Het risico van resistente schimmels door het gebruik van landbouwgif |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat het volgende week World Antimicrobial Awareness Week is, een week waarin aandacht wordt gevraagd voor antimicrobiële resistentie en voor het stimuleren van goede praktijken waarmee deze resistentie kan worden voorkomen?1
Ja. World Antimicrobial Awareness Week is een belangrijk jaarlijks (inter)nationaal moment om aandacht te vragen voor antimicrobiële resistentie, bij zowel betrokken professionals als bij burgers. In Nederland vonden verschillende activiteiten plaats, waarbij het belang is benadrukt van juist middelengebruik, preventie van infecties en versterking van monitoring en surveillance, om zo resistentie te voorkomen.
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Pointer (KRO-NCRV) van 2 november 2025 over resistente schimmels, in het bijzonder Aspergillus fumigatus, en de grote gevaren voor de volksgezondheid? Wat is uw reactie hierop?
Ja. In de strijd tegen resistente micro-organismen was aanvankelijk vooral aandacht voor infecties met bacteriën die ongevoelig zijn geworden voor antibiotica. Echter, ook bij andere soorten micro-organismen, zoals schimmels, kan resistentie tegen veelgebruikte antimicrobiële middelen ontstaan en zich verspreiden. Resistentie bij schimmels, in het bijzonder Aspergillus fumigatus, vormt een toenemend probleem en bedreigt de behandelbaarheid van schimmelinfecties bij mensen. Dit is een belangrijk argument om het beleid te verbreden naar het tegengaan van resistentie tegen alle soorten antimicrobiële middelen. In het Nederlands Actieplan voor het terugdringen van antimicrobiële resistentie 2024–20302 komt de verbreding van dit beleid terug en zijn acties opgenomen om resistentie tegen antimicrobiële middelen zoveel mogelijk tegen te gaan. De ontwikkeling van resistentie bij de schimmel Aspergillus fumigatus wordt nauwlettend in de gaten gehouden. Uw Kamer is daarover regelmatig geïnformeerd.3
Bent u ermee bekend dat het gebruik van dezelfde werkzame middelen in én de landbouw én geneesmiddelen (kruis)resistentie tot gevolg kan hebben, waarbij bijvoorbeeld schimmels resistent worden tegen de werkzame stof en de effectiviteit van geneesmiddelen daardoor sterk afneemt?
Ja. Het is bekend dat het gebruik van dezelfde werkzame stoffen in én de landbouw én in geneesmiddelen kruisresistentie tot gevolg kan hebben. Dit mechanisme is onderwerp van meerdere recente studies en beoordelingen van Europese instanties. Ook de Gezondheidsraad benoemt dit in het advies «resistentie ondermijnt de behandeling van schimmelinfecties» uit 2024. Over de aanbevelingen en hoe deze opgevolgd worden, is uw Kamer geïnformeerd.4
Afgelopen januari hebben vijf Europese agentschappen, waaronder de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), een rapport gepubliceerd over de impact van het gebruik van azolen fungiciden buiten humaan gebruik op de ontwikkeling van azolenresistente Aspergillus spp (species).5 Het rapport geeft aan dat op basis van huidige kennis azolenresistente Aspergillus fumigatus vanuit het milieu op mensen kan worden overgedragen. Daarnaast draagt het niet-medische gebruik van azolen zeer waarschijnlijk bij aan het ontstaan van azolenresistentie bij deze schimmel. Het Ministerie van LVVN is in overleg met Wageningen University and Research (WUR) over de mogelijkheid van onderzoek naar alternatieve afvalbeheermethodes die de ontwikkeling en verspreiding van deze resistente schimmel kunnen beperken. Daarnaast heeft het RIVM een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de kruisresistentie in schimmelziekteverwekkers door duaal gebruik van fungiciden en niet-fungiciden. Uw Kamer is op 11 december jl. geïnformeerd over dit onderzoek.6
Bent u ermee bekend dat de Tweede Kamer al in 2014 een motie heeft aangenomen waarmee de regering werd opgeroepen om landbouwgif dat resistente schimmels kan veroorzaken van de markt te halen?2
Ja, de motie van het lid Ouwehand (PvdD) uit 2014 is bekend. In 2014 was er nog weinig bekend over de relatie tussen het gebruik van specifieke middelen met triazolen en het ontstaan van resistentie bij de schimmel Aspergillus fumigatus. Daarom is er destijds opvolging aan de motie gegeven door wetenschappelijk onderzoek uit te laten voeren om deze relatie nader te onderzoeken.8
Heeft u voldoende zicht op welke middelen er in landbouw (gaan) worden gebruikt, waarbij dit een risico is? Zo ja, kunt u een overzicht geven van deze middelen?
Kruisresistentie tussen werkzame stoffen die worden gebruikt in de landbouw en geneesmiddelen is geen onderdeel van de huidige risicobeoordeling van stoffen in de EU. Het is dan ook niet mogelijk om een volledig overzicht te geven. In het onderzoek van vijf Europese agentschappen naar kruisresistentie bij de schimmel Aspergillus fumigatus als gevolg van het gebruik van azolen in de landbouw als biocide en als diergeneesmiddel, is een eerste opzet gepresenteerd voor methodiekontwikkeling hoe in de stofbeoordeling kruisresistentie met geneesmiddelen kan worden meegenomen. Het kabinet vindt dit een belangrijke ontwikkeling en heeft dan ook aangedrongen bij de Europese Commissie om de methodiek verder te ontwikkelen.
Bent u ermee bekend dat de Europese Unie (EU) een middel met dezelfde werkzame stof als het beloftevolle geneesmiddel Olorofim op de nominatie heeft staan om te worden toegelaten als landbouwgif?
Nederland is beoordelend lidstaat van de werkzame stof ipflufenoquin met beoogd gebruik als gewasbeschermingsmiddel tegen schimmels. Het betreft een andere werkzame stof dan het geneesmiddel Olorofim, maar heeft wel een vergelijkbaar werkingsmechanisme. De stof ligt nog onder beoordeling en zal daarna een uitgebreid peer review proces, inclusief publieke consultatie, doorlopen bij de EFSA. EFSA stelt vervolgens een concluderend rapport op voor de Europese Commissie. Op basis van dit rapport maakt de Commissie een voorstel over het wel of niet goedkeuren van de werkzame stof en kan hierbij maatregelen voorstellen voor het reduceren van eventuele risico’s. Dit voorstel wordt vervolgens te zijner tijd ter stemming voorgelegd aan de lidstaten via het Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) over regelgeving voor gewasbescherming. Uw Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over het Nederlandse standpunt via de SCoPAFF brief.
Kunt u bevestigen dat u zich volgens het Nationaal Actieplan AMR 2024–2030 in de EU inzet om dergelijk gebruik te voorkomen en de werking van dit mogelijk levensreddend medicijn veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ja, diverse acties in het actieplan zijn hierop gericht, zoals de inzet om vanuit Nederland in Europa en internationale fora aandacht te vragen voor de resistentieproblematiek bij schimmels en te bepleiten dat nieuw ontwikkelde schimmelwerende middelen uitsluitend worden gereserveerd voor gebruik als geneesmiddel voor mensen.
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de EU en richting de Europese Commissie om de toelating van landbouwgif met deze stof te voorkomen?
Nederland brengt dit onderwerp onder de aandacht in verscheidene Europese gremia, waaronder SCoPAFF gewasbescherming. Nederland heeft naar aanleiding van het EU-rapport over kruisresistentie opgemerkt dat het exclusief reserveren van nieuw ontwikkelde antischimmelstoffen niet als aanbeveling was opgenomen. Nederland erkent daarbij wel dat het een wetenschappelijk rapport is, en dat dit een complexe politieke discussie op EU-niveau is. Nederland pleit voor het exclusief reserveren van antischimmelstoffen en benadrukt dat deze discussie Europees zo snel mogelijk gevoerd moet worden.
In de meest recente SCoPAFF-bijeenkomst over gewasbescherming heeft de Europese Commissie bovendien aangegeven dat zij een vervolgmandaat aan de EFSA overwegen voor de ontwikkeling van een beoordelingsmethode waarmee het risico van het gebruik van azool-fungiciden concreet kan worden ingeschat. Met een methode voor het toetsen van risico’s op kruisresistentie wordt het mogelijk om de discussie over het voorbehouden van antischimmelstoffen voor humaan gebruik voort te zetten.
Bent u van mening dat de maatregelen uit het Nationaal Actieplan voor het terugdringen van antimicrobiële resistentie 2024–2030 voldoende effectief en concreet zijn in het bestrijden van dergelijke dubbeltoepassing in landbouw en geneeskunde? Zo ja, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u dat?
De maatregelen uit het Nederlands Actieplan bieden belangrijke aangrijpingspunten voor het aanpakken en terugdringen van antimicrobiële resistentie. Het beteugelen van dit specifieke probleem is echter een grote uitdaging vanwege het grensoverschrijdende karakter. Dit vergt dat ook bij andere landen de bereidheid bestaat om dubbeltoepassing van antischimmelstoffen in de landbouw en geneeskunde te bestrijden. Nederland zet zich in om dit internationaal te agenderen.
Heeft u gezien dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) in Pointer stelt dat het binnen de huidige Europese wetgeving nauwelijks mogelijk is om toelatingen van antischimmelmiddelen te weigeren, ook wanneer nationale volksgezondheidsrisico’s evident zijn? Onderschrijft u dit? Wat vindt u hiervan?
Het Ctgb kwam aan het woord in een uitzending van het programma Focus van de NTR dat was gewijd aan «schadelijke schimmels» in 2025, waarbij werd gesteld dat er geen Europese wettelijke basis is om stoffen die ook voor humaan gebruik zijn ontwikkeld, niet toe te laten voor andere toepassingen. Het kabinet vindt het belangrijk dat een wettelijke basis er wel komt. Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vragen 7, 8 en 9 pleit Nederland voor de reservering van nieuwe antischimmelstoffen voor humaan gebruik in verschillende Europese gremia en is de inzet van Nederland om op Europees niveau te bezien wat de mogelijkheden zijn voor het meewegen van het risico van kruisresistentie bij de Europese goedkeuring van werkzame stoffen en bij de nationale toelating van biociden en gewasbeschermingsmiddelen.
Hoe verklaart u dat in Frankrijk zeer schadelijke pesticiden, die in de EU zijn toegelaten, wel op nationaal niveau werden verboden en dat een poging om het middel Acetamiprid weer toe te laten werd zelfs tegengehouden door de Franse Grondwettelijke Raad?3
In 2018 heeft Frankrijk een nationaal verbod voor acetamiprid ingevoerd vanwege risico’s voor bestuivers. In juli 2025 werd de wet «Duplomb», gericht op het wegnemen van belemmeringen voor het uitoefenen van de landbouw, door het Franse parlement aangenomen. Dit betekende onder andere een gelijkschakeling met een aantal EU-normen, en daarmee de herintroductie van het eerder nationaal verboden gewasbeschermingsmiddel acetamiprid. Een aantal politieke partijen had intussen het Constitutionele Hof gevraagd zich uit te spreken over de Wet Duplomb, waarbij het Hof oordeelde dat de wet in principe grondwettelijk was, behalve de herintroductie van acetamiprid (en een klein aantal andere bepalingen). Herintroductie van acetamiprid, op de voorgestelde manier, was niet in lijn met «Charte de l’Environnement», een Franse wetstekst (handvest) die het milieu moet beschermen. De Wet Duplomb, zonder de bepaling over de toelating van acetamiprid, is uiteindelijk door president Macron ondertekend en is daarmee van kracht geworden.
Heeft u gezien dat een petitie tegen de toelating van dit landbouwgif in een korte tijd miljoenen handtekeningen haalde in Frankrijk? Wat zegt dit volgens u over het maatschappelijke draagvlak voor wetgeving om burgers beter te beschermen tegen landbouwgif?
Ja. Deze petitie die in een korte tijd veel handtekeningen heeft gekregen, toont maatschappelijke betrokkenheid aan van een groep burgers die actief steun toont voor strengere wetgeving ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen, specifiek voor neonicotinoïden, in Frankrijk.
Hoe verklaart u dat Frankrijk dit soort middelen wel verbiedt, maar Nederland niet?
In Frankrijk is de «Charte de l'Environnement», een handvest ter bescherming van het milieu, opgenomen in de Franse Grondwet. Het Constitutionele Hof heeft vastgesteld dat de herintroductie van acetamiprid niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit handvest. In Nederland heeft het Ctgb de betreffende middelen beoordeeld en geconcludeerd dat ze voldoen aan de geldende wettelijke criteria.
Bent u bereid om in de World Antimicrobial Awareness Week met maatregelen te komen om de toelating van landbouwgif dat resistente schimmels kan veroorzaken te verbieden, en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet continueert de huidige inzet en zet zich zowel nationaal als Europees in om kruisresistentie te beperken. De inzet van het kabinet is dat protocollen en testrichtlijnen EU-breed worden toegepast in de risicobeoordeling. Gezien het feit dat stoffentoelating op EU-niveau wordt geregeld, is een EU-brede harmonisatie niet slechts wenselijk maar noodzakelijk om besluitvorming over beperkingen voor niet-medisch gebruik mogelijk te maken.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk gedurende de World Antimicrobial Awareness Week beantwoorden?
Nee, dit is helaas niet gelukt.
Palantir |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
In uw beantwoording van een eerdere Kamervraag1, schrijft u bij antwoorden 1 en 2 dat organisatieonderdelen die onder uw ministeriële verantwoordelijkheid vallen geen direct gebruik maken of hebben gemaakt van Palantir-software; zijn er echter wellicht wel functionarissen of organisatieonderdelen die onder uw ministeriële verantwoordelijkheid vallen die indirect (bijvoorbeeld via een Palantir-licentie die toebehoort aan een gebruiker die niet onder uw ministeriële verantwoordelijkheid valt) gebruik hebben gemaakt van Palantir-software of informatieproducten uit Palantir? Zo ja, welke organisatieonderdelen, functionarissen (functietitels) en/of informatieproducten betreft dit?
De Wet politiegegevens (Wpg) verplicht functionarissen die binnen het Wpg-domein werkzaam zijn – waaronder de algemene opsporingsambtenaren van de politie, de Koninklijke Marechaussee en de Bijzondere Opsporingsdiensten – om informatie te delen binnen de geldende wettelijke kaders. Algemene opsporingsambtenaren, zoals die van de FIOD, met wie de politie samenwerkt en die gebruikmaken van een door de politie verstrekte werkplek, kunnen toegang krijgen tot Palantir. Dit gebruik valt onder de verantwoordelijkheid van de politie en vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders. Uit de eerdere inventarisatie is geen ander, indirect gebruik van Palantir of van door Palantir gegenereerde informatieproducten gebleken.
Voor een nadere duiding van het gebruik van Palantir bij organisaties buiten het Ministerie van Financiën, waaronder samenwerkingsverbanden die gelieerd zijn aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zoals de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s), het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC) en de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV), verwijs ik naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Van Houwelingen door andere ministeries.
In uw gebundelde antwoord op vragen 3 en 4 uit eerdergenoemde Kamervraag schrijft u «Organisatieonderdelen van het Ministerie van Financiën ontvangen en delen informatie en signalen met ketenpartners binnen de geldende wettelijke kaders, deze levering vindt niet direct in Palantir plaats.»; deelt (een organisatieonderdeel van) uw ministerie wellicht wel indirect data (aangezien aanlevering van data immers in de regel niet direct geschiedt, maar indirect via application programming interfaces (API’s) van onafhankelijke applicaties of aanleveringen via landing zones of buckets) met ketenpartners die gebruik maken van Palantir-software? Zo ja, welke ketenpartners zijn dit en welke data betreft dit?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer uw organisatie gegevens deelt met ketenpartners, ontslaat u dit vervolgens, naar uw oordeel, van de verantwoordelijkheden die de AVG verbindt aan de gegevensverwerking en -deling? Zo ja, waarom?
Nee. Wanneer organisatieonderdelen gegevens delen met ketenpartners, ontslaat dit het betreffende organisatieonderdeel niet van de verantwoordelijkheden die de AVG verbindt aan de verwerking en deling van persoonsgegevens. Deze verantwoordelijkheden kunnen niet enkel door het delen van gegevens worden overgedragen of uitgesloten.
Bij ketensamenwerkingen kan sprake zijn van gedeelde of gezamenlijke verantwoordelijkheid. In dat geval worden de taakverdeling en verantwoordelijkheden vastgelegd in een convenant of–wanneer sprake is van verwerking in opdracht van het organisatieonderdeel–in een verwerkersovereenkomst.
Het bericht ‘PostNL kijkt terug op zorgvuldige bezorging verkiezingspost door 22.000 medewerkers’ |
|
André Flach (SGP) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL kijkt terug op zorgvuldige bezorging verkiezingspost door 22.000 medewerkers»?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre de positieve conclusie van PostNL ook geldt ten aanzien van het bezorgen van verkiezingspost uit het buitenland?
Op dit moment zie ik geen aanleiding te veronderstellen dat het proces van kiezen vanuit het buitenland niet goed zou zijn verlopen. Bij de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing zal dit proces van stemmen uit het buitenland worden meegenomen. Dat geldt indien opportuun ook voor de geschetste casuïstiek.
Hoeveel verkiezingspost uit het buitenland is door PostNL niet tijdig bezorgd? Wat zijn de redenen daarvoor?
Bij de Tweede Kamerverkiezing 2025 zijn er vanuit het buitenland 86.894 stemmen uitgebracht, die tijdig zijn gearriveerd bij het nationaal briefstembureau. Daarnaast zijn er 2.298 stemmen na de deadline binnengekomen. 2.192 van deze te laat gearriveerde stemmen werden via de reguliere post ontvangen. Het is niet bekend wat de redenen hiervan zijn.
Klopt het dat bij een aantal van de voorgedrukte oranje enveloppen sprake zou zijn van een fout in het adres? Zo ja, hoe is met deze post omgegaan en wat is gedaan om deze alsnog tijdig te bezorgen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat PostNL in reactie op klachten aangegeven heeft dat tracering van post slechts tot de grens mogelijk zou zijn en dat niet kan worden vastgesteld of de brieven zijn bezorgd? Hoe is dit verweer te verenigen met de constatering van een buitenlandse kiezer op basis van track and trace dat de post van betrokkene reeds op 10 oktober jl. in Rotterdam was bezorgd? Hoe komt het dat zulke post blijkens een mededeling van PostNL niet alsnog tijdig is bezorgd in de ruime periode totaan de verkiezingsdatum?
Voorafgaand aan een verkiezing worden kiesgerechtigden in het buitenland door de rijksoverheid en de gemeente Den Haag geïnformeerd over de geldende procedure voor stemmen vanuit het buitenland. Ook worden deze kiezers geïnformeerd over het moment waarop hun briefstem door het briefstembureau van de gemeente Den Haag moet zijn ontvangen. Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezing was dit op 29 oktober (de dag van de stemming) om 15 uur. Briefstemmen die later zijn ontvangen door het briefstembureau worden ter zijde gelegd en niet meegeteld.
Om de kans zo klein mogelijk te maken dat een briefstem te laat binnenkomt bij het briefstembureau worden kiesgerechtigden voorafgaand aan een verkiezing geadviseerd welke maatregelen zij kunnen nemen om dit risico zo klein mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is dat de kiesgerechtigden erop worden gewezen dat de postbezorging gemiddeld tussen de 5 en 15 dagen duurt, afhankelijk van het land van waaruit de briefstem is verstuurd. Ten aanzien van de track & trace-informatie wordt vermeld dat deze niet verder dan de landsgrens gaat.
Wat wordt gedaan met verkiezingspost die niet tijdig is bezorgd en hoe worden de belangen van betrokkenen hierbij maximaal beschermd?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid over het bovenstaande in gesprek te gaan met PostNL en te bezien op welke wijze problemen in de toekomst kunnen worden voorkomen?
In de reguliere gesprekken van mijn ministerie met PostNL over verkiezingspost zal ook aandacht zijn voor de bezorging van briefstemmen uit het buitenland. In overleg wordt bezien of er mogelijkheden zijn om dit proces verder te versterken.
De voorgenomen wijziging van het Besluit Aanwijzing hoofdspoorwegen met het oog op het slopen van de spoorbrug over de Maas in Maastricht |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inbrengen in de internetconsultatie van het Besluit Aanwijzing hoofdspoorwegen aangaande de spoorlijn Maastricht – Lanaken?1
Ja, hier heb ik kennis van genomen.
Herkent u het beeld dat de reacties van zowel Nederlandse als Belgische zijde van de grens negatief zijn? Zo ja, hoe neemt u deze inbreng mee in de verdere besluitvorming?
Het beeld dat de reacties van indieners aan beide zijden van de grens kritisch zijn, wordt herkend. Deze inbreng wordt meegenomen in het hoofdlijnenverslag dat binnenkort gepubliceerd wordt. Op het BO MIRT 2024 hebben Rijk en regio op hoofdlijnen overeenstemming bereikt over de vervolgstappen die mogelijk worden nadat het wijzigingsbesluit genomen is.
De Belgische overheid hecht groot belang aan grensoverschrijdende mobiliteit en aan de ontsluiting van Limburg, zowel voor goederen- als personenvervoer. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat een heropening van de zogenoemde spoorlijn 20 op korte termijn niet haalbaar is. Dit vereist zowel in België als in Nederland een reeks ingrijpende stappen zoals herziening van de beslissing tot buitendienststelling in België (beslissing die toenmalige Belgische Minister van Mobiliteit, de heer François Bellot, nam in 2020), heraanleg van ontbrekende secties, terugdraaien van het ingezette proces tot de onttrekking van het hoofdspoor in Nederland en technische veiligheidscontroles van de brug.
Intensieve samenwerking tussen België en Nederland heeft de afgelopen decennia niet geleid tot nieuwe initiatieven om personenvervoer over deze spoorlijn tot stand te brengen. Realistische en binnen afzienbare termijn haalbare perspectieven om een nieuwe treinverbinding te realiseren ontbreken daardoor. Naar aanleiding van de internetconsultatie, het Commissiedebat Spoor van 18 december en het Notaoverleg MIRT van 26 januari voer ik begin 2026 gesprekken met Rover, Arriva, Limburg, Vlaanderen en België over het voornemen om de lijn Maastricht–Lanaken te onttrekken aan het hoofdspoor. Zo hebben mijn Belgische collegaminister Crucke en ik elkaar begin februari gesproken. Ook hebben de commissaris van de Koning in Limburg, de heer Roemer, en ik elkaar gesproken. Vanuit de directie OVS is ambtelijk in overleg getreden met vervoerder Arriva en wordt half februari ook met Rover gesproken. Uit het gesprek met Arriva kwamen geen argumenten naar voren om het wijzigingsbesluit aan te passen. Om de afweging zorgvuldig te maken, volgt half februari een vervolggesprek met Limburg, België en Vlaanderen.
De afweging wil ik zorgvuldig maken en om die reden is nog iets meer tijd en gesprek nodig voor besluitvorming. De uitkomsten van deze gesprekken verwerk ik in het Hoofdlijnenverslag dat naar aanleiding van de internetconsultatie gepubliceerd wordt.
