De herziening van het beleid voor het klachtenmechanisme van FMO |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de herziening van het beleid voor het klachtenmechanisme van FMO?1
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Het onafhankelijk klachtenmechanisme (hierna: ICM2) dat FMO samen met de Duitse en de Franse ontwikkelingsbanken (DEG3 en Proparco) heeft, is essentieel voor de effectiviteit en werking van FMO als ontwikkelingsbank. Dit mechanisme zorgt ervoor dat derden, waaronder lokale gemeenschappen, klachten kunnen indienen over projecten die door FMO gefinancierd worden, waarna het onafhankelijke expertpanel tot oplossingen probeert te komen. Ik hecht veel waarde aan een goed functionerend en onafhankelijk klachtenmechanisme om onbedoelde negatieve effecten van activiteiten gefinancierd door FMO te adresseren.
FMO staat op afstand van de Staat en is, samen met DEG en Proparco, zelf verantwoordelijk voor het onafhankelijke klachtenmechanisme en de herziening hiervan. Desalniettemin word ik door FMO goed betrokken bij de herziening.
Wat is de aanleiding van deze herziening? Wat is het doel van deze herziening? Deelt u de mening dat het doel van deze herziening moet zijn om een klachtenmechanisme te hebben dat voldoet aan internationale best practices? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke basiscriteria hanteert u hier dan voor?
Ik heb van FMO vernomen dat ze een evaluatie van het huidige ICM-beleid heeft afgerond in 2023 en dat uit deze evaluatie werd geconcludeerd dat het beleid verbeterd kon worden. Daarom werd een vernieuwing van het beleid gestart. Tevens heb ik van FMO vernomen dat het doel van de herziening van het beleid is om het ICM verder te versterken, het beleid verder te verduidelijken en in lijn te brengen met best practices. Hiermee wordt het ICM dienstbaarder aan individuen en gemeenschappen die mogelijk negatieve effecten ondervinden van activiteiten gefinancierd door FMO.
In de Overeenkomst tussen FMO en de Staat is vastgelegd dat FMO handelt naar internationaal geaccepteerde conventies, principes en standaarden voor impact en risicomanagement ten aanzien van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO), zoals de IFC Performance Standards, OECD Guidelines for Multinational Enterprises en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights4. Ik verwacht dan ook van FMO dat het ICM-beleid hieraan voldoet. Daarnaast verwacht ik dat het nieuwe ICM-beleid de onafhankelijkheid van het klachtenmechanisme ten goede zal komen.
Welke rol spelen de leden van het Panel behorend bij het mechanisme, voor en na de herziening? Deelt u ook de mening dat de expertise van de leden van dit Panel onontbeerlijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke criteria hanteert u hier dan voor? Bent u van mening dat de aanbevelingen voor verbetering die de leden van het Panel doen, leidend moeten zijn voor de door te voeren herzieningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier zet u zich hiervoor in?
FMO heeft mij geïnformeerd dat de leden van het Panel het ICM-beleid toepassen, de klachten behandelen en zorgen dat de principes van het beleid worden nageleefd. Dit was het geval voor de herziening en dit verandert niet. Wel biedt het nieuwe beleid ruimte voor een adviserende rol van het Panel richting de ontwikkelingsbanken en kan het ICM contact leggen met belanghebbenden om de bekendheid en begrip van het ICM te vergroten. Bovendien is het een doelstelling van het nieuwe beleid om de operationele onafhankelijkheid van het Panel te versterken. De beleidsherziening is echter nog niet voltooid. De consultatieronde voor de herziening is in oktober afgerond en de input van de stakeholders wordt nu verwerkt in een finale versie van het ICM-beleid.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is het ministerie in dialoog met FMO over de herziening van het ICM-beleid en heeft in dat kader ook gesproken met de leden van het Panel. De visie van de Panelleden heeft het ministerie meegenomen in haar inbreng. Daarnaast heb ik van FMO vernomen dat het proces om tot een nieuw ICM-beleid te komen in nauwe samenwerking is gedaan met het Panel en dat het Panel een integrale rol heeft gespeeld in de totstandkoming van het beleid. FMO heeft mij laten weten dat de inhoud van het beleid, op een paar punten na, in consensus werd overeengekomen.
Het artikel 'Nederlandse mijnbouwer verzweeg miljardenomzet voor Congolese Staat’ |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse mijnbouwer verzweeg miljardenomzet voor Congolese Staat»?1
Ja.
Is er een strafrechtelijk onderzoek gaande naar de Nederlandse vennootschappen van ERG wegens mogelijke omkoping of overtreding van sanctiewetgeving? Zo ja, door wie, wanneer en om welke redenen is een dergelijk onderzoek gestart? Wat is de status van dit onderzoek op dit moment? Zo nee, overweegt u dergelijk onderzoek na het lezen van de feiten die in het bovengenoemde artikel worden gepresenteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen of de inhoud van eventuele strafrechtelijke onderzoeken. Signalen van mogelijke overtreding van de (sanctie) wetgeving worden altijd serieus genomen. Het is aan het Openbaar Ministerie om een beslissing te nemen over het eventueel starten van een strafrechtelijk onderzoek en of op basis daarvan over wordt gegaan tot vervolging. Daar gaat het kabinet niet over.
Heeft er, gezien er mogelijk sprake is van omkoping door ERG via Nederland, terwijl de Kazachstaanse staat eigenaar is van het bedrijf, overleg plaatsgevonden tussen de Nederlandse overheid en die van Kazachstan over deze kwestie? Zo ja, door wie en wanneer? Wat is de uitkomst van dit gesprek geweest? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt regelmatig met het internationale bedrijfsleven, zowel in Nederland als middels het postennetwerk. Ook met de Kazachse autoriteiten en het bedrijfsleven wordt gesproken. Op de precieze inhoud van de gesprekken kan het kabinet niet ingaan.
Zijn Nederlandse toezichthouders betrokken bij het monitoren van internationale transacties via Nederlandse entiteiten met risico op corruptie of mensenrechtenschendingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke toezichthouders? En welke rol spelen die Nederlandse toezichthouders bij het monitoren van internationale transacties via Nederlandse entiteiten met risico op corruptie of sanctieschending?
Financiële instellingen en andere bij wet geïdentificeerde partijen dienen zich te houden aan regelgeving op het gebied van sancties en witwassen, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Dat betekent dat ze hun bedrijfsvoering zo in moeten richten dat ze in staat zijn om witwassen te voorkomen en sancties na te leven. De Wwft-toezichthouders, waaronder de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) houden hier toezicht op.
Financiële instellingen moeten ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) melden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een bank vermoedt dat er bij een betaling sprake is van corruptie. De FIU-NL analyseert de transacties en verklaart deze zo nodig verdacht zodat deze beschikbaar worden voor de opsporing. Op basis van deze verdachte transacties kan er eventueel strafrechtelijk worden gehandhaafd.
De Wwft-toezichthouders monitoren geen individuele transacties. Ze houden alleen toezicht of de financiële instellingen in staan zijn om verplichtingen om te melden goed na te leven.
Bent u van mening dat FIOD en OM over voldoende capaciteit en expertise beschikken om grensoverschrijdende corruptie- en sanctiezaken effectief aan te pakken? Zo niet, wat ontbreekt er?
De effectieve aanpak van grensoverschrijdende corruptie- en sanctiezaken is breder dan strafrechtelijke handhaving achteraf. Het is altijd beter strafbare feiten te voorkomen. In dit kader werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken bijvoorbeeld aan een update van de brochure «Eerlijk Zaken Doen zonder Corruptie» met aanvullende handreiking. Daarnaast draagt het steunpunt voor maatschappelijk verantwoord ondernemen middels voorlichting bij aan het vergroten van bewustwording rondom buitenlandse omkoping binnen de private sector en via diverse voorlichtingsactiviteiten, waaronder via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland(RvO), aan het voorkomen van overtreding van de sanctiewet.
Strafrechtelijke handhaving is het ultimum remedium. Het is zeker van belang dat die ook goed is toegerust. Zo is specifiek ten behoeve van de aanpak van corruptie in de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de periode 2025–2029 structureel vier miljoen euro per jaar gereserveerd om de opsporingsdiensten (FIOD en de Rijksrecherche), het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te versterken. Deze gelden worden ingezet voor de verhoging van de capaciteit, vergroting van expertise en de aanschaf van onderzoeksmiddelen. Uw Kamer is hierover reeds geïnformeerd in het kader van de intensivering van de aanpak van corruptie.2
Aanvullend hierop heeft het kabinet in het kader van de Voorjaarsnota structureel 36,5 miljoen euro vrijgemaakt voor de instandhouding en verdere versterking van de sanctienaleving in Nederland.3 Zowel de FIOD als het OM ontvangen hieruit aanvullend budget om hun capaciteit voor de aanpak van sanctieovertreding uit te breiden. Beide organisaties besteden doorlopend aandacht aan het verwerven en op peil houden van de benodigde expertise.
Werkt Nederland op dit moment al samen met landen als Congo om meer transparantie in de mijnbouwsector te bereiken, bijvoorbeeld via openbaarmaking van contracten of audits? Zo ja, hoe ziet die samenwerking er dan uit? Zo nee, waarom niet?
Nederland en de Democratische Republiek Congo (DRC) zijn beiden lid van het multi-stakeholder Extractives Industries Transparency Initiative (EITI). Dit initiatief beoogt de transparantie over financiële stromen tussen overheden en de extractieve sector te vergroten via implementatie van de EITI-standaard. Een van de voorschriften van de standaard is dat landen contracten met bedrijven uit de extractieve sector openbaar maken. Als lid van EITI implementeert de DRC deze standaard via een nationale multi-stakeholdergroep. Nederland is naast implementerend lid ook donor van EITI.
Bent u van mening dat bestaande internationale of bilaterale regelgeving ruimte biedt om bedrijven te sanctioneren die betrokken zijn bij corruptie in derde landen? Zo ja, welke regelgeving doelt u dan op en hoe wordt die op dit moment door de Nederlandse overheid geïmplementeerd?
De Europese Unie beschikt niet over een horizontaal sanctiekader dat ziet op betrokkenheid bij corruptie in derde landen. Wel zijn er in enkele geografische landenregimes die specifiek zien op de situatie in een derde land bepalingen opgenomen die grond bieden voor sancties naar aanleiding van corruptie door individuen en entiteiten. Het sanctiekader voor de DRC voorziet hier enkel in wanneer dit ziet op het ondersteunen van ondermijning en destabilisatie door de illegale extractie of handel in natuurlijke hulpbronnen, goud en wilde dieren.
Daarnaast is omkoping door Nederlandse bedrijven strafbaar, ook als de omkoping in het buitenland plaatsvindt. Zie tevens het antwoord op vraag 8.
Bent u van mening dat de huidige nationale en EU-regels, zoals de EU Anti-Corruption Directive, toereikend zijn? Zo nee, welke hiaten bestaan er in de beschikbare regelgeving die misbruik mogelijk maken? Bent u van mening dat die hiaten aandacht behoeven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke initiatieven ontplooit Nederland daarin?
Op dit moment heb ik geen indicatie dat de regelgeving zoals die nu is en die nog wordt gemaakt, zoals de EU anti-corruptierichtlijn, niet afdoende zijn. Corruptie stopt inderdaad niet bij de landsgrenzen en heeft vaak een internationaal karakter. Het kabinet erkent dit en neemt dit expliciet mee bij de intensivering van de aanpak van corruptie.4 Hierbij staat voorop dat Nederlandse bedrijven die zich schuldig maken aan omkoping voor de Nederlandse wet strafbaar zijn, ook als de omkoping in het buitenland plaatsvindt.
Omdat bij buitenlandse omkoping altijd ook ten minste één ander land betrokken is, is internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van dit delict cruciaal. Ook is het van belang dat landen dezelfde anti-corruptiestandaarden hanteren, zodat corruptie niet verplaatst naar de plaats met de laagste standaarden. Via de Europese Anti-corruptierichtlijn, die nu in onderhandeling is, worden onder andere strafbaarstellingen en verjaringstermijnen onder de lidstaten van de EU geharmoniseerd en samenwerking gestimuleerd.
Ook buiten de EU werkt Nederland aan de versterking van de internationale aanpak van corruptie. Nederland speelt een actieve rol in de anti-omkopingswerkgroep van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Implementation Review Group van het VN Verdrag tegen Corruptie, de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) van de Raad van Europa, en de anti-corruptie werkgroep van de G20. Binnen deze gremia worden gemeenschappelijke standaarden in de vorm van anti-corruptieverdragen en best practices geformuleerd.
Deelt u de analyse dat Nederlandse bedrijven actief betrokken zijn bij de mijnbouw in risicogebieden, zoals DR Congo? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan u dan inzicht geven in het aantal Nederlandse bedrijven actief in de mijnbouw in risicogebieden, de omvang van hun investeringen en de bijbehorende risico’s?
De Rijksoverheid heeft geen overzicht van de gevraagde informatie. Sinds 2021 gelden verplichtingen voor bedrijven in Nederland die onder de Europese conflictmineralenverordening vallen. Deze voorziet in wettelijke gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen voor Europese importeurs die boven een bepaalde drempelwaarden tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) importeren. Deze Verordening ziet toe op de controle op handel in 3TG met als doel om bij te dragen aan het tegengaan van de financiering van gewapende groepen en mensenrechtenschendingen. Hoewel de Verordening niet landen-specifiek is bestaat er onder de Verordening wel een lijst van conflict- en hoog risicogebieden, opgesteld door onafhankelijke externe experts (CAHRA-gebieden: Conflict Affected and High-Risk Areas). In de meest recent gepubliceerde rapportage van de inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over het toezicht op de conflictmineralenverordening5 staat vermeld dat er in 2023 in Nederland geen enkele import direct afkomstig was uit een conflict- of hoog risicogebied.
De pilot ‘gratis advocaat’ bij uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Proef met betere rechtsbijstand in jeugdzorg werkt averechts: vertrouwde advocaat uit beeld» van 9 juni 2023 in het Algemeen Dagblad? Zo nee, kunt u dit lezen?1
Ja.
Kunt u de Kamer nogmaals kort uitleggen wat het beoogde doel is van de pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders bij (spoed)uithuisplaatsingen en gezagsbeëindigingen en hoe de «verbeterde rechtsbescherming» daarin concreet wordt gemeten?
Het beoogde doel van de pilot was om te onderzoeken in hoeverre kosteloze rechtsbijstand van een advocaat ouders de benodigde juridische ondersteuning en rechtsbescherming biedt en met welke kosten, uitvoeringslasten en neveneffecten dit gepaard gaat. Uit de evaluatie van Pro Facto blijkt dat rechtsbijstand meerwaarde heeft vóór, tijdens en na de zitting bij de kinderrechter. Voorafgaand aan de zitting zijn ouders dankzij de advocaat beter geïnformeerd en weten zij duidelijker wat hen te wachten staat. Tijdens de zitting zorgt rechtsbijstand ervoor dat de standpunten en belangen van ouders duidelijker worden verwoord. Met de ondersteuning van een advocaat hebben ouders een evenwichtiger positie ten opzichte van de RvdK of GI en ze voelen zich beter gehoord en hun zienswijze bij instanties verwoord. Het draagt daardoor bij aan een meer gelijkwaardige positie op zitting. Na afloop van de zitting heeft rechtsbijstand waarde omdat de advocaat de uitspraak van de kinderrechter kan uitleggen en ouders kan informeren en adviseren over mogelijke vervolgstappen. Hierdoor draagt rechtsbijstand in belangrijke mate bij aan procedurele rechtvaardigheid.2
Kunt u leggen hoe de pilot moet worden uitgevoerd/toegepast?
Bij de start van de pilot is met de rechtspraak, advocatuur, Gecertificeerde Instellingen (GI), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Raad voor Rechtsbijstand een werkproces opgesteld rond gegevensuitwisseling. Dat werkproces bevat twaalf stappen: vanaf dat de RvdK of een GI een verzoekschrift indient tot het opvragen van de stukken door de advocaat die is toegewezen. Als ouders een voorkeursadvocaat hebben, wordt dit opgenomen op het bijzonderhedenformulier van de RvdK of de GI. De griffie van de rechtbank controleert of de voorkeursadvocaat staat opgenomen op de verwijzingslijsten van de Raad voor Rechtsbijstand (en daarmee voldoet aan de specialisatie vereisten) en of de advocaat de ouder wil bijstaan. Als de ouder geen voorkeursadvocaat heeft, wordt «willekeurig» bij toerbeurt een advocaat toegewezen op basis van de actuele verwijzingslijsten met daarop de namen van advocaten met de specialisaties civiel jeugdrecht en/of personen- en familierecht. De advocaat neemt vervolgens contact op met de ouder om te vragen of hij/zij de ouder rechtsbijstand mag geven. Nadat de ouder aan de advocaat heeft aangegeven bijstand te willen, deelt de rechtbank het dossier met de advocaat.
Klopt het dat rechtbanken in het kader van de pilot zelf een advocaat aanwijzen voor ouders «die zo snel mogelijk contact opneemt»? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het recht op vrije advocaatkeuze?
Ja, tenzij sprake is van een voorkeursadvocaat (zie ook de beantwoording van vraag 3). Met deze werkwijze wordt beoogd dat als de ouder al een (voorkeurs)advocaat heeft, deze ook wordt toegewezen. Bovendien staat het de ouder te allen tijde vrij een toegewezen advocaat op voorhand te weigeren, of de opdracht met de advocaat te beëindigen, om zelf een andere advocaat voor te dragen (die wel moet voldoen aan de specialisatie vereisten).
Hoe is geborgd dat de pilot niet leidt tot verdringing van reeds betrokken of door ouders gekozen advocaten? Welke instructies zijn hierover aan de rechtbanken verstrekt? Kunt u deze instructies delen met de Kamer?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Het werkproces rond gegevensuitwisseling is als bijlage bij de beantwoording bijgevoegd.
Herkent u de signalen dat ouders zich overvallen voelen door een aangewezen advocaat en ervaren dat hun voorkeursadvocaat buitenspel komt te staan? Wat is daarop uw reactie?
Dit signaal hebben mr. Krol en mr. Korver met mij gedeeld op 26 november (zie beantwoording vraag 21). Naar aanleiding hiervan gaan we in gesprek met de rechtspraak, Jeugdzorg Nederland (voor de GI’s) en de RvdK om zorg te dragen dat beter geborgd wordt dat de voorkeursadvocaat van ouders wordt doorgegeven aan de griffie van de rechtbanken.
Welke waarborgen bestaan er dat – zodra een ouder een voorkeursadvocaat meldt – de rechtbank die keuze honoreert, ook binnen de pilot?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Kan het zijn dat de uitvoering van de pilot, zoals wordt gemeld, in de verschillende arrondissementen anders of verschillend geïnterpreteerd of uitgevoerd worden? Zo ja, kunt u per arrondissement de werkwijze schetsen en verschillen duiden? Kunt u de Kamer hier een overzichtstabel van toesturen?
Ja, dat kan. Uit de eindevaluatie van de regeling blijkt dat de pilot grotendeels wordt uitgevoerd zoals beoogd, maar dat er in de praktijk ook verschillen bestaan tussen arrondissementen in de wijze waarop de werkwijze wordt toegepast. Voor de rechtspraak is uniformiteit het uitgangspunt, maar lokale verschillen in de administratieve werkprocessen die onder de landelijke kaders liggen zijn niet uit te sluiten.
