Het bericht 'Lale Gül overweegt toekomst in de politiek om beveiligd te blijven: 'Enige hoop'' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de informatie waaruit blijkt dat mevrouw Gül destijds is benaderd om in het stelsel te worden opgenomen en dat, ondanks het uitblijven van veranderingen in aard dan wel frequentie van de dreigingen, deze beveiliging plotseling is stopgezet?1
Over de maatregelen ten aanzien van een te beveiligen persoon zal ik nooit in het openbaar uitspraken kunnen doen. Dit kan namelijk de veiligheid van de te beveiligen persoon zelf, medewerkers van de bij de beveiliging betrokken uitvoerende diensten of van andere te beveiligen personen in gevaar brengen.
In zijn algemeenheid is het zo dat wanneer een persoon wordt opgenomen in het stelsel, er een breed palet aan maatregelen kan worden ingezet om weerstand te bieden tegen de dreiging. Dit kan variëren van zogenaamde lichte tot zware maatregelen. Deze afweging wordt gemaakt op basis van het dreigingsbeeld en een zorgvuldige en uniforme afweging, waarbij de overheid tot een samenhangend pakket aan beveiligingsmaatregelen komt. De inschatting van de dreiging is leidend voor het vaststellen van de benodigde beveiligingsmaatregelen.
Indien de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van mening is dat beveiliging niet langer hoeft plaats te vinden op het niveau dat men eerder noodzakelijk achtte, op welke wijze worden betrokkenen hierop voorbereid?
De te beveiligen persoon wordt zoveel als mogelijk geïnformeerd over de aard van de dreiging en de getroffen maatregelen. Te beveiligen personen worden periodiek geïnformeerd over het verloop van de dreiging en de getroffen maatregelen door vertegenwoordigers van de uitvoerende organisatie en vertegenwoordigers van het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid). Ook een wijziging in de benodigde maatregelen is aanleiding om met de te beveiligen persoon in gesprek te gaan. In dit gesprek streven de betrokken organisaties ernaar om de persoon zo goed als mogelijk voor te bereiden op de verandering door uit te leggen welke maatregelen niet meer nodig zijn en waarom. En om toe te lichten welke eventuele maatregelen nog wel in stand gehouden worden. Daarnaast is er aandacht voor het welzijn en de psychosociale weerstand van de te beveiligen personen aangezien beveiligingsmaatregelen maar ook de afbouw daarvan veel impact kunnen hebben op de persoon en diens omgeving. Er worden verschillende tools aangereikt zoals weerbaarheidsgesprekken, een buddytraject of digitale modules. De inzet van deze tools varieert per te beveiligen persoon en hangt af van de behoefte van de te beveiligen persoon en de aard en duur van de maatregelen.
Wat is volgens u het verschil tussen dreigingsniveau 2 en dreigingsniveau 3?
Op basis van informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee bepaalt het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid) of en wat ze aanvullend onderneemt tegen een dreiging. In deze producten komen deze diensten en organisaties tot een inschatting – gebaseerd op feiten en/of omstandigheden – met betrekking tot een dreiging en de ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging. In deze producten wordt gewerkt met speciaal ontwikkelde tabellen met een dubbele kwalificering om het dreigingsniveau vast te stellen. Aan de hand van deze tabellen wordt namelijk een inschatting gemaakt van de mate van «ernst» en «waarschijnlijkheid» van de dreiging. De tabellen geven inzicht in de afwegingen en uitkomst van de inschatting van de ernst van de gebeurtenis en de waarschijnlijkheid van het manifesteren van deze gebeurtenis. De tabellen zijn als bijlage bij de Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2023 gevoegd.2 Op basis hiervan wordt gefundeerd overwogen ten aanzien van welke personen, objecten en diensten bewaking en beveiliging nodig is.
Vanaf welk moment vormt het openbaarmaken van diverse persoonlijke gegevens voor de NCTV dan wel de politie aanleiding om bepaalde (veiligheids)maatregelen te treffen?
De keuze welke veiligheidsmaatregelen er worden getroffen is gebaseerd op verschillende informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee. De inschatting van de dreiging is gebaseerd op feiten of omstandigheden met betrekking tot een dreiging en de ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging. De beelden en producten van deze diensten en organisaties richten zich op het hele spectrum aan gebeurtenissen in zowel de fysieke wereld als de online-wereld. Ook de te beveiligen persoon (TBP) zelf kan bij de politie meldingen en/of aangiftes doen van online uitingen. De politie handelt op basis van de producten van de diensten of meldingen c.q. aangiftes van de te beveiligen persoon.
Deelt u de mening dat online bedreigingen kunnen overgaan in daadwerkelijk fysiek geweld?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een personeelstekort nimmer een reden mag zijn om noodzakelijke beveiligingsmaatregelen niet (langer) in te zetten?
Ja, capaciteit en schaarste spelen geen rol bij de afweging of er maatregelen van overheidswege dienen te worden ingezet.
Bent u bereid om samen met relevante veiligheidsactoren, zoals de NCTV en de politie, opnieuw met mevrouw Gül in gesprek te gaan teneinde te komen tot een oplossing waar alle betrokkenen mee uit de voeten kunnen? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
De Minister van Justitie en Veiligheid, en namens deze de NCTV, streeft ernaar om gedurende het gehele proces in goed contact te blijven met een te beveiligen persoon. Over specifieke stappen in deze individuele casus doe ik vanzelfsprekend geen uitspraken.
De nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een toelichting.
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen? Graag een toelichting.
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet – daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.
Het onbestrafte wegpiratengedrag op de A73 |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Idiote actie op A73: auto’s blokkeren snelweg voor race, politie kan niets doen»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de politie en het Openbaar Ministerie (OM) aangeven «weinig uit te kunnen richten» tegen deze extreem gevaarlijke wegpiraterij, ondanks dat kentekens, voertuigen én het gevaarzettend rijgedrag glashelder zichtbaar zijn op de beelden? Deelt u de mening dat dit bijdraagt aan een gevoel van straffeloosheid?
De politie kan tegen dergelijk rijgedrag in ieder geval optreden als agenten de overtreding of het misdrijf zelf hebben waargenomen. Het komt echter vaak voor dat bestuurders na een melding aan de politie, snel weer vertrokken zijn waardoor een constatering op heterdaad niet meer mogelijk is. Indien er voldoende aanknopingspunten zijn, kan er echter ook op basis van beelden op bijvoorbeeld social media wel degelijk een onderzoek gestart worden. Er zijn verschillende voorbeelden van zaken waarbij op basis van beelden op sociale media of van een dashcam uiteindelijk een onderzoek is gestart en die tot een veroordeling hebben geleid. De beelden alleen zijn echter vaak niet voldoende om tot een boeteoplegging of veroordeling te komen. Dit komt omdat ook bekend moet zijn wie de daadwerkelijke bestuurder was en omdat op beelden vaak relevante context ontbreekt. Het is veelal ook ingewikkeld om de authenticiteit van de beelden vast te stellen. Er moet bijvoorbeeld vastgesteld worden of de beelden niet gemaakt zijn met artificiële intelligentie en of de data en tijden kloppen.
