Het afhandelen van de hack op Clinical Diagnostics en de gevolgen voor gedupeerden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Wat zijn de meest recente ontwikkelingen rondom het datalek bij het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker?
In de Kamerbrief van 1 september 20251 kondigde ik aan dat Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) een brief zou sturen naar alle betrokkenen die hebben deelgenomen aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker en van wie de gegevens naar het laboratorium Clinical Diagnostics zijn gestuurd. De brieven zijn halverwege september verstuurd. Het klantcontactcentrum van BVO NL was opgeschaald en uitgebreid met een speciale informatielijn met specialisten op het gebied van crisistelefonie. Dit zodat alle vragen die naar aanleiding van de brieven zijn gesteld snel beantwoord konden worden. Er is op dit moment met de reguliere bezetting voldoende capaciteit om de vragen aan te kunnen en op tijd te beantwoorden.
De toezegging om uw Kamer blijvend op de hoogte te houden van de laatste ontwikkelingen staat nog steeds.
Wat is de stand van zaken omtrent de maatregelen die u aankondigde in uw brief van 1 september 2025?1 Kunt u dit per maatregel toelichten?
Hieronder geef ik per maatregel uit de brief van 1 september 2025 een toelichting op de stand van zaken.
Z-CERT heeft op verzoek van de Minister van VWS alle laboratoria benaderd die zijn betrokken bij de bevolkingsonderzoeken naar kanker en screeningsprogramma’s rond zwangerschap en geboorte. Het doel is om die ook toe te voegen aan de scanningsdienst van Z-CERT. Hierover is uw Kamer geïnformeerd op 30 september 2025.3 Inmiddels zijn nagenoeg alle benaderde laboratoria toegevoegd aan de scanningsdienst. Met deze dienst van Z-CERT wordt continu gemonitord op bekende kwetsbaarheden op de systemen van deze laboratoria die benaderbaar zijn via het internet. De resultaten worden aan de laboratoria teruggekoppeld, zodat zij waar nodig maatregelen kunnen treffen.
BVO NL heeft zelf ook een quickscan uit laten voeren naar acute risico’s bij de twee laboratoria die momenteel werkzaamheden uitvoeren voor het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Hieruit kwam naar voren dat deze laboratoria voldoende veilig zijn.
De oorzaak van de hack vormt onderwerp van nader onderzoek. Op dit moment is nog niet concreet te duiden wanneer de uitkomsten daarvan bekend zullen worden.
Afronding van dit onderzoek wordt eind dit jaar verwacht.
De AP en de IGJ voeren hun toezichthoudende taak onafhankelijk uit. Zij bepalen daarbij hun eigen werkwijze en planning voor de onderzoeken. Op dit moment beschik ik niet over nadere informatie over deze onderzoeken.
Het is niet aan mij hier nader op in te gaan, hiervoor verwijs ik naar het Openbaar Ministerie.
Zoals gezegd, monitort Z-CERT momenteel de twee laboratoria die werkzaamheden uitvoeren voor het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Z-CERT heeft op verzoek van de Minister van VWS daarnaast alle laboratoria benaderd die zijn betrokken bij de bevolkingsonderzoeken naar kanker en screeningsprogramma’s rond zwangerschap en geboorte. Dit met als doel om die ook toe te voegen aan de scanningsdienst van Z-CERT. Inmiddels zijn nagenoeg alle benaderde laboratoria toegevoegd aan de scanningsdienst. De resultaten worden aan de laboratoria teruggekoppeld.
Dit betreft doorlopende inzet. De Minister van VWS geeft hier bijvoorbeeld invulling aan door zorgbestuurders per brief op te roepen om prioriteit te geven aan het nemen van de nodige maatregelen, te beginnen met het voldoen aan de norm, de NEN 7510.
Zijn inmiddels alle gedupeerden op de hoogte dat zij getroffen zijn door het datalek en is voor hen duidelijk welke data van hen is buitgemaakt?
In september zijn alle betrokkenen die hebben deelgenomen aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker en van wie gegevens met het laboratorium zijn gedeeld, geïnformeerd. In de brieven heeft BVO NL ook aangegeven welke persoonsgegevens BVO NL met het laboratorium heeft gedeeld. Er is op dit moment niet te zeggen welke gegevens bij de hack zijn bemachtigd.
Heeft u gemerkt dat het datalek heeft geleid tot een lagere bereidheid om mee te doen aan volgende bevolkingsonderzoeken? Wat doet u om de deelname op peil te houden?
De deelname aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker wordt nauwlettend in de gaten gehouden. Normaal gesproken is er een dip in de deelname in de zomervakantie en gaat de deelname daarna weer omhoog. In de eerste weken na de zomer bleef de instroom van ingestuurde testen bij de labs achter, maar dit lijkt de afgelopen periode weer wat bijgetrokken. Om te kunnen constateren of dit ook daadwerkelijk de deelname heeft beïnvloed, moet over een langere periode gekeken worden. Ter illustratie: het is bijvoorbeeld mogelijk dat vrouwen de zelfafnameset iets langer laten liggen vanwege de datahack, maar op een later moment toch nog deelnemen. Zodra we hier meer over kunnen zeggen en als sprake is van een significante verandering in de deelname, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Is gebleken dat gedupeerden van het datalek vaker het doelwit zijn van phishing, fraude en andere online criminaliteit? Heeft u cijfers of analyses waaruit dit blijkt?
Dat kan ik niet aangeven, omdat in geval van phishing, fraude of andere online criminaliteit het de vraag is of daarbij gebruik is gemaakt van persoonsgegevens die betrokken zijn geweest bij de datahack, of dat de gebruikte persoonsgegevens op andere wijze in handen zijn gekomen van criminelen.
Hoe lang blijft het klantcontactcentrum van Bevolkingsonderzoek Nederland bereikbaar voor gedupeerden? Zorgt u ervoor dat gedupeerden altijd ergens terecht kunnen met zorgen en vragen?
Het klantcontactcentrum van BVO NL is tijdens kantooruren altijd bereikbaar. Hier kunnen mensen terecht voor vragen in relatie tot de bevolkingsonderzoeken, waaronder uiteraard ook met vragen over de datahack. Het klantcontactcentrum van BVO NL was opgeschaald, zodat de grote hoeveelheid vragen die kwam naar aanleiding van de datahack snel beantwoord werd. Die opschaling is inmiddels weer afgebouwd, maar het klantcontactcentrum blijft beschikbaar voor alle vragen en is op dit moment in staat om alle vragen op tijd te beantwoorden.
Heeft u op basis van uw contact met gedupeerden, of op basis van hun klachten en signalen, aanvullende acties ondernomen om tegemoet te komen aan hun behoeften?
Naar aanleiding van de eerste brieven die BVO NL had verzonden in de week van 18 augustus, zijn veel reacties gekomen. Er was kritiek op de inhoud van de brief en BVO NL kreeg vele suggesties ter verbetering, onder andere van de Nationale ombudsman. Deze suggesties zijn door BVO NL meegenomen bij het opstellen van de tweede ronde brieven die naar ruim 941.000 mensen zijn verzonden. Ik heb destijds de brief van de Ombudsman direct doorgestuurd naar BVO NL met het verzoek deze mee te nemen in de formulering van die tweede ronde brieven. Ook andere signalen en suggesties zijn meegenomen bij het opstellen van de tweede ronde brieven.
Bent u bekend met maatschappelijke initiatieven, zoals de Digitale Dolle Mina’s, die gedupeerden samenbrengen en informatie verschaffen?2 Hoe trekt u samen met deze initiatieven op om gedupeerden te bereiken?
Ik ben bekend met deze initiatieven. De primaire informatievoorziening verloopt via BVO NL. Deelnemers van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker die zijn getroffen door de datahack, zijn hierover geïnformeerd door BVO NL. Naast de persoonlijke brieven, zijn er de breed gedeelde nieuwsberichten geweest op onder andere 11 augustus en 29 augustus jl. om mensen te informeren over de datahack.
Is inmiddels duidelijk geworden hoe de hack en het datalek plaats hebben kunnen vinden? Zo ja, welke oorzaak lag daaraan ten grondslag en hoe gaat dit in de toekomst worden voorkomen? Zo nee, wanneer kan de Kamer de uitkomst van dat onderzoek verwachten?
De oorzaak van de hack vormt onderwerp van nader onderzoek. Op dit moment is nog niet concreet te duiden wanneer de uitkomsten daarvan bekend zullen worden. Uiteraard zal op basis van de uitkomsten worden bezien welke lessen daaruit kunnen worden getrokken.
Voert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vooraf checks uit naar de informatieveiligheid van partnerorganisaties bij nieuwe samenwerkingen, zoals laboratoria? Zo ja, wat zijn de aandachtspunten van de IGJ bij die checks? Zo nee, waarom wordt dat niet gedaan?
Nee, de IGJ voert hier niet vooraf checks op uit. Er is geen verplichting om samenwerkingen zoals hier omschreven (vooraf) bij de IGJ te melden.
De norm voor informatiebeveiliging (NEN 7510) stelt dat organisaties zelf de informatiebeveiligingspraktijken en de dienstverlening van leveranciers regelmatig moeten monitoren, beoordelen en evalueren. De IGJ houdt achteraf toezicht op het voldoen aan de eisen voor informatiebeveiliging.
Zijn er aanvullende beveiligingsmaatregelen die dit kabinet gaat invoeren om de tijd totdat de behandeling van de Cyberbeveiligingswet is afgerond te overbruggen? Zo ja, welke maatregelen zijn dat? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat het risico op datalekken zoals deze zo klein mogelijk wordt?
Zorgaanbieders zijn in de eerste plaats zelf wettelijk verantwoordelijk voor hun informatiebeveiliging. Zij bepalen welke maatregelen genomen moeten worden om de risico’s op het gebied van informatiebeveiliging te beheersen. Als stelselverantwoordelijke neemt de Minister van VWS de regie om het zorgveld hierbij te ondersteunen. Dit doet hij door zich in het huidige beleid te richten op het stimuleren van bewustwording, passende hulp te bieden, toezicht te versterken en te ondersteunen bij incidenten.
Hebben de politie en het Openbaar Ministerie vooruitgang kunnen boeken in het vinden van de datasets op het dark web en ook in het vinden van de daders? Heeft Z-CERT bij het monitoren van de data al gezien dat het op het dark web is verschenen?
Het Openbaar Ministerie heeft bekend gemaakt strafrechtelijk onderzoek te doen naar het datalek. Het is niet aan mij om hier nader op in te gaan, hiervoor verwijs ik naar het Openbaar Ministerie.
Wat betreft Z-CERT, ben ik hier in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Kathmann van 9 september 2025 op ingegaan.5 In het algemeen kan ik over de monitoring van Z-CERT alleen aangeven dat de resultaten van de monitoring aan de laboratoria worden teruggekoppeld zodat zij waar nodig maatregelen kunnen treffen.
Heeft u collega-bewindspersonen op de hoogte gesteld van deze casus en van het belang van gegevensbeveiliging om dergelijke incidenten buiten de zorg ook te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft het kabinet een plan gemaakt om bij alle departementen en hun ketenpartners het risico op datalekken te verminderen?
Mijn collega-bewindspersonen zijn op de hoogte gesteld van en bijgepraat over de datahack, onder andere op vrijdag 8 augustus, vrijdag 15 augustus en vrijdag 29 augustus 2025. Cybersecurity en digitale weerbaarheid zijn permanent onderwerp van aandacht binnen de hele overheid.
Kunt u aangeven wanneer verdere informatie en uitkomsten van lopende onderzoeken naar de Kamer worden gestuurd en met betrokkenen worden gedeeld?
Zoals in de beantwoording hiervoor is aangegeven, verwacht ik van sommige onderzoeken de uitkomsten in het najaar. Van andere onderzoeken kan ik op dit moment nog niet concreet duiden wanneer de uitkomsten daarvan bekend worden. Uiteraard zal ik uw Kamer nader informeren zodra dat mogelijk is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en, indien van toepassing, betrekken bij de eerstvolgende periodieke update aan de Kamer over het datalek?
Dat zal ik doen.
Het bericht ‘Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa»1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat circa 60 procent van al het in Europa gehoste kinderseksmisbruikmateriaal zich in Nederland bevindt, en bijna een derde van het wereldwijde totaal? Hoe verklaart u dat Nederland in zo’n uitzonderlijke positie verkeert?
Seksueel kindermisbruik behoort tot de meest verwoestende vormen van criminaliteit. Het laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. En ook worden zij telkens met hun leed geconfronteerd wanneer beelden van het seksueel misbruik op het internet worden geplaatst en gedeeld.
Het kabinet vindt het zeer zorgwekkend dat in Nederland nog altijd veel beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik wordt gehost.
Mede dankzij het gunstige vestigingsklimaat, de directe aansluiting op onderzeekabels tussen continenten en de goede digitale infrastructuur, is Nederland een aantrekkelijk land voor datacentra en hostingproviders. Deze sterke positie brengt echter ook risico’s met zich mee: dezelfde infrastructuur kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, zoals het hosten van illegaal materiaal.
Om dit tegen te gaan heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) op 1 juli 2024, met de inwerkingtreding van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, nieuwe bevoegdheden gekregen. Deze wet geeft de ATKM de mogelijkheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten.
Naast de inzet van de ATKM blijft het kabinet zich onverminderd inspannen om dit misbruik te voorkomen en krachtig te bestrijden. Voor verdere toelichting verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Welke wettelijke verplichtingen gelden op dit moment voor hostingbedrijven en internetproviders om kinderseksmisbruikmateriaal te detecteren, te melden en te verwijderen? Acht u deze verplichtingen toereikend, gezien de recente bevindingen? Kunt u hierbij ingaan op het toezichtkader en het ontbreken van afdwingbare meld- en verwijderverplichtingen?
Ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik geldt in Nederland een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat verplichtingen oplegt aan aanbieders van hosting- en internetdiensten bij het verwijderen en ontoegankelijk maken van kinderpornografisch materiaal, evenals over het toezicht daarop. Daarmee is voorzien in een robuust systeem van meld- en verwijderverplichtingen.
Op 17 februari 2024 is de Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) volledig in werking getreden. Op grond van artikel 16 DSA zijn aanbieders van hostingdiensten verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, kan melden. Daarnaast verplicht artikel 18 DSA aanbieders van hostingdiensten om, zodra zij informatie ontvangen die wijst op een mogelijk strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen in gevaar is, dit onverwijld te melden aan de bevoegde opsporings- of justitiële autoriteiten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door de 25 grootste aanbieders van online diensten. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de overige aanbieders van online diensten binnen hun eigen rechtsgebied. Vanaf 4 februari 2025 treden in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) op als de bevoegde toezichthouders voor de naleving van de DSA in Nederland.
De officier van justitie kan, in geval van een verdenking van een misdrijf, zoals het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de ATKM de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken en zal dat in beginsel ook doen, gezien de schadelijke reputatie-effecten die daarvan uitgaan.
Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht in het indammen van hosting van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in Nederland. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van onwelwillende hostingbedrijven.
Bent u bereid beleid te ontwikkelen zodat hostingbedrijven verplicht kunnen worden om proactieve detectiemethoden toe te passen, zoals hash-databanken of AI-gebaseerde beeldherkenning, teneinde het verspreiden van kinderseksmisbruikmateriaal sneller te stoppen?
In de DSA is neergelegd dat lidstaten geen algemene verplichting mogen opleggen aan hostingbedrijven tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie noch tot actief onderzoek naar de feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten.
Artikel 7 DSA regelt echter dat aanbieders van hostingdiensten wel vrijwillig maatregelen kunnen nemen om illegale inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, te detecteren en te verwijderen, zonder dat zij daarmee hun aansprakelijkheidsbescherming verliezen.
In dat kader wordt door de sector al gebruik gemaakt van hash-databanken. Een bekend voorbeeld hiervan is de HashCheckService (hierna: HCS): een gratis tool, die het mogelijk maakt om bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik snel te identificeren en van het internet te verwijderen. Met de applicatie kunnen hostingproviders controleren of geüpload materiaal op hun servers in de database van de HCS voorkomt. De database bevat hashlijsten van bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, onder meer afkomstig van de Nederlandse politie en Interpol.
Hoe verhoudt de Nederlandse wetgeving zich tot de voorgenomen Europese verordening inzake seksueel misbruik van kinderen, die lidstaten verplicht om hosting van dergelijk materiaal actiever te bestrijden? Welke voorbereidingen treft Nederland voor implementatie van deze verordening?
De voorgenomen EU-Verordening inzake seksueel misbruik van kinderen bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In het meest recente voorstel is verplichte detectie van online seksueel beeldmateriaal van kinderen helemaal geschrapt. In plaats daarvan wordt voorgesteld de mogelijkheden die bedrijven nu op grond van een tijdelijke derogatieregeling hebben om op eigen initiatief detecteren, permanent te maken. Op 26 november jl. heeft de Raad een positie ingenomen ten aanzien van dit voorstel. Het betekent dat de Raad klaar is om de onderhandelingen met het Europees parlement en de Europese Commissie in te gaan, in de zogeheten triloog. Wanneer de triloog start, is er aldus nog geen definitieve wet. De uiteindelijke impact van de Verordening, ook in relatie tot het bestaande nationaalrechtelijke wettelijke kader, is daarom nog niet met zekerheid vast te stellen. Het kabinet neemt actief deel aan de onderhandelingen en overlegt hierover regelmatig met relevante ketenpartners. Een verordening heeft rechtstreekse werking. Mocht de verordening in de toekomst worden aangenomen, dan zal ook dan moeten worden bezien in hoeverre aanvullende nationale wetgeving nodig is om effectief uitvoering te kunnen geven aan de verordening.
Hoeveel capaciteit is er binnen politie en Openbaar Ministerie beschikbaar voor digitale opsporing en handhaving op het gebied van kinderseksmisbruikmateriaal? Zijn er signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is om de omvang van het probleem aan te pakken?
De verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data liggen primair bij andere organisaties dan de politie. Zo is er in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de hostingpartijen zelf. Daarnaast houden organisaties als Offlimits, de ATKM, de ACM (naleving DSA) en de AP (voor vraagstukken omtrent privacy) zich bezig met online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Binnen de politie wordt de aanpak van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik uitgevoerd door de Teams ter Bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK). De capaciteit van deze teams is de afgelopen jaren uitgebreid met 26 fte, waardoor er eind augustus 2025 in totaal 152 fte werkzaam waren. Het kabinet investeert in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie. Deze investering is nodig vanwege de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door AI en end-to-end encryptie. Hiervoor is structureel 2 miljoen euro extra beschikbaar gesteld. Het streven is om de capaciteit verder uit te breiden met specialistische zij-instromers.
Daarmee wordt het opsporingsvermogen versterkt, onder andere via de ontwikkeling van specifieke tooling en de inzet van AI. Desondanks blijft de hoeveelheid beeldmateriaal groter dan de beschikbare politiecapaciteit, waardoor prioritering noodzakelijk is. De hoogste prioriteit ligt bij zaken waarbij het risico op actueel («hands-on») misbruik het grootst is.
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) beschikt over gespecialiseerde officieren van justitie die zich bezighouden met seksuele misdrijven. Bij de arrondissementsparketten worden zaken van seksueel kindermisbruik opgepakt door de daartoe opgeleide officieren. Bij het Landelijk Parket is een team van vijf gespecialiseerde officieren specifiek gericht op de aanpak van online/transnationaal seksueel kindermisbruik. Sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven is daarnaast geïnvesteerd in opleiding en certificering van officieren bij arrondissementsparketten, zodat de beschikbare expertise wordt versterkt.
Ook het OM benoemt de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door technologische ontwikkelingen.
De werkdruk bij officieren van justitie is structureel hoog. Bovendien is het aangetroffen beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in toenemende mate ernstiger en schokkender, wat een zwaardere werklast met zich meebrengt. Desondanks zijn er bij het OM op dit moment geen signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is ten opzichte van de instroom van zaken vanuit de politie, mede dankzij de wijze waarop zaken worden geprioriteerd door het OM.
Hoeveel tijd verstrijkt er gemiddeld tussen het moment dat kinderseksmisbruikmateriaal wordt gemeld en het moment dat het daadwerkelijk van Nederlandse servers is verwijderd? Zijn er streefwaarden of normen vastgesteld voor een maximale doorlooptijd? Zo ja, in hoeveel procent van de gevallen worden deze normen gehaald?
In Nederland is de afspraak gemaakt met de sector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. In
2024 (tot en met oktober) werd ongeveer 59% van deze meldingen van Offlimits door de branche adequaat en binnen 24 uur opgepakt.
Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken en wordt strafbaar materiaal offline gehaald.
Wanneer er sprake is van een zogenoemde «bad hosters» die structureel niet of te laat reageren, kan de ATKM sanctionerend optreden tegen deze weigerende partijen. Sinds 1 juli 2024 kunnen boetes worden opgelegd door de ATKM. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC, om hosting en verspreiding van kinderseksmisbruikmateriaal grensoverschrijdend te bestrijden?
De samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC is van groot belang voor de aanpak van de grensoverschrijdende hosting en verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Nederland werkt intensief samen met deze organisaties om informatie-uitwisseling, opsporing en verwijdering van illegaal materiaal te versterken.
Zo coördineerde Europol begin dit jaar voor het eerst een grootschalige operatie die specifiek gericht was op AI-gegenereerd beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik («Operatie Cumberland»). Deze actie leidde tot de aanhouding van 25 verdachten in 19 landen, waaronder enkele in Nederland. De Nederlandse politie speelde hierbij een actieve rol. Daarnaast faciliteert Eurojust de juridische samenwerking tussen lidstaten, waardoor grensoverschrijdende strafzaken efficiënter kunnen worden afgehandeld en activiteiten van nationale autoriteiten beter op elkaar kunnen worden afgestemd.
Het Nederlandse Meldpunt Kinderporno van Offlimits is onderdeel van het internationale INHOPE-netwerk, welke bijdraagt aan een snelle internationale aanpak. Meldingen van beeldmateriaal kunnen via dit netwerk direct worden doorgestuurd naar de bevoegde autoriteiten in het betreffende land, wat de verwijdering van illegale content aanzienlijk versnelt.
Tot slot vormt NCMEC een belangrijke informatiebron over de omvang en aard van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Bent u voornemens om krachtige, afdwingbare maatregelen, zoals strengere wetgeving die hostingbedrijven verplicht tot actieve detectie en snelle verwijdering van dergelijk materiaal, stevige handhaving bij overtredingen, en intensievere internationale samenwerking te nemen om te voorkomen dat Nederland het knooppunt blijft voor het hosten van kinderseksmisbruikmateriaal?
Zoals hierboven is toegelicht beschikt Nederland over een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat hosting- en internetdiensten verplicht om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te melden, te verwijderen en ontoegankelijk te maken. Het kabinet zet zich blijvend in om online seksueel kindermisbruik te voorkomen en te bestrijden. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 3, 4, 7 en 8.
Daarnaast onderzoekt het kabinet maatregelen om de zogenaamde bad hosters beter aan te kunnen pakken in de toekomst. De uitkomsten van een eerste verkenning hiervoor is op 27 juni jl. naar uw Kamer verzonden.2
Welke mogelijkheden ziet u om extra financiële middelen en capaciteit beschikbaar te stellen om de digitale opsporing en handhaving te versterken, de verwijdering van kinderseksmisbruikmateriaal te versnellen en slachtoffers beter te identificeren en te ondersteunen?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven, liggen de verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data primair bij andere organisaties dan de politie. Daarnaast investeert het kabinet in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie, onder andere door de capaciteit van de TBKK’s vanaf dit jaar uit te breiden. Gezien de financiële opgave bij de politie ziet het kabinet momenteel geen mogelijkheden om aanvullend hierop extra financiële middelen te vinden binnen de politiebegroting.
Voor het antwoord op de vraag hoe de verwijdering van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik kan worden versneld, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Bent u voornemens om hostingbedrijven en datacenters wettelijk te verplichten tot transparante rapportage over het aantal meldingen, verwijderingen en handhavingsacties met betrekking tot kinderseksmisbruikmateriaal?
Artikel 15 van de DSA verplicht aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in verwijderingsbevelen van autoriteiten, meldingen van illegale inhoud, en de maatregelen die aanbieders op eigen initiatief hebben genomen om inhoud te modereren. De verplichting geldt niet voor micro- en kleine ondernemingen, tenzij zij worden aangemerkt als zeer groot onlineplatform.
De ATKM heeft in 2024 het beheer van de zogenaamde TU Delft monitor overgenomen. Met de monitor werd door de TU Delft in beeld gebracht in hoeverre aanbieders van hostingdiensten gehoor gaven aan verzoeken beeldmateriaal te verwijderen.
Bent u bereid om de Kamer jaarlijks te rapporteren over de omvang van kinderseksmisbruikmateriaal dat in Nederland wordt gehost, de resultaten van verwijderingen en de voortgang van beleid en handhaving?
Over de omvang van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik dat in Nederland wordt gehost wordt reeds door diverse organisaties gerapporteerd, waaronder de politie, het OM, Europol, Offlimits, ATKM, INHOPE en NCMEC. De inzichten van deze organisaties worden door het kabinet benut om het toezicht, de opsporing en het beleid gericht verder te versterken en om waar nodig aanvullende maatregelen te ontwikkelen.
De Kamer wordt jaarlijks via de voortgangsbrief Zeden geïnformeerd over de ontwikkelingen in de aanpak van online seksueel kindermisbruik in het voorgaande jaar.
De overstap van de Belastingdienst naar Microsoft |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst verplaatst mail naar Microsoft, ondanks zorgen over meekijken VS»?1
Ja.
Maakt de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft 365 onze overheid meer of minder afhankelijk van de Verenigde Staten?
De overstap naar M365 betekent inderdaad een vergroting van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten. De Belastingdienst heeft de overgang naar de cloud afgewogen conform het cloudbeleid van de overheid. In de huidige situatie en in andere afgewogen scenario’s, zoals de keuze voor een on-premises oplossing, is ook sprake van (grote) afhankelijkheid van de Verenigde Staten.
Om de risico’s zoveel mogelijk te reduceren heeft de Belastingdienst een exitstrategie uitgewerkt voor het geval er (plotseling) een vertrek uit de cloudomgeving moet plaatsvinden. Door het inrichten van een lokale back-up functionaliteit zorgt de Belastingdienst ervoor dat documenten altijd beschikbaar blijven. De exitstrategie wordt vertrouwelijk aan uw Kamer ter inzage aangeboden.
Is er, conform de aangenomen motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1315), een onafhankelijke onderbouwing opgesteld voor de noodzaak van de overstap naar Microsoft? Zo ja, kunt u deze delen?
De motie-Kathmann2 is in maart 2025 aangenomen. De Belastingdienst is reeds in 2021 begonnen met het vervangen van de werkplekken bij de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Het traject is daarmee ingezet voordat deze motie, waarin wordt verzocht om een onafhankelijke onderbouwing, is aangenomen.
Bij de aanvang van het traject is uitgegaan van de toen geldende (markt)standaard van Microsoft Windows 11 en M365. De uitrol van de nieuwe werkplekken is inmiddels afgerond. De huidige situatie is dat er vanaf de nieuwe 40.000 werkplekken wordt doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving omdat M365 nog niet is geïmplementeerd. Dit terwijl er bij de inrichting van de nieuwe werkplekken rekening is gehouden met de implementatie van M365. Doordat M365 nog niet is geïmplementeerd bestaan er nu inefficiënte manieren om vanaf de nieuwe werkplekken met de beperkingen van de oude werkomgevingen om te gaan. Deze workarounds resulteren in een productiviteitsverlies.
