Het gebruik van omstreden Chinese bewakingscamera’s door de Nederlandse overheid en politie |
|
Lisa van Ginneken (D66), Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u dit bericht? Kunt u het gebruik van omstreden Chinese bewakingscamera’s door de Nederlandse overheid ofwel de Nederlandse politie bevestigen?1
Ja, de Nederlandse overheid maakt gebruik van Chinese camera’s.
Kunt u verder uitweiden over de mogelijke veiligheidsrisico’s die deze bewakingscamera’s met zich mee brengen?
Het gebruik van digitale producten en diensten kan nationale veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Gelet daarop heeft de overheid onder meer beleid ontwikkeld dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. De relevante kaders en beleid zijn in het antwoord op vraag 3 geschetst. Het Ministerie van BZK zal in samenwerking met andere overheidspartijen onderzoek doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s bij het gebruik binnen de rijksoverheid van camera’s afkomstig van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Indien dit onderzoek is afgerond zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd. Specifiek voor de politie geldt dat de aangeschafte camera’s voldoen aan de gestelde eisen voor informatiebeveiliging en privacy en dat de camera’s voornamelijk zijn gericht op verkeerstoezicht. Het huidige overheidsbeleid voor inkoop en aanbesteding volgend heeft de politie zelfstandig een afweging gemaakt met betrekking tot het afnemen van deze camera’s. De politie heeft bij de aanbesteding van de camera’s en bij de toepassing daarvan geen risico’s voor de nationale veiligheid voorzien.
Is bij de afweging voor aanschaf van deze bewakingscamera’s het risico op misbruik van het camerasysteem door statelijke actoren een expliciet toetsingscriterium geweest en hoe is dat risico destijds beoordeeld?
De AIVD waarschuwt regelmatig voor de risico’s van het gebruik van hard- en software afkomstig uit landen met een offensief cyberprogramma gericht tegen Nederlandse belangen (zoals China) bij de uitwisseling van gevoelige informatie of in vitale infrastructuur2.
In relatie tot nationale veiligheidsrisico’s bestaat er overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur of programmatuur wordt volgens dit beleid rekening gehouden met zowel risico’s in relatie tot een leverancier, als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld als het gaat om de toegang tot systemen door derden. Bij elke casus wordt door de overheidsorganisatie bezien of en hoe risico’s beheersbaar kunnen worden gemaakt en of daartoe te nemen maatregelen proportioneel zijn. Afwegingen rondom de aanschaf en ingebruikname van ICT- producten en diensten zijn de eigen verantwoordelijk van de organisaties die tot aanschaf overgaan. Dat betekent dat overheidsorganisaties zelf risicoafwegingen uitvoeren voordat (digitale) producten en diensten van een leverancier, zoals beveiligingscamera’s, worden afgenomen en bepalen aan welke (beveiligings)eisen een leverancier moet voldoen om voor verlening van een opdracht in aanmerking te komen. Daarnaast geldt voor de gehele overheid voor de aanschaf van digitale producten en diensten de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). De BIO kent een risicogebaseerde aanpak met een concrete set aan eisen als ondergrens. Uitgangspunt is onder meer ook de eigen verantwoordelijkheid van overheidsorganisaties. Daarom is er geen centraal overzicht beschikbaar van Chinese camera’s in gebruik bij de overheid en eventuele risico’s die daarmee verbonden zijn en ook niet van de afwegingen die ten grondslag lagen bij de aankoop.
Tevens is er ook expliciet aandacht voor de bescherming van persoonsgegevens, die worden verwerkt bij het gebruik van beveiligingscamera’s. Deze verwerking van persoonsgegevens dient te voldoen aan de wettelijke eisen die daaraan zijn gesteld. De Algemene Verordening Gegevensbescherming bevat de regeling hiervan. Met een data protection impact assessment (DPIA) wordt in kaart gebracht of er een goede grondslag is voor de verwerking is en of de verwerking noodzakelijk en proportioneel is. Indien er in dat verband risico’s gesignaleerd worden, wordt in kaart gebracht welke maatregelen genomen worden om die risico’s aan te pakken.
Kunt u een update geven over de huidige risico’s die we momenteel lopen wat betreft Chinese invloed binnen de Nederlandse overheidssystemen zowel binnen de rijksoverheid als binnen de politie? Kunt u daarbij ingaan op de veiligheidsrisico’s die er momenteel spelen bij het gebruik van deze systemen en specifiek ingaan op de situatie omtrent bewakingscamera’s?
Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)3 geeft een overzicht van de belangrijkste dreigingen vanuit China in relatie tot de vitale infrastructuur en de (rijks)overheid. Daarbij wordt ook ingegaan op het risico op digitale spionage- en sabotagemogelijkheden via technologische toeleveringen.
Zoals hierboven aangegeven is er in lijn met deze aanpak overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Opdrachtgevers zijn zelf verantwoordelijk voor de toepassing van dit beleid, de overheid heeft geen overzicht van Chinese apparatuur en programmatuur in gebruik bij de overheid.
In de beleidsreactie op het DBSA wordt aangegeven op welke manier het kabinet met de dreiging van statelijke actoren omgaat4. In het debat met uw Kamer op 22 maart 2022 heeft de Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties en Digitalisering verder toegezegd om onderzoek te doen naar inkoopeisen en -richtlijnen op het terrein van cyberveiligheid, in het bijzonder als het gaat om producten en diensten van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Op 5 april 2022 is in aanvulling daarop door uw Kamer een motie aangenomen om bij dit onderzoek ook te kijken naar de vitale infrastructuur. Uw Kamer zal hierover na afronding van het onderzoek worden geïnformeerd. Voor wat betreft camera’s zal, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, het Ministerie van BZK in samenwerking met andere relevante overheidspartijen onderzoek doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s door het gebruik van camera’s binnen de rijksoverheid afkomstig uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland.
De VS verwijderde de Hikvision en Dahua apparatuur al in 2019 bij federale overheidsgebouwen. Heeft de Nederlandse overheid naar aanleiding van dit besluit in de VS onderzoek gedaan naar de risico’s bij het gebruik van dit soort camera’s en andere gevoelige systemen bij Nederlandse overheidsdiensten? Zo nee, wat zijn de overwegingen hierachter geweest? Wat is er in het verleden verder gedaan om dit soort risico’s te voorkomen?
Elk land of internationale organisatie maakt hierin zijn eigen afweging.
Voor Nederland geldt dat het staand beleid bij inkoop en aanbesteding is dat er per casus wordt bezien of er in relatie tot producten en diensten risico’s zijn voor de nationale veiligheid, en zo ja, of en hoe deze beheersbaar kunnen worden gemaakt. De mogelijke nationale veiligheidsrisico’s in verband met het gebruik van camera’s, die afkomstig zijn uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland, binnen de rijksoverheid zullen, zoals hierboven aangegeven, worden onderzocht.
Bent u bekend met de motie Buitenweg en Verhoeven (30821–90) uit 2019 over onderzoek naar surveillanceapparatuur van Chinese bedrijven waar geen vervolg aan is gegeven?
Daar zijn wij mee bekend. De ingediende motie van Buitenweg en Verhoeven bij het VAO Nationale Veiligheid van 25 juni 2019 is aangehouden tijdens de stemmingen van 2 juli 2019, omdat de geuite zorgpunten in een eerder toegezegde brief (in het AO Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing van 20 juni 2019) zouden worden meegenomen. In dit AO Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing heeft de ambtsvoorganger van de Minister van Justitie en Veiligheid toegezegd een brief te sturen over het gebruik van technologieën als gezichtsherkenningssoftware voor de opsporing en de daarmee gepaarde risico’s. Met de brief van 20 november 2019 (Kamerstuk 32 761 en 30 821, Nr. 152) is aan die eerdere toezegging gestand gedaan.
Direct nadat de brief naar uw Kamer is gestuurd is de politie gestart met de ontwikkeling van een inzetkader voor het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie door de politie. Met behulp van dit inzetkader kunnen plannen voor het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie juridisch en ethisch worden getoetst. Dit inzetkader zal naar verwachting nog voor de zomer van 2022 definitief worden vastgesteld, waarna het gebruik ervan binnen de politie verplicht zal zijn. Dit kader zal zowel inhoudelijke beoordelingsdimensies bevatten als de procedures die (verplicht) moeten worden gevolgd om te zorgen dat deze correct en zorgvuldig zijn toegepast.
Hoe staat u momenteel tegenover een dergelijk onderzoek?
Aanvullend onderzoek naast het hierboven aangekondigde onderzoek en bestaande trajecten zoals het inzetkader voor gezichtsherkenning wordt op dit moment niet nodig geacht. Het staande kabinetsbeleid is dat overheidsorganisaties primair zelf verantwoordelijk zijn voor het meenemen van nationale veiligheidsoverwegingen in de inkoop en aanbesteding van producten en diensten.
Bent u het ermee eens dat de rijksoverheid moet stoppen met gebruik van dit soort systemen op gevoelige plekken bij de rijksoverheid of bij de politie?
Zoals ook in het DBSA wordt benoemd en in antwoord op vraag 4 wordt gesteld, zitten aan de inzet van camera’s ook risico’s verbonden. Het is van belang dat de nationale veiligheidsrisico’s worden meegewogen bij de inkoop en het gebruik hiervan. De relevante kaders en beleid hiertoe, zoals geschetst in het antwoord op vraag 3, houden in dat er per situatie een beoordeling plaatsvindt of er in relatie tot de aanschaf van een product of dienst sprake is van (eventuele) risico’s voor nationale veiligheid en of die risico’s voldoende beheersbaar kunnen worden gemaakt.
Bent u verder bekend met het feit dat Hikvision en Dahua mogelijk worden ingezet door de Chinese overheid om Oeigoeren en andere minderheidsgroepen te onderdrukken? Hoe oordeelt u over deze associatie tussen beide bedrijven en grove mensenrechtenschendingen?
Er zijn rapporten verschenen die Hikvision en Dahua linken aan de surveillance van Oeigoeren en andere minderheden in Xinjiang5.
Daarnaast is het kabinet bekend met rapporten en getuigenissen over grove mensenrechtenschendingen in Xinjiang. Met behulp van het gebruik van big data en camera’s met gezichtsherkenning vergroten Chinese autoriteiten de controle over de bevolking.
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de mensenrechtensituatie in China, waaronder de vergaande surveillance. Het kabinet stelt deze zorgen consequent aan de orde in verschillende gremia, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband.
Kunt u een update geven over de veiligheidsrisico’s die de Oeigoerse diaspora in Nederland loopt door dit soort systemen te gebruiken? Hoe denkt het kabinet de veiligheidssituatie van deze groep en andere kwetsbare diaspora groepen te verbeteren? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de overheidssystemen die hierbij mogelijk een kwetsbare rol in spelen?
Er zijn voor zover het kabinet bekend momenteel geen aanwijzingen dat China deze camera’s gebruikt om bepaalde minderheidsgroepen in Nederland te monitoren. Mocht dit in de (nabije) toekomst wel het geval zijn, dan is er naar het oordeel van het kabinet sprake van ongewenste buitenlandse inmenging en heeft het kabinet verschillende instrumenten tot haar beschikking, zoals uiteengezet in de brief van 16 maart 2018 over de aanpak ongewenste buitenlandse inmenging6.
Klopt het dat 10 gemeenten hebben besloten de camera’s van Chinese fabrikanten te verwijderen? Zo ja, welke gemeentes waren dit en wat waren hun afzonderlijke precieze overwegingen om deze beslissing te nemen? Welke lessen trekt het kabinet hier uit voor de Nederlandse overheidsdiensten en de politie?
De VNG heeft geen inzicht in de afwegingen van individuele gemeenten over de inzet van technologie. De VNG werkt samen met gemeenten aan oplossingen om de inkoop en inzet van camera's transparanter, verantwoorder en veiliger te maken, ook in relatie tot het mensenrechtenbeleid van landen of bedrijven. Gemeenten hebben in 2019 een set algemene Principes voor de Digitale Samenleving vastgesteld en inkoopvoorwaarden gemaakt voor innovatieve technologie, welke zij in 2022 uitbreiden en actualiseren voor de inzet van technologie voor crowd-monitoring, zoals camera’s. Op het gebied van veiligheid ondersteunt de VNG gemeenten al bij de afweging en inkoop van dit soort technologie met de Gemeentelijke Inkoop bij IT Toolbox-GIBIT en de integrale risico- en privacy-analyse (IRPA).
De politie zal voor taakuitvoering op grond van artikel 3 Politiewet en/of 126 Wetboek van Strafvordering7 voor nu gebruik blijven maken van camerasystemen van Dahua, op basis van de overwegingen als aangegeven bij vraag 2.
Bij vraag 2 is daarnaast aangegeven dat het Ministerie van BZK in samenwerking met andere relevante overheidspartijen onderzoek zal doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s door het gebruik van camera’s binnen de rijksoverheid afkomstig uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland.
Naar aanleiding van de berichtgeving over Chinese camera’s heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) onderstreept dat gemeenten ethiek en publieke waarden centraal stellen bij de inzet van technologie. De VNG werkt al samen met gemeenten aan oplossingen om de inkoop en inzet van camera's transparanter, verantwoorder en veiliger te maken. Recente berichten over camera’s van Chinese leveranciers onderstrepen de urgentie ervan.
Bestaan er landelijke richtlijnen bij het gebruiken van dit soort risicovolle systemen voor gemeenten als bedrijven? Zo nee, acht u dat nodig?
Er is een instrumentarium ontwikkeld dat overheidsorganisaties helpt bij het meewegen van nationale veiligheidsrisico’s bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. De Informatiebeveiligingsdienst (IBD) van de VNG adviseert daarnaast gemeenten bij de inzet van technologie ook ten aanzien van spionage. In het kader daarvan leggen gemeenten aanvullend de nadruk op drie aandachtspunten:
Actieve versterking van het bewustzijn (onder bestuurders, managers en medewerkers) met betrekking tot de waarde van de informatie waarover zij beschikken en van de mogelijke interesse van criminelen en buitenlandse overheden.
Werken aan een veilige cultuur. Daarbij zijn gebruikers, de inrichting van gegevensstromen en databases en de gebruikte technieken voor detectie van incidenten belangrijke aandachtspunten.
Ondersteuning vanuit de fabrikant van een product door middel van software-updates vanuit de fabrikant. Na menselijke fouten ontstaan de meeste incidenten door misbruik van ongepatchte kwetsbaarheden in soft- en hardware. Het up-to-date houden van soft- en hardware verkleint niet alleen het risico op incidenten maar ook het risico op spionage door staten en criminelen.
Kunt u verder uitweiden welke maatregelen er momenteel nog meer worden genomen om Chinese spionage bij de Nederlandse overheidsdiensten en de politie te voorkomen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 wordt beschreven word in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de betreffende kabinetsreactie ingegaan op de dreiging die uitgaat van statelijke actoren, waaronder spionage door China, en de maatregelen die hiertegen worden genomen8. Daarnaast is op 28 februari jl. het wetsvoorstel uitbreiding strafbaarheid spionage in consultatie gegaan die een nieuwe bepaling aan het Wetboek van Strafrecht toevoegt. Op grond van die bepaling wordt het verrichten van handelingen ten behoeve van een buitenlandse mogendheid strafbaar indien daardoor zwaarwegende Nederlandse belangen worden geschaad. Omdat spionageactiviteiten steeds vaker digitaal plaatsvinden, wordt met het wetsvoorstel eveneens de strafmaat van een aantal computerdelicten verhoogd wanneer deze zijn gepleegd ten behoeve van een buitenlandse mogendheid.
Kunt u tot slot uitleggen wat er naar aanleiding van dit bericht concreet gaat gebeuren? Kan de Minister daarbij ingaan op waarom de Nederlandse rijksoverheid ofwel politie wel of niet gebruik zal maken van Chinese beveiligingssystemen en daarbij specifiek ingaan op de systemen van Hikvision en Dahua?
De relevante kaders en beleid, zoals geschetst in het antwoord op vraag 3, blijven van toepassing. Op basis daarvan zal binnen de overheid per situatie gekeken worden of en hoe eventuele risico’s voor de nationale veiligheid die verbonden zijn aan een product beheersbaar kunnen worden gemaakt. Zoals vermeld zal BZK in samenwerking met andere overheidspartijen onderzoek doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s bij het gebruik van dergelijke camera’s binnen de rijksoverheid. De politie zal, zoals vermeld in vraag 11, camera’s van Dahua blijven gebruiken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De Rijswijkse moordzaak |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de podcastserie van NRC-journalist Anna Korterink naar de toedracht rond de gewelddadige moord op drie leden van een amateurmuziekband op 7 maart 1985 te Rijswijk?1
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Wat vindt u van de veronderstelling dat hier sprake zou kunnen zijn van vergismoorden, omdat de Bevrijdingsraad voor Suriname en de uitgevers van de Weekkrant Suriname die ook in hetzelfde pand gevestigd waren, bekend stonden als tegenstanders van het Surinaamse regime van Desi Bouterse?
Door het onderzoeksteam in deze zaak zijn destijds verschillende scenario’s onderzocht, waaronder de mogelijkheid van vergismoorden.
Wat is uw algemene oordeel over de wijze waarop destijds onderzoek is gedaan naar deze moord? En waarom geldt na al die tijd nog steeds geheimhouding?
Als Minister geef ik geen oordeel over het onderzoek dat destijds is verricht. Van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heb ik vernomen dat de zaak toentertijd is onderzocht door een recherchebijstandsteam van zo’n 20 rechercheurs. Volgens het OM hebben zij alle in verband met dit zeer ernstige misdrijf verkregen informatie onderzocht en in dat kader verschillende scenario’s bekeken. Het onderzoek is uiteindelijk beëindigd omdat er geen aanknopingspunten meer waren of werden gezien om op door te rechercheren.
Nu het een niet-opgehelderde zaak betreft die nog onder de aandacht is van het cold caseteam van politie Den Haag, is er – met het oog op de belangen van opsporing en de privacy van slachtoffers en nabestaanden – geen aanleiding om onderzoeksgegevens openbaar te maken.
Waarom is destijds besloten om het onderzoek naar deze drievoudige moordzaak te sluiten? In hoeverre is deze beslissing beïnvloed door de mogelijke link met het toenmalige Surinaamse regime?
Het onderzoek is beëindigd omdat het geen verdere aanknopingspunten meer bevatte om op door te rechercheren. Uit de ter beschikking staande informatie is niet gebleken dat er andere redenen waren om het onderzoek te beëindigen.
Welke initiatieven zijn tot nu toe ondernomen in de richting van het herdenken van de slachtoffers van deze moorden en contact met nabestaanden?
Voor zover bekend zijn hier vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid toentertijd geen initiatieven voor ontplooid. Daarbij moet ik opmerken dat het achterhalen van mogelijke activiteiten ook wordt bemoeilijkt door het grote tijdsverloop sinds deze vreselijke gebeurtenis in 1985.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ondersteunt wel de organisatie van lotgenotencontact via Slachtofferhulp Nederland (SHN) en staat daarnaast in nauw contact met lotgenotenorganisaties zoals de Federatie voor Nabestaanden van Geweldsslachtoffers (FNG). De FNG organiseert meerdere herdenkingsbijeenkomsten per jaar waar nabestaanden samen hun dierbaren kunnen herdenken. Indien daar behoefte aan bestaat kunnen de nabestaanden van deze gebeurtenis in contact worden gebracht met genoemde organisaties.
Bent u het eens met de stelling dat er door deze podcastserie voldoende aanleiding bestaat om het justitiële onderzoek naar de ware toedracht van deze afschuwelijke moorden te heropenen en te onderzoeken of er nog strafrechtelijke vervolgstappen mogelijk zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor?
Het doen van nader onderzoek naar deze moorden is op zich mogelijk, maar heeft niet de hoogste prioriteit van het cold caseteam van de politie, nu deze feiten inmiddels verjaard zijn. Strafrechtelijke vervolgstappen behoren derhalve niet meer tot de mogelijkheden.
De oproep om Rusland uit te sluiten van INTERPOL |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van verschillende landen – waaronder het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, Nieuw Zeeland en Australië – om Rusland uit te sluiten van INTERPOL?1
Ja.
Bent u bekend met signalen dat Rusland het systeem van INTERPOL kan gebruiken om critici overal ter wereld op te jagen en te vervolgen, vaak zonder enkele vorm van bewijslast?
Ja.
Wat zijn de overwegingen van deze landen om op te roepen tot het uitsluiten van Rusland van INTERPOL?
De overwegingen voor het verzoek aan het INTERPOL Secretariaat Generaal zijn gelegen in de risico-inschatting dat, als gevolg van het conflict met Oekraïne, een grote kans bestaat dat de Russische Federatie Interpol systemen zal proberen te gebruiken voor doeleinden waarvoor INTERPOL volgens haar constitutie niet mag worden gebruikt. Het doel van de oproep van deze landen is het mogelijke misbruik van de Russische Federatie van de INTERPOL-systemen te belemmeren. INTERPOL beoogt een apolitieke en neutrale organisatie te zijn met als taak mondiaal politieorganisaties te ondersteunen bij het voorkomen en bestrijden van criminaliteit. Elke activiteit van politieke of militaire aard is in INTERPOL-verband uitdrukkelijk verboden.
Hoe denken andere Europese lidstaten over het uitsluiten van Rusland van INTERPOL?
Er zijn meerdere Europese lidstaten die een brief aan het INTERPOL Secretariaat Generaal hebben gestuurd met het verzoek te adviseren over het opleggen van preventieve dan wel corrigerende maatregelen ten aanzien van National Central Bureau (NCB) Moskou.
In hoeverre heeft u bilateraal als multilateraal contact over dit onderwerp met het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Oekraïne?
Zoals ik u eerder informeerde,2 heeft het kabinet in goed overleg met het Verenigd Koninkrijk besloten ook een brief te schrijven aan het INTERPOL Secretariaat Generaal met het verzoek om de Executive Committee van INTERPOL te adviseren over het opleggen van corrigerende maatregelen. Voorafgaand aan verzending van deze brief heeft de Minister van Justitie de brief van Oekraïne aan het INTERPOL Secretariaat Generaal met hetzelfde verzoek ontvangen en gelezen. Over dit specifieke onderwerp is geen direct contact geweest met de Verenigde Staten of Oekraïne.
Hoe vaak heeft Rusland in het verleden waarschuwingen gekregen van INTERPOL vanwege schendingen binnen het INTERPOL-systeem?
De INTERPOL-regels kennen geen rechtsbasis voor formele waarschuwingen. Als vermoed wordt dat een signaleringsaanvraag voor een notice (bijvoorbeeld een red notice, bedoeld ter lokalisering en arrestatie van een gezocht persoon) niet conform de INTERPOL-regels is opgesteld, wordt door het INTERPOL Generaal Secretariaat (IPSG) contact opgenomen met de desbetreffende National Central Bureau (NCB) en krijgt deze NCB de mogelijkheid om de aanvraag aan te vullen of te corrigeren om alsnog te voldoen aan de regels en kwaliteitseisen. Voldoet de aanvraag alsnog niet, dan wordt de notice niet door IPSG gepubliceerd.