Ook in deze specifieke zaak heeft de politie onderzoek gedaan, wat uiteindelijk heeft geleid tot het opleggen van boetes voor rechts inhalen en rijden op de vluchtstrook. Omdat de daadwerkelijke bestuurders niet achterhaald konden worden, was het in deze zaak enkel mogelijk om Mulderboetes op te leggen. Een Mulderboete kan namelijk aan de kentekenhouder worden opgelegd. Het kenteken is vaak op beelden wel te zien, maar niet de daadwerkelijke bestuurder.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat dergelijke ernstige verkeersdelicten onbestraft kunnen blijven, enkel omdat politieagenten het gedrag niet «met eigen ogen» hebben gezien? Welke mogelijkheden ziet u om moderne videobeelden (zoals dashcams) wél als zelfstandig bewijs te kunnen gebruiken?
Dit gedrag is inderdaad onacceptabel en gevaarlijk. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, is het niet onmogelijk om, zonder dat een agent de overtreding met eigen ogen heeft gezien, tot een onderzoek over te gaan. De beelden kunnen in de regel niet als zelfstandig bewijs gebruikt worden omdat echtheid en betrouwbaarheid van de beelden gecontroleerd moet worden. Er is dan aanvullend bewijs nodig. Om over te kunnen gaan tot strafrechtelijke vervolging moet daarnaast worden vastgesteld wie de daadwerkelijke bestuurder was en ook meer informatie bekend zijn over hoe de overtreding tot stand is gekomen. Het is van belang dat degene die de beelden aanbiedt in de aangifte ook verklaart hoe dat beeldmateriaal tot stand is gekomen en wat zijn/haar eigen rol was in die situatie.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de politie dat men «niet in actie kan komen op basis van een filmpje op Dumpert», terwijl het hier gaat om potentieel levensgevaarlijk gedrag dat het verkeer op een snelweg volledig lamlegt? Bent u bereid het OM en de politie meer ruimte te geven om juist wél op dergelijke beelden op te treden?
Zoals ook in de antwoorden op vraag 2 en 3 is aangegeven zijn er voor de politie wel mogelijkheden om in actie te komen. Hiervoor zijn geen extra bevoegdheden nodig. Het gaat om het verzamelen en veredelen van informatie. Er moet steeds per zaak worden afgewogen of er een onderzoek gestart wordt. Dit is altijd afhankelijk van de vraag of er voldoende aanknopingspunten voor verder onderzoek zijn, de ernst van het feit, de prioritering en de beschikbare capaciteit.
Deelt u de opvatting dat dit soort incidenten, waarbij weggebruikers moedwillig anderen in levensgevaar brengen, eerder aangemerkt zouden moeten worden als zwaardere misdrijven in plaats van slechts een verkeersovertreding?
Het organiseren en/of deelnemen aan een straatrace is al een misdrijf, ook zonder dat er een ongeval veroorzaakt wordt of er concreet gevaar ontstaat (artikel 10 Wegenverkeerswet 1994). Ook de overige gedragingen die in het artikel genoemd worden, zoals het blokkeren van een snelweg, het over de vluchtstrook rijden, en het met meer dan 40 km/u te hard rijden op een snelweg worden niet gezien als lichte verkeersovertredingen. Deze overtredingen vallen allemaal onder het strafrecht. Indien de combinatie van overtredingen geclassificeerd wordt als zeer gevaarlijk rijgedrag (artikel 5a Wegenverkeerswet 1994) is er sprake van een misdrijf. Voor overtreding van zowel artikel 10 als artikel 5a Wegenverkeerswet kan gevangenisstraf van maximaal 2 jaar, een geldboete van de vierde categorie en/of een ontzegging van de rijbevoegdheid van maximaal 5 jaar worden opgelegd. De straffen lopen op als er een ongeval wordt veroorzaakt en nog verder als er daarbij ook letsel wordt veroorzaakt (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994). In deze casus zijn er overtredingen geconstateerd die onder de wet Mulder vallen en daarmee enkel als verkeerovertredingen zijn gedefinieerd. Deze overtredingen kunnen op kenteken worden geconstateerd en afgedaan. Dat is in deze casus ook gebeurd.
Wat gaat u op korte termijn doen om dit soort levensgevaarlijke wegblokkades en races op snelwegen streng te vervolgen en wanneer kan de Kamer voorstellen verwachten die deze evidente handhavingsgaten dichten?
Het Openbaar Ministerie bepaalt per zaak of er overgegaan wordt tot vervolging. Zoals toegelicht in bovenstaande antwoorden, is er geen sprake van evidente handhavingsgaten die gedicht moeten worden.
Groene boa’s |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat er diverse groene buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) geen verlenging krijgen voor het gebruik van het dienstpistool omdat dienst Justis stelt dat er een aparte aanwijzing nodig zou zijn door de provincie?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onverantwoordelijk is om een groene boa op pad te sturen zonder dienstwapen, ook gezien het oordeel van de rechter dat het aannemelijk is dat op het moment dat je belast bent met handhaving van onder andere wildstroperij het aannemelijk is dat je met vuurwapens geconfronteerd kunt worden?1
Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa, zoals vastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning van geweldsmiddelen, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak. Boa’s uit Domein II, waaronder de groene boa’s, kunnen ook de beschikking krijgen over een vuurwapen. Om aanspraak te maken op een vuurwapen dient te worden vastgesteld dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt te verkeren dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de handhaving van gewapende stroperij op basis van de Omgevingswet. In dat geval dient de boa door gedeputeerde staten van de betreffende provincie, als bestuursorgaan belast met de handhaving van stroperij, te zijn aangewezen. De provincies zijn dus aan zet om de boa’s aan te wijzen. Ik heb, vanwege het belang dat uw Kamer en ik hieraan hechten, zoals ook blijkt uit de motie van de leden Michon-Derkzen en Boswijk2, de provincies hier expliciet op gewezen en zij zijn hier actief mee aan de slag gegaan. Zo zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies van het Interprovinciaal Overleg (IPO) geïnformeerd. Het IPO heeft mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is.
Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behoren en kan de boa niet op basis van deze feiten aanspraak maken op een vuurwapen. De boa is in dat geval niet bevoegd en dient zich terug te trekken uit de situatie en de politie in te schakelen.
Kunt u uitleg geven waarom groene boa's niet meer bevoegd zijn voor de handhaving van natuurwetgeving, conform de Omgevingswet, nu de uitvoeringsinstantie van het ministerie, de dienst Justis, stelt dat een aparte aanwijzing noodzakelijk is?
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de boa’s die voor het handhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om de boa’s aan te wijzen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, heb ik de provincies hier expliciet op gewezen en zijn zij hier actief mee aan de slag gegaan.
Waarom laat u deze bevoegdheid bij de provincies, zoals geschetst in de Kamerbrief, en neemt hij niet zelf, mogelijk in samenspraak met de Minister van Natuur en Stikstof, een aanwijzing Rijksbesluit conform artikel 18.6 Omgevingswet, waardoor alle groene Boa's bevoegd zijn?
Op basis van de Omgevingswet kan enkel gedeputeerde staten deze aanwijzing geven. De provincies zijn de regisseurs van het groene domein. Zij bepalen vanuit die verantwoordelijkheid hoe en door wie er handhavend dient te worden. Indien zij het noodzakelijk achten dat er handhavend wordt opgetreden tegen gewapende stroperij kunnen zij een boa een aanwijzing geven. Zoals hierboven ook aangegeven heb ik de provincies hier expliciet op gewezen, zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies van het IPO geïnformeerd en heeft het IPO mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is.