Gezien de recente (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen heeft de Belastingdienst de overstap naar M365 op de nieuwe werkomgeving getemporiseerd en eerst een aantal alternatieve scenario’s zorgvuldig uitgewerkt en afgewogen. Daarbij heeft de Belastingdienst onderzocht of het mogelijk was om af te wijken van het voorgenomen scenario de overstap naar M365 te maken. Dit blijkt niet realistisch, omdat de nieuwe werkplekken inmiddels al breed zijn uitgerold
In het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt wordt bevonden voor de Belastingdienst, dan kost het nog twee tot drie jaar om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van een productiviteitsverlies.
In bijlage 1 vindt u een nota van 27 juni jl. gericht aan de Bestuursraad van het Ministerie van Financiën. Daarin wordt uitgebreid ingegaan op de uitgewerkte en afgewogen scenario’s.
Waarom houdt u het mailverkeer niet in eigen beheer, zoals verzocht in de motie-Kathmann/Six Dijkstra (Kamerstuk 36 740, nr. 20)? Hoe bent u van plan om deze motie alsnog uit te voeren?
De Belastingdienst heeft de optie om het mailverkeer in eigen beheer te houden verkend. Zowel het continueren van de huidige werkomgeving, als het implementeren van een hybride on-premises oplossing zoals SSC-ICT reeds heeft gedaan. Zoals u heeft kunnen lezen in de Kamerbrief van 2 oktober jl. heeft de Belastingdienst ook een verkenning gedaan naar de mogelijkheid om de functionaliteiten voor onder andere de mail onder te brengen bij SSC-ICT. Deze opties zijn niet realiseerbaar op de korte of middellange termijn.
Om uitvoering te geven aan deze motie volgt de Belastingdienst de ontwikkelingen van Europese en soevereine alternatieven.
Acht u de keuze voor de Belastingdienst om de eigen ICT te verhuizen naar Microsoft in het belang van de strategische autonomie, waarover de demissionaire premier op 30 september 2025 nog uitsprak dat bestuurders dit prioriteit moeten geven?2
Ik onderschrijf de uitspraak van de Minister-President om prioriteit te geven aan strategische autonomie. Daarom wil ik graag nogmaals benadrukken dat de applicaties binnen de primaire processen voor de belastingheffing, -inning en opsporing blijven draaien in hun huidige omgeving in de datacenters van de Belastingdienst. De overstap heeft betrekking op de kantoorautomatisering. Daarvoor verwijs ik naar de reeds gegeven antwoorden en de brief die u op 2 oktober jl. heeft ontvangen.
Acht u het onafhankelijk en onomstotelijk bewezen dat er geen Europese oplossing voor de Belastingdienst beschikbaar is? Uit welke onafhankelijke onderbouwing blijkt dit?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, heeft de Belastingdienst een aantal alternatieve scenario’s uitgewerkt en zorgvuldig afgewogen, maar er is op dit moment en binnen afzienbare termijn geen geschikt alternatief beschikbaar voor de huidige situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt. Bij de inrichting van de nieuwe werkplekken is rekening gehouden met de implementatie van M365. Door dat de werkplekken inmiddels zijn uitgerold, maar M365 nog niet is geïmplementeerd, wordt er doorgewerkt in de oude omgeving. De nieuwe werkplekken zijn daarvoor niet ingericht. Het doorwerken in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via de nieuwe werkplekken resulteert in workarounds. Daardoor is er nu sprake van productiviteitsverlies.
In het geval dat er in de toekomst wel een oplossing beschikbaar komt dat geschikt is voor de situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt, dan kost het nog twee tot drie jaar om dit te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan doorgewerkt vanaf de nieuwe werkplekken in de verouderde werkomgeving en blijft er sprake van een productiviteitsverlies.
Hoeveel en welke Europese alternatieven heeft u precies onderzocht en waarom waren deze ontoereikend? Kunt u de documentatie delen waaruit blijkt dat deze alternatieven niet voldoen aan de gestelde eisen?
Zoals u heeft kunnen lezen in de Kamerbrief van 2 oktober jl. en het antwoord op vraag 3 is de Belastingdienst reeds in 2021 begonnen met het vervangen van de werkplekken. De (geo)-politieke situatie was destijds anders, waardoor het versterken van de autonomie in de afwegingen een beperktere rol speelde. Daarom heeft destijds geen uitgebreide verkenning naar Europese alternatieven plaatsgevonden en is er uitgegaan van de toen geldende (markt)standaard van Microsoft Windows 11 en M365 en heeft de Belastingdienst deelgenomen aan de contractonderhandelingen met het Strategisch Leveranciersmanagement voor de Rijksoverheid (SLM Rijk). Het SLM Rijk helpt onderdelen van de Rijksoverheid om zich beter te positioneren tegenover leveranciers door middel van het bundelen van de onderhandelings- en inkoopkracht. Namens het rijk heeft SLM Rijk via deze weg gunstige (contract)voorwaarden bedongen bij Microsoft.
De overstap naar M365 is getemporiseerd naar aanleiding van recente (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen zodat onderzocht kon worden of er afgeweken kon worden van dit scenario. Daaruit blijkt, dat zelfs als er een geschikt Europees alternatief bestaat voor de Belastingdienst, de implementatie daarvan nog steeds twee tot drie jaar in beslag neemt. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving vanaf de nieuwe werkplekken die daarvoor niet zijn ingericht. Daarmee blijft er dus sprake van een significant productiviteitsverlies.
De Belastingdienst volgt de bewegingen en ontwikkelingen in de buitenwereld nauwlettend en kijkt actief naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen. In dit kader volgt de Belastingdienst onder andere de ontwikkelingen bij BZK rondom «Mijn Bureau». Mijn Bureau is een open source samenwerkingsplatform voor de overheid, publieke sector en bedrijven dat wordt ontwikkeld onder regie van het Rijksbrede programma Beter Samen Werken (OpenBSW). De Belastingdienst neemt actief deel aan de ontwikkelingen rond dit platform. Momenteel bevindt dit platform zich echter nog in een vroege testfase. Zie voor de stand van ontwikkelingen in Europa ook de Kamerbrieven van de Minister van Economische Zaken van 17 januari 20254 en 23 mei 2025.5
Welke eisen voor functionaliteit, veiligheid en continuïteit hanteert de Belastingdienst? Zijn deze zodanig geformuleerd dat ze niet voorsorteren op een overstap naar Microsoft 365?
De eisen voor functionaliteit, veiligheid en continuïteit volgen uit de vereisten van alle rijksbrede relevante wetgeving. Voorbeelden hiervan zijn o.a. ISO-standaarden, DUTO, BIO, NIS 2 en Archiefwet. De Belastingdienst maakt gebruik van het framework contract van de overheid (SLM Rijk) met Microsoft waarin waarborgen zijn opgenomen om te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving.
Kunt u alle documentatie over de risico-afweging die is gemaakt om de keuze voor Microsoft 365 te onderbouwen met de Kamer delen, waaronder de aanvullende afspraken die zijn gemaakt met de leverancier?
De risico-analyse wordt vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer aangeboden.
Kunt u de gekozen exitstrategie met de Kamer delen? Is negen maanden om over te stappen van de Microsoft 365-omgeving snel genoeg in het geval van een acute stopzetting van de dienstverlening door de leverancier?
De exitstrategie wordt vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer worden aangeboden.
De exitstrategie kent twee scenario’s: een scenario voor gepland vertrek als gevolg van contractbeëindiging door de Belastingdienst in het geval er een overstap wordt gemaakt naar een andere aanbieder en een scenario waarin er een acuut vertrek moet plaatsvinden als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen. De door u genoemde negen maanden horen bij het scenario voor een gepland vertrek, bijvoorbeeld in het geval dat er een migratie plaatsvindt naar een andere aanbieder. De Belastingdienst heeft conform het contract met Microsoft negen maanden de tijd om de data uit de M365-omgeving over te zetten naar de gewenste omgeving.
Voor de situatie waarin er acuut een vertrek uit de cloudomgeving moet plaatsvinden zijn diverse maatregelen getroffen om dat mogelijk te maken en de gevolgen voor de dienstverlening zoveel mogelijk te beperken.
Bent u zich ervan bewust dat Amerikaanse bedrijven die gegevens op Europees grondgebied stallen, alsnog moeten voldoen aan surveillanceverplichtingen die volgen vanuit nationale wetgeving, zoals de CLOUD Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act?
Ja. De CLOUD-act maakt het mogelijk dat de Amerikaanse overheid, waaronder opsporingsdiensten, toegang krijgen tot (persoons-)gegevens van Nederlandse burgers. Gelet op de extraterritoriale werking van de CLOUD-act is toegang ook mogelijk als de data buiten de Verenigde Staten staat. Er zijn ook andere landen met dergelijke wetten en bijbehorende verplichtingen. Om eventuele risico’s hieromtrent tegen te gaan, bevat het Rijksbreed cloudbeleid 2022 en het bijbehorende implementatiekader «risicoafweging cloudgebruik» onder meer de plicht om een risicoafweging te maken. Ook bevat het specifieke eisen voor omgang met persoonsgegevens en is het niet toegestaan staatsgeheim gerubriceerde gegevens in de cloud te plaatsen. Een risicoafweging kan als uitkomst hebben dat dit risico acceptabel is.
Ten aanzien van de CLOUD-act geldt dat uit onderzoek van Greenberg Traurig blijkt dat: «[...]het risico dat de Amerikaanse overheid toegang krijgt tot Europese (persoons)gegevens, specifiek op basis van de CLOUD-act, weliswaar voorstelbaar, maar in de praktijk ook (heel) klein is».
Een adequate risicoafweging, waaronder het doen van een gedegen Data Protection Impact Assessment (DPIA) en een Data Transfer Impact Assessment (DTIA), blijft echter nodig om het risico in een concreet geval te beoordelen.
Is, met inachtneming van vraag 9, het stallen van gegevens op Microsoft-datacentra binnen de Europese Economische Ruimte een legitiem middel om risico’s voor de autonomie en nationale veiligheid weg te nemen?
Het stallen van gegevens in datacenters binnen de Europese Economische ruimte is, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 2 oktober jl., een voorbeeld van een genomen maatregel om risico’s voor de autonomie en nationale veiligheid te beperken. In diezelfde brief is aangegeven dat risico’s nooit volledig kunnen worden weggenomen. Dat geldt overigens voor elk scenario dat door de Belastingdienst is overwogen, waaronder ook het on-premises scenario. Elk scenario brengt eigen risico’s met zich mee op diverse vlakken. Daarom is het te alle tijden een belangenafweging welk scenario het meest geschikt is.
Graag wijs ik u erop dat de risico’s ten aanzien van de toegang tot gegevens van de overheid beperkt zijn. Dit blijkt uit de in het antwoord op vraag 9 genoemde risico-analyse, de DPIA’s op M3656, de contracten die SLM Rijk met Microsoft heeft uitonderhandeld en een analyse van de CLOUD-act die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is gepubliceerd.7 Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangegeven wordt het risico dat de Amerikaanse overheid op basis van de CLOUD-act toegang verkrijgt tot Europese (persoons-)gegevens in de praktijk op (heel) klein geschat.
Tot slot wil ik nog opmerken dat de Belastingdienst met M365 een hoger volwassenheidsniveau op het gebied van informatiebeveiliging kan implementeren. Daarmee wordt de kans op ongeoorloofde toegang van kwaadwillenden tot de gegevens van de Belastingdienst zoveel mogelijk beperkt.
Kunt u alle documentatie over de afweging die is gemaakt voor de andere drie scenario’s in volledigheid met de Kamer delen?3
De nota voor de Bestuursraad Financiën vindt u in bijlage 1. De exitstrategie en risico-analyse worden vertrouwelijk aan uw Kamer aangeboden.
Op basis van het onderzoek dat is verricht naar Europese alternatieven, op welke termijn wordt een migratie naar Europese alternatieven mogelijk? Zet u zich actief in om dit te bewerkstelligen?
Ik kan uw Kamer geen termijn geven waarop een migratie naar een Europees alternatief mogelijk is. Wel kan ik u toezeggen, zoals ik ook reeds in het antwoord op vraag 7 heb gedaan, dat de Belastingdienst de ontwikkelingen en bewegingen in de buitenwereld nauwlettend volgt. De Belastingdienst kijkt actief naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese oplossingen voor cloud en andere software. De Belastingdienst vervult een cruciale rol in de maatschappij en kan daarom als organisatie niet lichtvaardig omgaan met keuzes die de continuïteit van de systemen en processen kunnen raken.
De Belastingdienst wil in deze context niet vooruit lopen op technologische ontwikkelingen en baseert zijn keuzes op zorgvuldige afwegingen en de kaders en richtlijnen die door BZK worden gesteld. Nieuwe technologieën en software worden door de Belastingdienst pas toegepast na een zorgvuldige afweging en zodra er voldoende zekerheid is dat deze oplossingen veilig en uitvoerbaar zijn. In dat kader, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, kijkt de Belastingdienst onder andere naar de ontwikkelingen rondom «Mijn Bureau» van BZK.
Eén van de strategische doelen uit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) is om gezamenlijk te werken aan een verkenning om een overheidsbrede soevereine clouddienst in samenwerking met bestaande overheidsdienstverleners te realiseren. De Belastingdienst kijkt uit naar de resultaten van deze verkenning. Daarmee ontstaat handelingsperspectief en meer duidelijkheid over de termijn waarop een dergelijke migratie realiseerbaar is.
De Belastingdienst levert, als eigenaar van een Overheidsdatacenter, in het kader van betere rijksbrede samenwerking graag een belangrijke en noodzakelijke bijdrage aan een meer autonome oplossing voor de langere termijn.
Waarom bent u slechts voornemens om te migreren naar Europese alternatieven als zij op een vergelijkbaar niveau zitten als Microsoft, als u het belang van digitale autonomie en nationale veiligheid onderschrijft?
De overstap naar M365 is het resultaat van een complexe en veelzijdige belangenafweging. Zoals u heeft kunnen lezen in het antwoord op vraag 12 zijn autonomie en nationale veiligheid twee aspecten, welke beiden zijn meegewogen door de Belastingdienst. Naast het versterken van de digitale autonomie en nationale veiligheid maakten aspecten zoals de beschikbaarheid, niveau van functionaliteit, geldende wet- en regelgeving, schaalbaarheid, en kosten ook onderdeel uit van de belangenafweging.
Zoals u heeft kunnen lezen in mijn antwoord op vraag 3 en in de brief die u op 2 oktober jl. heeft ontvangen heeft de Belastingdienst gezien de (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen de overstap naar M365 getemporiseerd. Eerst heeft de Belastingdienst zorgvuldig een aantal alternatieve scenario’s afgewogen. Daarbij is het belang van het versterken van de digitale autonomie en de nationale veiligheid opnieuw nadrukkelijk meegenomen.
In hoeverre bent u bereid om digitale autonomie, kennisbehoud en data- en nationale veiligheid in te leveren ten behoeve van functionaliteit en productiviteit?
Zie antwoord vraag 15.
Welke delen van het werkproces komen in de Amerikaanse cloud te staan? Komen ook «rulings» van de Belastingdienst, die gevoelige informatie over belastingheffing bevatten, en bedrijfsgevoelige informatie in de Microsoft-omgeving te staan?
Zoals u heeft kunnen lezen in het antwoord op vraag 5 betreft de overstap de kantoorautomatisering. Met kantoorautomatisering doel ik op applicaties (zoals Teams, OneDrive, en Outlook) die medewerkers ondersteunen in hun dagelijkse werkzaamheden, (interne) communicatie en samenwerking. Applicaties voor beheer en security vallen hier ook onder.
De applicaties binnen de primaire processen voor de belastingheffing, -inning en opsporing blijven draaien in hun huidige omgeving in de datacenters van de Belastingdienst. Voor de archivering van rulings heeft de Belastingdienst een apart systeem. Daarnaast blijven er voor de medewerkers opties om (gevoelige) informatie veilig on-premises op te slaan en onderling (en met een derde) te delen via het Belastingdienst-file-transfer. Communicatie over casuïstiek tussen de Belastingdienst en ondernemingen en/of hun gemachtigden en tussen medewerkers onderling met betrekking tot ruling verzoeken vindt via diverse wijzen plaats waaronder e-mail. Dit is ook het geval bij rulings.
Is het migreren van maildiensten naar Microsoft een reden om bepaalde informatie niet binnen de werkomgeving van de Belastingdienst te bespreken, communiceren, of op te slaan?4
Nee, er zijn ook alternatieve opslaglocaties voor het bewaren van informatie en met hulp van de zogenaamde datalek-preventie-oplossing in de M365-suite, wordt voorkomen dat gevoelige informatie als bijlage bij een e-mail meegestuurd kan worden. Voor het verzenden van gevoelige informatie zijn er alternatieven beschikbaar in het dienstenaanbod. Zo is er de beschikking over de Belastingdienst-file-transfer, waarmee een veilige verzending en ontvangst van informatie tussen Belastingdienst/Toeslagen/Douane en een derde mogelijk is via het openbare internet.
Zoals u heeft kunnen lezen in het antwoord op vraag 5 en 17 blijven de applicaties voor de primaire processen in de on-premises omgeving draaien. Met de overstap naar M365 krijgt de Belastingdienst meer mogelijkheden om data te beheersen die buiten de applicaties voor de primaire processen wordt verwerkt.
Is het risico op weglekken van data naar derden onderzocht? Kan u bewijzen dat er géén risico’s zijn dat gevoelige informatie onbeveiligd wordt uitgewisseld in de nieuwe situatie?
De ervaring leert dat op het vlak van informatiebeveiliging het weglekken van data nooit volledig kan worden voorkomen. De overstap naar M365 maakt het mogelijk om aanvullende en beterebeheersmaatregelen te implementeren.
Naast de al eerder met uw Kamer gedeelde maatregel van het afsluiten van de USB-poorten biedt de nieuwe M365 omgeving meer mogelijkheden om het delen van informatie te beperken. Voor het uitwisselen van informatie met derden op grond van een wettelijke basis heeft de Belastingdienst speciale voorzieningen die voldoen aan de wettelijke vereisten, zoals Belastingdienst-file-transfer. Zie ook antwoord op uw vraag 18.
Kunt u toelichten welke primaire processen nog wel in het Nederlandse datacentrum blijven draaien en welke afweging daarbij is gemaakt? Welke beheer- en beveiligingsapplicaties worden verplaatst naar de publieke cloud en waarom vallen deze niet onder primaire processen?
Zoals is aangegeven in eerdere antwoorden blijven de applicaties binnen de primaire processen voor de belastingheffing, -inning en opsporing draaien in hun huidige omgeving in de datacenters van de Belastingdienst. De wijzigingen zien toe op de kantoorautomatisering. Met de overgang naar M365 worden de documenten die worden verwerkt in de kantoorautomatisering opgeslagen op een server van Microsoft. De genoemde beheer- en beveiligingsapplicaties betreffen de applicaties die horen bij de kantoorautomatisering en het beheren van de cloudomgeving. Voorbeelden hiervan zijn de virusscanner en een beheerprogramma om regels in te stellen voor het bepalen wat er met informatie mag gebeuren (zogenaamde «data leakage prevention regels»). Ik wil met nadruk aangeven dat beveiligings- en beheerprogrammatuur voor de systemen die in het eigen datacentrum staan, niet vervangen worden door cloud-varianten van die apparatuur.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en toezeggen dat de Belastingdienst geen onomkeerbare stappen zet totdat deze vragen zijn beantwoord?
De vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. De Belastingdienst is nog niet gestart met de daadwerkelijke uitrol van M365. Het stoppen en/of vertragen van dit traject is echter niet zonder consequenties. Er is, zoals u heeft kunnen lezen in de brief van 2 oktober jl., jarenlang geïnvesteerd in en rekening gehouden met de overstap naar M365. In de situatie dat de Belastingdienst een overstap zou maken naar een alternatief, dan zou dit gepaard gaan met aanzienlijke kosten en een doorlooptijd van twee tot drie jaar.
De Belastingdienst heeft namelijk de nieuwe werkplekken al uitgerold binnen de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Zolang de Belastingdienst, Douane en Toeslagen blijven doorwerken in de verouderde en inefficiënte werkomgeving vanaf deze nieuwe werkplekken die zijn ingericht op het gebruik van M365 zal er sprake blijven van workarounds en daarmee productiviteitsverlies.
De brief van de staatsecretaris van Financiën aan de kamer ‘Overstap kantoorautomatisering naar M365’ |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Heijnen , van Marum |
|
|
|
|
In de brief wordt gesteld dat Europese alternatieven binnen afzienbare termijn niet voldoen aan het niveau van Microsoft 365; welke Europese alternatieven zijn onderzocht voordat de keuze gemaakt is voor Microsoft?
De Belastingdienst is sinds 2021 bezig met het vervangen van de werkplekken bij de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. De (geo)politieke situatie was destijds anders, omdat het versterken van de autonomie in de afwegingen een beperktere rol speelde. Daarom heeft destijds geen uitgebreide verkenning naar Europese alternatieven plaatsgevonden en is er uitgegaan van de toen geldende (markt)standaard van Microsoft Windows 11 en M365.
De uitrol van de nieuwe werkplekken, in de vorm van nieuwe laptops die zijn ingericht op het gebruik van M365, is inmiddels afgerond. De huidige situatie is dat er vanaf de nieuwe 40.000 werkplekken wordt doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving omdat M365 nog niet is geïmplementeerd. Dit terwijl er bij de inrichting van de nieuwe werkplekken rekening is gehouden met de implementatie van M365. Doordat M365 nog niet is geïmplementeerd bestaan er nu inefficiënte manieren om vanaf de nieuwe werkplekken met de beperkingen van de oude werkomgeving om te gaan. Deze workarounds resulteren in een geschat productiviteitsverlies van 15 tot 30 minuten per medewerker per dag.
Gezien de recente (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen heeft de Belastingdienst de overstap naar M365 op de nieuwe werkomgeving getemporiseerd en een aantal alternatieve scenario’s zorgvuldig uitgewerkt en afgewogen, zie daarvoor bijlage 1. Echter, op korte termijn is geen Europees alternatief beschikbaar dat geschikt is voor de situatie waar de Belastingdienst zich momenteel in bevindt.
In het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt zou zijn voor de Belastingdienst, dan kost het nog twee tot drie jaar om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van productiviteitsverlies.
Welke tekortkomingen zijn vastgesteld bij deze Europese aanbieders die ertoe hebben geleid dat zij niet als toereikend alternatief zijn aangemerkt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten aan welke vereisten en prestatienormen Europese aanbieders moeten voldoen om wel als een toereikend alternatief te kunnen gelden voor Microsoft 365?
Om als volwaardig alternatief te kunnen dienen, moeten de voorgestelde oplossingen kunnen voldoen aan strikte eisen op het gebied van integratie, continuïteit, geïntegreerde gebruikerservaring plus naleving van o.a. ISO-standaarden, DUTO, BIO, NIS 2 en Archiefwet. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende functionaliteiten zijn voor medewerkers om goed, flexibel en effectief (samen) te kunnen werken.
Is er perspectief op een Europees alternatief dat wel kan dienen als een alternatief voor Microsoft 365? Zo ja, welke aanbieder(s) worden dan als kansrijk beschouwd?
De Belastingdienst volgt de bewegingen in de buitenwereld en kijkt ook naar mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen.
Zoals u heeft kunnen lezen in de antwoorden op vraag 1 en 2 zou het in het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt wordt bevonden voor de Belastingdienst, nog steeds twee tot drie jaar kosten om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van een productiviteitsverlies.
In dit kader volgt de Belastingdienst onder andere de ontwikkelingen bij BZK rondom «Mijn Bureau». Mijn Bureau is een open source samenwerkingsplatform voor de overheid, publieke sector en bedrijven dat wordt ontwikkeld onder regie van het Rijksbrede programma Beter Samen Werken (OpenBSW). De Belastingdienst neemt actief deel aan de ontwikkelingen rond dit platform. Momenteel bevindt dit platform zich echter nog in een vroege testfase.
Welke maatregelen worden er op dit moment genomen om de ontwikkeling en verbetering van Europese cloud- en software-alternatieven te stimuleren en te versnellen, zodat deze in de toekomst als volwaardig alternatief voor Microsoft 365 kunnen dienen?
In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is cloud als een van de hoofdthema’s opgenomen. Hierbij zijn specifiek twee strategische doelen benoemd, met als overkoepelende uitkomst minder afhankelijk te worden van een klein aantal externe leveranciers. Er wordt gewerkt aan een verkenning van het realiseren van een overheidsbrede soevereine clouddienst in samenwerking met bestaande overheidsdienstverleners en de markt. Daarnaast wordt er gestreefd naar een centrale overheidsmarktplaats voor cloudtechnologieën. Ten aanzien van een federatief Europees cloudecosysteem is immers ook van belang hoe dit aan afnemers wordt aangeboden. Afnemers hebben over het algemeen geen belang bij contracten met meerdere marktpartijen, aangezien dit een bijzonder ingewikkelde kwestie kan worden in het kader van aansprakelijkheid. Eén van de primaire redenen waarom er vaak van de hyperscalers als one-stop-shop gebruik gemaakt wordt. Zoals in de NDS opgenomen, kan een marktplaats voor clouddiensten (als een – hopelijk – meer geavanceerde versie van een cloudbroker) hier aan bijdragen om een dergelijk ecosysteem tot een succes te maken.
Het laatst benoemde doel weergeeft de al bestaande behoefte aan een marktplaats voor clouddiensten, in plaats van de opzet van een Bijenkorf Megascaler cloud aan de hand van de verworpen motie Bruyning.1 Hierin wordt het verzoek gedaan tot het bevorderen van de cloudautonomie middels het Bijenkorf Megascaler Cloudmodel van Instituut Clingendael.2
De Europese Commissie vindt tevens voldoende datacapaciteit voor cloud- en AI-diensten essentieel voor het verdienvermogen en de economische veiligheid van de EU. De Commissie heeft daarom een Cloud & AI Development Act (CADA) aangekondigd, met als doel private duurzame datacentercapaciteit in de EU in 5 tot 7 jaar te verdriedubbelen. Verder wil de Commissie met de CADA de Europese industrie stimuleren om zelfstandige cloudalternatieven te ontwikkelen en vermarkten, en wil ze mogelijk instrumenten opnemen ter bevordering van Europese alternatieven voor de meest strategische en kritische use cases van cloudgebruik. Nederland is actief betrokken bij de ontwikkeling van de CADA.
In berichtgeving van NRC wordt gesteld dat een van de redenen dat het gebruik van Microsoft 365 toch is doorgezet, is dat er al een aanbetaling was gedaan. In hoeverre heeft dit een rol gespeeld in de uiteindelijke besluitvorming?1
Nee, dit heeft geen rol gespeeld in de besluitvorming. De Belastingdienst heeft sinds 2020 een contract met Microsoft voor verschillende diensten. M365 is één van de onderdelen in dit bredere pakket. Bij de uiteindelijke besluitvorming zijn verschillende scenario’s zorgvuldig onderzocht, waarbij is geconcludeerd dat de overstap naar M365 de enige uitvoerbare optie is gezien de situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt.