Anders dan bij notices, kunnen lidstaten zelf zogenaamde diffusions plaatsen. Dit zijn minder formele vormen van alarmeringen, door NCB’s zelf onder een selectie van lidstaten worden verspreid. Zij worden door IPSG direct na verspreiding op conformiteit gecontroleerd en zo nodig verwijderd. Het IPSG geeft aan dat het uit hoofde van zijn mandaat met regelmaat ter monitoring en ter onderzoek van gegevensverwerking met NCB Moskou in contact treedt.
Bent u bereid om actief de oproep te steunen om Rusland uit te sluiten van INTERPOL? Zo ja, gaat u zich hier ook binnen de EU sterk voor maken?
Lidstaten kunnen niet van INTERPOL worden uitgesloten. Er kunnen wel correctieve maatregelen worden opgelegd door de Executive Committee. Het vrij gebruik van Interpol systemen wordt hiermee beknot. De Executive Committee besluit hierover op advies en na onderzoek door het Secretariaat Generaal. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft op 4 maart jl. per brief de Secretaris Generaal van INTERPOL verzocht de noodzaak tot het opleggen van corrigerende maatregelen ten aanzien van de Russische Federatie te beoordelen. Ook andere landen hebben vergelijkbare verzoeken gericht aan het INTERPOL Secretariaat Generaal. Inmiddels heeft de INTERPOL Executive Committee de maatregelen bekrachtigd, welke op 10 maart jl. in werking zijn getreden. NCB Moskou staat onder verscherpt toezicht en alle verzoeken tot plaatsing van internationale signaleringen in het Interpol-systeem afkomstig van NCB Moskou worden eerst beoordeeld door het Secretariaat Generaal en pas na een grondige toets op de regels van gegevensbescherming en gegevensverwerking verspreid onder ontvangende landen. Deze maatregelen zullen in ieder geval gelden tot de volgende bijeenkomst van de Executive Committee. Daar zal ook een analyse en evaluatie van de activiteiten van het NCB Moskou in relatie tot de INTERPOL-systemen worden gepresenteerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
50.000 opvangplekken voor vluchtelingen uit Oekraïne |
|
Henk Nijboer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA), Kati Piri (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Kuipers , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe gaat het landelijk crisisbestuur van het kabinet gemeenten ondersteunen bij het vrijmaken en het langdurig beheren van ruim 50.000 opvangplekken voor vluchtelingen uit Oekraïne door het hele land?
Zoals omschreven in de Kamerbrief van 8 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2829) zijn de veiligheidsregio’s gevraagd de realisatie van opvangplekken te coördineren. Zij werken hiervoor samen met gemeenten en lokale partners. Om gemeenten zoveel mogelijk te helpen bij het opzetten en beheren van opvanglocaties is op 13 maart jl. een voorlopige Handreiking Gemeentelijke Opvang Oekraïners opgesteld en onder gemeenten verspreid. Zie voor meer informatie hierover de Kamerbrief van 17 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2830)
Klopt het dat aangezien vluchtelingen uit Oekraïne automatisch bescherming krijgen onder de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) niet verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van deze opvangplekken? Zo ja, welke instantie gaat gemeenten dan wel ondersteunen?
Zie antwoord vraag 1.
Houdt u er, gezien het feit dat we te maken hebben met de snelst groeiende vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog, rekening mee dat de circa 50.000 opvangplekken die komende periode beschikbaar komen al op korte termijn vervuld zullen zijn?
Ja, hier houd ik rekening mee. In de Kamerbrief van 17 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2830) heb ik uiteengezet dat de voorbereidingen worden getroffen voor een nationale opvangorganisatie, als onderdeel van een Nationaal Programma Oekraïense ontheemden, dat zich, samen met maatschappelijke partners, de private sector en andere partijen, zal inzetten om voor de langere termijn opvang voor deze groep te borgen.
Bent u daarom reeds begonnen met het treffen van voorbereidingen voor het vrijmaken van tientallen duizenden additionele opvangplekken? Zo ja, op welke termijn wilt u dit realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u daarnaast reeds begonnen met het treffen van voorbereidingen op het vlak van bijvoorbeeld onderwijs, de gezondheidszorg, de woningmarkt en werkgelegenheid?
Ja, om hier zo snel mogelijk mee aan de slag te kunnen is op 9 maart jl. een structuur voor nationale crisisbesluitvorming geactiveerd. Deze structuur, die wordt gecoördineerd vanuit de NCTV, draagt zorg voor coördinatie en besluitvorming over het geheel van maatregelen en voorzieningen die in samenwerking met de betrokken publieke en private partners – met het oog op een samenhangende aanpak – moeten worden getroffen. Voor de laatste stand van zaken over de voorzieningen waarvoor ontheemden uit Oekraïne in aanmerking komen, verwijs ik u naar de Kamerbrieven van 17 en 30 maart en 6 april jl. (Kamerstuk 19 637, nrs. 2830, 2834 en 2854)
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat vluchtelingen uit Oekraïne vanaf hun aankomst in Nederland taallessen kunnen volgen? Deelt u de mening dat het particuliere aanbod van taalbureaus deze vraag niet aankan en dat er landelijke maatregelen moeten worden genomen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat ontheemden uit Oekraïne die in ons land verblijven de mogelijkheid hebben om de Nederlandse taal te leren, zodat zij vanaf de eerste periode van hun verblijf in Nederland hun weg kunnen vinden in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Daarom zijn de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs voornemens samen te werken aan de realisatie van laagdrempelige voorzieningen waar volwassenen terecht kunnen voor taalonderwijs, gecombineerd met praktische lessen die hen de weg wijzen in onze samenleving. Op dit moment worden de mogelijkheden hiertoe verkend. De mogelijke inrichting van tijdelijke voorzieningen om dit passend aanbod te kunnen leveren, wordt in de uitwerking meegenomen. Gemeenten en maatschappelijke organisaties worden hier nauw bij betrokken. Zodra hier meer over bekend is, zal uw Kamer hier nader over worden geïnformeerd.
Bent u van plan om op korte termijn in gesprek te gaan met vakbonden en werkgeversorganisaties om een plan van aanpak te maken om vluchtelingen uit Oekraïne die kunnen werken naar werk te begeleiden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, hoe bent u anders van plan om vluchtelingen uit Oekraïne actief te gaan begeleiden bij het zoeken van werk?
Het kabinet vindt het belangrijk om de ontheemden de tijd en rust te gunnen na hun vlucht. Uiteraard is het van belang dat mensen aan de slag kunnen als en wanneer zij dat willen. Gelet hierop is op 1 april 2022 met terugwerkende kracht vanaf 4 maart 2022 een vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningsplicht in werking getreden, voor vreemdelingen die onder de richtlijn tijdelijke bescherming1 vallen en arbeid in loondienst willen verrichten. Verder wordt verkend hoe deze groep gefaciliteerd kan worden in hun zoektocht naar werk. Hierbij worden vakbonden, werkgeversorganisaties, gemeenten en andere publieke en private partijen betrokken.
Zijn scholen in het primair onderwijs/voortgezet onderwijs in staat kinderen uit Oekraïne direct op te nemen in klassen? Hoe worden scholen geholpen om deze kinderen een zo goed mogelijke start te geven? Welke concrete actie wordt er momenteel ondernomen om scholen voor te bereiden?
Het is belangrijk dat kinderen die uit Oekraïne zijn gevlucht zo snel mogelijk terecht kunnen op een plek waar vormen van onderwijs geboden wordt. Op verschillende plekken zijn gemeenten en scholen samen met andere partners bezig dit onderwijs te organiseren. Op plekken gaan uit Oekraïne gevluchte kinderen al naar school. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunt scholen waar dat nodig is. Zo krijgen scholen financiële ondersteuning van het Ministerie van OCW via de nieuwkomersbekostiging. Het Ministerie van OCW werkt samen met verschillende betrokken partijen aan een plan om grote aantallen Oekraïense kinderen een goede plek in het onderwijs te bieden. Daarbij is het kabinet ook bezig met het uitbreiden van de bestaande ondersteuning.
In de komende tijd zullen er nog meer minderjarige kinderen naar Nederland komen. Dit vraagt veel van het onderwijs. Indien er voldoende ruimte is, dan verdient het de voorkeur dat Oekraïense kinderen terecht kunnen in het bestaande nieuwkomersonderwijs. Daarbij gaat het in het primair onderwijs om nieuwkomersklassen en taalklassen en in het voortgezet onderwijs om internationale schakelklassen (ISK’s). Wanneer de aantallen gevluchte Oekraïense kinderen verder toenemen, zoals de verwachting is, dan is er niet overal voldoende ruimte in het bestaande nieuwkomersonderwijs. In regio’s waar de bestaande voorzieningen, ook in een opgeschaalde variant, onvoldoende zijn, zet het Ministerie van OCW daarbij in op het opzetten van extra, tijdelijke onderwijsvoorzieningen. Zie hierover de onderwijspassage in de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mede namens onder andere de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, van 17 maart jl. Het Ministerie van OCW werkt deze opgave uit samen met betrokken organisaties en informeert uw Kamer zodra er meer duidelijkheid is over de mogelijkheden en de bijbehorende benodigde extra middelen.
Op welke manier worden instellingen in het mbo en hoger onderwijs voorbereid op de komst van jongeren uit Oekraïne? Wordt alles in gereedheid gebracht zodat deze jongeren zo spoedig mogelijk hun opleiding kunnen hervatten?
Voor jongeren en volwassenen uit Oekraïne die willen instromen in het mbo, hoger onderwijs of volwassenenonderwijs geldt dat het Ministerie van OCW momenteel ook in gesprek is met de onderwijskoepels en andere betrokken partijen om in beeld te brengen wat de noden en mogelijkheden zijn. Tot 18 jaar geldt daarbij een formeel recht op onderwijs op basis van internationale verdragen. Bovendien wordt gewerkt aan informatievoorziening richting diverse organisaties, waaronder onderwijsinstellingen.
Daarnaast geldt dat het kabinet heeft besloten om vooralsnog maximaal 2,5 miljoen euro uit te trekken voor noodsteun aan Oekraïense studenten die voor de oorlog uitbrak al in Nederland studeerden. Op dit moment geven diverse mbo-scholen, hogescholen en universiteiten noodsteun aan studenten die worden getroffen door de gevolgen van de oorlog. Omdat de instellingen niet over voldoende middelen beschikken om deze studenten tegemoet te komen, ondersteunt het kabinet deze onderwijsinstellingen.
Worden ouders en jongeren uit Oekraïne actief benaderd door gemeente of Rijk om te voorkomen dat zij zich niet aanmelden bij een school of instelling? Wordt er samengewerkt door scholen, organisaties en gemeenten op gebied van bijvoorbeeld lesmateriaal en taallessen? Welke rol ziet u hierin voor uzelf?
De gemeenten hebben een belangrijke rol bij de toeleiding van minderjarige kinderen en jongeren naar het onderwijs, zowel voor kinderen en jongeren uit gemeentelijke, als uit de particuliere opvang. Vanuit de gemeentelijke opvanglocaties worden kinderen en jongeren aangemeld op school. Het belang om kinderen aan te melden op school wordt ook benadrukt in de communicatie naar mensen die thuis Oekraïners opvangen. Het is nu belangrijk dat gemeenten, schoolbesturen en andere organisaties samenwerken om alle minderjarige kinderen en jongeren een plek in het onderwijs te kunnen bieden en hen daarnaar toe te geleiden. In veel regio’s gaat dit om een reeds bestaande samenwerking voor het bestaande onderwijs aan nieuwkomers en is het belangrijk deze samenwerking verder te inventariseren. Het Ministerie van OCW biedt po en vo scholen financiële ondersteuning en werkt uit op welke manier de bestaande inhoudelijke ondersteuning verder kan worden geïnventariseerd. Het ministerie werkt momenteel ook uit op welke wijze de verwachte grote aantallen Oekraïense kinderen en jongeren een goede plek in het onderwijs kan worden geboden, zoals benoemd in het antwoord op vraag 8. Het ministerie stemt tevens af met Ingrado met betrekking tot de rol van leerplichtambtenaren. Deze kinderen en jongeren hebben immers leer- en kwalificatieplicht, net als alle andere kinderen en jongeren die zich in Nederland bevinden. Daarnaast geldt dat deelname aan onderwijs door volwassenen op vrijwillige basis is. Gemeenten werken nauw samen met onderwijsinstellingen en andere organisaties om volwassenen die dat willen een passende plek te bieden. Daarnaast kunnen vluchtelingen zich ook direct wenden tot instellingen in het mbo en hoger onderwijs. Vanuit OCW wordt nauw samengewerkt met de onderwijskoepels en andere relevante organisaties om de behoeften en mogelijkheden, ook voor ondersteuning vanuit het Rijk, in kaart te brengen. Bij de verdere verkenning en uitwerking wordt uitgegaan van het belang om alle minderjarige ontheemden en volwassenen die dat willen in het onderwijs te laten landen.
Op welke manier worden leraren en docenten ondersteund om vluchtelingen uit Oekraïne zo goed mogelijk te kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 werkt het kabinet ook aan het uitbreiden van de bestaande ondersteuning. Momenteel kunnen scholen al terecht bij de ondersteuningsorganisatie LOWAN die wordt gesubsidieerd door het Ministerie van OCW en veel kennis en expertise heeft met betrekking tot het nieuwkomersonderwijs.
Kunt u aangeven welke maatregelen op het vlak van de volkshuisvesting worden overwogen? Kunt u daarbij aangeven of en, zo ja, welke delen van het coalitieakkoord worden heroverwogen op dit gebied?
Het is duidelijk dat de komst van grote aantallen ontheemden uit Oekraïne ook aanzienlijke huisvestingsvraagstukken met zich meebrengt. De bestaande uitdagingen in de volkshuisvesting zijn daarmee echter niet weg. Er is daarom niet zozeer aanleiding om de doelen in het coalitieakkoord en de onderliggende beleidsprogramma’s2 te heroverwegen, als wel om een sterke additionele inzet: er zal nog sneller nog meer huisvesting gerealiseerd moeten worden. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, met nauwe betrokkenheid van het Nationaal programma Oekraïense ontheemden, werken hiervoor een aanpak uit, waarbij ook oog is voor de doelen en inhoud van de verschillende beleidsprogramma’s, zoals de huisvesting van aandachtsgroepen. Uw Kamer wordt hierover zo snel mogelijk geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het tegengaan van leegstand een deel van de oplossing kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid op korte termijn de bevoegdheden van gemeenten uit te breiden om bewoning van langdurig leegstaande woningen af te dwingen?
Alle leegstaande gebouwen zijn potentiële opvang- of huisvestingslocaties. De afgelopen weken is al gebleken dat met name de makkelijk tot opvang te verbouwen gebouwen een belangrijke rol spelen. Via het Rijksvastgoedbedrijf wil ook de rijksoverheid bijdragen met eigen leegstaand vastgoed. Het is echter lokaal en regionaal waar op dit moment de afweging gemaakt moet worden of leegstaand vastgoed nodig is en of het ook geschikt is. Op dit moment maken burgemeesters al gebruik van de mogelijkheden binnen hun gemeenten. Die mogelijkheden lijken vooralsnog voldoende om de benodigde opvangplekken te realiseren. Zolang dat het geval is, ziet de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geen aanleiding voor het toekennen van zwaardere bevoegdheden.
Deelt u de mening dat het opzetten van tijdelijke flexwoningen een oplossing kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u gemeenten hierbij ondersteunen?
Ja. Tijdelijke flexwoningen kunnen een belangrijk deel van de oplossing zijn. Dat geldt ook voor prefabbouw, transformatie van bestaande gebouwen en het inzetten van leegstaand vastgoed. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, met nauwe betrokkenheid van het Nationaal programma Oekraïense ontheemden werken een aanpak uit voor de ondersteuning van alle betrokken partijen en verantwoordelijken (veiligheidsregio’s, gemeenten, provincies, corporaties, bouwers, etc.) voor de opvang en al dan niet tijdelijke huisvesting van ontheemden uit Oekraïne. Hierover wordt uw Kamer zo snel mogelijk geïnformeerd.
Welke financiële tegemoetkoming kunnen gemeenten verwachten van het Rijk wanneer zij hotels gebruiken voor de huisvesting van vluchtelingen op korte termijn?
Gemeenten krijgen een normbedrag vergoed voor opvang van 100 euro per dag per gerealiseerde opvangplek ongeacht het type opvangplek. Daar moeten onder meer de kosten van de uitvoering, verstrekkingen en de huur uit betaald worden. Mocht de norm ontoereikend zijn dan zal dat blijken uit het monitoronderzoek dat wordt uitgevoerd en zal het normbedrag opwaarts worden bijgesteld. Uitgangspunt daarbij is dat het kabinet van rijkswege de reële compensatie heeft toegezegd van de extra kosten die gemaakt zullen worden door gemeenten voor de opvang van ontheemden uit de Oekraïne en dat gemeenten er niet slechter voor komen te staan dan daarvoor.
Er komt een uitzonderingsbepaling met een mogelijkheid voor gemeenten die in de periode 1 maart tot en met 31 maart 2022 gestart zijn met de opvang. Daarin is de mogelijkheid om de werkelijke kosten van de huur van accommodaties op te voeren indien het normbedrag niet toereikend is. Bij gebruik van de uitzonderingsbepaling geldt een normbedrag van 50 euro voor de kosten die niet huur gerelateerd zijn.
Welke handvatten krijgen huisartsen aangeboden om vluchtelingen uit Oekraïne te helpen aan de juiste zorg?
Deze zaken worden op dit moment uitgewerkt. De eerste uitwerking hiervan vindt u in de brief van de Minister van VWS, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 april jl.3 en in de twee verzamelbrieven die ik u, mede namens de Minister van VWS, eerder heb gestuurd.
Hoe krijgen vluchtelingen uit Oekraïne toegang tot geboortezorg en geestelijke gezondheidszorg? Is het op dit laatste vlak haalbaar om deze zorg te bieden in het licht van de al bestaande wachttijden bij de GGZ (voor traumazorg 18 weken)?
Zie antwoord vraag 16.
Hoe worden zorgaanbieders (huisarts, GGZ, jeugdzorg en ziekenhuizen) vergoed voor de geleverde zorg aan vluchtelingen uit Oekraïne? Wordt er verwacht dat vluchtelingen dit uit eigen zak betalen of wordt dit opgevangen door de staat?
In de Kamerbrief van 17 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2830 heb ik toegelicht welke regelingen op korte termijn worden ingezet om o.a. de medische zorg aan ontheemden uit de Oekraïne te vergoeden.
De wijze waarop zorgaanbieders (huisarts, GGZ, jeugdzorg en ziekenhuizen) worden vergoed voor de geleverde zorg aan ontheemden uit Oekraïne is afhankelijk van de keuze van de ontheemde om wel of geen asiel aan te vragen.
Als de ontheemde geen asiel heeft aangevraagd dan kunnen zorgaanbieders de zorgkosten declareren bij het CAK ten laste van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. De ontheemde hoeft niets uit eigen zak te betalen. De administratieve lasten van deze regeling zijn verminderd door de aan te leveren gegevensset te minimaliseren en door het vervallen van de periode waarbinnen een melding moet worden gedaan aan het meldpunt onverzekerden.
De medische zorg aan ontheemden die asiel hebben aangevraagd komt ten laste van de Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA). Het gaat daarbij om medische zorg die in het basispakket zit. Ook dan hoeft de ontheemde niets uit eigen zak te betalen. Eventuele langdurige zorg, zoals opname in een instelling, wordt voor ontheemden uit Oekraïne ook vanuit de RMA vergoed. Dit geldt ook voor ontheemden die geen asiel hebben aangevraagd.
Als de ontheemde gaat werken, geldt de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten. De ontheemde betaalt in dat geval zorgpremie en eventueel eigen risico en eigen betalingen. Ook heeft de ontheemde recht op zorgtoeslag afhankelijk van het inkomen.
Is het mogelijk voor vluchtelingen uit Oekraïne om zich in Nederland te laten vaccineren tegen COVID-19? Wordt hiermee rekening gehouden in de vaccinatiecapaciteit van de GGD?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Stand van Zakenbrief COVID-19 van 15 maart jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 1819 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Welke maatregelen gaat u concreet nemen om te voorkomen dat vluchtelingen uit andere landen niet de dupe worden van de hulp aan vluchtelingen uit Oekraïne?
Het is van belang dat ook voor de groep asielzoekers uit andere landen dan Oekraïne aandacht blijft. Dat is waarom ik de veiligheidsregio’s heb gevraagd om naast het realiseren van 50.000 plekken voor ontheemden uit Oekraïne ook de zoektocht naar opvanglocaties voor asielzoekers te coördineren. Daarnaast heb ik uw Kamer bij brief van 30 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2834) geïnformeerd over de inzet van Rijksvastgoed om tijdelijke opvangplekken te realiseren voor de opvang van zowel ontheemden uit Oekraïne als asielzoekers.
Het bericht ‘Omstreden Chinese camera's hangen overal in Nederland, ook bij ministeries’. |
|
Ingrid Michon (VVD), Ruben Brekelmans (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Omstreden Chinese camera's hangen overal in Nederland, ook bij ministeries»?1
Ja
Klopt het dat het gaat om camera’s van de Chinese merken Hikvision en Dahua en dat zij onder andere overheidsgebouwen in beeld brengen? Zo ja, om hoeveel camera’s gaat het? Waar staan deze camera’s? Staan deze camera’s ook voor overheidsgebouwen waarbij anonimiteit belangrijk kan zijn zoals bij defensie en de inlichtingendiensten?
De Nederlandse overheid maakt gebruik van Chinese camera’s. Het is niet bekend om hoeveel camera’s het specifiek gaat. Zoals in het antwoord op vragen 4 en 5 wordt geschetst, gelden er overheidsbreed kaders en beleid voor aanschaf en gebruik van (digitale) producten en diensten, zoals camera’s, waarbij ook rekening gehouden moet worden met (eventuele) risico’s voor nationale veiligheid. Over welke beveiligingsmaatregelen al dan niet worden getroffen bij de gebouwen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en welke apparatuur daarvoor wordt gebruikt, worden in het openbaar geen uitspraken gedaan.
De politie heeft inmiddels bevestigd dat er vorig jaar bijna 700 camera’s van Dahua zijn aangeschaft2; klopt dit? Zo ja, was de politie zich al bewust van de veiligheidsrisico’s bij de aanschaf van deze camera’s? Zo ja, waarom zijn dan toch deze camera’s aangeschaft? Zo nee, kunt u een tijdlijn schetsen van de aanschaf van Chinese camera’s door de politie van de afgelopen jaren? Zo nee, waarom niet?
