Het bericht 'Werkgevers: bedrijven verplaatsen nieuwe investeringen naar het buitenland' |
|
Tjeerd de Groot (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van werkgeversorganisaties over het ondernemingsklimaat in Nederland?1
Ja. Het kabinet is bekend met de zorgen van werkgeversorganisaties over het ondernemingsklimaat in Nederland. Ik spreek hier ook regelmatig over met het bedrijfsleven en stakeholders zoals onder andere VNO-NCW, MKB-NL en ONL.
Kunt u in kaart brengen hoeveel en mogelijk welke bedrijven nieuwe investeringen doen in het buitenland in plaats van Nederland, of dit overwegen? Wat zijn hiervoor de voornaamste drijfveren?
Hoeveel en mogelijk welke bedrijven nieuwe investeringen doen in het buitenland in plaats van Nederland, of dit overwegen is lastig in exacte aantallen te vatten. Bedrijven zijn immers niet verplicht om te melden wanneer zij uit Nederland vertrekken of besluiten om in een ander land te investeren, of deel te nemen aan een onderzoek op dit vlak. Dit maakt het lastig om het aantal vertrekkende bedrijven objectief meetbaar te maken.
In 2023 heb ik onderzoek laten doen naar de voornaamste redenen waarom bedrijven uit Nederland vertrekken of bedrijfsonderdelen uit Nederland verplaatsen. Het onderzoeksbureau BCI concludeert op basis van 17 interviews dat de geïnterviewde bedrijven vooral in het accommoderen van groei knelpunten ondervinden in Nederland. Veelgenoemde factoren zijn beperkt beschikbare fysieke ruimte, onvoldoende aanbod van huisvestingsmogelijkheden voor talent, lange realisatietermijnen van nieuwe investeringen en tekort aan netcapaciteit. Een beslissing tot verplaatsing is meestal het gevolg van een mix van factoren, de aanleiding is in bijna alle gevallen bedrijfsspecifiek en ons ondernemingsklimaat op zich is niet zozeer doorslaggevend. De NFIA herkent het beeld dat de onderzoekers hebben geschetst.
Herkent u de geluiden dat onduidelijk overheidsbeleid, bijvoorbeeld door wisseling van regelgeving en incidentele investeringen, onzekerheid brengt voor ondernemers? Hoe werkt u eraan om ondernemers meer zekerheid te brengen?
Ik herken de geluiden van ondernemers dat onduidelijk, wisselend beleid onzekerheid brengt voor ondernemers. Het kabinet is zich bewust van het feit dat stabiel overheidsbeleid van essentieel belang is voor ondernemers. Ondernemers hebben behoefte aan voorspelbaarheid – en terecht. Als bedrijven niet weten waar zij aan toe zijn, zullen zij terughoudender zijn in het maken van lange termijn beslissingen en het doen van investeringen. Dit beperkt bedrijven in hun groeimogelijkheden en/of het ontplooien van duurzaamheids- c.q. innovatie initiatieven. Dit is dan ook de reden dat stabiel (fiscaal) beleid onderdeel is van mijn strategische agenda voor het ondernemingsklimaat. Voorspelbaar beleid vraagt om zorgvuldigheid en de juiste maatvoering, door zowel kabinet als de Kamer. Uiteraard moet beleid wel doeltreffend en doelmatig zijn. Het is voortdurend zoeken naar de juiste balans.
Ondernemers maken zich bijvoorbeeld zorgen over enkele maatregelen die per amendement op het Belastingplan 2024 zijn ingevoerd. De afschaffing van de inkoopfaciliteit in de dividendbelasting en de versobering van de 30%-regeling hebben een negatief effect op het ondernemings- en vestigingsklimaat, en kwamen voor bedrijven bovendien onverwacht. Het aanpassen van fiscale regelingen is idealiter gebaseerd op een analyse van de bijdrage van een regeling aan een beleidsdoel en de te verwachten gevolgen voor burgers, bedrijven, de economie, de overheidsbegroting en uitvoeringsorganisaties. De recente amendementen op het Belastingplan 2024 liepen vooruit op dergelijke analyses en gingen daarmee ten koste van voorspelbaar fiscaal beleid. Het kabinet zal het belang van stabiel beleid en goed werkende fiscale regelingen blijven benadrukken. Het risico bestaat dat belangrijke bedrijven voor de Nederlandse economie hun strategie rondom vestiging en uitbreiding van activiteiten bijstellen bij achteruitgang in de aantrekkelijkheid van Nederland. Het kabinet zal zich inspannen om bij de voorjaarsnota alternatieve dekkingsopties te presenteren conform de toezegging van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst in de Eerste Kamer.
U gaf eerder aan dat het Nederlandse vestigings- en ondernemingsklimaat dreigt te verslechteren door onzekerheid omtrent stikstofproblematiek, wat heeft u het afgelopen jaar concreet gedaan om deze tendens tot een halt te roepen?2
De stikstofproblematiek heeft wezenlijke gevolgen voor het Nederlandse vestigings- en ondernemingsklimaat. Dit komt veelal door de onzekerheid over het verkrijgen van een vergunning waardoor (private en publieke) investeringen worden af- of uitgesteld (incl. om- en verbouw productielocaties). Dit betreffen onder meer investeringen in energie-infrastructuur die randvoorwaardelijk zijn voor het oplossen van de congestieproblematiek en het terugbrengen van broeikasgas- en stikstofemissies.
Om de vergunningsverlening weer op gang te krijgen is het van belang om een structureel dalende lijn van stikstofdepositie op natuurgebieden en natuurherstel in bredere zin te realiseren. Het kabinet neemt/heeft daarom de volgende maatregelen genomen3:
Uit de ramingen van het PBL uit februari 2023 jl. blijkt dat de sectoren industrie en mobiliteit op koers liggen voor de indicatieve sectorale doelstellingen die in februari vorig jaar zijn vastgesteld.9 Keuzes die het doelbereik in de sector landbouw dichterbij moeten brengen is volgens het demissionaire kabinet aan een volgend kabinet.
Kunt u ingaan op de misgelopen investeringen door de voortdurende onduidelijkheid over ontwikkelingsruimte bij stikstof? Klopt het bedrag van 28 miljard dat het FD daarvoor eind 2022 raamde en hoeveel is het bedrag aan gemiste investeringen tot nu toe gestegen?3
Het is moeilijk om de totale omvang aan gemiste investeringen kwantitatief te duiden. Het is namelijk een uitdaging om: (i) misgelopen investeringen te identificeren en (ii) een oorzakelijk verband tussen de misgelopen investeringen en stikstofproblematiek te identificeren. Dit staat ook toegelicht in de Kamerbrief11 van de Minister voor Natuur en Stikstof in reactie op het FD-artikel12 en een rapport van het EIB13 over de betekenis van de stikstofcrisis voor vestigingsklimaat.
Het is van belang om op te merken dat de economische schade van de stikstofcrisis niet alleen bestaat uit enkel misgelopen investeringen. De overmatige stikstofuitstoot leidt ook op andere wijze tot schade. Denk hierbij aan de waarde van natuur en biodiversiteit die onder druk staat, negatieve effecten op de gezondheid, de tweede orde-effecten die samenhangen met het af- en uitstel van projecten (zoals verslechtering van het vestigingsklimaat en verlenging van het woningtekort), mogelijke infractieprocedures door de Commissie en het beslag dat de stikstofcrisis legt op de juridische, ecologische en ambtelijke capaciteit van de verschillende betrokken partijen. Deze brede maatschappelijke kosten van de stikstofcrisis zijn fors en niet eenduidig te kwantificeren, maar lopen volgens verschillende documenten zoals bovengenoemd, brief VNO-NCW en MKB Nederland14 en deelnemers aan een rondetafel15 over dit onderwerp in de Vaste Kamercommissie Economische Zaken op 13 september 2023 in de tientallen miljarden euro’s per jaar.
Kunt u toezeggen een objectieve raming te (laten) maken om de economische schade van stikstofstilstand in kaart te brengen?
Het CPB heeft in hun Centraal Economisch Plan16 (CEP, 2023) gesignaleerd dat de onzekerheid rondom de uitvoering van het stikstofbeleid slecht is voor het investeringsklimaat. Dit leidt volgens het CPB tot uit- en afstel van investeringen. De impact op de economie en samenleving (ook op verduurzaming) zal op middellange termijn daadwerkelijk voelbaar zijn. Het laat zich volgens het CPB alleen lastig kwantificeren.
Een exacte kwantitatieve raming van de gevolgen lijkt dus onmogelijk. Wel kan ik een onderzoek toezeggen om de belangrijkste economische gevolgen van de stikstofproblematiek objectief in kaart te brengen. Ter illustratie kunt u ook reeds kennisnemen van diverse position papers van deelnemers aan een rondetafel over dit onderwerp in de Vaste Kamercommissie Economische Zaken op 13-09-2023.17
De effecten van nu misgelopen investeringen en innovaties werken door in de concurrentiepositie van onze bedrijven in de toekomst. Kunt u toezeggen in kaart te brengen wat er nodig is om ons verdienvermogen veilig te stellen?
Het versterken van het toekomstig verdienvermogen van Nederland is een belangrijke doelstelling van het kabinet. De economie is continu in beweging, en voortdurende aandacht is dan ook nodig om het toekomstig verdienvermogen van Nederland zeker te stellen.
Het kabinet is hier dan ook continu mee bezig. Een voorbeeld hiervan is het Perspectief op de Nederlandse Economie dat ik vorig jaar aan uw Kamer heb aangeboden.18 Hierin schetst het kabinet hoe we onze welvaart en ons verdienvermogen veilig kunnen stellen voor de toekomst. Ook heb ik recent bijvoorbeeld het rapport «Groeimarkten voor Nederland» opgesteld door SEO Economisch Onderzoek en Dialogic innovatie & interactie naar uw Kamer gestuurd.19 Hierin hebben de onderzoekers een analyse gemaakt in welke groeimarkten de kansen liggen om het Nederlandse verdienvermogen te versterken. Verder werk ik aan de vierde ronde van het Nationaal Groeifonds om te investeren in het duurzaam verdienvermogen van Nederland.20
Het verdienvermogen en de concurrentiepositie van onze bedrijven in de toekomst heeft veel facetten, bijvoorbeeld investeringen in innovatie en het vestigingsklimaat, maar ook de krapte op de arbeidsmarkt. Hier werk ik ook aan via het Actieplan Groene en Digitale Banen21 en via de acties die zijn opgenomen in mijn Strategische agenda voor het Ondernemingsklimaat.22 Op 19 januari jl. heb ik uw Kamer hierover reeds geïnformeerd via de Voortgangsrapportage over de Strategische agenda.23 Hierboven heb ik een aantal acties van het kabinet beschreven, maar de uitdaging is veel breder. Ik kan daarom toezeggen dat ik in kaart zal brengen wat er nodig is om ons verdienvermogen veilig te stellen en uw Kamer daar per brief over informeren.
Hoe stelt u lange termijn investeringen in ons verdienvermogen veilig, zoals bijvoorbeeld het Nationaal Groeifonds?
Nederland kent een relatief hoog niveau van arbeidsproductiviteit, maar wel met een relatief lage groei. Deze lage arbeidsproductiviteitsgroei wordt onder meer veroorzaakt door achterblijvende investeringen, waaronder in R&D en onderwijs. Investeringen in R&D (onderzoek en ontwikkeling) zijn essentieel om op lange termijn onze arbeidsproductiviteit te verbeteren. R&D investeringen zorgen voor vernieuwing en creëren beter betaalde en groene banen. Het kabinet heeft als ambitie om de uitgaven voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (R&D) te laten stijgen naar 3% van het bbp. In 2021 was dat slechts 2,27% en substantieel lager dan in landen om ons heen.24
Via het Nationaal Groeifonds heeft het kabinet 20 miljard euro beschikbaar gesteld om te investeren in het duurzaam verdienvermogen van Nederland. Vanuit het fonds worden grootschalige investeringen gedaan op het gebied van kennisontwikkeling en onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O&O&I). Investeringen in deze terreinen dragen bij aan structurele en duurzame economische groei. Het Nationaal Groeifonds is goed voor jaarlijks bijna een kwart van de publieke R&D-financiering.25 Door de publiek-private opzet van het Nationaal Groeifonds wordt bovendien minstens dezelfde hoeveelheid aan private investeringen uitgelokt. Tot nu toe is vanuit het fonds onder andere geïnvesteerd in grootschalige programma’s op gebied van groene waterstof, de digitalisering van het onderwijs, de ontwikkeling van medicijnen tegen kanker, sleuteltechnologieën en de bestrijding van laaggeletterdheid.
Door een hogere economische groei kunnen we een sterk sociaal vangnet en hoogwaardige collectieve voorzieningen blijven betalen en kunnen we de kosten van de klimaattransitie en de vergrijzing opvangen. De opbrengst van investeringen in R&D is echter vooraf moeilijk meetbaar door veel onzekerheden. Recent heeft de Rabobank hier een poging toe gedaan.26 De onderzoekers hebben berekend dat de Nederlandse economie bij het schrappen van twee huidige investeringsfondsen (het Nationaal Groeifonds en het Fonds Onderzoek en Wetenschap) op lange termijn cumulatief 90 miljard euro misloopt tot 2040. Dat is 5.000 euro per Nederlander. Volgens de Rabobank levert iedere euro die vanuit de fondsen wordt geïnvesteerd tot 2035 4,60 euro en tot 2040 5,80 euro aan rendement op.
Minder investeren in R&D en verduurzaming betekent dat ondernemers uitdagingen, zoals arbeidskrapte en het automatiseren van werkprocessen, in de toekomst minder goed aan kunnen. Juist door te innoveren kunnen bedrijven meer met minder doen. Ze hebben dan minder mensen, maar bijvoorbeeld ook minder energie, grondstoffen of ruimte nodig om meer toegevoegde waarde te leveren. Juist in tijden van schaarste is innovatie dus van groot belang. Innovatie zorgt voor betere banen, voor oplossingen van maatschappelijke uitdagingen en verhoogt ons verdienvermogen.
Dat wordt versterkt doordat onze concurrentiepositie door de lage investeringen ook onder druk staat. Minder investeren in R&D betekent dat we het risico lopen achterop te raken. Nog altijd behoort Nederland tot de meest innovatieve economieën ter wereld. Maar dat is geen vanzelfsprekendheid. Zeker niet in een tijd waarin geopolitieke spanningen ertoe leiden dat overheden in andere landen strategischer opereren. Wereldwijd investeren landen fors om hun strategische positie op technologische innovaties en waardeketens te versterken. Om internationaal een speler van betekenis te blijven, mee te komen in de mondiale concurrentiestrijd en onze afhankelijkheid van anderen te beperken, is het verkrijgen en behouden van leiderschap op strategische technologieën voor Nederland belangrijk.
België en Duitsland, maar bijvoorbeeld ook Denemarken en Zweden, investeren al jaren meer dan Nederland in R&D en dat verschil neemt toe. Het verschil in uitgaven aan R&D komt deels door de Nederlandse sectorstructuur. De Nederlandse economie bestaat relatief gezien voor een groter deel uit diensten. Maar ook als we daarvoor corrigeren doen andere landen het beter dan Nederland. Daardoor staat onze concurrentiepositie in toenemende mate onder druk, ook ten opzichte van onze West-Europese buurlanden.
Het kabinet heeft in diversie beleidsbrieven, zoals de innovatiebrief, industriebrief en de Nationale Technologiestrategie het doel gesteld dat Nederland tenminste 3% van het bbp uit moet geven aan R&D in 2030. Juist door in te zetten op vernieuwingsvermogen, focus op een beperkt aantal technologieën, meer aandacht voor startups en scale-ups en juist de impact van de R&D centraler te zetten, door al die zaken kunnen we op termijn ook de structuur van de Nederlandse economie veranderen en onze brede welvaart versterken. Deze gerichte investeringen, in combinatie met voorwaardenscheppend beleid zoals een hoge kwaliteit onderwijs, voldoende buitenlands talent, moderne infrastructuur en stabiele fiscale regelingen, stellen ons verdienvermogen veilig. Dat is mijn perspectief op de innovatieve Nederlandse kenniseconomie zoals ik dat in juni 2023 aan uw Kamer heb gezonden.
Kunt u in kaart brengen wat de nadelige (economische) effecten zijn van respectievelijk het korten op het Nationaal Groeifonds en het snijden in andere huidige investeringen ter bevordering van verduurzaming en innovatie van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en grootbedrijf?
Zie antwoord vraag 8.
Wat zijn de gevolgen van de achterlopende uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) op uitdagingen voor ondernemers, zoals arbeidskrapte en het automatiseren van werkprocessen?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is het effect van de achterlopende R&D uitgaven op onze concurrentiepositie ten opzichte van buurlanden België en Duitsland die zich wel aan de doelstelling houden?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u reflecteren op het onderzoek van de Staatscommissie Demografische Ontwikkeling 2050, waarbij wordt gesteld dat sommige economische activiteiten een lage toegevoegde waarde hebben, zoals slachthuizen en distributiecentra, terwijl hier wel veel arbeidsmigranten werkzaam zijn? Welke knoppen ziet u voor zich om hier iets aan te doen?
Een kabinetsreactie op het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 volgt nog. Daarin zal het kabinet nader ingaan op deze analyse en de dilemma’s die dit oproept.
Hoe waardeert u de uitspraak van werkgeversorganisaties dat het van belang is dat Nederland open blijft voor kenniswerkers en voor arbeidskrachten die werken in krappe sectoren als de zorg en techniek? Hoe zet u hierop in en op welke manier borgt u hierbij de continuïteit?
Ik herken de zorgen dat veel sectoren te maken hebben met krapte op de arbeidsmarkt. Die krapte is problematisch als we kijken naar de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd. Er is goed opgeleid en genoeg personeel nodig om te werken aan noodzakelijke transities en de prioriteiten die het kabinet heeft gesteld. Ik onderschrijf daarom het belang van hoogwaardige kenniswerkers voor de Nederlandse economie. Dat geldt voor onze internationale topbedrijven (ASML, Adyen, SMART Photonics) maar ook voor kleinere technologiebedrijven als startups en scale-ups.
Het kabinet ziet arbeidsmigratie van buiten de EU, met uitzondering van kennismigratie, primair als sluitstuk voor de tekorten op de arbeidsmarkt. Bij de aanpak van krapte richt het kabinet zich op diverse maatregelen, zoals het stimuleren van technologie- en procesinnovatie, mensen stimuleren om meer uren te werken en het verbeteren van de aansluiting tussen initieel onderwijs en de arbeidsmarkt. Naast deze aanpak zijn er diverse programma’s om binnenlands potentieel meer aan te spreken, zoals het Actieplan Groene en Digitale Banen voor technisch/digitaal geschoold personeel en Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn voor zorgpersoneel.
Specifiek voor hoogwaardige kenniswerkers voert Nederland een uitnodigend beleid middels de kennismigrantenregeling. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 onderschrijft het belang van hoogwaardige kennismigratie en een langetermijnvisie op de economie en migratie. Het is aan een nieuw kabinet om hierin keuzes te maken.
Hoe kijkt u daarbij aan tegen het beperken van internationalisering in ons vervolg onderwijs – zoals het beperken van Engelstalige studies? Bent u bereid onderzoek te doen naar de gevolgen hiervan voor onder andere onze innovatieve clusters en de gevolgen voor de arbeidsmarkt?
Nog altijd neemt de instroom van internationale studenten toe. De woningnood onder studenten in een aantal steden is hoog, de collegezalen raken vol en de kwaliteit en toegankelijkheid van het hoger onderwijs komt verder onder druk te staan. Ook staat het Nederlands als onderwijstaal onder druk, door een stijgend percentage anderstalige opleidingen. Daarom wil het kabinet de instroom van buitenlandse studenten beter kunnen beheersen en de positie van het Nederlands als onderwijstaal behouden en versterken. De Minister van OCW werkt in dit kader aan het wetsvoorstel internationalisering in balans. Vanuit economisch perspectief blijft het echter van belang internationaal talent, met name voor de tekortsector techniek en ICT, aan Nederland te kunnen blijven binden. Voor cruciale technische en ICT-bedrijven die veel waarde toevoegen aan onze economie, is internationaal talent onmisbaar. Daarnaast draagt technisch talent bij aan ons vestigingsklimaat, verdienvermogen, werkgelegenheid en de schatkist. Hiermee wordt in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel rekening gehouden, onder meer door oog te houden voor de krapte op de arbeidsmarkt en economische omstandigheden. Zo kan technisch talent in Nederland opgeleid worden en na afstuderen bijdragen aan de Nederlandse economie. Daarvoor is het ook van belang dat de blijfkans omhoog gaat. De regelgeving is nog volop in ontwikkeling en het debat met uw Kamer daarover volgt. Ik zal samen met de Minister van OCW bezien hoe in de verdere beleidsvorming en evaluatie van het nieuwe wetsvoorstel invulling kan worden gegeven aan het behoud van technisch talent.
Kunt u toezeggen om een onderzoek te laten uitvoeren door een onafhankelijk economisch instituut naar de gevolgen van diverse interne en externe factoren op het vestigingsklimaat, en hier tenminste de invloed van stikstof, het niet behalen van de Lissabondoelstelling, de effecten van wet- en regelgeving, de waarde van economische activiteiten (zoals beschreven door de staatscommissie) en de invloed van arbeidstekorten in mee te laten nemen?
In mijn Strategische agenda voor het ondernemingsklimaat in Nederland27 heb ik de prioriteiten van dit kabinet aangegeven op het gebied van het vestigings- en ondernemingsklimaat. Hierin zijn onder andere een aantal acties om het inzicht in de ontwikkelingen van het ondernemingsklimaat te verdiepen opgenomen. Zoals aan uw Kamer gemeld in de voortgangsrapportage over de Strategische agenda,28 heb ik afgelopen jaar SEO Economisch Onderzoek en het Amsterdam Centre for Business Innovation van de Universiteit van Amsterdam de Monitor Ondernemingsklimaat laten ontwikkelen.29 Om de ontwikkeling, kwaliteit en de stand van zaken van factoren die bepalend zijn voor de staat van het ondernemingsklimaat in de gaten te houden zal deze monitor jaarlijks uitgevoerd worden. Op basis daarvan kunnen maatregelen worden genomen om het beleid en de uitvoering daarvan bij te sturen. Het is denkbaar dat verder onderzoek naar de gevolgen van diverse interne en externe factoren op het vestigings- en ondernemingsklimaat van toegevoegde waarde is. Ik liet uw Kamer in de voortgangsrapportage over de Strategische agenda al weten dat ik op basis van de monitor en signalen kijk naar eventuele bijsturing van mijn Strategische agenda, maar dat het nieuwe kabinet zich zal buigen over verdere beleidvorming. Ik laat het dan ook aan het nieuwe kabinet om met voorstellen te komen om het inzicht in het vestigings- en ondernemingsklimaat nog verder te verbeteren.
Kunt u trachten deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Verdienvermogen van Nederland waarvoor een nieuwe datum wordt gezocht?
Het bericht dat de politie experimenteert met gezichtsherkenning, maar wetgeving ontbreekt |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het door de politie opgestelde protocol over het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie met de Kamer delen en toelichten?1
Het in uw vraag genoemde protocol betreft het «Inzetkader Gezichtsherkenningstechnologie Politie». Dit inzetkader heb ik, inclusief een toelichting, op 24 februari 2023 ter informatie aan uw Kamer aangeboden.2
Welke externe partijen zijn betrokken geweest bij het opstellen van het protocol voor het toepassen van deze privacygevoelige methode?
De wijze waarop het Inzetkader Gezichtsherkenningstechnologie Politie tot stand is gekomen staat beschreven in het inzetkader. Een brede vertegenwoordiging vanuit de politieorganisatie en daarbuiten heeft aan het inzetkader gewerkt. Experts van de politie met een juridische, ethische en technische achtergrond hebben het inzetkader opgesteld.
Het inzetkader is voor advies voorgelegd aan de Ethische Klankbordgroep Politie, waarin externe deskundigen met uiteenlopende expertises zitting hebben. Ook is het inzetkader besproken met het OM en de regioburgemeesters, alvorens het is vastgesteld door de korpschef.
Wat is uw reactie op het standpunt van de Autoriteit Persoonsgegevens dat een wettelijke grondslag voor gezichtsherkenningstechnologie door de politie ontbreekt?
In het Nieuwsuur-item waaraan wordt gerefereerd spreekt de woordvoerder van de Autoriteit Persoonsgegevens uit dat er op dit moment geen explicietewettelijke grondslag bestaat voor de inzet van gezichtsherkenning. Dat betekent echter niet dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor de toepassing van technologie door de politie en dat het handelen van de politie niet voldoet aan het legaliteitsbeginsel.
De wettelijke grondslag en de waarborgen zijn onder andere te vinden in de Politiewet 2012 en de Wet politiegegevens. Zo zijn in de Wet politiegegevens bepalingen opgenomen over de verwerking van bijzondere politiegegevens, zoals biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon. Ook zijn in de Wet politiegegevens bepalingen opgenomen over het geautomatiseerd vergelijken van politiegegevens. In de Kamerbrief van november 20193 wordt het juridisch kader uitgebreid beschreven.
In hoeverre deelt u de opvatting dat deze methodes moeten worden gestaakt totdat er uitsluitsel is gegeven over de wettelijke grondslag daarvan?
Ik deel deze opvatting niet. Voor mijn toelichting op de wettelijke grondslag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens het protocol alsnog te laten toetsen?
Het inzetkader Gezichtsherkenningstechnologie Politie gaat niet over de verwerking van persoonsgegevens en of dat naar behoren gebeurt. Het inzetkader gaat primair over de verantwoording van de inbreuk op grondrechten die wordt gemaakt. Als er bij de inzet van gezichtsherkenningstechnologie een hoog risico voor de rechten en vrijheden van personen waarschijnlijk wordt geacht, dan staat in het inzetkader dat het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling een noodzakelijke randvoorwaarde is voor de inzet ervan, met zo nodig een voorafgaande raadpleging van de Autoriteit Persoonsgegevens. Daarbij wordt gekeken naar de regels die de Autoriteit Persoonsgegevens daarvoor zelf heeft opgesteld.
Voor dit alles is het niet nodig of logisch dat het inzetkader als zodanig wordt getoetst. Het valt bovendien buiten de reikwijdte van de taak van de Autoriteit Persoonsgegevens.
In hoeverre vindt u het wenselijk om te experimenteren met een gevoelige technologie als deze die inbreuk maakt op de privacy van mensen, terwijl er discussie is over het al dan niet bestaan van een wettelijke grondslag?
Om effectief te kunnen zijn en blijven in opsporing moet de politie gebruik kunnen maken van nieuwe technologieën, waaronder gezichtsherkenningstechnologie. Eventuele experimenten vinden plaats binnen de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.
Voor mijn standpunt ten aanzien van de wettelijke grondslag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven wat volgens u de wettelijke grondslag is van dit politiehandelen? Op basis van welke adviezen en overwegingen bent u tot de conclusie gekomen dat hiermee voldoende recht wordt gedaan aan het legaliteitsbeginsel?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3 en 6.
Op welke wijze heeft u de Tweede Kamer hier (vooraf) over geïnformeerd? Waarom acht u dit adequaat met het oog op artikel 68 Grondwet en de gevoeligheid van het onderwerp?
In de periode 2019–2023 is de Kamer regelmatig geïnformeerd over het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie door de politie. Deels in reactie op schriftelijk gestelde vragen4, deels in de vorm van een Kamerbrief. In de eerder genoemde Kamerbrief van november 2019 worden de juridische kaders en waarborgen rondom het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie door de politie beschreven en wordt er dieper ingegaan op de technologie die de politie gebruikt. In februari 2023 is de Kamer geïnformeerd over het inzetkader dat de politie heeft ontwikkeld.5 In het tweede halfjaarbericht politie 2023 is de Kamer geïnformeerd over de eerste ervaringen met dit inzetkader.6
Waarom acht u het wenselijk dat een Commissie van politiemedewerkers beoordeelt of een verzoek vanuit de politie om gezichtsherkenning te gebruiken is toegestaan? Waarom worden hier geen onafhankelijke experts of toezichthouders voor gebruikt?
In mijn antwoord op vraag 3 gaf ik al aan dat de politie binnen de grenzen van de huidige wetgeving handelt. Het is belangrijk dat de politie bij iedere nieuwe toepassing van gezichtsherkenningstechnologie het inzetkader doorloopt. De toetsingscommissie doet dit op onafhankelijke wijze. Zij is niet betrokken bij het opsporingsonderzoek en heeft geen belang bij de uitkomst van de toetsing. De politie heeft zorggedragen voor een onafhankelijke positionering van de toetsingscommissie gezichtsherkenningstechnologie. Voorts beslist de politie niet alleen over de inzet van een middel. Toetsing (met een positief oordeel) is intern een voorwaarde voor gebruik bij de politie, maar het bevoegd gezag beslist uiteindelijk in elke casus afzonderlijk of de inzet wordt toegestaan. Het bevoegd gezag beslist dus uiteindelijk of gezichtsherkenningstechnologie in een casus mag worden ingezet.