Welke technische en contractuele maatregelen zijn getroffen om te zorgen dat de Amerikaanse overheid niet zomaar toegang heeft tot Nederlandse overheidsdata?
De Amerikaanse cloudwetgeving kan de leverancier die gevestigd is in de Verenigde Staten verplichten om data te leveren, daarom is dit niet 100% uit te sluiten. Zie in dit verband ook de analyse van de Cloud Act die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is gepubliceerd, waaruit blijkt dat het risico zeer beperkt is4. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Greenberg Traurig dat: «[...]het risico dat de Amerikaanse overheid toegang krijgt tot Europese (persoons)gegevens, specifiek op basis van de CLOUD-act, weliswaar voorstelbaar, maar in de praktijk ook (heel) klein is». Dit beeld komt ook terug uit de door de Belastingdienst opgestelde risico-analyse en de DPIA’s op M365.
Bovendien zijn er door SLM Rijk5 in het framework agreement met Microsoft uitgebreide technische, organisatorische en contractuele afspraken met Microsoft gemaakt die toegang tot Nederlandse overheidsdata beperken. Voorbeelden van deze afspraken zijn het opslaan van data op servers in de EER (hoewel dit de toegang door de VS niet volledig belet kan dit het wel bemoeilijken) en afspraken over encryptie van data in transit. Microsoft committeert zich dat het zich waar mogelijk (juridisch) zal verzetten tegen bevelen tot afgifte van data en geeft aan nog nooit data van een EU-overheidsklant verstrekt te hebben aan enige overheid (inclusief de Amerikaanse overheid).
Het besluit van de rechter dat Meta aanbevelingsalgoritmen moet aanpassen |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse organisatie wint zaak: tijdlijn Facebook en Instagram moet anders»?1
Ja.
Kunt u toezeggen dat, als het vonnis van de rechter standhoudt, u zal pleiten om de strengere nationale norm voor meer keuzevrijheid in de algoritmes op sociale media als Europese standaard te hanteren?
De Nederlandse rechter interpreteert in deze uitspraak bestaande normen uit de digitaledienstenverordening (DSA). Er is hier geen sprake van een strengere nationale norm en het is daarom niet nodig om op Europees niveau te pleiten voor een strengere norm. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat in dit geval betekent dat Meta een dwangsom moet betalen aan Bits of Freedom als zij de uitspraak niet voor 31 december 2025 naleeft. Meta heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld. Dat beroep dient op 26 januari 2026.
Uiteindelijk is de interpretatie van de DSA in laatste instantie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Digitale dienstenraad, die bestaat uit de nationale toezichthoudende autoriteiten, signaleert opkomende kwesties met betrekking tot de DSA en draagt samen met de Europese Commissie bij aan een consistente toepassing van de DSA in de EU, onder meer door de mogelijkheid tot het opstellen van richtsnoeren. Daarbij kunnen dit soort uitspraken van nationale rechters uiteraard een belangrijke rol spelen. Gelet hierop zien wij op dit moment geen reden om op Europees niveau te pleiten voor een Europese standaard op dit gebied.
Deelt u de mening dat niet de rechter, maar de toezichthouder moet afdwingen dat bedrijven als Meta de Europese wet- en regelgeving naleven?
Wij delen die mening niet. De DSA voorziet in een systeem van publiekrechtelijk toezicht, maar laat de mogelijkheid van een gang naar de civiele rechter onverlet. Dit blijkt ook expliciet uit de artikelen 21 en 90, eerste lid, van de DSA. Het laatste artikel opent de deur voor collectieve acties. Publiekrechtelijke en civielrechtelijke handhaving zijn beide van belang voor de effectieve werking van het systeem van de DSA en sluiten elkaar dus niet uit.
Wat gaat u doen om toezichthouders als de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens in staat te stellen om proactief toe te zien op de naleving van Europese wet- en regelgeving?
In de Uitvoeringswet digitaledienstenverordening zijn de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Autoriteit persoonsgegevens (AP) aangewezen als toezichthouders. Deze wet geeft de toezichthouders de bevoegdheden die nodig zijn om toezicht te houden op de DSA. Het Ministerie van Economische Zaken stelt structurele financiering beschikbaar voor beide toezichthouders. Het ministerie staat regelmatig in contact met zowel de ACM als de AP. Er zijn vanuit de toezichthouders geen signalen ontvangen dat zij niet in staat zouden zijn om doeltreffend toe te zien op de DSA, waardoor op dit moment geen verdere actie is vereist. Het is hierbij van belang op te merken dat Facebook en Instagram onder toezicht staan van de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder. Eventuele handhavingsmaatregelen worden door deze autoriteiten genomen.
Waarom maakt de Rijksoverheid nog steeds gebruik van online platforms die de Europese wet- en regelgeving niet naleven? Hoe treedt u normerend op tegen de desbetreffende techbedrijven?
Vrijwel de hele samenleving maakt gebruik van online platforms: ruim 14 miljoen Nederlanders zijn hier daar dagelijks op actief. Nederlanders hebben een groot belang bij goede informatievoorziening door de overheid. Als overheid willen we communiceren met middelen waarmee Nederlanders goed kunnen worden bereikt. De Rijksoverheid ziet zich daarom geconfronteerd met een situatie dat er gebruik moet worden gemaakt van online platforms voor contact met de samenleving omdat er voor dit gebruik op dit moment geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn. Daarbij speelt mee dat er specifieke groepen zijn in de samenleving die weinig gebruik maken van traditionele media en/of andere informatiekanalen. Gebleken is dat deze groepen wel goed bereikbaar zijn via online platforms.
Online platforms dienen zich te houden aan Europese wet- en regelgeving. Het is allereerst aan de toezichthouders om ervoor te zorgen dat die normen publiekrechtelijk worden gehandhaafd. In aanvulling daarop werken we aan verschillende instrumenten om naleving van Europese wet- en regelgeving te bevorderen. Zo zijn er in opdracht van de Staatssecretaris voor Koninkrijksrelaties en Digitalisering onder meer Kinderrechten Impact Assessments uitgevoerd en maken we met onderzoek naar contentmoderatie op zeer grote online platforms, waaronder sociale media, zichtbaar hoe platforms omgaan met illegale en schadelijke content.2
Wat doet u om maatschappelijke organisaties, zoals Bits of Freedom, te ondersteunen in hun acties om grote techbedrijven ter verantwoording te roepen?
Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol in de effectieve toepassing van de DSA, onder meer als trusted flaggers en via civielrechtelijke handhaving van de DSA. Het onafhankelijk functioneren van deze organisaties is hierbij van groot belang. Het is een taak van de overheid om ruimte te creëren voor maatschappelijke organisaties om hun rol uit te oefenen.
De overheid onderhoudt contacten met verschillende maatschappelijke organisaties om kennis en signalen te delen, zo ook met Bits of Freedom.
Bent u bereid om, in zoverre mogelijk, bijstand te verlenen aan maatschappelijke organisaties die juridisch de strijd aan gaan met grote techbedrijven die willens en wetens de wet niet naleven?
Wij zien het als taak voor de overheid om ruimte te creëren voor maatschappelijke organisaties om hun doelen na te streven, en om te zorgen dat in Nederland toezicht kan worden gehouden op de toepasselijke wet- en regelgeving. Het is echter geen taak voor de overheid om enige, maar in het bijzonder financiële, bijstand te verlenen in civielrechtelijke rechtszaken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
TikTok-algoritmes en extremisme |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «TikTok bezorgt extreemrechtse livestreamers extra publiek om winst te vergroten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel?
Het artikel schetst een zorgwekkende situatie. In de antwoorden op vraag 3 en 4 ga ik hier verder op in.
Vindt u het acceptabel dat TikTok, volgens berichtgeving in de NRC, met haar aanbevelingsalgoritmes rechts-extremistische content bevoordeelt?
Extremistische en haatdragende content hoort niet thuis op online platforms zoals TikTok en druist in tegen de gebruikersvoorwaarden die TikTok zelf hanteert. Platforms hebben een verantwoordelijkheid voor de content die zij hosten en helpen verspreiden. Zo verplicht artikel 34 van de digitale dienstenverordening (hierna ook: «DSA») zeer grote online platforms (Very large online platforms, hierna: «VLOPs») zoals TikTok tot het identificeren, analyseren en beoordelen van systemische risico's die voortvloeien uit het ontwerp, de werking en het gebruik van hun diensten. Extremistische en haatdragende content kan leiden tot zulke risico’s, bijvoorbeeld wanneer het negatieve gevolgen heeft voor verkiezingsprocessen of de openbare veiligheid. Als er zulke risico’s bestaan, dan moeten zeer grote online platforms daar adequate maatregelen tegen nemen, zoals bijvoorbeeld de aanpassing van aanbevelingsalgoritmes (artikel 35, eerste lid DSA). De Europese Commissie is de aangewezen toezichthouder hiervoor. Daarnaast wordt de eigen verantwoordelijkheid van online platforms tijdens de nationale dialoog met de internetsector ook benadrukt.
Vindt u dat elk groot online platform, waaronder TikTok, moet beschikken over een stevig nationaal moderatieteam die vanuit de eigen context content kan beoordelen? Is dit nu op orde?
Onderzoek bevestigt het bestaan van «moderatieongelijkheid».2 Dit houdt in dat het beleid van een platform verschillend wordt toegepast per taal. Platforms gaan hierbij voornamelijk uit van het Engels, waarbij de ongelijkheid in de toepassing van dit beleid het grootst is bij talen uit het globale zuiden.
Het is essentieel dat grote online platforms, waaronder TikTok, beschikken over een stevige en goed toegeruste nationale contentmoderatie die in staat is om content te beoordelen binnen de eigen nationale context, taal en culturele gevoeligheden. Effectieve moderatie draagt bij aan het voorkomen van schadelijke of illegale inhoud en aan de bescherming van gebruikers. Voor effectieve moderatie zijn echter meer middelen nodig dan voor de huidige mogelijkheid van menselijke moderatie door platforms. AI en «community notes» kunnen daar een nuttige bijdrage aan leveren. Beide kunnen ook in meer of mindere mate beschikken over kennis over taal, cultuur en maatschappelijke context. Effectieve moderatie vraagt voor zover nu bekend om een combinatie van menselijke (nationale) moderatie, community notes, en/of geautomatiseerde middelen. TikTok doet dat en maakt gebruik van een combinatie van automatische moderatiesystemen en menselijke moderatoren. In het recente DSA-transparantierapport van TikTok geven zij aan 100 Nederlandse personen in dienst te hebben die zich wijden aan contentmoderatie.
De DSA verplicht platforms om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten, en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij hebben verricht, de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast, en over de maatregelen die zijn genomen om opleiding en bijstand te verstrekken aan personen die de moderatie verrichten. VLOPs en zeer grote online zoekmachines (Very large online search engines, hierna: «VLOSEs») moeten daarnaast rapporteren over de personele middelen die worden ingezet voor inhoudsmoderatie, uitgesplitst per officiële taal van de EU-lidstaten, en over de kwalificaties en taaldeskundigheid van deze moderatoren. Hiermee wordt transparant of, en zo ja welke, platforms menselijke contentmoderatie verminderen en welke middelen zij inzetten om te modereren. Op dit moment maakt niet elke VLOP gebruik van menselijke moderatie. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platforms hun verplichtingen nakomen, onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de nationale dialoog met de internetsector hiervoor aandacht te vragen.
Welke risico’s ziet u voor de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025 op het gebied van politieke beïnvloeding via ongereguleerde donaties aan online contentmakers?
Het kabinet zet breed in om politieke beïnvloeding te voorkomen. Maatregelen betreffen onder andere het organiseren van verkiezingstafels met relevante (veiligheids)partners, het organiseren van een online veiligheidsbriefing voor gemeenteambtenaren, het bevorderen van het (online) publieke debat en het versterken van de weerbaarheid van politieke partijen. Ook gaat het kabinet desinformatie rond het verkiezingsproces tegen met de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie. We zijn ons bewust van het risico dat buitenlandse actoren geld en tijd investeren om onze democratische processen te beïnvloeden, bijvoorbeeld aan de hand van heimelijke desinformatiecampagnes.
Ondanks richtlijnen rondom de transparantie van politieke advertenties kan helaas niet worden uitgesloten dat deze beïnvloedingscampagnes plaatsvinden. Het is daarom van groot belang dat deze worden blootgelegd. De veiligheidsdiensten doen vanuit hun wettelijke taak onderzoek naar heimelijke inmenging door buitenlandse actoren. Indien inmenging wordt geconstateerd, kunnen zij dit melden aan relevante partners, via de geëigende kanalen, zodat deze op basis van de melding hiernaar kunnen handelen.
Anderzijds is het van belang dat kiezers zelf weerbaar zijn zodat zij zich niet door een enkele influencer laten beïnvloeden. Een goed geïnformeerde burger is niet alleen veerkrachtiger, maar ook beter in staat om kritisch en verantwoord te handelen. Daarom zet het kabinet via de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie ook in op de versterking van mediawijsheid en de weerbaarheid van burgers.3
Vindt u dat donaties aan online contentmakers, die een politieke boodschap uitdragen, beter gereguleerd moeten worden? Ziet u mogelijkheden om dit in de Wet op de politieke partijen (Wpp) op te nemen?
Er zijn verschillende wetten en regels die zich richten op de monetisatie van online content. Denk hierbij aan de Mediawet en reclameregels. Ook hebben platforms vaak in hun eigen beleid restricties voor de monetisatie4 van content opgenomen.5 Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Economische Zaken achten het daarom wenselijk om voor nu terughoudend te zijn met het nemen van additionele maatregelen en vooral te bezien wat er mogelijk is binnen de huidige wet- en regelgeving. De Wet op de politieke partijen is in ieder geval niet de juiste plek om nadere regels te stellen. Deze wet omvat als normadressant enkel politieke partijen, niet online contentmakers die een politieke boodschap uitdragen.
Heeft u geanalyseerd welke risico’s er bestaan op online politieke beïnvloeding voor de aanstaande Kamerverkiezingen? Zo ja, kunt u toelichten welke risico’s er zijn geconstateerd en welke maatregelen u neemt om deze te mitigeren?
Het fundamentele karakter van verkiezingen zorgt ervoor dat verkiezingen doelwit kunnen zijn van (statelijke) actoren die democratische processen in Europa en Nederland willen beïnvloeden of verstoren. Hier zijn meerdere voorbeelden van, zoals de inmengingspogingen in Roemenië, Moldavië, Polen en Duitsland. Daarom neemt het kabinet maatregelen om deze risico’s tegen te gaan.
Er worden verschillende maatregelen getroffen om heimelijke beïnvloeding van verkiezingen tegen te gaan. Hierover is uw Kamer op 4 juli jl. per brief geïnformeerd.6 De getroffen maatregelen zijn besproken met relevante partners, waaronder de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, op de verkiezingstafel. Deze tafel komt periodiek bijeen en incidenteel in geval van concrete dreigingen. Ook heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een webinar georganiseerd voor gemeenteambtenaren om hen voor te bereiden op veiligheidsrisico’s rondom de verkiezing. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft een rondetafelgesprek georganiseerd over de verantwoordelijkheden van online platforms onder de DSA tijdens verkiezingen. Daarnaast hebben het Ministerie van Defensie en de Nationale Politie een hackathon georganiseerd waarbij op basis van open source intelligence signalen van dreigingen voor de weerbaarheid van de aankomende verkiezingsperiode worden onderzocht. Verder wordt actief samengewerkt in EU-verband. Bijvoorbeeld via het European Cooperation Network on Elections and the Rapid Alert System (RAS) waar inzichten met betrekking tot desinformatie en weerbare verkiezingen worden gedeeld tussen lidstaten. Tot slot werken we aan een offensieve aanpak tegen desinformatie en de verkenning naar de mogelijkheden voor desinformatie detectie. In recente jaarverslagen waarschuwt de AIVD voor heimelijke desinformatiecampagnes die het publieke debat in Europese landen beïnvloeden.7 Het ontbreekt momenteel aan integraal zicht op de verspreiding van desinformatie- en beïnvloedingscampagnes door statelijke actoren in het Nederlandse informatiedomein. Om onze informatiepositie te verstevigen onderzoeken we de mogelijkheid om buitenlandse beïnvloedingscampagnes, gericht op onze democratische rechtsstaat, te detecteren. Daarvoor kijken we naar buitenlandse voorbeelden zoals Zweden en Frankrijk.
Overigens zijn ons kiesstelsel en verkiezingsproces robuust. Door ons pluralistische stelsel van evenredige vertegenwoordiging zijn we minder kwetsbaar dan landen met een meerderheidsstelsel zoals het «winner takes all»-stelsel waarbij slechts één partij of kandidaat het voor het zeggen krijgt. Ook is het verkiezingsproces minder kwetsbaar voor digitale dreigingen doordat de kiezer met een papieren stembiljet stemt, dat handmatig wordt geteld.
Hoe beoordeelt u de radicaliserende werking van online aanbevelingsalgoritmes gebaseerd op online tracking en interactie? Ziet u een verband tussen de werking van deze algoritmes en de toenemende groei van online extremisme die zowel de AIVD2 als NCTV3 constateren?
Radicalisering is een complex proces waarbij verschillende factoren een rol spelen. Aanbevelingsalgoritmes hebben hierin een indirecte, maar wel een versterkende rol. Het onderzoek in het genoemde artikel toont aan dat algoritmes content met veel aandacht vaker aanbevelen. Ook blijkt emotionele en polariserende content aandacht te genereren.10 Hierdoor wordt een verband gesuggereerd tussen aanbevelingsalgoritmes en de verspreiding van extreme content. Het WODC-onderzoek naar rechts-extremisme op sociale media bevestigt dat aanbevelingsalgoritmes radicalisering kunnen versterken wanneer gebruikers zelf al actief zoeken naar extremistische of polariserende content.11 Deze algoritmes zorgen voor steeds extremere aanbevelingen op basis van het eerdere gedrag van de gebruiker. Tegelijkertijd zijn ook de persoonlijke keuzes van gebruikers en offline factoren minstens zo belangrijk in het radicaliseringsproces. Denk hierbij aan het delen van links naar extremistische content binnen de eigen sociale omgeving, het abonneren op of volgen van bepaalde kanalen met extreme content op sociale mediaplatforms, en het ontmoeten van gelijkgestemden binnen echokamers. Algoritmes zijn dus geen directe oorzaak van radicalisering, maar kunnen wel bijdragen aan een versnelde toegang tot extremistische content. Dit kan het proces van radicalisering versnellen of versterken, vooral bij kwetsbare gebruikers. Daarnaast houdt een onderdeel van het verdienmodel van online platforms, waaronder de reclamesystemen en aanbevelingssystemen die door aanbieders van VLOPs worden gebruikt, de verspreiding van schadelijke en extremistische content in stand.
De NCTV en AIVD besteden in de opeenvolgende Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland (DTN) en in het jaarverslag van de AIVD van 2024 aandacht aan de snelle online radicalisering en mogelijke geweldsdreiging van met name jongeren in onder andere rechts-terroristische online netwerken. De Minister van Justitie en Veiligheid vraagt daarom in de dialoog met de internetsector expliciet aandacht voor de rol van aanbevelingsalgoritmes bij de verspreiding van extreme online content.
Ziet u een verband tussen de rellen in Den Haag van 20 september 2025, waar rechts-extremistisch geweld is gepleegd, en de radicaliserende gevolgen van aanbevelingsalgoritmen op sociale media?
De NCTV en AIVD waarschuwen al langere tijd voor de dreiging van rechts-extremisme (en rechts-terrorisme) en dat normalisering van rechts-extremistisch gedachtengoed kan leiden tot rechts-extremistisch gemotiveerd geweld. Zo werd in opeenvolgende Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland (DTN) en ook in het jaarverslag van de AIVD van 2024 aandacht besteed aan de normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed en de verspreiding hiervan online. De snelle online radicalisering en mogelijke geweldsdreiging van met name jongeren in onder andere rechts-terroristische online netwerken is hier onderdeel van. Normalisering van het rechts-extremistisch gedachtegoed kan leiden tot een toenemende intolerantie jegens instituten en andere groepen in de samenleving, waardoor geweld tegen deze groepen sneller wordt geaccepteerd. Om het gedachtegoed te normaliseren spelen rechts-extremisten in op bestaande maatschappelijke onvrede. De gebeurtenissen en zichtbare uitingen van zaterdag 20 september jl. zijn mogelijk een teken van normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed in de samenleving. Daarbij is het een zorgelijke ontwikkeling dat (al dan niet extremistische) groepen met verschillende achtergronden zich vanuit een gedeelde onvrede kunnen verenigen en elkaar kunnen versterken in hun (extremistische) denkbeelden en in het uiterste geval geweldsbereidheid tonen. Voor de duiding van de NCTV van de gebeurtenissen van 20 september jl. verwijzen we naar de recent verzonden Kamerbrief.12
Deelt u de mening van de indieners dat online algoritmes die polarisatie, ophef, en haat aanwakkeren, van sociale media een broedplaats maken voor rechts-extremistisch gedachtegoed en daardoor kunnen leiden tot geweld?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 en 9, is de rol van aanbevelingsalgoritmes en sociale mediafuiken bij rechts-extremistische radicalisering binnen de online context indirect, maar relevant. De NCTV en AIVD waarschuwen al langere tijd voor de dreiging van rechts-extremisme (en rechts-terrorisme) en dat normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed en de verspreiding hiervan online kan leiden tot rechts-extremistisch gemotiveerd geweld. Daarom zal de aandacht voor de rol van deze algoritmes in het bestrijden van extremisme onverminderd doorgezet worden.
Acht u het met de indieners noodzakelijk om de radicaliserende werking van aanbevelingsalgoritmes op sociale media scherper te reguleren?
Nee, het kabinet acht het op dit moment niet noodzakelijk om aanvullende regels te stellen bovenop bestaande wetgeving, zoals de DSA. Zo verplicht de DSA online platforms om transparant te zijn over de werking van hun aanbevelingsalgoritmes. VLOPs, waaronder ook sociale mediaplatforms, moeten gebruikers daarnaast de optie bieden om aanbevelingsalgoritmes, die gepersonaliseerde aanbevelingen doen, uit te schakelen. Zoals uitgelegd onder vraag 3, verplicht de DSA daarnaast tot het identificeren, analyseren en beoordelen van systemische risico's en zo nodig het maken van aanpassingen aan aanbevelingsalgoritmes. Het kabinet is daarom van mening dat de prioriteit moet liggen bij de effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. De regels omtrent aanbevelingssystemen kunnen dan ook worden geëvalueerd en een verdere aanscherping kan worden overwogen. In dit kader volgen wij met interesse recente relevante juridische ontwikkelingen, zoals de uitspraak van de rechtbank Amsterdam over aanbevelingsalgoritmes van grote sociale-mediaplatforms.13
Binnen de kaders van bestaande wetgeving, zoals de DSA, zet Nederland zich in voor een versterking van het beleid ten aanzien van online radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme. Nederland neemt daarbij een actieve rol binnen de Europese Unie en roept, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese Commissie op om onder meer gezamenlijk een vrijwillige gedragscode voor online platforms op te stellen met betrekking tot deze problematiek. Deze gedragscode kan tevens maatregelen omvatten met betrekking tot aanbevelingsalgoritmes.
Bent u van mening dat bedrijven als X, Meta en TikTok genoeg doen om radicalisering en extremisme op hun sociale media platforms aan te pakken?
Extremistische en terroristische groeperingen misbruiken online platformen, waaronder sociale media platformen, om propaganda te verspreiden en in stand te houden, nieuwe leden te rekruteren en zelfs aanslagen voor te bereiden. Het is daarom essentieel om passende maatregelen te nemen om het online domein veiliger te maken, met inachtneming van de waarden van een democratische rechtstaat. Hier zet het kabinet zich dan ook voor in. Zo stelt huidige wettelijke instrumentarium, zoals de DSA en de Terroristische Online Inhoud (TOI-)verordening, duidelijke grenzen aan de aanwezigheid van terroristische en illegale content op onlineplatforms. Dit is een belangrijke stap in de goede richting om platforms meer verantwoordelijkheid te laten nemen en zo bij te dragen aan een veiligere online omgeving. Wij blijven daarom in dialoog met de internetsector. Hierbij wordt steeds de eigen verantwoordelijkheid van online platforms benadrukt.
Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid is belangrijk onderdeel van de dialoog het gezamenlijk verkennen van mogelijkheden om concrete instrumenten tegen online radicalisering te ontwikkelen. Zo start in december 2025 de pilot met de ReDirect-methode, in samenwerking met Meta, waarbij gebruikers die online zoeken naar terroristische of extremistische content worden geconfronteerd met een informatieveld om hen door te geleiden naar online hulp.
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) detecteert en beoordeelt online terroristisch materiaal volgens de TOI-verordening. Hostingaanbieders moeten dit materiaal binnen een uur na een verwijderingsbevel van de ATKM verwijderen of ontoegankelijk maken. Daarnaast moeten online platforms transparantieverslagen publiceren over het aantal ontvangen verwijderbevelen en de opvolging daarvan. Bij herhaalde overtredingen kan de toezichthouder een «blootstellingsbesluit» opleggen, waarmee het platform verplicht wordt proactieve maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen.
Voor VLOPS, waaronder Meta en TikTok, is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder. Sinds de inwerkingtreding van de DSA heeft de Commissie diverse formele onderzoeken geopend naar de naleving door de zeer grote online platforms van de verplichtingen onder de DSA. Deze onderzoeken zien, onder andere, op het ontwerp en werking van aanbevelingsalgoritmes, de systeemrisico's en mitigerende maatregelen en transparantieverplichtingen rondom content moderatie. Vooralsnog heeft de Commissie deze onderzoeken nog niet afgerond of sancties opgelegd aan de platforms. In afwachting van deze uitspraken kunnen we geen conclusies trekken over de eventuele schendingen van de verplichtingen onder de DSA van specifieke platforms.
Welke concrete maatregelen bepleit u in de aankomende Digital Fairness Act (DFA) van de Europese Commissie die de risico’s op radicalisering via aanbevelingsalgoritmes kan mitigeren?
Met de Digital Fairness Act (DFA) zal het Europese consumentenrecht worden aangepast. Het consumentenrecht beschermt belangen van consumenten bij het aangaan van economische transacties met handelaren. Het tegengaan van radicalisering is geen doel van het consumentenrecht. Nederland zet zich in voor aanvullende maatregelen voor het tegengaan van verslavend ontwerp, waaronder algoritmes, via de DFA. Tegelijkertijd moet onnodige regeldruk voor ondernemers voorkomen worden. Dergelijke maatregelen zijn niet specifiek gericht op het tegengaan van radicalisering, maar zouden indirect een effect kunnen hebben. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3, worden aanbevelingsalgoritmes op dit moment onder andere gereguleerd via de DSA en de TOI-verordening. Het kabinet is daarom van mening dat de prioriteit moet liggen bij de effectieve en uniforme toepassing en handhaving van deze wet- en regelgeving.
Welke nationale maatregelen kunt u nemen om Nederlandse gebruikers van sociale media te beschermen tegen de radicaliserende werking van online algoritmes?
