De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het Commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de precisietoepassingen zoals Phyto-drip, waarmee gewasbeschermingsmiddelen tijdens de opkweek gericht bij de plant kunnen worden toegediend? Klopt het dat deze methode het aantal bespuitingen later in de teelt kan verminderen?
Waarom is toepassing van Closer via Phyto-drip in Nederland niet toegelaten, terwijl deze toepassing volgens de sector in België en Duitsland wel mogelijk is? Op basis van welke beoordeling is dit verschil ontstaan?
Welke economische gevolgen heeft dit verschil in toepassingsmogelijkheden voor Nederlandse producenten van uitgangsmateriaal? Herkent u dat de opkweek van jonge sla planten zich verplaatst naar België en Dutisland met grote economische gevolgen voor de Nederlandse opkweek bedrijven?
Klopt het dat planten die in België of Duitsland met Closer via Phyto-drip zijn behandeld, vervolgens op de Nederlandse markt mogen worden gebracht en hier kunnen worden uitgeplant? Zo ja, hoe verklaart u dat buitenlandse producenten deze toepassing wel kunnen gebruiken, terwijl Nederlandse plantenkwekers dat niet mogen? Hoe wordt dit verschil gerechtvaardigd vanuit de risicobeoordeling en het gelijke speelveld binnen de EU?
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of voor deze toepassing een tijdelijke vrijstelling kan worden verleend, mede gezien het gebruik ervan in België en Duitsland?
Zonering rond Natura 2000-gebieden |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bevestigt u dat u in de beantwoording van de Kamervragen expliciet erkent dat zonering niet alleen wordt ingezet voor het verminderen van stikstofdepositie, maar ook om te sturen op mestgebruik, gewasbeschermingsmiddelen, waterkwaliteit, wateronttrekking en de gewenste vorm van landbouw?1
Hoe kan de noodzaak van zonering per gebied volgens u nog worden onderzocht, terwijl het kabinet al heeft gekozen om in principe rondom gehele Natura 2000-gebieden te zoneren en daarbij ook andere doelen dan stikstofreductie nastreeft? Spreekt u zichzelf niet rechtstreeks tegen door te zeggen dat de noodzaak en gebiedsselectie nog openliggen, terwijl de vorm, omvang en bredere doelen van de zonering al zijn bepaald?
Waarom heeft u 121 gebieden op een openbare lijst geplaatst, terwijl u tegelijkertijd stelt dat eerst nog moet worden aangetoond of zonering noodzakelijk is en welke drukfactor daarmee moet worden aangepakt? Is dit zorgvuldig bestuur?
Wat vindt u ervan dat boeren in onzekerheid worden gehouden, terwijl banken, financiers, potentiële kopers en bedrijfsopvolgers nu al rekening kunnen houden met mogelijke zonering? Vindt u het aanvaardbaar dat een voorlopige lijst nu al gevolgen kan hebben voor investeringen, financiering, bedrijfsopvolging en de waarde van agrarische bedrijven?
Wie draagt de schade als bedrijven nu al nadelige gevolgen ondervinden en hun gebied later alsnog van de lijst wordt verwijderd?
Hoe verhoudt deze handelwijze zich volgens u tot het beginsel van een betrouwbare overheid?
Begrijpt u dat boeren weinig vertrouwen hebben in een overheid die eerst hun bedrijf op een kaart zet, daarmee onzekerheid en mogelijke financiële schade veroorzaakt en pas daarna onderzoekt welk probleem daar eigenlijk moet worden opgelost? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer een volledig overzicht verstrekken van alle Natura 2000-gebieden die nu op de voorlopige lijst staan, maar waar geen stikstofgevoelig areaal als overbelast is aangemerkt? Kunt u daarbij per gebied aangeven welk aandeel van het stikstofgevoelige areaal daadwerkelijk overbelast is?
Kunt u per gebied aangeven of de mogelijke zonering uitsluitend wordt overwogen vanwege andere drukfactoren dan stikstof?
Kunt u per gebied aangeven wat het concrete doel is in dat gebied?
Erkent u dat de stroken van 500 tot 1.000 meter rond sommige Natura 2000-gebieden dus feitelijk geen stikstofzones zijn, maar zones waarmee het kabinet ook wil ingrijpen in bemesting, gewasbescherming, watergebruik en de inrichting van agrarische bedrijven? Waarom worden deze vergaande doelen niet duidelijk en afzonderlijk aan boeren en de Kamer gecommuniceerd?
Waarom presenteert het kabinet deze zonering als onderdeel van een stikstofpakket dat de vergunningverlening moet lostrekken, terwijl u nu zelf erkent dat zones ook kunnen worden opgelegd rond gebieden waar geen stikstofoverbelasting bestaat? Welke bijdrage levert zonering vanwege waterkwaliteit, verdroging of gewasbeschermingsmiddelen precies aan het oplossen van de stikstofproblematiek en het hervatten van de vergunningverlening?
Op welke wettelijke grondslag wilt u landbouwbedrijven binnen deze zones beperkingen opleggen wegens drukfactoren die niet met stikstof samenhangen? Welke Europese of nationale verplichting rechtvaardigt een generieke zone van 500 of 1.000 meter wanneer niet per bedrijf is aangetoond dat het aan de betreffende verslechtering bijdraagt?
Waarop baseert u de stellige bewering dat uitsluitend met brede zonering kan worden gedaan wat nodig is om de natuur te herstellen?
Bent u bereid de conceptlijst met gebieden in te trekken, en deze pas definitief voor zonering aan te wijzen nadat openbaar, gebiedsspecifiek en toetsbaar is bewezen dat sprake is van dreigende verslechtering door stikstofoverschreiding, dat landbouw binnen de voorgestelde zone daar aantoonbaar aan bijdraagt en dat een minder ingrijpende maatregel niet volstaat?
Hoe kunt u, als u daartoe niet bereid bent, volhouden dat dit beleid noodzakelijk, proportioneel en zorgvuldig is?
De gewichtsbeperking op de Houtribdijk |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de voorgenomen gewichtsbeperking voor de Houtribbruggen op de N307 tussen Enkhuizen en Lelystad?1
Kunt u een overzicht geven van de inspecties, onderzoeken, risicoanalyses en onderhoudsmaatregelen die sinds 2019 aan de Houtribbruggen zijn uitgevoerd?
Klopt het dat in inspectierapporten uit 2019 werd geconcludeerd dat beide bruggen aan de zijde van Lelystad in matige staat verkeerden, waarbij één brug als «einde levensduur» werd aangemerkt?
Welk vervolg heeft Rijkswaterstaat gegeven aan het advies uit 2019 om te onderzoeken of de Houtribbruggen nog geschikt waren voor het inmiddels zwaardere verkeer?
Welk vervolg heeft het ministerie gegeven aan het advies uit 2019 om te onderzoeken of de Houtribbruggen nog geschikt waren voor het inmiddels zwaardere verkeer?
Welke planning bestond in september 2024 voor de vervanging van de Houtribbruggen, gelet op de toenmalige mededeling van Rijkswaterstaat dat de voorbereiding van deze vervanging reeds was gestart?
Waarom heeft de in 2024 aangekondigde voorbereiding van de vervanging tot op heden niet geleid tot een concrete uitvoeringsplanning?
Waarom zijn de in januari 2026 opnieuw geconstateerde scheuren niet direct hersteld?
Op welk moment concludeerde Rijkswaterstaat voor het eerst dat een gewichtsbeperking voor zwaar verkeer noodzakelijk zou worden?
Op welke constructieve berekeningen zijn de grenswaarden van maximaal 15 ton totaalgewicht respectievelijk 7,3 ton aslast gebaseerd?
Welke tijdelijke technische maatregelen heeft Rijkswaterstaat onderzocht om zwaar verkeer geheel of gedeeltelijk gebruik te laten blijven maken van de Houtribdijk?
Welke mogelijkheden ziet u voor een gedifferentieerde toegang tot de Houtribbruggen op basis van bijvoorbeeld voertuigtype, asconfiguratie, belading of tijdstip?
Op welke datum treedt de gewichtsbeperking naar verwachting daadwerkelijk in werking?
Met welke minimale duur van de gewichtsbeperking houdt Rijkswaterstaat momenteel rekening?
Welke werkzaamheden zijn volgens de huidige inzichten noodzakelijk om het Houtribcomplex weer zonder gewichtsbeperking beschikbaar te maken?
Wat is de actuele kostenraming voor de structurele aanpak van het Houtribcomplex?
Welk deel van de geraamde kosten voor de structurele aanpak van het Houtribcomplex is momenteel financieel gedekt?
Welke gevolgen heeft de noodzaak van een gewichtsbeperking voor de positie van het Houtribcomplex binnen het landelijke afweegkader voor beheer, onderhoud, vervanging of renovatie, mede gelet op het feit dat Rijkswaterstaat heeft aangegeven deze aanpak in het najaar van 2026 binnen dit afweegkader aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd?
Welke maatschappelijke of economische gevolgen van de gewichtsbeperking heeft Rijkswaterstaat voorafgaand aan het besluit in kaart gebracht?
Hoeveel vrachtwagens maken volgens de beschikbare verkeersgegevens van Rijkswaterstaat gemiddeld per etmaal gebruik van de Houtribdijk? Transport en Logistiek Nederland spreekt volgens berichtgeving over circa 1.500 vrachtwagens per dag.2
Welke gevolgen verwacht u van de gewichtsbeperking voor agrarische logistieke ketens die gebruikmaken van de verbinding tussen Noord-Holland, Flevoland of Oost-Nederland, waaronder het vervoer van melk, veevoer, bloembollen, vee of pluimvee op het niveau van de bredere logistieke keten?
Welke extra verkeersbelasting verwacht Rijkswaterstaat op de A6, A7, A1 of A10 als gevolg van het omleiden van zwaar verkeer vanaf de Houtribdijk?
Welke mogelijkheden bestaan voor nadeelcompensatie aan ondernemingen die aantoonbaar onevenredige schade ondervinden van een langdurige gewichtsbeperking op de Houtribdijk?
Welke extra kosten door de vrachtwagenheffing verwacht u voor vrachtverkeer dat als gevolg van de gewichtsbeperking moet uitwijken naar heffingsplichtige routes?