Hoelang duurt het voor dat u maatregelen gaat nemen voor dit urgente probleem, nu er diverse beroepszaken lopen waarbij groene boa's geen dienstpistool krijgen toegekend en anderen onbevoegd zouden zijn?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 2, werk ik momenteel aan het aanpassen van de Beleidsregels boa om ervoor te zorgen dat de criteria voor de toekenning van geweldsmiddelen worden verduidelijkt en er minder discussie ontstaat. De nieuwe criteria zien op de in de akte vastgelegde rol en taak op basis van de bevoegdheden van de boa in plaats van op vastgelegde incidenten en eventuele situaties waarbij bewapening wenselijk was (de zogenaamde kan-bepaling). Niet het aantal processen-verbaal, maar de rol en taak van de boa zullen leidend zijn in de afweging voor toekenning van geweldsmiddelen. Ik ben voornemens de aangepaste beleidsregels begin 2026 te publiceren en in te laten gaan.
De aanhouding van de moeder van Jalal Oba |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de moeder van Jalal Oba, een oudere vrouw, door de politie is aangehouden onder omstandigheden die volgens haar familie onnodig hard en disproportioneel waren?1
Ja.
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba door de politie is aangehouden? Zo ja, kunt u bevestigen wanneer, waar, en onder welke omstandigheden deze aanhouding heeft plaatsgevonden?
Klopt het dat deze aanhouding heeft plaatsgevonden zonder duidelijke aanleiding en dat er sprake lijkt te zijn geweest van een buitenproportionele inzet van politiecapaciteit? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Wat was de concrete aanleiding tot de aanhouding? Kunt u aangeven of er sprake was van een verdenking? Zo ja, op grond van welk wetsartikel?
Kunt u uitsluiten dat bij deze aanhouding sprake was van etnisch profileren, bewuste targeting of een vooringenomen houding tegenover mensen met een migratieachtergrond?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. Ik heb vertrouwen in de manier waarop politiemedewerkers hun taken uitvoeren. Zij doen hun werk op zorgvuldige en professionele wijze zonder daarbij onderscheid te maken tussen iemands afkomst, geloof of levensovertuiging. De Grondwet geldt hierbij als uitgangspunt en vormt het fundament voor de beroepsidentiteit van alle medewerkers. Ik zie geen reden om hieraan te twijfelen.
Klopt het dat de aanhouding op indringende wijze heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt u toelichten waarom dat noodzakelijk werd geacht?
Op basis van welke informatie of verdenking meende de politie te moeten overgaan tot arrestatie van een oudere vrouw? Kunt u de exacte juridische grondslag van het optreden toelichten?
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba bij de aanhouding in een situatie terechtkwam die mogelijk een gevaar opleverde voor haar gezondheid en veiligheid? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren en hoe wordt dit onderzocht?
Is de politie bij deze aanhouding afgeweken van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals voorgeschreven in de Ambtsinstructie? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. De politie is bevoegd om geweld te gebruiken als dat nodig is om haar doel te bereiken. Geweld is het ultimum remedium en wordt, indien mogelijk, pas aangewend als de-escalatie en waarschuwen niet afdoende zijn voor het bereiken van het beoogde doel. Daarbij is de politie gehouden aan de geweldsinstructie, vastgelegd in de Politiewet en de Ambtsinstructie, waarin ook de verplichting is opgenomen om iedere geweldsaanwending ter toetsing te melden. Bij elk optreden is het uitgangspunt dat de politie probeert een situatie zonder gebruik van geweld tot een goed einde te brengen (de-escalatie). De politie past alleen geweld toe in situaties waarin zij daartoe genoodzaakt is, als laatste redmiddel. Er gelden strenge regels voor het gebruik van geweld. Zo mag de politie bij het aanwenden van geweld niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken.
De wet- en regelgeving voorziet in verschillende procedures voor een onafhankelijk en onpartijdige beoordeling van een concrete geweldsaanwending door de politie. In de afgelopen maanden zijn deze procedures meermaals onder de parlementaire aandacht gebracht, met name in een aantal sets Kamervragen. Voor een uitgebreider overzicht van de in Nederland geldende procedures na politiegeweld, de specifieke kenmerken ervan en de kwaliteitswaarborgen die daarvoor gelden, verwijs ik u naar de beantwoording van betreffende Kamervragen.2
Is de moeder van Jalal Oba na de aanhouding gehoord en/of heengezonden zonder verdere maatregelen? Kunt u toelichten wat de uitkomst van de procedure was?
Zijn er klachten ingediend over de wijze van optreden van de politie in deze zaak? Zo ja, hoe worden deze momenteel onderzocht?
Bent u bereid een onafhankelijk extern onderzoek te laten verrichten naar de rechtmatigheid én de proportionaliteit van het politieoptreden in deze zaak? Zo nee, waarom weigert u onafhankelijk toezicht?
Wat doet u om te voorkomen dat mensen, en zeker ouderen, opnieuw slachtoffer worden van mogelijk onrechtmatig politiegeweld of discriminerend politieoptreden?
De regels waaraan de politie zich op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving moet houden, in het bijzonder met betrekking tot de geweldsbevoegdheid, bieden reeds diverse waarborgen om onrechtmatig of onwenselijk handelen door de politie zoveel mogelijk te voorkomen.
Zo geldt op grond van de geweldsinstructie dat de politie gehouden is om bij iedere aanwending van geweld de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid in acht te nemen alsmede de inzetcriteria die de Ambtsinstructie verbindt aan de geweldmiddelen waarmee de politie is uitgerust. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de rechtsregels, maar ook de omstandigheden van het geval. In de afweging of het toe te passen geweld zal voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit houdt een politieambtenaar met alle feiten en omstandigheden rekening. Daaronder hoort ook de mate van kwetsbaarheid van een persoon. Daarmee wordt zoveel mogelijk rekening gehouden, passend binnen de eis dat geweld redelijk en gematigd is.
Tot slot geldt in het algemeen dat er in de politieorganisatie en bij politieambtenaren continu aandacht is voor het leren van het gebruik van geweld. Dit hoort bij het verantwoord omgaan met de bij wet toegekende geweldsbevoegdheid. De uitwerking hiervan is onder meer vastgelegd in de Stelselherziening Geweldsaanwending Opsporingsambtenaar.
De toename van incidenten op de buslijnen van en naar Ter Apel en de beslissing om een gratis pendeldienst in te zetten tussen het azc in Ter Apel en station Emmen. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er een pendelbus speciaal voor asielzoekers rijdt tussen het asielzoekerscentrum (azc) in Ter Apel en station Emmen, georganiseerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeenten Westerwolde en Emmen en gefinancierd door het Ministerie van Asiel en Migratie?
Er rijdt een pendelbus sinds 2019 rechtstreeks tussen het azc Ter Apel en station Emmen om overlast te voorkomen op de reguliere buslijnen. De pendelbus wordt niet enkel gebruikt door asielzoekers. In de bus moet betaald worden voor een rit. Het Ministerie van Asiel en Migratie is financier van de pendelbus. De gemeente Westerwolde voert de aanbesteding van de pendelbus uit voor de periode 2023–2026.