De politie heeft bevestigd dat het klopt dat zij circa 700 camera’s van Dahua heeft aangeschaft, die over een periode van 7 jaar zullen worden afgenomen. In de aanbesteding zijn eisen met betrekking tot informatiebeveiliging en privacy opgenomen en de inzet van de camera’s zijn voornamelijk gericht op verkeerstoezicht. De politie heeft bij de aanbesteding van de camera’s en bij de toepassing daarvan geen risico’s voor de nationale veiligheid voorzien. Voor de gehele overheid geldt onder meer voor de aanschaf van digitale producten en diensten de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). Mede gelet hierop worden hiervoor bij de inkoop en aanbesteding van digitale producten en diensten, waaronder genoemde camera’s, waarbij mogelijk veiligheidsrisico’s aan de orde zijn, eisen met betrekking tot informatiebeveiliging en privacy gesteld als voorwaarden aan de (mogelijke) opdrachtnemer. Alle merken en type camera’s die voldoen aan de gestelde eisen kunnen worden aangekocht. Op 8 juli 2020 is deze aanbesteding gepubliceerd op Tenderned. Op 27 november 2020 is deze opdracht gegund. In mei 2021 is gestart met de ingebruikneming van deze camera’s.
In hoeverre lagen bepaalde productspecificaties zoals de prijs en de veiligheid ten grondslag aan het besluit om camera’s van Hikvision en Dahua aan te schaffen en te plaatsen bij overheidsgebouwen?
In relatie tot nationale veiligheidsrisico’s bestaat er overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur of programmatuur wordt volgens dit beleid rekening gehouden met zowel risico’s in relatie tot een leverancier, als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld als het gaat om de toegang tot systemen door derden. Bij elke casus wordt door de overheidsorganisatie bezien of en hoe risico’s beheersbaar kunnen worden gemaakt en of daartoe te nemen maatregelen proportioneel zijn. Afwegingen rondom de aanschaf en ingebruikname van ICT- producten en diensten zijn de eigen verantwoordelijk van de organisaties die tot aanschaf overgaan. Dat betekent dat overheidsorganisaties zelf risicoafwegingen uitvoeren voordat (digitale) producten en diensten van een leverancier, zoals beveiligingscamera’s, worden afgenomen en bepalen aan welke (beveiligings)eisen een leverancier moet voldoen om voor verlening van een opdracht in aanmerking te komen. Daarnaast geldt voor de gehele overheid voor de aanschaf van digitale producten en diensten de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). De BIO kent een risicogebaseerde aanpak met een concrete set aan eisen als ondergrens. Uitgangspunt is onder meer ook de eigen verantwoordelijkheid van overheidsorganisaties.
Aan welke eisen, die betrekking hebben op cyberspionage, wordt getoetst bij de aanschaf van camera’s bij overheidsgebouwen? Voldoen de camera’s van Hikvision en Dahua aan deze eisen?
Zie antwoord vraag 4.
Was bij het moment van aankoop ook al bekend dat China eventueel een achterdeur in een camerasysteem van Hikvision of Dahua zou kunnen bouwen? Zo ja, welke maatregelen zijn hiertegen getroffen? Zo nee, op basis waarvan is de inschatting gemaakt dat het veilig was om deze camera’s aan te schaffen?
Het Ministerie van BZK zal in samenwerking met andere overheidspartijen onderzoek doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s bij het gebruik binnen de rijksoverheid van camera’s afkomstig van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Doordat het onderzoek zich specifiek richt op het gebruik van camera’s binnen de rijksoverheid staat het los van de aanbesteding van de politie. De toepassing van de camera’s en bijvoorbeeld de manier waarop zij in de bredere infrastructuur zijn ingebed zal per geval verschillen. Zoals ook in het antwoord op vraag 4 en 5 wordt geschetst, bestaat er overheidsbeleid dat voorschrijft dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten. Of en hoe risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar zijn, zal dus per geval worden beoordeeld door de organisaties zelf, zoals de politie, die ook eventuele maatregelen zelf nemen.
Is het technisch mogelijk voor China om mee te kijken, live of achteraf? Zo ja, hoe dan? Zo nee, is die mogelijkheid er helemaal niet of is hij sofwarematig dichtgezet?
Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)3 geeft een overzicht van de belangrijkste dreigingen vanuit China in relatie tot de vitale infrastructuur en de (rijks)overheid. Daarbij wordt ook ingegaan op het risico op digitale spionage- en sabotagemogelijkheden via technologische toeleveringen.
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 6 zal het Ministerie van BZK in samenwerking met andere overheidspartijen onderzoek doen naar mogelijke nationale veiligheidsrisico’s vanwege het gebruik binnen de rijksoverheid van camera’s afkomstig van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Bovenstaande vragen zullen bij dit onderzoek worden betrokken.
In het debat met uw Kamer op 22 maart 2022, heeft de Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties en Digitalisering verder toegezegd om onderzoek te doen naar inkoopeisen en -richtlijnen op het terrein van cyberveiligheid, in het bijzonder als het gaat om producten en diensten voornamelijk van partijen uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland. Op 5 april 2022 is in aanvulling daarop door uw Kamer een motie aangenomen om bij dit onderzoek ook te kijken naar de vitale infrastructuur. Uw Kamer zal hierover na afronding van het onderzoek worden geïnformeerd. Op de uitkomsten van het onderzoek kan nu niet vooruit worden gelopen.
Hoe groot acht de Minister de kans dat China meekijkt of mee heeft gekeken via deze camera’s? Op basis waarvan maakt de Minister deze inschatting?
Zie antwoord vraag 7.
In de Verenigde Staten is de inzet van Hikvision- en Dahua-camera’s bij overheidsgebouwen verboden. Daarnaast heeft het Europees parlement eerder besloten om camera’s van Hikvision niet meer te gebruiken. Waarom heeft Nederland hier nog niet voor gekozen?
Elk land of internationale organisatie maakt hierin zijn eigen afweging. Voor Nederland geldt dat het staand beleid bij inkoop en aanbesteding is dat er per casus wordt bezien of er in relatie tot producten en diensten risico’s zijn voor de nationale veiligheid, en zo ja, of en hoe deze beheersbaar kunnen worden gemaakt. De mogelijke nationale veiligheidsrisico’s in verband met het gebruik van camera’s, die afkomstig zijn uit landen met een offensief cyberprogramma richting Nederland, binnen de rijksoverheid zullen, zoals hierboven aangegeven, worden onderzocht.
Deelt u de mening dat bedrijven uit staten die een offensief cyberprogramma tegen Nederland uitvoeren niet geschikt zijn om camera’s te leveren die zijn opgesteld bij organisaties die een aantrekkelijk doelwit van een dergelijk offensief programma vormen?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er Europese alternatieven in de markt? Zo, ja bent u het eens met het standpunt dat het verstandig kan zijn om die in te zetten? Zo nee, bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat er Europese alternatieven zijn, ook op het gebied van technologie?
Voor Nederlandse organisaties is het wenselijk dat zij gebruik kunnen maken van kwalitatief hoogwaardige producten en diensten, ook van buitenlandse leveranciers. Nederlandse overheden blijven op verantwoorde wijze, met inachtneming van de nationale aanbestedingswetgeving, gebruik maken van de voordelen van de internationale markt voor veiligheidsapparatuur, door per situatie de risico’s voor de nationale veiligheid in kaart te brengen en dat te laten meewegen in de selectie van de betreffende aanbieder.
Desondanks kunnen er redenen zijn om bepaalde producten en technologieën in Nederland of in Europa te willen kunnen ontwikkelen en beschikbaar maken. Dit kan van belang zijn om de weerbaarheid van Nederland en de EU te vergroten, of om de EU het vereiste handelingsvermogen te geven om de eigen veiligheidsbelangen te beschermen. Dit kan via verschillende maatregelen: van handelsverdragen met gelijkgezinde landen, tot het direct stimuleren van de eigen industrie. Hierbij verwijzen wij dan ook graag naar de brief aan uw Kamer over onderzoek naar strategische afhankelijkheden en kwetsbaarheden in Nederland, waar dieper ingegaan wordt op de beleidsopties om onze weerbaarheid te versterken.4
Bent u het ermee eens dat we de cyberdreiging vanuit China serieus moeten nemen en daarom kritisch moeten kijken naar de aanschaf en inzet van niet Europese hardware en software voor gevoelige zaken zoals het filmen van overheidsgebouwen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze dreiging moet serieus worden genomen. De AIVD waarschuwt regelmatig voor de risico’s van het gebruik van hard- en software afkomstig uit landen met een offensief cyberprogramma gericht tegen Nederlandse belangen (zoals China) bij de uitwisseling van gevoelige informatie of in vitale infrastructuur. Het is van groot belang dat we ongewenste activiteiten van statelijke actoren tegengaan. Daarom werken we aan een aanpak om de weerbaarheid tegen statelijke dreigingen te verhogen. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de kabinetsreactie hierop wordt nader ingegaan op deze dreiging en de maatregelen die we hiertegen nemen5. Verder verwijzen wij u naar het antwoord op vraag 4 en 5, waarin wordt ingegaan op de relevante kaders en beleid binnen de rijksoverheid als het gaat om aanschaf en gebruik van (digitale) producten en diensten.
Hoe verhoudt het antwoord op de Kamervragen van het lid van Helvert (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2020–2021, nr 2310), die de Kamer zijn toegezonden op 13 april 2021 (waarin staat dat het kabinet de Europese Commissie, de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) en het Europees parlement heeft gewezen op de kwetsbaarheid van het gebruik van Hikvision-camera’s) zich tot het gebruik van camera’s van dit bedrijf door Nederlandse ministeries zelf? Zou het kabinet deze waarschuwing niet ook aan zichzelf moeten richten?
In hoeverre er bij het gebruik van camera’s van bijvoorbeeld Hikvision en Dahua sprake is van nationale veiligheidsrisico’s die met concrete beheersmaatregelen gemitigeerd kunnen worden is onderwerp van het in het antwoord op vraag 6 genoemde onderzoek.
Kunt u uitsluiten dat deze camera’s een veiligheidsdreiging vormen voor de Oeigoerse diaspora in Nederland? Welke veiligheidsmaatregelen heeft u hiertoe genomen of bent u voornemens te nemen?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen van de leden Dekker-Abdulaziz en Van Ginneken, zijn voor zover ons bekend er momenteel geen aanwijzingen dat China deze camera’s gebruikt om bepaalde minderheidsgroepen in Nederland te monitoren. Mocht dit in de (nabije) toekomst wel het geval zijn, dan is er naar het oordeel van het kabinet sprake van ongewenste buitenlandse inmenging en heeft het kabinet verschillende instrumenten tot haar beschikking, zoals uiteengezet in de brief van 16 maart 2018 over de aanpak ongewenste buitenlandse inmenging6.
Bent u bekend met het feit dat de Amerikaanse overheid heeft verboden te investeren in Hikvision vanwege de banden van het bedrijf met het Chinese leger? Heeft u hierover contact gehad met Amerika, met name in het kader van mogelijke veiligheidsdreigingen? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Het kabinet is bekend met het besluit van 9 oktober 2019 om Hikvision op de zgn. Entity List te plaatsen omdat Hikvision volgens de VS het mogelijk maakt dat er mensenrechtenschendingen plaatsvinden in Xinjiang. Als gevolg van deze listing zijn Amerikaanse toeleveranciers verplicht om vergunningen aan te vragen voordat ze handelen met Hikvision. Europese en Nederlandse sanctiewetgeving voorzien niet in de mogelijkheid van een Entity List. Nederland erkent de risico’s van het gebruik van cybersurveillance items in relatie tot schendingen van mensenrechten en het internationaal humanitair recht, blijkens ons exportcontrolebeleid, en werkt hierop nauw samen met de VS, zowel bilateraal als in EU-verband.
Bent u bereid om met China in gesprek te treden over het belang van privacy- en veiligheidsstandaarden in technologie en dat toegang van de Chinese staat tot gevoelige data niet acceptabel is?
Nederland en de EU spreken in verschillende verbanden, waaronder binnen de VN, met China over dataveiligheid. Centraal hierbij staat de bescherming van privacy, zoals het voldoen aan eisen, zoals neergelegd in de AVG, bescherming van mensenrechten en het tegengaan van ongepaste toegang van overheden tot datagegevens. Zoals aangegeven in de Notitie «Nederland-China: Een nieuwe balans» (Kamerstuk 35 207, nr. 1) staat het kabinet achter striktere handhaving en sterker uitdragen van bestaande standaarden en normen, zoals de Europese regelgeving op het gebied van data, bescherming van persoonsgegevens en privacy en productveiligheid.
De situatie aan de grens met Oekraïne |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Mirjam Bikker (CU), Kati Piri (PvdA), Don Ceder (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u onze zorgen over de toenemende geluiden van mensenhandel van Oekraïense vluchtelingen en de specifieke zorgen van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR) over het welzijn van alleenstaande kinderen?1
Het kabinet deelt in algemene zin de zorgen van UNHCR over signalen van mensenhandelaren in Europa die misbruik maken van kwetsbare personen, inclusief alleenstaande kinderen die uit Oekraïne vluchten. Wat betreft de positie van alleenstaande kinderen verwijst het kabinet u naar de beantwoording van vraag 2, 3 en 4. In antwoord op vraag 6 wordt in gegaan op de situatie in Nederland.
Onderschrijft u de oproep van de UNHCR om alleenstaande en alleenreizende kinderen te identificeren, registreren en een veilige plek te bieden om te voorkomen dat zij ten prooi vallen aan geweld, misbruik of uitbuiting?
Het kabinet deelt de opvatting van UNHCR om mensenhandel- en smokkel zoveel mogelijk te voorkomen. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hebben deze zorgen ook aan de orde gesteld tijdens gesprekken met de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen Grandi en Directeur-Generaal Vitorino van International Organisation for Migration (IOM) in resp. maart en mei jl. Daarnaast heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tijdens het Commissiedebat Noodhulp op 14 april jl. toegezegd te verkennen hoe Nederland kan bijdragen aan betere bescherming en het bereiken van kwetsbare groepen. De Kamer wordt hier nog schriftelijk over geïnformeerd. In dat kader onderschrijft het kabinet het belang van een zo goed mogelijke identificatie, registratie en opvang van alle personen die uit Oekraïne vluchten op dit moment, en met name van kinderen vanwege hun kwetsbaarheid.
Bent u bereid te komen tot spoedoverleg in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-raad) en met Eurocommissaris Johansson over het voorkomen van mensenhandel bij de grensovergangen met Oekraïne en in te zetten op toezicht aan de grenzen op het voorkomen van mensenhandel, de bescherming van alleenstaande en alleenreizende minderjarigen, het creëren van bewustwording onder vluchtelingen (in het bijzonder vrouwen en kinderen) van de risico’s op mensenhandel en het beschermen van vluchtelingen tegen mensenhandel?
Tijdens de JBZ-raad van 3 en 4 maart jl. heeft het kabinet aandacht gevraagd voor betrokkenheid van Europese autoriteiten bij het tegengaan van mensenhandel en -smokkel, en voor het belang daar actief interventies op te plegen. Het kabinet zal dit blijven aankaarten in Europese contacten. Tijdens de JBZ-raad van 28 maart jl. heeft de Commissie een 10 puntenplan Oekraïne gepresenteerd waarin de aanpak van mensenhandel ook een onderdeel is.2 Op 9 maart en 1 april jl. heeft de Anti-Trafficking Coördinator van de Europese Commissie ad hoc vergaderingen georganiseerd, waar Nederland actief aan deelnam. Hier is informatie uitgewisseld over de situatie in Europa, met name in de grenslidstaten en de buurlanden van Oekraïne.
Op 11 mei jl. heeft de Europese Anti-Trafficking Coordinator, in samenspraak met de Europese Lidstaten, een «Anti-Trafficking Plan Ukraine» gepresenteerd om die aanpak vast te leggen3.
EuropOL monitort de situatie nauwlettend. Daarbij is in het bijzonder aandacht voor kwetsbare groepen. De gevolgen van het uitbreken van de oorlog voor georganiseerde criminaliteit zijn momenteel nog niet exact duidelijk. Het kabinet zet dan ook, juist op Europees niveau, in op ontwikkelen van een gemeenschappelijk beeld – zodat ook effectieve gezamenlijke interventies kunnen worden gepleegd.
Tevens is er contact tussen de lidstaten via het operationele samenwerkingsverband in het kader van de bestrijding van mensenhandel, European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats – Trafficking of human beings (EMPACT-THB). Onder coördinatie van Spanje wordt ingezet op versterken van de gemeenschappelijke informatiepositie, uitwisseling van ervaringen, preventie en bewustwording. Nederland is als eindverantwoordelijke van EMPACT-THB nauw betrokken. Europol, Eurojust en Frontex ondersteunen dit initiatief. Daarnaast vindt er afstemming plaats tussen EMPACT-THB en het Nationaal Rapporteurs Netwerk van de Europese Commissie en de lidstaten waar het onderwerp mensenhandel beleidsmatig op de agenda staat en waaruit het eerder genoemde Anti-Trafficking Plan is voortgekomen. Ook is Moldavië betrokken bij de gezamenlijke aanpak van mensenhandel via EMPACT-THB. Zij kunnen ook informatie delen met Europol.
Bent u tevens bereid om aan te dringen op Europese coördinatie om vluchtelingen uit Oekraïne, voornamelijk kinderen en vrouwen, te beschermen tegen mensenhandel en de EU-grenslanden en Moldavië daarin te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid tot spoedoverleg met de EU-Coördinator mensenhandel om te komen tot concrete acties aan de grenzen om vluchtelingen te beschermen tegen mensenhandelaren?
Zie antwoord vraag 3.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om zich in te spannen om te voorkomen dat vluchtelingen slachtoffer worden van mensenhandelaren? Op welke wijze is ook in Nederland bij opsporingsinstanties en hulpverlening oog voor mogelijk slachtofferschap, in het bijzonder in branches waar seksuele uitbuiting en/of arbeidsuitbuiting vaker voorkomt?
Het kabinet is in voortdurend overleg met overheidspartijen en NGO’s binnen het domein mensenhandel. Het Expertisecentrum Mensensmokkel en Mensenhandel (EMM) stelt een terugkerend nationaal (met aandacht voor de Europese situatie) Strategisch Intelligence Beeld op als het gaat om mensenhandel en mensensmokkel omtrent ontheemden vanuit Oekraïne. Het EMM is een samenwerking tussen de Politie, de Koninklijke Marechaussee, de Nederlandse Arbeidsinspectie, de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het Openbaar Ministerie. Zoals vermeld in het beeld van het EMM (d.d. 26 april 2022) zijn er op dit moment enkele tientallen incidenten geregistreerd waarbij sprake is van verdachte gedragingen. Deze registraties hebben onder meer betrekking op aangetroffen Oekraïense sekswerkers en personen die Oekraïense ontheemden benaderen op stations, in opvangcentra of op sociale media.
Dit heeft vooralsnog tot één opsporingsonderzoek naar seksuele uitbuiting geleid. Daarnaast is er een aantal van die concrete meldingen bij CoMensha binnengekomen van ontheemden uit Oekraïne die mogelijk slachtoffer zijn geworden van mensenhandel. CoMensha biedt de nodige ondersteuning aan deze personen.
De organisaties betrokken bij de opvang zijn eveneens alert op signalen van mensenhandel- en smokkel. Zo wordt in de Handreiking Gemeentelijke Opvang Oekraïners en de handreiking particuliere opvang Oekraïners hier aandacht aan besteed en zet het kabinet tevens in op bewustwording van ontheemden zelf middels informatiebrochures. Deze informatiebrochure wordt gedeeld in verschillende relevante overlegstructuren, maar ook met relevante ketenpartners zoals Veilig Thuis en de VNG. Ook tijdens de reis met de trein en bij aankomst in Nederland worden de ontheemden door middel van flyers over risico’s op uitbuiting geïnformeerd. Op de servicepunten van bepaalde NS-stations krijgen zij van de medewerkers van het Rode Kruis de flyer van CoMensha in het Oekraïens.
Het gebrek aan een planning rond afspraken over eergerelateerd geweld en zelfbeschikking uit het coalitieakkoord |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de planningsbrieven van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Justitie en Veiligheid die recent met de Tweede Kamer zijn gedeeld?1
Ja.
Deelt u de mening dat een belangrijke opdracht uit het coalitieakkoord niet of nauwelijks worden genoemd, namelijk die tegen eergerelateerd geweld en voor zelfbeschikking?
Nee, ik deel de mening niet dat de inzet op zelfbeschikking ontbreekt in de planningsbrieven. In de planningsbrief die ik uw Kamer heb toegestuurd, wordt aangegeven dat ik uw Kamer op zijn laatst na de zomer zal informeren over een preventieve aanpak waarbij – samen met onder meer zelforganisaties en ngo’s – gewerkt wordt aan «verandering van binnenuit» in gesloten gemeenschappen ter bevordering van het recht op zelfbeschikking, mede naar aanleiding van een aantal amendementen2.
Deze preventieve aanpak ter bevordering van zelfbeschikking werk ik uit in een meerjarig programma. Hierbij wil ik inzetten op het vergroten van bewustwording van mensen van het recht op zelfbeschikking en op het in gang brengen van een mentaliteitsverandering binnen gesloten gemeenschappen. Ik wil bijdragen aan de bewustwording van mensen dat iedereen zelf mag bepalen hoe zij het leven naar eigen inzichten invullen. Hier hoort ook het bieden van handelingsperspectief bij om eigen keuzes te kunnen maken over onder meer opleiding, werk en vrije partnerkeuze
Deze aanpak is onderdeel van een brede interdepartementale aanpak waarbij ik samenwerk met mijn collega’s van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor Rechtsbescherming, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Buitenlandse Zaken zoals vermeld in de Actieagenda Schadelijke Praktijken. Deze actieagenda is onder het vorige kabinet op 18 februari 2020 naar uw Kamer verstuurd. Zoals in deze actieagenda is aangegeven, willen we zorgen dat er minder (potentiële) slachtoffers komen van schadelijke praktijken, dat slachtoffers beter worden bereikt en geholpen, professionals en omstanders worden ondersteund en daders aangepakt. Uw Kamer wordt voor het einde van de zomer geïnformeerd over de inzet van het huidige kabinet voor de komende jaren.
Kunt u uiteenzetten welke voortgang het kabinet deze regeerperiode wil boeken op het terrein van culturele onderdrukking binnen gesloten gemeenschappen waaronder het tegengaan van huwelijksdwang, achterlating, huwelijkse gevangenschap, gedwongen leven in isolement (zoals de schrijnende situatie van honderden verborgen vrouwen) het verbeteren van de situatie van LHBTI-ers en eergerelateerd geweld en welke planning hierbij hoort?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om medeplichtigen van eergerelateerd geweld zwaarder te gaan straffen?