Bent u bereid de Kamer vóór de inwerkingtreding van de gewichtsbeperking te informeren over het concrete tijdpad voor de structurele aanpak van het Houtribcomplex?
Als vrachtverkeer zoveel moet omrijden, kan er dan wel een extra vrachtwagenheffing gevraagd worden?
Onduidelijkheid voor akkerbouwers over de verplichte teelt van rustgewassen vanaf 2027 |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de informatie op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) waarin staat dat nog niet zeker is hoe lang het nieuwe tijdvak voor de verplichte teelt van rustgewassen vanaf 2027 zal duren?1
Waarom is hierover, terwijl het huidige tijdvak eind 2026 afloopt, nog steeds geen duidelijkheid?
Deelt u de mening dat akkerbouwers ruim voor aanvang van het nieuwe teeltseizoen moeten weten aan welke verplichtingen zij vanaf 2027 moeten voldoen, zodat zij hun bouwplan kunnen maken en tijdig zaaizaad en pootgoed kunnen bestellen? Deelt u de mening dat deze duidelijkheid er inmiddels al had moeten zijn?
Kunt u op zeer korte termijn duidelijkheid geven over de regels die vanaf 2027 gelden, waaronder de duur van het nieuwe tijdvak? Zo nee, waarom niet en wanneer kunnen akkerbouwers deze duidelijkheid dan wel verwachten
De onderbouwing van beekdalmaatregelen bij de Tungelroyse Beek |
|
Caroline van der Plas (BBB), Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meetgegevens van Waterschap Limburg voor de Tungelroyse Beek en de Raam en de discrepantie daarmee met het Deltares-rapport Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor Kader Richtlijn Water (KRW)-doelbereik nutriënten?
Klopt het dat de Tungelroyse Beek behoort tot de 17 beken waarvoor in de verdiepingsbijlage bij de Kamerbrief een bufferzone van 250 meter wordt voorzien, op basis van het Deltares-scenario «250m extensief nat», waarin voor deze waterlichamen een verbetering van de KRW-oordeelklasse voor stikstof wordt berekend (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87, verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3)? Kunt u inzichtelijk maken welke meetgegevens, brongegevens en modelaannames specifiek voor de Tungelroyse Beek aan deze conclusie ten grondslag liggen?
Klopt het dat waterlichamen waarvan meer dan 50 procent van de nutriëntenbelasting afkomstig is uit het buitenland, door Deltares juist buiten deze selectie zijn gehouden, omdat beekdalmaatregelen daar volgens het onderzoek minder dan 1 procent reductie van de nutriëntenconcentratie opleveren?
Hoe verklaart u in dat licht dat uit de openbare meetgegevens van Waterschap Limburg blijkt dat de stikstofconcentratie in de Tungelroyse Beek vóór de samenkomst met de Raam zeer laag is, terwijl in de Raam bij de Belgische grens een aanzienlijk hogere concentratie wordt gemeten en de concentratie in de Tungelroyse Beek na de samenkomst sterk hoger ligt? Kunt u onderbouwen dat de buitenlandse bijdrage aan de nutriëntenbelasting van de Tungelroyse Beek daadwerkelijk minder dan 50 procent bedraagt?
Kunt u de volledige onderliggende meetgegevens, bronverdeling en berekeningen per KRW-waterlichaam openbaar maken waarmee is bepaald welke waterlichamen voor meer dan 50 procent door buitenlandse aanvoer worden beïnvloed en welke waterlichamen tot de selectie voor beekdalmaatregelen behoren? Zo nee, waarom niet?
Hoe is bij deze berekeningen rekening gehouden met buitenlandse nutriënten die via een bovenstrooms Nederlands KRW-waterlichaam, zoals de Raam, vervolgens een ander Nederlands KRW-waterlichaam instromen? Blijft deze belasting in de gebruikte bronnenanalyse ook stroomafwaarts als buitenlandse belasting herkenbaar?
Indien uit een nadere analyse van de Tungelroyse Beek blijkt dat de buitenlandse bijdrage is onderschat of onjuist is toegerekend, welke gevolgen heeft dat dan voor de voorgenomen beekdalmaatregelen rond deze beek?
Hoe kan worden uitgesloten dat een eventuele onjuiste bronverdeling bij de Tungelroyse Beek ook bij andere waterlichamen is opgetreden? Bent u bereid de bronverdeling en selectie van alle 111 betrokken waterlichamen te laten verifiëren voordat op basis van deze modelberekeningen ruimtelijke beperkingen aan agrarische bedrijven worden opgelegd?
Kunt u daarbij ook verifiëren of de bijdrage van rioolwaterzuiveringsinstallaties aan de nutriëntenbelasting van de betrokken waterlichamen correct en volledig is toegerekend? Hoe kan worden uitgesloten dat ook bij de berekening van deze belasting fouten of onjuiste toerekeningen zijn gemaakt, waardoor de bijdrage vanuit de landbouw te hoog is ingeschat?
Vogelrustgebieden |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u, omdat u tijdens het commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad van 16 juni 2026 geen duidelijk antwoord kon geven op deze vraag en toezegde hierop schriftelijk terug te komen, nu alsnog precies uiteenzetten op basis van welke ornithologische en juridische criteria Nederland verplicht zou zijn de Hollandse kust als Vogelrustgebied aan te wijzen en welke ruimte Nederland daarbij zelf nog heeft?
Bent u bekend met het bericht van Rijkswaterstaat waaruit blijkt dat in Zeeland al verschillende strandjes en dijktrajecten zijn afgesloten ten behoeve van kustbroedvogels? Deelt u de zorg dat wat in Zeeland gebeurt, straks ook langs de Hollandse kust kan gebeuren? Zo nee, waarom niet?1
Kunt u nog steeds ondubbelzinnig uitsluiten dat de aanwijzing van de Hollandse kust als Vogelrustgebied ertoe leidt dat stranden of andere recreatiegebieden geheel, gedeeltelijk of gedurende bepaalde perioden worden afgesloten?
De grote problemen met de tunnelbuizen te Barendrecht en de gevolgen voor het spoorgoederenvervoer. |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Goederenvervoer in de knel bij Barendrecht: locomotief raakte zijkant overkapping»?1
Klopt het dat de gebruiksbeperkingen (een snelheidsbeperking van 20 km/u en de sluiting van één spoorbuis) die ProRail heeft opgelegd aan het spoorgoederenvervoer bij Barendrecht, zorgen voor ernstige hinder voor het goederenvervoer tussen de Rotterdamse haven en het Europese achterland? Bent u erover geïnformeerd dat dit leidt tot treinuitval, forse vertragingen, verstoringen van de supply chain van goederen en hoge parkeerkosten voor goederentreinen in de Rotterdamse haven?
Klopt het dat de tunnelrand in het Profiel van Vrije Ruimte (PVR) – de harde veiligheidsnorm waarbinnen zich geen vaste obstakels mogen bevinden – terecht is gekomen of dat de spoorbaan zich heeft verplaatst richting de tunnelwand en dat dit pas is ontdekt nadat een vervoerder hier melding van maakte?
Hoe groot is de totale economische schade voor de spoorgoederensector door dit incident en in hoeverre kunnen vervoerders deze schade verhalen op ProRail?
Hoe lang gaat het nog duren voordat de infraproblemen met gebruiksbeperkingen voor goederenvervoer zijn opgelost?
Hoe kan het dat ProRail deze problemen met de rand van de tunnelwand in het PVR van de spoorbaan of de verplaatsing van het baanlichaam richting de tunnelwand niet zelf heeft ontdekt tijdens regulier onderhoud en de schouw van de spoorinfrastructuur, maar pas na een melding van een goederenvervoerder?
Wat is er concreet nodig om ervoor te zorgen dat ProRail dergelijke infrastructuurdefecten in de toekomst wél tijdig en preventief signaleert en aanpakt?
Hoe vaak heeft een incident waarbij de rand van de tunnelwand in Barendrecht een goederentrein raakte feitelijk plaatsgevonden?
Klopt het dat de eerste botsing tussen de rand van de tunnelwand en een goederentrein plaatsvond op 31 juli 2026 en dat op 13 augustus 2026 de eerste gebruiksbeperkingen zijn opgelegd met een snelheidsbeperking van 20 km/uur, later één goederenspoor buiten dienst en slechts drie goederenpaden per uur per richting? Zo ja, waarom zat er zoveel tijd tussen de eerste botsing en het uitvaardigen van gebruiksbeperkingen?
Heeft ProRail direct en adequaat gehandeld na de eerste botsing met een locomotief die aantoonbaar voldeed aan de internationale UIC 505–1 (GA) normen (3,15 m breedte, 4,3 m hoogte) en die ruim binnen het Nederlandse standaardprofiel OPS-NL (tot 3,60 m breedte) hoort te passen?
Passen andere en gangbare goederenlocomotieven die ontworpen zijn volgens de EU TSI-normen (zoals de Euro9000, Vectron, Traxx en BR189) momenteel nog wel op reguliere dienstregelingssnelheid (85–100 km/u) door de tunnelbuizen bij Barendrecht?
Klopt het dat er slechts een specifiek type nationale elektrische locomotief – die al decennia aan alle toelatingseisen voldoet – betrokken is bij de incidenten waarbij de verschoven tunnelrand de instaptreden raakte?
Zo ja, is deze specifieke fysieke aanraking gevaarlijk voor de algemene spoorwegveiligheid?
Hoe snel heeft ProRail risicobeperkende maatregelen genomen en zijn deze vooraf afgestemd met de vervoerders en materieeleigenaren conform de Europese CMS RA-eisen (Common Safety Methods Risk Evaluation and Assessment)?
Is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken geweest bij het formuleren en vaststellen van deze risicobeheersmaatregelen?
Toont dit incident aan dat er onvoldoende toezicht is door ProRail en de ILT op de fysieke staat en de veilige berijdbaarheid van de spoorinfrastructuur?
Is er slechts een type locomotief dat hinder ondervindt van de tunnelwand (waarbij dit type slechts een klein deel van het totale park uitmaakt)? Zo ja, waarom heeft ProRail dan generieke, zeer forse en langdurige gebruiksbeperkingen voor alle goederentreinen opgelegd waardoor de economische schade onnodig is vergroot?
Wat is de exacte (technische en achterliggende) oorzaak van de verschuiving van de tunnelwand of van de verschuiving van het baanlichaam richting de tunnelwand waardoor de rand van de tunnelwand binnen het PVR is geraakt?
