De berichten ‘Wonen boven winkels komt niet van de grond: gemeentelijke eisen vaak hindernis’ en ‘Parkeernormen houden ombouwen lege verdiepingen boven winkels naar woningen tegen’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Zou u willen reageren op de bevindingen in de artikelen «Gemeentelijke eisen vaak hindernis» en «Parkeernormen houden ombouwen lege verdiepingen boven winkels naar woningen tegen»?1, 2
Ja.
Hoe beziet u het feit dat midden in een wooncrisis circa 50.000 lege verdiepingen boven winkels in Nederland niet worden ingezet om het woningtekort terug te dringen?
Ik geef in samenhang antwoord op vragen 2 en 3. Ik vind het aanpakken van leegstand van belang om de woningnood in Nederland te verlichten. Het transformeren van lege verdiepingen boven winkels helpt daarbij, maar is vaak uitdagend. Dit komt doordat de aanpak dikwijls maatwerk vergt, arbeidsintensief is en vaak duur is. Het gaat dus niet vanzelf. Daarom zet ik mij op verschillende manieren in om lege verdiepingen boven winkels te transformeren naar woningen.
Medio 2024 is samen met marktpartijen, overheidsorganisaties, en kennis- en onderzoeksinstellingen een Versnellingsagenda opgesteld.3 In deze agenda staan verschillende initiatieven om transformaties aan te jagen. Zo heb ik in december 2024 de Transformatiefaciliteit verhoogd met € 70 miljoen naar € 150 miljoen. Dit instrument zorgt ervoor dat (kleine) ontwikkelaars een lening kunnen ontvangen waarmee ze de voorfase van hun transformatieprojecten kunnen financieren, zoals het transformeren van leegstaande verdiepingen boven winkels naar woningen.4 Daarnaast is onlangs de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen aangepast. Zo is het bedrag per woning van € 7.800 opgehoogd naar € 14.000 en hoeft het project niet binnen één jaar te zijn gerealiseerd maar moet de start van de werkzaamheden binnen 1,5 jaar beginnen.5
In juni 2023 is de City Deal «Dynamische Binnensteden – Regie op transformatie» van start gegaan met een looptijd van vier jaar.6 Daarin werk ik samen met tien steden, drie andere departementen (BZK, EZ en Jenv) en drie platformorganisaties aan een aantrekkelijke en toekomstbestendige binnenstad. Binnen één van de projecten onderzoek ik het vergroten van mogelijkheden voor de intensivering van winkelpanden, waaronder wonen boven winkels.
Daarnaast kan door gemeenten, provincies, woningbouwcorporaties en initiatiefnemers het Nationaal Transformatieloket worden geraadpleegd voor kennis en expertise over wonen boven winkels. Via dit loket kan het Expertteam Woningbouw worden ingeschakeld om ondersteuning bij concrete projecten te bieden.7
Hoe gaat u zich inspannen om zoveel mogelijk van deze verdiepingen boven winkels om te zetten naar woonruimte?
Zie antwoord vraag 2.
Zou u concreet willen aangeven welke acties, binnen welk tijdspad, u gaat ondernemen bovenop bestaand beleid en bestaande initiatieven?
Bovengenoemde initiatieven zijn deels nieuwe of recent opgestarte initiatieven en beleid. Geïnspireerd door het succes van de Impulsaanpak Winkelgebieden ben ik samen met het Ministerie van Economische Zaken, de Retailagenda en de City Deal Dynamische binnensteden op zoek naar manieren om gebiedstransformaties in centra van steden en dorpen te ondersteunen. Gemeenten staan voor de opgave de dorps- en stadscentra aan te passen naar dynamische, multifunctionele gebieden waar wonen, werken, recreatie, cultuur en maatschappelijke voorzieningen samenkomen. Dit is essentieel voor de leefbaarheid, veiligheid, en economische vitaliteit van deze gebieden. De Impulsaanpak heeft laten zien dat publiek-private samenwerking goed werkt om gebiedstransformaties te realiseren. Ook zijn dankzij de Impulsaanpak veel winkelpanden en ruimtes boven winkels naar woningen getransformeerd. Om dit kracht bij te zetten, werk ik met allerlei maatschappelijke partijen, van pensioenfondsen tot woningcorporaties en van gemeenten tot vastgoedpartijen, aan een Pact voor dorps- en stadscentra. Eind 2025 willen partijen concrete afspraken maken over de invulling van dit pact.
Wat zijn in uw ogen de oorzaken van het feit dat het aantal woningtransformaties ver achterblijft bij de ambitie van 15.000 woningen per jaar?
Ik heb als doel om jaarlijks 100.000 woningen te realiseren. Om dit te bereiken stimuleer ik zowel nieuwbouw als het beter benutten van bestaande bebouwing en bijbehorende omgeving. (Vastgoed)transformatie maakt hier een belangrijk onderdeel van uit en kent geen separate doelstelling. De afgelopen 10 jaar zijn er per jaar gemiddeld 10.000 woningen opgeleverd door vastgoedtransformatie. De woningbouw, en daarmee ook transformatie, heeft last gehad van ongunstige economische omstandigheden (stijgende rente en bouwkosten) in 2022 en 2023. Dit werkt met vertraging door. Ook is veel «laaghangend fruit» bij met name kantoren (qua aantallen het grootste aandeel in transformaties) al geplukt. Veel geschikte kantoorpanden zijn inmiddels al getransformeerd, waardoor het aandeel transformaties vanuit andere functies relatief toeneemt.
Zou u samen met gemeenten in kaart willen brengen hoeveel winkels en verdiepingen boven winkels in 2024 tot woningen zijn getransformeerd?
Het CBS brengt de transformatiecijfers in kaart op basis van gegevens over de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) en de BRP (Basisregistratie Personen). De cijfers van 2024 zijn nog niet definitief. In 2023 waren winkelpanden goed voor 25% van alle woningtransformaties, ofwel ruim 2.000 woningen. Ook zien we dat bij meer dan de helft (53%) van alle transformaties sprake is van deeltransformatie zoals bij verdiepingen boven winkels.8
Zou u samen met gemeenten in kaart willen brengen op welke wijze parkeernormen een drempel vormen voor de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen?
Parkeernormen kunnen een uitdaging voor gemeenten zijn bij de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen. Om gemeenten hierbij te ondersteunen zijn er recent twee handreikingen gepubliceerd. In de handreiking van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) is beschreven hoe parkeernormen invloed kunnen hebben op ruimte voor woningbouw en betaalbaarheid van woningbouwprojecten. Ook worden er oplossingen geboden om beter met parkeernormen om te gaan.9 Tevens hebben afgelopen mei de provincies Zuid-Holland en Utrecht, Aedes en Platform 31 in samenwerking met het Ministerie van VRO de handreiking «Parkeren bij Optoppen – en bij andere vormen van beter benutten bestaande voorraad» gepubliceerd.10
Voor beleggers is voorspelbaarheid en duidelijkheid voorafgaand aan een transformatieproject over regelgeving zoals parkeernormen van belang. Dit helpt hen bij het inschatten van risico’s en daarmee de haalbaarheid van een project.
Zou u de vorige vraag ook willen beantwoorden met het oog op de drempels die beleggers ervaren om hierin te investeren?
Ja.
Hoe gaat u gemeenten helpen om bestaande drempels voor de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen te overwinnen?
Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 2 en 3 heb aangegeven zet ik mij op verschillende manieren in om verdiepingen boven winkels naar woonruimte aan te jagen. Dit doe ik door de acties uit de Versnellingsagenda uit te voeren, onderzoek te doen binnen de City Deal Dynamische Binnensteden en de inzet van het Nationaal Transformatieloket.
Hoe gaat u bijdragen aan het versterken van expertise en capaciteit bij gemeenten op het gebied van de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen?
Gemeenten kunnen om expertise vragen bij het Nationaal Transformatieloket. Desgewenst kunnen zij het Expertteam Woningbouw om ondersteuning vragen, waardoor experts kunnen helpen bij een concreet project. Daarnaast verken ik momenteel of het Rotterdamse initiatief «Architect aan Zet» ook voor wonen boven winkels een uitkomst kan bieden. Bij dit initiatief worden afspraken gemaakt tussen architecten en gemeenten over aan welke voorwaarden bepaalde projecten moeten voldoen. Als een deelnemende architect de vergunningsaanvraag doet, dan zou de afhandeling daarvan sneller kunnen verlopen. De uitkomsten van de verkenning verwacht ik eind dit jaar.
Welke kansen ziet u om bij te dragen aan doorbraken op dit gebied, gezien het feit dat veel beleggers geen ervaring hebben met de transformatie van winkelverdiepingen naar woningen?
Binnen de City Deal Dynamische Binnensteden vergroten we het kennisniveau van beleggers en andere stakeholders die betrokken zijn bij transformatieprojecten, waaronder van winkelverdiepingen naar woningen.
Deelt u de opvatting dat gemeenten hierin vaak de eerste stap kunnen zetten, en dat zij daarvoor expertise en regie vanuit het Rijk goed kunnen gebruiken?
Ja, gemeenten kunnen een coördinerende rol oppakken om transformaties van lege verdiepingen naar woningen mogelijk te maken.
Herkent u dat gezamenlijke transformatieprojecten van verdiepingen boven winkels complex kunnen zijn doordat de panden vaak in bezit zijn van meerdere eigenaren?
Ja. Soms ontbreekt het bij eigenaren aan kennis, bereidwilligheid en/of financiële middelen om mee te doen aan transformatieprojecten.
Herkent u dat deze eigendomssituatie transformatie naar woonruimte in de praktijk regelmatig belemmert?
Ja.
Herkent u dat transformatieprojecten regelmatig vastlopen omdat één eigenaar moet toestaan dat in zijn pand een hoofdopgang of nooduitgang wordt gerealiseerd, wat ten koste kan gaan van gebruiksruimte of inkomsten?
Ja.
Klopt het dat zulke collectieve transformaties vaak alleen haalbaar zijn als de lasten van bijvoorbeeld gezamenlijke voorzieningen eerlijk verdeeld worden over alle betrokken eigenaren?
De haalbaarheid van individuele projecten verschilt per project omdat het om maatwerk gaat.
Herkent u dat projecten vaak stilvallen of niet van de grond komen omdat de drempels voor individuele eigenaren te hoog zijn om het initiatief te nemen of de regie te pakken? Ziet u hierbij een rol voor gemeenten om initiatiefnemers te ondersteunen, en een mogelijke rol voor het Rijk om gemeenten daarbij te helpen, bijvoorbeeld met expertise, ambtelijke capaciteit of financiële middelen?
Ja.
Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 2, 3 en 12 heb geformuleerd, kunnen gemeenten initiatiefnemers ondersteunen bij transformatieprojecten door bijvoorbeeld expertise aan te bieden en een coördinerende rol op zich te nemen. Het Rijk ondersteunt gemeenten door expertise en middelen aan te bieden.
Bent u bereid, in samenwerking met gemeenten en de VNG, in kaart te brengen hoeveel van dit soort projecten er zijn of geprobeerd zijn, en in hoeveel gevallen deze zijn vastgelopen of niet van de grond zijn gekomen?
Ik richt mij op het laten slagen van huidige en toekomstige projecten. Bij de versnellingstafels worden lessen gedeeld van zowel geslaagde als vastgelopen projecten. Voorbeelden van geslaagde projecten en de lessen die daaruit worden getrokken worden met gemeenten gedeeld.
Welke knelpunten ziet u bij deze projecten, en hoe gaat u gemeenten ondersteunen om deze drempels te helpen overwinnen?
De genoemde uitdagingen uit de artikelen van de Telegraaf en de ING zijn voor mij herkenbaar, zoals verdiepingen die niet geschikt zijn voor transformatie, verbouw dat pas mogelijk is als de winkel leeg is, hoge kosten, regelgeving, gebrek aan expertise, versnipperd eigendom en gebrek aan samenwerking. Daarnaast zie ik dat het transformeren van leegstaande verdiepingen boven winkels vaak arbeidsintensief en maatwerk is.
Hoe kan het Rijk gemeenten concreet ondersteunen bij dit soort transformatieprojecten, bijvoorbeeld via handreikingen, financiële instrumenten, voorbeeldprojecten of inzet van ruimtelijk ontwerpers?
Gemeenten kunnen gebruik maken van expertise van het Nationaal Transformatieloket en via dit loket kan het Expertteam Woningbouw worden ingeschakeld om ondersteuning bij concrete projecten te bieden. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik maken van financiële instrumenten, zoals de Realisatiestimulans en de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen.
Het bericht ‘Trump wil duizenden illegalen naar Guantánamo Bay sturen, ook Nederlanders’ |
|
Sarah Dobbe (SP), Derk Boswijk (CDA), Kati Piri (PvdA), Jan Paternotte (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trump wil duizenden illegalen naar Guantánamo Bay sturen, ook Nederlanders»?1
Ja, ik heb kennis genomen van de berichten hierover in de pers. Kort na het verschijnen van de berichten heeft de woordvoerder van het Witte Huis Leavitt op X gemeld dat het om «fake news» gaat.
Op basis van de laatste informatie lijkt het bericht dat de Trump administratie zich voorbereidt op de overplaatsing van buitenlanders die illegaal in de VS verblijven naar de Amerikaanse basis in Guantánamo Bay voorbarig.
Er zijn ook geen indicaties dat de Verenigde Staten voornemens is Nederlandse staatsburgers uit te zetten via Guantánamo Bay.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is om mensen, zonder enige vorm van proces, vast te zetten in het detentiecentrum in Guantánamo Bay?
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de Trump-regering geen contact met de Nederlandse overheid heeft opgenomen om u op de hoogte te stellen van de opsluiting van Nederlanders?
Ik verwijs voor de beantwoording van deze vragen naar het antwoord op vraag 1
Heeft u naar aanleiding van deze berichtgeving zelf al contact opgenomen met uw Amerikaanse collega om aan te geven dat van de opsluiting van Nederlanders op deze manier geen sprake kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Is bij de ambassade en consulaten in de Verenigde Staten (VS) bekend om welke personen het gaat? En wordt reeds bijstand aan deze Nederlanders verleend?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, samen met Europese collega’s, duidelijk te maken aan de VS dat het zonder proces vastzetten van EU-burgers in Guantánamo Bay consequenties met zich mee zal brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u, gezien de urgentie, deze vragen voor vrijdag 13 juni om 12.00 uur beantwoorden?
De beantwoording van deze vragen zal binnen de daarvoor geldende termijn plaatsvinden.
Aanbesteding Exportkredietverzekeringen (EKV) |
|
Robert Rep (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluitsel geven over de aanbesteding van de EKV’s?
Ja. Zoals medegedeeld aan uw Kamer in de brief van 20 februari van dit jaar wordt de ekv-dienstverlening aanbesteed. In de Kamerbrief bij de ekv monitor 2024 die recent naar uw Kamer is verstuurd is de stand van zaken geschetst van het aanbestedingsproces en is aangegeven onder welke uitgangspunten de ekv-dienstverlening in de markt wordt gezet.
Hebben zich naast Atradius DSB, Invest International en Invest-NL nog andere partijen aangemeld voor deze aanbesteding? Zo ja, welke?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief bij de ekv monitor 2024 die recentelijk met uw Kamer is gedeeld worden de aanbestedingsdocumenten deze zomer in detail verder uitgewerkt. Deze stukken worden vervolgens in september van dit jaar in een marktconsultatie voorgelegd aan potentiële inschrijvers. In de tussentijd worden potentieel geïnteresseerde marktpartijen actief benaderd om hun op de hoogte te stellen van de aankomende aanbesteding en hun interesse te polsen.
Het is vervolgens aan marktpartijen zelf om een keuze te maken of zij willen participeren in de marktconsultatie en het verdere aanbestedingstraject. Marktpartijen kunnen zich nu dus nog niet inschrijven voor de aanbesteding. Zoals ook is gedeeld in de recente Kamerbrief bij de ekv monitor 2024 is het streven om de aanbestedingsstukken eind 2025 te publiceren en daarna een zogenoemde mededingingsprocedure met onderhandeling te doorlopen, waarmee gestreefd wordt om in de zomer van 2026 de ekv-uitvoering te gunnen.
Welke stakeholders worden betrokken bij de voorbereiding van deze aanbesteding?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief bij de ekv monitor 2024 die recentelijk met uw Kamer is gedeeld zijn en worden stakeholders (bijvoorbeeld ekv-gebruikers) actief betrokken bij de voorbereiding van de aanbesteding van de ekv-dienstverlening.
Zo is er de afgelopen tijd gesproken met het bedrijfsleven, financiers en maatschappelijke organisaties over de ekv-aanbesteding. Deze gesprekken hebben waardevolle inzichten opgeleverd, onder meer ten aanzien van de wensen en kansen tot de verbetering van de huidige ekv-dienstverlening. Ekv-gebruikers en andere stakeholders worden daarnaast actief betrokken in de zogenoemde stakeholderconsultatie in september van dit jaar, waarin de concept aanbestedingsstukken ter consultatie worden voorgelegd aan deze stakeholders.
Welke onderwerpen worden meegenomen in de aanbestedingsvoorbereiding?
De ekv-dienstverlening en de BZ-regelingen die thans door Atradius Dutch State Business (ADSB) worden uitgevoerd worden aanbesteed. Daarbij is een belangrijk aandachtspunt dat een toekomstige ekv-uitvoerder zich flexibel en innovatief opstelt om zo tijdig en goed te kunnen inspringen op veranderende markt- en (geo)politieke omstandigheden. Het onderliggende beleid op het gebied van bijvoorbeeld dierenwelzijnsbeleid, compliance en MVO wordt niet aangepast: de toekomstige ekv-uitvoerder dient zich daaraan te committeren. De precieze scope van de aanbesteding wordt in de zomer verder uitgewerkt in de aanbestedingsstukken. In de Kamerbrief bij de ekv monitor 2024 die recentelijk met uw Kamer is gedeeld is aangegeven onder welke uitgangspunten de aanbesteding ter consultatie wordt aangeboden aan de markt in september van dit jaar.
Wanneer wordt de Kamer over het verloop van aanbesteding geïnformeerd?
Zoals aangegeven in de recente Kamerbrief bij de ekv monitor 2024 wordt uw Kamer in dit najaar nader geïnformeerd over de stand van zaken van de aanbesteding. Wij streven ernaar om de marktconsultatie in september van dit jaar te houden en de aanbestedingsstukken eind 2025 te publiceren. De Kamer zal na afronding van de marktconsultatie en voor de publicatie van de finale aanbestedingsdocumenten opnieuw geïnformeerd worden over de stand van zaken.
Welke invloed heeft deze ontwikkeling op bedrijven die gebruikmaken van een EKV?
Het bedrijfsleven dat geregeld gebruik maakt van de ekv onderstreept het belang van het oplossen van de onrechtmatigheid in de huidige ekv-dienstverlening en de keuze om dat via een aanbesteding te doen.
Zoals aangegeven in de recente Kamerbrief bij de ekv monitor 2024 mag de ekv-aanbesteding niet ten koste gaan van de continuïteit van de ekv-dienstverlening. Een eventuele transitie van de huidige ekv-uitvoerder naar een nieuwe ekv-uitvoerder moet daarom tijdig en zorgvuldig worden voorbereid. De continuïteit van de huidige dienstverlening door ADSB is daarnaast geborgd: afgegeven polissen zijn en blijven juridisch bindend, ook indien de ekv-dienstverlening eventueel overgaat naar een nieuwe uitvoerder.
De Staat ziet met deze aanbesteding ook kansen om daar waar nodig de ekv-dienstverlening voor ekv-gebruikers te verbeteren. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 worden ekv-gebruikers en andere stakeholders daarom actief betrokken bij de aanbesteding, zo worden hun inzichten betrokken bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten.
Wat zijn de mogelijke langetermijngevolgen van de aanbesteding voor de uitvoeringspraktijk?
