EU delegated cooperation |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie Klink/Amhaouch waarin verzocht werd meer EU-gelden door middel van delegated cooperation (EU-DC) aan te wenden?1
Ja.
Klopt het dat het bedrag dat Nederland in 2025 aan EU-DC gemobiliseerd heeft € 243 miljoen bedraagt, terwijl de doelstelling conform de aangenomen motie Kamminga zou moeten zijn dat dit bedrag de komende jaren vergroot moet worden naar ten minste 1 miljard euro?2 3
Het totaal dat Nederland aan EU-DC mobiliseert bestaat uit bedragen voor projecten die worden toegekend aan Nederlandse partijen en uit garanties die de Europese Commissie aan Nederlandse partijen alloceert. Het bedrag dat Nederland tot januari 2026 middels EU-DC heeft gemobiliseerd voor projecten is EUR 243 miljoen. Inmiddels is dit bedrag opgelopen tot EUR 318 miljoen. Daarnaast werd door Nederland voor circa 1,8 miljard euro aan garanties gemobiliseerd. Garanties worden net als bijdragen gerealiseerd door EU-DC. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting bij de begroting van 2026 wil het kabinet het instrument van Delegated Cooperation in toenemende mate toepassen.
Kunt u de huidige stand van zaken geven van EU delegated cooperation (EU-DC) en de ambitie voor de komende jaren, inclusief een concrete streefwaarde en tijdpad in relatie tot de hiervoor genoemde moties?
Zie beantwoording vraag 2 voor de huidige stand van zaken.
Aangezien Nederland bij de toepassing van EU-DC afhankelijk is van de (procedures en besluitvorming van de) EC en omdat het budget onder het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 nog niet bekend is, is het in deze fase niet mogelijk een realistische inschatting van een tijdspad met concrete streefwaarden per jaar te geven. Ik kan u verzekeren dat het kabinet vol inzet op toepassing van EU-DC.
Kunt u hierbij ook ingaan op hoe Nederlandse organisaties actiever ondersteund kunnen worden bij het verkrijgen van EU-DC-middelen (zoals voorlichting, capaciteitsopbouw, en hulp bij contractvorming met de Europese Commissie)?
Momenteel worden Nederlandse organisaties op verschillende manieren ondersteund om beter gebruik te kunnen maken van EU-DC-middelen. Zowel in Brussel als in de partnerlanden zet het kabinet zich in contacten met de Europese Commissie (waaronder DG INTPA, NEAR en MENA) in voor goede en transparante toegang van Nederlandse bedrijven, NGOs en kennisinstellingen tot relevante EU-programmering en instrumenten. Daarnaast informeert het Ministerie van Buitenlandse Zaken via voorlichting en bijeenkomsten over relevante beleidsontwikkelingen en mogelijkheden om aan te sluiten bij EU-programma’s.
Ook is binnen het ministerie een EU Support Facility ingericht die organisaties ondersteunt bij contractvorming wanneer gebruik wordt gemaakt van de DGIS-accreditatie; de capaciteit hiervan is recent uitgebreid.
Tegelijkertijd blijven er uitdagingen bij de totstandkoming van EU-DC-projecten, zowel in Brussel als aan de Nederlandse kant. Het vergt inzet op verschillende terreinen om toegang te krijgen tot EU-DC-middelen, waarbij in iedere fase moet worden bezien wat mogelijk is, ook binnen de geldende juridische en procedurele kaders. Het ministerie gaat graag verder in gesprek met de Nederlandse sector om samen te bezien hoe de toegang structureel kan worden verbeterd. Het kabinet ziet dit nadrukkelijk als een gezamenlijke opgave van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Kunt u een overzicht geven van de besteding van de € 243 miljoen aan EU-DC in 2025: door welke organisaties, in welke landen, op welke thema's, en welk deel al besteed is versus nog openstaat als lopende verplichting?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 is het tot op heden vastgelegde bedrag van de EU inmiddels opgelopen naar EUR 318 miljoen. Hiervan is ongeveer 40% reeds ontvangen van de EU. Projecten hebben verschillende looptijden en worden medegefinancierd door de Nederlandse overheid en andere EU-lidstaten. Het betreft projecten in Afrika, Latijns Amerika en Oost Europa op de sectoren: Landbouw, Voedselzekerheid, Agro-logistiek, Jeugdwerkgelegenheid, Goed bestuur, Water, Justitie, Migratie, Veiligheid, Cyber, Gezondheid, Energie en Kritieke Grondstoffen. Aangezien een deel van de projecten thematisch en/of regionaal is, kan geen uitsplitsing per land worden gegeven.
Klopt het dat Nederland, anders dan Duitsland (Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit(GIZ), en de KfW) en Frankrijk (Agence Française de Développement (AFD), en Expertise France), geen grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking?
Het klopt dat Nederland in tegenstelling tot de meeste EU lidstaten niet één grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking.
Zo ja, maakt dit het voor Nederland volgens u moeilijker om EU-DC-middelen te verkrijgen (minder capaciteit, trackrecord of programmeringsinvloed)?
Het klopt dat er nadelen kunnen zitten aan het ontbreken van één grote uitvoeringsorganisatie, zoals bijvoorbeeld in Duitsland en Frankrijk, op een of meerdere van de door u genoemde aspecten.
Tegelijkertijd biedt het Nederlandse model met een divers landschap van (gespecialiseerde) uitvoerders ook de nodige voordelen, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibiliteit en expertise op een brede waaier van thema’s. De accreditatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt mede ingezet om deze expertise te ontsluiten voor EU-DC projecten.
Gelet op het feit dat het werkterrein van de EC in toenemende mate ook betrekking heeft op sectoren buiten de traditionele ontwikkelingssamenwerking (zoals bijvoorbeeld veiligheid, energie, migratie, kritieke grondstoffen, digitalisering etc.), hebben we als Nederland een goede uitgangspositie om ook in de toekomst goed in te kunnen spelen op nieuwe kansen voor het aantrekken van EU-financiering. Daarbij richten we ons niet alleen op financiering van DG INTPA, maar ook van andere DGs (ENEST, MENA, HOME, ECHO, etc.).
Zijn er naast Buitenlandse Zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) andere Nederlandse organisaties die in aanmerking komen om geaccrediteerd te worden als uitvoeringspartner onder Delegated Cooperation (het zogeheten pillar assessment)? Zo ja, welke stappen onderneemt het kabinet om accreditatie te ondersteunen?
Naast Buitenlandse zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) kunnen organisaties die voldoen aan de eisen van de EU Financial Regulation van de Europese Commissie in principe in aanmerking komen voor accreditatie. De beoordeling hiervan ligt bij de EC. De EC gaat hier momenteel zeer terughoudend mee om, hetgeen de ruimte beperkt voor lidstaten en Nederland.
Met betrekking tot de te ondernemen stappen zal het kabinet daarom alleen accreditatie actief ondersteunen bij een evident publiek belang.
Erkent u dat EU-DC, juist bij dalende Official Development Assistance (ODA)-budgetten, als multiplier kan werken om Europese middelen te mobiliseren ter compensatie van dalende nationale middelen? Hoe wordt dit uitgangspunt concreet in beleid vertaald?
Het kabinet erkent dat EU-DC mogelijkheden biedt om meer Nederlandse kennis en kunde in te zetten ter versterking van Europees beleid en uitvoering en om de impact van de Nederlandse inzet te vergroten. EU-DC kan daarbij echter niet worden gezien als een instrument waarmee dalende ODA-middelen één-op-één kunnen worden gecompenseerd. De beschikbaarheid, omvang en inzet van EU-middelen worden bepaald binnen de programmering en prioriteiten van de EC.
Door intensievere samenwerking met de Europese Commissie op verschillende niveaus zowel in Brussel als in de partnerlanden zet Nederland er op in dat EU-programmering aansluit bij Nederlandse beleidsprioriteiten. Zo kan met Europese middelen onze eigen inzet op thema’s en landen worden geïntensiveerd en versterkt het kabinet met de Nederlandse inzet de Europese positie.
Wordt bij de heroriëntatie van het postennet en de personele taakstelling rekening gehouden met de extra capaciteit die uitvoering van EU-DC-projecten op ambassades vergt?
Ondanks de personele taakstelling van het afgelopen jaar, heeft het Ministerie geïnvesteerd in additionele capaciteit op het ministerie om de ambitie op EU-DC waar te kunnen maken. Posten kunnen een beroep doen op deze extra capaciteit, met name in de ontwikkelfase van EU-DC projecten. Na ondertekening van contracten is het uitgangspunt dat de benodigde capaciteit op ambassades voor de uitvoering van EU-DC projecten vooral wordt gefinancierd uit EU-projectmiddelen.
Bent u bereid om, met de nieuwe verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag 2026, EU-delegated cooperation als apart en meetbaar onderdeel op te nemen met een vaste jaarlijkse streefwaarde?
Het kabinet zet vol in op toepassing van EU-DC, als middel om Europees ontwikkelingsbeleid effectiever te maken met Nederlandse kennis en kunde. Vanuit deze optiek zal hierover ook verantwoording worden afgelegd in het jaarverslag. Het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 en de uitwerking hiervan zullen van invloed zijn op de mate waarin Nederlandse kennis en kunde kan worden ingezet. Hier kan ik nog niet op vooruit lopen.
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het commissiedebat over het BHOS-deel van de beleidsbrief buitenlandse zaken op 9 september?
Ja.
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Elles van Ark (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Ja, ik ben bekend met het rapport De Staat van Gezinnen 2026.
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
De aanbevelingen uit het rapport zien de drie ministeries als een waardevolle bijdrage aan het gesprek over de positie en ondersteuning van gezinnen. Een aantal van de aanbevelingen sluit aan bij het beleid dat momenteel wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Dit wordt hieronder verder uitgewerkt.
Ouders zijn de basis voor een goede ontwikkeling van kinderen. Daarom is het van groot belang om ouders te ondersteunen en te investeren in hun welzijn en in een sterke, ondersteunende opvoedomgeving. Dat is niet alleen van waarde voor ouders zelf, maar legt ook het fundament voor een gezonde en kansrijke volgende generatie. Daarom is binnen de Hervormingsagenda Jeugd expliciet aandacht voor het versterken van ouders en hun opvoedomgeving. In dat kader zijn verschillende acties in gang gezet, waaronder:
Het platform versterkt de pedagogische basis rondom gezinnen, stimuleert onderlinge steun tussen ouders en draagt bij aan een preventieve aanpak waarin ouders zich gehoord voelen en tijdig ondersteuning kunnen vinden.