Welke concrete prestatie-eisen stelt u als opdrachtgever aan ProRail ten aanzien van de gegarandeerde beschikbaarheid van een veilig berijdbaar hoofdspoorwegennet voor goederentreinen, zodanig dat de spoorinfrastructuur geschikt is voor gebruik en dus ook kwalitatief voldoet aan de technische eisen (zoals het PVR) die horen bij de treinen waarvoor de capaciteit is toegewezen?
Overtreedt ProRail de geest van zijn wettelijke zorgplicht uit de Spoorwegwet als de infra door achterstallige instandhouding of constructiefouten fysiek onbruikbaar of onveilig wordt voor treinen die wel aan alle wettelijke toelatingseisen voldoen?
Op welke specifieke Kritieke Prestatie-Indicatoren (KPI’s) met betrekking tot de beschikbaarheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de spoorinfra i.r.t. spoorgoederenvervoer monitort uw ministerie ProRail en hoe stuurt u bij wanneer deze niet worden gehaald?
Hoe beoordeelt u de sturing door ProRail op de bedrijfscontinuïteit van het spoorgoederenvervoer en de operational readiness van ProRail (de directe inzetbaarheid van calamiteitenteams en spoedherstellers) om acute infrastructurele knelpunten zoals in Barendrecht direct en daadkrachtig op te lossen?
Bent u bekend met de conclusies uit het rapport «Toevallig non-conform of voorspelbaar ongeschikt? Een onderzoek naar de staat van de infrastructuur voor het spoorgoederenvervoer op de Havenspoorlijn» van Crisislab uit 20202, waarin werd vastgesteld dat ProRail tekortschiet in haar operational readiness en het adequaat omgaan met afwijkingen op de goederencorridors? Moeten we uit het feit dat ProRail ook bij het recente incident in Barendrecht pas na een melding van een marktpartij achter de overschrijding van het PVR kwam en direct overging tot rigide, generieke gebruiksbeperkingen, concluderen dat de harde lessen uit dit rapport over operational readiness en het constructief omgaan met infrastructurele afwijkingen na zes jaar nog altijd onvoldoende zijn geleerd en toegepast door de spoorbeheerder?
Gegeven eerdere infrastructurele problemen bij extreme regenval (zoals de Zeeuwse Lijn die in 2007–2011 grootschalig vernieuwd is, maar in een in een «badkuip» van ondoordringbare klei ligt), kan er uit de situatie in Barendrecht worden geconcludeerd dat de Nederlandse spoorinfrastructuur en haar fundering nu ook bij langdurige droogte structureel faalt?
Beschikt ProRail wel over voldoende interne expertise op het snijvlak van bovenbouwvernieuwing, funderingstechniek en (regionale) waterhuishouding en heeft zij voldoende actuele data in huis om dit soort infrafalen preventief te voorkomen?
Bent u bereid om de gedupeerde spoorgoederenvervoerders en intermodale operatoren te compenseren voor de extra omrijdkosten en parkeerheffingen? Bent u bereid de infraheffingen voor het opstellen en rangeren in de Rotterdamse haven en op de Kijfhoek tijdelijk op een nultarief te zetten tot het knelpunt is opgelost?
Hoe beoordeelt u het preventieve handelen van ProRail Asset Management, in het licht van het feit dat dit infrastructurele knelpunt direct vier vitale Europese logistieke corridors (Rotterdam-Alpen-Italië, Rotterdam-Wenen-Zuidoost Europa, Rotterdam-Oldenzaal-Noordoost-Europa en Rotterdam-België-Frankrijk) raakt die fungeren als «critical lifelines» voor Mainport Rotterdam en de Europese economie?
Hoe beoordeelt u het presteren van ProRail Capaciteitsverdeling en Verkeersleiding om de logistieke keten operationeel overeind te houden, gezien de signalen van vervoerders dat gelijktijdige geplande werkzaamheden op omleidingsroutes en havenemplacementen de bereikbaarheid nog verder verslechteren?
Waarom is er niet direct besloten om werkzaamheden aan het spoor op de omleidingsroutes en havenemplacementen op te schorten om de internationale supply chain te ontlasten, zeker in een periode waarin ook de binnenvaart kampt met beperkingen door laagwater?
Neemt u de operationele en financiële gevolgen van dit zoveelste spoorinfrafalen sinds 2018 expliciet mee in de ministerraad om te zorgen voor voldoende budget voor een doelmatige, toekomstvaste instandhouding en opwaardering van het goederenspoornetwerk?
Deelt u de opvatting dat deze voortdurende, onvoorspelbare stremmingen en plotselinge gebruiksbeperkingen de betrouwbaarheid van de Nederlandse logistieke sector fundamenteel ondermijnen en schadelijk zijn voor de concurrentiepositie van onze havens en het algemene vestigingsklimaat?
Welke negatieve gevolgen hebben deze structurele infrastructurele beperkingen volgens u voor de aantrekkelijkheid van het spoorgoederenvervoer voor verladers, en in het bijzonder voor de modal shift-ambities van dit kabinet om meer goederen van de weg naar het spoor te verplaatsen en de inzet op multimodale bereikbaarheid (weg, water, spoor) om de Nederlandse economie efficiënt en veerkrachtig bereikbaar te houden?
Deelt u de specifieke zorg dat de verslechterde operationele betrouwbaarheid ertoe kan leiden dat reeds naar het spoor verplaatste goederenstromen noodgedwongen weer structureel terugkeren naar de weg?
Hoeveel effect heeft het knelpunt Barendrecht op het zo goed mogelijk gebruiken van de Betuweroute?
Welke directe en concrete maatregelen treft u momenteel om de operationele continuïteit van het nationale en internationale spoorgoederenvervoer bij dit soort acute infrastructurele crises te waarborgen?
Ziet u in dit zoveelste incident aanleiding om aanvullende, dwingende maatregelen te treffen richting ProRail om de fysieke beschikbaarheid en betrouwbaarheid van de spoorinfrastructuur – zowel op de vrije baan als op de strategische emplacementen en raccordementen – zodanig te garanderen dat het goederenvervoer per spoor Nederland betrouwbaar, efficiënt en veerkrachtig kan blijven verbinden met het Europese achterland?
Bent u bereid hieraan ook het benodigde budget te koppelen onder voorwaarde dat deze dwingende maatregelen ook daadwerkelijk bij ProRail worden getroffen?
Verlenging mestuitrij-seizoen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van gevolgen van de droogte en warmte voor het uitrijden van mest?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat een droge bodem de opname remt van meststoffen doordat mineralisatie en nutriëntentransport stagneren?
Ja, door suboptimale vochtvoorziening wordt de groei van een gewas beperkt. Daarnaast kan het uitrijden van drijfmest op droge grond inderdaad zorgen voor meer gasverlies en verzouting rond de wortels. Deze emissies zijn onder natte en koude omstandigheden lager dan onder de huidige droge en warme omstandigheden. Ook kan het voorkomen dat het toedienen van drijfmest onder droge omstandigheden bijdraagt aan extra scheurvorming op met name klei- en veengronden.
Bent u ervan op de hoogte dat planten voedingsstoffen niet kunnen oplossen of opnemen via de wortels en het uitrijden van drijfmest op harde, droge grond zorgt voor extra scheurvorming, gasverlies (ammoniakemissie) en verzouting rond de wortels?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat meststoffen essentieel zijn voor de groei van gras en gewassen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Voor de groei van gewassen is het toedienen van voldoende nutriënten van belang. De opname van nutriënten wordt bepaald door een combinatie van neerslag, vochtleverend vermogen van de bodem en het gewastype. Het huidige neerslagtekort heeft een negatieve invloed op de gewasproductie door de verminderde opname van nutriënten.
Acht u voedselproductie en voedselzekerheid van het grootste belang voor de weerbaarheid en stabiliteit in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een gebrek aan mineralen en nutriënten oogsten minder opbrengen en de voedselproductie kan stagneren dan wel oogsten kunnen mislukken?
De opname van nutriënten door gewassen is essentieel voor de gewasopbrengsten. Droogte kan zorgen voor lagere opbrengsten. Het is uiteraard niet wenselijk dat oogsten mislukken.
Vindt u dit wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het vanuit zowel landbouwkundig als milieukundig oogpunt onwenselijk is wanneer agrariërs vanwege een vaste einddatum voor het uitrijden van mest feitelijk worden gedwongen mest uit te rijden op een moment waarop de weers- en bodemomstandigheden daarvoor ongunstig zijn, terwijl uitstel tot gunstigere omstandigheden kan leiden tot een betere benutting van nutriënten en minder verliezen naar het milieu? Zo nee, waarom niet?
De uitrijdperiodes voor dierlijke mest op bouwland en grasland zijn geregeld in Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en komen voort uit een verplichting vanuit de Europese Nitraatrichtlijn en richten zich op het doel om een goede grond- en oppervlaktewaterkwaliteit te bewerkstelligen. De kalenderlandbouwmaatregel voor het inzaaien van vanggewassen is opgenomen in het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en is daarmee onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met de Europese Commissie over dit actieprogramma.
Het hanteren van een uitrijdperiode heeft tot doel om de uitspoeling van nutriënten uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te beperken. Dit brengt met zich mee dat het zinvol is om uitrijdperiodes te reguleren, binnen welke de dierlijke mest mag worden uitgereden en optimaal kan worden benut door de gewassen. In sommige jaren leidt dit tot problemen voor de landbouwpraktijk, waarbij weers- en bodemomstandigheden het uitrijden van dierlijke mest kunnen beperken met als gevolg dat de agrariër mogelijk onvoldoende ruimte heeft om de gewassen optimaal te voorzien van dierlijke meststoffen. Het vaststellen van uitrijddata is echter noodzakelijk vanuit milieukundig oogpunt, waar slechts bij hoge uitzondering van kan worden afgeweken mits hiertoe een landbouwkundige noodzaak is en er geen nadelige milieukundige effecten zijn.
Deelt u de opvatting dat kalenderlandbouw moet worden voorkomen en dat de daadwerkelijke weers- en bodemomstandigheden leidend zouden moeten zijn bij het bepalen van het moment voor het uitrijden van mest? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u ervan op de hoogte dat in 2024 het mestuitrijseizoen in 2024 ook is verlengd vanwege weersomstandigheden in die zomer?
