zoals een vermindering van de keuzemogelijkheden en potentiële prijsstijgingen.
Het kabinet verwacht dat fuserende partijen – gegeven de beoordeling door beide toezichthouders – eerst zorgvuldig afwegen wat de gevolgen van een fusie zijn voor de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 22 april jl.4 is het kabinet daarnaast voornemens het fusietoezicht in de zorg en economie-breed aan te passen. Daarmee worden de toezichthouders beter in staat gesteld evident onwenselijke concentraties in de zorg tegen te houden (NZa) en eerlijke concurrentie economie-breed te bevorderen (ACM).
Bent u bereid de relevante scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting bij de lijst met ombuigingen 2026 (begroting 2027) aan te passen aan de huidige stand van onderzoek of hier het gesprek over aan te gaan met Minister van Financiën? Zo nee, waarom niet?
De lijst met ombuigingen is een ambtelijk product van het Ministerie van Financiën dat jaarlijks wordt geactualiseerd en een overzicht biedt van technische mogelijkheden om de overheidsuitgaven te verlagen (bezuinigingsmaatregelen). De ombuigingslijst is bedoeld ter ondersteuning van goed geïnformeerde besluitvorming en bevat geen oordeel over de politieke (on)wenselijkheid. De ombuigingslijst van 2026 is nog niet gepubliceerd, en ombuigingslijsten uit eerdere jaren bevatten geen algemene scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting. Wel zijn in ombuigingslijsten in eerdere jaren potentiële maatregelen opgenomen over concentratie en sluiting van SEH’s. Deze maatregelen worden beschreven op een hoog abstractieniveau. Wanneer daartoe aanleiding is, worden ombuigingsmaatregelen uit eerdere jaren als vanzelfsprekend geactualiseerd op basis van de meest recente inzichten.
Kunt u voorafgaand aan het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel aangeven op welke manieren het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel impliciet en expliciet stuurt op volume, concentratie en schaalvergroting van basis of reguliere zorg, onder andere aan de poort of via normen bij de ambulance?
Binnen het Nederlandse zorgstelsel wordt op verschillende manieren, zowel impliciet als expliciet, en door verschillende partijen (ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid), gestuurd om te komen tot een inrichting van een zorglandschap waarin de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van zorg worden geborgd. Voor dit kabinet is passende zorg daarbij nadrukkelijk het uitgangspunt en de norm. Een belangrijke rol bij de inrichting van het zorglandschap en de beweging naar passende zorg is weggelegd voor zorgverzekeraars, bij wie de zorgplicht is belegd. Via de contractering sturen zij op doelmatigheid, kwaliteit en beschikbaarheid van zorg. Het kabinet wil deze rol versterken door zorgverzekeraars meer mogelijkheden te geven om niet-passende zorg niet langer te contracteren of te vergoeden, zodat zij gerichter kunnen sturen op passende zorg en toekomstbestendige toegankelijkheid. Het kabinet gaat de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Naast zorgverzekeraars hebben ook de medische beroepsgroepen een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij bepalen via richtlijnen en kwaliteitsnormen wat goede en passende zorg is. Dit resulteert vervolgens in regionale werkafspraken (onder andere op ROAZ-niveau), waardoor bijvoorbeeld een ambulance weet bij welke poort zij een patiënt met een specifieke ingangsklacht het beste kunnen presenteren, zodat betreffende patiënt meteen de juiste zorg ontvangt. Het kabinet stelt daarbij scherpere eisen aan de totstandkoming en actualisatie van deze normen, zodat duidelijker wordt welke zorg wel en niet passend is.
De beweging naar passende zorg vertaalt zich verder in de inrichting van het medisch zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio:
Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen.
Hoe wordt «overheidsregie op spreiding», afkomstig uit het regeerakkoord, vormgegeven, zowel voor de acute of de planbare zorg? Welke nieuwe instrumenten worden hiervoor ingezet en hoe dragen die bij aan spreiding van reguliere zorg?
Zie antwoord vraag 10.
De afsluiting kwelders Wierum en Ternaard en beperking recreatief gebruik Waddenzee |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten over het afsluiten van delen van de Waddenzee, waaronder de kwelders bij Wierum en Ternaard, en het stopzetten van excursies naar Rottum?
Ja.
De kwelders bij Wierum en Ternaard zijn van grote waarde voor vogels. Om de ongewenste verstoring van vogels door menselijke activiteiten hier te voorkomen heeft Rijkswaterstaat, in afstemming met de eigenaar van de gebieden – het Wetterskip Fryslân – hier verboden toegang borden geplaatst. Dit is gedaan naar aanleiding van de ecologische evaluatie van het Natura 2000-beheerplan waarbij vanuit Rijkswaterstaat is geconcludeerd dat het treffen van deze maatregelen al vooruitlopend op het nieuwe Natura 2000-beheerplan Waddenzee wenselijk is.
Vanuit de urgentie op de korte termijn (broedseizoen) zijn tot en met 15 juli 2026 twee kwelders aan de Waddenkust bij Ternaard afgesloten. Na 15 juli worden de verboden toegangsborden weggehaald.
Voordat deze maatregel is gestart, zijn er meerdere informatiebijeenkomsten voor omwonenden gehouden.
Klopt het dat Rijkswaterstaat inzet op het afsluiten van meerdere gebieden in de Waddenzee voor publiek gebruik in het kader van Natura 2000-doelstellingen?
In het kader van het actualiseren van de N2000-beheerplannen Waddenzee en Noordzeekustzone is in het voorjaar een aantal bijeenkomsten gehouden op de Waddeneilanden. Naar aanleiding van deze sessies in het voorjaar 2026 met bewoners, ondernemers, ambtenaren en belangenorganisaties is bij sommigen de indruk ontstaan dat Rijkswaterstaat van plan is om grote delen van eilanden af te sluiten voor publiek ten behoeve van behoud van natuurkwaliteit. Dit is niet het geval. Binnen een Natura 2000-gebied kunnen deelgebieden deels, tijdelijk of volledig worden afgesloten als dat ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen noodzakelijk is. Dat gebeurt over het algemeen via een Toegangsbeperkend Besluit. Voor de regio Rottum geldt bijvoorbeeld een dergelijk Toegangsbeperkend Besluit, onder andere voor het beschermen van rust- en broedgebieden van vogels en zeehonden.
De rol van Rijkswaterstaat in de totstandkoming van het nieuwe Natura 2000 beheerplan voor de Waddenzee is die van voortouwnemer. De nut en noodzaak voor het treffen van toegangsbeperkende maatregelen komt veelal voort uit het beheerplanproces.
Het Ministerie van LVVN is het bevoegd gezag om – indien nodig – via een afzonderlijke procedure toegangsbeperkende besluiten (TBB) te treffen in de Rijkswateren.
Welke concrete ecologische problemen liggen volgens het kabinet ten grondslag aan deze maatregelen en welke rol speelt recreatie daarin ten opzichte van andere factoren, zoals visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden?
Uit de ecologische evaluatie van het Natura 2000 Beheerplan, opgesteld namens alle bevoegd gezagen en in opdracht van Rijkswaterstaat1 (2023), blijkt dat recreatie een belangrijke verstorende factor kan zijn voor foeragerende vogels en broedvogels. Visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden vinden niet plaats op de kwelders.
Kunt u onderbouwen welk aandeel recreatief medegebruik heeft in de verstoring van natuurwaarden in de Waddenzee?
Recreatief medegebruik van de Wadden hoort bij het Waddengebied, zo beleven mensen de natuur en leren ze die te waarderen. Er is geen kwantitatieve informatie beschikbaar over het aandeel van het recreatief medegebruik. De gevraagde data en informatie worden niet op een structurele manier bijgehouden. Wel is bekend dat betreding van kwelders met name tijdens weekenden, vakanties en met mooi weer, tot een grote mate van verstoring kan leiden (Fieten et al., 2022). Kleine kwelders, zoals die bij Wierum, zijn hier met name gevoelig voor omdat vogels hier niet kunnen uitwijken, waardoor bij betreding al snel veel vogels opvliegen. Daarom is besloten om de toegang te sluiten tijdens het broedseizoen, dat eindigt op 15 juli, waarna de borden worden weggehaald.
Waarom is in deze gevallen gekozen voor een vergaande en vaak jaarronde afsluiting, terwijl recreatie in het Waddengebied grotendeels seizoensgebonden, weersafhankelijk en tijdelijk van aard is?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2, de sluiting is uitsluitend voor het broedseizoen.
In hoeverre zijn alternatieven onderzocht, zoals seizoensgebonden openstelling, zonering, vergunningen of begeleide toegang?
Voordat over wordt gegaan tot tijdelijke sluiting van een gebied wordt altijd eerst naar alternatieven gekeken om bestaande activiteiten zoals recreatie toch mogelijk te blijven maken. Voor de kwelders van Wierum en Ternaard is door RWS op basis van het onderzoek geconcludeerd dat het combineren van functies op deze relatieve kleine kwelders helaas niet mogelijk is. Wel is per locatie gekeken naar maatwerk: zo blijft bij Ternaard de pier toegankelijk voor recreatief gebruik en worden wadlopers in Wierum meer richting het oosten geleid, buiten de meest kwetsbare delen van de kwelder.
Hoe weegt u het feit dat lokale gebruikers, zoals wadlopers, vissers, schippers en bewoners al generaties lang verbonden zijn met het gebied en een belangrijke rol vervullen als «ogen en oren» van de natuur?
Ik laat de historische verbinding van de lokale gebruikers met het waddengebied zwaar meewegen in de keuzes die gemaakt worden ten behoeve van de natuur. Het is – zoals u stelt in uw vraag – zeker zo dat zij met hun diepgewortelde gebiedskennis de ogen en oren van het gebied zijn. Die kennis is waardevol voor natuur en cultuur, welke samen de identiteit van de Wadden bepalen. Het is niet voor niets dat Texel het oudste weidevogelreservaat kent van Nederland, mede dankzij pionier van de Nederlandse natuurbescherming Jac. P. Thijsse.
Deelt u de zorg dat het uitsluiten van deze groepen kan leiden tot verlies van lokale kennis, minder toezicht in het gebied en afname van betrokkenheid bij natuurbeheer?