Ook vanuit de Versterkingsagenda Mentale gezondheid en GGZ is binnen de leefomgeving «mentaal gezonde gezinnen» aandacht voor het welbevinden van ouders. Recent heeft het Ministerie van VWS – in samenwerking met Kansrijke Start – aan de GGD West Brabant de opdracht gegeven om het thema Welbevinden van Ouders verder op de agenda te zetten binnen het brede veld van ouders, professionals en bestuurders, én toe te werken naar concrete implementatie binnen bestaande programma's en praktijken. De Gesprekstool Welbevinden van Ouders gaat volgens het concept van een ouderwetse kettingbrief op «tour» in de netwerken van ouders, professionals en bestuurders door het delen van ervaringen, inzichten en persoonlijke reflecties. Ook wordt via «thema-dating» verkend hoe het thema welbevinden van ouders binnen bestaande opvoedinterventies, programma’s en werkwijzen (nog beter) geïmplementeerd kan worden. Denk aan: centering pregnancy/parenting, stevig ouderschap, Home-Start en Triple P. De resultaten hiervan worden eind dit jaar met de Kamer gedeeld.
Binnen de structurele aanpak Kansrijke Start staat het versterken van ouders en gezinnen centraal. In de bijbehorende actieagenda heeft het inhoudelijke thema «Sterke Ouders, Kansrijke Kinderen» de komende jaren extra prioriteit. Hierbij is aandacht voor zowel de fysieke als mentale gezondheid van ouders, als ook de sociale omstandigheden waarin gezinnen opgroeien. Binnen dit thema zet ik in op het versterken van de sociale en pedagogische basis in de eerste 1.000 dagen, het voorbereiden op en ondersteunen bij (toekomstig) ouderschap, betrouwbare voorlichting en informatie in de eerste 1.000 dagen. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om structureel te investeren in Kansrijke Start. Het kabinet maakt voor deze aanpak extra geld vrij en werkt momenteel uit hoe de inzet – zoals beschreven in het coalitieakkoord – op Kansrijke start eruit komt te zien.
Ten aanzien van de aanbeveling in het rapport over een gezinsvisie merk ik op dat in het kader van de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie het afgelopen jaar is gewerkt aan een visie op (de ondersteuning van) deze gezinnen die vaak te kampen hebben met problematiek op verschillende leefdomeinen. Denk bijvoorbeeld aan armoede of schulden, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Deze gezinnen hebben tijdige hulp en ondersteuning nodig op meerdere aandachtsgebieden, en daarom gaat er extra aandacht van het Kabinet uit naar deze groep gezinnen. De Kamer is hierover inmiddels geïnformeerd2. Deze visie biedt een gezamenlijk kader voor de wijze waarop het kabinet vanuit verschillende beleidsterreinen naar gezinnen in een kwetsbare positie kijkt en hen wil ondersteunen.
Zoals blijkt uit bovenstaande aanpakken, onderschrijft het kabinet het belang van een samenhangende benadering van gezinnen. Daarom zet het kabinet hierop in.
Het kabinet ziet geen noodzaak om naast deze inzet ook nog een afzonderlijke integrale gezinsvisie op te stellen. De opgave ligt vooral in het verder versterken en het dichter bij elkaar brengen van beleid, aanpakken en ondersteuning in de praktijk, zodat gezinnen hiervan daadwerkelijk de meerwaarde ervaren.
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Ja. Wij zullen uw Kamer een inhoudelijke beleidsreactie op het rapport toezenden. Daarin zullen wij ingaan op de aanbevelingen uit het rapport en aangeven hoe deze zich verhouden tot het kabinetsbeleid.
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat ouders het systeem als versnipperd ervaren. Dit blijkt ook uit het onderzoek van Significant dat in maart door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan uw Kamer is aangeboden3. Ouders geven aan dat informatie over ondersteuningsmogelijkheden soms moeilijk te vinden is of ontoegankelijk is. Vaak moeten zij voor verschillende hulpvragen op verschillende plaatsen om hulp vragen. Op die plaatsen worden vervolgens ook weer verschillende procedures gehanteerd. Dit maakt het voor ouders ingewikkeld en dit veroorzaakt stress en angst. Daarnaast hoor ik regelmatig dat ouders door eerdere ervaringen terughoudend zijn om hulp te vragen en soms ook wantrouwen voelen richting instanties. Dit heeft onder andere te maken met de manier waarop zij in het verleden bejegend zijn. Dit leidt er gezamenlijk toe dat zij er soms voor kiezen om geen beroep op professionele ondersteuning te doen.
Met de Hervormingsagenda Jeugd en het wetsvoorstel Reikwijdte zet het kabinet in op de versterking van lokale teams, zodat gemeenten integrale en samenhangende hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daarnaast werken de Ministeries van BZK, JenV, OCW, SZW en VWS gezamenlijk aan het versterken van de ondersteuning voor gezinnen in een kwetsbare positie, als onderdeel van de Sociale Agenda Nederland die dit jaar wordt ontwikkeld. Deze agenda moet bijdragen aan structurele verbetering en toekomstbestendigheid van het brede sociaal domein zowel op de korte, middellange als de lange termijn. Voor gezinnen in een kwetsbare positie wordt gewerkt aan het versterken van de lokale samenwerking rond gezinnen door meer preventief en integraal te werken. Hierin wordt ook gekeken op welke manier drempels kunnen worden verlaagd, zodat gezinnen tijdig om hulp vragen.
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Vanuit de verschillende ministeries wordt herkend dat veel ouders uitdagingen ervaren bij het combineren van werk en privé en dat dit kan leiden tot een verhoogd stressniveau. Tegelijkertijd is de ervaren werk-privébalans afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gezinssituatie, de werksituatie en de beschikbaarheid van ondersteuning. Het kabinet zet zich daarom in om gezinnen beter te ondersteunen. Zo wordt gewerkt aan een toegankelijke en betaalbare kinderopvang door een fundamentele stelselherziening zodat werkende ouders niet meer te maken krijgen met grote terugvorderingen. Passende verlofregelingen ondersteunen ouders en de ondersteuning aan gezinnen met kinderen wordt versterkt. Zoals aangekondigd zullen wij in de beleidsreactie nader ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een samenhangende benadering van gezinsbeleid, waarbij het perspectief van gezinnen centraal staat. Daarom werkt het kabinet onder meer via de interdepartementale aanpak aan meer samenhang in het beleid dat gezinnen in een kwetsbare positie raakt en aan de ontwikkeling van de Sociale Agenda Nederland.
Daarnaast zet het kabinet stappen om regelingen voor gezinnen eenvoudiger te maken en beter op elkaar te laten aansluiten. Zo is in het coalitieakkoord opgenomen dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd. Hiermee wordt beoogd de inkomensondersteuning voor gezinnen met kinderen zekerder en eenvoudiger te maken. De betrokken ministeries zien deze inzet als een passende invulling van de wens om gezinsbeleid meer in samenhang te bezien.
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Gezinsbeleid raakt verschillende beleidsterreinen en is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere bewindspersonen. Juist daarom werken de betrokken ministeries in het kader van de Sociale Agenda Nederland onder andere aan een meer samenhangende benadering van beleid rond gezinnen in een kwetsbare positie. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om hiervoor één coördinerend Minister aan te wijzen.
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De ministeries zijn reeds in gesprek met de initiatiefnemers van het rapport en waarderen hun betrokkenheid en inzichten. Het gesprek over de bevindingen en aanbevelingen uit De Staat van Gezinnen 2026 wordt gecontinueerd. Zoals benoemd wordt er ook samengewerkt met de partijen in de eerdergenoemde acties van deze brief.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Amerikaanse zorgdeals met Afrikaanse landen |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de Verenigde Staten met inmiddels 27 landen in Afrika en Zuid-Amerika zorgdeals hebben gesloten, waarbij toegang tot gezondheidsdata over virusuitbraken onderdeel is van de afspraken?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de afgesloten Memoranda of Understanding (MoU) tussen de Verenigde Staten en landen in Afrika en Latijns Amerika. De Verenigde Staten blijven een belangrijke speler op het gebied van mondiale gezondheid met een bijdrage van USD 9.6 miljard voor gezondheid wereldwijd.
De VS hebben aangegeven inmiddels 30 overeenkomsten te hebben gesloten. Zij verwachten dat op korte termijn de inhoud van meer overeenkomsten openbaar zal worden. Tevens verklaren zij dat het bilateraal delen van data gaat over twee zaken. Enerzijds gaat het om het delen van data t.a.v. voortgang op de overeenkomsten zelf. Bijvoorbeeld hoeveel begrotingsmiddelen landen zelf beschikbaar maken voor gezondheid in hun landen. Anderzijds gaat het om het delen van data t.a.v. ziekte-uitbraken. De VS geven aan dat persoonlijke patiëntengegevens hier niet onderdeel van zijn. Het gaat om informatie over varianten van ziekteverwekkers, die internationaal met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) worden gedeeld. Nu de VS niet langer lid zijn van de WHO, geven zij aan niet automatisch dergelijke informatie meer te ontvangen. Daardoor zouden Amerikaanse organisaties ook niet kunnen bijdragen aan het indammen van uitbraken van infectieziekten.
Het delen van data met de VS is niet exclusief; het staat landen vrij om informatie te delen met zowel de WHO als de VS. Nederland deelt gezondheidsinformatie met de WHO. Dit kabinet benadrukt de centrale coördinerende rol van de WHO op het gebied van gezondheid. Deze rol is tevens vastgelegd in internationale verdragen. Het kabinet hecht eraan dat de WHO haar taak kan blijven uitvoeren.
Hoe beoordeelt u het morele en geopolitieke risico dat kwetsbare landen, die door eerdere bezuinigingen op ontwikkelingshulp financieel in de knel zijn gekomen, feitelijk worden gedwongen om zeer vergaande voorwaarden te accepteren om essentiële hiv-, tuberculose- of ebolazorg overeind te houden?
De VS heeft decennialang gezondheidszorg in veel Afrikaanse landen gesteund, met name op het gebied van hiv-aids, tuberculose en malaria. Het staat soevereine staten vrij om bilaterale overeenkomsten te sluiten.
Een mogelijk risico van de bilaterale MoU’s is dat met name kwetsbare landen niet op korte termijn eigen of alternatieve vormen van financiering beschikbaar hebben voor essentiële basisgezondheidszorg. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd spoort het landen aan om op meer duurzame wijze eigen begrotingsmiddelen in te zetten voor gezondheid. Nederland blijft zich inspannen voor sterke systemen voor basisgezondheidszorg en voor een meer duurzame financiering van gezondheid in kwetsbare landen. Dat doen we bijvoorbeeld via de Wereldbank en Global Financing Facility (GFF), die via grants en technisch advies landen aanzet tot structurele investeringen in de gezondheid van moeders, kinderen, en kwetsbare groepen. Elke dollar geïnvesteerd in de GFF levert zeven dollar aan additionele investeringen op uit nationaal budget.