Waarom wordt de software om gezichten uit databanken te herkennen (FaceF1nder) wel al toegepast in een goedgekeurde casus, terwijl de software in algemene zin nog niet is goedgekeurd?
Voor het gebruik van deze gezichtsherkenningstechnologie is in één specifieke operationele casus met mogelijk levensbedreigende aspecten toestemming gevraagd. Na grondige afweging van de specifieke omstandigheden is in deze operationele casus een positief oordeel afgegeven door de toetsingscommissie en daarna bekrachtigd door de korpschef. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de inzet van die gezichtsherkenningstechnologie in deze operationele casus. Die gezichtsherkenningstechnologie was en is in ontwikkeling bij het Centrum voor Biometrie van politie en heeft later de naam FaceF1nder gekregen.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om met het oog op inwerkingtreding van een nieuw Wetboek van Strafvordering tevens een wet tot stand te brengen die het gebruik van onder het nieuwe Wetboek van strafvordering verzamelde gegevens beter regelt?2 Zo nee, waarom niet?
Nee, want die wet bestaat al. De Wet Politiegegevens regelt het gebruik van onder het (nieuwe) Wetboek van strafvordering verzamelde gegevens.
Het is wel mogelijk om voor de bevoegdheid om gebruik te maken van gezichtsherkenningstechnologie een expliciete grondslag op te nemen in het Wetboek van Strafvordering. Of dat wenselijk of nodig is, is mede afhankelijk van definitieve tekst van de AI-verordening. In de concepttekst van de AI-verordening wordt het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie meer afgebakend dan nu in onze nationale wetgeving het geval is. Ook bevat de AI-verordening strikte waarborgen. Op de vraag of het nodig of wenselijk is om aanvullend op de AI-verordening nationale wet- of regelgeving te creëren kan pas een antwoord worden gegeven als de tekst van de AI-verordening definitief is. Het is aan het volgende kabinet om hier vervolgens een besluit over te nemen.
Quantumproof encryptie |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het risico dat quantumcomputing encryptie zal doorbreken en daarmee toegang wordt verkregen tot een schat aan gevoelige informatie?
Ja, het is mij bekend dat krachtige quantumcomputers bepaalde versleuteling (of cryptografie) sterk kunnen verzwakken of doorbreken. Dit veroorzaakt risico’s voor de Rijksoverheid en ook voor burgers, ondernemingen en andere overheden die tijdig beheerst moeten worden.
Cryptografie zorgt voor veilige en vertrouwelijke digitale communicatie. Cryptografie houdt zich o.a. bezig met technieken om informatie op te slaan en over te dragen zodanig dat deze alleen leesbaar zijn door partijen die de juiste sleutel bezitten (vertrouwelijkheid). Daarnaast wordt het ingezet om gegevens te beschermen tegen wijzigingen (integriteit), zekerheid te verkrijgen van verzenden en ontvangen van informatie (onweerlegbaarheid) en bevestiging van identiteiten van zender en ontvanger te bewerkstelligen (authenticatie). Daarvoor zijn in ons dagelijks leven zeer veel toepassingen en cryptografie wordt om die reden overal gebruikt. Door cryptografie zijn bijvoorbeeld onze identiteitsgegevens (paspoorten) beschermd, kunnen we veilig verkeerslichten en bruggen aansturen, mailen en appen we met elkaar, betalen we met onze telefoon en we gebruiken het om vertrouwelijke informatie te versleutelen, zoals bedrijfsgeheimen of staatsgeheimen. Cryptografie vormt dan ook een onmisbaar instrument om de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van processen en data te beschermen.
Met de komst van een krachtige quantumcomputer is de meeste cryptografie echter niet meer (voldoende) veilig: bestaande encryptiemethodes zullen onze digitale gegevens niet meer voldoende kunnen beschermen.
De overgang van kwetsbare cryptografie naar quantumveilige cryptografie is een technologisch ingrijpende wijziging die nog niet eerder op deze schaal is voorgekomen. Daarom moeten er nu voorbereidende acties worden ondernomen, zie ook de beantwoording bij vraag 5.
Welke kansen en risico´s ziet u op het gebied van quantum?
Er zijn met betrekking tot quantum in relatie tot quantumproof encryptie zowel kansen als risico's.
In mijn brief van 7 november 20231 heb ik u geïnformeerd over een aantal belangrijke knelpunten in de transitie naar quantumveilige cryptografie en een aantal kansen die dit biedt.
Daarnaast zijn er risico’s zoals onvoldoende bewustzijn en kennis. Voor dat laatste ontwikkel ik samen met de private sector een cryptografie opleiding om alle typen IT- beheer bij te scholen. Deze komt naar verwachting in de loop van 2024 beschikbaar.
Bent u bekend met het gegeven dat de Amerikaanse president Biden reeds een wet heeft getekend die overheidsorganisaties verplicht om te migreren naar IT-systemen die quantum-proof zijn?1
Het kabinet volgt de internationale ontwikkelingen en heeft kennis genomen van de genoemde Amerikaanse wetgeving3. Deze wetgeving geeft de verplichting aan federale overheidsinstanties om te migreren naar quantumveilige cryptografie: het adopteren van de standaarden die door het Amerikaanse National Institute of Standards and Technology dit jaar gepubliceerd worden om weerbaar te zijn tegen de dreiging van quantumtechnologie. Deze migratie en beschreven aanpak hiervoor worden ook binnen de Rijksoverheid gezien als de belangrijkste instrumenten om deze dreiging het hoofd te bieden.
De aanpak van de Rijksoverheid past bij de generieke, risicogerichte aanpak voor digitale weerbaarheid. Deze aanpak geeft ruimte om ook andere maatregelen te nemen om de hiervoor genoemde risico’s te beheersen, indien bijvoorbeeld bepaalde systemen niet kunnen migreren naar quantumveilige cryptografie.
Kunt u toelichten in hoeverre er vergelijkbare wetgeving nodig is in Nederland en in hoeverre dit wordt voorbereid?
De Amerikaanse wetgeving oplossing verplicht federale overheidsinstanties om te migreren naar quantumveilige cryptografie: namelijk het adopteren van de nieuwe standaarden van National Institute of Standards and Technology (zie vraag 3). De huidige Europese, nationale en overheidsbrede wet- en regelgeving op het gebied van informatiebeveiliging c.q. cybersecurity heeft een andere werking maar biedt voldoende aanknopingspunten om in actie te moeten komen.
Zo geeft NIS24 (Network and Information Security Directive) aan dat «state of the art» beveiligingsmaatregelen waaronder «state of the art» encryptie moeten worden toegepast. Deze richtlijn schrijft verder voor dat organisaties die onder de richtlijn vallen moeten hebben: «beleid en procedures inzake het gebruik van cryptografie en, in voorkomend geval, encryptie».5 De gekozen maatregelen om de systemen te beveiligen volgt uit de risicoanalyse van de te beveiligen informatie. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft de Kamer per brief op 31 januari geïnformeerd over de voortgang van de implementatie van de richtlijn.
Daarnaast vereisen de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en de voor de overheid verplichte ISO-standaarden6 dat nieuwe dreigingen en risico’s worden opgenomen in het risicomanagementproces. Deze standaarden bevatten normen ten aanzien van beleid en beheer van cryptografie. Ook andere eisen zorgen ervoor dat organisaties moeten starten met het beheersbaar maken van de dreiging van de quantumcomputer voor cryptografie – die daar kwetsbaar voor is. Een voorbeeld is de eis rondom het beheersen van kwetsbaarheden.
Welke ondersteuning wordt er nu vanuit de Rijksoverheid geboden aan organisaties om zich voor te bereiden op de komst van quantumcomputers en de effecten op encryptie?
De benodigde veranderingen om gegevens en communicatie te beschermen tegen de capaciteiten van quantumcomputers zijn complex, omvangrijk en zullen vele jaren in beslag nemen. Nu beginnen met voorbereiden is dan ook noodzakelijk om risico’s, inspanning en kosten te kunnen spreiden. Daarom is een Rijksbreed samenwerkingsprogramma opgezet: quantumveilige Cryptografie (QvC-Rijk). Hierover heb ik u in mijn brief van afgelopen november geïnformeerd7
Welke stappen kunnen organisaties nu al nemen om gegevens te beschermen tegen de komst van quantumcomputers?
Veel (overheids)organisaties en IT-leveranciers moeten zich nu al voorbereiden op risico’s die de komst van de quantumcomputer met zich meebrengen. Bijvoorbeeld organisaties die data verwerken, die over langere tijd nog vertrouwelijk moeten blijven zoals medische data of bedrijfsgeheime data. Of organisaties die systemen met een lange levensduur aanbieden, zoals bijvoorbeeld industriële automatisering8.
De volgende acties kunnen nu al door bedrijven en (overheids)instanties ondernomen worden:
De volgende maatregelen kunnen worden getroffen om wijzigingen voor te bereiden, die op een later moment noodzakelijk zullen zijn:
In hoeverre wordt er internationaal of in Europees verband samengewerkt aan de voorbereiding van versterkte encryptie(-vereisten) voor de komst van quantumcomputers?
Een heel bekende samenwerking op dit vlak is de Amerikaanse National Institute of Standards and Technology competitie voor Post quantum cryptografie9. Nederland heeft ook een inzending gedaan, welke is geselecteerd (CRYSTALS-KYBER)10 om in de nieuwe wereldwijde standaarden op te nemen.
Daarnaast wordt door de wetenschap ook op dit onderwerp internationaal samengewerkt (zie vraag 8).
Met de Franse en Duitse nationale informatiebeveiligingsinstituten bestaan onder andere vanuit de Rijksoverheid al langer samenwerkingen generiek op cybersecurity en ook cryptografie. Momenteel wordt besproken op welke onderwerpen de samenwerking en kennisdeling op het gebied van de quantumdreiging geïntensiveerd kunnen worden.
Welk onderzoek wordt er nu verricht naar quantumcomputing, en meer specifiek naar de gevolgen voor encryptie?
Departementen hebben gezamenlijk geld beschikbaar gesteld voor het oplossen van een aantal vraagstukken over cybersecurity. Dit heeft geleid tot een programma: Cybersecurity – naar een veilig en betrouwbaar digitaal domein11.
Binnen dit programma lopen 2 onderzoeken op het vlak van cryptografie:
Doel van dit onderzoek is om quantumveilige PKI-systemen te ontwikkelen en sector-gebaseerde groeipaden te leveren die organisaties zullen helpen hun systemen naar een quantumveilige toekomst te migreren. Dit gebeurt in samenwerking met koplopers in de telecommunicatie, financiële dienstverlening, zorg en publieke sector.
Doel van dit onderzoek is het ontwerpen van nieuwe algoritmen en siliciumchips met inherente bescherming tegen fysieke aanvallen, en het ontwikkelen van nieuwe simulatie- en evaluatietechnieken voor fysieke beveiliging. PROACT zal daarom bijdragen aan een verhoogde beveiliging van onze persoonlijke en bedrijfsgevoelige gegevens.
Op veel meer plekken wordt op dit vlak onderzoek gedaan, zowel door onderzoek en wetenschap, maar ook door private partijen. Tijdens congressen wordt hierover kennis gedeeld. Een recent voorbeeld hiervan in Nederland is het congres van het PKI-consortium van afgelopen november. Het PKI-consortium heeft dit congres georganiseerd samen met de Rijksoverheid (Logius) en onderzoeksorganisaties (Centrum voor Wiskunde en Informatica- CWI- en TNO)12.
Welke maatregelen neemt de Staatssecretaris op korte termijn ter voorbereiding op de komst van quantumcomputers?
Onder regie van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt de migratie naar quantumveilige cryptografie binnen de Rijksoverheid voorbereid. Voor wat betreft het programma quantumveilige Cryptografie Rijk (QvC-Rijk): zie antwoord bij vraag 5.
De AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst), het NCSC (Nationaal Cyber Security Centrum), CIO-Rijk (directie Chief Information Office- Rijk) en EZK (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) ontwikkelen hiervoor kennisproducten vanuit de taken die zij invullen. Dit gebeurt in onderlinge samenwerking en afstemming.
In brede zin maakt het voorbereiden op quantumveilige cryptografie deel uit van de Nederlandse Cybersecuritystrategie 2022–202813. Deze stelt onder andere dat, om de digitale veiligheid van Nederland nu en in de toekomst afdoende te kunnen beschermen, de ontwikkeling en toepassing van kennis en kunde op het gebied van cybersecurity continu worden versterkt. Intensieve en duurzame samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen is hiervoor essentieel. Het publiek-private samenwerkingsplatform dcypher, onder verantwoordelijkheid van EZK, speelt hier voor de overheid een centrale rol in, en legt de basis voor agendering en programmering van meerjarige onderzoeks- en innovatietrajecten met overheidspartijen, bedrijven en kennisinstellingen.
Het artikel 'FVD maakt doneren in bitcoin mogelijk: 'Dit gat moet gedicht worden'' |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «FVD maakt doneren in bitcoin mogelijk: «Dit gat moet gedicht worden»»?1
Ja.
Bij wie ligt de verantwoordelijkheid voor het verifiëren van de identiteit van de donateur?
De Wet financiering politieke partijen (Wfpp) verplicht alle politieke partijen om een zodanige administratie te voeren dat deze een betrouwbaar beeld geeft van de financiële positie van de partij. Politieke partijen moeten elk jaar, ongeacht of zij subsidie ontvangen of niet, een financieel verslag en een overzicht van bijdragen van in totaal € 1.000,– of meer en schulden van € 25.000,– of meer aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) toesturen.
De Minister van BZK maakt de verantwoordingsstukken openbaar. Van bijdragen boven de € 250,– zijn politieke partijen verplicht de naam en het adres van de donateur te registreren. Hoe deze registratie in de praktijk plaatsvindt, is aan de politieke partijen zelf. Ook is het de rol van politieke partijen zelf om invulling te geven aan de normen ten aanzien van het ontvangen van bijdragen en om de benodigde controlemaatregelen te treffen om vast te stellen of een bijdrage in lijn is met de Wfpp. De uiteindelijke controle hierop vindt plaats door de accountant, die over de financiële jaarstukken een goedkeurende verklaring moet afgeven.
Klopt het dat politieke partijen een verantwoordelijkheid hebben voor het aanleveren van een betrouwbaar overzicht van hun donateurs dat openbaar gemaakt wordt en tot hoever strekt de verantwoordelijkheid van de ontvangende partij om de identiteit van donateurs te controleren?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze vindt u dat de accountant de door de politieke partij aangeleverde lijst van giften en de identiteit van de donateur moet controleren?
De accountant moet door middel van een accountantsverklaring verklaren of een politieke partij heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften. De accountant dient daarvoor gebruik te maken van het model dat is voorgeschreven in de Regeling financiering politieke partijen.
Op welke wijze ziet de Commissie toezicht financiën politieke partijen toe op de correctheid van de door de accountant aangeleverde controle op de correctheid van de lijst van giften?
De Commissie toezicht financiën politieke partijen heeft als taak de Minister te adviseren over de toepassing van en toezicht op de naleving van de Wfpp. Daarnaast controleert de Auditdienst Rijk (ADR) jaarlijks drie tot vier accountants van politieke partijen. De ADR controleert hierbij of de accountant van een politieke partij op een zorgvuldige manier heeft gecontroleerd of politieke partijen hebben voldaan aan de vereisten van de Wfpp. Het rapport van feitelijke bevindingen wordt met uw Kamer gedeeld. Indien ertoe aanleiding is, heeft de Minister van BZK als toezichthouder de bevoegdheid om een accountant in te schakelen om de financiële administratie van een partij te controleren.
In hoeverre vormt het geven in de vorm van cryptocurrency, eventueel met een tussenstap waarbij de cryptocurrency wordt omgezet in een geldelijke bijdrage, een risico voor de transparantie en betrouwbaarheid van het giftenoverzicht en daarmee ook voor de handhaafbaarheid van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp)?
Laat ik voorop stellen dat ik verwacht dat politieke partijen handelen conform de wettelijke voorschriften. Indien een partij een bijdrage van boven de € 250,– ontvangt, moet de partij de naam en het adres van de gever (of uiteindelijke belanghebbende), het bedrag en de datum van de bijdrage registeren. Het is mogelijk om een bijdrage in crypto anoniem te doen in de zin dat het voor een politieke partij lastig is om de persoonsgegevens van een gever te achterhalen. Hierdoor bestaat er een risico dat cryptodonaties worden gebruikt om het bijdragenmaximum of het verbod op buitenlandse bijdragen te omzeilen. Indien een politieke partij bij het aannemen van een bijdrage niet met zekerheid kan vaststellen dat de bijdrage rechtmatig is, dient de politieke partij de bijdrage niet aan te nemen. In het geval van een overtreding van de regels van de Wfpp, kan ik als toezichthouder besluiten om een bestuurlijke boete op te leggen.
Bent u van mening dat het op deze wijze ontvangen van giften op gespannen voet staat met het doel van de Wfpp, namelijk het creëren van transparantie over ontvangen giften?
Zie antwoord vraag 6.
Welke extra waarborgen zullen worden opgenomen in de Wet op de politieke partijen om dit risico af te dekken?
In het ontwerpwetsvoorstel Wet op de politieke partijen (Wpp) zijn geen extra waarborgen opgenomen ten aanzien van cryptoactiva. In het kader van de Wpp wordt bezien of extra waarborgen opportuun zijn. Hierbij houd ik rekening met nieuwe EU-wetgeving op het gebied van anti-witwassen en cryptoactiva, die het anonimiseren van crypto’s moet tegengaan. Met de uitbreiding van de Europese Transfer of Fundsverordening gelden bovendien per 2025 voor crypto-overmakingen vergelijkbare transparantieregels als voor regulier betalingsverkeer.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of anonieme gever meerdere giften onder de toelaatbare grens doet, waarmee deze grens heimelijk wordt overschreden?
Anonieme bijdragen zijn begrensd op € 250,–. Omdat een bijdrage anoniem is, is het onmogelijk met zekerheid vast te stellen of verschillende anonieme bijdragen niet afkomstig zijn van dezelfde donateur. Met de invoering van de Evaluatiewet Wfpp is de grens van anonieme giften verlaagd van € 1.000,– naar € 250,–. Hierdoor is het risico op het misbruik van anonieme donaties aanzienlijk verkleind. Indien een politieke partij kennis heeft van één donateur die meerdere anonieme bijdragen doet van onder de € 250,–, dan wordt van de politieke partij verwacht dat zij de gegevens van deze donateur alsnog registeren.
Zullen deze risico’s ook meegenomen worden in de penetratietest die wordt uitgevoerd op de Wfpp?
Deze risico’s zijn meegenomen in de zogenoemde penetratietest. Het door een onafhankelijk bureau uitgevoerde onderzoek is inmiddels afgerond. De uitkomsten worden meegenomen in de voorbereiding van de Wpp.
Mag een politieke partij cryptocurrency aannemen en op welke wijze worden giften in cryptocurrency door de Wfpp gereguleerd? Vallen zij onder de noemer bijdrage of bijdrage in natura, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Wfpp?
Binnen de Wfpp gelden geen aanvullende voorschriften ten aanzien van bijdragen in cryptoactiva. Een bijdrage in cryptoactiva beschouw ik als een geldelijke bijdrage, aangezien het geen officiële maar wel een informele tegenwaarde in bijvoorbeeld dollar of euro heeft en in ieder geval een handelswaarde heeft. Voor zover cryptoactiva zou moeten worden beschouwd als zaak of dienst, is sprake van bijdrage in natura. Hoe dan ook valt cryptoactiva binnen de werkingssfeer van de Wfpp.
Welke verantwoordelijkheden vloeien voort uit de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en Europese anti-witwaswetgeving voor de verschillende partijen betrokken bij de cryptodonaties zoals deze door Forum voor Democratie worden ontvangen en Forumpay worden gefaciliteerd om de identiteit van de donateur te verifiëren?
In Nederland moeten aanbieders van bewaarportemonnees en van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta (hierna: cryptodienstverleners) die actief zijn op de Nederlandse markt geregistreerd zijn bij De Nederlandsche Bank (DNB). Ook zijn deze partijen aangemerkt als poortwachter in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en terrorisme financiering (Wwft), die grotendeels voortvloeit uit Europese regelgeving. Poortwachters moeten cliëntonderzoek doen. Hiertoe moeten ze bijvoorbeeld de identiteit van de cliënt vaststellen en verifiëren, met het doel om witwassen en terrorismefinanciering te voorkomen.
In hoeverre voldoet de methode die Forum voor Democratie gebruikt aan de verplichtingen in de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en Europese anti-witwaswetgeving?
Zoals in antwoord op vraag 12 aangegeven, schrijft de Wwft voor dat aanbieders van bewaarportemonnees en van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta die actief zijn op de Nederlandse markt geregistreerd zijn bij De Nederlandsche Bank (DNB). ForumPay is niet als aanbieder van een bewaarportemonnee of wisseldiensten tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta geregistreerd bij DNB. Echter, de vraag of een partij als cryptodienstverlener in Nederland actief is en aan de wettelijke vereisten voldoet, is in beginsel ter beoordeling aan DNB. Of dat bij Forumpay het geval is, is dus aan DNB. Ik kan hier geen uitspraken over doen.
Uit de Wwft volgt niet per se dat personen die als klant gebruik maken van diensten die door een cryptodienstverlener worden aangeboden in overtreding zijn als deze cryptodienstverlener niet voldoet aan de Wwft.
Onder welke voorwaarden mag Forumpay actief zijn in Nederland en voldoet het bedrijf aan die voorwaarden? Zo nee, wat zijn hiervan dan de consequenties?
Een registratie bij DNB is een wettelijk vereiste voor cryptodienstverleners om op de Nederlandse markt actief te mogen zijn. Indien een partij geregistreerd is bij DNB moet deze partij cliëntenonderzoek doen, transacties monitoren en ongebruikelijke transacties melden bij de FIU. Tevens wordt de geschiktheid en betrouwbaarheid van het bestuur getoetst. Ik merk op dat ForumPay niet in het register van DNB is opgenomen. Echter, de vraag of een partij als cryptodienstverlener in Nederland actief is en aan de wettelijke vereisten voldoet, is in beginsel ter beoordeling aan DNB. Of dat bij Forumpay het geval is, is dus aan DNB. Ik kan hier geen uitspraken over doen. Inmiddels heb ik vernomen dat op de website van FvD de doneeroptie via ForumPay niet langer actief is.
In het algemeen geldt dat DNB handhavend op kan treden indien een cryptodienstverlener niet aan de wettelijke vereisten voldoet, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom. Ook kan DNB bestuurlijke boetes opleggen. Daarnaast kunnen overtredingen van de Wwft, waaronder het illegaal aanbieden van cryptodiensten in Nederland, ook op grond van de Wet op de economische delicten strafrechtelijk opgevolgd worden.
De betrokkenheid van een AIVD’er bij het saboteren van het Iraanse kernwapenprogramma |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sabotage in Iran: een missie in duisternis»?1
Ja. Er is kennisgenomen van genoemde publicatie over dit onderwerp.
In het algemeen geldt dat de Kamer over de vertrouwelijke aspecten van het werk van de diensten via de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) wordt geïnformeerd. Dit is in overeenstemming met de waarborgen die de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017 bevat over onder meer de wettelijke plicht tot geheimhouding van de werkwijze van de diensten.
Op operaties van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, publicaties daarover en veronderstellingen die daarin worden gedaan, juist of onjuist, kan nooit worden ingegaan. De inhoud van publicaties en veronderstellingen die daarin worden gedaan, zijn altijd voor rekening van de betreffende journalist.
Ik hecht er wel aan het volgende te benadrukken:
Alle handelingen van de AIVD en de MIVD zijn gebaseerd op de taken, de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden die in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2002 waren en thans in de Wiv 2017 zijn opgenomen. Over de vertrouwelijke aspecten van het werk van de diensten wordt via de CIVD politieke verantwoording afgelegd. Bovendien geldt dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) te allen tijde belast was en is met de controle op de rechtmatigheid van het handelen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarmee vormt de CTIVD een wezenlijk onderdeel van het stelstel van wettelijke waarborgen die van toepassing zijn op de werkzaamheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Wat is uw reactie op het bericht?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u in zijn algemeenheid aangeven wanneer operaties van de inlichtingen-en veiligheidsdiensten (I&V-diensten) in het buitenland goedkeuring vereisen van de politieke leiding?
Voorop staat dat de Wiv 2017 geen onderscheid kent tussen de inzet van bevoegdheden in het binnen- of buitenland. Dat houdt in dat dezelfde voorwaarden en waarborgen gelden voor inzet in het buitenland als voor diezelfde inzet in Nederland, waaronder begrepen de voorgeschreven toestemmingsniveaus uit de Wiv 2017, toetsing door de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) of voorgeschreven meldingen bij de CTIVD.
Zowel in de periode waar de publicatie betrekking op heeft, als nu functioneren de diensten onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Zie ook het antwoord op vragen 1 en 2.
Vanwege de genoemde plicht tot geheimhouding kan in het openbaar niet worden ingegaan op de informatievoorziening aan de Minister-President. In het algemeen geldt dat de betrokken Ministers de afweging maken of de Minister-President direct of via de Raad voor de Veiligheids- en Inlichtingendiensten en vertrouwelijk wordt geïnformeerd over het handelen van de diensten.
De AIVD en de MIVD hebben te maken met een stelsel van parlementaire controle. Primair geldt dat parlementaire controle plaatsvindt in het openbaar, via de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken (indien van toepassing) en in het geheim – waar het staatsgeheime informatie betreft – in de CIVD. Daarnaast vindt doorlopende controle plaats via de CTIVD, de onafhankelijke en gespecialiseerde toezichthouder op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ook worden bepaalde door de Minister verleende toestemmingen (de grondslag van een operatie) aan de TIB voorgelegd voor een rechtmatigheidstoets. In andere gevallen mag uitsluitend de Rechtbank Den Haag toestemming verlenen.
Verder wordt over de aard en inhoud van de informatievoorziening en verantwoording aan de CIVD door het kabinet in het openbaar geen mededelingen gedaan.
Kunt u in zijn algemeenheid aangeven wanneer de I&V-diensten verantwoording moeten afleggen voor operaties in het buitenland?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt zonder in te gaan op deze specifieke casus reageren op de duiding van topambtenaar Wim Kuijken dat het tot de professionele taak hoort van de AIVD om de Minister te informeren bij dit soort operaties, en dat ook de Minister-President op de hoogte dient te zijn «vanwege de mogelijke geopolitieke implicaties»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt in zijn algemeenheid aangeven wanneer de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) over operaties in het buitenland geïnformeerd moet worden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat de democratische controle op de operaties waar de I&V-diensten aan deelnemen voldoende geborgd is?
Ik ben van mening dat zowel de democratische controle alsook het toezicht op de handelingen van de diensten, zijn geborgd. Ik verwijs u verder naar de beantwoording van vraag 1 en 2.
Kan het voorkomen dat de Nederlandse I&V-diensten hulpverlenen aan acties van andere I&V-diensten zonder zelf op de hoogte zijn van wat die acties behelzen, en wat de (geopolitieke) gevolgen zijn van die acties? Acht u dat wenselijk?
Er wordt in het openbaar niet ingegaan op de werkwijze van de diensten, waaronder de aard van de samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen (hierna: buitenlandse diensten).
Internationale samenwerking is voor de AIVD en de MIVD van essentieel belang.
De samenwerking met buitenlandse diensten moet voldoen aan de wettelijke vereisten en waarborgen zoals door de Wiv 2017 is bepaald.1 Dat betreft allereerst de bevoegdheid tot het aangaan van samenwerkingsrelaties met buitenlandse diensten en de daaraan voorafgaande, door de diensten te maken, weging die bepalend is voor de vraag of en, zo ja, waaruit die samenwerking kan bestaan. De Wiv 2017 geeft verder een regeling voor de verstrekking van gegevens alsmede het verlenen van technische en andere vormen van ondersteuning aan buitenlandse diensten. Tevens bevat de Wiv 2017 een regeling voor het doen van verzoeken om technische en andere vormen van ondersteuning aan buitenlandse diensten door de AIVD of MIVD.
De samenwerking met buitenlandse diensten valt volledig onder het toezicht van de CTIVD.
Welke eisen stellen de Nederlandse I&V-diensten aan het meewerken aan operaties geleid door I&V-diensten van andere landen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bevestigen dat de AIVD in 2007 betrokken was bij een sabotageactie van het Iraanse kernwapenprogramma? Zo ja, heeft er op enige wijze politieke goedkeuring plaats gevonden van deze actie? Is er op enige wijze achteraf verantwoording afgelegd over de actie?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding van de werkwijze van de diensten, kan ik niet inhoudelijk reageren op vermeende betrokkenheid van Nederland. In voorkomende gevallen dat de Kamer geïnformeerd dient te worden, zal dit via de CIVD worden gedaan.