Hoe verhoudt uw voorgenomen besluit zich tot de aangenomen motie Van Dijk/Dassen d.d. 22 september 2025 (Kamerstuk 36 563-10)? Deelt u dat uw voornemen en de dientengevolge sloop van de brug niet past binnen het verzoek van de motie om samen met uw collega’s uit België en Duitsland kansrijke verbindingen te inventariseren en vervolgstappen te zetten tot reactivatie?
De aangenomen motie Van Dijk/Dassen stelt dat de regering op verschillende trajecten in grensregio’s tezamen met Duitsland en België een inventarisatie dient te maken van kansrijke grensoverschrijdende spoorverbindingen en de mogelijke vervolgstappen tot het reactivatie dient te bezien. Maastricht–Hasselt wordt genoemd als voorbeeld.
Is er sinds het besluit om niet door te gaan met het project tram Maastricht – Hasselt door u in samenwerking met de Belgische/Vlaamse overheden onderzoek gedaan naar een alternatief? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u daarbij ook de mogelijkheden van de spoorbrug onderzocht? Kunt u aangeven aan welk alternatief u werkt, welk budget u hiervoor heeft en wat de planning is voor realisatie?
Dit is niet onderzocht, omdat er vanuit overheden aan zowel de Nederlandse als Belgische zijde geen realistische perspectieven waren om een treinverbinding te laten realiseren en exploiteren. Zo is aan de Belgische zijde al jaren geen onderhoud meer gepleegd op de betreffende spoorverbinding en is de lijn definitief buiten exploitatie gesteld in 2020. Vanwege deze buitendienststelling heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de voorbereidingen voor een wijzigingsbesluit getroffen om de spoorlijn aan Nederlandse zijde aan de hoofdspoorwegeninfrastructuur (HSWI) te onttrekken. Overigens maakte de spoorbrug geen onderdeel uit van de plannen van de tram Maastricht – Hasselt die eerder bestonden.
Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor internationaal regionaal OV-vervoer. Dit geschiedt via de bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Klopt het dat er sinds het stranden van het Spartacusplan geen gezamenlijk overleg is geweest tussen Nederland, het Federale Ministerie van Mobiliteit, de provincies Limburg, de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken en de gemeenten Maastricht en Hasselt over een integrale regionale mobiliteitsvisie voor de corridor Hasselt – Maastricht inclusief de toekomstige rol van het openbaar vervoer?
De Nederlandse provincie Limburg, de gemeente Maastricht, Vlaanderen en De Lijn hadden ten tijde van het tramproject Maastricht–Hasselt een stuurgroep die frequent bijeenkwam. Deze tram vormde het Spartacus1 deel van het gehele Spartacus-dossier. Nadat Vlaanderen het tramproject heeft beëindigd is deze Stuurgroep ook stopgezet.
De Nederlandse provincie Limburg zit in de regel niet direct aan tafel met de federale overheid van België. Om die reden is er dus geen overleg geweest met de federale overheid over het stranden van het Spartacusplan.
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, werken de Nederlandse en Belgische partners wel samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor internationaal regionaal OV-vervoer.
Bent u bereid een hernieuwd overleg te starten met alle betrokken overheden in Nederland en België om te komen tot een gezamenlijk gedragen visie op de ontwikkeling van een toekomstbestendige hoogwaardige OV-verbinding tussen Hasselt en Maastricht welke ook bijdraagt aan een verbeterde verbinding tussen Antwerpen en Maastricht en tussen Hasselt en Aachen conform de motie Van Dijk/Dassen?
Ik ben van mening dat een dergelijk initiatief regionaal door de betrokken regio’s van Nederlandse en Belgische zijde opgepakt zou moeten worden. Wel ben ik momenteel, zoals tevens aangegeven in het commissiedebat Spoor van 18 december en Notaoverleg MIRT van 26 januari, in overleg met mijn Belgische, Vlaamse en Limburgse collega-bestuurders. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de spoorbrug in de verbinding Maastricht – Lanaken in de toekomst mogelijk noodzakelijk kan zijn voor de weerbaarheidsopgave op het Nederlandse en Belgische spoor gezien de beperkte redundantie in de bestaande west-oostverbindingen?2
Vanuit overheden aan zowel de Nederlandse als Belgische zijde van de grens wordt geen potentie gezien om een treinverbinding te realiseren en daarmee is deze ook niet noodzakelijk vanuit een weerbaarheidsopgave.
Kunt u bevestigen dat circa 15 jaar geleden 33 miljoen euro is besteed aan renovatie van deze spoorbrug?
Dat kan ik bevestigen. Helaas heeft deze investering niet tot een verbeterde bereikbaarheid voor personen- en goederenvervoer per spoor geleid. Ten tijde van de renovatie van de Spoorbrug Maastricht was de verwachting dat papierproducent Sappi de drijver zou zijn achter spoorgoederenvervoer over de brug. Deze producent kampte na de economische crisis met problemen en daarna bleek dat het vervoer per vrachtauto goedkoper was. Dat had een grote negatieve impact op het vervoer van goederen per spoor.
Daarnaast heeft in de afgelopen decennia ook geen personenvervoer op de lijn Maastricht–Lanaken plaatsgevonden wegens onvoldoende vraag. De verwachting van de overheden is dat dit ook niet gaat veranderen. Wel zien betrokken partijen kansen om de huidige busverbinding tussen Hasselt en Maastricht te verbeteren. Daarover voert de Nederlandse provincie Limburg het gesprek met De Lijn.
Kunt u verantwoorden waarom u daarbovenop nu circa 10 miljoen euro, die bestemd was voor een verbeterde OV-verbinding tussen Maastricht en Hasselt, wilt inzetten voor de sloop van deze brug?
De 10 miljoen euro is inderdaad bedoeld voor de sloop van de spoorbrug. De sloop is onderdeel van de bestuurlijke afspraken die op het BO MIRT van 2024 gemaakt zijn tussen Rijk en regio om de middelen die oorspronkelijk bedoeld waren voor de tramverbinding Maastricht–Hasselt te herbestemmen. De belangrijkste reden is nautische veiligheid:
Vanuit nautische overwegingen is het van belang te benoemen dat, indien de spoorbrug niet wordt gesloopt, dit betekent dat een nautisch knelpunt blijft bestaan en extra geïnvesteerd moet worden om de scheepvaart veilig te houden. De spoorbrug is een veiligheidsknelpunt, in combinatie met de invaart van het Julianakanaal en de Sint Servaasbrug. In 2023 passeerden ongeveer 14.000 binnenvaartschepen de Spoorbrug Maastricht. Volgens prognoses van Rijkswaterstaat3 neemt het aantal passerende schepen de komende jaren af, omdat er steeds grotere schepen varen.
Bij hogere afvoeren in de Maas neemt de doorvaarthoogte van de spoorbrug af. Schepen moeten dan door de beweegbare opening van de brug varen. Deze opening ligt aan de linkeroever, terwijl de scheepvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal aan de rechteroever liggen. Schepen moeten slingeren om de spoorbrug te passeren, terwijl de afstand tussen de Wilhelminabrug en de spoorbrug circa 700 meter is en maatgevende schepen 193 meter lang zijn. Schepen kunnen elkaar op dit traject nergens veilig passeren. Door het weghalen van de spoorbrug hoeven schepen geen slingerbeweging meer te maken en kunnen schepen elkaar veilig passeren. Bovendien zijn de knelpunten bij de Sint Servaasbrug en de invaart van het Julianakanaal beter beheersbaar bij sloop van de spoorbrug.
De nautische taakbelasting, de hoeveelheid handelingen en informatie die een schipper moet uitvoeren en verwerken, is op de vaarweg bij Maastricht hoog. Het grote aantal bruggen dicht bij elkaar, hoge aantal schepen en de benodigde slingerbeweging zorgen voor een hoge mate van belasting voor schippers. Sloop van de spoorbrug zorgt er dus voor dat een schipper op dit traject minder taken hoeft uit te voeren en de vaarweg veiliger wordt.
Daarnaast leidt sloop van de spoorbrug voor een waterstandsdaling van 5 centimeter. Het niet slopen betekent mogelijk dat dure en beeldbepalende extra maatregelen getroffen moeten worden bij het historisch stadsfront Maastricht om de waterveiligheid voor inwoners te borgen.
Daarnaast is de realisatie van de langzaam verkeersbrug over de Maas, die noodzakelijk is voor het realiseren van woningbouw, niet mogelijk als de spoorbrug blijft bestaan. Met een extra brug over de Maas liggen de twee bruggen te dicht op elkaar, wat volgens de Richtlijnen Vaarwegen 2020 niet mag.
Daarnaast worden door de sloop jaarlijks beheer- en onderhoudskosten uitgespaard van infrastructuur die niet wordt gebruikt. Ook maakt de sloop van de brug het mogelijk om ruimte voor de rivier te creëren aan de oostzijde van de Maas. Tot slot maakt de sloop van de brug het mogelijk om gronden aan beide zijden van de Maas te herontwikkelen.
Figuur 1: Nautische veiligheid Spoorbrug Maastricht. Bron ondergrond: Hinder voor scheepvaart door toegenomen stroomsnelheid in Maastricht – MARIN – 2013
Waarom behoudt u het genoemde budget van 10 miljoen euro niet voor het verbeteren van de OV-verbinding tussen Maastricht en Hasselt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Heeft u of de provincie Limburg een marktconsultatie gedaan onder vervoerders om te zien of er interesse is om te rijden met treinen tussen Hasselt, Lanaken en Maastricht bijvoorbeeld als onderdeel van de nieuwe OV-concessie voor Nederlands Limburg vanaf 2031? Zo nee, waar baseert u de conclusie op dat er geen interesse is in spoorvervoer via deze verbinding? Bent u bereid alsnog een marktconsultatie te doen?
De voorbereidingen voor de nieuwe OV-concessie Limburg moeten nog starten. Deze nieuwe OV-concessie start in december 2031. De provincie Limburg heeft zelf geen spoorlijnen fysiek in eigendom en is dus afhankelijk van andere partijen om die aan te passen, te vernieuwen, dan wel nieuw aan te leggen. De provincie Limburg heeft eerder in haar aanbesteding de vernieuwing van de Maaslijn (die geheel op Nederlands grondgebied is gelegen) opgenomen en gebleken is dat daar enorme complicaties uit zijn voorgekomen.
Klopt het dat er geen overleg is geweest tussen uw ministerie en de consumentenorganisaties in het Locov over de sloop van de spoorbrug terwijl het Locov een wettelijke adviesorgaan is voor reizigersrelevante spoorse zaken? Klopt het dat het Locov ook niet proactief is geïnformeerd over de door u genomen besluiten over de spoorbrug in het BO-MIRT? Hoe heeft u het reizigersbelang in uw besluitvorming geborgd?
Dit klopt niet. Het Locov wordt op regelmatige basis geïnformeerd over de ontwikkelingen op internationaal personenvervoer per spoor door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en ProRail. Op 15 januari 2024 heeft Rover vragen gesteld over internationaal OV aan IenW. Daarop heeft IenW aangegeven dat de Tram Maastricht–Hasselt niet doorging en is verwezen naar de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht.
Deelt u de mening dat behoud van de brug onderdeel kan zijn van de oplossing om alsnog te komen tot een snelle OV-verbinding tussen beide steden?
Zie het antwoord op vraag 4 en 9.
Kunt u bevestigen dat technisch gezien een reistijd van circa 25 minuten tussen Hasselt en Maastricht haalbaar is als de spoorlijn gereactiveerd zou worden terwijl de reistijd per bus of trambus circa 70 minuten zal zijn?
Nee, dit klopt niet. Het huidige spoor is niet geschikt voor hoge snelheden met personentreinen, omdat de maximumsnelheid 60 km/u bedraagt. Hierdoor is een reistijd van 25 minuten niet realistisch.
Daarbij is een verbinding enkel haalbaar als er voldoende middelen beschikbaar gesteld worden om de infrastructuur op orde te brengen en er garanties zijn dat vervoerders te verbinding willen rijden. Beiden zijn op dit moment niet aan de orde.
Bent u bereid ter uitvoering van voornoemde motie en in het licht van het initiatief van Rover en Trein Tram Bus en gezien het mogelijke belang voor de weerbaarheid van ons land uw voorgenomen besluit ten aanzien van het verwijderen van de spoorverbinding Maastricht – Lanaken uit de hoofdspoorweginfrastructuur in te trekken? Zo nee, wilt u deze vragen dan beantwoorden voor het CD Spoor d.d. donderdag 18 december 2025 en uw definitieve besluit niet nemen voordat de Kamer deze heeft kunnen bespreken?
Ik voer momenteel, zoals besproken in het Commissiedebat Spoor van 18 december en Notaoverleg MIRT, gesprekken met Rover, Arriva en mijn Limburgse, Belgische en Vlaamse collega-bestuurders over het voornemen om de lijn Maastricht–Lanaken te onttrekken aan het hoofdspoor. Uitkomsten van deze overleggen worden betrokken bij de definitieve besluitvorming. Gezien de noodzakelijke afstemming is het niet mogelijk geweest de vragen voor het commissiedebat Spoor d.d. donderdag 18 december 2025 te beantwoorden.
Het bericht dat een eruchte moordmakelaar betrapt in cel met telefoon: ’Jomairo D. regelde extreem gewelddadige delicten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Beruchte moordmakelaar betrapt in cel met telefoon: «Jomairo D. regelde extreem gewelddadige delicten»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een beruchte moordmakelaar vanuit de penitentiaire inrichting (PI) Zaanstad hoogstwaarschijnlijk met een telefoon opdrachten tot gewelddadige delicten kon geven?
Het is onacceptabel wanneer een gedetineerde met binnengesmokkelde telefoons criminele activiteiten voortzet. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich hier dan ook hard voor in om dit te voorkomen met nieuwe technieken en verschillende vormen van controles. Ik kan echter niet ingaan op de situatie rondom individuele gedetineerden.
Hoe kan het dat op een crimineel van dit kaliber niet in de Afdeling Intensief Toezicht of de Extra Beveiligde Inrichting is geplaatst?
Zoals aangegeven ga ik niet in op situaties van individuele gedetineerden. Wel kan ik in algemene zin een toelichting geven op het plaatsingsproces. Bij de eerste plaatsing wordt door DJI conform de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog) een risicoprofiel vastgesteld op basis van concrete en actuele informatie waarbij er naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. DJI bepaalt vervolgens op grond van de Rspog welke inrichting en regime het meest veilig en passend is. Voor plaatsing op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) of de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) geldt dat elk jaar opnieuw wordt getoetst of de gedetineerde nog steeds voldoet aan de plaatsingscriteria zoals omschreven in de Rspog. Bij deze beoordeling wordt onder meer gekeken naar actuele informatie van politie, OM en van de Penitentiaire Inrichting (PI).
Wat is volgens u de oorzaak dat al jaren een grote hoeveelheid contrabande de PI Zaanstad binnen blijft komen?
Het Justitieel Complex Zaanstad (JCZ) is een zeer grote inrichting en biedt plaats aan circa 900 justitiabelen. Dat neemt niet weg dat ook ik zorgen heb over de hoeveelheid gevonden contrabande. Daarom werkt DJI hard om contrabande te voorkomen, dat geldt ook voor het JCZ. Ik hecht eraan te benadrukken dat niet alle aangetroffen contrabande bij gedetineerden terecht zijn gekomen. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij de fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit of bij de controles van de post.
Middels een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
De hierboven genoemde controles vormen een belangrijk onderdeel van het bestrijden van contrabande. Hierbij geldt dat als bij een eerdere inzet telefoons zijn aangetroffen, dit reden kan zijn om nogmaals te controleren, wat vervolgens weer nieuwe contrabande op kan leveren. Op deze wijze wordt, conform de motie van het lid Ellian, verscherpte controles uitgeoefend.2
Ik vind het van groot belang dat inrichtingen controles uitoefenen en blijf hier dan ook op inzetten middels bovenstaande werkwijze.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat telefoons en andere informatiedragers niet meer de PI Zaanstad binnengebracht worden?
Het weren van contrabande is blijvend onder de aandacht en in ontwikkeling. Er wordt dan ook vanuit de in het regeerprogramma toegekende middelen flink geïnvesteerd in technieken om contrabande tegen te gaan.
Naast de in antwoord 4 genoemde controles, wordt ingezet op het treffen van technische maatregelen bij het tegengaan van contrabande.
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik niet alle maatregelen omschrijven, anders worden criminelen onnodig wijzer en verliezen maatregelen hun effectiviteit. Enkele maatregelen, zoals ook eerder gedeeld met uw Kamer, die ik kan noemen zijn
overgooidetectie, GSM-detectie en de inzet van bodyscanners3. Verder wordt gewerkt aan verscherpte toegangscontroles en zoekacties, detecteren van drones/ telefoons en de jamming van telefoons.
Bent u bereid om de PI Zaanstad onder extra toezicht te stellen, waarbij intensieve onaangekondigde controles worden uitgevoerd onder exclusief toezicht van de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid? Zo ja of nee, waarom?
Conform de eerdere motie van het Kamerlid Ellian4 worden er verscherpte controles uitgeoefend door de inzet van risico en informatie gestuurde inzet van controles. De gelaagde werkwijze, zoals in antwoord drie is omschreven, waarbij er meerdere keren op onvoorspelbare wijze wordt gecontroleerd draagt bij aan snelle interventies en concrete vondsten. Dit levert het meeste resultaat op. Ik zal uw Kamer, conform aangenomen motie van Kamerlid Ellian5, in september 2026 informeren over de inzet van de verscherpte controles.
Waarom vinden er zelden vervolgingen plaats op basis van informatie die op telefoons staat die gevonden worden in een PI?
Ik deel de zorgen over voortgezet crimineel handelen in detentie. Ik ga echter niet over de beslissing om over te gaan tot opsporing en vervolging. Dit is aan het Openbaar Ministerie. Wel kan ik aangeven dat de samenwerking tussen het OM, politie en DJI met de komst van Detentie Intelligence Unit (DIU) is versterkt. In de DIU werken zij samen aan analyses en aan het opmaken van informatieproducten over gedetineerden. Deze informatieproducten kunnen vervolgens worden gebruikt bij plaatsingsbeslissingen en het treffen van gepaste maatregelen in de verschillende fasen van detentie, maar eveneens om strafbare feiten, ook in de buitenwereld, op te sporen. Het delen van intelligence levert een belangrijke bijdrage aan de kennispositie van DJI, politie en het OM over (hoog)risicogedetineerden om daarmee maximaal in te kunnen zetten op het aanpakken van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie.
Bent u bereid om bij het Openbaar Ministerie erop aan te dringen dat criminele opdrachten vanuit de gevangenis onacceptabel zijn en dat, ondanks dat een gedetineerde al een hoge straf heeft gehad, maximaal ingezet moet worden op opsporing en vervolging van alle personen die betrokken zijn bij criminele opdrachten vanuit de gevangenis? Zo ja of nee, waarom?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk eind november 2025 beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De rondrazende vogelgriep en de grote risico’s voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over het toenemende aantal uitbraken van vogelgriep en over het feit dat er sinds begin oktober zo’n 450.000 kippen en fazanten in de veehouderij zijn vergast?1
In de wilde vogelpopulatie in Nederland is een toename in besmettingen met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te zien. Ondanks vele preventieve maatregelen is er sprake van een toenemend aantal besmettingen bij gehouden pluimvee. Op 10 november heeft de Deskundigengroep Dierziekten het risico op vogelgriep op pluimveebedrijven beoordeeld als «zeer hoog». Ik vind de situatie zeer zorgwekkend en blijf dit nauwgezet monitoren.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van virologen en hoogleraren die stellen dat «vogelgriep kan zorgen voor een nieuwe pandemie met de omvang van de coronacrisis», maar dan «dodelijker» en dat die pandemie op elk moment zou kunnen uitbreken?2,3
Ja.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid, en met name de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om risico’s op een nieuwe pandemie zoveel mogelijk in te perken en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en risico’s op het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van VWS zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u bevestigen dat commissie-Bekedam al 3,5 jaar geleden adviseerde om de risico’s op zoönosen te beperken, maar dat veel van de belangrijkste aanbevelingen nog steeds niet zijn uitgevoerd?
Het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is het belangrijkste advies geweest om te komen tot het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. De aanbevelingen van de expertgroep zijn gewogen ten opzichte van al bestaande instrumenten en structuren, om zo te bepalen welke acties in het actieplan daadwerkelijk voor de versterking van het huidige zoönosenbeleid een plek moesten krijgen. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026. Bij brief is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. De uitvoering van het actieplan verloopt voortvarend. De aanbevelingen van de expertgroep zijn of worden daarmee grotendeels uitgevoerd. In januari 2026 ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat Nederland extra kwetsbaar is voor vogelgriep door de hoge dichtheid van (pluim)veehouderijen? Zo nee, waarom niet?4
Nederland heeft een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak. Nederland is daardoor kwetsbaar voor dierziekten, waaronder vogelgriep.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat de Nederlandse vee-industrie zelf een belangrijk risico vormt voor het ontstaan en verspreiden van zoönosen, vanwege het enorme aantal dieren dat op een klein oppervlak wordt gehouden en de hoge concentratie van stallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, heeft Nederland een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak, waardoor Nederland kwetsbaar is voor dierziekten, waaronder zoönosen.
Een hoge bedrijfsdichtheid draagt bij aan de kans op tussenbedrijfstransmissie.
Dat betekent dat een ziekteverwekker van een besmet bedrijf zich naar andere bedrijven kan verspreiden. Het kabinet zet in op het verminderen van de risico’s op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers. Dit gebeurt onder meer door monitoring- en surveillanceprogramma’s en vaccinatie tegen bepaalde ziekteverwekkers, als ook door de beleidsmatige uitvoering van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid en het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ook veehouders spannen zich in om dit risico te verkleinen. Zo zorgen bioveiligheidsmaatregelen bij veehouderijbedrijven voor vermindering van insleep van (zoönotische) ziekteverwekkers, en zijn houders alert; zij melden verdenkingen van een besmetting met een meldingsplichtige ziekte snel bij de NVWA. Op deze manier beperken we het risico voor de dier- en volksgezondheid.
Herinnert u zich dat de commissie-Bekedam nadrukkelijk adviseerde om het aantal veehouderijen en het aantal dieren in de veehouderij te beperken?
In het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is aangegeven dat om tot een reductie van het zoönoserisico te komen, de maximale bedrijfsdichtheid en de daarin gehuisveste dieren in een gebied zodanig moet zijn dat uitgebreide spreiding van zoönotische kiemen in zo’n situatie wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat het toenmalige kabinet aankondigde te willen toewerken naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden en een verbod op uitbreiding in die risicogebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291)?
Het toenmalige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgenomen te streven naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveehouderijen in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en de mogelijkheden te verkennen voor een verbod op uitbreiding in deze gebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291).
Klopt het dat was aangekondigd dat er eerst een impactanalyse zou worden gedaan en dat deze eind 2023 naar de Kamer zou komen, maar dat deze er nog altijd niet is? Hoe verklaart u dit?
Ja, dat klopt. In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) voeren een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Het rapport hierover is nog niet definitief.
Op basis van het conceptrapport is RIVM gevraagd een inschatting te maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid.