Deelt u de mening dat gezondheidsdata over nieuwe virusuitbraken geen onderhandelingsmiddel of verdienmodel mogen worden, maar in de eerste plaats ten dienste moeten staan van mondiale volksgezondheid en een snelle, eerlijke pandemiebestrijding? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het coalitieakkoord, blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is pandemische paraatheid. Gegevensuitwisseling over ziekte-uitbraken is belangrijk voor een goede pandemiebestrijding. Nederland zet daarom in op coördinatie van data-uitwisseling en een sterke mondiale gezondheidsarchitectuur in EU, WHO en VN-verband.
Fragmentatie en parallelle systemen kunnen een risico vormen voor tijdig inzicht in en een gecoördineerde aanpak van een gezondheidscrisis. Dit kabinet blijft voorstander van multilaterale kaders en meer bindende internationale afspraken, zoals onder meer vastgelegd in de Internationale Gezondheidsregeling uit 2005, zodat ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen vroegtijdig worden gesignaleerd en mogelijk voorkomen kunnen worden.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze Amerikaanse zorgdeals de internationale samenwerking binnen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ondermijnen, doordat landen data rechtstreeks met de VS delen in plaats van via multilaterale structuren?
Het internationale systeem van monitoring, surveillance and early warning onder de Internationale Gezondheidsregeling (IGR, 2005) heeft baat bij snelle, wereldwijde informatiedeling over nieuwe en bestaande gezondheidsbedreigingen. Wanneer bilaterale afspraken leiden tot fragmentatie of parallelle systemen kan dat afbreuk doen aan de centrale rol van het internationale systeem dat onder de WHO is opgebouwd. Daardoor kunnen risico’s ontstaan voor de volksgezondheid - en pandemische paraatheid in het bijzonder, ook voor Nederland.
Klopt het dat nog onduidelijk is of deze zorgdeals exclusief zijn, en dus kunnen betekenen dat betrokken landen gezondheidsdata niet of minder vrij met de WHO kunnen delen? Bent u bereid dit te laten uitzoeken?
Zie antwoord op vraag 1. Nederland is in contact met de Verenigde Staten om meer inzicht te krijgen in de inhoud van de MoU’s. Hieruit blijkt dat landen onder deze deals gezondheidsdata kunnen blijven delen met de WHO.
Welke gevolgen kunnen deze deals hebben voor de lopende onderhandelingen in Genève over de uitwisseling van virusinformatie in het kader van het pandemieverdrag?
Zie ook antwoord op vraag 4. Bij de nog lopende onderhandelingen over het Pandemieverdrag zet Nederland in op een verdere uitwisseling van pathogeen materiaal en digitale sequentiedata over pathogenen met pandemisch potentieel, dit via een op te zetten netwerk van bij de WHO aangesloten laboratoria en internationale databases. Dit kabinet acht een dergelijke multilaterale structuur essentieel voor snelle beschikbaarheid van betrouwbare data, effectieve bestrijding van uitbraken en de ontwikkeling van medische producten voor ziekterespons. Nederland blijft hierop inzetten met andere WHO lidstaten en benadrukt dat bilaterale gezondheidsinitiatieven de positie van de WHO als centrale internationale gezondheidsorganisatie niet moeten uithollen.
Welke inzet pleegt Nederland op dit moment, bilateraal en in EU-verband, om juist multilaterale samenwerking op het gebied van pandemische paraatheid, datadeling en eerlijke toegang tot vaccins te versterken?
De kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie zet o.a. in op het versterken van pandemische paraatheid en het tegengaan van grensoverschrijdende gezondheidsdreigingen. Dat doet Nederland door het versterken van systemen voor basisgezondheidszorg, het steunen van organisaties die vaccinatie mogelijk maken en die datadeling over infectieziekten bevorderen. Dat doen we vooral binnen de EU en met multilaterale partners. Nederland benadrukt de centrale rol van de WHO hierin en werkt veelvuldig samen met het Global Fund ter bestrijding van tuberculose, hiv-aids en malaria, en de onder vraag 2 genoemde Global Financing Facility en de Wereldbank. Via Nederlandse bijdragen aan GAVI2 en CEPI3 krijgen o.a. kinderen toegang tot tijdige vaccinatie en worden landen geholpen om systemen voor pandemische paraatheid te versterken.
In de lopende onderhandelingen over de bijlage van het pandemieverdrag pleit Nederland actief voor eerlijke en gelijke toegang tot medische producten. Daarnaast zijn in de wijzigingen van de Internationale Gezondheidsregeling, die binnenkort aan uw Kamer ter goedkeuring worden voorgelegd, afspraken gemaakt over snellere data-analyse en het beschikbaar stellen van medische producten aan ontwikkelingslanden. Tenslotte draagt Nederland bij aan eerlijke toegang tot geneesmiddelen; bijvoorbeeld via de bijdrage aan een Team Europe initiatief op het gebied van lokale productie van gezondheidsproducten in Afrika.
Hoe kijkt u aan tegen het voorbeeld van Zambia, waar zorgsteun ook wordt gekoppeld aan mijnbouwbelangen van Amerikaanse bedrijven? Vindt u het wenselijk dat ontwikkelings- en gezondheidssteun op deze manier wordt verbonden aan strategische grondstoffenbelangen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de signalen dat in landen als Kenia toegang tot complete patiëntensystemen wordt verlangd en dat hierover ook privacyrechtelijke bezwaren zijn gerezen? Vindt u dat internationale gezondheidssteun altijd moet voldoen aan heldere normen voor databescherming, soevereiniteit en proportionaliteit?
De VS geeft aan dat het delen van patiëntengegevens niet onderdeel is van de bilaterale overeenkomst. Het is aan soevereine staten om de privacy rechten van hun burgers te beschermen. Op grond van de Internationale Gezondheidsregeling (IGR, 2005) zijn staten overeengekomen om informatie te delen uit nationale monitoring, nationale surveillance en «early warning» t.a.v. infectieziekten. Dat is in het belang van mondiale gezondheidsveiligheid en is conform nationale wet- en regelgeving over de bescherming van persoonsgegevens.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijke Europese lijn waarin wordt uitgesproken dat mondiale gezondheidsdata, pandemische paraatheid en toegang tot vaccins niet via bilaterale machtsverhoudingen mogen worden uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Het is staand beleid dat NL zich in EU-verband en breder uitspreekt voor een internationale gecoördineerde aanpak van pandemieën en grensoverschrijdende gezondheidsdreigingen. De Mondiale Gezondheidsstrategie is hierin leidend.
Kunt u aangeven hoe u de aangenomen motie Van Ark c.s. uit gaat voeren, waarin verzocht is in kaart te brengen op welke wijze substantiële schuldverlichting in combinatie met innovatieve oplossingen zoals «schuld in ruil voor zorg»-programma’s en publiek-private matching funds vorm zou kunnen krijgen en hoe dit zou kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?2
Uw Kamer wordt hierover in het Verslag van de Voorjaarsvergadering van de Wereldbank geïnformeerd.
Kunt u aangeven of – en zo ja, hoe – Nederland via de EU, de WHO of andere multilaterale fondsen op andere manieren kan bijdragen aan het versterken van gezondheidssystemen in Afrikaanse landen, zodat zij minder afhankelijk worden van dit soort onevenwichtige deals?
In de huidige context is het verstandig dat Afrikaanse landen zelf meer aan het stuur zitten van hun eigen gezondheidsbeleid. Dat vereist hogere nationale budgetten voor gezondheid, meer duurzame gezondheidsfinanciering en een grotere inzet op versterking van gezondheidssystemen. Nederland draagt bij aan programma’s van o.a. de Wereldbank, WHO en UNFPA die de eigenstandige sturing van deze landen en een structurele versterking van gezondheidssystemen dichterbij brengen. Het gaat bijvoorbeeld om het inzetten van internationale steun als prikkel voor meer structurele investeringen van de landen zelf in de gezondheid van moeders, kinderen, en kwetsbare groepen. Het gaat ook om technisch advies over prioriteitstelling op basis van realtime gezondheidsdata. Private partners spelen een aanjagende rol in innovaties. Uiteindelijke doel is dat Afrikaanse landen op termijn minder afhankelijk worden van internationale steun voor gezondheid.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de manier waarop Nederland zich de komende maanden in EU-, WHO- en VN-verband zal inzetten om eerlijke datadeling, sterke gezondheidssystemen en gelijke toegang tot medische tegenmaatregelen te beschermen?
Ja, dit nemen we mee in de Kamerbrief over de voortgangsrapportage van de Nederlandse Mondiale Gezondheidsstrategie 2023–2030, die later dit jaar naar uw Kamer wordt gestuurd.
Het bericht 'Pensioengat van honderden miljoenen veroorzaakt door dubieuze interpretatie van Pensioenwet' |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pensioengat van honderden miljoenen veroorzaakt door dubieuze interpretatie van Pensioenwet» van Follow the Money?1
Kunt u uiteenzetten welke specifieke waarborgen voor het voorkomen van nadelige gevolgen van baanwisseling voor de compensatieregeling zijn opgenomen rondom de Wet toekomst pensioenen? Hoe verhoudt dit zich tot de huidige situatie waarbij veel deelnemers toch de compensatie mislopen of nog dreigen mis te lopen?
Wat is uw interpretatie en uitleg van artikel 150f van de Wet toekomst pensioenen, die bepaalt dat compensatie tijdsevenredig wordt toegekend gedurende een compensatieperiode? Zijn er vanaf de behandeling van de wet tot nu toe verschillende interpretaties van dit artikel geweest door de juridisch adviseurs en bewindspersonen?
Hoe beoordeelt u de keuze van veel pensioenfondsen om compensatie uitsluitend op het transitietijdstip toe te kennen? Acht de Minister deze uitvoeringspraktijk in overeenstemming met de bedoeling van artikel 150f en de daarbij behorende wetsgeschiedenis?
Wanneer is binnen uw ministerie voor het eerst bekend geworden dat werknemers door baanwisseling compensatie konden mislopen of juist dubbel konden ontvangen? Is toen (juridisch) getoetst in hoeverre dit conflicteerde met de artikelen van de Wet toekomst pensioenen?