Die zorg deel ik niet, want er is in Wierum en Ternaard sprake van het tijdelijk sluiten van gebieden en niet van het uitsluiten van groepen bij de totstandkoming van nieuwe beheerplannen. Betrokkenheid van de omgeving is cruciaal bij het in stand houden van de natuurwaarden. Er zijn succesvolle vormen van participatie die daaraan bijdragen, zoals signalerende rollen of betrokkenheid bij monitoring.
Kunt u toelichten hoe de belangen van natuur, leefbaarheid en cultureel gebruik van het gebied tegen elkaar zijn afgewogen bij deze besluiten?
Bij besluiten over Natura 2000-gebieden in rijkswateren geldt dat de natuurdoelen juridisch leidend zijn op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Activiteiten kunnen alleen doorgaan als zeker is dat deze de vastgestelde instandhoudingsdoelen niet aantasten, daarbij worden waar nodig mitigerende maatregelen getroffen. Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die worden genomen om negatieve effecten van een activiteit te verminderen of te beperken door bijvoorbeeld het gebruik op andere tijdstippen te laten plaatsvinden of technische maatregelen te nemen. Belangen zoals leefbaarheid, economische activiteiten en cultureel gebruik worden in dit kader zorgvuldig meegewogen via bijvoorbeeld een passende beoordeling, met name in beheerplannen waar bestaand gebruik wordt beoordeeld en zo nodig aangepast.
Voor de kwelders van Wierum en Ternaard is door RWS op basis van het onderzoek geconcludeerd dat er sprake is van ecologische noodzaak, urgentie en dat het combineren van functies op deze relatieve kleine kwelders niet of zeer beperkt mogelijk is in het broedseizoen.
Waarom richt het beleid zich volgens signalen uit de regio relatief sterk op het beperken van recreatie, terwijl grotere drukfactoren mogelijk onderbelicht blijven?
Het beleid richt zich op natuurherstel, natuurbeheer en het terugdringen van druk op de natuur. Dat gebeurt via de Programmatische Aanpak Grote Wateren, versterking van de samenwerking van het beheer via de Beheerautoriteit Waddenzee met de gezamenlijke beheerders en middels het Natura 2000-beheerplan met Rijkswaterstaat als voortouwnemer. Het Natura 2000-beheerplan gaat over gebruik en beheer gericht op het behalen van de instandhoudingsdoelen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Minister van LVVN werkt aan een Beleidskader Natuur Waddenzee om de cumulatieve druk op de natuur te verminderen, het Ministerie van IenW is hierbij betrokken. Tevens werkt de Minister van LVVN samen met de medebevoegde gezagen aan een natuurplan in het kader van de Natuurherstelverordening. In deze trajecten wordt nadrukkelijk breder gekeken dan alleen recreatie en toerisme.
Bent u het ermee eens dat natuur en mens in veel gevallen samen kunnen gaan en dat volledige uitsluiting van mensen niet altijd de meest effectieve maatregel is?
Sluiting van gebieden is één van de mogelijke maatregelen om natuurdoelen te bereiken. In veel situaties kunnen natuur en mens samengaan zonder dat sluiting van een gebied hoeft plaats te vinden, denk bijvoorbeeld aan de wadlopers naar Texel die rekening houden met de foeragerende vogels en afstand bewaren tot de zeehonden of de fietsers op Vlieland die tijdens het fietsen rekening houden met de broedvogels via aangepaste fietsroutes. In specifieke gevallen, zoals bijvoorbeeld bij kwetsbare gebieden met een belangrijke broedfunctie voor vogels kan sluiting echter een noodzakelijke maatregel zijn.
Hoe voorkomt u dat maatregelen vooral bijdragen aan het behalen van papieren natuurdoelen, zonder aantoonbaar effect op daadwerkelijke natuurverbetering?
Het niet verstoren van vogels tijdens het broedseizoen leidt tot aantoonbare positieve effecten voor de natuur, want hierdoor neemt het broedsucces toe. Dat is geen papieren natuurdoel, maar een zinvolle effectieve maatregel.
Van belang is dat verstoring van soorten en verslechtering van habitats in de N2000-gebieden moet worden voorkomen. Het nemen van maatregelen is hiervoor nodig. Hierbij wordt rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied. De effecten van beheermaatregelen worden gevolgd via monitoring en periodieke evaluatie van Natura 2000-beheerplannen. Wanneer blijkt dat maatregelen onvoldoende effect sorteren, kunnen zij worden heroverwogen of aangepast.
Bent u bereid om samen met regionale partijen, gebruikers en bewoners te werken aan gebiedsgerichte oplossingen met draagvlak, in plaats van generieke afsluitingen?
Rijkswaterstaat werkt als voortouwnemer in opdracht van de Minister van IenW en samen met de verschillende bevoegd gezagen aan een nieuw Natura 2000-beheerplan voor de Waddenzee, ter vervanging van het vigerende plan uit 2016. Daarmee is in 2024 gestart en het plan moet eind 2028 klaar zijn zodat het nieuwe plan op 1 januari 2029 in werking kan treden. Rijkswaterstaat werkt met partijen aan maatregelen en waar mogelijk worden gebiedsgerichte oplossingen gezocht. In 2025 zijn er informatiesessies voor het grote publiek georganiseerd. Recent is er een tweede ronde voor genodigden – overheden zoals de betrokken gemeenten, ondernemers en gebiedsbeheerders – georganiseerd over concept-maatregelen in de Waddenzee. Daarbij is gekeken naar mogelijke locaties waar op verschillende manieren maatregelen genomen kunnen worden en wat dit zou kunnen betekenen voor de regionale gemeenschap.
Kunt u toezeggen dat toekomstige maatregelen in de Waddenzee expliciet worden getoetst op effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak?
Bij toekomstige maatregelen wordt uiteraard aandacht besteed aan effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak. Van belang is wel dat, om aan de verplichtingen ten aanzien van de natuurdoelen te voldoen, significante verstoring van soorten en verslechtering van habitats in de Natura2000-gebieden moet worden voorkomen. Het nemen van maatregelen is hiervoor nodig. Hierbij wordt rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied.
We hebben ons als land te houden aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn vanuit het belang van de natuur. Tegelijk zien we ook dat wanneer we dit niet voldoende doen dit leidt tot economische schade doordat de woningbouw, de energietransitie en de verduurzaming van de industrie vertraging oploopt. Het gaat er dus om dat we in onze afwegingen niet alleen aandacht hebben voor de bestaande activiteiten, maar ook de lange termijn economische consequenties meewegen.
Waarom is specifiek gekozen voor locaties zoals ’t Skoar bij Ternaard en de nieuwe kwelder bij Wierum en bijvoorbeeld niet voor kwelders in de Peazumerlannen?
De kwelders bij Wierum en Ternaard kenmerken zich door recente natuurontwikkeling, beperkte omvang, hoge kwetsbaarheid en een specifieke functie als broedgebied. Andere kwelders hebben een andere ecologische functie, gebruiksdruk en zijn vaak groter, wat heeft geleid tot andere beheerkeuzes. Zo zijn de wandelroutes in de Peazemerlannen vrij toegankelijk voor publiek naast dat een deel tijdens het broedseizoen voor het publiek wordt afgesloten.
Waarom worden dergelijke besluiten volgens signalen uit de regio in sterke mate top-down genomen, zonder voldoende overleg met de lokale gemeenschap, lokale politiek en omwonenden?
Er zijn twee informatiebijeenkomsten over de sluiting van de kwelders georganiseerd in Wierum en Ternaard waarbij betrokkenen zijn geïnformeerd. Tegelijkertijd wordt erkend dat deze communicatie door een deel van de omgeving niet als tijdig of voldoende is ervaren. Dit onderstreept het belang om bij toekomstige maatregelen eerder en intensiever met de omgeving in gesprek te gaan.
Ook voor het opstellen van het nieuwe Natura 2000 Beheerplan worden themabijeenkomsten gehouden over onder andere recreatieve zonering. Tijdens de bijeenkomst worden de conceptmaatregelen voor de nieuwe N2000 beheerplannen (Waddenzee en Noordzeekustzone) besproken. De input uit deze sessies wordt gebruikt om de haalbaarheid en impact van concept maatregelen in kaart te brengen, en vormt een belangrijke bouwsteen voor het planMER en het ontwerp van het nieuwe Beheerplan.
Heeft het afsluiten van buitendijkse gebieden gevolgen voor lopende dijkversterkingsprojecten?
Het afsluiten van deze buitendijkse gebieden heeft geen gevolgen voor lopende of geplande dijkversterkingsprojecten.
Waarom wordt de lokale gemeente volgens signalen op geen enkele manier betrokken bij dergelijke besluiten, terwijl zij over belangrijke gebiedskennis beschikt en de gevolgen ook haar plannen rond toerisme raken?
De lokale overheid is betrokken. Zo zijn de gemeenten betrokken via diverse themabijeenkomsten in het kader van de totstandkoming van een nieuw Natura 2000 plan voor de Waddenzee. Voor de kwelders zijn informatiebijeenkomsten gehouden in Wierum en Ternaard.
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke besluiten plaatsvinden in regio’s aan de randen van Nederland, waar voorzieningen onder druk staan en waar deze gebieden juist bijdragen aan de leefkwaliteit en het gevoel van verbondenheid van bewoners?
Ja. Ik ben mij bewust van de sociaal-economische context van deze regio’s en de belangrijke betekenis van de Waddenzee voor de bewoners. Dit benadrukt het belang van zorgvuldige afweging en duidelijke communicatie over maatregelen om deze waardevolle omgeving te behouden.
Deelt u de zorg dat het op deze wijze afsluiten van gebieden negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van inwoners in de overheid?
Draagvlak en begrip voor overheidsmaatregelen is van belang, zeker als het gaat om kwetsbare natuur. Daarom wordt ingezet op transparantie, heldere uitleg van besluiten en een doorgaand gesprek met de omgeving, zeker ook wanneer maatregelen ingrijpend zijn.
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Femke Wiersma (BBB), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Ja.
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus. Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen. Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk, kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke) visie op abortus iemand ook heeft.
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken, passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert, als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals, zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life» beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden, die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term kan aanbieden.
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet, in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby», «meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest, door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers. Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer , Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht.
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Bij de invulling van de open normen in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) speelt de medisch-professionele normering een belangrijke rol. Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of de geldende medisch-professionele normering aanpassing behoeft.
De professionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden zoals neergelegd in de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis (2018) van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) wordt momenteel herzien. Gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), heeft de NVvP een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het kabinet ziet het essay «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» als onderdeel van de discussie in de beroepsgroep over de aanpassing van de medisch-professionele normering. Het is niet aan het kabinet om hier inhoudelijk op te reageren. Het kabinet wacht de uitkomsten van de richtlijnherziening met belangstelling af.