De onrechtmatigheid in de huidige dienstverlening met ADSB wordt door de aanbesteding opgelost, waardoor er rust en continuïteit wordt gecreëerd in de ekv-dienstverlening.
De inzet is om de ekv-dienstverlening voor een initiële termijn van 7 jaar aan te besteden. Bij goed functioneren kan de Staat de contracttermijn (meermaals) verlengen. Deze maximale looptijd wordt nog nader uitgewerkt, maar het idee is om met deze verlengingen een langere contracthorizon te creëren voor de ekv-uitvoering. Deze combinatie tussen een initiële termijn van 7 jaar en verlengingsmogelijkheden wordt in september van dit jaar getoetst op haalbaarheid in een marktconsultatie.
De evaluatie van de gebruikelijkloonregeling voor directeuren-grootaandeelhouders (dga's) |
|
Bram Kouwenhoven (NSC) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van SEO Economisch Onderzoek «Draagt de dga zijn steentje bij?»1, waarin de werking van de gebruikelijkloonregeling voor dga's wordt geëvalueerd?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de belastbare loonsom van dga's in 2023 21,3 miljard euro bedroeg, terwijl op basis van het gedrag van andere belastingplichtigen 26,2 miljard euro verwacht mocht worden (p. 53)? Welke belastinginkomsten dreigt de Belastingdienst op deze manier mis te lopen?
De gebruikelijkloonregeling is destijds ingevoerd om te voorkomen dat dga’s geen loon ontvangen van de vennootschap waarvoor zij werken en waarin zij een aanmerkelijk belang bezitten. Dit loon dient een nauwkeurige benadering te zijn van het loon dat past bij de werkzaamheden van de dga. In het onderzoek is de gebruikelijkloonregeling geëvalueerd op doeltreffendheid en doelmatigheid. Geconcludeerd is dat de gebruikelijkloonregeling doelmatig is omdat er geen beleidsalternatieven zijn gevonden die potentieel doelmatiger zijn dan de huidige gebruikelijkloonregeling. Dat is een belangrijke constatering. Daarnaast is geconcludeerd dat de regeling deels doeltreffend is. SEO heeft de mate van doeltreffendheid daarbij getracht te kwantificeren. Daarbij gaat het niet zozeer om absolute bedragen, maar meer om percentages. Daarvoor is eerst een theoretisch maximale loonsom berekend: dat is in het geval dat het gebruikelijk loon van dga’s in alle gevallen aan de wettelijke eisen voldoet. Dit theoretisch bepaalde gebruikelijk loon is basis van een loonvergelijking berekend op basis van de lonen van de meest verdienende werknemers van alle Nederlandse bedrijven in 2023. Op deze manier is het loon van een dga overeenkomstig met de «meest vergelijkbare dienstbetrekking» bepaald. Dit theoretisch berekende gebruikelijk loon (opgeteld € 26,2 miljard) is vergeleken met het werkelijk gebruikelijk loon van dga’s in 2023 werkzaam in een vennootschap met minstens drie medewerkers. Het blijkt dan dat in werkelijkheid naar schatting 80% van de theoretisch bepaalde maximale loonsom gerealiseerd wordt (dus 80% van de € 26,2 miljard). De onderzoekers van SEO onderstrepen dat een situatie waarin alle gebruikers een regeling volledig naleven in de praktijk nooit voorkomt. Ergo, 100% doeltreffendheid van de gebruikelijkloonregeling – en dus een loonsom van € 26,2 miljard met betrekking tot dga’s in 2023 – is niet realistisch. Tevens geeft SEO aan – op basis van deze berekening en de gesprekken die zij met de Belastingdienst en belastingadviseurs hebben gevoerd – dat er ruimte is voor verbetering van de doeltreffendheid van de gebruikelijkloonregeling en geeft daarvoor verschillende beleidsopties. Tegelijkertijd werpen de onderzoekers de vraag op in hoeverre de voorgestelde aanpassingen de doeltreffendheid en doelmatigheid in de praktijk kunnen verhogen, omdat zoals hierboven al gesteld, een regeling nooit volledig doeltreffend zal zijn. Daarnaast zijn met de extra inspanningen ook kosten gemoeid, die mogelijk niet opwegen tegen de potentiële baten. Het is dus de vraag of hier belastinginkomsten worden misgelopen.
Wanneer ontvangt de Kamer de kabinetsreactie op dit rapport?
Naar aanleiding van de evaluatie is een vervolgonderzoek gestart. Ik ben voornemens de resultaten van dit onderzoek op Prinsjesdag met uw Kamer te delen. Gezien de demissionaire status van het kabinet zal het kabinet hier geen conclusies aan verbinden en kan het onderzoek worden beschouwd als grondige voorbereiding op een kabinetsreactie.
Hoe beoordeelt u de constatering dat het gebruikelijk loon vaak wordt vastgesteld op de ondergrens (p. 23)?
Uit de evaluatie blijkt inderdaad dat een aanzienlijk deel (ongeveer 40%) van de dga’s onder de ondergrens van het wettelijk normbedrag zit. Dat komt in de eerste plaats door het feit dat van de dga’s met een loon onder de ondergrens bijna 90% een startende onderneming (in de afgelopen drie jaar gestart) heeft en tegelijkertijd 75% in deeltijd werkt (<36 uur). Daarmee is niet gezegd dat een dga zonder meer een loon onder de (ondergrens van) het wettelijk normbedrag in aanmerking mag nemen in geval sprake is van deeltijdwerk of van een startende onderneming. De dga moet voor de Belastingdienst kunnen aantonen dat het in aanmerking genomen loon past bij de situatie van de dga. Een startende onderneming of deeltijdwerk kan echter wel aanleiding geven voor het in aanmerking nemen van een lager loon dan (de ondergrens van) het wettelijke normbedrag. Het omvangrijke aandeel deeltijders valt deels te verklaren omdat zij ook elders werkzaamheden kunnen verrichten. Bij dga’s waarvoor dit niet geldt – zo wordt in het evaluatierapport gesteld – is er waarschijnlijk sprake van strategisch gedrag, van de wens om discussie met de Belastingdienst te voorkomen of van onwetendheid over de werking van de regeling. Ook duiden in de evaluatie de waargenomen pieken in de loonverdeling rond de wettelijke norm op strategisch gedrag. Deze bevindingen vragen in mijn ogen om nader onderzoek en komen dan ook aan de orde in het vervolgonderzoek.
Hoe beoordeelt u de constatering dat circa 40 procent van de dga's een loon rapporteert dat onder de ondergrens ligt (p. 23)?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de constatering op pagina 33 dat dga’s met een loon onder de ondergrens weliswaar vaker in deeltijd werken of starter zijn, maar dat het loonmodel deze factoren reeds meeneemt, zodat deze verschillen geen verklaring vormen voor het relatief lage loon dat dga’s tot een gebruikelijk niveau van 70.000 euro gemiddeld vaststellen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de constatering in het rapport dat het beoordelen van het gebruikelijk loon, in vergelijking met andere waarderingen, arbeidsintensief is (p. 64)? Zijn er methoden om dit minder arbeidsintensief te maken?
Het beoordelen dan wel het inschatten van het gebruikelijke loon is per definitie lastiger dan het bepalen van de waarde van een eigen woning of ander onroerend goed. De waarde van een woning, garage of andere onroerende zaak wordt jaarlijks vastgesteld via een WOZ-beschikking van de gemeente en geregistreerd. Tegelijkertijd wordt in de evaluatie geconcludeerd dat er geen regelingen zijn die doelmatiger zijn dan de gebruikelijkloonregeling om het beleidsdoel te bereiken. Het is daarmee een gegeven dat het gebruikelijk loon arbeidsintensiever is dan andere waarderingen die als grondslag voor de belastingheffing worden gebruikt. Wel wordt in de evaluatie geconstateerd dat de regeling doeltreffender kan. Daarmee wordt gedoeld op de waargenomen pieken in de loonverdeling rond de wettelijke norm en het aantal dga’s dat een (deeltijd)loon opgeeft dat onder (de ondergrens van) het wettelijk normbedrag zit, dat niet kan worden verklaard uit het feit dat het om starters gaat of dat deze dga’s elders ook werkzaamheden verrichten. Dit kan duiden op strategisch gedrag, zie het antwoord op vragen 5 tot en met 6 en 9 hiervóór. Daarmee is er dus nog ruimte voor verbetering in het bereiken van het beleidsdoel. Een van de vragen die dan opkomt, is of het mogelijk is om een betere waarderingsmethode voor het gebruikelijk loon te ontwikkelen.Dit komt op de pagina’s 63 en 64 van het rapport aan bod. In het rapport worden uiteindelijk drie beleidsopties benoemd ter verbetering van de doeltreffendheid. Een van die beleidsopties is het ontwikkelen van een waarderingsmethode voor het gebruikelijk loon om belastingplichtigen en de Belastingdienst te helpen aan een nauwkeurige invulling van dat gebruikelijk loon. Een andere beleidsoptie die wordt besproken in de evaluatie ziet op een uitbreiding dan wel verbetering van de handhaving door de Belastingdienst. Dit in antwoord op de vraag hoe ik de constatering in het rapport beoordeel dat de handhaving op het gebruikelijk loon door de Belastingdienst niet als strikt wordt ervaren. Een derde beleidsoptie die wordt benoemd, is een gerichte verhoging van het normbedrag (€ 56.000 in 2025) op basis van de loonsom.
Ten slotte wordt in het rapport ook de vraag opgeworpen in hoeverre de voorgestelde aanpassingen de doeltreffendheid en doelmatigheid in de praktijk verhogen. Een regeling zal nooit volledig doeltreffend zijn. Anders gezegd, een doeltreffendheid van honderd procent is in de praktijk niet haalbaar. Daarnaast zijn met de extra inspanningen ook kosten gemoeid die mogelijk niet opwegen tegen de potentiële baten. De haalbaarheid van de hierboven genoemde drie beleidsopties vormen de kern van het vervolgonderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek vormen daarmee een grondige voorbereiding voor een toekomstige kabinetsreactie.
Hoe beoordeelt u de constatering dat de handhaving op het gebruikelijk loon door de Belastingdienst niet als strikt wordt ervaren. Waardoor ruimte ontstaat voor strategisch gedrag (p. 6)?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is uw reactie op de constatering dat de pieken in de loonverdeling wijzen op strategisch gedrag (p. 23)?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid het aantal vooroverleggen over de gebruikelijkloonregeling, zoals genoemd op p. 47, in kaart te brengen en met de Kamer te delen?
Als de wet- en regelgeving in een specifiek geval niet duidelijk is, biedt de Belastingdienst de mogelijkheid tot vooroverleg. Vooroverleg is in beginsel niet verplicht, ook niet als een gebruikelijk loon onder de ondergrens wordt aangegeven. Dit is anders in een situatie waarop Horizontaal Toezicht Fiscaal Dienstverleners van toepassing is. In die situatie wordt vooroverleg gevoerd als de fiscale kwalificatie van feiten of de interpretatie of toepassing van het (belasting)recht aangaande die feiten niet (geheel) duidelijk is. Onderstaand zijn de aantallen afgehandelde verzoeken vooroverleg overleg over de gebruikelijkloonregeling van de afgelopen jaren opgenomen:
2025: januari tot en met juni: 1525
2024: 2841
2023: 2998
2022: 2700
Welke concrete beleidsopties ziet u binnen het huidige wettelijke kader om de naleving van de gebruikelijkloonregeling beter te garanderen, zoals gerichte steekproefsgewijze controle, automatische signalering bij afwijkend loon of herijking van de criteria voor onderbouwing van uitzonderingen? Hoeveel zouden deze maatregelen volgens u bijdragen aan de belastinginkomsten?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u aanleiding om de gebruikelijkloonregeling te herzien, bijvoorbeeld door deze minder gevoelig te maken voor strategisch gedrag en beter aan te laten sluiten bij de economische realiteit van kleine en middelgrote ondernemingen?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Medische misstanden in Nederlandse gevangenissen. Ik kwam lopend binnen, en verliet de gevangenis in een rolstoel’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Joost Sneller (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Medische misstanden in Nederlandse gevangenissen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van soortgelijke casussen waarbij aan gedetineerden niet of niet tijdig medische zorg is verleend? Kunt u aangeven om hoeveel gevallen het gaat?
Ja.
Gedetineerden worden aan de zorg van de Staat (DJI) toevertrouwd en zij moeten er daarom vanuit kunnen gaan dat zij zich in een sociaal veilige omgeving bevinden en ook de (medische) zorg krijgen die zij nodig hebben. Ik neem alle signalen, zoals beschreven in het Misstandenboek, zeer serieus.
Zorgverlening blijft echter zowel binnen als buiten DJI mensenwerk, waarbij fouten gemaakt kunnen worden met soms zeer ingrijpende gevolgen. Uitgangspunten voor DJI zijn transparantie over eventuele fouten, het leren van fouten en het voor de toekomst zoveel als mogelijk voorkomen ervan. DJI maakt hierbij gebruik van instrumenten zoals die ook in de reguliere zorg worden gehanteerd. Voor een uitgebreide reactie op het misstandenboek verwijs ik naar de zevende voortgangsbrief ontwikkelingen gevangeniswezen2.
Ten aanzien van de vraag om hoeveel gevallen het gaat; dit aantal is mij niet bekend. Er vindt calamiteitenonderzoek plaats wanneer er sprake is van een calamiteit in de zorgverlening. In deze analyses wordt geen differentiatie gemaakt op het niet (tijdig) verlenen van medische zorg. DJI ontvangt analyses van de calamiteitenonderzoeken, die worden gebruikt om te leren en zo nodig verbeteringen door te voeren om toekomstige incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. Tevens worden deze onderzoeken met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gedeeld.
Zoals ook aangekondigd in de hierboven genoemde brief heeft DJI het Misstandenboek aangeboden aan de IGJ. De IGJ is verantwoordelijk voor het toezicht op de medische zorg bij DJI.
Herkent u het beeld dat medische zorg in detentie wordt uitgesteld omdat de staat de verantwoordelijkheid overneemt van de zorgverzekeraar en daardoor «alles wat uitgesteld kan worden, uitgesteld wordt»? Zo ja, hoe wordt bepaald welke zorg «uitstelbaar» is?
Nee, dat beeld herken ik niet. Zorgprofessionals werken bij DJI volgens de beroepsnormen en kaders zoals die ook voor de medische zorg in de maatschappij gelden. Er is geen beleid dat DJI-artsen andere beroepsinhoudelijke medische afwegingen zouden moeten maken dan andere artsen.
In het Vademecum, dat elk jaar wordt opgesteld aan de hand van het basis zorgverzekeringspakket in de vrije maatschappij, beschrijft DJI welke (para) medische en mondzorg verstrekkingen geboden worden. Hierin staat dat de zorgprofessional een rol speelt in de kostenbeheersing van de gezondheidszorg binnen DJI. Dit kan de indruk geven dat zorgprofessionals het kostenaspect zwaarder mee laten wegen in hun oordeel om zorg te bieden dan dat zij buiten DJI zouden doen. Dat is echter niet het geval.
Net zoals in de vrije maatschappij is er een veelheid aan factoren die meespelen in de overweging van zorgprofessionals. De kosten- en doelmatigheidsaspecten van zorg zullen in het Vademecum worden verduidelijkt, volgens de lijn «deze overwegingen zijn hetzelfde als in de vrije maatschappij».
Hoe kan het dat gedetineerden soms meerdere dagen zonder noodzakelijke medicatie zitten of verkeerde medicijnen krijgen toegediend?
Vooropgesteld, ik betreur het ten zeerste indien dit zich voordoet. Gedetineerden moeten er vanuit kunnen gaan dat zij de medische zorg krijgen die zij nodig hebben.
Er is binnen elke penitentiaire inrichting een medische dienst, bestaande uit in ieder geval psychiaters, psychologen, artsen en justitieel verpleegkundigen. De apotheek zorgt ervoor dat de juiste medicatie en dosis in afgesloten medicijnzakjes per persoon worden geleverd. Verpleegkundigen zorgen ervoor dat de medicatie op de juiste afdelingen terecht komt. De PIW’ers reiken de voorverpakte medicatie uit. Zij hebben hiervoor een e-learning medicatietoediening gedaan. Hiermee zijn zij bekwaam om medicatie te verstrekken. Het verstrekken van medicatie is geen voorbehouden handeling die alleen door zorgprofessionals mag worden gedaan.
De medische diensten van de inrichtingen hebben daarnaast altijd toegang tot medicatie door middel van een noodvoorraad in de inrichting, de reguliere apotheek (kantoortijden) en dienstapotheek (buiten kantoortijden). Zo nodig kan met een spoedrit noodzakelijke medicatie snel vanuit de apotheek in de inrichting komen, ook in de avond en nacht.
Waarom worden gedetineerden die om medische hulp vragen niet direct in contact gebracht met een arts of verpleegkundige?
Gedetineerden hebben dagelijks toegang tot medische zorg. Gedetineerden kunnen hun zorgvragen indienen via zogenoemde sprekersbriefjes. Justitieel verpleegkundigen beoordelen de urgentie van een hulpvraag om te bepalen hoe snel en door wie iemand behandeld moet worden, zoals dit in een huisartsenpraktijk ook gebeurt. Zij plaatsen gedetineerden op het spreekuur van de zorgprofessional die het best passend is bij de zorgvraag. Dit kan de verpleegkundige zelf zijn, de huisarts of bijvoorbeeld de tandarts. Spoed- of acute zorg wordt direct verleend.
Tijdens kantooruren is de medische dienst altijd aanwezig in de PI. In de avond-, nacht-, en weekenduren is altijd een huisarts telefonisch bereikbaar die binnen 1 uur op locatie kan zijn. In deze avond-, nacht- en weekenduren dient de PIW’er/complexbeveiliger altijd de arts te bellen bij zorgvragen van gedetineerden. Indien er bijzonderheden zijn, geeft de medische dienst een nachtoverdracht mee aan de PIW’ers/complexbeveiliger.
Kunt u reflecteren op de poortwachtersfunctie van penitentiaire inrichtingswerkers (PIW), die zonder medische opleiding medicijnen verstrekken of beoordelen of een arts nodig is?
Een PIW’er of complexbeveiliger beoordeelt niet of een gedetineerde een arts nodig heeft. PIW’ers/complexbeveiligers dienen tijdens avond, nacht en weekenduren in het geval van een zorgvraag altijd de dienstdoende arts te raadplegen. Indien er bijzonderheden zijn, geeft de medische dienst een nachtoverdracht mee aan de PIW’ers/complexbeveiliger. Uit cijfers blijkt dat de arts tijdens de avond, nacht en weekenduren veelvuldig consulten op locatie houdt (enkele honderden keren per jaar per vrouweninrichting).
De PIW’ers reiken de voorverpakte medicatie uit en zien toe op inname. Zij hebben hiervoor de bovengenoemde verplichte e-learning «veilig omgaan met medicatie» gevolgd. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Hebben alle PIW'ers een cursus gehad om adequaat op te treden bij medische vragen? Hoeveel van de nieuwe medewerkers die het afgelopen jaar zijn aangenomen zijn hierop getraind?
PIW’ers en complexbeveiligers bellen bij medische vragen altijd de arts of schakelen met de medische dienst, zie ook het antwoord op vraag 6. Dit protocol is onderdeel van de basisopleiding. Executief personeel is opgeleid en bevoegd om levensreddende handelingen te verrichten in kader van Bedrijfshulpverlening (BHV).
Zijn er medewerkers die zonder het volgen van een cursus wél medicijnen verstrekken aan gedetineerden? Zo ja, hoe vaak komt dit voor?
Het volgen van een cursus voor medicijnverstrekking is verplicht. Tot het afronden van de e-learning is het voor een PIW’er niet toegestaan om medicatie uit te delen.