Er is geen gedetailleerd inzicht beschikbaar in de uitvoering per afzonderlijk arrondissement. Daardoor kan ik uw Kamer geen overzichtstabel per arrondissement toesturen.
Deelt u de mening dat als de arrondissementen de pilot inderdaad verschillend toepassen dat dit impact op heeft op rechtsgelijkheid?
Het uitgangspunt van de pilot is dat iedere ouder die hiervoor in aanmerking komt kosteloos wordt bijgestaan door een advocaat. In die zin is er sprake van gelijke toegang tot rechtsbijstand. Dat arrondissementen de pilot op onderdelen verschillend uitvoeren, betekent niet automatisch dat ouders ongelijk worden behandeld of dat hun rechtspositie verschilt.
Deelt u de mening dat ouders zelf capabel genoeg zijn om een keuze te maken voor een advocaat? En deelt u de mening dat ouders eerst zelf akkoord moeten geven voordat de advocaat definitief gekoppeld wordt?
De werkwijze is dat de griffie een gespecialiseerde advocaat aanwijst, waarmee ouders moeten instemmen, tenzij een voorkeursadvocaat bekend is of alsnog wordt aangedragen. Het in beginsel volledig aan de ouder overlaten om zelf een advocaat te benaderen of te zoeken verdraagt zich niet met het spoedkarakter en de korte termijnen die in procedures van uithuisplaatsing gelden en kan ertoe leiden dat ouders niet tijdig worden bijgestaan door een advocaat.
Hoe wordt in alle communicatie aan ouders zichtbaar en begrijpelijk gemaakt dat zij zelf een advocaat mogen kiezen en hoe zij dat praktisch regelen binnen de pilot? Kunt u de Kamer inzicht geven in hoe dit nu gecommuniceerd aan ouders?
Voor de RvdK en de GI’s zijn visuals ontwikkeld, die aan ouders overhandigd worden en waarmee ouders geïnformeerd worden over de pilot kosteloze rechtsbijstand. In de visual wordt ook toegelicht dat ouders een eigen advocaat kunnen aandragen. Ook in de brief vanuit de rechtspraak, waarin de ouder wordt opgeroepen voor een zitting, wordt uitgelegd hoe de voorkeursadvocaat van de ouder zich kenbaar kan maken bij de rechtbank.
Hoe waarborgt u dat bij spoed (art. 800 Rv) de aanwijzing/toegang tot eigen advocaat niet illusoir wordt? Welke termijnvereisten en praktische voorzieningen (bijvoorbeeld de piketregeling jeugdrecht) gelden hiervoor?
Voor toewijzing van een advocaat bij een spoedmachtiging uithuisplaatsing geldt dezelfde werkwijze als bij een reguliere uithuisplaatsing. De ouder kan indien nodig bij de hem toegewezen advocaat aangeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft.
Deelt u de mening dat het een goed voorstel is om ouders eerst zelf de tijd te geven een voorkeursadvocaat te kiezen en als dat als er bijvoorbeeld 10 dagen voor de zitting nog geen advocaat is, de rechtbank alsnog een advocaat aanwijst?
Dit voorstel is nader verkend in overleg met de Rechtspraak en met vertegenwoordigers van de vFAS en de VNJA. Daarbij is geconcludeerd dat een werkwijze waarbij ouders, nadat zij door de Rechtspraak zijn opgeroepen voor een zitting, eerst zelf een voorkeursadvocaat kunnen doorgeven en de rechtbank pas kort voor de zitting een advocaat aanwijst als zich geen advocaat heeft gemeld, in de praktijk niet haalbaar is. De korte termijnen in deze procedures en het gegeven dat communicatie per post verloopt, maken dat onvoldoende kan worden gewaarborgd dat ouders tijdig van rechtsbijstand zijn voorzien, en voor zover dat wel het geval is, er niet voldoende voorbereidingstijd is tussen advocaat en ouders vanwege de korte termijnen.
Bent u bekend met het feit dat als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen, de aangewezen advocaat vaak al in bezit is van het dossier en vervolgens overnamepunten vraagt voor overname van het dossier? Wat is uw mening hierover en vindt u dit wenselijk? Deelt u de mening dat hierdoor de kosten onnodig verhoogd worden?
Voor dergelijke situaties hanteert de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: RvR) een specifiek beleid.
Ontvangt de RvR een overnameverzoek binnen twee kalenderweken na afgifte van de eerste last/aanwijzing van het gerecht, dan neemt de RvR aan dat de eerst toegewezen advocaat geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht. Dat houdt in dat de Raad de opvolgingstoeslag van 2 punten niet toekent. Blijkt dat de eerste advocaat wel inhoudelijk werkzaamheden heeft verricht, dan beoordeelt de RvR of de toeslag alsnog wordt toegekend.
Als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen dan is het aannemelijk dat de overname van de zaak vaak binnen 2 weken plaatsvindt.
De twee weken termijn is in algemene zin bij alle lasten een check op onnodig uitkeren van een opvolgingstoeslag. Tegen deze achtergrond deel ik niet de mening dat de kosten door het aanwijzen van een advocaat en een eventuele latere overstap onnodig worden verhoogd.
Bent u bekend met het feit dat de rechtbanken de dossiers al versturen aan de toegewezen advocaten nog voordat ouders akkoord gaan met de gekoppelde advocaat? Wat is hiervoor de juridische grondslag volgens u? En hoe verhoudt dit zich tot bijvoorbeeld met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Vindt u het überhaupt wenselijk dat rechtbanken dossiers vol vertrouwelijk informatie delen met een advocaat zonder dat ouders daar toestemming voor hebben verleend? En deelt u de mening dat als een dossier verzonden wordt aan een advocaat zonder toestemming van de ouders er sprake is van een datalek en dat hiervan melding gemaakt moet worden bij de AVG?
In de beantwoording op vraag 3 is het werkproces rondom het delen van dossiers toegelicht. Hieruit volgt dat de rechtbank pas het dossier deelt op het moment dat de ouder toestemming heeft gegeven aan de advocaat. Mij zijn signalen bekend dat in de praktijk in enkele gevallen al stukken worden verstrekt aan de advocaat voordat de ouder toestemming heeft gegeven. Dat is niet wenselijk. Ik zal hierover navraag doen bij de rechtspraak en hierover in gesprek gaan. Indien persoonsgegevens worden verwerkt, dient dit te gebeuren in overeenstemming met de AVG. Of in een concreet geval sprake is van een datalek in de zin van de AVG hangt af van de omstandigheden van het geval en kan niet in algemene zin worden vastgesteld.
Acht u het proportioneel en noodzakelijk om zonder uitdrukkelijke toestemming dossiers aan een niet-gekozen advocaat te verstrekken, gelet op het minimale-gegevens-principe en het vertrouwensbeginsel? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
In de werkprocesbeschrijving is opgenomen dat met de advocaat uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens, te weten contactgegevens, wordt gedeeld. Door uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens te delen wordt invulling gegeven aan het «minimale gegevens principe» en is sprake van een redelijke verhouding tussen het beoogde doel en het ingezette middel.
Mocht het onverhoopt toch gebeuren dat een dossier gedeeld wordt met de advocaat, zonder voorafgaande toestemming van de ouder, is de advocaat gebonden aan geheimhouding volgens de advocatenwet.
Herkent u de signalen dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) voor zitting met betrekking tot een verzoek voor een kinderbeschermingsmaatregel de dossiers of (delen van) informatie deelt met een gecertificeerde instelling (GI)? Past dit binnen de AVG/het wettelijk kader? Kunt u dit duiden met een verwijzing naar de juridische grondslagen?
Op dit moment buig ik me over het dilemma dat zich voordoet bij het delen van informatie tussen RvdK en GI voordat een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken. Het is in het belang van het kind en diens ouders dat een GI in staat wordt gesteld voortvarend uitvoering te kunnen geven aan een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is het belangrijk dat gegevens vroegtijdig worden gedeeld, zodat de GI zich kan voorbereiden en aan de termijnen die wettelijk zijn bepaald kan voldoen. Ook is de bescherming van persoonsgegevens van belang; dat wordt voldaan aan de privacywetgeving en dat informatiedeling plaatsvindt op basis van een juridische grondslag. Ik ben met betrokken partijen en deskundigen in beraad over passende oplossingen en de risico’s en impact daarvan. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang hiervan.
Hoe borgen u en de RvdK dat in verzoeken die met de GI gedeeld worden geen gevoelige persoonsgegevens bevatten (art. 9 AVG) en dat betreft niet alleen over NAW-gegevens en BSN-nummers, maar ook persoonskenmerken die toezien op gedragingen of informatie uit het verleden waarvan niet vaststaat of die relevant is om te delen? Hoe borgt u dat kwaliteitskaders en werkprocessen van RvdK conform de AVG zijn en niet feitelijk (prejudiciële) dossierdeling normaliseren? Wat vindt u van het feit dat de kwaliteitskaders van de RvdK al voorzien in het feit dat zij op voorhand al informatie naar de GI sturen, terwijl de GI nog geen belanghebbende is en dus geen recht heeft op de gegevens maar wel al die kennis heeft? En is het geen risico dat als er geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken er toch persoonlijke en vertrouwelijke informatie die onder de AVG valt al gedeeld is met andere procespartijen? Bent u van mening dat hier dan sprake is van een datalek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u bereid om – indien nodig – het kwaliteitskader van de RvdK te (laten) herzien wanneer bepalingen/werkpraktijken de AVG of het procesrecht doorkruisen? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?
Zie antwoord vraag 17.
Kunt u een landelijke uitvoeringsinstructie publiceren met heldere normen over vrije advocaatkeuze, toestemming voor dossierdeling en communicatie aan ouders – en toezien op naleving door rechtbanken en ketenpartners? Tegen welke datum?
Het werkproces is bij de beantwoording van deze Kamervragen als bijlage gevoegd.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met o.a. jeugdrechtadvocaten Mieke Krol en Richard Korver, die herhaaldelijk publiekelijk op knelpunten hebben gewezen (vrije keuze, dossierdeling, procedurele waarborgen)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Tweede Kamer informeren over de uitkomst van dat gesprek en welke procesaanpassingen u daaruit laat volgen?
Ja, op woensdag 26 november heeft mijn ministerie gesproken met mr. Krol en mr. Korver over de door hen gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de regeling kosteloze rechtsbijstand. Daarbij is onder meer gesproken over de vrije advocaatkeuze, de dossierdeling en verschillen in de uitvoering tussen rechtbanken. Ten aanzien van de vrije advocaatkeuze signaleren zij dat ouders zich niet altijd vrij voelen zelf een advocaat te kiezen wanneer de rechtbank een advocaat aanwijst. Het knelpunt bij dossierdeling is dat het dossier met de toegewezen advocaat wordt gedeeld voordat ouders toestemming hebben gegeven. De signalen uit dit gesprek worden betrokken bij het verbeteren en verduidelijken van de huidige werkwijze.
Indien blijkt dat dossiers onrechtmatig zijn gedeeld, bent u dan bereid ouders te informeren, incidenten te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en – waar passend – herstelmaatregelen (inclusief vernietiging/herstel van procespositie) te treffen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 15 ga ik in gesprek met de rechtspraak om na te gaan in hoeverre in de praktijk wordt afgeweken van de afgesproken werkwijze. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken zal worden beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Bent u bekend met het feit dat ook minderjarige kinderen vaak volledige procesdossiers ontvangen vanuit de rechtbank? Vindt u het wenselijk dat het kind het gehele procesdossier krijgt en zo bijvoorbeeld de gehele strijd tussen ouders kan lezen? En indien u van mening dat kinderen het volledige dossier moeten ontvangen, zou het dan niet wenselijker zijn dit in een meer kindvriendelijke vorm te doen?
Nee, dat is bij mij niet bekend. Volgens artikel 2.2 van het procesreglement civiel jeugdrecht ontvangen belanghebbenden per procedure twee kopieën van het verzoekschrift met bijlagen. Zijn belanghebbenden woonachtig op eenzelfde adres, dan kan worden volstaan met twee kopieën gezamenlijk. Een minderjarige van twaalf jaar of ouder ontvangt een eigen kopie van het verzoekschrift, maar zonder bijlagen. Hieruit volgt dat minderjarigen niet het volledige procesdossier ontvangen.
De situatie van orthodoxe christenen in Ethiopië |
|
Isa Kahraman (NSC) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aanval op 25 juni waarbij extremisten in het dorp Woldiya in de Oost-Arsi Zone op brute wijze 26 orthodoxe christenen om het leven hebben gebracht?
Het kabinet kan deze informatie niet verifiëren. Er is geen aanval bekend op deze specifieke datum, en het kabinet is alleen bekend met een dorp Woldiya in de Amhara regio. Het kabinet heeft wel kennisgenomen van de berichten over aanvallen eind oktober en begin november op orthodoxe christenen in de Arsi zone in de Oromia regio. Het kabinet veroordeelt met klem doelbewuste aanvallen op minderheden, waaronder Ethiopisch orthodoxe christenen.
Bent u bereid om bij de Ethiopische autoriteiten op een onmiddellijk en onafhankelijk onderzoek en vervolging van de daders aan te dringen?
Vrij snel na de aanvallen van eind oktober en begin november werd door diverse nationale actoren in Ethiopië, inclusief door de Ethiopische mensenrechtencommissie en de Ethiopisch Orthodoxe kerk, opgeroepen tot een onafhankelijk en openbaar onderzoek. De Ethiopische regering heeft hierop gereageerd door de Interreligieuze Raad, bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende religieuze denominaties, te verzoeken een onderzoek naar de aanvallen in te stellen.
Bent u bereid om de bescherming van religieuze minderheden in Ethiopië bij bilaterale en internationale contacten op de agenda te zetten?
Nederland volgt de situatie in Ethiopië nauwlettend. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een vaste prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid, en zorgen over de positie van kwetsbare groepen worden consequent geagendeerd waar dat relevant en nodig is. Zo roept het kabinet in gesprekken met vertegenwoordigers van de overheid de Ethiopische regering consequent op om de eigen burgers beter te beschermen tegen geweld. Ook in EU- en VN-verband roept Nederland op tot bescherming van eigen burgers en met name kwetsbare groepen.
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Ja.
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Het past mij niet om rechterlijke uitspraken te duiden. De organisatie van de algemene veiligheid in gerechtsgebouwen en het optreden bij concrete bedreiging is belegd bij de daartoe aangewezen instanties. De veiligheid tijdens en rondom zittingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van rechtbanken, het Openbaar Ministerie, de politie en andere betrokken ketenpartners. De politie is verantwoordelijk voor de openbare orde, maar niet binnen het gerechtsgebouw. Binnen het gerechtsgebouw ligt deze verantwoordelijkheid bij het lokale gerechtsbestuur. De rechter is verantwoordelijk voor de behandeling van zaken en voor orde in de zittingszaal tijdens de zitting.
Het lokale gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen zoals vastgelegd in artikel 23, lid 1, sub c van de Wet op de rechterlijke organisatie. Vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid van de Rechtspraak en de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid binnen het gerechtsgebouw wordt permanent toegezien op het welzijn van de medewerkers en procespartijen. Daarbij kunnen, indien nodig, passende maatregelen worden getroffen om de veiligheid van zowel procespartijen als medewerkers te waarborgen. Wanneer er concrete veiligheidsrisico’s zijn, bijvoorbeeld door signalen voorafgaand aan de zitting of uitspraken, dienen deze risico’s gemeld te worden bij de rechtbank en de politie zodat een gedegen veiligheidsinschatting kan worden gemaakt en indien nodig de noodzakelijke maatregelen kunnen worden getroffen.
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Nee, die mening deel ik niet. Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Ter nadere duiding wil ik hierover opmerken dat in de zittingszaal de rechter – bij een meervoudige zitting de voorzitter – verantwoordelijk is voor de orde in de zittingszaal. Het gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen binnen de rechtbank of het hof. Als in een rechterlijke uitspraak gebruik wordt gemaakt van de term «de rechtbank» of «het hof» wordt hiermee verwezen naar de rechtspraak zelf en diens verantwoordelijkheid voor de orde in de zittingszaal; niet naar het gerechtsbestuur.
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
De Rechtspraak registreert alle ontvangen meldingen van bedreigingen richting rechters, griffiers of andere procesdeelnemers. Echter, niet alle incidenten en bedreigingen worden gemeld. De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat er soms sprake is van een lagere meldbereidheid. Hierdoor beschikt de rechtspraak niet over betrouwbare, landelijke, vergelijkbare cijfers die ik met uw Kamer kan delen. Ook sommige procesdeelnemers registreren bedreigingen tijdens of naar aanleiding van een zitting binnen de eigen organisatie. Zo registreert de Raad voor de Kinderbescherming alle intern gemelde agressie richting medewerkers, waaronder meldingen door zittingsvertegenwoordigers over bedreiging, intimidatie en belediging; het merendeel van deze incidenten is bij de politie gemeld onder vermelding van de projectcode Veilige Publieke Taak (VPT).
Binnen JenV wordt in het programma Voorbereid op agressie en geweld gewerkt aan een meldapplicatie voor uitvoeringsorganisaties onder JenV- en AenM-verantwoordelijkheid, die in de toekomst kan bijdragen aan het bijhouden van geaggregeerde cijfers. Op dit moment zijn er geen landelijke, vergelijkbare cijfers beschikbaar om met uw Kamer te delen. Zoals aangegeven zijn de lokale gerechtsbesturen verantwoordelijk voor de veiligheid in de gerechtsgebouwen.
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Gemelde incidenten van bedreiging en andere vormen van agressie worden geregistreerd door betrokken organisaties; binnen de rechtspraak gebeurt dit geanonimiseerd in lijn met de AVG, waardoor namen niet uit het systeem zijn te herleiden. Ook is er geen sprake van een persoonsgerichte registratie naar herkomst, achtergronden of recidive van specifieke procesdeelnemers (zoals bepaalde ouders). De beschikbare registraties zijn casuïstisch en primair bedoeld voor veiligheidsbeheer op zaak- of locatieniveau, niet voor structurele statistische analyse naar patronen en motieven. De veiligheidsregisseur van de Raad voor de Kinderbescherming volgt landelijk trends in aard en oorzaak van agressie en geeft preventieadvies, maar beschikt vooralsnog niet over statistisch onderbouwde patronen of recidive van specifieke oudergroepen.
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Of een dreiging als strafrechtelijke kwestie of als veiligheidskwestie wordt aangemerkt, hangt in de praktijk af van aard en ernst van het incident; vaak lopen beide sporen naast elkaar. Bij een strafbaar feit (zoals intimidatie of bedreiging) tijdens of naar aanleiding van een zitting, maar ook daarbuiten, doet het slachtoffer aangifte bij de politie en beoordeelt het Openbaar Ministerie een eventuele vervolging. Tegelijkertijd treden ook veiligheidsmaatregelen in werking. Zo is in iedere rechtszaal een noodknop waarmee de rechter bij acuut risico de parketpolitie kan alarmeren. Gerechten, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), gecertificeerde instellingen (GI’s) en andere ketenpartners volgen eigen interne procedures om risico’s te signaleren en te beperken. In het kader van een meer uniforme ketenaanpak verkent het programma Voorbereid op agressie en geweld best practices en behoeften rond risico-inventarisatie, inclusief een vooraf uit te voeren veiligheidsscan voor JenV-medewerkers (niet voor alle procespartijen). Zowel de gerechten als iedere procespartij hebben een agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld dat voor alle werkprocessen geldt ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Zie ook vraag 9.