Bent u ervan op de hoogte dat er een stijging is te zien in zowel het aantal incidenten als de ernst ervan op buslijn 73 (Emmen–Ter Apel) en 74 (Emmen–Stadskanaal)?
Het is bekend dat het aantal incidenten op buslijnen 73 en 74 is gestegen. Voor de ernst van de incidenten kan op dit moment geen stijging worden bevestigd. Overlastgevend gedrag is hoe dan ook onacceptabel. Daarom worden verschillende maatregelen genomen en voorbereid om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen.
Kunt u bevestigen dat zowel buschauffeurs als reizigers zich onveilig voelen op genoemde trajecten, zoals eerder ook door FNV Streekvervoer in een brandbrief is gemeld?
De signalen van het gevoel van onveiligheid op de reguliere buslijnen tussen Emmen en Ter Apel onder buschauffeurs en reizigers zijn bekend. Deze signalen worden zeer serieus genomen.
Kunt u een overzicht geven van alle incidenten op deze buslijnen in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar: aard van de incidenten, ernst van de incidenten, herkomst van de daders en de afhandeling – inclusief vervolging en opgelegde sancties?
Een volledig overzicht van alle incidenten op deze buslijn uitgesplitst naar aard en ernst van de incidenten, herkomst van daders en afhandeling, is niet beschikbaar. Wel volgt uit de incidentregistratie van Qbuzz dat in de periode van 1 januari 2025 tot en met 12 oktober 2025 181 incidenten hebben plaatsgevonden op lijnnummer 73 (Emmen–Ter Apel–Stadskanaal). De aard van deze incidenten is bekend bij de vervoerder Qbuzz en betreft onder meer optreden bij betalingsproblemen en verbale agressie.
Acht u het wenselijk dat de Rijksoverheid faciliteert dat asielzoekers – van wie een deel aantoonbaar voor ernstige veiligheidsproblemen zorgt – vrijelijk worden vervoerd van het azc in Ter Apel naar Emmen?
Nee, het is niet de bedoeling dat gratis vervoer beschikbaar wordt voor asielzoekers die overlast veroorzaken. Overlastgevend gedrag dient niet beloond te worden. Het is wenselijk dat het vervoer tussen het azc in Ter Apel en station Emmen ordelijk en veilig verloopt. Daarom is in 2019 de pendelbus gestart om te borgen dat er minder overlast is van asielzoekers op de reguliere buslijnen. In de pendelbus dient iedereen een kaartje te kopen net als in de reguliere buslijn.
Vindt u het niet een fundamenteel problematische ontwikkeling dat de overheid een aparte gratis buslijn opzet, omdat een deel van de asielzoekers zich niet aan basale betalings- en gedragsnormen houdt, waardoor feitelijk niet de overtreders zich aanpassen aan de norm maar de norm aan de overtreders?
Nee. Er is geen aparte gratis buslijn opgezet. Sinds de start van de financiering van de pendelbus vanuit het Ministerie van Asiel en Migratie geldt dat voor gebruik van de pendelbus wordt betaald en dat blijft zo. De norm is dus niet aangepast: reizigers zijn betalingsplichtig en moeten zich houden aan de algemeen geldende OV-regels.
Bent u het eens met de stelling dat het onwenselijk is dat asielzoekers die nog geen verblijfsvergunning hebben, zich nog in hun procedure bevinden en volgens vervoerders en vakbonden voor veiligheidsproblemen zorgen, door de overheid gefaciliteerd vrij kunnen reizen naar Emmen, waar dit tot veiligheidsrisico’s leidt?
Zie antwoord vraag 5.
Indien u dit wel wenselijk acht, kunt u uitvoerig toelichten waarom u het noodzakelijk vindt om dit vervoer te faciliteren, ondanks de veiligheidsproblemen die dit ten gevolge heeft voor Emmen?
Het is wenselijk om dit vervoer te faciliteren om de druk op de reguliere buslijnen te beperken en direct vervoer van station Emmen naar Ter Apel mogelijk te maken. Het faciliteren van de pendelbus maakt daarnaast gericht toezicht en handhaving mogelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de inzet van de pendelbus op zichzelf extra veiligheidsproblemen veroorzaakt.
Bent u ermee bekend dat – ondanks de inzet van de pendelbus – de incidenten op de reguliere buslijnen blijven toenemen en dat deze maatregel geen structurele verbetering oplevert voor de veiligheid?
De situatie op de reguliere buslijnen is bekend. Dit staat los van de inzet van de pendelbus.
Bent u voornemens om aanvullende maatregelen te nemen om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen?
Er worden verschillende maatregelen genomen en voorbereid om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen. Asielzoekers met een kansarme aanvraag worden over meerdere locaties verspreid. Voor de doelgroep die voor overlast zorgt worden meer vreemdelingrechtelijke maatregelen mogelijk. Hierover lopen gesprekken, onder andere over de inzet van AVIM. Met de gemeente Emmen wordt verkend hoe boa’s uit de flexpool boa kunnen worden ingezet.
Indien het antwoord op vraag 9 bevestigend luidt, welke maatregelen zult u dan nemen?
Zie antwoord vraag 10.
Indien het antwoord op vraag 9 ontkennend luidt, waarom kiest u ervoor om geen aanvullende maatregelen te nemen?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat er een veiligheidsrisico ontstaat, omdat asielzoekers zonder verblijfsvergunning, die zich nog in hun procedure bevinden en van wie de overheid onvoldoende weet wie zij zijn, vrij in Nederland kunnen rondreizen, waardoor het ontbreken van betrouwbare identiteitskennis direct bijdraagt aan de veiligheidsrisico’s?
Nee. Het ontbreken van een verblijfsvergunning tijdens de asielprocedure betekent niet dat de overheid onvoldoende weet wie betrokkene is. Bij de aanmelding worden door de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) persoonsgegevens vastgelegd, vingerafdrukken afgenomen, documenten onderzocht en een foto gemaakt. Preventieve detentie van asielzoekers is juridisch en maatschappelijk onwenselijk en strijdig met mensenrechtenkaders. Asielzoekers kunnen daarom binnen Nederland vrije reisbewegingen maken. Dit is geen vrijbrief: waar sprake is van overlast of risico’s kunnen gerichte en proportionele maatregelen worden getroffen.
De beëindiging van persoonlijke beveiliging door de NCTV |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat de beveiliging van schrijfster Lale Gül wordt stopgezet, terwijl zij nog steeds te maken heeft met (online) bedreigingen?1
Ja.
Kunt u aangeven of de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) standaardcriteria hanteert bij de beslissing om persoonsbeveiliging te beëindigen?
Op basis van informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee bepaalt het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid) of en wat ze aanvullend onderneemt tegen een dreiging. In deze producten komen deze diensten en organisaties tot een inschatting – gebaseerd op feiten en/of omstandigheden – met betrekking tot een dreiging en de ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging. In deze producten wordt gewerkt met speciaal ontwikkelde tabellen met een dubbele kwalificering voor het vaststellen van het dreigingsniveau. Aan de hand van deze tabellen wordt een inschatting gemaakt van de mate van «ernst» en «waarschijnlijkheid» van de dreiging. Capaciteit speelt hierbij geen rol. De tabellen geven inzicht in de afwegingen en uitkomst van de inschatting van de ernst van de gebeurtenis en de waarschijnlijkheid van het manifesteren van deze gebeurtenis. De tabellen zijn als bijlage bij de Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2023 gevoegd.2 Op basis hiervan wordt gefundeerd overwogen welke beveiligingsmaatregelen nodig zijn.