Acht u het wenselijk dat in de avonduren en weekenden geen medisch personeel aanwezig is en PIW's verantwoordelijk zijn voor medische zorg?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 is er in de avond-, nacht-, en weekenduren altijd een huisarts telefonisch bereikbaar die binnen 1 uur op locatie kan zijn. De PIW’er en complexbeveiliger belt altijd de arts bij zorgvragen van gedetineerden.
Herkent u het beeld dat klachten van vrouwelijke gedetineerden niet altijd serieus worden genomen? Wat wordt er gedaan om dit te verbeteren?
Dit beeld herken ik in zijn algemeenheid niet. Dat wil niet zeggen dat er geen verkeerde inschatting van klachten kan plaatsvinden door de zorgprofessional.
Een aantal zaken rondom de medische zorg kan zeker verbeterd worden, zoals opgenomen in de reactie op het Misstandenboek van Bureau Clara Wichmann in de zevende voortgangsbrief ontwikkelingen gevangeniswezen.3
Ik vind het zeer belangrijk dat klachten serieus worden genomen, van alle gedetineerden. De afgelopen periode is er meer aandacht geweest voor de positie van (jong)volwassen vrouwen in detentie. Zowel bij de herijking van de visie op het gevangeniswezen als bij de ontwikkeling van nieuwe behandel- en detentieconcepten door DJI zal de (vormgeving van) detentie van (jong)volwassen vrouwen een specifiek focuspunt zijn.
DJI zal zich met interne en externe partners herbezinnen over (jong)volwassen vrouwen in geslotenheid. Mede naar aanleiding van de verschillende rapporten die zijn verschenen op dit onderwerp, zoals het rapport van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) «ingesloten vrouwen in beeld» en het Misstandenboek van Bureau Clara Wichmann. Zoals hiervoor aangegeven, stuurt DJI het misstandenboek toe aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Gedetineerden kunnen zorgvragen indienen bij de medische dienst. Wanneer een gedetineerde een klacht heeft over het medisch handelen van een zorgverlener, dan volgt eerst een bemiddelingsgesprek met het hoofd zorg of een andere functionaris. Als dit gesprek niet tot een acceptabele uitkomst leidt, dan stuurt het hoofd zorg de klacht door naar de medisch adviseur (of tandheelkundig adviseur indien van toepassing). Als de gedetineerde het niet eens is met de uitspraak van de medisch of tandheelkundig adviseur, dan kan hij/zij in beroep gaan bij de RSJ. Een gedetineerde mag ook afzien van het bemiddelingsgesprek, dan wordt de klacht direct doorgeleid.
Als een gedetineerde een klacht heeft die gaat over de organisatie van zorg of toegang tot zorg, dan kan deze ingediend worden bij de Commissie van Toezicht. Ook hierbij geldt dat wanneer de gedetineerde het niet eens is met de uitspraak van de Commissie van Toezicht, hij/zij in beroep kan gaan bij de RSJ.
In hoeverre kunnen vrouwelijke gedetineerden op dit moment met medische klachten bij vrouwelijke PIW’ers terecht? Kunnen zij vragen naar een vrouwelijke medewerker als zij dat wensen?
Medische zorgvragen worden door PIW’ers direct bij medische dienst neergelegd.
Een diverse teamsamenstelling is een prioriteit voor DJI. Ook in vrouwengevangenissen streeft DJI naar een goede balans tussen mannelijk en vrouwelijk personeel. Hier wordt bij werving en selectie en samenstelling van de teams op gestuurd. Daarmee kan echter niet gegarandeerd worden dat er altijd een vrouwelijke PIW’er op de afdeling is.
Wanneer wordt beoordeeld of iemand detentieongeschikt is wegens medische klachten? Waarom gebeurt dit niet voorafgaand aan de detentie?
Indien specialistische zorg noodzakelijk wordt geacht verwijzen de huisarts, verpleegkundig specialist of tandarts van DJI naar de specialist. Als het vermoeden bestaat dat de benodigde zorg niet in of vanuit detentie kan worden gerealiseerd, kan de casemanager op verzoek van de medische dienst, de gedetineerde zijn/ haar advocaat of de medische dienst een detentiegeschiktheidsonderzoek of een strafonderbreking aanvragen.
Detentiegeschiktheidsonderzoeken kunnen ook voorafgaand aan detentie worden aangevraagd. Wanneer iemand nog niet gedetineerd is, kan deze persoon zelf een detentiegeschiktheidsonderzoek aanvragen.
Kunt u reflecteren op de druk op de bezetting in het gevangeniswezen en de verhoogde kans op fouten op onder andere medisch gebied? Is er een relatie tussen gevangenissen waar «code zwart» geldt en het aantal fouten dat wordt gemaakt?
Er is geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een verhoogde kans op fouten op medisch gebied als gevolg van de druk op de bezetting in het gevangeniswezen. Tijdens kantooruren is de medische dienst altijd aanwezig in de PI. In de avond-, nacht-, en weekenduren is altijd een huisarts telefonisch bereikbaar die binnen 1 uur op locatie kan zijn. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u in dit kader ook reageren op het eerdere standpunt van de directeur van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) dat «vrouwengevangenissen een tekortschietende kopie zijn van mannengevangenissen» en er meer rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van vrouwen in detentie?2
Verschillende rapporten, zoals van de universiteit Leiden5 en de RSJ6, laten zien dat detentie voor vrouwen te zeer een afgeleide is van detentie voor mannen en daarmee onvoldoende recht doet aan de specifieke kenmerken van vrouwelijke gedetineerden. Een meer fundamentele herbezinning is dus wenselijk. DJI is daarom een traject gestart om tot een herontwerp van detentie van (jong)volwassen vrouwen te komen. Zowel bij de herijking van de visie op het gevangeniswezen als bij de ontwikkeling van nieuwe behandel- en detentieconcepten door DJI zal de (vormgeving van) detentie van (jong)volwassen vrouwen een specifiek focuspunt zijn.
Het bericht ‘Zedendelinquenten werkten mogelijk in kinderopvang en taxibranche door blunder justitie’ |
|
Peter Smitskam (PVV) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Waarom is in vijf van de zes gevallen van een verdenking van een zedendelict geen vervolging ingesteld? Betrof dit een gebrek aan bewijs, een sepotbeslissing op andere gronden of is sprake geweest van een andere afweging?1
In lijn met het opportuniteitsbeginsel beslist het Openbaar Ministerie (OM) te allen tijde zelf of wordt overgegaan tot de vervolging van een strafbaar feit. Het is dan ook niet aan mij om in te gaan op de afwegingen die het OM in individuele gevallen maakt en de uitkomsten van deze afwegingen. In het algemeen kan het OM afzien van vervolging indien op grond van het onderzoek geconcludeerd moet worden dat niet vervolgd kan worden omdat een veroordeling niet haalbaar is (technisch sepot) of indien een vervolging (technisch) mogelijk is, maar op gronden aan het algemeen belang ontleend onwenselijk is (beleidssepot). In de vijf gevallen waarbij er sprake was van een verdenking van een zedendelict en geen vervolging is ingesteld, ging het om technisch sepots.
Zijn ouders van kinderen die in opvang zaten op een locatie waar een medewerker verdacht is (geweest) van een zedenmisdrijf geïnformeerd over deze verdenking, zodat zij het gedrag van hun kinderen actief konden monitoren op mogelijke aanwijzingen van slachtofferschap? Zo nee, waarom niet?
Zoals in mijn Kamerbrief van 6 juni jl. is toegelicht, heeft de Justitiële Informatiedienst (Justid) in de periode 2018–2025 drie signalen over personen die werkzaam zijn in de kinderopvang gerelateerd aan zedenzaken niet doorgezet naar Justis. Justis heeft onderzocht of deze personen op basis van het signaal een risico vormden voor de uitoefening van hun functie en heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is. Justis heeft daarom geen kennisgeving verstuurd aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).2 Dit betekent dat andere partijen niet zijn geïnformeerd over de betreffende personen.
Kunt u concreet aangeven welke soorten overtredingen en misdrijven leiden tot het weigeren of intrekken van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) in de context van de kinderopvang?
In de kinderopvang wordt gewerkt met een kwetsbare groep die zo goed mogelijk beschermd moet worden. De personen die werkzaam zijn in de kinderopvang zijn belast met de zorg en het welzijn van kinderen. Ook hebben zij een voorbeeldfunctie en kunnen zij invloed uitoefenen op de aan hen toevertrouwden door middel van hun gedragingen.
Justis beoordeelt het risico voor de samenleving van het strafrechtelijk verleden in verband met het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd. Daarbij betrekt Justis ook de omstandigheden van het geval, waaronder het tijdsverloop na het delict, de afdoening van het delict en het belang van de aanvrager. Dat maakt elke beoordeling van een VOG-aanvraag maatwerk. Een seksueel misdrijf leidt in beginsel tot het weigeren van de afgifte van een VOG voor het werken met kinderen. Er geldt hiervoor een verscherpt toetsingskader. De VOG kan in deze gevallen enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Ook gewelds- en vermogensdelicten en overtredingen van de Opiumwet of machtsmisbruik, zoals afpersing en chantage, kunnen een gevaar vormen voor de veiligheid in de kinderopvang. Daarom weegt Justis deze feiten zwaar mee in de beoordeling.
In het ene geval waarin een vervolging voor een zedenmisdrijf in de taxibranche heeft plaatsgevonden: is dit zedendelict gepleegd tijdens de werkzaamheden in de taxibranche, jegens een klant of in een andere context?
Vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene kan ik niet ingaan op individuele casuïstiek. In het algemeen kan ik aangeven dat in de VOG-beoordeling wordt onderzocht in welke context het delict gepleegd is en dat er in de beoordeling zwaar gewicht wordt toegekend aan delicten gepleegd in de functie en/of context waarvoor een VOG wordt aangevraagd.
Zijn de 477 personen die mogelijk nog werkzaam zijn in de kinderopvang of taxibranche inmiddels allemaal gescreend op relevante antecedenten, en zo ja, zijn werkrelaties, ouders en/of cliënten van deze personen op de hoogte gesteld van mogelijke risico’s?
Alle personen die mogelijk nog werkzaam zijn in de kinderopvang en de taxibranche zijn inmiddels gescreend door Justis. Voor nadere informatie over de herbeoordeling en de aantallen verwijs ik u graag naar mijn brief van 24 juni jl.3
In de kinderopvang is het proces continue screening gevolgd conform de Handleiding continue screening kinderopvang. In vijf gevallen heeft dit geleid tot een kennisgeving. Alle partijen in de keten zijn geïnformeerd over deze signalen. Dit betreft DUO, Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en), gemeenten en houders van een kinderopvanglocatie. Bij de vijf gevallen hebben houders en/of gastouderbureaus vervolgens gepaste actie ondernomen. Dit kan betekenen dat de betreffende personen op non-actief zijn gezet, de toegang is ontzegd of dat de gastouderopvang op verzoek van het gastouderbureau is gestaakt totdat een nieuwe VOG kan worden verstrekt.
Het is aan houders van een kinderopvanglocatie om ouders te informeren, zodra duidelijk is dat een persoon geen nieuwe VOG krijgt en wordt ontslagen of de relatie tussen het gastouderbureau en de gastouder officieel wordt beëindigd. Wanneer en hoe dit wordt gedaan is aan de houder om af te wegen.
Justis heeft voor negen chauffeurs in de taxibranche een signaal verstuurd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft deze signalen doorgezet aan Kiwa Register, waarop Kiwa Register deze chauffeurs heeft verzocht om een nieuwe VOG aan te vragen. Als de VOG niet verleend wordt, wordt de chauffeurskaart van deze persoon ingetrokken. Iedere taxi moet beschikken over een boardcomputer. Voor bediening hiervan is de chauffeurskaart nodig. Als de chauffeurskaart is ingetrokken, kan de betreffende chauffeur niet meer werken in de taxibranche. Wanneer de ILT informatie heeft over de werkgever van de chauffeur, dan wordt deze geïnformeerd.
De uitputtingsziekte ME/CVS |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten over therapieën voor de ziekte ME/CVS en de twijfel die steeds breder ontstaat over de wetenschappelijke basis voor deze therapieën1 en het leed dat jonge patiënten met ME/CVS en hun ouders ervaren door dwang op behandelingen die soms schadelijk zijn?
Ik voel mee met de kinderen – en hun ouders en verzorgers – die te kampen hebben met ME/CVS. Het gezamenlijk optrekken van ouders en patiënten met zorgprofessionals in het zoeken naar passende zorg, met respect voor verschillende perspectieven en met behoud van professionele ruimte, zie ik als dé basis voor goede en veilige zorg. Als Minister ga ik niet over de diagnose of de behandeling van patiënten, want dat is het terrein van de arts. De overheid bemoeit zich niet met de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan het zorgveld om gezamenlijk, middels professionele standaarden en richtlijnen, invulling te geven aan de vraag wat goede zorg is en aan de manier waarop zij medisch inhoudelijke zorg verlenen.
Wat is de internationale wetenschappelijke consensus over effectieve behandeling van ME/CVS bij kinderen, in het bijzonder over de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie (CGT)?
Ik verwijs u voor deze informatie door naar de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). De kinderartsen zijn de deskundigen op dit terrein. Zij handelen in het belang van het kind op basis van de best beschikbare medische kennis en houden wetenschappelijke ontwikkelingen in de gaten, dragen hieraan bij en staan open voor voortschrijdend inzicht. De NVK heeft mij laten weten dat er geen internationale consensus bestaat dat CGT/Graded Excercise Therapy (GET) inherent schadelijk is. Het is volgens de kinderartsen een complexe wetenschappelijke discussie waarbij nuance essentieel is om recht te doen aan zowel de patiëntbelangen als behandelkeuzes in de praktijk.
Waarom wordt CGT niet toegepast bij kinderen met long covid maar wel bij kinderen met ME/CVS?
Kinderartsen zijn samen met de patiënt (en zijn/haar ouders) verantwoordelijk voor de behandeling. Het is volgens de NVK nog steeds mogelijk dat – ook aan kinderen met post-COVID – CGT aangeboden wordt als een ondersteunende interventie. Uiteraard gaat dit in goed overleg met de patiënt en blijft dit een vrijwillige keuze. Ik ga daar als Minister van VWS echter niet over.
Als de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) in haar reactie benoemt dat CGT voor meer dan de helft van de kinderen een effectieve behandelvorm is, bedoelt de NVK dan dat dit een ondersteunende therapie kan zijn om met ME/CVS om te gaan, of ziet zij het CGT ook als therapie om de energiegrenzen van patiënten op te zoeken/op te rekken?
Ik heb de NVK om een reactie gevraagd en zij heeft mij geïnformeerd dat CGT als behandeling kan worden aangeboden als een ondersteunende interventie gericht op het omgaan met symptomen, mits afgestemd op de patiënt en vrijwillig gekozen.
Op welke manier is het advies van de Gezondheidsraad uit 2018 over ME/CVS verwerkt in de richtlijnen van artsen? Waarom is het advies dat CGT in combinatie met het opbouwen van conditie geen adequate behandeling is, niet op die manier in de richtlijnen teruggekomen?
De Gezondheidsraad ziet CGT en GET niet als schadelijk op zichzelf, maar pleit voor zorgvuldige, vrijwillige toepassing, passend bij de individuele patiënt. Ze neemt afstand van generalisaties in beide richtingen: noch als panacee, noch als per definitie schadelijk.
Het veld is zelf verantwoordelijk voor het aanpassen van de richtlijnen en is daar ook voortdurend mee bezig. De NVK heeft mij laten weten dat zij erkent dat het wetenschappelijke veld in ontwikkeling is, en dat voortschrijdend inzicht aanleiding kan zijn tot herijking van aanbevelingen. Zij volgt de wetenschappelijke ontwikkelingen met grote aandacht. Het Ministerie van VWS heeft geen inhoudelijke rol bij de ontwikkeling van richtlijnen. Het Ministerie van VWS stimuleert wel onderzoek. Zie verder hierover het antwoord op vraag 9.
Is bij u bekend hoeveel minderjarige patiënten CGT hebben ontvangen die schade toebracht aan hen? Zo nee, bent u bereid zich daarover te laten informeren, door bijvoorbeeld patiëntenverenigingen?
Ik ben niet bekend met het aantal kinderen dat CGT heeft ontvangen en/of hiervan al dan niet schade heeft ondervonden. Ik vind dat ieder geval er één teveel is. Het is niet aan mij maar aan de betrokken beroepsgroepen om te adviseren en te overleggen met de patiënten en hun ouders/verzorgers over de inhoud van de behandeling. Juist de beroepsgroepen moeten goed geïnformeerd zijn. Het Ministerie van VWS draagt zorg voor het beleid. Het lijkt mij niet zinvol om mij te informeren, maar ik roep de patiënten, hun ouders/verzorgers, en de betrokken zorgprofessionals op om constructief met elkaar in gesprek te blijven opdat de beste behandeling plaats kan vinden. De diverse patiëntenverenigingen en de NVK kunnen daar een voortrekkersrol in spelen.
Bent u bekend met de onterechte meldingen die aan Veilig Thuis zijn gedaan als ouders hun kinderen geen CGT willen laten volgen? Wat is uw reactie daarop in het licht van de twijfel die er bestaat over de wetenschappelijke basis voor deze therapieën?
Nee. Gemeenten zijn de opdrachtgever van de Veilig Thuis-organisaties. Ik ben niet bekend met de meldingen. Graag wijs ik u op de reactie van Veilig Thuis op deze discussie, die te vinden is in het NOS artikel van 30 mei jl.2
Herkent u dat ME/CVS net als onder andere long covid en q-koorts een post-acuut infectiesyndroom is (PAIS)?
ME/CVS is een ernstige, chronische multisysteemziekte waar nog geen effectieve behandeling voor is. Er is nog maar weinig bekend over de oorzaken van ME/CVS. Ook een diagnose stellen is erg moeilijk. Omdat er nog veel onduidelijkheid is over de oorzaken van ME/CVS, richt een behandeling zich nu op het bestrijden van symptomen. Het biomedisch onderzoek naar ME/CVS is in volle gang. Verder onderzoek moet uitwijzen of en in welke mate het ziektebeeld van ME/CVS overeenkomsten vertoont met post-acute infectieuze syndromen (PAIS), zoals post-COVID, QVS en Lyme ziekte.
Op welke manier wilt u inzichten die er momenteel over de behandeling van long covid zijn en worden opgedaan, bijvoorbeeld dat inspanning eerder tot verslechtering van de conditie leidt dan verbetering, laten toepassen op de behandelrichtlijnen van ME/CVS?
Kennisuitwisseling en kruisbestuiving en open staan voor innovatieve ideeën en innovaties zijn voorwaardelijk om kennis te bevorderen en te versnellen. Zowel binnen en tussen domeinen, in de kliniek en in de labs, als ook met internationale partners. Het Ministerie van VWS financiert onderzoek naar ME/CVS, naar post-COVID en financiert de vorig jaar geopende post-COVID expertisecentra. De zorgprofessionals dragen de verantwoordelijkheid voor de integratie van nieuwe inzichten en kennis in de behandelingen die zij adviseren.
Wilt u in gesprek gaan met de NVK over het aanpassen van de richtlijnen ten aanzien van de behandeling van ME/CVS?
Nee, daarin zie ik geen rol voor mij als Minister. Richtlijnen bevatten evidence-based aanbevelingen voor de dagelijkse praktijk. Deze worden opgesteld door de verantwoordelijke beroepsgroep, in dit geval de NVK. Het is aan de zorgprofessionals om richtlijnen te ontwikkelen en bij te houden. De Patiëntenfederatie Nederland is altijd betrokken bij medisch specialistische richtlijnontwikkeling.
Kunt u toelichten wat de uitwerking is van het amendement Drost2, dat middelen vrijmaakte voor extra biomedisch onderzoek naar de ziekte ME/CVS?