Kunt u bevestigen dat de AIVD «wist dat het meedeed aan een operatie om het Iraanse nucleaire programma te saboteren», zoals de Volkskrant stelt? Zo ja, in hoeverre zou op basis van die kennis volgens u goedkeuring verzocht moeten worden voor de deelname bij de politieke leiding? In hoeverre had op basis van die kennis de CIVD geïnformeerd moeten worden?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u bevestigen dat de AIVD niet wist op welke wijze de eigen agent zou bijdragen aan het saboteren van het Iraanse kernwapenprogramma, namelijk via het inbrengen van een computervirus?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederland operaties uitvoert met mogelijk verstrekkende gevolgen zonder zelf volledig op de hoogte te zijn van de inhoud van die operaties?
Zie het antwoord op vraag 8.
Waren de handelingen (of het gebrek daaraan) van de AIVD m.b.t. de sabotageactie volgens u in strijd met de toen geldende wetgeving, in het bijzonder de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) 2002?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding van de werkwijze van de diensten, kan ik niet inhoudelijk reageren op vermeende betrokkenheid van Nederland. In voorkomende gevallen dat de Kamer geïnformeerd dient te worden, zal dit via de CIVD worden gedaan.
Zouden de handelingen (of het gebrek daaraan) van de AIVD m.b.t. de sabotageactie volgens u in strijd zijn met de Wiv 2017 en de Tijdelijke wet cyberoperaties?
De Wiv 2017 noch het kabinet spreken van «sabotage». De memorie van toelichting (MvT) op de Wiv 2017 spreekt van de mogelijkheid om verstoringsacties uit te voeren, als één van de maatregelen zoals hieronder beschreven.
De Wiv 2017 bevat de bevoegdheid tot het bevorderen of treffen van maatregelen ter bescherming van door de betreffende dienst te behartigen belangen. Vooropgesteld wordt dat deze bevoegdheid qua inzet, impact en risicoafwegingen veel verschillende verschijningsvormen kent. Bij het bevorderen of het treffen van maatregelen gaat het er met name om bepaalde anti-democratische, staatsgevaarlijke activiteiten of andere activiteiten die gericht zijn tegen één van de in de Wiv genoemde belangen te ontmoedigen of in de kiem te smoren met als uiteindelijke doel (preventief) te voorkomen dat de ermee gepaard gaande risico’s worden gerealiseerd.
De juridische basis om een verstoringsactie uit te voeren – met de explicitering dat hierbij gebruik mag worden gemaakt van een technisch hulpmiddel – is terug te vinden in artikel 73 lid 1 van de Wiv 2017. In de MvT Wiv 2017 is de toelichting op artikel 73 terug te vinden in paragraaf 4.3.2 In de Wiv 2002 was deze juridische basis terug te vinden in artikel 21 lid 1 sub a onder 2.
De Tijdelijke Wet onderzoek naar landen met een offensief cyberprogramma wijzigt niets aan de bevoegdheid in het wettelijke kader hieromtrent en de waarborgen die hiervoor gelden. De Wiv 2017 blijft op dit punt onverkort van kracht.
Zie verder het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) te verzoeken onderzoek te doen naar deze casus?
De CTIVD bepaalt als onafhankelijke toezichthouder binnen de wettelijke kaders van de Wiv 2017 zelf of, en zo ja naar welk onderdeel van het handelen van de diensten zij onderzoek zal instellen. Het is mij niet bekend of de CTIVD voornemens is een onderzoek naar deze casus in te stellen.
Kunt u verder reflecteren op het antwoord dat u gaf over de brief van 3 oktober 2022 waarin stond dat het inschrijftarief met 15 euro wordt verhoogd?1
In de kamerbrief van 3 oktober 20223 heb ik toegezegd invulling te geven aan de Kamerbrede motie, over aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden voor gerechtstolken om het schrappen van de voorrijkosten te ondervangen4, door de ondergrens van de aanbesteding met 15 euro te verhogen. Dit betreft het tarief dat inschrijvers minimaal dienen af te geven (inschrijftarief) in de tolkaanbesteding voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak. Deze verhoging is tot stand gekomen om te voorkomen dat de tolken die voor het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak (gaan) werken financieel nadeel ondervinden van het schrappen van de voorrijkosten. In het schriftelijk overleg van 24 juni 20225 ben ik nader ingegaan op de afschaffing van de voorrijkosten. De verhoging van het inschrijftarief van de aanbesteding voor het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak is gebaseerd op het gemiddelde tarief aan voorrijkosten die door deze organisaties werden uitbetaald voor de tolkuren op locatie. Deze verhoging zorgt ervoor dat de individuele tolk in gesprek met de intermediair/het tolkbureau een positie heeft om tot een passende en hogere vergoeding te komen voor de tolkopdrachten van het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak. Graag benadruk ik dat de verhoging van het inschrijftarief enkel van toepassing is voor tolkdienstverlening voor het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak.
Kunt u een inschatting geven welk deel van deze verhoging bemiddelaars ten goede komt en welk deel daadwerkelijk bij tolken terecht komt?
Een dergelijke inschatting is niet te maken. Het is de bedoeling dat de 15 euro verhoging tot uiting komt in het uurtarief waar de tolken en intermediairs over kunnen onderhandelen. Gezien de uurtarieven nog niet beschikbaar zijn, is het niet mogelijk om in te schatten welk deel van dit uurtarief bij de intermediairs terecht komt en welk deel bij de tolken.
In de aanbesteding voor de tolkopdrachten van het OM/de Rechtspraak is wel de voorwaarde opgenomen dat de voorrijkosten voor tolkopdrachten op locatie onderdeel zijn van de uurvergoeding. De vergoeding van deze kosten komt tot uiting in de beoogde uurvergoeding voor tolken. Ondanks dat het verrekenen van voorrijkosten een nieuwe situatie betreft, vertrouw ik erop dat zelfstandig ondernemende tolken met de intermediair een passende uurvergoeding blijven afspreken. Bij deze passende uurvergoeding is rekening gehouden met de voorrijbewegingen voor de opdrachten bij het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak.
De aanbesteding van de tolkopdrachten voor het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak is inmiddels gegund aan twee verschillende intermediairs. De eerste overeenkomst is onlangs geïmplementeerd, de andere overeenkomst gaat naar verwachting van start in februari 2024.
Zodra dienstverlening volledig is geïmplementeerd en de gegevens hierover beschikbaar zijn, worden de vergoedingen, die intermediairs aan zelfstandig ondernemende tolken betalen, inzichtelijk. Hierdoor ontstaat een beeld van de tarieven die in de markt worden uitbetaald aan de tolken, waarover ik uw Kamer op geaggregeerd niveau informeer met de jaarlijkse brief over de monitoring van de tolk- en vertaaldiensten.
Wat vindt u ervan dat de bemiddelingsbedrijven de mogelijkheid hebben om de € 15 extra voor zichzelf te houden, terwijl deze verhoging tot doel had gerechtstolken niet langer te benadelen wegens hun bijzondere positie?2
In de aanbestedingen van het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak wordt nadrukkelijk vastgesteld dat de overeengekomen uurprijs altijd is opgebouwd uit alle (directe en indirecte) kostencomponenten. In deze kostencomponenten zijn de voorrijkosten opgenomen. Het verhogen van het inschrijftarief met 15 euro in de tolkaanbesteding voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak heeft als doel om te compenseren voor het wegvallen van de voorrijkosten en een passende uurvergoeding te bewerkstelligen voor opdrachten op locatie. Om deze reden verwacht ik dat tolkbureaus en de tolken voor deze dienstverlening een hogere uurvergoeding overeenkomen voor de dienstverlening op locatie voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak. De meerkosten voor tolkbureaus zijn op deze wijze gedekt.
Als na de implementatie en de monitoring blijkt dat de ophoging van het inschrijftarief in de onderhavige aanbesteding niet zorgt voor een hogere vergoeding voor de tolken (die opdrachten op locatie uitvoeren voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak), zullen tolkbureaus door mijn ministerie actief gestuurd worden op het uitbetalen van een bij de dienstverlening passende vergoeding aan de betreffende tolken.
Een hogere uurvergoeding voor tolken die voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak werk op locatie verrichten, staat los van de aanvullende kilometervergoeding (van 0,77 euro) die zij ontvangen voor dienstverlening op locatie.
Bent u het eens dat de uitwerking van de voorgenomen maatregelen er niet toe zouden mogen leiden dat de gerechtstolken straks aanzienlijk minder betaald zullen krijgen dan in de oude situatie?
Ja, daar ben ik het mee eens. De voorgenomen maatregelen zouden er niet toe moeten leiden dat tolken minder betaald krijgen in de nieuwe situatie. Tolken die opdrachten uitvoeren in de Rechtspraak/voor OM behoren een gepaste vergoeding te krijgen, aangezien zij van belang zijn voor de rechtspleging en de rechtsgang. De stelselherziening van de tolk- en vertaaldienstverlening ziet erop toe dat er sprake is van marktwerking. Deze wijziging is er juist op gericht dat de positie van de zelfstandig werkende tolk verbeterd kan worden. Daarbij is het van belang dat de individuele tolk met de intermediair in vrijheid afspraken kunnen maken over de voorwaarden (waaronder de vergoeding) waarvoor zij het werk verrichten van het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak. Het is aan de individuele tolk om te onderhandelen en te komen tot een gepaste vergoeding. Door middel van het hogere inschrijftarief is beoogd de tolk in de gelegenheid te stellen om een stevigere positie te krijgen de afspraken die zij maken over een hogere uurvergoeding.
Kunt u ingaan op het signaal dat ons heeft bereikt dat sommige gerechtstolken in plaats van een verdiende loonsverhoging juist moeten rekenen op een verlaging van hun tolkenvergoeding van 67,3 procent bij OM-tolkdiensten van bijvoorbeeld 31 minuten? Zo nee, hoeveel gaan ze er dan op achteruit?
Het is van belang om signalen te ontvangen van alle partijen in het stelsel van de tolk- en vertaaldiensten, zodat we op de hoogte blijven van de stelselontwikkeling. Daarvoor staan we in contact met de beroepsvertegenwoordigers. Ondanks dat de aanbesteding van de tolkdiensten bij het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak is ondertussen gegund, is nog geen informatie beschikbaar over de vergoeding aan de zelfstandig ondernemende tolken van opdrachten bij OM/de Rechtspraak. Hierdoor kan (nog) niets gezegd worden over de ontwikkeling van de vergoeding aan deze groep tolken. Het uurtarief komt immers, zoals in bovenstaande antwoorden tevens vermeld, tot stand tussen onderhandelingen met de individuele ondernemende tolk en de intermediair.
Bent u het eens met de stelling dat de nieuwe vergoedingsontwikkelingen zeer nadelig kunnen zijn voor tolken die bijvoorbeeld diensten doen van net iets meer dan 30 minuten?
De verwachting is dat tolken in de nieuwe situatie voor diensten op locatie van het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak een hoger uurvergoeding overeenkomen met het tolkbureau. Er is, vanaf februari 2024, sprake van een andere situatie waarbij de aanbesteding van de tolkopdrachten van het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak volledig geïmplementeerd is.
Door te gaan werken met tolkbureaus kunnen tolken het werk dat zij voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verrichten ook combineren met het werkaanbod dat zij via het tolkbureau aangeboden krijgen voor andere overheidsorganisaties. Ook deze situatie verschilt ten opzichte van de huidige werkwijze. Daarnaast refereer ik graag naar de beantwoording op vraag 3, 4 en 5.
Klopt het dat er plannen zijn om de OM-tolkendiensten in de toekomst telefonisch te laten plaatsvinden?
Na contact met het Openbaar Ministerie kan ik benadrukken dat de bovenstaande stelling niet klopt. Alleen bij hoge uitzondering wordt er via telefonische of video verbinding vertolkt. Dit gebeurt bijvoorbeeld als een tolk vlak voor de opdracht annuleert.
Deelt u de zorg dat de geplande verhoging van € 43,89 naar € 55 met afschaffing van de voorrijkosten een grote teruggang in inkomsten voor de gerechtstolken kan betekenen?
Door de genomen maatregelen in de nieuwe aanbestedingen van het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwacht ik juist hogere uurvergoedingen voor dienstverlening op locatie. Dit mede door de verhoging van het inschrijftarief van 15 euro, waardoor de tolk in de gelegenheid is om een hoger uurtarief te vragen. Ik heb beoogd om de tolk te beschermen voor een nadelig financieel effect door het inschrijftarief voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te verhogen met 15 euro. Op deze manier kunnen tolken het wegvallen van de voorrijkosten met een hogere uurvergoeding compenseren. Daar komt bij dat het minimumtarief vanaf 1 januari 2024 geïndexeerd is naar 59,53 euro.
Deelt u de zorgen over de positie van gerechtstolken op de arbeidsmarkt? Zo ja, welke maatregelen treft u voor het behoud en werven van nieuwe gerechtstolken?
Ik kan een deel van de zorg begrijpen gezien de stelselherziening. Het stelsel van de tolkdienstverlening is in ontwikkeling. De tolken, tolkbureaus en opdrachtgevers zijn in toenemende mate afhankelijk van elkaar om het werk te verrichten. De nieuwe systematiek dient zich immers nog te bewijzen in opzichte van de overheidsopdrachten voor het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak.
De zorg over de positie van de tolken deel ik echter niet. In het nieuwe stelsel is sprake van zelfstandig ondernemende tolken en tolkbureaus. Deze partijen in het stelsel werken, soms individueel maar in toenemende mate met elkaar, in een markt waarin de positie op basis van vraag en aanbod van gevraagde expertise tot stand komt. Op basis hiervan kunnen betere voorwaarden tot stand komen met verantwoordelijkheid voor ieders eigen deel van de overheidsopdracht.
In de doelstellingen van het programma «Tolken in de Toekomst» is in het bijzonder aandacht besteed aan het borgen van de goede en onafhankelijke positie van de tolken, waaronder tolken die werken in de rechtsgang. Door de keuzevrijheid die zij hebben om via verschillende contractpartijen in aanmerking te komen tot het werk van de overheid, ontstaat voor hen een betere positie richting de markt van tolkbureaus. Ik hoor ook positieve geluiden over de positie van de tolk en de onderhandelingsmogelijkheden over voorwaarden.
Afhankelijk van vraag en aanbod zal door de markt, al dan niet in samenwerking met de overheid, gericht acties ondernomen worden voor behoud van voldoende gekwalificeerde tolken. In de Kamerbrief van 11 december 20237 noemde ik de interventies, in het kader van het vergroten van het aantal registertolken in het Register voor beëdigde tolken en vertalers.
Kunt u reflecteren op wat deze voorgenomen uitwerking kan doen met de toegang tot het recht als steeds minder mensen de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van een tolk in de rechtsgang?
Ik kan niet speculeren over mogelijke situaties. Het Openbaar Ministerie/de Rechtspraak vragen, op basis van artikel 6 EVRM en de Wet Beëdigde tolken en vertalers (Wbtv), registertolken uit. De inzet van de registertolken op C1-niveau in de rechtsgang is dus verplicht als betrokkenen de taal niet beheersen. Dit zijn de rechten van elke burger.
Daarnaast is mijn ministerie op dit moment met betrokken partijen, waaronder Bureau Wbtv en intermediairs, gericht aan het onderzoeken hoe het Register beëdigde tolken en vertalers aangevuld kan worden met meer C1-tolken. Hieronder valt ook de verhoging in het register van het aantal tolken die werken voor Openbaar Ministerie/de Rechtspraak. Door het uitbreiden van mogelijke interventies in het aantal registertolken, zal de mogelijkheid voor het gebruik van een tolk in de rechtsgang naar verwachting toenemen.
Bent u het eens met de stelling dat deze voorgenomen uitwerking van de Kamerbreed aangenomen motie nadelig kan zijn voor de inkomenspositie van gerechtstolken en bent u het met eens met de stelling dat er juist moet worden gewerkt aan een redelijke vergoeding en een tariefverhoging ten opzichte van de huidige situatie voor gerechtstolken zodat de toegang tot het recht voor iedereen wordt gewaarborgd?
Met de uitwerking van de motie is juist beoogd om de positie van de tolk als zelfstandige ondernemer beter tot zijn recht te laten komen. Ik heb beoogd om de tolk te beschermen voor een nadelig financieel effect door het inschrijftarief voor het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te verhogen met 15 euro. Op deze manier kunnen tolken het wegvallen van de voorrijkosten met een hogere uurvergoeding compenseren. De uitwerking van de vergoedingen in de praktijk wordt gemonitord als onderdeel van de monitoring van de tolk- en vertaaldiensten.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de gerechtstolken daadwerkelijk de tariefverhoging voelen in hun portemonnee en aanvullende maatregelen te treffen om te voorkomen dat gerechtstolken er in het geheel er ten opzichte van de oude situatie in ieder geval niet op achteruit zullen gaan?
Ja. Voor deze vraag refereer ik naar de beantwoording van vraag 3, 4 en 5.
Kunt u de Kamer dit kalenderjaar nog informeren over zowel de ontwikkelingen bij de tarieven van tolken alsmede de resultaten van de monitoring van de tarieven van vertaaldiensten?
De Kamerbrief over de monitoring is in december naar de kamer gestuurd8. De eerste beelden van de ontwikkeling van de tarieven van de tolken worden in deze brief weergegeven. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat in meer dan 40% van de opdrachten meer dan 60 euro wordt vergoed. De resultaten van de monitoring van de tarieven van de vertaaldiensten zijn gelimiteerd beschikbaar en bieden nog geen volledig, geaggregeerd beeld. Aangezien veel aanbestedingen rondom de vertaaldiensten nog geïmplementeerd moeten worden, zal de monitoring over de tarieven van de vertaaldiensten zich in de loop van het komende jaar vullen. In de eerstvolgende Kamerbrief rondom de monitoring zal ik bij dit onderwerp opnieuw stilstaan.
Het artikel 'Gelekte documenten bewijzen tot nu toe onbekende connecties tussen Rusland en de PVV' |
|
Laura Bromet (GroenLinks-PvdA), Joost Sneller (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gelekte documenten bewijzen tot nu toe onbekende connecties tussen Rusland en de PVV»?1
Ja.
Op welke wijze kan momenteel worden gecontroleerd of giften uit het buitenland niet via derden alsnog bij politieke partijen of politici terechtkomen?
Sinds 1 januari 2023 is het voor politieke partijen verboden om giften van niet-Nederlanders te ontvangen. Giften van Nederlanders uit het buitenland zijn nog wel toegestaan. Per 1 januari 2024 moeten politieke partijen bij alle giften die zij van een rechtspersoon ontvangen ook de uiteindelijk belanghebbende(n) van die rechtspersoon inzichtelijk maken. De controle hierop vindt plaats door de accountant, die over de financiële jaarstukken van politieke partijen een goedkeurende verklaring moet afgeven. De Auditdienst Rijk (ADR) controleert jaarlijks een selectie van accountantsverklaringen van politieke partijen.
Valt uit te sluiten dat op deze wijze het verbod op het ontvangen van giften uit het buitenland voor politieke partijen en politici wordt omzeild?
Het verbod op het ontvangen van giften van niet-Nederlanders is pas op 1 januari 2023 in werking getreden. Bij de verantwoordingsstukken over 2023, die partijen voor 1 juli 2024 moeten indienen, is dit verbod dus voor het eerst van kracht. De praktijk zal moeten uitwijzen of de omzeiling van dit verbod een reële mogelijkheid is. Als de regels uit de Wfpp worden overtreden, ben ik als toezichthouder op de Wfpp bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
Als dit niet het geval is, hoe beoordeelt u de effectiviteit en doeltreffendheid van de huidige regelgeving om beïnvloeding vanuit het buitenland door middel van het verstrekken van financiële giften te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de voortgang op de toezegging dat een redteam-test zou worden uitgevoerd om de effectiviteit van de regels in de Wet financiering politieke partijen te toetsen en eventuele lacunes te ontdekken?
Tijdens het commissiedebat van 18 januari 2023 en het tweeminutendebat Bestuurlijke organisatie, democratie en verkiezingen van 25 januari 2023 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegezegd om een penetratietest uit te laten voeren rondom de Wfpp. Momenteel wordt deze test door een onafhankelijke partij uitgevoerd. Naar verwachting zal ik nog dit jaar de beschikking krijgen over de resultaten.
Valt het uit te sluiten dat in het verleden giften uit het buitenland zijn gedaan aan politieke partijen, bijvoorbeeld uit Rusland?
Op 17 maart 2022 heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer de brief «Verzoek om overzicht giften uit de Russische Federatie aan Nederlandse politieke partijen» toegezonden. Uit de vanaf 1 mei 2013 jaarlijks openbaar gemaakte overzichten van giften en schulden van politieke partijen blijkt geen directe gift of schuld uit de Russische Federatie.2 In dezelfde brief benadrukt de Minister van Binnenlandse Zaken tegelijk dat niet valt uit te sluiten dat politieke partijen, neveninstellingen en/of kandidaten via een tussenpersoon giften uit dit land hebben ontvangen. Vanaf 1 januari 2023 is het politieke partijen niet meer toegestaan om giften van niet-Nederlands te ontvangen.
Op welke wijze is opvolging gegeven aan het advies dat de Raad van State heeft uitgebracht naar aanleiding van de motie Klaver c.s. over onderzoek naar financiering uit Rusland?
De motie Klaver c.s. verzoekt het Presidium om op korte termijn de Algemene Rekenkamer te vragen om te onderzoeken of en, zo ja, op welke wijze politieke partijen, politici en belangenorganisaties in Nederland vanaf 2014 zijn gefinancierd (financieel of in natura) met geld uit de Russische Federatie of met geld van Russische (rechts)personen3. Naar aanleiding van de motie Klaver c.s. heeft het Presidium van de Tweede Kamer een voorlichting gevraagd aan de Raad van State. De Raad van State concludeert dat verschillende instanties onderzoek kunnen doen naar de binnenlandse en buitenlandse financiering van politieke partijen en kandidaten: de Minister van BZK geflankeerd door de Ctfpp (de huidige situatie); de Kiesraad; de Algemene Rekenkamer; en een nieuw op te richten onafhankelijke instantie.4 In de concept Wet op de politieke partijen (Wpp), die in consultatie is geweest en begin 2024 zal worden aangeboden aan de Raad van State, is gekozen voor deze laatste optie. Dit is in lijn met de motie-Arib c.s.5 die oproept tot het opnemen van een onafhankelijke toezichthouder in de Wet op de politieke partijen.
Welke instantie acht u heeft meest geschikt om onderzoek uit te voeren naar op welke wijze politieke partijen, politici en belangenorganisaties in Nederland door buitenlandse (rechts)personen worden gefinancierd (zowel financieel als in natura)?
Zie antwoord op vraag 7. Voor zover belangenorganisaties onder de reikwijdte van het wetsvoorstel transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) vallen, geldt het volgende. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen krijgen de burgemeester – in het kader van handhaving van de openbare orde – en het openbaar ministerie – bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd, dan wel of het bestuur naar behoren wordt gevoerd – de bevoegdheid om onder voorwaarden bij een maatschappelijke organisatie gericht navraag te doen naar donaties en, als deze substantieel blijken, verdere navraag te doen naar de persoon van de donateur. De Wtmo wordt niet van toepassing op politieke partijen, hiervoor geldt de Wet financiering politieke partijen.
Bent u van mening dat een dergelijk onderzoek naar giften uit het buitenland in het verleden van belang is, mede in het licht van de hierboven aangehaalde berichtgeving in relatie tot het huidige conflict tussen Rusland en Oekraïne?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 verbiedt de Wet financiering politieke partijen sinds 1 januari 2023 het ontvangen van giften van niet-Nederlanders. Op basis van de Wet financiering politieke partijen zie ik geen aanleiding tot het starten van een onderzoek door mijn ministerie.
Bent u bereid om dit onderzoek, waartoe wordt opgeroepen in de motie Klaver c.s. en die met een ruime Kamermeerderheid is aangenomen, alsnog te laten uitvoeren?
Zoals in antwoord op vraag 7 wordt weergegeven bevat de motie Klaver c.s. een verzoek aan het Presidium van de Tweede Kamer. Het is dan ook aan het Presidium van de Tweede Kamer om uitvoering te geven aan deze motie.
De aanhouding van medewerkers van NCTV en politie vanwege het lekken van staatsgeheime informatie |
|
Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Joost Sneller (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Openbaar Ministerie «Medewerkers van de NCTV en politie aangehouden», op verdenking van het bezitten en naar buiten brengen van staatsgeheime informatie?1
Ja.
Kunt u aangeven of er door de mogelijk gestolen staatsgeheimen individuen en/of organisaties acuut gevaar lopen?
Er vinden op dit moment diverse onderzoeken plaats naar (aanleiding van) deze casus, waaronder het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR). Deze onderzoeken zijn in volle gang en vinden – gelet op de aard van de informatie – onder strenge afscherming plaats. In het belang van die onderzoeken en gelet op het afbreukrisico indien voortijdig gevoelige of gerubriceerde informatie bij derden terechtkomt, kan er op dit moment geen aanvullende informatie worden gegeven. Zodra de onderzoeken dat toestaan, zal ik meer informatie met u delen. Ik ben daarbij mede afhankelijk van de rubricering van de eventuele informatie.
Kunt u aangeven of er vitale infrastructuur in Nederland acuut gevaar loopt?
Er zijn vooralsnog geen signalen die erop wijzen dat de vitale infrastructuur acuut gevaar loopt. Als er informatie beschikbaar komt waaruit blijkt dat dit mogelijk wel het geval is, zal daarnaar gehandeld worden.
Kunt aangeven wanneer de uitkomsten van het aangekondigde onderzoek met de Kamer zullen worden gedeeld?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 8 december jl., is de ADR op 6 december jl. gestart met het onderzoek. Naar verwachting zal het onderzoek enkele maanden duren. Er zal op basis van de uitkomsten van het onderzoek worden bezien in welke vorm en/of onder welke voorwaarden uitkomsten van het onderzoek kunnen worden gedeeld. Uw Kamer zal daarover nader worden geïnformeerd zodra het onderzoek is afgerond.
Gaat u in het onderzoek meenemen of de omgang met staatsgeheimen enkel in dit incident uitzonderlijk is of dat er sprake moet zijn van aangescherpte maatregelen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 8 december jl., is het doel van het onderzoek, zoals verwoord in de onderzoeksopdracht door de ADR, «inzichtelijk maken op welke wijze de beveiliging van de bijzondere informatie in de in deze casus relevante processen en systemen is ingericht ten einde suggesties te doen om de beveiliging waar nodig te verbeteren.».
Op verzoek van mijn departement is met de ADR besproken dat de volgende elementen hun weerslag zullen vinden in het onderzoek:
Het is aan de ADR om, nadat er kennisgenomen is van de feiten, te bepalen hoe aan deze elementen precies invulling wordt gegeven.
Wat is uw reactie op de volgende verklaring van een bron bij de Landelijke Eenheid aan de Telegraaf: «Meerdere collega's van de landelijke eenheid hebben de leiding al in 2021 gewaarschuwd voor deze man. Het is onbegrijpelijk dat er niet eerder iets mee is gebeurd»? Kunt u dit bevestigen en duiden?2
Zie antwoord vraag 5.
Welke regelgeving, richtlijnen en meldcodes zijn er om toenadering en toenaderingspogingen van politie en andere justitiële partners vanuit het buitenland te voorkomen? Is dat voldoende? Zo nee, welke acties kunnen en worden daartoe reeds ondernomen?
Met wie informatie is gedeeld is onderwerp van strafrechtelijk onderzoek. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, kan er op dit moment geen aanvullende informatie worden gegeven.
In algemene zin kan ik het volgende meegeven ten aanzien van de regelgeving. De regelgeving voor de informatiebeveiliging bij de rijksoverheid is neergelegd in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst 2007. Voor bijzondere informatie geldt aanvullend het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013.3 Ook kunnen departementen zelf aanvullende richtlijnen of maatregelen treffen. Daarnaast is de Wet Veiligheidsonderzoeken relevant. Op grond van deze wet worden (beoogde) werknemers die een vertrouwensfunctie zullen vervullen, onderworpen aan een veiligheidsonderzoek. Voor de politie is de Rubriceringsregeling Politie 2015 van toepassing op (de omgang met) bijzondere informatie. De screening van politiemedewerkers gebeurt op grond van de Politiewet 2012 en het Besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen. Wanneer een politiemedewerker een vertrouwensfunctie gaat bekleden, valt dit onder de Wet veiligheidsonderzoeken. De screening wordt dan uitgevoerd door de AIVD.
Wat betekent deze situatie voor de nauwe samenwerking tussen Nederland en de Marokkaanse politie?
Zie antwoord vraag 7.
Wat betekent deze onthulling voor de aangehaalde banden met de Marokkaanse regering? Bent u bereid om hier consequenties aan te verbinden en zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke functie |
|
Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA), Nicole Temmink (SP), Joost Sneller (D66), Anne Kuik (CDA), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de conclusie van onderzoeker en adviseur agressie en geweld mevrouw Koetsenruijter dat het voor normherstel essentieel is dat altijd aangifte wordt gedaan van agressie en geweld tegen mensen met een publieke functie?1 Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om de aangiftebereidheid te verhogen?