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, welke criteria zijn dat precies?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Houdt de NCTV rekening met het feit dat online bedreigingen kunnen omslaan in fysieke acties? Zo ja, op welke manier?
De keuze welke veiligheidsmaatregelen worden getroffen is gebaseerd op verschillende informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee. De beelden en producten van deze diensten en organisaties richten zich op het hele spectrum aan gebeurtenissen in zowel de fysieke wereld als de online-wereld. Ook de te beveiligen persoon (TBP) zelf kan bij de politie meldingen en/of aangiftes doen van online uitingen. De politie handelt op basis van de producten van de diensten of meldingen c.q. aangiftes van de te beveiligen persoon.
In hoeverre worden eerdere incidenten, zoals de recente arrestaties van personen die bedreigingen hebben geuit of concrete plannen zouden hebben gehad om de bedreigde iets aan te doen, standaard meegewogen in de beoordeling om persoonsbeveiliging voort te zetten of te beëindigen?
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik geen uitspraken doen over welke feiten of omstandigheden precies worden meegenomen in de informatieproducten die ten grondslag liggen aan de afweging welke maatregelen nodig zijn. Wel kan ik aangeven dat de informatieproducten worden gebaseerd op feiten of omstandigheden met betrekking tot een dreiging en ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging.
Welke mogelijkheden hebben personen om bezwaar te maken tegen een besluit tot beëindiging van hun beveiliging? Wie beoordeelt dit bezwaar? Binnen welke termijn wordt zo’n bezwaar behandeld? Heeft een eventueel bezwaar opschortende werking tot er een beslissing op het bezwaar genomen is?
Het treffen van beveiligingsmaatregelen is altijd maatwerk; per geval wordt afgewogen welke maatregelen proportioneel zijn en is het streven om goed in verbinding te blijven met de te beveiligen persoon. Hoe hier invulling aan wordt gegeven wordt nader toegelicht in mijn brief die ik u op 11 juli 2025 heb verzonden.3 Zonder goed contact met de te beveiligen persoon is het vrijwel onmogelijk om beveiligingsmaatregelen te treffen omdat de effectiviteit en uitvoerbaarheid van beveiliging hiervan afhankelijk is. De NCTV is namens de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor het waken over de veiligheid van aangewezen personen. De NCTV kan aanvullende beveiligingsmaatregelen nemen, wanneer personen, als ook de bedrijven of instellingen waar zij werkzaam zijn, niet op eigen kracht in voldoende mate weerstand kunnen bieden tegen dreiging. Bij het nemen van aanvullende beveiligingsmaatregelen is sprake van risicobeheersing, geen risico-uitsluiting. Voor elk aangewezen persoon wordt periodiek afgewogen of, en zo ja welke, beveiligingsmaatregelen moeten worden genomen om het aanwezige risico tot een acceptabel niveau terug te dringen. De NCTV staat gedurende dit proces in nauw contact met de te beveiligen persoon, omdat de beveiligingsmaatregelen op de persoonlijke omstandigheden van de te beveiligen persoon worden afgestemd.
Door middel van dit proces worden beveiligingsmaatregelen vastgesteld dan wel periodiek herijkt. Dit kan betekenen dat beveiligingsmaatregelen worden opgeschaald dan wel afgeschaald. Welke aanvullende beveiligingsmaatregelen worden genomen, zijn geen onderwerp van onderhandeling met de bedreigde persoon. Het al dan niet treffen van (bepaalde) veiligheidsmaatregelen – zoals persoonsgebonden maatregelen – betreft een feitelijk handelen, waarmee geen recht, verplichting, bevoegdheid of status voor de betrokken persoon wordt gecreëerd of tenietgedaan. Zodoende is geen sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht dat openstaat voor bezwaar en beroep.
Hoe waarborgt de Staat dat mensen die vanwege hun werkzaamheden of publieke uitingen een verhoogd risico lopen, voldoende beschermd blijven, ook wanneer hun persoonsbeveiliging (deels) wordt beëindigd? Wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen verschillende typen publieke functies zoals bijvoorbeeld journalisten, opiniemakers, politici, activisten, et cetera?
Er is een brede toolbox aanwezig om invulling te geven aan de overheidstaak van het waken over de veiligheid van personen. Persoonsgerichte maatregelen vormen één van de instrumenten die hiervoor ingezet kunnen worden. Ook na het afschalen of beëindigen van maatregelen wordt de dreiging gemonitord en kunnen er stappen gezet worden wanneer er signalen zijn dat de dreiging toeneemt of verandert. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen publieke functies die binnen het stelsel vallen.
Welke alternatieve beschermingsmaatregelen worden in dat geval aangeboden wanneer persoonsbeveiliging wordt beëindigd, zoals: a. versterkte digitale beveiliging; b. veilige of anonieme huisvesting; c. ondersteuning bij veiligheidsplannen in de privé en werkomgeving of d. psychologische ondersteuning vanwege veiligheidsdreiging?
Het stelsel Bewaken en Beveiligen is een onderdeel van het samenspel aan instrumenten om dreigingen adequaat het hoofd te bieden. Persoonsgerichte maatregelen zijn het zwaarste instrument en wanneer dit afgeschaald wordt vanwege een verandering in dreiging is er nog een breed pallet aan maatregelen beschikbaar die kunnen worden ingezet. Daarnaast is er aandacht voor het welzijn en de psychosociale weerstand van de te beveiligen personen aangezien beveiligingsmaatregelen maar ook de afbouw daarvan veel impact kunnen hebben op de persoon en diens omgeving. Er worden verschillende tools aangereikt zoals weerbaarheidsgesprekken, een buddytraject of digitale modules. De inzet van deze tools varieert per TBP en hangt af van de behoefte van de TBP en de aard en duur van de maatregelen.
In hoeverre zijn deze maatregelen structureel beschikbaar en op welke wijze wordt de betrokkene hierover geïnformeerd?
Welke maatregelen wanneer voor wie ingezet worden is maatwerk. De te beveiligen persoon wordt zoveel als mogelijk geïnformeerd over de aard van de dreiging en de getroffen maatregelen. Te beveiligen personen worden periodiek geïnformeerd over het verloop van de dreiging en de getroffen maatregelen door een vertegenwoordiger van de uitvoerende organisatie en het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid). Ook een wijziging in de benodigde maatregelen is aanleiding om met de te beveiligen persoon in gesprek te gaan.
Is er op dit moment voldoende capaciteit en structurele financiering voor persoonsbeveiliging en dreigingsbeoordeling bij de NCTV en betrokken diensten? Zo nee, welke tekorten ziet u en wat is er volgens u nodig om dit op peil te brengen? Speelt capaciteit een rol bij de beslissing om persoonsbeveiliging in individuele gevallen te beëindigen?