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende aangenomen motie en de reactie van het vorige kabinet hierop, zoals verwoord in de brief aan de Kamer van 9 oktober 2025.3 Het essay vormt voor het kabinet geen aanleiding om het oordeel over een dergelijk noodventiel te heroverwegen.
In het essay wordt niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren en een ingrijpen op de professionele autonomie van de arts. In plaats daarvan wordt de «nu niet»-benadering geadviseerd als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar). Hierbij dient individueel bepaald te worden hoe lang de «nu-niet»-benadering wordt gehanteerd.4
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende motie, die destijds is verworpen. De motie Boomsma c.s. verzocht de regering om met de beroepsgroep tot een moratorium te komen van drie jaar op euthanasie bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden, totdat meer duidelijkheid is over de zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie bij deze groep. De toenmalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport heeft deze motie destijds ontraden en benoemd als zeer onwenselijk en niet nodig. Het kabinet onderschrijft deze appreciatie nog steeds. Een moratorium is onwenselijk omdat het een open gesprek over de doodswens van mensen tot 30 jaar in de weg staat, terwijl juist door een open gesprek over de doodswens weer perspectief op het leven kan ontstaan. Ook is een moratorium niet in lijn met het wettelijk stelsel aangezien het aan de uitvoerend arts is om te bepalen of hij een euthanasieverzoek inwilligt. Een moratorium is ook niet nodig, omdat uit de vier evaluaties van de Wtl, de toetsingspraktijk van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) en het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM) blijkt dat de Wtl goed functioneert en dat er in Nederland sprake is van een zorgvuldige euthanasiepraktijk. Bij euthanasieverzoeken op basis van psychisch lijden is bovendien extra behoedzaamheid vereist. Hierover is consensus binnen de beroepsgroep en dit staat ook in de huidige NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis. In deze richtlijn wordt verder geadviseerd grotere terughoudendheid te betrachten naarmate de patiënt jonger is.
Een moratorium zou een (tijdelijke) stop op euthanasie betekenen bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden. Dat is niet waar in het essay voor wordt gepleit. In de door de auteurs voorgestelde «nu niet»-benadering wordt namelijk niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren. Gedurende de «nu niet»-fase dient de doodswens verder expliciet als reële optie bespreekbaar te blijven, en er moet ook openlijk over de dood zelf gesproken kunnen worden. De auteurs geven aan dat de uitkomst van zo’n voortdurende en zorgvuldig gevoerde dialoog uiteindelijk kan zijn dat behandelaren, samen met de jongere en diens naastbetrokkenen, tot het moreel beladen inzicht komen dat euthanasie daadwerkelijk het ultimum remedium vormt. Zij adviseren in dit geval om een moreel beraad te organiseren om nog eens systematisch en met aandacht voor de normatieve dimensie te reflecteren op de situatie, en gezamenlijk te komen tot een zorgvuldig onderbouwd besluit om al dan niet een euthanasietraject te starten.
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Wetenschappelijk is niet aangetoond dat terughoudendheid bij het inwilligen van een euthanasieverzoek verband houdt met suïcide. Suïcide is (bijna) altijd het gevolg van een stapeling van factoren en (complexe) problematiek. De manier waarop hulpverleners reageren op een geuite doodswens kan één van die factoren zijn, maar dat hoeft niet. Op dit moment wordt door 113 Zelfmoordpreventie en Expertisecentrum Euthanasie het SUNSET-onderzoek uitgevoerd. Hierin wordt onder andere onderzocht hoe suïcidaliteit en euthanasiewensen met elkaar samenhangen, hoe door hulpverleners op een doodswens wordt gereageerd, en of/hoe dit invloed heeft op de doodswens. De eerste resultaten van het SUNSET-onderzoek worden in 2027 verwacht. Er zijn meerdere bewezen effectieve strategieën die een hulpverlener in de spreekkamer kan toepassen wanneer iemand een doodswens uit, waaronder het gesprek over de doodswens aangaan, aandachtig luisteren, aandacht houden voor hoop, en het betrekken van naasten. Dit alles kan worden gedaan met een basishouding van grote terughoudendheid met betrekking tot het inwilligen van een euthanasieverzoek.
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Uit het essay volgt volgens het kabinet inderdaad niet dat de «nu niet»-benadering betekent dat psychiaters niets hoeven te doen. Het essay beoogt juist praktische handvatten aan te reiken voor psychiaters hoe zij kunnen handelen bij een euthanasieverzoek van een jongere op grond van psychisch lijden. Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven, adviseren de auteurs van het essay de «nu niet»-benadering als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar) waarbij euthanasie als optie bespreekbaar blijft.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Het kabinet onderschrijft dat het belangrijk is dat jongeren en hun naasten altijd goede zorg en begeleiding krijgen, die aansluiten bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet herkent de elementen die de auteurs aanhalen en het belang van een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen.
De opgave op het gebied van mentale gezondheid en ggz vraagt om meer samenhang en meer samenwerking. Het kabinet zet daarbij in op preventie, (laagdrempelige) ondersteuning en passende zorg. Zowel het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) als het IBO mentale gezondheid en ggz6 hebben daar aandacht voor.
Aanvullend richt de «Versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz»7 zich op aanvullende acties die binnen het bestaande stelsel snel(ler) uit te voeren zijn. Een onderdeel hiervan is het (beter) bespreekbaar maken van mentale gezondheid onder jongeren door onder meer (waar mogelijk) opvolging te geven aan de aanbevelingen vanuit het rapport van Praatpower, dat eind vorig jaar is opgeleverd. Langs de lijn van Praatpower gingen ruim 3.000 jongeren en jongvolwassenen in gesprek over wat hen helpt om mentaal gezond op te groeien en te blijven. Het rapport biedt diverse aanbevelingen voor verschillende doelgroepen en thema’s. Zo bevat het rapport ook aanbevelingen rondom het thema prestatiedruk. Op dit moment onderzoekt het kabinet of en hoe we de aanbevelingen op kunnen pakken en/of breder kunnen verspreiden. De inzet vanuit de Versterkingsagenda richt zich daarnaast op het ondersteunen van gemeenten bij het opzetten en toegankelijker maken van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor jongeren, betere ondersteuning van mensen die op een wachtlijst staan met bestaande initiatieven voor wachttijdondersteuning en verbetering van de continuïteit van zorg voor jeugdigen door initiatieven die sturen op een soepele overgang van jeugdhulp naar volwassen ggz zonder onderbreking.
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 11 maart 2026, vindt er momenteel een herziening plaats van specifieke modules van de NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis, te weten de modules 4.1 – Second opinion door onafhankelijke psychiater, 5.1 – Beoordeling door onafhankelijk consulent en 7 – Specifieke patiëntgroepen levensbeëindiging. Bij deze laatste module wordt specifiek ingegaan op jongeren. Zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven, heeft de NVvP, gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt, naast de gebruikelijke input voor het modulaire onderhoud, benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het streven is de herziening van module 7 eind 2026 af te ronden en begin 2027 te autoriseren/goed te keuren.8
Bij de samenstelling van de werkgroep die de richtlijnherziening begeleidt is er expliciet rekening mee gehouden dat de verschillende standpunten in het veld vertegenwoordigd worden. De herziene richtlijn vertegenwoordigt daarmee straks de huidige medische inzichten en is daarmee geen weergave van een minderheidsstandpunt.
Verplicht afstaan van landbouwgrond voor maaipaden door Waterschap Noorderzijlvest |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van Waterschap Noorderzijlvest om vanaf 2028 standaard vier meter brede maaipaden langs watergangen in te voeren?1
Ja.
Klopt het dat het waterschap hierbij gebruik wil maken van de wettelijke gedoogplicht, waardoor agrariërs verplicht moeten toestaan dat deze stroken worden gebruikt zonder dat het waterschap de grond aankoopt of een marktconforme vergoeding betaalt?
Ja, dat klopt. Waterschappen kunnen voor het onderhoud van watergangen gebruikmaken van de wettelijke gedoogplicht. Dit staat in artikel 10.2 van de Omgevingswet. Het doel van deze gedoogplicht is het waarborgen van een goed functionerend watersysteem. Omdat dit een algemeen belang dient, moet de waterbeheerder in staat worden gesteld noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren, ook als deze op private grond moeten plaatsvinden. Als onderdeel van de wettelijke taken moeten waterschappen watergangen goed onderhouden voor een adequate aan- en afvoer van water. Een veilig en goed functionerend watersysteem is een gezamenlijk belang waar ook de agrarische sector baat bij heeft.
Realiseert u zich dat hiermee productieve landbouwgrond structureel uit productie wordt gehaald, met directe gevolgen voor opbrengst, inkomen en bedrijfscontinuïteit van agrarische ondernemers?
Het waterschap Noorderzijlvest heeft laten weten dat er geen sprake is van het structureel uit productie nemen van productieve landbouwgrond. Zij geven daarbij ook aan zich bewust te zijn van de mogelijke impact van dit besluit op agrarische ondernemers. Het waterschap heeft het besluit op 18 februari 2026 genomen en heeft voorafgaand hieraan in 2025 agrariërs opgeroepen om mee te denken of er mogelijkheden zijn om tot een win-win te komen. Om te bezien welke impact het besluit heeft, gaat het waterschap de komende periode in gesprek met de grondeigenaren over knelpunten en zal gezocht worden naar mogelijke gezamenlijke oplossingen. Het doel hiervan is om met behulp van maatwerk waar mogelijk rekening te houden met teeltplannen en de bedrijfsvoering van agrariërs. De gesprekken met agrariërs zijn inmiddels van start gegaan. Het waterschap gaat nog een brief sturen aan agrariërs in hun beheergebied met de oproep om samen de knelpunten te identificeren.
Hoe verhoudt het verplicht afstaan van landbouwgrond via een gedoogplicht zich volgens u tot het uitgangspunt dat eigendomsrechten van boeren moeten worden gerespecteerd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 aangegeven zet het waterschap de wettelijke gedoogplicht in van de Omgevingswet, ten behoeve van de veiligheid van de medewerkers bij de uitvoering van de wettelijke taken voor een goed functionerend watersysteem. Deze gedoogplicht is in de Omgevingswet opgenomen omdat het eigendomsrecht een belemmering kan vormen voor werkzaamheden die in het algemeen belang zijn, in dit geval het belang van een goed functionerend watersysteem. Bij het borgen van deze belangen beoordeelt het waterschap welke maatregelen proportioneel zijn en levert hierbij gebiedsgericht maatwerk. Het is aan het waterschap om bij het uitvoeren van de kerntaken de belangen van alle belanghebbenden, waaronder agrariërs, mee te wegen.