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Er bestaat niet één protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie. Diverse procespartijen hebben een eigen agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld.
Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Binnen ieder gerecht is wekelijks veiligheidsoverleg waarbij de zittingen worden besproken die op basis van aanwijzingen worden ingeschat als zittingen met een verhoogd risico. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Checklist Risicovolle zittingen in het eigen gerechtsgebouw. Verder is in dit kader relevant de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, die ziet op gewelds- en agressie incidenten die binnen een gerechtsgebouw kunnen plaatsvinden. Deze werkwijze is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen protocol dat specifiek is toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen.
Het protocol van de RvdK geldt in iedere situatie waar onveiligheid is.
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Zie voor antwoord vraag 4 en 16.
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Het komt voor dat rechters bedreigd worden. Van het totaal aantal bedreigingen worden geen cijfers bijgehouden. Wel zijn cijfers bekend van het aantal (veelal straf-)rechters dat persoonlijke beveiligd wordt. Rechters die worden bedreigd in zitting of daarbuiten kunnen dit melden bij hun teamvoorzitter, gerechtsbestuur of de beveiligingsmedewerker. Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM.
Over de wijze van beveiligen van rechters doe ik geen uitspraken.
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM. Dit hangt in de praktijk af van de aard en ernst van het incident. Afhankelijk daarvan verloopt eventuele samenwerking met de politie en het OM via de gebruikelijke kanalen.
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
De bij vraag 8 en 9 beschreven werkwijze binnen rechtbanken is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen werkwijze specifiek toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen. Door het maken van afspraken en overleg binnen de keten kan de samenwerking tussen de instanties in de keten worden bevorderd. Door te werken volgens de vraag 8 en 9 beschreven werkwijze, beoogt de rechtspraak steeds de veiligheid voor alle rechtsgebieden te bevorderen.
Op dit moment worden door het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV diverse modellen voor de veiligheid en de beveiliging van procespartijen bekeken. Dit betreft complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik wil het programmateam daarbij niet voor de voeten lopen. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
De taakafbakening ten aanzien van de veiligheid van procesdeelnemers tijdens en rondom een rechtszitting is wettelijk verankerd en elke instantie heeft een eigen verantwoordelijkheid. In de praktijk is het wenselijk dat veiligheidsrisico’s in ketenverband worden besproken en ingeschat, waarbij maatregelen op maat genomen kunnen worden. Ik heb geen aanwijzingen dat de huidige wettelijke taakafbakening leidt tot rechtsongelijkheid of veiligheidsrisico’s voor de procespartijen. Ik zie dan ook geen aanleiding een onderzoek zoals voorgesteld in te stellen.
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Het is niet aan mij als bewindspersoon om te oordelen over een individuele casus. Ik sta voor een eerlijk proces. De mogelijkheid van iedere procesdeelnemer om zich hierin vrijelijk te kunnen uiten acht ik voor het recht op een eerlijk proces van essentieel belang.
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
De zorgplicht van de overheid om de veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, zoals kinderbeschermingszaken, wordt in de praktijk ingevuld via een gedeelde verantwoordelijkheid en een gelaagde aanpak. Zoals al eerder aangegeven draagt binnen het gerechtsgebouw het lokale gerechtsbestuur de primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen, conform artikel 23, lid 1, sub c, van de Wet RO. Die verantwoordelijkheid krijgt concreet vorm in wekelijks veiligheidsoverleg binnen ieder gerecht, waarin zittingen met een verhoogd risicoprofiel worden doorgenomen aan de hand van de Checklist Risicovolle zittingen, en in de toepassing van de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, wanneer zich een incident voordoet. Bij acuut gevaar kan de rechter bovendien via de noodknop direct de parketpolitie alarmeren, zodat onmiddellijk wordt opgetreden.
Buiten het gerechtsgebouw ligt de zorgplicht bij de werkgevers van de betrokken professionals, zoals de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de gecertificeerde instellingen (GI’s).
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
De Raad voor de rechtspraak heeft mij laten weten dat binnen ieder gerechtsgebouw permanent wordt toegezien op de veiligheid en het welzijn van medewerkers en procespartijen. Daartoe is bij ieder gerecht een veiligheidsorganisatie ingericht. Het bij vraag 9 genoemde wekelijks veiligheidsoverleg in ieder gerecht is slechts een exponent van een breed raamwerk aan beheersmaatregelen voor tal van veiligheidsrisico’s. Als er op voorhand geen aanwijzingen zijn dat een zitting een verhoogd risico kent geldt het standaard veiligheidsregime. Bij calamiteiten (na alarmering/signalering) wordt zo snel als mogelijk adequaat opgetreden door bodes, beveiliging en parketpolitie en/of andere hulpdiensten. De Rvdr ziet geen aanleiding voor een landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen. De Rvdr geeft aan open te staan voor een nog nauwere samenwerken met betrokken partijen in het kader van veiligheid en informatie-uitwisseling. Gelet op de onafhankelijke positie van de Rechtspraak is het niet aan mij om de Rechtspraak aan te sturen. Gelet op de getoonde bereidheid van de betrokken partijen om de samenwerking te intensiveren, wacht ik graag de uitkomsten van deze initiatieven af. Het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV kan een faciliterende rol spelen bij het nog verder intensiveren van de samenwerking in de keten.
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zie het antwoord op vraag 17.
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?
Beveiligingsbeleid wordt door de gerechtsbesturen bijgesteld als daartoe aanleiding is. De veiligheid van rechters en andere professionals binnen de gerechtsgebouwen is, zoals eerder toegelicht, aan de gerechten zelf. Het Programma voorbereid op agressie en geweld verkent in het belang van een effectieve ketenaanpak op dit moment de best practices evenals de openstaande behoeftes van de organisaties. Het Programma kan de ketenpartners faciliteren bij het formuleren van oplossingen. Het waarborgen van de veiligheid is complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
De resultaten van PostNL |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de resultaten van PostNL over het derde kwartaal van 2025, die op 3 november jl. zijn gepubliceerd?
Ja.
PostNL gebruikt zijn infrastructuur en werknemers om zowel post als pakketten rond te brengen en van het onderdeel post zowel universele postdienst (UPD)-post als niet-UPD post; kunt u aangeven welk deel van de infrastructuur hiervoor wordt gebruikt en welk deel van de arbeidskosten gemaakt wordt voor het bezorgen van pakketten, voor UPD post en voor niet-UPD post? Kunt u dit onderbouwen? Als u dit niet kunt aangeven, waarom niet?
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL een kostentoerekeningssysteem (KTS) die in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Binnen deze kaders houdt ACM toezicht en kan PostNL bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend. De Postregeling 2009 stelt nadere voorwaarden voor het KTS en daarmee de voorwaarden voor het toerekenen van kosten aan de UPD. Onder de door het ACM goedgekeurde KTS vallen in beginsel alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
Het verdergaand uitsplitsen van infrastructuur- en arbeidskosten naar afzonderlijke activiteiten zoals UPD-post, niet-UPD-post en pakketten is geen onderdeel van het KTS en raakt direct aan concurrentiegevoelige informatie over de interne procesinrichting, capaciteitsbenutting en kostprijsopbouw van het hele bedrijf van PostNL. Naast het feit dat ACM en ik geen toegang hebben tot deze verdergaande uitsplitsing, zal openbaarmaking van dergelijke gedetailleerde gegevens de marktpositie van PostNL in de concurrerende pakkettenmarkt aantasten. Dit is ook strijdig met het uitgangspunt dat bedrijfsgevoelige informatie alleen wordt gedeeld wanneer hiervoor een expliciete wettelijke grondslag bestaat.
In het externe jaarverslag van PostNL over 2024, op pagina 189, is aanvullende informatie te vinden over de financiële resultaten per segment. PostNL maakt hierin een indeling naar «Parcels» (Pakketten), «Mail in NL» (Post in Nederland) en «PostNL Other» (PostNL Overig), waarbij zowel opbrengsten als kosten per segment zijn uitgesplitst. Een verdere onderverdeling binnen het segment «Mail in NL» tussen UPD-post en niet-UPD-post wordt in dit verslag echter niet gemaakt.
Bij de jaarrekening wordt aangeven dat er binnen het bedrijf kosten voor verschillende divisies in rekening worden gebracht; welke kosten zijn dit? Wat is de onderbouwing voor deze kosten en vooral van de verdeling van deze kosten over de verschillende post- en pakketstromen? Hoe zijn deze kosten verdeeld in het derde kwartaal?
PostNL brengt binnen het bedrijf kosten in rekening tussen de verschillende divisies, zoals «Pakketten» en «Post in Nederland». Dit gebeurt omdat beide divisies gebruikmaken van hetzelfde netwerk en centrale diensten, zoals IT, HR en Financiën.
Zoals beschreven in de financiële stukken van PostNL gaat de kostenverdeling op basis van het daadwerkelijke gebruik van faciliteiten en diensten. Bijvoorbeeld logistieke kosten worden verdeeld naar volume of gewicht van post en pakketten, en centrale overhead wordt toegerekend op basis van omzet of aantal medewerkers. Hierdoor wordt een zo eerlijk mogelijk beeld van de kosten en winstgevendheid van iedere divisie verkregen.
In het derde kwartaal van 2025 was volgens PostNL het totaal van deze interne verrekeningen € 171 miljoen. Het segment «PostNL Overig», waar de centrale kosten worden verzameld, liet in deze periode een kleine negatieve EBIT zien van € 2 miljoen. Dit laat zien dat de meeste centrale kosten zijn verdeeld over de operationele divisies.
Uit de analistenpresentatie van het derde kwartaal is niet af te leiden hoe PostNL deze interne kosten exact heeft verdeeld over de verschillende post- en pakketstromen.
Zou het kunnen zijn dat het verlies bij de UPD-post groter wordt voorgesteld dan deze in werkelijkheid is?
Er zijn geen aanwijzingen dat het verlies op de UPD-post door PostNL groter wordt voorgesteld dan het daadwerkelijk is. De jaarlijkse financiële verantwoording van PostNL over de UPD wordt door een onafhankelijke accountant gecontroleerd, en de ACM ziet toe op de toepassing van de wettelijke kaders. Dit zijn belangrijke waarborgen voor de kostentoerekening.
Het KTS is in 2015 goedgekeurd en wordt sindsdien alleen opnieuw beoordeeld wanneer PostNL deze systematiek wijzigt of wanneer er signalen zijn dat deze niet meer in lijn zou zijn met de wettelijke eisen. Sinds 2015 is volgens PostNL de systematiek niet meer gewijzigd en is er dus ook geen aanleiding geweest voor PostNL om een verzoek in te dienen bij de ACM voor een nieuwe beoordeling van het KTS.
Herkent u het belangrijke signaal dat ik ook tijdens mijn werkbezoek bij postbezorger Ahmed weer hoorde, dat de arbeidsvoorwaarden (loon, mogelijkheid tot toiletbezoek, koffie, catering, vaste contracten, etc.) bij PostNL de afgelopen jaren dramatisch slechter zijn geworden en dat er volgens Ahmed sprake is van een «race to the bottom»? Wat vindt u hiervan? Kunt u toezeggen om nog dit jaar het gesprek aan te gaan met Ahmed en/of zijn collega’s en met de onafhankelijke vakbonden over de vraag hoe in de veranderende postmarkt goede banen gecreëerd kunnen worden?
Ik neem kennis van dit signaal over de arbeidsomstandigheden bij PostNL die tijdens uw werkbezoek aan de door u genoemde postbezorger naar voren zijn gebracht. Ik ga ervan uit dat dit signaal ook aan de vakbonden zal worden afgegeven. De ontwikkelingen in de postmarkt zetten de bedrijfsvoering van zowel PostNL als regionale postbedrijven onder druk, wat gevolgen kan hebben voor de arbeidsvoorwaarden.
Het blijft van belang onderscheid te maken tussen signalen over arbeidsomstandigheden en de inspanningen van werkgevers binnen de realiteit waarin zij opereren. PostNL geeft aan dat het bedrijf zich binnen de financiële kaders van een krimpende postmarkt en in overleg met de vakbonden inspanningen levert om goede en duurzame arbeidsvoorwaarden te bieden. Over loon, arbeidsvoorwaarden en werkdruk worden afspraken gemaakt tussen werkgevers- en werknemersorganisaties in cao-verband. Daarnaast houdt de Inspectie SZW toezicht op de naleving van wet- en regelgeving, waaronder met betrekking tot arbeidsomstandigheden.
Ik hecht waarde aan een zorgvuldige dialoog met werknemers en hun vertegenwoordigers. Mijn ministerie voert daarom gesprekken met werknemersvertegenwoordigers, waaronder de vakbonden, die hierbij ook de door Ahmed en zijn collega’s geschetste zorgen kunnen betrekken.
Nexperia |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een recente stand van zaken over de ontwikkelingen en de gevolgen van uw ingrijpen bij Nexperia naar de Kamer sturen? Verwacht u nog meer maatregelen vanuit China tegen Nederland, de Europese Unie of andere lidstaten?
Voor de meest recente ontwikkelingen verwijs ik u graag naar de Kamerbrief die op 19 november jl.1 met uw Kamer is gedeeld. Nadere info is ook met uw Kamer gedeeld tijdens de vertrouwelijke technische briefing op 27 november jl.
Met de Chinese autoriteiten worden gesprekken gevoerd op verschillende niveaus om te komen tot een duurzame oplossing. Het is in het belang van zowel China als Nederland, Europa, VS en economieën wereldwijd om hier gezamenlijk uit te komen.
Had u verschillende mogelijkheden om in te grijpen bij Nexperia? Zo ja, welke mogelijkheden lagen voor? Welke analyses van de voor- en nadelen van deze mogelijkheden zijn er? Kunt u die met de Kamer delen?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende maatregelen onderzocht en tegen elkaar afwogen op geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden verhinderen of corrigeren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Terecht waakt u over productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven en voor het behoud van cruciale spelers in de waardeketen voor Europa; heeft u een overzicht van productiecapaciteiten, kennisposities en bedrijven waarvan de continuïteit belangrijk is in Nederland en Europa? Zo ja, bent u bereid dit overzicht te delen met de Kamer? Zo nee, bent u ook van mening dat het noodzakelijk is om snel een dergelijk overzicht te maken? Zo ja, wanneer gaat u een dergelijk overzicht delen met de Kamer?
De wereld is de afgelopen jaren flink veranderd, en het geopolitieke klimaat is verhard. Economie en (geo)politiek worden steeds meer met elkaar verweven, en geo-economie als concept is in opkomst. Het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, zijn al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom «open strategische autonomie», ook wel een weerbare economie genoemd. Enkele voorbeelden van brieven waarin de kabinetsinzet op dit punt genoemd staat zijn de Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie2, Kamerbrief Open Strategische Autonomie3 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.4 In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van al deze brieven en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van de Kamerbrieven en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren.
In de Kamerbrief Industriebeleid met focus5 van 17 oktober jongstleden zet ik, via het nieuwe industriebeleid, in dat licht dan ook in op verdere versterking van de Nederlandse positie in zes sectoren waarin Nederland zich internationaal kan onderscheiden in de wereldeconomie, om daarin een strategische positie te verwerven ten behoeve van het creëren van (wederzijdse) afhankelijkheden, te weten: halfgeleiders, aan de DSII6 gerelateerde groeimarkten (in het bijzonder 6G, radar, lasersattelietcommunicatie, quantum), biotechnologie, digitale diensten (met name AI), machinebouw en innovatieve chemie. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke markten en technologieën het kabinet in het bijzonder inzet.
Naar aanleiding van dit overzicht, wat is de trend hoe het gaat met het behoud van deze cruciale spelers voor Nederland en Europa? Hoe beoordeelt u deze trend? Wat is het doel met betrekking tot deze cruciale spelers? Moeten zij allemaal behouden worden voor Nederland en Europa? Waarom wel of niet? Als er geen doel geformuleerd is, bent u bereid dit te doen zodat de Kamer inzicht kan krijgen in het behoud van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven en voor behoud van cruciale spelers in Nederland en in Europa? Als u niet bereid bent een doel te formuleren, hoe kan de Kamer dan toezicht houden op de voortgang, of achteruitgang, over onze economische veiligheid en strategische autonomie? Belangrijker, hoe kan de regering dan weten hoe het gesteld staat met de Nederlandse economische veiligheid en strategische autonomie?
Het beleid t.a.v. Open Strategische Autonomie en het creëren van een weerbare economie, inclusief strategisch relevante bedrijven, is een speerpunt van het kabinet. De inzet hierop is in meerdere Kamerbrieven vermeld, zoals ook in het antwoord op vraag 3 is aangegeven. Belangrijke onderdelen van dit beleid zijn, naast het protect beleid en het creëren van de juiste randvoorwaarden, het in specifieke gevallen treffen van actieve en gerichte stimulerende maatregelen om (technologische) leiderschapsposities en essentiële capaciteiten in strategische waardeketens te verkrijgen en te behouden. De wijze waarop dit vorm kan krijgen staat uitgewerkt in onder meer de Kamerbrief Industriebeleid met focus van 17 oktober jongstleden7. Het in het industriebeleid geformuleerde doel is tweeledig;
Dit houdt onder andere in dat we risicovolle strategische afhankelijkheden van andere landen verminderen. Het voorkomen of verminderen van álle risicovolle strategische afhankelijkheden is echter zowel onmogelijk als onwenselijk. Het is daarom van belang dat we in de wereldmarkt economisch gewicht in de schaal leggen. Dat betekent dat we essentiële capaciteiten in markten en technologieën moeten behouden en opbouwen waardoor wederzijdse afhankelijkheden ontstaan. Het kabinet heeft hiermee gekozen voor het selecteren van markten en technologieën. Zoals toegezegd in mijn Kamerbrief van 1 juli 2025 over economische veiligheid4, zal het kabinet uw Kamer jaarlijks informeren over de voortgang op het gebied van economische veiligheid. Ook het rapport van Draghi biedt handvatten voor inzet van Nederland.
Het besluit de inhoudingsregeling voor huisvesting op het minimumloon van arbeidsmigranten in stand te houden. |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA), Ilse Saris (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen wat de aanleiding was om binnen twee weken na uw benoeming als Minister van SZW, de inhoudingsmogelijkheid van huur op het wettelijk minimumloon in stand te willen houden, zoals blijkt uit de ambtelijke nota d.d. 18 september 2025?
Als gevolg van het besluit van mijn voorganger heeft het Ministerie van SZW regelgeving (in een algemene maatregel van bestuur – AmvB) voorbereid om de inhoudingsmogelijkheid trapsgewijs af te bouwen. Aan mij is deze AMvB voorgelegd ter agendering voor een onderraad om te versturen voor advies aan de Raad van State. Op dat moment heb ik het besluit gewogen en daarin een andere keuze gemaakt.
Welke formele en informele gespreken heeft u, met wie en wanneer gevoerd over dit onderwerp in de periode tot 18 september 2025. En welke argumenten heeft u gehoord in die gesprekken die maken dat u de maatregel wilde terugdraaien?