Het taakveld Bewaken en Beveiligen wordt sinds 2021 in verschillende tranches structureel versterkt. Na het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid uit 2023 heeft dit mede geleid tot de transitie naar het stelsel Beveiligen van Personen met een stevig financieel fundament in de vorm van een generaal dossier. Er is veel geïnvesteerd in persoonsgerichte beveiligingsmaatregelen om te voldoen aan de grotere noodzaak voor het treffen van zware beveiligingsmaatregelen. De politie en Defensie hebben bij bepaalde uitbreidingen wel last van de krappe arbeidsmarkt en de specifieke eisen die worden gesteld aan personeel, wat kan zorgen dat de gewenste uitbreiding langer in beslag neemt dan beoogd. De beschikbare capaciteit speelt echter geen rol bij besluitvorming inzake het vaststellen of beëindigen van persoonsgerichte maatregelen in individuele gevallen.
In hoeveel gevallen is in de afgelopen vijf jaar persoonsbeveiliging stopgezet terwijl er volgens de betrokkene(n) nog sprake was van aanhoudende dreiging? In hoeveel van deze gevallen is op een later moment toch opnieuw persoonsbeveiliging ingesteld? En hoe vaak bleek achteraf dat de dreiging inderdaad niet was afgenomen?
Over absolute aantallen en specifieke casuïstiek doe ik vanuit veiligheidsoverwegingen nooit uitspraken.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Gelet op de inhoudelijke overlap tussen vraag twee tot en met vier, heb ik deze gezamenlijk beantwoord.
Het bericht 'Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: ’Het is imagobuilding’' |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: «Het is imagobuilding»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de banner waarop de politie in uniforme dienstkleding wordt aangekondigd als «PARTNERSHIP ANNOUNCEMENT», geplaatst in een ontwerp dat duidelijk is vormgegeven in de kleuren en iconografie van de watermeloen, internationaal gebruikt als pro-Gaza-symbool?
Ik heb kennisgenomen van de online gedeelde uitingen waarin de politie in verband wordt gebracht met het Halal Village Festival en zodanig als partner wordt aangekondigd, waaronder uitingen met de door u geduide symboliek. De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en tevens onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo is de uiting met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Klopt het dat de politie een grote, officieel ingerichte wervingsstand had op het Halal Village Festival, inclusief politiebanner met agenten, geplaatst te midden van uitgesproken activistische symboliek zoals watermeloenen (veelal gebruikt als signaal van anti-Israëlisch protest), en direct naast de omstreden organisatie Islamic Relief?
De plaatsing van de politiestand naast de stand van Islamic Relief is dit jaar toeval geweest. Hiervan was de politie niet op de hoogte gesteld en ook had zij hier zelf geen hand in.
In uitingen op sociale media is de neutraliteit van de politie door de organisatie van het Halal village festival in diskrediet gebracht door een politiefoto te omlijsten met de kleuren van de Palestijnse vlag en watermeloenen. Voor het gebruik van politie-uitingen zoals het gebruik van het logo of het beeldmerk van de politie gelden regels. Voor de aankondiging met de betreffende foto was door de politie geen toestemming gegeven en deze werd op verzoek van de politie direct verwijderd.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement en weegt hierbij de neutraliteit van de politie zwaar mee. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Is deze vormgeving vooraf afgestemd, goedgekeurd of besproken met de politieleiding? Zo ja, welke overwegingen zijn gemaakt om dit beeldmateriaal te accorderen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat deze afbeelding waarin de politie wordt gepresenteerd als activist voor de anti-Israëlbeweging de de neutraliteit en geloofwaardigheid van de politie schaadt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Aangezien de politie stelt dat de afbeelding waarmee het evenement de politie als «partner» aankondigde, zonder toestemming van de politie is bewerkt; kunt u toelichten op welk moment dit de politie bekend werd, en welke acties zijn ondernomen richting de organisatoren van het Halal Village Festival?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat Islamic Relief Nederland een prominente partner was van het Halal Village Festival, en dat deze organisatie in Duitsland is aangemerkt als verlengstuk van de Moslimbroederschap, en in de Verenigde Arabische Emiraten zelfs op de terreurlijst staat?
Islamic Relief Nederland staat vermeld als partner op de pagina van het Halal Village Festival. Dit is echter niet dezelfde organisatie als Islamic Relief Worldwide.
De Islamic relief die op de beurs stond heeft in Nederland een ANBI status, wat betekent dat zij erkend wordt door de Belastingdienst en dus transparant en controleerbaar is. Voor wat betreft Islamic Relief Worldwide en Islamic Relief Deutschland heeft de Duitse Bondsregering in een officiële beantwoording aan de Bondsdag vermeld dat deze organisaties volgens haar kennis beschikken over «significante persoonlijke relaties» met de Moslimbroederschap of daarmee verbonden organisaties. De Verenigde Arabische Emiraten heeft in 2014 bericht dat Islamic Relief op een door de VAE gepubliceerde terrorisme sanctielijst is geplaatst, hetgeen door de organisatie werd betwist.
Herinnert u zich dat toenmalig Minister Kaag in 2021, na overleg met de veiligheidsdiensten, de subsidierelatie met Islamic Relief heeft beëindigd vanwege zorgen over banden met extremistische netwerken? Acht u het dan gepast dat de politie zich op een evenement presenteert pal naast deze organisatie?
In 2021 is door toenmalige Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief. Daarbij is informatie ingewonnen bij onder meer andere donoren van Islamic Relief Worldwide.
Deelt u de zorg dat de politie met haar aanwezigheid op deze beurs de indruk wekt indirect legitimiteit te verlenen aan Islamic Relief, een organisatie waar het kabinet eerder bewust afstand van nam? Zo nee, waarom niet?
Het aangaan en onderhouden van relaties en samenwerken met burgers, sleutelfiguren en maatschappelijke partners uit alle groepen in de samenleving is essentieel voor goed politiewerk. De werving op deze, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving. Het is belangrijk dat dit gebeurt op een manier die geen afbreuk doet aan de neutrale en seculiere houding van de politie.
Vindt u het wenselijk dat politiemedewerkers, zichtbaar in uniform en met het politielogo, deelnemen aan een beurs waar een organisatie staat die door diverse landen en veiligheidsinstanties in verband is gebracht met de Moslimbroederschap? Past dat volgens u binnen het integriteits- en neutraliteitskader van de politie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe beoordeelt u al het bovenstaande in het licht van de aangenomen motie Michon-Derkzen c.s. waarin de regering wordt verzocht ervoor te zorgen dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit (Kamerstuk 29 628, nr. 1284) in alle facetten wordt nageleefd?
De motie Michon-Derkzen c.s. vraagt de regering erop toe te zien dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit wordt nageleefd. Daaronder valt ook dat de politie alert is op contexten en communicatievormen die de schijn van partijdigheid kunnen wekken. De beroeps- en gedragscode vormt hierbij het uitgangspunt. Deze schrijft voor dat politiemedewerkers bij hun optreden in uniform geen uiting geven aan persoonlijke overtuigingen, religie of levensstijl. De korpsleiding ziet daarbij toe op de neutraliteit en op de juiste interpretatie en uitvoering van de beroeps- en gedragscode.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement. En weegt de neutraliteit van de politie hierbij zwaar mee. Ik zal de korpschef verzoeken te bezien of de interne toetsing- en of afwegingskaders rond publieke (wervings)optredens op evenementen voldoende houvast bieden om dit soort situaties te voorkomen. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Hoe beoordeelt u het werven van politiepersoneel op basis van religie, namelijk op een beurs met religieus oogmerk? Ziet u zelf ook het verschil tussen doelgroepwerving en werving op religieuze gronden?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze beurs, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving.