Verder kan conform artikel 15.13 van de Omgevingswet een schadevergoeding (nadeelcompensatie) worden toegekend indien er sprake is van nadelige gevolgen. Schade wordt vergoed als deze rechtstreeks voortvloeit uit de gedoogplicht, het normale maatschappelijke- of bedrijfsrisico overstijgt en de rechthebbende onevenredig zwaar treft in vergelijking met anderen. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 is het aan het waterschap om dit mee te wegen in zijn gebiedsgerichte maatwerk.
Deelt u de mening dat een maatregel die structureel landbouwgrond aan het gebruik van de boer onttrekt, feitelijk sterk lijkt op onteigening van gebruik, maar dan zonder de gebruikelijke procedures en zonder volledige schadeloosstelling?
Bij het opleggen van een gedoogplicht blijven agrariërs volledig eigenaar van hun grond; er is geen sprake van onteigening. De grond wordt niet structureel aan het gebruik onttrokken, maar slechts periodiek (in de regel twee keer per jaar) gebruikt door het waterschap voor noodzakelijk onderhoud. Dit is een regulier juridisch instrument dat waterschappen inzetten om hun wettelijke watertaken uit te voeren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert het waterschap maatwerk, zodat de agrariërs zo min mogelijk hinder ondervinden.
Deelt u de mening dat zo erg ingrijpen in het eigen eigendom onwenselijk is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke juridische grenzen gelden voor waterschappen bij het opleggen van een gedoogplicht voor onderhoudspaden, en vindt u het proportioneel dat deze bevoegdheid wordt ingezet voor een generieke maatregel van vier meter breed in een heel beheergebied?
Zoals in de beantwoording op vraag 2 aangegeven is de gedoogplicht vastgelegd in artikel 10.2 van de Omgevingswet. Het is de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het Algemeen Bestuur van een waterschap om de inzet van dit instrument juridisch en beleidsmatig af te wegen en de proportionaliteit daarvan per situatie te beoordelen, zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven.
Klopt het dat binnen het bestuur van het waterschap aanvankelijk ook een drie-meteroptie is besproken, maar dat uiteindelijk toch direct is gekozen voor vier meter?
Ja, dat klopt. Het Algemeen Bestuur heeft gekozen voor vier meter met het oog op de veiligheid bij het uitvoeren van de wettelijke taken voor een goed functionerend watersysteem. De reden hiervoor is enerzijds dat modern breedspoormaterieel breder is dan drie meter en er voldoende ruimte nodig is om veilig te kunnen manoeuvreren (ter voorkoming van kantelgevaar). Een breder onderhoudspad, waarop het waterschap met breedspoormateriaal het onderhoud kan uitvoeren, geeft medewerkers meer uitwijkruimte en vermindert de risico’s.
Waarom is volgens het waterschap drie meter niet voldoende, terwijl dit in veel situaties jarenlang als gangbare werkbreedte voor onderhoud gold?
Zie het antwoord op vraag 8.
Is het besluit genomen zonder eerst het gebied in te gaan en met agrariërs te kijken naar de praktische situatie per watergang?
Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven heeft het waterschap voorafgaand aan het nemen van het besluit agrariërs opgeroepen om mee te denken of er mogelijkheden zijn om tot een win-win te komen, zodat belanghebbenden op de hoogte zijn gebracht van de geconstateerde problematiek en de plannen van het waterschap om hiervoor een oplossing te vinden. Het besluit van het Algemeen Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest is erop gericht om een veilige werkomgeving te bieden aan zijn medewerkers. De uitvoering van het besluit om een veilige werkomgeving te creëren zal worden besproken met landbouwgrondeigenaren voordat het waterschap tot uitvoering overgaat, naar verwachting per 2028.
Hoe beoordeelt u het dat een dergelijke maatregel met grote gevolgen voor agrariërs vanachter de bestuurstafel wordt opgelegd zonder een zorgvuldig gebiedsproces?
Zie het antwoord op vraag 10. Waterschappen zijn autonome, democratisch gekozen decentrale overheden. Zij gaan over hun eigen besluiten, mits deze binnen de wettelijke kaders vallen. Voorafgaand aan de daadwerkelijke invoering, naar verwachting per 2028, zal de uitvoering in de praktijk nadrukkelijk met de betrokken landbouwgrondeigenaren worden besproken. Het waterschap heeft hiertoe al de eerste verkennende gesprekken gevoerd met de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond en het Collectief Boer & Natuur Midden-Groningen. Daarnaast staat het waterschap in contact met agrariërs binnen hun beheergebied.
Kunt u aangeven op welke concrete veiligheidsnormen deze keuze voor vier meter gebaseerd is, mede gelet op het feit dat het waterschap zich beroept op onder andere veiligheid voor medewerkers, en waarom veiligheid niet met maatwerk of smallere paden geborgd zou kunnen worden?
De Arbowet verplicht werkgevers, waaronder waterschappen, om veilige en gezonde arbeidsomstandigheden te garanderen. Waterschap Noorderzijlvest heeft het besluit genomen op basis van hun Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en de Arbowet. Het doel van het waterschap met dit besluit is het borgen van een veilige werkomgeving voor medewerkers bij het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Waterschap Noorderzijlvest voert periodiek een RI&E uit om risico's in kaart te brengen. Daaruit is gebleken dat het werken met smalspoormaterieel op smalle paden onverantwoorde veiligheidsrisico's (zoals kantelgevaar) met zich meebrengt in vergelijking met het werken met breedspoormateriaal.
Hoe realistisch is het volgens u dat grote onderhoudscombinaties overal kunnen werken als watergangen doodlopend zijn en machines moeten draaien op aangrenzende landbouwpercelen?
De beoordeling van de wijze waarop onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moeten worden is aan het waterschap. Daar kan ik vanuit mijn rol geen beoordeling over geven.
Bent u ermee bekend dat in het eerste jaar van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). en de daaruit voortvloeiende bufferstroken, boeren deze stroken konden benutten voor eco-regelingen en -punten, maar dat deze mogelijkheden het jaar daarna door het waterschap weer zijn weggenomen?
Mestvrije bufferstroken zijn verplicht vanuit nationale mestregelgeving en zijn daarmee op zichzelf niet subsidiabel voor een eco-activiteit binnen het GLB. Wel zijn er mogelijkheden voor de agrariër om op de bufferstrook niet-productieve eco-activiteiten uit te voeren, zoals kruidenrijke bufferstroken, mits de bufferstrook is gelegen op landbouwgrond.
Deelt u de frustratie van boeren dat zij enerzijds door Europees en nationaal beleid worden verplicht bufferstroken en natuurmaatregelen aan te leggen, terwijl dezezelfde stroken vervolgens door andere overheden weer worden afgepakt voor ander gebruik?
Agrariërs worden inderdaad verplicht om bufferstroken aan te houden. Bij het aanhouden van een bufferstrook geldt voor het verkrijgen van de GLB-subsidie de voorwaarde dat er geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen worden toegepast op de bufferstrook. Aanvullende natuurmaatregelen op de bufferstrook, zoals eco-activiteiten, zijn geen verplichting maar een mogelijk gebruik van de grond waarvoor de agrariër een vergoeding kan ontvangen.
Zoals in het antwoord van vraag 2 en 3 aangegeven kan een waterschap ertoe besluiten verplichte onderhoudspaden naast de watergang voor tijdelijk gebruik aan te houden. Zoals aangegeven in het antwoord van vraag 5 betekent dit niet dat de grond structureel aan het gebruik wordt onttrokken. Het waterschap heeft aangegeven dat hierbij maatwerk wordt toegepast waar mogelijk rekening te houden met teeltplannen en de bedrijfsvoering van agrariërs, waaronder de bufferstroken en natuurmaatregelen.
Klopt het dat door regels rond bloemrijke bufferstroken vaak niet door deze stroken gereden of gemaaid mag worden, waardoor het onderhoud door het waterschap in de praktijk juist lastiger kan worden?
De voorwaarden voor een kruidenrijke bufferstrook omvatten een zichtbare bedekking van 1 juni tot 1 oktober, bestaande uit ten minste 25 procent kruiden en vlinderbloemigen. Indien het onderhoud de opkomst van deze kruiden belemmert, is het inderdaad niet mogelijk voor de agrariër om de betreffende eco-activiteit op die strook uit te voeren. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven gaat het waterschap in gesprek voor het leveren van maatwerk, rekening houdend met de teeltplannen en bedrijfsvoering van de agrariërs.
Bent u ermee bekend dat loonwerkers en boeren in sommige gebieden hebben geïnvesteerd in smalspoormachines, juist om onderhoud op smallere paden mogelijk te maken?
Nee, ik ben niet bekend met deze situaties binnen het waterschap Noorderzijlvest. Het waterschap heeft aangegeven het beheer van de watergangen zelf uit te voeren en dit niet uit te besteden aan externe partijen.
Wat vindt u ervan dat deze investeringen door een plotselinge beleidswijziging feitelijk waardeloos dreigen te worden?
Zie het antwoord op vraag 17.
Klopt het dat het waterschap voornemens is deze stroken vaker te gebruiken dan nu het geval is, bijvoorbeeld meerdere keren per jaar?
Het waterschap Noorderzijlvest gebruikt de onderhoudsstroken enkele keren per jaar. In de praktijk komt dat vaak neer op één maaibeurt in de zomer en één in het najaar, maar niet meer dan redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het beheer en onderhoud van het watersysteem. Het waterschap kijkt naar oplossingen in welke gebieden het onderhoud minder intensief kan plaatsvinden, om zo de belasting per perceeleigenaar te minimaliseren. Dit beoordeelt het waterschap op basis van de gesprekken die ze gaat voeren met belanghebbenden.
Wat betekent dit voor het gebruik van deze stroken door agrariërs en voor de opbrengstderving op hun percelen?