Hoe beoordeelt u de informatievoorziening door pensioenfondsen, sociale partners en de gezamenlijke communicatie via pensioenvoorlichtingskanalen, zowel destijds als ook nu? Acht u de huidige informatievoorziening toereikend, ook gezien de bevindingen van het artikel in Follow The Money wat erop wijst dat ook nu de communicatie nog niet optimaal is?
Neemt de regeringscommissaris transitie pensioenen bovenstaande wetgeschiedenis, desbetreffende wetsartikelen, de eerdere en huidige communicatie mee in haar zoektocht naar een passende (en uitvoerbare) oplossing?
EU delegated cooperation |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie Klink/Amhaouch waarin verzocht werd meer EU-gelden door middel van delegated cooperation (EU-DC) aan te wenden?1
Ja.
Klopt het dat het bedrag dat Nederland in 2025 aan EU-DC gemobiliseerd heeft € 243 miljoen bedraagt, terwijl de doelstelling conform de aangenomen motie Kamminga zou moeten zijn dat dit bedrag de komende jaren vergroot moet worden naar ten minste 1 miljard euro?2 3
Het totaal dat Nederland aan EU-DC mobiliseert bestaat uit bedragen voor projecten die worden toegekend aan Nederlandse partijen en uit garanties die de Europese Commissie aan Nederlandse partijen alloceert. Het bedrag dat Nederland tot januari 2026 middels EU-DC heeft gemobiliseerd voor projecten is EUR 243 miljoen. Inmiddels is dit bedrag opgelopen tot EUR 318 miljoen. Daarnaast werd door Nederland voor circa 1,8 miljard euro aan garanties gemobiliseerd. Garanties worden net als bijdragen gerealiseerd door EU-DC. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting bij de begroting van 2026 wil het kabinet het instrument van Delegated Cooperation in toenemende mate toepassen.
Kunt u de huidige stand van zaken geven van EU delegated cooperation (EU-DC) en de ambitie voor de komende jaren, inclusief een concrete streefwaarde en tijdpad in relatie tot de hiervoor genoemde moties?
Zie beantwoording vraag 2 voor de huidige stand van zaken.
Aangezien Nederland bij de toepassing van EU-DC afhankelijk is van de (procedures en besluitvorming van de) EC en omdat het budget onder het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 nog niet bekend is, is het in deze fase niet mogelijk een realistische inschatting van een tijdspad met concrete streefwaarden per jaar te geven. Ik kan u verzekeren dat het kabinet vol inzet op toepassing van EU-DC.
Kunt u hierbij ook ingaan op hoe Nederlandse organisaties actiever ondersteund kunnen worden bij het verkrijgen van EU-DC-middelen (zoals voorlichting, capaciteitsopbouw, en hulp bij contractvorming met de Europese Commissie)?
Momenteel worden Nederlandse organisaties op verschillende manieren ondersteund om beter gebruik te kunnen maken van EU-DC-middelen. Zowel in Brussel als in de partnerlanden zet het kabinet zich in contacten met de Europese Commissie (waaronder DG INTPA, NEAR en MENA) in voor goede en transparante toegang van Nederlandse bedrijven, NGOs en kennisinstellingen tot relevante EU-programmering en instrumenten. Daarnaast informeert het Ministerie van Buitenlandse Zaken via voorlichting en bijeenkomsten over relevante beleidsontwikkelingen en mogelijkheden om aan te sluiten bij EU-programma’s.
Ook is binnen het ministerie een EU Support Facility ingericht die organisaties ondersteunt bij contractvorming wanneer gebruik wordt gemaakt van de DGIS-accreditatie; de capaciteit hiervan is recent uitgebreid.
Tegelijkertijd blijven er uitdagingen bij de totstandkoming van EU-DC-projecten, zowel in Brussel als aan de Nederlandse kant. Het vergt inzet op verschillende terreinen om toegang te krijgen tot EU-DC-middelen, waarbij in iedere fase moet worden bezien wat mogelijk is, ook binnen de geldende juridische en procedurele kaders. Het ministerie gaat graag verder in gesprek met de Nederlandse sector om samen te bezien hoe de toegang structureel kan worden verbeterd. Het kabinet ziet dit nadrukkelijk als een gezamenlijke opgave van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Kunt u een overzicht geven van de besteding van de € 243 miljoen aan EU-DC in 2025: door welke organisaties, in welke landen, op welke thema's, en welk deel al besteed is versus nog openstaat als lopende verplichting?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 is het tot op heden vastgelegde bedrag van de EU inmiddels opgelopen naar EUR 318 miljoen. Hiervan is ongeveer 40% reeds ontvangen van de EU. Projecten hebben verschillende looptijden en worden medegefinancierd door de Nederlandse overheid en andere EU-lidstaten. Het betreft projecten in Afrika, Latijns Amerika en Oost Europa op de sectoren: Landbouw, Voedselzekerheid, Agro-logistiek, Jeugdwerkgelegenheid, Goed bestuur, Water, Justitie, Migratie, Veiligheid, Cyber, Gezondheid, Energie en Kritieke Grondstoffen. Aangezien een deel van de projecten thematisch en/of regionaal is, kan geen uitsplitsing per land worden gegeven.
Klopt het dat Nederland, anders dan Duitsland (Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit(GIZ), en de KfW) en Frankrijk (Agence Française de Développement (AFD), en Expertise France), geen grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking?
Het klopt dat Nederland in tegenstelling tot de meeste EU lidstaten niet één grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking.
Zo ja, maakt dit het voor Nederland volgens u moeilijker om EU-DC-middelen te verkrijgen (minder capaciteit, trackrecord of programmeringsinvloed)?
Het klopt dat er nadelen kunnen zitten aan het ontbreken van één grote uitvoeringsorganisatie, zoals bijvoorbeeld in Duitsland en Frankrijk, op een of meerdere van de door u genoemde aspecten.
Tegelijkertijd biedt het Nederlandse model met een divers landschap van (gespecialiseerde) uitvoerders ook de nodige voordelen, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibiliteit en expertise op een brede waaier van thema’s. De accreditatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt mede ingezet om deze expertise te ontsluiten voor EU-DC projecten.
Gelet op het feit dat het werkterrein van de EC in toenemende mate ook betrekking heeft op sectoren buiten de traditionele ontwikkelingssamenwerking (zoals bijvoorbeeld veiligheid, energie, migratie, kritieke grondstoffen, digitalisering etc.), hebben we als Nederland een goede uitgangspositie om ook in de toekomst goed in te kunnen spelen op nieuwe kansen voor het aantrekken van EU-financiering. Daarbij richten we ons niet alleen op financiering van DG INTPA, maar ook van andere DGs (ENEST, MENA, HOME, ECHO, etc.).
Zijn er naast Buitenlandse Zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) andere Nederlandse organisaties die in aanmerking komen om geaccrediteerd te worden als uitvoeringspartner onder Delegated Cooperation (het zogeheten pillar assessment)? Zo ja, welke stappen onderneemt het kabinet om accreditatie te ondersteunen?
Naast Buitenlandse zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) kunnen organisaties die voldoen aan de eisen van de EU Financial Regulation van de Europese Commissie in principe in aanmerking komen voor accreditatie. De beoordeling hiervan ligt bij de EC. De EC gaat hier momenteel zeer terughoudend mee om, hetgeen de ruimte beperkt voor lidstaten en Nederland.
Met betrekking tot de te ondernemen stappen zal het kabinet daarom alleen accreditatie actief ondersteunen bij een evident publiek belang.
Erkent u dat EU-DC, juist bij dalende Official Development Assistance (ODA)-budgetten, als multiplier kan werken om Europese middelen te mobiliseren ter compensatie van dalende nationale middelen? Hoe wordt dit uitgangspunt concreet in beleid vertaald?
Het kabinet erkent dat EU-DC mogelijkheden biedt om meer Nederlandse kennis en kunde in te zetten ter versterking van Europees beleid en uitvoering en om de impact van de Nederlandse inzet te vergroten. EU-DC kan daarbij echter niet worden gezien als een instrument waarmee dalende ODA-middelen één-op-één kunnen worden gecompenseerd. De beschikbaarheid, omvang en inzet van EU-middelen worden bepaald binnen de programmering en prioriteiten van de EC.
Door intensievere samenwerking met de Europese Commissie op verschillende niveaus zowel in Brussel als in de partnerlanden zet Nederland er op in dat EU-programmering aansluit bij Nederlandse beleidsprioriteiten. Zo kan met Europese middelen onze eigen inzet op thema’s en landen worden geïntensiveerd en versterkt het kabinet met de Nederlandse inzet de Europese positie.
Wordt bij de heroriëntatie van het postennet en de personele taakstelling rekening gehouden met de extra capaciteit die uitvoering van EU-DC-projecten op ambassades vergt?
Ondanks de personele taakstelling van het afgelopen jaar, heeft het Ministerie geïnvesteerd in additionele capaciteit op het ministerie om de ambitie op EU-DC waar te kunnen maken. Posten kunnen een beroep doen op deze extra capaciteit, met name in de ontwikkelfase van EU-DC projecten. Na ondertekening van contracten is het uitgangspunt dat de benodigde capaciteit op ambassades voor de uitvoering van EU-DC projecten vooral wordt gefinancierd uit EU-projectmiddelen.
Bent u bereid om, met de nieuwe verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag 2026, EU-delegated cooperation als apart en meetbaar onderdeel op te nemen met een vaste jaarlijkse streefwaarde?
Het kabinet zet vol in op toepassing van EU-DC, als middel om Europees ontwikkelingsbeleid effectiever te maken met Nederlandse kennis en kunde. Vanuit deze optiek zal hierover ook verantwoording worden afgelegd in het jaarverslag. Het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 en de uitwerking hiervan zullen van invloed zijn op de mate waarin Nederlandse kennis en kunde kan worden ingezet. Hier kan ik nog niet op vooruit lopen.
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het commissiedebat over het BHOS-deel van de beleidsbrief buitenlandse zaken op 9 september?
Ja.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Elles van Ark (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Ja, ik ben bekend met het rapport De Staat van Gezinnen 2026.
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
De aanbevelingen uit het rapport zien de drie ministeries als een waardevolle bijdrage aan het gesprek over de positie en ondersteuning van gezinnen. Een aantal van de aanbevelingen sluit aan bij het beleid dat momenteel wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Dit wordt hieronder verder uitgewerkt.