In overleg met de vertegenwoordiging van ME/CVS-patiëntenorganisaties (de klankbordgroep van het onderzoeksprogramma), heeft ZonMw verkend hoe de gelden van het amendement Drost kunnen worden ingepast in het lopende biomedische onderzoeksprogramma ME/CVS. Uitkomst van dit overleg is dat het merendeel van de gelden wordt toegekend aan het uitvoeren van geneesmiddelenonderzoek. Een verkenning van potentieel veelbelovende geneesmiddelen bepaalt de focus van het geneesmiddelenonderzoek. Als, en voor zover, uit de verkenning blijkt dat geneesmiddelenonderzoek minder opportuun is dan verwacht, dan worden de gelden toegekend aan biomedisch onderzoek naar ME/CVS volgens de programmatekst van het onderzoeksprogramma. Dit zorgt ervoor dat er meer biomedisch onderzoek kan worden uitgevoerd. De verkenning naar geneesmiddelen wordt in 2025 uitgevoerd.
De NAVO-doelstellingen, de Resilience Objectives |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn er wellicht ook ministeries die in het geheel niet, dus op geen enkele wijze, betrokken of aangehaakt zijn bij het bereiken van de (geheime en voor de regering politiek bindende) «Resilience Objectives» van de NAVO? Zo ja, welke ministeries zijn dit?
Het weerbaarheidsbeleid betreft een kabinetsbrede inzet. De beleidsterreinen zijn benoemd in de kabinetsbrede Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen die op 6 december 2024 aan de Kamer is verzonden1 en de Kamerbrief Maatschappelijke weerbaarheid en militaire paraatheid tegen militaire en hybride dreigingen die recentelijk op 11 juli 2025 aan uw Kamer is verzonden.2
De Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Defensie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de coördinatie van de overheidsbrede inzet op weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen. Alle departementen werken in de aanpak op weerbaarheid samen, maar ieder vanuit hun eigen beleidsverantwoordelijkheid.
Naast de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Defensie zijn de Ministers van Economische Zaken, Infrastructuur en Waterstaat, Klimaat en Groene Groei, Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Volksgezondheid, Welzijn en Sport gelet op de onderwerpen betrokken bij de uitwerking van de NAVO Weerbaarheidsdoelen. De overige departementen worden door deze ministeries waar nodig aangehaakt om de doelstellingen te bereiken en worden via interdepartementale ambtelijke overleggen op de hoogte gehouden.
Het artikel hoe de jacht op ‘verdachte’ inwoners in de armste wijken ontspoort |
|
Michiel van Nispen |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Struycken |
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money waarin onderzoek is gedaan naar de aanpak van ondermijning in de armste wijken, zoals in Zaandam?1
Ja.
Kunt u in algemene zin reflecteren op de handelwijze van het interventieteam met de voorbeelden die in dit artikel worden genoemd?
In het hele land is de afgelopen jaren door nationale, regionale en lokale overheden gewerkt aan een sterke en brede aanpak van ondermijning door georganiseerde criminaliteit. Tegen ondermijnende criminaliteit wordt hard opgetreden, maar de waarborgen voor grondrechten van burgers mogen hierbij nooit in het geding komen. Het integrale interventieteam is onderdeel van de lokale gebiedsgerichte aanpak tegen ondermijning en valt onder de bevoegdheid van de burgemeester.
Desgevraagd heeft de gemeente Zaanstad aangegeven de signalen uit de publicatie van FTM ten aanzien van de communicatie en de interne werkwijze nader te onderzoeken op juistheid en achtergrond. De gemeente heeft daarnaast in juni 2023 een adviesbureau gevraagd om het interventieteam langdurig kritisch te volgen (effecten, systeem, werkwijze, lessen). Ook is in het voorjaar van 2025 aan een adviesbureau gevraagd om advies te geven over de effectiviteit van de Ondermijningsaanpak in Zaandam Oost, met in het bijzonder het samenbrengen van beleid en uitvoering. De uitkomsten van deze onderzoeken verschijnen deze zomer en worden betrokken bij het nadere onderzoek van de gemeente. Zaanstad geeft aan open te staan voor verbeteringen in haar cultuur, structuur en samenwerking als dat nodig blijkt te zijn.
Zaanstad heeft de inhoud van het artikel breed besproken. De bespreking met de raad vond plaats op 19 juni jl. De bespreking is terug te zien op de website van de gemeenteraad.2
Kunt u in algemene zin reflecteren op het woordgebruik van het interventieteam in de passages van de groepsapps van het artikel?
Ambtenaren dienen zich te onthouden van discriminatoir of anderszins denigrerend taalgebruik richting individuele burgers of groepen in de samenleving. Daarom is het goed dat de burgemeester van Zaanstad nader onderzoek doet naar het handelen van het interventieteam, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Kunt u reflecteren op de zorgelijke berichten dat ambtenaren zich gedwongen voelen om mee te doen aan de harde aanpak ten aanzien van ondermijning en criminaliteit in Zaanstad?
De inzet op de aanpak van ondermijning vanuit het lokale bestuur is van groot belang. Hierbij geeft het lokale bestuur haar eigen aanpak vorm binnen de lokale context en beziet wat lokaal nodig is.
Het is belangrijk dat iedere ambtenaar ruimte heeft om tegenspraak te bieden. In die gevallen dat er ongemak ontstaat over de inzet van organisatie of persoon en ambtenaren zich onvoldoende gehoord voelen, kunnen ambtenaren terecht bij de vertrouwenspersoon of integriteitscoördinator, dit is ook mogelijk in de gemeente Zaanstad. Daarnaast heeft de gemeente in reactie op de signalen uit het artikel twee medewerkersbijeenkomsten georganiseerd en medewerkers de expliciete uitnodiging gedaan om zich uit te spreken.
Op welke plekken wordt de onconventionele aanpak van interventieteams ondermijning op eenzelfde of soortgelijke wijze georganiseerd als in Zaandam?
Binnen de lokale aanpak van ondermijning door georganiseerde criminaliteit hebben meerdere gemeenten en regio’s integrale teams opgezet, die gezamenlijk cases oppakken en gezamenlijk huisbezoeken uitvoeren. Deze interventieteams werken in sommige gevallen samen onder het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (hierna: RIEC) in de bestrijding van georganiseerde en ondermijnde criminaliteit, zoals het interventieteam van Zaandam-Oost. De RIEC-deelnemers wisselen informatie- en gegevens uit op basis van de Wet gegevensverwerking in samenwerkingsverbanden. Het RIEC levert op basis van die informatie en gegevens een interventieadvies aan het interventieteam. De instanties en organisaties in het interventieteam voeren zelfstandig of samen interventies uit binnen hun eigen wettelijke kaders.
Ook zijn er handhavingsinterventieteams van gemeenten die partners kunnen vragen om mee te gaan met huisbezoeken. Reden hiervoor is dat er sprake kan zijn van multi-problematiek op het gebied van zorg-, werk-, het sociaal- en veiligheidsdomein.
Kunt u aangeven waarom de behandeling van mensen per wijk verschilt en sommige wijken vaker worden gecontroleerd harder worden aangepakt? Is dat op zichzelf toegestaan en op welke grond? Vindt u dit wenselijk?
Alhoewel het reguliere sectorale beleid voor het overgrote deel van de Nederlanders in gemeenten en wijken toereikend is, zijn er ook verschillende wijken en gebieden die te maken hebben met een langdurige concentratie en stapeling van problemen op het gebied van onderwijs, werkloosheid, armoede (inkomen en schulden), gezondheid, de kwaliteit van de woon- en leefomgeving, veiligheid en criminaliteit en ondermijning, waardoor dit reguliere beleid onvoldoende is.3
In aanvulling op sectorale interventies is in deze wijken en gebieden een meer integrale aanpak – op meerdere terreinen tegelijk – nodig, zodat problemen van een gezin, wijk of buurt daadwerkelijk kunnen worden opgelost. Doordat omstandigheden in wijken verschillen, verschilt de aanpak ook.4 Daarom startte het vorige kabinet in 2022 het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Doel is een verbetering van de leefbaarheid en veiligheid van 20 kwetsbare gebieden.5
Deelt u de mening dat een verschillende aanpak per wijk ook bij voorbaat al resulteert in een ongelijke aanpak per persoon en dat dit ongewenst is?
Nee. In zijn algemeenheid is hier het volgende over te zeggen. Een ongelijke aanpak is soms te rechtvaardigen omdat de problematiek daar aanleiding toe geeft. In sommige wijken of gebieden kunnen meer delicten op het gebied van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit voorkomen dan in andere delen van een gemeente. Dan is het ook te rechtvaardigen dat hier extra aandacht voor is.
Erkent u dat een verschillende aanpak per wijk het grote risico met zich meebrengt van onjuiste data, in die zin dat als je bijvoorbeeld alleen controleert op fraude in armere wijken ook uit je dataset na verloop van tijd zal gaan blijken dát fraude zich meer of alleen voordoet in armere wijken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties moet dit volgens u hebben?
Nee. Monitoring en evaluatie is gebaseerd op zowel kwalitatieve als kwantitatieve data.
Zoals bijvoorbeeld de Leefbaarometer en het Dashboard zicht op wijken, waarin data landelijk met elkaar vergeleken wordt.
Onderzoekers en beleidsmakers dienen zich bij de analyse en duiding van dit soort data altijd bewust te zijn van de context waarin deze data zijn verzameld.
Omgekeerd werkt het ook zo, dat data zicht kunnen geven op waar problematiek zich concentreert en waar extra inzet helpend kan zijn. Zo geven cijfers van de concentratie van onderwijsachterstanden op scholen bijvoorbeeld aanleiding om extra in te zetten op kwaliteit en aanvullend aanbod, zodat ook de kinderen op deze scholen gelijke kansen krijgen.
Wat vindt u van de uitspraken van ambtenaren dat als deze aanpak in een villawijk had plaatsgevonden de gemeente advocaten op hun dak had gekregen maar dat het in de armere wijken wel kan omdat wordt vernomen dat mensen geen idee hebben welke rechten ze hebben?
De aanpak van ondermijning moet in alle gevallen en ongeacht in welke wijk(en) binnen de wettelijke kaders worden uitgevoerd. Op het moment dat het vermoeden bestaat dat dit niet het geval is, is het van belang dat door de gemeente (juridisch) getoetst wordt of (grond)rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Daarnaast is het van belang dat de toegang tot het recht voor eenieder laagdrempelig en dichtbij wordt ingericht, ook in de kwetsbare wijken. Juist om deze reden is het kabinet met het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) in contact met de 20 focusgebieden, waaronder Zaandam-Oost, om de toegang tot eerstelijns rechtshulp verder te verbeteren, zodat het bereik onder inwoners zo groot mogelijk is.
Wat vindt u van de geluiden dat er bij voorbaat vanuit wordt gegaan dat mensen crimineel zijn en dat er ook mogelijk sprake is van discriminatie in de aanpak in Zaandam?
Eenieder is onschuldig tot het tegendeel is bewezen. Het uitgangspunt is dat inwoners van Nederland, en dus ook ambtenaren, zich dienen te onthouden van iedere vorm van discriminatie. De gemeente Zaanstad heeft aangegeven onderzoek te doen naar de werkwijze. Zie hiervoor ook het antwoord onder vraag 2.
Hoe worden de grondrechten van inwoners gewaarborgd? Wie ziet daarop toe?
Grondrechten, zoals het discriminatieverbod en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gelden voor iedereen die te maken heeft met de overheid in al haar hoedanigheden. Dat betekent dat ambtenaren grondrechten bij de uitvoering van hun werkzaamheden dienen te respecteren.
Wat vindt u ervan dat ambtenaren zich niet veilig voelden om een integriteitsmelding te doen ten aanzien van de harde aanpak op ondermijning?
Het is belangrijk dat ambtenaren zich vrij voelen om een integriteitsmelding te doen. Zie hiervoor ook het antwoord onder vraag 4.
Kunt u aangeven wat deze aanpak aan mensen en middelen kost, in Zaandam en in andere gemeenten, ook gezien het feit dat deze werkwijze wordt gefinancierd vanuit het Rijk?
Het bedoelde interventieteam wordt bekostigd met middelen van de gemeente Zaanstad en vanuit het Volkshuisvestingsfonds (bijdrage handhaving op woonoverlast en woonfraude) en – voor periode 2025–2027 – vanuit de Regio Deal ZaanIJ II, die loopt in Zaandam-Oost (en Amsterdam Noord en de gemeente Oostzaan). De Rijksmiddelen tellen op tot een jaarlijkse bijdrage van € 724.000 voor capaciteit (o.a. analisten, juristen, toezichthouders, handhavers), onderzoek en locatiehuur.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de werkwijze van het interventie team in Zaandam en alle interventieteams die dezelfde of soortgelijke werkwijze erop nahouden, of deze werkwijze juridisch houdbaar en überhaupt wel wenselijk is?
Het interventieteam valt onder de verantwoordelijkheid van het lokaal bestuur. De gemeente Zaanstad heeft laten weten komende tijd zowel intern als extern onderzoek te doen naar de feiten en achtergrond van de signalen uit het artikel.
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
De doorvoer van wapenonderdelen naar Israël via de Rotterdamse haven |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maersk reageert voor het eerst op demonstraties in Rotterdam om vervoer F-35-onderdelen: «Misleidende claims»»?1
Ja.
Klopt het dat de export en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël vanuit Nederland stil ligt sinds de rechter op 12 februari 2024 in hoger beroep deze export heeft verboden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Garandeert u dat sinds 12 februari 2024 geen F-35-onderdelen vanuit Nederland zijn geëxporteerd of doorgevoerd in de richting van Israël? Zo nee, waarom niet?
In de uitspraak van 12 februari 2024 heeft het Hof de Staat gelast iedere (feitelijke) uitvoer en doorvoer van F-35-onderdelen met eindbestemming Israël te (doen) staken. Het kabinet heeft daaraan opvolging gegeven door (middels de aanpassing van de algemene vergunningen NL007 en NL009) de uit- en doorvoer van goederen binnen het kader van het F-35-Lightning II programma met eindbestemming Israël sinds 20 februari 2024 niet langer toe te staan.
Bij doorvoer zonder overlading vervolgen de goederen na aankomst in Nederland hun reis met hetzelfde transportmiddel. Dit soort doorvoer is conform het Besluit strategische goederen niet vergunningplichtig op het moment dat het transport afkomstig is uit, of als eindbestemming heeft, een EU- of NAVO-land of een daaraan gelijk gesteld land (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland of Zwitserland), gelet op het vertrouwen in de wapenexporttoets door deze gelijkgezinde landen.
Voor dergelijke transacties geldt een meldingsplicht. De verantwoordelijkheid voor het tijdig en correct indienen van de melding ligt bij de melder. Het kabinet heeft sinds 4 oktober 2023 geen meldingen van doorvoer zonder overlading naar Israël ontvangen.
Doorvoer van militaire goederen naar Israël mét overlading in Nederland is altijd vergunningplichtig. Dergelijke transacties worden net als uitvoertransacties zorgvuldig getoetst aan de Europese wapenexportcriteria. Dit type doorvoer naar Israël komt weinig voor. De meest recent verstrekte doorvoervergunning dateert van juni 2021.
Klopt het dat Maersk F-35-onderdelen van F-35-vliegtuigen via de Rotterdamse haven heeft verscheept, zoals de woordvoerder van Maersk zelf aangeeft in het artikel?
Uit informatie verkregen van Maersk bleek dat het betreffende schip inderdaad F-35-onderdelen bevatte en onderweg was naar de Verenigde Staten. Doorvoer van F-35-onderdelen van Israël naar de Verenigde Staten is in lijn met het arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 februari 2024 dat de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen vanuit Nederland naar Israël verbiedt. Door- en uitvoer van F-35-onderdelen ten behoeve van het bredere F-35-programma is toegestaan zoals ook is bevestigd door de rechtbank Den Haag in het vonnis van 12 juli 2024.
Klopt het dat de Rotterdamse wethouder Simons heeft gezegd dat F-35-onderdelen door Maersk niet waren gemeld bij de douane en na controle niet op het schip zijn gevonden?2
Op 21 mei jl. is de Douane door de gemeente Rotterdam bevraagd over de mogelijke aanwezigheid van F-35 onderdelen aan boord van de Maersk Izmir. Naar aanleiding daarvan is door de Douane in de voorhanden zijnde informatie (aangiften) nagegaan of dat het geval was. Op basis van de beschikbare informatie was op dat moment niet duidelijk of de betreffende goederen aan boord waren. Aan de gemeente is gecommuniceerd dat op dat moment niet gebleken is dat de goederen aan boord waren. De Douane had deze informatie niet mogen verstrekken aan de gemeente. De Douane heeft vervolgens navraag gedaan bij Maersk. Op 23 mei jl. is de Douane door Maersk geïnformeerd dat de goederen daadwerkelijk aan boord waren van het betreffende schip dat onderweg was van Israël naar de VS. Geconcludeerd moet worden dat de Douane op 21 mei 2025 niet alle informatie voorhanden had. De Douane heeft deze casus geëvalueerd en zorgt ervoor dat dit soort informatie in de toekomst niet meer zal worden verstrekt aan derden.
Hoe verklaart u de verschillende verklaringen vanuit Maersk en de gemeente Rotterdam?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u reageren op de volgende passage in het artikel: «Het verschepen van onderdelen, ook als die dus gebruikt worden om gevechtsvliegtuigen te maken, ziet het bedrijf niet als het vervoeren van wapens.»? Deelt u de mening dat dit wel als wapenexport geldt? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan het kabinet om de verklaringen van een private onderneming en de gemeente Rotterdam van commentaar te voorzien.
Indien de te verschepen onderdelen zijn te categoriseren als strategische goederen (militair of dual-use), dan zijn deze bij uitvoer, doorvoer of overdracht vanuit Nederland vergunningplichtig. Onder strategische goederen vallen militaire goederen, dual-use goederen en sanctiegoederen. Militaire goederen zijn producten die zijn opgenomen op de Gemeenschappelijke EU lijst van militaire goederen. Op de doorvoer van militaire goederen zonder overlading afkomstig uit of met als eindbestemming een EU- of NAVO-land of daaraan gelijkgestelde landen (Nieuw-Zeeland, Australië, Japan, Zwitserland) geldt een meldingsplicht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wat zegt het feit dat de door Maersk toegegeven verscheping van F-35-onderdelen niet bij de douane bekend was volgens u over de betrouwbaarheid van het Nederlandse wapenexportcontrolebeleid? Deelt u de mening dat dit niet moet kunnen?
Zie antwoord op vraag 4.
Het kabinet toetst vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen zorgvuldig per geval aan de hand van de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole. Daarbij wordt per aanvraag gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. Daar waar een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Daarbij gaat het kabinet zeer zorgvuldig te werk.
Bent u bereid een onderzoek uit te voeren naar de vraag of via Nederland F-35-onderdelen worden geëxporteerd of doorgevoerd naar Israël? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft in februari 2024 de algemene vergunningen NL007 en NL009 aangepast waardoor de uit- en doorvoer van goederen vanuit Nederland binnen het kader van het F-35-Lightning II programma met eindbestemming Israël sinds 20 februari 2024 niet langer is toegestaan. Daarmee heeft de Staat onmiddellijk opvolging gegeven aan het arrest van het Hof. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft in juli 2024 ook geoordeeld dat de Staat het arrest van het Hof naleeft.
Doorvoer zonder overlading is, indien deze afkomstig is uit, of als eindbestemming heeft, een EU- of NAVO-land of een daaraan gelijk gesteld land (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland of Zwitserland), niet vergunningplichtig (zie antwoord op vraag 3), maar meldingsplichtig. De verantwoordelijkheid voor deze melding ligt bij de exporteur van betreffende goederen. Het kabinet heeft sinds 4 oktober 2023 geen meldingen van doorvoer zonder overlading naar Israël ontvangen en heeft geen aanwijzingen dat F-35-onderdelen zonder overlading via Nederland naar Israël worden doorgevoerd.
Wat gaat u extra doen om te garanderen dat F-35-onderdelen niet vanuit Nederland worden geëxporteerd of doorgevoerd naar Israël?