Wat vindt u ervan dat een journalist die vragen stelde over de neutraliteit van de politie binnen enkele minuten werd geconfronteerd met leden van de organisatie, beveiliging en een verzoek om de zaal te verlaten? Ziet u het risico dat de politie door haar aanwezigheid op zo’n evenement wordt betrokken in situaties waarin kritische journalistiek feitelijk wordt verhinderd?2
Het is aan de organisatie van het betreffende evenement om zorg te dragen voor de veiligheid van haar bezoekers en zo nodig maatregelen te treffen als deze in het geding komt.
Kan u toezeggen dat de politie nooit meer aanwezig zal zijn op deze beurs?
Het is aan de politie om te bepalen op welke beurs zij staan om nieuwe medewerkers te werven. De politie weegt hierin mee of de neutraliteit van de politie kan worden behouden. De politie vindt het belangrijk om verschillende doelgroepen te bereiken voor de werving van nieuw personeel en de verbinding met de samenleving.
De korpschef heeft aangegeven deze casus te evalueren en waar nodig de afwegingskaders aan te scherpen, zodat deelname aan evenementen niet kan leiden tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. Uit dit voorval is in ieder geval gebleken dat politie aan de voorkant betere afspraken moet maken met de organisatie over het gebruik van het politiebeeldmateriaal. Hieruit heeft zij lessen getrokken.
De deelname van de politie aan het Halal Village Festival |
|
Geert Wilders (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Politie tussen watermeloenen en omstreden Islamic Relief op «halal-huishoudbeurs»: «Het is imagobuilding»»?1
Ja.
Was u op de hoogte van deze deelname van de politie?
Ik word in de regel niet vooraf geïnformeerd over lokale wervings- en voorlichtingsactiviteiten van de politie, zoals ook bij de genoemde beurs. Dit betreft een aangelegenheid van de korpschef.
Bent u het eens met de stelling dat dit festival een pro-Palestijnse activistische lading heeft daar waar het festival werd gedecoreerd met Palestijnse vlagen, watermeloenen, hét symbool van de Palestijnse strijd, en de leus «from the river to the sea», waarover de Kamer via een aangenomen motie, de regering heeft verzocht om deze uitdrukking als een oproep tot geweld te beschouwen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb kennisgenomen van de online gedeelde uitingen waarin de politie in verband wordt gebracht met het Halal Village Festival, zodanig als partner wordt aangekondigd, waaronder uitingen met de door u geduide symboliek. De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo is de uiting met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Op het festival werd kleding te koop aangeboden van het merk «Ready to Resist» met als slogan «Join the fight»; gezien in de context van geweld: is dit niet een oproep tot geweld?
Of er sprake is van een oproep tot geweld is afhankelijk van de concrete context en omstandigheden en is aan het Openbaar Ministerie en de rechter om te beoordelen.
Kunt u uitleggen waarom de politie wel tijd heeft om naar deze halal-huishoudbeurs te gaan terwijl tegelijkertijd de politie te weinig capaciteit heeft om de kerntaken uit te voeren? Zijn de kerntaken ondergeschikt aan de halal-huishoudbeurs?
Een wervingsinzet op een evenement is geen vervanging van operationele politietaken. Naast recruitmentmedewerkers maakt de politie gebruik van blauwe ambassadeurs. Dit zijn politiemedewerkers met operationele ervaring die op evenementen, zoals ook bij de Halal Village, enthousiast vertellen over hun werk. De inzet op werving en voorlichting is er juist op gericht om de capaciteit op termijn te vergroten en daarmee de kerntaken te kunnen blijven uitvoeren.
Bent u ervan op de hoogte van het feit dat een voormalig bewindspersoon, na overleg met de veiligheidsdiensten, de rijkssubsidie aan Islamic Relief heeft gestopt?
In 2021 is door de toenmalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief Worldwide, mede op basis van beschikbare informatie van andere donoren aan deze organisatie.
Bent u ervan op de hoogte dat in Duitsland die organisatie is aangeduid als verlengstuk van de Moslimbroederschap?
De Duitse Bondsregering heeft in een officiële beantwoording aan de Bondsdag vermeld dat Islamic Relief Worldwide en Islamic Relief Deutschland volgens haar kennis beschikken over «significante persoonlijke relaties» met de Moslimbroederschap of daarmee verbonden organisaties.
Bent u ervan op de hoogte dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in het onderzoek naar de Moslimbroederschap in Nederland geconstateerd heeft dat de activiteiten van de beweging op de lange termijn een risico zouden kunnen vormen voor de democratische rechtsorde in Nederland?
De AIVD heeft in het jaarverslag2 van 2023 gerapporteerd dat de invloed en omvang van het netwerk van Moslimbroeders in Nederland in 2023 zeer beperkt was en geen extremistische boodschap leek uit te dragen. Daarom vormde het nauwelijks een dreiging voor de democratische rechtsorde.
Bent u het ermee eens dat Islamic Relief een terroristische organisatie is?
De beoordeling of er sprake is van een terroristische organisatie is voorbehouden aan de rechter. Daarnaast kan de Minister van Buitenlandse Zaken bij voldoende aanwijzingen van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Islamic Relief Nederland staat niet als terroristische organisatie op de sanctielijst zoals die door de EU wordt gehanteerd, noch volgt dat uit de Nederlandse verwijzingen naar die internationale sanctielijsten.
Is het bemensen van een politiestand pontificaal naast de organisatie Islamic Relief niet een uiting van acceptatie van deze terroristische organisatie? Zo nee, waarom niet?
De plaatsing van de politiestand naast de stand van Islamic Relief is dit jaar toeval geweest. Hiervan was de politie niet op de hoogte gesteld en ook had zij hier zelf geen hand in.
Is het niet van de zotte dat de politie personeel gaat werven op een festival met een pro-Palestijnse activistische sfeer, waar oproep tot geweld plaatsvindt en dat terwijl het antisemitisme toeneemt? Zo nee, waarom niet?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving.
Waarom is de politie partner in dit festival? Zijn er kosten verbonden aan het partnerschap? En hoeveel heeft de politie bijgedragen in totaal aan dit festival?
De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en tevens onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo zijn de op sociale media gedane uitingen met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Hoe kan de politie een partnerschap aangaan met een festival waar óók de terroristische organisatie Islamic Relief een belangrijke partner is? Of is dit een onderdeel van «imagobuilding»?
Zie antwoord vraag 12.
In hoeverre kan je nog spreken dat de politie neutraal is en dient deelname aan dit soort evenementen niet per direct te stoppen? Zo nee, waarom niet?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze beurs, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving. De korpsleiding ziet toe op de neutraliteit en op de juiste interpretatie en uitvoering van de beroeps- en gedragscode. De politie evalueert haar deelname aan dit evenement en weegt de neutraliteit van de politie daarbij zwaar mee.
Bent u bereid om de politie de opdracht te geven om per direct met deelname aan dergelijke activiteiten te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de politie om te bepalen op welke beurs zij staan om nieuwe medewerkers te werven. De politie weegt hierin mee of de neutraliteit van de politie kan worden behouden. De politie vindt het belangrijk om de verschillende doelgroepen te bereiken voor de werving van nieuw personeel en de verbinding met de samenleving.