Of de uitbreiding van het schouwpad invloed heeft op de opbrengsten, hangt af van de vraag of er nog een vorm van landbouw mogelijk is, zoals beweiding of het verbouwen van gewassen. Indien dit het geval is, kan de grond nog steeds worden opgegeven voor GLB-subsidies of voor het plaatsen van mest op het gedeelte van het schouwpad dat niet als bufferstrook is aangewezen.
In hoeverre heeft het waterschap een economische impactanalyse gemaakt van de gevolgen voor agrarische bedrijven in het gebied?
Het uitvoeren van een economische impactanalyse vooraf was geen vereiste, omdat de grondslag van het besluit de wettelijke kerntaken van het waterschap en de veiligheid van medewerkers (Arbowet) betreft. Eventuele bedrijfseconomische gevolgen voor individuele belanghebbenden worden door het waterschap echter wel meegenomen in de komende gesprekken met de agrarische bedrijven. Agrarische bedrijven hebben overigens ook baat bij een goed functionerend watersysteem (bijvoorbeeld in het kader van het tegengaan van verzilting en het voorkomen van droogte of wateroverlast).
Hoe zijn volgens u de maatschappelijke baten voor het waterschap afgewogen tegen de economische lasten die eenzijdig bij boeren terechtkomen?
Zie het antwoord op vraag 21.
In hoeverre past een uniforme verplichting van vier meter bij het rijksbeleid dat inzet op maatwerk, gebiedsgericht werken en het versterken van de positie van boeren in het landelijk gebied?
Binnen de nationale mestregelgeving en het GLB is de mogelijkheid opgenomen de breedte van een bufferstrook af te schalen, afhankelijk van het type waterloop en de oppervlakte van het perceel. Lokale overheden kunnen nationale regelgeving niet versoepelen, maar wel aanscherpen indien zij dit noodzakelijk achten. Deze afweging is aan het betreffende waterschap.
Bent u bereid om met Waterschap Noorderzijlvest in gesprek te gaan over alternatieven?
De bevoegdheid om besluiten te nemen over de wijze waarop een waterschap het waterbeheer uitvoert, behoort toe aan het Algemeen Bestuur van het betreffende waterschap als democratisch gekozen bestuursorgaan. Het waterschap gaat de komende periode zelf in gesprek met de agrariërs om de impact van de maatregel in de praktijk zoveel mogelijk te minimaliseren.
Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat boeren niet eenzijdig worden geconfronteerd met verplichtingen zonder compensatie?
Zie het antwoord op vraag 24.
Kunt u toezeggen dat u de Kamer informeert over de uitkomsten van dit gesprek en over eventuele aanpassingen van juridische kaders om te voorkomen dat landbouwgrond via een gedoogplicht structureel aan boeren wordt onttrokken?
Nee, dat kan ik niet toezeggen. Zie het antwoord op vraag 24 en ook wordt, zoals aangeven in het antwoord op vraag 5, de grond niet structureel aan het gebruik onttrokken. Het ministerie is niet betrokken bij de gesprekken tussen het waterschap en de agrariërs.
Spuitlicenties voor bestrijdingsmiddelen en vakbekwaamheid |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Wat behelst, in grote lijnen, het behalen van een spuitlicentie voor het spuiten met bestrijdingsmiddelen en wat behelst het verlengen hiervan? Hoe lang is de training? Welke onderwerpen komen aan bod? Met welke frequentie moet iemand met een spuitlicentie deze vernieuwen en wat zijn de vereisten voor vernieuwing?
Een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, ook wel spuitlicentie genoemd, is nodig om professionele gewasbeschermingsmiddelen te mogen gebruiken. Dit is vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, waarop het bijbehorende besluit en regeling is gebaseerd. Er zijn regels vastgesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen uit bijlage I van richtlijn 2009/128/EG, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen distributeurs, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. Om een bewijs van vakbekwaamheid te halen, dient er een lesprogramma en een examen succesvol afgerond te worden. Het examen toetst verscheidene criteria, deze criteria zijn te vinden in kwalificatiedossiers op de website van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)1. Een bewijs van vakbekwaamheid is 5 jaar geldig. Hierna dient de houder nascholingsbijeenkomsten te volgen om het bewijs van vakbekwaamheid te verlengen. De onderwerpen die tijdens een nascholingsbijeenkomst behandeld worden verschillen per type bewijs van vakbekwaamheid, en zijn terug te vinden in het Examendocument Gewasbescherming2.
Geldt een spuitlicentie voor specifieke teelten, specifieke middelen, of allebei?
Een bewijs van vakbekwaamheid geldt in de basis voor het veilig en verantwoord toepassen van professionele gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen, en is niet strikt beperkt tot één specifiek middel of één specifieke teelt.
Maakt de laatste stand van de wetenschap ten aanzien van de middelen waarvoor de licentie wordt gehaald, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Ja, er worden nascholingsbijeenkomsten georganiseerd waarin de meest actuele ontwikkelingen en trends binnen het vakgebied worden behandeld. Het reguliere lesprogramma besteedt hier ook aandacht aan, met een focus op het correct en effectief toepassen van gewasbeschermingsmethoden. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan de relevante wijzigingen in wet- en regelgeving, zodat de deelnemers op de hoogte zijn van de laatste normen en eisen.
Maken de risico’s voor omgeving en gezondheid van het gebruik van meerdere middelen tegelijk of na elkaar (cocktails), deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In de scholing wordt expliciet aandacht besteed aan zorgvuldig middelengebruik, waarbij de nadruk ligt op aspecten zoals tankmengsels, etiketvoorschriften, blootstellingsroutes, driftreductie en geïntegreerde gewasbescherming. Combinaties van middelen en cumulatieve blootstelling maken deel uit van de risicobeheersing die in het lesprogramma aan bod komt. In de scholing wordt deelnemers geleerd dat zij enkel mogen werken conform de toelatingen en de voorschriften op het etiket. Het uitvoeren van eigen experimenten of afwijkingen van de vastgestelde richtlijnen is niet toegestaan, waarmee de veiligheid en naleving van regelgeving strikt gewaarborgd blijven.
Maken de nog onbekende gevolgen voor de gezondheid, ook bij veilig gebruik, op de lange termijn, van middelen, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
De opleiding voor het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid is gericht op veilig gebruik binnen de vastgestelde toelatingskaders. Deelnemers leren over gevaar, risico, dosering, blootstelling, en het gebruik van beschermingsmiddelen, evenals het proces van risicobeoordeling. Wetenschappelijke inzichten worden voortdurend verwerkt in de verplichte nascholing, waardoor het systeem actueel blijft. De opleiding benadrukt dat meetbaarheid geen direct risico aanduidt; risico is afhankelijk van dosis, blootstelling en toxicologische eigenschappen. Gevolgen op lange termijn bij veilig gebruik worden niet expliciet behandeld, omdat de focus ligt op de actuele wetenschappelijke risicobeoordeling.
Maakt het belang van omgang met omwonenden, bijvoorbeeld van het inlichten van omwonenden over wat er wordt gespoten en overleg over het moment van spuiten, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
In zowel het reguliere lesprogramma als de nascholingsbijeenkomsten wordt aandacht besteed aan de rol en verantwoordelijkheid van de teler in een maatschappelijk sensitieve context. Onderwerpen zoals het toepassen van drift reducerende technieken, het instellen van bufferzones, het monitoren van weersomstandigheden en het zorgvuldig plannen van gewasbescherming worden behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op hoe telers effectief kunnen omgaan met vragen of bezorgdheden van omwonenden. Transparantie en communicatie worden gepositioneerd als belangrijke aspecten van professioneel vakmanschap, gezien de teler opereert in een open landschap waar maatschappelijke acceptatie van wezenlijk belang is voor de verdere ontwikkeling van de sector. Er is ook een handreiking beschikbaar op de rijksoverheid website die praktische mogelijkheden biedt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in goed nabuurschap voor onder andere omwonenden.3
Aan welke eisen moeten organisaties voldoen die dit soort trainingen geven? Hoe wordt gezorgd dat deze organisaties de vereiste kennis hebben om dit soort trainingen te geven?
De eisen waar de kennisaanbieder aan moet voldoen staan beschreven in het Examendocument gewasbescherming 2. De kennisaanbieder moet onder andere zelf een bewijs van vakbekwaamheid in bezit hebben, en een percentage van de bijeenkomsten wordt bezocht om te inspecteren of ze aan de vooraf opgegeven doelstellingen voldoen.
Wat is de stand van zaken van de motie-Van Campen c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 691) over vakbekwaamheidseisen?
In de tweede helft van 2026 zullen de onderwerpen rond het verminderen van het gebruik van hoog risicomiddelen en het verbeteren van de naleving van gebruikersvoorschriften verplicht aan bod komen in het nieuwe nascholingsaanbod voor de bewijzen van vakbekwaamheid. Ik zal uw Kamer hierover blijven informeren.
Is het (wettelijk) mogelijk bij herhaald overtreden van de regels ten aanzien van bestrijdingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan de recente bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de sierteelt onder glas) de spuitlicentie (tijdelijk) in te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid is mogelijk. Indien tegen de houder van een bewijs van vakbekwaamheid herhaaldelijk overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden of van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn geconstateerd, kan de Minister het bewijs van vakbekwaamheid maximaal één jaar intrekken. De NVWA heeft in het verleden geen gebruik gemaakt van deze interventiemogelijkheid, omdat het destijds minder perspectief leek te hebben. Het bewijs van vakbekwaamheid is namelijk op naam gesteld en het is zeer moeilijk te bewijzen dat dezelfde persoon herhaaldelijk de aangetoonde overtredingen heeft begaan. Verder is het voor een bedrijf eenvoudig om een andere medewerker in te zetten. Dit geldt vooral voor bedrijven met meerdere medewerkers. De NVWA onderzoekt opnieuw de mogelijkheden van het intrekken van een bewijs van vakbekwaamheid, als één van de sanctie-instrumenten.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het debat over gewasbescherming?
Ja.
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt?1
Ja.
Deelt u de constatering dat deze situatie zichtbaar maakt hoe afhankelijk Nederland voor een deel van zijn voedselvoorziening is van productie in het buitenland?
Voedselvoorziening is een systeemvraagstuk. Een samenhangend netwerk van import, productie, verwerking, verhandeling en logistiek. Ik deel de constatering dat de Nederlandse voedselvoorziening voor een deel is gebaseerd op invoer van voedsel uit het buitenland. Dit draagt bij aan een grote zekerheid van een divers, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod in Nederland en daarmee aan een grote mate van voedselzekerheid.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de Nederlandse voedselzekerheid wanneer beschikbaarheid van voedselproducten direct wordt beïnvloed door weersomstandigheden in andere landen?