In de zesde voortgangsrapportage Geweld hoort nergens thuis3 is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop omgegaan wordt met medeplichtigen van eergerelateerd geweld. Uit het onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de motie van Van Wijngaarden en Peters blijkt dat medeplichtigen van eergerelateerd geweld op basis van de verschillende deelnemingsvormen al vervolgd kunnen worden. Indien het delict met voorbedachte rade is gepleegd en dit bewezen kan worden, leidt dit tot een zwaardere strafeis. De huidige juridische bepalingen bieden voldoende mogelijkheden voor vervolging van medeplichtigen. De Kamer zal om die reden geen voorstel ontvangen.
Kunt u uiteenzetten welke voortgang het kabinet deze regeerperiode wil boeken op het gebied van het tegengaan en voorkomen van genitale verminking en welke planning hierbij hoort?
Vrouwelijke genitale verminking (hierna: VGV) is een ernstige vorm van mishandeling en strafbaar in Nederland. Zoals per brief met uw Kamer gedeeld op 18 maart 2021, zijn er onder de actieagenda schadelijke praktijken verschillende maatregelen genomen om schadelijke praktijken, waaronder VGV, te voorkomen en tegen te gaan.4
Met een driejarige subsidie vanuit VWS aan Federatie van Somalische Associaties in Nederland (FSAN) worden nieuwe sleutelpersonen opgeleid en krijgen bestaande sleutelpersonen bijscholing over de verschillende vormen van schadelijke praktijken, waaronder VGV. Jaarlijks worden 150 huiskamergesprekken gevoerd door sleutelpersonen en hiermee worden minimaal 900 ouders die in deze potentiële doelgroep kunnen vallen geïnformeerd over schadelijke praktijken.
Er wordt een brede voorlichtingscampagne over de verschillende vormen van schadelijke praktijken ontwikkeld. Pharos ontvangt hiervoor subsidie en werkt hiermee samen met kennispartijen en kleine (zelf)organisaties die deel uitmaken van de relevante gemeenschappen. Daarnaast voert Pharos een aantal andere maatregelen uit. Het betreft het opzetten van e-learnings voor professionals in de zorg (zoals huisartsen, gynaecologen en verloskundigen) en justitie (zoals de politie en het OM) zodat signalen eerder en beter herkend kunnen worden.
Voor het tegengaan van VGV speelt Pharos ook een rol in de implementatie van de leidraad «Medische zorg voor vrouwen en meisjes met vrouwelijke genitale verminking (VGV)» en het verbreden van de registratiesystemen in de Jeugdgezondheidszorg voor het verbeteren van de signalering van VGV.
Het Ministerie van VWS heeft laten onderzoeken in hoeverre (dreigende of gerealiseerde) VGV wordt gesignaleerd door professionals, met als doel om de totale groep van (potentiële) slachtoffers beter door professionals in beeld te brengen. Dit onderzoek is met uw Kamer gedeeld op 18 juni 2021.5 Zo benadrukt het rapport dat het karakter van VGV als vorm van geweld éénmalig is met zeer ernstige gevolgen, wat – in het eenmalige karakter – verschilt van andere vormen van huiselijk geweld. In de periode voordat de besnijdenis plaatsvindt is de dreiging acuut, maar zijn de signalen moeilijk zichtbaar.
Er zijn hiermee belangrijke stappen gezet, op basis waarvan we ons de komende jaren blijven inzetten voor het voorkomen en tegengaan van VGV. Het kabinet zal uw Kamer voor het einde van de zomer informeren over de voorgestelde inzet op schadelijke praktijken, waaronder VGV, voor de komende jaren. De uitkomsten en aanbevelingen uit het rapport over VGV nemen we hierin mee.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om met preventieve gerechtelijke beschermingsbevelen te gaan werken om te voorkomen dat vrouwen worden meegenomen naar het buitenland?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de inzet op schadelijke praktijken, waaronder ook de inzet op preventieve gerechtelijke beschermingsbevelen.
Kunt u uiteenzetten welke voortgang het kabinet deze regeerperiode wil maken op het terrein van integratie, het tegengaan van parallelle samenlevingen en het tegengaan van radicalisering en welke planning hierbij hoort?
In het inburgeringsbeleid is zelfbeschikking één van de kernwaarden, waaraan aandacht wordt besteed tijdens de kennisoverdracht inzake de basiswaarden en fundamentele vrijheden van de Nederlandse samenleving. Dit komt aan de orde via de voorbereiding van het examenonderdeel Kennis Nederlandse Maatschappij en in het participatieverklaringstraject.
Zoals aan uw Kamer is aangegeven in mijn brief van 19 november jl6, heeft Femmes for Freedom voorlichtingsmateriaal ontwikkeld over zelfbeschikking voor onder meer vrouwen, LHBTI+-personen en nieuwkomersgroepen in het algemeen. Dit pakket is op 3 februari jl. gelanceerd. Het pakket bestaat onder meer uit een gids voor nieuwkomers en verschillende animaties over onderwerpen als huwelijksdwang, eergerelateerd geweld en eigen studie- en partnerkeuze. Het materiaal is in meerdere talen beschikbaar, zowel in geschreven als gesproken vorm. Ook heeft Femmes for Freedom voorlichtingslessen ontwikkeld die door docenten en andere professionals inburgering kunnen worden gegeven. De materialen worden verspreid naar gemeenten en AZC’s.
We willen dat iedereen in Nederland vrij kan zijn om eigen keuzes te maken binnen de grenzen van de rechtsstaat. Dit vraagt om een weerbare en veerkrachtige samenleving. Zoals aangegeven in de Kamerbrief over beleid preventie radicalisering van 19 november jl.7 werkt SZW op verschillende manieren aan het tegengaan van parallelle samenlevingen en radicalisering door voedingsbodems voor radicalisering weg te nemen. Hierbij zetten we in op het aanpakken van maatschappelijke spanningen en op het vergroten van de veerkracht en weerbaarheid van groepen en personen die extra ontvankelijk kunnen zijn voor spanningen en extremistische boodschappen. Zo verminderen en voorkomen we aantasting van de sociale stabiliteit.
In deze aanpak ondersteunt SZW gemeenten in hun lokale integrale aanpak door middel van adviesgesprekken, met de toolkit Evidence Based Werken en financiële ondersteuning via de Versterkingsgelden. SZW geeft ook training en advies aan professionals en gemeenschappen waarbij wordt ingezet op het vergroten van bewustwording, van kennis en handelingsperspectieven.
Uitgangspunt in deze lokale integrale aanpak zijn interventies die bewezen effect hebben op het voorkomen van radicalisering, zoals opvoedondersteuning, trainingen en coaching voor kwetsbare jongeren, theaterinterventies en jeugdwerk gericht op preventie radicalisering.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om een meldplicht voor medewerkers in de zorg en het onderwijs in te voeren bij eergerelateerd geweld, huwelijksdwang of vrouwelijke genitale verminking?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 ontvangt uw Kamer een brief met daarin een voorstel voor de inzet van het kabinet op schadelijke praktijken voor de komende jaren. Een plan van aanpak om signaleren en melden van eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en vrouwelijke genitale verminking door professionals te vergroten, zal hierin worden meegenomen, met daarin een uiteenzetting van het voornemen om een meldplicht in te voeren voor medewerkers in de zorg en het onderwijs.
Welke voortgang wilt u, al dan niet in samenwerking met het Ministerie van Financiën, deze regeerperiode maken op het gebied van financiële zelfredzaamheid van vrouwen en welke planning hoort hierbij?
Het bevorderen van de financiële onafhankelijkheid van vrouwen is een belangrijke pijler binnen het emancipatiebeleid van dit kabinet. Het zorgt niet alleen voor meer gendergelijkheid over de hele linie, maar geeft vrouwen de vrijheid om hun eigen keuzes en hun talenten te ontplooien. De exacte maatregelen legt dit kabinet vast in de Emancipatienota, die uw Kamer rond het zomerreces ontvangt.
Daarnaast is het voor financiële zelfredzaamheid van vrouwen belangrijk dat zij zelf hun geldzaken begrijpen en kunnen beheren. Om goed mee te kunnen doen in onze samenleving, heb je taal- reken-, digitale en financiële vaardigheden nodig. Wie niet, of onvoldoende, over deze basisvaardigheden beschikt is vaak minder zelfredzaam, en heeft minder participatie- en ontwikkelingsmogelijkheden. In Nederland vinden we dat iedereen de kans moet krijgen om mee te doen, om te werken, een opleiding te volgen, te stemmen, en gezond door het leven te gaan. Daarom is het actieprogramma Tel mee met Taal van de Ministeries van OCW, BZK, SZW en VWS in het leven geroepen.
Voor mensen met geldvragen en geldzorgen zijn in veel gemeenten vrijwilligersorganisaties actief, zoals Schuldhulpmaatje en Humanitas. Verder hebben diverse gemeenten laagdrempelige loketten voor vragen, zoals de buurtteams die in veel gemeenten actief zijn, of specifieke loketten voor geldvragen.
Tot slot zal in het meerjarig programma gericht op zelfbeschikking dat ik – als onderdeel van de Actieagenda Schadelijke praktijken en in vervolg op de amendementen van lid Becker over dit onderwerp – naar uw kamer zal sturen specifieke aandacht uitgaan naar acties gericht op het verhogen van de financiële weerbaarheid van vrouwen die in afhankelijkheidsrelaties zitten in gesloten gemeenschappen.
Wanneer kan de Kamer een voorstel tegemoet zien om de bij afgelopen begrotingsbehandeling structureel gemaakte post van 300.000 euro uit het integratiebudet jaarlijks in te vullen voor ondersteuning en hulp rond genoemde thema’s?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de inzet op schadelijke praktijken waaronder ook over een meerjarig programma gericht op de bevordering van zelfbeschikking.
Deelt u de mening dat de genoemde onderwerpen heel belangrijk zijn en volop aandacht van de bewindspersonen moeten krijgen en voorkomen moet worden dat door versnippering en verdeling tussen ministeries deze zaken onvoldoende prioriteit krijgen?
Zoals is aangegeven in de voortgangsbrief van 18 maart 2021 over de Actieagenda Schadelijke Praktijken is er sprake van een heldere aansturing inzake de uitvoering van de Actieagenda schadelijke praktijken. Ons gezamenlijke doel is om schadelijke praktijken eerder en beter in beeld te krijgen, te stoppen en duurzaam op te lossen. Het kabinet vindt het onacceptabel dat praktijken als huwelijksdwang en eergerelateerd geweld nog in Nederland voorkomen. Daarom zetten wij via de maatregelen uit de Actieagenda stevig in op preventie, vroegsignalering, hulpverlening en repressie.
De verschillende departementen dragen elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid bij aan de aanpak van schadelijke praktijken. Gedurende de looptijd van de actieagenda is de Staatssecretaris van VWS de coördinerend bewindspersoon. Ik ben van mening dat de coördinatie tussen de departementen hiermee op een goede manier vorm krijgt.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaande aan het commissiedebat Inburgering en integratie van 30 maart aanstaande?
Ja.
Het bericht dat de clouddienst Microsoft niet gebruikt kan worden voor de uitwisseling of opslag van gevoelige of bijzondere persoonsgegevens |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over dit bericht? Kunt u daarbij ingaan op het feit dat Amerikaanse inlichtingendiensten Microsoft en andere Amerikaanse clouddiensten kunnen dwingen om op basis van wetgeving data van Nederlandse burgers te overhandigen?1
Het is goed dat dit soort grootschalige Data Protection Impact Assessments (DPIA´s) op veelgebruikte diensten, zoals in dit geval die van Microsoft, op verzoek van onder meer het Rijk worden uitgevoerd en breed beschikbaar worden gesteld. Op deze manier hebben organisaties in de samenleving baat bij het verrichte werk.
Daarbij is van belang te benadrukken dat de DPIA niet indiceert dat er geen gebruik meer gemaakt kan worden van de onderzochte diensten van Microsoft. Er worden risico’s gesignaleerd die raken aan de toegang tot overheidsdiensten, maar ook oplossingen geïdentificeerd om dit risico te mitigeren. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruik van eigen encryptiesleutels die door de organisatie zelf – en dus niet door Microsoft – worden beheerd.
Er kunnen op basis van de DPIA over deze clouddienst geen algemene conclusies worden getrokken over alle Amerikaanse clouddiensten en de relatie met inlichtingendiensten. Per dienst kan immers verschillen wat de specifieke risico´s van gegevensoverdracht zijn. Als het gebruik van een dienst een gegevensoverdracht meebrengt is het belangrijk in kaart te brengen wat de specifieke risico´s zijn en deze te mitigeren. Om dat goed te doen kunnen partijen een zogeheten Data Transfer Impact Assessment (DTIA) uitvoeren. De wetgeving in het land waar de gegevens naartoe gaan speelt daarbij een belangrijke rol.
Wat meer algemeen wel van belang is om te benadrukken is dat de toegang tot gegevens van Europese burgers door Amerikaanse overheidsdiensten een belangrijke rol speelt in het Schrems-II arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Daarin heeft het HvJEU het «adequaatheidsbesluit»2 voor de VS ongeldig heeft verklaard, onder meer vanwege zorgen omtrent overheidstoegang tot persoonsgegevens in de VS. Recent is er door de Europese Commissie en de VS een principeakkoord gesloten welk de basis zou kunnen vormen voor een nieuw adequaatheidsbesluit.3 Onderdeel daarvan is onder meer dat de VS stappen zal zetten om de privacy van Europese burgers te beschermen.4 In de komende maanden zal duidelijk worden welke precieze maatregelen de VS zal nemen.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft aangegeven dat het opnemen «standard contractual clauses» het ontbreken van adequaatsheidsbesluit voor internationale doorgifte kan ondervangen.5 Voor relevante Microsoft (cloud)diensten en recent ook Google Workspace is dit door SLM Rijk ook gedaan.
Als laatste wil ik onder de aandacht brengen dat de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten momenteel een gezamenlijk onderzoek uitvoeren naar het gebruik van clouddiensten door publieke sector organisaties.6
Deelt u de mening dat het gebruik van Amerikaanse clouddiensten zoals Microsoft een inbreuk op de privacy van de Nederlandse burgers tot gevolg kan hebben zoals ook omschreven in het Schrems arrest van het Europese Hof van Justitie?2
Dat er specifieke zorgen bestaan over de gegevensbeschermingsrisico’s bij het gebruik van Amerikaanse clouddiensten begrijp ik, specifiek ook in het licht van de overwegingen van het HvJEU in het Schrems-II arrest. Precies met die zorgen in het achterhoofd worden DPIA´s en DTIA´s als die in het door u aangehaalde bericht worden besproken uitgevoerd.
Het gaat mij echter te ver, zoals ook in antwoord op vraag 1 aan de orde komt, om te stellen dat het gebruik van «Amerikaanse Clouddiensten» per definitie een privacy schending oplevert. We hebben in EU-verband strikte regels om onze privacy te beschermen, specifiek ook via de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Daar moeten alle partijen die zich aan houden, ook Amerikaanse clouddiensten die onder het AVG-regime persoonsgegevens verwerken. Per geval moet worden bezien of en hoe deze diensten rechtmatig gebruikt kunnen worden.
Deelt u daarom de mening, ook van Privacy Company, dat het gebruik van Amerikaanse clouddiensten bij overheidssystemen en andere gevoelige sectoren als universiteiten niet gewenst is wanneer dit over de uitwisseling of opslag van gevoelige ofwel bijzondere persoonsgegevens gaat? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete maatregelen u neemt om dit gebruik te verminderen en daarbij specifiek ingaan op de inzet van versleuteling? Zo nee, kunt u verder uitweiden waarom het bovengenoemde niet weg te nemen risico wel toelaatbaar zou zijn?
Ik kan dergelijke algemene conclusies over alle Amerikaanse clouddiensten niet onderschrijven. Daarbij komt dat die conclusie ook niet voortvloeit uit de voorliggende DPIA. Deze indiceert namelijk dat er maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat er bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt in de onderzochte diensten van Microsoft. Hiertoe kunnen verschillende maatregelen worden genomen. Strategisch Leveranciersmanagement Rijk (SLM Rijk) heeft hierover nader advies uitgebracht.8 Als deze maatregelen in acht worden genomen kunnen deze diensten in principe in overeenstemming met de AVG worden gebruikt.
Daarnaast zal SLM Rijk er bij Microsoft op aandringen dat end to end-encryptie (E2EE) voor groepsgesprekken in Microsoft Teams wordt gerealiseerd, zodat Microsoft Teams ook geschikt kan worden gemaakt voor verwerking van bijzondere persoonsgegevens in het geval daarvoor een juridische grondslag aanwezig is bij de organisatie die Microsoft Teams inzet.
Kunt u uitweiden over de verschillende overwegingen wat betreft de voor- en nadelen van het gebruik van niet-Europese clouddiensten bij overheidssystemen en andere gevoelige sectoren voor de uitwisseling of opslag van gevoelige of bijzondere persoonsgegevens?
Zoals aangekondigd in de I-strategie Rijk 2021–2025 wordt er momenteel een rijksbreed strategisch cloudbeleid ontwikkeld en worden handreikingen/richtlijnen ontwikkeld voor het gebruik van clouddiensten.9 In deze strategie wordt ook ingegaan op de uitwisseling van gegevens met derde landen.
Daarnaast voeren zoals hiervoor aangegeven de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten momenteel een gezamenlijk onderzoek uit naar het gebruik van clouddiensten door publieke sector organisaties. Het is nog onzeker hoe zij de risico’s van het gebruik van clouddiensten door overheden gaan beoordelen. Eind 2022 komt de European Data Protection Board (EDPB) met een gezamenlijk rapport hierover.10 De uitkomsten van dit onderzoek kunnen meer inzicht geven in hoeverre het gebruik van clouddiensten door overheidssystemen extra risico’s met zich mee brengt voor de bescherming van persoonsgegevens.
Zijn de juridische mogelijkheden voor oplossingen voor het Schrems arrest voldoende verkend?
Mijn indruk is dat dit het geval is. Zo heeft de Europese Commissie in juni 2021 hernieuwde «standard contractual clauses» voor internationale doorgifte gepubliceerd11, op basis waarvan gegevens op grond van «passende waarborgen» kunnen worden doorgegeven.12 Verder zijn ook de aanbevelingen van EDPB van groot belang geweest om de gevolgen van het arrest goed te duiden en zorg te dragen voor de rechtmatige overdracht van gegevens; niet alleen naar de VS maar naar alle derde landen waarvoor geen «adequaatheidsbesluit» van de Europese Commissie bestaat.13
Als in antwoord op vraag 1 al gemeld is er recent een principeakkoord gesloten tussen de Europese Commissie en de VS over een nieuw raamwerk voor trans-Atlantische datastromen. Dat betekent niet dat er reeds een nieuw adequaatheidsbesluit is: daarvoor moet de in artikel 45 AVG geformuleerde procedure worden gevolgd. Nederland heeft hierin als lidstaat een rol via de comitologie procedure.14
In hoeverre helpt de verdere ontwikkeling van het GAIA-X project om de technologische autonomie van Europa te bevorderen? Welke risico’s zijn er dat Amerikaanse cloudbedrijven diensten leveren binnen het GAIA-X project en zo alsnog de Europese technologische autonomie beperken? Welke invloed heeft u hierop?
GAIA-X is een snelgroeiend privaat initiatief (een vereniging) onder Belgisch recht met inmiddels meer dan 300 leden. Het doel van GAIA-X is het verbinden van Europese cloudinfrastructuren en het vergemakkelijken van het delen van data. Daarbij is het naleven van Europese regelgeving en waarden een kernpijler. Het initiatief draagt bij aan veilige uitwisseling en verwerking van gegevens en verkleint waar wenselijk de afhankelijkheid van niet-Europese spelers.
Nederland is goed vertegenwoordigd binnen het initiatief. Een groeiend aantal Nederlandse partijen is lid. Dit betreft onder meer TNO, UvA, NEN, Leaseweb, Philips, AMS-IX, Brainport Industries en Surf. Twee van de Nederlandse leden hebben plaats in GAIA-X «Board of Directors» en kunnen daarmee meesturen op de ontwikkeling van GAIA-X. Daarnaast kunnen Europese overheden met een Gaia-X hub, via de zogenoemde «Governmental Advisory Board» van GAIA-X ook gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen. Nederland wordt hierin door het Ministerie van EZK vertegenwoordigd.
Bedrijven uit niet-Europese landen kunnen ook bijdragen aan het GAIA-X initiatief. Samenwerking tussen Europese en niet-Europese bedrijven kan immers ook tot een hoger niveau van dienstverlening door Europese spelers op de markt leiden. Niet-Europese partijen hebben echter geen stemrecht in het initiatief.
Naast Gaia-X is er ook het «PublicSpaces» initiatief. Hierin worden gebruikers en burgers centraal geplaatst en worden publieke waarden: «open», «transparant» en «verantwoordelijk», meegenomen bij de ontwikkeling van technologische producten en diensten. We volgen dit initiatief met interesse.
Kunt u een update geven over de huidige mogelijkheden wat betreft Europese versleuteling van clouddiensten die ervoor zouden kunnen zorgen dat Amerikaanse inlichtingendiensten niet via niet-Europese clouddiensten zoals Microsoft bij de uitwisseling of opslag van gevoelige ofwel bijzondere persoonsgegevens van Europese burgers zouden kunnen komen? Hoe draagt het GAIA-X project hier verder aan bij?
De European Data Protection Board heeft in aanbevelingen over de «measures that supplument transfer tools to ensure compliance with the EU level of protection of personal data» onder meer aan de hand van zogenaamde «use cases» inzicht gegeven in welke technische-, organisatorische- en contractuele maatregelen kunnen worden genomen om doorgifte met «passende waarborgen» plaats te laten vinden. Het versleutelen (besproken onder «use case 3») van de gegevens is één van de geïdentificeerde maatregelen.15 Per doorgifte dient te worden bezien óf, en zo ja welke, passende maatregelen (technisch, organisatorisch of contractueel) kunnen worden genomen. In het in antwoord op vraag 4 genoemde rijksbreed strategisch cloudbeleid, dat binnenkort naar uw Kamer zal worden gestuurd, zal hieraan expliciet aandacht gegeven worden.