Het tegengaan van online radicalisering is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Online platforms hebben hierin een bijzondere rol, omdat zij als aanbieders en beheerders van de digitale infrastructuur direct kunnen ingrijpen in de online dynamiek. Zij zijn in eerste instantie aan zet om te zorgen dat hun gebruikers online veilig zijn. De DSA legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan online platforms om bij te dragen aan het creëren van een veilige online omgeving. We richten ons daarom op het effectief implementeren van Europese regelgeving, zoals de DSA. Voor VLOPs, waaronder sociale media, is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder. In Nederland is de ACM bevoegd om toezicht te houden op naleving van de DSA door hier gevestigde tussenhandeldiensten, zoals online platforms. Daarnaast zullen we ons in 2026 met nieuwe initiatieven inzetten voor kennis en kunde van burgers in de online publieke ruimte. Bijvoorbeeld door het vergroten van het bewustzijn bij burgers van hun rechten en handelingsopties onder de DSA. Ook onderzoeken we de inzet van AI en nieuwe technologie om de negatieve effecten tegen te gaan die algoritmes kunnen hebben op de zichtbaarheid en toegankelijkheid van onafhankelijke en betrouwbare informatie op sociale media. En we zetten in op ontwikkeling, gebruik en schaalvergroting van niet-winstgedreven alternatieven.
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken of via het consumentenrecht een nationaal verbod op radicaliserende aanbevelingsalgoritmes van grote online platforms gerealiseerd kan worden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13, is het consumentenrecht geen geschikte plek om radicaliserende aanbevelingsalgoritmes direct te reguleren. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 11, worden aanbevelingsalgoritmes op dit moment onder andere gereguleerd via de DSA en de TOI-verordening. Het kabinet is daarom van mening dat de prioriteit moet liggen bij de effectieve en uniforme toepassing en handhaving van deze wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en minstens één week voor de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025 beantwoorden?
Ja, deze vragen zijn afzonderlijke beantwoord. Het is helaas niet gelukt deze beantwoording een week voor de Tweede Kamerverkiezing toe te sturen.
Afwijzingen bij subsidieregelingen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen die wij ontvangen over afgewezen subsidieaanvragen bij bijvoorbeeld het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN), terwijl bewoners wel aan de voorwaarden voldoen en binnen de geldende termijn een aanvraag hebben gedaan, maar bijvoorbeeld een mondelinge offerte hebben in plaats van een schriftelijke?
Ja, ik ben hiermee bekend. Alle aanvragen voor subsidie met terugwerkende kracht zijn zorgvuldig beoordeeld en er is gekeken of deze aan alle voorwaarden voldoen. Als een schriftelijke offerte ontbreekt, kan met een factuur of betaalbewijs vaak alsnog de aanvraag worden goedgekeurd. Een afwijzing in dit soort gevallen komt meestal doordat er een factuur of betaalbewijs ontbreekt. Zonder een dergelijk bewijs is onvoldoende na te gaan of er daadwerkelijk sprake is van uitgevoerde werkzaamheden die voldoen aan de subsidievoorwaarden.
Heeft u zicht op hoe vaak dit voorkomt?
Er zijn totaal 874 aanvragen van de inmiddels circa 12.000 ingediende aanvragen afgewezen. De meest voorkomende redenen voor afwijzingen zijn: 1.) de opdracht valt buiten de periode waarvoor de regeling of terugwerkende kracht geldt of 2.) het ontbreken van een factuur en/of betaalbewijs. Er is niet specifiek zicht op hoe vaak het voorkomt dat een aanvraag wordt ingediend met een mondelinge offerte.
Krijgt u van gedupeerden soortgelijke signalen over andere regelingen omtrent verduurzaming, versterking en herstel in Groningen en Noord-Drenthe?
Nee, deze signalen heb ik nog niet eerder via gedupeerden ontvangen.
Erkent u dat deze signalen niet in de geest van Nijbegun passen, namelijk milder, menselijker en makkelijker?
De uitgangspunten voor de inrichting van het aanvraagproces zijn net als voor de rest van Nij Begun: milder, makkelijker en menselijker. Tegelijkertijd willen we misbruik voorkomen. Hiervoor zijn zeer minimale voorwaarden gehanteerd. Via verschillende kanalen wordt uitgelegd aan bewoners welke informatie zij moeten aanleveren voor een volledige aanvraag. Het is vervelend voor bewoners als hun aanvraag wordt afgewezen, maar in de gevallen dat het voorkomt is daar reden voor en goed uitlegbaar.
Deelt u de mening dat er vanuit vertrouwen beoordeeld moet worden en niet vanuit wantrouwen?
Ja, ik deel deze mening. Daarom hebben we ook zeer minimale voorwaarden gesteld. De beoordeling van aanvragen worden en zijn ook vanuit vertrouwen beoordeeld. Een aanvraag moet echter wel aan enkele voorwaarden voldoen om te zorgen dat de subsidie ook daadwerkelijk gaat naar bewoners die daar recht op hebben. Als bijvoorbeeld geen enkel bewijs is dat er een betaling heeft plaatsgevonden, dan kan niet gecontroleerd worden of het geld daadwerkelijk besteed is.
Hoe kijkt u, mocht dit vaker voorkomen, naar dit soort afwijzingen in het licht van het wantrouwen vanuit de Groningers en het doel om te handelen vanuit vertrouwen?
Ik vind het belangrijk dat bewoners een subsidie krijgen voor de noodzakelijke kosten die zij gemaakt hebben voor isolatie- en ventilatiemaatregelen op basis van de uitgangspunten die door Rijk en regio op 6 maart 2024 zijn vastgesteld en zoals in de regeling1 beschreven staan. Er is voldoende tijd en geld voor iedereen die in aanmerking komt voor deze subsidie. Door duidelijk en transparant met de bewoners te communiceren, en uit te leggen waarom een aanvraag bijvoorbeeld wordt afgewezen, merken we vaak dat bewoners dit goed begrijpen.
Wat is het afwijzingspercentage bij de SNN-regelingen? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor afwijzing?
Tot nu toe zijn er circa 12.000 aanvragen ingediend en 7.427 aanvragen afgehandeld2 waarvan er 874 zijn afgewezen, wat neerkomt op een afwijspercentage van 11,77% van behandelde aanvragen. Er zijn 268 bewoners in bezwaar gegaan tegen de afwijzing, dit komt neer op een bezwaarpercentage van 30,66% binnen de groep van afwijzingen. Bij ontvangst van een bezwaar wordt er door SNN telefonisch contact opgenomen om een toelichting te geven op het besluit en wordt er aanvullende informatie opgevraagd.
De terugwerkende kracht geldt vanaf 25 april 2023; dit is de datum waarop maatregel 29 als onderdeel van de kabinetsreactie Nij Begun is gepubliceerd. Veel aanvragen worden afgewezen omdat de opdracht om de isolatiemaatregelen uit te voeren voor 25 april 2023 is verstrekt, of omdat op basis van de aangeleverde stukken niet kan worden vastgesteld wanneer deze verplichting is aangegaan. In het geval een bewoner in bezwaar gaat en alsnog kan aantonen dat de opdracht na 25 april 2023 is verstrekt, wordt het besluit vanzelfsprekend herzien en wordt de subsidie alsnog verleend.
Een andere veelvoorkomende reden voor afwijzing is dat (betaal)bewijzen van de uitgevoerde isolatie- en ventilatiemaatregelen ontbreken, onvolledig of onduidelijk zijn. Zo moet op een factuur met meerdere maatregelen te onderscheiden zijn welke kosten subsidiabel zijn. Ook hier geldt dat indien een bewoner dit in bezwaar alsnog kan aanleveren, het besluit wordt herzien.
Hoeveel bezwaarschriften worden er na een afwijzing ingediend? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor een bezwaarschrift?
Zie antwoord vraag 7.
De overname van Zivver door een Amerikaans bedrijf |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Strategische blunder»: vertrouwelijke data van Nederlanders in handen van Amerikanen»?1
Ja.2
Wat is uw reactie op dit bericht?
Ik heb kennisgenomen van het bericht. In de beantwoording van de hiernavolgende vragen, ga ik nader in op de inhoud.
Bent u van mening dat vertrouwelijke data van Nederlanders bij voorkeur in Nederlandse handen moet zijn, dan wel Europese? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het antwoord op de vraag of vertrouwelijke data van Nederlanders bij voorkeur Nederlandse handen moet zijn, is afhankelijk van de aard van de gegevens die worden verwerkt, en is daarom niet in algemene zin te beantwoorden.
Overheidsorganisaties zijn bij het aangaan van overeenkomsten met leveranciers gebonden aan juridische en beleidsmatige kaders die de bescherming van vertrouwelijke data waarborgen.3 De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) beschermt de rechten en vrijheden van personen bij de verwerking van hun persoonsgegevens, onder meer door te eisen dat organisaties passende beveiligingsmaatregelen nemen om die gegevens te beschermen.4
De doorgifte van persoonsgegevens naar een derde land is toegestaan als de Europese Commissie (EC) heeft vastgesteld dat dit land een passend beschermingsniveau biedt, of als de doorgifte is voorzien van passende waarborgen en de betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken. Als geen adequaatheidsbesluit of passende waarborgen beschikbaar zijn, mogen persoonsgegevens alleen worden doorgegeven wanneer één van de in de in artikel 49 AVG genoemde uitzonderingen van toepassing is (zoals expliciete toestemming, contractuele noodzaak, vitaal belang of openbaar belang). Anders is doorgifte enkel toegestaan indien de doorgifte niet repetitief, een beperkt aantal betrokkenen betreft, en noodzakelijk is voor dwingende gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke die niet ondergeschikt zijn aan de belangen of rechten en vrijheden van de betrokkene. Dan dient de verwerkingsverantwoordelijke alle omstandigheden in verband met de gegevensdoorgifte te hebben beoordeeld en op basis van die beoordeling passende waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens te hebben geboden. Ook moet de doorgifte worden gemeld aan de toezichthouder. Binnen deze kaders zijn verwerkingsverantwoordelijke departementen of overheidsorganisaties zelf verantwoordelijk voor de naleving.5
De gegevensbeschermingseffectenbeoordeling (DPIA) speelt daarbij een belangrijke rol. De DPIA brengt de gegevensbeschermingsrisico’s van een voorgenomen (grensoverschrijdende) verwerking in kaart, en laat zien welke maatregelen nodig zijn om deze risico’s te beperken. Overheidsorganisaties zijn verplicht een DPIA uit te voeren bij (grensoverschrijdende) verwerkingen met waarschijnlijk een hoog risico voor rechten en vrijheden van burgers. De Functionaris Gegevensbescherming (FG) van de verwerkingsverantwoordelijke toetst de DPIA in zijn onafhankelijke rol, en adviseert. Bij het wijzigen van de met de verwerking gepaarde risico’s dient opnieuw te worden beoordeeld of de verwerking overeenkomstig de DPIA wordt uitgevoerd.6
Erkent u dat de overname van Zivver door het Amerikaanse bedrijf Kiteworks risico’s meedraagt voor de veiligheid en vertrouwelijkheid van de data die wordt uitgewisseld via deze dienst?
Ja, het feit dat Zivver nu onder Amerikaans eigenaarschap valt, betekent dat ook Amerikaanse wetgeving, zoals de Cloud Act, van toepassing kan zijn op de dienstverlening. Verwerkingsverantwoordelijke departementen moeten dit gewijzigde stelsel betrekken in hun risicoafweging bij het gebruik van Zivver.
Kunt u uitsluiten dat gegevens die uitgewisseld worden via deze dienst in de Verenigde Staten of Israël terechtkomen? Zo ja, hoe kunt u dat aantonen?
Het kabinet heeft op dit moment geen aanwijzingen dat gegevens in strijd met het gegevensbeschermingsrecht in handen van de overheid in de VS of Israël terechtkomen, maar kan het ook niet met volledige zekerheid uitsluiten.
Op welke manier maken overheidsorganisaties en departementen gebruik van Zivver? In hoeverre is de continuïteit van de overheidsdienstverlening afhankelijk van dit bedrijf?
Verschillende overheidsorganisaties maken gebruik van Zivver voor het delen van informatie. Ofwel voor het delen van documenten, ofwel voor beveiligd mailen. Datzelfde geldt voor ketenpartners waarmee door overheidsorganisaties in de uitvoering wordt samengewerkt. De continuïteit van de dienstverlening is niet afhankelijk van Zivver.
Heeft de Amerikaanse overname van Zivver gevolgen voor het gebruik van deze dienst door Nederlandse overheden? Vindt u het verantwoord om de huidige inzet van Zivver ongewijzigd te laten?
Overheidsorganisaties geven binnen hun eigen verantwoordelijkheid invulling aan het gebruik van clouddiensten en de daarbij behorende afwegingen.7 Deze dienen te berusten op een gedegen risicoanalyse, waaronder in voorkomende gevallen een DPIA en passende mitigerende maatregelen waar nodig. Departementen nemen hierover besluiten binnen hun eigen mandateringsregelingen. Als onderdeel van het cloudbeleid dienen beveiligingsmaatregelen genomen te worden en risicoanalyses geactualiseerd te worden wanneer daartoe aanleiding is.8
Draagt het blijven gebruiken van Zivver, ook nu het is overgenomen door een Amerikaans bedrijf, bij aan de cyberveiligheid en autonomie van Nederland? Zo ja, kunt u onderbouwen waarom dit geen risico vormt? Zo nee, waarom gebruikt u deze dienst dan alsnog?
Een dergelijke verandering maakt het wenselijk om risico’s opnieuw te beoordelen in de context van het concrete gebruik, de aard van gegevens die worden uitgewisseld, de getroffen beveiligingsmaatregelen, en de specifieke geldende contractuele (juridische) en technische waarborgen.
Kunt u onafhankelijk aantonen dat Zivver na de overname van een Amerikaans bedrijf een gelijke mate van rechtsbescherming en vertrouwelijkheid waarborgt als voorheen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en op basis van de uitkomsten het gebruik van deze dienst (her)evalueren?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 en 4 dienen verwerkingsverantwoordelijke overheidsorganisaties bij (mogelijke) verandering van de risico’s, zoals in casu de overname van Zivver, te beoordelen of de verwerking nog steeds overeenkomstig de DPIA wordt uitgevoerd. Indien nodig dienen aanvullende maatregelen te worden genomen om de vereiste mate van rechtsbescherming en vertrouwelijkheid te waarborgen.
Vindt u het wenselijk dat een dienst die wordt gebruikt om vertrouwelijke informatie over burgers uit te wisselen valt onder de Amerikaanse CLOUD Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), die de regering-Trump toegang geeft tot deze data?
Het kabinet vindt het, in dergelijke gevallen, niet wenselijk dat vertrouwelijke informatie bij statelijke actoren terecht komt. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) heeft in augustus 2022 een juridische analyse laten uitvoeren door het advocatenkantoor Greenberg Traurig naar de mogelijke impact van de Amerikaanse CLOUD Act. In dit onderzoek kwam destijds naar voren dat het risico op openbaarmaking van Europese (persoons)gegevens onder de Cloud Act klein lijkt.9
Tegelijkertijd, en zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 en 4, dienen verwerkingsverantwoordelijke overheidsorganisaties bij (mogelijke) veranderingen risico’s in kaart te brengen door het uitvoeren van een DPIA. Ook de mogelijke implicaties van bijvoorbeeld delen van de Cloud Act voor grondrechten dienen in deze risicoafweging te worden betrokken.
Welke maatregelen gaat u op korte termijn nemen om de veiligheid en vertrouwelijkheid van burgerdata beter te waarborgen? Zijn er (Europese) alternatieven voorhanden die u kunt gebruiken in plaats van Zivver?
Vanuit het Ministerie van BZK zijn, in samenwerking met andere onderdelen van de Rijksoverheid, al verschillende initiatieven gestart. Vanaf 1 januari 2026 gelden er nieuwe beveiligingseisen voor bedrijven die voor de overheid een opdracht uitvoeren met risico’s voor de nationale veiligheid. Dat zijn de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Door de ABRO gelden binnen de hele Rijksoverheid dezelfde eisen. De ABRO verkleint de risico’s voor de nationale veiligheid, zoals cyberaanvallen en spionage. Daarnaast is er recent een handreiking opgesteld voor het risicomanagement binnen departement overstijgende ketens.10 De BIO2 biedt een uniforme aanpak en een gemeenschappelijk normenkader voor informatiebeveiliging binnen de overheid, waarbij risicomanagement centraal staat.
Met het oog op het selecteren van alternatieven moeten de risico’s worden beoordeeld en de noodzakelijke maatregelen voor informatiebeveiliging worden vastgelegd. De in verband met informatiebeveiliging en gegevensbescherming noodzakelijke maatregelen zullen daarbij moeten worden vastgelegd en meegenomen in de aanbesteding en eventuele overeenkomst.
Beschikt de Rijksoverheid over een eigen infrastructuur om vertrouwelijk te communiceren? Is het mogelijk om op korte termijn de diensten van Zivver in te wisselen voor een eigen alternatief?
Binnen de Rijksoverheid maken verschillende departementen reeds gebruik van andere oplossingen voor het veilig uitwisselen van bestanden en berichten. Een voorbeeld hiervan is Securetransfer, dat SSC-ICT aanbiedt vanuit het rijksdatacentrum ODC-Noord.11
Er loopt momenteel vanuit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie wel een verkenning naar het opzetten van een overheidsbrede soevereine cloud, waarin het voorstelbaar is dat er vertrouwelijke gegevensuitwisseling plaats kan gaan vinden. Het realiseren van een soevereine overheidscloud vraagt wel om de nodige investeringen.
Bent u van mening dat overnames van bedrijven als Zivver voortaan getoetst moeten worden op gevolgen voor de (cyber)veiligheid? Bieden de Telecommunicatiewet en de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) hier al de mogelijkheid voor?
De Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) en de Telecommunicatiewet bevatten ieder een toetsingskader om risico’s voor de nationale veiligheid bij verwervingsactiviteiten te kunnen adresseren. De Wet Vifo is gericht op verwervingsactiviteiten die betrekking hebben op vitale aanbieders, ondernemingen die actief zijn op het gebied van bepaalde sensitieve technologie, en beheerders van een bedrijfscampus. De Telecommunicatiewet kent eveneens een specifiek toetsingsregime voor zeggenschapswijzigingen bij aanbieders van telecompartijen, waaronder aanbieders van gekwalificeerde vertrouwensdiensten. Als een onderneming niet valt onder het specifiek omschreven wettelijk toepassingsbereik (en dus bijvoorbeeld geen specifieke sensitieve technologie heeft, geen betrekking heeft op een vitaal proces, of de criteria uit de Telecommunicatiewet niet haalt), dan is een verwervingsactiviteit ten aanzien van die onderneming niet meldingplichtig en kan de Minister van Economische Zaken niet ingrijpen. Voor dit uitgangspunt is onder andere gekozen met het oog op de proportionaliteit: de ex ante meldingplicht en de toetsingsbevoegdheid van de Minister moet niet verder gaan dan strikt nodig is. Ook komt het vooraf vastleggen wanneer een transactie meldingsplichtig is de rechtszekerheid ten goede (door het voorkomen van willekeurig of politiek-gedreven ingrijpen in de markt). Ook heeft het kabinet beoogd alleen de meest risicovolle categorieën ondernemingen af te dekken. Met de bestaande wetgeving bestaat dus de mogelijkheid om overnames die de nationale veiligheid kunnen raken te toetsen, indien deze vallen binnen het toepassingsbereik van die wetten. Indien blijkt dat aanvullende sectoren of technologieën een zodanig veiligheidsbelang vertegenwoordigen dat zij onder de Wet Vifo of de Telecommunicatiewet zouden moeten vallen, kan het toepassingsbereik van de wet worden uitgebreid. Het kabinet volgt relevante ontwikkelingen op dit gebied op de voet. Zo werkt het kabinet momenteel aan een uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Vifo voor enkele aanvullende sensitieve technologieën.
Kunt u verklaren waarom bedrijven die de vertrouwelijke communicatie voor overheden verzorgen niet zijn aangemerkt als vitale infrastructuur, ook als de organisaties die ze gebruiken wel aangemerkt zijn als belangrijk/vitaal/essentieel?
Zivver is niet als digitale essentiële dienst aangemerkt. De Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) schrijft ministeries voor om periodiek vitaal beoordelingen uit te voeren, zo ook voor de digitale infrastructuur.
Biedt de Cyberbeveiligingswet of de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten mogelijkheden om niet-Europese overnames van bedrijven als Zivver te voorkomen? Zo nee, vindt u dit wel wenselijk?
De NIS2-richtlijn heeft tot doel om de cyberbeveiliging in de EU verder te versterken en de CER-richtlijn tot doel om de weerbaarheid van essentiële diensten binnen de EU te vergroten. Daartoe bevatten de richtlijnen onder meer verplichtingen voor hieronder vallende entiteiten om passende en evenredige technische, operationele en organisatorische (beveiligings)maatregelen te nemen en om significante incidenten te melden. De NIS2-richtlijn en de CER-richtlijn bevatten geen regels die zien op overnames van bedrijven door niet-Europese partijen. In Nederland wordt de NIS2-richtlijn geïmplementeerd met de Cyberbeveiligingswet en wordt de CER-richtlijn geïmplementeerd in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Aangezien de NIS2-richtlijn en CER-richtlijn geen regels bevatten over overnames van bedrijven door niet-Europese bedrijven, wordt dit evenmin geregeld in de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
In Nederland worden bepaalde verwervingsactiviteiten getoetst door het kabinet krachtens investeringstoetsingswetgeving zoals de Wet Vifo en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie. Deze investeringstoetsen zijn landenneutraal. De toetsende autoriteit (het Bureau Toetsing Investeringen van het Ministerie van Economische Zaken) neemt de identiteit van de verwerver mee in de toetsing.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Israëlische oud-spionnen aan de top van het bedrijf Kiteworks? Is dit voor u een reden om het gebruik van Zivver wel of niet te heroverwegen?
Er is geen aanleiding om op dit moment aan te nemen dat de betrokkenheid van voormalige Israëlische inlichtingenfunctionarissen bij Kiteworks risico’s oplevert voor het gebruik van Zivver binnen de Rijksoverheid. In het rijksbrede cloudbeleid is opgenomen dat indien er een risico afkomstig van statelijke actoren is, de gebruiker van de clouddienst beveiligingsadvies in dient te winnen de AIVD en/of MIVD.12 Indien gebruikers van de clouddienst een verhoogd risico signaleren in verband met statelijke actoren, is dit de aangewezen route om te komen tot een onderbouwd oordeel over eventuele heroverweging van het gebruik van Zivver als digitale dienst.
Hoe reageert u op de bevindingen van Follow The Money waaruit blijkt dat informatie verstuurd via Zivver wordt teruggekoppeld naar de servers van het bedrijf? Welke gevolgen heeft dit voor de veiligheid en vertrouwelijkheid van deze informatie?
Informatiestromen, zoals de informatiestroom die is beschreven in het artikel op Follow the Money, dienen volgens het rijksbrede cloudbeleid te worden betrokken bij de risicoafweging die verplicht is voorafgaand aan het gebruik van clouddiensten. Zoals ook in het artikel wordt beschreven, kunnen aanvullende lokale veiligheidsinstellingen aangebracht worden, bijvoorbeeld in Outlook of Gmail, om te voorkomen dat gevoelige informatie naar externe servers wordt verzonden. Zivver geeft aan dat vrijwel alle overheidsklanten, zorginstellingen en andere kritieke organisaties de Outlook-integratie om die reden gebruiken.13
Het instellen van dergelijke beveiligingsmaatregelen is daarmee een logische uitkomst van de verplichte risicoafwegingen.
Kunt u deze vragen los van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De hack op een lab van Bevolkingsonderzoek Nederland |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Tieman , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken omtrent de maatregelen die u aankondigt in uw recente Kamerbrief over het datalek bij het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker?1 Zijn alle gedupeerden van de hack inmiddels op de hoogte dat hun gegevens zijn gelekt?
Ik betreur het dat zoveel mensen in Nederland getroffen zijn door deze hack. Extra erg is het dat niet bekend is of alles nu bekend is. Zo hebben we, zoals ik in mijn brief van 1 september 2025 aan uw Kamer heb laten weten, wij tot onze spijt moeten constateren dat er nog meer deelnemers dan in eerste instantie gedacht, door de hack getroffen zijn.2 Dit gaat om circa 230.000 mensen extra en het is niet uit te sluiten dat het hierbij blijft. In reactie op dit nieuws heeft Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) besloten om alle deelnemers van wie gegevens met het betreffende laboratorium zijn gedeeld, te informeren. Dat gaat om 941.000 deelnemers die naar verwachting half september worden geïnformeerd. Onder hen zitten ook de 485.000 mensen van wie al eerder bekend was dat zij waren getroffen door deze hack, en waarvan de meesten in de week van 18 augustus hierover een brief van BVO NL hebben ontvangen. Deze groep ontvangt dus opnieuw een brief. De tweede brief bevat informatie over welke gegevens door BVO NL zijn gedeeld met het laboratorium, hoe misbruik herkend en voorkomen kan worden en waarom BVO NL bepaalde gegevens gebruikt.
In de brief aan uw Kamer van 11 augustus 2025 zijn verschillende maatregelen aangekondigd met als doel de impact van de hack te beperken.3 In de brief van 1 september 2025 zijn de aanvullend getroffen maatregelen beschreven. Het belangrijkste is dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt uit de verschillende onderzoeken naar hoe deze hack heeft kunnen plaatsvinden en op welke wijze verdere maatregelen ter bescherming van dataveiligheid nodig zijn. Zodra relevante uitkomsten van de onderzoeken bekend zijn, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Is het duidelijk welke gegevens er van de 485.000 gedupeerden precies buitgemaakt zijn? Gaat u hen direct informeren over welke gegevens per persoon zijn buitgemaakt of al zijn gelekt?
Welke gegevens van de getroffenen van de hack precies bemachtigd zijn, is op individueel niveau nu nog niet te zeggen. Indien hier meer duidelijkheid over komt, wordt bekeken hoe deelnemers hier zo goed mogelijk over geïnformeerd kunnen worden. BVO NL weet inmiddels wel op persoonsniveau welke gegevens er per deelnemer met het laboratorium zijn gedeeld en zal alle getroffenen daarover nader informeren, ook de getroffenen die in de week van 18 augustus al een brief
ontvangen hebben. Deze brieven worden naar verwachting halverwege september verstuurd. Ik heb uw Kamer in mijn brief van 1 september 2025 ook geïnformeerd over welke gegevens door BVO NL met het laboratorium zijn gedeeld.
Hoe borgt u dat de communicatie richting burgers begrijpelijk, meertalig en toegankelijk is? Kunt u bovendien garanderen dat trans- en non-binaire personen die zijn gedupeerd met de juiste of een neutrale aanhef worden aangeschreven?
Er wordt door BVO NL extra aandacht besteed aan de begrijpelijkheid van de brieven die medio september worden verzonden. De signalen en feedback hierover op de brieven die in de week van 18 augustus zijn verzonden, worden meegenomen in deze nieuwe ronde brieven. BVO NL betrekt hierin ook het RIVM. Het RIVM werkt al langer aan het vergroten van de toegankelijkheid van de bevolkingsonderzoeken naar kanker en kan die expertise dus goed inbrengen. Ik heb ook een brief ontvangen van de Nationale ombudsman over informatievoorziening rond de hack. Ik heb deze brief gedeeld met BVO NL, zodat zij met de suggesties en opmerkingen van de ombudsman aan de slag kunnen voor deze nieuwe ronde brieven. Ook ga ik op basis van de brief van de ombudsman in gesprek met de betrokken partijen om samen te bepalen welke aanvullende acties mogelijk zijn.