Zie antwoord vraag 9.
Herinnert u zich uw uitspraak over exportvergunningen met bestemming Israël in het commissiedebat Wapenexportbeleid dat «het echt onwaarschijnlijk (is) dat er een vergunning wordt verleend voor de uitvoer naar Israël van wapens die kunnen bijdragen aan de activiteiten van het Israëlische leger in Gaza of op de Westelijke Jordaanoever»?3
Ja.
Aangezien uit onlangs gepubliceerde nieuwe vergunningsgegevens blijkt dat sinds het debat nog een reeks vergunningen met bestemming Israël is afgegeven, kunt u voor elk van de volgende vergunningen apart aangeven op basis waarvan uitgesloten werd geacht dat deze goederen, meer in het bijzonder de wapensystemen waarvoor deze goederen bestemd zijn, door Israël ingezet zouden kunnen worden in Gaza of de Westelijke Jordaanoever: NL0074CDIU0184006, Elektronica voor vliegerhelmen; NL0074CDIU0184345, Elektronica voor vliegerhelmen; NL0074CDIU0184525, Delen voor oorlogsschepen; NL0074CDIU0182267, Delen voor korvetten; NL0074CDIU0185272, Delen voor korvetten; NL0074CDIU0185706, Communicatiesystemen en; NL0074CDIU0185558, Delen voor radarsystemen?4
Desbetreffende vergunningen hebben hoofdzakelijk betrekking op ontwikkeling, productie en/of onderhoud in Israël van goederen die niet voor een eindgebruiker in Israël zijn bestemd. Dat geldt voor de vergunningen NL0074CDIU0184006, NL0074CDIU0184345 en NL0074CDIU0185706. Vergunning NL0074CDIU0185558 betreft de uitvoer van delen van radarsystemen voor het Iron Dome-luchtafweersysteem.
Verder is vergunning (NL0074CDIU0184525, NL0074CDIU0182267 en NL0074CDIU0185272) verleend voor onderdelen van korvetten die onderdeel kunnen uitmaken van de Iron Domeen bijvoorbeeld worden ingezet voor het uitschakelen van dreigingen op zee (oppervlakteschepen en onderzeeboten) of dreigingen uit de lucht (vliegtuigen, raketten en drones). Sinds de toewijzing van deze drie vergunningen is de veiligheidssituatie ten aanzien van het land van eindbestemming, Israël, aanzienlijk gewijzigd. Hierdoor is het risico dat de nog uit te voeren goederen onder deze vergunningen door ongewenst eindgebruik bijdragen aan een verslechtering van de uitermate zorgelijke situatie in de Gazastrook dermate groot, dat intrekking van de eerder afgegeven vergunningen noodzakelijk werd geacht. Daarom zijn de drie vergunningen eind juli 2025 ingetrokken.
Kunt u voor de twee «tijdelijke» vergunningen, namelijk NL0074CDIU0183705, Warmtebeeldcamera’s en NL0074CDIU0186462, Programmatuur voor beveiligde communicatie, aangeven wat de aard hiervan was? Ging het om reparatie, demonstratie of iets anders? Kunt u voor beide vergunningen apart aangeven op basis waarvan uitgesloten werd geacht dat ze door Israël ingezet zouden kunnen worden in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Vergunning NL0074CDIU0183705 betreft de wederuitvoer van warmtebeeldcamera’s die tijdelijk in Nederland waren voor reparatiedoeleinden. De goederen zijn bestemd voor onderzoek en ontwikkeling en zullen niet operationeel worden ingezet. Dit onderzoek en de betreffende ontwikkeling vindt plaats ten behoeve van diverse Europese krijgsmachten en de goederen zijn niet bestemd voor een eindgebruiker in Israël.
Vergunning NL0074CDIU0186462 betreft de wederuitvoer van programmatuur voor beveiligde communicatie die tijdelijk in Nederland waren en zijn getoond tijdens een defensiebeurs. Deze goederen zijn bestemd voor demonstratiedoeleinden en zullen niet operationeel worden ingezet.
Kunt u alsnog nader ingaan op uw uitspraken in het hierboven genoemde commissiedebat over de vergunning van 4 oktober 2024, NL0074CDIU0181899, Delen, gereedschappen en technologie voor F-16 gevechtsvliegtuigen, waarover u toen zei dat «deze vergunning de uitvoer (betreft) van onderdelen voor productiedoeleinden in Israël» en «de onderdelen na de productiehandeling terug (komen) naar Nederland» en «de goederen niet in Israël (worden) gebruikt»? Hoe kan het dan dat het volgens het vergunningsoverzicht van uw ministerie gaat om goederen afkomstig en geproduceerd in Nederland die naar Israël gaan en geen andere eindbestemming dan Israël hebben? Als Nederland de eindbestemming zou zijn geweest zou dat toch in de desbetreffende kolom vermeld hebben moeten staan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het gaat hier om een bewerking van F-16-onderdelen ten behoeve van productiedoeleinden. Het betreft hier door een Nederlandse partij in Israël uitbesteed werk waarbij er geen sprake is van eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht. Na de werkzaamheden in Israël zijn/worden de betreffende onderdelen geretourneerd naar Nederland. Het gaat daarbij om de (sub)onderdelen gebruikt in de assemblage van een – conform de registratiemethode van de Douane – nieuw product. Daarmee wordt dit in dergelijke gevallen geregistreerd als een definitieve uitvoer en niet als een tijdelijke uitvoer.
De uitvoer betrof daarnaast ook de export van gereedschappen en militaire technologie om de bewerking van de F-16-onderdelen ten behoeve van productiedoeleinden mogelijk te maken. Deze gereedschappen en militaire technologie blijven in Israël zolang het contracttussen de Nederlandse exporteur en Israëlische producent voor de productie van F-16 onderdelen loopt. Deze gereedschappen en militaire technologie worden overigens enkel ingezet in de context van de bewerking van F-16 onderdelen die terugkeren naar Nederland. De uitgevoerde goederen worden niet gebruikt door de Israëlische krijgsmacht.
Weet u zeker dat exportvergunningen voor onderdelen van F-16-gevechtsvliegtuigen met bestemming VS (zoals bijvoorbeeld NL0074CDIU0187011 van 30 januari jl.) dat land inderdaad als uiteindelijke bestemming hebben? Hoe controleert u dat en wordt uitgesloten dat deze onderdelen uiteindelijk alsnog in Israël terechtkomen?
Bij transacties van F-16-onderdelen naar de VS is op het moment van uitvoer alleen bekend dat het eindgebruik in de VS ligt en is niet bekend wie eventueel in de toekomst eindgebruiker zal zijn van de toestellen waarin de F-16 onderdelen worden geïntegreerd. Voor de Nederlandse exportcontrole geldt de Verenigde Staten dan ook als het land van eindgebruik waaraan getoetst wordt.
Deze methodiek wordt, in lijn met het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, al langer toegepast in het Nederlandse exportcontrolestelsel voor de uitvoer van componenten naar producenten in EU-, NAVO-, en daaraan gelijkgestelde landen (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en Zwitserland) waarbij op het moment van uitvoer geen eindgebruiker bekend is. Over deze methode werd uw Kamer in het verleden ook meermaals geïnformeerd. [5] Het kabinet hecht sterk aan deze werkwijze die eraan bijdraagt dat Nederland een betrouwbare partner kan zijn in internationale samenwerkingsprojecten voor de ontwikkeling en productie van defensiegoederen. Het kabinet acht de toepassing van dit beginsel eveneens van essentieel belang voor de Nederlandse defensie-industrie.
Bent u gegeven de extreme situatie in Gaza inmiddels bereid in Europa steun te vragen voor een EU-wapenembargo, zoals de EU eerder deed tegen Rusland, Soedan en Myanmar, en, zolang er nog geen Europese aanpak is, een nationaal wapenembargo tegen Israël in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen. Het kabinet toetst vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen zorgvuldig per geval aan de hand van de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexportcontrole. Daarbij wordt per aanvraag gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. Daar waar een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. In dat licht heeft het kabinet sinds 7 oktober 2023 onder meer vergunningaanvragen voor de uitvoer naar Israël van munitie, helmen, beeldversterkers, helikopteronderdelen en technologie voor marineschepen afgewezen. Dat het kabinet hiermee voldoet aan zijn (internationaalrechtelijke) verplichtingen is door de rechtbank Den Haag bevestigd in het vonnis van 13 december 2024. Tegelijkertijd laat dit beleid wel ruimte voor de uitvoer van militaire goederen die enkel voor zelfverdedigingsdoeleinden kunnen worden gebruikt, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweersysteem. Het kabinet blijft deze uitvoer – gezien het belang van de veiligheidswaarborging voor burgers in Israël – toestaan zolang deze de toets aan de Europese kaders voor wapenexportcontrole doorstaat.
Zorgen over Chinese spionage via diplomatieke posten |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Laurens Dassen (Volt), Tom van der Lee (GL), Eric van der Burg (VVD) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «White House warns No 10 on China embassy» in The Sunday Times van 8 juni 20251, waarin Amerikaanse inlichtingendiensten ernstige zorgen uiten over spionagerisico’s verbonden aan de grote Chinese ambassade in Londen?
Ja.
Raken de datacenters in Londen en het kabelverkeer naar de financiële instellingen in de «City» in uw ogen naast Amerikaanse ook Nederlandse belangen? Zo nee, waarom niet?
Het internationale financiële systeem kent een grote verwevenheid. Dit geldt ook voor Nederlandse financiële instellingen en activiteiten hiervan in het Verenigd Koninkrijk. Hiermee kunnen de in het artikel genoemde risico’s en belangen potentieel ook de Nederlandse financiële sector en daarmee Nederlandse belangen raken. Dit blijven we monitoren en waar nodig zal erop worden ingespeeld.
Aangezien de Nederlandse financiële sector nauw verweven is met die van het Verenigd Koninkrijk, onder meer via grensoverschrijdend betalingsverkeer, Nederlandse fintechbedrijven zoals Adyen, Britse banken met EU-hoofdkantoren in Nederland zoals NatWest, en Nederlandse banken met een vestiging in de City zoals ING, hoe beoordeelt u de mogelijke impact van Chinese interceptie van dataverkeer in Londen op de veiligheid en integriteit van Nederlandse financiële instellingen en transacties?
In het algemeen begrijpt het kabinet de zorgen aangaande Chinese spionage. Via uitgebreide spionageprogramma’s probeert China aan hoogwaardige technologie, kennis en data te komen. Ook heeft China de intentie om te spioneren bij de Nederlandse overheid en politieke doelwitten. China vormt volgens de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten dan ook een van de grootste cyberdreigingen tegen Nederland en diens nationale (veiligheids)belangen, waaronder de financiële sector.
Het kabinet heeft verschillende maatregelen genomen om de weerbaarheid van financiële instellingen te vergroten. Zo moet de financiële sector voldoen aan de Europese verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA) die hen onder andere verplicht om de IT-systemen op orde te hebben en deze regelmatig te testen en de risico’s uit de volledige toeleveranciersketen in beeld te brengen. Daarnaast kunnen vitale instellingen ondersteuning krijgen van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in het geval van grootschalige uitval en/of verstoring. Ook kennen deze instellingen een sectorale crisisstructuur die bestaat uit DNB, AFM en het Ministerie van Financiën.
Begrijpt u de zorgen van de Amerikaanse inlichtingendiensten over Chinese spionage, specifiek bij het innemen van posities in dataverkeer in Londen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de analyse dat een soortgelijk risico ook in Nederland kan spelen, gezien de Nederlandse rol als knooppunt van internetverkeer (zoals via de AMS-IX) en als belangrijk Europees financieel centrum?
Er zijn overal ter wereld grote en kleine internetknooppunten waarover een enorme hoeveelheid data wordt gerouteerd. AMS-IX is een van deze grote knooppunten. Daarom heeft de Minister van Economische Zaken eerder de diensten van AMS-IX in Nederland vitaal verklaard. Met deze vitaalverklaring is AMS-IX verplicht om onder de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) veiligheidsmaatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) is aangesteld als toezichthouder op basis van de Wbni.
Het vitaal verklaren van organisaties wordt momenteel wettelijk vastgelegd in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Bedrijven die hieronder als vitaal (kritieke entiteit) worden aangewezen, zullen ook vallen onder de nieuwe Cyberbeveiligingswet (Cbw). Deze zal de Wbni vervangen. De Cbw vereist onder meer dat organisaties passende en evenredige risicobeheersmaatregelen nemen ter bevordering van hun digitale weerbaarheid. Deze zorgplicht is gericht op het voorkomen en beperken van incidenten met gevolgen voor netwerk- en informatiesystemen.
Kunt u aangeven of er in Nederland sprake is van vergelijkbare diplomatieke vestigingen of geplande uitbreidingen door de Volksrepubliek China? Zo ja, wordt daarbij een veiligheidsanalyse uitgevoerd, inclusief risico’s op digitale interceptie of fysieke toegang tot infrastructuur?
Voor alle ambassades in Nederland geldt dat voor een fysieke uitbreiding een verzoek gedaan moet worden bij het gastland. Er ligt momenteel geen verzoek voor uitbreiding van de Chinese ambassade in Nederland.
Kunt u aangeven of – sinds het aantreden van president Trump – China ook in Nederland de omvang van de diplomatieke aanwezigheid aan het uitbreiden is? Zo ja, om welke toename in het aantal uitgezonden diplomaten gaat het?
Er is geen sprake van een uitbreiding van het aantal Chinese diplomaten in Nederland sinds het aantreden van President Trump in de Verenigde Staten.
Wordt er momenteel door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) of andere diensten structureel gekeken naar de combinatie van diplomatieke aanwezigheid en de nabijheid van vitale infrastructuur?
De AIVD en MIVD doen onderzoek naar de dreiging vanuit statelijke actoren tegen de nationale veiligheid. Indien de diensten een dreiging voor de nationale veiligheid constateren, zullen zij partners in staat stellen om hierop te handelen en de Kamer via de geëigende kanalen hierover te informeren. Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de onderzoeken of werkwijze van de diensten.
De NCTV heeft een regierol in de cyclus vitaal en de aanpak Statelijke Dreigingen. Departementen hebben als onderdeel van de cyclus vitaal al aandacht voor mogelijke risico’s binnen hun sectoren. Onder de eerdergenoemde Wwke worden departementen verplicht een risicobeoordeling te uit te voeren. In het proces van risicobeoordelingen voor kritieke infrastructuur wordt een breed palet aan risico’s beoordeeld, zo ook diplomatieke aanwezigheid.
Bent u bereid om dit onderwerp op Europese Unie (EU)-niveau te agenderen, met als doel gezamenlijke richtlijnen voor risicoanalyse bij diplomatieke nieuwbouw van landen met een bewezen trackrecord op het gebied van cyber- en economische spionage, zoals Rusland, China en Iran? Zo nee, waarom niet?
Momenteel is geen sprake van dergelijke nieuwbouwplannen in Nederland. Nederland brengt de uitdagingen uit China regelmatig op binnen de EU, bijvoorbeeld als het gaat om de Chinese steun voor Rusland en de cyberdreiging afkomstig uit China. De betreffende problematiek zal hierin worden meegenomen.
De bouw van 22 nieuwe Israëlische nederzettingen op illegaal bezet Palestijns land. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel inThe Times of Israel van 29 mei 2025 waarin wordt gemeld dat de Israëlische regering toestemming heeft gegeven voor de bouw van 22 nieuwe nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever, en waarin Minister van Buitenlandse Zaken Israel Katz verklaart dat dit bedoeld is voor «het voorkomen van een Palestijnse staat»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze uitspraak van Minister Katz in het licht van het officiële Nederlandse en Europese beleid dat uitgaat van een tweestatenoplossing? Acht u de recente Israëlische besluiten en uitspraken daarmee strijdig? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt deze uitspraken van Minister Katz, net als de recente goedkeuring door het Israëlische kabinet van 22 nieuwe nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever die het vooruitzicht op een tweestatenoplossing en op duurzame vrede op afstand zet. Deze goedkeuring zet de al gespannen situatie op de bezette Westelijke Jordaanoever nog verder onder druk.
Erkent u dat deze stap in lijn ligt met dede facto annexatiepolitiek van Israël, die reeds in de motie-Karabulut van 22 juni 2020 expliciet wordt genoemd als reden voor het instellen van sancties? Welke conclusies verbindt u daaraan?2
Het Israëlische besluit past in de trend van de groei en toename van nederzettingen en maakt onderdeel uit van een actief Israëlisch nederzettingenbeleid. In overeenstemming met het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, erkent het kabinet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Dit komt overeen met de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie dat de nederzettingen en de uitbreiding daarvan, vernielingen of uithuisplaatsingen in de bezette gebieden, in strijd zijn met het internationaal recht. Het kabinet blijft zowel bilateraal als in EU-verband druk uitoefenen op Israël om dit besluit, en het nederzettingenbeleid in den brede, terug te draaien en stop te zetten, zodat ook een tweestatenoplossing kans van slagen heeft. Voorts is de door u hierboven genoemde motie-Karabulut van 22 juni 2020 reeds afgedaan.4
Hoe verhoudt deze aangekondigde uitbreiding van nederzettingen zich tot het juridisch bindende advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van juli 2024, waarin werd vastgesteld dat Israëls nederzettingenbeleid en bezetting illegaal zijn en dat staten verplicht zijn geen hulp of bijstand te verlenen aan deze situatie?3
Zie antwoord vraag 3.
Welke stappen overweegt het kabinet om te voldoen aan de verplichtingen die derde staten volgens het advies van het Internationaal Gerechtshof van juli 2024 hebben om te verzekeren dat Israël zich houdt aan het internationaal humanitair recht zoals vastgelegd in de Vierde Conventie van Geneve?
Zoals in het antwoord op vraag 3 en 4 is aangegeven, erkent het kabinet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep van het Internationaal Gerechtshof (IGH) om de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. In de Kamerbrief van 9 december 2024 constateert het kabinet dat het advies van het IGH van 19 juli 2024 de instandhouding van het huidige Nederlandse beleid rechtvaardigt en dat aanvullende maatregelen in beginsel een EU-competentie betreffen.
Nederland geeft op verschillende manieren invulling aan de verplichting om de onrechtmatige situatie niet te erkennen, samen te werken om de onrechtmatige situatie tot een einde te brengen en geen hulp of bijstand te verlenen aan de instandhouding van de onrechtmatige situatie. Zo heeft Nederland al jaren een ontmoedigingsbeleid ten aanzien van activiteiten die Nederlandse bedrijven ontplooien in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in bezette gebieden en het beleid ten aanzien van implementatie van bilaterale verdragen tussen Israël en Nederland in de bezette gebieden. Daarnaast spreekt het kabinet zich actief uit tegen het Israëlische nederzettingenbeleid en kolonistengeweld. Nederland blijft zich daarom inzetten om gewelddadige kolonisten en kolonistenorganisaties te sanctioneren.5 Sancties vereisen EU-unanimiteit en tot op heden is er nog geen overeenstemming over een derde pakket aan sancties tegen gewelddadige kolonisten en organisaties die hen faciliteren. Nederland blijft zich samen met Frankrijk onverminderd inzetten om dit draagvlak te vergroten. Daarnaast heeft Nederland in EU verband opgeroepen tot het sanctioneren van Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Zij hebben herhaaldelijk geweld door kolonisten aangewakkerd tegen de Palestijnse bevolking, zij bepleiten voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen en roepen op tot etnische zuivering in de Gazastrook.
Ten slotte heeft Nederland in de Raad van Buitenlandse Zaken van 23 juni jl. benadrukt dat de uitkomsten van de evaluatie over de naleving door Israël van artikel 2 moet worden gebruikt om als EU gezamenlijk de diplomatieke druk op Israël op te voeren om de situatie te verbeteren, waarbij specifiek het belang van een staakt-het-vuren en toelating van humanitaire hulp voor Gaza is genoemd. Dat betekent onder andere dat Israël geen stappen moet zetten die een tweestatenoplossing verder bemoeilijken.