Ouders zijn de basis voor een goede ontwikkeling van kinderen. Daarom is het van groot belang om ouders te ondersteunen en te investeren in hun welzijn en in een sterke, ondersteunende opvoedomgeving. Dat is niet alleen van waarde voor ouders zelf, maar legt ook het fundament voor een gezonde en kansrijke volgende generatie. Daarom is binnen de Hervormingsagenda Jeugd expliciet aandacht voor het versterken van ouders en hun opvoedomgeving. In dat kader zijn verschillende acties in gang gezet, waaronder:
Het platform versterkt de pedagogische basis rondom gezinnen, stimuleert onderlinge steun tussen ouders en draagt bij aan een preventieve aanpak waarin ouders zich gehoord voelen en tijdig ondersteuning kunnen vinden.
Ook vanuit de Versterkingsagenda Mentale gezondheid en GGZ is binnen de leefomgeving «mentaal gezonde gezinnen» aandacht voor het welbevinden van ouders. Recent heeft het Ministerie van VWS – in samenwerking met Kansrijke Start – aan de GGD West Brabant de opdracht gegeven om het thema Welbevinden van Ouders verder op de agenda te zetten binnen het brede veld van ouders, professionals en bestuurders, én toe te werken naar concrete implementatie binnen bestaande programma's en praktijken. De Gesprekstool Welbevinden van Ouders gaat volgens het concept van een ouderwetse kettingbrief op «tour» in de netwerken van ouders, professionals en bestuurders door het delen van ervaringen, inzichten en persoonlijke reflecties. Ook wordt via «thema-dating» verkend hoe het thema welbevinden van ouders binnen bestaande opvoedinterventies, programma’s en werkwijzen (nog beter) geïmplementeerd kan worden. Denk aan: centering pregnancy/parenting, stevig ouderschap, Home-Start en Triple P. De resultaten hiervan worden eind dit jaar met de Kamer gedeeld.
Binnen de structurele aanpak Kansrijke Start staat het versterken van ouders en gezinnen centraal. In de bijbehorende actieagenda heeft het inhoudelijke thema «Sterke Ouders, Kansrijke Kinderen» de komende jaren extra prioriteit. Hierbij is aandacht voor zowel de fysieke als mentale gezondheid van ouders, als ook de sociale omstandigheden waarin gezinnen opgroeien. Binnen dit thema zet ik in op het versterken van de sociale en pedagogische basis in de eerste 1.000 dagen, het voorbereiden op en ondersteunen bij (toekomstig) ouderschap, betrouwbare voorlichting en informatie in de eerste 1.000 dagen. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om structureel te investeren in Kansrijke Start. Het kabinet maakt voor deze aanpak extra geld vrij en werkt momenteel uit hoe de inzet – zoals beschreven in het coalitieakkoord – op Kansrijke start eruit komt te zien.
Ten aanzien van de aanbeveling in het rapport over een gezinsvisie merk ik op dat in het kader van de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie het afgelopen jaar is gewerkt aan een visie op (de ondersteuning van) deze gezinnen die vaak te kampen hebben met problematiek op verschillende leefdomeinen. Denk bijvoorbeeld aan armoede of schulden, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Deze gezinnen hebben tijdige hulp en ondersteuning nodig op meerdere aandachtsgebieden, en daarom gaat er extra aandacht van het Kabinet uit naar deze groep gezinnen. De Kamer is hierover inmiddels geïnformeerd2. Deze visie biedt een gezamenlijk kader voor de wijze waarop het kabinet vanuit verschillende beleidsterreinen naar gezinnen in een kwetsbare positie kijkt en hen wil ondersteunen.
Zoals blijkt uit bovenstaande aanpakken, onderschrijft het kabinet het belang van een samenhangende benadering van gezinnen. Daarom zet het kabinet hierop in.
Het kabinet ziet geen noodzaak om naast deze inzet ook nog een afzonderlijke integrale gezinsvisie op te stellen. De opgave ligt vooral in het verder versterken en het dichter bij elkaar brengen van beleid, aanpakken en ondersteuning in de praktijk, zodat gezinnen hiervan daadwerkelijk de meerwaarde ervaren.
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Ja. Wij zullen uw Kamer een inhoudelijke beleidsreactie op het rapport toezenden. Daarin zullen wij ingaan op de aanbevelingen uit het rapport en aangeven hoe deze zich verhouden tot het kabinetsbeleid.
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat ouders het systeem als versnipperd ervaren. Dit blijkt ook uit het onderzoek van Significant dat in maart door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan uw Kamer is aangeboden3. Ouders geven aan dat informatie over ondersteuningsmogelijkheden soms moeilijk te vinden is of ontoegankelijk is. Vaak moeten zij voor verschillende hulpvragen op verschillende plaatsen om hulp vragen. Op die plaatsen worden vervolgens ook weer verschillende procedures gehanteerd. Dit maakt het voor ouders ingewikkeld en dit veroorzaakt stress en angst. Daarnaast hoor ik regelmatig dat ouders door eerdere ervaringen terughoudend zijn om hulp te vragen en soms ook wantrouwen voelen richting instanties. Dit heeft onder andere te maken met de manier waarop zij in het verleden bejegend zijn. Dit leidt er gezamenlijk toe dat zij er soms voor kiezen om geen beroep op professionele ondersteuning te doen.
Met de Hervormingsagenda Jeugd en het wetsvoorstel Reikwijdte zet het kabinet in op de versterking van lokale teams, zodat gemeenten integrale en samenhangende hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daarnaast werken de Ministeries van BZK, JenV, OCW, SZW en VWS gezamenlijk aan het versterken van de ondersteuning voor gezinnen in een kwetsbare positie, als onderdeel van de Sociale Agenda Nederland die dit jaar wordt ontwikkeld. Deze agenda moet bijdragen aan structurele verbetering en toekomstbestendigheid van het brede sociaal domein zowel op de korte, middellange als de lange termijn. Voor gezinnen in een kwetsbare positie wordt gewerkt aan het versterken van de lokale samenwerking rond gezinnen door meer preventief en integraal te werken. Hierin wordt ook gekeken op welke manier drempels kunnen worden verlaagd, zodat gezinnen tijdig om hulp vragen.
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Vanuit de verschillende ministeries wordt herkend dat veel ouders uitdagingen ervaren bij het combineren van werk en privé en dat dit kan leiden tot een verhoogd stressniveau. Tegelijkertijd is de ervaren werk-privébalans afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gezinssituatie, de werksituatie en de beschikbaarheid van ondersteuning. Het kabinet zet zich daarom in om gezinnen beter te ondersteunen. Zo wordt gewerkt aan een toegankelijke en betaalbare kinderopvang door een fundamentele stelselherziening zodat werkende ouders niet meer te maken krijgen met grote terugvorderingen. Passende verlofregelingen ondersteunen ouders en de ondersteuning aan gezinnen met kinderen wordt versterkt. Zoals aangekondigd zullen wij in de beleidsreactie nader ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een samenhangende benadering van gezinsbeleid, waarbij het perspectief van gezinnen centraal staat. Daarom werkt het kabinet onder meer via de interdepartementale aanpak aan meer samenhang in het beleid dat gezinnen in een kwetsbare positie raakt en aan de ontwikkeling van de Sociale Agenda Nederland.
Daarnaast zet het kabinet stappen om regelingen voor gezinnen eenvoudiger te maken en beter op elkaar te laten aansluiten. Zo is in het coalitieakkoord opgenomen dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd. Hiermee wordt beoogd de inkomensondersteuning voor gezinnen met kinderen zekerder en eenvoudiger te maken. De betrokken ministeries zien deze inzet als een passende invulling van de wens om gezinsbeleid meer in samenhang te bezien.
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Gezinsbeleid raakt verschillende beleidsterreinen en is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere bewindspersonen. Juist daarom werken de betrokken ministeries in het kader van de Sociale Agenda Nederland onder andere aan een meer samenhangende benadering van beleid rond gezinnen in een kwetsbare positie. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om hiervoor één coördinerend Minister aan te wijzen.
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De ministeries zijn reeds in gesprek met de initiatiefnemers van het rapport en waarderen hun betrokkenheid en inzichten. Het gesprek over de bevindingen en aanbevelingen uit De Staat van Gezinnen 2026 wordt gecontinueerd. Zoals benoemd wordt er ook samengewerkt met de partijen in de eerdergenoemde acties van deze brief.
Amerikaanse zorgdeals met Afrikaanse landen |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de Verenigde Staten met inmiddels 27 landen in Afrika en Zuid-Amerika zorgdeals hebben gesloten, waarbij toegang tot gezondheidsdata over virusuitbraken onderdeel is van de afspraken?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de afgesloten Memoranda of Understanding (MoU) tussen de Verenigde Staten en landen in Afrika en Latijns Amerika. De Verenigde Staten blijven een belangrijke speler op het gebied van mondiale gezondheid met een bijdrage van USD 9.6 miljard voor gezondheid wereldwijd.
De VS hebben aangegeven inmiddels 30 overeenkomsten te hebben gesloten. Zij verwachten dat op korte termijn de inhoud van meer overeenkomsten openbaar zal worden. Tevens verklaren zij dat het bilateraal delen van data gaat over twee zaken. Enerzijds gaat het om het delen van data t.a.v. voortgang op de overeenkomsten zelf. Bijvoorbeeld hoeveel begrotingsmiddelen landen zelf beschikbaar maken voor gezondheid in hun landen. Anderzijds gaat het om het delen van data t.a.v. ziekte-uitbraken. De VS geven aan dat persoonlijke patiëntengegevens hier niet onderdeel van zijn. Het gaat om informatie over varianten van ziekteverwekkers, die internationaal met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) worden gedeeld. Nu de VS niet langer lid zijn van de WHO, geven zij aan niet automatisch dergelijke informatie meer te ontvangen. Daardoor zouden Amerikaanse organisaties ook niet kunnen bijdragen aan het indammen van uitbraken van infectieziekten.
Het delen van data met de VS is niet exclusief; het staat landen vrij om informatie te delen met zowel de WHO als de VS. Nederland deelt gezondheidsinformatie met de WHO. Dit kabinet benadrukt de centrale coördinerende rol van de WHO op het gebied van gezondheid. Deze rol is tevens vastgelegd in internationale verdragen. Het kabinet hecht eraan dat de WHO haar taak kan blijven uitvoeren.
Hoe beoordeelt u het morele en geopolitieke risico dat kwetsbare landen, die door eerdere bezuinigingen op ontwikkelingshulp financieel in de knel zijn gekomen, feitelijk worden gedwongen om zeer vergaande voorwaarden te accepteren om essentiële hiv-, tuberculose- of ebolazorg overeind te houden?
De VS heeft decennialang gezondheidszorg in veel Afrikaanse landen gesteund, met name op het gebied van hiv-aids, tuberculose en malaria. Het staat soevereine staten vrij om bilaterale overeenkomsten te sluiten.