De brieven van BVO NL worden alleen in het Nederlands opgesteld, omdat BVO NL niet weet wie welke taal spreekt. BVO NL zal de brieven wel in het Nederlands en Engels op hun website plaatsen. Wat betreft de aanhef in de reeds verzonden brieven, geldt dat BVO NL zich realiseert dat de woordkeuze («mevrouw») niet de ervaring en identiteit vertegenwoordigt van iedereen in de doelgroep van het bevolkingsonderzoek. Om die reden wordt voor de nieuwe ronde brieven verkend welke technische mogelijkheden er zijn om de aanhef meer op maat te kiezen. Mocht dit niet mogelijk zijn, zal BVO NL hier op een alternatieve manier aandacht aan besteden in de brief.
Kunt u nader ingaan op de directe gevolgen van het lek voor de gedupeerden? Hoe wordt hun gestolen data vermoedelijk gebruikt?
De grootste risico’s van de hack bij het laboratorium voor burgers zijn phishing en identiteitsfraude.
Door phishing in e-mails, per sms of telefoon kunnen criminelen proberen burgers te verleiden tot het delen van wachtwoorden of geven van informatie. Een andere mogelijkheid is dat door op een link te klikken malware wordt geïnstalleerd op de computer, telefoon of het netwerk. Dit kan leiden tot schade aan IT-systemen, tot spionage of tot nieuwe datadiefstal.
Wanneer criminelen beschikken over persoonsgegevens kunnen ze zich voordoen als iemand anders en identiteitsfraude plegen.
Hoeveel burgers hebben contact opgenomen met het klantcontactcentrum van Bevolkingsonderzoek Nederland? Is er voldoende capaciteit om vragen en zorgen goed af te handelen? Zo niet, bent u bereid hier middelen voor vrij te maken?
Er komen begrijpelijkerwijs veel vragen binnen bij het klantcontactcentrum van BVO NL. Het betreft circa 80 tot 400 telefoontjes per dag, en circa 2.000 ontvangen e-mails in de periode tot en met 1 september 2025. De hoeveelheid vragen op een dag is afhankelijk van de actualiteiten, zoals berichtgeving in de media. De capaciteit bij het klantcontactcentrum is opgeschaald. Er is op dit moment voldoende capaciteit om de vragen aan te kunnen. Het klantcontactcentrum is uitgebreid met een speciale informatielijn (0800-1617) met specialisten op het gebied van crisistelefonie.
Mijn prioriteit is om BVO NL in staat te stellen om de gevolgen van de hack zo goed als mogelijk te beperken voor alle betrokkenen. Op dit moment is er geen zicht op of dit financiële gevolgen heeft voor VWS en/of de uitvoeringsorganisaties.
Welke maatregelen kunnen gedupeerden treffen om zich te beschermen tegen misbruik van hun gegevens? Hoe gaat u direct met hen communiceren om daarin te helpen?
Het advies voor de mensen die een brief van BVO NL hebben gekregen dat hun gegevens onderdeel zijn geweest van de hack bij het laboratorium, is om extra alert te zijn op vreemd gebruik van persoonlijke gegevens. Het gaat dan met name om nepmail, neptelefoontjes, vreemde sms-berichten of misbruik van persoonsgegevens (identiteitsfraude). Op de website van de Rijksoverheid wordt meer informatie gegeven hoe deze situaties herkend kunnen worden en hoe hiervan melding gedaan kan worden. Bij vragen, ongerustheid en/of andere opmerkingen kunnen deelnemers terecht bij het klantcontactcentrum van BVO NL.
Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat de gestolen gegevens daadwerkelijk niet verder worden verspreid of verkocht? Hoe monitort u de verdere verspreiding van deze gegevens om in kaart te brengen wie de gelekte gegevens mogelijk in handen hebben?
Ik heb geen zekerheid over wat criminelen met de gegevens doen die zij hebben buitgemaakt. Zodra persoonsgegevens eenmaal op het dark web zijn beland, is het in de praktijk bijzonder lastig, zo niet onmogelijk, om deze volledig te laten verwijderen. Het dark web betreft een afgeschermd deel van het internet waar informatie vaak anoniem wordt gedeeld en waar activiteiten lastig tot niet te traceren zijn. Z-CERT heeft aangegeven dat er tijdelijk een deelverzameling is gepubliceerd op het dark web. Deze deelverzameling kan in de periode dat deze online stond, door anderen ingezien of gekopieerd zijn. De gehele dataset die in handen zou zijn gekomen van de hackergroep kan op een later moment ook alsnog door hen misbruikt worden.
Politie en OM doen onderzoek naar de hack bij het laboratorium. Ik hoop dat de daders gevonden worden en de gestolen dataset gewist wordt.
Z-CERT monitort of de data (opnieuw) op het darkweb verschijnt en onderneemt in dat geval actie.
Kunt u aangeven of de verwerkersovereenkomsten2 tussen Bevolkingsonderzoek Nederland en Clinical Diagnostics volledig op orde waren? Bent u bereid deze overeenkomsten (geanonimiseerd) met de Kamer te delen?
Op grond van de AVG is het sluiten van een verwerkersovereenkomst verplicht als een verwerking namens en in opdracht van een verwerkingsverantwoordelijke wordt verricht door een verwerker. Een verwerkersovereenkomst moet in ieder geval afspraken bevatten over de onderwerpen die de AVG voorschrijft. Die onderwerpen betreffen onder meer de aard, het doel en de duur van de verwerking. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de AVG. Indien in dit concrete geval een verplichting bestond om een verwerkingsovereenkomst te sluiten, is het aan de AP om te beoordelen of de inhoud daarvan aan de eisen van de AVG voldoet. De AP is reeds een onderzoek gestart.
Kunt u aangeven of er toezicht is geweest op het technisch voldoen aan minimale beveiligingseisen3 om de basisbeveiliging te borgen? Zo ja, hoe is het bij de hack alsnog verkeerd gegaan? Zo niet, gaat u naleving alsnog verplichten en de organisaties hierbij helpen?
De diverse aspecten waarnaar gevraagd wordt, moeten blijken uit de verschillende lopende onderzoeken naar de hack en het datalek dat daarop volgde.
In het algemeen geldt dat op het gebied van de informatiebeveiliging in de zorg er sectorspecifieke wet- en regelgeving is (onder andere de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)). De IGJ is belast met het toezicht op de naleving van die wet- en regelgeving. Zorgorganisaties zijn verantwoordelijk voor de implementatie van technische maatregelen en de controle daarop.
De IGJ heeft mij laten weten dat dit laboratorium nog niet eerder bezocht is in het kader van informatieveiligheid. De IGJ heeft inmiddels aangekondigd onderzoek te doen bij het laboratorium en is voornemens om mede naar aanleiding van dit incident extra aandacht te besteden aan informatiebeveiliging bij medische laboratoria. Risico’s zoals deze blijken uit dit incident, worden eveneens meegenomen in het toezicht bij andere zorgaanbieders en andere zorgsectoren.
Daarnaast geldt dat de Minister van Justitie en Veiligheid het wetsvoorstel Cyberbeveilingswet (Cbw) op 2 juni 2025 aanhangig heeft gemaakt in uw Kamer. Dit wetsvoorstel zal, indien beide Kamers der Staten-Generaal daarmee instemmen, ook gaan gelden voor zorgaanbieders in Nederland die voldoen aan de eisen voor wat betreft de omvang van de organisatie. Deze zorgaanbieders en zorgketenorganisaties krijgen met de Cbw een zorgplicht met betrekking tot informatieveiligheid. Deze zorgplicht geldt ook voor uitbestede diensten. Daarnaast komt er een incidentmeldplicht richting de toezichthouder IGJ en richting Z-CERT, die ondersteuning geeft aan en een actieve waarschuwingsdienst opzet voor deze zorg- en zorgketenorganisaties (met name op het gebied van scanning en dreigingsanalyse). Voornoemde meldplicht aan de IGJ en Z-CERT bestaat in de huidige situatie nog niet. Ook de handhavingsmogelijkheden onder de Cbw gaan verder dan onder de Wabvpz.
Bent u bereid om de NEN 7510, ISAE 3000 en vergelijkbare standaarden standaard op te nemen in de inkoopeisen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Ziet u dit als een noodzakelijke stap om beter inzicht te krijgen in de cyberveiligheid van betrokken organisaties?
Ja. Het Ministerie van VWS hanteert bij de inkoop en uitbesteding van ICT-diensten het rijksbrede normenkader voor informatiebeveiliging, de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). De BIO is gebaseerd op internationale standaarden, zoals ISO/IEC 27001 en ISO/IEC 27002 en bevat specifieke aanvullende overheidsmaatregelen.
Voor leveranciers die persoonsgegevens verwerken geldt aanvullend de norm NEN 7510. Deze norm is wettelijk verankerd in de zorgsector en kan door VWS contractueel worden verlangd van leveranciers die dergelijke gegevens verwerken.
Daarnaast wordt bij contracteren, waar passend, gevraagd om assurance-rapportages, bijvoorbeeld de ISAE 3000 of SOC-rapporten, waarmee leveranciers aantoonbaar maken dat zij de gestelde beveiligingsmaatregelen in de praktijk hebben ingericht en effectief laten functioneren.
In lijn met de aankomende Cyberbeveiligingswet (implementatie van NIS2) en de BIO 2.0 wordt leveranciersmanagement verder versterkt, onder meer door het stellen van expliciete eisen aan ketenbeveiliging, incidentmeldingen en onafhankelijke toetsing. Hiermee wordt geborgd dat VWS zijn verantwoordelijkheid neemt voor de beveiliging van uitbestede processen en de bescherming van gegevens in de zorg- en Rijkscontext.
Welke concrete eisen gaat u stellen aan dataminimalisatie en -retentie bij bevolkingsonderzoeken en laboratoria, zoals tokenisatie, pseudonomisering en kortere bewaartermijnen?
Het is van groot belang dat bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zoals medische persoonsgegevens, aan de wettelijke vereisten wordt voldaan. Het gaat in ieder geval om de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens die zijn neergelegd in artikel 5 AVG (o.a. rechtmatigheid, transparantie, doelbinding en het principe van dataminimalisatie). Aanvullende (informatiebeveiligings)normen gelden ingeval van verwerking van persoonsgegevens met een hoog risico voor rechten en vrijheden van burgers. Het is aan de organisatie die verantwoordelijk is voor verwerking van persoonsgegevens (de verwerkingsverantwoordelijke) om aan te tonen dat zij voldoet aan de toepasselijke normen en uiteindelijk aan de AP om te beoordelen of dat het geval is (geweest). Dat geldt dus ook voor bevolkingsonderzoeken en laboratoria.
Wanneer verwacht u de uitkomsten van de aangekondigde onderzoeken door Bevolkingsonderzoek Nederland, de RIVM en de Autoriteit Persoonsgegevens? Welke duidelijkheid moeten deze onderzoeken verschaffen?
BVO NL laat verschillende onderzoeken uitvoeren met als doel om:
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 is het belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt op basis van de verschillende onderzoeken. Op dit moment is er nog geen precieze planning te geven. Op het moment dat dat wel het geval is, zal uw Kamer daarover geïnformeerd worden. Ook de AP en de IGJ kunnen nog niet aangeven wanneer hun onderzoeken gereed zijn, omdat niet te voorzien is wat ze tegenkomen en waar nader onderzoek naar nodig is.
Hoe zorgt u ervoor dat organisaties leren van de hack en de uitkomsten van alle onderzoeken worden gebruikt om de bescherming van persoonsgegevens bij essentiële organisaties feitelijk te verbeteren? Via welke structuren gaat u deze kennisuitwisseling faciliteren?
Digitale veiligheid vormt een essentieel aandachtspunt vormt voor de gehele maatschappij. In (bestuurlijke) gesprekken met partners uit het veld wordt dataveiligheid door het Ministerie van VWS actief onder de aandacht gebracht. In het zorgveld zijn een aantal manieren om te leren van incidenten:
Heeft u meer organisaties geïdentificeerd die op eenzelfde manier kwetsbaar zijn voor een hack van zo’n ordegrootte? Welke concrete maatregelen neemt u om hun cyberveiligheid in orde te brengen zodat een soortgelijk datalek niet meer kan gebeuren?
Ik heb op dit moment geen signalen dat andere organisaties ook kwetsbaar zijn voor een hack zoals bij dit laboratorium heeft plaatsgevonden. Zorgaanbieders zijn in de eerste plaats zelf wettelijk verantwoordelijk voor hun informatieveiligheid en het voorkomen van datalekken. Dat neemt niet weg dat ik me ook inzet voor het verkleinen van de risico's en de impact hiervan. Dit doe ik door te zorgen voor meer bewustwording met het programma informatieveilig gedrag in de zorg, duidelijke normen en kaders te stellen en door hulpmiddelen aan te bieden om deze te implementeren. Daarnaast biedt Z-CERT gespecialiseerde ondersteuning aan zorgaanbieders. Z-CERT monitort continu de systemen die benaderbaar zijn via het internet van de bij hen aangesloten zorgaanbieders en informeert deze zorgaanbieders over mogelijke risico’s in hun cyberbeveiliging. Daarnaast adviseert Z-CERT zorg- en zorgketenorganisaties over maatregelen die de cyberweerbaarheid verhogen en stelt adviezen hiervoor op hun website beschikbaar. Zo zijn onder meer de tien belangrijkste maatregelen tegen ransomwaredreiging op hun website geplaatst.
Kunt u deze vragen los van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het datalek van medische en persoonlijke gegevens bij het laboratorium van Clinical Diagnostics in Rijswijk. |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Tielen (VVD), Daniëlle Jansen (NSC), van Marum |
|
|
|
|
Hoe bestaat het dat het anno 2025, in tijden dat we maximaal weerbaar moeten zijn, mogelijk is om bij een zorgpartij van een half miljoen Nederlanders uiterst gevoelige medische gegevens en persoonsgegevens te stelen?
Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) heeft een onafhankelijk onderzoek ingesteld naar de exacte omvang en de oorzaak van deze hack. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zijn een onderzoek gestart. Los daarvan markeer ik hierbij het grote belang van adequate technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van persoonsgegevens, in het bijzonder als het gaat om gezondheidsgegevens. Zorgaanbieders zijn daartoe wettelijk verplicht, onder andere op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Ik betreur het dan ook ten zeerste dat gezondheidsgegevens zijn bemachtigd bij een hack bij Clinical Diagnostics.
Wanneer werd het datalek bekend bij de Stichting Bevolkingsonderzoek Nederland en bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Kunt u een tijdlijn maken met de belangrijkste gebeurtenissen en wanneer zij ontdekt zijn? Kunt u daarop zeggen wanneer de diefstal plaatsvond, wanneer mensen en de Autoriteit Persoonsgegevens geïnformeerd zijn, wanneer het ministerie/de bewindspersonen geïnformeerd zijn en alle andere relevante gebeurtenissen?
BVO NL is op woensdag 6 augustus door het laboratorium Clinical Diagnostics geïnformeerd over de hack, nadat het laboratorium de hack op 6 juli heeft ontdekt. BVO NL heeft op 6 augustus een melding gemaakt bij de AP en heeft op dezelfde dag het RIVM, de opdrachtgever van BVO NL, geïnformeerd. Het Ministerie van VWS is op donderdag 7 augustus geïnformeerd door het RIVM. BVO NL heeft op zaterdag 9 augustus een melding gedaan bij de IGJ.
Op maandag 11 augustus heeft BVO NL een nieuwsbericht uitgebracht over de hack en is uw Kamer geïnformeerd. Op maandag 11 augustus heeft ook Z-Cert, het expertisecentrum voor cybersecurity in de zorg, bij het Ministerie van VWS melding gemaakt over de hack.
In de week van 18 augustus heeft BVO NL de eerste groep deelnemers waarvan vaststaat dat zij betrokken zijn bij de hack, per brief geïnformeerd.
Nadien heeft het laboratorium desgevraagd aan mij aangegeven dat het onderzoek naar de aantallen bijna is voltooid en dat de betrokken zorgaanbieders nader zullen worden geïnformeerd.
Zoals ik vrijdag 29 augustus en vandaag in aparte brieven aan uw Kamer heb laten weten, blijkt uit dit onderzoek dat nog meer deelnemers aan het bevolkingsonderzoek zijn getroffen door de hack. BVO NL heeft hier op 29 augustus ook een nieuwsbericht over gepubliceerd. Deze deelnemers ontvangen van BVO NL een brief.
Waarom wordt het lekken van persoonlijke en medische gegevens van een half miljoen Nederlanders pas meer dan vier weken later openbaar gemaakt? Klopt het dat er al eerder een lek bij dit laboratorium was gesignaleerd maar daar niet naar werd gehandeld, er geen consequenties waren?
In situaties als deze rust op verwerkingsverantwoordelijken de verplichting datalekken aan de AP en betrokkenen te melden binnen de termijnen die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) noemt. Of en waarom dat hier niet gebeurd zou zijn, is ter beoordeling van de AP die inmiddels een onderzoek is gestart.
Bent u het ermee eens dat dit het vertrouwen van Nederlanders in het bevolkingsonderzoek, waar al steeds minder in wordt deelgenomen, ernstig ondermijnt?
Ik begrijp heel goed dat (potentiële) deelnemers aan het bevolkingsonderzoek zich zorgen maken en vragen hebben na het bericht over de hack. Meedoen aan een bevolkingsonderzoek kan al spanning met zich meebrengen. Als je dan ook nog hoort dat je persoonsgegevens mogelijk zijn bemachtigd, is dat een ontzettende schok. Deelnemers aan bevolkingsonderzoeken moeten er immers op kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke gegevens veilig zijn. Dat er nu persoonlijke gegevens zijn gestolen door hackers, vind ik ontzettend betreurenswaardig. Ik kan me voorstellen dat dit mensen aan het denken zet over deelname aan het bevolkingsonderzoek. Ikwil benadrukken dat het vroeg opsporen van kanker ervoor zorgt dat de behandeling minder belastend is en een betere uitkomst heeft, waardoor sterfgevallen door de betreffende vorm van kanker voorkomen worden. Deelname is dus in ieders belang.
Hoe kan het dat er met één hack zoveel gegevens van zoveel mensen in één keer buit kunnen worden gemaakt? Waarom worden medische uitslagen in combinatie met burgerservicenummers en adresgegevens opgeslagen? Wordt er in deze laboratoria gewerkt met het gespreid en versleuteld opslaan van een minimaal benodigde hoeveelheid gegevens? Welke concrete inspanningen worden er geleverd om te voldoen aan het beginsel van dataminimalisatie conform artikel 5 AVG?
De diverse aspecten waarnaar gevraagd wordt, moeten blijken uit de verschillende lopende onderzoeken naar de hack en het datalek dat daarop volgde.
In algemene zin markeer ik het grote belang dat bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zoals medische persoonsgegevens aan de wettelijke vereisten wordt voldaan, waaronder in ieder geval de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens die zijn neergelegd in artikel 5 AVG (o.a. rechtmatigheid, transparantie, doelbinding en het principe van dataminimalisatie). Aanvullende (informatiebeveiligings)normen gelden ingeval van verwerking van persoonsgegevens met een hoog risico voor rechten en vrijheden van burgers. Het is aan de organisatie die verantwoordelijk is voor verwerking van persoonsgegevens (de verwerkingsverantwoordelijke) om aan te tonen dat zij voldoet aan de toepasselijke normen en uiteindelijk aan de AP om te beoordelen of dat het geval is (geweest).
Valt dit lab, één van de grootste van Nederland, onder toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Zo ja, wanneer heeft de Inspectie voor het laatst dit laboratorium bezocht en wat waren toen de bevindingen?
Op het gebied van de informatiebeveiliging in de zorg is er sectorspecifieke wet- en regelgeving (onder andere de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz)) en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)). De IGJ is belast met het toezicht op de naleving van die wet- en regelgeving.
De IGJ heeft mij laten weten dat dit laboratorium nog niet eerder bezocht is in het kader van informatieveiligheid. De IGJ is inmiddels een onderzoek gestart bij het laboratorium en is voornemens om mede naar aanleiding van dit incident extra aandacht te besteden aan informatiebeveiliging bij medische laboratoria.
Wat zijn de minimumvereisten voor dataveiligheid van Stichting bevolkingsonderzoek? Aan welke standaarden moeten laboratoria voldoen om grootschalig labonderzoek te mogen verrichten?
Wat betreft de eerste vraag geldt dat voor zover BVO NL persoonsgegevens verwerkt ten aanzien waarvan BVO NL geldt als verwerkingsverantwoordelijke, BVO NL zich in ieder geval moet houden aan de AVG. Op grond van de AVG dient BVO NL in dat geval organisatorische en technische maatregelen te treffen ter beveiliging van persoonsgegevens. De AP houdt hierop toezicht. Daarbij betrekt het informatiebeveiligingsnormen als de NEN7510. Die normen gelden als gezaghebbende uitwerking van de algemene beveiligingsnorm uit de AVG. Die sectorspecifieke informatiebeveiligingsnormen zijn voor zorgaanbieders overigens verplicht gesteld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders.
Wat betreft de tweede vraag geldt dat voor laboratoria wet- en regelgeving op het gebied van kwaliteit van de zorg en dataveiligheid kan gelden. Welke wet- en regelgeving dat precies betreft, hangt af van de concrete omstandigheden (zoals de aard van de werkzaamheden). De schaalgrootte van de labonderzoeken speelt hierbij in principe geen rol.
Hoe was het gesteld met de datahuishouding en -veiligheid bij dit lab? Beschikte het laboratorium over de NEN 7510 certificering voor databeveiliging? Klopt het dat alle zorgpartijen die met bijzondere persoonsgegevens werken verplicht zijn om aan de NEN7510 richtlijn te voldoen? Voldeed dit lab hieraan? Gaan medische laboratoria onder de NIS-2 wetgeving vallen?
Het antwoord op deze vragen zal voortvloeien uit de verschillenden lopende onderzoeken naar de hack en het datalek. Algemeen geldt, in het kader van goede en veilige zorg, dat zorgaanbieders die persoonsgegevens verwerken in een zorginformatiesysteem, moeten kunnen laten zien dat ze werken volgens de daarvoor geldende informatiebeveiligingsnormen, waaronder de NEN 7510. De IGJ houdt hier toezicht op en de AP, voor zover het gaat om de bescherming van persoonsgegevens.
Er bestaat binnen de NIS2-richtlijn of het wetsvoorstel Cyberbeveilingswet (Cbw), dat de Minister van Justitie en Veiligheid op 2 juni 2025 aanhangig heeft gemaakt in uw Kamer, geen categorie die zich specifiek richt op medische laboratoria. Een medisch laboratorium zou onder de NIS2-richtlijn kunnen vallen indien het bijvoorbeeld handelingen uitvoert die vallen onder de Wkkgz of wanneer het (deels) onderzoek doet naar geneesmiddelen en voor zover zij voldoen aan de eisen in de NIS-2-wetgeving op het gebied van omvang personeelsbestand en omzet. Het hangt dus af van de dienstverlening of een medisch laboratorium onder een van de categorieën van de NIS2-richtlijn of Cbw valt.
Worden er vandaag nog steeds samples gestuurd vanuit het bevolkingsonderzoek of andere medische diagnostiek naar laboratoria waar deze data niet veilig zijn en worden verwerkt door systemen die niet aan de richtlijnen voldoen?
BVO NL heeft de samenwerking met het laboratorium tot nader order opgeschort. Bij de andere laboratoria betrokken bij de bevolkingsonderzoeken worden door Z-Cert extra checks gedaan op informatieveiligheid.
Bij hoeveel Eurofins laboratoria speelt dit? Bij hoeveel andere medische laboratoria?
Er zijn bij mij geen signalen bekend dat de informatiebeveiliging bij andere laboratoria niet op orde zou zijn.
Welke andere zorgpartijen beschikken over de medische en persoonsgegevens van honderdduizenden Nederlanders zonder dat de dataveiligheid op orde is?
Ik heb geen inzicht in de hoeveelheid gezondheidsdata waar de verschillende zorgpartijen over beschikken. De zorg digitaliseert in toenemende mate en dit brengt grote voordelen met zich mee, maar ook risico’s. Zorgpartijen zijn verantwoordelijk voor informatieveiligheid. Zij zijn verplicht te voldoen aan de wettelijke normen voor informatiebeveiliging in de zorg.
Zorginstellingen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de risico’s te beperken en de impact van incidenten zo klein mogelijk te maken wanneer deze toch plaatsvinden. Dit neemt echter niet weg dat ik me ook inzet op het verkleinen van de risico's en de impact hiervan. Dit doe ik door te zorgen voor meer bewustwording met het programma informatieveilig gedrag in de zorg, door duidelijke normen en kaders te stellen en door hulpmiddelen aan te bieden om deze te implementeren. Daarnaast biedt Z-Cert gespecialiseerde ondersteuning aan zorgaanbieders.
Op welke termijn kunt u dit in kaart brengen?
Zie antwoord vraag 11.
Wat bent u van plan om te doen als blijkt dat deze onveilige situatie bij andere zorgpartijen speelt?
Zie antwoord vraag 11.
Wat verwacht u van de effecten van dit massale datalek voor de veiligheid van Nederlanders en hoe beoordeelt u de risico’s op onder andere identiteitsfraude, chantage of zorgmijden als gevolg hiervan? Hoe worden mensen met gevoelige adresgegevens, zoals penitentiaire inrichtingen, blijf-van-mijn-lijf-huizen en psychiatrische klinieken geholpen?
Hacks waarbij zoveel data worden bemachtigd vergroten het risico op gerichte en overtuigende phishingaanvallen, juist omdat kwaadwillende beschikken over persoonlijke informatie waarvan het slachtoffer zich mogelijk niet bewust is dat deze is buitgemaakt.
BVO NL informeert de getroffen deelnemers van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. In de brief van BVO NL wordt ook gewezen op het risico op fraude. De betrokken (ex-)gedetineerden worden via een informatiebrief van Clinical Diagnostics over de hack geïnformeerd, met daarbij een begeleidende brief van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). In deze brieven is onder meer opgenomen wat betrokkenen kunnen doen.
Kunt u deze vragen los van elkaar, zo snel mogelijk en zeker binnen drie weken beantwoorden?
Daar zet ik mij voor in.
Het (structureel) gebruik van het controversiële Amerikaanse softwaresysteem Parlantir |
|
Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA), Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de Wet Open Overheid (WOO)-verzoeken waaruit blijkt dat Nederland al in 2011 software van Palantir heeft aangeschaft?1
Ja
Kunt u aangeven a) welke (semi)overheidsorganisaties (in de breedste zin van het woord, dus inclusief bijvoorbeeld de politie, Defensie-onderdelen, de NCTV, de diensten, zorgorganisaties of onderwijsorganisaties) gebruik maken van Palantir en b) om welke softwarepakketten en functionaliteiten van Palantir het precies gaat?
In de beantwoording op de onlangs gestelde Kamervragen door het lid Van Houwelingen heb ik aangegeven dat geen organisatieonderdelen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en/of aan Justitie en Veiligheid gelieerde samenwerkingsverbanden gebruik maken van Palantir software, met uitzondering van de politie en in het verleden de zes veiligheidsregio’s.2 Voor het gebruik bij organisaties buiten het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijs ik naar de beantwoording van andere ministeries op de Kamervragen van het lid Van Houwelingen.