Vanwege de extreem natte weersomstandigheden vanaf het najaar 2023 tot en met het voorjaar van 2024 konden agrariërs niet tijdig alle dierlijke mest binnen de beschikbare gebruiksruimte plaatsen. Vanwege deze extreme weersomstandigheden in het voorjaar is op basis van een advies van een Expertcommissie, samengesteld uit wetenschappers op het vlak van waterkwaliteit, plantengroei, het KNMI en vertegenwoordigers van sectorpartijen, besloten om de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland te verlengen van 31 augustus naar 15 september1.
Bent u bereid om zich in te spannen om het mestuitrij-seizoen dat tot 31 augustus duurt, te verlengen en daarvoor de Commissie Deskundigen Meststoffen per omgaande (met de grootste spoed) een advies te vragen? Zo nee, waarom niet?
Voor een uitstel van de uitrijddata dierlijke mest moet een afweging worden gemaakt tussen de weersomstandigheden en hoe zich dit ontwikkelt tot en met eind augustus, het effect van eventueel verlengen van de uitrijddata op de waterkwaliteit (en andere milieukundige aspecten) en de landbouwkundige noodzaak voor de gewasgroei om de uitrijddata te verlengen. In het verleden zijn in enkele jaren uitrijddata verlengd vanwege droogte (2018, 2021) of juist natheid in het betreffende jaar (2024, zie antwoord vraag 10). Ook zijn in andere jaren verzoeken gedaan, waarbij bovengenoemde afweging niet leidde tot een uitstel van uitrijdperiodes. Bij een uitstel van een uitrijdperiode voor dierlijke mest moet in ieder geval de Europese Commissie worden geïnformeerd, omdat hiermee wordt afgeweken van eerdere afspraken over de vastgestelde uitrijddata.
Naast uw vragen heeft LTO Nederland op 11 augustus jongstleden een verzoek gedaan voor het verlengen van de uitrijdperiode voor aanwending van mest op grasland.
Ik zal de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) vragen om een advies voor de verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland. Verder blijf ik de weers- en bodemomstandigheden monitoren en daarbij blijf ik in nauw contact staan met de sector. Zodra de CDM een advies heeft opgesteld zal ik op basis van dit advies een afweging maken over een eventuele verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke mest. Indien ik zal besluiten tot een eventuele verlenging van de uitrijdperiode, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Kunt u deze vragen, gezien de tijdsdruk, per omgaande beantwoorden, doch uiterlijk vrijdag 7 augustus?
De beantwoording is zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzonden.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake de Huis- en hobbydierenlijst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de Huis- en hobbydierenlijst op 28 mei 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:210 t/m 219), waarin het CBb oordeelt dat voor meerdere diersoorten, waaronder de dromedaris, een nieuw besluit moet worden genomen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat het CBb heeft geoordeeld dat de toepassing van het domesticatiecriterium door de Minister te beperkt is geweest en dat voor onder andere de dromedaris, chinchilla en Russische dwerghamster, opnieuw een bestuurlijke afweging moet worden gemaakt?
Het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst heeft geadviseerd om zoogdiersoorten met populaties die zich in een vergevorderd stadium van het domesticatieproces bevinden op de huis- en hobbydierenlijst te plaatsen. Het CBb heeft geoordeeld dat het domesticatiecriterium gebruikt mag worden en deugdelijk is. Overigens oordeelde het CBb dat ik moet bezien of er aanleiding bestaat om de soorten dromedaris, jak, chinchilla, Russische dwerghamster en witstaartstekelvarken om bestuurlijke redenen toch op de lijst te plaatsen, ook al voldoen deze soorten niet aan het criterium van verregaande domesticatie. Ik ga deze bestuurlijke afweging zorgvuldig maken.
Erkent u dat deze uitspraak, waarin door de rechter is vastgesteld dat bij al zeker zes diersoorten ondeugdelijk gemotiveerde besluiten zijn genomen, laat zien dat bij het opstellen van de Huis- en hobbydierenlijst fouten zijn gemaakt in de beoordeling van diersoorten, in het bijzonder bij de toepassing van het domesticatiecriterium?
In de uitspraak over de huis- en hobbydierenlijst heeft het CBb geoordeeld dat de lijst op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. Het CBb heeft de bezwaren over de onafhankelijkheid en deskundigheid van de adviescommissie en het adviescollege die hebben geadviseerd over de lijst verworpen. Het CBb heeft geoordeeld dat de systematiek die is gebruikt, wetenschappelijk verantwoord is en juist is toegepast. De manier van beoordelen is in overeenstemming met de eisen van het Europees recht.
Het CBb heeft geoordeeld dat het domesticatiecriterium gebruikt mag worden en deugdelijk is. Overigens oordeelde het CBb dat ik moet bezien of er aanleiding bestaat om de soorten dromedaris, jak, chinchilla, Russische dwerghamster en witstaartstekelvarken om bestuurlijke redenen toch op de lijst te plaatsen, ook al voldoen deze soorten niet aan het criterium van verregaande domesticatie. Daarnaast moet ik het zoönoserisico van de katoenrat opnieuw bezien. Voor zes andere soorten moet ik opnieuw een beslissing op bezwaar nemen. Alle andere besluiten over het plaatsen of niet plaatsen van soorten zijn in rechte vast komen te staan.
Verwacht u naar aanleiding van de uitspraak van het CBb, dat sprake is van 314 afzonderlijke besluiten waartegen individueel bezwaar en beroep openstaat, een groot aantal aanvullende bezwaar- en beroepsprocedures tegen andere besluiten om diersoorten niet aan te wijzen? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid van de huidige Huis- en hobbydierenlijst?
De uitspraak maakt duidelijk dat de beoordelingen van de diersoorten in rechte vaststaan, tegen deze beoordelingen is geen bezwaar en beroep meer mogelijk. Uitzonderingen hierop vormen de twaalf soorten waarover ik een nieuw besluit moet nemen.
Acht u het wenselijk en werkbaar dat deze uitspraak leidt tot een aanzienlijke extra belasting van rechtbanken en uitvoeringsorganisaties door nieuwe procedures over individuele diersoorten?
Nee, ik zie dit risico niet. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt het oordeel van het CBb zich volgens u tot de eis uit het Andibel-arrest (ECLI:EU:C:2008:353) dat een positieflijst moet zijn gebaseerd op objectieve en proportionele criteria, nu blijkt dat voor meerdere soorten alsnog een aanvullende bestuurlijke (en dus specifiek niet wetenschappelijke) afweging nodig is om tot een besluit te komen?
Het CBb heeft geoordeeld dat de huis- en hobbydierenlijst is gebaseerd op objectieve en proportionele criteria. De systematiek van de lijst, alsmede het domesticatie-criterium zijn in lijn met het Andibel-arrest. Overigens oordeelde het CBb dat ik een aanvullende bestuurlijke afweging moet maken zoals toegelicht in antwoord op vraag 3. Deze afweging gaat over de toepassing van het criterium domesticatie. Ik bezie momenteel hoe ik deze afweging ga maken.
Deelt u de opvatting dat het problematisch is dat de strikt wetenschappelijke beoordelingssystematiek ertoe zou hebben geleid dat zelfs honden, katten en paarden niet op de lijst zouden zijn geplaatst en dat vervolgens via het domesticatiecriterium bestuurlijke uitzonderingen moesten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Het CBb heeft vastgesteld dat het domesticatie-criterium wetenschappelijk is onderbouwd en consequent is toegepast. Er hoefden dus geen bestuurlijke uitzonderingen gemaakt te worden om verregaand gedomesticeerde populaties van soorten op de lijst te plaatsen. Honden, katten en paarden staan op de huis- en hobbydierenlijst en mogen gehouden worden.
Hoe verklaart u de uitzonderingspositie die het damhert en edelhert innemen, nu uit de uitspraak van het CBb blijkt dat de bevoegdheid omtrent het aanwijzen van diersoorten als soorten die gehouden mogen worden niet discretionair van aard is?
Het damhert en edelhert zijn niet aangewezen. Mijn voorganger heeft besloten in een vrijstelling op grond van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet dieren voor deze soorten te voorzien. Hetzelfde geldt voor het houden van de dromedaris voor productie, ook hiervoor is in een vrijstelling voorzien.
Bent u bereid opnieuw kritisch te kijken naar de uitwerking en juridische houdbaarheid van de Huis- en hobbydierenlijst, mede in het licht van deze uitspraak en de mogelijkheid van verdere procedures tegen individuele beslissingen?
De uitspraak van het CBb bevestigt dat de huis- en hobbydierenlijst juridisch houdbaar is. Ik ga niet opnieuw kijken naar de juridische houdbaarheid van deze lijst.
Het schriftelijk overleg met als onderwerp 'Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat het bestuursorganen is toegestaan om zienswijzen uit te vragen via het toezenden van een informatieve brief?
Zoals ik ook in mijn brief van 10 juni 2026 heb aangegeven1 kan een bestuursorgaan kiezen voor het uitvragen van zienswijzen via het toezenden van een informatieve brief. Indien een verzoek een veelvoud aan derde-belanghebbenden kent, is het gebruikelijk om de zienswijze uit te vragen via de Staatscourant. Het verspreiden van de oproep tot het geven van zienswijzen in de Staatscourant wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als zorgvuldig en in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht gezien.2
Klopt het dat de eis van de mediabedrijven, waarbij zij de rechtbank Den Haag verzochten om De Staat der Nederlanden (de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) te verbieden om zienswijzen via toezending van een informatieve brief, is afgewezen door de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:16439)?
De rechtbank geeft in rechtsoverweging 5.8 van dit vonnis aan dat de bestuursrechter de aangewezen rechter is om een oordeel te geven over de te volgen zienswijze bij besluitvorming over Woo-verzoeken die zien op dezelfde of vergelijkbare emissiegegevens. In dezelfde overweging komt de rechtbank tot de conclusie dat de eisers op dit punt niet worden ontvangen in hun vordering. Uit het vonnis volgt geen inhoudelijke afwijzing van de vordering.
Klopt het dat dit ook de gebruikelijke wijze is van het uitvragen van een zienswijze?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 1.
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/ of u beschikken over de e-mailadressen van agrarische bedrijven, onder andere omdat zij deze invullen bij de gecombineerde opgave?