Samen met mijn ambtsgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (vanaf nu BZK) onderschrijf ik het belang van normherstel. Juist nu sinds een aantal jaar het aantal incidenten aangaande intimidatie en bedreiging tegen politieke ambtsdragers en andere mensen met een publieke taak toeneemt en tegelijkertijd het percentage meldingen en aangiftes achterblijft. Agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak kent vele vormen en mag nimmer geaccepteerd worden.
Daarom pleit ik er als eerste voor dat werkgevers helder maken welk gedrag (normen en waarden) zij willen zien in de richting van hun werknemers en welk gedrag zij niet accepteren. Deze norm kent geen vrijblijvendheid en vraagt dan ook om het handhaven ervan, bieden van steun aan de werknemers en het geven van een passende reactie richting de dader. Het Rijk draagt hieraan bij door initiatieven zoals de noodzaak tot het formuleren van een collectieve (generieke) norm. Deze dient als vertrekpunt voor beroepsgroepen en kan vertaald worden naar de eigen context.2 3
Als tweede is het van belang dat een werknemer elke vorm van agressie en geweld altijd meldt bij de eigen werkgever. Het is belangrijk dat de werkgever deze vervolgens goed registreert. Na de melding binnen de organisatie kan een melding of aangifte bij de politie volgen waarbij altijd ondersteuning moet worden geboden vanuit de werkgever. Goede registratie van meldingen is een belangrijke sleutel voor de werkgever tot het opbouwen van een goede informatiepositie over de aard en omvang van agressie en het geweld tegen de eigen werknemers en het nemen van maatregelen, al dan niet in samenspraak met politie.
Als derde pleit ik ervoor dat agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak ten alle tijden gemeld wordt bij de politie. Als de werknemer en/of werkgever besluit(en) aangifte te doen van een strafbaar feit, dient de aangever/melder aan te geven dat het gaat om een functie met publieke taak en dient de politie deze op te nemen en in het systeem te voorzien van de code Veilige Publieke Taak (vanaf nu VPT). Hier ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Op deze wijze kan ook aan de zijde van de politie een goede informatiepositie ontstaan wat tevens bijdraagt aan een landelijk beeld over deze problematiek. Daarbij blijft het nog altijd aan de medewerker zelf om te besluiten daadwerkelijk aangifte te doen.
Als vierde is het, om de aangiftebereidheid te verbeteren, van belang dat een aangifte zichtbaar leidt tot optreden en handelen vanuit de politie en het Openbaar Ministerie (vanaf nu OM). De strafrechtelijke aanpak is sinds 2010 geborgd in de Eenduidige Landelijke Afspraken (vanaf nu de Afspraken). De Afspraken zijn opsporings-en vervolgingsafspraken en beogen een uniforme, eenduidige landelijke aanpak en behandeling van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Voorbeelden van de Afspraken afspraken zijn o.a. prioritaire afhandeling, eenduidige registratie, werkgeversaangifte en een 200% hogere strafeis als uitgangspunt. Mijn ministerie ziet toe op de borging van de Afspraken. Voor een goed aangifteproces heeft het Rijk instrumenten ontwikkeld voor werkgever en werknemer en die beschikbaar gemaakt op de Rijkspagina. Hoewel iedere vorm van agressie en intimidatie moreel verwerpelijk is, levert het niet in alle gevallen een strafbare gedraging op. Die beoordeling is uiteindelijk aan het OM en uiteindelijk aan de rechter.
Tot slot zijn er succesvolle initiatieven van werkgevers die hun verantwoordelijkheid invullen door een medewerker aan te wijzen als eerste aanspreekpunt voor het contact met de politie en het OM. Deze medewerker ondersteunt bij het doen van een melding of aangifte en blijft het proces volgen met het slachtoffer. Ook dit draagt bij aan het verbeteren van de aangiftebereidheid.
Kunt u toelichten in hoeveel procent van dergelijke gevallen van agressie of geweld aangifte wordt gedaan? In hoeveel procent leidt dit tot een veroordeling?
Een betrouwbaar landelijk beeld van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak ontbreekt. Dat is te wijten aan een samenspel van enkele oorzaken. Zo is het (actief) stimuleren van de melding- en aangiftebereidheid en een goede registratie hiervan een verantwoordelijkheid van de werkgever (zie mijn antwoord bij vraag 1). De werkgevers van de diverse beroepsgroepen vullen dat verschillend in. Dit, in combinatie met een persoonlijke afweging doet een functionaris met een publieke taak besluiten al of geen melding te maken. Dat beïnvloedt ook de bereidheid tot de vervolgstap om melding en aangifte te doen bij de politie. Hierdoor is het lastig exact te achterhalen hoeveel procent aangifte doet bij de politie.
Doordat er geen landelijk beeld van het aantal meldingen bij de werkgever is, kan het aantal aangiften bij politie daar niet aan gerelateerd worden.
Vervolgens kan het aantal aangiften niet gerelateerd worden aan een percentage veroordelingen, omdat zaken bij het OM en de Rechtspraak niet per aangifte maar per verdachte worden geregistreerd. Een persoon kan verdacht worden van het plegen van meerdere strafbare feiten en het is mogelijk dat meerdere personen tegen één persoon aangifte doen. Uit de cijfers van 2022 van het OM4 blijkt dat de totale instroom van verdachten in VPT-zaken bij het OM in dat jaar 9.911 was. In 58% van de VPT-zaken werd de zaak door het OM aan de rechter voorgelegd. Dat is meer dan gemiddeld in vergelijking met andere strafzaken. De overige 42% werd afgehandeld door het OM.
Van deze 42% werd 27% door het OM afgedaan met een strafbeschikking, transactie of voorwaardelijk sepot. Het ging dan vooral om de lichtere delicten zoals belediging of het niet opvolgen van een bevel. Tot slot werd 16% van de VPT-zaken onvoorwaardelijk geseponeerd, waarvan bijna de helft vanwege het ontbreken van wettig bewijs. Dit sepotpercentage is lager dan het gemiddelde van alle strafzaken.
Van de zaken die het OM aan de rechter voorlegt, wordt in eerste aanleg in ongeveer 94% van de zaken over agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak, de verdachte schuldig bevonden en krijgt al dan niet een straf opgelegd.5 Als de rechter de verdachte in een zaak schuldig heeft bevonden, wil dit niet zeggen dat de rechter het eens is met deze maatschappelijke classificatie (VPT-delict) die het OM aan de zaak heeft gehangen. Er zijn namelijk zaken waarin meerdere feiten ten laste zijn gelegd; in die gevallen zijn er feiten aan te wijzen waarop de rechter kan besluiten iemand schuldig te verklaren anders dan voor «agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak».
Hoe geeft u als werkgever invulling aan de verplichting van artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, waaruit volgt dat u verantwoordelijk bent voor de veiligheid van werknemers zoals politiemedewerkers?
De Arbeidsomstandighedenwet is een zogenaamde kaderwet. Dat betekent dat in deze wet algemene bepalingen staan welke niet concreet zijn uitgewerkt. Artikel 3 van deze wet verplicht werkgevers te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten. De Arbeidsomstandighedenwet kent een groot belang toe aan het zicht hebben van de werkgever op de risico’s die zijn werknemers lopen. Om die reden verplicht deze wet de werkgever om periodiek een inventarisatie te maken van arbeidsrisico’s. Verschillende onderdelen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid die vallen onder de Rijks collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) zijn ook gehouden aan de Arbocatalogus van het Rijk. Sinds 2008 is in deze catalogus Agressie en geweld opgenomen. Deze is in 2022 en 2023 geüpdatet onder meer om antwoord te geven op nieuwe vormen van agressie en geweld.
Vanuit mijn eigen rol als werkgever voor de beroepsgroepen die onder het beheer van mijn ministerie vallen is het project «Werkgeversrol bij Agressie en Geweld tegen medewerkers van Justitie en Veiligheid» gestart. Dat project richt zich op het verhelderen en verstevigen van mijn werkgeversrol bij agressie en geweld tegen werknemers van mijn departement opdat ik mijn verantwoordelijkheid kan pakken, passende maatregelen in gang kan zetten om risico’s te verminderen en mijn zorgplicht kan invullen waardoor werknemers hun maatschappelijke taken kunnen blijven uitvoeren en uitval van hen wordt voorkomen.
Waar het de politiemedewerkers betreft, wordt de werkgeversverantwoordelijkheid gedeeld met politie. Politie heeft vanuit goed werkgeverschap de verantwoordelijkheid om de (fysieke en mentale) risico’s van het politiewerk te (her)kennen, te beperken en (waar mogelijk) te voorkomen. In de Kadernota Arbeidsomstandigheden is vastgelegd hoe het korps invulling geeft aan de wet- en regelgeving met betrekking tot arbeidsomstandigheden. Door middel van risico-inventarisatie en -evaluatie worden gezondheids- en veiligheidsrisico’s geanalyseerd om risico-beperkende maatregelen te nemen. Vanuit deze analyses stelt het politiekorps onder andere persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar. Daarnaast is de Arbocatalogus van de politie beschikbaar, die de bestaande Arbowet- en regelgeving aanvult. Deze biedt een overzicht van werkinstructies, werkprocessen, beleid en wet- en regelgeving rondom onderwerpen zoals fysieke veiligheid, mentale gezondheid, sociale veiligheid en weerbaarheid. De politie legt de focus steeds meer op de preventieve kant. Zo is voor alle medewerkers de Gezond Werken App beschikbaar waarin themagewijs informatie wordt ontsloten over bijvoorbeeld slaap, voeding en (werk)stress. In de app worden ook diverse oefeningen aangeboden en kunnen fitheidstrainingen worden gevolgd. Ook is er het programma «samen inzetbaar». Alle politiemedewerkers krijgen de gelegenheid om deel te nemen aan workshops en trainingen, digitaal of fysiek, op het gebied van fitheid, duurzame inzetbaarheid, (werk)stress e.d. Tot slot kunnen politiemedewerkers de Zorgwijzer 2022/2023 raadplegen om inzicht te krijgen in wat de werkgever faciliteert op (o.a.) het gebied van preventie en (bijzondere) zorg.6 Deze onderwerpen komen met regelmaat terug in mijn gesprekken met de politie.
Draagt u in dat kader zorg voor een normherstellende reactie bij een incident met agressie of geweld tegen een werknemer en wordt er altijd aangifte gedaan namens de werknemer binnen 48 uur, zoals gesuggereerd door mevrouw Koetsenruijter?2
Met mijn ambtsgenoot van het Ministerie BZK onderschrijf ik het belang van een normstellende reactie richting de agressor, wanneer bekend, binnen 48 uur. Zo wordt duidelijk gemaakt vanuit de werkgever dat agressief en intimiderend gedrag niet getolereerd wordt. Binnen verschillende sectoren is dit opgenomen in het protocol dat de stappen beschrijft na incidenten met agressie en intimidatie. Soms is daarvoor een speciale stopfunctionaris aangesteld, dit verschilt per organisatie.
Op welke wijze bevordert u dat Rijksbreed op een adequate wijze invulling wordt gegeven aan deze wettelijke verplichting als het gaat om het tegengaan van, en zo goed mogelijk omgaan met, agressie en geweld?
Met mijn ambtsgenoot van BZK wil ik benadrukken dat elke werkgever primair verantwoordelijk is. Het is belangrijk om deze verantwoordelijkheid ook daar te laten zodat passend beleid wordt ontwikkeld en maatregelen worden getroffen binnen de eigen beroepscontext. Deze contexten zijn per definitie niet overeenkomstig.
Het Rijksbrede programma Veilige Publieke Taak (2007–2016) vanuit het Ministerie van BZK had tot doel om werkgevers te faciliteren met generieke instrumenten die zij konden vertalen naar hun beroepscontext. In de praktijk wordt zichtbaar dat dit niet afdoende het geval is en is de vertaling naar de beroepscontext en het borgen in de bedrijfsprocessen onvoldoende gebleken. De verschillende lopende initiatieven vanuit mijn departement en BZK (bv. PersVeilig, Taskforce Onze hulpverleners veilig, Netwerk Weerbaar bestuur, programma Veilige Publieke Dienstverlening) geven hier een impuls aan en ondersteunen de werkgevers hierin.
Wij zien nu dat, gezien de ernst en de frequentie van de incidenten, veel werkgevers dit onderwerp steeds meer prioriteren. Dit biedt hun kansen om de generieke norm (zoals benoemd in antwoord op vraag 1) en instrumenten alsnog te vertalen naar hun beroepscontext. Mijn ambtsgenoot en ik willen daarom nogmaals benadrukken dat het raadzamer is om de verantwoordelijkheid daar te laten bij de werkgever opdat zij hier zelf op kunnen acteren, passend in de context van hun organisatie en diens beleidsprocessen. Het Rijk kan hierin ondersteunen bijvoorbeeld bij de uitwisseling van kennis en expertise. Zo werkt mijn departement samen met het Ministerie van BZK bij het inrichten van een interdepartementale tafel ter bevordering van een goede kennisuitwisseling binnen het Rijk op dit thema.
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur, wat loopt vanuit het Ministerie van BZK, zijn er de afgelopen jaren – in nauwe samenspraak met de (vertegenwoordigers van) decentrale politieke ambtsdragers, ambtenaren en experts – verschillende acties opgezet om bewustwording te creëren over intimidatie, agressie en geweld, en het handelingsperspectief hoe daar mee om te gaan.8 Zo is er het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur dat momenteel een tour doet langs alle gemeenteraden, colleges en Staten. Het gaat met hen hierover het gesprek aan en adviseert na incidenten. Ook is er aandacht voor veilig wonen en wordt de meldingsbereidheid gestimuleerd, met name voor de doelgroepen die geen klassieke werkgeversrol kennen. De netwerkpartners komen periodiek bij elkaar en worden op de hoogte gehouden via een maandelijkse nieuwsbrief.
Wat doet de overheid in brede zin om te leren van agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke functie? Op welke wijze wordt overheidsbeleid getoetst op het voorkomen van bepaalde vormen van agressie?
Agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak is een maatschappelijk fenomeen dat niet acceptabel is, maar helaas ook niet altijd valt te voorkomen. Ik zet mij ten zeerste in om een bijdrage te leveren aan het verkrijgen van meer inzicht in de oorzaken van agressie en geweld en hoe dit tot uiting komt tegen beroepsgroepen met een publieke taak.
Onderzoek naar de aspecten van agressie en geweld tegen deze beroepsgroepen is versnipperd. Daarom heb ik, op verzoek van de Taskforce, in 2020 via het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) opdracht gegeven aan Universiteit Leiden om een literatuuronderzoek te verrichten naar geweld tegen hulpverleners en andere beroepsgroepen die werken onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn ministerie.9 Dit onderzoek bood een aantal conclusies over de aard en omvang van agressie en geweld, de beschikbare kennis daaromtrent en de implicaties hiervan voor de praktijk en beleid. Uiteraard was dit literatuuronderzoek enkel een startpunt en zijn de inzichten die hieruit voortkwamen niet voldoende. Daarom heeft deze Taskforce een kenniskring van wetenschappers opgezet met een jaarlijkse onderzoeksagenda, geeft zij opdracht voor gericht onderzoek en organiseert zij ieder jaar een kennisconferentie voor het delen van inzichten. Deze inzichten helpen bij verbeteren van (preventieve) maatregelen.
Daarnaast investeer ik in de preventieve maatregelen gericht op jongeren. Deze initiatieven worden ook getoetst op hun effectiviteit. Met sportinitiatieven zoals Alleen jij bepaalt wie je bent en educatieve dagen bij de Risk Factories in Twente, Limburg Noord en Midden- en West-Brabant, bereiken wij de jongere generatie en brengen hen bij dat agressie en geweld tegen hulpverleners nooit acceptabel is. Door dit zaadje al vroeg te planten bij de jeugd draagt dit bij aan het voorkomen van agressie en geweld.
Mijn ambtgenoot bij BZK betrekt in de aanpak van agressie en geweld ook het leren van incidenten om herhaling te voorkomen. Zo komt uit de incidentanalyse naar voren welke verbeteringen mogelijk zijn en leidt dit bijvoorbeeld tot de aanpassing van het agressieprotocol of het verbeteren van de dienstverlening. Het evalueren en leren van incidenten maakt vaak onderdeel uit van de Arbo-catalogi met als doel dat de kans op incidenten daalt.
Daar komt bij dat voor elke werkgever een risico-inventarisatie en -evaluatie geldt en dat deze een basis vormt voor het arbobeleid van zijn bedrijf. De risico-inventarisatie en -evaluatie helpt om risico's in kaart te brengen van de eigen beroepsgroep en deze aan te pakken met de juiste maatregelen voor een veilige en gezonde werkplek. Dit is in principe voor elke organisatie verplicht.
Bent u bereid te bevorderen dat het leren omgaan met agressie ook onderdeel wordt van de opleiding van brandweermensen?3
Ik vind het belangrijk dat brandweermensen vroegtijdig leren omgaan dan wel handvatten meekrijgen daar waar het gaat om omgaan met agressie en grensoverschrijdend gedrag. Omgaan met agressie maakt onderdeel uit van de trainingen om vakbekwaam te blijven. De veiligheidsregio’s hebben als werkgevers een belangrijk aandeel in het leren omgaan met agressie en grensoverschrijdend gedrag en dit verschilt per regio. Vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke zal ik hier bij de veiligheidsregio’s aandacht voor blijven vragen.
Bent u bereid om te kijken of de veiligheidsregio een grotere rol kan krijgen bij het ondersteunen van brandweermensen die te maken krijgen met geweldsincidenten, bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met veiligheidsregio’s over de mogelijkheden van aangifte doen namens het slachtoffer van een geweldsincident?
Brandweermensen die te maken krijgen met geweldsincidenten moeten na een heftige gebeurtenis worden ondersteund. In het veiligheidsberaad van 9 oktober jongstleden ben ik in gesprek gegaan met de veiligheidsregio’s over geweld en agressie waar brandweermensen mee te maken hebben. Dit was een goed en constructief gesprek. De komende tijd zal ik in gesprek blijven met de veiligheidsregio’s daar waar het gaat om de werkgeversverantwoordelijkheid en de rol van de werkgevers bij zowel registraties van meldingen van incidenten als het doen van aangifte.
Onderschrijft u de conclusie dat meer onderzoek en monitoring nodig is naar de aard en oorzaak van incidenten om deze effectief te kunnen bestrijden, juist ook van incidenten waar geen strafrechtelijke norm is overschreden en aangifte dus niet in de rede ligt?
Zie het antwoord op vraag 6; dit geldt ook voor incidenten waarbij geen strafrechtelijke norm is overschreden en aangifte dus niet in de rede ligt.
Hoe reflecteert u op de vraag van bijvoorbeeld de veiligheidsregisseur in gemeente Tilburg om de veiligheidsregisseurs bij gemeentes de bevoegdheid te geven om processen-verbaal van aangiftes op te maken van incidenten van agressie en geweld tegen medewerkers in die gemeente? Kan dit een positief effect hebben op de snelheid waarmee aangifte wordt gedaan en de aangiftebereidheid onder medewerkers van gemeentes?
Het opmaken van proces-verbaal is op grond van artikel 152 Wetboek van Strafvordering voorbehouden aan opsporingsambtenaren, dit betreft alle functionarissen die in de artikelen 141 en 142 (boa’s) worden genoemd. Dit betekent dat alleen de ambtenaren met de opsporing van strafbare feiten belast, een proces-verbaal kunnen opmaken over het door hen opgespoorde strafbare feit. Buitengewoon opsporingsambtenaren kunnen alleen voor een beperkt aantal delicten proces-verbaal opmaken. Een veiligheidsregisseur bij de gemeente valt niet onder artikel 141 en heeft onder artikel 142 enkel de bevoegdheid om in beperkte gevallen in beperkte gevallen een proces-verbaal op te stellen.
De rol van de veiligheidsregisseur bij het opnemen van een proces-verbaal is dus beperkt. Echter kan deze wel een grote rol spelen om te zorgen dat er bij de gemeente de juiste kennis en expertise aanwezig is om een goede opvolging te geven na een dergelijke melding van de werknemer en de juiste (na) zorg en ondersteuning te verlenen. Bij het opstellen van een proces-verbaal is het bijvoorbeeld van belang dat de gemeente (en dus een veiligheidsregisseur) goed op de hoogte is welke elementen tenminste in een aangifte opgenomen moeten worden, wat strafbaar is en wat niet. Dit kan een positief effect hebben op de snelheid waarmee aangifte wordt gedaan en opvolging kan worden gegeven aan een melding van agressie en geweld.
Bent u bereid in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) te treden om te bewerkstelligen dat iedere gemeente op een laagdrempelige manier een meldpunt inricht voor agressie en/of geweld tegen mensen met een publieke functie en de Kamer over de uitkomsten van dit overleg te informeren?
Voor decentrale politieke ambtsdragers fungeert het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur als een plek waar meldingen van agressie, intimidatie en bedreiging laagdrempelig terecht komen en van waaruit burgemeesters en griffiers worden geadviseerd over de opvolging vanuit de organisatie. Het belang van melden wordt verder verspreid via de tour van het Ondersteuningsteam langs alle gemeenten en provincies. Hierbij trekken we samen op met de VNG-commissie Bestuur en Veiligheid.
Daarnaast stel ik mij op het standpunt dat elke werkgever een dergelijk meldpunt zou moeten inrichten. Zo kent de Rijksoverheid het ARO (Agressie Registratie Overheid) en gemeenten het GIR (Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem). Het lijkt mij niet correct om bij gemeenten de taak neer te leggen om de verantwoordelijkheid voor melding en registratie van alle incidenten tegen functionarissen met een publieke taak over te nemen van de verschillende werkgevers. Dat zou namelijk de eigen werkgevers ontslaan van hun verantwoordelijkheid op dit punt.
Wat doet u om politie, Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te wijzen op het belang van het gebruik van de meldcode «veilige publieke taak» in aangiftes, wat aangeeft dat prioriteit moet worden gegeven aan de opsporing en het onderzoek, en dat er een mogelijkheid bestaat om een zwaardere straf op te leggen? Acht u het in dat kader noodzakelijk om het programma «veilige publieke taak» nieuw leven in te blazen?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
De politie zorgt met doorlopende interne communicatie dat politiemedewerkers op Fde hoogte blijven van de bestaande afspraken, zodat medewerkers handelen in lijn met de Afspraken. Hierbij is specifiek aandacht voor de deskundigheidsbevordering van de politiemedewerkers die meldingen en aangiften opnemen. Verder bestaat binnen iedere eenheid van de politie een centraal aanspreekpunt voor VPT-zaken. Het OM brengt de Afspraken ook op verschillende manieren regelmatig onder de aandacht. Zo wordt bijvoorbeeld in de opleidingen van het OM specifiek aandacht besteed aan de Afspraken. Daarnaast zijn er op elk parket functionarissen met de portefeuille VPT, deze staan in direct contact met de VPT-coördinatoren bij de politie. Alle portefeuillehouders zijn lid van het platform VPT van het OM, waar casuïstiek, trends en best practices worden gedeeld. Mijn departement is doorlopend in gesprek met de politie en het OM. Indachtig de trias politica zie ik het niet tot mijn taak om de zittende magistratuur hierop te wijzen. Binnen de Rechtspraak is er aandacht voor de mogelijkheid een zwaardere straf op te leggen waar het gaat om agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke functie. Dit komt terug in de oriëntatiepunten die voor iedereen raadpleegbaar zijn op rechtspraak.nl (Oriëntatiepunten voor straftoemeting | Rechtspraak). In de oriëntatiepunten wordt melding gemaakt van de mogelijkheid tot het opleggen van een hogere straf bijvoorbeeld waar het gaat om openlijke geweldpleging tegen een politieagent, een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) of een andere toezichthouder.
Daarnaast worden er ook verschillende evaluaties uitgevoerd die leiden tot aanbevelingen waar gezamenlijk aan wordt gewerkt. Zo heb ik het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) gevraagd om onderzoek te verrichten dat inzicht zal bieden in de straffen die worden geëist en opgelegd bij delicten gepleegd tegen mensen met een veilig publieke taak (VPT-delicten) en de mate waarin bij VPT-delicten een strafverhoging wordt toegepast. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met de medewerking van het OM en de Rechtspraak. Ook zal de Afspraken in 2024 weer worden geëvalueerd door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC). Mijn departement is verantwoordelijk voor de juridische aspecten, zoals het onderhoud van de Afspraken maar ook de juridische aspecten van nieuwe vormen van (digitale) agressie en geweld zoals doxing. Die verantwoordelijkheid geven wij continu vorm. Mijns inziens is het opnieuw leven blazen in het programma Veilige Publieke Taak geen randvoorwaarde om succesvol gezamenlijk agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak aan te pakken.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van het lid Van der Werf c.s. (Kamerstuk 36 360 VI, nr. 19) die de regering verzoekt om «naar voorbeeld van PersVeilig, een samenwerkingsverband op te richten voor werkgevers en werknemers in deze beroepsgroepen die onder druk staan, waarin zij collectief hulp kunnen bieden bij individueel leed, waarbij met betrokkenheid van het Openbaar Ministerie en de politie wordt gewerkt aan hulp bij aangiftes, weerbaarheidstrainingen, preventiemaatregelen en advies om geweld en agressie tegen te gaan»?
Zie mijn antwoord bij vraag 5. Met mijn ambtsgenoot van BZK ben ik in overleg hoe wij dit faciliteren waarbij wij niet voorbijgaan aan de werkgeversverantwoordelijkheid.
Welke extra mogelijkheden tot het opleggen van bestuursrechtelijke maatregelen ziet u om agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak tegen te gaan? Kunt u toelichten in welke mate het volgens u gaat om bredere toepassing van reeds bestaande mogelijkheden en in welke mate nieuwe wettelijke mogelijkheden dienen te worden gecreëerd?
Voor een effectieve aanpak van agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak kijk ik, als Minister van Justitie en Veiligheid, (primair naar het straf- en civiel recht. Het strafrecht en het civiele recht geven verschillende handvatten om agressie en geweld aan te pakken. Hiervoor is wel van belang dat de mogelijkheden binnen deze rechtsgebieden daadkrachtig en consequent wordt toegepast. Ook bestuursrechtelijke maatregelen kunnen bijdragen om agressie en geweld tegen te gaan. Zo bestaan de mogelijkheden om over te gaan tot (schriftelijke) waarschuwingen, een pandverbod voor bepaalde tijd of het verminderen, verplaatsen of uitstellen van diensten. Dergelijke escalatiemogelijkheden staan ook benoemd in verschillende Arbo-catalogi van zowel het Rijk als van decentrale overheden.
Bent u bereid te onderzoeken welke mogelijkheden er binnen de bestaande civielrechtelijke kaders liggen om boetes op te leggen voor agressief gedrag of geweld tegen mensen met een publieke taak? Kunt u daarin ook meenemen hoe de te verhalen directe en indirecte schade van incidenten kan worden berekend?
De overheid kan boetes opleggen met als doel overtredingen van wet- en regelgeving in de toekomst te voorkomen en als vergeldingsmaatregel. Dit gebeurt binnen het strafrecht of bestuursrecht. Binnen het civiele recht gaat het over de relaties tussen burgers onderling. De overheid speelt in deze relatie geen publiekrechtelijke rol, en kan binnen dit kader dus ook geen boetes opleggen.
Een slachtoffer van geweld met een publieke functie kan via het civiele recht zijn schade verhalen op de dader. Dit kan zowel materiële schade (bijvoorbeeld kosten voor zorg en schade aan kleding) als immateriële schade zijn (smartengeld). De materiële schade wordt in de regel concreet begroot, bijvoorbeeld aan de hand van een factuur. Smartengeld dient ter compensatie van het ervaren leed en genoegdoening voor het geschokte rechtsgevoel van het slachtoffer. Hierbij is een exacte berekening niet mogelijk. Smartengeld wordt daarom vastgesteld naar billijkheid. De omstandigheden van het geval zijn daarbij leidend. Er wordt rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel en de gevolgen hiervan voor het dagelijkse leven van het slachtoffer. In de praktijk wordt hierbij gekeken naar wat in soortgelijke gevallen wordt toegekend. Het belangrijkste hulpmiddel hiervoor is het zogenoemde Smartengeldboek. Hierin is rechtspraak over de toekenning en omvang van smartengeld in uiteenlopende gevallen opgenomen.
Kunt u toelichten wanneer het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) over de straftoemeting bij VPT-zaken (Veilige Publieke Taak) gereed zal zijn?
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) verwacht de uitkomsten van het onderzoek naar de straftoemeting van VPT-delicten voor de zomer van 2024 op te leveren.