Kunt u per gebruiker, die hierover wordt beschreven, aangeven:
Voor het gebruik van de producten door de politie in de analyseomgeving «de Raffinaderij» verwijs ik naar de beantwoording op de vragen van het lid Van Houwelingen over het gebruik van Palantir software.3 Ik hecht eraan om te benadrukken dat «de Raffinaderij» geen registratiesysteem is, maar enkel een analyseomgeving waarbinnen alleen politiegegevens worden geanalyseerd.
Het gaat om gegevens die door de politie rechtmatig verkregen zijn.
Over het (kortstondige) gebruik van Palantir software door de zes zuidelijke Veiligheidsregio’s ten behoeve van informatiegestuurde veiligheid is uw Kamer op 21 juni 2021 geïnformeerd.4 Dit gebruik is reeds in 2021 beëindigd en was op geen enkele wijze gelieerd aan de analyseomgeving «de Raffinaderij». Alleen openbare en publiek toegankelijke data zijn door zes Veiligheidsregio’s gebruikt, er zijn hierbij geen persoonsgegevens geanalyseerd.
De politie analyseert alleen politiegegevens. Voor de grondslag voor het gebruik door de politie verwijs ik naar de beantwoording op vraag 10. Betrokkenen kunnen met een beroep op artikel 25 van de Wet Politiegegevens (Wpg) inzage krijgen of er persoonsgegevens over hem/haar/hen worden verwerkt. Dit gaat volgens een standaard proces dat is vermeld op de privacyverklaring die te vinden is op de website van de politie. Een inzageverzoek gaat via de regionale Privacydesk. De Privacydesk geeft echter geen inzage op systeemniveau.
Indien de voor het beantwoorden van vraag 3 benodigde informatie niet bij u bekend is, kunt u (de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) de verantwoordelijk bewindspersoon conform artikel 6 Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst, verzoeken deze informatie aan de Kamer te verstrekken?
Met de beantwoording van vraag 3 is deze informatie verstrekt.
Heeft voor ieder gebruik een directe aanbesteding plaatsgevonden? Zo nee, voor welke onderdelen niet en waarom niet? Kunt u garanderen dat bij ieder gebruik een juiste aanbestedingsprocedure is gevolgd? En kunt u aangeven hoeveel geld gemoeid is met de Palantir contracten?
Voor een toelichting op de overeenkomst tussen de zes zuidelijke Veiligheidsregio’s en Palantir voor een pilot binnen het samenwerkingsproject Fieldlab Zuid6 verwijs ik naar de beantwoording die in 2021 hierover aan uw Kamer is gestuurd.5
De verwerving van Palantir software door de politie heeft in 2018 heimelijk plaatsgevonden met een beroep op art. 2.23, lid 1 sub e van de AW 2012. Voor een nadere toelichting op de aanbestedingsprocedure verwijs ik naar de beantwoording op de Kamervragen van het lid Van Houwelingen. De financiële details met betrekking tot het betrokken contract zijn vertrouwelijk en kunnen niet openbaar worden gemaakt.
Is het juist dat veel gebruik van Palentir in Nederland indirect plaatsvindt, via Europese samenwerkingen of internationale netwerken zoals Europol, Frontex of NAVO? Hoe beoordeelt u de risico’s daarvan? Hoe zit het met de (parlementaire) controle hierop?
Nee. Europol en Interpol maken op dit moment geen gebruik van Palantir software. De software van Palantir wordt binnen de Nederlandse politie enkel gebruikt in de analyseomgeving «de Raffinaderij». Er is dan ook geen sprake van indirect gebruik via Europese samenwerking of internationale netwerken. Informatieproducten afkomstig uit «de Raffinaderij» worden niet gedeeld met partijen buiten de Nederlandse politie. Wel kan het zijn als op basis van een signaal afkomstig uit een informatieproduct vanuit de analyseomgeving «de Raffinaderij» sprake blijkt van hetzij een concrete verdenking van zware en georganiseerde criminaliteit dan wel een hoge kans op aanslagen, dat de politie op basis van dit signaal op casuïstiek niveau contact legt met haar ketenpartners. Het informatieproduct zelf wordt niet gedeeld.
Zoals door de Minister van Defensie gemeld6 wordt binnen de Nederlandse krijgsmacht gebruik gemaakt van de Palantir software in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners tijdens militaire inzet.
Kunt u een lijst geven van indirect gebruik via internationale organisaties waarbij data van Nederlandse burgers geanalyseerd wordt?
Zie de beantwoording op vraag 6.
Is onderzocht of het risico bestaat dat gegevens van Nederlandse inwoners op een of andere manier lekken naar de ontwikkelaar in de Verenigde Staten, dan wel elders? Indien wel, hoe schat u dit risico in? Indien niet, bent u het met ons eens dat de regering de zorgplicht heeft dit te onderzoeken en op welke wijze gaat u daarin voorzien?
Bij het kortstondige gebruik van Palantir software door de zes Veiligheidsregio’s is geen gebruik gemaakt van persoonsgegevens.
De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt op geen enkele manier met de leverancier gedeeld. Politiedata heeft nooit in een publieke cloud van Palantir gestaan, maar altijd bij de politie zelf. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra in een private cloud. Indien noodzakelijk is er incidentele ondersteuning mogelijk van gescreende medewerkers van Palantir die enkel onder toezicht en ter plaatse werkzaamheden verrichten. Deze medewerkers hebben geen toegang tot de politiedata.
Hoe hebben de lessen van de Parlementaire onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) invloed gehad op het gebruik van Palantir en de waarborgen daaromtrent?
Naar aanleiding van de Parlementaire onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft de politie deelgenomen aan het JenV-brede verbetertraject Informatiehuishouding op orde, waarbij verbeteringen op het gebied van datavoorziening zijn en worden doorgevoerd. In dit traject zijn geen bevindingen naar voren gekomen wat betreft het gebruik van Palantir software. De waarborgen dat de data alleen toegankelijk is en blijft voor politiefunctionarissen en op eigen dataservers van de politie wordt opgeslagen was reeds in de periode voor POK het geval.
Is u bekend dat het Duitse Bundesverfassingsgericht al in 2023 heeft bepaald dat het gebruik van Palantir in strijd is met de Duitse Grondwet? Zo ja, hoe is hier te lande daarop dan geacteerd?2
Het grondwettelijk hof in Duitsland heeft in 2023 de wetten van Hessen en Hamburg die de inzet van deze software mogelijk maakte ongrondwettig verklaard. Het betreft een uitspraak over de wetten die over de inzet van de software gaan en niet zozeer over dat het gebruik van de software zelf ook (altijd) ongrondwettelijk zou zijn. De wetten hadden volgens het grondwettelijk hof niet voldoende waarborgen en waren niet voldoende specifiek over in welke gevallen de software ingezet mocht worden. Uit de uitspraak volgt dat dergelijke software op zich niet verboden is, maar dat de wetten op basis waarvan dit mag dan wel voldoende specifiek moeten zijn over in welke gevallen en onder welke voorwaarden dit mag als het gaat om een inbreuk op de privacy / gegevensbeschermingsrechten van burgers.
Dat wetgeving op basis waarvan inbreuk op de privacy van burgers voldoende specifiek, voorzienbaar en proportioneel moet zijn -bijvoorbeeld met waarborgen omkleed- volgt ook uit rechtspraak van bijvoorbeeld het EHRM en het HvJEU. Deze uitgangspunten gelden daarom ook voor Nederland.
De Nederlandse politie heeft op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg) deze verwerkingen gedaan. «De Raffinaderij» verwerkt politiegegevens op grond van Wpg artikel 11 lid 1 en 2 door politiegegevens geautomatiseerd te vergelijken ter ondersteuning van de opsporing. De politiegegevens die in aanmerking komen om onder deze grondslag verwerkt te worden zijn uitsluitend politiegegevens als bedoeld in artikel 8, 9 en 10 Wpg. Deze politiegegevens zijn eerder in een andere context rechtmatig verkregen. Gebruikers van «de Raffinaderij» mogen daarbij ten behoeve van dat onderzoek op basis van het Besluit Politiegegevens (Bpg) artikel 2:11 in «de Raffinaderij» door Wpg artikel 8, 9 en 10-registraties in de verwerkingstermijn zoeken. Dit is beperkt tot het autorisatieniveau waarvoor gebruikers zijn geautoriseerd. Daarnaast voorziet artikel 2:11 Bpg ook in het achterwege laten van bepaalde politiegegevens voor gegevensvergelijking indien deze zijn gecodeerd als een vertrouwelijke verwerking. Deze politiegegevens worden dan ook niet verwerkt binnen de Raffinaderij.
Bent u, in het licht van de controverse die bestaat omtrent dit bedrijf en haar software, bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van Palantir en wilt u de AP daartoe inzage geven in al het gebruik?
De Autoriteit Persoonsgegevens gaat zelf over welke zaken zij in onderzoek nemen. Het staat de Autoriteit Persoonsgegevens vrij om – indien zij dat aangewezen acht – een onderzoek te doen naar het gebruik van Palantir software bij de politie. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft de bevoegdheid om daartoe gegevens op te vragen.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen 3 weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De explosieve stijging van fraude met visa en phishing |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Fraude met visa explodeert, Nederlandse vakantiegangers al voor tienduizenden euro’s opgelicht: hier moet je op letten»? (De Telegraaf, 23 juli)
Ja.
Hoeveel meldingen van fraude bij visumaanvragen zijn er tot nu toe gedaan? In hoeveel gevallen ging dit om phishing?
Uit navraag bij de Fraudehelpdesk blijkt dat er in het jaar 2024 12 meldingen over fraude met visumaanvragen zijn geregistreerd. Deze meldingen hadden betrekking op valse websites waarop zogenaamd een visum aangeschaft kon worden. In de eerste helft van 2025 kreeg de Fraudehelpdesk 189 meldingen, waarvan 154 melders aangaven financieel te zijn gedupeerd. Ook het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) heeft meldingen met betrekking tot fraude met visumaanvragen ontvangen. In 2024 ging het om 89 meldingen en in 2025 tot en met juli om 353 meldingen. Zowel de Fraudehelpdesk als het CMI schrijven de toename van het aantal meldingen toe aan de invoering (sinds 2 april 2025) van de verplichte ETA voor het Verenigd Koninkrijk, hoewel er ook andere typen visa tussen de meldingen zitten.
Er is op dit moment geen duidelijk verband te leggen tussen het aantal meldingen en in hoeveel gevallen hier sprake is van phishing. Phishing is een werkwijze die wordt ingezet door criminelen om bijvoorbeeld oplichting en fraude te plegen. Daarnaast wordt in het geval van een melding niet altijd aangegeven of het om phishing gaat. Er zijn meldingen over (valse) websites waarbij tussenpartijen te veel geld vragen voor het verzorgen van (kostenloze) visumaanvragen, maar vervolgens wel daadwerkelijk een geldig visum toesturen. Daarnaast zijn er meldingen waarbij melders denken dat zij een visumaanvraag doen en gegevens opgeven waarna er (soms meerdere keren) geld van hun creditcard wordt afgeschreven, maar er geen visum(aanvraag) wordt ontvangen.
Hoe verhoudt het aantal gemelde gevallen via de Fraudehelpdesk zich tot officiële aangiften bij politie en meldingen bij visumverlenende instanties?
Er zijn op dit moment geen betrouwbare cijfers beschikbaar over het aantal aangiften over visumverstrekking bij de politie, noch over de verhouding van het aantal meldingen bij andere instanties dan de politie. Fraude met visa wordt net als phishing niet als aparte categorie geregistreerd en is daarmee niet eenvoudig uit het politiesysteem te halen. In de Veiligheidsagenda 2023–2026 zijn streefnormen voor de politie afgesproken omdat de groei van gedigitaliseerde criminaliteit moet worden geremd.1 Hier valt ook de bestrijding van online fraude onder. Er is geen centrale registratie van meldingen van visumverlenende instanties (zoals ambassades). Als mensen met deze vorm van fraude geconfronteerd worden, roep ik hen op aangifte te doen bij de politie.
Wat is de rol van reizigers-adviesportals en luchtvaartmaatschappijen in het informeren over officiële visumkanalen? Wordt er samengewerkt om nepwebsites actief te signaleren?
Op de website www.nederlandwereldwijd.nl kan men het reisadvies van het land van bestemming lezen ter voorbereiding op de reis. Op de landenpagina staat een kopje met «Hoe bereid ik mijn reis voor?». Onder dit kopje staat onder andere uitgelegd of een visum nodig is en waar deze aangevraagd kan worden (met een link naar een officiële website). Op www.nederlandwereldwijd.nl wordt op alle Schengenvisum aanvraagpagina’s en inreisvisum aanvraagpagina’s het volgende geadviseerd: «Voorkom onnodige kosten en maak zelf uw afspraak. Maak geen afspraak bij een tussenpersoon.»
Desgevraagd geeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan dat op de aanvraagpagina’s van sommige landen nog een extra waarschuwing staat. Als een ambassade bijvoorbeeld signaleert dat er veel fraude plaatsvindt in een bepaald land, dan wordt de informatie aangevuld. Zo is er onlangs door de ambassade in Turkije verzocht om toe te voegen dat de klant geen tolk via een tussenpersoon moet regelen.
Zo nu en dan plaatsen ook Nederlandse ambassades in diverse landen op eigen initiatief voorlichting of waarschuwingen op hun social mediakanalen. Zo heeft de Nederlandse ambassade in India onlangs op haar Instagram en Facebook account een waarschuwing geplaatst voor fraude met visa, alsook een verwijzing naar de officiële website.
Wat doet u om online fraude via phishing te voorkomen en te bestrijden, onder andere bij visumaanvragen? Zijn deze maatregelen effectief gebleken?
In oktober 2024 zijn de Ministeries van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties gestart met de meerjarige publiekscampagne «Laat je niet interneppen», om Nederlanders te wapenen tegen verschillende vormen van online oplichting, waaronder phishing. In de campagne komen de diverse signalen en overtuigingstechnieken aan bod, die online criminelen gebruiken en krijgen mensen handelingsperspectief mee om online oplichting te kunnen herkennen. Uit het meest recente campagne-effectonderzoek blijkt onder meer dat mensen zich meer waakzaam voelen als gevolg van de campagne en dat Nederlanders het belangrijk vinden dat de Rijksoverheid op dit onderwerp campagne voert, maar dat (nog) niet meer mensen zich beter in staat voelen de signalen en overtuigingstechnieken te herkennen.2 De aanbevelingen uit het campagne-effectonderzoek zullen worden meegenomen bij de volgende flight van de campagne in september 2025.
Naast bewustwordingscampagnes werkt de Nederlandse overheid aan de doorontwikkeling van het Register Internetdomeinen overheid zodat burgers in dat register bij twijfel een snelle check kunnen doen of websites van de Nederlandse overheid zijn of niet. Het Register is te raadplegen via https://organisaties.overheid.nl/domeinen. Bij twijfel over de echtheid van websites kan bovendien contact worden opgenomen met de gratis Digihulplijn (Bereikbaar via telefoon en chat op 0800 - 1508). Ook loopt een impactonderzoek naar de haalbaarheid van invoering van een uniforme domeinnaamextensie voor websites van de overheid, te beginnen bij de Rijksoverheid. Een uniforme domeinnaamextensie zoals .gov.nl of .overheid.nl maakt in één keer duidelijk dat de overheid afzender is van een website en is, mits consequent toegepast, makkelijk te communiceren richting het publiek.
Daarnaast voert mijn ministerie de regie op de integrale aanpak van online fraude.3 De integrale aanpak online fraude heeft als doel om meerjarig gezamenlijk de krachten te bundelen, de onderlinge informatiepositie te verstevigen, het kennisniveau te verhogen, te weten en te doen wat werkt om sneller, flexibeler en effectiever op te kunnen treden tegen online fraude teneinde het aantal slachtoffers te verminderen. Partners in deze publiek-private samenwerking zijn onder andere de politie, het Openbaar Ministerie, VNO-NCW/MKB Nederland, de Consumentenbond, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), COIN, Thuiswinkel.org, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Ministerie van Economische Zaken enhet Ministerie van Financiën. Het jaarbericht en het actieplan voor 2025 zijn in juni jl. door mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer toegezonden.4
Hoeveel gevallen van phishing zijn er jaarlijks in Nederland? Welk aandeel van de gevallen van online oplichting betreft phishing?
Bij de politie wordt phishing niet als een apart delict geregistreerd en daarom zijn hier geen precieze cijfers over te delen. Dit komt omdat phishing vaak een middel is om verschillende soorten criminaliteit te kunnen plegen.
Wel blijkt uit de Veiligheidsmonitor 2024 van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat krap 1 procent van de mensen in 2024 zich slachtoffer noemt van phishing. Bij 17 procent van de slachtoffers ging het om wangirifraude: de dader probeert het slachtoffer te laten terugbellen naar (dure) betaalnummers. Verder kreeg 12 procent te maken met beleggingsfraude en eenzelfde deel werd slachtoffer van bankspoofing, waarbij de oplichter zich voordoet als een bankmedewerker. Nepboetes of nepfacturen werden door 11 procent van de slachtoffers genoemd. Vriend-in-nood-fraude, waarbij iemand geld betaalde aan een zogenaamde bekende (via een nepbericht of voice cloning), en nepacties troffen respectievelijk 9 en 6 procent van de slachtoffers. De andere vormen van phishing werden door 4 procent of minder genoemd.5
Bent u bekend met Belgische phishing-schild, het BAPS-Systeem, waarmee in 2024 zo’n 1,6 miljoen verdachte links zijn gedetecteerd en omzeild op basis van meldingen van burgers?1
Ja.
Kunt u nader toelichten wat het doel en de reikwijdte is van de pilot met een Anti-Phishing Shield (APS) die u heeft aangekondigd in deze zomer?2 Welke partijen zijn hier bij betrokken?
Het doel van de pilot is de effectiviteit van het Anti-Phishing Shield (APS) in kaart brengen. Op basis van de resultaten van de pilot wordt beoordeeld of een structureel APS in Nederland wenselijk is.
De pilot wordt uitgevoerd door het Nationaal Cyber Security Center in samenwerking met KPN en is gericht op een beperkte klantengroep van KPN. Deze groep heeft zich op vrijwillige basis via opt-in aangemeld voor de dienst Veilig browsen van KPN. Dit is een malwarefilter dat ervoor zorgt dat apparaten veilig online gaan. De denial list (een lijst van bronnen die als onveilig of verdacht zijn aangemerkt) uit deze APS-pilot wordt hierin verwerkt. Hiermee sluit de pilot aan bij de maatregelen die KPN al neemt binnen de bestaande, versterkte beveiliging voor KPN-klanten. De pilot wordt op een later moment mogelijk uitgebreid met meerdere partijen uit de telecomsector.
Wanneer verwacht u de uitkomsten van deze pilot? Koppelt u deze terug aan de Kamer met een voorstel voor vervolgstappen?
De pilot is eind juli 2025 gestart en duurt zes maanden. De pilot wordt tussentijds en na afloop geëvalueerd. Op basis hiervan wordt een advies voor een eventuele landelijke uitrol uitgebracht. U wordt in de volgende Kamerbrief over de integrale aanpak van cybercrime geïnformeerd over het vervolg van het APS.
Op welke manier is de Autoriteit Consument & Markt als toezichthouder betrokken bij de pilot? Hoe gaat u tegemoetkomen aan zorgen over netneutraliteit?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) is als onafhankelijke toezichthouder niet actief betrokken bij de pilot. In een eerder stadium is het APS met de ACM besproken. De pilot vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders. Uitgangspunt bij netneutraliteit is dat de internetaanbieder de toegang tot het internet niet mag beperken, vanwege het recht op open toegang tot het internet. Hierbij gelden in het kader van de Europese netneutraliteitsverordening enkele uitzonderingsmogelijkheden. Zo mag een internet serviceprovider wél beperkingen opleggen indien – en slechts zolang – dit nodig is om de integriteit en de veiligheid van het netwerk van de eindgebruikers te beschermen. Er dient daarbij een afweging gemaakt te worden over wanneer en onder welke omstandigheden dergelijke beperkingen noodzakelijk zijn. Binnen de pilot is het aan de deelnemende partijen om na te gaan of hun werkwijze in lijn is met de regels inzake netneutraliteit. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Wat doet u nog meer om slachtoffers van phishing te voorkomen? Hoe stimuleert u commerciële oplossingen om verdachte websites te blokkeren, met respect voor netneutraliteit?
Binnen de integrale aanpak cybercrime bestaan er meerdere initiatieven en worden in samenwerking met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, en Economische Zaken voorlichtingscampagnes gehouden om ervoor te zorgen dat mensen zich kunnen beschermen tegen phishing. Enkele voorbeelden hiervan zijn de campagnes «Laat je niet interneppen» over online oplichting, «Dubbel beveiligd is dubbel zo veilig» over tweefactorauthenticatie, en «Doe je updates» over het uitvoeren van updates op slimme apparaten. Hierover bent u in de afgelopen Kamerbrief integrale aanpak cybercrime geïnformeerd.
Ik sta in beginsel positief tegenover commerciële oplossingen die mensen tegen online criminaliteit beschermen. Ook dergelijke oplossingen dienen te worden uitgevoerd binnen de geldende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De hackaanval op het Openbaar Ministerie, aan de demissionaire Minister van Justitie en Veiligheid en de demissionaire Staatssecretaris voor Digitalisering |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Digitale werkomgeving OM inderdaad gehackt, onderzoek moet uitwijzen welke informatie is gestolen»?1
Ja.
Wat werd aangetroffen in de eerste scans van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) waaruit bleek dat onbevoegden de systemen van het Openbaar Ministerie (OM) zijn binnengedrongen?
Op 17 juli jl. berichtte ik u dat het OM uit voorzorg de interne systemen had losgekoppeld van het internet. Het NCSC heeft met gerichte scans gezocht naar kwetsbare of mogelijk gecompromitteerde systemen. Een analyse van de OM-omgevingen heeft reden gegeven om aan te nemen dat er gebruik is gemaakt van deze mogelijke kwetsbaarheid. Het NCSC heeft daarop het OM geïnformeerd en geadviseerd om nader onderzoek te verrichten. Inmiddels is een eerste technisch en forensisch onderzoek uitgevoerd.2 Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Verder onderzoek vindt nog plaats.
Bent u op de hoogte van het soort gegevens dat mogelijk is ingezien of buitgemaakt door onbevoegden? Heeft u gericht maatregelen genomen op basis van deze informatie?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is zijn er tot op heden geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Er wordt nog nader onderzoek gedaan. Over het lopende strafrechtelijk onderzoek kan ik u gedurende dat onderzoek geen mededelingen doen.
Zijn er aanwijzingen dat persoonsgegevens van medewerkers, zoals e-mailadressen, inloggegevens, telefoonnummers of privéadressen, zijn buitgemaakt of ingezien door onbevoegden?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt er onderzocht welke gevolgen deze hackaanval kunnen hebben voor de digitale en fysieke veiligheid van OM-medewerkers, met name zij die betrokken zijn bij zware strafzaken ten aanzien van ondermijnende criminaliteit? Zo nee, bent u bereid dit wel te doen?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Verder onderzoek vindt nog plaats.
Zijn er aanwijzingen dat persoonsgegevens van getuigen of slachtoffers zijn buitgemaakt of ingezien door onbevoegden? Wat doet u om hun veiligheid te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Is er een (voorlopige) risicoanalyse gemaakt en worden er op basis daarvan al maatregelen genomen om kwetsbaarheden af te dekken, naast het offline halen van het OM?
Er zijn maatregelen genomen om kwetsbaarheden af te dekken. Inmiddels gaat het OM stapsgewijs weer online. Dit proces moet zorgvuldig worden ingericht, met versterkte monitoring en detectie, omdat misbruik nooit helemaal kan worden uitgesloten.3
Welke overheidsorganisaties maken nog meer gebruik van Citrix-software die dezelfde kwetsbaarheid bevat? Welke maatregelen nemen zij om mogelijke hackaanvallen te onderzoeken en zo nodig hun systemen veilig te stellen, gezien u in de brief van 23 juli j.l. schrijft dat het NCSC heeft geadviseerd dat alle organisaties die deze software gebruiken mogelijk misbruik moeten onderzoeken (Kamerstuk 26 643, nr. 1377)?
Het NCSC heeft alle organisaties die Citrix NetScaler ADC en Citrix NetScaler Getaway gebruiken opgeroepen om onderzoek te doen naar mogelijk gebruik en misbruik van de kwetsbaarheden, ook als de kwetsbaarheden reeds zijn verholpen middels de update. CIO Rijk heeft deze casuïstiek en het handelingsperspectief van het NCSC bij alle departementen middels meerdere CISO-briefings onder de aandacht gebracht, met het dringende advies dit op te volgen.
Het NCSC vervult een coördinerende rol in de informatie-uitwisseling door continu informatie samen te brengen en te delen, zodat organisaties zelf in staat zijn aanvullend onderzoek te verrichten. Binnen de juridische kaders verstrekt het NCSC informatie als duiding, handelingsperspectieven en beveiligingsadviezen via verschillende netwerken en (openbare) kanalen aan zowel publieke als private organisaties.
Ik kan alleen ingaan op de organisaties die onder mijn departement vallen en verwijs daarvoor onder meer naar de Kamerbrieven van 17 juli jl.4 en van 12 augustus jl.5
Hoe wordt actuele en relevante informatie uit het onderzoek van het OM gedeeld met andere organisaties die mogelijk ook zijn getroffen door een hackaanval? Bent u bereid deze informatie ook proactief met commerciële partijen te delen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe worden ketenpartners waar de systemen van het OM mee zijn geïntegreerd betrokken bij deze operatie? Ontvangen zij ook steun voor het onderzoeken van eigen systemen of om belemmeringen in hun werk te voorkomen?
De gehele afsluiting van het OM van het internet had impact op het OM zelf en alle samenwerkingspartners. Door alle betrokkenen is dagelijks hard gewerkt om de ontstane knelpunten en effecten zoveel mogelijk op te lossen, met als doel de impact zoveel mogelijk beperken en de mogelijke risico’s mitigeren. Over de impact op de strafrechtketen heb ik u op 12 augustus jl. geïnformeerd.6
Is het mogelijk om het herstel van de OM-systemen sneller te laten verlopen dan de verwachte wekenlange operatie? Zo ja, bent u bereid capaciteit vrij te maken om dit te versnellen?
Op basis van de onderzoeksresultaten van het technisch en forensisch onderzoek – en het naarmate het offline zijn van het OM langer duurt, steeds zwaarwegender belang van het goed functioneren van de strafrechtketen en de impact daarvan op de maatschappij – heeft het College van procureurs-generaal het besluit genomen dat het verantwoord en wenselijk is om het OM weer in fasen online te laten gaan. Over deze stapsgewijze livegang van het OM heb ik uw Kamer op 4 augustus geïnformeerd.7
Wat zijn de praktische gevolgen van het offline halen van de systemen voor OM-medewerkers en lopende strafzaken? Is de organisatie voldoende uitgerust om taken analoog of met back-up systemen volwaardig op te pakken?