RIVM zal deze vraag oppakken samen met experts van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Voor het analyseren van de impact is het van belang ook de scenario ’s en uitkomsten van het WSER-rapport mee te nemen. De plannen voor de impactanalyse op volks- en diergezondheid worden op dit moment uitgewerkt. Dit is een complex vraagstuk dat tijd vraagt. Ik vind het belangrijk dat deze analyse zorgvuldig wordt uitgevoerd. Dit soort structuurmaatregelen zijn immers ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Hoeveel pluimveebedrijven zijn er sinds het advies van de commissie-Bekedam nieuw gevestigd in pluimveedichte en waterrijke gebieden en hoeveel pluimveebedrijven zijn uitgebreid in deze gebieden?
Om een exact antwoord te geven op deze vraag, is informatie over verleende vergunningen voor nieuwvestiging of uitbreiding van pluimveebedrijven nodig. Ik beschik niet over een centrale database met dit soort informatie. Ik kan daarom geen antwoord geven op deze vraag.
Hoeveel kippen, eenden, fazanten, kalkoenen en andere dieren in de veehouderij zijn er sinds het advies van Bekedam vergast?
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal geruimde vogels sinds de publicatie van het rapport «Zoönosen in het Vizier» (6 juli 2021) tot en met 8 december 2025.
590.404
5.497.906
185.510
85.713
1.108.494
31.288
321.516
9.665
0
37.144
0
0
0
0
7.556
48.293
164.995
0
0
24.650
Op de website van de Rijksoverheid wordt een overzicht bijgehouden van alle uitbraken van vogelgriep en het aantal geruimde dieren.5
Deelt u het inzicht dat het uitblijven van maatregelen, in afwachting van een analyse over de impact voor de vee-industrie, heeft geleid tot extra dierenleed én vergrote risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat veel maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep al zijn uitgevoerd, of nu worden uitgevoerd, als aanvulling op het eerder bestaande preventie- en bestrijdingsbeleid. Dit doen we ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
De structuurmaatregelen die het vorige kabinet heeft opgenomen in het intensiveringsplan, betreffen maatregelen om het risico op en impact van uitbraken in de toekomst te beperken. De uitwerking hiervan vergt tijd, en deze maatregelen zullen naar verwachting ook pas op langere termijn effect sorteren.
In de impactanalyse die nu wordt uitgevoerd door experts, wordt zowel naar de impact op de sector als naar het effect op de volks- en diergezondheid gekeken. De uitkomsten van de impactanalyse zullen gebruikt worden bij de besluitvorming. In het antwoord op vraag 9 wordt het proces rondom de impactanalyse nader toegelicht.
De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid wordt periodiek beoordeeld door experts. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.6
Voor personen die beroepsmatig in contact komen met (mogelijk) besmette dieren, zowel wilde als gehouden dieren, wordt het risico als gemiddeld ingeschat. Dit is iets hoger dan in mei dit jaar, doordat er veel meer mensen worden blootgesteld door de vele uitbraken bij wilde en gehouden vogels op dit moment.
Deelt u de mening dat verder uitstel van deze maatregelen zeer ongewenst is, gezien de grote risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Om een besluit te kunnen nemen over deze maatregelen hebben we meer inzicht in de impact van deze maatregelen nodig. Het gaat om een ingrijpende maatregel waarvoor nieuwe wettelijke bevoegdheden en een gedegen onderbouwing nodig zijn. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.7
De huidige reeks aan uitbraken van vogelgriep doen zich overigens in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd.
Bent u ervan op de hoogte dat niet alleen de commissie-Bekedam maar ook het Europees Centrum voor Ziektepreventie en Ziektebestrijding (ECDC) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben aanbevolen om de dichtheid van pluimvee en pluimveehouderijen te verlagen, zowel in waterrijke gebieden als daarbuiten? Wat heeft u met deze aanbeveling gedaan?5
Ja. De aanbevelingen die ECDC/EFSA doet in hun scientific opinion van 29 januari 2025 ondersteunen de structuurmaatregelen zoals geformuleerd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Wanneer gaat u de maatregelen die in 2021 zijn geadviseerd en in 2023 zijn aangekondigd eindelijk doorvoeren?
De aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» zijn gebruikt bij de totstandkoming van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid als het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen vogelgriep.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat kraamzorg niet meer overal in Nederland gegarandeerd kan worden |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat kraamzorg niet meer overal in Nederland gegarandeerd kan worden?1
De signalen over toenemende krapte in de kraamzorg zijn mij bekend. Kraamzorg is een essentieel onderdeel van de integrale geboortezorg, die een belangrijke basis legt voor een goede en gezonde start van moeder, kind en gezin. De transitie naar passende kraamzorg is hard nodig, en de sector staat daarbij voor een grote opgave.
Erkent u dat de keuze van de afgelopen regeringen en de zorgverzekeraars om de kraamzorg te verwaarlozen de grondoorzaak is van de klassenverschillen die we nu zien in de kraamzorg? Zo ja, wat gaat u doen om weer te investeren in de kraamzorg en de klassenverschillen te verkleinen? Zo nee, waarom niet?
Het beeld dat de afgelopen regeringen of zorgverzekeraars bewust hebben gekozen om de kraamzorg te verwaarlozen herken ik niet. De afgelopen jaren is geïnvesteerd in de kraamzorg door subsidie beschikbaar te stellen voor projecten voor het anders inrichten van de kraamzorg. Er is subsidie verleend voor het opstellen van een nieuwe indicatiemethodiek. Een methodiek die nu bekend staat als de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM). Ook is er subsidie verleend voor het onderzoeken van een andere inrichting van de wachtdiensten door middel van partuspoules. Beide projecten krijgen een vervolg in de transformatie. Tegelijkertijd zijn sinds 2024 middelen beschikbaar gesteld voor het ontwikkelen van richtlijnen en protocollen in de kraamzorg via ZonMw. Tot slot hebben zorgverzekeraars sinds 2023 via convenanten landelijk afspraken gemaakt over het beschikbaar stellen van de max max tarieven. Voor de uitbraak van covid-19 hebben verzekeraars al eerder max max tarieven beschikbaar gesteld, in afwachting van de nieuwe tarieven in de kraamzorg per 2021.
Ik herken wel dat de kraamzorg al geruime tijd met structurele uitdagingen te maken heeft. Verschillende factoren hebben geleid tot verschillen in de beschikbaarheid en inzet van kraamzorg. Ook de verschillen die we zien tussen regio’s en groepen gezinnen zijn niet aan één oorzaak toe te schrijven, maar ontstaan door een combinatie van demografische, sociale, financiële en arbeidsmarktfactoren.
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg werken samen met de sector aan de uitvoering van hun gezamenlijke visie en versnellingsagenda kraamzorg2. Deze agenda bevat acties op het gebied van arbeidsmarkt, regionale samenwerking en de doorontwikkeling en implementatie van de KLIM. Met de
KLIM wordt het mogelijk om meer zorg op maat te bieden, aansluitend bij de veranderende behoeftes en (sociale) context van de kraamvrouw. Voor een deel van de agenda zijn transformatiemiddelen beschikbaar gesteld (€ 9,8 miljoen).
In lijn met de motie van Dobbe en Dijk3 verken ik welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van kraamzorg te waarborgen.
Deelt u de analyse dat marktwerking in de kraamzorg aanbieders stimuleert om wijken met een lagere sociaaleconomische status te mijden? Zo ja, bent u bereid om uit te werken hoe de kraamzorg kan worden ingericht zonder marktwerking? Zo nee, waarom niet?
Het is te kort door de bocht om te stellen dat de uitdagingen in de kraamzorg te wijten zijn aan marktwerking. De ontwikkelingen in de kraamzorg kennen meerdere oorzaken. In de zorg is bovendien sprake van gereguleerde marktwerking, waarin zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht hebben die voor alle verzekerden gelijk geldt, ongeacht sociaaleconomische status.
In plaats van energie te stoppen in een nieuw stelsel voor de kraamzorg, ben ik ervan overtuigd dat veldpartijen zelf binnen het huidige stelsel verantwoordelijkheid willen en kunnen nemen voor de uitdagingen in de kraamzorg. Dat gebeurt ook. In 2023 hebben zij met elkaar geconstateerd dat de toegankelijkheid van de kraamzorg te ver onder druk kwam te staan en dat de destijds geboden tarieven niet meer passend waren om de toegankelijkheid en continuïteit te borgen. Daartoe hebben zij gezamenlijk een convenant opgesteld om toekomstbestendige kraamzorg te borgen.
Ik vind dat een goed voorbeeld van de verantwoordelijkheid die veldpartijen in ons stelsel kunnen en moeten nemen om de toegankelijkheid van de zorg te borgen. Aan de hand van een gezamenlijke visie en versnellingsagenda blijven zij hieraan werken. Ik verwacht dat partijen deze inspanningen, gelet op de recente signalen, voortvarend voortzetten.
Hoeveel mensen maken nu geen gebruik van kraamzorg vanwege de eigen bijdrage?
Er zijn geen gegevens beschikbaar die specifiek inzicht bieden in hoeveel gezinnen vanwege de eigen bijdrage geen gebruik maken van kraamzorg. De Monitor Kansrijke Start 20244 laat zien dat in 2022 2,5% van de gezinnen geen kraamzorg heeft ontvangen. Dit percentage ligt hoger bij gezinnen in een meervoudig kwetsbare situatie (5,4%), gezinnen met een laag inkomen (5,2%) en moeders die een basisonderwijs of een vmbo-opleiding hebben afgerond.
Uit eerder onderzoek blijkt dat financiële overwegingen hierbij een rol spelen, maar niet de enige factor zijn. Onvoldoende toegespitste informatie over kraamzorg kan van invloed zijn, vooral voor doelgroepen in kwetsbare omstandigheden5. Daarnaast zijn ook de personele tekorten in de kraamzorg, onbekendheid met het zorgsysteem en/of culturele overtuigingen mogelijk een factor. Het RIVM voert verdiepend onderzoek uit naar kenmerken van gezinnen die wel en geen kraamzorg ontvangen. De resultaten van dit onderzoek verwacht ik begin 2026.
Tot slot wil ik benadrukken dat gezinnen waarbij het niet lukt om kraamzorg te krijgen en dit wél willen, zich kunnen melden bij de zorgbemiddeling van hun zorgverzekeraar. Verzekeraars hebben aangegeven dat zij tot op heden vrijwel iedereen, na zorgbemiddeling, van kraamzorg hebben kunnen voorzien.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Stoffer/Dijk over scenario’s en (financiële) effecten in kaart brengen voor het afschaffen van de eigen bijdragen voor kraamzorg en poliklinische bevalling?2
In het kader van de uitvoering van deze motie ben ik bezig de effecten van het afschaffen van de eigen bijdragen voor kraamzorg en poliklinische bevalling in kaart te brengen. Uw Kamer wordt vóór de behandeling van de VWS-begroting hierover geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat er dringend stappen moeten worden gezet om de klassenverschillen in de kraamzorg aan te pakken? Zo ja, wat gaat u hiervoor doen?
Ik vind het essentieel dat iedereen gelijke toegang heeft tot passende zorg, ongeacht inkomen, opleiding of postcode. ZN en Bo Geboortezorg werken samen met de sector aan de uitvoering van de gezamenlijke visie en versnellingsagenda kraamzorg7. Recent zijn € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar gesteld. De middelen zullen door de sector ingezet worden voor de verdere uitvoering van onderdelen van de versnellingsagenda, waaronder passende kraamzorg, digitale zorg en regionale samenwerking. In lijn met de motie van Dobbe en Dijk verken ik welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van kraamzorg te waarborgen.
Wat is uw reactie op het feit dat er in de stad Utrecht nu een extra groot probleem is, doordat er twee zorgaanbieders zijn overgenomen door private equity? Bent nog steeds van mening dat dit soort parasieten enige toegevoegde waarde hebben voor de zorg, of bent u inmiddels wel bereid om private equity in de zorg te verbieden?
De signalen van terugtrekkende kraamzorgaanbieders in de stad Utrecht zijn mij bekend. Bo Geboortezorg heeft aangegeven dat de grootste oorzaak hiervoor ligt in het behoud van personeel en de continuïteit van organisatie en bedrijfsvoering. Het is mij echter niet bekend of het terugtrekken uit dergelijke wijken vaker gebeurt bij zorgaanbieders met betrokkenheid van private equity of vergelijkbare investeerders.
Uit onderzoek van EY uit 2024 naar private equity in de zorg blijkt niet dat er aantoonbare verschillen zijn in de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg door aanbieders met en zonder private equity betrokkenheid.8 Tegelijkertijd zie ik de risico’s van te risicovolle (private equity) investeringen, waarbij financiële belangen de overhand krijgen boven het verlenen van goede zorg. Ik wil deze risico’s zo veel mogelijk inperken. Dat doe ik bijvoorbeeld via het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), waarbij er onder andere voorwaarden gesteld worden aan winstuitkering. En met het wetsvoorstel aanscherping zorg specifieke fusietoets, waarbij fusies en overnames door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op meer inhoudelijke gronden getoetst kunnen worden. Ik verwacht dat wetsvoorstel in het tweede kwartaal van 2026 aan uw Kamer te sturen.
ZN heeft daarnaast aan de Landelijke Tafel Integrale Geboortezorg (LTIG) gevraagd om meer inzicht in regionale samenwerkingen, zodat ze passende verantwoordelijkheden kunnen opnemen in de contractering van Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV) vanaf 2027. Ook zijn verzekeraars op dit moment met aanbieders in gesprek om passende afspraken te maken, zodat in alle wijken voldoende zorg ingekocht kan worden.
Verder werkt de gemeente Utrecht aan een arbeidsmarktagenda, waarbij er gekeken wordt naar hoe de personeelskrapte op middellang termijn verzacht kan worden met behoud van kwaliteit van zorg. Deze arbeidsmarktagenda wordt opgesteld vanuit diverse kraamzorgorganisaties, de preferente zorgverzekeraar (Zilveren Kruis) en de gemeente Utrecht. Hierbij worden er ook intensiever gesprekken gevoerd met de kraamzorgorganisaties die eerder (grotendeels) uit de stad getrokken zijn.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie Dijk/Dobbe3, die verzocht om «maatregelen te treffen om de kraamzorg in Nederland te behouden, en hiervoor voor het debat over de VWS-begroting voorstellen naar de Kamer te sturen en daarbij in ieder geval zorg te dragen voor toereikende tarieven voor de kraamzorg»?
Momenteel werk ik, in lijn met bovengenoemde motie, aan het in kaart brengen van maatregelen die nodig zijn om de toegankelijkheid en continuïteit van kraamzorg te waarborgen. Inmiddels heb ik diverse gesprekken gevoerd en bijeenkomsten bijgewoond, waaronder een meedenksessie met
kraamverzorgenden en een bijeenkomst op uitnodiging van de gemeente Utrecht om de situatie in de stad Utrecht te bespreken. Zoals toegezegd informeer ik de Kamer hierover voor de behandeling VWS-begroting.
Bent u het ermee eens dat de crisis in de kraamzorg alleen kan worden opgelost door zorgaanbieders dekkende tarieven te bieden, kraamverzorgenden een beter salaris en een fatsoenlijke wachtdienstvergoeding te geven?
Er spelen verschillende factoren als het gaat om de financiële randvoorwaarden in de kraamzorg. Daarbij vind ik het van belang dat deze goed zijn, zodat zorgaanbieders hun werk kunnen doen en kraamverzorgenden kunnen rekenen op passende arbeidsvoorwaarden. Goede financiële voorwaarden alleen zijn echter niet voldoende om de huidige knelpunten het hoofd te bieden. Uit onderzoek van RegioPlus komt naar voren dat de aantrekkelijkheid van werken in de zorg niet enkel afhankelijk is van het salaris. Zaken als professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken.
Door de vergrijzing en personeelstekorten is de uitstroom in de kraamzorg groter dan de instroom en is de werk-privébalans door zorgverdeling en een toename in het aantal zzp’ers, verder onder druk komen te staan. Dit laat zien dat de oorzaak én oplossing niet (enkel) financieel is.
Voor wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa draagt zorg voor kostendekkende max tarieven middels regulier kostprijsonderzoek. Het Ministerie van VWS stelt ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, zodat vervolgens werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen worden afgesloten. Dit geldt ook voor de kraamzorg, hier komen bijvoorbeeld ook de afspraken over de wachtdienstvergoeding terug.
In de versnellingsagenda van Bo Geboortezorg en ZN zijn meerdere onderdelen opgenomen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, zoals het toewerken naar passende kraamzorg met daarbij behorende passende bekostiging, het werken op rooster, de werk-privé balans en de inrichting van de partusassistentie met wachtdiensten. Ook de instroom van personeel en de balans tussen zzp'ers en kraamverzorgenden in loondienst krijgt aandacht. Ik ben ervan overtuigd dat juist deze brede benadering, de sector in staat stelt te komen tot de benodigde transitie en daarmee een toekomstbestendige en passende kraamzorg.
De kleinste gasvoorraad in jaren |
|
André Flach (SGP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Nederland nu de kleinste gasvoorraad heeft in jaren, dat de Europese vuldoelstelling voor 1 november 2025 net niet is gehaald en dat ook de nationale vuldoelstelling van 80% nog niet is gehaald1?
Ja.
Hoe waardeert u deze vulgraad?
In de brief van 13 november jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de actuele vulgraden en duiding daarvan.2 In deze brief is toegelicht dat de aanvoer van gas naar Europa en Nederland stabiel is en de prijzen op de groothandelsmarkt al langere tijd relatief laag en stabiel zijn. Op peildatum 1 november waren de gasopslagen voor een groot deel gevuld, maar lag de vulgraad net onder de EU-vulverplichting voor Nederland en het nationale vuldoel. Deze ontwikkeling was niet alleen zichtbaar in Nederland, maar ook in andere Europese lidstaten. Daarbij geldt dat het beeld ten aanzien van de gasopslagen in Nederland positiever is dan in sommige andere Europese landen, omdat in Nederland naar verhouding een groter deel van het jaarlijks verbruik is opgeslagen. Op basis van de huidige inzichten zijn er op dit moment geen zorgen ten aanzien van de leveringszekerheid. Uiteraard houdt het kabinet de situatie nauwlettend in de gaten.
Kunt u schetsen welke risico’s Nederland loopt bij een verstoring van de gaslevering of een koude winter?
In de brief van 13 november jl. is het kabinet nader ingegaan op de mogelijke gevolgen voor de leveringszekerheid. Het kabinet heeft toegelicht, op basis van analyse van Gasunie Transport Services (GTS), dat Nederland over voldoende capaciteit beschikt om op een koude dag te voldoen aan de piekvraag. Er is ook genoeg volume om de winter door te komen. Alleen in een extreem koude winter zou er een beperkt tekort kunnen ontstaan. Indien een dergelijke extreme situatie zich zou voordoen, ziet het kabinet voldoende manieren om dit in de praktijk op te vangen, waaronder inzet van gas uit de gascavernes en extra import van LNG naar Noord-West Europa. In de analyse van GTS is niet alleen rekening gehouden met temperatuur, maar ook met beperkte uitval van toevoer (ongeacht de oorzaak daarvan) en van de capaciteit van de grootste gasinfrastructuur.3
Wat is uw inzet om ongewenste prijspieken en verstoringen van de gasmarkt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken?
Het kabinet houdt de goede werking van de gasmarkt en prijzen op de groothandelsmarkt nauwlettend in de gaten. De afgelopen weken zijn de prijzen gedaald. Prijzen op de groothandelsmarkt liggen op dit moment (peildatum 5 december) tussen de 27 en 28 euro per MWh, het laagste niveau sinds ruim een jaar. In algemene zin zien we dat in de voorbije maanden de prijzen op de groothandelsmarkt en consumentenmarkt vrij stabiel zijn geweest.
Prijzen komen tot stand door vraag en aanbod. Fluctuerende prijzen zijn een teken van een goed functionerende markt en zorgen dat vraag en aanbod in balans blijven. Zo kan een prijsstijging op de Nederlandse gashandelsplaats TTF (in vergelijking met buurlanden) ervoor zorgen dat het minder aantrekkelijk wordt om gas uit Nederland te exporteren waardoor de export (en dus vraag) daalt, waardoor de situatie zich kan stabiliseren en prijzen weer kunnen dalen. Het kabinet kan prijspieken, hoewel ongewenst, niet voorkomen. Uiteraard blijft het kabinet wel de betaalbaarheid in de gaten houden.
Het structureel verminderen van de afhankelijkheid van gas door verduurzaming (elektrificatie en isolatie) vormt de beste waarborg tegen toekomstige prijsstijgingen op de gasmarkt. Daarnaast is er voor consumenten ruim keuze in vaste contracten. Op dit moment heeft de meerderheid van de Nederlandse huishoudens zich voor een langere periode verzekerd tegen prijsschommelingen door het afsluiten van een vast contract van 1 jaar of langer.
Het illegale gokplatform Polymarket en de normalisatie van gokken op politiek |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bekende Nederlandse ondernemer in een podcast openlijk vertelde 8.000 euro te hebben gewonnen door te gokken op de Tweede Kamerverkiezingen via het Amerikaanse platform Polymarket?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat een ondernemer en opiniemaker publiekelijk reclameachtige aandacht genereert voor een illegaal gokplatform? Acht u dit wenselijk in het licht van de maatschappelijke verantwoordelijkheid die publieke figuren dragen?
De Ksa heeft kenbaar gemaakt dat zij van mening is dat Polymarket illegaal kansspelen aanbiedt. Het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning is niet alleen onwenselijk, dit is ook verboden. Het bevorderen van kansspelen die zonder vergunning worden georganiseerd, is eveneens verboden. Onder het bevorderen van kansspelen wordt in ieder geval wervings- en reclamediensten ten behoeve van (illegale) kansspelen verstaan.2 Werving voor een verboden product is in navolging daarvan eveneens niet toegestaan en is des te zorgelijker wanneer dit wordt gedaan door mensen die bekend zijn onder een breed publiek. Dergelijke uitlatingen en in het bijzonder het wekken van de indruk dat het om een financieel product zou gaan, kunnen daarnaast bijdragen aan de normalisatie en miskenning van het feit dat het om gokken gaat. Daarom zijn ook voor vergunde kansspelaanbieders reeds strenge reclameregels van kracht, waaronder het verbod op de inzet van rolmodellen bij reclame voor risicovolle kansspelen.
Deelt u de mening dat dit soort uitlatingen kunnen bijdragen aan de normalisatie van online gokken en daarmee ook het risico op gokverslaving vergroot, zeker onder jongeren en jongvolwassenen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat Polymarket zonder vergunning actief is in Nederland en dat de Kansspelautoriteit (Ksa) het bedrijf als illegaal kansspelbedrijf beschouwt? Zo ja, welke stappen onderneemt de Ksa op dit moment tegen Polymarket?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) om te beoordelen of er sprake is van illegale kansspelen. Zoals genoemd in het antwoord op vragen 2 en 3 is de Ksa van mening dat op deze website sprake is van de mogelijkheid tot gokken. De Ksa beraadt zich op vervolgstappen. Over al dan niet lopende onderzoeken doet de Ksa als onafhankelijke toezichthouder geen uitspraken.
Wordt hierbij ook onderzocht of het platform zich actief richt op Nederlandse gebruikers, onder meer via influencers en Nederlandse content?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom bestaat er in Nederland geen zwarte lijst waarop illegale gokbedrijven openbaar worden vermeld zoals in België bestaat en waar Polymarket op is geplaatst?