RVO beschikt over e-mailadressen van agrarische bedrijven die zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave.
Waarom worden derde-belanghebbenden niet tevens per e-mail geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
E-mailadressen die specifiek zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave kunnen vanwege privacy niet zomaar worden ingezet voor een ander doel. In de situatie dat er een veelvoud van derdebelanghebbenden is, is het individueel benaderen per e-mail bovendien niet efficiënt en foutgevoelig. Een effectieve en minder foutgevoelige werkwijze is het informeren via de Staatscourant in combinatie met het aanschrijven van de diverse belangenorganisaties met het verzoek dit onder de aandacht te brengen van hun achterban. De recente praktijk – waarbij er 3000 agrariërs via de belangenorganisatie hun zienswijze heeft uitgebracht – heeft geleerd dat dit werkt.
Hoeveel agrariërs hebben een abonnement op de Staatscourant en hoeveel agrariërs hebben een abonnement op een agrarisch weekblad?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op de Staatscourant. Er zijn bij het ministerie ook geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op een agrarisch weekblad.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal zienswijzen dat is ingediend bij Wet open overheid (Woo)-procedures waarbij meer dan 500 belanghebbende agrariërs zijn betrokken sinds 2020, waarbij per procedure wordt aangegeven hoe derde-belanghebbenden zijn geïnformeerd over de zienswijzeprocedure?
Het aantal derde-belanghebbenden bij Woo-procedures wordt niet geregistreerd, waardoor deze uitsplitsing niet te maken valt.
Welk percentage van de agrarische derde-belanghebbenden leest binnen een week na publicatie van een kennisgeving over een Woo-procedure in de Staatscourant deze kennisgeving?
Hierover zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar.
Waarom worden agrariërs niet tevens via advertenties in een agrarisch weekblad geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
Rijksbreed is de lijn informeren via de Staatscourant. Aanvullend daarop worden extra stappen gezet. Belangenorganisaties worden geïnformeerd over de publicatie van twee kennisgevingen in de Staatscourant: de «voorgenomen openbaarmaking gegevens» en het «besluit openbaarmaking gegevens». Deze belangenorganisaties kunnen vervolgens agrariërs hierover informeren. Daarnaast wordt dit op de RVO-website vermeld en zal dit in de RVO-nieuwsbrief onder de aandacht worden gebracht.
Waarom krijgen derde-belanghebbende geen afschrift van de stukken die u voornemens bent om over hen openbaar te maken?
Bij Woo-verzoeken over emissiegegevens zijn de stukken door derde-belanghebbenden zelf ingediend bij RVO, veelal via de Gecombineerde opgave en/of het I&R-registratiesysteem (Identificatie en Registratie). De documenten zijn dus reeds in het bezit van derde-belanghebbenden. Aanvullend is een afschrift van deze documenten door derde-belanghebbenden in te zien via het portaal Mijn RVO en/of het I&R-registratiesysteem.
Deelt u de analyse dat een derde-belanghebbende deze stukken nodig heeft om een goede zienswijze te kunnen geven?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Kan een derde-belanghebbende deze stukken tijdens de zienswijzeprocedure opvragen bij RVO en/ of de Minister?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Wordt de termijn tot het indienen van een zienswijze verlengd op het moment dat een derde-belanghebbe een afschrift opvraagt van de stukken die deze derde-belanghebbende betreffen? Zo nee, waarom niet?
De termijn waarbinnen een bestuursorgaan op een Woo-verzoek moet beslissen, wordt opgeschort vanaf de dag waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat een zienswijzeprocedure wordt uitgevoerd tot en met de dag waarop de zienswijzen zijn ontvangen of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Voor het indienen van een zienswijze moet een redelijke termijn worden gegeven. De termijn voor het indienen van een zienswijze wordt daarom niet verlengd, tenzij sprake is van specifieke, uitzonderlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen. Ook omdat dit gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen een Woo-verzoek feitelijk kan worden afgehandeld.
Waarom worden derde-belanghebbende niet gewezen op hun recht om ook mondeling een zienswijze te geven (op grond van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
Artikel 4:9 Awb geeft het recht aan de belanghebbende om te kiezen tussen een schriftelijke en mondelinge toelichting. De keuze is aan de belanghebbende. In de zienswijzebrieven wordt daarom een telefoonnummer vermeld waarmee telefonisch een zienswijze gegeven kan worden.
Bent u bereid om derde-belanghebbenden erop te wijzen dat zij ook mondeling hun zienswijze naar voren kunnen brengen middels een zienswijzegesprek?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 14.
Gaat u weer zienswijzen uitvragen door het toezenden van een informatieve brief aan derde-belanghebbenden, met daarbij een afschrift van de stukken die u voornemens is om openbaar te maken met betrekking tot die derde-belanghebbende?
Ik onderschrijf het belang van het informeren van agrarisch ondernemers over het feit dat informatie over hun bedrijf openbaar wordt gemaakt en dat zij weten welke gegevens dit betreft. In de vorige kabinetsperiode is, bovenstaande punten indachtig, gekozen om alle belanghebbenden individueel aan te schrijven over de mogelijkheid tot een zienswijzeprocedure.
Na zorgvuldige afweging kom ik echter tot een andere conclusie ten aanzien van de wijze waarop die zienswijzen het meest effectief kunnen worden uitgevraagd. Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Bij Woo-verzoeken met veel derde-belanghebbenden willen we zienswijzen effectief uitvragen zonder afbreuk te doen aan de positie van agrarisch ondernemers.
De nieuwe werkwijze doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de procedure, maar biedt met behoud van alle waarborgen een andere, efficiëntere aanpak. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen en maak ik mij zorgen over de sociale veiligheid van agrarische ondernemers. Daarom wordt onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kunnen vervolgstappen worden gezet. Overigens zijn bedrijfsadressen ook op andere manieren toegankelijk, zoals in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Klopt het dat de bekendmaking van een besluit aan derde-belanghebbenden op grond van artikel 3:41 van de Awb plaats moet vinden via toezending en dat is gebleken dat bekendmaking ook gewoon op deze wijze kan geschieden?
Artikel 3:41 van de Awb regelt de wijze van bekendmaking aan diegenen tot wie het besluit zich richt. Woo-besluiten zijn gericht aan de verzoeker(s), niet aan derde-belanghebbenden. Verzoeker(s) ontvangen de Woo-besluiten door (elektronische) toezending. Op grond van artikel 4.4 lid 6 van de Woo moet de beslissing om informatie openbaar te maken tegelijkertijd worden meegedeeld aan de belanghebbende die daartegen naar verwachting bezwaar heeft. Dit sluit aan bij de algemene mededelingsplicht uit artikel 3:43 Awb. Wanneer het gaat om grote groepen derde-belanghebbenden waarbij individuele toezending niet effectief of onmogelijk is, kan toezending niet dekkend zijn. Dan kan het in de rede liggen om het besluit te publiceren in de Staatscourant om te borgen dat alle belanghebbenden tijdig worden bereikt.
Gaat u de bekendmaking van Woo-besluiten aan derde-belanghebbenden door middel van toezending voortzetten? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 16.
Hoe gaat u de zienswijzeprocedure inrichten indien u mogelijk over gaat tot actieve openbaarmaking (zoals voortvloeit uit artikel 3.1, derde lid, van de Woo)?
Op dit moment is nog niet besloten tot het actief openbaar maken van emissiegegevens. Momenteel wordt onderzocht hoe emissiegegevens actief openbaar gemaakt kunnen worden op een manier die recht doet aan de verschillende belangen. Hiertoe worden onder andere gesprekken gevoerd met brancheverenigingen. Indien hiertoe wordt besloten zal vervolgens worden bezien hoe derde-belanghebbenden geïnformeerd worden over actieve openbaarmaking van dezen informatie.
Hoe gaat u de bekendmakingsprocedure van een openbaarmakingsbesluit bij actieve openbaarmaking inrichten?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 19.
Hoe betrekt u derde-belanghebbenden bij het horen tijdens een bezwaarprocedure in een Woo-procedure op grond van artikel 7:2 van de Awb?
In de bezwaarprocedure is van belang dat niet alleen rekening wordt gehouden met belangen van de bezwaarmaker, maar ook met de belangen van eventuele derde-belanghebbenden. Twee situaties zijn te onderscheiden.
In de ene situatie wordt alleen bezwaar gemaakt door de verzoeker, die meent dat onvoldoende tegemoetgekomen is aan zijn verzoek tot openbaarmaking. Op dat moment is er geen aanleiding voor het bestuursorgaan ook derde-belanghebbenden te horen. Die aanleiding kan wel ontstaan als het bestuursorgaan na het horen van de bezwaarmaker aan het bezwaar van de verzoeker tegemoet wil komen door openbaarmaking van informatie die één of meer derde-belanghebbenden betreft. In dat geval wordt de derde-belanghebbende(n) alsnog een zienswijze gevraagd en wordt toepassing gegeven aan artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo (uitgestelde verstrekking).
De andere situatie is dat de derde-belanghebbende zelf bezwaar maakt. In dat geval wordt deze gehoord op grond van artikel 7:2 Awb. In beide situaties is vanuit zorgvuldigheidsoogpunt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de belangen van derde-belanghebbenden en dat zij niet worden benadeeld. Er kan ook worden afgezien van het horen om specifieke redenen die worden genoemd in artikel 7:3 Awb.
Waarom zijn derde-belanghebbenden niet betrokken bij het horen in Woo-procedure Woo/2023/066?
Genoemd Woo-verzoek is in eerste instantie afgewezen. Hiertegen heeft de verzoeker bezwaar gemaakt. Op 12 januari jl. zijn de derde-belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze is meegenomen bij het besluit op bezwaar. Na beslissing op bezwaar, resteert louter de optie tot beroep.
Hoeveel bezwaarschriften zijn als beroepschrift doorgestuurd aan de rechtbank in Woo-procedure Woo/2023/066?
Er zijn 1.956 bezwaren als beroepen naar de rechtbank gestuurd.
Klopt het dat het niet horen van derde-belanghebbende op basis van de vaste jurisprudentie leidt tot het veroordelen van het bestuursorgaan tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 30 oktober 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9169))?