Medewerkers van het OM konden alleen inloggen op kantoorlocaties, waren niet per mail bereikbaar en er was sprake van een beperkte functionaliteit van de systemen.8 In de periode dat het OM geheel offline was kon er geen enkele digitale informatie van en naar het OM worden gestuurd. Dit raakten alle ketenpartners in en rondom de strafrechtketen. Het OM en ketenpartners stelden werkprocessen vast om proces(stukken) per post, fysiek of door andere organisaties dan het OM aan te leveren. Daarnaast had het OM speciale aandacht voor het informeren van slachtoffers en hun gemachtigden. Dit toont de inventiviteit, enorme inzet en bereidheid om samen te werken in de strafrechtketen. Over de verdere impact op de organisaties in en rondom de strafrechtketen heb ik u op X augustus geïnformeerd.9
Worden verdachten, advocaten, rechters en andere betrokkenen in de keten actief geïnformeerd over de gevolgen die zij mogelijk ondervinden?
Het OM heeft Q&A’s geplaatst op de eigen website met daarin de veelgestelde vragen op een rij voor de advocatuur, inclusief een apart overzicht voor slachtofferadvocatuur en daarnaast voor slachtoffers. Ook is informatie over de telefonische bereikbaarheid van het OM opgenomen.10 Deze overzichten worden steeds bijgewerkt. Ook op de website van de Rechtspraak is een overzicht met veelgestelde vragen te vinden over de invloed die de IT-problemen bij het OM kunnen hebben op lopende strafzaken.11 Het CJIB en Slachtofferhulp Nederland (SHN) geven op hun websites aan dat de situatie bij het OM gevolgen heeft voor de eigen werkzaamheden en dat – ook met de gegeven alternatieve oplossingen – als gevolg daarvan slachtoffers in bepaalde gevallen mogelijk minder goed geïnformeerd en/of proactief ondersteund kunnen worden.12
Wanneer is er sprake van genoeg zekerheid om (delen van) het interne systeem weer online te brengen? Hoe voorkomt u dat er uit haast onvoldoende voorzorg wordt genomen, zolang niet precies bekend is wat de ernst van de hack is?
Zoals reeds aan uw Kamer gemeld, zijn er tot op heden er geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Op 4 augustus jl. heb ik u geïnformeerd over het stapsgewijs weer online gaan van de systemen van het OM.13 Dit proces wordt zorgvuldig ingericht met versterkte monitoring en detectie. Ik heb het OM verzocht om bij deze gefaseerde livegang in afstemming met de keten te bezien welke essentiële processen met prioriteit weer gedigitaliseerd doorgang moeten vinden.
Hoe draagt u bij aan het zo snel mogelijk inzicht krijgen van de gevolgen en het veilig online brengen van de het interne OM-netwerk? Stelt u hiervoor extra capaciteit beschikbaar?
Zie antwoord vraag 14.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze operatie? Kunt u hen nauw betrekken zodat er snel gehandeld kan worden als blijkt dat persoonsgegevens ingezien of buitgemaakt zijn?
De Autoriteit Persoonsgegevens is reeds door het OM en JIO ingelicht over de situatie. Waar nodig wordt vanzelfsprekend nauw contact onderhouden met de Autoriteit Persoonsgegevens.
Heeft u contact gehad met Citrix over de kwetsbaarheid in hun software? Kan de leverancier bijdragen aan een oplossing voor het OM?
Ja, met Citrix is regelmatig contact over de kwetsbaarheden en oplossingen hiervoor.
Kunt u, zo nodig vertrouwelijk, de Kamer informeren over de interne toelichting die is gegeven aan het OM en bekend is bij het NRC?
Ik acht het niet opportuun om in te gaan op mediaberichtgeving over interne communicatie binnen het OM. Het is aan het OM om daar al dan niet op te reageren. Voor het overige verwijs ik naar de Kamerbrieven die uw Kamer over dit onderwerp zijn toegestuurd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en spoedig beantwoorden, en indien mogelijk betrekken bij de eerstvolgende update over de situatie?
Waar relevant zijn antwoorden samengevoegd om herhaling te voorkomen.
Het niet coulant omgaan met bezwaren van gedupeerde Groningers |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
Staat u nog steeds achter uw meermaals herhaalde uitspraak dat bewoners die twijfelen over hun rapport bezwaar kunnen maken ook als de bezwaartermijn is verlopen, gezien er de afgelopen tijd veel debat is geweest over fouten in Nationaal Coördinator Groningen (NCG-)dossiers?
Ja, ik blijf achter mijn uitspraak staan dat NCG coulant en ruimhartig omgaat met bezwaartermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben. Ook als op dat moment de bezwaartermijn al is verstreken.1
In juni kwamen er opnieuw signalen van bewoners dat er, in weerwil van uw beloftes, door de NCG niet coulant met bezwaartermijnen werd omgegaan, u herhaalde toen dat u coulance belangrijk vindt, welke stappen heeft u gezet om dit waar te maken?
Ik heb uw signaal besproken met NCG. NCG heeft nogmaals bevestigd dat zij niet te streng, oftewel coulant, omgaat met termijnen. Coulant betekent echter niet dat elk verzoek ook daadwerkelijk leidt tot een bezwaar dat inhoudelijk in behandeling kan worden genomen. Ik zal u schetsen wat ik hiermee bedoel door het proces te schetsen van persoonlijk gesprek naar beoordeling van een bezwaar buiten de termijn tot een alternatief voor bewoners als het bezwaar niet inhoudelijk in behandeling kan worden genomen.
Zoals u van mij weet, vind ik het belangrijk dat NCG altijd het gesprek aangaat met een bewoner, in dit geval de eigenaar, en zijn of haar advocaat of andere experts die hem of haar ondersteunt, wanneer die bijvoorbeeld zorgen heeft over de kwaliteit van zijn rapport. Het maakt mij niet uit of een bewoner zich direct meldt bij NCG of dit doet via een maatschappelijke organisatie of een andere weg. Ook in deze situatie begint het met een persoonlijk gesprek. NCG probeert in deze gesprekken erachter te komen wat eraan schort en hoe tegemoet gekomen kan worden aan de zorgen die een bewoner heeft. Wanneer een bewoner hierna alsnog de keuze maakt om bezwaar te maken buiten de bezwaartermijn, zal NCG uiteindelijk de keuze maken of een bezwaar alsnog in behandeling kan worden genomen.
Hierbij moet ik opmerken dat het zowel voor eigenaren als voor NCG ook noodzakelijk is om grenzen te stellen omwille van (procedurele) duidelijkheid en rechtszekerheid. Niemand is immers gediend bij onduidelijkheid over de status van een besluit. NCG kiest niet willekeurig of bezwaren in behandeling worden genomen, maar doet dit aan de hand van een beoordeling. Dit is ook nodig, bijvoorbeeld als het betreffende huis constructief verbonden is met andere huizen.
Het wettelijk kader waarbinnen de NCG opereert is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze geldt voor alle bestuursorganen. In de Awb is voor alle bestuursorganen voor alle besluiten geregeld dat er een vaste termijn van zes werken (artikel 6:7) geldt en dat het bestuursorgaan een overschrijding van die termijn als verschoonbaar kan aanmerken (artikel 6:11). De coulance van NCG houdt in deze in dat NCG per verzoek, ondanks dat de wettelijke termijn is overschreden, beoordeelt of het bezwaar toch inhoudelijk behandeld moet worden. Op deze wijze is niet het systeem leidend, maar de individuele situatie van de bewoner. NCG zal op haar website in algemene zin aangeven hoe zij omgaat met behandeling van bezwaren buiten de bezwaartermijn.
In haar beoordeling houdt NCG bijvoorbeeld rekening met de duur van de overschrijding van de bezwaartermijn, de reden of oorzaak dat de bewoner te laat in bezwaar is gegaan (dit kunnen privéomstandigheden zijn, maar ook externe omstandigheden), het onderwerp van het bezwaar, maar ook of er sprake is van constructief verbonden gebouwen, welke andere belangen van buren of andere partijen bestaan, etc.
Op basis van de beoordeling van het bezwaar kan het zo zijn dat een bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard en daarom niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen. Wanneer hiertoe behoefte bestaat kan de bewoner om een nadere toelichting vragen aan de NCG. Hiernaast is er ook de mogelijkheid voor de bewoner om – op een later moment – opnieuw naar een besluit te laten kijken door NCG. Bij nieuwe feiten en/of omstandigheden, kunnen bewoners altijd een herzieningsverzoek indienen.
Hoe voert u de met 148 stemmen voor aangenomen motie Beckerman c.s. om daadwerkelijk coulant om te gaan met de wettelijke (bezwaar)termijnen uit?1
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Hoe voert u het al in februari aangenomen amendement Beckerman/Bushoff uit om expliciet mogelijk te maken dat besluiten kunnen worden herzien? Welke stappen zijn gezet en welke gaat u nog zetten?2
De wet omissies4, waarin het amendement is opgenomen, is op 17 juli 2025 in werking getreden.5 Hierdoor is de zinsnede «nadat het besluit onherroepelijk is geworden» geschrapt uit het artikel van de Tijdelijke wet Groningen dat gaat over het inschrijven van besluiten tot al dan niet versterken in de openbare registers. Uit de toelichting bij het amendement blijkt dat de indieners hiermee willen bevestigen dat besluiten, zoals een «op norm»-besluit of een besluit tot niet versterken, herzien kunnen worden. Zoals ik ook in mijn appreciatie van het amendement destijds6 en in de beantwoording van uw vragen d.d. 10 februari 2025 heb aangegeven, voorzag de wet daar al in, omdat eigenaren een herziening van besluiten kunnen aanvragen, bijvoorbeeld doordat er nieuwe feiten of omstandigheden ontstaan, of omdat eigenaren – nadat zij eerst een besluit tot niet versterken hebben aangevraagd bij NCG – toch wel hun huis willen laten versterken door NCG. Ook als het besluit al langer geleden genomen is en ook als zo'n besluit al is ingeschreven in de openbare registers.
Daarnaast kunnen eigenaren altijd in bezwaar gaan tegen een besluit en beroep aantekenen tegen een beslissing op bezwaar. Zij worden in de brief van NCG waarin het besluit is beschreven geïnformeerd over deze mogelijkheden. De termijn van 6 weken om bezwaar aan te tekenen is echter wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht en geldt voor alle besluiten van alle overheidsinstanties. Dit amendement zorgt er in de praktijk niet voor dat deze termijn die in de wet staat, wordt verlengd. De praktische uitvoering door de NCG heb ik in antwoord 2 toegelicht.
Kunt u uitleggen hoe het kan dat bewoners opnieuw brieven krijgen van de NCG (dagtekening 14 juli) dat er niet coulant omgegaan zal worden met hun bezwaar, gezien dit haaks staat op zowel uw beloftes als aangenomen Kamervoorstellen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u van mening dat het voor bewoners die al jarenlang in onzekerheid zitten over hun huis en nu twijfelen over het rapport dat ze van de NCG hebben gekregen cruciaal is dat ze in bezwaar kunnen gaan?
Ja, als eigenaren twijfels hebben over hun rapport, dan moeten deze twijfels en vragen worden geadresseerd. Dit wil ik niet beperken tot het bezwaarproces, zie ook mijn antwoorden op eerdere Kamervragen.7 Daarom is dit tijdens het hele versterkingstraject, en na afloop, mogelijk. Het belangrijkste vind ik om juist met elkaar in gesprek te blijven. Eigenaren kunnen zich in het gehele versterkingstraject ook kosteloos laten bijstaan door een onafhankelijke bouwkundige adviseur die het rapport voor de eigenaar kan beoordelen en hem of haar kan bijstaan in het gesprek met NCG. Ook kunnen NCG en de eigenaar gezamenlijk besluiten om kosteloos een onafhankelijke mediator via de subsidieregeling rechtsbijstand in te schakelen om tot een oplossing te komen.
Bent u voorts van mening dat het een slechte zaak is wanneer dit, ondanks de gedane beloftes en aangenomen voorstellen, door de NCG wordt geblokkeerd?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Bent u van deze brieven op de hoogte, gezien de brieven die de NCG verstuurt worden ondertekend met «Hoogachtend, Namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen»?
Ja, ik weet dat NCG deze brieven heeft gestuurd, maar ben uiteraard niet op de hoogte van de inhoud van elke brief, aangezien die situatieafhankelijk zijn. De ondertekening past echter binnen het mandaat van de NCG.
Wat is er meer nodig dan een aangenomen amendement, een aangenomen motie en uw belofte om te zorgen dat bewoners die twijfelen over hun rapport daadwerkelijk in bezwaar kunnen gaan?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en op vraag 6.
Wat wilt u doen om te zorgen dat bewoners niet opnieuw een hele strijd aan hoeven gaan wanneer ze zorgen hebben over de kwaliteit van hun rapport?
Mede dankzij de Kamer zijn er tal van laagdrempelige manieren mogelijk gemaakt voor bewoners met zorgen om zich te melden. Ik heb het al vaker gezegd, maar bewoners hebben recht op een goed beoordelingsrapport. Als een bewoner zorgen of twijfels heeft, dan kunnen ze die altijd met NCG bespreken. Ook zijn er tal van formelere wegen, wanneer de eigenaar die verkiest. Als er fouten gemaakt zijn, dan moeten die rechtgezet worden. Zie ook mijn antwoord op vraag 6, waarin ik verwijs naar eerdere Kamervragen over dit onderwerp.
Indien u toch van menig blijkt dat coulance slechts geldt voor een deel van de gedupeerden, welke criteria worden dan toegepast om te bepalen welke te late bezwaren wel en niet ontvankelijk zijn?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het artikel ‘Schaduwvloot onder valse vlag’ |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
van Marum , Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money van 20 juli 2025, getiteld «Schaduwvloot onder valse vlag», waarin wordt beschreven dat tientallen tankers van de Russische schaduwvloot onder de vlag van Aruba, Curaçao of Sint-Maarten varen?1
Ja, waarbij moet worden aangetekend dat Curaçao wel een internationaal scheepsregister heeft en dus schepen onder de Koninkrijksvlag geregistreerd in Curaçao niet per definitie onder een valse vlag varen.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze Caribische landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden worden gebruikt om Russische olie via valse vlaggen te transporteren en daarmee internationale sancties te omzeilen?
De aanpak van omzeiling van internationale sancties door Rusland blijft een prioriteit voor het kabinet. Het kabinet acht het zeer onwenselijk dat deze sancties worden omzeild, in het bijzonder wanneer dit gebeurt door het onrechtmatig gebruik van een vlag van een de landen van het Koninkrijk.
Bent u het eens dat dit het imago en de geloofwaardigheid van het Koninkrijk ernstige schade toebrengt? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om dit tegen te gaan?
Het gebruik van niet-bestaande vlaggen, dan wel onrechtmatig gebruik van bestaande vlaggen acht ik zeer onwenselijk. Het is een steeds vaker voorkomend probleem en is daarom helaas niet uniek. Tegelijkertijd, het feit dat Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten internationaal actief zijn in het registreren en adresseren van dit soort frauduleuze praktijken, draagt bij aan de internationale reputatie van het Koninkrijk en hier blijf ik mij voor inzetten.
Bent u het eens dat het ontwijken van sancties via Caribische scheepsregisters onacceptabel is, landen als Rusland en Iran in de kaart speelt en een ondermijning vormt van de internationale sanctieregimes?
Ja. Tegengaan van sanctieomzeiling is absolute prioriteit van het kabinet. Omzeiling ondermijnt de effectiviteit en het draagvlak van de sancties. Daarom heb ik recentelijk, samen met collega’s van 13 andere Europese landen, een verklaring uit doen gaan waarin wordt opgeroepen tot verdere gezamenlijke en gecoördineerde actie om Russische pogingen om internationale sancties te omzeilen, specifiek in relatie tot de Russische schaduwvloot, effectief aan te pakken.2
Is er naar uw oordeel voldoende zicht binnen Nederland en de andere landen van het Koninkrijk op het aantal schepen met een Caribische vlag die momenteel zijn geregistreerd en olie vervoeren voor Rusland of Iran?
Behalve Nederland en Curaçao, hebben andere landen of eilanden in het Koninkrijk geen internationaal vlagregister. In de context van het zeerecht betekent dit dat schepen die varen onder de niet-bestaande vlag van Aruba of Sint Maarten in strijd handelen met internationale afspraken, waaronder het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS). Dit geldt ook voor schepen die met vervalste Curaçaose vlag- en scheepcertificaten varen. Op het moment van schrijven zijn er echter geen tankers formeel geregistreerd in het scheepsregister van Curaçao, want betekent dat alle tankers die momenteel rondvaren onder Curaçaose vlag- en scheepscertificaten frauduleus zijn.
Omdat deze schepen niet onder de maritieme registerverantwoordelijkheid vallen van de landen, is er ook geen (toe)zicht op deze schepen vanuit de landen van het Koninkrijk. In algemene zin geldt dat deze malafide schepen zeer lastig te traceren en aan te pakken zijn, juist vanwege het feit dat zij niet zijn geregistreerd. Het exacte aantal schepen is continu fluctuerend. Momenteel is er sprake van enkele tientallen schepen, waaronder zowel olietankers als andere soorten van schepen die niet geregistreerd zijn.
Welke stappen heeft het kabinet sinds de invoering van de Europese Unie (EU)-sancties genomen om te voorkomen dat schepen die de vlag voeren van één van de landen van het Koninkrijk worden ingezet voor de Russische schaduwvloot, en welke aanvullende maatregelen neemt Nederland samen met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten om te zorgen voor striktere controle op scheepsregistraties en de naleving van internationale sancties?
Schepen die staan geregistreerd in het Nederlandse of Curaçaose internationale vlagregister zijn onderhevig aan vlaggenstaatcontrole, inclusief de naleving van internationale sancties. De Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is hiervoor in Nederland verantwoordelijk, de Maritieme Autoriteit Curaçao (MAC) draagt deze verantwoordelijkheid voor schepen in het internationale register van Curaçao. Dit geldt echter niet voor malafide registraties, ongeacht onder welk land in het Koninkrijk deze frauduleus geregistreerd staan. Voor de malafide registraties wordt in Koninkrijksverband nauw samengewerkt door de maritieme administraties van de vier landen van het Koninkrijk. Dat gebeurt in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de (Caribische) Kustwacht. De Koninkrijksdelegaties die deelnemen aan vergaderingen bij de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) adresseren daar actief de problematiek aangaande de schaduwvloot.
Aanvullend zet Nederland zich actief in EU-verband in op het sanctioneren van individuele schepen, waarmee onder andere havenverboden kunnen worden opgelegd aan individuele schepen die sterke banden hebben met Rusland.
Overwegende dat de regering van Sint-Maarten aangeeft niet de capaciteit te hebben om onderzoek te doen naar schepen buiten haar territoriale wateren en daarmee het risico blijft bestaan dat de Russische schaduwvloot wordt gefaciliteerd, op welke wijze gaat Nederland de andere landen binnen het Koninkrijk ondersteunen, en bent u bereid daarbij ook te kijken naar het opzetten of versterken van eigen scheepsregisters met verbeterd toezicht?
Sint Maarten is een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden en het is dan ook aan Sint Maarten om te bepalen hoe op te treden tegen schepen die onterecht onder zijn vlag varen. Nederland zal Sint Maarten waar mogelijk ondersteuning aanbieden, met eerbiediging van de verdeling van verantwoordelijkheden zoals vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Op dit moment wordt binnen de samenwerking vanuit Nederland en het Koninkrijk er al actief ingezet om alle belanghebbenden op de hoogte te brengen dat Sint Maarten en Aruba geen internationaal vlagregister hebben. Daarnaast blijven Nederland en het Koninkrijk met andere landen binnen en buiten Internationale Maritieme Organisatie (IMO) zoeken naar verdere mogelijkheden om deze praktijken te stoppen.
Beschikt Nederland over juridische mogelijkheden om schepen die onder de vlag van Aruba, Curaçao of Sint-Maarten varen en betrokken zijn bij sanctieontwijking te inspecteren, aan te houden of hun vlagregistratie ongeldig te verklaren?
Zolang schepen onder de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden varen en in het vlagregister van Nederland of Curaçao staan ingeschreven, is het voor de vlaggenstaat juridisch mogelijk deze aan te houden, beperkingen op te leggen of zelfs de vlag te ontnemen. Zoals al aangegeven in de antwoorden op vraag 5 en 7, handelen schepen die onder de in het zeerecht niet-bestaande vlag van Aruba of Sint Maarten varen in strijd met internationale verdragen en afspraken en kunnen deze schepen worden beschouwd als een schip zonder nationaliteit. Dit geldt ook voor schepen die met vervalste Curaçaose vlag- en scheepcertificaten varen. Er zijn juridische mogelijkheden om deze schepen, zodra zij de territoriale zee in varen, aan te houden. Daarnaast is het mogelijk om in Nederlandse havens inspecties uit te voeren. Buiten de territoriale zee zijn de mogelijkheden beperkter, echter kan wel op vrijwillige basis informatie opgevraagd worden en is het mogelijk schepen te begeleiden. De Kustwacht heeft recent met twee door de EU gesanctioneerde schaduwvlootschepen met een valse Arubaanse vlag contact gelegd met de kapiteins. Er is gewezen op de verantwoordelijkheid voor de veilige vaart van het schip, de scheepsdocumenten zijn opgevraagd en ook zijn deze schepen begeleid door een gedeelte van de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van Nederland. Deze acties hebben plaatsgevonden van 17 op 18 augustus en van 27 op 28 augustus. Op dit moment werken de betrokken ministeries uit wat er aanvullend nog ondernomen kan worden, waarbij er zowel naar de juridische en operationele mogelijkheden gekeken wordt. Voorbereidingen worden getroffen om inspecties op ankerplaatsen mogelijk te maken van schepen onder de niet-bestaande scheepsregisters van landen in het Koninkrijk.
Overwegende dat volgens het artikel westerse rederijen oude tankers hebben verkocht aan dubieuze partijen waardoor deze later deel zijn gaan uitmaken van de schaduwvloot, welke mogelijkheden ziet u om de verkoop van verouderde schepen naar derde landen beter te monitoren en te reguleren?
Er geldt nu al een meldplicht binnen de EU ten aanzien van de verkoop van olietankers. Op basis van informatie-uitwisseling binnen de EU kan hier vervolgens verder op gehandeld worden. Het kabinet zet zich tegelijkertijd voortdurend in Europees verband in om de sancties effectiever te maken en maatregelen te versterken, en zal zich daar ook in dit kader voor inzetten.
De brief van de minister van Justitie en Veiligheid “Informatiebeveiliging OM” |
|
Martijn Buijsse (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat het loskoppelen van de interne digitale omgeving van het Openbaar Ministerie (OM) een zware maatregel is?
Het loskoppelen van het OM van het internet is inderdaad een zware maatregel. Het OM heeft mij echter laten weten dat die in dit geval onvermijdelijk werd geacht.
Kunt u uitleggen waarom dit uit voorzorg gedaan is? Welke gebeurtenissen of risico’s gaven daar aanleiding toe?
Op 17 juli jl. berichtte ik u dat het OM uit voorzorg de interne systemen heeft losgekoppeld van het internet vanwege signalen van een mogelijke kwetsbaarheid in de Citrix-systemen.2 Op basis van het technisch en forensisch onderzoek is vastgesteld dat er inderdaad gebruik is gemaakt van de kwetsbaarheden in die systemen. Tot op heden zijn er echter geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Verder forensisch en strafrechtelijk onderzoek vindt nog plaats. Inmiddels heeft het College van procureurs-generaal besloten om het OM stapsgewijs weer aan te laten sluiten op het internet. Hierover heb ik u op 4 augustus jl. geïnformeerd.3
Zijn er mogelijk vertrouwelijke gegevens ingezien of gestolen?
Zoals reeds gemeld in de brief van 4 augustus jl. zijn er tot op heden geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald.
Zijn de back-ups van dossiers geborgd?
Ja.
Bestaat het risico op vertraging of vormfouten in lopende strafzaken door het misbruik van deze kwetsbaarheid bij het OM? Of zijn er andere operationele risico’s?
In algemene zin had de gehele afsluiting van het OM van het internet impact op het OM zelf en alle samenwerkingspartners. Door alle betrokkenen is dagelijks hard gewerkt om de ontstane knelpunten en effecten zoveel mogelijk op te lossen, met als doel de impact zoveel mogelijk beperken en de mogelijke risico’s mitigeren. Het OM en alle ketenpartners hebben intensief samengewerkt. Het doorgaan van zittingen en behandelen van strafzaken hebben prioriteit gekregen en voor spoedeisende processen zijn afspraken gemaakt met ketenpartners.
Tegelijkertijd leidt de situatie tot verstoringen en vertragingen in de operationele werkprocessen met ketenpartners. Om deze operationele uitdagingen zoveel als mogelijk te mitigeren, zijn er verschillende maatregelen geïmplementeerd. Over de meest recente situatie, inclusief de knelpunten en effecten, heb ik uw Kamer op 12 augustus jl. geïnformeerd.4
Zijn er maatregelen genomen om de bestaande, bekende kwetsbaarheden te verminderen?
In de periode vanaf juni 2025 tot aan 23 juli 2025 zijn er meerdere kwetsbaarheden bekend geworden van Citrix-systemen. Het NCSC heeft alle organisaties die Citrix NetScaler ADC en Citrix NetScaler Getaway gebruiken opgeroepen om onderzoek te doen naar mogelijk gebruik van de kwetsbaarheden, ook als de kwetsbaarheden reeds waren verholpen middels de update. Het NCSC heeft hier verschillende beveiligingsadviezen voor uitgebracht.
Het OM heeft naar aanleiding hiervan verscheidene maatregelen genomen, waaronder het loskoppelen van de systemen van het internet, en het bijwerken onder meer van de software waardoor de kwetsbaarheid is ontstaan om het veiligheidslek te dichten. Ook loopt er een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast heeft het OM onderzoek gedaan om gebruik van de systemen te kunnen onderkennen of uit te kunnen sluiten. Er zijn tot op heden geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald.
De livegang van de systemen van het OM dient stapsgewijs plaats te vinden, onder meer omdat deze zorgvuldig moet worden ingericht, met versterkte monitoring en detectie, omdat misbruik nooit helemaal kan worden uitgesloten.
Welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat rechters structureel door voorzorgsmaatregelen worden gehinderd in hun werkzaamheden, in het geval er toch een kwetsbaarheid aan het licht komt?
Met uitzondering van de (super) snelrechtzittingen hebben de zittingen voor het overgrote deel doorgang kunnen vinden. Wel zijn er alternatieve oplossingen bedacht voor werkprocessen om doorgang te kunnen waarborgen. Zo kon de advocatuur (proces)stukken die kort voor de behandeling van de zitting aangeleverd dienen te worden, sturen naar de Rechtspraak, die de processtukken vervolgens heeft verspreid naar de procespartijen. Daarnaast is er voor spoedeisende beslissingen geregeld dat de Rechtspraak – in plaats van het OM – deze naar het CJIB (Centraal Justitieel Incassobureau) stuurt. Het CJIB legt de beslissingen vervolgens op gebruikelijke en juiste wijze ten uitvoer. De focus ligt nu op de livegang van het OM. Het is nog te vroeg om te beoordelen of het nodig is om structurele maatregelen te treffen.
Zijn er redenen waarom de beschikbare, uitgebrachte patch niet kon voorkomen dat deze kwetsbaarheid is gemitigeerd?
Het moment waarop gebruik is gemaakt van de kwetsbaarheid in relatie tot het moment van patchen hangt samen met onderdelen uit het strafrechtelijk onderzoek. Ik wil niet op de uitkomsten daarvan vooruitlopen.
Wanneer heeft het OM de patch geïmplementeerd?
Zie antwoord vraag 8.