De Ksa publiceert geen zwarte lijst met illegale gokbedrijven. Ten eerste omdat hiermee het risico kan ontstaan dat mensen onnodig worden geattendeerd op deze sites. Ten tweede zou een dergelijke lijst, gezien de snelle omloop van illegaal aanbod, continue aangepast moeten worden. De Ksa heeft op haar website en op haar informatieplatform «OpenOverGokken» een overzicht geplaatst van vergunde kansspelaanbieders, genaamd de Kansspelwijzer. Daarnaast publiceert zij informatie over opgelegde sancties aan illegale aanbieders.
In het licht van bovenstaande overweeg ik niet om een zwarte lijst in te voeren in Nederland, maar werk ik juist aan maatregelen om illegaal aanbod beter tegen te gaan, zoals het op zwart kunnen zetten of blokkeren van illegale websites. In de brief van 14 februari jl. is nader uiteengezet om welke maatregelen het gaat.3
Overweegt u zo’n lijst alsnog in te voeren, bijvoorbeeld naar Belgisch model, zodat consumenten beter kunnen worden gewaarschuwd?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat (online) gokken op politiek in Nederland verboden is, ook voor vergunninghoudende aanbieders? Zo ja, welke sancties kunnen worden opgelegd aan bedrijven die dit verbod overtreden? Wordt er onderzocht hoeveel Nederlanders via buitenlandse platforms hebben gegokt op de Nederlandse verkiezingen?
Het klopt dat gokken op politiek in Nederland verboden is. In Nederland zijn weddenschappen bij vergunde kansspelaanbieders toegestaan op sportwedstrijden en elementen van sporten die niet gemakkelijk gemanipuleerd of voorspeld kunnen worden. Indien bedrijven zich hier niet aan houden, treedt de Ksa op. Zij heeft een breed handhavingsinstrumentarium dat varieert van normoverdragende gesprekken tot het opleggen van boetes. De Ksa kan niet zien hoeveel Nederlanders via buitenlandse platforms hebben gegokt op de Nederlandse verkiezingen.
Hoe groot acht u het risico dat cryptogeld en buitenlandse platforms worden gebruikt om de Wet kansspelen op afstand te omzeilen?
De laatste monitoringsrapportage van de Ksa laat zien dat op dit moment ongeveer de helft van het geld wordt ingezet bij illegaal aanbod. Dit kan ook met cryptovaluta zijn.4
Wordt hier structureel op gehandhaafd, bijvoorbeeld in samenwerking met De Nederlandsche Bank of de Financial Intelligence Unit (FIU)?
Ik werk momenteel aan uitbreiding van de instrumenten van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken, zoals geschetst in de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 februari jl.5 Daarbij kijk ik ook naar mogelijkheden om effectiever derde partijen, zoals internetserviceproviders, betaaldienstverleners of mediapartijen aan te kunnen spreken op het aanbieden van hun diensten aan illegale aanbieders.
Aangezien het realiseren van nieuwe wet- en regelgeving tijd kost, en omdat bestrijding van illegaliteit urgent is, heeft de Ksa het initiatief genomen in een Alliantie te kijken wat binnen de huidige wet- en regelgeving aanvullend mogelijk is. Dit heb ik eerder geschetst in de beantwoording van Kamervragen over illegale gokaanbieders die zich richten op jongeren.6
Deelt u de zorgen dat de huidige toezichtcapaciteit van de Ksa onvoldoende is om effectief op te treden tegen buitenlandse gokplatforms die zich richten op Nederlandse spelers?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 werk ik aan uitbreiding van de instrumenten van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken. In de afgelopen jaren heeft de Ksa haar capaciteit stevig uitgebreid, met name op het gebied van toezicht en handhaving. Conform de toezichtagenda 2025 zet de Ksa met prioriteit in op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden. Ook verboden reclame, onder meer door affiliates of influencers, krijgt het komende jaar extra aandacht.7
Kunt u toelichten of er sinds de legalisering van online kansspelen extra middelen of bevoegdheden aan de Ksa zijn toegekend om dit type internationale handhaving te versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, heeft de Ksa de afgelopen jaren haar capaciteit voor toezicht en handhaving stevig uitgebreid. In de brief van 14 februari jl. is daarnaast toegelicht dat de aanpak van illegaal aanbod en deelname daaraan een van de speerpunten is van de nieuwe visie op het kansspelbeleid. Daarom wordt geïntensiveerd door middel van het versterken van het handhavingsinstrumentarium. De Ksa werkt daarnaast samen met haar internationale counterparts om illegaliteit samen terug te dringen. De Ksa neemt deel aan diverse samenwerkingsverbanden, Europees en wereldwijd, waarbij samen wordt opgetrokken richting derde partijen en informatie wordt gedeeld.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met aanbieders van podcasts en mediaplatforms over hun verantwoordelijkheid om geen ruimte te geven aan promotie of verheerlijking van illegaal online gokken?
Het is aan de Ksa als onafhankelijke toezichthouder om aanbieders van podcasts of mediaplatforms erop aan te spreken wanneer via hun platforms wordt geworven voor illegaal aanbod van kansspelen. De Ksa heeft contact gehad met verschillende personen die publiekelijk Polymarket hebben gepromoot rondom de Nederlandse verkiezingen en ze hierop aangesproken. Met deze personen is gesproken over de kwalijkheid daarvan en ze hebben toegezegd zich in de toekomst van dergelijke activiteiten te onthouden.
Kunt u toezeggen de Kamer op korte termijn te informeren over de voortgang van het onderzoek van de Kansspelautoriteit naar Polymarket, inclusief de vervolgstappen en/of sancties?
Over al dan niet lopende onderzoeken van de Ksa kan ik geen uitspraken doen. Wanneer de Ksa sanctiebesluiten neemt die openbaar kunnen worden gemaakt, dan publiceert de Ksa deze op haar website.
Een op te richten Europese “intelligence unit” |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Kent u het bericht «EU to set up new intelligence unit under Ursula von der Leyen»?1
Ja.
Bent u betrokken bij de plannen om een nieuwe «intelligence unit» op te zetten? Zo ja, wat is uw betrokkenheid of de betrokkenheid van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Is het plan voor de nieuwe intelligence unit gedeeld met de lidstaten van de Europese Unie? Zo ja, wat was de inhoud van de informatie over dat plan? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze moet de nieuwe unit gegevens van de AIVD of MIVD gaan verzamelen en gebruiken?
Past het gebruik van die gegevens binnen de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van deze Nederlandse diensten, inclusief het toezicht daarop? Zo ja, welke juridische grondslag betreft dat? Zo nee, waarom niet?
Gaat Nederland medewerkers van de AIVD of MIVD bij de nieuwe unit detacheren? Zo ja, hoeveel medewerkers betreft dat naar verwachting? Wat is de juridische status waaronder die medewerkers bij de unit gaan werken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het al dan niet beschikbaar stellen van informatie die door de nationale inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt vergaard aan die lidstaten zelf overgelaten moet blijven worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tijdig op de hoogte brengen en blijven houden over de voortgang van de plannen over de nieuw op te richten intelligence unit?
Ja, indien er een voorstel van de Europese Commissie gepubliceerd wordt, zal ik uw Kamer zoals gebruikelijk hierover informeren middels een kabinetsreactie.
De veiligheidsrisico’s van windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) ooit onderzoek gedaan naar brand- en veiligheidsrisico’s van windturbines op land?
Windturbines kunnen door de Onderzoeksraad voor Veiligheid worden onderzocht als zij daartoe beslissen vanuit hun bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar veiligheidsrisico’s van windturbines op land. Wel is het onderwerp windturbines eenmaal genoemd in een kwartaalrapportage, maar hier was geen sprake van significante veiligheidsrisico’s1.
Zo ja, kan dat onderzoek met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, wilt u de OVV verzoeken dit alsnog te doen?
Nee, een dergelijk verzoek gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen. De Onderzoeksraad beslist als zelfstandig bestuursorgaan zelf welke voorvallen en onderwerpen worden onderzocht, en richt zich vooral op situaties waarin burgers voor hun veiligheid afhankelijk zijn van partijen als de overheid, bedrijven of instellingen.
Hoe wordt geborgd dat windturbines van 130 meter en hoger voldoen aan eisen voor externe veiligheid, blusbaarheid en rampenbestrijding?
Deze borging vindt plaats door middel van regelgeving. Voor een of twee windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en afstandsnormen (Bkl). Voor projecten met drie of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet (Bal).
De gebruiksregels in het Bal stellen dat jaarlijks een inspectie dient plaats te vinden vanwege externe veiligheid (artikel 4.428 Bal), sprake is van een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal), en een veilig ontwerp (artikel 4.430 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Daarnaast stelt het Bkl dat bij de inpassing van windturbines in ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met windturbines als «risicobron», bijvoorbeeld op basis van de verplicht berekende risicocontour.
De provincie of gemeente (en in uitzonderlijke gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan de borging en naleving van de eisen. Bovendien kunnen zij de veiligheidsregio altijd vragen om advies. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid heeft een kennisbundel opgesteld voor de vraag welke regels er van toepassing zijn2.
Is er voldoende bluscapaciteit beschikbaar om branden op grote hoogte te bestrijden?
In het algemeen geldt dat branden op grote hoogte moeilijk te bestrijden zijn. In hoogbouw (woningen en bedrijven) worden er daarom extra brandpreventieve eisen gesteld om bewoners te beschermen en de brandweer voldoende in staat te stellen een veilige inzet te doen. Voor windturbines gelden deze eisen niet.
Specifiek voor windturbines geldt dat eerst zal worden geprobeerd de windturbine uit te laten zetten door de beheerder van de windturbine. Het bestrijden van de brand op hoogte is vanwege de slechte toegankelijkheid en besloten ruimte vanwege de veiligheid van het personeel niet mogelijk. De standaardprocedure van de brandweerinzet is daarom dat deze gericht is op het veiligstellen van de omgeving.
Worden omwonenden voldoende geïnformeerd over risico’s en noodprocedures bij brand of technisch falen?
Informeren is aan de initiatiefnemer en vergunningverlenende partij. Tijdens een incident vindt communicatie, ook met omwoners, plaats vanuit de betrokken veiligheidsregio met mogelijk handelingsperspectieven als dat van toepassing is.
Hoe beoordeelt u het incident bij Nieuwleusen, waar brokstukken en gesmolten kunststof neerkwamen op landbouwgrond?
De brand in de windturbine is een vervelende gebeurtenis, zeker ook voor omwonenden. Het is waardevol als er lessen geleerd kunnen worden van dit voorval, bijvoorbeeld om te gebruiken als casuïstiek bij de rekenmethodiek voor externe veiligheidsafstanden van windturbines.
Hoe zijn de opruiming, schadevergoeding en milieuschade bij dergelijke incidenten geregeld?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het beperken van milieuschade en deze na afloop van een incident te herstellen. Omgevingsdiensten houden toezicht hierop vanuit bestuursrechtelijk perspectief. De exploitant kan zich voor de schade verzekeren. Grondeigenaren die schade ondervinden kunnen ook civielrechtelijk stappen ondernemen richting de exploitant.
Bent u bereid samen met provincies en gemeenten een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger, inclusief blusbaarheid en impact op de leefomgeving?
De huidige wet- en regelgeving voor het plaatsen van windturbines is uitvoerig, ondervangt de impact op de leefomgeving en bestrijdbaarheid en is gebaseerd op de laatste actuele inzichten rondom veiligheidsaspecten van windturbines3. Op dit moment zie ik daarom geen aanleiding een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van incassobedrijven, zoals Alektum (aan wie BNPL-bedrijf (Buy Now Pay Later) Klarna vorderingen heeft overgedragen), die duizenden rechtszaken aanhangig maken, vaak zonder deugdelijke onderbouwing, niet verschijnen bij de rechtbank en schuldenaren confronteren met torenhoge rente- en incassokosten?1
Ik ben bekend met de beschrijving hierover in het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde en de bescherming van schuldenaren? In hoeverre is hier volgens u sprake van (structureel) misbruik van procesrecht?
Het is aan de rechter om te beoordelen of er bij de handelwijze van incassobedrijven zoals Alektum sprake is van misbruik van procesrecht. Dit zal per individueel geval door de rechter moeten worden beoordeeld.
Hieronder benoem ik een aantal verschillende (wettelijke) waarborgen in het rechtssysteem die ervoor zorgen dat het incasseren van private vorderingen goed verloopt en er geen misbruik wordt gemaakt van het procesrecht. Deze waarborgen zien zowel op de buitengerechtelijke incassofase als op de gerechtelijke fase.
In het algemeen geldt dat een schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar dienen te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat geldt evenzeer voor incassodienstverleners.
Per 1 april 2024 geldt de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Deze stelt eisen aan incassodienstverleners, onder meer voor de communicatie met schuldenaren, de informatie die aan hen moet worden verstrekt, de administratie van dossiers en de deskundigheid van personeel. De Wki is van toepassing op buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die worden verricht bij in Nederland woonachtige natuurlijke personen voor een derde of na overdracht van een vordering. Dit betekent dat wanneer een partij voor of als rechtsopvolger van de (oorspronkelijke) schuldeiser een vordering buitengerechtelijk probeert te incasseren bij een natuurlijk persoon, deze werkzaamheden onder de reikwijdte van de Wki vallen.2 Onder buitengerechtelijke incassowerkzaamheden wordt onder andere verstaan het bellen en/of schriftelijk aanmanen van de schuldenaar, ongeacht of hiervoor bij de schuldenaar kosten in rekening worden gebracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt toezicht op naleving van de eisen die de Wki aan deze ondernemingen stelt.
Als een vordering niet buitengerechtelijk wordt voldaan, kan de schuldeiser een gerechtelijke procedure starten. Het uitgangspunt is dat eenieder in beginsel toegang heeft tot de rechter, zolang diegene voldoende belang bij een rechtsvordering heeft.3 Het burgerlijk procesrecht bevat meerdere wettelijke waarborgen die moeten voorkomen dat partijen procederen zonder deugdelijke onderbouwing of wanneer zij daar, gelet op de onevenredigheid tussen de betrokken belangen, in redelijkheid geen belang bij hebben («geen belang, geen actie»). Van misbruik van procesbevoegdheid is niet snel sprake. Het enkele feit dat een vordering weinig kans maakt, levert geen misbruik van procesrecht op. De rechter kan besluiten om een vordering af te wijzen indien wordt geconstateerd dat er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht.4 Hiervan kan sprake zijn als een eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden en hij in redelijkheid niet tot het instellen van de rechtsvordering had kunnen komen.5 De rechter past dit principe terughoudend toe, gelet op het belang van de toegang tot de rechter.
Daarnaast kan de rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van rauwelijks dagvaarden. Hierbij wordt een schuldenaar zonder voorafgaande mogelijkheid tot een buitengerechtelijke oplossing gedagvaard. Indien daarvan sprake is, kan dit aanleiding zijn voor een afwijkende proceskostenveroordeling, omdat van een schuldeiser mag worden verwacht dat hij geen onnodige kosten veroorzaakt.
De rechter kan voorts een hardheidsclausule toepassen bijvoorbeeld wanneer enkel wordt geprocedeerd om een executoriale titel te verkrijgen voor het geval een overeengekomen betalingsregeling niet zou worden nagekomen, of wanneer – zoals hiervoor toegelicht – sprake is van rauwelijks dagvaarden.6
Daar komt bij dat rechters in zaken ter bescherming van consumenten ambtshalve toetsen of personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (handelaren) hebben voldaan aan de dwingendrechtelijke verplichtingen van het consumentenrecht. Dit omvat onder meer de toetsing van algemene voorwaarden (oneerlijke bedingen) en de naleving van wettelijke informatieplichten, zoals onder andere de correcte toepassing van de wettelijke incassokosten en de onderbouwing van de gevorderde kosten. Indien deze verplichtingen niet zijn nageleefd, kan de rechter de vordering geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel bestaan om te voorkomen dat incassobureaus op dergelijke wijze misbruik maken van het rechtssysteem?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft u de aangenomen motie Ceder c.s. (Kamerstuk 35 915, nr. 27) afgedaan? Acht u de genomen maatregelen afdoende om het doorverkopen van schulden als verdienmodel te hebben bestreden? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te nemen en/of te laten onderzoeken?
Schulden mogen geen verdienmodel zijn. Alle stappen binnen de keten zijn opzichzelfstaand gerechtvaardigd, maar kunnen als
optelsom soms tot excessen leiden. In de Kamerbrief Aanpak Civiele invordering Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 798. zijn maatregelen aangekondigd, waaronder het collectief afbetalingsplan, de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders en de herziening van de financierings- en tariefstructuur van gerechtsdeurwaarders. Deze maatregelen zijn erop gericht om de kostenoploop voor de schuldenaar te beperken en onwenselijke verdienprikkels in het invorderingsproces tegen te gaan. In lijn met de toezegging aan uw Kamer is recent de wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK) door het WODC gestart.7 De Kamer wordt in de eerste helft van 2026 nader geïnformeerd over de verdere uitwerking van de maatregelen.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 29 maart 20248 uiteen is gezet, is de verkoop en overdracht van vorderingen een gebruikelijke handeling in het handelsverkeer die bijdraagt aan solvabiliteit en liquiditeit van ondernemingen. In die brief is uiteengezet dat de verkoop van vorderingen een breed palet aan varianten omvat en ook veel positieve effecten heeft. Daarbij komt dat de oploop van kosten in het traject van invordering geen verband houdt met de verkoop van de vorderingen, maar met de inning van een vordering. Verdere kostenoploop door invorderingsmaatregelen die niet meer bijdraagt aan het komen tot betaling van de hoofdsom kan leiden tot een ongewenst verdienmodel.9 De maatregelen zijn er dan ook op gericht deze kostenoploop aan te pakken.
Tevens verzocht de motie Ceder c.s. om concrete maatregelen uit te werken waarmee de te vorderen rente bij schulden jegens consumenten wordt gemaximeerd. Dit onderwerp is ook aan de orde gekomen tijdens het Commissiedebat armoede- en schuldenbeleid op 22 mei 2025.10 De voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft aan de Kamer toegezegd om te identificeren of er situaties zijn waarin sprake is van disproportionele renteoploop die in het individuele geval door het wettelijk kader onvoldoende geadresseerd kan worden. Hierbij is specifiek het veld (evenals uw Kamer) uitgenodigd om casuïstiek aan te reiken. Tot dusver zijn er nog geen concrete casussen gemeld.
Bent u bekend met de algemene consumentenvoorwaarden van Klarna, waarin staat dat de vordering van de (web)winkel op de consument wordt overgedragen aan Klarna Bank AB? Deelt u dat een dergelijke overdracht van een vordering valt onder de reikwijdte van artikel 2, sub b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?2
Ik ben bekend met het feit dat Klarna verschillende sets algemene voorwaarden hanteert voor de uiteenlopende betaalmethoden die zij aanbiedt.12 Een van die betaalmethoden betreft Buy Now Pay Later (hierna: BNPL). Hierbij gaat Klarna als BNPL-aanbieder een kredietovereenkomst aan met de consument én neemt daarbij de vordering over uit de consumentenovereenkomst (een koopovereenkomst of overeenkomst tot het verrichten van diensten) van de handelaar (derde partij) waarmee de consument de consumentenovereenkomst is aangegaan.13
Doordat sprake is van overdracht van een vordering vallen eventuele door Klarna verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die voortvloeien uit BNPL-overeenkomsten onder de reikwijdte van de Wki en rust op Klarna in beginsel een registratieplicht. Klarna staat op het moment dat deze vragen worden beantwoord niet in het register van incassodienstverlening.14 Ik hecht eraan te benadrukken dat het oordeel of het bedrijf voldoet aan de verplichtingen die de Wki stelt bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid ligt en niet bij mij.
De toezichthouder kan op grond van artikel 3 Wki (de registratieplicht) handhavend optreden. Verder is de registratieplicht strafrechtelijk gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten.
Bent u van mening dat de activiteiten van Klarna onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening vallen? Zo ja, voldoet het bedrijf, naar uw oordeel, aan de verplichtingen die de wet stelt? Is het juist dat Klarna niet geregistreerd staat in het register van incassodienstverleners?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat Klarna, in het kader van haar BNPL-activiteiten, aan consumenten betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurt wanneer facturen onbetaald blijven? Deelt u de opvatting dat het versturen van herinneringen en aanmaningen moet worden aangemerkt als het verrichten van «buitengerechtelijke incassowerkzaamheden» in de zin van artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Ja, ik ben bekend met het versturen van dergelijke betalingsherinneringen en aanmaningen. In de door vier BNPL-aanbieders opgestelde Gedragscode BNPL is onder meer afgesproken dat consumenten kosteloos minimaal één betalingsherinnering ontvangen. Zoals in antwoord op vragen 2 en 3 is aangegeven, vallen het opnemen van contact en het sturen van betalingsherinneringen en aanmaningen voor een derde of na overdracht van een vordering onder de Wki.15
Is het correct dat de reikwijdte van de wet gebaseerd is op de feitelijke uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden richting natuurlijke personen, ongeacht door wie deze worden uitgevoerd? Zijn er organisaties uitgezonderd van de reikwijdte van deze wet?
Ja, de Wki heeft betrekking op de uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden met betrekking tot voldoening door in Nederland woonachtige natuurlijke personen (zie vraag 6). De enige structurele uitzondering betreft publiekrechtelijke incassanten zoals het CJIB en de zogenoemde zelfincassanten. Dit zijn de primaire schuldeisers die de eigen vorderingen zelf innen in plaats van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden uitbesteden aan een geregistreerde incassodienstverlener. Dat wil zeggen dat op deze partijen geen registratieplicht rust. Deze schuldeisers dienen zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Klopt het, zoals in het artikel gepubliceerd door Follow the Money staat, dat u in gesprek bent met het bedrijf Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Nee, dat klopt niet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is niet in gesprek met Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Dat acht ik ook niet wenselijk. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb benadrukt, is dit ook niet aan mij. Wel heeft mijn ministerie een toelichting gegeven aan onder andere Klarna over de civielrechtelijke gevolgen en wat in de memorie van toelichting bij de Wki is opgenomen over de definitie van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, ongeacht of voor deze werkzaamheden kosten in rekening worden gebracht bij de schuldenaar. Dit nadat in een regulier overleg met de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (Vfn) was aangegeven dat schuldeisers een belangrijke rol hebben in het naleven van de wet door enkel incassowerkzaamheden te laten verrichten door geregistreerde partijen. Ook omdat hier vanaf 1 oktober 2026 civielrechtelijke gevolgen aan verbonden zijn die ook impact hebben op de schuldeisers zelf.
Omdat het gesprek een toelichtend karakter had en niet zag op een beoordeling van de werkwijze van Klarna, is ervoor gekozen de Inspectie niet bij het gesprek te betrekken.