Zoals ook aangegeven tijdens de behandeling van de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten in de Eerste Kamer heb ik eigenstandig op basis van de informatie die er lag een besluit genomen. De basis voor deze afweging is de uitgevoerde ambtelijke verkenning naar de inhoudingsmogelijkheid. Mijn voorganger heeft die verkenning op 6 februari 2025 met uw Kamer gedeeld.1 In deze verkenning zijn de voor- en nadelen van de inhoudingsmogelijkheid op een rij gezet. Er is destijds gesproken met de Arbeidsinspectie, vakbonden FNV, CNV en VCP, werkgeversorganisaties VNO-NCW/MKB-NL, AWVN, LTO, ABU en NBBU, werkgevers in de uitzend-, land- en tuinbouwsector.
Op 28 augustus heeft mijn ministerie een kopie ontvangen van een brief die door VNO-NCW/MKB-Nederland is verzonden aan leden van de Tweede Kamer (ten behoeve van het Commissiedebat arbeidsmigratie). Daarin wordt door partijen gepleit voor het in stand houden van deze regeling. Dat standpunt was eerder door VNO-NCW/MKB-Nederland bekend gemaakt ten tijde van de verkenning. De brief gaf daarmee een bekend standpunt weer. Op 1 oktober is door mijn ambtenaren het besluit medegedeeld aan de sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Ik heb daarnaast met geen organisatie of individu gesproken over het genomen besluit.
Wat is de reden dat u bij de kennismakingsgesprekken met de verschillende partners in het maatschappelijk middenveld niet heeft besproken dat u voornemens was de inhoudingsmogelijkheid in stand te houden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke formele en informele gespreken heeft u, met wie en wanneer gevoerd over dit onderwerp in de periode na 18 september 2025 tot het versturen van de brief aan de kamer op 30 oktober 2025?
De insteek van deze gesprekken was kennismaken. Hierbij is een breed pakket aan onderwerpen van SZW op hoofdlijnen de revue gepasseerd. Wel is door mijn ambtenaren, onder embargo, het besluit gedeeld met sociale partners in de Stichting van de Arbeid.
Welke organisaties of individuen hebben er bij u formeel of informeel op aangedrongen om deze maatregel terug te draaien?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat 1 op de 6 Nederlanders stressvol werk heeft, vooral in de zorg en het onderwijs |
|
Jimmy Dijk |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat 1 op de 6 Nederlanders stressvol werk heeft, vooral in de zorg en het onderwijs?1
Ik vind het zorgelijk dat 1 op de 6 Nederlanders aangeeft een stressvolle baan te hebben. In Nederland moet iedereen gezond en veilig kunnen werken. Daar hoort bij dat werk niet structureel te veel stress mag opleveren. Ik vind het daarom belangrijk dat ongezonde werkdruk wordt teruggedrongen.
De ervaren werkdruk en werkstress verschillen sterk per individu en context. De aard van het werken in de zorg en het onderwijs brengt met zich mee dat het werk stressvol kan zijn. Belangrijk is dat er ook energiebronnen zijn waar medewerkers energie uit halen. Ondanks de ervaren werkdruk is 87% van de medewerkers in zorg en welzijn van mening inhoudelijk leuk werk te hebben en 85% geeft aan het werk als zinvol te ervaren2. Ook in het onderwijs zien we dat ondanks de ervaren werkdruk maar liefst 95% van de leraren met plezier op school werkt3. Werkdruk en werkplezier moeten dus met elkaar in balans zijn, ongeacht de sector waar een werknemer zich in bevindt. Als de werkdruk te hoog wordt is het belangrijk om ook in te zetten op de energiebronnen zodat deze in balans blijven.
Wat is uw verklaring voor het feit dat de beroepen waarbij werknemers veel stress ervaren met name in de publieke sector te vinden zijn? Deelt u de analyse dat dit te maken heeft met de onderwaardering van de publieke sector door de kabinetten van de afgelopen decennia? Zo ja, wat gaat u doen om deze onderwaardering te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek door TNO en CBS blijkt dat vooral een combinatie van hoge kwantitatieve taakeisen en lage autonomie bepalend is voor het stressvolle karakter van werk. Met autonomie wordt bedoeld het zelf kunnen bepalen hoe, waar en wanneer het werk wordt uitgevoerd. In sectoren als het onderwijs en de zorg is er ten opzichte van andere sectoren naar zijn aard vaker sprake van lage autonomie. Onder andere omdat er vaak in vaste roosters gewerkt wordt waar beperkte inspraak op mogelijk is en de werkzaamheden moeten worden verricht op de zorg- of onderwijslocatie. Bij een deel van de zorgactiviteiten is verder sprake van (door de beroepsgroep of organisatie) vastgestelde protocollen of richtlijnen. Dit maakt dat functies in sectoren als het onderwijs en de zorg vaker hoog zullen scoren op stressvol werk dan in andere sectoren. Ik deel de analyse dan ook niet dat dit te maken heeft met eventuele onderwaardering van de publieke sector.
Deelt u de zorg dat de personeelstekorten in deze cruciale sectoren groter dreigen te worden als gevolg van de stress die werknemers ervaren? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Werkdruk en stress zijn factoren die bij kunnen dragen aan verzuim en verloop. Uit het Uitstroomonderzoek van Regioplus4 volgt echter dat dit niet de meest genoemde redenen van verloop in de sector zorg en welzijn zijn. Hoewel 40% van de medewerkers in zorg en welzijn de werkdruk in het algemeen als te hoog ervaart, lijkt dit percentage de afgelopen jaren eerder iets af te nemen dan toe te nemen. Ook in het funderend onderwijs is onderzoek gedaan naar werkdruk. Op hoofdlijnen toont dit een positief beeld: Nederlandse leraren en schoolleiders zijn overwegend positief over hun beroep, werkomgeving en salaris. Maar liefst 95% van de leraren geeft aan met plezier in het onderwijs te werken. Werktevredenheid is en blijft de belangrijkste reden voor leraren om in het onderwijs te blijven5. Daarom overwegen in vergelijking met andere landen relatief weinig Nederlandse leraren om het onderwijs te verlaten.
Niettemin delen de Minister van VWS en de Staatssecretaris van OCW uw zorgen over de werkdruk in respectievelijk de zorg en het onderwijs. Daarom ondersteunt de Minister van VWS werkgevers bij hun beleid om medewerkers in zorg en welzijn gezond aan het werk te houden. Dit doet hij door ondersteuning van het «Preventieplan arbeidsmarkt zorg en welzijn». Dit is een initiatief van partijen uit de sector zelf om verzuim en ongewenst verloop terug te dringen. Het preventieplan biedt een handelingsperspectief voor de sector en individuele zorg- en welzijnsinstellingen om dit structureel aan te pakken. Belangrijke aspecten zijn goed leiderschap op alle niveaus in de organisatie en het betrekken van de medewerkers bij besluiten. Daarnaast heeft het aanpakken van het personeelstekort in de zorg grote prioriteit voor de Minister van VWS. Met afspraken in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord en Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg wordt stevig ingezet op vermindering van de zorgvraag. Met beleid rondom het terugdringen van de administratietijd en de inzet van technologie wordt de vraag naar arbeid beïnvloed en met het vergroten van vakmanschap en werkplezier wordt ingezet op behoud. Daarnaast zet het AZWA een beweging in van zorg naar gezondheid door te investeren in het sociaal domein. Dat alles zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk.
Om de werkdruk in het onderwijs te verlagen investeert OCW sinds 2019 in het primair onderwijs (po) en sinds 2022 in het voortgezet onderwijs (vo) in werkdrukverlichting. Zoals in de ontwerpbegroting 2026 vermeld gaat het voor het po in 2026 € 545 miljoen en voor het vo in 2026 om € 354 miljoen. In het po gaan schoolteams jaarlijks met elkaar in gesprek over de besteding van de middelen om de werkdruk te verlagen. In het vo wordt € 150 miljoen ook zo besteed. De resterende € 150 miljoen wordt besteed aan een individueel component waarbij de werknemer zelf maatregelen uit mag kiezen. De daadwerkelijke werkdrukvermindering vindt op scholen plaats, in gesprekken met het personeel en door afspraken tussen werkgever en werknemer. Bij een effectieve werkdrukaanpak heeft iedereen een rol: ministerie, inspectie, besturen, scholen en schoolleiders.
Wat gaat u doen om de werkstress voor de beroepen waarbij deze het hoogst is af te laten nemen?
Werkgevers zijn verplicht hun werknemers te beschermen tegen werkstress. Daartoe moet de werkgever in de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) arbeidsrisico’s, waaronder werkdruk, in kaart brengen en daarvoor passende maatregelen treffen.
Met mijn beleid ondersteun ik werkgevers en werknemers bij het aanpakken van ongezonde werkstress. Dit doe ik door het bieden van praktische hulpmiddelen aan werknemers én door werkgevers te ondersteunen bij het nemen van preventieve maatregelen, zoals door een aanpak van werkstress en burn-outklachten in het mkb. In de voortgangsbrief over de Brede Maatschappelijke Samenwerking van 24 april 2025 licht ik mijn inzet uitgebreid toe.6
Het is aan werkgevers om te zorgen voor een gezond en veilig werkklimaat met zo min mogelijk werkstress. De Minister van VWS ondersteunt werkgevers in zorg en welzijn onder andere met het «Preventieplan arbeidsmarkt zorg en welzijn». De Staatssecretaris van OCW doet dit door middel van de werkdrukmiddelen voor het onderwijs. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1 en 3.
Vindt u het ook opvallend dat de werknemers die de meeste stress ervaren niet degenen met de hoogste inkomens zijn, maar juist vaak degenen met een lager of middeninkomen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Op mijn verzoek heeft TNO een verdiepende analyse7 gemaakt om te kijken of er een verband is tussen stressvol werk en het inkomen van werknemers.
Hieruit is op te maken dat het aandeel werknemers met stressvol werk hoger is in de laag- en middeninkomensgroep dan de hoge inkomensgroep. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 aangeef, komt dit door andere factoren in het werk zoals lage autonomie. Uit deze analyse blijkt ook dat het aandeel werknemers met stressvol werk in de zorg evenredig is verdeeld over de inkomensgroepen. In het onderwijs hebben werknemers met een relatief lager inkomen, zoals onderwijsondersteunend personeel, ten opzichte van het midden- en hoge inkomen, zoals het onderwijzend personeel, minder werkstress.
Het is aan werkgevers om hun werknemers te beschermen tegen ongezonde werkstress en om maatregelen te nemen.
Bent u het ermee eens dat deze werknemers naast minder stress ook een betere beloning voor hun zware werk verdienen? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten?
Arbeidsvoorwaarden, waaronder beloningen, ziet het kabinet primair als een zaak van werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers. Het Ministerie van OCW en het Ministerie van VWS zijn geen werkgever voor respectievelijk onderwijs en zorg en welzijn en daarom geen partij aan de cao-tafel. Zij mogen zich er op grond van internationale verdragen ook niet mee bemoeien. Wel stellen de Ministers van VWS en OCW jaarlijks de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova) beschikbaar om concurrerende loongroei mogelijk te maken. Daarnaast is er sinds 2021 stapsgewijs structureel € 919 miljoen vrijgemaakt voor het verbeteren van de salarissen in het primair onderwijs. Op deze manier is de vergoeding van onderwijspersoneel in het primair onderwijs in lijn gebracht met die van het voortgezet onderwijs.
Verder bepaalt het kabinet een ondergrens aan beloningen in de vorm van het wettelijk minimumloon. Dit minimumloon is in 2023 en 2024 verhoogd en stijgt via indexatie mee met de ontwikkeling van cao-lonen.
Het artikel 'Doek valt voor Winst Uit je Woning, dat gemeenten helpt met isolatie van woningen' |
|
Merlien Welzijn (NSC), Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel?1
Ja.
Wat is uw reactie op het faillissement van Winst Uit Je Woning, een partner die door meerdere gemeenten werd ingezet voor de uitvoering van het Nationaal Isolatieprogramma (NIP)?
Ik volg de situatie rond Winst Uit Je Woning aandachtig. Daarbij is voor mij het meest belangrijk dat mogelijke vertraging in de uitvoering van de verduurzaming beperkt blijft. Het is positief dat er een doorstart is voor Winst Uit je Woning.2 De komende tijd zal duidelijk worden hoe er vervolg wordt gegeven aan de lopende opdrachten. Winst Uit je Woning geeft aan stap-voor-stap werkzaamheden te hervatten. Het tempo waarmee de uitvoering voortgezet kan worden zal mede hiervan afhankelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om te garanderen dat gemeenten en woningeigenaren alsnog geen vertraging oplopen bij de aanpak van slecht geïsoleerde woningen?
Dit is voornamelijk een zaak tussen de betreffende gemeenten als opdrachtgever en Winst uit je Woning. Echter, in het algemeen is er behoefte aan versnelling van de gemeentelijke isolatieaanpakken. Om versnelling in de uitvoering te realiseren heb ik recent 9 miljoen euro beschikbaar gesteld voor regionale ondersteuning aan gemeenten via de regeling specifieke uitkering isolatieopgave nationaal programma lokale warmtetransitie (SpUk isolatieopgave NPLW). Daarmee kan op regionale schaal capaciteit, expertise en ondersteuning worden geboden om de uitvoering van de lokale isolatieaanpakken te versnellen.
Kunt u aangeven in hoeverre het programma voorzien was op verschillen in gemeentelijke eisen en regelingen en welke kostenverhogingen daaruit voortvloeiden (zoals door het genoemde maatwerk bij Winst Uit Je Woning)?
De lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma heeft als doel om 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben samen met gemeenten te isoleren. Er is veel vrijheid aan gemeenten gelaten hun isolatieaanpak vorm te geven om de juiste ondersteuning te bieden die past bij de verscheidenheid aan behoeften van deze bewoners. Gemeenten kunnen daardoor de aanpakken ook laten aansluiten bij bestaande lokale initiatieven, de transitievisies warmte en specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld een relatief hoog aantal VvE’s).
Het is logisch dat extra specifieke eisen in een aanbesteding voor aannemende partijen extra kosten met zich meebrengt, zowel in de aanvraag als uitvoering. Het is daarom belangrijk om een goede balans te vinden bij de aanbesteding en een realistisch beeld te krijgen van kosten en risico’s die spelen bij partijen. Veel gemeenten voeren om deze rede ook marktconsultaties uit om de voorwaarden van een aanbesteding te toetsen. Bedrijven kunnen deze kosten uiteraard opvoeren in hun tarieven of als bedrijven de voorwaarden niet acceptabel vinden dan hoeven ze niet aan te bieden.
In hoeverre vindt u de verschillende gemeentelijke eisen wenselijk?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb beschreven is het maatwerk dat gemeenten kunnen leveren aan de meest kwetsbare woningeigenaren een belangrijk onderdeel van de lokale aanpak. Wel is het altijd van belang voor gemeenten om te kijken waar dit maatwerk een toevoeging is voor de kwaliteit van ondersteuning van bewoners en waar extra eisen wellicht juist de verduurzaming in de weg staan of tot onnodige kosten of risico’s voor marktpartijen kunnen leiden.
Welke stappen neemt u om de uitvoering zoveel mogelijk te standaardiseren?
Ik ga gemeenten niet beperken in de vrijheid die zij hebben invulling te geven aan hun rol bij de lokale isolatieopgave of welke afspraken ze met private partijen mogen maken. Wel bied ik hier richting en ondersteuning in via het programma Verbouwstromen. Dit biedt ondersteuning bij de lokale aanpak van het NIP op een wijze die schaalbaar is en op regionaal niveau wordt ingestoken. Zo is de ontwikkelde Meerjarige Collectief Ontzorgen (MCO) aanpak in meerdere regio’s in uitvoering. Hierbij zijn samenwerkende gemeenten geholpen bij de voorbereiding van de uitvraag aan de markt en werken zij aan standaardisering. Verbouwstromen zorgt ook actief voor het verspreiden van de kennis en expertise die daarbij zijn opgedaan, zodat aanbestedingen zo slim en effectief mogelijk worden vormgegeven. Daarnaast worden goede voorbeelden en richtlijnen ook gedeeld vanuit Communities of Practice en webinars, die op regelmatige basis voor gemeenten door het Nationaal programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) georganiseerd worden. Dit leidt zeker ook tot een mate van standaardisering.
In hoeverre is gewaarborgd dat juist huishoudens met lage inkomens (die meer risico lopen op energiearmoede) in het huidige uitvoeringsmodel van het NIP worden bereikt, ook nu een speler is weggevallen?
De lokale aanpak van het NIP is juist erop gericht om isolatiemaatregelen te nemen bij eigenaar-bewoners en VvE’s die extra ondersteuning nodig hebben. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over het gevolg van het faillissement en doorstart van de betreffende partij. Met het NPLW blijf ik met de betreffende gemeenten in contact over de ontwikkelingen.
Hoe monitort u of de isolatiemaatregelen leiden tot daadwerkelijke vermindering van de energierekening en verbetering van woonlasten voor deze doelgroep?
Gemeenten dienen jaarlijks bij RVO voortgangsinformatie aan over de woningen die zij via de lokale aanpak hebben geholpen en welke maatregelen daarbij zijn getroffen. Verder werk ik eraan om deze informatie toe te voegen aan het dashboard energiesubsidies van het CBS. Op basis hiervan kunnen we ook berekenen hoeveel energie wordt bespaard. De Monitor Energiearmoede geeft de ontwikkeling van het aantal huishoudens met energiearmoede in Nederland weer. Daaruit blijkt dat woningverbetering een belangrijke bijdrage is voor het feit dat het aandeel energiearmoede in 2024 minder hoog was dan in 2019, terwijl de energieprijzen toen veel lager waren.
Welke cijfers heeft u over de gemiddelde kostprijs van de isolatie-trajecten die via gemeenten en intermediairs (zoals Winst Uit Je Woning) worden uitgevoerd?
Daar heb ik geen compleet beeld van. Gemiddeld ontvangt een gemeente circa 2.000 euro per woning in de lokale aanpak van het NIP. In de verantwoording van de lokale aanpak moeten gemeenten de totale kosten die zij maken aangeven, maar daarbij is niet altijd duidelijk in welke trajecten een intermediair is ingezet. Bovendien geeft het geen compleet beeld van de kostprijs voor het totale isolatie-traject in een woning. Tot circa 30% van de kosten kan met de ISDE of de SVVE worden vergoed en ook is vaak nog een klein deel eigen bijdrage van de bewoner nodig, al dan niet in de vorm van een gunstige lening van Nationaal Warmtefonds. Deze kosten hoeven niet in de verantwoording vermeld te worden.
De middelen uit de lokale aanpak worden grotendeels ingezet voor extra financiële ondersteuning, bovenop de landelijke subsidies. De middelen kunnen ook voor begeleiding en ontzorging ingezet worden. Dat is voor deze doelgroepen vaak belangrijk om stappen te kunnen zetten. Te verwachten is dat de gemiddelde kostprijs voor de isolatie-projecten in de lokale aanpak in het algemeen door deze extra diensten in verhouding hoger is dan de kostprijs voor andere woningen waar deze diensten niet zijn geleverd.
Uit een marktconsultatie uit 2023 van het programma Verbouwstromen blijkt dat de opgegeven kosten voor advies en begeleiding door intermediairs tussen de € 250 tot € 1.000 per uitvoering kunnen bedragen afhankelijk van de ondersteuning die nodig is. Bijvoorbeeld het begeleiden van bewoners bij de subsidieaanvraag, activatie en communicatie, nazorg of IT-kosten. De kosten voor deze diensten zijn aanvullend op de kosten voor het plaatsen van de isolatiemaatregelen zelf waarvan de prijs sterk afhankelijk is van het type maatregel en de eigenschappen van de woning.