De invoer van voedsel uit het buitenland maakt het Nederlandse voedselsysteem minder kwetsbaar voor structurele verstoringen en draagt bij aan een divers en betaalbaar voedselaanbod. De Europese interne markt is daarbij van groot belang voor zowel de beschikbaarheid van voedsel uit andere EU-lidstaten als de afzet van Nederlandse producten, en draagt daarmee bij aan de robuustheid van het Europees voedselsysteem. Hetzelfde geldt voor invoer uit en afzet in derde landen.
Als Nederland de voedselvoorziening voornamelijk zou baseren op binnenlandse productie, zou het aanbod niet alleen minder divers zijn maar ook duurder uitvallen, omdat sommige producten hier niet, beperkt of alleen tegen hogere kosten dan elders kunnen worden geproduceerd. Bovendien zou de voedselzekerheid kunnen afnemen, doordat ook in Nederland buitengewone weersomstandigheden kunnen leiden tot tegenvallende of mislukte oogsten.
De gevolgen voor de Nederlandse voedselzekerheid van buitengewone weersomstandigheden in specifieke productielanden, zoals Spanje of Marokko, blijven doorgaans beperkt doordat er alternatieven beschikbaar zijn, zoals: Nederlandse seizoensproducten, verwerkte voedselproducten (o.a. ingevroren, ingeblikte of gedroogde groenten en fruit) en import uit andere landen.
Heeft u inzicht in de mate waarin Nederland voor de dagelijkse voedselvoorziening nu al afhankelijk is van specifieke buitenlandse regio’s? Zo ja, kan u dit overzicht met de Kamer delen?
Zoals eerder aan uw Kamer toegezonden, bevat het rapport: De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2025, in hoofdstuk 8 («Afhankelijkheden in de Nederlandse landbouwimport»), gedetailleerde informatie over de afhankelijkheid van voedselproducten uit verschillende regio’s buiten Europa.2
In hoeverre wordt in het huidige landbouw- en voedselbeleid expliciet rekening gehouden met het verkleinen van deze afhankelijkheid?
Het betrekken van voedsel uit meer bronnen dan alleen binnenlandse productie draagt bij aan een hoge mate van zekerheid en een gevarieerd, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod. Eventuele leveringsonderbrekingen uit binnen- of buitenland kunnen in de regel worden opgevangen door productsubstitutie of diversificatie van importstromen om kwetsbaarheden te laten afnemen. Tegelijkertijd blijft het van belang om de Nederlandse voedselvoorziening voor de lange termijn weerbaar te maken tegen uiteenlopende risico's, waaronder klimaat- en geopolitieke risico's. Dit ziet niet alleen op voedselproductie zelf, maar ook op de beschikbaarheid van essentiële grondstoffen en productiemiddelen voor de landbouw, zoals kunstmest, energie, veevoergrondstoffen en (onderdelen van) landbouwmachines. Mijn departement zet zich daarom in voor de waarborging van de beschikbaarheid van deze cruciale voedsel- en productiemiddelen.
Deelt u de opvatting dat een sterke en toekomstbestendige Nederlandse landbouwsector een belangrijke randvoorwaarde is voor de voedselzekerheid van ons land?
De voedselzekerheid van Nederland leunt in belangrijke mate op een robuust, duurzaam en toekomstbestendig agrocomplex. Dat betekent niet dat we volledig zelfvoorzienend moeten zijn. Het is daarbij van belang te benadrukken dat de kracht van het Nederlandse agrocomplex ook deels is gebaseerd op de import van voedsel van binnen en buiten de EU en onmisbare productiemiddelen, die een belangrijke randvoorwaarde vormen voor een hoge mate van voedselzekerheid. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 5 zou zonder import het voedselaanbod in Nederland minder zeker, minder divers en bovendien duurder zijn. Ik sta voor een sterke, toekomstbestendige en duurzame landbouwsector, functionerend binnen goed functionerende internationale voedselketens.
Hoe weegt u het belang van het behouden en versterken van binnenlandse voedselproductie mee bij beleidskeuzes die effect hebben op de omvang en mogelijkheden van de Nederlandse landbouwsector?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 3, 5 en 6 produceert Nederland niet al het voedsel zelf dat in ons land wordt geconsumeerd. De binnenlandse landbouwproductie is mede afhankelijk van de invoer van productiemiddelen. Tegelijkertijd wordt in Nederland een aanzienlijke hoeveelheid voedsel geproduceerd, bewerkt en verwerkt voor de export, wat bijdraagt aan het verdienvermogen. Dit betreft onder meer de productie van dierlijke producten zoals zuivel, vlees en eieren, naast plantaardige producten zoals aardappelen, uien en diverse groenten uit de tuin- en akkerbouw waarin Nederland een belangrijke positie heeft opgebouwd. Daarnaast speelt de voedselverwerkende industrie een belangrijke rol in de verwaarding van landbouwproducten, bijvoorbeeld door melk te verwerken tot kaas of cacaobonen tot chocolade. Deze vorm van waardecreatie borgt de internationale exportpositie van Nederland.
Het versterken van de binnenlandse voedselproductie betekent in deze context dat een deel van de huidige landbouwactiviteiten vervangen zou moeten worden door de productie van voedsel dat nu in Nederland in onvoldoende mate wordt geproduceerd. Gezien de Europese interne markt acht ik dat niet noodzakelijk en kan dit bovendien leiden tot een minder optimale uitkomst wat betreft een voldoende, divers en betaalbaar voedselaanbod. Voor de voedselzekerheid in Nederland is het daarom niet vereist dat de omvang of samenstelling van de land- en tuinbouw per se ongewijzigd blijft. Daarbij geldt ook dat beslissingen over wat en hoeveel er wordt geproduceerd, primair bij de agrarische ondernemers liggen, binnen de kaders van een verantwoorde omgang met natuur, milieu en leefomgeving.
Welke concrete maatregelen neemt u om de eigen productiecapaciteit van voedsel in Nederland te beschermen en waar mogelijk te versterken, juist met het oog op toenemende internationale onzekerheden en klimaatrisico’s?
Het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen is van groot belang en heeft de volle aandacht van het kabinet. Voedselvoorziening maakt onderdeel uit van de rijksbrede aanpak voor weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen. Zo wordt voedselvoorziening opgenomen in de nationale vitale infrastructuur. Tegelijkertijd brengt de overheid strategische afhankelijkheden in kaart en neemt zij waar nodig gerichte mitigerende maatregelen. Op Europees niveau draagt het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bij aan het versterken van de voedselzekerheid door een stabiele en duurzame landbouwproductie binnen de Europese Unie te waarborgen.
Bent u bereid om voedselzekerheid expliciet als zwaarwegend criterium mee te nemen bij toekomstige besluiten die gevolgen hebben voor de Nederlandse landbouwproductie?
Voedselzekerheid is een primair beleidsdoel van de overheid. Daarom is het van belang om voldoende productie van belangrijke voedselproducten in Nederland te handhaven op een duurzame wijze. Daarnaast is het van belang om maatregelen te nemen om de invoer van voedselproducten van elders te waarborgen, om zo veel mogelijk comparatieve voordelen te benutten. Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, en open en diverse handelsstromen vormt daarvoor de basis.
Deelt u de opvatting dat een landbouwsector die op voldoende schaal en met voldoende productievolume opereert, economisch weerbaarder en minder kwetsbaar is voor verstoringen dan een sector die slechts op minimale schaal produceert voor uitsluitend de binnenlandse markt?
De kracht en kwetsbaarheid van land- en tuinbouwbedrijven en deelsectoren worden niet alleen bepaald door schaalgrootte en productievolume. Hoewel schaal en volume kunnen bijdragen aan efficiëntie en concurrentiekracht, brengen ze onder bepaalde omstandigheden ook risico’s met zich mee, zoals zichtbaar werd tijdens de vraaguitval in de COVID-19-pandemie en bij extreme weersomstandigheden. Daarom is het van belang dat, naast het nastreven van schaalvergroting en doelmatigheid, ook wordt ingezet op diversificatie van zowel productie als handelsstromen en op het versterken van de weerbaarheid van de landbouwsector en de gehele voedselvoorzieningsketen. Handelsverdragen kunnen hierin een aanvullende rol spelen.
Deelt u de opvatting dat export van Nederlandse landbouwproducten een logisch onderdeel is van een goed functionerende mondiale economie, waarbij Nederland landbouwproducten exporteert en andere landen bijvoorbeeld techniek, auto’s of grondstoffen exporteren die Nederland importeert?
Net zoals Nederland profiteert van de invoer van voedselproducten waarin andere landen comparatieve voordelen hebben, kan de voedselzekerheid in andere landen worden versterkt door de invoer van landbouwproducten waarin Nederland zelf comparatieve voordelen heeft. Afhankelijkheden werken immers twee kanten op. Naast landbouwproducten produceert Nederland bovendien veel andere goederen die in het buitenland gewild en gevraagd zijn. Export en import, van producten en diensten uit andere economische sectoren dan de landbouw dragen eveneens bij aan de welvaart, en daarmee ook de voedselzekerheid, in Nederland.
Deelt u de mening dat juist deze exportpositie bijdraagt aan de economische kracht, innovatie en continuïteit van de Nederlandse landbouwsector en daarmee indirect ook aan de voedselzekerheid van Nederland zelf?
Ja. Zie ook het antwoord op de vorige vraag.
Het plotseling stopzetten van programma DuurzaamDoor |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u ertoe besloten om het succesvolle programma DuurzaamDoor plotseling stop te zetten na 15 jaar (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 12?
Er is geen sprake van plotseling stopzetten van het programma. De derde programmaperiode DuurzaamDoor (2020–2024) liep af in 2024.
Aan mijn besluit over hoe verder te gaan ging een brede consultatie vooraf. Na een eerste tussenevaluatie door TwynstraGudde, heeft begin 2024 Royal Haskoning DHV, op verzoek van de stuurgroep DuurzaamDoor, een onderzoek uitgevoerd bij stakeholders en het programmateam bij RVO. Er zijn interviews gehouden en er is een brede bijeenkomst georganiseerd. Kernvraag die centraal stond was of en hoe verder gegaan moest worden met DuurzaamDoor.