Wat is de reden voor dit overleg? Is het gebruikelijk en wenselijk dat er overleg plaatsvindt tussen u en een bedrijf over naleving van de wet? Wat is hierin de rol van de Inspectie Justitie en Veiligheid? Is de Inspectie (al dan niet op handhavende wijze) betrokken bij dit overleg?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waarom met Klarna wordt «overlegd» terwijl in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staat dat «incassodienstverleners die niet zijn geregistreerd hun werkzaamheden met onmiddellijke ingang [moeten] staken en gestaakt houden»?3
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op de vragen 9 en 10 heb ik geen overleg gehad met Klarna over haar naleving van de Wki.
Op grond van artikel 4 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki), is het verboden voor incassodienstverleners zonder geldige registratie buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten of aan te bieden. Dit wordt eveneens benadrukt in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In dit kader wil ik toevoegen dat het van groot belang is dat ook BNPL- partijen (waaronder Klarna) zich alsnog inschrijven als zij hun incassowerkzaamheden in de toekomst willen continueren.
Klopt het dat het overtreden van de registratieplicht in het incassoregister wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED)? Kunnen burgers in dit geval zelf aangifte doen van een vermoedelijke overtreding van deze registratieplicht door een incassodienstverlener?
Ja, het overtreden van de registratieplicht is een economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten.17 Het Openbaar Ministerie (hierna OM) is bevoegd hiertegen op te treden. Iedereen die een vermoeden heeft van het niet naleven door een incassobedrijf van de registratieplicht in de zin van de Wki kan daarvan aangifte doen bij de politie.
De Inspectie JenV ziet erop toe dat de incassosector de registratieplicht naleeft en heeft eveneens een meldpunt Wki, zodat burgers met individuele problemen met een incassodienstverlener hiervan melding kunnen maken.18
Op welke wijze wordt er gehandhaafd op de Wet kwaliteit incassodienstverlening? Kunt u cijfers delen van de hoeveelheid boetes et cetera die zijn opgelegd?
De Inspectie JenV beschikt over verschillende handhavingsinstrumenten, waaronder de last onder dwangsom, bestuurlijke boete en doorhaling en/of schorsing van een registratie. Naast dit formele handhavingsinstrumentarium beschikt de Inspectie JenV ook over informele instrumenten zoals het voeren van een normoverdragend gesprek met een onderneming en het uitdelen van waarschuwingen. In het geval het geboden is om strafrechtelijk op te treden, is het OM aan zet.
De Inspectie heeft in 2025 tot op heden vijftien keer geïntervenieerd naar aanleiding van geconstateerde overtredingen. In elf gevallen betrof het de inzet van een informeel handhavingsinstrument (waarschuwingsbrief en/of normoverdragend gesprek) en in vier gevallen de inzet van een formeel handhavingsinstrument (last onder dwangsom of bestuurlijke boete).
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid volgens u voldoende instrumenten en capaciteit om adequaat te kunnen handhaven om een afschrikwekkende werking te hebben waardoor bedrijven zich genoodzaakt voelen om te voldoen aan de wet?
De Inspectie JenV heeft bij het ministerie kenbaar gemaakt dat zij voor een effectieve uitvoering van haar toezichtstaak aanvullende instrumenten en capaciteit wenselijk acht. In 2026 heb ik, net als vorig jaar, met het oog op een effectieve uitvoering extra middelen beschikbaar gesteld voor de Inspectie JenV ter ondersteuning van haar toezichttaak, waaronder voor uitbreiding van capaciteit en het Meldpunt Wki van de Inspectie JenV.
Ook herkent de Inspectie JenV dat de reikwijdte van de Wki in de praktijk tot vragen en knelpunten leidt. In dat kader wil ik benoemen dat de Invoeringstoets Wki waarin de knelpunten uit de uitvoeringspraktijk zijn geïnventariseerd nagenoeg af is en dat ik momenteel werk aan de kabinetsreactie daarop. De reikwijdte van de wet vormt een expliciet onderdeel van deze toets. Ik verwacht de resultaten dit voorjaar aan uw Kamer te sturen. Ik wil hier nog niet op vooruitlopen. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de huidige wetgeving voldoende instrumentarium biedt om de kwaliteit van incassodienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd zal de opgedane ervaring in de praktijk met het toezicht de komende periode moeten uitwijzen of deze instrumenten in de uitvoering toereikend zijn.
Op basis van deze bevindingen kan bij de evaluatie van de wet worden beoordeeld of aanvullende regelgeving en toezicht noodzakelijk is. Bovendien treedt het laatste onderdeel van de wet – de civielrechtelijke gevolgen – pas op 1 oktober 2026 in werking.
Wat vindt u van de suggestie die gedaan wordt in het artikel om de wetgeving aan te scherpen ten aanzien van de wijze waarop zogeheten BNPL-bedrijven mogen samenwerken met incassobureaus? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving of toezicht nodig is om consumenten beter te beschermen tegen agressieve incassopraktijken in deze sector?
Zie antwoord vraag 14.
Moorden op en ontvoeringen van leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk in de Ethiopische regio Arsi |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van aanvallen gericht tegen leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk, waar in de Addis Standard melding van wordt gemaakt?1
Ja.
Welke informatie heeft u over de moorden die in oktober in Arsi gepleegd zijn?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft bevestigt de vermoedelijk religieuze dimensie van deze aanvallen. Naast religie spelen echter mogelijk ook andere dimensies een rol, waaronder etniciteit, historische binnenlandse spanningen tussen bevolkingsgroepen en een actueel conflict tussen de federale overheid en lokale en regionale milities en rebellengroepen. De aanslagen zijn niet opgeëist en het is vooralsnog niet mogelijk gebleken te achterhalen wie de daders waren en wat hun motief was.
Klopt het volgens uw informatie dat er sinds 2021 al 190 orthodoxe gelovigen in dit gebied zijn vermoord?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft, bevestigt dat er in de afgelopen jaren vele orthodox gelovigen slachtoffer zijn geworden van geweld. Over het precieze aantal heeft het kabinet geen informatie.
Bent u bekend met de moordpartij uit augustus 2024, die ook in de Addis Standard wordt genoemd, waarbij onder de doden ook een priester was?
Ja.
Wat is volgens de informatie over de situatie in Ethiopië waarover u beschikt de reden dat specifiek leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk doelwit zijn geworden van geweld in deze regio?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het kabinet erkent daarnaast de religieuze dimensie in het geweld van de recente aanvallen, waarbij leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk slachtoffer waren. Historisch gezien verschillen de slachtoffers van aanvallen per gebied binnen de Oromia regio, en is het motief niet altijd duidelijk. Het kabinet veroordeelt met klem doelbewuste aanvallen op minderheden, waaronder Ethiopisch orthodoxe christenen.
Hoe duidt u de informatie die de aanval uit augustus 2024 aan het Oromo Liberation Army (OLA) toeschrijft?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft over deze aanval is niet eenduidig. In de praktijk is de Oromo Liberation Army (OLA) geen homogene, centraal-gestuurde groepering. OLA opereert gefragmenteerd en vanuit uiteenlopende motieven. In de regio zijn ook andere gewapende groeperingen actief. Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren.
Hoe duidt u de berichtgeving van de Addis Standard waarin het OLA juist de regering ervan beschuldigt verantwoordelijk te zijn voor de moorden die in oktober gepleegd zijn?2 Wie is er volgens de informatie waar u over beschikt verantwoordelijk voor de moorden op de orthodoxe gelovigen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van Dr. Caleb Ta, gepubliceerd op de website Borkena, dat het gaat om doelgerichte, geplande aanvallen en dat lokale autoriteiten deze aanvallen stilzwijgend goedkeuren of zelfs coördineren? Zo nee, waarom niet?3
Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren. Vrij snel na de aanvallen van eind oktober en begin november werd door diverse nationale actoren in Ethiopië, inclusief door de Ethiopische mensenrechtencommissie en de Ethiopisch Orthodoxe kerk, opgeroepen tot een onafhankelijk en openbaar onderzoek. De Ethiopische regering heeft hierop gereageerd door de Interreligieuze Raad, bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende religieuze denominaties, te verzoeken een onderzoek naar de aanvallen in te stellen.
Bent u bereid de Ethiopische regering ertoe op te roepen orthodoxe gemeenschappen in deze regio te beschermen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Nederland volgt de situatie in Ethiopië nauwlettend. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een vaste prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid, en zorgen over de positie van kwetsbare groepen worden consequent geagendeerd waar dat relevant en nodig is. Zo roept het kabinet in gesprekken met vertegenwoordigers van de overheid de Ethiopische regering consequent op om de eigen burgers beter te beschermen tegen geweld. Ook in EU- en VN-verband roept Nederland op tot bescherming van eigen burgers en met name kwetsbare groepen.
De nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «José werd vermoord in India, verdachte loopt nog altijd vrij rond»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, ook al mag u niet interveniëren in een in India lopende rechtszaak, u via diplomatieke kanalen wel bij de desbetreffende Indiase autoriteiten kunt informeren over de stand van zaken betreffende de genoemde rechtszaak en het verdere verloop daarvan? Zo ja, kunt u dan de nabestaanden en de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden heeft u wel om slachtoffers of nabestaanden van slachtoffers van misdrijven in het buitenland te informeren over de voortgang van opsporing, vervolging en berechting?
Over individuele consulaire zaken doet het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen mededelingen omwille van de privacy van betrokkenen. In algemene zin kan worden gesteld dat het ministerie nabestaanden en slachtoffers van misdrijven in het buitenland desgevraagd consulair ondersteunt. Hier is maatwerk op zijn plaats. Het ministerie kan betrokkenen steunen bij het vinden van een lokale advocaat die hen de benodigde juridische bijstand kan verlenen. Zowel de advocaat als de lokale autoriteiten, zoals de politie en het Openbaar Ministerie, beschikken over informatie om nabestaanden op de hoogte te houden van het verloop van een eventueel opsporingsonderzoek of een strafzaak. In voorkomende gevallen kan een Nederlandse post in contact treden met de advocaat van betrokkenen indien de advocaat hierom verzoekt.
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Van Nispen (SP) over de nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India. Deze vragen werden ingezonden op 27 mei 2025 met kenmerk 2025Z08898 en zijn beantwoord op 2 juni 2025.
Kunt u zich voorstellen dat de nabestaanden van de in India vermoorde vrouw op een gerechtelijke uitspraak wachten en het niet acceptabel vinden dat die uitspraak er steeds maar niet komt? Zo ja, waarom en kunt u dan de nabestaanden uitnodigen voor een gesprek om hen rechtstreeks inzicht te geven in wat Nederland wel en niet kan doen om deze zaak te laten bespoedigen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat de langdurige onzekerheid voor nabestaanden erg belastend is. Nabestaanden van slachtoffers van misdrijven in het buitenland kunnen zich wenden tot het ministerie voor consulaire bijstand. Zij krijgen dan een casemanager toegewezen die met hen contact onderhoudt. In sommige gevallen, bijvoorbeeld op verzoek van de familie, worden de nabestaanden uitgenodigd voor een gesprek op het ministerie.
Acht u het mogelijk dat als er gedurende lange tijd geen zicht is op een einde van een rechtszaak tegen een Nederlandse verdachte van een in het buitenland gepleegd ernstig strafbaar feit tegen een Nederlands slachtoffer, dat aanleiding kan zijn om een verzoek tot uitlevering te doen? Zo ja, waarom en op welk moment en op grond van welke criteria kunt u een verzoek tot uitlevering doen? Zo nee, waarom niet en betekent dat dan dat zolang die rechtszaak in het buitenland ook loopt, u ongeacht de duur daarvan geen uitleveringsverzoek zult doen?
Over individuele strafzaken en het contact daarover met buitenlandse autoriteiten, kan ik geen mededelingen doen. In algemene zin kan ik opmerken dat het land waar een feit gepleegd is primair rechtsmacht heeft. Om tot een uitleveringsverzoek te kunnen overgaan, dient Nederland (ook) rechtsmacht te hebben over de feiten. Nederland kan rechtsmacht hebben indien een verdachte of slachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezit en er nog geen vervolging voor het feit heeft plaatsgevonden. Of uitlevering vervolgens daadwerkelijk mogelijk is, hangt altijd af van de exacte feiten, omstandigheden, de juridische basis en nationale regelgeving, procedures en de inzet van een verzoekend land en een aangezocht land. Ook kan meespelen dat een land reeds zelf vervolging heeft ingesteld voor de feiten die onderwerp zijn van het uitleveringsverzoek.
Kan op grond van de Paspoortwet het paspoort van een Nederlander die in het buitenland verdacht wordt van een ernstig strafbaar feit, ingehouden worden of vervallen worden verklaard? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en op grond van welke criteria? Zo nee, waarom niet?
De Paspoortwet en de bijbehorende uitvoeringsregels kennen mogelijkheden om een reisdocument in te houden of vervallen te verklaren. Op grond van artikel 23a van de Paspoortwet kan een paspoort worden geweigerd of ingetrokken indien een bevriende mogendheid het Koninkrijk hierover in kennis stelt dat er het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon zich in dat land zal onttrekken aan een tegen hem ingestelde strafvervolging of tenuitvoerlegging van een hem opgelegde straf of maatregel in verband met gedragingen die naar het recht van een van de landen binnen het Koninkrijk een misdrijf opleveren waarvoor een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd. De exacte toepassing van die maatregel is casus gebonden en cijfers hierover worden niet publiek gemaakt.
Kan het Openbaar Ministerie op die grond bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een verzoek doen om een dergelijke verdachte persoon op te nemen in het Register Paspoortsignaleringen? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie kan bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken een verzoek doen om een persoon op te nemen in het Register Paspoortsignaleringen als er juridische en feitelijke gronden zijn die dat dragen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties neemt een besluit op dat verzoek binnen de wettelijke kaders. Indien uit het besluit volgt dat een persoon wordt opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen, worden aanvragen voor paspoorten geweigerd en kan een bestaand document ongeldig worden verklaard.
De toegankelijkheid van stembureaus |
|
Glimina Chakor (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Geen toegang voor gehandicapten? Een stembureau onwaardig»?1
Ja.
Klopt het dat een ouder of begeleider niet mee het stemhokje in mag om ondersteuning te leveren bij mensen met een (verstandelijke) beperking of mensen die niet (voldoende) kunnen lezen of schrijven?
De Kieswet bepaalt dat alleen mensen met een fysieke beperking hulp in het stemhokje mogen ontvangen. Dit betekent dus dat mensen met een andere beperking en mensen die niet (voldoende) kunnen lezen of schrijven geen recht hebben op assistentie bij het stemmen. Op 21 november 2025 is een wetsvoorstel aan uw Kamer gestuurd dat hulp in het stemhokje mogelijk moet maken voor iedereen die aangeeft deze hulp nodig te hebben.2
Herkent u dit spanningsveld tussen het kiesrecht van mensen met een beperking of mensen die laaggeletterd zijn en het stemgeheim en het tegengaan van stembeïnvloeding? Welke mogelijkheden ziet u voor ondersteuning bij het stemmen van mensen met een (verstandelijke) beperking of laaggeletterdheid?
Alle kiesgerechtigden moeten hun stem kunnen uitbrengen. Sommige mensen hebben hier hulp bij nodig. Bijvoorbeeld omdat zij een verstandelijke beperking hebben, niet goed kunnen lezen of schrijven of omdat zij dementie hebben. Op dit moment kunnen mensen zonder een fysieke beperking hulp buiten het stemhokje krijgen. Het stemmen zelf moeten zij vervolgens zelfstandig doen. Het wetsvoorstel Bijstand in het stemhokje regelt dat iedereen die dat wenst hulp bij het stemmen kan krijgen door een daartoe getraind stembureaulid. Aangezien stembureauleden neutraal zijn en geen persoonlijke relatie met de kiezer hebben, zal er weinig risico op beïnvloeding van de kiezer zijn. Ik zie dit als een mogelijkheid die recht doet aan de wens voor ondersteuning in het stemhokje, maar ook de inbreuk op het stemgeheim en de stemvrijheid zo beperkt mogelijk houdt.
Hoe rijmt u het huidige gebrek aan ondersteuning voor mensen met een beperking, in het bijzonder mensen met een verstandelijke beperking, met het VN-verdrag inzake gelijke rechten van mensen met een handicap? Bent u het ermee eens dat het voor de uitvoering van dit verdrag essentieel is dat mensen met een beperking hun kiesrecht, zowel actief als passief, kunnen uitoefenen?
In het VN-verdrag handicap is het recht op actief en passief kiesrecht voor mensen met een beperking neergelegd. Op grond van artikel 29 van het VN-Verdrag handicap hebben personen met een handicap het recht om op hun verzoek ondersteuning te ontvangen door een persoon naar keuze bij het uitbrengen van hun stem. Nederland heeft dit verdrag geratificeerd en neemt maatregelen om het verdrag te implementeren.
Bij artikel 29 van het verdrag heeft Nederland een interpretatieve verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt in dat Nederland het woord «ondersteuning» zo interpreteert dat mensen met een fysieke beperking in het stemhokje én buiten het stemhokje ondersteuning mogen krijgen door een persoon naar keuze bij het uitbrengen van hun stem en dat alle andere mensen met een beperking alleen buiten het stemhokje ondersteuning bij het stemmen mogen ontvangen. Het wetsvoorstel bijstand in het stemhokje zorgt ervoor dat straks alle kiezers hulp in het stemhokje kunnen ontvangen en draagt eraan bij dat mensen met een beperking beter in staat zijn om hun actief kiesrecht te kunnen uitoefenen.
Hoeveel stembureaus waren er bij de afgelopen verkiezingen volledig toegankelijk voor mensen met een beperking?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aantal stemlokalen dat bij de vervroegde Tweede Kamerverkiezing in 2025 volledig toegankelijk was voor mensen met een fysieke beperking. De afgelopen jaren heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met steekproeven de toegankelijkheid van stemlokalen laten onderzoeken. Bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 voldeed 32% van de stemlokalen aan alle toegankelijkheidscriteria. De rest van de stemlokalen voldeden toen niet aan alle toegankelijkheidscriteria.3
Als onderdeel van de uitbreiding van zijn taken, wordt het onderzoek naar de toegankelijkheid van stemlokalen voortaan in opdracht van de Kiesraad uitgevoerd. Dit zal hij voor het eerst doen bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026.
Hoeveel stembureaus beschikken over hulpmiddelen zoals een stemmal?
Uit data van Open State Foundation (OSF) blijkt dat bij de vervroegde Tweede Kamer verkiezing op 29 oktober 2025 de volgende hulpmiddelen beschikbaar waren. In 307 stembureaus (in 86 gemeenten) was er een kandidatenlijst in braille. In 2550 stembureaus (in 126 gemeenten) was er een kandidatenlijst met grote letters. In 61 stembureaus (in 21 gemeenten) waren er geleidelijnen binnen of buiten het stembureau. In 3686 stembureaus (in 110 gemeenten) kon men met behulp van een tolk Nederlandse Gebarentaal (op afstand) stemmen. In 10 stembureaus (in 9 gemeenten) was er een stembureau met een gebarentalig stembureaulid. In 146 stembureaus (in 131 gemeenten) kon met een stemmal gestemd worden.4 Overigens zijn de werkelijke aantallen waarschijnlijk hoger, omdat niet alle gemeenten informatie over de toegankelijkheid van hun stemlokalen hebben aangeleverd.
Op welke wijze wordt gecommuniceerd naar mensen welke stembureaus toegankelijk zijn?
Kiesgerechtigden kunnen op de website waarismijnstemlokaal.nl zien welke toegankelijkheidsvoorzieningen er in stemlokalen beschikbaar zijn. Verder informeren gemeenten kiesgerechtigden via hun websites over de toegankelijkheid van stemlocaties. Ook verspreiden zij vóór de verkiezingen hier informatie over. Bijvoorbeeld door informatie over de toegankelijkheid van stemlokalen mee te sturen als zij de stempas opsturen of door hier in verkiezingskranten die huis aan huis worden verspreid aandacht aan te besteden. Verder verstrekken sommige belangenorganisaties informatie over waar men terecht kan voor bepaalde voorzieningen en hulpmiddelen. De Oogvereniging vermeldt op haar website bijvoorbeeld in welke gemeenten met een stemmal gestemd kan worden.
Welke ondersteuningsmogelijkheden zijn er voor mensen die niet zelfstandig een potlood kunnen vasthouden? Zijn deze mogelijkheden beschikbaar bij elk stembureau? Zo nee, waarom niet?
Mensen die vanwege een fysieke beperking niet zelfstandig een potlood kunnen vasthouden hebben recht op hulp in het stemhokje. Degene die hen helpt, dit kan een stembureaulid zijn maar bijvoorbeeld ook een familielid, kan dan namens de kiezer op de gewenste kandidaat stemmen. Hulp in het stemhokje voor mensen met een fysieke beperking is in elk stembureau mogelijk. Er zijn ook mensen die wel een potlood kunnen vasthouden, maar desondanks niet in staat zijn om bij de gewenste kandidaat een rondje rood in te kleuren. Bijvoorbeeld omdat zij Parkinson hebben of spastisch zijn. De stemmal kan voor hen een uitkomst bieden.
Klopt het dat hulphonden mee mogen in het stembureau? Op welke wijze worden alle voorzitters van stembureaus hiervan op de hoogte gebracht?
Het klopt dat hulphonden mee mogen in het stembureau.
De Kiesraad is voornemens om in de e-learning voor stembureauleden en in de stembureauinstructie voor de dag van de stemming aandacht te besteden aan de regels voor hulphonden in stemlokalen. Op deze wijze worden alle voorzitters van stembureaus geïnformeerd dat het is toegestaan om hulphonden in stembureaus mee te nemen.
Bent u het ermee eens dat het van groot belang is dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 stembureaus in Nederland volledig toegankelijk zijn voor mensen met een beperking en er voldoende ondersteuning mogelijk is voor mensen met een (verstandelijke) beperking of laaggeletterdheid? Zo ja, welke concrete stappen gaat u ondernemen om erop toe te zien dat dit ook zo zal zijn?
Een toegankelijk verkiezingsproces betekent dat er zo min mogelijk belemmeringen zijn om zelfstandig een stem te kunnen uitbrengen. Het toegankelijk maken van stemlokalen is één van de onderdelen om eraan bij te dragen dat mensen zo zelfstandig mogelijk hun stem kunnen uitbrengen.
De Kieswet bepaalt dat burgemeester en wethouders ervoor zorgdragen dat alle in de gemeente aangewezen stemlokalen zodanig zijn gelegen en zo zijn ingericht en uitgerust dat kiezers met lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk hun stem zelfstandig kunnen uitbrengen (artikel J 4, tweede lid). Als stemlokalen niet toegankelijk zijn (te maken), moet het College van B&W dit aan de gemeenteraad melden.
Het volledig toegankelijk maken van alle stemlokalen blijkt in de praktijk moeilijk. Landelijk kan er gestemd worden bij ongeveer 9000 stemlocaties. Als uitsluitend locaties als stemlokaal zouden mogen worden gebruikt die volledig toegankelijk zijn, betekent dat dat er minder stemlokalen zouden zijn en de gemiddelde reisafstand naar de stemlokalen groter wordt. Gemeenten moeten daarom vaak een afweging maken tussen de toegankelijkheid van een gebouw en de bereikbaarheid van stemlokalen voor de kiezers.