Nee. In algemene zin kan niet worden gezegd dat het niet-horen van een belanghebbende in de bezwaarfase altijd ten onrechte is en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten leidt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan van horen worden afgezien als in de beslissing op bezwaar uitvoering moet worden gegeven aan een dwingende uitspraak van de rechter en het horen geen toegevoegde waarde kan hebben.
Klopt het dat RVO en/ of u de bezwaarmakers in Woo-procedure Woo/2023/066 onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het Woo-besluit?
Dat klopt inderdaad, helaas is de verwijzing naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Daarom heb ik een herstelactie laten uitvoeren waarin alle bezwaarmakers per brief zijn geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie heb ik ook de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt.
Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Deelt u de opvatting dat het op de weg ligt van RVO en/ of u om het griffierecht te betalen voor de bezwaarden van wie het bezwaarschrift als beroepschrift naar de rechtbank is doorgezonden in Woo-procedure Woo/2023/066? Dit omdat dit voortvloeit uit uw fout en u hoogstwaarschijnlijk sowieso wordt veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht in verband met het niet betrekken van de derde-belanghebbenden bij de bezwaarprocedure?
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: de verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar. Hiermee hebben de rechtsmiddelen van het reguliere bestuursrechtelijke proces opengestaan en dit betekent dat bezwaarden dus geen rechtsmiddel is ontnomen. In de herstelactie heb ik de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en daarmee kosten maakt. Bovendien kan betrokkene in het uiterste geval de procedure ook beëindigen door de griffierechten niet te betalen.
Bent u bereid om voor alle bezwaarden in Woo-procedure Woo/2023/066 de griffierechten te betalen? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 26.
Welke documenten vallen volgens u onder de definitie van «officiële documenten» zoals gebruikt in artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679?
Artikel 86 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gebruikt het begrip «officiële documenten», maar geeft daarvan geen autonome, expliciete definitie. De bepaling omkleedt het begrip en laat het aan de lidstaten over om, met inachtneming van het Unierecht en het nationale recht, de toegang van het publiek tot dergelijke documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens.
In Nederland is het recht op toegang tot publieke informatie geregeld in de Wet open overheid (Woo). In de Woo wordt het begrip «officiële documenten» beheerst door het documentbegrip in artikel 2.1 van de Woo.
Deelt u de analyse dat artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679 is geïntroduceerd op verzoek van Scandinavische landen, waar het openbaarmakingsregime slechts van toepassing is op «officiële documenten» in plaats van alle documenten?
De ontstaansgeschiedenis van artikel 86 van de AVG laat een genuanceerder beeld zien. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 28, laat de verordening de nodige ruimte aan lidstaten om hun nationale gegevensbeschermingsrecht in overeenstemming te brengen met het recht op openbaarmaking. Een algemene stelling over het openbaarmakingsbeleid in Scandinavië valt niet eenduidig te geven. In bepaalde opzichten is de openbaarmaking in bepaalde Scandinavische landen restrictiever, terwijl in andere opzichten dit wat uitgebreider is ingericht.
Deelt u de analyse dat niet alle documenten die zich onder een bestuursorgaan bevinden kwalificeren als «officiële documenten»?
Het uitgangspunt van de Woo is dat informatie die onder een bestuursorgaan berust in principe openbaar is. Alleen bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Het principe is dus «openbaar, tenzij». De uitzonderingsgronden op basis waarvan openbaarmaking achterwege kan of moet blijven, zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Woo.
Deelt u de opvatting dat de bezwaarprocedure in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 onzorgvuldig is verlopen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. Over deze eerdere verzoeken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 september 2025 uitspraak gedaan. Hierin is geoordeeld dat de gegevens binnen twee weken openbaar moeten worden gemaakt.3 Dit is op 7 oktober 2025 door mijn ambtsvoorganger gedaan. In de verzoeken Woo/2024/040 en Woo/2024/073 wordt gevraagd om dezelfde gegevens over een recentere periode. Op grond hiervan kon niet anders worden beslist dan dat de gevraagde informatie openbaar moet worden gemaakt en dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn.
Waarom is in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 niet ingegaan op de individuele bezwaargronden van bezwaarmakers?
Voor de ontvankelijke bezwaren is in de inhoudelijke beslissing op bezwaar m.b.t. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 ingegaan op de door bezwaarmakers aangevoerde bezwaargronden. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk of nog niet in behandeling genomen omdat bezwaarmakers bijvoorbeeld geen gronden hebben ingediend waardoor geen inhoudelijke beslissing op het bezwaar kan worden genomen. Deze bezwaarmakers hebben of zullen daarom een andere, niet inhoudelijke beslissing op bezwaar ontvangen. Hierbij wordt niet ingegaan de inhoud van eventuele aangevoerde bezwaargronden. De bezwaarmaker krijgt de gelegenheid om dit binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het (tijdig) hersteld, dan is het bezwaar ontvankelijk en wordt het in behandeling genomen. Wordt het niet (tijdig) hersteld, dan wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Waarom zijn bezwaarmakers niet gehoord in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073?
De bezwaren zijn kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van artikel 7:3 en onder de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Denkt u dat de bezwaarmakers zich serieus genomen voelen?
Bij het besluiten op een Woo-verzoek worden zienswijzen of bezwaren meegenomen in de afwegingen van het besluit. In het besluit wordt ook toegelicht wat hiermee is gedaan. Bij verzoeken met veel belanghebbenden worden argumenten van gelijke strekking gegroepeerd en gezamenlijk beantwoord.
Bij de beoordeling wordt gekeken naar de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt in het geval van emissiegegevens dat deze openbaar gemaakt moeten worden. Er zijn op grond van de Woo geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG). Het kabinet blijft zich in Brussel inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen. Voorts kan op basis van de uitkomsten van de wetsevaluatie worden gekeken naar de door de richtlijn toegestane uitzonderingsgronden voor emissiegegevens. Ik begrijp dat openbaarmaking van emissiegegevens (die tevens woonadresgegevens zijn) veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Bent u zich bewust dat de handelwijze, door de bezwaren in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zonder horen kennelijk ongegrond te verklaren, zeer afwijkt van de normale behandeling van bezwaarschriften en ook zeer afwijkt van de behandeling van bezwaren rondom de openbaarmaking van emissiegegevens door andere bestuursorganen?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 31, 32 en 33.
Bent u voornemens om ook in de toekomst bezwaarmakers via een standaardbrief, zonder horen, kennelijk ongegrond te verklaren?
Dat is afhankelijk van de bezwaren. Bezwaren worden per geval beoordeeld.
Waarom zijn in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 allemaal aparte beslissingen op bezwaar genomen, terwijl er bij verschillende bezwaren tegen één besluit één beslissing op bezwaar genomen moet worden (zie onder andere de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3763)?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 32. Daarop aanvullend: voor Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn de inhoudelijke beslissingen op bezwaar qua inhoud gelijkluidend. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk en deze bezwaarmakers hebben/zullen daarom een andere beslissing op bezwaar qua inhoud ontvangen.
Waarom zijn bezwaren tegen verschillende primaire besluiten in een veelvoud geconsolideerde beslissingen op bezwaar afgedaan, waarbij per beslissing op bezwaar zowel werd besloten op bezwaren tegen de besluiten met kenmerk Woo/2024/040 als ook kenmerk Woo/2024/073? Acht u dat er voldoende samenhang tussen deze primaire besluiten is om een gecombineerde beslissing op het bezwaar te nemen? Zo ja, waarom?
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 over de verzoeken Woo/2022/192 en Woo/2022/194 ook gezamenlijk uitspraak gedaan. Deze samenhang was aanleiding om tot een geconsolideerd besluit te komen.
Wat als straks een beroepszaak van één van de bezwaarden in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 of Woo/2024/073 wél gegrond wordt verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd wordt, maar andere bezwaarden niet in beroep gaan? Moeten dan alle beslissingen op de bezwaren als vernietigd worden beschouwd? Gaat u dan het volledige primaire besluit herroepen bij een nieuwe beslissing op het bezwaar?
Indien dat geval zich voordoet, zal ik eerst de uitspraak moeten bestuderen.
Deelt u de opvatting dat de Woo een zware en complexe uitvoeringslast met zich meebrengt?
De uitvoering van de Woo vraagt uiteraard om een gedegen, zorgvuldige en continue inzet van de ambtelijke organisatie. De zorgvuldige afweging tussen transparantie en wettelijke belangen, zoals privacy, vereist daarbij een hoge mate van precisie en expertise. Het kabinet blijft zich er dan ook voor inzetten om bestuursorganen te ondersteunen bij het optimaliseren van hun werkprocessen, zodat de ambities van de wet op een verantwoorde wijze, zodat de Woo efficiënt kan worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo wordt gekeken hoe de wet beter toepasbaar kan worden gemaakt. Vooruitlopend hierop en parallel hieraan worden uiteraard al wel maatregelen getroffen om de uitvoering van de Woo te verbeteren binnen het huidige wettelijke kader.
Is de regering voornemens om met wetsvoorstellen te komen om de Woo aan te passen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsbrief Open Overheid van de Minister van BZK inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 13 mei 2026.4
Op basis van de wetsevaluatie van de Woo zal worden gekeken welke aanpassingen in het wettelijk kader van de Woo al dan niet nodig zijn om de wet beter toepasbaar te maken.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Flach/Van der Plas over het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn beter afbakenen (Kamerstuk 32 802, nr. 120)?
De Staatssecretaris van BZK heeft in de brief inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 8 juni 2026 5aangegeven dat ter uitvoering van deze motie bij andere lidstaten een uitvraag is gedaan in hoeverre het spanningsveld tussen de openbaarheid van emissiegegevens en privacy van agrariërs en andere ondernemers ook in die landen speelt, en of maatregelen worden overwogen. Op basis van de uitkomsten van deze uitvraag is geconstateerd dat op dit moment onvoldoende steun is voor het beter afbakenen van het begrip «emissiegegevens» uit de richtlijn in Europa. Desalniettemin zal het kabinet zich in Brussel blijven inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Wijen-Nass over de mogelijkheid verkennen om het Verdrag van Aarhus op te zeggen (Kamerstuk 36 512, nr. 83)?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2025 (Kamerstuk 36 512 nr. 104).
Kunt u deze vragen betrekken bij de antwoorden van het schriftelijk overleg «Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens»?