Het GAIA-X initiatief draagt bij aan het verbinden van Europese cloudinfrastructuren en het vergemakkelijken van datadelen. De wijze van versleuteling van data kan een rol spelen bij de keuze voor een aanbieder van clouddiensten en of risico verminderen. Door het GAIA-X initiatief zullen naar verwachting nieuwe soorten clouddiensten ontstaan, waardoor er voor bedrijven en eindgebruikers meer keuzemogelijkheden zijn om diensten af te nemen. Door GAIA-X is in december 2021 aangekondigd dat labels ontwikkeld worden om o.a. genoemde toegangsrisico’s te mitigeren via andere maatregelen.16
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het uitkeren van een schadevergoeding aan de Groesbeekse kopschoppers |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Groesbeekse kopschoppers een schadevergoeding van het Openbaar Ministerie (OM) ontvingen?1 Herinnert u zich nog eerdere Kamervragen over deze unieke zaak?2
Als een strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel kan de rechter, zo is bepaald in het Wetboek van Strafvordering, op verzoek van de gewezen verdachte een vergoeding toekennen voor – onder meer – de tijd die door de voormalig verdachte is doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis en kosten van rechtsbijstand in de strafzaak. Toekenning van de vergoeding mag dan – ook ingevolge de rechtspraak van het EHRM – niet worden geweigerd op de grond van het vermoeden dat de verdachte toch schuldig zou zijn aan de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht. De rechter beoordeelt op grond van billijkheid of en welke vergoeding passend is. Dat is ook in deze zaak gebeurd. Het past mij niet om een oordeel te geven over de beslissingen van de rechter in individuele zaken.
Kunt u uitleggen waarom het OM schadevergoedingen aan de drie verdachten heeft overgemaakt?
Het is niet het OM dat een eventuele schadevergoeding toekent aan een gewezen verdachte, maar de rechter. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Waarom meent het OM dat hier sprake is van «onterecht vastzitten» ondanks het feit dat het zich uit de zaak heeft teruggetrokken en dus nooit in hoger beroep is vastgesteld of de verdachten schuldig konden zijn, terwijl de rechtbank de verdachten wel schuldig heeft bevonden?
Zoals ook in het antwoord op vraag 1 aangegeven, is voor het toekennen van een schadevergoeding niet van belang of er sprake is van «onterecht vastzitten».
Kunt u ten slotte aangeven waarom het OM zich eigenlijk tijdens het hoger beroep heeft teruggetrokken? Wat waren de zogenaamde «zwaarwegende belangen»? Deelt u de mening dat het zeer onbevredigend blijft, voor de samenleving als geheel maar voor het slachtoffer in het bijzonder, dat totaal onduidelijk en geheim blijft wat er nu precies in deze strafzaak is gebeurd?
Zoals eerder in antwoorden op Kamervragen aan uw Kamer aangegeven heeft het OM zich genoodzaakt gevoeld in deze zaak te verzoeken het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging vanwege een probleem, dat in de strafzaak was gerezen.3 Het OM moest door het probleem dat was ontstaan een afweging maken tussen verschillende belangen waaronder die van het slachtoffer. Uitkomst van deze belangenafweging is geweest dat de rechtszaak niet kon worden doorgezet om de zwaarwegende belangen te beschermen. Het OM en ik beseffen terdege dat dit onbevredigend is voor natuurlijk in de eerste plaats het slachtoffer, maar ook voor de samenleving als geheel. Het OM noch ik kunnen echter openheid geven over de zwaarwegende belangen. Als ik hier wel openheid over zou geven, zouden deze zwaarwegende belangen – die nog steeds spelen – ernstig kunnen worden geschaad. Het OM heeft materiële en immateriële schade veroorzaakt door de strafbare feiten aan het slachtoffer vergoed.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft vanwege zijn toezichthoudende taak op het OM een oriënterend onderzoek gedaan waar mijn voorganger uw Kamer bij brief van 21 april 2021 over heeft geïnformeerd.4 De procureur-generaal komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat het OM in redelijkheid bovengenoemde belangenafweging kon maken.
De landsadvocaat en fraude-onderzoeken |
|
Pieter Omtzigt , Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het kantoor van de landsadvocaat Pels Rijcken, weigert om het intern verrichte fraudeonderzoek openbaar te maken en/of te delen met het openbaar ministerie (OM)?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving in de NRC van 21 februari jl. waarin wordt gesteld dat Pels Rijcken weigert interne fraudeonderzoeken met het Openbaar Ministerie (hierna: OM) te delen.
Het OM en Pels Rijcken doorlopen momenteel de geëigende wettelijke procedure die bestaat voor verstrekking van gegevens waarop een geheimhoudingsplicht rust. Pels Rijcken heeft volgens het OM de globale onderzoeksresultaten van de in opdracht van Pels Rijcken uitgevoerde onderzoeken beschikbaar gesteld aan het OM. Voor zover de verzochte informatie gegevens betreft waarop een geheimhoudingsplicht rust, voorziet de wet in een procedure waarbij de rechter-commissaris bepaalt of de informatie kan worden vrijgegeven ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Ik licht dat nader toe.
De gegevens over individuele zaken vallen onder de wettelijke geheimhoudingsplicht die advocaten en notarissen hebben jegens hun cliënten. Het Wetboek van Strafvordering geeft de geheimhouder (in dit geval de advocaten en notarissen van Pels Rijcken) een weigeringsgrond in het geval van het leggen van beslag (art. 98 jo art. 218 Sv), in geval van een bevel tot uitlevering van voor in beslagneming vatbare voorwerpen (art. 96a lid 3 sub jo. art. 218 Sv), of in geval van een vordering tot het verstrekken van gegevens (art. 126nd lid 2 jo. art. 96a lid 3 sub b jo. art. 218 Sv). Pels Rijcken heeft aangegeven dat deze informatie onder de geheimhoudingsplicht valt en dat de rechter-commissaris via een toetsingsprocedure dient te bepalen welke informatie kan worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek. Hierbij is van belang te vermelden dat Pels Rijcken niet exclusief voor de Staat werkt en door (andere) cliënten zowel tuchtrechtelijk als civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor schending van de geheimhoudingsplicht. Het OM heeft ook belang bij een zorgvuldige procedure zodat over de bruikbaarheid van het bewijs later geen discussie kan ontstaan. Het OM heeft inmiddels meerdere vorderingen ingediend bij de rechter-commissaris. Een aantal van die vorderingen is reeds (deels) gehonoreerd door de rechter-commissaris. In die gevallen is geoordeeld dat vanwege de uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak het verschoningsrecht diende te wijken voor de waarheidsvinding. Tegen deze beslissing staat beklag open bij de rechtbank. Van die beklagprocedure is door Pels Rijcken geen gebruik gemaakt.
Wanneer bent u ervan op de hoogte gesteld dat het fraudeonderzoek niet gedeeld wordt met het OM? Welke actie heeft u toen ondernomen?
Het artikel waarin de stelling wordt ingenomen dat Pels Rijcken weigert het onderzoek dat door Deloitte is uitgevoerd te delen met het OM is gebaseerd op een mailwisseling die ik op 17 februari jl. in het kader van een verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur openbaar heb gemaakt. In die mailwisseling is te lezen dat op 15 juli 2021 door een medewerker van het OM aan mijn departement werd gemeld dat Pels Rijcken zich op het standpunt stelde dat verstrekking van de desbetreffende gegevens pas kon plaatsvinden na toetsing door de rechter-commissaris. Dit is een gebruikelijke procedure als het gaat om informatie waarop een geheimhoudingsplicht rust. Mijn voorganger heeft uw Kamer hierover geïnformeerd bij brief van 16 juli 2021.2
Kunt u de uitkomsten van dit fraudeonderzoek, die u kent, delen met de Kamer?
Bij brief van 17 september 2021 heeft de VKC mij gevraagd het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. aan de Kamer te doen toekomen. Bij brief van 17 november 2021 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer gemeld dat dit onderzoek niet bij hem berust, maar uitsluitend bij het kantoor van de Landsadvocaat en de instanties die het onderzoek hebben uitgevoerd.
De eindresultaten van het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. zijn neergelegd in een overkoepelend verslag van handelingen en bevindingen. Gelet op het belang om uw Kamer zo volledig mogelijk te informeren, is het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. via het kantoor van de Landsadvocaat aan uw Kamer tot medio maart 2022 ter vertrouwelijke inzage gelegd. Het rapport is inmiddels geretourneerd aan het kantoor van de Landsadvocaat.
Zijn er door uw ministerie of het OM afspraken gemaakt met Pels Rijcken over het openbaar maken van dit interne onderzoek of het delen van het interne onderzoek met het OM (en/of het Ministerie van J&V)? Zo ja, kunt u dan aangeven welke afspraken daarover gemaakt zijn en wanneer die gemaakt zijn?
Nee. Zoals ik mijn antwoord op vraag 1 heb beschreven, heeft Pels Rijcken aan het OM aangegeven dat voor informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt (van de advocaten en notarissen van Pels Rijcken) de rechter-commissaris via een toetsingsprocedure dient te bepalen welke informatie kan worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek.
Is deze weigering transparant te zijn tegenover uw ministerie en/of het OM voor u een reden om de zakelijke relatie met Pels Rijcken als landsadvocaat zo spoedig mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het OM en Pels Rijcken doorlopen momenteel de geëigende wettelijke procedure die bestaat voor verstrekking van gegevens waarop een geheimhoudingsplicht rust.
Wie is de externe deskundige op het gebied van governance en integriteit, die samen met de Haagse deken Arjen van Rijn en de Rotterdamse deken Peter Hanenberg onderzoek gedaan heeft?2
Uit het persbericht van de Haagse deken van 12 augustus 2021 naar aanleiding van de afronding van zijn onderzoek maak ik op dat de externe deskundige is prof. Dr. Rob van Eijbergen, hoogleraar Kwaliteit en integriteit van organisaties aan de VU.4
Hoe luidde de onderzoeksopdracht aan deze onderzoekscommissie en welk(e) persoon/personen heeft/hebben de reikwijdte van die opdracht opgesteld en/of verstrekt?
Net als de Minister voor Rechtsbescherming5 ben ik, gelet op de onafhankelijkheid van de advocatuur en het toezicht daarop, terughoudend met het reageren op een individuele casus. De deken in het arrondissement Den Haag is de bevoegde toezichthouder op de advocaten van het kantoor Pels Rijcken. Het is aan de deken als toezichthouder om bij het doen van onderzoek naar mogelijke misstanden bij advocaten, de opzet en omvang van het onderzoek te bepalen. Uit het in antwoord op vraag 6 genoemde persbericht van de Haagse deken maak ik op dat het onderzoek was gericht op de mogelijke betrokkenheid van de advocaten bij de omvangrijke notariële fraude en naar de kantoororganisatie.
Is er overleg geweest met de Minister of het Ministerie van J&V met betrekking tot dit onderzoek? Zo ja, welke informatie is gedeeld?
Nee. Het is aan de toezichthouder om te bepalen of onderzoek nodig is en wat de opzet van dat onderzoek is. Wel heeft mijn ambtsvoorganger na afronding van het onderzoek, zoals is gemeld in zijn brief van 19 november jl., vanuit de hoedanigheid als cliënt contact gezocht met de Haagse deken om aandacht te vragen voor de berichtgeving over de sociale veiligheid in de NRC van 3 november 2021, als signaal ten behoeve van het lopende toezichttraject.
Klopt het dat de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) een spil is in het afhandelen van miljardenclaims tegen beursgenoteerde bedrijven?3
De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) start juridische acties wanneer beleggers naar inzicht van de vereniging collectief gedupeerd zijn en men aanleiding ziet om een schadevergoeding te bewerkstelligen. Of dat om miljarden gaat zal afhangen van de casus.
Bent u ermee bekend dat gerechtigden niet altijd een claim indienen en dat er dus geld overblijft van die claims?
Ja, het is aan gerechtigden zelf om uiteindelijk daadwerkelijk aanspraak te maken op toegekende compensatie. Voor verbindend verklaarde schikkingen bepaalt de rechter hoe de gedupeerde gerechtigden bericht hierover moeten worden, zodat zoveel mogelijk gerechtigden worden bereikt.
Bent u ermee bekend dat er met de claims gefraudeerd wordt?4
Ja, dat is mij bekend.
Is de VEB zelf ook onderwerp van onderzoek in de fraudezaak?
Over lopende onderzoeken doe ik zoals bekend, in het belang van de lopende onderzoeken, geen uitspraken.
Heeft u of uw ministerie onderzoek laten doen naar de vraag waarom de volledige Raad van Commissaren van de VEB in juli 2021 is opgestapt en of het opstappen gerelateerd is aan het onderzoek naar de fraude door Frank O.? Zo ja, wat was de uitkomst van dit onderzoek? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen?5
Nee, we hebben geen onderzoek daarnaar laten doen. Voor zover uw vraag ziet op het strafrechtelijk onderzoek zoals dat door het OM wordt uitgevoerd, kan ik daarover geen mededelingen doen.
Klopt het dat een voormalig partner van Pels Rijcken en advocaat van de VEB de is executeur-testamentair van Frank O. is en zijn nalatenschap beheert?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Is het privé vermogen van Frank O. ook onderdeel van het onderzoek naar de fraude bij Pels Rijcken? Zo nee, waarom niet?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Hoe is geborgd dat belangenconflicten zijn uitgesloten, zoals deze advocaat die ook de VEB vertegenwoordigt en voormalig partner bij Pels Rijcken is geweest?
In het algemeen geldt het volgende. Gelet op Gedragsregel 15, eerste lid, is het voor advocaten niet toegestaan tegen een voormalige of bestaande cliënt of die van zijn of haar kantoorgenoten op te treden, behoudens bijzondere omstandigheden. Leden 3 en 4 van Gedragsregel 15 geven invulling aan die bijzondere omstandigheden. Een advocaat kan afwijken van de norm indien, kort gezegd, het niet om dezelfde zaak gaat, de advocaat niet beschikt over vertrouwelijke of zaaksgebonden informatie over de voormalige of bestaande cliënt en niet is gebleken van redelijke bezwaren van de voormalige of bestaande cliënt (lid 3). Ook indien de voormalig of bestaande cliënt vooraf toestemming heeft gegeven kan worden afgeweken van de algemene norm (lid 4). Het is aan de advocaat zelf om een afweging te maken of er sprake is van (mogelijke) belangenverstrengeling, waarbij hij zo nodig advies kan inwinnen bij de lokale deken.
Klopt het dat uw voorganger al veel eerder op de hoogte was een grote fraudezaak bij Pels Rijcken van het kantoor zelf? Welke fraudezaak betrof dat?6
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer hierover het volgende gemeld:
Dit betrof het onderzoek naar een omvangrijke fraude door een notaris/bestuursvoorzitter van het kantoor van de Landsadvocaat Pels Rijcken.
Was er een claimstichting onderdeel van deze fraudezaak? Zo ja, was er een band met de VEB?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Wie heeft uw voorganger op de hoogte gesteld en welke informatie is hem toen verstrekt?
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer hierover het volgende gemeld:
Welke informatie met betrekking tot strafbare feiten en/of strafzaken inzake malversaties bij het indienen van claims bij claimstichtingen is sinds 2010 gedeeld met de bewindspersonen en met (de medewerkers) van uw ministerie (en de rechtsvoorgangers)? Kunt u een uitputtende lijst geven?
Dergelijke overzichten zijn er niet. In het algemeen kan het volgende worden aangegeven. Collectieve schikkingen hebben in de afgelopen jaren ertoe bijgedragen dat veel rechtzoekenden een vergoeding hebben gekregen van hun schade, zonder dat zij hiervoor een individuele procedure bij de rechter hebben hoeven voeren. Het is denkbaar dat een rechtszoekende ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding. Om die reden zijn waarborgen ingebouwd voor de daadwerkelijke uitkeringen onder een schikking. Indien achteraf blijkt dat ten onrechte een uitkering is gedaan aan iemand die daarop geen recht heeft, dan kan dit worden teruggevorderd.
Had Frank O. een rol bij de afwikkeling van de betreffende claim(s) ter zake waarvan de (straf)zaak over vermeende malversaties diende?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Is er jurisprudentie over civiele en/of strafzaken met betrekking tot (malversaties bij) het indienen van (valse) claims? Kunt u een volledige lijst geven?
Voor een overzicht van gepubliceerde rechterlijke uitspraken verwijs ik u naar de website www.rechtspraak.nl.
Zo ja, kunt u de ECLI-nummers noemen waaronder deze zaken openbaar gemaakt zijn?
Zie het antwoord op vraag 22.
Kunt u bevorderen dat de uitspraak van deze zaak bij de rechtbank Rotterdam in zijn geheel gepubliceerd wordt? Kunt u ook aangeven waarom deze zaak tot nu toe niet openbaar geworden is?7
De beslissing om rechterlijke uitspraken al dan niet te publiceren, is aan de onafhankelijke rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak hanteert selectiecriteria voor het publiek toegankelijk maken van uitspraken door middel van opname in een databank op de website www.rechtspraak.nl. Het gaat om uitspraken die maatschappelijk en/of juridisch in het bijzonder en op zichzelf staand relevant worden geacht.13 Uw Kamer is op 24 maart jl. nader geïnformeerd over de publicatie van rechterlijke uitspraken.14
Wilt u een overzicht geven van alles wat er de afgelopen drie jaar bekend geworden is over het kantoor van de landsadvocaat of waarin dat kantoor een rol speelt? Wilt u daarvan een overzicht verstrekken (geen verwijzingen) waarin alle bewezen fraude, malversaties, verdenkingen, onderzoeken en strafzaken punt-voor-punt worden genoemd?
Dergelijke overzichten zijn er niet. Er is mij overigens geen andere fraudekwestie bij het kantoor van de Landsadvocaat bekend dan de aan het licht gekomen en reeds aan uw Kamer gemelde fraude door de voormalige bestuursvoorzitter van het kantoor.
Wilt u het antwoord op de vorige vraag voorleggen aan de ministerraad en aan de ministerraad vragen of zo’n kantoor nog geschikt is om de rol van landsadvocaat te hebben?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven zijn dergelijke overzichten er niet.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn een voor een en zo spoedig als mogelijk beantwoord.
De uitvoering van de gewijzigde motie Becker c.s. over het structureel tegengaan van extremistische uitingen online. |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 35 228, nr. 34) over het structureel tegengaan van extremistische uitingen? En deelt u de mening, zoals ook besproken tijdens het wetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang (beleidsartikel 13 van de begroting SZW 2022) op 22 november 2021, dat deze motie tot op heden onvoldoende is afgedaan?
In de Nederlandse samenleving is ruimte voor een grote diversiteit van (godsdienstige) beschouwingen, (politieke) opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Dit betekent dat mensen de vrijheid hebben eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het kabinet ziet het als zijn taak om de democratische rechtsorde en alle grondwettelijke vrijheden die burgers op basis daarvan toekomen te beschermen. De overheid opereert in het waarborgen van die vrijheden neutraal. Zij trekt echter een grens als er sprake is van antidemocratische, onverdraagzame, anti-integratieve en/of extremistische uitingen.
Het kabinet heeft al langere tijd zorgen over de invloed in Nederland van een kleine groep individuen, salafistische aanjagers, die zowel online als offline aansporen tot antidemocratische, onverdraagzame, anti-integratieve en/of extremistische uitingen en/of gedragingen. Deze kleine groep individuen heeft door hun actieve en professionele gebruik van socialemediakanalen een onevenredig groot bereik binnen islamitische gemeenschappen in Nederland. In het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van april 2022 wordt gesteld dat problematische gedragingen door antidemocratische, intolerante en anti-integratieve elementen binnen het salafisme kunnen leiden tot polarisatie in de samenleving en (op termijn) tot ondermijning van de democratische rechtsorde1.
De aangenomen gewijzigde motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 35 228, nr. 34) is bekend. Indien extremistisch, antidemocratisch en radicaal salafistische uitingen zodanig ernstig van aard zijn dat zij onder de definitie vallen van terroristische content, dan vallen deze uitingen binnen de taken van de Autoriteit voor het tegengaan van Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). Deze Autoriteit wordt opgericht om uitvoering te geven aan een Europese verordening (inzake het tegengaan van verspreiding van terroristische online-inhoud: TOI-verordening) en kent een strikte doelbinding gericht op het tegengaan van verspreiding van terroristische content. De TOI-verordening wordt van kracht op 7 juni 2022. Op deze datum moet de autoriteit operationeel zijn en de nationale uitvoeringswet gereed. De autoriteit krijgt de bevoegdheid voor het sturen van verwijderingsbevelen en grijpt daarmee direct in op de vrijheid van meningsuiting.
Met oprichting van de ATKM wordt voor een deel van de uitingen waar de gewijzigde motie van het lid Beckers c.s. op ziet voorzien in de mogelijkheden om op te treden indien deze uitingen dermate ernstig zijn dat deze onder de definitie van terroristische content vallen. Echter, gezien proportionaliteitsoverwegingen, zoals het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting, is het niet mogelijk om extremistische, antidemocratische en radicaal salafistische uitingen die niet als terroristisch te definiëren zijn onder te brengen bij de ATKM.
Wel deelt het kabinet de zorg over de online verspreiding van radicale, extremistische en/of antidemocratische uitingen en het schadelijke effect dat deze uitingen kunnen hebben op onze democratische rechtstaat. Ook al zullen dit soort uitingen niet altijd te scharen zijn onder de categorie terroristische content, zij kunnen wel degelijk uiteindelijk overgaan in gewelddadig extremisme en terrorisme. Om te bezien wat de mogelijkheden zijn om juist tegen dit soort schadelijke content op te treden zal de Minister van Justitie en Veiligheid in kaart brengen over wat voor preventief en repressief instrumentarium landen om ons heen beschikken en welke mogelijkheden dit biedt voor Nederland. Daarnaast is het weerbaar maken van met name jongeren tegen online extremistische uitingen een belangrijk aandachtspunt binnen diverse activiteiten die mijn ministerie ontwikkelt.
Tevens worden doorlopend gesprekken gevoerd met internetbedrijven om de samenwerking in de aanpak van terroristische en andere extremistische en illegale uitingen in den brede op het internet verder te versterken. Nederland is bijvoorbeeld actief in het EU Internetforum. Hierin werken EU-lidstaten, de Europese Commissie en het bedrijfsleven op vrijwillige basis samen om het aanbod van gewelddadig extremistische en terroristische content op het internet te beperken.
Deelt u het inzicht dat onvrij gedachtegoed in toenemende mate online wordt verspreid en dat salafistische aanjagers online normale geloofsuitingen verdringen met extremistisch, antidemocratisch en radicaal-salafistische uitingen en dat deze content effectief moet worden bestreden door de overheid, in samenwerking met hostingproviders en internetplatforms?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de huidige stand van zaken van deze samenwerking tussen de overheid, hostingproviders en internetplatforms, ook in het licht van de vijf geschetste scenario’s uit het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WOCD)-onderzoek «Voorziening voor verzoeken tot snelle verwijdering van onrechtmatige online content»1, om ook andere vormen van onrechtmatige online content aan te pakken?