Wat zijn de lessen die u trekt uit het faillissement van een uitvoerende partij zoals Winst Uit Je Woning op het gebied van toezicht, financiële kwaliteit van partners, en contractvoorwaarden met gemeenten?
Het is aan gemeenten de juiste voorwaarden te stellen bij het inschakelen van een intermediair in hun isolatieaanpak. Op basis van de ervaring die het programma Verbouwstromen inmiddels bij verschillende regio’s heeft opgedaan, geeft het de volgende algemene aanbevelingen over toezicht, financiële kwaliteit van partners en contractvoorwaarden:
Punt van aandacht is een goede balans tussen strenge contractvoorwaarden en ruimte voor innovatie. Meer toezicht en strengere contractvoorwaarden brengt ook het risico op disproportionaliteit met zich mee en minder kans op innovatie. Het is belangrijk hier een juiste balans in te vinden.
Kunt u aangeven of er herzieningen komen in de criteria voor samenwerking met intermediairs en zo ja, welke?
Nee. Ik ga de vrijheid van gemeenten niet inperken in de afspraken die zij kunnen maken met partijen in de markt bij het aanbesteden. Dit is tussen de gemeente en de betreffende partij.
Wel bied ik gemeente ondersteuning en advies in hoe ze hun aanpak vorm kunnen geven en uitvoeren via het programma Verbouwstromen en het Nationaal programma lokale warmte (NPLW).
Kunt u deze vragen binnen drie weken één voor één beantwoorden?
De vragen heb ik niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunnen beantwoorden.
Het uitblijven van actie bij seksadvertentiewebsites met ernstige vermoedens van uitbuiting |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Markt voor seksadvertenties is markt voor cowboys: geen druk van politiek» en de bijbehorende reportage van Omroep Brabant van 7 november jongstleden?1
Ja.
Herinnert u zich de aangenomen motie-Ceder c.s. over een wettelijke verplichting voor aanbieders van seksadvertenties om de leeftijd van geadverteerde personen te verifieren?2
Ja. In de voortgangsbrief mensenhandel die op 15 december 2025 aan uw Kamer is verstuurd, geef ik aan op welke wijze ik invulling geef aan deze motie.
Herinnert u zich uw beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden Bikker, Krul, Boomsma, Tseggai en Diederik van Dijk over de aanpak van klanten die betaalde seks hebben met minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting?3 Herinnert u zich uw toezegging dat u in gesprek zou treden met de leden van het Fieldlab Tulpafslag die destijds sterk hebben aangedrongen op een wettelijke verplichting tot leeftijdsverificatie? Wat hebben die gesprekken opgeleverd?
Ja, de betreffende gesprekken lopen. Er is een ambtelijke werkgroep opgezet waarin de politie, het OM, de G4-gemeenten en mijn ministerie vertegenwoordigd zijn. Gezamenlijk wordt een verkenning uitgevoerd naar de online sekswerkadvertentieplatforms. Aanvullend is het WODC gestart met een onderzoek naar de aard en omvang van de sekswerkbranche, met daarin een deelonderzoek naar de sekswerkadvertentieplatforms. Dit deelonderzoek wordt in de zomer van 2026 opgeleverd. Aan de hand van de resultaten van de verkenning en de uitkomsten van dat onderzoek, zal ik verschillende mogelijkheden voor het tegengaan van misstanden afwegen en een plan van aanpak delen met uw Kamer. De motie van het lid Ceder met betrekking tot een wettelijke grondslag voor verplichte leeftijdsverificatie voor online sekswerkadvertentieplatforms zal hierin worden meegenomen.
Hoe staat het met het kader dat de Europese Commissie samen met lidstaten, waaronder Nederland, en de toezichthouders op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en Digitaledienstenverordening (DSA) zou ontwikkelen en dat zou bijdragen aan een Europees wettelijk kader? Zouden Nederlandse seksadvertentieplatforms zoals Kinky.nl en Bullchat, als relatief kleine spelers wel onder de reikwijdte van dit kader vallen? Wat is het tevens het tijdspad wanneer u een concreet Europees wettelijk kader verwacht?
Door de Europese Commissie en de nationale toezichthouders onder de DSA, zoals de Autoriteit Consument en Markt (ACM) wordt toezicht gehouden op naleving van de DSA door online platforms en hostingdiensten. Online platforms moeten een hoge mate van bescherming bieden aan minderjarige gebruikers. Deze verplichting op grond van de DSA geldt enkel voor diensten die meer dan vijftig werknemers tellen en een omzet van meer dan tien miljoen euro per jaar genereren. Het valt niet direct te zeggen of Nederlandse seksadvertentieplatforms voldoen aan deze criteria. Er zal per website of app getoetst moeten worden of voldaan wordt aan de criteria uit de DSA om te kwalificeren als een online platform. Indien dit niet het geval is, dan kunnen zij alsnog wel kwalificeren als een hostingdienst, waar ook verplichtingen voor gelden, bijvoorbeeld inzake het tegengaan van illegale content. Daarnaast geldt voor alle online diensten, ook zij die geen online platform zijn, dat voldaan moet worden aan een reeks andere verplichtingen, waaronder die om tijdig, consistent en uitlegbaar in te grijpen wanneer illegale content op hun dienst door gebruikers wordt gemeld.
De Europese Commissie heeft in mei 2025 onderzoek aangekondigd naar porno-platformen die het grootste zijn in de EU.4 Kleinere websites die wel kwalificeren als online platform onder de DSA, worden door de nationale toezichthouders in lidstaten in kaart gebracht en waar nodig en mogelijk kan er handhavend op worden getreden. Het tijdpad van het onderzoek van de Commissie is niet bekend, maar de Commissie behandelt het met hoge prioriteit. De sekswerkbranche en de porno-industrie zijn verschillende branches die niet één op één met elkaar kunnen worden vergeleken. Desalniettemin kan dit mogelijk interessante inzichten opleveren ten aanzien van sekswerkadvertentieplatforms. Dit heeft dan ook mijn aandacht.
Deelt u de mening dat er momenteel te weinig wettelijke mogelijkheden bestaan om seksadvertentieplatforms te dwingen tot het uitvoeren van een leeftijdsverificatie? Wat weerhoudt u ervan om – parallel aan- en in de geest van dat Europees kader – nationale wetgeving te ontwikkelen om dit mogelijk te maken? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dit proces nog langer af te wachten vanuit het perspectief van de aanpak van mensenhandel? Welke andere maatregelen overweegt u – in afwachting van wet- en regelgeving – te ondernemen om misbruik op en van deze platforms tegen te gaan?
Ik vind dat sekswerkadvertentieplatforms er alles aan moeten doen om te voorkomen dat er minderjarige sekswerkers worden geadverteerd. De platforms voeren meestal al een controle uit, maar dit gebeurt niet altijd zorgvuldig, waardoor er minderjarige personen op de platforms terecht kunnen komen. Dit vind ik onacceptabel. Ik deel de mening dat dit actie vereist. De meeste platforms voeren leeftijdscontroles uit, maar dit lijkt niet waterdicht.
Een online leeftijdsverificatie vergt een zorgvuldige afweging tussen de verwerking van persoonsgegevens, het na te streven doel en de effectiviteit van de maatregel. Een online leeftijdsverificatie kan makkelijk worden omzeild door bijvoorbeeld het gebruik van een VPN. Een dergelijke verificatie is bovendien geen garantie dat de persoon die de leeftijdscheck heeft uitgevoerd, ook daadwerkelijk de sekswerker achter de advertentie is. Bovendien zijn de gegevens van sekswerkers bijzondere persoonsgegevens. Omdat de maatregel in dit kader naar verwachting een beperkte effectiviteit heeft en leidt tot verwerking van bijzondere persoonsgegevens, moet een dergelijke stap zeer goed gemotiveerd worden. Om deze reden wil ik het traject met de politie, het OM en de G4-gemeenten doorlopen en de resultaten van het hierboven genoemde WODC onderzoek afwachten. Zoals eerder genoemd zal ik aan de hand van de resultaten van de verkenning en de uitkomsten van het onderzoek een plan van aanpak delen met uw Kamer.
Wat kunt u zeggen over de resultaten van het online outreach project van Spine? Tot wanneer loopt dit project? Baren deze resultaten u zorgen? In hoeverre volgen er aanvullende maatregelen binnen het programma Samen tegen Mensenhandel in lijn met de aanbeveling van de Nationaal Rapporteur om verder te investeren in online hulp en signalering van slachtoffers?
Het is verwerpelijk dat uitbuiting van slachtoffers plaatsvindt op de seksadvertentieplatforms. Om deze groep beter te bereiken en te begeleiden naar passende hulp financiert mijn ministerie het Online Outreach Programma van Spine. Tijdens de projectperiode is gereageerd op advertenties op seksadvertentieplatforms met een verhoogd risico op seksuele uitbuiting. Het reageren op deze advertenties wordt gedaan via het medium dat door de mogelijke slachtoffers wordt gebruikt, bijvoorbeeld WhatsApp. Door middel van speciaal ontwikkelde tooling, speciaal opgeleide forensische ICT’ers én hulpverleners wordt geprobeerd om deze mogelijke slachtoffers hulp te bieden door hen bijvoorbeeld toe te leiden naar offline hulp in de regio waar zij zich bevinden. Het project zorgt voor waardevolle inzichten in wat er zich afspeelt op deze advertentieplatforms en brengt deze slachtoffers beter in kaart. Dit project liep tot en met 31 oktober 2025. Ik verwacht op korte termijn de eindrapportage waarin de resultaten zijn opgenomen, waarover ik uw Kamer in de eerste helft van 2026 zal informeren.
Hoeveel slachtoffers mensenhandel zijn in de afgelopen jaren aangeboden op reguliere en legale seksadvertentieplatforms? In hoeveel gevallen was hier sprake van minderjarig slachtofferschap? In hoeverre wordt dit actief gemonitord en worden de platforms hierop, hetzij juridisch, hetzij anderzijds op aangesproken?
Deze cijfers zijn bij politie en OM niet bekend omdat binnen de groep slachtoffers van mensenhandel deze categorieën niet specifiek worden aangemerkt. Om deze vraag te kunnen beantwoorden zou de politie alle onderzoeken handmatig moeten doornemen om te bezien of er in het dossier wordt vermeld dat het desbetreffende slachtoffer op een sekswerkadvertentieplatform heeft gestaan. Dat kost erg veel capaciteit.
De politie (het landelijk coördinatiepunt online mensenhandel, LCOM) staat in contact met platforms en heeft periodiek overleg waarin zij de platforms aanspreken op misstanden.
De ingreep bij Nexperia en berichtgeving Bloomberg |
|
Vincent Verouden (NSC), Bram Kouwenhoven (NSC), Ilse Saris (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dutch ready to drop control of Nexperia if chip supply resumes»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke onderdelen van dit bericht correct zijn en welke niet?
Ik verwijs hiervoor naar de reeds openbaar gemaakte toelichtingen in de brieven aan uw Kamer van 14 oktober en 19 november jl. , alsook het debat van 4 december jl.
Deelt u de mening dat u op grond van artikel 68 van de Grondwet de Kamer onmiddellijk, volledig en uit eigen beweging dient te informeren over relevante ontwikkelingen?
Graag verwijs ik naar de brieven die eerder aan uw Kamer zijn gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin geeft het kabinet onder andere aan dat het kabinet het van belang acht de Kamer zo goed mogelijk op de hoogte te houden. Vanwege de vertrouwelijkheid kan uw Kamer niet over alle details in het openbaar geïnformeerd worden. Daarom heeft op 27 november jl. een vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat een conflict waardoor wereldwijd fabrieken stil kwamen te liggen relevant is en dat u de Kamer daarover uit eigener beweging en prompt had moeten informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u de Kamer per ommegaande informeren over wat er de afgelopen weken in het Nexperia-dossier is gebeurd, over mogelijke onderhandelingen met China en over eventuele juridische stappen die zijn ondernomen?
Wij hebben de kamer geïnformeerd middels de brieven van 14 oktober, 19 november jl., de tijdslijn van 2 december jl.2 en het Kamerdebat van 4 december jl. Over relevante toekomstige ontwikkelingen zullen wij uw kamer informeren, indien noodzakelijk vertrouwelijk.
Welke juridische adviezen heeft u ontvangen vóór het besluit om bij Nexperia in te grijpen?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Het doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Kunt u deze adviezen allemaal openbaar maken, evenals de beslisnota over het besluit over de Wet beschikbaarheid goederen?
Vanwege het geclassificeerde karakter van dit dossier kan het kabinet deze adviezen niet openbaar maken. Dit vanwege het feit dat het hier vertrouwelijke bedrijfsinformatie betreft en openbaarmaking onwenselijk is.
Bent u van tevoren gewezen op de juridische risico’s voor de Staat? Zo ja, op welke wijze, en hoe schat u deze risico’s zelf in?
Het besluit is genomen op basis van een integrale afweging waarbij ook de mogelijke economische en juridische risico’s in ogenschouw zijn genomen. Bij deze afweging is ook meegenomen dat niet ingrijpen zou kunnen leiden tot weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productie- en onderzoekscapaciteit voor Europa. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Op welk moment en op welke wijze heeft u de Minister-President geïnformeerd over dit besluit?
Graag verwijs ik naar de gepubliceerde tijdslijn van 2 december jl. en de brieven die eerder aan uw Kamer zijn gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Op welk moment en op welke wijze heeft u het kabinet geïnformeerd over dit besluit?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven op basis van welke noodsituatie de Wet beschikbaarheid goederen in dit geval is ingeroepen, aangezien artikel 2 van deze wet luidt: «Ieder van Onze Ministers is, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties, bevoegd aan de rechthebbende bij algemeen of bijzonder bevel te gelasten«?
De Wet beschikbaarheid goederen voorziet in de mogelijkheid om ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op een noodsituatie een bevel uit vaardigen. Een ernstige bedreiging van de Nederlandse economische veiligheid kan in voorkomend geval als noodsituatie worden aangemerkt. De wet schrijft niet voor dat er al uitzicht moet zijn op een concrete en specifiek geïdentificeerde noodsituatie, wel dat deze voorstelbaar is.
In het specifieke geval van Nexperia is er sprake van:
Op welk moment en op welke wijze is dit besluit besproken met leden van het campagneteam van de VVD?
Dit besluit is niet besproken met leden van het campagneteam van de VVD.
Kunt u alle documenten (onder documenten vallen ook app-verkeer, gespreksverslagen en persoonlijke aantekeningen) die betrekking hebben op de ingreep bij Nexperia – inclusief voorbereidingen, juridische adviezen en interne communicatie binnen de overheid – openbaar maken onder artikel 68 van de Grondwet?
Veel informatie is al gedeeld met uw Kamer via diverse brieven en het debat van 4 december jl. Mede vanwege de bedrijfsgegevens en het vertrouwelijke karakter van dit dossier is het niet mogelijk alle communicatie rondom dit dossier openbaar te maken.
Kunt u een chronologisch feitenrelaas overleggen van de besluitvorming die heeft geleid tot de toepassing van de Wet beschikbaarheid goederen bij Nexperia, inclusief data van interne adviezen, overleggen en besluiten?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke juridische adviezen (intern of extern) zijn ingewonnen voorafgaand aan het besluit van 30 september 2025, en welke scenario’s zijn daarin overwogen?
Meerdere maatregelen zijn onderzocht om de leveringszekerheid van Nexperia veilig te stellen waar het kabinet heeft gekeken naar een geschikt alternatief. Hierbij werd al gauw duidelijk dat de inzet van de Wbg de enige maatregel was die daadwerkelijk de leveringszekerheid voor Nederland en Europa direct kon veiligstellen door de productiemiddelen van het bedrijf te beschermen. Het kabinet wil de Wbg alleen inzetten wanneer andere instrumenten onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen – waaronder de leveringszekerheid van cruciale chips – te beschermen.
Op welk moment is de uitspraak van de Ondernemingskamer (betreffende de schorsing van CEO Zhang) bekendgemaakt aan het ministerie, en welke rol speelde die uitspraak in de timing van het ministerieel besluit?
De datum van de eerste uitspraak van de Ondernemingskamer waarbij de CEO werd geschorst, was op 1 oktober 2025. Dat is na de datum van het bevel dat op 30 september is vastgesteld en aan de onderneming is verstrekt. Vervolgens is bij de uitspraken van 7 en 8 oktober de schorsing van de CEO gehandhaafd. Op dezelfde dag dat de Ondernemingskamer de uitspraken deed, is het ministerie zoals gebruikelijk via het kantoor van de landsadvocaat over de uitspraken geïnformeerd.
Kan de Minister een overzicht geven van de betrokken departementen (zoals Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie en Veiligheid) en aangeven welk departement welke bijdrage heeft geleverd aan de risico-analyse of beslisnota’s?
Graag verwijs ik uw Kamer naar de gepubliceerde tijdslijn van 2 december jl. en de brieven die eerder aan uw Kamer heb gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Heeft de ministerraad als geheel hierover beraadslaagd of ingestemd, en zo ja: op welke datum?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden omdat er een geheimhoudingsplicht bestaat ten aanzien van hetgeen in de minsterraad besproken wordt of geschiedt. Dit is conform artikel 26 van het Reglement van orde voor de minsterraad. Wel kan ik aangeven dat dit dossier regelmatig aan de orde is geweest in het kabinet.
Kunt u toelichten waarom er, gezien het demissionaire karakter van het kabinet en het feit dat het besluit midden in de verkiezingscampagne viel, niet voor is gekozen om de fractievoorzitters van de belangrijkste partijen hierbij te betrekken?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Er was sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren. Zodra de ontwikkelingen dat toelieten is uw Kamer geïnformeerd.
Zoals ik ook in het debat van 4 december jl. heb aangegeven, is het gebruikelijk dat over dit soort bedrijfscasussen niet wordt gecommuniceerd. Ik heb met zeer veel bedrijfscasussen te maken. Deze blijven allemaal vertrouwelijk, in het belang van het bedrijf zelf en in het belang van de Nederlandse economie. Dat was ook bij deze casus de intentie.
Acht u de informatievoorziening aan de Kamer en aan de fracties in de Kamer in dat stadium volledig en tijdig?
Graag verwijs ik naar de brieven die eerder aan uw Kamer heb gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin geeft het Kabinet onder andere aan dat het kabinet het van belang acht de Kamer zo goed mogelijk geïnformeerd te houden. Vanwege de vertrouwelijkheid kan uw Kamer niet over alle details in het openbaar geïnformeerd worden; daarom heeft op 27 november jl. een vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden.
Kunt u alle relevante interne memo’s, notities en e-mailwisselingen tussen het Ministerie van Economische Zaken, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het Ministerie van Algemene Zaken openbaar maken waarin de besluitvorming over Nexperia wordt besproken (al dan niet vertrouwelijk)?
Veel informatie is al gedeeld met uw Kamer via diverse brieven en het debat van 4 december jl. Mede vanwege de bedrijfsgegevens en het vertrouwelijke karakter van dit dossier is het niet mogelijk alle communicatie rondom dit dossier openbaar te maken.