Een mogelijk risico van de bilaterale MoU’s is dat met name kwetsbare landen niet op korte termijn eigen of alternatieve vormen van financiering beschikbaar hebben voor essentiële basisgezondheidszorg. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd spoort het landen aan om op meer duurzame wijze eigen begrotingsmiddelen in te zetten voor gezondheid. Nederland blijft zich inspannen voor sterke systemen voor basisgezondheidszorg en voor een meer duurzame financiering van gezondheid in kwetsbare landen. Dat doen we bijvoorbeeld via de Wereldbank en Global Financing Facility (GFF), die via grants en technisch advies landen aanzet tot structurele investeringen in de gezondheid van moeders, kinderen, en kwetsbare groepen. Elke dollar geïnvesteerd in de GFF levert zeven dollar aan additionele investeringen op uit nationaal budget.
Deelt u de mening dat gezondheidsdata over nieuwe virusuitbraken geen onderhandelingsmiddel of verdienmodel mogen worden, maar in de eerste plaats ten dienste moeten staan van mondiale volksgezondheid en een snelle, eerlijke pandemiebestrijding? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het coalitieakkoord, blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is pandemische paraatheid. Gegevensuitwisseling over ziekte-uitbraken is belangrijk voor een goede pandemiebestrijding. Nederland zet daarom in op coördinatie van data-uitwisseling en een sterke mondiale gezondheidsarchitectuur in EU, WHO en VN-verband.
Fragmentatie en parallelle systemen kunnen een risico vormen voor tijdig inzicht in en een gecoördineerde aanpak van een gezondheidscrisis. Dit kabinet blijft voorstander van multilaterale kaders en meer bindende internationale afspraken, zoals onder meer vastgelegd in de Internationale Gezondheidsregeling uit 2005, zodat ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen vroegtijdig worden gesignaleerd en mogelijk voorkomen kunnen worden.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze Amerikaanse zorgdeals de internationale samenwerking binnen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ondermijnen, doordat landen data rechtstreeks met de VS delen in plaats van via multilaterale structuren?
Het internationale systeem van monitoring, surveillance and early warning onder de Internationale Gezondheidsregeling (IGR, 2005) heeft baat bij snelle, wereldwijde informatiedeling over nieuwe en bestaande gezondheidsbedreigingen. Wanneer bilaterale afspraken leiden tot fragmentatie of parallelle systemen kan dat afbreuk doen aan de centrale rol van het internationale systeem dat onder de WHO is opgebouwd. Daardoor kunnen risico’s ontstaan voor de volksgezondheid - en pandemische paraatheid in het bijzonder, ook voor Nederland.
Klopt het dat nog onduidelijk is of deze zorgdeals exclusief zijn, en dus kunnen betekenen dat betrokken landen gezondheidsdata niet of minder vrij met de WHO kunnen delen? Bent u bereid dit te laten uitzoeken?
Zie antwoord op vraag 1. Nederland is in contact met de Verenigde Staten om meer inzicht te krijgen in de inhoud van de MoU’s. Hieruit blijkt dat landen onder deze deals gezondheidsdata kunnen blijven delen met de WHO.
Welke gevolgen kunnen deze deals hebben voor de lopende onderhandelingen in Genève over de uitwisseling van virusinformatie in het kader van het pandemieverdrag?
Zie ook antwoord op vraag 4. Bij de nog lopende onderhandelingen over het Pandemieverdrag zet Nederland in op een verdere uitwisseling van pathogeen materiaal en digitale sequentiedata over pathogenen met pandemisch potentieel, dit via een op te zetten netwerk van bij de WHO aangesloten laboratoria en internationale databases. Dit kabinet acht een dergelijke multilaterale structuur essentieel voor snelle beschikbaarheid van betrouwbare data, effectieve bestrijding van uitbraken en de ontwikkeling van medische producten voor ziekterespons. Nederland blijft hierop inzetten met andere WHO lidstaten en benadrukt dat bilaterale gezondheidsinitiatieven de positie van de WHO als centrale internationale gezondheidsorganisatie niet moeten uithollen.
Welke inzet pleegt Nederland op dit moment, bilateraal en in EU-verband, om juist multilaterale samenwerking op het gebied van pandemische paraatheid, datadeling en eerlijke toegang tot vaccins te versterken?
De kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie zet o.a. in op het versterken van pandemische paraatheid en het tegengaan van grensoverschrijdende gezondheidsdreigingen. Dat doet Nederland door het versterken van systemen voor basisgezondheidszorg, het steunen van organisaties die vaccinatie mogelijk maken en die datadeling over infectieziekten bevorderen. Dat doen we vooral binnen de EU en met multilaterale partners. Nederland benadrukt de centrale rol van de WHO hierin en werkt veelvuldig samen met het Global Fund ter bestrijding van tuberculose, hiv-aids en malaria, en de onder vraag 2 genoemde Global Financing Facility en de Wereldbank. Via Nederlandse bijdragen aan GAVI2 en CEPI3 krijgen o.a. kinderen toegang tot tijdige vaccinatie en worden landen geholpen om systemen voor pandemische paraatheid te versterken.
In de lopende onderhandelingen over de bijlage van het pandemieverdrag pleit Nederland actief voor eerlijke en gelijke toegang tot medische producten. Daarnaast zijn in de wijzigingen van de Internationale Gezondheidsregeling, die binnenkort aan uw Kamer ter goedkeuring worden voorgelegd, afspraken gemaakt over snellere data-analyse en het beschikbaar stellen van medische producten aan ontwikkelingslanden. Tenslotte draagt Nederland bij aan eerlijke toegang tot geneesmiddelen; bijvoorbeeld via de bijdrage aan een Team Europe initiatief op het gebied van lokale productie van gezondheidsproducten in Afrika.
Hoe kijkt u aan tegen het voorbeeld van Zambia, waar zorgsteun ook wordt gekoppeld aan mijnbouwbelangen van Amerikaanse bedrijven? Vindt u het wenselijk dat ontwikkelings- en gezondheidssteun op deze manier wordt verbonden aan strategische grondstoffenbelangen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de signalen dat in landen als Kenia toegang tot complete patiëntensystemen wordt verlangd en dat hierover ook privacyrechtelijke bezwaren zijn gerezen? Vindt u dat internationale gezondheidssteun altijd moet voldoen aan heldere normen voor databescherming, soevereiniteit en proportionaliteit?
De VS geeft aan dat het delen van patiëntengegevens niet onderdeel is van de bilaterale overeenkomst. Het is aan soevereine staten om de privacy rechten van hun burgers te beschermen. Op grond van de Internationale Gezondheidsregeling (IGR, 2005) zijn staten overeengekomen om informatie te delen uit nationale monitoring, nationale surveillance en «early warning» t.a.v. infectieziekten. Dat is in het belang van mondiale gezondheidsveiligheid en is conform nationale wet- en regelgeving over de bescherming van persoonsgegevens.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijke Europese lijn waarin wordt uitgesproken dat mondiale gezondheidsdata, pandemische paraatheid en toegang tot vaccins niet via bilaterale machtsverhoudingen mogen worden uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Het is staand beleid dat NL zich in EU-verband en breder uitspreekt voor een internationale gecoördineerde aanpak van pandemieën en grensoverschrijdende gezondheidsdreigingen. De Mondiale Gezondheidsstrategie is hierin leidend.
Kunt u aangeven hoe u de aangenomen motie Van Ark c.s. uit gaat voeren, waarin verzocht is in kaart te brengen op welke wijze substantiële schuldverlichting in combinatie met innovatieve oplossingen zoals «schuld in ruil voor zorg»-programma’s en publiek-private matching funds vorm zou kunnen krijgen en hoe dit zou kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?2
Uw Kamer wordt hierover in het Verslag van de Voorjaarsvergadering van de Wereldbank geïnformeerd.
Kunt u aangeven of – en zo ja, hoe – Nederland via de EU, de WHO of andere multilaterale fondsen op andere manieren kan bijdragen aan het versterken van gezondheidssystemen in Afrikaanse landen, zodat zij minder afhankelijk worden van dit soort onevenwichtige deals?
In de huidige context is het verstandig dat Afrikaanse landen zelf meer aan het stuur zitten van hun eigen gezondheidsbeleid. Dat vereist hogere nationale budgetten voor gezondheid, meer duurzame gezondheidsfinanciering en een grotere inzet op versterking van gezondheidssystemen. Nederland draagt bij aan programma’s van o.a. de Wereldbank, WHO en UNFPA die de eigenstandige sturing van deze landen en een structurele versterking van gezondheidssystemen dichterbij brengen. Het gaat bijvoorbeeld om het inzetten van internationale steun als prikkel voor meer structurele investeringen van de landen zelf in de gezondheid van moeders, kinderen, en kwetsbare groepen. Het gaat ook om technisch advies over prioriteitstelling op basis van realtime gezondheidsdata. Private partners spelen een aanjagende rol in innovaties. Uiteindelijke doel is dat Afrikaanse landen op termijn minder afhankelijk worden van internationale steun voor gezondheid.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de manier waarop Nederland zich de komende maanden in EU-, WHO- en VN-verband zal inzetten om eerlijke datadeling, sterke gezondheidssystemen en gelijke toegang tot medische tegenmaatregelen te beschermen?
Ja, dit nemen we mee in de Kamerbrief over de voortgangsrapportage van de Nederlandse Mondiale Gezondheidsstrategie 2023–2030, die later dit jaar naar uw Kamer wordt gestuurd.
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Ja.
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het betreffende land. Alle landen van het Koninkrijk zijn gehouden aan de EU sanctielijst. Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Er is bij MT Regina geen sprake van overtreding van EU-sancties bij het aanmeren van deze schepen in de havens van Curaçao.
Schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole. Daarmee is meer feitelijk vast te stellen of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Tijdens het eerste bezoek van de MT Regina aan Curaçao op 15 januari is een havenstaatcontrole uitgevoerd door de Curaçaose autoriteiten.
Verificatie van detail gegevens is complex en vereist toegang tot bepaalde informatie. Die is niet altijd ter plaatse voorhanden zoals ook in dit geval. Na de inspectie is het schip vertrokken en is het inspectierapport, voor advies en ter informatie, door Curaçao gedeeld met Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Onder coördinatie van de KMA werken de vier landen van het Koninkrijk op maritiem gebied samen3. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd maar in ad hoc situaties wordt er informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot collegiale expertise en advies gegeven.