Er is eind april een principeakkoord bereikt over de Digital Services Act (hierna «DSA», stap 1 van het stappenplan zoals dat is gepresenteerd in de beleidsreactie op het door u genoemde WODC-onderzoek). Zodra de tekst van de DSA definitief is, is er ruimte om met hostingproviders en internetplatformen de huidige Notice-and-Take-Down (NTD) procedures tegen het licht te houden en aan te passen op de vereisten die voortvloeien uit deze DSA (stap 2). Deelname aan de huidige Nederlandse NTD-gedragscode is in beginsel vrijwillig en betreft een vrijwillig verzoek met referentie aan schendingen van de Terms of Service van het betreffende platform zelf. In de DSA is een Notice-and-Take-Action (NTA) opgenomen die verplichtend is. De methode Notice and Take Action (NTA) houdt in het identificeren, duiden en melden van bepaalde online-inhoud aan internetbedrijven, met het oog op verwijdering. Bij een NTA-procedure, zoals in de DSA omschreven, wordt online-inhoud getoetst aan of het onder de definitie valt van illegaal (onrechtmatig en strafbaar) in plaats van een toetsing aan de Terms of Service. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen online-inhoud van ideologieën of religies, zoals bij ongewenste buitenlandse beïnvloeding. Wat telt voor de toetsing is of het illegaal is of niet. Ook wordt er een (abuse reporting) instrument ontwikkeld om verwijderbevelen van overheidswege op eenduidige wijze door te geven aan providers en platformen.
Op welke wijze bent u sinds de publicatie van het WOCD-onderzoek met de vijf geschetste scenario’s aan de slag gegaan? Kunt u dit uitsplitsen per scenario?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de huidige stand van zaken omtrent het onderzoek naar de mogelijkheid om de aanpak van extremistisch, antidemocratisch en radicaal-salafistische uitingen online onder te brengen bij de op te richten autoriteit kinderpornografische en terroristische content of indien dat niet mogelijk is een andere autoriteit? Deelt u de mening dat een dergelijke autoriteit van zeer groot belang is om deze ongewenste online uitingen tegen te gaan?
Voor beantwoording van uw vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1 en 2.
Is u bekend op welke wijze extremistische, antidemocratische en/of radicaal-salafistische uitingen die online worden verspreid gefinancierd worden? Kunt u dit per categorie inzichtelijk maken?
Indien er sprake is van dergelijke uitingen gaat het veelal om problematische, maar nog niet strafbare of onrechtmatige content. Dit geldt ook voor online uitingen. Dit betreft een breed spectrum aan gedragingen waarbij de ernst gradaties kent. Slechts bepaalde vormen van problematisch gedrag kunnen als (niet-gewelddadig) extremisme worden gekenmerkt en afbreuk doen aan de democratische rechtsorde. De inzet van de overheid, bijvoorbeeld op het inzichtelijk maken van financiering van bepaald problematisch gedrag hangt af van de ernst van het (potentiële) effect van de vertoonde gedragingen op de democratische rechtsorde.
Met het wetsvoorstel Transparantie Maatschappelijke Organisaties zal naar verwachting de transparantie van financieringsstromen richting maatschappelijke organisaties worden vergroot. Maatschappelijke organisaties (stichtingen, verenigingen, kerkgenootschappen of een buitenlands equivalent) moeten dan desgevraagd inzage geven in donaties. Daarnaast worden stichtingen verplicht om hun balans en staat van baten en lasten te deponeren in het (afgesloten deel van het) Handelsregister.
Een eventuele link tussen (buitenlandse) geldstromen en problematisch gedrag, zoals het doen van antidemocratische, onverdraagzame, anti-integratieve en/of extremistische uitingen online, kan hiermee inzichtelijk worden gemaakt.
Middels een nota van wijziging van de Wtmo wordt verder beoogd een handhavingsinstrument in te voegen om organisaties aan te kunnen pakken die activiteiten ontplooien die gericht zijn op (dreigende) ondermijning van de democratische rechtstaat of het openbaar gezag. De Minister van Justitie en Veiligheid is voornemens de nota naar aanleiding van het verslag, samen met de nota van wijziging en het nader rapport, op afzienbare termijn naar uw Kamer te sturen.
Verder is bekend dat extremistische groepen van buiten Nederland incidenteel gebruikmaken van digitaal geopende bankrekeningen in Nederland. De Kamer is hierover geïnformeerd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN 55). Dergelijke rekeningen kunnen gebruikt worden om buiten het zicht van de eigen overheid terrorisme en extremistische organisaties te financieren. Daarnaast zijn er gevallen bekend waarbij (online) payment service providers worden gebruikt en is er soms sprake van crowdfunding (o.a. middels de bekende Tikkies) via websites en chatgroepen maar ook peer to peer.
Hoe vaak hebben gemeenten de afgelopen twee jaar melding gemaakt van organisaties die via online activiteiten jongeren probeerden te binden of extremistisch (salafistisch) gedachtegoed probeerden te verspreiden onder kwetsbare of beïnvloedbare groepen? En hoe vaak heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, al dan niet in samenwerking met andere ministeries en instanties, via de driesporenaanpak tegen dergelijke organisaties opgetreden?
De overheid richt zich bij de aanpak van problematisch gedrag binnen het salafisme op die delen van de salafistische beweging waarbij sprake is van strafbaar en/of problematisch gedrag in relatie tot de te beschermen democratische rechtsorde. Er wordt derhalve onderscheid gemaakt tussen het verspreiden van salafistisch gedachtegoed en extremistisch gedachtegoed.
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna Taskforce) onder leiding van het Ministerie van SZW heeft sinds de oprichting in februari 2019 één casus behandeld waar er specifiek zorgen waren bij de gemeente over online activiteiten. De casus in kwestie is door een gemeente in 2020 aangemeld bij de Taskforce. De Taskforce heeft samen met de gemeente vastgesteld dat er geen sprake was van problematisch gedrag. De gemeente is geadviseerd om spoor 1 van de driesporenaanpak in te zetten, te weten interactie en dialoog. De gemeente is hierop het gesprek aan gegaan. Dit gesprek heeft ertoe geleid dat de zorgen zijn weggenomen.
Op welke schaal krijgt de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse beïnvloeding te maken met casussen waarbij de online wereld een rol speelt in het verspreiden van ongewenste boodschappen en in hoeverre weegt de «locatie» van de casus (fysiek dan wel online) mee tijdens het wegingsoverleg door het Duidings- en Adviesteam? In hoeverre zit er bij deze Taskforce expertise als het gaat om (het tegengaan van) de verspreiding van schadelijke en ongewenste boodschappen in de online wereld?
Zoals vermeld in vraag 7 heeft de Taskforce sinds de oprichting één casus behandeld waarin een gemeente zorgen heeft geuit over online activiteiten van betrokkenen bij een organisatie. Gemeenten die een casus aanmelden bij de Taskforce hebben vaak zorgen over gedragingen die zich in het fysieke domein, binnen hun gemeente, afspelen. Dit neemt niet weg dat er wel zorgen zijn bij gemeenten over online-activiteiten en deze zorgen ook besproken kunnen worden met de partners binnen de Taskforce om zo mee te kunnen denken over mogelijke handelingsperspectieven.
Het vorige kabinet heeft uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd over de specifieke problemen omtrent de grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens van een aantal partners. Als gevolg van deze problemen worden sinds april 2021 in Taskforce verband geen persoons- of organisatie duidingen meer gedaan.3 Gemeenten kunnen sinds april alleen nog geadviseerd worden over mogelijke oorzaken en handelingsperspectief ten aanzien van problematisch gedrag met aandacht voor de lokale context zonder daarbij persoonsgegevens te verwerken.
Wat is de huidige stand van zaken op Europees niveau om ongewenste, opruiende of indoctrinerende online boodschappen, die problematisch gedrag kunnen veroorzaken, tegen te gaan? Bent u van mening dat de Digital Services Act (DSA) voldoende juridische ruimte en handvatten biedt om de komende jaren haatzaaiende en indoctrinerende content snel en effectief te kunnen verwijderen van social media platformen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het is het streven van het kabinet om tijdens de huidige kabinetsperiode flinke stappen te kunnen maken op precies dit onderwerp. De Digital Service Act (DSA) biedt een mogelijkheid om illegale content aan te pakken, onder andere door voor bepaalde internet tussenpersonen een aantal verplichtingen te introduceren rond het kunnen melden, beoordelen en verwijderen van deze vormen van content. Wat precies onder de noemer illegale content valt, is gedeeltelijk vastgelegd in Europese wet- en regelgeving, maar lidstaten hebben daarnaast ook ruimte om eigen nuances aan te brengen.
Op verschillende niveaus – van Europa tot lokale besturen – wordt nagedacht over het omgaan met ongewenste, opruiende of indoctrinerende online boodschappen, die problematisch gedrag kunnen veroorzaken. Vooraleerst betreft het dan de vraag welke rol de overheid zou moeten hebben om dergelijke fenomenen het hoofd te bieden, gevolgd door de vraag welke middelen vervolgens kunnen worden ingezet. Deze vragen zullen ook deel uitmaken van het project waaraan gerefereerd wordt in de beantwoording op de vragen 1 t/m 4.
Zoals ook is aangegeven in de brief over contentmoderatie en de vrijheid van meningsuiting online moet de spanning tussen de vrijheid van meningsuiting en de bewegingsruimte en veiligheid van burgers online, en de rol van de overheid daarbij, verder onderzocht worden4. Dit geldt met name voor uitingen die niet illegaal zijn, maar wel tot ongewenste maatschappelijke reacties leiden.
In hoeveel gevallen zijn er de afgelopen twee jaar gedane uitspraken geweest die dusdanig ernstig van aard waren dat zij vielen onder de definitie van terroristische content, zoals is bepaald in de Terrorist Content Online-verordening en in hoeveel van deze gevallen is er sprake van extremistisch, antidemocratisch en/of (extreem) salafistische invalshoek? Kunt u dit uitsplitsen per categorie?
De verordening inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud (TOI-verordening) is op 17 mei 2021 gepubliceerd en wordt op 7 juni 2022 van kracht. Dit houdt in dat de autoriteit nog niet actief is waaruit volgt dat er nog geen recente cijfers zijn die getoetst zijn aan de definitie zoals is bepaald in de TOI-verordening. Wel is de Internet Referral Unit (IRU) bij de Nationale Politie actief totdat de nieuwe autoriteit ATKM operationeel wordt. De aanpak die de IRU hanteert, is gebaseerd op de methode Notice and Take Action (NTA): zie antwoord vraag 3 en 4 voor uitleg NTA-methode. De IRU kijkt vooral naar zwaardere gevallen van jihadistische online-inhoud en maakt geen onderscheid per categorie. Indien de IRU jihadistische online-inhoud vindt, stelt zij Europol op de hoogte en doet Europol het verzoek tot verwijderen. In 2021 zijn 1.586 uitingen kritisch beoordeeld en uiteindelijk zijn er 1.247 NTA-verzoeken verstuurd, zo heeft de Politie laten weten.
Bent u bereid om op zeer korte termijn alsnog de gewijzigde motie Becker c.s. over het structureel tegengaan van extremistische uitingen door hier toezicht op te organiseren in zijn volledigheid af te doen?
Voor beantwoording van uw vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1 en 2.
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat Inburgering en integratie van 30 maart a.s. te beantwoorden?
Helaas is dit niet gelukt.
Het bericht ‘Ddos'er die fiscus, banken en Tweakers aanviel, krijgt 200 uur taakstraf’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ddos’er die fiscus, banken en Tweakers aanviel, krijgt 200 uur taakstraf»1?
Ja.
Worden ddos-aanvallen die zijn uitgevoerd op vitale diensten door het openbaar ministerie (OM) bij het bepalen van de strafeis en bij de rechter bij de strafoplegging als een strafverzwarende omstandigheid gezien?
Ja. Het OM houdt bij het bepalen van de strafeis rekening met de wettelijke strafmaxima zoals geformuleerd in het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit artikel 138b lid 3 Sr volgt dat het strafmaximum van twee naar maximaal vijf jaar gevangenisstraf kan gaan indien een DDoS-aanval is gepleegd tegen een geautomatiseerd werk behorende tot de vitale infrastructuur2.
Hoeveel veroordelingen zijn bekend van zaken waarbij een ddos-aanval gepleegd is?
Bij een DDoS-aanval kan artikel 138b Sr (opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot of het gebruik van een geautomatiseerd werk belemmeren door daaraan gegevens aan te bieden of toe te zenden) of artikel 161sexies Sr (misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht) tenlastegelegd worden. In de periode 2019–2021 zijn er 8 veroordelingen geweest voor artikel 138b. Onder de delictsomschrijving van artikel 161sexies vallen echter meer delicten dan alleen een DDoS-aanval. Er kan in de informatiesystemen van de Rechtspraak niet worden achterhaald hoeveel veroordelingen op basis van artikel 161sexies een DDoS-aanval betroffen. Het totale aantal veroordelingen van artikel 161sexies geeft daarom geen representatief beeld van het aantal veroordelingen van DDoS-aanvallen.
Deelt u de mening dat deze vormen van cybercriminaliteit hard aangepakt moeten worden vanwege de grote maatschappelijke impact?
Zeker. Cybercrime kan een grote impact hebben op individuele slachtoffers en de maatschappij als geheel. Gedurende de coronacrisis zijn we in het dagelijks leven steeds afhankelijker geworden van de online wereld. Dit maakt dat cyberaanvallen een groot risico vormen voor onze maatschappij. Het Cybersecurity Beeld Nederland benoemt ransomware zelfs als een risico voor onze nationale veiligheid.3 Adequate opsporing en vervolging van daders is noodzakelijk. Het internet mag geen vrijplaats zijn voor criminelen. Opsporing, vervolging en verstoring is één van de vier sporen van de integrale aanpak van cybercrime. Hierover wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd per brief.4
Hoe vaak vindt er recidive plaats bij de cybercriminelen die ddos-aanvallen hebben gepleegd? Wordt er onderzoek gedaan naar het recidiverisico bij cyberdelicten?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Voor zover bekend lopen er momenteel geen onderzoeken naar het recidiverisico bij cyberdelicten. Wel is door het WODC onderzoek gedaan naar cyberdaders, waarover uw Kamer is geïnformeerd.5 Dit onderzoek gaf aan dat voor daders van cybercrime geen eenduidig profiel bestaat, maar dat er kenmerken zijn die relatief vaker voorkomen bij cyberdaders dan bij traditionele daders of vrij uniek zijn voor cyberdaders. Zo plegen jongere daders strafbare feiten in eerste instantie vaker uit nieuwsgierigheid, intellectuele uitdaging of leergierigheid, en zijn zich niet altijd bewust van de strafbaarheid. Ook bleek uit het onderzoek dat bij het voorkomen van recidive klassieke interventies bruikbaar zouden kunnen zijn, indien ze zouden worden aangepast aan de digitale context. Zie hiervoor vraag 6.
Welke maatregelen en middelen worden ingezet om recidive bij cyberdelicten te voorkomen?
Bij de aanpak van cybercrime wordt een onderscheid gemaakt tussen cybercrimedelicten in enge zin (zoals ransomware- en DDoS-aanvallen) en gedigitaliseerde delicten (zoals online fraude). Onderzoek geeft aan dat er kenmerken zijn die relatief vaker voorkomen bij cyberdaders dan bij traditionele daders of vrij uniek zijn voor cyberdaders.6 Ten behoeve van deze specifieke doelgroep maken Halt, de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Reclassering gebruikt van de Hack_Right-aanpak. Daarnaast is de bestaande leerstraf Tools4U van de RvdK aangevuld voor daders van gedigitaliseerde delicten.
Ook is het instrumentarium voor risicotaxatie aangepast. Voor jeugdige justitiabelen is het landelijk risicotaxatie-instrumentarium (LIJ) aangevuld zodat het nu ook kan worden gebruikt in het geval zij een cybercrime of gedigitaliseerd delict hebben gepleegd. Dit jaar wordt gemonitord of de huidige aanpassingen voldoen of dat nog verdere aanvullingen nodig zijn.
Hoe vaak wordt bij strafoplegging of bij een OM-afdoening de aanvullende interventie Hack_Right toegepast? Wat zijn hier tot nu toe de resultaten van en kunt u deze resultaten met de Kamer delen?
Sinds 2019 zijn er 25 zaken afgerond. Hack_Right kan worden ingezet in het kader van een Halt-afdoening, een (jeugd)reclasseringsbegeleiding, als taakstraf of als gedragsaanwijzing in het kader van een bijzondere voorwaarde (volwassenenreclassering). De afgelopen jaren is de interventie Hack_Right (door)ontwikkeld en is toegewerkt naar indiening van de interventie bij de Erkenningscommissie Justitiële Interventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Medio 2022 wordt de interventie voor erkenning voorgelegd.
Welke criteria worden gehanteerd om te bepalen of Hack_Right kan worden toegepast?
Hack_Right is bedoeld voor jongeren en jongvolwassenen die minimaal 12 en maximaal 24 jaar oud zijn ten tijde van het plegen van het delict, (gedeeltelijk) bekennen een cyberdelict7 te hebben gepleegd, niet eerder veroordeeld zijn voor een cyberdelict, affiniteit hebben met ICT en gemotiveerd zijn om deel te nemen aan Hack_Right. In uitzonderingsgevallen kan een lange variant van Hack_Right – op verzoek van een rechter, officier van justitie of een van de ketenpartners – ook ingezet worden voor jongvolwassenen van 24 tot 30 jaar. Bij deze doelgroep is het extra belangrijk dat bij de invulling van Hack_Right wordt aangesloten bij ontwikkelingstaken van jongvolwassenen op het gebied van werk, opleiding, vrijetijdsbesteding en relaties.
De langere variant van Hack_Right kan bij Reclassering worden opgelegd in het kader van een bijzondere voorwaarde, en bij de RvdK in het kader van een werkstraf. Hack_Right kan ook worden opgelegd in de vorm van een Halt-afdoening. Dit betreft een kortere variant.
Deelt u de mening dat de interventie Hack_Right een positieve bijdrage kan leveren aan het voorkomen van recidive bij jonge cybercriminelen? Zo ja, welke stappen onderneemt u om dit nadrukkelijker in het beleid naar voren te laten komen? Zo nee, waarom niet?
Minderjarigen kunnen, soms onbewust, forse cyberdelicten plegen. Hack_Right heeft als doel recidive onder jonge cybercriminelen te voorkomen en tegelijkertijd hun maatschappelijk zeer relevante ICT-talent te stimuleren binnen de kaders van de wet. Doordat jongeren leren hoe zij deze talenten op een veilige en rechtmatige manier kunnen ontwikkelen en inzetten, kan toekomstige maatschappelijke en financiële schade voorkomen worden. In de uitvoering van de interventie worden (private) ICT-bedrijven en -afdelingen betrokken, om de jongere te begeleiden bij de ontwikkeling van diens talent voor legale doeleinden. Momenteel is Hack_Right de enige interventie die zich specifiek richt op het voorkomen van herhaald daderschap bij (jonge) cybercriminelen.
Ondanks dat er sprake is van een stijging van (het aantal aangiften van) cybercriminaliteit blijkt dit nog niet uit de instroom bij Hack_Right. Dit vraagt aanvullende analyse, opdat passende maatregelen kunnen worden ingezet. Daarom heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de komende jaren subsidie toegezegd aan de drie uitvoeringsorganisaties (Reclassering, RvdK en Halt) voor de verdere implementatie en inbedding van Hack_Right in de justitiële processen. Daarnaast voert het WODC een onderzoek uit naar de in- en doorstroom van jeugdige en volwassen verdachten en daders van cybercrime binnen de strafrechtketen.8
Komt het vaker voor dat er pas eindvonnis wordt gewezen door een rechtbank vier jaar nadat een verdachte in verzekering is gesteld? Zo ja, kunt u per rechtbank uitsplitsen hoe vaak de afgelopen vijf jaren vonnissen werden gewezen waarbij een dader strafvermindering kreeg als gevolg van schending van de redelijke termijn?
Het komt voor dat een rechtbank pas vier jaar nadat een verdachte in verzekering is gesteld het eindvonnis wijst. Uitsplitsen hoe vaak de afgelopen vijf jaren vonnissen zijn gewezen waarbij een dader strafvermindering kreeg als gevolg van schending van de redelijke termijn is niet geautomatiseerd mogelijk. Dit aangezien het overschrijden van de redelijke termijn niet wordt geregistreerd in de systemen van de rechtspraak.
Indien uw antwoord op vraag 10 luidt dat nergens wordt geregistreerd of er sprake is van schending van de redelijke termijn en wat de gevolgen hiervan zijn voor de opgelegde straffen, kunt u dan een reële inschatting maken gebaseerd op de gepubliceerde uitspraken op rechtspraak.nl om de Kamer toch inhoudelijk van een antwoord te voorzien?
Het onderzoeken van gepubliceerde uitspraken op rechtspraak.nl is zeer tijdrovend en de huidige capaciteit laat het momenteel niet toe een dergelijk onderzoek uit te voeren. Bovendien worden (nu nog) lang niet alle uitspraken gepubliceerd. Daarom is het onduidelijk of een dergelijk onderzoek een representatief beeld zou geven.
Hun openbare agenda |
|
Laura Bromet (GL), Joost Sneller (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), van der Ch. Wal-Zeggelink , Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Kuipers , Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Op welke manier is de motie-Sneller/Bromet over de openbare agenda van bewindspersonen in uw herinnering aan de orde gesteld tijdens het constituerend beraad?1
De formateur heeft in het constituerend beraad gewezen op de openbare agenda van de bewindslieden.
Bent u bereid deze motie onverkort uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja. In aanloop naar het aantreden van het kabinet-Rutte IV is de openbare agenda van de bewindslieden meermaals onderwerp van gesprek geweest in de Voorlichtingsraad. Het overleg van de secretarissen-generaal heeft begin januari ingestemd met de VoRa-notitie «Openbare agenda bewindslieden». In deze notitie is een aantal adviezen opgenomen dat moet bijdragen aan een gebruiksvriendelijkere openbare agenda die tegemoet komt aan de motie van de leden Sneller en Bromet. Zo streven we ernaar contactgegevens op te nemen bij de agenda-items en een korte beschrijving te geven van het onderwerp van het betreffende agenda-item. Ook worden de agenda-items, conform de motie-Sneller/Bromet, op rijksoverheid.nl gecategoriseerd. Zo kan er worden gezocht op trefwoord, bijvoorbeeld «gesprek», «ontvangst», «werkbezoek» of «evenement». Ook kan op bewindspersoon worden gezocht of op de voltallige kabinetsploeg.
Bent u bekend met de Notitie van de Rijksvoorlichtingsdienst over de Openbare agenda bewindspersonen (d.d. 3 januari 2022)? Onderschrijft u de zeven afspraken die daarin beschreven worden en bent u bereid deze nauwgezet na te leven?