U ontvangt hierbij separaat antwoord op de hierboven gestelde vragen. Vanwege het volume en de specificiteit was het niet mogelijk deze binnen de gevraagde versnelde termijn te beantwoorden.
Het blokkeren van historische archiefbeelden van Pim Fortuyn |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat historische televisiefragmenten van Pim Fortuyn in omroeparchieven zijn gemarkeerd als niet-uitzendbaar of beperkt toegankelijk zijn gemaakt?1
Ja.
Klopt het dat binnen omroeparchieven of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid systemen bestaan waarmee betrokken personen bezwaar kunnen maken tegen heruitzending van historische fragmenten?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.2 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem.
Hoe beoordeelt u het voorbeeld waarbij voormalig politicus Marcel van Dam bezwaar zou hebben gemaakt tegen heruitzending van het historisch bekende fragment waarin hij Pim Fortuyn in Het Lagerhuis een «buitengewoon minderwaardig mens» noemt, en vindt u dat dergelijke politiek-historische fragmenten beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik vind het belangrijk dat audiovisueel archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, zoveel mogelijk beschikbaar is. Het draagt bij aan de beleving van historische momenten en geeft inzage in een tijdsbeeld. Hierdoor kan het bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Onlangs is hierin een belangrijke stap gemaakt met de lancering van het online platform «de Schatkamer» van Beeld & Geluid. Op dit platform zijn meer dan 700.000 audiovisuele fragmenten gratis te zien voor het publiek.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. Het fragment heeft volgens Beeld & Geluid een andere, lichtere status dan een blokkade. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Op basis van welke criteria kunnen historische televisiebeelden worden geblokkeerd, beperkt of «uitgezet» voor hergebruik?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo is het mogelijk dat het auteursrecht op een fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico kan betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Deelt u de mening dat censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal zoveel mogelijk moet worden uitgesloten en dat publiek uitgezonden politieke fragmenten in beginsel beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik deel niet de mening dat er sprake zou zijn van censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om materiaal zoveel mogelijk vrij te geven in het kader van de publieke taak die ze uitvoeren. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Bovendien is het aantal geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag. Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, worden regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is. Ook is het mogelijk om een groot deel van het archiefmateriaal alsnog te bekijken in DAAN, ondanks mogelijke beperkingen rondom het hergebruik.
Hoe wordt voorkomen dat politiek gevoelige of maatschappelijk ongemakkelijke fragmenten selectief uit het publieke geheugen verdwijnen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u inzicht geven in hoeveel historische politieke fragmenten momenteel beperkt beschikbaar zijn, wie daarover beslist, en welke bezwaarprocedures daarbij gelden?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het portal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Voor de procedure rondom het blokkeren van materiaal verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat juist de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn van groot historisch belang is voor het begrijpen van het huidige maatschappelijke en politieke debat in Nederland?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid in overleg te treden met de publieke omroep en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid om te waarborgen dat historisch relevante politieke archieven toegankelijk en uitzendbaar blijven voor journalistieke en documentaire doeleinden?
Nee. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 constateer ik dat omroepen een zorgvuldige afweging maken bij het verstrekken dan wel blokkeren van fragmenten. Omroepen streven ernaar om materiaal waarvan zij rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Daarnaast wordt voor een groot deel van de fragmenten in de praktijk een licentie verstrekt voor hergebruik en is het percentage blokkeringen in het archief van Beeld & Geluid laag.
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Ja
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Ja
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Op verspreidingsatlas.nl2 is de verspreiding van een groot aantal soorten (water)planten binnen Nederland door de tijd te volgen. Zowel watercrassula (Crassula helmsii)3 als grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)4 nemen sterk toe.
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
De exacte effecten verschillen per gebied en per soort. Sommige invasieve waterplanten kunnen bijvoorbeeld waterlichamen met een dichte mat van stengels en bladeren overgroeien. Hierdoor worden inheemse planten verdrongen, onderwaterplanten sterven af en aanwezige dieren verdwijnen. De dichte matten en het afsterven van grote massa’s waterplanten kunnen leiden tot zuurstofgebrek in het water. Dit heeft een negatieve invloed op andere waterorganismen en kan leiden tot vissterfte.
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Bij overvloedige groei van invasieve waterplanten kunnen watergangen en waterinlaten verstopt raken. Planten kunnen hinder veroorzaken voor de pleziervaart en recreatieve mogelijkheden zoals zwemmen, duiken en sportvisserij beperken. Het beheer en onderhoud van watergangen wordt bemoeilijkt door verstopping van waterlopen en ophoping van plantenmassa bij kunstwerken, wat kan leiden tot wateroverlast.
Recreatie kan zelf ook een bron van verdere verspreiding van invasieve exoten vormen, doordat (delen van) planten meeliften met bijvoorbeeld scheepsschroeven en visgerei.
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten5, dat door voormalig Staatssecretaris Rummenie in januari van dit jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat beschreven hoe de aanpak van invasieve exoten in ons land is georganiseerd.
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de waterveiligheid, voldoende waterafvoer en een goede waterkwaliteit, monitoren waterschappen actief de aanwezigheid en ontwikkeling van waterplanten. Hierdoor zijn waterschappen vaak de eerste overheden die nieuwe vestigingen van invasieve waterplanten signaleren.
Wanneer invasieve soorten de doorstroming negatief beïnvloeden, kunnen de waterschappen vanuit hun waterbeheertaak maatregelen treffen om verspreiding te voorkomen en schade te beperken, bijvoorbeeld preventieve maatregelen, snelle verwijdering bij nieuwe introducties of beheersing van gevestigde populaties.
De uitvoering van bestrijdings- en beheersmaatregelen van invasieve uitheemse soorten is in Nederland grotendeels gedecentraliseerd naar provincies. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de aanpak van de meeste invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst, met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
De landelijke afstemming vindt plaats via verschillende overleg- en samenwerkingsstructuren, waaronder interbestuurlijke overleggen tussen Rijk, provincies en waterschappen en gezamenlijke programma’s.
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Waterschappen en provincies geven aan dat zij diverse methodes toepassen, zoals machinaal en handmatig verwijderen, peilverlaging en machinaal afgraven. Er wordt ook geëxperimenteerd met nieuwe methodes zoals elektrocutie en bevriezen met droogijs.
De effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen zijn in de praktijk echter vaak beperkt. Veel invasieve waterplanten kunnen zich snel herstellen en verspreiden zich via fragmenten, waardoor herhaald beheer noodzakelijk is. Bestrijding leidt zelden tot volledige uitroeiing en het langdurig treffen van beheersmaatregelen blijft vaak nodig. Om die reden wordt veelal ingezet op het beperken van schade en risico’s in plaats van volledige eliminatie.
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In het kader van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is over specifieke invasieve exoten die de waterschappen aangaan (waaronder invasieve uitheemse waterplanten) tussen LVVN, provincies en de Unie van Waterschappen (UvW) ambtelijk afstemming geweest. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
De aanpak van invasieve waterplanten vraagt om een structurele inzet van financiële en personele middelen. Hoewel waterschappen en andere beheerders zich actief inzetten, staan deze middelen in de praktijk onder druk. Bestrijding is arbeidsintensief, langdurig en moet vaak worden herhaald, terwijl de effectiviteit van maatregelen beperkt kan zijn. In de praktijk wordt de inzet gericht op prioritering en het beheersen van de grootste risico’s.
Ik heb geen zicht op de financiële en personele middelen bij beheerders. Waterschappen hebben echter aangegeven in 2024 € 6,1 mln. uitgegeven te hebben aan de bestrijding van invasieve waterplanten, uitgevoerd door externe partijen. Ten algemene geldt dat LVVN en provincies vanuit het natuurbeleid (waaronder het exotenbeleid) afspraken maken over prioritering en de aanpak van invasieve exoten, met daarbij de ambities per soort en een financieringsopgave voor de komende vier jaar. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan invasieve exoten. Met de beschikbare middelen wordt prioriteit gegeven aan preventie en vroegtijdige detectie en eliminatie van invasieve exoten waarvoor eliminatie het doel is. Daarnaast heb ik dit jaar specifiek voor de aanpak van invasieve waterplanten in natuurgebieden door provincies € 6,5 mln. euro gereserveerd op de LVVN-begroting, om in een aantal natuurgebieden een eerste start te maken.
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Van een aantal invasieve waterplanten is bekend dat ze in het verleden verhandeld werden in de vijver- en aquariumhandel. Hoewel de handel in soorten van de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (verder: Unielijst) inmiddels is verboden, worden nog steeds waterplanten aangeboden waarvan bekend is dat ze onder bepaalde omstandigheden invasief kunnen worden. De handel heeft dus bijgedragen aan de aanwezigheid van invasieve waterplanten in Nederland. Daadwerkelijke introductie in het milieu gebeurt veelal door bewust of onbewust weggooien van invasieve vijver- of aquariumplanten door consumenten. Verdere verspreiding kan vervolgens op uiteenlopende manieren plaatsvinden, onder andere door werkzaamheden en recreatie. Vanuit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten worden daarom acties voorbereid die gericht zijn op preventie en bewustwording van onder andere consumenten en tuinbranche.
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd, binnen Nederland en in Europees verband. Het bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid.
Rijk, provincies en waterschappen werken samen om invasieve exoten aan te pakken. Ze hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden. Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor nationaal beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit en systeemverantwoordelijk voor het exotenbeleid. Met betrekking tot invasieve exoten vallen onder de verantwoordelijkheid van LVVN taken zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel.
Uitvoering van het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst gedecentraliseerd naar de provincies. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor herstelmaatregelen in natuurgebieden met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
Het Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over het ambitieniveau per soort van de Unielijst. Voor een aantal soorten van de Unielijst is artikel 17 van de Europese Exotenverordening van toepassing. Dit zijn soorten die nog niet in Nederland voorkomen of in een vroeg stadium van invasie zijn en waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt. Soorten die wijdverspreid zijn, zijn meestal niet meer volledig te verwijderen en vallen onder artikel 19 van de Europese Exotenverordening. De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen tegen deze soorten. Lidstaten hebben beleidsruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven.
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) valt onder de systeemverantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. In de Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS).
De waterschappen zien toe op het functioneren van het waterbeheer in regionale wateren. Beheer vindt plaats vanuit hun taken op gebied van waterbeheer (aan- en afvoer) en waterkwaliteit (KRW). Voor invasieve waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Ja. Wel geldt sinds 2022 in Nederland ook een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen. Deze staan sinds augustus 2025 ook op de Unielijst.