Was de implementatietijd van de patch voldoende om de systemen te beschermen tegen de hack?
Zie antwoord vraag 8.
Is er binnen het huidige audit- en screeningbeleid voldoende en tijdige aandacht geweest voor deze kwetsbaarheid? Geldt dit ook voor de leverancier van Citrix Netscaler?
Het NCSC heeft op verschillende momenten beveiligingsadviezen uitgebracht aan alle organisaties over de kwetsbaarheden in de Citrix-systemen, en heeft het OM naar aanleiding daarvan verschillende stappen gezet. Het OM volgt standaard operationele procedures om zo adequaat mogelijk te reageren op waarschuwingen. Er loopt nog nader onderzoek naar de omvang van het eventuele gebruik, de preventieve maatregelen die zijn genomen en de effecten daarvan.
Heeft het OM tijdig en adequaat gereageerd op de waarschuwingen van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC)?
Zie antwoord vraag 11.
Wat zijn de protocollen voor het omgaan met dergelijke waarschuwingen en zijn deze gevolgd?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
De vragen zijn waar relevant in samenhang beantwoord ter voorkoming van herhaling.
De nieuwe voorwaarden van WeTransfer om data van gebruikers te gebruiken voor verkoop en het trainen van AI |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «WeTransfer haalt gebruik bestanden voor AI-training stilletjes uit voorwaarden»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u bekend met de nieuwe gebruiksvoorwaarden van WeTransfer, een dienst waar veel mensen gebruik van maken om grote hoeveelheden data te delen met elkaar?
Ja, hier ben ik mee bekend. Overigens heeft WeTransfer zelf de eerdere berichtgeving hierover weersproken2.
Is bij u bekend wat de gevolgen zijn van de nieuwe gebruiksvoorwaarden voor de consumenten-, privacy- en auteursrechten van gebruikers, die mogelijk worden geschonden als WeTransfer rechten krijgt over de data van gebruikers? Indien dit niet bekend bij u is, kunt u om een zienswijze vragen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en/of de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)?
Voor mogelijke schending van consumenten- en privacyrecht is het niet aan de regering, maar aan de gebruikers om zich tot de toezichthoudende autoriteit te wenden. Voor zover het de naleving betreft van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), nu WeTransfer B.V. haar hoofdzetel heeft in Amsterdam. Met betrekking tot de naleving van het consumentenrecht kan een melding worden gedaan bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Er is geen toezichthouder voor de naleving van het auteursrecht. Als de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van de uitzondering op het auteursrecht (neergelegd in artikel 15o van de Auteurswet) zijn geschonden (zie hierover nader het antwoord het vraag3 en de maker geen toestemming voor het gebruik van zijn werk heeft verleend, dan is sprake van een auteursrechtinbreuk. De maker kan een procedure bij de civiele rechter starten en daarin bijvoorbeeld een verbod en schadevergoeding vorderen.
Is het trainen van AI-modellen op grote hoeveelheden data van gebruikers door techbedrijven, zoals mogelijk het geval is bij WeTransfer en eerder al het geval was bij Meta,2 toegestaan binnen de Nederlandse en Europese wet- en regelgeving? Welke beperkingen kent deze praktijk?
Het trainen van AI-modellen met data van gebruikers is onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Het Europese Comité voor gegevensbescherming (EDPB), waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft op 18 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen.5 Uit dat advies van de EDPB volgt dat een verwerkingsverantwoordelijke een gerechtvaardigd belang (artikel 6, eerste lid onder f AVG) kan hebben bij het gebruik van persoonsgegevens voor de ontwikkeling van een AI-model. Daarbij noemt de EDPB diverse voorwaarden voor het gebruik van deze grondslag bij het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van het ontwikkelen of inzetten van een AI-model. Een van die voorwaarden is dat uit een belangenafweging moet blijken dat het gebruik van persoonsgegevens noodzakelijk is en dat hetzelfde doel niet kan worden bereikt met, bijvoorbeeld, geanonimiseerde gegevens. In deze afweging spelen de redelijke verwachtingen van de betrokkenen een belangrijke rol. Bij het vaststellen daarvan dient onder meer rekening te worden gehouden met de context van de verwerking en de informatie die de verwerkingsverantwoordelijke aan de betrokkene aanbiedt. De verwerkingsverantwoordelijke kan daarbij op de concrete omstandigheden van het geval toegespitste maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van de betrokkengebruikers te mitigeren. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of (en zo ja: welke) stappen moeten worden ondernomen tegen een vorm van verwerking.
In het geval AI-modellen worden getraind met auteursrechtelijk beschermde werken, geldt het volgende regime. De AI-verordening bepaalt dat het trainen van generatieve AI een vorm van tekst- en datamining is. Artikel 15o van de Auteurswet bepaalt dat het maken van een reproductie van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst ten behoeve van tekst- en datamining onder bepaalde voorwaarden niet als inbreuk op het auteursrecht op het werk wordt beschouwd.6 Een reproductie van een werk mag zonder toestemming van de maker van het werk worden gemaakt, mits: (1) degene die de tekst- en datamining verricht rechtmatig toegang heeft tot het werk en (2) het auteursrecht door de maker of zijn rechtverkrijgenden niet uitdrukkelijk op passende wijze is voorbehouden. De reproductie mag slechts bewaard blijven zolang dat nodig is voor tekst- en datamining en moet daarna worden verwijderd.
Tot slot heeft de Europese Commissie op 10 juli 2025 de General-Purpose AI Code of Practice (GPAI-CoP) heeft gepubliceerd7. Deze (vrijwillige) gedragscode bundelt de belangrijkste uitgangspunten voor aanbieders in drie thematische hoofdstukken. Ook transparantie en auteursrecht maken daarvan onderdeel uit.
Bent u van mening dat het beschikbaar stellen van gegevens voor doorverkoop en AI-trainingsdoeleinden ten alle tijden een goed geïnformeerde en individuele keuze voor gebruikers moet zijn?
In zijn algemeenheid merk ik op dat, zoals gezegd onder antwoord 4, de AVG ruimte biedt om – ook zonder toestemming van de betrokkene – op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken. Of deze grondslag in een concrete situatie kan worden ingeroepen, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. De beoordeling daarvan komt (zoals toegelicht bij antwoord8 niet toe aan de regering en is aan de toezichthoudende autoriteit. Zij kan daartoe handhaven, advies verstrekken, samenwerken met andere toezichthoudende autoriteiten en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels.
Artikel 15o van de Auteurswet schrijft, in het voetspoor van de EU-richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, voor dat het auteursrecht door de maker uitdrukkelijk op passende wijze kan worden voorbehouden zoals door middel van machinaal leesbare middelen bij een online ter beschikking gesteld werk (opt-out). Uit overweging 18 van de voornoemde richtlijn blijkt dat de rechthebbenden specifiek de rechten om reproducties te maken en opvragingen te verrichten ten behoeve van tekst- en datamining op passende wijze kunnen voorbehouden. Bij content die online voor het publiek beschikbaar is gesteld, moet het voorbehouden van die rechten enkel als passend worden beschouwd indien hierbij machinaal leesbare middelen worden gebruikt, waaronder metagegevens en de voorwaarden van een website of een dienst. In andere gevallen dan online gebruik kan het passend zijn om rechten voor te behouden met behulp van andere middelen, zoals contractuele overeenkomsten of een eenzijdige verklaring.
Welke mogelijkheden heeft u om, nationaal of Europees, het afstaan van gegevens voor doorverkoop en AI-trainingsdoeleinden altijd een «opt-in» te maken? Zijn daartoe aanpassingen nodig van het consumentenrecht?
Een dergelijke «opt-in» zou veronderstellen dat de onderhavige verwerkingsvorm alleen rechtmatig is wanneer deze op toestemming van de gebruikers berust. Zoals ik in antwoorden 4 en 5 aangaf, kan onder omstandigheden ook de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» worden ingeroepen. Daarvoor weegt mee of de verwerkingsverantwoordelijke voldoende maatregelen heeft genomen om de impact van een gegevensverwerking op de belangen van betrokkenen te beperken. Het bieden van een onvoorwaardelijke «opt-out» kan volgens het eerdergenoemde advies van de EDPB worden beschouwd als een maatregel die de controle van individuen over de verwerking van hun persoonsgegevens versterkt.9 In artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt10 is ook gekozen voor een opt-out in plaats van een opt-in systeem. De AI-verordening haakt daarbij aan en bouwt daarop voort. De voornoemde richtlijn wordt volgend jaar onder het gezag van de Europese Commissie geëvalueerd.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met WeTransfer, een Nederlands bedrijf, om helderheid te krijgen over de gevolgen van de nieuwe voorwaarden en een garantie te krijgen dat data gewoon van de gebruikers blijft?
Dat zou een taak van de onafhankelijke toezichthouder zijn, indien deze dat opportuun vindt. In het stelsel van de AVG is het aan verwerkingsverantwoordelijken om verplichtingen na te leven, aan de betrokkenen om rechten uit te oefenen en is het toezicht bij onafhankelijke instanties belegd. Deze onafhankelijkheid vind ik belangrijk en ik wil dit dan ook niet doorkruisen.
Kunt de vragen afzonderlijk van elkaar en vóór 8 augustus, wanneer de nieuwe gebruiksvoorwaarden ingaan, beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoord.
De uitspraken van minister van Justitie en Veiligheid over de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn uw uitspraken in de uitzending van Goedenavond Nederland op maandag 14 juli jl.,1 over de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten, representatief voor het kabinetsstandpunt?
Hoewel gechargeerd, is het zo dat de Europese cloudmarkt niet goed functioneert. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Wat bedoelde u precies met de uitspraak: «We hebben geen Europese cloudbedrijven»? In welke zin zit Nederland in een «hele ongemakkelijke positie tegenover de grote techbedrijven»?
Vier grote niet-Europese bedrijven domineren op dit moment wereldwijd de markt voor openbare cloudinfrastructuur2: Amazon, Microsoft, Google Cloud Platform en het Chinese Alibaba (vooral actief op de Chinese markt). De Nederlandse markt lijkt in grote lijnen op de Europese markt, met dominante posities voor met name de Amerikaanse aanbieders Amazon en Microsoft. Daarnaast zijn er nog een aantal andere Europese partijen actief, die relatief jong en klein zijn op de markt voor clouddiensten. De ACM verwacht dat de consolidatie in de markt voor clouddiensten verder doorzet als gevolg van onder meer schaalvoordelen en netwerkeffecten.3 Het is voor kleinere spelers moeilijk om effectief met grote geïntegreerde aanbieders te concurreren. Nederlandse bedrijven en consumenten zijn als afnemers van clouddiensten grotendeels afhankelijk van grote technologiebedrijven uit de VS. De toenemende consolidatie in combinatie met overstapdrempels (er is sprake van vendor lock-in) en gebrekkige dataportabiliteit en cloudinteroperabiliteit vergroten deze afhankelijkheid.
Noopt de hele ongemakkelijke positie van Nederland tegenover de grote techbedrijven niet tot het nemen van maatregelen om op zo kort mogelijke termijn de afhankelijkheid af te bouwen?
Het onderwerp «Strategische Autonomie» heeft uitgebreid aandacht van de Rijksoverheid. Onder andere middels de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de in het vierde kwartaal verwachte Visie digitale autonomie en soevereiniteit overheid.
Het afbouwen van afhankelijkheden nemen wij momenteel mee in de herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, maar ook in de overheidsbrede visie voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid, en in de IT-sourcingstrategie Rijk. Ook zet het kabinet zich in voor een verkenning naar een soevereine overheidscloud als alternatief voor public clouddiensten voor de (rijks)overheid, conform de motie Kathmann.4
Deze voorziening moet de kloof overbruggen voor digitale dienstverlening waarvoor het gebruik van public cloud onwenselijk is, bijvoorbeeld vanwege de gevoeligheid van gegevens of wanneer ongewenste afhankelijkheden vermeden moeten worden.
Afhankelijkheden zijn echter niet te voorkomen en zijn ook niet altijd ongewenst. Het is van belang om op case-by-case basis zorgvuldig afwegingen te maken, om te bepalen waar en op welke wijze risicovolle strategische afhankelijkheden waar nodig voorkomen kunnen worden. Dit speelt op meer gebieden dan alleen cloud.
Kunt u bondig het kabinetsstandpunt over digitale autonomie toelichten? Op welke manier is het Ministerie van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor het vergroten van de digitale autonomie?
De Verenigde Staten is en blijft een belangrijke bondgenoot, niet op de laatste plaats voor onze welvaart en veiligheid. Nederland zet zich er daarom voor in dat we als EU blijven samenwerken en optrekken met de VS, maar tegelijkertijd zelf verantwoordelijkheid nemen en ook eensgezind met de EU optrekken waar het onze kernbelangen betreft. Het kabinet is het wel met u eens dat een te grote afhankelijkheid van één of enkele marktpartijen ongewenst is. In de afweging welke data we in eigen beheer dan wel in de public cloud verwerken, moeten strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Voor een overzicht van de verdere Nederlandse inzet op Europees niveau omtrent cloudsoevereiniteit verwijzen wij u graag door naar het recent gepubliceerde non-paper «Versterken van cloudsoevereiniteit van overheden».5
JenV is, net als andere departementen, medeverantwoordelijk voor de digitale autonomie en specifiek voor de digitale autonomie binnen het eigen verantwoordelijkheidsdomein.
Wat is het kabinetsstandpunt over een Europese digitale taks voor Amerikaanse techbedrijven? Hoort dit wat u betreft tot de mogelijkheden voor een Europese reactie op de aangekondigde Amerikaanse importheffingen? Acht u dit in het belang van Nederland?
Op 21 augustus jl. hebben de EU en de VS een gemeenschappelijke verklaring met handelsafspraken gepubliceerd.6 In navolging daarvan heeft de EU de inwerkingtreding van de op 24 juli jl. vastgestelde rebalancerende maatregelen jegens de VS tot februari 2026 opgeschort.7 Voorlopig is van een Europese tegenmaatregel naar aanleiding van de verhoogde Amerikaanse importheffingen dus geen sprake. Tegelijkertijd valt het niet uit te sluiten dat de Europese rebalancerende maatregelen jegens de VS in de toekomst alsnog in werking treden of dat toekomstige ontwikkelingen aanleiding geven tot voorstellen voor nieuwe vormen van rebalancerende maatregelen. Het kabinet zal voorstellen daartoe te zijner tijd op hun eigen merites beoordelen.
Kunt u toezeggen dat ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid zich zal inspannen voor het vergroten van de digitale autonomie van Nederland, onder andere door zelf meer Europese alternatieve digitale diensten af te nemen, in lijn met alle aangenomen Kamermoties?2
Het Ministerie van JenV zet, onder coördinatie van het Ministerie van BZK in op het herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, de overheidsbrede visie voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid en de IT-sourcingstrategie Rijk. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Er heeft departementale afstemming plaatsgevonden en zowel het Ministerie van Justitie en Veiligheid als het Ministerie van Binnenlandse zaken is akkoord met de beantwoording van deze vragen.
Bent u bekend met het artikel «In de strijd tegen deepfakes krijgen Denen copyright op eigen gezicht en stem»?
Ja.
Deelt u de opvatting van de stichting Stop Online Shaming dat de politie, justitie en de Autoriteit Persoonsgegevens «blijkbaar niet de capaciteit en prioriteit [hebben] om partijen en personen die dit uploaden en verspreiden aan te pakken»?
Het kabinet erkent de grote impact die bepaalde deepfakes en online misbruik hebben op slachtoffers. Effectieve handhaving en bescherming van slachtoffers zijn van groot belang. De beleidsreactie op het rapport «Online seksueel geweld» van 21 maart 20252 zal ik u in het najaar doen toekomen, hierin wordt onder meer gereflecteerd op de capaciteit en prioriteit van onder andere de politie, het OM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor de problematiek rondom online misbruik.
Het is daarnaast belangrijk om te benoemen dat het in de praktijk helaas soms lastig is om effectief op te treden tegen deepfake porno, omdat aanbieders van deepfake-websites vaak niet transparant zijn over hun identiteit of hun vertegenwoordiging binnen de EU. Dit bemoeilijkt het vaststellen van de juiste verantwoordelijke partij en daarmee de handhaving. Ook blijkt dat wanneer de identiteit van deze partijen wel te achterhalen is, zij niet in Nederland, of zelfs niet in de EU, gevestigd zijn, wat handhaving bemoeilijkt.
Wat vindt u ervan dat de stichting Stop Online Shaming geregeld zaken aanvoert bij grote techbedrijven, maar dat deze bedrijven weigeren mee te werken?
Grote techbedrijven hebben de verantwoordelijkheid om zich te houden aan geldende wet- en regelgeving en daarmee illegale inhoud tegen te gaan. Op grond van de Digitale Services Act (DSA) rust op zeer grote online platforms en zeer grote online zoekmachines de verantwoordelijkheid om illegale inhoud op hun diensten tegen te gaan en systeemrisico’s te mitigeren, onder meer door het voor gebruikers van de platforms mogelijk te maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden.
Zeer grote online platforms en zoekmachines zijn daarnaast verplicht jaarlijks een risicobeoordeling uit te voeren om systeemrisico’s, zoals schadelijke deepfakes, te identificeren. Indien relevante risico’s aanwezig zijn, dan moeten zij passende maatregelen nemen om deze te beperken, zoals aanpassingen in diensten, de interface, algemene voorwaarden, moderatieprocedures en/of algoritmes. Indien een platform systematisch nalaat om adequaat op meldingen te reageren, kunnen nationale toezichthouders of de Europese Commissie daarop handhaven, bijvoorbeeld door boetes op te leggen. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Dat organisaties burgers vertegenwoordigen of ondersteunen, kan in het algemeen bijdragen aan de effectieve handhaving van gebruikersrechten onder de Digitaledienstenverordening (hierna: de DSA) en aan een betere rechtsbescherming in de digitale omgeving.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat grote techbedrijven hun verantwoordelijkheid gaan nemen om mensen te beschermen tegen online grensoverschrijdend gedrag, zoals het verspreiden van pornografische deepfakes?
Het kabinet is zich bewust van de enorme impact die online grensoverschrijdend gedrag, zoals het verspreiden van pornografische deepfakes, kan hebben op slachtoffers. Zoals gemeld in mijn antwoord op vraag 3 beoogt de DSA de verspreiding van illegale inhoud en systeemrisico’s aan te pakken. Dat betreft vaak ook deepfake-pornobeelden, omdat die veelal illegaal zijn en dus onder toepassingsbereik van de DSA vallen.3 Onder meer de verantwoordelijke onafhankelijke toezichthouders kunnen optreden tegen bedrijven die bijdragen aan de creatie of verspreiding van dergelijk materiaal.
Daarnaast vindt er vanuit mijn departement en onder andere het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regelmatig overleg plaats met techbedrijven. Om de brede dialoog over online content te ondersteunen, is in 2023 – onder neutraal voorzitterschap van ECP4 – een overlegplatform opgericht waarin publieke en private partijen uitdagingen en ontwikkelingen op het gebied online contentmoderatie uitwisselen. Daarnaast ondersteunt het Ministerie van Justitie en Veiligheid het meldpunt Helpwanted van stichting Offlimits, om het voor burgers eenvoudiger te maken om hulp te zoeken en melding te doen van illegale content met als doel om dit snel verwijderd te krijgen. Offlimits onderhoudt contacten met platformen en heeft op 15 juli jl. de status van betrouwbare flagger toegewezen gekregen door de ACM. Hiermee is haar rol in het signaleren en melden van illegale inhoud geformaliseerd onder de DSA.
Welke juridische grondslag is er in Nederland om ongewenste deepfakes aan te pakken? In hoeverre is de bestaande auteursrechtwetgeving hiervoor geschikt?
Het Nederlandse recht biedt een breed scala aan instrumenten om ongewenste deepfakes aan te pakken, zowel civiel-, straf- als bestuursrechtelijk.5 Bij verwerking van persoonsgegevens in deepfakes, zoals gezichtskenmerken of stem, is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Zo verbiedt de AVG het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag. In de praktijk is daardoor een deepfake die zonder toestemming is gemaakt, zeker als daarin gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) content is te zien, strijdig met de AVG. De betrokkene kan een klacht indienen bij de AP wanneer het gaat om (deepfake)content waarbij onrechtmatig persoonsgegevens zijn verwerkt.
Het toepassen van deepfake-technologie kan onder omstandigheden een onrechtmatige daad vormen. Dit zal standaard het geval zijn bij publicatie van pornografische deepfakes die zonder toestemming zijn vervaardigd, maar kan bijvoorbeeld ook het geval zijn bij de imitatie van stemmen. Ook uit de regeling van het portretrecht in de Auteurswet volgt dat publicatie van een portret dat niet in opdracht is gemaakt (zoals bij deepfakes veelal het geval zal zijn) niet geoorloofd is als een redelijk belang van de geportretteerde zich tegen de openbaarmaking verzet (artikel 21 Auteurswet).
De DSA verplicht online platforms om het melden van illegale inhoud, zoals ongeoorloofde deepfakes, mogelijk te maken.6 Als zij vervolgens geen actie ondernemen op zulke meldingen dan kunnen zij er, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, zelf aansprakelijk voor worden gesteld. Als een platform structureel tekortschiet in de afhandeling van dit soort meldingen, kunnen daarnaast toezichthouders daar tegen optreden, bijvoorbeeld middels het opleggen van een boete. De DSA geeft gebruikers bovendien het recht om een klacht te kunnen indienen bij platformen, en in sommige gevallen kunnen gebruikers naar een onafhankelijke geschilbeslechtingscommissie om besluiten van platformen aan te vechten. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 4, zijn zeer grote online platformen en zeer grote online zoekmachines op grond van de DSA verder verplicht om de systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit de verspreiding van kunstmatig gegenereerde of gemanipuleerde content, zoals deepfakes, te identificeren en te beperken. De transparantieverplichtingen uit de AI-verordening7 vereenvoudigen de opsporing van dergelijke, kunstmatig gegenereerde, content en het AI-systeem daarachter.
Het strafrecht, met onder meer artikel 254ba Sr (Wet seksuele misdrijven, in werking getreden per 1 juli 2024), stelt het zonder instemming maken of verspreiden van seksueel beeldmateriaal strafbaar, ongeacht of dit door een persoon of AI is vervaardigd. Ook andere strafrechtelijke bepalingen, zoals doxing (art. 285d Sr) en smaad/laster (art. 261 Sr), kunnen van toepassing zijn.
Gaat u naar Deens voorbeeld het auteursrecht uitbreiden door mensen copyright te geven op hun uiterlijk en stem, en grote techbedrijven aansprakelijk stellen voor het weghalen van ongewenste deepfakes?
Het Nederlandse recht biedt voldoende mogelijkheden voor juridische (civiele) vervolgstappen, strafrechtelijke vervolging en bestuursrechtelijke handhaving. Eerder werd door mijn ambtsvoorganger en de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming naar aanleiding van de uitkomst van onderzoeken van het WODC geconstateerd dat het wettelijk kader voldoende mogelijkheden biedt om het onwenselijke gebruik van deepfaketechnologie te adresseren.8 Zoals hiervoor genoemd kunnen online platforms onder voorwaarden al aansprakelijk worden gesteld als zij geen medewerking verlenen aan het verwijderen van illegale content.
Recentelijk werd voor wat betreft pornografische deepfakes in het eerder genoemde rapport «Online seksueel geweld» geconcludeerd dat het bestrijden van online seksueel misbruik niet wordt belemmerd door een gebrek aan regelgeving.9 Hier komt bij dat het auteursrecht in de kern bedoeld is om de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst in staat te stellen het werk te (laten) exploiteren. Introductie van een auteursrecht op iets dat op zichzelf beschouwd geen creatieve prestatie is (een stem of beeltenis) en dat tot doel heeft openbaarmaking te voorkomen, staat daar haaks op. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ziet dan ook geen aanleiding om over te gaan tot aanpassing van wetgeving.
(cofinancierings)aanvraag AI-fabriek en aangeven interesse AI-gigafabriek |
|
Wytske de Pater-Postma (CDA), Jesse Six Dijkstra (NSC), Harm Holman (NSC) |
|
van Marum , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de mogelijkheid om voor aanstaande vrijdag 17 uur interesse aan te geven bij de Europese Unie voor een AI-gigafabriek?1
Ja.
Bent u voornemens om uw interesse voor een AI-gigafabriek tijdig kenbaar te maken aan de EU?
Het demissionair kabinet ziet het belang om in de Europese Unie (EU) publiek en privaat te investeren in AI-infrastructuur, waarbij de AI-Gigafabrieken een belangrijk initiatief is. Het Ministerie van Economische Zaken heeft daarom samen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de RVO een Nederlandse interessepeiling en bijeenkomst georganiseerd. Hieruit blijkt Nederlandse interesse. De Nederlandse bedrijven met een hoofdkantoor in de EU en andere organisaties kunnen zelfstandig reageren op de Europese Call for Expression of Interest die 20 juni sluit. Het gaat hier om een eerste uitvraag naar mogelijke interesse in Europa. Via een brief aan de Europese Commissie zal het Ministerie van Economische Zaken vervolgens op korte termijn het belang van AI-Gigafabrieken en de Nederlandse interesse ondersteunen. In deze brief zal worden verwezen naar de meest concrete initiatieven die bekend zijn bij het ministerie. Het demissionaire kabinet reageert daarmee niet zelf op de formele Call for Expression of Interest, maar ondersteunt wel de Nederlandse interesse. De Europese Commissie zal de reacties gebruiken voor verdere gesprekken in de komende maanden om te komen tot kansrijke initiatieven. De officiële call voor AI-Gigafabrieken wordt eind dit jaar verwacht. Ik blijf in gesprek met de Europese Commissie en de EuroHPC Joint Undertaking over de verdere uitwerking van dit initiatief en de Nederlandse belangen daarin.
Ervan uitgaande dat het gaat om een cofinancieringstraject met de EU, zijn daar middelen voor beschikbaar, (ook) vanuit Nij Begun (mits een dergelijke fabriek in Groningen zou kunnen komen)?
Voor een AI-Gigafabriek zijn momenteel geen financiële middelen gereserveerd in de begroting. Voor de AI-faciliteit in Groningen (geen AI-Gigafabriek) wordt op dit moment nog gewerkt aan het verkrijgen van een Rijksbijdrage, aanvullend op de regionale bijdrage vanuit Nij Begun, zodat uiterlijk 30 juni een voorstel kan worden ingediend voor Europese cofinanciering.
Wat is de stand van zaken van de (cofinancierings-)aanvraag voor een «gewone» AI-fabriek voor Groningen, met (een bijdrage uit) de middelen voor Nij Begun? Klopt het dat deze aanvraag uiterlijk eind juni gedaan moet zijn, vergezeld van een reservering van de benodigde nationale middelen? Bent u voornemens deze aanvraag te doen, of heeft u deze aanvraag gedaan?
Het klopt dat uiterlijk 30 juni een voorstel ingediend moet worden om aanspraak te maken op Europese cofinanciering. Een voorwaarde voor indiening is dat de benodigde nationale middelen zijn gereserveerd. Er wordt onderzocht of er door herprioritering ruimte beschikbaar gemaakt kan worden binnen de begrotingen van betrokken departementen om een voorstel in te dienen.
Kunt u deze vragen uiterlijk donderdag 19 juni 2025 beantwoorden (gezien de deadline van aanstaande vrijdag 17.00 uur)?
Ja.