Wanneer zijn de Europese Commissie, Duitsland en Frankrijk formeel van het besluit op de hoogte gebracht door de Nederlandse regering?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is de gebruikelijke handelwijze in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het VK, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken.
Een volledig overzicht van de tijdslijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, heb ik op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Op welke momenten en via welke kanalen is voorafgaand aan het besluit overleg gevoerd met Europese partners, met name de Europese Commissie, Duitsland en Frankrijk?
Zie antwoord vraag 22.
Klopt het beeld dat Europese partners door de late informatievoorziening zijn overvallen door het besluit?
Zie antwoord vraag 22.
Wanneer en met welke vertegenwoordigers van de Chinese regering of het Chinese bedrijfsleven heeft u sinds het besluit over Nexperia ontmoetingen gehad?
Zie antwoord vraag 22.
Heeft de Europese Commissie, in het bijzonder commissaris Šefčovič (Handel en Economische Veiligheid, Interinstitutionele Betrekkingen en Transparantie), namens Nederland gesprekken gevoerd met China, en was Nederland bij die gesprekken aanwezig?
Er is intensief contact met de Europese Commissie, ook over de gesprekken die Nederland en de Europese Commissie voeren met de Chinese autoriteiten. Op de inhoud en precieze deelnemers aan deze gesprekken kan vanwege de vertrouwelijkheid niet ingegaan worden.
Kunt u aangeven welke analyse van de economische gevolgen is uitgevoerd voorafgaand aan het besluit om bij Nexperia in te grijpen, met name ten aanzien van de leveringszekerheid in de Europese halfgeleiderketen?
Als ik niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de «»front end»») is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid («front end» in Europa en «back end» in Azië) is niet bezwaarlijk voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in volledige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil ik voorkomen.
Op welk moment zijn de klanten en zakelijke partners van Nexperia (zoals autofabrikanten, elektronicabedrijven en chipproducenten) geïnformeerd over de schorsing van de CEO en de overheidsmaatregel, en door wie – het bedrijf zelf of de overheid?
Communicatie met de klanten van Nexperia werd en wordt gedaan door Nexperia zelf.
Is er bij het besluit geanticipeerd op mogelijke verstoringen in de aanvoer of productiecapaciteit van Nexperia, met name vanuit de fabrieken in China, en welke mitigerende maatregelen zijn voorbereid of besproken met Europese partners?
Meerdere maatregelen zijn onderzocht om de leveringszekerheid van Nexperia veilig te stellen waar ik heb gekeken naar een geschikt alternatief voor de Wbg. Hierbij is ook nagedacht over de mogelijke gevolgen de kans dat deze zich mogelijk zouden materialiseren. Mede vanwege bedrijfsgegevens is het niet mogelijk hier verder over uit te weiden.
Bent u bekend met signalen dat Nexperia China klanten van Nexperia Nederland of haar Europese dochterondernemingen onder druk zet om contracten te heronderhandelen of rechtstreeks met het Chinese moederbedrijf zaken te doen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoe beoordeelt u het risico dat betalingen of nieuwe contracten voortaan in Chinese renminbi (RMB) of onder Chinese rechtsmacht worden afgewikkeld, en welke gevolgen heeft dit voor leveringszekerheid en toezicht in Nederland en in de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 29.
Houdt u, gezien de bilaterale escalatie van het conflict, rekening met de mogelijkheid dat Nexperia zijn Nederlandse activiteiten (deels of geheel) afbouwt of verplaatst, en wat zou daarvan de economische en technologische impact zijn voor Nederland en Europa?
Zie antwoord vraag 29.
Houdt u rekening met mogelijke bilaterale economische tegenmaatregelen van China, bijvoorbeeld tegen Nederlandse bedrijven of investeringen in China, die de handelsrelatie verder onder druk kunnen zetten?
Het is niet in het Nederlandse belang om publiekelijk te speculeren over tegenmaatregelen van welke aard dan ook.
Wat heeft u gedaan gekregen van de Chinese autoriteiten om te voorkomen dat de risico’s die u initieel zag (en op basis waarvan u heeft ingegrepen) zich niet alsnog zullen voordoen in de toekomst?
Met de Chinese autoriteiten vinden constructieve gesprekken plaats om tot een oplossing te komen voor de verstoring van de waardeketen; dit is in het belang van de industrie in China, Europa, de VS en elders. Over de inhoud van deze gesprekken kan ik vanwege de vertrouwelijkheid geen uitspraken doen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Vanwege de hoeveelheid en complexiteit van vragen, waarbij afstemming nodig was met meerdere stakeholders was het helaas niet mogelijk de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u een stand van zaken geven van wat er tot nog toe gedaan is binnen de vier actielijnen om knelpunten rondom financiering van (de opschaling van) de defensie-industrie te verminderen, zoals omschreven in uw brief van 12 maart 2025? (Kamerstuk 31 125, nr. 133)
Uw Kamer is met de brief van 12 maart jl. over oplossingen en actielijnen voor financieringsknelpunten van de Defensie-industrie geïnformeerd.1 Deze knelpunten worden via vier actielijnen opgepakt:
1) Thematische Technologie Transfer (TTT) (10 miljoen): De inzet in TTT draagt bij aan het versnellen van dual-use innovatie en valorisatie, door het stimuleren van de oprichting van start-ups en spin-offs binnen de 5 NLD gebieden vanuit kennisinstellingen, via innovatievouchers en vroege investeringen. 2) SEED Capital (25 miljoen): Met de SEED Capital regeling wordt durfkapitaal geactiveerd om te investeren in hoog-risico sectoren, zoals de Defensie-industrie.
Herinnert u zich de aangenomen motie Boswijk over het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie, met daarin het verzoek alle aanbevelingen uit het rapport van de specialisten van IDEA uit te voeren? (Kamerstuk 31 125, nr. 136)
De aangenomen motie van het lid Boswijk (CDA) ingediend bij het tweeminutendebat Defensie industrie van 19 juni heeft de aandacht van het Ministerie van Defensie. Het Ministerie van Defensie werkt in samenwerking met andere departementen aan de uitvoering van de aanbevelingen uit het IDEA rapport die bij de overheid liggen, ingebed in de vier actielijnen.
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven waar deze aansluiten binnen de vier actielijnen uit de brief van 12 maart 2025?
De geconstateerde knelpunten worden hoofdzakelijk gekoppeld aan de actielijnen zoals hieronder weergegeven:
De knelpunten raken in meerdere gevallen aan meerdere actielijnen. Zo is knelpunt G. ook een factor bij het mobiliseren van private financiering en valt marktconforme voorfinanciering ook onder het wegnemen van praktische belemmeringen.
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven welke stappen Defensie inmiddels heeft gezet om deze knelpunten aan te pakken?
De door de IDEA geïdentificeerde knelpunten worden, zoals in vraag 3 aangegeven, opgepakt via vier actielijnen. Een voortgang van enkele van de acties op de vier actielijnen kunt u vinden in het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid de onderzoekers van IDEA te vragen of zij van mening zijn dat met de ingezette actielijnen van Defensie daadwerkelijk de door hen op basis van ruim 500 consultaties van Nederlandse en Europese defensiebedrijven en financiële instellingen geconstateerde knelpunten adequaat worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Defensie kent IDEA als een expertgroep van reservisten die hun kennis uit hun werkveld meenemen en Defensie verrijken. Wij waarderen hun sterke motivatie en betrokkenheid. Dankzij hun scherpe analyse ligt er nu een raamwerk waar Defensie op kan voortbouwen. Momenteel werken wij aan het oplossen van de gesignaleerde knelpunten, waarover uw Kamer in 2026 geïnformeerd zal worden. IDEA is een expertgroep binnen de krijgsmacht en zal de komende tijd ook zeker – waar opportuun – geconsulteerd worden bij het uitwerken van de oplossingen.
Kunt u de Kamer voor het eind van 2025 informeren over de uitkomsten van deze uitvraag bij de onderzoekers?
Het is op dit moment niet het voornemen van Defensie om een dergelijke aanvullende uitvraag te doen vooruitlopend op de eerder genoemde update. Zoals gezegd is het mogelijk dat – afhankelijk van resultaten op lopende en toekomstige projecten om de reeds in kaart gebrachte knelpunten aan te pakken via de actielijnen – een aanvullende uitvraag alsnog wenselijk wordt geacht.
Belangenverstrengeling door enkele wetenschappers |
|
Sarah Dobbe , Jimmy Dijk |
|
Judith Tielen (VVD), Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wetenschappers met belangen beïnvloeden obesitasdebat met «zeer overdreven» cijfers»?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving naar aanleiding van het onderzoek van Zembla. Het is nooit goed als (de schijn van) belangenverstrengeling wetenschappelijke stellingname verdacht maakt. Ter nuancering zou ik wel willen meegeven dat publiek-private samenwerking tussen de academie en farmaceutische industrie belangrijk is. Zo kunnen zij ieder vanuit hun eigen expertise en ervaring bijdragen aan geneesmiddelenontwikkeling. Het is vooral belangrijk dat er openheid is. Als onderzoekers transparant zijn over hun belangen, kan daarmee rekening worden gehouden. In dit geval heeft het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), waar de wetenschappers aan verbonden zijn, aangegeven dat de onderzoekers zich niet aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) hebben gehouden en dat de nevenbetrekkingen en mogelijke belangenverstrengeling vermeld hadden moeten worden bij ondertekening van het manifest.
Wat betreft de maatschappelijke kosten die worden genoemd, wijs ik graag op de beantwoording van schriftelijke vragen van de Tweede Kamer die naar aanleiding van publicatie van het genoemde onderzoek zijn gesteld in 2023.2 Hoewel we inmiddels verder in de tijd zijn, is de reflectie in deze beantwoording op het onderzoek ongewijzigd:
Deelt u de mening dat het onwenselijk is indien wetenschappers een rol spelen in het maatschappelijke en politieke debat, maar tegelijkertijd ook betaald worden door commerciële bedrijven die baat hebben bij een bepaalde uitkomst van dat debat?
De wetenschap is een sector die niet geïsoleerd werkt. Zij staat in verbinding met de samenleving, werkt daarmee samen en wordt daar ook door gefinancierd. Het is voor de innovatiekracht van ons land daarom van meerwaarde dat wetenschap en bedrijfsleven in nauwe verbinding staat met elkaar. Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen op die manier sneller worden vertaald naar praktijkoplossingen. Transparantie is hierbij wel essentieel. Zo mag de financieringsbron van een leerstoel of onderzoek geen invloed hebben op de integriteit van wetenschappelijk onderzoek. Het is daarbij belangrijk dat de NGWI door wetenschappers en instellingen wordt gevolgd en dat er bij deelname aan het publieke debat open en eerlijk wordt gecommuniceerd over de rol waarin die deelname plaatsvindt en mogelijke belangenconflicten. Voor financiële relaties in de zorg is er het Transparantieregister Zorg, waarin zorgprofessionals (niet zijnde gezondheidseconomen) en zorgorganisaties, waaronder patiëntenorganisaties, hun relaties met bedrijven kunnen aangeven.
Is dit met meer medicijnen of hulpmiddelen gebeurd? Hoe houdt u hier zicht en controle op?
De meeste wetenschappelijke tijdschriften vragen om vermelding van nevenfuncties en belangen van de auteurs van hun artikelen. In Nederland hebben de wetenschappelijke instellingen ook gedragscodes waarin staat dat eventuele (tegenstrijdige) belangen vermeld dienen te worden. Zoals reeds genoemd is publiek-private samenwerking tussen academische onderzoekers en de farmaceutische industrie wenselijk en dit gebeurt dan ook regelmatig. Ik heb geen exacte cijfers over hoe vaak dit voorkomt, of hoe vaak nevenfuncties of belangen niet vermeld worden.
Maakt u zich zorgen over de beïnvloeding van commerciële belangen van bedrijven op politieke besluitvorming?
Het is altijd goed om hier alert op te blijven. Vanuit het Ministerie van VWS is er regelmatig contact met commerciële partijen en, waar dat passend is en kan bijdragen aan beleidsdoelstellingen, wordt ook met hen samengewerkt. Uiteraard blijven ambtenaren in deze contacten bewust van de belangen die spelen en staat bij het maken van afspraken het publieke belang voorop. Er zijn grote verschillen tussen industrieën en bedrijven en er is daarom niet één manier om hiermee om te gaan. Zo zijn de belangen van de tabaksindustrie fundamenteel onverenigbaar met ons volksgezondheidsbeleid. Op grond van het WHO-verdrag FCTC hebben we geen contact met (belangenbehartigers voor) de tabaksindustrie. Bij de farmaceutische industrie ligt dit genuanceerder. Ten eerste vanwege het grote maatschappelijke belang van geneesmiddelen en het beleid zich dus ook richt op de stimulering en facilitering van geneesmiddelenontwikkeling en -productie. Maar ook hier is terughoudendheid de norm, en moet contact het publieke belang dienen. Bovendien is het belangrijk om algemeen beleid te scheiden van individuele casuïstiek, zoals onderhandelingen over de prijs van een geneesmiddel of artikel 3, lid 2 verzoeken binnen de Wet geneesmiddelenprijzen.
Het uitgangspunt voor beleidsvraagstukken is mede daarom dat contact hierover via de brancheverenigingen loopt en niet met individuele bedrijven. Al kunnen er uitzonderingen zijn.
Welke waarborgen zijn er momenteel om dit soort belangenverstrengeling te voorkomen? In hoeverre zijn deze voldoende?
Het kabinet hecht groot belang aan de transparantie van belangenvertegenwoordiging. Zo regelt de gedragscode integriteit bewindspersonen dat een bewindspersoon in het contact met derden transparantie en gelijke toegang nastreeft. Verder zijn de openbare agenda’s bedoeld om inzichtelijk te maken wie contact hebben met bewindspersonen en waarover zij spreken. Naast het voornoemde Transparantieregister Zorg, waarmee de financiële belangen van zorgverleners- en instellingen inzichtelijk worden gemaakt voor de samenleving, zijn dit waarborgen die erop gericht zijn om verschillende belangen die het besluitvormingsproces trachten te beïnvloeden inzichtelijk te maken. In een recente Kamerbrief heeft het kabinet uw Kamer laten weten welke maatregelen getroffen worden om transparantie van besluitvorming verder te bevorderen.3
Welke consequenties volgen er indien een wetenschapper diens nevenfuncties niet vermeld en daarmee economische belangen boven publieke belangen zet? In hoeverre zijn deze voldoende?
Om de wetenschappelijke integriteit zo goed mogelijk te waarborgen, zijn er verschillende regelingen. Voor alle universiteiten geldt de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten. Op basis van de regeling moeten hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en moeten zij betaalde nevenfuncties waarbij mogelijk sprake is van belangenverstrengeling melden bij hun universiteit. Daarnaast geldt zoals gezegd de NGWI voor wetenschappers en hun werkgevers. Als één van de normen voor wetenschappers is daarin opgenomen: «Wees open en volledig over de rol van externe belanghebbenden, opdrachtgevers, financiers, mogelijke belangenconflicten en relevante nevenwerkzaamheden.»
Bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, is het aan de instellingen (werkgever) om de wetenschapper (werknemer) hierop aan te spreken. De NGWI biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er maatregelen genomen worden. Een voorbeeld hiervan is een correctie op een publicatie. Ik vind deze regelingen voldoende.
In hoeverre is op het Ministerie van VWS en door het Zorginstituut het manifest waarbij deze belangenverstrengeling plaatsvond meegewogen bij het besluit om afslankmedicatie wel of niet te vergoeden?
Bij de beoordeling van geneesmiddelen kijkt het Zorginstituut niet alleen naar effectiviteit, maar ook de noodzakelijkheid, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid. Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteit wordt ook, waar relevant en wetenschappelijk onderbouwd, gekeken naar maatschappelijke kosten en baten, zoals arbeidsproductiviteit, van de aandoening en het geneesmiddel. Het manifest geldt niet als wetenschappelijke onderbouwing en wordt niet meegenomen in de beoordeling.
Het Zorginstituut heeft in juli 2024, voordat dit manifest is gepubliceerd, geadviseerd om het geneesmiddel Wegovy voor de indicatie obesitas niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering. Het Zorginstituut kondigde op 6 november jl. aan dat zij een getrapte aanpak gaat hanteren bij de beoordeling van de nieuwe obesitasmiddelen. Bij de herbeoordeling van Wegovy en de nieuwe beoordeling van Mounjaro, twee geneesmiddelen voor de indicatie obesitas, wordt voorlopig alleen gekeken naar de effectiviteit en gezondheidswinst voor twee verschillende patiëntengroepen. Dit zijn mensen met een BMI vanaf 30 met ziektes die daarmee samenhangen, en mensen met ernstige of zeer ernstige obesitas met een BMI vanaf 35. De gekozen aanpak heeft de brede steun van zorgprofessionals, patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars.
Deelt u de mening dat een nationaal geneesmiddelenfonds een begin zou kunnen zijn om dit soort commerciële belangen in de zorg voor mensen te voorkomen?
Ik zie een nationaal geneesmiddelenfonds niet als een oplossing om mogelijke belangenverstrengeling te voorkomen. Ik wil hier ook nogmaals benadrukken dat ik publiek-private samenwerking tussen de academie en de farmaceutische industrie belangrijk vind. Eerder dit jaar4 heb ik een schets voor een nationaal fonds voor geneesmiddelenontwikkeling met uw Kamer gedeeld. Daarbij heb ik aangegeven dat ik het onwenselijk vind om als overheid wetenschappers in dienst te nemen die zelf geneesmiddelen ontwikkelen. In plaats daarvan beschrijft de schets een samenhangend stelsel voor financiering met onderzoekssubsidies per fase van geneesmiddelenontwikkeling. In het algemeen kunnen we niet zonder de expertise van de farmaceutische industrie, vooral voor de latere fase van ontwikkeling, grootschalige productie van geneesmiddelen en het faciliteren van toegang en beschikbaarheid buiten Nederland. Het is voor academische ontwikkelaars meestal niet haalbaar om dit zelf te doen. Ik zet daarom in op synergie, zodat alle betrokken partijen hun expertise kunnen inzetten, en ondersteun initiatieven vanuit zowel de academie, als vanuit commerciële partijen. Bij trajecten waar individuen of organisaties een belang hebben is belangenverstrengeling altijd een risico. Dit valt niet te voorkomen. Dit geldt ook voor academici of publieke onderzoeks- en ontwikkeltrajecten. Om dit te ondervangen moet je dit onderkennen en door gedragscodes, wederzijdse transparantie en afspraken ondervangen.
Het bericht dat een Hamas-fan die betrokken was bij de terreuraanval van 7 oktober opduikt bij een pro-Palestijnse sit-in Amsterdam |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekent met het bericht «Hamas-fan die bij bloedbad 7 oktober was duikt op bij sit-in Amsterdam»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat Al-Khatib die eigenhandig het geweld tijdens de terreuraanval van 7 oktober 2023 filmde, het moorden toejuichte en die Hamas openlijk verheerlijkt Nederland fluitend is binnengelopen zonder dat iemand hem tegenhield?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. Hamas werd in 2003 op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. Eventuele deelname aan deze terroristische organisatie is dan ook strafbaar en publieke steunbetuigingen aan Hamas worden met grote zorg bezien.
Ten aanzien van dat laatste werkt het kabinet aan een wetsvoorstel om zowel het verheerlijken van terrorisme als het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen.