Welke andere acties gaat u ondernemen naar aanleiding van berichten, zoals «tientallen rechters en officieren voelen zich bedreigd, weigeren sommige zaken» van 30 oktober 2023?4
Officieren, rechters en andere medewerkers in de strafrechtketen moeten gewoon hun werk kunnen doen. Een veilige werkomgeving vind ik van groot belang. Voor al deze ketenprofessionals bestaan dan ook al veel initiatieven om deze veilige werkomgeving zo goed mogelijk te realiseren, zoals weerbaarheidstrainingen, het treffen van fysieke veiligheidsmaatregelen en het verbeteren van de procedures voor anoniem werken. Een goed voorbeeld is het programma Veiligheid en Weerbaarheid dat sinds dit jaar binnen het OM van start is gegaan. Het programma beoogt enerzijds in kaart te brengen wat het OM als werkgever en werknemers van elkaar mogen verwachten als het gaat om veiligheid en weerbaarheid. Anderzijds wordt er nieuw beleid op dit punt ontwikkeld, waaronder het aanbieden van weerbaarheidstrainingen. Wij ondersteunen bovengenoemde initiatieven, wanneer deze door werkgevers worden opgezet, vanuit een speciaal opgezet weerbaarheidsfonds waarbij structureel jaarlijks in totaal 1.000.000 euro wordt uitgekeerd aan een selectie beroepsgroepen in de strafrechtketen zoals rechters en officieren.
Het bericht dat prins Bernhard lid was van de NSDAP |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Alexander Hammelburg (D66), Laura Bromet (GL), Joost Sneller (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het bericht «Bernhard had lidmaatschapskaart NSDAP in eigen archief»?1
Ja
Begrijpt u dat dit nieuws voor slachtoffers en nabestaanden van de Holocaust zeer pijnlijk is?
Ja
Kunt u zich tevens voorstellen dat het pijnlijk nieuws is voor (nabestaanden van) verzetshelden, gegeven de rol van de prins als bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten, waar verschillende verzetsgroepen onder vielen?
Ja
Deelt u de mening dat het zowel voor hen als voor de geloofwaardigheid van het koningshuis van belang is dat er voor eens en voor altijd duidelijkheid komt over de kwestie?
Het bericht betreft informatie die reeds geruime tijd algemeen bekend was op basis van onderzoek in algemeen toegankelijke archieven en verschillende publicaties hierover. Met ingang van begin 2024 kan verder onderzoek worden verricht in het Koninklijk Huisarchief door verruiming van de toegang tot in het jaar 1948.
Bent u bereid gehoor te geven aan de oproep van het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) om onderzoek te doen naar het NSDAP-verleden van prins Bernhard?2
Zie antwoord vraag 4.
De Nederlandse man die al twee maanden om onduidelijke redenen vast zit in een Spaanse cel, in aanvulling op de vragen het lid Van Baarle |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rel rond «onschuldig» opgepakte Nederlander in Spanje escaleert: Nederland aangeklaagd om nalatigheid»?1, 2
Ja.
Hoe kan het dat een Nederlandse man die door de politie en het Openbaar Ministerie nergens van verdacht wordt, al twee maanden in het buitenland wordt vastgehouden op basis van vermeende activiteiten in Nederland?
De zaak van betrokkene is op dit moment onder de rechter. Bovendien zijn wij gebonden aan onder andere de AVG rondom individuele casuïstiek. Wij moeten daarom – zoals gebruikelijk – terughoudend zijn in mijn beantwoording over de concrete casus.
In algemene zin heeft Nederland geen toegang tot de Spaanse informatie die ten grondslag ligt aan de Spaanse beslissingen en kunnen we ons niet mengen in de Spaanse rechtsgang. Wij kunnen u wel mededelen dat het Openbaar Ministerie het Ministerie van Justitie heeft geïnformeerd dat betrokkene, zoals reeds bekend, niet wordt of werd verdacht van enig strafbaar feit gepleegd in Nederland en niet strafrechtelijk gesignaleerd staat of heeft gestaan. Het Openbaar Ministerie heeft deze informatie eerder al gedeeld met de advocaat van betrokkene. Betrokkene is ook niet gesignaleerd door andere Nederlandse overheidsinstanties. Voorts heeft de Nederlandse Politie van de Spaanse autoriteiten vernomen dat betrokkene niet is aangehouden op grond van informatie van de Nederlandse politie.
Kunt u uitsluiten dat Nederlanders die nergens van verdacht worden, in het buitenland worden vastgehouden op basis van door Nederland gedeelde informatie?
Nee dat kan de Minister van Justitie en Veiligheid niet. We doen er wel alles aan om te voorkomen dat Nederlanders die nergens van verdacht worden, in het buitenland worden vastgehouden op basis van door Nederland gedeelde informatie. Als Minister van Justitie en Veiligheid vind ik het wel belangrijk om te benadrukken dat de aanzienlijke dreiging die uitgaat van terrorisme en ernstige criminaliteit niet stopt bij de landsgrenzen. Het is daarom cruciaal, en ik waardeer ook de steun van uw Kamer, om gezamenlijk met Europese en internationale partners op te treden en binnen de daarvoor geldende afspraken en wettelijke kaders, informatie te delen. Met als belangrijk onderdeel hiervan het kunnen signaleren van personen, voor zowel opsporing als vervolging. Er vindt doorlopend toetsing plaats in de signaleringssystemen op onjuiste of verouderde informatie. Als daar aanleiding toe is, worden signaleringen verwijderd. Voor een uitgebreidere toelichting hierover verwijzen wij u naar de beantwoording van de vragen van het Kamerlid Azarkan (DENK) over de NPO Radio 1-uitzending van Argos op zaterdag 11 juni 2022: – Een onzichtbare muur – en het delen van persoonsgegevens met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3907) en de Kamerbrief met kenmerk 29 754, nr. 679.
Welke inspanningen heeft u gepleegd om hier opheldering over te krijgen?
De Nederlandse Politie en het Openbaar Ministerie hebben zich ertoe ingespannen om de situatie opgehelderd te krijgen. Zo is er informatie gedeeld met de advocaat van de betrokkene en heeft de Nederlandse politie meermaals contact opgenomen met de Spaanse politie om erop te wijzen dat betrokkene in Nederland niet wordt verdacht van enig strafbaar feit en niet gesignaleerd staat of heeft gestaan. In het kader van de consulaire bijstand aan betrokkene heeft de Nederlandse ambassade in Madrid meermaals contact gehad met de Spaanse autoriteiten. De ambassade heeft betrokkene en familie gewezen op de mogelijkheid een Nederlandse advocaat in Spanje in te schakelen. Daarnaast is betrokkene door twee medewerkers van de Nederlandse ambassade in Madrid en de Honorair Consul van Valencia bezocht. Er is regelmatig contact geweest met betrokkene, diens familie en advocaten. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en Buitenlandse Zaken hebben nauw samengewerkt om duidelijkheid te krijgen over de situatie van betrokkene.
Heeft u, net als de burgemeesters van Arnhem en Tilburg vandaag hebben gedaan, het Openbaar Ministerie in Spanje gevraagd om de man vrij te laten, omdat hij in Nederland nergens van verdacht wordt noch op een opsporingslijst staat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid deze en eerdere vragen van het lid Van Baarle zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen een week te beantwoorden?
Ja, we proberen de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Antwoorden op eerdere schriftelijke vragen inzake het artikel ‘Nederlandse gemeenten overtreden massaal de wet door achterkamertjes in te duiken’ (2023Z12312) |
|
Joost Sneller (D66), Laura Bromet (GL) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Nederlandse gemeenten overtreden massaal de wet door achterkamertjes in te duiken»1, «Maas in de wet laat gemeenten achterkamertjes in duiken; D66 wil dat Minister dat gat dicht»2, «Betoog: Open overheid, papieren werkelijkheid»3 en «Wees terughoudend met besloten vergaderen»?4
Ja.
Bent u van mening dat raadsvergaderingen in principe openbaar zouden moeten zijn, en dat helder onderbouwd zou moeten worden waarom bepaalde vergaderingen zich buiten de gangbare vormen van democratische controle kunnen voltrekken?
Raadsvergaderingen zijn inderdaad openbaar; besloten raadsvergaderingen zijn de uitzondering op de hoofdregel. De Grondwet, artikel 125, schrijft dit voor. Hetzelfde geldt voor vergaderingen van raadscommissies en door de raad ingestelde bestuurscommissies en overige commissies. In de Gemeentewet is een procedure vastgelegd die gevolgd moet worden als de raad besloten wenst te vergaderen. Dat kan alleen indien ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter dit nodig oordeelt. Hoewel de wet niet vastlegt in welke gevallen besloten vergaderd mag worden, is de mogelijkheid besloten te vergaderen zoals in de Grondwet bepaald naar haar aard een uitzondering. Een voorstel om besloten te vergaderen zal derhalve gemotiveerd moeten worden. Vervolgens moet de raad dan wel de raadscommissie ook nog bij meerderheid instemmen met het in beslotenheid vergaderen.
Naast de raadsvergadering worden dus ook de vergaderingen van raadscommissies (en door de raad ingestelde bestuurscommissies en overige commissies) gereguleerd in de Gemeentewet. Alle vergaderstructuren die worden ingesteld om de besluitvorming in de raadsvergadering voor te bereiden zijn een raadscommissie. Daarmee is de wettelijke procedure inzake openbaarheid en besloten vergaderen van toepassing op een groot deel van de overleggen die in gemeenten plaatsvinden.5 Het is denkbaar dat in een gemeente ook overleggen en bijeenkomsten plaatsvinden waarin geen besluitvorming wordt voorbereid en die derhalve buiten het hier beschreven wettelijk kader vallen. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om heisessies met de gehele raad of bijeenkomsten waarbij de leden van een fractie technische vragen kunnen stellen aan ambtenaren. Dergelijke bijeenkomsten zijn op zichzelf niet verboden, maar mogen niet in de plaats komen van reguliere vergaderingen. De voorschriften voor de vergaderingen van de gemeenteraad en de raadscommissies waarin besluitvorming aan de orde is of wordt voorbereid en waarin raadsleden hun bevoegdheden als volksvertegenwoordiger uitoefenen, hebben tot doel politieke besluitvorming te organiseren op een wijze die voor inwoners en kiezers inzichtelijk en controleerbaar is. Hiervoor zijn waarborgen ingebouwd, zoals de verplichting om de agenda vooraf openbaar te maken. Daarnaast is de gelijke informatiepositie van alle raadsleden een belangrijk uitgangspunt dat met zich brengt dat het overleg tussen raad en college zoveel mogelijk in de raadsvergadering dient plaats te vinden. Dit uitgangspunt komt onder meer naar voren in de inlichtingenplicht van het college die jegens de raad als geheel geldt, ook als de inlichtingen door een of meer individuele raadsleden worden gevraagd.6
Deelt u de mening dat de wijze waarop de «informele bijeenkomsten» op dit moment worden georganiseerd tegen het principe van «openbaarheid tenzij» is en daarmee indruist tegen de geest van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Zowel vergaderingen van de raad, als vergaderingen van commissies worden gereguleerd in de Gemeentewet, zoals hiervoor vermeld. Daarnaast kunnen er bijeenkomsten zijn die geen raads- en commissievergaderingen zijn en die derhalve niet worden gereguleerd in de Gemeentewet. Daarin kan geen besluitvorming plaatsvinden, want die moet plaatsvinden in de raadsvergadering. Ook gaat het in deze bijeenkomsten niet om de voorbereiding van de besluitvorming in de raadsvergadering, want die vindt plaats in de raadscommissies. Het is onwerkbaar en ook niet wenselijk om elke denkbare bijeenkomst in de gemeente in de wet te reguleren. Voor bijvoorbeeld heisessies met de gehele raad, de hierboven genoemde bijeenkomsten van een fractie met een of meer ambtenaren of nieuwjaarsbijeenkomsten is regulering in de wet niet passend.
Wel is hierbij het volgende van belang. De hoofdregel is dat de wet de vergaderingen van de raad regelt. Aanvullende overlegstructuren kunnen behulpzaam zijn bij het functioneren van het bestuur, maar kunnen niet in de plaats komen van een politiek debat in een vergadering van de raad. Waar sprake is van besluitvorming of voorbereiding van die besluitvorming dient dit te gebeuren binnen de wettelijk geregelde vergaderingen. Daarbij is openbaarheid altijd het uitgangspunt. Zowel de Grondwet als de Gemeentewet schrijven dit voor. Dit staat los van de Wet open overheid, die overigens alleen betrekking heeft op openbaarmaking van documenten en niet op de openbaarheid van vergaderingen.
Op basis van de informatie in de betreffende artikelen van De Stentor kan ik niet in algemene zin de conclusie trekken dat de wijzen waarop informele bijeenkomsten op dit moment worden georganiseerd tegen dit uitgangspunt indruisen. Zowel het type informele bijeenkomst, als de redenen om achter besloten deuren te vergaderen, kunnen per geval verschillen. Zolang men zich houdt aan het voorgeschreven regime van de Gemeentewet is dit toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders dient dit te bewaken. Ook de gemeenteraad en raadscommissie dienen hierop toe te zien. Zij dienen in voorkomende concrete gevallen bij meerderheid te beslissen over de beslotenheid van vergaderingen waarin besluitvorming plaatsvindt of wordt voorbereid en waarin raadsleden hun bevoegdheden als volksvertegenwoordiger uitoefenen.
Deelt u de mening van een van de onderzoekers dat, zelfs als «bijeenkomsten» als informeel worden aangeduid, het officiële voor de raad georganiseerde aangelegenheden zijn en dat het onwenselijk is dat daarvoor geen regels gelden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de opmerking van een van de onderzoekers in het artikel dat het onderscheid tussen «vergaderingen «en bijeenkomsten» enigzings gekunsteld is aangezien de Gemeentewet geen onderscheid maakt in de type vergaderingen?
Die conclusie deel ik niet. De Gemeentewet reguleert de raadsvergadering en de vergaderingen van de verschillende categorieën commissies (raadscommissies, bestuurscommissies en overige commissies). Een groot deel van de overleggen die raadsleden met elkaar en met de leden van het college hebben, buiten de raadsvergadering om, vindt plaats in een commissie. Ook daarvoor gelden wettelijke regels. Er zijn echter bijeenkomsten met een meer informeel, incidenteel karakter die niet als raads- of commissievergadering kunnen worden beschouwd. Deze bijeenkomsten worden in de Gemeentewet genoemd noch gereguleerd. Het houden van deze bijeenkomsten en overleggen is niet bezwaarlijk zolang deze niet in de plaats komen van de wettelijke gremia zoals de raadsvergadering of de raadscommissie. Dat zijn immers de aangewezen bijeenkomsten voor het stellen van vragen aan het college, het debatteren over kwesties in de gemeente en het voorbereiden van besluiten van de raad.
Kan de Minister meer duidelijkheid geven over wat precies verstaan wordt onder respectievelijk een vergadering en een bijeenkomst en wat de verschillen tussen beiden zijn?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, noemt en reguleert de Gemeentewet de raadsvergaderingen en de vergaderingen van raadscommissies, bestuurscommissies en overige commissies. Raadscommissies zijn commissies die worden ingesteld om de besluitvorming in de raadsvergadering voor te bereiden en om met het college of de burgemeester te overleggen. Bestuurscommissies kunnen door de raad, het college of de burgemeester worden ingesteld en het orgaan dat een bestuurscommissie heeft ingesteld kan dan vervolgens een of meer van zijn eigen bevoegdheden overdragen aan die bestuurscommissie. Overige commissies zijn andere commissies die door de raad, het college of de burgemeester worden ingesteld. Deze kunnen bijvoorbeeld zijn belast met het doen van onderzoek of hebben een adviserende taak. Als de raad een raadscommissie of bestuurscommissie instelt, bepaalt de raad hiervoor de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze. Op deze commissies is een aantal regels met betrekking tot raadsvergaderingen van toepassing, waaronder de regels met betrekking tot openbaarheid van de agenda en van de vergadering. In de circulaire over het commissiestelsel in de Gemeente- en Provinciewet zal voor de praktijk nader worden verduidelijkt welke typen commissies er zijn en welke regels gelden voor die verschillende typen commissies. Ik verwacht deze circulaire nog dit jaar gereed te hebben.
Bent u bereid om al dan niet in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, en de Wethoudersvereniging, in kaart te brengen welke typen en hoeveel bijeenkomsten en vergaderingen er per jaar in de afgelopen vijftien jaar zijn georganiseerd voor gemeenteraadsleden, in hoeverre deze openbaar waren zodat een eventuele trend te ontwaren valt?
Een dergelijk kwantitatief onderzoek overweeg ik op dit moment niet. Juist als het gaat om bijeenkomsten met een informeel karakter zal het zeer lastig zijn om in kaart te brengen hoe vaak deze precies hebben plaatsgevonden de afgelopen jaren. Wel deel ik de wens om in beeld te krijgen in hoeverre voor gemeenten voldoende duidelijk is dat hulpstructuren niet in de plaats kunnen komen van de vergaderorde van de verschillende gemeentelijke organen die de Gemeentewet regelt. Ik ben dan ook graag bereid om met de genoemde partijen hierover in overleg te gaan.
Kunt u de ciculaire eerst in concept delen met de Kamer voordat het officieel in werking treedt? Zo nee, waarom niet?
Een circulaire is met name bedoeld als instrument om de praktijk te helpen bij het toepassen van (nieuwe of bestaande) wet- en regelgeving. In dit geval gaat het om uitleg en toepassing van het wettelijk kader in de Gemeente- en Provinciewet met betrekking tot de verschillende typen commissies. Omdat het bij een circulaire gaat om een uiteenzetting en uitleg van geldende wettelijke kaders en niet om nieuw beleid, is het niet gebruikelijk om circulaires vooraf in concept voor te leggen aan uw Kamer. Wel ben ik vanzelfsprekend graag bereid uw Kamer een afschrift te sturen van de circulaire over het commissiestelsel als deze wordt gepubliceerd.
Bent u bereid om een voorlichting te vragen bij de Raad van State over de vraag of de Wet open overheid en de Gemeentewet momenteel voldoende duidelijkheid geven over welke bijeenkomsten en vergaderingen openbaar danwel besloten mogen zijn en welke mogelijkheden de wetten bieden om «informele bijeenkomsten» beter te reguleren?
Op dit moment vind ik het in de eerste plaats van belang dat voor gemeenten op grond van het wettelijk regime duidelijk is welke verschillende vergaderstructuren er zijn en welk wettelijk kader op dit moment voor die vergaderstructuren geldt, onder meer als het gaat om openbaarheid. Met de circulaire over het commissiestelsel wordt beoogd hierover nadere duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens zal vanuit mijn ministerie in gesprek worden gegaan met in ieder geval de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, om te inventariseren in hoeverre het bestaande wettelijk kader voldoende duidelijkheid biedt. Het vragen van een voorlichting bij de Raad van State overweeg ik niet. Overigens is het wettelijk kader inzake besloten vergaderen alleen in de Gemeentewet neergelegd en niet in de Wet open overheid. Die laatste wet ziet op de openbaarmaking van informatie die is neergelegd in documenten en niet op de openbaarheid van vergaderingen.
Statiegeld op lachgas cilinders en het bericht “Maat is vol: afvalverzamelaars gaan ‘levensgevaarlijke’ lachgas cilinders terugsturen” |
|
Kiki Hagen (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Kuipers |
|
|
|
|
Erkent u dat het invoeren van het lachgasverbod heeft geleid tot gevaarlijke situaties bij afvalverwerkers en afvalverzamelaars als gevolg van lachgascilinders die in afvalverwerkers (of vuilnisauto’s) terechtkomen?1
Ik ben ermee bekend dat ontploffingen van lachgascilinders tot gevaarlijke situaties in verbrandingsinstallaties dan wel elders in de afvalverwerkingsketen leiden. Voorts ben ik ermee bekend dat dit grote financiële gevolgen heeft voor de afvalsector. Dit is echter niet het gevolg van het invoeren van het lachgasverbod, maar wordt veroorzaakt doordat individuen handelen in strijd met wet- en regelgeving. Het is – behoudens uitzonderingen – illegaal om handelingen te verrichten met lachgas en tevens illegaal om de lachgascilinders achter te laten in de openbare ruimte of te deponeren in het restafval. De afvalsector wordt geconfronteerd met de nadelige gevolgen van deze wetsovertredingen, hetgeen ik zeer betreur. Ik zet mij er daarom, samen met de Minister van JenV en de Staatssecretaris van VWS, voor in om in samenwerking met de afvalsector maatregelen te treffen om het probleem te beperken.
Sinds wanneer bent u op de hoogte van de veiligheidsrisico’s als gevolg van lachgascilinders die in afvalverwerkers terechtkomen? Klopt het dat u al sinds begin dit jaar in gesprek bent met de afvalsector?
Begin april hebben de Nederlandse Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD) en de Vereniging Afvalbedrijven (VA) een brief geschreven aan de Ministeries van IenW en JenV met het verzoek tot samenwerking om de problemen met lachgascilinders in de afvalverwerking op te lossen. Kort daarna is een werkgroep gestart met vertegenwoordigers van JenV, IenW, VWS, politie en de VA en NVRD om de problematiek en mogelijke oplossingsrichtingen te verkennen. Er vindt ook overleg plaats op politiek-bestuurlijk niveau. Deze overleggen vinden nog steeds doorgang, met oog op alle gezamenlijke belangen om deze problematiek op te lossen.
Hoeveel ongelukken hebben zich sinds de invoering van het lachgasverbod reeds voorgedaan bij de afvalverwerkers en afvalinzamelaars?
Sinds de invoering van het lachgasverbod hebben er naar mijn weten geen ongelukken plaatsgevonden die hebben geleid tot menselijk letsel. Wel ben ik door afvalverwerkers en inzamelaars op de hoogte gesteld van gevallen waarbij er sprake was van een concreet risico op menselijk letsel. Mijn ambtsgenoten en ik nemen dit zeer serieus en werken er hard aan om de veiligheid van de medewerkers in de afvalbranche te vergroten.
Wat is het totaalbedrag aan financieel geleden schade? Kunt u dit uitsplitsen naar soort schade en locatie?
Ik heb zelf geen zicht op de omvang van de schade. De sector heeft zelf aangegeven dat zij de totale schade tot nu toe ramen op 30 miljoen euro. Deze schade bestaat uit kosten voor het repareren en/of vervangen van de installatie en kosten vanwege het stilleggen van de installatie dat daarvoor benodigd is. Voorts worden er kosten gemaakt voor het nemen van preventieve maatregelen.
Wie is er volgens u verantwoordelijk voor eventuele ongevallen met lachgascilinders in het afval als gevolg van het lachgasverbod? Bent u bereid om de geleden schade als gevolg van het lachgasverbod te vergoeden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is de schade niet het gevolg van het invoeren van het lachgasverbod, maar van het in strijd met de wet- en regelgeving handelen van individuen. De rijksoverheid is niet verantwoordelijk voor het handelen van degenen die illegaal de lachgascilinders bij het restafval of in de openbare ruimte dumpen waardoor de lachgascilinders in de verbrandingsinstallaties terechtkomen. Het ligt volgens het kabinet daarom niet in de rede dat de schade vanuit het Rijk wordt vergoed. Het Rijk is wel bereid te verkennen of een financiële tegemoetkoming mogelijk is, al dan niet gebruikmakend van bestaande regelingen, voor het treffen van maatregelen die bijdragen aan het mitigeren van de risico’s in de afvalbranche. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met zowel de beschikbare middelen als de geldende staatssteunregels.
Kunt u aangeven welke tijdelijke en structurele maatregelen u neemt en gaat nemen om ervoor te zorgen dat er minder gevaarlijke lachgascilinders in het restafval en het zwerfafval terecht komen?
Samen met de Minister van JenV en de Staatssecretaris van VWS ben ik bezig met het opzetten en uitvoeren van maatregelen om de illegale dump van lachgascilinders zoveel als mogelijk tegen te gaan en duidelijkheid te geven over hoe te handelen als deze toch worden aangetroffen in de openbare ruimte. De handhaving van het lachgasverbod door de politie en het Openbaar Ministerie (OM) is hierbij een randvoorwaarde. Politie en OM zijn op basis van de strafvorderingsrichtlijn op grond van de Opiumwet tot het uitgangspunt gekomen dat van onbeheerd in de publieke ruimte aangetroffen lachgascilinders mag worden aangenomen dat deze cilinders leeg zijn. Lege cilinders worden niet als drugs aangemerkt op grond van de Opiumwet, maar als gevaarlijk afval conform de Wet milieubeheer. Dit betekent dat ze kunnen worden ingezameld door milieustraten en afvaldiensten en verwerkt kunnen worden onder de voorwaarden die gelden voor gasflessen en overige drukhouders.
Het is van belang dat hier bekendheid aan wordt gegeven, dat burgers geïnformeerd worden over de correcte wijze van het zich ontdoen van lachgascilinders. Het algemene publiek kan deze informatie vinden op de website van de rijksoverheid. De gebruikers van lachgas worden via de kanalen van het Trimbos Instituut geïnformeerd, zowel op de websites van het instituut als bij vragen over lachgas via de telefoon, chat of e-mail. Ook wordt gebruikt gemaakt van communicatie via social media. In de communicatie wordt gewezen op de gevaren van het weggooien bij het restafval en wordt opgeroepen lege cilinders naar de milieustraat te brengen.
Voorts is een toolkit beschikbaar gesteld om gemeenten en milieustraten te helpen omgaan met de situatie. Deze bestaat onder andere uit communicatiematerialen en informatie over de van toepassing zijnde regelgeving en de beleidsmiddelen die gemeenten ter beschikking staan om de problematiek aan te pakken.
We blijven ons – samen met de afvalbranche – inspannen om te komen tot verdere structurele maatregelen om dit probleem het hoofd te bieden.
Bent u het met de stelling eens dat de Koninklijke NVRD niet anders kan dan gebruikers toestaan om hun lachgascilinders in te leveren bij de milieustraat om medewerkers te beschermen tegen gevaren bij het ophalen van restafval? Zo nee, welke maatregelen gaan de ministeries dan treffen om de veiligheid van afvalverwerkers en afvalinzamelaars te garanderen?
Lachgascilinders zijn net als andere gasflessen en overige drukhouders gevaarlijk afval conform de Wet milieubeheer. Gevaarlijk afval moet worden ingeleverd bij een daarvoor bevoegd gezag die de juiste faciliteiten en vergunningen heeft. Dit zijn bijvoorbeeld milieustraten. Lachgascilinders moeten daarom worden ingeleverd bij de milieustraat, hetgeen ook vanuit de rijksoverheid wordt gecommuniceerd. Milieustraten hebben hierbij niet te maken met illegaal afval. Milieustraten mogen ervan uitgaan dat een ingeleverde lachgascilinder leeg is. Het wordt in dat geval niet aangemerkt als drugs waarop de Opiumwet toeziet, maar als gevaarlijk afval. Een milieustraat hoeft niet te controleren of de cilinders leeg zijn. Het is milieustraten dus toegestaan lachgascilinders aan te nemen.
Bent u bereid om per direct veel meer inleverpunten te faciliteren en gebruikers te motiveren hun lachgascilinders apart in te leveren, eventueel zelfs via een retourpremie?
Gemeenten hebben verschillende instrumenten om afvalinzameling te stimuleren en te vergemakkelijken voor inwoners. In het geval van het inleveren van gasflessen, en daarmee lachgascilinders, kunnen gemeenten gebruik maken van chemokarren. Op die manier wordt de drempel zo laag mogelijk. Naast deze instrumenten hebben gemeenten de beleidsvrijheid om een retourpremie in te stellen. Vanuit het Rijk wordt dit echter afgeraden. Met een retourpremie wordt drugsgebruik indirect gesteund en het gebruik van lachgas genormaliseerd. Het gebruik van lachgas als recreatief roesmiddel is schadelijk voor de gezondheid. Lachgas kan bovendien leiden tot verkeersongelukken, als onder invloed de weg wordt opgaan. Het lachgasverbod heeft als doel het beperken van het aanbod en daarmee het gebruik van lachgas als genotsmiddel terug te dringen. Daarnaast kan een retourpremie ook negatief gedrag stimuleren. Denk hierbij aan bijvoorbeeld statiegeldjagen door kinderen.
Hoe beoordeelt u het feit dat enkele verwerkers op het punt staan om vanwege de risico’s en hoge kosten huishoudelijk afval terug te sturen naar de gemeenten per 4 september? Doorzien de ministeries de consequenties voor gemeenten en het vastlopen van de afvalketen? Op welke wijze staat u de getroffen gemeenten hierin bij?