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Voor soorten die (nog) niet op de Unielijst staan kan overwogen worden om een nationaal handelsverbod in te stellen. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten staat dat een mogelijk nationaal handelsverbod op «typisch Nederlandse» invasieve exoten, waaronder de gele bieslelie, wordt verkend. De gele bieslelie staat deels in het water, meestal op de oever, maar ook op de hogere droge delen.
Een handelsverbod kan een effectieve maatregel zijn om nieuwe introducties binnen Nederland tegen te gaan. Hier dient wel een goede onderbouwing aan ten grondslag te liggen. Een nationaal handelsverbod kan ook uitwerking hebben op het ónopzettelijk verspreiden of importeren van deze invasieve exoten. Zoals in het geval dat de invasieve exoot of delen daarvan (zaden, stengel- of worteldelen) onopzettelijk meelift in andere producten of materialen (zoals potplanten, grond of bagger).
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Deze organisaties kunnen bijdragen aan het signaleren, melden en vrijwillig bestrijden van invasieve waterplanten. Samenwerking tussen waterbeheerders en deze partijen is van groot belang omdat invasieve waterplanten zich makkelijk via het water kunnen verspreiden. Deze organisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van verdere verspreiding via onzorgvuldig gebruik of onderhoud van onder meer scheepshuiden, -schroeven, ballastwater of visgerei.
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Er vindt monitoring van verspreiding plaats via een landelijk systeem waarin de kennisorganisaties een belangrijke rol spelen. De resultaten van deze monitoring worden gebruikt om verspreiding en effectiviteit van maatregelen te volgen, beheerstrategieën en prioriteiten bij te stellen en beleid gericht te verbeteren. Monitoring en kennisuitwisseling vormen daarmee een essentieel onderdeel van de doorontwikkeling van het exotenbeleid. Ik ben in overleg met provincies over het ontwikkelen van een online tool waarmee de verspreiding, de bestrijding en het beheer van invasieve exoten en het effect van die aanpak structureel gemonitord gaat worden. Invasieve waterplanten kunnen hier ook een plek in krijgen. Ik ben van plan om voor de ontwikkeling middelen vrij te maken, als een van de maatregelen uit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De waterschappen monitoren de invasieve waterplanten in het kader van de Bedrijfsvergelijkingen. Deze cijfers worden gebruikt voor het volgen van trends en ontwikkelingen ten behoeve van het eigen beheer.
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten dat in januari 2026 door Staatssecretaris Rummenie naar de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Het aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De aanpak van invasieve waterplanten vormt hier een integraal onderdeel van. Onderliggend doel van het exotenbeleid en van het aanvalsplan is de nadelige gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Daarbij draagt het aanvalsplan direct en indirect ook bij aan andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Het is mij bekend dat watersporters en zwemmers hinder kunnen ondervinden van waterplanten en dat dit in sommige gevallen kan leiden tot onveilige situaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Dat is vervelend, maar niet altijd te voorkomen. Inheemse waterplanten maken deel uit van en dragen bij aan een gezond ecosysteem.
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Hierover zijn binnen mijn ministerie geen cijfers bekend.
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaarwegen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Ik zie daarin geen rol voor mij weggelegd.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Dat is zorgelijk, maar het is ook de eigen verantwoordelijkheid van de recreant om eventuele waterplanten op een veilige manier te verwijderen.
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaargeulen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Beheersing van waterplanten is erg intensief en daardoor kostbaar. Bovendien zijn inheemse waterplanten onderdeel van en dragen ze bij aan een gezond water ecosysteem. Daarom moeten keuzes worden gemaakt waar welke inzet op wordt gepleegd. Waterplanten worden in de praktijk vooral door vaarwegbeheerders gemaaid in hoofdvaargeulen omdat hier doorstroming, waterafvoer en veiligheid leidend zijn. Het vrijhouden van deze geulen is noodzakelijk om het waterbeheer te kunnen uitvoeren en om risico’s voor wateroverlast en scheepvaart te voorkomen.
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid als Minister van LVVN, maar is primair een taak van de waterbeheerders.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
Caroline van der Plas (BBB), André Flach (SGP) |
|
van Essen , Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Ja
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker, maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari 2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure. Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn interne processen aangescherpt.
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen) en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en kosten maakt.
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht – het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar gemaakt.
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter, deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we zien dat transparantie meer is dan woorden.
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen. Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep – toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet beschikbaar.5
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk 32 802, nr. 114).
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
Nadeelcompensatie voor de pulsvisserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraken van de Raad van State van 22 april 2026 over pulsvisserij en de gevolgen van het Europese Unie (EU)-verbod (ECLI:NL:RVS:2026:2040) (ECLI:NL:RVS:2026:2036) (ECLI:NL:RVS:2026:2038)?
Ja.
Hoe beoordeelt u het oordeel dat bij het intrekken van vergunningen voor pulsvisserij onvoldoende expliciet rekening is gehouden met de financiële gevolgen voor de betrokken vissers?
Ik betreur het feit dat de pulskorvisserij verboden is. Daarom zet ik me actief in voor het verhogen van het draagvlak voor deze bewezen duurzame visserijtechniek om deze hopelijk in de toekomst weer toegestaan te krijgen.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft geconcludeerd dat mijn ambtsvoorganger niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van het Europese pulsverbod. Eventuele financiële gevolgen konden er niet toe leiden dat de vergunningen toch in stand bleven. Daarom was ook het oordeel van de ABRvS dat niet is gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel door bij de besluiten, waartegen nog beroep en hoger beroep liep, al een beslissing te nemen op de verzoeken tot nadeelcompensatie. In een geval als dit mag een bestuursorgaan beslissen om over de financiële gevolgen een nader besluit te nemen.
Klopt het dat vissers reeds eerder verzoeken tot nadeelcompensatie hebben ingediend die (deels) zijn afgewezen of nog niet zijn afgehandeld? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Dat klopt. Eerdere verzoeken om nadeelcompensatie zijn afgewezen. Destijds stond de rechtmatigheid van de intrekkingen nog niet definitief vast en was de schade onvoldoende onderbouwd. Gelet op de uitspraak van de ABRvS zal ik alle betrokken vissers in de gelegenheid stellen om (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen.
Erkent u dat het verbod op pulsvisserij, voortvloeiend uit EU-regelgeving, heeft geleid tot substantiële economische schade voor Nederlandse vissers?
Ik betreur de misgelopen opbrengsten evenals de impact op het milieu als gevolg van het pulsverbod. Gebruik van het pulstuig leidde tot een significante vermindering in het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot. Het droeg daarmee bij aan een goed verdienmodel, een verduurzaming van de sector en reduceerde de impact op de zeebodem. Daarom zet ik mij ervoor in dat op termijn pulsvisserij weer mag plaatsvinden binnen het kader van de Europese regelgeving.
Welke criteria hanteert u momenteel bij de beoordeling van aanvragen voor nadeelcompensatie in deze sector?
Aan het verlenen van nadeelcompensatie zijn strikte voorwaarden verbonden. Deze zijn opgenomen in artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht en in de jurisprudentie over nadeelcompensatie. In het geval van de pulsvisserij acht ik de kans klein dat aan de voorwaarden voor nadeelcompensatie wordt voldaan.
Uit wetenschappelijk onderzoek1 blijkt dat de investeringen in pulstuig binnen twee tot drie jaar terugverdiend kunnen worden (afhankelijk van het vaartuig). Betrokken vissers hebben gemiddeld acht tot tien jaar gebruik kunnen maken van het pulstuig. Zij hebben de investeringen dus naar verwachting terugverdiend.
Daarnaast is het voor nadeelcompensatie noodzakelijk dat een besluit van een Nederlands bestuursorgaan de schade heeft veroorzaakt. In dit geval heeft de ABRvS geoordeeld dat de Minister niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van de nieuwe Europese verordening die pulsvisserij verbood. De schadeoorzaak is dus niet zozeer het intrekken van de pulsvergunning, maar het Europese pulsverbod. Daarom verwacht ik niet verplicht te zijn om nadeelcompensatie te betalen.
Op welke termijn kunnen getroffen vissers duidelijkheid verwachten over hun individuele aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie?
Ik zal (de gemachtigden van) de betrokken vissers benaderen met de vraag of zij (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie willen indienen. Ik zal met hen dan een termijn afspreken waarbinnen zij stukken kunnen aanleveren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beoordeelt op basis van die stukken en geldend recht of de verzoeken gehonoreerd moeten worden. Mocht uit de aangedragen informatie blijken dat de beoordeling van de aanvragen ingewikkelder is dan nu voorzien, zal ik overwegen een adviescommissie in te stellen die hierover kan adviseren. Ik streef ernaar om binnen de daarvoor geldende beslistermijnen op de verzoeken om nadeelcompensatie te beslissen.
Aanvragen voor schadevergoeding lijken mij niet aan de orde nu de ABRvS heeft geoordeeld dat de besluiten tot intrekking van de pulsvergunningen rechtmatig genomen zijn. Alleen bij onrechtmatige besluitvorming zouden vissers in aanmerking kunnen komen voor schadevergoeding.
Hoe voorkomt u dat langdurige juridische procedures en onzekerheid leiden tot faillissementen of onomkeerbare schade bij de getroffen visserijbedrijven?
Ik zet mij ervoor in om de ingediende nadeelcompensatieverzoeken zorgvuldig en voortvarend te beoordelen en zal de uitkomsten van deze beoordeling zo snel mogelijk met de indieners delen.
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de visserijsector en de getroffen vissers om te komen tot een collectieve en rechtvaardige compensatieregeling?
In eerste instantie zal ik de ingediende nadeelcompensatieverzoeken door RVO laten beoordelen. Mocht er uit deze beoordeling volgen dat nadeelcompensatie op zijn plaats is dan zal ik hiervoor een passende compensatie geven. Indien dit een groot aantal vergelijkbare gevallen betreft, zal ik een beleidsregel opstellen op grond waarvan de compensatie wordt berekend. Ik zie geen ruimte om de betrokken vissers te compenseren anders of meer dan met een eventuele verplichte nadeelcompensatie.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun gezinnen hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun bemanningsleden hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.