Ja, ik ben bekend met deze notitie. Ik onderschrijf de zeven afspraken uit de notitie en streef ernaar dat de afspraken nauwgezet worden nageleefd.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van het onderzoek van Open State Foundation dat slechts 14% van de afspraken die zijn opgenomen in de openbare agenda’s de informatie bevat die conform de Uitvoeringsrichtlijn openbare agenda bewindspersonen vereist is (terwijl de opgenomen afspraken slechts een deel zijn van diegene die daar volgens de Uitvoeringsrichtlijn in hadden moeten staan en de afspraken die wel aan de normen voldoen uitsluitend bij de Ministeries van LNV en Financiën voorkomen)?2 3 Welke concrete doelstelling voor de mate van naleving van de bestaande afspraken heeft u zichzelf voor de rest van deze kabinetsperiode gesteld?
Ik houd mijn agenda op dit moment al zoveel mogelijk bij conform de afspraken uit de notitie «Openbare agenda bewindslieden» en zal dit ook voor de rest van deze kabinetsperiode blijven doen.
Herkent u het beeld uit het artikel «Over mooie voornemens en agenda’s die tekort schieten» uit de Volkskrant van 23 februari 2022 dat naleving van de beslispunten uit deze notitie tot nog toe onvoldoende is, laat staan de motie die daarbovenop bijvoorbeeld om «zoveel mogelijk realtime» openbaarmaking in plaats van achteraf over de afgelopen week?
Mijn openbare agenda is, zoals ook uit het artikel blijkt, reeds cf. de afspraken bijgewerkt.
Bent u bereid om uw openbare agenda met terugwerkende kracht tot het moment van uw aantreden bij te werken zodat deze alsnog voldoet aan genoemde afspraken?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze bent u voornemens verbetering aan te brengen in de naleving van de normen uit de genoemde motie en notitie voor toekomstige afspraken?
Zoals aangegeven leef ik de normen reeds na. Ik hou hier ook in de toekomst aandacht voor.
In het licht van de nadruk die de premier tijdens het debat over de begroting Algemene Zaken op 14 oktober 2021 legde op «het principe van de individuele ministeriële verantwoordelijkheid in ons staatsbestel»: kunnen alle bewindspersonen deze vragen individueel beantwoorden?
Ja.
Berichten omtrent cyberaanvallen op Oekraïne en Nederlandse servers |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichtgeving?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Nederlandse servers worden misbruikt door Rusland om cyberaanvallen uit te voeren in Oekraïne? Hoe beoordeelt u dit?
Het is bekend dat Nederlandse servers en infrastructuur misbruikt worden door criminelen voor het plegen van strafbare feiten, zoals DDoS- en ransomware-aanvallen. Dit is onwenselijk. Nederland heeft in vergelijking met andere EU-landen een relatief grote hosting sector. Dit heeft te maken met de uitstekende digitale infrastructuur waarover Nederland beschikt: het internet is betrouwbaar en snel. Zowel nationaal als internationaal maken personen, bedrijven en organisaties gebruik van de Nederlandse infrastructuur. Naast legitieme klanten, kunnen criminelen en andere kwaadwillenden misbruik maken van de Nederlandse hostingsector. De hostingprovider is zich hier niet altijd van bewust. Daarnaast bestaan er zogenaamde «bulletproof» hosters, die hun klanten willens en wetens faciliteren bij hun strafbare gedrag. Verder ziet Nederland het zorgvuldigheidsbeginsel als een verplichting binnen het internationaal recht. Zie hiervoor verder de kamerbrief Tegenmaatregelen ransomware-aanvallen van de Minister van Buitenlandse Zaken.2
Hoeveel Nederlandse servers zijn de afgelopen weken misbruikt vanuit Rusland om cyberaanvallen uit te voeren? Heeft u een beeld om welke servers het gaat? Zo ja, zijn er stappen genomen om deze servers uit de lucht te halen? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke digitale aanvallen worden uitgevoerd vanuit command-and-control servers. Deze staan wereldwijd in datacenters, waaronder ook in Nederland. Voor datacenters is het vrijwel onmogelijk om te controleren welke servers voor dergelijke malafide doeleinden worden ingezet. Voor elke aanval zou specifiek technisch onderzoek nodig zijn om te achterhalen via welke servers een aanval is uitgevoerd. Dergelijk technisch onderzoek is niet bij elke aanval mogelijk, vanwege de capaciteit die dit kost en gezien het aantal (pogingen tot) aanvallen.
Klopt het dat Rusland ongezien Nederlandse servers kon huren voor zijn activiteiten en zo ongestoord cyberaanvallen kon uitvoeren op Oekraïne? Zo ja, in hoeverre worden huurders gescreend bij hostingbedrijven door hostingbedrijven zelf? Zijn hostingbedrijven verplicht om huurders te screenen? Zo ja, gebeurt dit ook en hoe vindt de controle plaats dat dit ook gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Wie precies de servers heeft gehuurd voor de genoemde activiteiten is niet bekend. Het screenen van klanten door hostingproviders is geen wettelijke verplichting. Het gaat hier om private bedrijven, waarop in Nederland contractvrijheid van toepassing is. Zij mogen in beginsel zelf bepalen wie hun klanten zijn. Door de hostingsector is samen met het Ministerie van EZK een gedragscode opgesteld, om misbruik van hun servers tegen te gaan. Op EU-niveau heeft Nederland in het kader van de gesprekken over de Digital Services Act (DSA) gepleit voor het hierin opnemen van regels voor hostingproviders om crimineel misbruik te bemoeilijken, waaronder het vergaren van informatie over klanten. Hiervoor was onvoldoende steun.
Welke rol speelt de politie in het screenen van huurders van hostingbedrijven? Wanneer screent de politie huurders van hostingbedrijven? Zijn hostingbedrijven verplicht om servers offline te halen als de politie hier melding van maakt? Zo ja, is dit ook afgelopen weken gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 4 is aangegeven, zijn hosters niet wettelijk verplicht om hun klanten te screenen. De politie heeft geen wettelijke bevoegdheden om klanten van hostingproviders te screenen. Daarnaast is het screenen van klanten een toezichtstaak die niet bij de politie thuis hoort. Bij vermoedens van illegale activiteiten op een server kan bij een hostingprovider een verzoek worden gedaan voor een vrijwillige notice-and-takedown. Indien de hoster daar geen gehoor aan geeft, kan de officier van justitie ter beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten een dienstverlener bevelen gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Wetboek van Strafvordering (Sv)) sturen naar een hostingprovider. Wanneer cybercriminelen gebruik maken van servers gehuurd bij buitenlandse resellers kan het doen van vorderingen worden bemoeilijkt, en daarmee het opsporingsonderzoek en het beëindigen van strafbare feiten.
Indien de politie weet heeft van strafbare feiten die via Nederlandse servers gepleegd worden, kan een opsporingsonderzoek worden gestart. Dit zal zich in beginsel richten op de plegers van strafbare feiten, zoals de daders van een ransomware-aanval. Het opsporingsonderzoek kan zich ook richten op de hostingprovider of de reseller, mits zij worden verdacht van een strafbaar feit.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het ongebreideld door kunnen verhuren van hostingruimte door resellers het wel erg makkelijk kan maken voor kwaadwillenden om een online rookgordijn te creëren? Zo ja, wat wilt u hieraan doen en welke mogelijkheden hebben hostingbedrijven en politie om gegevens over resellers op te vragen? Zo nee, waarom niet?
Het is onwenselijk dat kwaadwillenden Nederlandse servers misbruiken voor bijvoorbeeld het plegen van cyberaanvallen. De hostingsector heeft de gedragscode «abuse-bestrijding» ontwikkeld, die als doel heeft het schoon en veilig houden van het Nederlandse internet. Hierin is onder meer opgenomen dat hosters hun klanten kennen. Het blijft echter mogelijk dat klanten van hostingproviders deze serverruimte weer doorverhuren. Verder deelt het Clean Networks Initiatief3 onder deelnemers geautomatiseerd actuele informatie over kwetsbaarheden en misbruik in de systemen van alle deelnemers, geprioriteerd op basis van urgentie en impact. Daarnaast is in 2020 het Anti Abuse Netwerk (AAN) opgericht. Deze coalitie van publieke en private partijen zet zich in voor de bestrijding van misbruik van de technische infrastructuur.
Recentelijk heeft de politie een lijst opgesteld met resellers die vaak laten doorschemeren of openlijk toegeven dat zij diensten leveren aan criminelen. Deze lijst is gedeeld met de Dutch Cloud Community (DCC). Zie hiervoor ook de beantwoording van de Kamervragen van het lid Rajkowski.4 Naar aanleiding van deze beantwoording heeft DCC laten weten dat een aantal leden met bepaalde klanten geen zaken meer doet.5
Momenteel is in EU-verband de triloog-fase van de Digital Services Act begonnen. Deze verordening dient onder meer ter vernieuwing van de huidige E-Commerce richtlijn. In het voorstel worden hostingaanbieders onder andere verplicht een toegankelijk notificatiemechanisme in te stellen waarbij illegale inhoud gemeld kan worden en wordt verduidelijkt dat hostingproviders hun beperking van aansprakelijkheid kunnen verliezen wanneer zij na een melding van illegale inhoud deze niet prompt verwijderen of ontoegankelijk maken. Het kabinet steunt de invoering van deze maatregelen.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het zeer zorgelijk is dat onze uitstekende digitale infrastructuur wordt misbruikt door landen als Rusland om cyberaanvallen uit te voeren op Oekraïne en dat Nederland daarmee onbewust en indirect de Russische aanval faciliteert? Zo ja, bent u bereid om hostingbedrijven strenger te controleren al dan niet via de politie? Zo nee, waarom niet?
Het is zeer onwenselijk dat Nederlandse infrastructuur wordt misbruikt voor het plegen van cyberaanvallen. Dit geldt ook in het geval van kwaadwillende cyberoperaties tegen Oekraïne. Zoals eerder is aangegeven zijn hostingbedrijven niet wettelijk verplicht om hun klanten te controleren. Het controleren van hostingbedrijven is bovendien geen taak van de politie. Bij het tegengaan van misbruik van Nederlandse netwerken blijft het belangrijk dat de samenwerking wordt gezocht tussen de hostingsector en de politie.
Het bericht ‘Alarm om agressie op spoor en station’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Alarm om agressie op spoor en station»?1
Ja daar ben ik bekend mee.
Klopt het dat NS-personeel steeds vaker te maken krijgt met gewelddadige incidenten bij het uitoefenen van het werk? Geldt dit ook voor andere vervoerders?
Iedere melding is er één teveel. De NS meldt een stijging van het aantal meldingen van agressie (zogenaamde A-incidenten) door personeel: van 660 in 2020 naar 744 in 2021. Ook in het streekvervoer is het aantal meldingen van agressie toegenomen: van 787 in 2020 naar 977 in 2021. In het stadsvervoer nemen de meldingen iets af van 636 in 2020 naar 606 in 2021.
In hoeverre is de toename van agressie-incidenten toe te schrijven aan de coronacrisis?
Om de twee jaar wordt via de Personeelsmonitor de sociale veiligheid van het ov-personeel door middel van enquêtes in kaart gebracht. Om de ervaringen van het ov-personeel in relatie tot de coronacrisis te kunnen interpreteren, zijn in de Personeelsmonitor van 2020 ook vragen over corona opgenomen. Daaruit blijkt dat een groot deel van het ov-personeel (49%) zich onveiliger voelt vanwege corona. Vrijwel ieder personeelslid (94%) heeft in 2020 meegemaakt dat reizigers de corona-regels niet hebben nageleefd en dat reizigers geen mondkapje dragen. Daarbij komt 72% van het ov-personeel in 2020 minimaal één keer in de situatie terecht dat reizigers agressief gedrag vertonen vanwege de mondkapjesplicht. Vooral toezichthouders krijgen te maken met agressief gedrag. Vervoerders verklaren het agressieve gedrag in het ov door de algehele onrust en vermoeidheid die is opgetreden in de maatschappij, met een patroon van pieken na iedere verandering van de coronamaatregelen. Door minder reizigers was er ook sprake van minder sociale controle op verlaten stations en lege treinen, in combinatie met minder zichtbaar personeel.
Heeft elke conducteur de status van buitengewoon opsporingsambtenaar (boa)? Welke bevoegdheden heeft op dit moment de boa, tevens conducteur? Wat is op dit moment de uitrusting van de boa, tevens conducteur?
De NS heeft thans medewerkers in verschillende functies in dienst die beschikken over de boa bevoegdheid en dus boa zijn. Zo zijn er 700 medewerkers Veiligheid en Service, die beschikken over de boa bevoegdheid en tevens de geweldsbevoegdheid voor het dragen/gebruik van handboeien.
Daarnaast heeft de NS ongeveer 2.800 conducteurs in dienst. Elke hoofdconducteur bij de NS is nu een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa), zonder geweldsbevoegdheid. Vanuit de boa-bevoegdheid kan de hoofdconducteur een zogenaamde strafbeschikking opmaken voor overtredingen zoals bijvoorbeeld overlast (roken waar het niet is toegestaan) of het niet tonen of bij zich hebben van een geldig legitimatiebewijs. De hoofdconducteur kan ook een ontwerp proces-verbaal uitschrijven als de reiziger geen vervoersbewijs kan tonen en kan reizigers aanhouden die een strafbaar feit plegen om over te dragen aan de politie. De hoofdconducteur bij de NS draagt qua uitrusting een portofoon.
In de toekomst zal de boa-bevoegdheid voor de hoofdconducteur mogelijk komen te vervallen. NS heeft hiertoe op 22 maart 2022 een ondernemingsbesluit genomen. De ondernemingsraad heeft nog een maand om te reageren, daarna kan het besluit pas onherroepelijk worden vastgesteld. NS neemt dit besluit omdat in de praktijk door de hoofdconducteurs weinig gebruik wordt gemaakt van de boa-bevoegdheid. De huidige taken van de hoofdconducteurs zullen met dit besluit niet veranderen, echter alleen de bevoegdheid. De hoofdconducteur zal blijven controleren op geldige vervoersbewijzen en bij het ontbreken daarvan een Uitgestelde Betaling opmaken. Daarbij kan ook naar een geldig legitimatiebewijs worden gevraagd. Bij lastige situaties die dreigen te escaleren of bij agressie wordt door de hoofdconducteur de assistentie Veiligheid & Service opgeroepen, zoals dat nu ook het geval is.
Op hoeveel plaatsen worden boa’s/conducteurs standaard uitgerust met bodycams?
De medewerkers Veiligheid & Service (V&S, ruim 700 medewerkers) die boa-bevoegd zijn en tevens de geweldbevoegdheid hebben zijn standaard uitgerust met een bodycam. Tevens zijn de door NS ingehuurde beveiligers voor toezicht op sociale veiligheid op diverse stations ook door de NS voorzien van bodycams.
Hoeveel zou het kosten om iedere boa/conducteur uit te rusten met een bodycam?
Afhankelijk van de markt kost een bodycam, met basisstation, ondersteuning en verwerking van beeldmateriaal rond de € 1.000 per medewerker. Om alle 2800 hoofdconducteurs van NS te voorzien van een bodycam zijn de kosten 2.800.000 euro. Naast de bodycam heeft NS op ruim 80 stations camera’s hangen en zijn alle nieuwe treinen voorzien van camera’s en worden oudere type treinen die verbouwd worden voorzien van camera’s.
Klopt het dat één werkgever uit de OV-sector, te weten de NS, heeft gevraagd om een verruiming van de bevoegdheden van haar personeel? Waar ziet het verzoek precies op toe?
Het is belangrijk te benadrukken dat het niet gaat om het verruimen van boa-bevoegdheden, maar het mogelijk maken dat boa’s kunnen beschikken over informatie waarmee zij onafhankelijker hun taak kunnen uitvoeren. Hiertoe is bijvoorbeeld nodig dat Veiligheid & Service (V&S) medewerkers van de NS de identiteit kunnen vaststellen van een persoon die is staande gehouden. Daarom heeft de NS gevraagd om de V&S medewerker toegang te geven tot justitiële informatiesystemen. Vergelijkbaar of gelijk aan de informatiesystemen waarover de politie beschikt als zij ter assistentie worden gevraagd bij een persoon die zich niet kan legitimeren. Daarmee hoopt NS de kans op escalatie tijdens de wachttijd bij aanrijden van de politie te voorkomen en tegelijkertijd de politie in de noodhulp te ontlasten.
Bent u bereid om met de NS in gesprek te gaan? Bent u bereid om na te gaan of deze behoefte ook bestaat bij andere werkgevers uit de OV-sector?
Om de informatiepositie van boa’s te verbeteren bij het vaststellen van de identiteit is het belangrijk hen betere toegang te geven tot informatie voor een zelfstandige taakuitvoering.
In de Kamerbrief van november 2021 over de herijking van de boa-functie en het boa-bestel is aangekondigd dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid de boa meer onafhankelijk wil laten werken en wil inzetten op betere toegang tot systemen. In dit kader vinden gesprekken plaats vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de NS om te verkennen hoe de vaststelling van de identiteit door boa’s mogelijk kan worden gemaakt.
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Infrastructuur en Waterstaat voeren de dialoog met de NS en andere vervoerders over hoe we samen de overlast in het openbaar vervoer beter kunnen aanpakken.
Kunt u de uitrusting van OV-personeel betrekken bij de gesprekken over uitbreiding van bevoegdheden?
In aanvulling op het antwoord dat is gegeven bij vraag 7 het volgende. Het gaat in deze om de informatiepositie van boa’s om hun taken zelfstandiger te kunnen uitvoeren en daar waar nodig om het maken van operationele samenwerkingsafspraken met de politie. Dat vergt geen aanpassing van de uitrusting en is ook geen onderwerp van gesprek dat door de NS is ingebracht.
Heeft u een indicatie hoe lang een conducteur gemiddeld moet wachten op politie-assistentie? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de gemiddelde duur van de afgelopen vijf jaar?
De aanrijdtijden variëren sterk in stedelijke-en regionale omgeving en de urgentie van het incident. Bij geprioriteerde meldingen is de aanrijtijd in de steden gemiddeld 3 minuten. Vanwege de afstanden kunnen de aanrijdtijden in de meer perifere regio’s langer duren. Voor het vaststellen van de identiteit zijn de wachttijden gemiddeld langer. Het vraagstuk van de aanrijdtijden is een permanent aandachtspunt, met name in de perifere gebieden.
Heeft u een indicatie hoe vaak de politie wordt opgeroepen door een conducteur/boa? Zo ja, kunt u een overzicht geven van het aantal keren dat de politie is opgeroepen door een boa/conducteur de afgelopen vijf jaar? In hoeveel gevallen ging het hier om een verzoek om de identiteit van een persoon vast te stellen die zich niet zelf kon of wilde legitimeren?
In de jaren 2017–2020 ging het gemiddeld over 30–40% assistentieverzoeken die betrekking hadden op een reiziger zonder identiteitsbewijs of waarbij de identiteit moest worden vastgesteld. In 2021 is dat percentage gestegen naar 50%.
Wat is het verschil in inzet tussen de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid, waarin de spoorwegpolitie is opgegaan, en de inzet uit het team basispolitiezorg?
Er is sprake van een integrale aanpak voor het politietoezicht op het spoor. De regionale eenheden en de Landelijke Eenheid voeren dat toezicht uit met behoud van ieders verantwoordelijkheid. De regionale eenheden zijn verantwoordelijk voor het verlenen van noodhulp en kunnen daarbij de assistentie inroepen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke Eenheid.
Hoeveel politieposten op stations zijn de afgelopen jaren gesloten en welk effect hebben deze sluitingen gehad op de aanrijdtijden van de politie bij agressie-incidenten?
Het opheffen van politieposten houdt in dat het specialistische openbaar vervoer politieteam wordt overgezet naar basisteams van de politie. Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen politie, gemeentelijke boa’s en vervoerders ook zonder politiepost onverminderd kan worden voortgezet door het maken van goede samenwerkingsafspraken. Op lokaal niveau hebben de betrokken partijen dan ook de inzet van politie verschillend geborgd.
In zijn algemeenheid zijn aanrijdtijden afhankelijk van waar agenten en politievoertuigen zich bevinden op het moment van de melding. De Dienst Spoorwegen van het voormalige Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) verzorgde de basispolitiezorg op de vier grote stations Amsterdam CS, Rotterdam CS, Utrechts CS en Den Haag CS. De locatie op Utrecht CS is reeds in 2011 gesloten door de KLPD, de overige locaties zijn bij de vorming van de Nationale Politie overgegaan naar de desbetreffende regionale eenheden en zijn sindsdien alle op enig moment gesloten. Sinds 2013 zijn ook op of bij zeven andere stations locaties van de voormalige KLPD gesloten.
Is bij u bekend hoe de politie denkt over het verruimen van de bevoegdheden van de boa/conducteur, opdat zij meer zelfstandig kunnen handelen? Bent u bereid om hierover met de politie in gesprek te gaan?
Voor de belangrijke en onmisbare inzet van boa’s, als partner in het veiligheidsdomein, moeten boa’s hun taken veilig kunnen uitvoeren en binnen hun bevoegdheden meer zelfstandig kunnen optreden. JenV zet daarom o.a. in op betere toegang tot systemen, bijvoorbeeld voor het vaststellen van de identiteit op straat en in het openbaar vervoer. Hierover worden de gesprekken gevoerd tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, politie en de NS.
Heeft u een indicatie wat een verruiming van de bevoegdheden van de boa/conducteur betekent voor het ontlasten van de politie?
De taken en bevoegdheden van boa’s respectievelijk politie zijn verschillend. Dat zal ook zo blijven, want boa’s hebben een bijzondere (specifieke) opsporingsbevoegdheid en de politie een algemene opsporingsbevoegdheid. Voor de gevallen waarin ondersteuning van de politie nodig is, in de vorm van backup bijvoorbeeld, wordt deze ook geleverd.
Zijn bekende risicotrajecten en risicostations bij u in beeld? Wat is de inzet van de politie, in samenwerking met de NS en het lokaal bestuur, om deze veiliger te maken?
Over het algemeen kan worden gesteld dat op stations gelegen in de Randstad en treintrajecten die hierop rijden verhoudingsgewijs (in relatie tot het aantal passanten en reizigers) meer meldingen worden gedaan dan op stations en treintrajecten daarbuiten gelegen. De NS zet daar samen met politie, gemeenten en andere vervoerders doelgerichte acties in om de overlast en incidenten terug te dringen en waar mogelijk te voorkomen.
Is er een vast aantal boa’s/conducteurs per lijn en wordt dat aantal uitgebreid, gezien de toename van de agressie op het spoor?
Op dit moment is elke trein van de NS voorzien van een hoofdconducteur. Op basis van informatie gestuurd optreden, worden daar Veiligheid & Service-medewerkers extra ingezet voor toezicht op orde, rust, veiligheid. Daarnaast voorziet NS al haar nieuw materieel (of revisie materieel) van camera’s of brengt open zichtlijnen in de trein aan zodat er meer sociale controle is. Ook door het analyseren van incidenten en daar preventief Veiligheid & Service-medewerkers met extra boa- bevoegdheden in te zetten, probeert NS incidenten zoveel mogelijk te voorkomen.