Tegelijkertijd geldt onverminderd dat het toepassen van strafrechtelijke of vreemdelingenrechtelijke maatregelen uitsluitend kan plaatsvinden binnen de wettelijke kaders en op basis van concrete feiten en toetsbare aanwijzingen. Indien er vermoedens zijn van strafbare feiten of wanneer er een rechtsgrond bestaat voor een inreisverbod of ongewenstverklaring, is het aan de daartoe bevoegde diensten om op basis van beschikbare informatie te beoordelen of er acties ondernomen moeten worden. Over individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraken.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gevaarlijke Hamas-terrorist hier vrij rondloopt en mee kan doen aan antisemitische demonstraties? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de nationaliteit en verblijfsstatus van Al-Khatib? Is hij op dit moment nog in Nederland? Zo ja, waarom is deze terroristenlover niet allang aangehouden en het land uitgegooid?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel Hamas-aanhangers en terroristen lopen er op dit moment nog meer ongehinderd rond in Nederland? Graag een exact aantal en hun status.
Over exacte aantallen kan ik geen uitspraken doen. In het meest recente jaarverslag van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) staat wel beschreven dat Hamas al jaren actief is in Europa om financiële steun te verwerven.2 In Duitsland en Denemarken werden sinds eind 2023 meerdere personen aangehouden op verdenking van lidmaatschap van Hamas.
Deelt u de conclusie dat onze open grenzen een levensgevaarlijke uitnodiging is voor islamitisch terrorisme en dat dit beleid direct moet stoppen?
Om misbruik van migratiestromen en asielprocedures tegen te gaan is de afgelopen jaren door alle betrokken organisaties in de migratieketen, zowel in de dagelijkse praktijk als door middel van diverse onderzoeken, intensief aandacht besteed aan het onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken, alsmede het evalueren hiervan.
Het kabinet is niet bereid de grenzen te sluiten voor asielzoekers of immigranten op basis van herkomst uit zogenoemde «islamitische landen». Een dergelijke maatregel zou in strijd zijn met Nederlandse, Europese en internationale rechtsnormen, waaronder het verbod op discriminatie en het uitgangspunt dat asielverzoeken individueel worden beoordeeld.
Wel neemt het kabinet onverkort maatregelen om de toelating van personen die een risico voor de nationale veiligheid kunnen vormen te voorkomen. Daartoe worden bestaande bevoegdheden, zoals inreisverboden, ongewenstverklaringen en veiligheidschecks, actief ingezet en verder geoptimaliseerd. Het kabinet blijft inzetten op een streng, rechtvaardig en handhaafbaar asiel- en migratiebeleid binnen de rechtsstatelijke kaders.
Bent u eindelijk bereid de grenzen te sluiten voor asielzoekers en immigranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat 10 procent van de gevangenen ongewenst vreemdeling is. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 10% van alle gevangenen is vreemdeling zonder geldige verblijfsstatus: 800 gedetineerden kosten tonnen per dag»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat deze vreemdelingen wel eenvoudig ons land binnen kunnen komen, maar het u niet lukt om ze na criminele feiten ons land weer uit te zetten?
De terugkeer van veroordeelde vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS-ers) zonder rechtmatig verblijf heeft prioriteit in het vertrekbeleid. In 2023 zijn circa 840 VRIS-ers, die in de caseload van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) zaten, aantoonbaar vertrokken. In 2024 is dit aantal circa 960.2
VRIS-ers kunnen direct na het uitzitten van hun straf worden uitgezet of vertrekken soms tijdens het uitzitten van hun straf middels strafonderbreking of strafoverdracht. Bij strafonderbreking krijgen vreemdelingen de mogelijkheid om tijdens het uitzitten van hun straf te vertrekken uit Nederland. Aan strafonderbreking is als voorwaarde verbonden dat, wanneer zij opnieuw naar Nederland reizen, het restant van de straf moet worden uitgezeten. Bij strafoverdracht is er een verdrag met het land naar welke de vreemdeling wordt overgedragen en zit de vreemdeling zijn straf uit in dat land.
Evenals bij andere vertrekplichtige vreemdelingen kan het realiseren van vertrek van VRIS-ers complex zijn. Het kan moeilijk zijn om de identiteit en/of nationaliteit van vreemdelingen vast te stellen doordat zij geen geldige documenten hebben of weigeren deze prijs te geven. Daarnaast kan het land van herkomst weigeren de vreemdeling terug te nemen, vooral wanneer er onzekerheid is over de identiteit en/of nationaliteit of wanneer er geen diplomatieke samenwerking is tussen Nederland en het betreffende land van herkomst. Nederland mag voorts geen vreemdelingen uitzetten naar een land waar deze persoon risico loopt op ernstige schade. Ook juridische procedures, zoals herhaalde of opeenvolgende asielaanvragen kunnen de uitzetting vertragen of blokkeren.
Desalniettemin lukt het om VRIS-ers vaker aantoonbaar te laten vertrekken dan andere vreemdelingen uit de caseload van de DTenV. Dit komt voornamelijk doordat al tijdens de strafrechtelijke detentie aan het vertrek van VRIS-ers kan worden gewerkt.
Hoeveel criminele vreemdelingen met en zonder geldige verblijfsstatus die eigenlijk in de cel of een tbs-kliniek hadden moeten zitten lopen er vrij rond?
Alle tbs-passanten wachten in het gevangeniswezen op een plaatsing in een tbs-kliniek en lopen dus niet vrij rond, ongeacht de verblijfsstatus. Als gevolg van de capaciteitsproblematiek worden momenteel niet alle zelfmelders opgeroepen. Bij deze groep wordt niet de verblijfsstatus geregistreerd.
Wat is de exacte dagelijkse kostprijs per illegale gedetineerde, en wat is het totale bedrag dat deze 800 illegale gedetineerden de Nederlandse samenleving jaarlijks kosten? Graag een gedetailleerde berekening, inclusief gratis juridische bijstand, dagprogramma’s, medische zorg en alle overige uitgaven?
De kostprijs voor een reguliere plek binnen het gevangeniswezen is € 447,–.3
Een exacte doorvertaling naar jaarlijkse kosten is lastig te maken. Het aantal gedetineerde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf heeft door het jaar heen geen vaste omvang. Ingeschat wordt dat de jaarlijkse kosten tussen de 125 tot 130 miljoen bedragen.4
Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf die gedetineerd zijn na strafrechtelijke veroordeling hebben recht op gesubsidieerde rechtsbijstand. De kosten die voor deze groep worden gemaakt voor juridische bijstand kunnen niet uit de systemen van de Raad voor Rechtsbijstand worden gefilterd.
Hoeveel van deze 800 illegale gedetineerden komen uit islamitische landen, en hoeveel hebben een asielachtergrond? Wilt u dit exact uitsplitsen per land van herkomst en misdrijf?
Bij DJI is niet bekend hoeveel gedetineerden een asielachtergrond hebben. Er wordt niet geregistreerd of gedetineerden uit een islamitisch land komen. Daarom kan ik uw vraag niet beantwoorden.
Deelt u de mening dat het falende asiel- en migratiebeleid direct verantwoordelijk is voor deze oververtegenwoordiging van illegalen in onze gevangenissen? Bent u bereid om direct de grenzen te sluiten voor asielzoekers en immigranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij uw Kamer bekend, zet dit kabinet in op het beperken van migratie naar Nederland. De buitengrensprocedures uit het Asiel- en Migratiepact bieden hiertoe handvatten en het versterken van de Europese buitengrenzen is voor Nederland een belangrijke prioriteit. Het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen voor bepaalde doelgroepen, is echter geen realistische of wenselijke oplossing voor het complexe migratievraagstuk. Op grond van internationale verdragen en afspraken hebben alle asielzoekers recht op een eerlijke asielprocedure waarin wordt beoordeeld of zij wel of niet recht op bescherming en dus verblijfsrecht in Nederland dienen te krijgen. Als het gaat om reguliere migranten dan is er sprake van diverse criteria waar zij aan dienen te voldoen om toegang te krijgen tot Nederland. Vanzelfsprekend is elke vorm van overlast en criminaliteit volstrekt onacceptabel en zet ik samen met onder meer partijen uit de migratieketen, de politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten in op een harde aanpak van VRIS-ers. Ook zet ik me in voor het intensiveren van terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. De terugkeer van VRIS-ers zonder rechtmatig verblijf heeft prioriteit in het vertrekbeleid.
Het bericht 'Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban' |
|
Jan Paternotte (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban»?1
Ja
Bent u bekend met de recente verklaring van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, waarin hij oproept om de gedwongen terugkeer van Afghaanse vluchtelingen en asielzoekers onmiddellijk stop te zetten en waarschuwt voor een mensenrechtencrisis waarin hij wijst op willekeurige arrestaties, bedreigingen van teruggekeerde Afghanen en de ernstige onderdrukking van vrouwen en meisjes, die vrijwel volledig zijn uitgesloten van onderwijs, werk en deelname aan het openbare leven?
Ja
Hoe beoordeelt u deze oproep in relatie tot het Nederlandse beleid om Afghaanse vrouwen uit te zetten naar Afghanistan?
De fragiele mensenrechtensituatie in Afghanistan is zorgvuldig meegewogen bij de totstandkoming van het door het Ministerie van Asiel en Migratie vastgestelde landgebonden asielbeleid voor Afghanistan en wordt ook bij de individuele beoordeling door de IND steeds meegenomen. Overigens is er op dit moment feitelijk geen sprake van gedwongen terugkeer vanuit Nederland naar Afghanistan.
Deelt u de mening dat het feit dat iemand «niet verwesterd» is, geenszins betekent dat diegene geen gevaar loopt of niet het recht heeft om bescherming te vragen tegen onderdrukking of geweld tegen vrouwen?
In de Vreemdelingencirculaire (paragraaf C7.2) is opgenomen dat een Afghaanse vrouw in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel als zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet kan conformeren aan de door de Taliban opgelegde normen en leefregels en door het niet naleven van deze opgelegde normen en leefregels het risico loopt op (ernstige daden van) vervolging. In diezelfde paragraaf van de Vreemdelingencirculaire is opgenomen dat de IND daarnaast beoordeelt in hoeverre de vrouw door de Taliban opgelegde normen en leefregels dermate ernstig in haar mogelijkheden tot ontplooiing en sociale en maatschappelijke deelname wordt beperkt en welke impact dit zal hebben op haar. Bij een voldoende ingrijpende impact zal dit aanleiding geven voor een verblijfsvergunning asiel. Dat zal in het overgrote deel van de gevallen zo zijn. Verwesterd zijn is daarbij zeker geen voorwaarde. Wel kunnen verklaringen over het dagelijks leven van een asielzoeker voorafgaand aan het vertrek bij deze beoordeling een rol spelen.
Met inachtneming van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie betekent dit in de huidige beslispraktijk dat op basis van hetgeen een Afghaanse vrouw in de asielprocedure naar voren brengt wordt onderzocht of en, zo nodig, in welke mate zij stelt en aannemelijk maakt te zijn of zullen worden getroffen door de discriminerende maatregelen ten aanzien van vrouwen in Afghanistan. Als zij stelt en aannemelijk maakt door deze discriminerende maatregelen te zijn of te zullen worden getroffen, wordt in de regel een verblijfsvergunning verleend. In de praktijk is dat al snel het geval, maar dat betekent niet dat het individuele relaas er als het ware niet meer toe doet. Een Afghaanse vrouw zal tenminste naar voren moeten brengen en aannemelijk moeten maken dat zij vanwege de huidige discriminerende maatregelen niet naar Afghanistan kan en wil terugkeren.
Op welke wijze waarborgt de IND dat vrouwen die tegen hun wil naar Afghanistan worden teruggestuurd, daar veilig kunnen terugkeren?
Die waarborg is erin gelegen dat er steeds een zorgvuldige individuele beoordeling plaatsvindt tegen de achtergrond van de zorgelijke mensenrechtensituatie in Afghanistan, zoals hiervoor uiteengezet.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is om enerzijds Afghanistan internationaal ter verantwoording te roepen voor de schending van vrouwenrechten, maar anderzijds Afghaanse vrouwen vanuit Nederland terug te sturen naar datzelfde regime dat structureel alle vormen van vrijheid en veiligheid ontneemt?
Op 25 september 2024 heeft Nederland – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Met de aansprakelijkstelling zet Nederland zich samen met de genoemde staten in om naleving van internationale verplichtingen onder het Vrouwenverdrag door Afghanistan af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Deze schendingen moeten stoppen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten aanspraak kunnen maken op de rechten onder het Vrouwenverdrag. In het bijzonder moet het recht op onderwijs voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gegarandeerd. Als eerste noodzakelijke stap bij een dergelijke aansprakelijkstelling is Afghanistan uitgenodigd om in onderhandeling te treden. Momenteel is Nederland, samen met Australië, Canada en Duitsland, bezig met de organisatie van deze onderhandelingen. Over dit proces [en vragen gerelateerd aan deze internationaal-juridische procedure] kan het kabinet, in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen. Voor het huidige asielbeleid voor vrouwen in Afghanistan verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid het besluit in deze zaak te heroverwegen, gelet op de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het oordeel van de IND is verworpen?
Zoals uw Kamer bekend ga ik niet in op individuele zaken. Op dit moment bestaat er geen aanleiding het landgebonden asielbeleid te wijzigen. Op korte termijn zal een nieuw ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden gepubliceerd.
De inzet van sport en bewegen in de aanpak preventie en weerbaarheid jongeren |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de analyse dat sport en bewegen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van veiligheid en leefbaarheid in wijken en bij de aanpak om te voorkomen dat jongeren in de criminaliteit belanden?
Sport past in een breder perspectief van een zinvolle dagbesteding voor jongeren wanneer het gaat om het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Zo kan met sport een positief effect worden bereikt op bijvoorbeeld antisociaal gedrag doordat jeugdigen meer pro-sociale contacten leggen, sociale vaardigheden ontwikkelen en levenservaring opdoen.
Het in 2024 verschenen Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» (hierna: Landelijk Kwaliteitskader) stelt het volgende ten aanzien van sport en preventie jeugdcriminaliteit1: «In termen van universele preventie heeft jeugdparticipatie op het gebied van sport en cultuur een positieve werking in algemene zin waar het psychosociale problemen betreft, maar ook ten aanzien van het voorkomen van antisociaal gedrag, zoals jeugddelinquentie (Clarijs, 2014).» Met dat doel kunnen gemeenten maatregelen en interventies inzetten door gebruik te maken van sport.
Het Landelijk Kwaliteitskader stelt echter ook dat wanneer er in het leven van een jongere meerdere risicofactoren zijn en onvoldoende beschermende factoren, in die gevallen alleen deelname aan sport-gerelateerde activiteiten niet voldoende is. In zulke gevallen zijn interventies gericht op deze specifieke groep nodig, waarbij de voordelen van sport kunnen worden gebruikt om de weerbaarheid van jongeren te verhogen. Dit geldt bijvoorbeeld bij de Preventie met Gezag-gemeenten, die vooral inzetten op deze doelgroep met jongeren in een meer kwetsbare positie.
In hoeverre en op welke manier wordt de preventieve werking van sport en bewegen op dit moment benut binnen de lerende aanpak van het brede netwerk Preventie met Gezag?1
Uit wetenschappelijk onderzoek is bekend dat sport op zichzelf geen gedragsinterventie is waarmee jeugdcriminaliteit kan worden voorkomen. Er zijn echter wel gedragsinterventies die sport inzetten als middel tot gedragsverandering, in combinatie met andere werkzame bestanddelen die in gezamenlijkheid tot gedragsverandering kunnen leiden. Een voorbeeld van een bewezen justitiële gedragsinterventie met sport als middel is «Alleen jij bepaalt wie je bent» (AJB). Deze interventie wordt inmiddels ingezet in meer dan 35 gemeenten in Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk, waarbij lokaal wordt samengewerkt met het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Interventies waarvan de werkzame bestanddelen bewezen effectief zijn of die vanuit de kennis van het Landelijk kwaliteitskader als kansrijk kunnen worden bestempeld, worden via de lerende aanpak van Preventie met Gezag breed gedeeld. Dit gebeurt zowel met de gemeenten die aangesloten zijn op Preventie met Gezag als met gemeenten die niet aangesloten zijn op de aanpak.
Bent u bereid om expliciet te kijken naar hoe sport en bewegen als onderdeel van de sociale basis kan bijdragen aan het voorkomen van jeugdcriminaliteit, als aanvulling op de bestaande aanpak?
In eerste instantie zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de sociale basis in de eigen gemeente, op basis van de lokale situatie. Naast de reguliere inzet van gemeenten wordt er bijvoorbeeld via het Nationaal Programma Leefbaarheid- en Veiligheid in 19 gemeenten gewerkt aan het versterken van de leefbaarheid en veiligheid in 20 kwetsbare gebieden, waarbij het sociaal domein is betrokken. Hierbij is er ook aandacht voor het vergroten van de mogelijkheden voor sportparticipatie.
Zijn het Ministerie van VWS en de bestaande sport- en beweegprogramma’s betrokken bij de aanpak van jeugdcriminaliteit en het versterken van weerbaarheid van jongeren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid deze bij deze aanpak te betrekken?
Vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is er goed zicht op en contact met de organisaties die betrokken zijn bij sport- en beweegprogramma’s. Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid is er contact met het Ministerie van VWS over de mogelijkheden voor het inzetten van deze sportprogramma’s en interventies om de weerbaarheid van jongeren te vergroten. Er zijn interventies en lokale aanpakken die werken aan weerbaarheid van jongeren, maar (nog) niet bewezen effectief zijn. Via de site van Kenniscentrum Sport en Bewegen3 kan deze informatie worden gevonden. Twee voorbeelden van dergelijke interventies zijn Yets en Futsall Chabbab. Deze goed onderbouwde interventies zijn gericht op het verhogen van de weerbaarheid, maar bieden (nog) geen bewezen effect op de aanpak van jeugdcriminaliteit.
Binnen de lerende aanpak van Preventie met Gezag wordt kennis en ervaring gedeeld over de mogelijkheden van sportprogramma’s en interventies. Op basis van deze inzichten kunnen gemeenten de eigen inzet bepalen. Vooralsnog is enkel de preventieve gedragsinterventie AJB bewezen effectief in de aanpak van jeugdcriminaliteit.
Bent u bereid om u ervoor in te zetten om sport en bewegen meer te betrekken bij de preventieve aanpak van veiligheidsproblemen? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben ervan overtuigd dat sport en bewegen, net als mentoring voor jongeren, belangrijke onderdelen zijn van een bredere aanpak ter voorkoming van veiligheidsproblemen. Om deze reden vormen deze thema’s al geruime tijd een onderdeel van de integrale aanpak van jeugdcriminaliteit. Ik zie nu dan ook geen reden om dit verder te intensiveren.
Seksueel misbruik in de Gehandicaptenzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het item van Pointer van 1 november jl. over een veroordeelde zedendelinquent die toch zijn beroep als verpleegkundige kon blijven uitoefenen?1 Wat is uw reactie op deze uitzending?
Ja, ik ben bekend met dit item. Ik leef mee met het slachtoffer en haar naasten, daarnaast vind ik het van groot belang dat dit aan de orde wordt gesteld.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat iemand die tijdens zijn opleiding tot verpleegkundige een persoon met een beperking seksueel heeft misbruikt, waarna door de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) is geconstateerd dat er sprake is van een situatie die voor de veiligheid van patiënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, toch het beroep kan blijven uitoefenen?