Openbare gebouwen die als stemlokaal worden gebruikt zijn niet altijd toegankelijk (te maken). Bijvoorbeeld als de deuren te smal zijn voor iemand in een rolstoel. Of als er geen ruimte is om een (tijdelijke) helling aan te leggen bij een steile trap. Het komt ook voor dat het stemlokaal zelf wel toegankelijk is, maar de omgeving niet. Bijvoorbeeld doordat het stemlokaal op een heuvel ligt waardoor er sprake is van een te steile helling bij de ingang. Of doordat de route naar de entree van het stemlokaal te smal is. Dergelijke stemlokalen worden als niet toegankelijk aangemerkt. Om te zorgen voor voldoende stemlokalen worden vaak gebouwen als stemlokaal gebruikt die geen eigendom zijn van de gemeente. Ook deze gebouwen zijn niet altijd toegankelijk (te maken).
In het Actieplan toegankelijk stemmen zijn acties opgenomen die ertoe moeten leiden dat meer stemlokalen toegankelijk worden voor mensen met een fysieke beperking. Richting de gemeenteraadsverkiezingen in 2026 worden de volgende acties opgepakt:
Daarnaast wordt voorzien in een aantal onderzoeken om de bestaande toegankelijkheidscriteria en ondersteuning aan gemeenten te verbeteren. Dit moet eraan bijgedragen dat gemeenten en stembureauleden nog beter in staat worden gesteld om stemlokalen toegankelijk te maken voor mensen met een fysieke beperking. Acties voor de langere termijn zijn:
Kunt u aangeven wat er de afgelopen jaren concreet gebeurd is met eerdere adviezen en aanbevelingen ten aanzien van het verbeteren van de toegankelijkheid van het verkiezingsproces voor mensen met een beperking?
Op 6 mei 2025 hebben het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Kiesraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken het Actieplan toegankelijk stemmen gepresenteerd.5 Het plan loopt van 2025 tot en met 2029 en is in nauwe samenspraak met belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen opgesteld. In het plan zijn acties opgenomen om voor mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden de toegankelijkheid van verkiezingen te vergroten. Deze acties richten zich op toegankelijke informatie over verkiezingen, toegankelijke stemlokalen, toegankelijk stemmen en toegankelijke informatie en bijeenkomsten van politieke partijen. Belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen worden betrokken bij het uitvoeren van deze acties. Eerdere adviezen en aanbevelingen over het verbeteren van de toegankelijkheid van het verkiezingsproces voor mensen met een beperking zijn in het Actieplan verwerkt.
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam1, waarin advocaat de kinderrechter tijdens de zitting een geluidsfragment heeft voorgelegd waarop een pleegmoeder zich op schokkende en vernederende wijze uitlaat tegen een kind die aan haar zorg was toevertrouwd?
Ja.
Wat doet het met u als stelselverantwoordelijke bewindspersoon dat een kinderrechter de kwalificatie gebruikt dat de uitlatingen van de pleegmoeder «alle grenzen van fatsoen overschreden» en dat «dit niet is hoe de opvang van een kwetsbaar kind mag gaan»? Welke gevolgen zou een dergelijke constatering volgens u moeten hebben binnen de pleegzorgketen en de positie van een pleegzorgouder die zich zo opstelt naar een kind?
Het is niet aan mij om te oordelen over uitspraken van een kinderrechter in een individuele casus. Voor het goede functioneren van onze democratische rechtsstaat is een onafhankelijke rechtspraak van het grootste belang en dat blijkt ook in deze situatie. Pleegouders moeten een veilige gezinssituatie bieden en dienen op een liefdevolle manier om te gaan met kinderen waar zij zorg voor dragen. Naar aanleiding van de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen en het inspectierapport «Pleegkinderen uit beeld» werkt de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport in samenwerking met onder andere de pleegzorgsector aan verschillende verbeterinitiatieven om het zicht op de veiligheid van pleegkinderen en de samenwerking in de hele keten te verbeteren. Hierover bent u in de Kamerbrief van 2 december geïnformeerd.2
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden door jeugdbeschermers, raadsonderzoekers of de rechter? En dat het in deze zaak een geluidsfragment van het kind zelf was dat leidde tot erkenning van de misstanden, terwijl eerdere signalen van het kind kennelijk niet serieus zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen heeft laten zien, is het uitermate belangrijk dat er met het kind zelf (één op één) wordt gesproken én dat er daadwerkelijk naar het kind geluisterd wordt. Het zou niet zo moeten zijn dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden.
Bent u ermee bekend dat ook advocaten soms vastlopen als zij zorgen hebben over de situatie binnen een kinderbeschermingsmaatregel en dat ook zij niet gehoord of serieus genomen worden door de gecertificeerde instelling (GI) of de Raad voor de Kinderbescherming omdat zij gezien worden als een verlengstuk van ouders en/of kinderen? Deelt u de mening dat dit geen recht doet aan de neutrale positie die advocaten innemen en de gedragsregels waar advocaten zich aan dienen te houden? Waar kunnen advocaten zich volgens u melden als zich zo’n situatie zich voordoet?
Ik heb navraag gedaan bij verschillende organisaties waaronder de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Vereniging van Nederlandse Jeugdrechtadvocaten (NVJA) en de Nederlandse vereniging van Familie-en erfrecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS). Een deel van de achterban geeft aan de signalen te herkennen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft laten weten constructief samen te werken met de advocatuur en advocaten altijd serieus te nemen in hun rol als bijstandsverlener voor ouders en kind. In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat ik waarde hecht aan de neutrale positie van de advocatuur en de opgestelde gedragsregels. Verder kunnen advocaten zich in de eerste plaats het beste melden bij de betreffende gecertificeerde instelling of de Raad voor de Kinderbescherming. Daarnaast kunnen advocaten signalen uiteraard ook neerleggen bij de belangenorganisaties waar ze bij zijn aangesloten.
Bent u ervan op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden? Vindt u dit in lijn met artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) dat bepaalt dat kinderen het recht hebben hun mening vrijelijk te uiten en dat daaraan passend belang moet worden gehecht?
Ik ben er niet van op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden. In zijn algemeenheid kan ik het volgende aangeven ten aanzien van het gebruik van geluidsopnamen door verschillende instanties (Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming) en de rechtspraak. Jeugdzorg Nederland heeft op basis van de handreiking van de Nationale ombudsman3 een richtlijn opgesteld voor het gebruik van geluidsopnamen.4 Deze richtlijn geldt voor cliënten van Jeugdzorg Nederland en jeugdprofessionals van de organisaties die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering aanbieden. Hierin staat vermeld dat het is toegestaan om een geluidsopname te gebruiken ten behoeve van een juridische procedure. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn Kwaliteitskader opgenomen dat kinderen en ouders in principe geluidsopnamen mogen maken van de gesprekken met medewerkers.5 Daarnaast kan beeld- en geluidmateriaal benut worden in het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming indien ouders of kinderen dit tijdens gesprekken aan de raadsmedewerker laten zien of horen. In de verschillende familie- en jeugdrecht procesreglementen voor de rechtbanken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl, staat sinds 1 januari 2026 de volgende bepaling: «Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.» Hoe de rechter dit waardeert is verder aan het oordeel van de rechter.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen rechtbanken waar kinderen wel of niet de mogelijkheid krijgen om via geluidsfragmenten hun stem te laten horen? Vindt u dat wenselijk? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Het is aan de rechter zelf om af te wegen hoe belangrijk de geluidsopname is en of er een goede reden is om wel of geen gebruik hiervan te maken.
Verschil in interpretaties is bovendien onderdeel van het rechtssysteem en draagt bij aan de rechtsvormende taak van de rechter. Verder verwijs ik naar mijn antwoord bij vraag 5 waarin ik in zijn algemeenheid inga op het gebruik van geluidsopnamen door verschillende instanties waaronder de rechtspraak.
Bent u ervan op de hoogte dat sommige rechtbanken, waaronder de Rechtbank Den Haag2, 3, dergelijke geluidsfragmenten niet accepteren als onderdeel van het dossier omdat zij als onrechtmatig worden beschouwd? En bent u ervan op de hoogte dat en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden4 het niet per definitie als onrechtmatig beschouwd maar dat er wel terughoudendheid betracht moet worden? Deelt u de mening dat dergelijke geluidsfragmenten niet als onrechtmatig beschouwd moeten worden en dat die terughoudendheid niet wenselijk is nu blijkt dat het vaak misgaat en dat juist de geluidsopnames kunnen bijdragen aan het gehoor geven aan de stem en de ervaringen van het kind, zoals vastgelegd in artikel 12 van het IVRK?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit verschil in interpretaties in de rechtspraak als een vorm van rechtsongelijkheid kan worden ervaren? En bent u het eens met dit standpunt van de rechtbank Den Haag dat hiervan het gevolg is dat de stem van het kind niet of onvoldoende gehoord wordt of dat de ervaringen van kinderen buiten beeld blijven?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid met de Raad voor de Rechtspraak te verkennen of er een uniform toetsingskader kan komen voor de omgang met geluidsopnamen in civiele jeugdrechtzaken, zodat kinderen in gelijke omstandigheden ook gelijke rechtsbescherming genieten?
Het is van belang dat een rechter zelfstandig op basis van de feiten en omstandigheden kan beslissen. Een uniform toetsingskader is dan ook niet gewenst.
In hoeverre beschikken jeugdbeschermingsinstellingen en pleegzorgaanbieders over duidelijke protocollen over hoe om te gaan met geluids- of beeldmateriaal dat door kinderen wordt ingebracht als bewijsmiddel van onveiligheid of mishandeling? Wat bent u van plan te doen als hierin vermeld wordt dat dergelijke opnames niet als bewijs mogen dienen, ook wanneer zij aantoonbare misstanden laten zien?
Jeugdzorg Nederland heeft op basis van de handreiking van de Nationale ombudsman9 een richtlijn opgesteld voor het gebruik van geluidsopnamen.10 Deze richtlijn geldt voor cliënten van Jeugdzorg Nederland en jeugdprofessionals van de organisaties die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering aanbieden. Hierin staat vermeld dat het is toegestaan om een geluidsopname te gebruiken ten behoeve van een juridische procedure. Daarnaast merk ik op dat de nationale (kinder)ombudsman tips gegeven heeft over hoe om te gaan met geluidsopnames.11
Klopt het dat er geen landelijke richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe dergelijke opnames moeten worden gewogen in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures? Zo ja, bent u bereid zo’n richtlijn op te laten stellen?
Het klopt dat er geen organisatie overstijgende richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe geluidsopnames gewogen worden in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures. Echter, zoals reeds eerder aangehaald in de beantwoording hebben zowel de rechtspraak als Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming een procesreglement danwel een richtlijn of Kwaliteitskader.
Bent u ermee bekend dat veel kinderen en ouders geen klachten durven in te dienen tegen pleegouders of jeugdbeschermers als er sprake is van dergelijk grensoverschrijdend gedrag omdat zij zich door het gedrag zelf al niet veilig voelen en daarnaast bang zijn voor repercussies zoals het afzeggen van omgang of het verlengen van een maatregel? Welke mogelijkheden hebben kinderen of ouders momenteel om anders dan bij de eigen pleegzorgorganisatie veilig melding te doen van grensoverschrijdend gedrag binnen pleegzorg, buiten de instelling of GI om?
Een goed toegankelijke en onafhankelijke klachtenprocedure, waar kinderen en ouders terecht kunnen wanneer zij ontevreden zijn over het handelen van (medewerkers) van organisaties in het jeugddomein, vind ik uitermate belangrijk. De Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport en ik hebben onlangs een onderzoek laten uitvoeren naar klachtbehandeling in het jeugddomein.12 In het voorjaar 2026 wordt uw Kamer geïnformeerd over de stappen die naar aanleiding daarvan worden gezet. Het is daarnaast belangrijk dat (pleeg)kinderen kunnen beschikken over een vertrouwenspersoon. Hierdoor voelen kinderen zich ondersteund en veilig om zich uit te spreken over hun zorgen. Een vertrouwenspersoon is een luisterend oor, steun en toeverlaat als een kind of jongere dat nodig heeft. Deze vertrouwenspersoon kan iemand uit de familie of het persoonlijk netwerk zijn of een vertrouwenspersoon van (bijvoorbeeld) Jeugdstem. De vertrouwenspersonen van Jeugdstem zijn onafhankelijk. Gemeenten, gecertificeerde instellingen en pleegzorgaanbieders zijn verplicht om pleegkinderen te informeren over de ondersteuningsmogelijkheden van een vertrouwenspersoon.
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken hoeveel meldingen er de afgelopen vijf jaar zijn gedaan van onveiligheid of emotioneel geweld binnen pleegzorg en in hoeveel van die gevallen de stem van het kind doorslaggevend is geweest?
Naar aanleiding van de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen en een analyse van pleegzorgincidenten en -calamiteiten die tussen 1 januari 2023 en 31 december 2024 bij de inspectie zijn gemeld, voerde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in de eerste helft van 2025 thematoezicht uit bij pleegzorgaanbieders. In dit proces is de stem van het kind nadrukkelijk betrokken. Zo is bijvoorbeeld gevraagd naar de kennis van de pleegzorgbegeleider over de pleegkinderen en de hoeveelheid gesprekken die de pleegzorgbegeleider alleen met het kind voerde. Dit onderzoek is representatief voor de pleegzorgsector en heeft geleid tot verschillende verbeterinitiatieven. Hierover bent u in de Kamerbrief van 2 december geïnformeerd.13 Op dit moment richten wij ons in samenwerking met de sector op het verder ontwikkelen, implementeren en borgen van verbeteringen in de gehele jeugdbeschermingsketen.
Herkent u het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich vaak niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden? Wat zegt dit volgens u over de rechtspositie van gezinnen in het jeugdbeschermingsstelsel?
Ja, ik ben bekend met het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden. Ik zet me er dan ook voor in om de rechtsbescherming van ouders en kinderen die te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel te versterken, zodat ze beter gehoord, betrokken en ondersteund worden. Zo geef ik met het dit jaar in te dienen wetsvoorstel de «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» invulling aan die ambitie door onder andere te investeren in rechtsbijstand. De rechtbank wijst ambtshalve een advocaat toe, zodat ouders niet zelf het initiatief hoeven te nemen.
Acht u het wenselijk dat kinderen of jongeren procesrechtelijke bijstand krijgen bij het inbrengen van eigen bewijs of geluidsopnames, zodat zij dit op rechtmatige wijze kunnen doen zonder afhankelijk te zijn van toestemming van hun jeugdbeschermer of pleegzorgaanbieder?
Bijstand en ondersteuning van kinderen in kinderbeschermings- en gezag en omgangprocedures heeft onze aandacht. Voor de ondersteuning van het kind tijdens juridische procedures heeft adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) dan ook op mijn verzoek verschillende typen steunfiguren in kaart gebracht. Het onderzoek geeft een overzicht van de beschikbare vormen van ondersteuning en de behoeften die kinderen hebben. U heeft het rapport recent ontvangen als bijlage bij de voortgangsbrief jeugd.14 Uit het rapport blijkt dat kinderen behoefte kunnen hebben aan uiteenlopende vormen van ondersteuning. Geen enkele steunfiguur kan in alle situaties in alle behoeften voorzien. AEF adviseert daarom een netwerkbenadering: een goed functionerend geheel van ondersteuningsvormen, zodat voor ieder kind iets beschikbaar is dat aansluit bij zijn of haar situatie. In de huidige praktijk mag een kind overigens zich al bij het uitoefenen van het hoorrecht laten bijstaan door een zelf uitgekozen persoon. In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming dat dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd, wordt deze mogelijkheid bekrachtigd. Ook kan de rechter binnen het huidige juridische kader een bijzonder curator benomen die de minderjarige bijstaat.
Ziet u aanleiding om, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties, een landelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de omgang met kind signalen en geluidsopnamen in jeugdbeschermingszaken, met bijzondere aandacht voor de uiteenlopende rechtspraak in Den Haag en Rotterdam?
Ik zie op dit moment geen aanleiding voor een landelijke evaluatie, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties. In zijn algemeenheid kan ik wel opmerken dat het Landelijk overleg vakinhoud familierecht oog heeft voor zaken binnen haar domein en uitdagingen binnen haar werkgebied oppakt.
Hoe waarborgt u dat in toekomstige jeugdbeschermingsprocedures de stem van het kind niet afhankelijk is van een opname, maar vanzelfsprekend wordt gehoord, serieus genomen en gewogen?
Ik vind het zeer van belang dat de stem van het kind wordt gehoord. In het kader van het verbeteren van de participatie van minderjarigen in procedures zal door middel van het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming in de wet worden geborgd dat de leeftijdsgrens voor het hoorrecht door de kinderrechter verlaagd wordt van twaalf naar acht jaar voor alle jeugd- en familiezaken die kinderen aangaan. Op deze manier wordt beter gewaarborgd dat kinderen steeds hun stem kunnen laten horen.
Het artikel 'Nederlandse mijnbouwer verzweeg miljardenomzet voor Congolese Staat’ |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse mijnbouwer verzweeg miljardenomzet voor Congolese Staat»?1
Ja.
Is er een strafrechtelijk onderzoek gaande naar de Nederlandse vennootschappen van ERG wegens mogelijke omkoping of overtreding van sanctiewetgeving? Zo ja, door wie, wanneer en om welke redenen is een dergelijk onderzoek gestart? Wat is de status van dit onderzoek op dit moment? Zo nee, overweegt u dergelijk onderzoek na het lezen van de feiten die in het bovengenoemde artikel worden gepresenteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen of de inhoud van eventuele strafrechtelijke onderzoeken. Signalen van mogelijke overtreding van de (sanctie) wetgeving worden altijd serieus genomen. Het is aan het Openbaar Ministerie om een beslissing te nemen over het eventueel starten van een strafrechtelijk onderzoek en of op basis daarvan over wordt gegaan tot vervolging. Daar gaat het kabinet niet over.
Heeft er, gezien er mogelijk sprake is van omkoping door ERG via Nederland, terwijl de Kazachstaanse staat eigenaar is van het bedrijf, overleg plaatsgevonden tussen de Nederlandse overheid en die van Kazachstan over deze kwestie? Zo ja, door wie en wanneer? Wat is de uitkomst van dit gesprek geweest? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt regelmatig met het internationale bedrijfsleven, zowel in Nederland als middels het postennetwerk. Ook met de Kazachse autoriteiten en het bedrijfsleven wordt gesproken. Op de precieze inhoud van de gesprekken kan het kabinet niet ingaan.
Zijn Nederlandse toezichthouders betrokken bij het monitoren van internationale transacties via Nederlandse entiteiten met risico op corruptie of mensenrechtenschendingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke toezichthouders? En welke rol spelen die Nederlandse toezichthouders bij het monitoren van internationale transacties via Nederlandse entiteiten met risico op corruptie of sanctieschending?
Financiële instellingen en andere bij wet geïdentificeerde partijen dienen zich te houden aan regelgeving op het gebied van sancties en witwassen, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Dat betekent dat ze hun bedrijfsvoering zo in moeten richten dat ze in staat zijn om witwassen te voorkomen en sancties na te leven. De Wwft-toezichthouders, waaronder de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) houden hier toezicht op.
Financiële instellingen moeten ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) melden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een bank vermoedt dat er bij een betaling sprake is van corruptie. De FIU-NL analyseert de transacties en verklaart deze zo nodig verdacht zodat deze beschikbaar worden voor de opsporing. Op basis van deze verdachte transacties kan er eventueel strafrechtelijk worden gehandhaafd.
De Wwft-toezichthouders monitoren geen individuele transacties. Ze houden alleen toezicht of de financiële instellingen in staan zijn om verplichtingen om te melden goed na te leven.
Bent u van mening dat FIOD en OM over voldoende capaciteit en expertise beschikken om grensoverschrijdende corruptie- en sanctiezaken effectief aan te pakken? Zo niet, wat ontbreekt er?
De effectieve aanpak van grensoverschrijdende corruptie- en sanctiezaken is breder dan strafrechtelijke handhaving achteraf. Het is altijd beter strafbare feiten te voorkomen. In dit kader werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken bijvoorbeeld aan een update van de brochure «Eerlijk Zaken Doen zonder Corruptie» met aanvullende handreiking. Daarnaast draagt het steunpunt voor maatschappelijk verantwoord ondernemen middels voorlichting bij aan het vergroten van bewustwording rondom buitenlandse omkoping binnen de private sector en via diverse voorlichtingsactiviteiten, waaronder via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland(RvO), aan het voorkomen van overtreding van de sanctiewet.
Strafrechtelijke handhaving is het ultimum remedium. Het is zeker van belang dat die ook goed is toegerust. Zo is specifiek ten behoeve van de aanpak van corruptie in de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de periode 2025–2029 structureel vier miljoen euro per jaar gereserveerd om de opsporingsdiensten (FIOD en de Rijksrecherche), het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te versterken. Deze gelden worden ingezet voor de verhoging van de capaciteit, vergroting van expertise en de aanschaf van onderzoeksmiddelen. Uw Kamer is hierover reeds geïnformeerd in het kader van de intensivering van de aanpak van corruptie.2
Aanvullend hierop heeft het kabinet in het kader van de Voorjaarsnota structureel 36,5 miljoen euro vrijgemaakt voor de instandhouding en verdere versterking van de sanctienaleving in Nederland.3 Zowel de FIOD als het OM ontvangen hieruit aanvullend budget om hun capaciteit voor de aanpak van sanctieovertreding uit te breiden. Beide organisaties besteden doorlopend aandacht aan het verwerven en op peil houden van de benodigde expertise.
Werkt Nederland op dit moment al samen met landen als Congo om meer transparantie in de mijnbouwsector te bereiken, bijvoorbeeld via openbaarmaking van contracten of audits? Zo ja, hoe ziet die samenwerking er dan uit? Zo nee, waarom niet?
Nederland en de Democratische Republiek Congo (DRC) zijn beiden lid van het multi-stakeholder Extractives Industries Transparency Initiative (EITI). Dit initiatief beoogt de transparantie over financiële stromen tussen overheden en de extractieve sector te vergroten via implementatie van de EITI-standaard. Een van de voorschriften van de standaard is dat landen contracten met bedrijven uit de extractieve sector openbaar maken. Als lid van EITI implementeert de DRC deze standaard via een nationale multi-stakeholdergroep. Nederland is naast implementerend lid ook donor van EITI.
Bent u van mening dat bestaande internationale of bilaterale regelgeving ruimte biedt om bedrijven te sanctioneren die betrokken zijn bij corruptie in derde landen? Zo ja, welke regelgeving doelt u dan op en hoe wordt die op dit moment door de Nederlandse overheid geïmplementeerd?
De Europese Unie beschikt niet over een horizontaal sanctiekader dat ziet op betrokkenheid bij corruptie in derde landen. Wel zijn er in enkele geografische landenregimes die specifiek zien op de situatie in een derde land bepalingen opgenomen die grond bieden voor sancties naar aanleiding van corruptie door individuen en entiteiten. Het sanctiekader voor de DRC voorziet hier enkel in wanneer dit ziet op het ondersteunen van ondermijning en destabilisatie door de illegale extractie of handel in natuurlijke hulpbronnen, goud en wilde dieren.
Daarnaast is omkoping door Nederlandse bedrijven strafbaar, ook als de omkoping in het buitenland plaatsvindt. Zie tevens het antwoord op vraag 8.