Het kabinet zal naar aanleiding van de ontwikkelingen steeds de inzet blijven wegen en bezien welke instrumenten, maatregelen of stappen kunnen worden ingezet ten behoeve van verbetering aldaar.
Welke implicaties verbindt u aan de plicht tot non-assistance zoals voortvloeit uit het IGH-advies en artikel 41 van de International Law Commission Articles on State Responsibility? Bent u bereid bestaande vormen van samenwerking met Israël, inclusief economische en militaire, opnieuw tegen het licht te houden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid in navolging van deze ontwikkeling de Palestijnse staat te erkennen, mede als politiek signaal tegen de voortschrijdende annexatie en als middel om de tweestatenoplossing te beschermen? Zo nee, waarom niet?
De uiteindelijke erkenning van de Palestijnse staat moet voor Nederland onderdeel zijn van het politieke proces dat leidt tot een duurzame oplossing die door beide partijen wordt gedragen, waarbij de tweestatenoplossing het uitgangspunt is. Erkenning vraagt om een zorgvuldige afweging, waarbij niet alleen moet worden gekeken naar hetgeen dit kan betekenen voor een eventuele duurzame oplossing, maar ook naar hetgeen wordt verwacht van de Palestijnse Autoriteit ten aanzien van de (implementatie van) noodzakelijke hervormingen.
Bent u bereid om als reactie op deze Israëlische aankondiging alle handel en andere economische relaties met Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nederland ontmoedigt al jaren economische activiteiten van Nederlandse bedrijven die direct bijdragen aan de aanleg en instandhouding van illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Producten die zijn geproduceerd in illegale Israëlische nederzettingen komen daarnaast ook niet in aanmerking voor EU-handelsvoordelen. Nederland ziet toe op juiste etikettering van dergelijke producten. Het gemeenschappelijke handelsbeleid betreft een exclusieve EU-competentie. Nederland kan niet eigenstandig een handelsverbod invoeren. De Hoge Vertegenwoordiger Kallas heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 juni jl. aangegeven de Europese Commissie te zullen vragen om een analyse van de consequenties van het IGH-advies voor het beleid van de EU. Nederland verwelkomt dit voornemen en roept hier in EU-verband al langere tijd toe op, in lijn met motie van Baarle.6 De Staatssecretaris Buitenlandse Handel heeft als bekend op 30 juni aan uw Kamer toegezegd binnenkort terug te komen op het ontmoedigingsbeleid.
Hoe verhoudt deze stap zich tot de motie-Servaes, Knops en Sjoerdsma van 9 juni 2016, die oproept tot het nemen van maatregelen tegen partijen die vredesinitiatieven actief blokkeren? Acht u deze motie van toepassing op de huidige situatie? Zo nee, waarom niet?4
Motie-Servaes, Knops en Sjoerdsma van 9 juni 2016 is reeds afgedaan.8
Bent u bereid de Verenigde Naties (VN)-resoluties van september 2024, waarin staten worden opgeroepen om binnen 12 maanden effectieve stappen te nemen tegen de illegale bezetting, te implementeren met concrete beleidsmaatregelen, zoals sancties of exportrestricties? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 5 en 6. Tevens heeft het kabinet bijgedragen aan het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van 19 december 2024 over de implementatie van bovengenoemde resolutie van september 2024.9
Het burgerschip de Madleen die met humanitaire hulp richting Gaza vaart |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er ongewapende burgers aan boord zijn van het schip de Madleen, waaronder een Nederlandse burger, en dat de Madleen humanitaire hulp voor Gaza vervoert?
Ja.
Bent u bekend met het bericht van Israëlische defensieminister Katz dat de Israel Defense Forces (IDF) het schip de Madleen zal tegenhouden, met alle mogelijke middelen? Erkent u dat van deze uitspraak een dreiging uitgaat en dat de veiligheid van de Madleen daarmee niet gegarandeerd is, net zoals de vrije toegang van humanitaire hulp tot Gaza?
Ja. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten geïnformeerd over de aanwezigheid van een Nederlands staatsburger aan boord en Israël opgeroepen geen geweld te gebruiken tegen het schip en zijn opvarenden.
Erkent u dat de Israëlische regering humanitaire hulp moet toelaten tot Gaza en dat een blokkade daarvan onacceptabel is?
Ja.
Erkent u dat het blokkeren van humanitaire hulp en het inzetten van honger als wapen een oorlogsmisdaad is, en dat dus ook het blokkeren van de Madleen een oorlogsmisdaad is?
Het structureel blokkeren van humanitaire hulp voor de noodlijdende bevolking van de Gazastrook vormt een schending van het humanitair oorlogsrecht. Dit heeft Nederland dan ook veroordeeld. Het inzetten van honger als oorlogswapen is een oorlogsmisdrijf. De kwestie of Israël zich hier schuldig aan heeft gemaakt moet worden bekeken door onafhankelijke onderzoekers en juridische instanties, zoals het Internationaal Gerechtshof.
Nederland maakt zich ernstige zorgen over de aanhoudende voedselcrisis in de Gazastrook die wordt veroorzaakt door een schrijnend gebrek aan toegang van humanitaire hulp. Nederland meent dat Israël dergelijke toegang per ommegaande moet verlenen aan professionele, gemandateerde hulporganisaties zoals de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en de relevante internationale ngo’s. Er staan duizenden vrachtwagens met hulp klaar om de grens met de Gazastrook over te steken. De VN geven aan in staat te zijn heel de Gazastrook van voedsel en andere essentiële goederen te voorzien.
Erkent u dat het een plicht is van de Nederlandse overheid om Nederlandse burgers te beschermen, en dus ook de Nederlandse burger die zich bevindt op de Madleen?
De Nederlandse overheid heeft de verantwoordelijkheid om Nederlandse staatsburgers in het buitenland waar mogelijk consulaire bijstand te verlenen wanneer zij in moeilijkheden verkeren. Dit geldt ook voor de Nederlandse burger die zich op de Madleen bevond, aan wie prompt consulaire bijstand is verleend zodra deze daarom heeft verzocht. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt de situatie nauwgezet en verleent consulaire bijstand conform de geldende richtlijnen en mogelijkheden.
Bent u het ermee eens dat het blokkeren van de humanitaire hulp op de Madleen tot Gaza onacceptabel is, en dat het gebruik van geweld onacceptabel is?
De opvarenden hebben bevestigd dat de humanitaire hulp op de Madleen voornamelijk symbolisch van aard was. Voor het werkelijk lenigen van de extreme humanitaire noden in de Gazastrook is, naast een staakt-het-vuren, structurele en ongehinderde humanitaire toegang nodig voor professionele, gemandateerde hulporganisaties. Dat neemt niet weg dat het kabinet de zorgen van de opvarenden over de catastrofale humanitaire situatie in de Gazastrook deelt. Het kabinet blijft, zowel bilateraal als multilateraal, maximale druk uitoefenen op onmiddellijk herstel van humanitaire toegang over land door professionele en gemandateerde organisaties. Ook staat het kabinet in nauw contact met de humanitaire partnerorganisaties die hun essentiële werk proberen te doen in de Gazastrook.
Wat heeft u gedaan om de veiligheid van de Nederlandse burger aan boord van de Madleen te waarborgen en om toegang van de humanitaire hulp op de Madleen tot Gaza te bewerkstelligen? Heeft u contact gehad met de Israëlische regering over de Madleen? Welke boodschap heeft u afgegeven en wat is daarvan het resultaat geweest? Welke andere acties heeft u ondernomen om de Madleen en de Nederlandse burger aan boord te beschermen?
Nadat de Madleen was vertrokken, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Israëlische autoriteiten geïnformeerd over de aanwezigheid van een Nederlands staatsburger aan boord van het schip en Israël opgeroepen geen geweld te gebruiken tegen het schip en zijn opvarenden. Aan betrokkene is prompt consulaire bijstand verleend, zodra deze daarom heeft verzocht.
Welke acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat de humanitaire hulp op de Madleen niet wordt geblokkeerd en dat er geen geweld tegen de burgers op de Madleen zal worden gebruikt door de Israëlische regering? Als uw acties tot nu toe niet effectief zijn gebleken, welke andere acties gaat u dan inzetten? Wanneer gaat u over tot sancties, een wapenembargo, een handelsembargo, of andere maatregelen?
Zie antwoord vraag 7.
Gezien de ontwikkelingen die nu plaatsvinden, bent u bereid zich met spoed in te zetten voor de veiligheid en de toegang tot Gaza van de Madleen?
De Madleenis op maandag 9 juni 2025 onderschept en naar de haven van Ashdod gebracht. Op dit moment is geen sprake van een verdere veilige doorgang van de Madleen. Het staat zoals gezegd buiten kijf dat – naast een staakt-het-vuren – onmiddellijke, veilige en onvoorwaardelijke humanitaire toegang moet worden gefaciliteerd. Hiervoor blijft het kabinet zich onverminderd inzetten. Overigens moet worden opgemerkt dat voor de Gazastrook een rood reisadvies geldt.
Het bericht dat Israël burgers op het schip De Madleen associeert met terroristen en zegt alle nodige maatregelen te nemen tegen het schip en zijn passagiers |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een internationale groep burgers, waaronder een Nederlandse kapitein, met het schip «Madleen» Gaza nadert met hulpgoederen om de illegale belegering van Gaza te doorbreken en mensen van voedsel te voorzien?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht van het Israëlische ministerie waarin het de burgers op het schip associeert met terroristen en zegt alle nodige maatregelen te zullen nemen om het schip tegen te houden ook als het schip zich op internationale wateren bevindt?2
Ja.
Wat vindt u van deze reactie? Bent u ermee bekend dat de burgers aan boord van de Madleen om hulp vragen van o.a. de Nederlandse regering om ze te beschermen en dat de komende 24 uur cruciaal zijn?3
Het kabinet is bekend met de verschillende uitlatingen van leden van de Israëlische regering over de Madleen. Naar aanleiding hiervan heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Israëlische autoriteiten geïnformeerd over de aanwezigheid van een Nederlands staatsburger aan boord en Israël opgeroepen geen geweld te gebruiken tegen het schip en zijn opvarenden.
Bent u bereid u met spoed in te zetten voor de veiligheid van de Nederlandse burger aan boord van de Madleen en de rest van de burgers daar? Zo nee, waarom laat u onschuldige burgers in de steek?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt de situatie rondom de Madleennauwgezet en onderhoudt hierover contact met de betrokken autoriteiten. De Nederlandse burger aan boord van de Madleen heeft prompt consulaire bijstand van het ministerie ontvangen zodra deze daarom heeft verzocht. Vanwege de privacy van betrokkene kan het kabinet dit moment niet verder ingaan op de inhoud van de zaak.
Erkent u dat, ter voorkoming van genocide, kan worden gesteld dat staten gehouden zijn tot het verrichten van een absolute minimuminspanning om maatregelen te nemen die de toegang van noodhulp tot de burgerbevolking waarborgen? Zo ja, welke inspanningen levert Nederland ter ondersteuning van de Madleen, het schip dat noodhulp probeert te leveren aan Gaza? Zo nee, welke praktische inspanningen om noodhulp Gaza in te krijgen levert Nederland op dit moment dan wel?
De opvarenden hebben bevestigd dat de humanitaire hulp op de Madleen voornamelijk symbolisch van aard was. Voor het werkelijk lenigen van de humanitaire noden in de Gazastrook is, naast een staakt-het-vuren, structurele en ongehinderde humanitaire toegang nodig voor professionele, gemandateerde hulporganisaties. Dat neemt niet weg dat het kabinet de zorgen van de initiatiefnemers over de catastrofale humanitaire situatie in de Gazastrook deelt. Het kabinet blijft, zowel bilateraal als multilateraal, maximale druk uitoefenen op onmiddellijk herstel van humanitaire toegang over land door professionele en gemandateerde organisaties. Ook staat het kabinet in nauw contact met de humanitaire partnerorganisaties die hun essentiële werk proberen te doen in de Gazastrook.
Erkent u dat deze inspanningsverplichting groter is voor Nederland gezien de «goede relaties» die Nederland volgens het kabinet met Israël onderhoudt?
Een derde staat moet alle redelijkerwijs beschikbare maatregelen nemen om een mogelijke genocide naar vermogen te voorkomen. De reikwijdte van de verplichting voor derde staten hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide. Hierbij is onder meer de geografische afstand tot de gebeurtenissen en de sterkte van de politieke, militaire en financiële banden relevant.
Erkent u dat het feit dat burgers zich genoodzaakt voelen om per zeilschip hulpgoederen naar Gaza te brengen, laat zien dat de internationale gemeenschap – Nederland incluis – structureel tekortschiet in het waarborgen van humanitaire toegang tot Gaza?
Het kabinet deelt de zorgen over het grote menselijke leed in de Gazastrook. Er komt veel te weinig hulp binnen om de noden in de Gazastrook te lenigen, en de humanitaire situatie is sinds het verbreken van het staakt-het-vuren door Israël verder verslechterd. Voor het kabinet vormden onder meer de humanitaire blokkade en de intensivering van het offensief in de Gazastrook de aanleiding om de Israëlische ambassadeur te ontbieden en de Hoge Vertegenwoordiger te verzoeken om een evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël-Associatieakkoord. Dit zijn sterke politieke en diplomatieke signalen, waarmee het kabinet de druk op Israël opvoert om van koers te veranderen.
Bent u bereid om zich binnen de Europese Unie hard te maken voor een structurele, door de Verenigde Naties (VN) gecoördineerde humanitaire zee-corridor naar Gaza, waarin ook niet-gouvernementele initiatieven zoals de Gaza Freedom Flotilla bescherming en erkenning krijgen?
Voor Nederland is het van belang om maximale druk uit te oefenen op onmiddellijk herstel van humanitaire toegang over land naar de inwoners van de Gazastrook. Dit is de enige manier om hulp te bieden op de schaal die nodig is en heeft daarom prioriteit. De zeeroute is eerder onvoldoende effectief gebleken.
Welke diplomatieke maatregelen bent u op dit moment aan het voorbereiden voor het geval Israël daadwerkelijk overgaat tot het enteren of tegenhouden van de Madleen in internationale wateren?
De Madleenis op maandag 9 juni door Israël onderschept en naar de Israëlische haven van Ashdod gebracht.
Bent u bereid het onderscheppen van de Madleen, mocht dat plaatsvinden, krachtig te veroordelen en te pleiten voor internationale sancties of juridische stappen, gezien de ernstige aard van de schending?
Op dit moment is onvoldoende bekend over de onderschepping van het schip om tot een definitief oordeel te komen. Onderzoek door met name de vlaggenstaat, het Verenigd Koninkrijk, zou meer gegevens moeten opleveren.
Wat is uw reactie op de berichten dat de GPS-tracker van de Madleen doelbewust wordt gesaboteerd? Bent u bereid navraag te doen bij Israël of andere betrokken staten over mogelijke betrokkenheid bij deze sabotage?
Deze berichten heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken ook in de media gezien. Deze berichten zijn echter nog niet onafhankelijk bevestigd. In het kader van consulaire bijstand staat de ambassade in Tel Aviv in contact met de Israëlische autoriteiten over de omstandigheden van de onderschepping van de Madleen.
Bent u bereid publiekelijk steun uit te spreken voor het recht van burgers en organisaties om zich vreedzaam in te zetten voor humanitaire doeleinden en solidariteit te tonen met de Palestijnse bevolking, ook als dit betekent dat zij blokkades vreedzaam proberen te doorbreken?
Burgers hebben uiteraard het recht om solidariteit te tonen en zich vreedzaam in te zetten voor humanitaire doeleinden. Kritiek op de Israëlische blokkade van humanitaire hulp is terecht, en het kabinet kan zich goed verplaatsen in de wens van burgers een persoonlijke bijdrage te leveren aan verbetering van de humanitaire situatie in de Gazastrook. Echter, de kleurcode van het reisadvies voor de Gazastrook is rood. Met een rood reisadvies zegt het ministerie: wat uw situatie ook is, reis hier niet heen, het is er te gevaarlijk. Ook waarschuwt het ministerie in het reisadvies dat de Nederlandse overheid geen consulaire bijstand kan bieden in gebieden waar kleurcode rood geldt.
Ook vindt het kabinet het belangrijk dat veilige en ongehinderde humanitaire toegang wordt bewerkstelligd. Het herstel van toegang over land voor gemandateerde, professionele hulporganisaties zoals de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en hun partners wordt daarvoor gezien als het meest effectief. Zij staan met duizenden vrachtwagens klaar om hulp naar de Gazastrook te brengen. Het kabinet is van mening dat de Israëlische regering deze organisaties per ommegaande veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang moet verschaffen.
Bent u bereid het statement van de VN te ondersteunen waarin wordt gepleit voor het borgen van een veilige doorgang van de Madleen?4
De Madleen is op maandag 9 juni buiten de Israëlische territoriale wateren onderschept en naar de haven van Ashdod gebracht. Op dit moment is geen sprake van een verdere veilige doorgang van de Madleen. Wel staat buiten kijf dat voor het verhelpen van de humanitaire catastrofe in de Gazastrook, naast een staakt-het-vuren, structurele humanitaire toegang nodig is voor professionele, gemandateerde hulporganisaties.
Bent u bereid deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden gezien de noodsituatie?
Er is getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording.
Het artikel 'Organisatie meldt dat Israelische marine zeilboot Greta Thunberg heeft geënterd' |
|
Marieke Koekkoek (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Organisatie meldt dat Israëlische marine zeilboot Greta Thunberg heeft geënterd»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de actuele situatie van de Madleen en de opvarenden? Zo nee, wat doet u op dit moment om daarachter te komen? Zo ja, kunt u deze delen?
Ja. De Madleen is op maandag 9 juni door Israël onderschept en naar de Israëlische haven van Ashdod gebracht. Aan de Nederlandse burger aan boord van de Madleenis prompt consulaire bijstand verleend zodra deze daarom heeft verzocht. Vanwege de privacy van betrokkene kan het kabinet op dit moment niet verder ingaan op de inhoud van de zaak. In het kader van consulaire bijstand staat de ambassade in Tel Aviv in contact met de Israëlische autoriteiten over de precieze omstandigheden van de onderschepping van de Madleen.
Bent u bekend met het bericht dat de Madleen was omsingeld door drones, die het schip «bespuiten met een witte, verfachtige substantie»? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, en kunt u uitleggen hoe u tot uw oordeel komt?
Ja, het kabinet is bekend met dit bericht. Het interfereren met de normale navigatie van een schip in internationale wateren is niet toegestaan zonder geldige internationale rechtsgrond. Het kabinet beschikt niet over voldoende informatie ten aanzien van de omstandigheden van dit specifieke incident om hier verdere uitspraken over te doen.
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische militairen de zeilboot hebben geënterd?
Ja.
Bent u het eens dat dit een schending van het internationale recht is, en een schending van het recht op vrije doorgang op zee? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is onvoldoende bekend over de onderschepping van het schip om tot een definitief oordeel te komen. Onderzoek door met name de vlaggenstaat, het Verenigd Koninkrijk, zou meer gegevens moeten opleveren.
Welke strafbare feiten zou de Madleen volgens u plegen die rechtvaardigen dat Israëlische militairen de Madleen enteren? Indien geen, ben u het eens dat er geen rechtvaardiging is? Kunt u dit uitleggen?
Het schip bevond zich in internationale wateren in het kader van de uitoefening van de vrijheid van navigatie. Gelet op de exclusieve rechtsmacht van de vlaggenstaat, het Verenigd Koninkrijk, geldt aan boord van het schip alleen het strafrecht van het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet heeft geen kennis van eventuele strafbare feiten die zouden kunnen zijn begaan aan boord van het schip. Eventueel nader onderzoek door het Verenigd Koninkrijk zou dat moeten uitwijzen, indien nodig gevolgd door passende vervolgmaatregelen.