De stuurgroep adviseerde na deze verkenning om het programma voort te zetten. Zij gaf daarbij aan dat de werkende principes van het programma (lerende netwerkaanpak, multi stakeholder-benadering, verbinden van meerdere schaalniveaus, integraal werken aan duurzaamheidsopgaven en de mens centraal) ook de basis zouden moeten vormen voor een toekomstig programma. Op onderdelen stelde de stuurgroep aanpassingen voor. Onder meer ging het daarbij om meer aandacht voor het doorvertalen en agenderen van lokaal en regionaal gesignaleerde knelpunten naar het ministerie.
Op 2 juli 2024 trad het kabinet Schoof aan, met een nieuwe focus en agenda. Dat maakte dat de besluitvorming over het eventuele vervolg van DuurzaamDoor vertraging opliep. Daarom is in goed overleg met RVO en de Stuurgroep DuurzaamDoor besloten de lopende programmaperiode 2021–2024 met een jaar te verlengen. Daarmee konden ook de resultaten van de onafhankelijke eindevaluatie van het programma door TwynstraGudde worden afgewacht en konden deze worden betrokken bij de besluitvorming.
Begin 2025 werd deze eindevaluatie opgeleverd. Conclusie daaruit was dat het programma goed had gewerkt en een aantal unieke kenmerken en werkwijzen had ontwikkeld. Een van de aanbevelingen was om in de toekomst meer aansluiting te zoeken bij grotere systeemspelers en beleidsprogramma’s. Respondenten gaven ook aan dat een vervolgprogramma meer impact kon hebben als het belang van sociale en maatschappelijke innovaties beter voor het voetlicht zou worden gebracht, in een samenleving die vooral gericht is op technische innovaties.
Gegeven de grootte van de opgaven van LVVN op het terrein van voedsel, natuur en landelijk gebied en de noodzaak te investeren in innovatie zoals vermeld in het regeerprogramma, was er daarnaast aanleiding de beschikbare middelen en de opgebouwde expertise bij DuurzaamDoor in het vervolgprogramma te richten op deze opgaven. Om deze redenen heb ik in oktober 2025 besloten de bestaande middelen voor DuurzaamDoor op de begroting van LVVN in te zetten voor de Aanpak sociale innovatie. Met de aanpak zullen succesvolle elementen en de ervaring van het programma DuurzaamDoor worden behouden.
Overigens was DuurzaamDoor, net als de Aanpak sociale innovatie, een programma dat zijn oorsprong vond in eerdere programma’s. Hierbij gaat het onder meer om de NME Onderwijs Impuls (1992–1996), de extra impuls Natuur en Milieu Educatie (1996–1999), het programma Leren voor Duurzaamheid (2000–2003) en Leren Voor Duurzame Ontwikkeling (2004–2007 en 2008–2012).
Op basis van welke ambtelijke adviezen heeft u hiertoe besloten? Waren er ook ambtelijke adviezen die hiertegen adviseerden?
Conform het mij gegeven eenduidige ambtelijke advies, heb ik ervoor gekozen om na het aflopen van het programma DuurzaamDoor in 2025 door te gaan met een Aanpak sociale innovatie zoals hiervoor geschetst en daarvoor de via het programma Duurzaam Door bij RVO opgebouwde kennis en ervaring te benutten.
Op welke datum is binnen het ministerie hierover geïnformeerd? Op welke datum zijn het programmamanagement, de stuurgroep en andere medewerkers hiervan op de hoogte gesteld?
Vanaf begin 2024 is er nauw overleg geweest met het programmamanagement, het programmateam en de stuurgroep DuurzaamDoor. Met de aanbevelingen uit de brede consultatie, de nieuwe inzichten en koers van het kabinet en de eindevaluatie is gezamenlijk gewerkt aan de nieuwe aanpak sociale innovatie.
Hoe is er op uw besluit door deze betrokkenen bij DuurzaamDoor gereageerd?
De Aanpak sociale innovatie is in nauwe samenwerking met het programmateam bij RVO vormgegeven. De in DuurzaamDoor opgebouwde kennis en ervaring wordt benut in deze aanpak. Daarmee is er steun voor deze aanpak.
Hoeveel werknemers waren er betrokken bij DuurzaamDoor? Hoeveel van die medewerkers werden deels bekostigd door het geld van DuurzaamDoor?
Het programma DuurzaamDoor is uitgevoerd door RVO. In de laatste programmaperiode waren er bij RVO zeven medewerkers betrokken.
Kunt u bevestigen dat met het beëindigen van DuurzaamDoor ook de participatietafels die onder het programma vielen (Energietransitie, Natuurinclusief bouwen, Veranderkracht en Voedseltransitie) tot een einde zijn gekomen?
Alle participatietafels die in het programma DuurzaamDoor zijn geïnitieerd, zijn afgerond, of op andere plekken doorgezet of overgedragen.
De participatietafel Energie gaat door en is vanaf 2026 tijdelijk ondergebracht bij RVO. Het nog vorm te geven Nationaal Programma Energie Systeem (NPES) is de beoogde landingsplek voor de participatietafel Energie. Het project Opgroeiruimte, voor gemeenten en bewonersinitiatieven, is opgenomen in de academie van de landelijke koepel van energiegemeenschappen: energie samen.
De participatietafel Natuurinclusief bouwen is nu een van de domeinen van het Collectief Natuurinclusief en gaat daarin door. Ook is dit thema en dit netwerk geborgd in het netwerk KAN (Klimaat Adaptief Bouwen) en in het Groeifondsprogramma Werklandschappen van de toekomst.
De participatietafel Voedseltransitie heeft in 2025 haar laatste project («beter dan super») afgerond en is beëindigd. De kennis uit de tafel en tafelmethode is geborgd in kennisproducten en in de bestaande netwerken, zoals de Transitiecoalitie Voedsel, het Kennisplatform Stadslandbouw Nederland en de Community of Practice Voedselraden.
De instrumenten vanuit het ontwikkeltraject Veranderkracht zijn input voor de instrumentenkoffer van de Aanpak sociale innovatie.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van de waardevolle initiatieven, waarvan DuurzaamDoor aan de wieg heeft gestaan (Duurzame Dinsdag, de onderwijs coöperatie Leren voor Morgen, de Green Protein Alliance en het netwerk Klimaatadaptief bouwen met de Natuur (KAN)), zoals aangegeven in uw brief, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Kunt u aangeven of het voortbestaan van andere initiatieven mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke initiatieven zijn dat?
Het programma DuurzaamDoor heeft gewerkt als een initiator en heeft impulsen gegeven aan nieuwe ontwikkelingen of netwerken. Hierbij is altijd het doel geweest om te zorgen dat netwerken en activiteiten na een incidentele ondersteuning zelf verder zouden kunnen. Duurzame Dinsdag, het KAN netwerk en de Green Protein Alliance zijn overgenomen door andere organisaties.
De Coöperatie Leren voor Morgen, die bestaat uit leden die zich inzetten voor duurzaamheid in het onderwijs, blijft financiële ondersteuning ontvangen van LVVN, voor de periode 2026–2029.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van projecten, waaronder het Kennisplatform Collectieve Kracht, waarvan DuurzaamDoor (mede)financierder was, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke andere projecten werden door DuurzaamDoor (mede)gefinancierd?
Het Kennisplatform Collectieve Kracht heeft in de laatste programmaperiode van DuurzaamDoor twee subsidies ontvangen voor opstart van het kennisplatform en ontwikkeling van labs. Vervolgens heeft Collectieve Kracht een succesvolle aanvraag voor subsidie gedaan bij NWO. Collectieve Kracht wordt momenteel door de betrokkenen bij de Aanpak sociale innovatie betrokken bij participatievraagstukken die te maken hebben met een vitaal platteland.
Andere projecten waaraan DuurzaamDoor financieel heeft bijgedragen zijn bijvoorbeeld de al genoemde initiatieven bij vraag 7 en de vereniging GDO (gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling, met haar netwerk van lokale Natuur- en Duurzaamheidscentra). Er zijn bij mijn weten geen projecten die in gevaar zijn door het stoppen van DuurzaamDoor.
Beaamt u de stelling van TwynstraGudde in het evaluatierapport «Eindevaluatie DuurzaamDoor 2021–2024» dat het programma DuurzaamDoor een gewenste aanpak is van een benodigd antwoord op structurele problemen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke transities, en beantwoordt aan wetenschappelijk onderzoek opgesteld door Grin, Rotmans en Schot, «Transitions to Sustainable Development. New Directions in the Study of Long Term Transformative Change»? Zo ja, waarom stopt u dan het programma voortijdig? Zo nee, op grond waarvan?1
Het programma DuurzaamDoor is niet voortijdig gestopt, maar de huidige programma-periode liep af. Met de keuze voor een aanpak die zich richt op de hoofdopgaven van LVVN en bijdraagt aan het bredere innovatie-instrumentarium van het ministerie gaat de aanpak van DuurzaamDoor niet verloren. De werkende elementen, zoals een multi-stakeholder aanpak, ruimte voor ontdekken/experimenteren, het initiëren van lerende netwerken, een bottom-up aanpak, maatschappelijke participatie en een veilige leer- en ontwikkelsetting, worden voortgezet.
Deelt u de conclusie uit het evaluatierapport van TwynstraGudde dat DuurzaamDoor een waardevolle bijdrage levert aan duurzaamheidstransities? Zo ja, waarom heeft zij desondanks besloten het programma te beëindigen?
Een groot deel van de ervaring en netwerken gaat verder in de nieuwe Aanpak sociale innovatie als onderdeel van de bredere LVVN-aanpak op innovatie. De waarde van DuurzaamDoor blijft hiermee benut voor duurzaamheidsopgaven, maar wordt ook breder benut.
Zie ook het antwoord bij vraag 9.
Kunt u aangeven waarom, terwijl op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat dat DuurzaamDoor is gestart om duurzaamheidsvraagstukken aan te pakken, uw nieuwe project Aanpak Sociale Innovatie (in tegenstelling tot DuurzaamDoor) geen focus meer heeft op duurzaamheid en duurzaamheidstransitie, maar veel abstracter op maatschappelijke opgaven binnen het Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)-domein (voedsel, natuur en landelijk gebied)?2
Ik vind het belangrijk de beschikbare middelen en mensen in te zetten op de hoofdopgaven van LVVN en daarmee op meer opgaven dan duurzaamheid. Investeren in sociale innovatie is ook voor andere thema’s zoals gebiedsprocessen of natuurherstel van belang.