De KMA heeft hierop Nederlandse experts (waaronder ILT) gevraagd informatie na te trekken via diverse (specialistische) bronnen. Hieruit werd bevestigd dat het schip onder andere een valse vlag voerde. Zoals verwoord in antwoord op vraag 4 van de leden Van Oosterhout en Tseggai, valt het voeren van een valse vlag niet onder de (EU) sancties.
Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Een Maritime Mobile Service Identity (MMSI) is een uniek, negen-cijferig nummer dat in de maritieme communicatie wordt gebruikt om communicatieapparatuur van schepen en kuststations te identificeren. Het MMSI-nummer wordt verstrekt door het land waar het schip geregistreerd is (vlagstaat).
De Curaçaose autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld met daarbij het advies bepaalde informatie aan boord diepgrondiger te verifiëren in geval van een nieuw havenbezoek. Dat is gebeurd op 26 januari waarop het schip is aangehouden. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Buitenlandse Zaken was hiervan voor het eerst op de hoogte op 21 januari. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 hierboven en antwoord op vraag 5 van de leden Van Oosterhout en Tseggai.
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de vier landen van het Koninkrijk samen op maritiem gebied. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd via geplande vergaderingen maar in ad hoc situaties wordt er (bilateraal) informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot expertise en advies gegeven. Buitenlandse zaken is geen direct betrokken partij wanneer het maritieme aangelegenheden (zoals een havenstaatcontrole) betreft, wel wordt er nauw samengewerkt wanneer het sancties en sanctienaleving betreft. Daarvan lijkt hier echter geen sprake zoals toegelicht onder vraag 2. Er was derhalve geen directe aanleiding voor contact met Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
De veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de bemanning zijn internationaal geregeld op grond van het MLC-verdrag.4 De verantwoordelijkheid voor de bemanning aan boord van zeeschepen ligt primair bij de reder/scheepsbeheerder en secundair bij de vlagstaat. Bij het in gebreke blijven van voornoemde partijen, komt de kuststaat (Curaçao) in beeld.
De Maritieme Autoriteit Curaçao meldt dat zij in goed contact is met de scheepsagent. Daarnaast monitort zij de situatie met de bemanning aan boord. Enkele bemanningsleden hebben toestemming gekregen te vertrekken. De betaling, welzijn en verzorging van de bemanning zijn nog niet in gevaar.
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend ten aanzien van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving ervan. De handhaving van sancties binnen de jurisdictie van Curaçao is echter aan de autoriteiten van Curaçao. Beide schepen komen niet voor op een EU-sanctielijst. Daarmee is er geen harde weigeringsgrond zoals toegelicht in eerdere antwoorden. De Volans komt voor op diverse andere sanctielijsten, de Albedo niet. De EU heeft echter geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch is zij gehouden aan andere sanctielijsten.
Informatie en procedures worden voortdurend bekeken, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig; in de landen zelf en tussen de vier landen van het Koninkrijk middels samenwerking onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Zo ook ten aanzien van de pre-arrival procedure. De autoriteiten op Curaçao evalueren met alle relevante instanties de bestaande procedure en passen deze aan waar nodig. Ook de reikwijdte en juridische mogelijkheden van ontzeggende procedures, met name op EU gesanctioneerde schepen, wordt beschouwd in samenwerking met de Kustwacht Caribisch Gebied. De KMA is hierover geïnformeerd en heeft initiatief genomen om dit proces waar mogelijk Koninkrijksbreed te harmoniseren, tenminste met de maritieme autoriteiten in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld of bekend met Nederland.
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Nee. De Verenigde Staten hebben dit niet formeel bij Nederland noch Curaçao aangekaart.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet bekend of gedeeld met Nederland. Mocht de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC voor deze transacties een ontheffing hebben verleend, dan zou er geen sprake zijn geweest van mogelijke omzeiling van sancties. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale regelgeving is overtreden.
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Het enkele feit dat er een buitenlandse component aan zit betekent niet dat deze kwestie aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk raakt.
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Nee. Deze kwestie betreft geen Koninkrijksaangelegenheid. Er zijn geen EU-sancties op Venezolaanse olie en de betreffende schepen staan niet op een EU-sanctielijst. En, zoals gesteld in het antwoord op vraag 11, vallen commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Ten slotte vindt er op het juiste niveau actief samenwerking en uitwisseling van informatie plaats. Samenvattend is er geen aanleiding dit actief te agenderen op voornoemd niveau.
Het bericht 'Sluipmoordenaar op de werkvloer: 3.000 doden per jaar door schadelijke stoffen' |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat jaarlijks ruim 3.000 mensen in Nederland overlijden aan beroepsziekten als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, en dat circa één miljoen werknemers hiermee in aanraking komen?1
Ja, ik herken dit beeld. Het RIVM geeft aan dat ieder jaar rond de 3.000 mensen overlijden doordat ze tijdens hun werk zijn blootgesteld aan gevaarlijke stoffen2. Bovendien heeft 1 op de 6 werknemers te maken met gevaarlijke stoffen op het werk, dit zijn ruim 1 miljoen Nederlanders. Deze cijfers onderstrepen dat schadelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen op het werk een ernstig probleem vormt. Verder bevestigen deze cijfers het belang van blijvende inzet op preventie en versterking van risicobeheersing op de werkvloer.
Deelt u de zorg dat blootstelling aan gevaarlijke stoffen vaak onzichtbaar is en dat gezondheidsschade zich pas na jaren openbaart, waardoor risico’s in de praktijk worden onderschat door werkgevers én werknemers?
Ja, ik deel deze zorg. Van alle sterfgevallen door blootstelling aan gevaarlijke stoffen op het werk is 80% gepensioneerd. Van alle arbeidsrisico’s beheersen bedrijven in de periode 2022–2023 het risico gevaarlijke stoffen het minst vaak adequaat. Dit blijkt uit de monitor «Arbo in Bedrijf 2022–2023»3 van de Nederlandse Arbeidsinspectie. 46% van de bedrijven met risico op blootstelling aan gevaarlijke stoffen, neemt geen of onvoldoende maatregelen om het risico tegen te gaan. Preventie van beroepsziekten door gevaarlijke stoffen staat centraal in het beleid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor gezond en veilig werken met gevaarlijke stoffen. De overheid ondersteunt werkgevers hierbij met tools, kennis en expertise. Zo is er voor mkb-bedrijven een aparte module voor de inventarisatie van gevaarlijke stoffen in de Route naar RI&E (Risico-inventarisatie en Evaluatie). Via het Arboportaal is de Toolbox Gezond werken met stoffen beschikbaar. Daarnaast is er het landelijke expertisecentrum stoffengerelateerde beroepsziekten (Lexces). Het Lexces verzamelt en ontwikkelt kennis en expertise over beroepsziekten en deelt dit actief met arbo- en zorgprofessionals, werkgevers en werknemers.
Hoe vaak en op welke schaal worden er in Nederland daadwerkelijk blootstellingsmetingen op persoonsniveau uitgevoerd, zoals beschreven in het artikel, en in hoeveel gevallen gebeurt dit op initiatief van de werkgever versus naar aanleiding van toezicht of handhaving door de Arbeidsinspectie?
Werkgevers zijn op grond van de Arbowet verplicht de aard, mate en duur van de blootstelling te beoordelen, als onderdeel van de RI&E. De werkgever kan dit doen door een meting door een deskundige, maar mag ook gebruik maken van andere methoden zoals een onderbouwde schatting van de blootstelling.
De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt risicogericht toezicht en kijkt in dit kader of een werkgever genoemde blootstellingsbeoordelingen heeft uitgevoerd en gepaste maatregelen treft. De Nederlandse Arbeidsinspectie geeft aan dat zij geen landelijk overzicht heeft van blootstellingsbeoordelingen door werkgevers. Zij weet niet in hoeveel gevallen er metingen plaatsvinden in het kader van deze beoordelingen. Ik kan dan ook geen uitspraak doen over in hoeveel gevallen er naar aanleiding van toezicht en handhaving metingen plaatsvinden.
Kunt u aangeven om welke sectoren of beroepsgroepen het gaat waar de blootstelling aan gevaarlijke stoffen niet direct zichtbaar is, maar waar desondanks nog onvoldoende maatregelen worden genomen om de risico’s op blootstelling te beperken?
De gevolgen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen en de blootstelling zelf zijn vaak niet direct zichtbaar. De Nederlandse Arbeidsinspectie werkt risicogericht en gebruikt daarvoor verschillende risicoanalyses en publiceert hierover. Naar aanleiding van inspecties komt het beeld naar voren dat bij alle sectoren overtredingen worden aangetroffen en verbeteringen nodig zijn. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recenter een aanvullende analyse gedaan op de situatie bij kleinere bedrijven. Hieruit blijkt dat kleine bedrijven minder vaak aan de arbozorgverplichtingen voldoen. Dit terwijl de risico's op ongezond en onveilig werk bij deze bedrijven slechter worden beheerst dan bij grote(re) bedrijven. Het risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen komt voor bij één op de drie van de kleinere bedrijven. Bijna de helft van deze bedrijven beheerst dit risico onvoldoende. De rapportage hierover in 2025 is gepubliceerd op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie.4
Acht u het huidige toezicht en de handhaving voldoende, met name bij bedrijven waar geen zichtbare uitstoot of «klassieke» industriële risico’s aanwezig lijken te zijn? Zo ja, waarop baseert u dat; zo nee, welke verbeteringen acht u noodzakelijk?
De Nederlandse Arbeidsinspectie geeft aan dat zij risicogericht toezicht houdt op de naleving van Arbowet- en regelgeving. Op basis van de inspectiebrede risico- en omgevingsanalyse wordt de capaciteit verdeeld over de programma’s en projecten. Blootstelling aan gevaarlijke stoffen is, en blijft vooralsnog één van de speerpunten bij het toezicht op gezond en veilig werken. Daarvoor is het programma Blootstelling Gevaarlijke Stoffen ingericht. Daarnaast reageert de Nederlandse Arbeidsinspectie actief op meldingen over blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven beheersen bedrijven in de praktijk het risico van gevaarlijke stoffen nog onvoldoende. De naleving van wet- en regelgeving blijft achter. Om deze naleving te verbeteren is meer nodig dan alleen toezicht en handhaving. Toezicht en handhaving zijn hierbij het sluitstuk. Daarom biedt de Nederlandse Arbeidsinspectie ook voorlichting aan werkgevers over het veilig werken met gevaarlijke stoffen. Bijvoorbeeld via de online zelfinspectietool. Ook onderneemt het Ministerie van SZW diverse acties om werkgevers hierbij te ondersteunen. Zie daarvoor het antwoord op vraag 2.