Ja, deze mening deel ik.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat er wettelijke mogelijkheden bestaan voor personen die zedendelicten hebben gepleegd, in het bijzonder zedendelicten waarbij personen in een kwetsbare positie zijn betrokken, om vervolgens aan de slag te gaan in sectoren zoals de gehandicaptenzorg, waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de zorg van vaak kwetsbare mensen?
Ik begrijp dat dit tot zorgen leidt. Ik vind het ook ongewenst dat personen die zedendelicten hebben gepleegd, in het bijzonder wanneer er personen in een kwetsbare positie bij zijn betrokken, aan de slag gaan in sectoren zoals de gehandicaptensector.
Hoe reflecteert u op het feit dat het tuchtcollege geen mogelijkheden heeft voor het opleggen van een beroepsverbod indien het zedendelict heeft plaatsgevonden voor de BIG-registratie?
Laat ik in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap en de praktijk.
Het tuchtrecht is van toepassing op zorgverleners die zijn ingeschreven in het BIG-register. Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep uitoefenen, zijn andere waarborgen waaronder de Verklaring Omtrent het gedrag (VOG) aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen.
Bent u bereid om dit gat in de huidige wet- en regelgeving te dichten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) is in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat het voornemen bestaat om bij een vergunningaanvraag op grond van de Wtza voortaan standaard een VOG te vragen aan leden van de dagelijkse of algemene leiding, al dan niet voor bepaalde risicogroepen.2 Dit voornemen wordt de komende maanden inhoudelijk verder uitgewerkt met betrokkenen. Hoewel leden van de dagelijkse of algemene leiding geen zorgverleners hoeven te zijn, is dit een grote stap in de standaardisering en verbetering van de integriteitstoetsing in de zorg. Op dit moment geldt dat alle zorgverleners die zorg verlenen op grond de Wet langdurige zorg (Wlz) binnen een instelling over een VOG moeten beschikken. De VOG-verplichting geldt bij de Wlz ook voor andere personen dan zorgverleners die beroepsmatig met de cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen. Daarnaast bestaat een VOG-verplichting voor zorgverleners die als solist Wlz zorg verlenen. Tenslotte geldt een VOG-verplichting ook voor zorgverleners en andere personen die beroepsmatig met cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen die in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg zorg verlenen.
De reden om niet voor alle zorgverleners verplicht een VOG te verlangen, is dat bij de plenaire behandeling van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) aan de orde is geweest dat een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners zou leiden tot hoge kosten en administratieve lasten. Ook zou de VOG niet de garantie bieden dat de veiligheid van de zorg op orde is. Dit alles laat onverlet dat een zorgaanbieder mede in het kader van de vergewisplicht altijd een VOG van een zorgverlener kan verlangen, ook als er geen VOG-verplichting bestaat.
Hoe reflecteert u op de oproep van meerdere zorgopleidingen om de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verplichten in de hele zorgsector?
Zie antwoord vraag 5.
Herkent u het beeld dat iedere opleiding anders omgaat met verdenkingen en veroordelingen van studenten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om hierbij heldere richtlijnen te creëren? Wie is daar volgens u voor verantwoordelijk?
Ja, ik herken dit beeld. Wanneer een student wordt verdacht van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen de onderwijsinstelling of binnen de stage kan de onderwijsinstelling de student schorsen of verwijderen op grond van beroepshouding of het studentenstatuut als de veiligheid in de onderwijsinstelling in het geding is.
Deze regels gelden niet automatisch in geval van verdenkingen en veroordelingen in de privésfeer, tenzij deze een bedreiging vormen voor de veiligheid op school. Het is aan de onderwijsinstelling dan wel de desbetreffende zorginstelling om te bepalen wat te doen als er dergelijke vermoedens zijn over iemand die zijn opleiding volgt. Hier kan ik geen aanvullende richtlijnen voor creëren, omdat dit buiten mijn verantwoordelijkheid valt.
De onderwijsinstelling mag een diploma verstrekken als aan alle wettelijke eisen is voldaan. De laatste stage moet hierbij in elk geval voldoende zijn. Het kan echter wel zijn voorgekomen dat een student een negatieve beoordeling heeft gekregen bij het opdoen van een eerdere praktijkervaring in een zorginstelling. Het is daarom extra belangrijk dat onderwijs- en zorginstellingen goed met elkaar communiceren over een eventueel voorval, vooral als dit zich in de privésfeer heeft afgespeeld, en wat een passende maatregel daarbij is.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om erop toe te zien dat er tijdig wordt ingegrepen bij (vermoedens van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg?
Er bestaan verschillende waarborgen om tijdig in te kunnen grijpen bij (vermoedens van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg. Preventief werken zorgaanbieders aan een veilige meldcultuur. Dit vraagt doorlopend aandacht. Kernactiviteiten om die veilige meldcultuur te bewerkstelligen zijn bijvoorbeeld scholing voor (nieuwe) medewerkers gericht op het herkennen van signalen van grensoverschrijdend gedrag, bewustwording over het belang van melden en handelen conform intern beleid, voorlichting aan cliënten en naasten en zorgen voor bekendheid van vertrouwenspersonen voor cliënten en medewerkers.
Daarnaast zijn er vanuit wet- en regelgeving verschillende instrumentaria. Zorgaanbieders zijn vanuit de Wkkgz verplicht om een procedure te hebben voor het intern melden van incidenten. Daaronder valt ook het melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag of een vermoeden daarvan. (Zie ook de brochure van de IGJ «Het mag niet, het mag nooit», 2023.) Zorgaanbieders hebben de plicht om «geweld in de zorgrelatie» te melden bij de toezichthouder. Seksueel overschrijdend gedrag is een vorm van «geweld in de zorgrelatie».
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) heeft een handreiking «Sturen op aanpak seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving, bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting cliënten.
Kunt u een recent overzicht geven van de meldingen die in de afgelopen jaren zijn gedaan bij de IGJ over (seksueel) misbruik binnen de verschillende zorgsectoren?
In 2024 ontving de inspectie 330 meldingen over (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag, voor het grootste deel over fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag (84%)3. Het aantal meldingen verschilt per zorgsector. Er waren 90 meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg4.
Wat is er sinds 2023 gedaan om de motie Westerveld uit te voeren waarin wordt gevraagd om gespecialiseerde vertrouwenspersonen vaker langs te laten gaan bij mensen met een beperking?2 Hoeveel extra personen zijn er opgeleid?
Voor mijn reactie op de uitvoering van de genoemde motie verwijs u ik naar beide voortgangsrapportages van de Toekomstagenda6. Ik heb geen zicht op het specifieke aantal extra opgeleiden personen.
Bent u bereid om eindelijk de motie Westerveld c.s.3 uit 2023 uit te voeren waarin de regering wordt verzocht om het aantal inspecteurs voor de gehandicaptenzorg uit te breiden, eventueel door een herprioritering binnen de IGJ, zodat er proactief toezicht gehouden kan worden op alle intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven?
Met de Toekomstagenda is fors (26%) extra capaciteit (6 extra inspecteurs), specifiek voor de gehandicaptenzorg, toegevoegd aan de IGJ. Daarnaast is het eerder toegezegde transparantieregister van pgb-wooninitiatieven in ontwikkeling, waarmee ik wil bereiken dat de IGJ zicht heeft op deze initiatieven.
De stand van zaken bij de aanpak van speculatieve grondhandel |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Maatschappelijke en juridische ontwikkelingen bij de windhandel in opgeknipte agrarische percelen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Waarom is de Kamer nog steeds niet geïnformeerd over de uitkomst van het toegezegde ambtelijke onderzoek naar de aanpak van speculatieve grondhandel?2
Uw Kamer is op 20 november 2025 bij brief, mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geïnformeerd over de uitkomst van het ambtelijk onderzoek naar maatregelen om speculatieve grondhandel met opgesplitste percelen gericht op particulieren te voorkomen en tegen te gaan.3 In diezelfde brief is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een extern onderzoek naar een splitsingsverbod bij speculatieve grondhandel,4 en over een update door het Kadaster van de inzichten over de aard en omvang van de voorliggende problematiek.5
Wat is de stand van zaken van het genoemde ambtelijke onderzoek? Wanneer wordt de uitkomst met de Kamer gedeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse dat het voor consumenten niet eenvoudig is om een gesloten koopovereenkomst voor opgeknipte landbouwpercelen ontbonden te krijgen en verhaal te halen?
Een consument heeft meerdere privaatrechtelijke mogelijkheden om een met een grondhandelaar gesloten koopovereenkomst over een gesplitst perceel te vernietigen.6 Zo kan een consument zich onder andere beroepen op een oneerlijke handelspraktijk, dwaling, bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of de onbepaalbaarheid van de koop. Uit de rechtspraak blijkt dat een beroep op een oneerlijke handelspraktijk of dwaling het meest voorkomt. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk7 als de handelaar informatie heeft verstrekt die feitelijk onjuist is of de informatie op zodanige wijze heeft gepresenteerd dat de consument daardoor wordt misleid en de gemiddelde consument door die misleiding een besluit over de overeenkomst neemt, dat hij anders niet had genomen. Dit kan het geval zijn als het verkochte perceel de functie van «landbouwgrond» heeft en de grondhandelaar de – onjuiste – suggestie heeft gewekt dat een (omgevings)planwijziging op komst is, waardoor de grond een waardesprong zal maken en daarmee rendement oplevert. Bij een beroep op dwaling8 gaat het om het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, waardoor de consument een overeenkomst heeft gesloten die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. De dwaling moet te wijten zijn aan een mededeling of het zwijgen van de grondhandelaar, of beide partijen moeten van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (wederzijdse dwaling).
De consument die meent dat sprake was van dwaling of een oneerlijke handelspraktijk kan de overeenkomst vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring te doen aan de handelaar, bijvoorbeeld in de vorm van een brief, of door een procedure bij de rechter te starten. Door vernietiging verliest de overeenkomst met terugwerkende kracht haar werking. Reeds verrichte prestaties, zoals betaling van de koopsom, kunnen worden teruggevorderd als onverschuldigde betaling. Indien de consument een beroep doet op een oneerlijke handelspraktijk, rust de bewijslast voor de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie op de handelaar. Een handelaar die een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht, heeft bovendien onrechtmatig gehandeld jegens de consument en is daarmee in beginsel aansprakelijk voor de schade die de consument als gevolg daarvan heeft geleden.
Indien een consument de koopovereenkomst heeft vernietigd, is hiermee tevens een eventueel in de koopovereenkomst opgenomen boetebeding vernietigd. In de praktijk komt het namelijk voor dat een grondhandelaar een boetebeding heeft opgenomen in de koopovereenkomst met de consument. Dit beding kan bijvoorbeeld inhouden dat de consument een boete verbeurt als hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Ook komt het voor dat de grondhandelaar een beding opneemt dat inhoudt dat de consument geen beroep kan doen op ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Dit kan de koper afschrikken om gebruik te maken van zijn wettelijke mogelijkheden om af te zien van de koop. Zo’n beding doet echter niets af aan de hiervoor genoemde mogelijkheden om de koopovereenkomst te vernietigen. Ook kan de rechter onder omstandigheden een dergelijk beding terzijde schuiven op de grond dat het beding op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.9 Als het beding is opgenomen in de algemene voorwaarden kan de rechter het beding vernietigen als het onredelijk bezwarend is voor de consument.10
In aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor consumenten om van de koopovereenkomst af te komen, zullen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en ik de wenselijkheid van een wettelijke bedenktijd bij de aankoop van grond door consumenten onderzoeken. Deze verkenning is aangekondigd in de Kamerbrief van 20 november 2025. Een dergelijke wettelijke bedenktijd geldt reeds bij de koop van een woning door een particulier (consument). De consument krijgt dan gedurende drie dagen na het sluiten van de koopovereenkomst het recht de overeenkomst te ontbinden. Met een bedenktijd krijgt een consument tijd om na te denken over zijn aankoop. In die periode kan de consument de door de verkoper verschafte informatie nagaan en tevens kan de consument, wanneer deze onder druk is gezet door een grondhandelaar om een beleggingsperceel te kopen, alsnog eenvoudig van de koop afzien. Het invoeren van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond zou deze kopers dus extra bescherming kunnen bieden. In de verkenning wordt onderzocht in hoeverre een wettelijke bedenktijd een oplossing kan zijn om consumenten beter te beschermen en malafide praktijken rondom speculatieve grondhandel tegen te gaan.
Deelt u de analyse dat het versnipperen van eigendomsrechten van landbouwpercelen onwenselijk is vanuit het oogpunt van gebiedsontwikkeling?
Waar dergelijke versnippering plaatsvindt en ter plaatse tevens sprake is van gebiedsontwikkeling, is dit versnipperen onwenselijk. In het ambtelijke onderzoek is een groot aantal maatregelen rond het thema speculatieve grondhandel gericht op particulieren onderzocht en beoordeeld. Bij de beoordeling van de maatregelen is betrokken, dat op landelijke schaal de reguliere gebiedsontwikkeling nauwelijks wordt gehinderd. Het onderzoeksrapport van het Kadaster bevestigt het eerdere beeld dat het aandeel beleggingspercelen op het totaal van de landbouwgrond klein is.11 Uit het onderzoek van het Kadaster blijkt verder dat er bij speculatieve grondhandel slechts in zeer zeldzame gevallen sprake is geweest van grond die ten behoeve van een gebiedsontwikkeling weer is verkocht (of onteigend). Grondhandelaren die zich richten op particulieren wekken namelijk de – meestal onjuiste – suggestie dat een (omgevings)planwijziging met een gebiedsontwikkeling op komst is. Wanneer toch een gebiedsontwikkeling is voorzien ter plaatse van versnipperde percelen kan niet worden uitgesloten dat deze vanwege de complexiteit en het aantal eigenaren, leidt tot een vertraging in de gebiedsontwikkeling. Omdat de overheid beschikt over instrumenten als het voorkeursrecht en onteigening, staan versnipperde eigendomsposities niet per definitie in de weg aan de verwezenlijking van ruimtelijke plannen.
Kunt u, zowel kwalitatief als kwantitatief, de gevolgen van de geschetste speculatieve grondhandel voor de woningbouw duiden?
Zie het antwoord op vraag 5 alsmede de Kamerbrief van 20 november waarin de onderzoeken van het Kadaster toegelicht worden.
Hoe waardeert u de analyse van het Kadaster dat de windhandel leidt tot vervuiling van kadastrale registers, omdat voorlopige grensaanduidingen bij transacties niet opgevolgd worden door definitieve grensvaststellingen, en dat percelen hiermee de facto onverkoopbaar worden en geen rechten als overpad, erfpacht en opstal gevestigd kunnen worden?
Op deze bredere problematiek die het Kadaster schetst, ga ik in mijn brief van 20 november 2025 in. Een gedachte hierbij is om nieuwe perceelsgrenzen definitief vast te stellen voorafgaand aan de eigendomsoverdracht en inschrijving. Het ter plaatse moeten verschijnen voor een fysieke inmeting, zou de grondhandel kunnen tegengaan. Echter, dit stuit op problemen in de uitvoeringspraktijk van reguliere gebiedsontwikkeling. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar voornoemde brief. Over de problematiek rond het achterwege blijvende definitieve grensvaststelling gaat het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (verder) met het Kadaster in gesprek.
Hoe waardeert u de constatering dat de rechtspraak, de rechtswetenschap en de rechtspraktijk inmiddels het standpunt inneemt dat het aanbieden van opgeknipte kavels landbouwgrond voor handelaren een vergunningplichtige activiteit in het kader van de Wet financieel toezicht is? Wat betekent dit voor de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit is afhankelijk van de casus. Hierbij speelt het beheercriterium een cruciale rol, zoals beschreven in de Kamerbrief. Wanneer speculatieve grondhandel kwalificeert als beleggingsobject is dit reeds vergunningplichtig onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast kunnen de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Autoriteit Consument en Markt (ACM) optreden tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarbij geldt dat de AFM belast is met de handhaving voor zover sprake is van een financiële dienst of activiteit en de ACM voor zover daar geen sprake van is. Indien de toezichthouders constateren dat een grondhandelaar zich bedient van oneerlijke handelspraktijken, hebben zij diverse (handhavings)instrumenten tot hun beschikking. Zo kunnen zij onder meer een zelfstandige last, bestuurlijke boete of last onder dwangsom opleggen. De AFM en de ACM beoordelen individuele casussen op dit terrein en zullen op grond van hun mandaat optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
De gedachte de opsplitsing van grond zelf aan een vergunning te binden, of om grondhandelaren aan een vergunningstelsel te binden, is uitgebreid onderzocht. Een dergelijke maatregel is niet doeltreffend en doelmatig. In de brief van 20 november 2025 is dit nader toegelicht.
Hoe waardeert u de in het artikel genoemde voorstellen: een vergunningplicht in het kader van de Wet financieel toezicht, inzet van notarissen om oorspronkelijke verkoopprijzen te vermelden en de inzet van het Kadaster om voor kleine agrarische percelen een uitmeting van de grenzen te vereisen?
Voor het antwoord inzake een vergunningplicht verwijs ik naar antwoord 8.
Het voorstel om notarissen de oorspronkelijke verkoopprijzen te laten melden ziet op vermelding in de leveringsakte. De notaris komt namelijk in beeld indien koper en verkoper zover zijn dat ze tot de juridische levering willen overgaan. De oorspronkelijke verkoopprijs is dan pas zichtbaar nadat de koper de koopovereenkomst heeft gesloten en de notaris de leveringsakte heeft opgemaakt.
Notarissen zijn bij de uitoefening van hun ambt verplicht te voldoen aan hoge maatstaven die gelden ten aanzien van de zorg- en informatieplicht. Indien de notaris constateert dat de gesloten koop een speculatief karakter heeft, dan dient de notaris de koper daarop te wijzen en de risico’s van een dergelijke transactie aan hem uit te leggen. Hij moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil.12 Het speculatieve karakter van de transactie kan de notaris bijvoorbeeld constateren, wanneer hij een onwaarschijnlijk waardeverschil ziet tussen de aan- en verkoopprijs van de grond. Daarnaast moet de notaris onder omstandigheden zijn dienstverlening bij een onverklaarbare prijsstijging weigeren.
Ten aanzien van de inzet van het Kadaster verwijs ik naar antwoord 7. In het kader van de op landelijke schaal relatief beperkte omvang van de problematiek van deze grondhandel ligt het niet voor de hand deze rol te veranderen. In de eerdergenoemde brief wordt hier nader op ingegaan.
Hoe wilt u op korte termijn ongewenste speculatieve grondhandel inperken? Wat verwacht u daarbij concreet van betrokken partijen als de AFM, het notariaat en het Kadaster?
Ik verwijs u naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief die ik mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer heb gestuurd. De Kamerbrief van 20 november 2025 introduceert een aantal maatregelen om deze speculatieve grondhandel aan te pakken. Zo zal er online voorlichting vanuit het Rijk komen. Ook verkent de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid samen met mij de komende periode, de wenselijkheid van de invoering van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond. Daarnaast blijf ik de ontwikkelingen van deze praktijk volgen en wordt het Kadaster periodiek om een update van het aantal beleggingspercelen gevraagd.