Welke acties heeft u ondernomen om te voorkomen dat Israëlische militairen de zeilboot zouden enteren?
Nadat de Madleen was vertrokken, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Israëlische autoriteiten geïnformeerd over de aanwezigheid van een Nederlands staatsburger aan boord en Israël opgeroepen geen geweld te gebruiken tegen het schip en zijn opvarenden.
Welke acties heeft u ondernomen nadat Israëlische militairen de Madleen hebben geënterd?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft prompt consulaire bijstand verleend aan de Nederlander die aan boord zat van de Madleenzodra deze daarom heeft verzocht. Vanwege de privacy van de betrokkene kan het kabinet op dit moment niet verder ingaan op de inhoud van de zaak.
Bent u bereid om de acties van het Israëlische leger ten strengste te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is het te vroeg hier definitieve uitspraken over te doen. In het kader van consulaire bijstand staat de ambassade in Tel Aviv in contact met de Israëlische autoriteiten over de precieze omstandigheden van de onderschepping van de Madleen.
Bent u voornemens om de ambassadeur van Israël te ontbieden over deze schending van het internationaal recht en al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat de opvarenden worden vrijgelaten? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het feit dat onder internationaal recht een schip, zijn bemanning en alle personen aan boord als een eenheid kan worden beschouwd, ligt het in de eerste plaats voor de hand dat het Verenigd Koninkrijk, als vlaggenstaat van de Madleen, opkomt voor mogelijke schendingen van het internationaal recht. Aangezien zich aan boord van het schip ook een Nederlander bevond, kan Nederland diplomatieke bescherming uitoefenen in overeenstemming met het internationaal recht en naleving daarvan door Israël eisen. Het kabinet is op dit moment niet voornemens de Israëlische ambassadeur hiervoor te ontbieden.
Bent u met uw Europese collega’s in contact om maximale druk uit te oefenen op de Israëlische regering en sancties in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld heeft het kabinet zorgen over de huidige koers van de regering-Netanyahu, specifiek ten aanzien van het optreden in de Gazastrook. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed uitgeoefend kan worden om de situatie op de grond te verbeteren. Over de vaart van de Madleen is tijdig contact geweest met voornamelijk Frankrijk, Duitsland en Zweden, die ook staatsburgers aan boord hadden.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twaalf uur beantwoorden?
Er is getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording.
Het bericht ‘Remco S. loopt nog altijd vrij rond in India na de moord op José’ |
|
Eric van der Burg (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Remco S. loopt nog altijd vrij rond in India na de moord op José»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Remco S. kan worden uitgeleverd aan Nederland zodat hij hier kan worden berecht? Zo ja, acht u dat wenselijk of stelt u het op prijs dat betrokkene in India wordt berecht en na veroordeling daar zijn straf uitzit?
Uw vraag ziet op een individuele zaak. Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, kan ik geen mededelingen doen.
In algemene zin merk ik op dat het land waar een feit gepleegd is primair rechtsmacht heeft. Voor een dergelijk feit gepleegd in het buitenland zou Nederland mogelijk rechtsmacht kunnen hebben mits er nog geen vervolging heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld wanneer een dader of slachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezit. Of uitlevering daadwerkelijk mogelijk is, hangt altijd af van de exacte feiten, omstandigheden, de juridische basis en nationale regelgeving, procedures en de inzet van een verzoekend land en een aangezocht land.
Is er diplomatiek contact geweest tussen India en Nederland over de zaak, en zo ja, wat heeft dat contact opgeleverd?
Over individuele consulaire zaken doet het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen mededelingen omwille van de privacy van betrokkenen. In algemene zin kan niettemin worden gesteld dat het ministerie nabestaanden en slachtoffers van misdrijven in het buitenland desgevraagd consulair ondersteunt. Het verlies van een dierbare door een geweldsmisdrijf in het buitenland is uiterst verdrietig en ingrijpend. Daar is consulair maatwerk op zijn plaats. Hoewel Nederland zich conform internationale afspraken niet kan mengen in een buitenlandse rechtsgang, kan het ministerie de betrokkenen wel steunen om een (lokale) advocaat te vinden die hen de benodigde juridische bijstand kan verlenen. Zowel de advocaat als de lokale autoriteiten, zoals de politie en het Openbaar Ministerie, beschikken over informatie om nabestaanden op de hoogte te houden van het verloop van een eventueel opsporingsonderzoek of een strafzaak. In voorkomende gevallen kan een Nederlandse post in contact treden met de advocaat van betrokkenen indien zij zulks verzoeken.
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van de Minister van Buitenlandse Zaken van eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Van Nispen (SP) over de nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India. Deze vragen werden ingezonden op 27 mei 2025 met kenmerk 2025Z08898 en zijn beantwoord op 2 juni 2025.
Hoe vaak is sinds de inwerkingtreding van het uitleveringsverdrag met India een verzoek aan India gericht en hoe vaak heeft India een verzoek tot uitlevering aan Nederland gericht?
Het uitleveringsverdrag tussen Nederland en India stamt uit 1898, destijds gesloten met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland. Dit verdrag is van toepassing verklaard bij de Briefwisseling tussen de Nederlandse en de Indiase regering inzake de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland tot uitlevering van misdadigers van 27 augustus 1971. Het aantal ingediende uitleveringsverzoeken is zeer gering. Met betrekking tot de doorlooptijd en het aantal afwijzingen kan ik geen verdere uitspraken doen.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een uitleveringsverzoek aan India en hoe vaak wordt een uitleveringsverzoek afgewezen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen zijn de afgelopen jaren gezet om de informatiepositie van slachtoffers en nabestaanden te verbeteren, zodat zij periodiek worden geïnformeerd over de voortgang van zaken waarin is verzocht om uitlevering van een verdachte?
De officier van justitie informeert het slachtoffer bij diverse belangrijke momenten in een strafzaak, zoals opgenomen in het Wetboek van Strafvordering, artikel 51ac. Als er sprake is van een verzoek tot uitlevering, kunnen slachtoffers daarover door de officier van justitie worden geïnformeerd, maar dit gebeurt niet standaard periodiek.
Uitleveringsprocedures kennen, net als in Nederland, in de regel diverse rechterlijke en niet-rechterlijke toetsmomenten en mogelijkheden tot beroep. Doorlooptijden van langer dan een jaar zijn dan ook niet uitzonderlijk. Nederland kan als verzoekende staat slechts zeer beperkt invloed hebben op procedures in het buitenland. Ook stelt de aangezochte staat de verzoekende staat niet altijd tot in detail op de hoogte van het verloop van de procedures. Indien er wel contact is met de aangezochte staat kan er sprake zijn van vertrouwelijke diplomatieke correspondentie. Daardoor kan niet altijd alle informatie met slachtoffers of nabestaanden worden gedeeld. In sommige gevallen wordt maatwerk toegepast als het gaat om het informeren van slachtoffers en nabestaanden. Dit alles is afhankelijk van de situatie en of de omstandigheden zich daarvoor lenen. Uiteindelijk staat het belang van het slagen van de uitleveringsprocedure voorop, om straffeloosheid te voorkomen.
Hoe wordt voorkomen dat een verdachte kan reizen met het paspoort van eeneiige tweelingbroer? Onder welke omstandigheden kan ook de eeneiige tweelingbroer worden gesignaleerd?
In algemene zin kan ik opmerken dat een signalering alleen mogelijk is met betrekking tot een individu dat wordt gezocht voor strafbare feiten.
Bent u bereid met de nabestaanden in deze zaak in gesprek te gaan mochten zij dat wensen?
Ik wil mijn medeleven betuigen aan de familie met het tragische verlies van hun geliefde. Contact met nabestaanden over informatie in individuele zaken loopt in principe via het Openbaar Ministerie.
Kunt u aangeven op welke termijn slachtoffers en nabestaanden van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven die zijn gepleegd buiten de Europese Unie in landen zoals India een tegemoetkoming kunnen krijgen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven en kunt u de Kamer hierover voor het commissiedebat over slachtofferbeleid op 18 juni 2025 informeren?
Alleen als het gewelds- of zedenmisdrijf in Nederland of aan boord van een Nederlands (lucht)vaartuig heeft plaatsgevonden, komen slachtoffers en nabestaanden in aanmerking voor een tegemoetkoming van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.2 Onder Nederland wordt ook verstaan de territoriale wateren van Nederland. Indien het misdrijf in het buitenland, zoals in de onderhavige casus in India, heeft plaatsgevonden, komen de slachtoffers en nabestaanden niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. In de derde Voortgangsbrief Slachtofferbeleid van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 15 april 2024 is melding gemaakt van de pilot Fonds Buitenland.3 Van 1 mei 2021 tot 1 april 2023 konden nabestaanden van Nederlandse geweldsslachtoffers, die als gevolg van het misdrijf in een financiële noodsituatie waren beland en niet in aanmerking kwamen voor andere financiële hulp, in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming van het Fonds Slachtofferhulp. De resultaten van de pilot zijn betrokken bij de verkenning om een proeftuin te starten bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor Nederlanders die in België en Duitsland slachtoffer zijn geworden van een geweldsmisdrijf. Inmiddels is duidelijk geworden dat een deugdelijke juridische basis hiervoor ontbreekt en dat daarvoor de wet Schadefonds Geweldsmisdrijven moet worden aangepast. De Staatssecretaris Rechtsbescherming is voornemens de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven te gaan herzien. In dat kader zal hij nogmaals kijken naar dit punt.
Het bericht dat de burgemeester van Eindhoven alarm slaat over het antisemitisch geweld in Eindhoven |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de burgemeester van Eindhoven alarm slaat over het antisemitisch geweld in zijn stad? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ja. Het bewijst helaas dat een actief betrokken overheid bij de bestrijding van antisemitisme nodig blijft.
Kunt u aangeven hoe in het publieke en politieke debat vorm gegeven kan worden aan de door de Eindhovense burgemeester geuite hartenwens om onze gedeelde waarden zwaarder te laten wegen dan onze voorkeuren, achtergronden of overtuigingen? Welke rol ziet u hierin voor uzelf weggelegd?
Ik onderschrijf de uitspraak van burgemeester Dijsselbloem. Ik zie het als mijn taak en verantwoordelijkheid als Minister van Justitie en Veiligheid om me daar, in voorkomende gelegenheden, ook publiekelijk over uit te spreken. Lokale bestuurders kunnen wat dat betreft rekenen op mijn steun.
Wat is de stand van zaken in de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030? Bent u bereid om in overleg te gaan met (vertegenwoordigers van) burgemeesters of, en zo ja in hoeverre deze strategie burgemeesters de mogelijkheid geeft om invulling te geven aan hun verbindende verantwoordelijkheid?
Over de stand van zaken in de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 is uw Kamer onlangs per brief geïnformeerd.2 Concrete lokale maatregelen liggen bij het lokaal gezag, maar ik ben altijd bereid in gesprek te gaan met gemeenten over de aanpak van antisemitisme.
Kunt u aangeven hoe ingespeeld wordt op aangiften van deze en vergelijkbare delicten van antisemitische vernielingen, beledigingen en bedreigingen? Wat is bijvoorbeeld het ophelderingspercentage? Hoeveel aangiften leiden uiteindelijk tot een uitspraak van de strafrechter?
In algemene zin is het zo dat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie, waaronder strafbare feiten gericht tegen Joden vanwege hun godsdienst of discriminatie gericht tegen Joden als etnische groep, geprioriteerd is.
Dit betekent dat bij een aangifte het Openbaar Ministerie bij een haalbare en bewijsbare zaak in beginsel over zal gaan tot vervolging. In de artikelen 137c tot en met 137g en 429quater Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende discriminatiedelicten omschreven, zoals groepsbelediging en het aanzetten tot haat, geweld en discriminatie. Dit zijn de specifieke discriminatiefeiten.
Daarnaast is in de OM-Aanwijzing discriminatie het vervolgingsbeleid neergelegd gericht op de aanpak van discriminatie. Dit beleid ziet onder meer ook op commune delicten met een discriminatie-aspect. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een vernieling van een synagoge of het bedreigen of mishandelen van iemand omdat diegene Joods is. Bij deze delicten heeft het feit dat iemand Joods is als motief of aanleiding een rol gespeeld om het delict te plegen, of is het gebruikt om het delict indringender te plegen. Bij deze delicten is – net als bij andere commune delicten met een discriminatieaspect – het uitgangspunt van de strafvorderingsrichtlijn van het OM dat een strafverzwaring van 100% wordt toegepast in de eis van de officier van justitie. Vanaf 1 juli jl. is dit beleid ingebed in het nieuwe artikel 44bis Sr, waarmee een wettelijk verankerde strafverzwaringsgrond in het leven wordt geroepen.
Waar het de opvolging door onder andere politie en Openbaar Ministerie betreft, bieden de in april jl. gepubliceerde rapporten «Strafbare discriminatie in beeld 2024» van het Openbaar Ministerie en «Discriminatiecijfers in 2024» van de lokale antidiscriminatievoorzieningen, politie en enkele andere organisaties de meest recente gegevens. Daaruit kan opgemaakt worden dat er in 2024 bij de politie 880 incidenten onder noemer antisemitisme geregistreerd zijn. In 88 gevallen was sprake van bedreiging, er waren 78 bekladdingen, 7 incidenten waarbij mensen bespuugd zijn, zes gevallen van geweld, 36 keer geweld in combinatie met een discriminatoire uitlating, 8 pesterijen, 607 antisemitische uitlatingen, 37 vernielingen, 2 weigeringen en 11 overige, verder niet gekwalificeerde incidenten met antisemitisch aspect. Bij het OM is in datzelfde jaar 80 keer de discriminatiegrond antisemitisme geregistreerd voor specifieke discriminatiefeiten. Bij zogenaamde codis-feiten gaat het om 69 registraties. Codis-feiten zijn commune delicten, zoals vernieling, bedreiging of mishandeling, gepleegd met een discriminatoir aspect. Er zijn bij het OM in 2024 in totaal 37 feiten ingestroomd die in verband staan met het conflict tussen Israël en Hamas sinds 7 oktober 2023. Het ging hierbij om 11 specifieke feiten en 26 codis-feiten, waarvan in totaal 5 feiten werden gepleegd tijdens een demonstratie. In 31 gevallen ging het om gedragingen tegen of uitingen over (personen uit) Israël of met een Joodse afkomst. Hierbij is de discriminatiegrond antisemitisme geregistreerd. Omdat antisemitisme geen kwalificatie met een wettelijke grondslag is, is niet altijd te achterhalen in hoeveel gevallen een verdachte veroordeeld is vanwege het antisemitische karakter van zijn of haar gedraging.
Welke maatregelen neemt u zich voor om burgemeesters te faciliteren in het voeren van een effectief beleid voor het voorkomen en bestrijden van antisemitisme?
Vooralsnog is de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030,3 die samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) is opgesteld, leidend wat de inzet van het kabinet betreft. Deze bevat een aantal maatregelen met gemeenten als focuspunt. Te noemen zijn:
Ook in het belang van gemeenten is de voortzetting van de aanpak «Ons Voetbal Is Van Iedereen» (OVIVI) en «Onze Club Is Van iedereen» (OCIVI) van de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Justitie en Veiligheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met de KNVB en NOC*NSF en andere maatregelen gericht op het tegengaan van discriminatie en antisemitisme in de sport en dan met name rond professioneel voetbal.
Daarnaast heeft de gemeente Amsterdam, binnenkort gevolgd door gemeente Den Haag, het steunpunt Holocausteducatie opgericht waar docenten terecht kunnen met vragen over Holocausteducatie.
Afgezien van deze specifieke maatregelen staan burgemeesters en gemeenten verschillende, generieke door de overheid gecreëerde structuren bij, ingericht op het tegengaan van discriminatie en antisemitisme ter beschikking. Daarbij is te denken aan het reeds aangehaalde stelsel van antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s). Daarnaast zijn er binnen de politie ook structuren voor het tegengaan van discriminatie zoals het Expertise Centrum Anti-Discriminatie van de politie (ECAD-P) en – heel specifiek – het Netwerk Divers Vakmanschap waaronder ook het Joods Politie Netwerk.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, ben ik altijd bereid in overleg met gemeenten te treden over concrete maatregelen om de aanpak gericht op het tegengaan van antisemitisme, binnen en buiten het kader van de Strategie, verder te versterken.
Betrokkenheid van de rijksoverheid is niet voorwaardelijk aan het voeren van een effectief beleid gericht op het voorkomen en bestrijden van antisemitisme op lokaal niveau. Het staat gemeenten, binnen de bestaande juridische kaders, verantwoordelijkheden en bevoegdheden geheel vrij om naar eigen inzicht vorm te geven aan hierop gericht beleid.
De aanstaande Tussenevaluatie Wet herziening partneralimentatie en de nog altijd bestaande ongelijkheid op de arbeidsmarkt tussen vrouwen en mannen |
|
Michiel van Nispen |
|
Struycken |
|
Bent u bekend met de recente cijfers die aantonen dat de arbeidsmarktpositie van vrouwen achterblijft bij die van mannen?1
Ja.
Bent u tevens bekend met de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die aantonen dat dit in nog grotere mate geldt voor vrouwen met een chronische ziekte of beperking, oudere vrouwen en vrouwen met een migratieachtergrond, die over het algemeen minder makkelijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt?2
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten op welke wijze deze cijfers en trends worden meegewogen in de aankomende tussenevaluatie van de Wet herziening partneralimentatie?
De tussenevaluatie van de Wet herziening partneralimentatie3, vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2020, is toegezegd naar aanleiding van de door de Eerste Kamer uitgesproken zorg dat de in het wetsvoorstel opgenomen evaluatie van de wet binnen acht jaar na inwerkingtreding te laat zou kunnen zijn om eventuele problemen tijdig te kunnen signaleren.4 In de tussenevaluatie wordt informatie verzameld ten aanzien van de volgende punten:
De tussenevaluatie zet daarnaast in op het ontwikkelen van een evaluatiekader en het (retrospectief) uitvoeren van een nulmeting. Dit dient ter voorbereiding op de eindevaluatie die in 2027 zal plaatsvinden en maakt het mogelijk om in de eindevaluatie zorgvuldig de effecten van de wet te meten.
Ik heb met inachtneming van de hiervoor geldende regels het WODC benaderd in het kader van deze specifieke Kamervraag en kan melden dat de genoemde cijfers in algemene zin worden betrokken bij de tussenevaluatie. De tussenevaluatie bevindt zich momenteel in de afrondende fase. Ik verwacht de tussenevaluatie in het derde kwartaal aan uw Kamer te kunnen toesturen.
Deelt u de opvatting dat de verkorting van de alimentatieduur het risico vergroot dat vrouwen structureel financieel benadeeld worden?
Tijdens de parlementaire behandeling van het initiatiefwetsvoorstel herziening partneralimentatie is door de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming in de Tweede Kamer aangegeven5 dat een lange alimentatieduur op zich niet bevorderlijk is voor de economische zelfstandigheid van alimentatiegerechtigden, meestal vrouwen. Daarbij is vermeld dat het goed is als alimentatiegerechtigden die zich tijdens het huwelijk niet of minder op de arbeidsmarkt hebben gericht, zich bij een scheiding inspannen om binnen een redelijke termijn weer of meer te gaan werken. Bij de verkorting van de duur is door de initiatiefnemers rekening gehouden met twee specifieke groepen alimentatiegerechtigden: alimentatiegerechtigden met de zorg voor jonge kinderen (tot de leeftijd van 12 jaar) en alimentatiegerechtigden met een huwelijk van 15 jaar of langer die minder dan 10 jaar verwijderd zijn van de AOW-leeftijd. Daarnaast is een (overgangs)regeling getroffen voor alimentatiegerechtigden geboren op of vóór 1 januari 1970 die nog meer dan 10 jaar van de AOW-leeftijd verwijderd zijn op het moment van het indienen van het verzoek tot echtscheiding. Zij vormen kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt en voor hen geldt daarom een langere alimentatieduur. Daarnaast kan op grond van de in de wet opgenomen hardheidsclausule verlenging van een geldende termijn worden gevraagd.