Bent u van mening dat de huidige nationale en EU-regels, zoals de EU Anti-Corruption Directive, toereikend zijn? Zo nee, welke hiaten bestaan er in de beschikbare regelgeving die misbruik mogelijk maken? Bent u van mening dat die hiaten aandacht behoeven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke initiatieven ontplooit Nederland daarin?
Op dit moment heb ik geen indicatie dat de regelgeving zoals die nu is en die nog wordt gemaakt, zoals de EU anti-corruptierichtlijn, niet afdoende zijn. Corruptie stopt inderdaad niet bij de landsgrenzen en heeft vaak een internationaal karakter. Het kabinet erkent dit en neemt dit expliciet mee bij de intensivering van de aanpak van corruptie.4 Hierbij staat voorop dat Nederlandse bedrijven die zich schuldig maken aan omkoping voor de Nederlandse wet strafbaar zijn, ook als de omkoping in het buitenland plaatsvindt.
Omdat bij buitenlandse omkoping altijd ook ten minste één ander land betrokken is, is internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van dit delict cruciaal. Ook is het van belang dat landen dezelfde anti-corruptiestandaarden hanteren, zodat corruptie niet verplaatst naar de plaats met de laagste standaarden. Via de Europese Anti-corruptierichtlijn, die nu in onderhandeling is, worden onder andere strafbaarstellingen en verjaringstermijnen onder de lidstaten van de EU geharmoniseerd en samenwerking gestimuleerd.
Ook buiten de EU werkt Nederland aan de versterking van de internationale aanpak van corruptie. Nederland speelt een actieve rol in de anti-omkopingswerkgroep van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Implementation Review Group van het VN Verdrag tegen Corruptie, de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) van de Raad van Europa, en de anti-corruptie werkgroep van de G20. Binnen deze gremia worden gemeenschappelijke standaarden in de vorm van anti-corruptieverdragen en best practices geformuleerd.
Deelt u de analyse dat Nederlandse bedrijven actief betrokken zijn bij de mijnbouw in risicogebieden, zoals DR Congo? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan u dan inzicht geven in het aantal Nederlandse bedrijven actief in de mijnbouw in risicogebieden, de omvang van hun investeringen en de bijbehorende risico’s?
De Rijksoverheid heeft geen overzicht van de gevraagde informatie. Sinds 2021 gelden verplichtingen voor bedrijven in Nederland die onder de Europese conflictmineralenverordening vallen. Deze voorziet in wettelijke gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen voor Europese importeurs die boven een bepaalde drempelwaarden tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) importeren. Deze Verordening ziet toe op de controle op handel in 3TG met als doel om bij te dragen aan het tegengaan van de financiering van gewapende groepen en mensenrechtenschendingen. Hoewel de Verordening niet landen-specifiek is bestaat er onder de Verordening wel een lijst van conflict- en hoog risicogebieden, opgesteld door onafhankelijke externe experts (CAHRA-gebieden: Conflict Affected and High-Risk Areas). In de meest recent gepubliceerde rapportage van de inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over het toezicht op de conflictmineralenverordening5 staat vermeld dat er in 2023 in Nederland geen enkele import direct afkomstig was uit een conflict- of hoog risicogebied.
Inflatie |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel op de website van de NOS van 31 oktober jl. «Ook in oktober zakt de inflatie maar niet verder terug»?1
Ja.
Wat is volgens u de oorzaak dat de inflatie relatief hoog blijft?
In november kwam de inflatie (cpi) uit op 2,9% bij de snelle raming van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Met name de prijzen van diensten (+4,3%) en voedingsmiddelen, dranken en tabak (+3,1%) droegen deze maand positief bij aan de prijsstijgingen.2
Voor 2025 raamt het Centraal Planbureau (CBP) de inflatie op 3,2%, en voor 2026 verwacht het Planbureau een verdere daling richting de 2,3%.3 Over het gehele jaar 2025 genomen hebben vooral de voedselinflatie, diensteninflatie en huren een opwaarts effect op de inflatie.
Hoe hebben de lonen en de inflatie zich de afgelopen 10 jaar elk jaar ontwikkeld? In de Miljoenennota 2024 schreef het kabinet dat mogelijk in 2025 de lonen de hoge inflatie van de afgelopen jaren zou inhalen; is dat ondertussen gebeurd? Zo ja, waar blijkt dat uit? Als dat inderdaad ondertussen is gebeurd, betekent dit dat sinds de coronatijd mensen minder te besteden hebben gehad vanwege de hoge inflatie?
Tussen 2015 en oktober 2025 is het prijsniveau met 36,4% gestegen.4 In dezelfde periode zijn de Cao-lonen met 40,3% gestegen. Vanaf 2019 tot oktober 2025 zijn de cao-lonen met 29,9% gestegen.5 In diezelfde periode is het prijsniveau met 28,5% gestegen. De lonen zijn de afgelopen periode dus sneller gestegen dan de inflatie.
Of mensen meer of minder te besteden hebben wordt gemeten door de koopkracht, die naast de loon- en prijsontwikkeling ook rekening houdt met inkomensbeleid vanuit het kabinet. De mediane koopkracht is sinds de corona-periode gestegen, met name door een forse stijging van 2,8% in 2024. Mensen in Nederland hebben dus meer te besteden sinds de coronatijd.
Kan het zijn dat in oktober 2025 de winsten vooral, weer, hebben gezorgd voor hogere prijzen; in 2024 in een ESB-artikel werd geconstateerd dat vooral de winsten en niet de lonen zorgden voor inflatie, en in de Miljoenennota van 2024 constateert het kabinet dat er inderdaad sprake van winstflatie kan zijn?2 Hoe staat het marco-economisch met de verdeling tussen geld voor lonen en mensen en geld voor lonen voor winsten en aandeelhouders? Wat is het verloop van deze verdeling (de arbeidsinkomensquote) over de afgelopen 10 jaar inclusief oktober 2025?
Een uitsplitsing van het CPB in het Centraal Economisch Plan eerder dit jaar laat zien dat vooral het bruto-exploitatiesaldo de inflatie tussen 2021 en 2023 verklaarde. Vanaf 2023 slaat dit beeld om en draagt de loonsom meer bij.7
Er zijn geen concrete aanwijzingen dat in oktober 2025 de inflatie voornamelijk werd gedreven door hogere winsten. Wel is het duidelijk dat de diensteninflatie dit jaar fors bijdraagt aan de inflatie; deze was 4,5% in oktober. Gegeven het hoge loonaandeel in de dienstensector, lijkt dit het beeld vanuit het CPB te bevestigen dat het juist de lonen zijn, en niet de winsten, die de inflatie stuwen.
Het CBS heeft nog geen cijfers gepubliceerd over de arbeidsinkomensquote (AIQ) in 2025. Het meest recente cijfer gaat over 2024, toen lag de AIQ-marktsector op 69,9 procent.8 De figuur hieronder laat de ontwikkeling zien van de afgelopen tien jaar.
Hoeveel geld zou er beschikbaar komen voor geld voor lonen en mensen als de verdeling tussen geld voor lonen en mensen en geld voor winst en aandeelhouders weer zou zijn zoals voor de coronacrisis? Hoeveel miljarden zouden er in dat geval nog steeds naar winst gaan?
Deze berekening is niet goed te maken. Winsten worden deels opnieuw geïnvesteerd in de economie en dragen daarmee bij aan de economische groei en productiviteitsgroei. Dit wordt vaak gevolgd door meer werkgelegenheid en hogere lonen. Het ingrijpen op de winsten kan leiden tot lagere investeringen en daarmee ook op de lonen. Hierdoor is het niet mogelijk om een accuraat antwoord te geven op deze vraag.
Wat betekent het voor het inkomen van de overheid als er meer van het geld dat verdiend wordt naar lonen gaat en minder naar winsten? Hoeveel belasting ontvangt de overheid gemiddeld voor elke euro die naar lonen gaan? Hoeveel belasting ontvangt de overheid gemiddeld voor elke euro die naar winsten gaat?
Zoals beschreven in antwoord vijf is deze vergelijking niet zomaar te maken. Bij een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op winst moet namelijk rekening worden gehouden met het feit dat dit kan leiden tot lagere investeringen en verplaatsing van bedrijvigheid naar het buitenland. Het effect op de werkgelegenheid, lonen en inkomen voor de overheid is daarmee vooraf niet in te schatten.
Looninkomsten worden progressief belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Daarnaast dragen werkgevers premies af over (een deel van) de loonsom. Winsten van bedrijven worden belast in de vennootschapsbelasting. Afhankelijk van de mate waarin een bedrijf gemaakte winst uitkeert, vindt aanvullend belastingheffing plaats over dit inkomen via de dividendbelasting (of box 2 van de inkomensheffing in het geval van een aanmerkelijk belang). Voor zover een euro extra winst ten koste gaat van een extra euro loon, staan tegenover hogere vpb-inkomsten dus inderdaad lagere belastinginkomsten op arbeid. Het netto effect op de belastinginkomsten is afhankelijk van de marginale belastingdruk van zowel het bedrijf als de werknemer. Deze belastingdruk verschilt sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Een kwantitatieve inschatting op macroniveau van een dergelijke schuif is niet beschikbaar.
De berichten ‘Omstreden gasproject in Mozambique herstart met Nederlandse rol’ en ‘VVD-minister verhulde steun voor graven in beschermd koraalgebied’ |
|
Tom van der Lee (GL), Christine Teunissen (PvdD), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Omstreden gasproject in Mozambique herstart met Nederlandse rol»1 en het artikel «VVD-minister verhulde steun voor graven in beschermd koraalgebied»?2
Ja.
Wat is uw reactie op de belangrijkste conclusies uit deze artikelen?
De artikelen maken melding van een hervatting van werkzaamheden door Van Oord. Zoals eerder uiteengezet in de beantwoording van Kamervragen op 1 en 29 september 2025 en in mijn brief van 11 november 2025 klopt het dat Van Oord in opdracht van Total, anticiperend op een herstart van het project, voorbereidende baggerwerkzaamheden heeft uitgevoerd.3 Dit is een besluit dat Total eigenstandig heeft genomen, Nederland was hierin geen partij. Zolang Van Oord zich houdt aan de polisvoorwaarden kan zij rechten ontlenen aan de exporteurspolis. Sinds 28 mei 2021 is op verschillende momenten met uw Kamer gedeeld dat de Staat gebonden is aan de in maart 2021 verstrekte polissen – een financieringspolis aan Standard Chartered Bank en een exporteurspolis aan Van Oord – en dat het handelingsperspectief wordt bepaald door geldend Nederlands verzekeringsrecht.4
Voor de financieringspolis gold dat door de ontstane force majeure situatie sprake is van een nieuw wegingsmoment. Inmiddels is er van herbeoordeling geen sprake meer, omdat Total heeft besloten af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering. Voor de exporteurspolis is er geen sprake van een nieuw wegingsmoment.
De artikelen stellen verder dat er sprake is van natuurschade door de baggerwerkzaamheden door Van Oord. De negatieve milieueffecten van het project zijn voor afgifte van de polissen nauwkeurig in kaart gebracht. Van Oord en de projecteigenaar zijn er voor verantwoordelijk om schade aan natuurwaarden zoveel mogelijk te beperken en – waar dit niet mogelijk is – te compenseren. De werkzaamheden zijn hiermee in lijn met internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). Onafhankelijke experts zien toe op de uitvoering. De resultaten uit de monitoring van de natuurcompensatie zijn positief.
Bent u op de hoogte van de recente toename van geweld in Cabo Delgado, inclusief rond Palma, en van het feit dat het projectgebied («Fort Afungi») door TotalEnergies hermetisch is afgesloten en enkel via lucht en water toegankelijk is?3, 4 Is dit in lijn met gemaakte afspraken met Atradius DSB?
Ik ben op de hoogte van het huidige veiligheidsprotocol rond het projectgebied en van diverse recente veiligheidsincidenten in de regio Cabo Delgado, inclusief de incidenten die in de aangehaalde bronnen worden gemeld. De veiligheidsconsultant ADIT die namens de betrokken exportkredietverzekeraars optreedt, monitort de veiligheidssituatie en -incidenten continu en rapporteert daarover periodiek. Total is zelf verantwoordelijk voor de wijze van de beveiliging van het project(gebied). Hierover worden geen afspraken gemaakt tussen het project en de exportkredietverzekeraars. ADSB monitort of de situatie in lijn is met internationale standaarden.
Hoe beoordeelt u de kwetsbaarheid van burgers in de omliggende gebieden wanneer de militaire inzet primair gericht lijkt op de bescherming van het project zelf?
De veiligheid van burgers in de provincie Cabo Delgado blijft een punt van zorg en is de verantwoordelijkheid van de Mozambikaanse autoriteiten. De Mozambikaanse president Chapo heeft afspraken gemaakt met Rwanda over de inzet van Rwandese veiligheidstroepen in Cabo Delgado. Het is niet bekend wat de afspraken zijn tussen Rwanda en Mozambique, waardoor de bestendigheid van de afspraken niet goed kan worden beoordeeld. De militaire inzet heeft in het verleden laten zien dat de Rwandese troepen effectief zijn geweest in het tegengaan van terrorisme en beschermen van burgers in omliggende gebieden van de projectlocatie. De Mozambikaanse troepen worden tijdelijk ondersteund door een Europese trainingsmissie EUMAM (EU Military Assistance Mission). EUMAM Mozambique helpt de Quick Reaction Forces (QRF) van het Mozambikaanse leger om uiterlijk in juni 2026 een duurzame operationele inzet te bereiken met respect voor het internationaal humanitair recht. De impact van EUMAM op de lange termijn zal afhangen van de vraag of het Mozambikaanse leger deze hervormingen kan internaliseren en zelfstandig effectieve operaties kan uitvoeren. Hoewel training en begeleiding de operationele paraatheid van het Mozambikaanse leger hebben verbeterd, is Mozambique nog steeds sterk afhankelijk van internationale partners, waaronder de troepen van Rwanda, om de veiligheid te handhaven.
Zijn er (onafhankelijke) onderzoeken ingesteld naar meldingen van aanvallen op burgers of vissers door marineschepen in de nabijheid van het projectgebied, en wat is de status van het onafhankelijk onderzoek naar het geweld dat volgde op de aanvallen in Palma in 2021?
Het onafhankelijke onderzoek door het Mozambikaanse OM in samenwerking met de Nationale Mensenrechtencommissie naar de gebeurtenissen in de nasleep van de Palma aanval in 2021 is nog gaande en hiervan zijn nog geen uitkomsten bekend. Ik ben niet op de hoogte van andere (onafhankelijke) onderzoeken naar recente meldingen. Wel is er door het project een klachtenmechanisme opgezet waar misstanden door het leger gemeld kunnen worden. Alle meldingen worden doorgegeven aan de relevante Mozambikaanse autoriteiten.
Over welke mechanismen beschikt Atradius DSB om de gevolgen van het project voor conflict-dynamieken en veiligheid van burgers te monitoren (driver-analyse)? En hoe analyseert Van Oord haar eigen rol in dit verband?
De onafhankelijke veiligheidsconsultant ADIT monitort doorlopend de veiligheidssituatie in de regio. Zij rapporteren meerdere malen per jaar aan de betrokken financiers en exportkredietverzekeraars. Daarnaast heeft ADSB regulier overleg met de Nederlandse ambassade in Maputo over het project en de veiligheidssituatie. Het is niet aan mij om uitspraken te doen over hoe Van Oord haar eigen rol ziet.
Acht u het verantwoord dat Nederlandse bedrijven, deels met publieke dekking, doorgaan met werkzaamheden als baggeren terwijl er sprake is van ernstige veiligheidsrisico’s, lopende onderzoeken naar mensenrechtenschendingen en een nog maar zeer recent opgeheven force majeure? Welke normen en waarborgen hanteert u voor maatschappelijk verantwoord ondernemen in dergelijke contexten?
In het kader van de ekv eist Nederland dat negatieve gevolgen voor mens, dier en milieu conform internationale standaarden worden gemitigeerd of, wanneer dit niet mogelijk is, worden gecompenseerd. Voor de afgifte van onderhavige ekv-polissen heeft er een uitgebreide risicobeoordeling plaatsgevonden. Sinds afgifte van de polis monitort ADSB het project intensief op naleving van internationale standaarden. Uit de monitoring blijkt dat Van Oord zich aan de internationale mvo-standaarden houdt.
Wanneer en op welke wijze bent u geïnformeerd over de activiteiten van Van Oord in Mozambique onder dekking van Atradius DSB?
ADSB en Van Oord onderhouden contact over de status van het project en de uitvoering van werkzaamheden. ADSB is in mei 2024 geïnformeerd over de plannen van Total om, anticiperend op een herstart, voorbereidende werkzaamheden uit te laten voeren. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd in de tweede helft van 2024. Zoals aangegeven in mijn brief van 11 november 2025 is Van Oord betaald voor alle werkzaamheden en is er geen sprake geweest van een financieel risico voor de Nederlandse staat.7
Waarom is in de voorafgaande jaren geen toelichting gegeven op de verschillende polissen die Atradius DSB heeft uitgegeven, waaronder de doorlopende polis aan Van Oord?
Net als voor alle andere verstrekte ekv-polissen is informatie over onderhavige polissen binnen een maand na afgifte gepubliceerd op de website van ADSB.8
Het kabinet heeft ook de Kamer op verschillende momenten geïnformeerd over de twee polissen voor onderhavig project. Op 12 februari 2021 is de Kamer op de hoogte gebracht van het bestaan van twee dekkingstoezeggingen (voorlopers van de twee polissen).9 Zoals toegelicht in mijn brief van 11 november 2025 heeft het kabinet vervolgens de Kamer onder meer op 28 mei 2021, 21 februari 2023 en 15 december 2023 geïnformeerd over de impact van de ontstane situatie op de twee verschillende ekv-polissen.10
Bent u op de hoogte van het feit dat TotalEnergies recent de Force Majeure heeft opgeheven?5 Welke omstandigheden waren doorslaggevend voor dit besluit? Wat betekent dit voor de status van de polis van Atradius DSB aan Standard Chartered?
Ja, ADSB is hier op 12 november 2025 van op de hoogte gebracht. Dit is een besluit dat door Total en diens consortiumpartners is genomen. Uit de brief van het consortium aan de regering van Mozambique over het voornemen om de force majeureop te heffen blijkt dat een belangrijke voorwaarde om tot dit besluit te komen de garantie van aanwezigheid van Rwandese troepen gedurende de opstartfase van het project is. President Chapo maakte hierover recent nieuwe afspraken met de president van Rwanda, waarvan de inhoud niet bekend is. Total heeft besloten het project voort te zetten zonder de Nederlandse financiering. Het opheffen van de force majeureis daarmee niet meer relevant voor de financieringspolis aan Standard Chartered Bank.
Kunt u toelichten wat de juridische betekenis van Force Majeure is binnen dit project (zoals gedefinieerd in de contracten met Anadarko en ENH)? Kan de projecteigenaar onder force majeurezelfstandig activiteiten voortzetten? Wordt daarmee de verplichting tot naleving van internationale milieu- en mensenrechtenstandaarden opgeheven?
De relaties tussen de bij het LNG-project betrokken partijen zijn vastgelegd in een groot aantal overeenkomsten, zoals onder meer de concessieovereenkomst, de bouwcontracten, de LNG-afname contracten en de financieringsovereenkomst. In al die overeenkomsten zijn force majeure bepalingen opgenomen. Het doel van deze bepalingen is om contractpartijen te beschermen tegen de gevolgen van een overmachtssituatie die het (een van de) contractspartijen onmogelijk maakt om contractuele verplichtingen na te komen. De force majeure bepalingen regelen hoe de contractspartijen met elkaar verkeren in een dergelijke situatie. Deze bepalingen laten toe dat in onderling overleg besloten kan worden om bepaalde activiteiten gedeeltelijk, in aangepaste vorm of op een alternatieve locatie uit te voeren. Alle verplichtingen op het gebied van internationale milieu- en mensenrechtenstandaarden zijn altijd onverminderd van kracht gebleven.
Kunt u, gelet op uw stelling in de beantwoording van eerdere Kamervragen dat een lopende polis alleen ontbonden kan worden bij fraude of nalatigheid, aangeven hoe «fraude» en «nalatigheid» in de contracten van Atradius DSB zijn gedefinieerd?6
De polisvoorwaarden bieden de mogelijkheid om de verzekeringsovereenkomst op te zeggen indien blijkt dat de verzekerde partij, in de context van de verzekerde transactie, betrokken is bij omkoping. Voorts is in de polisvoorwaarden opgenomen dat de rechten op schadevergoeding kunnen komen te vervallen indien een verzekerde zich niet houdt aan diens verplichtingen onder de polis of indien er sprake is van onjuiste of onvolledige opgave van informatie door verzekerde (vooraf) die van belang is voor het beoordelen van het betalingsrisico, het milieu- en sociale risico of het risico op omkoping.
Valt het niet-naleven van milieu- of mensenrechtenstandaarden onder fraude of nalatigheid? Wanneer geldt een polis als «lopende polis» en waarom wordt de polis aan Standard Chartered niet als zodanig beschouwd?
Zie het antwoord op vraag 12 voor een beschrijving van fraude en nalatigheid met betrekking tot (opgave van) milieu- en sociale risico’s. Voor grote of risicovolle projecten wordt naleving van milieu- en mensenrechtenstandaarden vastgelegd in een Environmental and Social Action Plan (ESAP). Dit is een contractdocument waarvan de uitvoering wordt opgenomen als voorwaarde in de verzekerde leningsovereenkomst. Er is sprake van een «lopende polis» wanneer verzekerde daar rechten aan kan ontlenen. Zoals uiteengezet in mijn brief van 11 november 2025 geldt voor de financieringspolis voor Standard Chartered Bank dat er door de uitzonderlijke omstandigheden sprake was van een nieuw wegingsmoment voor de Nederlandse staat.13 Projectleider Total heeft ekv-uitvoerder ADSB heeft laten weten af te zien van het door Nederland verzekerde aandeel in de financiering van het LNG-project in Mozambique, waardoor de polis voor Standard Chartered Bank komt te vervallen.
Vindt u de eis van TotalEnergies dat de Mozambikaanse overheid de kosten van vertraging en veiligheidsmaatregelen moet dragen proportioneel, gezien de mogelijke rol van het bedrijf in het aanwakkeren van conflictdynamieken en de kwetsbare financiële positie van Mozambique?7 Hoe verhoudt deze eis zich tot de belofte dat het project zou bijdragen aan de ontwikkeling van Mozambique?
Het is aan de Mozambikaanse overheid om te oordelen over de voorwaarden in het voorstel dat Total aan Mozambique heeft gedaan. De president van Mozambique heeft aangegeven het voorstel van Total momenteel te bestuderen en mogelijk met een tegenvoorstel te komen. De uitkomst van die onderhandelingen en de herstart van het project zijn van groot belang voor de sociaaleconomische ontwikkeling van Mozambique op de korte en de middellange termijn. Zowel het in het leven geroepen – en in de wet vastgelegde – Sovereign Wealth Fund als investeringen door Total in de sociaaleconomische ontwikkeling van de regio zullen hier aan bijdragen.