Dit neemt niet weg dat werkgevers zelf primair verantwoordelijk zijn voor een gezonde en veilige werkomgeving van hun werknemers. Zij moeten hun werknemers adequaat beschermen tegen de risico’s van het werken met gevaarlijke stoffen.
Daarnaast is het belangrijk dat andere stakeholders, zoals brancheorganisaties, bijdragen aan de bekendheid van de risico’s van werken met gevaarlijke stoffen en het belang van doeltreffende maatregelen om deze risico’s te beheersen.
Erkent u het beeld dat richtlijnen op de werkvloer tekortschieten, zoals wordt gesteld in dit artikel? Welke aanvullende maatregelen overweegt u om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen structureel terug te dringen?
Er gelden strenge regels bij het werken met gevaarlijke stoffen zowel vanuit Europa als Nederland. Zoals aangegeven in de eerdere antwoorden is bekend dat de naleving van deze regels in de praktijk achterblijft. Dit geldt niet alleen voor het risico van gevaarlijke stoffen, maar breder voor het arbodomein. In het najaar van 2023 heeft daarom het toenmalige kabinet de «Arbovisie 2040: De trend gekeerd. Samenwerken aan een gezond en veilig werkend Nederland» (hierna: Arbovisie) uitgebracht.5 Daarin is de ambitie van zero death neergelegd: 0 doden door werk. Ook staat in de Arbovisie wat er nodig kan zijn om het doel van «zero death» te halen. Over de stand van zaken van de uitwerking van de Arbovisie is de Kamer op 28 mei 2025 geïnformeerd.6
Berichtgeving rondom de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA) en de ontwikkeling van een Nederlandse strategie voor kritieke grondstoffen met Chili. |
|
Elles van Ark (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u in staat te reflecteren op de bevindingen uit dit artikel over de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?1
Ja. Het artikel stelt dat het gewenst is om de Advanced Framework Agreement (AFA) tussen de EU en Chili te ratificeren vanwege het nakomen van partnerschapsbeloftes, ondersteuning van inzet op de diversificatie van grondstoffenwaardeketens en versterking van bescherming van investeringen. Er is een kabinetsappreciatie2 van zowel het AFA als het interim handelsverdrag (iTA) opgesteld. Het kabinet onderschrijft het belang van tijdige ratificatie welke in voorbereiding is. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de handelsonderdelen van het AFA vallend onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie geheel zijn gerepliceerd in het iTA en daarmee reeds sinds 1 februari 2025 in werking zijn. Ratificatie van het AFA biedt geen aanvullende handelsvoordelen, aangezien de delen die buiten het iTA vallen zien op politieke samenwerking en investeringsbescherming.
Kan u aangeven wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot de Nederlandse ratificatieprocedure van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?
De geavanceerde kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds is op 13 december 2023 ondertekend en wordt deels voorlopig toegepast. Daarnaast zijn de handelsafspraken zoals opgenomen in het iTA sinds 1 februari 2025 in werking. Voordat de overeenkomst in werking kan treden, dienen alle EU-lidstaten hun interne procedures te hebben afgerond. De stukken die nodig zijn voor de Nederlandse parlementaire goedkeuringsprocedure zijn in voorbereiding.
Op welke termijn verwacht u het ratificatiewetsvoorstel aan de Kamer voor te kunnen leggen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 zijn de goedkeuringsstukken in voorbereiding. De goedkeuringsstukken betreffen het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst en een memorie van toelichting. Na instemming van de ministerraad wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst met de memorie van toelichting aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Na de verwerking van het advies in een nader rapport, wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst, met de memorie van toelichting en het nader rapport, aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer voor goedkeuring voorgelegd. Zodra beide Kamers hun goedkeuring aan het wetsvoorstel hebben verleend kan over worden gegaan tot ratificatie van de overeenkomst door Nederland. Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn.
Zou u kunnen aangeven of er bepaalde bezwaren denkbaar zijn tegen ratificatie?
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 2 en 3 zijn de parlementaire goedkeuringsstukken in voorbereiding. Het kabinet is een groot voorstander van het verdiepen van de samenwerking tussen de EU en Chili en is positief over de uitkomst van de onderhandelingen over het AFA.3
Dit handelsverdrag beoogt meerdere doelen gelijktijdig te realiseren: meer onderlinge handel en investeringen, gezamenlijke aanpak van wereldwijde uitdagingen en verdieping van politieke samenwerking. Bent u het ermee eens dat dit handelsverdrag als model kan dienen voor EU-handelsverdragen met andere landen?
Ja.
Chili herbergt een van de grootste lithiumreserves van de wereld. Onderschrijft u het belang van stabiele toeleveringsketens van kritieke grondstoffen voor de Nederlandse en Europese markt?
Ja.
Hoe kijkt u naar het opzetten van een Nederlandse of Europese strategie rondom het structureel vergaren van kritieke grondstoffen in het kader van de agressievere benadering van de markt door onder andere China en de Verenigde Staten?
Het kabinet onderschrijft de noodzaak tot deze strategieën en wijst op de Nationale Grondstoffenstrategie4, het BNC-fiche over de EU Critical Raw Materials act5 en de recent gepubliceerde mededeling ReSourceEU, waarover uw Kamer binnen de gestelde termijn een BNC-fiche ontvangt.
Bent u het eens dat de AFA een belangrijke bijdrage kan leveren aan de Europese en Nederlandse toegang tot lithium, koper en ook andere zeldzame metalen?
Op dit moment is het interim handelsverdrag (iTA) tussen de EU en Chili in werking. Hierin is het handelsdeel van de AFA dat valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie gerepliceerd. In het iTA staan afspraken over de toegang tot grondstoffen, zoals over het beperken van exportrestricties (zoals heffingen en quota’s), een verbod op monopolies met exclusieve rechten voor import en export van ruwe kritieke grondstoffen, en het inkaderen van het beleid van lagere grondstofprijzen voor binnenlandse producenten. Dit zijn afspraken die de voorspelbaarheid van de grondstofhandel bevorderen. Daarnaast zijn in het politieke deel van de AFA enkele intenties op het gebied van grondstoffenhandel overeengekomen, zoals het bevorderen van de samenwerking op transparantie van de mondiale grondstoffenmarkt.
Bent u het in dat kader eens dat de AFA zo spoedig mogelijk in werking moet treden?
Ja, waarbij opgemerkt wordt dat voor de Nederlandse ratificatie van de overeenkomst een goedkeuringsprocedure dient te worden doorlopen. De goedkeuringsstukken zijn in voorbereiding en de overeenkomst dient, na adviesvoorziening door de Raad van State, door beide Kamers te worden goedgekeurd.
Bent u bereid er bij de lidstaten die de AFA nog niet hebben geratificeerd in hun nationale parlement erop aan te dringen dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn. Op dat moment ligt het voor de hand ook andere lidstaten hiertoe op te roepen.
China heeft in 2025 exportbeperkingen ingevoerd op gallium, germanium en andere kritieke grondstoffen; bent u van mening dat dit de urgentie versterkt voor Nederland om de samenwerking met Chili op het gebied van zeldzame aardmetalen te intensiveren?
Het kabinet erkent de urgentie van het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, en werkt hieraan via de nationale grondstoffenstrategie en de EU Critical Raw Materials Act. Het diversifiëren van de waardeketens is hier een belangrijk onderdeel van. Nederland (en de EU) kijken hierbij naar diverse landen, waaronder Chili.
De Chinese exportcontrolemaatregelen op gallium en germanium uit 2023 en op onder meer een aantal zeldzame aardemetalen uit april 2025 onderstrepen het belang hiervan. Het zij opgemerkt dat zeldzame aardmetalen een aparte groep grondstoffen is, die momenteel niet in Chili gewonnen of verwerkt wordt maar die wel deels aanwezig zijn in Chili. Winning en verwerking hiervan wordt momenteel verkend.6 Gallium en germanium worden ook niet in Chili gewonnen of verwerkt.
Desalniettemin is Chili is een belangrijke producent van grondstoffen, met name koper, lithium en boor (aangewezen als kritieke grondstoffen door de Europese Commissie). Daarom steunt het kabinet het Memorandum of Understanding (MoU) dat de Europese Unie in 2023 heeft afgesloten met Chili op kritieke grondstoffen. Hierin is afgesproken dat partijen onder andere samen werken aan het bevorderen van projecten, open en eerlijke markten, en environmental, social, governance(ESG) standaarden.
Nederland geeft invulling aan dit MoU middels diverse activiteiten. Zo hebben het Nederlands Materialen Observatorium en Nederlandse universiteiten een samenwerking met Chileense universiteiten en steunt Nederland een Europa-brede studie op basis van aanbevelingen van CEPAL over hoe de regio zijn lithium- en koperwaardeketens duurzaam kan ontwikkelen. Ook heeft TNO een samenwerking met het Nationaal Lithiuminstituut (INLiSa).
Bent u bereid om een integrale beleidsnotitie op te stellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili, waarin de hierboven genoemde aspecten in samenhang worden bezien?
In de Nationale Grondstoffenstrategie is diversificatie één van de pijlers om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te versterken7. Samenwerking met derde landen, waaronder Chili, valt onder deze pijler. Voor de beleidsinzet verwijs ik u daarom naar deze strategie. Het kabinet zal geen integrale beleidsnotitie opstellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili.
Daarnaast heeft voor internationale grondstoffensamenwerking een Europese aanpak die zich richt op de hele waardeketen de voorkeur, omdat de Nederlandse industrie deze grondstoffen niet of nauwelijks direct importeert of gebruikt8. Nederland importeert vooral producten waar kritieke grondstoffen in verwerkt zitten. Naast de reeds bestaande kaders voor internationale samenwerking op kritieke grondstoffen wordt uw Kamer binnenkort ook geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het ResourceEU actieplan, dat onder andere ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 11 is Chili een belangrijke producent van kritieke grondstoffen. Daarom steunt het kabinet grondstoffensamenwerking in EU-verband, via het Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Chili.
Kan u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van zowel de ratificatie van de EU-Chili AFA als de Nederlandse inzet op het gebied van kritieke grondstoffen met Chili?
De Kamer wordt regulier geïnformeerd over de voortgang van onderhandelingen en ratificaties van handels- en investeringsakkoorden via de voortgangsrapportage handelsakkoorden9, die vier maal per jaar als bijlage bij de geannoteerde agenda’s voor de Raden Buitenlandse Zaken Handel aan uw Kamer worden gezonden.
In de voortgangsrapportage Nationale Grondstoffenstrategie10 is een update gegeven over de samenwerking met derde landen. Zoals hierboven genoemd wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het Commissievoorstel voor ResourceEU, dat ook ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.