Welke aanleiding heeft u om te denken dat een programma gericht op duurzaamheidstransitie niet meer relevant is in tijden van klimaatverandering, energietransitie en strategische autonomie?
Ik kies ervoor de beschikbare middelen en opgebouwde expertise in te zetten voor de maatschappelijke opgaven op het terrein van natuur, platteland en een volhoudbaar voedselsysteem. Duurzaamheid is een integraal onderdeel van het beleid ten aanzien van deze opgaven. De aanpak sociale innovatie draagt zo ook bij aan brede maatschappelijke vraagstukken, zoals klimaatverandering, voedsel van dichtbij of natuurherstel.
Op welke wijze denkt u het gat te kunnen opvullen dat DuurzaamDoor achterlaat in de Nederlandse doorvertaling van internationale frameworks en verdragen op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid? Denkt u anders over de in het evaluatierapport van TwynstraGudde beschreven centrale rol van DuurzaamDoor hierin?
LVVN blijft zich inzetten in internationale netwerken op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid. Dit verandert niet. Ook de doorvertaling van die internationale afspraken zal blijven plaatsvinden via de Aanpak sociale innovatie en ook via bestaande (onderwijs)netwerken en de interdepartementale werkgroep Duurzame School.
Klopt het dat eerder de intentie was, zoals in de begroting voor 2025 vermeld stond, het programma door te laten lopen tot tenminste 2029 (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2 (tabel 59, blz. 143))? Waarom waren er tot aan 2029 anders middelen begroot voor DuurzaamDoor?
Het bedrag in de begroting 2025 met het label DuurzaamDoor is deels bestemd voor het programma DuurzaamDoor en deels voor het programma Jong Leren Eten. Het is vaker zo dat begrotingsreeksen langer in de begroting staan dan de duur van een programma(periode). Met deze middelen kan zo een volgend programma worden gefinancierd.
Het besluit over een opvolging van het programma DuurzaamDoor was op het moment van aanbieden van de begroting 2025 nog niet genomen. Inzet was toen al wel om de betreffende middelen te gebruiken voor een programma over leren en ontwikkelen, met een multi-stakeholder aanpak en met focus op initiatieven uit de maatschappij. Vandaar dat de meerjarige reeks erin bleef staan.
Het budget wordt nu ingezet onder de titel Aanpak sociale innovatie.
Klopt het dat u heeft besloten om DuurzaamDoor te stoppen ver voor de begrootte «einddatum van de Subsidie (regeling)», die in 2027 was gesteld?
Dit is onjuist. Er is geen subsidieregeling DuurzaamDoor. De hier genoemde einddatum subsidie(regeling) heeft betrekking op de subsidieregeling voor Jong Leren Eten makelaars. Deze staat in de begroting op een gezamenlijke post met het programma DuurzaamDoor.
In hoeverre zijn het managementteam, de stuurgroep en samenwerkingspartners meegenomen in de tijd voor het besluit dat DuurzaamDoor tot een einde zou komen?
Voor deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en 4.
Op welke wijze is rekening gehouden met de meerjarige samenwerkingen en langlopende leertrajecten die binnen DuurzaamDoor liepen en wat betekent het stopzetten van het programma voor de continuïteit en betrouwbaarheid van de overheid als samenwerkingspartner?
Het dossier heeft altijd uit opeenvolgende programmaperiodes van vier jaar bestaan, sinds 2013 met de naam «DuurzaamDoor». Ook samenwerkingsverbanden en langlopende leertrajecten zijn voor deze periode aangegaan, met een begin en een einde.
Erkent u de bijdrage van DuurzaamDoor, gezien het feit dat in het Biodiversiteitsplan Europees Nederland staat dat het programma DuurzaamDoor een ondersteuning en professionalisering faciliteert van het grote en fijnmazige netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie? Welke reden ziet u in dit licht om te stoppen met DuurzaamDoor? Op welke manier denkt u het gat dat DuurzaamDoor achterlaat op te kunnen vangen?
De aandacht voor natuur- en duurzaamheidseducatie vanuit het Ministerie van LVVN eindigt niet met het stoppen van het programma DuurzaamDoor. Via de inzet in de interdepartementale werkgroep Duurzame School en via onze samenwerking met de vereniging GDO (Gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling) zullen we ook in de periode 2026–2029 bijdragen aan de ondersteuning en professionalisering van het netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie. Daarbij gebruiken we ook de input vanuit de internationale gremia.
Is de aanname juist dat de begrote middelen voor DuurzaamDoor vanaf 2026 beschikbaar komen voor uw nieuwe project over sociale innovatie, zoals lijkt te worden gesteld (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2)?
Ja, dat klopt.
Kunt u aangeven welke lessen, trajecten en projecten, uit 15 jaar DuurzaamDoor expliciet worden meegenomen in de nieuwe Aanpak Sociale Innovatie en waar dit alles is vastgelegd?
De werkwijze, manieren van samenwerken, netwerken en kennis die binnen het programma DuurzaamDoor zijn ontwikkeld, vormen de basis voor de Aanpak sociale innovatie.
Inzet is om in de nieuwe aanpak de werkmethodes die zijn ontwikkeld toegankelijk te houden. Op dit moment gebeurt dat nog via de archiefpagina van DuurzaamDoor3. Het team bij RVO dat aan de aanpak werkt bestaat uit adviseurs met ervaring, die hun weg weten binnen de bestaande netwerken. Het merendeel van de adviseurs komt uit het programmateam van DuurzaamDoor.
Is er een maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van het stoppen van DuurzaamDoor? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen?
Er is geen maatschappelijke kosten-baten analyse gemaakt over het programma DuurzaamDoor.
Bent u bereid het volledige besluitvormingsdossier rondom het stopzetten van DuurzaamDoor, inclusief interne nota’s, adviezen en besluitstukken, met de Kamer te delen?
Met bovenstaande antwoorden heb ik gepoogd u voldoende inzicht te verschaffen.
Kunt u deze vragen vraag voor vraag, voor haar aftreden, beantwoorden?
Dat heb ik gedaan.
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgevingen over zwerfstroom bij veehouderijen in Ooltgensplaat.
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Ik heb op dit moment geen kennis van situaties op veehouderijbedrijven elders in Nederland waar soortgelijke problemen worden ervaren zoals die in berichtgeving is beschreven. Indien onbegrepen problemen bestaan op een veehouderij zal normaliter de eigen dierenarts hierover geconsulteerd worden. Ook kunnen veehouders en dierenartsen contact opnemen met de Gezondheidsdienst voor Dieren, via de Veekijker2, voor advies. De Veekijker is onderdeel van de basismonitoring diergezondheid, een instrument om trends en ontwikkelingen in de diergezondheid bij landbouwhuisdieren te volgen.
In het verleden is, naar aanleiding van meldingen van onbegrepen gedrag, door sectorpartijen geïnventariseerd in welke mate onbegrepen gedrag van dieren door veehouders wordt gezien, waar geen duidelijke verklaring (binnen of buiten het bedrijf) voor aan te wijzen was. Er is een oproep gedaan voor bedrijven om zich te melden. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft in 2018 een onderzoek gedaan, waaraan 31 bedrijven die zich gemeld hadden, hebben deelgenomen3. Er is geconcludeerd dat veel factoren een rol kunnen spelen, er is niet één specifieke oorzaak gevonden. Mogelijk was de oorzaak per bedrijf ook verschillend. Associaties met zonnepanelen, of zendmasten en hoogspanningskabels in de omgeving zijn in dit onderzoek niet gevonden.
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Toenemende elektrificatie brengt in zichzelf geen risico op zwerfstroom. Zwerfstroom ontstaat wanneer elektrische installaties niet goed geaard zijn of bedradingen niet goed geïsoleerd zijn. Ook kunnen zwerfstromen ontstaan als de opbouw en capaciteit van de elektrische installatie onvoldoende is of apparatuur wordt gebruikt die niet voldoet aan de Europese veiligheidsregels.
Indien een bestaande elektrische installatie van een bedrijf wordt uitgebreid met bijvoorbeeld een zonnepaneel-installatie, een batterij of een kleine windturbine is het zaak dat deze installatie blijft voldoen aan de elektrotechnische veiligheidseisen zoals beschreven in de NEN1010. Onoordeelkundige uitbreidingen kunnen tot problemen leiden. Het is daarom belangrijk dat elektrische installaties altijd aangelegd, onderhouden en gecontroleerd worden door gecertificeerde elektrotechnische installatiedeskundigen.
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
De provincie Zuid-Holland heeft inderdaad per brief verzocht om het uitvoeren van multidisciplinair onderzoek door het Rijk. De provincie gaf aan dat de casuïstiek de mogelijkheden en het kennisveld van de provincie oversteeg. Nadat de veehouder eerst zelf onderzoek heeft laten uitvoeren, heeft de provincie een second opinion laten uitvoeren.
Dit second opinion-onderzoek concludeert dat er geen externe oorzaken zijn aan te wijzen voor de problemen op het bedrijf. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de metingen uit het onderzoek dat de veehouder heeft laten uitvoeren, ongeschikt waren om zwerfstromen te detecteren en dat er aanwijzingen waren dat de elektrische installatie op het bedrijf verbetering behoeft.
Tevens staat de veehouder onder verscherpt toezicht van de NVWA en is veroordeeld door de rechter vanwege het onthouden van de nodige zorg en het hebben van onvoldoende capaciteit voor het aantal gehouden dieren. Overwogen is dat deze situatie nog altijd niet volledig is verbeterd en dat de problematiek op het bedrijf toe te schrijven is aan de omstandigheden waaronder de dieren worden of werden gehouden. De houder is tevens gewezen op het bestaan van het vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren voor hulp en ondersteuning.
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Ik kan mij goed voorstellen dat de veehouders zorgen hebben, gezien de klachten die zij ervaren. Het gevraagde multidisciplinair onderzoek is echter pas zinvol als er in de monodisciplines geen mogelijke oorzaak van de problemen worden gevonden. In dit geval zijn er geen externe oorzaken gevonden, zijn er wel zorgen over het dierenwelzijn en diergezondheid bij de veehouderij en waren er verbeteringen mogelijk in de elektrische installatie. Tevens ken ik geen voorbeelden van onderling vergelijkbare casuïstiek die op externe oorzaken wijzen.
Uiteraard blijf ik alert op eventuele ongewenste gevolgen die samen zouden kunnen hangen met de energie-transitie en de (elektrische) infrastructuur die in de omgeving wordt geplaatst.