Die signalen nemen wij zeer serieus. Zoals bij vraag 6 aangegeven zijn politie en OM op basis van de strafvorderingsrichtlijn op grond van de Opiumwet tot het uitgangspunt gekomen dat van onbeheerd in de publieke ruimte aangetroffen lachgascilinders mag worden aangenomen dat deze cilinders leeg zijn. Lege cilinders worden niet als drugs aangemerkt op grond van de Opiumwet, maar als gevaarlijk afval conform de Wet milieubeheer. Dit betekent dat ze kunnen worden ingezameld door milieustraten en afvaldiensten en verwerkt kunnen worden onder de voorwaarden die gelden voor gasflessen en overige drukhouders. Hierdoor mogen milieustraten lachgascilinders aannemen van particulieren zonder strafbaar te zijn. Dit is een belangrijke stap in deze problematiek. Daarnaast voorzie ik de gemeenten van informatie en communicatiemateriaal om in te zetten op lokaal niveau. Verder zet de Minister van Justitie en Veiligheid onverminderd in op handhaving van het lachgasverbod (aanbod beperken) en samen met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt er onverminderd ingezet op voorlichting (vraag beperken). Gebruikers van lachgas moeten zich ervan bewust zijn dat het in bezit hebben van de lachgascilinders illegaal is en dat dit ook geldt voor het dumpen van die cilinders in de natuur of het restafval. Bovendien breng je daarmee andere mensen in gevaar.
Gegeven dat het Afval Energie Bedrijf (AEB) op dit moment loodsen huurt om lachgascilinders handmatig uit het afval te halen, ziet u in dat dit een onhoudbare oplossing is?
Dit zie ik niet als een houdbare oplossing. Buiten de extra kosten die dit met zich meevoert, zorgt het ook voor overlast voor omwonenden. Ik werk daarom ook toe naar oplossingen die het probleem voor de afvalbranche mitigeren.
Erkent u dat er momenteel een urgente behoefte is aan meer opslaglocaties voor (lach)gascilinders? Bent u bereid gemeenten hierbij te ondersteunen, bijvoorbeeld door locaties van Rijksvastgoed ter beschikking te stellen?
Verschillende partijen hebben mij erop geattendeerd dat er behoefte is aan extra opslagcapaciteit. Die signalen neem ik serieus. Echter, mijn bevoegdheid ziet niet op het aanwijzen van locaties. Wel kijk ik hoe en waar ik de bevoegde gezagen kan ondersteunen bij het vinden van extra locaties die voldoen aan de wettelijke eisen voor de opslag van gevaarlijk afval.
Gegeven dat volgens de wet bij elke vondst van een lachgascilinder in het restafval melding gedaan moet worden bij de politie, welke oplossing ziet het ministerie voor de opslag door de politie en het gegeven dat we slechts één verwerker van lachgascilinders in Nederland hebben met onvoldoende verwerkingscapaciteit?
Zoals bij vraag 6 aangegeven zijn politie en OM op basis van de strafvorderingsrichtlijn op grond van de Opiumwet tot het uitgangspunt gekomen dat van onbeheerd in de publieke ruimte aangetroffen lachgascilinders mag worden aangenomen dat deze cilinders leeg zijn. Lege cilinders worden niet als drugs aangemerkt op grond van de Opiumwet, maar als gevaarlijk afval conform de Wet milieubeheer. Afvaldiensten kunnen ze dus inzamelen en verwerken onder de voorwaarden die gelden voor gasflessen en overige drukhouders. Er hoeft in deze situatie geen melding gedaan te worden bij de politie. Hiermee wordt ook de werkdruk op de politie verlicht.
Het klopt dat er te weinig opslag- en verwerkingscapaciteit is voor de lachgascilinders. Dit is een probleem van zowel politie, douane, als gemeenten en milieustraten. Er wordt interdepartementaal en met de bevoegde gezagen samen opgetrokken om hier een oplossing voor te vinden.
Weren van drugscriminelen uit het zorgdomein |
|
Hanneke van der Werf (D66), Joost Sneller (D66), Fonda Sahla (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugscrimineel was baas van zorguitzendbureau dat personeel levert aan jeugdhulp Friesland» van 19 augustus 2023?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie dat zorgbedrijven in handen van (drugs)criminelen een enorm risico opleveren, niet alleen omdat patiënten en cliënten hierdoor verstoken blijven van goede zorg, maar ook omdat zij gevaar lopen om slachtoffer te worden van, of geronseld te worden voor criminele praktijken?
Ja, die conclusie onderschrijf ik.
Hoe beoordeelt u het feit dat uit onderzoek van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ) en het Regionale Informatie- en Expertise Centrum Oost Nederland is gebleken dat alleen al in de regio Twente in 2021 zeker 22 zorgbedrijven actief waren die door criminele netwerken zijn opgezet?
Het onderzoek waaraan wordt gerefereerd betreft een onderzoek van het Informatie Knooppunt Zorgfraude in samenwerking met het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum Oost Nederland (RIEC ON). De toenmalige Minister voor Medische Zorg en Sport heeft het rapport «Verwevenheid zorg & criminaliteit» op 15 januari 20212 aan uw Kamer aangeboden.
Door het fenomeen nadrukkelijker te agenderen zijn inmiddels vele gemeenten bewust gemaakt van deze problematiek. Voor een uitgebreide reactie op dit rapport verwijs ik uw Kamer naar de Kamerbrief van 15 januari 2021.
Kunt u inzicht verschaffen in het aantal zorgbedrijven in handen van (drugs)criminelen dat in de rest van Nederland actief is? Zo nee, kunt u hier een onderzoek naar instellen?
Er is geen overzicht waaruit direct het aantal zorgbedrijven in Nederland dat in handen is van (drugs)criminelen volgt. Wel is via de methodiek van het programma Zicht op Ondermijning onderzoek gedaan naar kwetsbaarheden en risico’s in de zorg, gebaseerd op gegevens van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Deze pilot is uitgevoerd met vier grote gemeenten (Rotterdam, Tilburg, Maastricht en Zwolle), Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en andere relevante domeinexperts. De resultaten van het onderzoek zijn beschikbaar op het dashboard op www.zichtopondermijning.nl. Daar is ook verdiepende informatie en een toelichting te vinden op de uitgevoerde analyses.
In deze pilot is -aan de hand van deze gegevens en CBS-gegevens- inzichtelijk gemaakt hoeveel zorgaanbieders in handen zijn van personen met veroordelingen. Op basis van de resultaten van de pilot zijn de gevalideerde gegevens uitgebreid naar heel Nederland. Van de circa 138.000 zorgaanbieders in Nederland die via de methodiek van het programma Zicht op Ondermijning bij de analyse zijn betrokken zijn er volgens het dashboard 5.750 in handen van personen die in de afgelopen 10 jaar zijn veroordeeld voor een delict. Bij 4.910 hiervan ging het om een misdrijf, waarvan in 660 gevallen om een drugsdelict.
Aan deze cijfers kunnen we geen harde conclusies verbinden over het aantal zorgbedrijven dat in handen is van (drugs)criminelen. Het dashboard geeft hiermee wel inzicht in een aantal risico’s in de zorgbranche per RIEC-regio, gemeente en wijk. De uitkomsten kunnen voor gemeenten aanleiding zijn om algemeen preventief beleid in te zetten op nieuwe zorgaanbieders en alert te zijn op huidige. De uitkomsten van dit onderzoek sluiten aan bij eerdere signalen en onderzoeken van onder andere het IKZ. Het maakt duidelijk dat drugsgerelateerde criminaliteit ook in de zorgbranche voorkomt.
Dit is dermate zorgwekkend en steunt ons in de conclusie dat er voldoende onderzoek is gedaan om nu met voorrang in te zetten op het gezamenlijk nog verder versterken en effectiever maken van de uitvoering.
Heeft de gemeente Smallingerland een Bibob-onderzoek gedaan alvorens Jeugdhulp Friesland in zee ging met het uitzendbureau Ultracare? Zo nee, waarom niet?
Over individuele zaken kan ik als Minister van Justitie en Veiligheid geen uitspraken doen. Wel kan in algemene zin aangegeven worden dat het toepassen van de Wet Bibob een discretionaire bevoegdheid is. Dat betekent dat overheidsorganen zelf bepalen in welke gevallen en op welke rechtshandelingen (beschikkingen, overheidsopdrachten en/of vastgoedtransacties) zij de Wet Bibob inzetten. Die bevoegdheid vullen zij nader in door middel van beleidsregels, bijvoorbeeld door het formuleren van randvoorwaarden waarbinnen zij het instrument inzetten.
In hoeverre heeft u reeds opvolging gegeven aan de adviezen van commissie-Bosman, en de motie Bikker/van Nispen (Kamerstuk 35 764, nr. 17) om de uitvoerbaarheid van de Wet Bibob te verbeteren voor gemeentes en andere overheidsinstanties die Bibob-toetsen uitvoeren?
Om scherp zicht te hebben op de gevolgen van wetgeving voor de uitvoering, zoals de commissie-Bosman adviseert, vinden er structurele overleggen plaats met partijen in de uitvoering, zoals het Landelijk Bureau Bibob, (een vertegenwoordiging van) gemeenten en provincies, de RIEC’s, de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland en het Rijksvastgoedbedrijf. Eventueel gesignaleerde knelpunten worden direct besproken en -voor zover mogelijk- opgelost of meegenomen bij een eventuele volgende wetswijziging.
De motie Bikker/Van Nispen vraagt om een tweejaarlijks inzicht in knelpunten waar bestuursorganen die een verminderd beroep doen op het Landelijk Bureau Bibob tegenaanlopen bij de toepassing van de Wet Bibob. Daarbij is ook verzocht om oplossingsrichtingen. Zoals eerder aangegeven3 zal ik de uitvoering van onder andere deze motie combineren met het uitvoeren van het evaluatieonderzoek Wet Bibob eerste en tweede tranche. De te evalueren wetswijzigingen zullen namelijk van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de Wet Bibob waaraan de motie refereert en ik wil graag een zo volledig mogelijk beeld verkrijgen. Op deze manier, waarbij de wetswijzigingen minstens een jaar in werking zijn, kan ik het beste opvolging geven aan de motie. Ik streef ernaar om dit onderzoek begin 2024 te laten aanvangen.
Heeft u sinds uw aantreden naar uw mening voldoende gedaan om gemeentes en andere overheidsinstanties die Bibob-toetsen uitvoeren in staat te stellen om dit adequaat te kunnen doen?
De Wet Bibob is een veelgebruikt instrument en er is in de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan het verbeteren van het instrument en de uitvoerbaarheid ervan. Met de wetswijziging eerste tranche is de reikwijdte van de Wet Bibob uitgebreid met alle overheidsopdrachten en hebben bestuursorganen meer bevoegdheden gekregen om het eigen Bibob-onderzoek vorm te geven, waaronder het opvragen van justitiële gegevens over meer personen. In 2022 is de tweede tranche van de Wet Bibob in werking getreden die de mogelijkheden tot informatiedeling tussen het Landelijk Bureau Bibob en bestuursorganen en tussen bestuursorganen onderling heeft verruimd. Aan de informatiedeling tussen het Landelijk Bureau Bibob en bestuursorganen is invulling gegeven door middel van het Bibob-register. Ook is het toepassingsbereik uitgebreid met zogenoemde «open house»-constructies in het zorgdomein.
Daarnaast zijn de RIEC’s voorzien van meer en structurele middelen voor hun taakuitoefening, waaronder het ondersteunen van gemeenten bij de toepassing van de Wet Bibob. Overheidsinstanties kunnen zich over het toepassen van de Wet Bibob ook laten voorlichten door het Landelijk Bureau Bibob, dat onderdeel uitmaakt van de screeningsautoriteit Justis en door het Ministerie van Justitie en Veiligheid gefinancierd wordt. Het Landelijk Bureau organiseert jaarlijks verschillende voorlichtingsactiviteiten, waarin actualiteiten, jurisprudentie en fictieve casuïstiek aan bod komt. Het Landelijk Bureau publiceert op haar website daarnaast factsheets voor het doen van (eigen) onderzoek en heeft daar ook verschillende «veel gestelde vragen» opgenomen. Ten slotte wordt meerdere malen per jaar een nieuwsbrief verstuurd, waarin deze onderwerpen ook terugkomen. Met al zijn voorlichtingsactiviteiten heeft het Landelijk Bureau Bibob een groot bereik onder Bibob-medewerkers door het hele land.
Met bovenstaande ontwikkelingen worden Bibob-medewerkers steeds beter in staat gesteld om de Wet Bibob adequaat uit te voeren. Met het aankomende evaluatieonderzoek van de wijzigingen Wet Bibob eerste en tweede tranche zullen bestaande knelpunten onderzocht worden, zodat de Wet Bibob in de toekomst nog verder kan worden verbeterd.
Heeft het Openbaar Ministerie melding gemaakt van de voor drugscriminaliteit veroordeelde eigenaar van uitzendbureau Ultracare bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude?
Ik kan als Minister van Justitie en Veiligheid niet ingaan op individuele zaken.
In hoeverre is de risico-signalerende rol vanuit de Wet controle op rechtspersonen uitgevoerd door Justis met betrekking tot uitzendbureau Ultracare?
Justis analyseert op grond van de Wet controle op rechtspersonen op vastgestelde momenten de gegevens van in Nederland gevestigde rechtspersonen, hun bestuurders en andere functionarissen en hun directe omgeving. Ook uitzendbureaus met de rechtsvorm van een besloten vennootschap vallen onder deze controle. Justis doet geen uitspraken over individuele zaken. In het algemeen kan wel worden toegelicht dat Justis op basis van de beschikbare gegevens beoordeelt of er een verhoogd risico op misbruik bestaat. Als een verhoogd risico wordt geconstateerd, geeft Justis een signaal af aan een toezichthoudende, handhavende en/of opsporingsinstantie, die vervolgens bepaalt of en welke interventie passend is.
Was bij het Openbaar Ministerie ten tijde van het onderzoek naar de meldingen over seksueel wangedrag en criminele activiteiten door het personeel van Woodbrookers bekend dat de eigenaar van het uitzendbureau veroordeeld was?
Zie antwoord vraag 8.
Hebben gemeentes zicht op welke uitzendbureaus worden ingeschakeld door zorginstellingen waarmee zij een contract hebben?
Het is niet bekend of gemeenten zicht hebben op de inschakeling van uitzendbureaus door zorginstellingen waarmee zij een contract hebben.
Zoals opgenomen in het antwoord op vraag 4, biedt het dashboard Zicht op Ondermijning inzicht in de risico’s in de zorgbranche per RIEC-regio, gemeente en wijk. De uitkomsten hiervan kunnen voor gemeenten aanleiding zijn om (preventief) beleid in te zetten op zowel bestaande als nieuwe zorgaanbieders.
Bent u bereid om te verkennen of het mogelijk is om een bestuursverbod in te voeren wanneer er een ontnemingsvordering mogelijk is, na het plegen van een strafbaar feit?
Het strafrecht kent een aantal vermogenssancties. De officier van justitie kan bijvoorbeeld de bijkomende straf van verbeurdverklaring eisen of een ontnemingsmaatregel voor wat betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vorderen (artikel 33a respectievelijk 36e Wetboek van Strafrecht). Daarnaast bestaat binnen het strafrecht ook het strafrechtelijk bestuursverbod, te weten de ontzetting uit beroep of ambt (artikel 28 Wetboek van Strafrecht). De rechter kan dit als bijkomende straf opleggen. Een ontnemingsvordering staat de ontzetting uit het beroep van een bestuurder niet in de weg. Een verkenning is daarom niet nodig.
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om ondermijnende organisaties uit het zorgdomein te weren? Acht u dit voldoende?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inkoop en het toezicht op de kwaliteit van de voorzieningen en de rechtmatigheid van zorg in het decentrale domein. Het gaat dan om het handhaven van goede kwaliteit, voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik. Verder fungeert de gemeente als Wmo-toezichthouder als meldpunt voor zogenaamde calamiteiten op het gebied van kwaliteit. Gemeenten worden in de praktijk ondersteund bij de aanpak.
Om zorgfraude te voorkomen of aan te pakken, zijn verschillende handelingsperspectieven en barrièremodellen voor gemeenten beschikbaar, zoals het Twents barrièremodel. In het verlengde hiervan noem ik de proeftuinen Aanpak Zorgfraude die dit jaar met een subsidie van het Ministerie van VWS zijn gestart. Deze proeftuinen in de regio’s Twente en Hart van Brabant hebben als doel om gedurende drie jaren beproefde werkwijzen en concrete handvatten op te leveren voor de uitvoeringspraktijk van gemeenten (Wmo en Jeugdwet). Hierbij wordt ook goed regionaal samengewerkt, onder meer met de RIEC’s waar het gaat om de aanpak van ondermijnende criminaliteit waar zorgfraude in is betrokken.
In aanvulling hierop zal ik samen met de Minister voor Langdurige Zorg en Sport in gesprek gaan met onder andere de RIEC’s en de VNG om te bezien op welke manier de uitvoering gezamenlijk effectiever kan worden om criminelen uit de zorg te weren.
Waarschuwingsbrieven van het Openbaar Ministerie (OM) en de onwenselijkheid van omdraaiing van de bewijslast in het strafrecht. |
|
Nicole Temmink (SP), Joost Sneller (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten dat vorige maand 176 mensen een «waarschuwingsbrief» hebben ontvangen van het OM, omdat zij volgens het OM een misdrijf hebben begaan door «op 5 november 2022 (...) tijdens een demonstratie op de luchthaven Schiphol aanwezig geweest» te zijn?1
Tijdens de betoging op Schiphol op 5 november 2022 heeft een groep van honderden personen zich de toegang verschaft tot het beveiligde deel van de luchthaven, door hekken te vernielen en eroverheen te klimmen. Er is besloten om deze groep personen aan te houden.
De Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) heeft vervolgens ongeveer 400 demonstranten aangehouden wegens verdenking van het wederrechtelijk binnendringen van het luchtvaarterrein (art. 62a Luchtvaartwet en/of art. 352 Wetboek van Strafrecht).
Het merendeel van de aangehouden personen was niet in het bezit van een identiteitsbewijs. Een deel van hen had bovendien verschillende maatregelen getroffen om niet via de reguliere methoden geïdentificeerd te kunnen worden. Gezien de grote aantallen aangehouden personen is toen besloten van deze personen een foto te maken. Ter identificatie van deze verdachten heeft de KMar de foto’s onder meer via een gezichtsherkenningsprogramma vergeleken met foto´s uit politiesystemen en relevante openbare bronnen, waaronder social media. Het openbaar ministerie (hierna: OM) heeft vervolgens op 12 juli, op basis van de verkregen matches, aan 175 personen een waarschuwingsbrief gestuurd om de betrokkenen bewust te maken van het gevaarzettende karakter van hun daden, en om dergelijke acties in het vervolg te voorkomen. Bij een aantal personen bleek achteraf sprake te zijn van een onjuiste identificatie. Deze hebben daarom een tweede brief ontvangen van het OM, waarin excuses zijn aangeboden en is uitleg gegeven over de toedracht en afhandeling.
Wij hechten eraan te benadrukken dat wij de in de identificatieprocedure gemaakte fouten, als gevolg waarvan verscheidene personen abusievelijk een waarschuwingsbrief hebben ontvangen, betreuren en dat dit wordt rechtgezet in de registratie van persoonsgegevens bij de KMar en het OM. Tegelijkertijd signaleer ik de grote druk waaronder de KMar en het OM in dit soort situaties moeten werken.
In opdracht van het OM is de KMar een onderzoek gestart om te achterhalen hoe dit heeft kunnen gebeuren. Zo wordt onderzocht op welke wijze de KMar de identiteit van de andere geïdentificeerde klimaatbetogers heeft vastgesteld. Die verificatie is naar verwachting in oktober afgerond. Als blijkt dat van meer mensen ten onrechte is vastgesteld dat ze bij de betoging aanwezig waren, zullen ook zij daarvan op de hoogte worden gesteld. Daarnaast wordt het gehele proces geëvalueerd om daaruit lessen te trekken voor de toekomst.
Kunt u toelichten wat de precieze juridische status en (rechts)gevolgen (bijvoorbeeld vermelding op justitiële documentatie, opname in bepaalde databanken) van deze brieven zijn? Is eerst onderzocht of betrokkenheid bij een strafbaar feit kon worden vastgesteld, waarna de waarschuwingsbrieven zijn gestuurd of heeft iedereen die zogenaamd kon worden geïdentificeerd een brief ontvangen?
Ja, er is eerst vastgesteld dat er sprake was van een misdrijf. Vervolgens is door het OM afgewogen of strafrechtelijke actie nodig was. Gelet op de strafbaarheid van de gedraging en de serieuze gevaarzetting voor de vliegverkeerveiligheid en de betogers zelf, is tot aanhouding besloten. Om de betrokkenen bewust te maken van het gevaarzettende karakter van hun daden, en om dergelijke acties verder te voorkomen, heeft het OM besloten een waarschuwingsbrief te sturen. Hierbij mocht het OM vertrouwen op de juistheid van de identificatie door de KMar.
De waarschuwingsbrief heeft geen formele juridische status en leidt dus ook niet tot vermelding op de justitiële documentatie. De brief is bedoeld als vorm van preventie. Daarom is de boodschap ook in een persbericht vermeld ten behoeve van iedereen.
Kunt u gedetailleerd toelichten op welke wijze door de Koninklijke Marechaussee (KMAR) is vastgesteld wie bij deze demonstratie aanwezig waren? Waarom is gekozen voor deze wijze van opsporen? Is hierover overleg geweest met het OM? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, waarom is het OM hier niet bij betrokken?
De KMar en het OM hebben ons hierover als volgt geïnformeerd.
Op 5 november 2022 heeft de KMar ongeveer 400 betogers aangehouden op het afgeschermde terrein van Schiphol-Oost. Het onbevoegd betreden van dit terrein is strafbaar als misdrijf op grond van de Luchtvaarwet.
De KMar was daarom de aangewezen organisatie om handhavend op te treden op grond van de aan haar toegewezen wettelijke taak in art. 4, eerste lid, sub c van de Politiewet 2012.
Onderdeel van het reguliere opsporingsproces is het vaststellen van de identiteit van de aangehouden personen. De wijze van identificatie is in beginsel de verantwoordelijkheid van de KMar. Overleg hierover met het OM is niet nodig, omdat voor identificatie een procedure is vastgelegd.2
Een deel van de aangehouden personen werkte mee met de identificatie. Zij hebben zich geïdentificeerd aan de hand van een identiteitsbewijs, dan wel hebben zij hun vingerafdrukken laten nemen. Verder heeft een aantal personen hun naam opgegeven, die via een fotovergelijking is geverifieerd. Het merendeel van de aangehouden personen heeft echter niet meegewerkt aan de identificatie. Zij waren niet in het bezit van een identiteitsbewijs. Een deel van hen had bovendien verschillende maatregelen genomen om niet geïdentificeerd te kunnen worden.
Het bleek, onder andere door toedoen van de betogers zelf, ter plaatse niet mogelijk kwalitatief hoogwaardige foto´s of vingerafdrukken te nemen door middel van de identificatiezuil die aangesloten is op de politiesystemen (de zogeheten Progris zuil). Gezien de grote aantallen aangehouden personen en de beperkte tijd die een opsporingsdienst heeft om de identiteit van een aangehouden persoon vast te kunnen stellen, is besloten van de ongeïdentificeerde aangehouden personen een foto te maken. De aangehouden personen zijn vervolgens allen heengezonden.
Na de heenzending heeft de KMar in overleg met het OM het opsporingsonderzoek voortgezet met behulp van de gemaakte foto’s. Om tot een identificatie te komen is in deze situatie de ondersteuning ingezet van een opsporingsambtenaar van de KMar met digitale expertise, naast de inzet van personeel van Team Vervolg Onderzoeken (TVO). Hierbij is een vergelijking gemaakt van de door de KMar gemaakte foto’s met afbeeldingen uit politiesystemen (bedrijfsprocessensysteem en bijbehorende database) en aanvullend van social media en open bronnen. Voor dit laatste was toestemming gegeven door de officier van justitie.
Het gebruik van social media is in dit onderzoek als volgt toegepast: de op 5 november 2022 gemaakte foto´s zijn vergeleken met de foto’s van personen die lid waren van openbare fora of social media-pagina´s gelieerd aan XR.
Hierbij is door de KMar, conform art. 55c Wetboek van Strafvordering, bij enkele foto´s gebruik gemaakt van een gezichtsherkenningsprogramma. Dit programma maakt het mogelijk om gezichtsafbeeldingen uit de opsporing te vergelijken met een database van gezichten van verdachten en veroordeelden. De werkzaamheden ten aanzien van de identificatie op basis van foto’s, via open bronnen, waaronder social media, dan wel politiesystemen, worden altijd door mensen uitgevoerd en gecontroleerd. Het NFI is niet betrokken geweest bij de identificatie. Dit is ook niet gebruikelijk.
De grondslag voor de handelingen tot vaststelling van de identiteit, zijn vastgelegd in art. 27a en 55c Wetboek van Strafvordering (vingerafdrukken en foto’s van verdachten) en art. 3 en 4, eerste lid onder c Politiewet 2012. Het gebruik van open bronnen (social media) is juridisch (conform jurisprudentie) toegestaan op grond van de politietaak artikel 4, eerste lid, sub c Politiewet zolang er sprake is van slechts een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
Een aantal personen heeft aangegeven dat zij ten onrechte zijn geïdentificeerd door de KMar. Om te achterhalen of nog meer personen onterecht zijn geïdentificeerd, is de KMar in opdracht van het OM bezig om per geïdentificeerd persoon een proces-verbaal op te maken waarin wordt vastgelegd op welke wijze diegene is geïdentificeerd. Dit zal naar verwachting in oktober worden afgerond. Vervolgens wordt door het OM gecontroleerd of de identificatie juist is gedaan. Indien dat niet het geval is, zullen deze personen hier ook nog een brief over ontvangen.
Gegeven de eerder genoemde omstandigheden, niet in de laatste plaats de opstelling van de betogers zelf, moet bij dergelijke aantallen aanhoudingen binnen korte tijd – en uiteraard binnen de grenzen van de wettelijke bevoegdheden –, een bepaalde foutmarge in het identificatieproces worden geaccepteerd. Dat betreuren we, maar is helaas bij dergelijke situaties nooit geheel uit te sluiten. Des te belangrijker is een adequate opvolging door de autoriteiten indien dat voorkomt.
Het OM heeft ons verder laten weten dat in juni 2023 is besloten om slechts vier personen te vervolgen; de rest van de personen niet. De personen die een waarschuwingsbrief hebben gehad, zijn door het OM daarom niet als verdachte geregistreerd. Er was daarom ook geen aanleiding om deze personen te horen.
Kunt u specifiek ingaan op de wijze waarop eventueel gebruik is gemaakt van gezichtsherkenningstechnologie om deze aanwezigheid vast te stellen? Zo ja, kunt u nader toelichten welke foutmarge deze technologie kent, op welke wijze door mensen een verificatie op de uitkomst gedaan is en op welke juridische grondslag een en ander gebeurd is? Is het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) betrokken bij het trekken van conclusies op basis van de beelden en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de werkwijze van identificatie zoals die bij de demonstratie is gehanteerd ook in andere situaties gehanteerd? Zo ja, in welke en zo nee, waarom niet? Hoe is de logging hiervan met oog op de vaststelling van betrouwbaarheid/bruikbaarheid in een latere fase voor de officier van justitie of rechter?
De methodes en processen ter identificatie van betrokkenen in het opsporingsonderzoek, betreffen reguliere processen. Zoals in het antwoord hierboven aangegeven is de grondslag voor de handelingen tot vaststelling van de identiteit vastgelegd in art. 27a en 55c Wetboek van Strafvordering (vingerafdrukken en foto’s van verdachten) en art. 3 en 4, eerste lid onder c Politiewet 2012. Openbare bronnen worden in de opsporing veelvuldig gebruikt, wat onverlet laat dat opsporingshandelingen moeten leiden tot betrouwbare uitkomsten en de werkwijzen achteraf toetsbaar moet zijn. Gezien de omstandigheden, waarbij een deel van de betrokkenen hun vingers en gezichten zodanig hadden bewerkt dat identificatie op de gebruikelijke manier niet mogelijk was, moest worden afgeweken van het reguliere identificatieproces en zijn openbare bronnen nadrukkelijker gebruikt.
Kunnen verdachten geïdentificeerd worden door middel van openbare bronnen, zoals naar waarderingen (likes) en reacties op social media platformen waarna er foto’s gematcht worden? Vindt u dit een strafvorderlijk verantwoorde wijze van identificatie en opsporing? Gebeurt dit vaker op deze manier? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat een aantal van deze mensen heeft aangegeven dat zij op 5 november niet in de buurt van Schiphol aanwezig zijn geweest? Op welke wijze is hun verklaring behandeld en gewaardeerd?
Daar zijn wij mee bekend. Het OM heeft na ontvangst van de signalen de KMar opdracht gegeven om die betreffende identificaties te onderzoeken en die mensen uit te nodigen voor een gesprek om een toelichting te geven. Door de KMar zijn gesprekken gevoerd met mensen die zeggen foutief een waarschuwingsbrief te hebben ontvangen. In dat gesprek heeft de KMar toegelicht hoe de identificatie is gegaan en kregen de personen de gelegenheid om toe te lichten waarom ze vonden dat ze de waarschuwingsbrief ten onrechte hadden ontvangen. Van de verklaringen en eventueel meegebrachte documenten of andere gegevens waaruit blijkt dat deze personen toen niet aanwezig waren, zijn processen-verbaal opgemaakt. Die processen-verbaal zijn verstuurd naar het OM. De officier van justitie heeft vervolgens bij acht personen beslist dat de waarschuwingsbrieven als onterecht verzonden zijn aan te merken. Daarom hebben deze personen een brief gekregen waarin excuses is aangeboden. De registreerde persoonsgegevens in het kader van de betoging, van de personen die hierbij niet aanwezig waren, worden door OM en KMAR verwijderd.