Bent u bereid om te kijken naar een verruiming voor het uitwisselen van gegevens tussen vervoerders en politie zodat overlast- en geweldplegers niet bij één vervoerder maar in het gehele OV kunnen worden geweerd?
Zie antwoord bij vraag 8.
Bent u bereid om de duur van het OV-verbod uit te breiden en een permanent OV-verbod in te stellen voor reizigers die zich ernstig hebben misdragen in het openbaar vervoer?
Overlast door reizigers in het openbaar vervoer is onacceptabel en wordt niet getolereerd. Een verbod wordt in een concrete casus voor een bepaalde duur opgelegd. Deze duur hangt af van de aard van de onderliggende overtredingen. Hiertoe is een leidraad opgesteld door het Openbaar Ministerie in samenwerking met vervoerders en de politie waarin delicten met bijbehorende strafmaten staan beschreven. Bij het bepalen van de omvang van het verbod, zoals een permanent OV-verbod, is het belangrijk om de proportionaliteit niet uit het oog te verliezen.
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de uitvoering van de motie van de leden Amhaouch en Minhas (Kamerstuk 35 925-XII, nr. 43) over het lik-op-stukbeleid voor veelplegers in het openbaar vervoer?
Voor het gedrag van veelplegers is in het openbaar vervoer geen ruimte en wordt afgestraft. Afhandeling van strafzaken via de ZSM-werkwijze (Zorgvuldig, Snel op Maat) is een goede manier om in strafzaken die zich daarvoor lenen op een snelle en adequate manier tot bestraffing te komen. Deze mogelijkheid wordt al zo veel als mogelijk toegepast op alle eenvoudige misdrijven, ook als die zich hebben voorgedaan in het openbaar vervoer. Voor de in de motie gevraagde evaluatie zijn onderzoeksvragen opgesteld naar de aard en omvang van geweldsdelicten in het openbaar vervoer die volgens de ZSM-werkwijze zijn opgepakt. De betrokken organisaties is gevraagd onderzoek te doen om de desbetreffende vragen te beantwoorden. Naar verwachting kan de Kamer dit najaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie.
Bent u ermee bekend dat een veel plantaardig(er) dieet een enorm positieve bijdrage kan leveren aan onder andere het dempen van de klimaatverandering, het herstel van de natuur en het voorkomen van nieuwe pandemieën? Ziet u hier -als lid van een kabinet met klimaat- en natuurambities – ook een mooie rol voor zichzelf om met een relatieve kleine aanpassing in het aanbod van voedsel (op uw departement) een voortrekkersrol te nemen?1
Ik ben bekend met de positieve bijdrage die een gebalanceerd voedingspatroon kan leveren aan mens en milieu. In 2021 is een JenV brede2 CO2 voetafdruk opgesteld. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat voedsel en dranken 7% van de CO2 emissie van heel JenV veroorzaakt. De categorie voedsel en dranken staat hiermee op de derde positie in de ranglijst van emissiebronnen. Vastgoed gerelateerde emissies vormen met 44% de grootste categorie, gevolgd door vervoer met 42%. Op grond van de uitkomsten van de CO2 voetafdruk worden momenteel maatregelen vormgegeven om de emissies van JenV terug te dringen.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat een plantaardig(er) dieet zelfs dubbele klimaatwinst oplevert: niet alleen zorgt een afname van het aantal dieren dat wordt gefokt en gedood voor voedsel voor een forse afname van de uitstoot van broeikasgassen, ook zorgt het ervoor dat er landbouwgrond vrijkomt (die immers niet meer nodig is voor het verbouwen van veevoer) die kan worden teruggeven aan de natuur om zo blijvend veel meer CO2 vast te leggen?2
Het kabinet zet in op een gezond en duurzaam voedingspatroon, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum biedt informatie op basis van wetenschappelijke en onafhankelijke inzichten. Onderdeel hiervan is dat een toename van het aandeel plantaardige eiwitten in het voedingspatroon een belangrijke bijdrage kan leveren aan zowel het klimaat, als aan de gezondheid. Daarmee onderschrijft dit kabinet deze wetenschappelijke inzichten.
Bent u bekend met het besluit van de burgemeester van New York om op alle scholen in de stad op vrijdag voortaan plantaardige maaltijden in de kantines aan te bieden (Vegan Fridays)? Deelt u de mening dat ook hier het mes aan meerdere kanten snijdt, namelijk én klimaatwinst én een gevarieerd en gezond menu en een goed voorbeeld voor de scholieren?3
Ja, hier ben ik mee bekend. In Nederland is eten volgens de Schijf van Vijf het uitgangspunt voor een gezond voedingspatroon. Plantaardige maaltijden dragen bij aan klimaatwinst en een gevarieerd en gezond menu. Binnen JenV5 worden bij de verschillende bedrijfsrestaurants en bij de catering voor vergaderingen daarom steeds meer ingezet op plantaardige voeding. JenV volgt de Rijksbrede initiatieven op dit gebied.
Bent u bereid mee te doen met de Nationale week zonder vlees en zuivel (van 7 tot en met 13 maart aanstaande)? Doet uw departement ook mee?
Het Ministerie van JenV doet net als veel andere onderdelen van de rijksoverheid mee aan deze nationale week in verschillende bedrijfsrestaurants van de kantoorpanden.
Bent u bereid om op uw departement het principe «Carnivoor? Geef het door!» in te voeren, wat inhoudt dat plantaardig voedsel (geen vlees en andere dierlijke producten) de norm wordt, waarbij ambtenaren en gasten van het ministerie op bestelling dierlijke producten kunnen eten zodat niemand in keuzevrijheid wordt beperkt?
Het Ministerie van JenV (zie eerdere voetnoten) heeft zich, net als veel andere ministeries, aangesloten bij de Rijksbrede visie circulaire catering waarin plantaardige voeding een belangrijk onderdeel is.
Kunt u deze vragen (alleen namens uw eigen departement) beantwoorden voor 7 maart 2022?
Ik heb getracht de antwoorden voor mijn departement alvorens 7 maart toe te sturen aan uw Kamer. Dit is helaas net niet gelukt.
Het bericht 'Op bezoek bij omstreden fietskoeriers: ‘We zullen nooit pushen om harder te rijden’' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat de snelle opkomst van flitsbezorgers kan leiden tot onveilige situaties in het verkeer, overlast en achteruitgang van het straatbeeld?1
De vraag naar een snelle levering van producten, zoals maaltijden en boodschappen, is in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Ter illustratie, uit een recente enquête van de gemeente Amsterdam blijkt dat 28% van haar inwoners zeer vaak (wekelijks) gebruik maakt van een bezorgdienst.2 Tegelijkertijd geven inwoners van verschillende steden aan dat zij te maken hebben met overlast door flitsbezorgers, zoals geluidsoverlast en vuilnis op straat. Er zijn geen cijfers bekend dat flitsbezorgers leiden tot onveilige situaties in het verkeer. Wel blijkt uit de genoemde enquête dat veel inwoners van Amsterdam (68%) zich storen aan het rijgedrag van flitsbezorgers, zoals het geen voorrang verlenen bij een zebrapad en rijden waar het niet mag, bijvoorbeeld op de stoep. Dit kan tot onveilige situaties in het verkeer leiden.
Welke instrumenten heeft u om gemeenten te helpen regels in te stellen ter beperking van deze negatieve effecten, met name op het gebied van verkeersveiligheid?
Verschillende gemeenten, zoals Amsterdam en Rotterdam, hebben recent besloten de vestiging van nieuwe distributiecentra van flitsbezorgdiensten tijdelijk te verbieden om ondertussen te werken aan nieuwe bestemmingsplannen, inclusief randvoorwaarden voor bezorgdiensten. Het is voorstelbaar dat een van die randvoorwaarden verkeersveiligheid betreft. Gemeenten beschikken hiervoor over een eigen instrumentarium. In het gesprek met gemeenten zal worden bekeken op welke wijze het Ministerie van IenW hierbij kan ondersteunen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u van mening dat het instellen van een gebiedsontsluitingweg met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur kan helpen in de verkeersproblematiek door in die gevallen flitsbezorgers naar dit deel van de weg te verplaatsen?
De gebiedsontsluitingsweg 30 km/h (GOW30) is een nieuwe wegcategorie, waarvan de inrichtingskenmerken op dit moment door CROW in opdracht van mijn ministerie worden uitgewerkt. Bij deze uitwerking worden ook stakeholders zoals gemeenten betrokken. Het streven is om de inrichtingskenmerken voor de GOW30 eind van dit jaar gereed te hebben. Dan is ook duidelijk waar flitsbezorgers op een GOW30 mogen rijden. Pas wanneer ervaring is opgedaan met deze inrichtingskenmerken kan worden onderzocht wat voor effect dit heeft op flitsbezorgers binnen het verkeer.
Hoe staat het met het onderzoek dat uw voorganger heeft aangekondigd naar de snelle opmars van flitsbezorgers?
Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) doet onderzoek naar de kansen en uitdagingen van lichte elektrische vrachtvoertuigen in de stedelijke distributie. Het KiM kijkt in dit onderzoek breed naar verschillende type elektrische voertuigen die hiervoor worden ingezet. Denk aan bezorging van goederen met de elektrische (bak)fiets, maar ook aan compacte elektrische distributiewagens. In het onderzoek is aandacht voor maatschappelijke effecten, zoals verkeersveiligheid. De resultaten van het onderzoek zijn in de zomer van 2022 gereed. Daarnaast start de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) dit jaar met een onderzoek naar fietsbezorgers. De eerste resultaten zijn naar verwachting aan het eind van dit jaar gereed en worden dan met uw Kamer gedeeld.
Kunt u de Kamer hierover nader informeren vóór het commissiedebat Verkeersveiligheid
Nee, de resultaten zijn nog niet beschikbaar voor het commissiedebat op 20 april 2022. Ik zal uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.
Kunt u toelichten wat de opbrengsten zijn van uw gesprekken met de G4 over deze problematiek?
Met de G4 lopen reeds gesprekken over de verkeersveiligheid van maaltijdbezorgers. De komende periode vindt overleg met de G4 plaats waarbij ook de problematiek van flitskoeriers wordt betrokken. De uitkomsten hiervan worden na de zomer met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten wat de resultaten zijn van de inspanningen van TeamAlert om jongeren die als flitsbezorger werken meer inzicht te geven in hun gedrag in het verkeer?
Jonge flitsbezorgers zijn ook bij TeamAlert een zorgpunt. Om meer inzicht te krijgen in het verkeersgedrag van jonge flitsbezorgers is TeamAlert eind vorig jaar een enquête gestart onder deze groep. Hiermee willen zij inzicht krijgen in welke verkeersveiligheidsrisico’s er spelen onder flitsbezorgers, hoe deze mogelijk te voorkomen zijn en hoe de werkgever daarin een rol kan spelen. De resultaten en aanbevelingen van dit onderzoek worden dit voorjaar gepubliceerd door TeamAlert. Daarnaast is TeamAlert vorig jaar begonnen met de oprichting van een online platform voor maaltijdbezorgers en hun werkgevers, dat informatie en interventietools biedt, zoals een online gevaarherkenningstraining. De website wordt voor de zomer van 2022 gelanceerd en zal qua inhoud ook relevant zijn voor flitsbezorgers en hun werkgevers.
Bent u in overleg met uw collega’s van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de effecten van flitsbezorgers op woningtekorten, leefbaarheid en arbeidsomstandigheden?
Er is op dit moment geen overleg met deze collega’s hierover, maar het is bekend dat de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) bijzondere aandacht besteedt aan de arbeidsrisico’s die samenhangen met maaltijdbezorging – en flitsbezorging – zoals arbeid door minderjarigen, arbeidsveiligheid, illegale tewerkstelling en onderbetaling. Voor wat betreft de effecten van flitsbezorgersdiensten op de leefbaarheid en bestemming van bedrijfsruimten in woon-en winkelgebieden, zijn gemeenten zelf aan zet. We zien inmiddels dat verschillende gemeenten maatregelen nemen tegen (nieuwe) vestigingen van flitsbezorgdiensten. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Het bericht 'FIOD-speurders thuis na vergoedingenruzie' |
|
Folkert Idsinga (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «FIOD-speurders thuis na vergoedingenruzie»?1
Ja.
Klopt het dat de FIOD vier maanden geleden het landelijk opererende Team Specialistische Operaties (TSO) op non-actief heeft gesteld dat zich bezighoudt met het heimelijk afluisteren van verdachten van zware, veelal druggerelateerde, criminaliteit? Zo ja, wat zijn daarvan de redenen?
Het is juist dat dit team (TSO) enkele maanden geleden op non-actief is gesteld. Er is sprake van een arbeidsrechtelijk geschil tussen werknemers en hun werkgever. Ik kan hierover in het openbaar geen mededelingen doen.
Uit hoeveel fte bestaat dit speciale FIOD-team in totaal? Hoeveel mensen daarvan zijn op non-actief gezet?
Als werkgever heeft de FIOD een zorgplicht naar zijn medewerkers. Om die reden kan ik hier geen mededeling over doen.
Kunt u uitgebreid aangeven hoe de voortgang van de lopende onderzoeken, waaraan dat team werkte in de tussentijd, is geborgd?
De medewerkers van het TSO zijn op non-actief gesteld. De werkzaamheden zijn doorgegaan en tijdelijk door ketenpartners overgenomen.
Wat betekent het op non-actief zetten van dit FIOD-personeel voor de samenwerking met de politie? Hoe wordt dit opgevangen?
Zoals onder vraag 4. is aangegeven zijn de werkzaamheden doorgegaan en tijdelijk door ketenpartners overgenomen.
Kunt u het belang van het werk dat het TSO in algemene zin verricht, uitgebreid toelichten? Kunt u dat tevens toelichten aan de hand van cijfermatige gegevens omtrent, bijvoorbeeld, het aantal succesvolle resultaten dat dit team heeft behaald?
De werkzaamheden van het TSO leveren een waardevolle bijdrage aan de inwinning van informatie in strafrechtelijke onderzoeken. Ik kan niet specificeren wat het belang van een specifiek team als het TSO is. Werkzaamheden van dit team maken onderdeel uit van een bredere uitvoering van activiteiten in een strafrechtelijk onderzoek. De inzet en bijdrage van het TSO worden in de uitkomst van een strafrechtelijk onderzoek niet als resultaat gespecificeerd.
Volgens het bericht zou het gaan om een verschil van mening over vergoedingen, kunt u het verschil van mening toelichten? Klopt het dat de toelagen voor het werken op zeer onregelmatige en veelal nachtelijke uren zomaar zijn stopgezet?
De zaak is onder rechter en om die reden doe ik over de specifieke inhoud geen mededelingen. In zijn algemeenheid geldt voor het toekennen van toelagen de CAO Rijk.
Klopt het, dat in het bericht wordt gesproken van een binnen de FIOD heersende «angst- en afrekencultuur» en een «sociaal onveilige werksfeer»? Kunt u reflecteren op de cultuur binnen de FIOD? Zijn bij u meer signalen bekend over een sociaal onveilige werksfeer bij de FIOD? Wat gaat u eraan doen de geuite zorgen rondom angstcultuur weg te nemen?
Door de raadsman wordt in het artikel aangegeven dat de schorsing wordt ervaren als een gevolg van de binnen de FIOD heersende angst- en afrekencultuur. Daarnaast wordt door de raadsman aangegeven dat cliënten zich zorgen maken over de in hun ogen sociaal onveilige werksfeer.
Over de specifieke inhoud wordt geen mededeling gedaan. De zaak is onder de rechter.
Op welke wijze gaat u dit geschil met de leden van het TSO oplossen? Wanneer verwacht u het geschil te hebben opgelost?
Vanuit het directieteam FIOD wordt gezocht naar een spoedige oplossing.
De WNL-documentaire ‘Vertrouwelijk’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van de WNL-documentaire «Vertrouwelijk», aangeven of het klopt dat Peter R. de Vries het aanbod voor persoonsbeveiliging zelf heeft afgeslagen?1
Over al dan niet genomen beveiligingsmaatregelen kan ik geen mededelingen doen. Dat geldt zowel voor eventuele beveiligingsmaatregelen ten aanzien van een individu als voor eventueel bestaande gradaties in beveiliging. De reden dat ik hierover geen mededelingen kan doen, is omdat dat voor kwaadwillenden inzicht kan verschaffen in de informatiepositie en handelwijze van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien informatie over beveiligingsmaatregelen openbaar wordt gemaakt, wordt afbreuk gedaan aan de effectiviteit van optreden tegen (mogelijke) dreigingen en kan dat dus ten koste gaan van de veiligheid van personen.
Verder wil ik verwijzen naar het lopende onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). Zoals uw Kamer bekend is de OVV in augustus 2021 door mijn ambtsvoorganger verzocht om na te gaan welke lessen getrokken kunnen worden uit de beveiligingssituaties van de broer, de toenmalig advocaat en de vertrouwenspersoon (Peter R. de Vries) van de kroongetuige in het Marengo-proces.2 Gelet op het belang van zorgvuldig, adequaat en onafhankelijk onderzoek, wacht ik de uitkomsten van het onderzoek af en zal ik niet op eventuele conclusies vooruitlopen.
In algemene zin zet het kabinet in op een meerjarige structurele aanpak waarmee het ondermijnende effect van de georganiseerde criminaliteit wordt teruggedrongen. De versterking van het stelsel bewaken en beveiligen is een belangrijk onderdeel van deze aanpak, in verbinding met maatregelen zoals de modernisering van de kroongetuigenregeling (hetgeen ook relatie heeft met het stelsel bewaken en beveiligen) en het tegengaan van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Ik vind het van groot belang dat we als overheid burgers – en zeker de hoeders van onze rechtsstaat – een zo goed mogelijke bescherming kunnen bieden tegen (be)dreigingen en intimidatie vanuit de georganiseerde criminaliteit. Met de eerder toegekende ondermijningsgelden van het kabinet is al ingezet op de noodzakelijke versterking van het stelsel bewaken en beveiligen op alle onderdelen. Deze versterkingen lopen en de eerste versterkingen – in zowel capaciteit en middelen – zijn inmiddels deels gerealiseerd.3 Zo zijn diverse relevante vacatures ingevuld voor de versterking van informatieverzameling en -organisatie, maatregelenadvies, intelligence capaciteit en uitvoering van beveiligingsmaatregelen. Voor wat betreft de teams Bewaken en Beveiligen van de politie hebben de eerste vier teams de noodzakelijke opleiding afgerond. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger de Commissie Bos gevraagd het stelsel te beoordelen en voorstellen te doen op welke wijze het stelsel toekomstbestendig gemaakt kan worden. Op dit moment wordt er uitvoering gegeven aan aanbevelingen van de Commissie Bos. Zoals aan uw Kamer gemeld,4 zal ik uw Kamer eind maart uitgebreider informeren over de uitwerking van de aanbevelingen.
Klopt het dat er geen andere acties genomen zijn om zijn veiligheid te bevorderen door bijvoorbeeld zijn reisroutes niet-zichtbaar te controleren en/of te begeleiden of anderszins veiligheidsbevorderende acties in gang te zetten?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er niets is gedaan met de meldingen dat Peter R. de Vries werd achtervolgd? Zo ja, waarom niet? Zo nee, wat is er wel mee gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Is het zo dat als een bedreigd persoon geen gebruik maakt van persoonsbeveiliging er dan helemaal niets gedaan wordt om de veiligheid te bevorderen en dat hier dus een alles of niets benadering geldt? Zo nee, wat zijn de gradaties in beveiliging die worden aangeboden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u terug op de beveiligingssituatie van Peter R. de Vries en wat heeft u hiervan geleerd voor de toekomst?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht 'FIOD-speurders thuis na vergoedingenruzie' |
|
Raymond Knops (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van bovenstaand bericht?1
Ja.
Was u op de hoogte van het geschil tussen de FIOD en het Team Specialistische Operaties (TSO), als gevolg waarvan het TSO al zo’n vier maanden geleden naar huis is gestuurd en hun werkzaamheden dus sindsdien stilliggen?
Ik ben op de dag voor het verschijnen van het artikel in de Telegraaf over dit geschil binnen de FIOD geïnformeerd.
Waarom heeft u het niet nodig gevonden de Kamer hierover te informeren?
Er is hier sprake van een arbeidsrechtelijk geschil tussen werknemers en hun werkgever. Ik kan hierover in het openbaar geen mededelingen doen.
Klopt het dat de toelagen voor het TSO voor het werken op onregelmatige tijden, dat wil zeggen over- en nachtelijke uren, door de FIOD zijn stopgezet? Zo ja, waarom zijn deze toelagen stopgezet?
De zaak is onder de rechter en om die reden worden over de specifieke inhoud geen mededelingen gedaan. In zijn algemeenheid geldt voor het toekennen van toelagen de CAO Rijk.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van het TSO dat de schorsing het gevolg is van de binnen de FIOD heersende angst- en afrekencultuur en dat in hun ogen een sociaal onveilige werksfeer bestaat, waarbij kritische vragen (over arbeidsvoorwaarden) niet op prijs worden gesteld en dreigementen worden geuit?
Door de raadsman wordt in het artikel aangegeven dat de schorsing wordt ervaren als een gevolg van de binnen de FIOD heersende angst- en afrekencultuur. Daarnaast wordt door de raadsman aangegeven dat cliënten zich zorgen maken over de in hun ogen sociaal onveilige werksfeer.
Over de specifieke inhoud wordt geen mededeling gedaan. De zaak is onder de rechter.
Bent u op de hoogte van het bestaan van zo’n cultuur? Zo nee, hoe wilt u dit verder gaan onderzoeken? Zo ja, wat wilt u hiermee gaan doen?
Tweejaarlijks vindt er een medewerkersonderzoek plaats. Er hebben mij geen signalen bereikt dat er binnen de FIOD sprake is van zo’n cultuur. Ik ben daarom niet voornemens een onderzoek uit te laten voeren. Er is binnen de organisatie aandacht voor cultuur en leiderschap via het Belastingdienst brede programma dat op dit moment in uitvoering is.
Kunt u aangeven waarom er maanden tijd overheen moeten gaan om een dergelijk geschil op te lossen?
De medewerkers van het TSO zijn op non-actief gesteld. De werkzaamheden zijn doorgegaan en tijdelijk door ketenpartners overgenomen.
Vindt u het verantwoord dat de werkzaamheden van het team al maanden stilliggen en wat zijn daarvan de gevolgen voor lopende zaken met betrekking tot het opsporen van financiële en belastingfraude?
Vanuit het directieteam FIOD wordt gezocht naar een spoedige oplossing.
Hoe wilt u deze situatie zo snel mogelijk oplossen?