Kunt u er voor instaan dat ook de huidige geweldsspiraal, de hermetische afsluiting van het project gebied en de druk die TotalEnergies uitoefent op de Mozambikaanse overheid om TotalEnergies te compenseren voor kosten gemaakt door het conflict, zorgvuldig worden meegenomen in de herbeoordeling van Atradius DSB? Hoe weegt u, en hoe weegt Atradius DSB bij haar herbeoordeling, de conclusies uit het Proximities-, Uprights- en Rufin-rapport en de waarschuwingen van experts dat herstart van het Mozambique LNG-project het geweld kan verergeren?8
Projectleider Total heeft ekv-uitvoerder ADSB heeft laten weten af te zien van het door Nederland verzekerde aandeel in de financiering van het LNG-project in Mozambique. Hiermee is er geen sprake meer van een herbeoordeling over de Nederlandse betrokkenheid in de financiering.
Heeft u onderzoek gedaan naar de extra-territoriale verplichtingen die Atradius DSB heeft ten opzichte van het bijdragen aan projecten die schulden van landen verhogen? Kunt u verantwoorden dat dit project voldoet aan deze verplichtingen?
ADSB heeft onderzocht of, en zo ja op welke wijze, de overheid van Mozambique financiële verplichtingen is aangegaan ten behoeve van het Mozambique LNG project. Voorts heeft ADSB gecontroleerd of die verplichtingen in overeenstemming zijn met de afspraken die het land heeft gemaakt in het kader van de beginselen van het duurzaam leenbeleid. Dat laatste is het geval; de Wereldbank heeft eenwaiver verstrekt aan Mozambique voor het aangaan van bepaalde financiële verplichtingen voor het project omdat het project financieel-economisch gezien van groot belang is voor het land. Ook het IMF onderschrijft het belang van de winning van gasreserves voor de schuldhoudbaarheid op middellange en lange termijn.16
Bent u op de hoogte van het contract van TotalEnergies en de Mozambikaanse staat? Wordt daarin gebruik gemaakt van clausules die TotalEnergies in kan zetten om gebruik te maken van ISDS?
ADSB is bekend met de concessieovereenkomst tussen Mozambique en het project. Het is mij noch ADSB bekend welke bepalingen in de overeenkomsten tussen het project en de Mozambikaanse staat zijn opgenomen op het gebied van geschillenbeslechting.
TotalEnergies stelt bepaalde voorbereidende werkzaamheden uit eigen vermogen te financieren. Waarom is in dat geval publieke exportkredietverzekering of projectfinanciering noodzakelijk? Hoe verhoudt de polis voor Standard Chartered zich tot de polis voor Van Oord?
De projectfinanciering is nodig om het project tot stand te brengen. Zoals gebruikelijk bij dit soort projecten worden de betrokken aannemers (waaronder Van Oord) deels betaald uit de eigen middelen van de projecteigenaren en deels uit een commerciële lening. Voor zowel Van Oord als de aan de projecteigenaren lenende banken gold dat zij de betalingsrisico’s die zijn verbonden aan het project wensten te verzekeren. Dit heeft geresulteerd in twee verzekeringspolissen die contractueel en juridisch volledig los staan van elkaar.
Bent u op de hoogte van het onderzoek van DataDesk naar de schade aan koraalriffen en biodiversiteit door de baggerwerkzaamheden van Van Oord?9
Ja
Zijn deze werkzaamheden uitgevoerd in overeenstemming met internationale richtlijnen en eerdere afspraken, en over welke analyses beschikt u die de gevolgen voor biodiversiteit in kaart brengen?
Ja, de uitvoering van deze werkzaameden is in overeenstemming met internationale richtlijnen en eerdere afspraken.18 De gevolgen voor biodiversiteit worden door de onafhankelijke milieu- en sociale consultant RINA in kaart gebracht en gemonitord. Hieruit zijn geen onregelmatigheden gebleken.
Hoe beoordeelt u de uitspraak dat «het baggeren niet om het project zelf gaat» in het licht van de evidente ecologische impact van deze activiteiten?
Het baggerwerk dat wordt uitgevoerd is onderdeel van de projectscope. Van het hele project zijn de ecologische gevolgen in kaart gebracht en zijn mitigerende en compenserende maatregelen afgesproken met een onafhankelijke commissie met experts. Op de uitvoering van deze maatregelen wordt toegezien middels intensieve monitoring.
Hoe legt u aan de Nederlandse burger uit dat publieke middelen worden ingezet voor bedrijfsactiviteiten die mogelijk bijdragen aan geweld, milieuschade en schuldenlast in een van de armste landen ter wereld?
Nederland wil geen transacties verzekeren met onaanvaardbare gevolgen voor mens, dier of milieu. Daarom hanteert Nederland een streng milieu- en sociaal beleid voor de ekv dat in lijn is met internationale standaarden.19 Daarnaast volgt Nederland de OESO-aanbeveling voor Sustainable Lending om te voorkomen dat door ekv-gedekte transacties bijdragen aan een onhoudbare overheidsschuld.20
Met de ekv worden betalingsrisico’s verzekerd die zijn verbonden aan Nederlandse export en investeringen in het buitenland. Door het verzekeren van deze risico’s worden deze transacties mogelijk gemaakt. Dit is goed voor de internationale concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers en het behoud van kennis en banen voor de Nederlandse economie. Bovendien kunnen Nederlandse bedrijven zo een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkelingsdoelstellingen van andere landen. Bedrijven die gebruik maken van de ekv betalen hier een marktconforme premie voor.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voordat de herbeoordeling wordt afgerond?
Zoals uiteengezet in deze brief is er door het besluit van Total om af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de lening niet langer sprake van een herbeoordeling.
De pilot ‘gratis advocaat’ bij uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Proef met betere rechtsbijstand in jeugdzorg werkt averechts: vertrouwde advocaat uit beeld» van 9 juni 2023 in het Algemeen Dagblad? Zo nee, kunt u dit lezen?1
Ja.
Kunt u de Kamer nogmaals kort uitleggen wat het beoogde doel is van de pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders bij (spoed)uithuisplaatsingen en gezagsbeëindigingen en hoe de «verbeterde rechtsbescherming» daarin concreet wordt gemeten?
Het beoogde doel van de pilot was om te onderzoeken in hoeverre kosteloze rechtsbijstand van een advocaat ouders de benodigde juridische ondersteuning en rechtsbescherming biedt en met welke kosten, uitvoeringslasten en neveneffecten dit gepaard gaat. Uit de evaluatie van Pro Facto blijkt dat rechtsbijstand meerwaarde heeft vóór, tijdens en na de zitting bij de kinderrechter. Voorafgaand aan de zitting zijn ouders dankzij de advocaat beter geïnformeerd en weten zij duidelijker wat hen te wachten staat. Tijdens de zitting zorgt rechtsbijstand ervoor dat de standpunten en belangen van ouders duidelijker worden verwoord. Met de ondersteuning van een advocaat hebben ouders een evenwichtiger positie ten opzichte van de RvdK of GI en ze voelen zich beter gehoord en hun zienswijze bij instanties verwoord. Het draagt daardoor bij aan een meer gelijkwaardige positie op zitting. Na afloop van de zitting heeft rechtsbijstand waarde omdat de advocaat de uitspraak van de kinderrechter kan uitleggen en ouders kan informeren en adviseren over mogelijke vervolgstappen. Hierdoor draagt rechtsbijstand in belangrijke mate bij aan procedurele rechtvaardigheid.2
Kunt u leggen hoe de pilot moet worden uitgevoerd/toegepast?
Bij de start van de pilot is met de rechtspraak, advocatuur, Gecertificeerde Instellingen (GI), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Raad voor Rechtsbijstand een werkproces opgesteld rond gegevensuitwisseling. Dat werkproces bevat twaalf stappen: vanaf dat de RvdK of een GI een verzoekschrift indient tot het opvragen van de stukken door de advocaat die is toegewezen. Als ouders een voorkeursadvocaat hebben, wordt dit opgenomen op het bijzonderhedenformulier van de RvdK of de GI. De griffie van de rechtbank controleert of de voorkeursadvocaat staat opgenomen op de verwijzingslijsten van de Raad voor Rechtsbijstand (en daarmee voldoet aan de specialisatie vereisten) en of de advocaat de ouder wil bijstaan. Als de ouder geen voorkeursadvocaat heeft, wordt «willekeurig» bij toerbeurt een advocaat toegewezen op basis van de actuele verwijzingslijsten met daarop de namen van advocaten met de specialisaties civiel jeugdrecht en/of personen- en familierecht. De advocaat neemt vervolgens contact op met de ouder om te vragen of hij/zij de ouder rechtsbijstand mag geven. Nadat de ouder aan de advocaat heeft aangegeven bijstand te willen, deelt de rechtbank het dossier met de advocaat.
Klopt het dat rechtbanken in het kader van de pilot zelf een advocaat aanwijzen voor ouders «die zo snel mogelijk contact opneemt»? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het recht op vrije advocaatkeuze?
Ja, tenzij sprake is van een voorkeursadvocaat (zie ook de beantwoording van vraag 3). Met deze werkwijze wordt beoogd dat als de ouder al een (voorkeurs)advocaat heeft, deze ook wordt toegewezen. Bovendien staat het de ouder te allen tijde vrij een toegewezen advocaat op voorhand te weigeren, of de opdracht met de advocaat te beëindigen, om zelf een andere advocaat voor te dragen (die wel moet voldoen aan de specialisatie vereisten).
Hoe is geborgd dat de pilot niet leidt tot verdringing van reeds betrokken of door ouders gekozen advocaten? Welke instructies zijn hierover aan de rechtbanken verstrekt? Kunt u deze instructies delen met de Kamer?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Het werkproces rond gegevensuitwisseling is als bijlage bij de beantwoording bijgevoegd.
Herkent u de signalen dat ouders zich overvallen voelen door een aangewezen advocaat en ervaren dat hun voorkeursadvocaat buitenspel komt te staan? Wat is daarop uw reactie?
Dit signaal hebben mr. Krol en mr. Korver met mij gedeeld op 26 november (zie beantwoording vraag 21). Naar aanleiding hiervan gaan we in gesprek met de rechtspraak, Jeugdzorg Nederland (voor de GI’s) en de RvdK om zorg te dragen dat beter geborgd wordt dat de voorkeursadvocaat van ouders wordt doorgegeven aan de griffie van de rechtbanken.
Welke waarborgen bestaan er dat – zodra een ouder een voorkeursadvocaat meldt – de rechtbank die keuze honoreert, ook binnen de pilot?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Kan het zijn dat de uitvoering van de pilot, zoals wordt gemeld, in de verschillende arrondissementen anders of verschillend geïnterpreteerd of uitgevoerd worden? Zo ja, kunt u per arrondissement de werkwijze schetsen en verschillen duiden? Kunt u de Kamer hier een overzichtstabel van toesturen?
Ja, dat kan. Uit de eindevaluatie van de regeling blijkt dat de pilot grotendeels wordt uitgevoerd zoals beoogd, maar dat er in de praktijk ook verschillen bestaan tussen arrondissementen in de wijze waarop de werkwijze wordt toegepast. Voor de rechtspraak is uniformiteit het uitgangspunt, maar lokale verschillen in de administratieve werkprocessen die onder de landelijke kaders liggen zijn niet uit te sluiten.
Er is geen gedetailleerd inzicht beschikbaar in de uitvoering per afzonderlijk arrondissement. Daardoor kan ik uw Kamer geen overzichtstabel per arrondissement toesturen.
Deelt u de mening dat als de arrondissementen de pilot inderdaad verschillend toepassen dat dit impact op heeft op rechtsgelijkheid?
Het uitgangspunt van de pilot is dat iedere ouder die hiervoor in aanmerking komt kosteloos wordt bijgestaan door een advocaat. In die zin is er sprake van gelijke toegang tot rechtsbijstand. Dat arrondissementen de pilot op onderdelen verschillend uitvoeren, betekent niet automatisch dat ouders ongelijk worden behandeld of dat hun rechtspositie verschilt.
Deelt u de mening dat ouders zelf capabel genoeg zijn om een keuze te maken voor een advocaat? En deelt u de mening dat ouders eerst zelf akkoord moeten geven voordat de advocaat definitief gekoppeld wordt?
De werkwijze is dat de griffie een gespecialiseerde advocaat aanwijst, waarmee ouders moeten instemmen, tenzij een voorkeursadvocaat bekend is of alsnog wordt aangedragen. Het in beginsel volledig aan de ouder overlaten om zelf een advocaat te benaderen of te zoeken verdraagt zich niet met het spoedkarakter en de korte termijnen die in procedures van uithuisplaatsing gelden en kan ertoe leiden dat ouders niet tijdig worden bijgestaan door een advocaat.
Hoe wordt in alle communicatie aan ouders zichtbaar en begrijpelijk gemaakt dat zij zelf een advocaat mogen kiezen en hoe zij dat praktisch regelen binnen de pilot? Kunt u de Kamer inzicht geven in hoe dit nu gecommuniceerd aan ouders?
Voor de RvdK en de GI’s zijn visuals ontwikkeld, die aan ouders overhandigd worden en waarmee ouders geïnformeerd worden over de pilot kosteloze rechtsbijstand. In de visual wordt ook toegelicht dat ouders een eigen advocaat kunnen aandragen. Ook in de brief vanuit de rechtspraak, waarin de ouder wordt opgeroepen voor een zitting, wordt uitgelegd hoe de voorkeursadvocaat van de ouder zich kenbaar kan maken bij de rechtbank.
Hoe waarborgt u dat bij spoed (art. 800 Rv) de aanwijzing/toegang tot eigen advocaat niet illusoir wordt? Welke termijnvereisten en praktische voorzieningen (bijvoorbeeld de piketregeling jeugdrecht) gelden hiervoor?
Voor toewijzing van een advocaat bij een spoedmachtiging uithuisplaatsing geldt dezelfde werkwijze als bij een reguliere uithuisplaatsing. De ouder kan indien nodig bij de hem toegewezen advocaat aangeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft.
Deelt u de mening dat het een goed voorstel is om ouders eerst zelf de tijd te geven een voorkeursadvocaat te kiezen en als dat als er bijvoorbeeld 10 dagen voor de zitting nog geen advocaat is, de rechtbank alsnog een advocaat aanwijst?
Dit voorstel is nader verkend in overleg met de Rechtspraak en met vertegenwoordigers van de vFAS en de VNJA. Daarbij is geconcludeerd dat een werkwijze waarbij ouders, nadat zij door de Rechtspraak zijn opgeroepen voor een zitting, eerst zelf een voorkeursadvocaat kunnen doorgeven en de rechtbank pas kort voor de zitting een advocaat aanwijst als zich geen advocaat heeft gemeld, in de praktijk niet haalbaar is. De korte termijnen in deze procedures en het gegeven dat communicatie per post verloopt, maken dat onvoldoende kan worden gewaarborgd dat ouders tijdig van rechtsbijstand zijn voorzien, en voor zover dat wel het geval is, er niet voldoende voorbereidingstijd is tussen advocaat en ouders vanwege de korte termijnen.
Bent u bekend met het feit dat als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen, de aangewezen advocaat vaak al in bezit is van het dossier en vervolgens overnamepunten vraagt voor overname van het dossier? Wat is uw mening hierover en vindt u dit wenselijk? Deelt u de mening dat hierdoor de kosten onnodig verhoogd worden?
Voor dergelijke situaties hanteert de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: RvR) een specifiek beleid.
Ontvangt de RvR een overnameverzoek binnen twee kalenderweken na afgifte van de eerste last/aanwijzing van het gerecht, dan neemt de RvR aan dat de eerst toegewezen advocaat geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht. Dat houdt in dat de Raad de opvolgingstoeslag van 2 punten niet toekent. Blijkt dat de eerste advocaat wel inhoudelijk werkzaamheden heeft verricht, dan beoordeelt de RvR of de toeslag alsnog wordt toegekend.
Als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen dan is het aannemelijk dat de overname van de zaak vaak binnen 2 weken plaatsvindt.
De twee weken termijn is in algemene zin bij alle lasten een check op onnodig uitkeren van een opvolgingstoeslag. Tegen deze achtergrond deel ik niet de mening dat de kosten door het aanwijzen van een advocaat en een eventuele latere overstap onnodig worden verhoogd.
Bent u bekend met het feit dat de rechtbanken de dossiers al versturen aan de toegewezen advocaten nog voordat ouders akkoord gaan met de gekoppelde advocaat? Wat is hiervoor de juridische grondslag volgens u? En hoe verhoudt dit zich tot bijvoorbeeld met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Vindt u het überhaupt wenselijk dat rechtbanken dossiers vol vertrouwelijk informatie delen met een advocaat zonder dat ouders daar toestemming voor hebben verleend? En deelt u de mening dat als een dossier verzonden wordt aan een advocaat zonder toestemming van de ouders er sprake is van een datalek en dat hiervan melding gemaakt moet worden bij de AVG?
In de beantwoording op vraag 3 is het werkproces rondom het delen van dossiers toegelicht. Hieruit volgt dat de rechtbank pas het dossier deelt op het moment dat de ouder toestemming heeft gegeven aan de advocaat. Mij zijn signalen bekend dat in de praktijk in enkele gevallen al stukken worden verstrekt aan de advocaat voordat de ouder toestemming heeft gegeven. Dat is niet wenselijk. Ik zal hierover navraag doen bij de rechtspraak en hierover in gesprek gaan. Indien persoonsgegevens worden verwerkt, dient dit te gebeuren in overeenstemming met de AVG. Of in een concreet geval sprake is van een datalek in de zin van de AVG hangt af van de omstandigheden van het geval en kan niet in algemene zin worden vastgesteld.
Acht u het proportioneel en noodzakelijk om zonder uitdrukkelijke toestemming dossiers aan een niet-gekozen advocaat te verstrekken, gelet op het minimale-gegevens-principe en het vertrouwensbeginsel? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
In de werkprocesbeschrijving is opgenomen dat met de advocaat uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens, te weten contactgegevens, wordt gedeeld. Door uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens te delen wordt invulling gegeven aan het «minimale gegevens principe» en is sprake van een redelijke verhouding tussen het beoogde doel en het ingezette middel.
Mocht het onverhoopt toch gebeuren dat een dossier gedeeld wordt met de advocaat, zonder voorafgaande toestemming van de ouder, is de advocaat gebonden aan geheimhouding volgens de advocatenwet.
Herkent u de signalen dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) voor zitting met betrekking tot een verzoek voor een kinderbeschermingsmaatregel de dossiers of (delen van) informatie deelt met een gecertificeerde instelling (GI)? Past dit binnen de AVG/het wettelijk kader? Kunt u dit duiden met een verwijzing naar de juridische grondslagen?
Op dit moment buig ik me over het dilemma dat zich voordoet bij het delen van informatie tussen RvdK en GI voordat een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken. Het is in het belang van het kind en diens ouders dat een GI in staat wordt gesteld voortvarend uitvoering te kunnen geven aan een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is het belangrijk dat gegevens vroegtijdig worden gedeeld, zodat de GI zich kan voorbereiden en aan de termijnen die wettelijk zijn bepaald kan voldoen. Ook is de bescherming van persoonsgegevens van belang; dat wordt voldaan aan de privacywetgeving en dat informatiedeling plaatsvindt op basis van een juridische grondslag. Ik ben met betrokken partijen en deskundigen in beraad over passende oplossingen en de risico’s en impact daarvan. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang hiervan.
Hoe borgen u en de RvdK dat in verzoeken die met de GI gedeeld worden geen gevoelige persoonsgegevens bevatten (art. 9 AVG) en dat betreft niet alleen over NAW-gegevens en BSN-nummers, maar ook persoonskenmerken die toezien op gedragingen of informatie uit het verleden waarvan niet vaststaat of die relevant is om te delen? Hoe borgt u dat kwaliteitskaders en werkprocessen van RvdK conform de AVG zijn en niet feitelijk (prejudiciële) dossierdeling normaliseren? Wat vindt u van het feit dat de kwaliteitskaders van de RvdK al voorzien in het feit dat zij op voorhand al informatie naar de GI sturen, terwijl de GI nog geen belanghebbende is en dus geen recht heeft op de gegevens maar wel al die kennis heeft? En is het geen risico dat als er geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken er toch persoonlijke en vertrouwelijke informatie die onder de AVG valt al gedeeld is met andere procespartijen? Bent u van mening dat hier dan sprake is van een datalek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u bereid om – indien nodig – het kwaliteitskader van de RvdK te (laten) herzien wanneer bepalingen/werkpraktijken de AVG of het procesrecht doorkruisen? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?
Zie antwoord vraag 17.
Kunt u een landelijke uitvoeringsinstructie publiceren met heldere normen over vrije advocaatkeuze, toestemming voor dossierdeling en communicatie aan ouders – en toezien op naleving door rechtbanken en ketenpartners? Tegen welke datum?
Het werkproces is bij de beantwoording van deze Kamervragen als bijlage gevoegd.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met o.a. jeugdrechtadvocaten Mieke Krol en Richard Korver, die herhaaldelijk publiekelijk op knelpunten hebben gewezen (vrije keuze, dossierdeling, procedurele waarborgen)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Tweede Kamer informeren over de uitkomst van dat gesprek en welke procesaanpassingen u daaruit laat volgen?
Ja, op woensdag 26 november heeft mijn ministerie gesproken met mr. Krol en mr. Korver over de door hen gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de regeling kosteloze rechtsbijstand. Daarbij is onder meer gesproken over de vrije advocaatkeuze, de dossierdeling en verschillen in de uitvoering tussen rechtbanken. Ten aanzien van de vrije advocaatkeuze signaleren zij dat ouders zich niet altijd vrij voelen zelf een advocaat te kiezen wanneer de rechtbank een advocaat aanwijst. Het knelpunt bij dossierdeling is dat het dossier met de toegewezen advocaat wordt gedeeld voordat ouders toestemming hebben gegeven. De signalen uit dit gesprek worden betrokken bij het verbeteren en verduidelijken van de huidige werkwijze.
Indien blijkt dat dossiers onrechtmatig zijn gedeeld, bent u dan bereid ouders te informeren, incidenten te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en – waar passend – herstelmaatregelen (inclusief vernietiging/herstel van procespositie) te treffen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 15 ga ik in gesprek met de rechtspraak om na te gaan in hoeverre in de praktijk wordt afgeweken van de afgesproken werkwijze. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken zal worden beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Bent u bekend met het feit dat ook minderjarige kinderen vaak volledige procesdossiers ontvangen vanuit de rechtbank? Vindt u het wenselijk dat het kind het gehele procesdossier krijgt en zo bijvoorbeeld de gehele strijd tussen ouders kan lezen? En indien u van mening dat kinderen het volledige dossier moeten ontvangen, zou het dan niet wenselijker zijn dit in een meer kindvriendelijke vorm te doen?
Nee, dat is bij mij niet bekend. Volgens artikel 2.2 van het procesreglement civiel jeugdrecht ontvangen belanghebbenden per procedure twee kopieën van het verzoekschrift met bijlagen. Zijn belanghebbenden woonachtig op eenzelfde adres, dan kan worden volstaan met twee kopieën gezamenlijk. Een minderjarige van twaalf jaar of ouder ontvangt een eigen kopie van het verzoekschrift, maar zonder bijlagen. Hieruit volgt dat minderjarigen niet het volledige procesdossier ontvangen.