Waarom is niet gekozen voor een verdachtenstatus maar is ervoor gekozen om de personen als «betrokkenen» aan te merken? Waarom is gekozen voor een term als interview in plaats van «verhoor»? Wat is de strafvorderlijke status van een interview? Bent u ermee bekend dat op deze manier bijvoorbeeld geen recht op rechtsbijstand bestaat?
Het OM heeft de KMar opdracht gegeven om de betwiste identificaties te onderzoeken en indien gewenst in een persoonlijk gesprek uitleg te geven aan de betrokkenen. Door de identificatie stonden de personen in het systeem van de KMar als verdachte geregistreerd. In de lijn van de beslissing van het OM om geen verdere strafrechtelijke actie tegen deze personen te ondernemen en hen ook niet bij het OM te registreren als verdachte, is de status gewijzigd in betrokkene. Met de statuswijziging zou worden benadrukt dat een eventueel gesprek geen juridische gevolgen zou hebben, maar bedoeld was om uitleg te geven over de identificatie en de personen bovendien in de gelegenheid te stellen om hun visie te geven en eventueel, indien gewenst, aan te geven waar zij wel waren geweest op 5 november 2022. Het was uiteraard nimmer de bedoeling om door een statuswijziging personen rechten te onthouden, het was juist bedoeld om af te schalen.
Bent u ervan op de hoogte dat het OM heeft aangegeven dat de KMAR hier uitgebreid onderzoek naar zou doen en dat de KMAR (een aantal van) deze personen vervolgens heeft uitgenodigd? Wist u dat de KMAR deze personen heeft geconfronteerd met foto’s waar deze personen zogenaamd op zouden staan en heeft aangegeven dat zij zelf bewijs moesten meenemen dat ze niet bij de demonstratie waren?
De onschuldpresumptie is een kernwaarde van ons rechtsbestel. Het was niet beoogd dat de gang van zaken zou worden ervaren als een omkering van de bewijslast. Wanneer een persoon aangeeft ten onrechte een brief te hebben ontvangen, is het zaak daar serieus naar te luisteren en op een juiste manier te reageren. Een onderdeel hiervan betreft ook het vaststellen dat een brief onjuist is verstuurd. Na goed overleg tussen het OM en de KMar is daarom besloten tot de in dit geval gekozen werkwijze. De bedoeling daarvan was om de voor een interview uitgenodigde personen in de gelegenheid te stellen om, indien zij dat wilden, bewijsstukken mee te nemen. Dat helpt immers bij de vaststelling dat een identificatie onjuist is geweest. Het is vervelend dat sommige betrokkenen dit ervaren hebben als een omkering van de bewijslast. Dit is niet de bedoeling geweest.
De afgenomen interviews zijn naderhand intern besproken en er wordt bekeken of hier lering uit kan worden getrokken. Ik benadruk tot slot dat de mensen die werden uitgenodigd voor een interview, niet verplicht waren te komen. Zij zijn slechts verzocht om langs te komen.
Hoe verhoudt deze gang van zaken zich volgens u tot de onschuldpresumptie, zoals wij die in het Nederlands strafrecht kennen? Deelt u de mening dat hier sprake is van omkering van de bewijslast en dat dit in onze rechtsstaat niet de bedoeling kan zijn?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u dat mensen kunnen worden verzocht mee te werken aan identificatie als zij niet als verdachte zijn aangemerkt en hen niet wordt verteld waarom zij in het vizier zijn als «betrokkenen»? Welke juridische bescherming hebben deze mensen precies?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven welke juridische grondslag een waarschuwingsbrief precies heeft? Hoe kan iemand zich verweren tegen zo een brief en/of de melding dat iemand «betrokkene» is van een mogelijk strafbaar feit?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2.
Erkent u dat mensen zowel bij het ontvangen van een waarschuwingsbrief, maar zeker ook wanneer zij worden uitgenodigd voor nader onderzoek/interview moeten worden gewezen op hun rechten? Is dit gebeurd en zo ja, wat zijn hun rechten precies? Als dit niet is gebeurd, kunt u uitleggen hoe mensen zich kunnen verweren tegen het onderzoek (zoals het maken van foto’s voor gezichtsherkenning) van de KMAR?2
Het OM had reeds voor de interviews besloten de betrokkenen niet te vervolgen en slechts als »betrokkenen» aan te merken, in plaats van »verdachten». Betrokkenen zijn vrij om wel of geen gehoor te geven aan het verzoek zichzelf te melden om hun kant van het verhaal toe te lichten in een interview. Het staat hen dan ook vrij om te weigeren te verschijnen voor een interview.
Nu de betrokkenen na het besluit van het OM om niet tot vervolging over te gaan, niet als verdachten zijn aangemerkt was er ook geen sprake van bepaalde rechten waarop gewezen had moeten worden. Dit had duidelijker, vooraf aan de betrokkenen gecommuniceerd kunnen worden en had er in de brief aan betrokkenen ook een reactiemogelijkheid moeten worden opgenomen voor het geval zij het niet eens waren met de brief.
Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat de verstrekte gegevens waaruit blijkt dat personen niet aanwezig waren bij de demonstratie alsmede het noemen van deze personen in systemen van zowel de KMAR, OM als andere justitiële systemen worden opgeruimd? Erkent u dat het genoemd of genoteerd blijven in systemen die niet goed geïnterpreteerd of overgenomen worden ernstige gevolgen kan hebben en dit te allen tijde voorkomen moet worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
De persoonsgegevens van de personen die niet aanwezig zijn geweest bij de betoging en ten onrechte een waarschuwingsbrief hebben gehad, zullen door de KMar en het OM worden verwijderd uit hun systemen. Dit betreft ook de gegevens die deze personen hebben verstrekt voorafgaand en tijdens het interview bij de KMar. De contactgegevens van deze personen worden op dit moment nog gebruikt ten behoeve van eventuele correspondentie en om eventuele aanvullende vragen van de betrokkenen te beantwoorden. Zodra deze niet meer nodig zijn, zullen ook deze gegevens in verband met de demonstratie worden verwijderd.
Welke actie gaat u ondernemen om te voorkomen dat dergelijke fouten in het vervolg nogmaals worden gemaakt?
Dat er fouten zijn geslopen in de identificatie door de KMar moet in de toekomst worden voorkomen. Er vindt op dit moment nader onderzoek plaats naar de vaststelling van de identiteit van alle geïdentificeerde personen en de algehele werkwijze bij de betoging van 5 november 2022.
Normaal gesproken wordt een dossier pas naar het OM gestuurd als de verdachte is gehoord. Ingeval de verkeerde persoon als verdachte is aangemerkt, komt dat dan dus in een vroeg stadium van het onderzoek naar voren. Bij dergelijke grote aantallen aanhoudingen is het horen van alle betrokkenen onmogelijk en zal er een keuze gemaakt moeten worden ten aanzien van de strafvordering en vervolging, vanwege beperkingen in tijd en capaciteit. Deze afweging en het besluit gaan altijd in overleg tussen OM en de betrokken opsporingsinstantie. Hoe hier in het vervolg bij grote demonstraties en betogingen het beste mee kan worden omgegaan is onderdeel van het eerder genoemde onderzoek.
Kunt u toelichten in hoeveel van bovengenoemde waarschuwingsbrieven gekozen is voor een voorwaardelijke sepot?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Welke acties heeft u ondernomen naar aanleiding van uw toezeggingen tijdens het mondelinge vragenuur van 13 december 2022 naar aanleiding van kritiek (van de Nationale ombudsman) op de werkwijze van het OM inzake voorwaardelijke sepots?3
Zoals destijds aan uw Kamer toegezegd, heb ik met het College van procureurs-generaal gesproken over het sepotbeleid. Het gaat hierbij vooral over de communicatie over een sepot(code) en de wijze waarop het OM omgaat met klachten over een verzoek tot wijziging van een sepot(code). Het College heeft laten weten te werken aan verbetering van het sepotbeleid.
Het artikel VNG waarschuwt voor tekort aan stembureauvrijwilligers bij volgende verkiezingen |
|
Joost Sneller (D66), Hans Teunissen (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Welke concrete acties heeft u ondernomen na eerdere alarmerende signalen over het aantal stembureauvrijwilligers bij de Provinciale Statenverkiezingen in maart?1
Na afloop van de provinciale staten- en waterschapsverkiezingen in maart 2023 hebben gemeenten en stembureauleden signalen gegeven over de uitvoerbaarheid van het verkiezingsproces. Om gehoor te geven aan die signalen heeft het Ministerie van BZK een reeks regionale bijeenkomsten georganiseerd. Uit deze bijeenkomsten kwam naar voren dat vooral de telling tot in de nachtelijke uren als zeer zwaar werd ervaren. Op dit moment wordt deze evaluatie door het Ministerie van BZK verder uitgewerkt, in nauwe afstemming met vertegenwoordigers van vijf gemeenten, de VNG, de NVVB en de Kiesraad. Hierbij wordt gekeken naar mogelijkheden om de uitvoerbaarheid voor zowel gemeenten als voor stembureauleden te verbeteren zodat het voor vrijwilligers aantrekkelijk blijft om deze bijdrage aan onze democratie te leveren.
Welke concrete acties gaat u naar, aanleiding van deze nieuwe signalen en de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen van november, ondernemen om het tekort aan stembureauvrijwilligers op te lossen?
Het werven van voldoende stembureauleden is in de eerste plaats de taak van de gemeenten. Ik wil echter de gemeenten daar graag bij ondersteunen. Vanuit de Rijksoverheid wordt een wervingscampagne opgezet voor het vinden van voldoende stembureauleden en tellers. Ik ben voornemens om via de regionale media (radio en dagbladen) en via social media mensen op te roepen om zich bij een gemeente aan te melden als stembureaulid of als teller. Ook worden in de komende periode ambtenaren bij de Rijksoverheid opgeroepen om zich aan te melden als stembureaulid of als teller. Daarnaast ben ik in contact met andere overheidslagen om te zien of zij diezelfde oproep kunnen overnemen. Tot slot zal ik net als bij voorgaande verkiezingen beeldmaterialen beschikbaar stellen aan de gemeenten die zij zelf kunnen gebruiken voor de werving van stembureauleden.
Bent u het eens met de stelling dat op korte termijn een landelijke campagne nodig is om stembureauvrijwilligers te werven voor de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november? Zo nee, waarom niet?
Een landelijke wervingscampagne via regionale media is onderdeel van de acties die ik onderneem ter ondersteuning van gemeenten.
Heeft u al contact gehad met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over de hoogte en het al dan niet invoeren van een belastingvrije vorm van de vergoeding? Zo ja, welke (re)actie heeft u hierop?
Gemeenten pleiten ervoor de vergoeding van stembureauleden aan te kunnen merken als vrijwilligersvergoeding. Deze vrijwilligersregeling is opgenomen in de wet op de loonbelasting 1964 en is bedoeld om kosten die de vrijwilliger maakt te dekken. Het maximumbedrag waaronder een vrijwilligersvergoeding belastingvrij is, is in 2023 vastgesteld op € 190,– per maand en € 1.900,– per kalenderjaar. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De vrijwilligersregeling is echter alleen van toepassing als de werkzaamheden «niet bij wijze van beroep» worden uitgevoerd. Om te bepalen of hier sprake van is wordt het criterium gehanteerd dat ervan uitgaat dat er in ieder geval geen sprake van een vrijwilligersvergoeding is als de uurvergoeding hoger is dan € 5 (of € 2,75 voor een vrijwilliger jonger dan 21 jaar). Een stembureaulid kreeg bij de afgelopen provinciale staten- en waterschapsverkiezingen gemiddeld per dag € 165,–, een voorzitter € 194,– en een teller € 52,–. Voor veel stembureauleden geldt daarom dat de vergoeding voor hun inzet tijdens de verkiezingsdag boven de € 5,– per uur uitkomt en zij geen gebruik kunnen maken van de vrijwilligersregeling, maar dat er sprake is van een «marktconforme beloning».2
Tijdens het debat van 21 juni jl. over het initiatief wetsvoorstel vervroegd stemmen heb ik naar aanleiding van vragen van lid Mutluer (PvdA) de toezegging gedaan om met gemeenten het gesprek aan te gaan over hoe het gaat met de vrijwilligersvergoeding en of er sprake is van eventuele knelpunten in de uitvoeringspraktijk. Over de uitkomst van deze gesprekken heb gemeld dat ik de Tweede Kamer voor het einde van het jaar hierover wil informeren. Op dit moment lopen deze gesprekken nog. Gezien de tussentijdse Tweede Kamerverkiezing zal ik uw kamer over de voortgang van deze gesprekken informeren in de Kamerbrief over de evaluatie van de provinciale staten- en waterschapsverkiezingen die u voor het commissiedebat van 28 september 2023 ontvangt.
Als gevolg van belemmeringen met de omvang van het stembiljet zijn experimenten met een kleiner stembiljet in een beperkt aantal kleine gemeenten aangekondigd: hoe zien proces, inhoud en evaluatie van deze experimenten eruit en wat is de huidige stand van zaken ten aanzien van de voorbereiding?
Bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen heb ik het voornemen geuit om een eerste experiment met nieuwe stembiljetten uit te voeren tijdens de verkiezing van het Europees Parlement op 6 juni 2024. Het eerste experiment zal op kleine schaal worden uitgevoerd, bij 4 kleine gemeenten.3 Het experimenteren met een nieuw stembiljet is mogelijk op basis van de Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten. De precieze inrichting van het experiment staat beschreven in het Tijdelijk experimentenbesluit nieuwe stembiljetten dat in voorhang is geweest bij de Tweede en Eerste Kamer4. Het Tijdelijk experimentenbesluit is voor advies aanhangig gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Pas nadat het Tijdelijke experimentenbesluit inwerking is getreden is het mogelijk om gemeenten aan te wijzen om deel te nemen aan het experiment. Zij zullen daar per brief door mij voor worden uitgenodigd. Vervolgens moeten de gemeenteraden nog instemmen met deelname aan het experiment. Het Tijdelijke experimentenbesluit beschrijft de aspecten waarin de evaluatie inzicht moet geven. Naar aanleiding van vragen van de leden van de VVD-fractie tijdens de voorhang heb ik aan de evaluatieaspecten toegevoegd dat het aantal keer dat een kiezer enkel een stemvakje voor een partij en geen stemvakje voor een kandidaat heeft ingekleurd betrokken wordt bij de evaluatie.5 Ingevolge de motie-Van der Plas (BBB) zal ik uiterlijk een maand voorafgaand aan het eerste experiment de wijze van evaluatie aan u toesturen en ontvangt u uiterlijk twee maanden na het eerste experiment de evaluatie.6
Welke gemeenten zijn benaderd voor voornoemde experimenten en op basis van welke criteria zijn deze geselecteerd? Doen zij allen mee of zijn hier nog vervolgacties nodig?
Er zijn nog geen gemeenten aangewezen om de experimenten uit te voeren. De Tweede Kamer zal hierover uiterlijk een maand voor het experiment worden geïnformeerd (zie ook mijn antwoord op vraag 5).Bij het selecteren van de deelnemende gemeenten wordt rekening gehouden met een goede verdeling over Nederland.
Het vinden van geschikte locaties voor stembureaus is eveneens punt van zorg: wat is de actuele stand van zaken in het vinden van geschikte locaties en welke vervolgacties zijn op welk moment voorzien? Welke hulp kan het Rijk hierbij bieden aan gemeenten?
Veel gemeenten zijn op dit moment nog op zoek naar geschikte locaties voor de stemlokalen. Uit de gesprekken met gemeenten komt naar voren dat een deel van de locaties nog niet bereikbaar is vanwege de zomervakantie. Het is daarom de verwachting dat gemeenten pas na de zomervakantie het volledige bestand aan stemlokalen kunnen vaststellen. Op dit moment zijn bij het Ministerie van BZK nog geen signalen bekend dat het vinden van locaties leidt tot grote problemen. Vanwege de korte voorbereidingstijd voor deze verkiezing blijft het Ministerie van BZK alert op signalen die mogelijk duiden op problemen bij het vinden van voldoende stemlocaties.
Kunt u toezeggen dat u voor het commissiedebat over verkiezingen (gepland op 28 september) een brief stuurt waarin uitvoerig wordt ingegaan op de stand van zaken ten aanzien van de organisatie van de aanstaande Tweede Kamerverkiezingen?
Ja. In de Kamerbrief over de evaluatie van de provinciale staten- en waterschapsverkiezingen die ik voor het commissiedebat op 28 september aan uw Kamer wil sturen, zal ik ingaan op de stand van zaken ten aanzien van de voorbereiding van de Tweede Kamerverkiezing.
Het artikel 'Nederlandse gemeenten overtreden massaal de wet door achterkamertjes in te duiken' |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66), Joost Sneller (D66), Laura Bromet (GL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nederlandse gemeenten overtreden massaal de wet door achterkamertjes in te duiken»?1
Ja.
Klopt het dat een groot deel van de gemeenten achter gesloten deuren vergadert zonder legitieme reden en zo ja hoeveel en hoe vaak maken gemeenten gebruik van dit soort informele bijeenkomsten?
Ik beschik niet over cijfermateriaal over het aantal gemeenten dat gebruik maakt van besloten vergaderingen in de zin van de Gemeentewet en andere type bijeenkomsten. De wet legt de hoofdregel voor raadsvergaderingen vast, namelijk openbaarheid, maar regelt voor een vergadering achter gesloten deuren een procedure zonder inhoudelijke normen. Of er aanleiding is om in afwijking van de hoofdregel achter gesloten deuren te vergaderen (in de zin van de Gemeentewet), is dan ook aan de raad zelf. Het is binnen die systematiek niet aan mij om uitspraken te doen over de redenen die de raad heeft om achter gesloten deuren te vergaderen of over de legitimiteit van die redenen. In het antwoord op vraag 4 licht ik dit nader toe en ga ik in op het verschil tussen vergaderingen in de zin van de Gemeentewet en andere type bijeenkomsten.
Heeft u beeld van de situatie bij provinciale staten, algemene besturen van waterschappen en algemene besturen van gemeenschappelijke regelingen?
Ik beschik niet over cijfermateriaal over hoe vaak bij provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen gebruik wordt gemaakt van niet-openbare informele bijeenkomsten.
Kan u per soort besloten overleg uiteenzetten of zij van mening is dat hier sprake is van overtreding van de Gemeentewet?
Het is essentieel voor een goed functionerend openbaar bestuur dat politieke besluitvorming helder en duidelijk is voor de inwoners, ook in gemeenten. Als het gaat om de openbaarheid van overleggen van de gemeenteraad zijn er twee verschillende situaties mogelijk: er is sprake van een vergadering in de zin van de Gemeentewet of er is sprake van een ander type bijeenkomst.
Indien sprake is van een vergadering in de zin van de Gemeentewet, is op grond van artikel 125, eerste lid, Grondwet en van artikel 23, eerste lid, Gemeentewet het uitgangspunt dat de besluitvorming door de gemeenteraad en de beraadslaging die aan deze besluitvorming voorafgaat, volledig in de openbaarheid plaatsvinden. Dit uitgangspunt geldt voor de raadsvergadering en voor de vergaderingen van raadscommissies, die zijn ingesteld op grond van artikel 82 Gemeentewet en de besluitvorming van de raad voorbereiden. Dit is een groot goed, omdat voor de inwoners van de gemeente duidelijk moet zijn hoe de besluitvorming in de raad, die er namens hen zit, plaatsvindt. Wel biedt de Gemeentewet een procedure voor het voortzetten van een vergadering achter gesloten deuren. De raad kan besluiten tot een besloten vergadering, indien ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter dit nodig oordeelt, in de zin van artikel 23, tweede lid, van de Gemeentewet. Die mogelijkheid is naar zijn aard bedoeld voor uitzonderlijke gevallen, maar wat die gevallen zijn, wordt niet door de wet bepaald. In het genoemde artikel van De Stentor wordt de suggestie gewekt dat de Wet open overheid (hierna: Woo) zou vastleggen in welke gevallen besloten mag worden vergaderd. Dat is echter niet het geval. De Gemeentewet legt alleen de hiervoor genoemde procedure vast; de Gemeentewet noch de Woo bevat inhoudelijke criteria die bepalen in welke gevallen er wel en niet besloten vergaderd mag worden. Wel is in artikel 24 van de Gemeentewet geregeld waarover niet vergaderd en besloten mag worden in een vergadering achter gesloten deuren.2 Het is de raad zelf die uiteindelijk besluit of in een bepaald geval besloten wordt vergaderd. Dit is anders als het gaat om het opleggen van geheimhouding op schriftelijke stukken door de raad, dit kan alleen onder verwijzing naar een van de belangen die in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo worden genoemd.
Naast de vergaderingen in de zin van de Gemeentewet, kunnen in een gemeente ook andere bijeenkomsten plaatsvinden, waarbij geen politiek debat of besluitvorming plaatsvindt maar die een informerend dan wel beeldvormend karakter hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om technische sessies met ambtenaren (zoals die ook in de Tweede Kamer plaatsvinden) of bijeenkomsten met zowel raadsleden (en eventueel leden van het college) als inwoners. Dit type bijeenkomsten wordt niet gereguleerd in de Gemeentewet. Bij de niet-openbare overleggen die in het artikel in De Stentor worden beschreven, lijkt het te gaan om dit type, niet gereguleerde bijeenkomsten. De conclusie dat met dergelijke bijeenkomsten de wet overtreden zou worden, is dan ook onjuist. Van belang is dat tijdens deze bijeenkomsten geen besluitvorming of finale beraadslaging kan plaatsvinden. Die behoren op grond van de wet altijd in een raadsvergadering plaats te vinden.
In hoeveel gevallen zijn er achteraf notulen opgesteld en/of vrijgegeven van deze bijeenkomsten, zoals wel gebruikelijk is bij besloten vergaderingen?
Ik beschik niet over cijfermateriaal waaruit volgt in hoeveel gevallen er achteraf notulen opgesteld en/of vrijgeven zijn die zien op de genoemde bijeenkomsten.
Welke mogelijkheden bestaan er voor derden om het besluit tot beslotenheid van een vergadering aan te vechten? En voor raadsleden zelf?
De Kroon heeft de bevoegdheid om besluiten van bestuursorganen van decentrale overheden te vernietigen, indien deze in strijd met het recht of in strijd met het algemeen belang zijn genomen. Als door een gemeenteraad te lichtvaardig zou worden besloten tot het sluiten van de deuren bij een raadsvergadering, zou dat besluit dus vernietigd kunnen worden. Hiertoe kan een voordracht worden gedaan bij de Kroon.
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven is het de raad zelf die op grond van artikel 23 Gemeentewet kan besluiten of een vergadering in beslotenheid plaatsvindt dan wel dat daar van wordt afgezien (ondanks het verzoek daartoe van ten minste een vijfde van de raadsleden). Daarnaast kan de raad de geheimhouding op de informatie die tijdens een besloten raadsvergadering ter kennis van de aanwezigen is gekomen, nadien opheffen. Als de geheimhouding is opgeheven, wordt het van de betreffende vergadering gemaakte verslag openbaar gemaakt.
Hoe beziet u, in het licht van dit nieuws, de mogelijkheid die middels de Gemeentewet wordt gegeven dat de voorzitter zonder daarover te beraadslagen de deuren kan sluiten?
Het is uiteindelijk altijd de raad die bij meerderheid besluit of al dan niet besloten wordt vergaderd. De voorzitter kan de deuren sluiten indien hij of zij van oordeel is dat dit nodig is, maar vervolgens beslist de raad bij meerderheid of ook daadwerkelijk besloten zal worden vergaderd. Zoals aangegeven, is openbaarheid echter altijd het uitgangspunt bij raadsvergaderingen. De voorzitter zal dan ook niet lichtvaardig over moeten gaan tot het sluiten van de deuren, de mogelijkheid besloten te vergaderen is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen.
Overigens gaat het in het artikel met name over niet-openbare bijeenkomsten die geen vergadering in de zin van de Gemeentewet zijn. Die moeten worden onderscheiden van besloten vergaderingen, waartoe de voorzitter van de raad het initiatief kan nemen door de deuren te sluiten en de raad te laten stemmen over het al dan niet besloten vergaderen.
Deelt u de mening dat een «informele bijeenkomst» geen vluchtweg mag worden om bepaalde informatie voor burgers en pers verborgen te houden?
Ik onderschrijf vanuit het oogpunt van transparantie en democratische legitimatie van besluitvorming dat het van belang is er scherp op te blijven dat geen formele besluitvorming plaats kan vinden tijdens niet-openbare informele overleggen. Ook als wel gebruik wordt gemaakt van niet-openbare informele overleggen, is het van belang om hierover zo transparant mogelijk te zijn richting inwoners. Zo kan bijvoorbeeld op de website van de gemeente worden geplaatst dat en wanneer een dergelijke niet-openbare bijeenkomst plaatsvindt. Ook kunnen eventuele documenten die er besproken worden actief openbaar gemaakt worden.
Ziet u een verschil tussen een informele bijeenkomst waarbij de volledige gemeenteraad of alle woordvoerders op een dossier bijeengeroepen wordt achter gesloten deuren en een besloten vergadering?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 worden vergaderingen in de zin van de Gemeentewet gereguleerd. Informele bijeenkomsten worden niet gereguleerd in de Gemeentewet. In het antwoord op vraag 4 is dit verschil nader toegelicht.
Hoe kijkt u naar het argument dat gemeenten aandragen dat raadsleden in vrijheid zouden moeten kunnen spreken, en dat zij daartoe blijkbaar niet de ruimte voelen tijdens openbare vergaderingen?
Allereerst is van belang dat besluitvorming altijd in een raadsvergadering plaats dient te vinden, waarbij openbaarheid het uitgangspunt is. Voor inwoners moet immers transparant zijn wat de volksvertegenwoordigers, die er namens hen zitten, besluiten. Dit uitgangspunt van besluitvorming in een (openbare) raadsvergadering staat altijd voorop. Ook de beraadslaging die voorafgaat aan die besluitvorming dient plaats te vinden in een vergadering, een raadsvergadering dan wel een vergadering van een raadscommissie. Dat raadsleden in sommige gevallen de behoefte kunnen hebben om, los van de besluitvorming en beraadslaging, met elkaar en/of met het college te overleggen, is begrijpelijk. De Gemeentewet verbiedt dit niet. Tegelijkertijd is het aan te bevelen om ook bij dit type overleggen zo transparant mogelijk te zijn richting de inwoners van de gemeente en met deze mogelijkheid terughoudend om te gaan.
Welke mogelijkheden zouden er volgens u moeten zijn om op informele wijze te overleggen tussen de Raad en het College van B&W of om technische briefings te organiseren, en hoe zouden deze zich tot het principe van openbaarheid?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, kunnen in een gemeente bijeenkomsten plaatsvinden met (leden van) de raad en het college, waarbij geen besluitvorming plaatsvindt, maar die een informerend/beeldvormend karakter hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om technische sessies met ambtenaren (zoals die ook in de Tweede Kamer plaatsvinden) of bijeenkomsten met zowel raadsleden als inwoners. Overigens kunnen dergelijke bijeenkomsten, zoals ook landelijk gebeurt, openbaar plaatsvinden. Informatie die experts verschaffen, kan immers ook voor inwoners interessant en relevant zijn.
De besluitvorming zelf vindt altijd plaats in de raadsvergadering en voor de voorbereiding van die besluitvorming kunnen raadscommissies worden ingesteld. Zowel bij de raadsvergaderingen als bij de vergaderingen van raadscommissies is openbaarheid het uitgangspunt. Hieruit volgt dat de besluitvorming en de beraadslaging die hieraan voorafgaan in beginsel altijd openbaar zijn, behoudens de gevallen waarin expliciet wordt besloten tot een besloten vergadering. Dit is vanuit het oogpunt van transparantie en democratische legitimatie van besluitvorming ook van groot belang.
Welke voorwaarden zouden er volgens u moeten gelden voor informele overleggen tussen de Raad en het College van B&W en hoe verhouden die zich tot de huidige voorwaarden in de Gemeentewet en de Wet openbare overheid?
Informele overleggen zoals hierboven beschreven worden zoals aangegeven niet gereguleerd in de Gemeentewet. De gronden voor geheimhouding die in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid worden genoemd, zijn niet van toepassing op het al dan niet houden van vergaderingen in de zin van de Gemeentewet en evenmin op informele overleggen tussen (leden van) de raad en het college.
Tegelijkertijd is het aan te bevelen om ook bij dit type overleggen zo transparant mogelijk te zijn richting de inwoners van de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld door op de website van de gemeente te vermelden dat een informeel overleg plaatsvindt of plaats heeft gevonden. Ook kunnen tijdens deze overleggen besproken documenten bijvoorbeeld actief openbaar worden gemaakt. Tot slot zij opgemerkt dat het de rede ligt om terughoudend om te gaan met informele overleggen buiten de vergaderingen om.