Zoals hiervoor in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, wordt in de tussenevaluatie gekeken naar de ontwikkeling van de economische zelfstandigheid van ex-partners en naar de financiële gevolgen van de verkorting van de alimentatieduur voor het Rijk.
Ik wacht de uitkomsten van de tussenevaluatie af voor een mogelijke standpuntbepaling over deze ontwikkelingen.
Heeft u inzicht in hoeveel gescheiden vrouwen na afloop van de alimentatietermijn afhankelijk worden van overheidsvoorzieningen? Zo nee, hoe gaat dat inzicht verkregen worden?
Zoals in het antwoord op vraag 3 en 4 is toegelicht, wordt in de tussenevaluatie onderzocht hoe de economische zelfstandigheid van ex-partners (met name vrouwen) zich ontwikkelt. Ook wordt onderzocht wat de financiële consequenties van de regeling voor het Rijk zijn, bijv. wat betreft de kosten inzake toeslagen, bijstand en de opbrengsten betaalde arbeid. Ik wacht daarom de resultaten van de tussenevaluatie af.
Deelt u de zorg dat door de verkorting van de alimentatieduur het risico ontstaat dat de minder welvarende partner onvoldoende tijd krijgt om deze achterstand in te lopen en een beroep moet doen op sociale voorzieningen zoals de bijstand en dus overheidsmiddelen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting dat dit een ongewenste ontwikkeling is vanuit het perspectief van publieke uitgaven en lasten?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten op welke wijze in de tussenevaluatie wordt onderzocht of de verkorte alimentatietermijn leidt tot hogere instroom in de bijstand?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt binnen de evaluatie ook onderzocht of partners na het huwelijk de achterstand op de arbeidsmarkt daadwerkelijk hebben kunnen inhalen?
Op grond van de hoofdregel van de Wet herziening partneralimentatie geldt een alimentatieduur die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar (art. 1:157, eerste lid, BW). Deze periode is beschikbaar om ervoor te zorgen dat men in het eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast gelden er voor enkele groepen langere termijnen (art. 1:157, tweede tot en met vierde lid, BW). Aan de rechter kan verder verlenging van de alimentatietermijn worden gevraagd door middel van een beroep op de hardheidsclausule (art. 1:157, zevende lid, BW).
In zowel de tussenevaluatie als eindevaluatie zal aan de orde komen of partners na het beëindigen van de partneralimentatietermijn in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien of dat zij een beroep moeten doen op bijvoorbeeld de bijstand. Hierbij wordt niet specifiek gekeken naar het inhalen van een achterstand op de arbeidsmarkt. Compensatie voor het verlies aan verdiencapaciteit is nadrukkelijk niet het doel van de Wet herziening partneralimentatie.6 Het onderzoeken van het inhalen van een achterstand vereist bovendien dat er met betrekking tot de betreffende partner ook een uitgangspositie op de arbeidsmarkt van voor het huwelijk bekend is. Dat is niet altijd het geval en moeilijk te kwantificeren in het kader van een onderzoek. Dit maakt het lastig om deze vraag te onderzoeken.
Heeft u inzicht in de sociaaleconomische gevolgen van het ontbreken van co-ouderschap voor de financiële zelfstandigheid van vrouwen?
Uit het WODC-onderzoek Omgangsregeling tussen ouders na scheiding7 blijkt dat als de ouders na scheiding de zorgtaken (blijven) delen waarbij de zorg voor het kind duidelijk is beperkt tot de dagen waarop het kind bij de betreffende ouder woont, de ouder de overige tijd kan gebruiken voor onder andere werk, wat het carrièreperspectief van deze ouder kan bevorderen.8 Co-ouderschap kan helpen om ouders meer ruimte te bieden om te werken. Als co-ouderschap ontbreekt zou hiervoor minder ruimte kunnen bestaan. Uit het genoemde onderzoek blijkt verder ook dat een co-ouderschapsregeling relatief vaak gekozen wordt door hoogopgeleide tweeverdieners en dus minder door lager opgeleide tweeverdieners.9 Onder meer het welvaartsniveau van ouders speelt daarbij een rol: hoe hoger het gezinsinkomen was voor de scheiding, hoe dichter de ouders na de scheiding bij elkaar in de buurt (kunnen) blijven wonen.10
Deelt u de mening dat bij de evaluatie van de Wet herziening partneralimentatie aandacht moet worden besteed aan de vraag of de werkelijkheid reflecteert met het uitgangspunt dat co-ouderschap de norm is? Hoe vaak worden hiervan afwijkende afspraken gemaakt? Als die gegevens er niet zijn, hoe zullen die worden verkregen?
In de tussenevaluatie wordt co-ouderschap niet onderzocht. Dit is geen onderwerp dat door de Eerste Kamer is verzocht in de tussenevaluatie mee te nemen (zie de reactie op vraag11.
Wel ben ik bereid om het WODC te vragen het onderwerp co-ouderschap, indien mogelijk, te betrekken bij de nog uit te voeren eindevaluatie in 2027.
Ik hecht er hierbij wel aan om de veronderstelling in deze vraag dat co-ouderschap de norm is te nuanceren. Op grond van art. 1:247, vierde lid, BW behoudt een kind over wie de ouders gezamenlijk gezag uitoefenen na een scheiding van de ouders het recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Uit deze norm vloeit geen verplichting tot co-ouderschap voort. Ouders kunnen in het ouderschapsplan afspraken maken en zelf invulling geven aan gelijkwaardig ouderschap.12 Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en de belangen van het kind zal een zorgregeling kunnen worden vastgesteld.13 Ook door de Hoge Raad is geoordeeld dat de gelijkwaardigheid van de ouders niet verplicht tot een gelijke (50%-50%) verdeling van de tijd die het kind bij elke ouder doorbrengt. Het belang van het kind is bij de afweging van belangen een overweging van de eerste orde.14 In het in het antwoord op vraag 10 genoemde WODC-onderzoek Omgangsregeling tussen ouders na scheiding is onderzocht of het wenselijk zou zijn om als wettelijk uitgangspunt in te voeren dat de zorgrechten en -plichten na scheiding in beginsel gelijk worden verdeeld over beide ouders. In de beleidsreactie van 17 december 202015 heeft de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming aangegeven dat het literatuuronderzoek geen aanleiding geeft te veronderstellen dat een dergelijk wettelijk uitgangspunt de belangen van kinderen en ouders dient. Volgens de onderzoekers is het waarschijnlijk dat ouders een wettelijk uitgangspunt als het hoogst haalbare gaan beschouwen waaraan zij rechten kunnen ontlenen. In dat geval kan worden voorbijgegaan aan wat het beste is voor het kind. Per situatie moet worden vastgesteld wat de gelijkwaardige verzorging en opvoeding precies inhoudt.
Van de ouders die in 2010 uit elkaar gingen koos, blijkens cijfers van het CBS, meer dan een kwart (27 procent) vlak na de scheiding voor co-ouderschap. Bij het merendeel van deze stellen (80 procent) was deze regeling ook twee jaar later nog de dagelijkse praktijk.16 Uit onderzoek van het CBS uit 2020 blijkt dat van de ouderparen die in 2014 uit elkaar gingen twee derde vlak na de scheiding minder dan 5 kilometer uit elkaar woonden, waarvan 44 procent zelfs minder dan 2 kilometer. Het merendeel bleef in de jaren na de scheiding zodanig bij elkaar in de buurt wonen dat beide ouders actief betrokken zouden kunnen blijven bij de zorg voor de kinderen.17 Uit onderzoek van de vereniging van Familie- en erfrecht Advocaten Scheidingsmediatoren (vFAS)18 uit 2020 blijkt dat inmiddels één op de drie ex-partners kiezen voor co-ouderschap. In 39% van de gevallen draagt één ouder de voornaamste zorg over de kinderen, en is er met de andere ouder een beperkte omgangsregeling.
Weet u op welke wijze bij de evaluatie aandacht zal worden besteed aan de effectiviteit van de in wet opgenomen afwijkende afspraken in het tegengaan van onrechtvaardige uitkomsten? Zo nee, hoe zal dat inzicht verkregen worden?
Partners kunnen afspraken maken over de duur van de partneralimentatie om ongerechtvaardigde uitkomsten tegen te gaan. Zij kunnen een kortere of langere termijn afspreken dan de termijn die uit de wettelijke bepalingen zou volgen. Deze afspraken vormen geen onderwerp van onderzoek van de tussenevaluatie (zie voor de onderzoeksvragen van de tussenevaluatie het antwoord op vraag19.
Ik ben bereid het WODC te vragen om te bezien of het maken van afwijkende afspraken tussen partijen als een mogelijk neveneffect van de wet kan worden onderzocht in de eindevaluatie.
Heeft u inzicht in de sociaaleconomische gevolgen voor ongehuwde partners met kinderen, ongehuwde samenwonenden waarvan één partner mantelzorg verleent en andere vormen van ongelijke verdeelde zorgtaken na relatiebeëindiging?
Voor ongehuwd samenwonenden bestaat geen wettelijke onderhoudsplicht en gelden de bepalingen inzake het huwelijksvermogensrecht niet. Partners die niet kiezen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap hebben in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid om met betrekking tot hun relatie afspraken te maken en financiële zaken te regelen, al dan niet in de vorm van een samenlevingsovereenkomst. Een onderhoudsverplichting kan onderdeel uitmaken van die afspraken.
In het uit 2011 stammende rapport «Koude uitsluiting – Materiële problemen en onbillijkheden na scheiding van in koude uitsluiting gehuwde echtgenoten en na scheiding van ongehuwd samenlevende partners, alsmede instrumenten voor de overheid om ze tegen te gaan»20 is onder andere onderzocht wat de aard en omvang is van de problematiek van scheiding van ongehuwd samenlevende partners. Omdat onderzoek naar problemen en achterstanden onder scheidende partners in het algemeen laat zien dat de meeste materiële problemen voorkomen onder scheidende vrouwen met kinderen, is in het rapport over koude uitsluiting gekeken naar eenoudergezinnen met kinderen.
Uit het rapport over koude uitsluiting blijkt dat ook ongehuwd samenlevende vrouwen met kinderen tijdens hun relatie een blijvende inkomens- en carrière-achterstand oplopen, maar dat zij financieel minder afhankelijk lijken te zijn van hun partners te zijn dan gehuwde vrouwen. Dat hangt volgens de onderzoekers wellicht samen met hun hogere opleidingsniveau. Na een scheiding daalt de koopkracht van samenlevende vrouwen met kinderen aanzienlijk minder (14%) dan die van gehuwde vrouwen (21%).21
Op welke wijze wordt deze groeiende groep ongehuwden betrokken bij de tussenevaluatie van de wet?
De Wet herziening partneralimentatie geldt voor gehuwde en geregistreerde partners en niet voor de groep niet-gehuwde en niet-geregistreerde partners die uit elkaar gaan. Er is dan ook geen reden om deze groep bij de (tussen)evaluatie te betrekken. Zie voor de onderzoeksvragen van de tussenevaluatie de reactie op vraag 3.
Bent u bereid om, als de tussenevaluatie daar aanleiding toe geeft, de hardheidsclausule te herzien en te overwegen om een ruimer toetsingskader te hanteren zodat meer groepen daaronder zouden kunnen vallen, hetgeen ook een wens is van bureau Clara Wichmann?3 Zo nee, waarom niet?
Ik wacht de uitkomsten van de tussenevaluatie af. Ik wil hier niet op vooruitlopen.
Het artikel 'Europese Unie stelt in gelekt rapport zèlf oorlogsmisdaden in Gaza vast, toch blijft het stil over sancties tegen Israël' |
|
Derk Boswijk (CDA), Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA), Jan Paternotte (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Europese Unie stelt in gelekt rapport zèlf oorlogsmisdaden in Gaza vast, toch blijft het stil over sancties tegen Israël»?1
Ja.
Betreft dit artikel het rapport van de Europese Unie (EU) Speciaal Gezant waar u naar verwees in uw brief aan Hoge Vertegenwoordiger Kaja Kallas, d.d. 6 mei 2025?
Ja.
Deelt u de conclusie van het rapport dat Israël systematisch burgerdoelen bombardeert en dat dit een duidelijke schending is van het internationaal humanitair oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het rapport trekt zelf deze conclusie niet, maar verwijst wel naar conclusies van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) op dit punt. Het kabinet heeft meermaals aangegeven dat het bombarderen van burgerobjecten in Gaza een duidelijke schending is van het humanitair oorlogsrecht. Samen met de conclusie van de Europese Dienst voor Extern Optraden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord, heeft het kabinet besloten zowel nationaal alsmede via het EU-spoor maatregelen te nemen.
Deelt u de conclusie van het rapport dat Israël uithongering inzet als oorlogswapen en dat dit een duidelijke schending is van het internationaal humanitair oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het rapport trekt zelf deze conclusie niet, maar verwijst wel naar conclusies van de OHCHR op dit punt. Het kabinet deelt in algemene zin de conclusie dat de inzet van honger als methode van oorlogvoering nooit mag en een duidelijke schending is van het internationaal humanitair recht.
Vindt u dat het rapport voldoende bewijs geeft dat Israël in overtreding is van artikel twee van het Associatieverdrag met de Europese Unie, waarin beide partijen zich committeren aan het respecteren van mensenrechten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt de constateringen van de rapporten van de Speciaal Vertegenwoordiger voor mensenrechten zeer serieus. Het kabinet heeft de inhoud van de rapporten dan ook meegewogen in het besluit om een evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het associatieakkoord te initiëren. Deze evaluatie is reeds uitgevoerd en besproken tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 juni jl. De Kamer is hier middels het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van juni 2025 over geïnformeerd2: de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) heeft geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord. Ook het recente voorstel van de Europese Commissie tot opschorting van de samenwerking tussen Israël en de European Innovation Council (EIC), een onderdeel van Horizon Europe, het grootste onderzoeks- en innovatieprogramma van de EU, onderschrijft deze conclusie. Hierop volgend heeft het kabinet besloten zowel nationaal alsmede via het EU-spoor maatregelen te nemen. Hier is uw Kamer over geïnformeerd middels een brief op 28 juli jl.3
Staat u open voor opschorting van de handelsvoordelen die Israël geniet onder het EU-Israël Associatieverdrag, als consequentie voor de schending van het verdrag door Israël? Zo nee, waarom niet?
Ja, in lijn met de Kamerbrief van 28 juli jl.4 pleit Nederland voor een opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. Het kabinet zet zich in de daarvoor geëigende Brusselse gremia en in relevante bilaterale contacten met andere EU-lidstaten momenteel hiervoor in.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en voor woensdag 18 juni beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Het is helaas niet gelukt deze voor 18 juni te beantwoorden.
Het bericht dat de kraamzorg in Nederland onder druk staat |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de kraamzorg in Nederland onder druk staat?1
Ik vind het belangrijk dat zwangeren en hun partners de zorg krijgen die zij nodig hebben, om zo bij te dragen aan een goede start, voor zowel ouder als kind. Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem dat ook de kraamzorg al enige tijd raakt, met name in de zomer. De reden hiervan is de combinatie van een piek in bevallingen tijdens de zomermaanden, de vakantieperiode, het tekort aan kraamverzorgenden en ziekteverzuim. Ik vind het belangrijk dat de kwaliteit en continuïteit van zorg zoveel als mogelijk geborgd is en daarom is de transitie naar passende kraamzorg hard nodig.
Beseft u dat de huidige werkdruk, slechte werkomstandigheden en magere vergoeding ervoor zorgen dat het vak van kraamverzorger steeds onaantrekkelijker wordt?
Ik ben op de hoogte van de capaciteitsproblemen die al langere tijd spelen en de uitdagingen die er zijn rondom de werkdruk en vergoeding in de sector. Ook kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars zien dat een transitie nodig is om te komen tot een toekomstbestendige sector. Daarom hebben Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg een gezamenlijke toekomstvisie opgesteld, die verder wordt uitgewerkt in de versnellingsagenda kraamzorg2. Hierin wordt onder andere ingezet op goede loopbaanontwikkeling en voorwaarden in de werkomgeving. Daarnaast is ook het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden hier expliciet onderdeel van. Ik waardeer de inzet van de betrokken partijen en zie dat er stappen gezet worden, om te komen tot een toekomstbestendige sector. Van Bo Geboortezorg heb ik vernomen dat de sector de vaststelling van de herijkte tarieven naar aanleiding van het kostenonderzoek voor 2026 afwacht, alvorens de gesprekken met de vakbonden over de loonontwikkeling 2025–2026 te hervatten. Het is aan werkgevers en werknemers om hier afspraken over te maken.
Beseft u dat de tekorten in de kraamzorg die daardoor zijn ontstaan ervoor zorgen dat mensen steeds vaker niet de juiste zorg voor hun pasgeboren baby kunnen krijgen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft aangegeven geen feitelijke informatie te hebben of de tekorten vaker leiden tot het niet leveren van de juiste org. Wel signaleerde de IGJ in 2023 al dat er tekorten in de kraamzorg zijn3. Diezelfde tekorten signaleren zij nog steeds.
ZN heeft aangegeven een daling van het aantal geleverde uren fysieke kraamzorg thuis te zien. Tegelijkertijd zien zij dat deze uren beter verdeeld worden over de cliënten. Aanbieders rapporteren diverse oorzaken4 voor de daling van het aantal geleverde uren, waaronder knelpunten zoals capaciteitsproblemen, krapte en de eigen bijdrage, maar ook bevorderende factoren zoals zorg op maat, mantelzorg en een bewuste keuze van de cliënt. Helaas is over de cliëntkeuze geen kwantitatieve analyse beschikbaar. Gezinnen die er ondanks hun wens niet in slagen om kraamzorg te ontvangen, kunnen zich melden bij zorgbemiddeling van hun zorgverzekeraar.
In de convenantafspraken 2024–2025 is afgesproken dat bij schaarste de beschikbare capaciteit aan kraamzorguren zodanig wordt gespreid, dat alle verzekerden in ieder geval minimaal 24 uur kraamzorg ontvangen. Hiermee wordt de continuïteit van de hoogstnoodzakelijke zorg gewaarborgd. De overige uren worden, waar mogelijk, verdeeld over hen die dit het hardst nodig hebben.
Beseft u dat het dringend nodig is om zo snel mogelijk de werkdruk, werkomstandigheden en vergoeding te verbeteren voor zorgverleners in de kraamzorg?
Zoals aangegeven ben ik op de hoogte van de capaciteitsproblemen in de sector en zie ik dat het veld, samen met zorgverzekeraars, werkt aan de transitie naar een toekomstbestendige sector. De sector staat hierin voor een grote opgave met vele aspecten. Om daar te komen is onder andere een convenant afgesloten en wordt gewerkt aan de versnellingsagenda tussen verzekeraars en aanbieders. Ik volg deze ontwikkelingen nauwgezet.
Wat bent u van plan om de crisis in de kraamzorg aan te pakken?
Ik vind het van belang dat de continuïteit en toegankelijkheid van kraamzorg geborgd is. Hiervoor zijn in eerste instantie zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders aan zet. Een transitie is hard nodig om te komen tot een toekomstbestendige sector. Daarom sta ik in nauw contact met Bo Geboortezorg, ZN, de toezichthouders (NZa en IGJ) en het Zorginstituut Nederland. De eerste stappen voor deze transitie zijn gezet door onder andere het convenant, de visie en bijhorende versnellingsagenda. De beweging naar passende kraamzorg krijgt hiermee structureel vorm.
Ik zie dat de betrokken partijen zich maximaal inzetten om de uitdagingen binnen de kraamzorg op te lossen. Ik blijf de voortgang van de genomen maatregelen volgen. Mochten de partijen daarbij tegen belemmeringen aanlopen, dan ben ik bereid daar serieus naar te kijken.