Bent u bereid om met de gemeenten in gesprek te treden over waarom zij de behoefte voelen om buiten de openbaarheid samen te komen en informatie te delen en tegelijkertijd streng toe te zien op de handhaving van de Gemeentewet artikel 23?
Aan de voorbeelden die in het genoemde artikel worden genoemd kan niet de conclusie worden verbonden dat gemeenten in strijd met de wet besloten vergaderen. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding om de betreffende gemeenten aan te spreken. Wel wil ik in algemene zin benadrukken dat de finale beraadslaging en besluitvorming in de openbaarheid moeten plaatsvinden. Raads- en raadscommissievergaderingen zijn dan ook altijd openbaar, behoudens uitzonderlijke situaties die tot beslotenheid noodzaken. Het is van belang er scherp op te zijn dat geen besluitvorming plaatsvindt in andere niet-openbare overleggen, zoals technische briefings of informatiebijeenkomsten.
Om gemeenten meer duidelijkheid te bieden over wanneer wel en wanneer niet sprake is van een in de Gemeentewet geregelde raads- of raadscommissievergadering, werkt mijn ministerie aan een circulaire over het commissiestelsel in de Gemeentewet. Deze circulaire zal onder meer ingaan op het wettelijk kader voor raadscommissies, maar biedt tevens de mogelijkheid om belangrijke achterliggende waarden zoals transparantie en democratische legitimatie te benadrukken.
Deelt u de mening dat van tevoren de agenda van een overleg bekend moet worden gemaakt zodat burgers en journalisten op de hoogte zijn van de onderwerpen die besproken worden en op grond daarvan kunnen bepalen of ze een vergadering (digitaal) willen bijwonen?
Zoals hierboven aangegeven, is het raadzaam dat gemeenten zo open mogelijk zijn over eventuele informele overleggen die plaatsvinden tussen (leden van) de raad en het college. Het van tevoren bekend maken van de agenda is daarvan een goed voorbeeld. Wettelijk bestaat hiertoe echter geen verplichting, nu deze informele overleggen niet worden gereguleerd in de Gemeentewet. Op dit moment zie ik geen aanleiding om hiertoe een verplichting in de wet op te nemen.
Het persbericht van het Openbaar Ministerie ‘Nieuw College, nieuwe accenten’ |
|
Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van het Openbaar Ministerie «Nieuw College, nieuwe accenten» van 1 juni 2023 en het bijbehorende document «Prioriteiten College van procureurs-generaal 2023–2026», waarin het college aankondigt minder te gaan focussen op preventie van strafbare feiten?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de overwegingen van het college om dit te besluiten? Zo ja, wat zijn die overwegingen geweest en wat is uw inbreng hierin geweest?
Ja. De wijziging van de samenstelling en het voorzitterschap van het College van Procureurs-Generaal was aanleiding om de prioriteiten voor de komende jaren vast te leggen. Ik heb over de prioriteiten gesproken met het College en er kennis van genomen.
Hoe verhoudt deze aankondiging zich volgens u tot het feit dat er meerdere strafdoelen bestaan en dat generale en speciale preventie ook twee van de strafdoelen zijn? Voelt het Openbaar Ministerie zich hier minder verantwoordelijk voor?
Nee, de nieuwe prioriteiten betekenen niet dat het OM zich minder verantwoordelijk voelt of dat het taken laat vallen. Het Openbaar Ministerie heeft bij de strafoplegging of afdoening via strafbeschikking onverminderd de kern van de strafdoelen voor ogen, waaronder dus de generale en speciale preventie. Het gaat er vooral om dat het OM meer focus wil leggen op zijn kerntaak, de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde. Het OM wil bijvoorbeeld nog meer aandacht schenken aan de aanpak van doorlooptijden en de juridische kwaliteit van zijn producten, zoals de strafbeschikking.
Heeft u zicht op de effectiviteit van de inzet op preventie door het Openbaar Ministerie in de afgelopen jaren?
Het OM werkt samen met andere organisaties aan de aanpak en preventie van verschillende vormen van criminaliteit. De aanpak van veel van deze vormen van criminaliteit is in het verleden geëvalueerd, zoals de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Het beeld dat hieruit naar voren komt is dat het OM een essentiële partner is bij de aanpak en preventie van criminaliteit, alleen al door het belang van de rechtmatige deling van strafrechtelijke informatie met partners.
Hoe gaat dit exact de inzet van het Openbaar Ministerie veranderen voor preventieprogramma’s zoals Preventie met Gezag en voor preventie op onderwerpen als corruptie, terrorisme, cybercriminaliteit en jeugdcriminaliteit?
Er zijn vooralsnog geen plannen om deze inzet van het OM hiervoor te veranderen. Het OM blijft trouw aan de gedane toezeggingen op al deze thema's, zo lang er sprake is van een aangifte of bewijsbaar strafbaar feit. Bij ernstige misdrijven blijft het OM onverminderd dezelfde rol vervullen als de laatste decennia.
Deelt u de mening dat het, juist nu de druk op de strafrechtketen al zo hoog is, van groot belang is om in te zetten op preventie van strafbare feiten omdat een gebrek aan focus hierop alleen maar meer strafzaken zal opleveren?
Ja.
Welke «andere organisaties» bedoelt het college die verantwoordelijk zijn voor preventie van strafbare feiten en hebben deze organisaties voldoende capaciteit om «primair verantwoordelijk» te worden gehouden voor preventie?
Als er geen sprake is van strafbare feiten waar het OM een strafrechtelijke rol heeft te vervullen, ligt de verantwoordelijkheid zoals vanouds bij andere actoren als gemeenten, jeugdzorg, reclassering en vele andere organisaties die hun eigen wettelijke taken hebben uit te oefenen. Zoals hiervoor vermeld is het niet de bedoeling dat het OM zich uit allerlei samenwerkingsverbanden terugtrekt.
Wat gaat deze koerswijziging van het Openbaar Ministerie naar uw verwachting voor gevolgen hebben voor het aantal strafbare feiten?
Het OM zet in op het afdoen van meer strafbare en bewijsbare feiten door het OM zelf. Daardoor moet de afhandeling van strafzaken sneller verlopen, waardoor slachtoffers en verdachten eerder duidelijkheid over de uitkomst van de strafzaak krijgen. En waardoor minder slachtoffers in de kou blijven staan. Dat komt de geloofwaardigheid van het strafrecht ten goede.
Kunt u garanderen dat deze koerswijziging geen afbreuk doet aan de afspraken die in het coalitieakkoord zijn gemaakt omtrent preventie?
Het OM heeft mij verzekerd dat de afspraken die in het kader van het Coalitieakkoord zijn gemaakt gewoon worden uitgevoerd.
Het piramidespel van IM Academy en Finfluencers. |
|
Steven van Weyenberg (D66), Hülya Kat (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wat trekt jongeren in de omstreden zakenman en «selfmade» miljonair Alex Morton?»?1
Ja.
Hoe kijkt u naar de uitverkochte zalen vol jongeren die worden aangesproken en aangemoedigd om zich voor veel geld aan te sluiten bij IM Academy?
Marktpartijen zijn altijd verantwoordelijk om klanten van juiste en volledige informatie te voorzien. De leeftijd van de doelgroep van IM Academy betekent des te meer dat IM Academy een grote verantwoordelijkheid heeft in dit kader. Deze verantwoordelijkheid geldt uiteraard ook bij andere doelgroepen. Wij betreuren het dan ook ten zeerste dat mensen mogelijk worden misleid en dat de schijn wordt gewekt dat een cursus over beleggen gegarandeerd positief resultaat zal hebben. Het is goed dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) waarschuwt voor mogelijke misleidende praktijken en middels publieke informatiecampagnes informeert over de risico’s van uitlatingen van finfluencers via social media.
Welke gevolgen heeft de veroordeling in België voor «het maskeren van een piramidespel» voor het blijven aanbieden van dit piramidespel in Nederland?
Uiteraard delen wij de zorgen over de mogelijke overtredingen van IM Academy. Een veroordeling in het buitenland heeft echter niet automatisch gevolgen voor de desbetreffende onderneming in Nederland. IM Academy is in Nederland niet veroordeeld voor het houden van een piramidespel in overtreding van de Wet op de kansspelen of voor andere strafbare feiten op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft), Wet oneerlijke handelspraktijken of andere wetgeving.
Het is aan de bevoegde toezichthouders in Nederland om op te treden als sprake is van onrechtmatigheden. De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt toezicht op en handhaaft de naleving van de Wet op de kansspelen en beoordeelt of in een specifiek geval sprake is van een piramidespel. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) is bevoegd om te handhaven als sprake is van een piramidestructuur waarbij consumentenwetgeving wordt overtreden. De AFM is bevoegd om te handhaven wanneer sprake is van beleggingsadvies of als de handelspraktijken betrekking hebben op een financiële dienst of activiteit.
Hoeveel aangiftes zijn er gedaan tegen piramidespelen in het afgelopen jaar? Zijn er gegevens over hoeveel piramidespelen afgelopen jaar zijn ontdekt en gestopt?
De politie en het Openbaar Ministerie hebben geen informatie over het aantal aangiftes met betrekking tot piramidespelen. Met enige regelmaat vervolgt het Openbaar Ministerie personen die middels een frauduleuze methode via een piramidestructuur geld proberen te verdienen. Aan deze personen worden dan strafbare feiten als valsheid in geschrifte, oplichting, verduistering, witwassen of deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd. Er is een meldpunt op de website van de Ksa voor piramidespelen; sinds 1 juni 2018 zijn daar 43 meldingen over piramidespelen ontvangen. Wanneer een dergelijke melding binnenkomt, onderzoekt de Ksa deze melding. Uit het onderzoek blijkt dat geen enkele melding gaat over een piramidespel zoals bedoeld in de Wet op de kansspelen.2 Deze meldingen blijken betrekking te hebben op frauduleuze verkoopmethodes of beleggingsadvies waarbij gebruik wordt gemaakt van een piramidestructuur, maar waar geen sprake is van een piramidespel, zoals bedoeld in de Wet op de kansspelen. Melders worden in voorkomend geval doorverwezen naar de bevoegde toezichthouder. In antwoord op eerdere vragen van uw Kamer is aangegeven dat de ACM gemiddeld genomen zeer weinig meldingen over multi-level marketing bedrijven ontvangt3.
Op welke manier worden mensen geholpen om uit een piramidespel te stappen en aangifte te doen? Zijn er voor hen vergelijkbare regelingen als voor klokkenluiders beschikbaar en acht u dat wenselijk?
De huidige wet- en regelgeving biedt aanknopingspunten om aangifte te doen tegen piramidespelen, frauduleuze verkoopmethoden of beleggingsadvies waarbij gebruik wordt gemaakt van een piramidestructuur. Als een aangever bij de politie komt vanwege een piramidespel, zal de politie de aangifte opnemen als sprake is van een strafbaar feit. Deze aangifte wordt dan behandeld als fraude. Het Openbaar Ministerie vervolgt personen die middels een frauduleuze methode via een piramidestructuur geld proberen te verdienen. Aan deze personen worden dan strafbare feiten als valsheid in geschrifte, oplichting, verduistering, witwassen of deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd. Ook kan zoals bij vraag 4 aangegeven een piramidespel worden gemeld bij de Ksa. Wanneer burgers bij de Ksa een melding doen, zal de Ksa onderzoeken of sprake is van een piramidespel zoals gedefinieerd in de Wet op de kansspelen. Indien sprake is van een piramidespel wordt deelnemers geadviseerd te stoppen met de betreffende activiteiten en aangifte te doen. De Ksa zal vervolgens onderzoek doen en handhavend optreden richting de organisatie achter het piramidespel.
Slachtoffers van fraude kunnen terecht bij de Fraudehelpdesk. De Fraudehelpdesk biedt fraudeslachtoffers een helpende hand met advies. Hen wordt geadviseerd het contact te verbreken of te stoppen met geld overmaken. Ook wordt doorverwezen naar de juiste instantie zoals de AFM, ACM, het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) (als een ID-bewijs is afgegeven), politie, Slachtofferhulp Nederland of een juridisch loket.
Tot slot geldt vanaf 1 juli 2016 de Wet Acquisitiefraude. Deze wet bepaalt dat het verboden is om misleidende mededelingen of valse beloften te doen richting andere ondernemers. De ondernemer die het slachtoffer wordt van acquisitiefraude kan een melding doen bij de fraudehelpdesk.
Welke instanties zijn betrokken bij het illegaal aanbieden van een kansspel en hoe wordt goede coördinatie en samenwerking tussen hen bevorderd? Wie heeft de regie in de aanpak van een piramidespel?
Het aanbieden van een kansspel zonder vergunning is illegaal. De Ksa houdt toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving met betrekking tot kansspelen en verstrekt vergunningen voor het aanbieden van kansspelen. Illegale kansspelen kunnen worden gemeld bij de Ksa. Piramidespelen zijn in Nederland op grond van de Wet op de kansspelen verboden.4 De Ksa heeft de regie in de aanpak van deze piramidespelen en beoordeelt of in een specifiek geval sprake is van een piramidespel, zoals bedoeld in de Wet op de kansspelen. Wanneer verkoopmethodes een piramidestructuur hebben, betekent dit niet vanzelfsprekend dat sprake is van een piramidespel zoals omschreven in de Wet op de kansspelen. Bij een piramidespel is het voordeel dat een deelnemer tracht te verwerven geheel of gedeeltelijk afhankelijk van de bereidheid van deelnemers die later instappen tot het doen van een inleg en het daadwerkelijk daartoe overgaan. Dergelijke activiteiten hebben dan het karakter van een kansspel en zijn daarom verboden op grond van de Wet op de kansspelen en de Wet handhaving consumentenbescherming.5 De ACM en AFM zijn toezichthouders van de Wet handhaving consumentenbescherming. De ACM is bevoegd om te handhaven als sprake is van het overtreden van consumentenwetgeving en frauduleuze verkoopmethodes. De AFM is bevoegd om te handhaven wanneer de Wet op het financieel toezicht (Wft) wordt overtreden of de Wet handhaving consumentenbescherming indien sprake is van een financiële dienst of activiteit.
Bij de betrokken toezichthouders kunnen consumenten melding maken van mogelijke overtredingen. Per situatie wordt door de betrokken toezichthouders beoordeeld of sprake is van een piramidespel zoals bedoeld in de Wet op de kansspelen of van frauduleuze verkoopmethodes of beleggingsadvies waarbij gebruik wordt gemaakt van een piramidestructuur. Indien nodig verwijst de toezichthouder waar de melding is gemaakt de melder door naar de bevoegde toezichthouder. Op grond van de meldingen kunnen de toezichthouders bepalen naar welke onderwerpen of instellingen nader onderzoek moet worden gedaan. Zo heeft de AFM naar aanleiding van meldingen van consumenten gewaarschuwd voor een illegale aanbieder van beleggingsproducten die gebruik maakte van Nederlandse finfluencers.
Vindt u het wenselijk dat jongeren in concertzalen en theaters gerekruteerd kunnen worden voor een organisatie die in het buitenland veroordeeld is voor het organiseren van een piramidespel? Zo nee, wat doet u hiertegen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wordt er samengewerkt met andere (Europese) landen waar (ook) onderzoeken lopen naar Alex Morton of IM Academy? Zo nee, zou samenwerking met andere landen niet kansrijk kunnen zijn?
Consumentenautoriteiten in Europese lidstaten kunnen op grond van de Verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (2017/2394/EU) samen optreden als sprake is van een grensoverschrijdende overtreding van consumentenregelgeving. De ACM en de AFM nemen deel aan dit netwerk van bevoegde autoriteiten. De toezichthouders zijn onafhankelijk in hun toezicht en doen geen mededelingen over lopende of eventueel te starten onderzoeken.
Wat is uw reactie op de uitzending van Boos over SFX Masterclass en Sem May?2
Het is goed dat BOOS bijdraagt aan de bewustwording van de risico’s voor consumenten over finfluencers. Daarnaast laat de uitzending zien dat ook finfluencers zich moeten houden aan wet- en regelgeving en bijvoorbeeld geen specifiek beleggingsadvies mogen geven zonder een vergunning van de AFM. Die boodschap wil ik hier graag benadrukken. Ik vind het spijtig om te zien dat consumenten het slachtoffer worden van ogenschijnlijk onrechtmatige handelspraktijken door enkele finfluencers. In algemene zin waarschuwt de AFM voor risicovolle producten zoals forex, CfD’s en crypto’s. Deze producten zijn doorgaans niet in het belang van (beginnende) beleggers, omdat beleggers hierbij helaas vaak (een deel van) hun inleg verliezen.
Is er een gecoördineerde aanpak van Fincluencers die zonder vergunning financieel advies verlenen? Zo ja, wie heeft daarbij de regie en hoeveel boetes zijn er in het afgelopen jaar uitgedeeld?
De AFM houdt toezicht op dienstverleners die beleggingsadvies geven en advies geven over andere financiële producten. Hiervoor moet een dienstverlener een vergunning van de AFM hebben. Indien beleggingsadvies wordt gegeven door finfluencers zonder vergunning dan kan de AFM handhavend optreden en bijvoorbeeld een dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Ook kan de AFM op haar website een waarschuwing plaatsen voor illegale aanbieders. Zo heeft de AFM een waarschuwing geplaatst voor een illegale aanbieder van beleggingsproducten die gebruik maakte van Nederlandse finfluencers. Daarnaast werkt de AFM aan de publieke bewustwording over de risico’s van beleggen en content over beleggen die wordt verstrekt via social media. De AFM heeft in 2021 een verkenning gedaan naar finfluencing en daarbij onder meer een webinar georganiseerd voor finfluencers om hen te wijzen op hun verantwoordelijkheden en wettelijke verplichtingen.7 In oktober 2022 is een last onder dwangsom opgelegd aan een finfluencer voor het niet verstrekken van informatie ten behoeve van een onderzoek naar mogelijke overtredingen van de Wft vanwege het aanbrengen van consumenten bij een buitenlandse illegale beleggingsonderneming8. Er zijn tot op heden nog geen bestuurlijke boetes opgelegd aan finfluencers.
Hoe kijkt u naar de opmerkingen over het grijze gebied tussen regels en toezichthouders waarin Finfluencers actief kunnen zijn en welke maatregelen wilt u nemen om de bescherming van (jonge) consumenten te verbeteren?
Voor finfluencers gelden op dit moment al verschillende regels. Finfluencers zijn gebonden aan regels die volgen uit verschillende Europese verordeningen en richtlijnen, waarbij voor de laatste geldt dat die in de Nederlandse regelgeving zijn geïmplementeerd, in het bijzonder de Wft en daarop gebaseerde lagere regelgeving. Voor iedereen gelden op grond van de verordening marktmisbruik9 regels met betrekking tot het doen van beleggingsaanbevelingen. Een beleggingsaanbeveling is niet een persoonlijk advies, maar het aan een breed publiek rechtstreeks of niet rechtstreeks doen van een specifieke beleggingsaanbeveling ten aanzien van een financieel instrument of een uitgevende instelling. Deze verordening geldt dus ook voor finfluencers die online beleggingsaanbevelingen doen over financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties, ETFs of (valuta)derivaten. Op grond van de Wet op het financieel toezicht is het geven van specifiek beleggingsadvies vergunningplichtig. Dit betekent voor finfluencers dat zij zonder vergunning van de AFM geen gepersonaliseerde beleggingsaanbevelingen (dus advies) mogen geven aan klanten. Ook is op finfluencers, net als andere ondernemers, de Wet oneerlijke handelspraktijken van toepassing, waarin onder meer voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot reclame-uitingen, misleidende informatieverstrekking en andere vormen van oneerlijke handelspraktijken. De relevante toezichthouders kunnen handhaven bij overtredingen.
Met bovengenoemde regelgeving ben ik van mening dat het huidige raamwerk, aangevuld door de bovengenoemde aandacht die de AFM in publieke campagnes voor dit onderwerp genereert, de belangrijkste risico’s voor consumenten door finfluencing voldoende kan mitigeren. Wel zie ik kansen om de bescherming van beleggers in algemene zin naar een hoger niveau te brengen door aanscherping van Europese regelgeving. Afgelopen jaren heb ik mij samen met de AFM er in Europa voor ingezet om bij het – inmiddels gepubliceerde – pakket retail beleggen betere bescherming te bieden aan beleggers, met name bij digitale dienstverlening10. Op Europees niveau besteedt ook de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) aandacht aan investeringsaanbevelingen die worden gemaakt op sociale media11.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 1 juli, een week voor het ingaan van het zomerreces?
De versterking van de kennisfunctie van de Rijksoverheid. |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op vragen van de vaste Kamercommissie Financiën naar aanleiding van het onderzoek van KWINK groep «Inventarisatie en appreciatie onderzoeksbeleid Ministerie van Buitenlandse Zaken» uit 2018?1
Ja
Kunt u toelichten op welke wijze sindsdien Rijksbreed gevolg is gegeven aan de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek, zoals het waarborgen dat onderzoeksrapporten die in opdracht van ministeries worden opgesteld inderdaad proactief openbaar worden gemaakt en voorkomen dat politieke of ambtelijke sturing op onderdelen van het onderzoek (doelstellingen, onderzoeksvragen en conclusies en aanbevelingen) plaatsvindt?
Alle departementen onderschrijven volmondig het belang van actieve openbaarmaking van onderzoeksrapporten. Een uitvraag onder departementen heeft ook inzichtelijk gemaakt dat er langs twee routes is geïnvesteerd in het stimuleren van actieve openbaarmaking. Enerzijds door te investeren in bewustwording via voorlichting op de interne websites of, zoals het Ministerie van Buitenlandse Zaken, presentaties te houden op de relevante directies. En anderzijds door in het proces van de totstandkoming van het rapport openbaarmaking te formaliseren of te vereenvoudigen. Zo heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een applicatie ontwikkeld waarmee de openbaarmaking automatisch plaatsvindt op de website. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft geformaliseerd dat wanneer een betrokken medewerker overweegt een rapport niet openbaar te maken dit beargumenteerd voorgelegd moet worden aan de bewindspersonen. Verschillende departementen hebben specifieke ambtenaren aangesteld om te waken of te adviseren over de processen van openbaarmaking. Alle departementen delen het beeld dat toepassing van het uitgangspunt «openbaar tenzij» bij onderzoeksrapporten in de regel niet leidt tot problemen en ervoor zorgt dat onderzoeksrapporten in vrijwel alle gevallen actief openbaar worden gemaakt.
De uitvraag heeft ook inzichtelijk gemaakt dat er brede consensus is binnen de departementen dat het van belang is te waken voor ongepaste (politieke of ambtelijke) beïnvloeding. Het is mijn indruk dat er binnen de ministeries ruimschoots bewustzijn is dat het uitsluiten van beïnvloeding een voorwaarde is voor de wetenschappelijke kwaliteit. De Algemene Rijksvoorwaarden Verstrekken Opdrachten Diensten (ARVODI) zijn hiertoe aangescherpt, dit naar aanleiding van de situatie rondom het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ook van de kant van wetenschappelijk onderzoekers is er meer aandacht voor dit vraagstuk en wordt sinds 2018 gewerkt met een herziene gedragscode voor wetenschappelijke integriteit. Ik heb geen kennis over stakeholdersonderzoeken die zich primair richten op vraag of onderzoekers eventuele ongepaste beïnvloeding hebben ervaren. De uitvraag aan de departementen geeft ons het beeld dat de door de door u beschreven thema’s ruim aandacht krijgen gezien de vele initiatieven die er zijn om de integriteit en transparantie zoveel als mogelijk te borgen. Ik zie dan ook geen noodzaak voor een Rijksbreed stakeholdersonderzoek. Het is wel mijn voornemen om de thema’s interdepartementaal te blijven agenderen om zo ook van elkaar te leren en ervaringen uit te wisselen.
Kunt u toelichten op welke wijze sindsdien Rijksbreed beleid is gevoerd op dit thema, in plaats van dit aan individuele departementen overlaten zoals bleek uit de brief van 2019?
Zie antwoord vraag 2.
Voor welke departementen heeft sindsdien een onafhankelijk onderzoek onder stakeholders plaatsgevonden om te achterhalen of zij politieke dan wel ambtelijke sturing op onderdelen van hun onderzoek ervaren? Indien dit nog niet voor alle ministeries gebeurd is, bent u dan bereid dit alsnog te (laten) doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de analyse en aanbevelingen van ABDTopconsult uit hun onderzoek «Kennisrijk samenwerken – Verkenning Rijksbrede kennisfunctie» (p. 42 e.v.) in opdracht van het Secretarissen-Generaal Overleg (SGO)?2 Bent u bereid opvolging te geven aan deze aanbevelingen?
Het eerder dit jaar verschenen rapport «Kennisrijk samenwerken – Verkenning Rijksbrede kennisfunctie» van ABDTOPConsult biedt houvast voor een verdere versteviging van de strategische kennisfunctie van het Rijk. Dat elk departement een zekere mate van vrijheid heeft bij het organiseren van de kennisfunctie heeft voordelen. Op die manier kan worden aangesloten bij de specifieke opgaven en inrichting van elk departement. Een belangrijk uitgangspunt is dat kennis essentieel is voor goed openbaar bestuur en goede wetten en dat de kennisfunctie daarom in ieder geval verbonden moet zijn met het primaire proces. Daarnaast is de aanwezigheid van uitvoeringskennis op alle niveaus binnen de departementen van belang om strategische keuzes te toetsen aan de praktische haalbaarheid.
Verschillen in invulling van de kennisfunctie kunnen de interdepartementale samenwerking echter bemoeilijken, zoals ook wordt geconstateerd in het rapport. In overleg met de andere departementen, zal worden bezien of en zo ja welke aanvullende rijksbrede afspraken, kaders en instrumenten nuttig en nodig zijn. Hierbij zullen ook de aanbevelingen van ABDTOPConsult, waaronder het oprichten van Rijkslab, worden meegenomen. De resultaten daarvan krijgen een plek in de Ontwikkelagenda voor versterking van de Rijksdienst.3
De departementen hebben een eigenstandige verantwoordelijkheid om de strategische kennisfunctie te beleggen binnen de organisatie. Dat kan middels een Chief Science Officer (CSO) of een equivalent daarvan. Zo heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid hiertoe een centrale kenniscoördinator aangesteld. Daarnaast kennen de meeste departementen een strategische- of kennisdirectie die op verschillende manieren invulling geven aan de kennisfunctie.
Deelt u, meer specifiek, de mening dat het oprichten van een Rijkslab (p. 44), naar analogie van de «living labs» zoals die elders bestaan, zeer nuttig zou kunnen zijn om het lerend vermogen van de rijksoverheid te vergroten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat op alle departementen een «chief science officer» (CSO) actief zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het van meerwaarde is dat voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid een kennisinstituut – het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum, WODC,3 sinds 2019 als zelfstandige dienst gepositioneerd – bestaat?
Het WODC is zonder meer een gerenommeerd kennisinstituut dat dit jaar zijn 50-jarig jubileum viert. De meerwaarde voor de beleidsdossiers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is evident. Het belang van een goede kennisinfrastructuur geldt voor de gehele rijksoverheid. Dat laat echter onverlet dat ieder departement een eigen vrijheid en verantwoordelijkheid heeft in de wijze waarop zij kennis verzamelen en valideren. Departementen maken daarbij gebruik van de veelheid aan (onafhankelijke) kennisinstellingen die Nederland rijk is, waaronder planbureaus, adviescolleges, Rijkskennisinstituten, kennisinstellingen voor toegepast onderzoek, universiteiten en private onderzoeksbureaus. Het Ministerie van OCW is bijvoorbeeld bezig met de doorontwikkeling van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) naar een Landelijk Kenniscentrum voor het Onderwijs. Daarnaast maken departementen ook gebruik van onafhankelijke private onderzoeksbureaus. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het WODC. Per dossier of beleidsissue zal worden bepaald welk instituut of onderzoeksbureau het meest geschikt is op basis van kennis, kwaliteit en kosten. De keuze voor de wijze waarop de kennisinfrastructuur wordt georganiseerd is een departementale verantwoordelijkheid.
Kunt u inhoudelijk toelichten waarom niet voor alle departementen een dergelijk kennisinstituut bestaat? Zo nee, deelt u de mening dat een dergelijke infrastructuur omwille van het opbouwen, onderhouden en ontsluiten van een gezamenlijke kennisbasis voor «evidence based» beleid zeer nuttig zou zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat een gedegen, eigen kennisinfrastructuur van (en kennisuitwisseling binnen) de rijksoverheid op termijn ook kan zorgen voor minder afhankelijkheid van externe inhuur?
Zie antwoord vraag 8.
Zou u deze vragen vóór het commissiedebat Functioneren Rijksdienst (dd 8 juni 2023) kunnen beantwoorden?
Helaas is dat onder meer vanwege de noodzakelijke interdepartementale afstemming en de gewenste zorgvuldigheid niet gelukt.