De korpschef heeft aangegeven deze casus te evalueren en waar nodig de afwegingskaders aan te scherpen, zodat deelname aan evenementen niet kan leiden tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. Uit dit voorval is in ieder geval gebleken dat de politie aan de voorkant betere afspraken moet maken met de organisatie over het gebruik van het politiebeeldmateriaal. Hieruit heeft zij lessen getrokken.
Het besluit om de no-flyzone rond Schiphol te verkleinen |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van recente incidenten rond Schiphol door (vermeende) drones, bijvoorbeeld meldingen in de buurt van de Polderbaan, waardoor banen tijdelijk werden gesloten?1, 2
Ja.
Hoe weegt u dergelijke incidenten mee bij uw besluit tot versoepeling van de dronezone, mede met het oog op veiligheid van passagiers, bemanning en vitale luchthavenprocessen?3
Op dit moment mag in een straal van ongeveer vijftien kilometer rondom civiele luchthavens (het zogenoemde gecontroleerde luchtruim) niet worden gevlogen zonder toestemming van de luchtverkeersdienstverlening. Toch wordt er in deze gebieden gevlogen met onbemande luchtvaartuigen (drones). De meeste vluchten vinden plaats op lagere hoogte en ver van de luchthaven vandaan, waarbij zij geen risico vormen voor de luchtvaartveiligheid. Het doel van dit voorstel is om gerichtere handhaving in te zetten daar waar daadwerkelijk risico’s zijn voor de luchtvaartveiligheid. Om dit te onderbouwen heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) op verzoek van zowel de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en de (professionele) dronesector een veiligheidsonderzoek4 laten uitvoeren naar het effect van dronevluchten op de (luchtvaart)veiligheid. Hiervoor is ook een vergelijking gemaakt met andere Europese luchthavens. De conclusie van dit onderzoek is dat dronevluchten die5 onder de minimale vlieghoogte van het reguliere luchtverkeer,6 tussen gebouwen of7 op grote afstand van de luchthaven worden uitgevoerd geen direct gevaar opleveren voor de luchtvaartveiligheid.
Daarom heeft IenW vier zones ontworpen waarbij op grotere afstand de luchthaven minder strenge eisen gelden voor dronevluchten. Bij het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de vertrek- en naderingsroutes van bemand luchtverkeer waar drones altijd verboden zijn. Met deze zones worden duidelijke grenswaardes gecreëerd wanneer een situatie als veilig of onveilig wordt aangemerkt en passende interventie nodig is. Dit maakt het voor de handhaving eenvoudiger en effectiever.
Is er vóór het besluit om de no-flyzone rond Schiphol te verkleinen een onafhankelijke veiligheidsanalyse is uitgevoerd? Zo ja, wat was de uitkomst? Zo nee, waarom wordt er versoepeld zonder gedegen veiligheidsbeoordeling, helemaal omdat experts waaronder piloten, politie en Openbaar Ministerie (OM) daar grote zorgen uitspreken met betrekking tot de luchtvaartveiligheid?
Ja, zie ook antwoord 2. De geuite zorgen voor de luchtvaartveiligheid zijn in dit ontwerp opgenomen en bieden een gemotiveerde basis om veilige zones voor drones rondom de luchthaven aan te wijzen.
Hoe garandeert u dat handhaving en toezicht toereikend zijn als de no-flyzone wordt teruggebracht van circa 15 km naar circa 5 km? Is het niet zo dat deze versoepeling leidt tot een wildgroei van dronevluchten (al dan niet legaal), wat de werklast bij politie, OM en luchtverkeersleiding fors vergroot, zoals ook door betrokken diensten wordt gevreesd?
IenW constateert dat er binnen het gecontroleerd luchtruim zones zijn waar de veiligheid niet in het gedrang is. Er zijn veel ongeautoriseerde vluchten die binnen het gecontroleerd luchtruim vliegen die geen risico opleveren voor de luchtvaartveiligheid. Als voorbeeld: een drone die op veertien kilometer afstand op 2 meter hoogte vliegt, vormt geen risico, maar valt nu wel onder de huidige beperkingen. Ook constateert IenW dat het voor de handhaving onwerkbaar is om in een groot gebied een dronepiloot te vervolgen die regels overtreedt.
Wel heeft elke dronepiloot zich te houden aan deze regels. Om dit te stimuleren zet IenW actief in op publieksvoorlichting via social media en verschaft de retail extra informatie over de vliegregels bij de aankoop van een nieuwe drone. Met de introductie van de veilige zones creëert IenW gezamenlijk met de handhavende instanties grenswaardes wanneer de handhaving moet optreden. Deze zones zijn kleiner, logischer en beschermen de luchtvaartveiligheid en vitale luchthavenprocessen. IenW verwacht hiermee ook dat dronepiloten de regels beter gaan naleven en zal het gedrag ook actief gaan monitoren. Tenslotte is dit voorstel schriftelijk getoetst bij de politie. De politie onderschrijft de inschatting dat de zones waarin handhavend moet worden opgetreden op deze wijze kleiner worden en dat de beschikbare capaciteit – ook bij de politie – gerichter kan worden ingezet.
Zijn er met het OM afspraken gemaakt over prioritering en vervolging van overtredingen van droneregels rondom Schiphol, nu handhavingsinstanties een toename in werkdruk vrezen? Zo ja, wat houden deze afspraken in?
Het OM besteedt in toenemende mate aandacht aan mogelijke strafbare feiten in de onbemande luchtvaart. Zeker als het gaat om mogelijke overtredingen van droneregels rondom civiele luchtverkeersleidingsgebieden (bijvoorbeeld Schiphol) en militaire luchtverkeersleidingsgebieden. Tussen verschillende organisaties in de keten vindt continu overleg plaats over de aanpak van mogelijke overtredingen van droneregels waarbij de frequentie in het licht van de meldingen rondom luchthavens is opgevoerd.
Is het uw bedoeling om na invoering van het nieuwe droneregime een evaluatiemoment in te bouwen, waarin onder meer gekeken wordt naar naleving, ongevallen of bijna-ongevallen, handhavingsdruk en effect op luchtvaartveiligheid? Zo ja, kunt u aangeven wanneer dit evaluatiemoment plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
Ja, na de inwerkingtreding van de zonering zal IenW de wijziging actief monitoren. Minimaal een half jaar na de inwerkingtreding zal een onderzoek worden gestart om trends te ontdekken in het vlieggedrag van de dronepiloten. Het onderzoek wordt aangeboden aan de Tweede Kamer.
Bent u bereid te onderzoeken hoe andere Europese landen omgaan met dronebeperkingen rondom grote luchthavens en daarbij in kaart te brengen welke veiligheidsnormen en handhavingsinstructies worden toegepast?
Zie ook antwoord 2. In het veiligheidsonderzoek heeft IenW een benchmark onder de Europese landen gehouden. De zonering in Nederland is conservatief ten opzichte van Europese landen waar drones dichterbij de luchthaven zijn toegestaan zonder in contact te staan met de luchtverkeersdienstverlener. Dit geeft IenW het vertrouwen dat het voorstel de doelstellingen voor de luchtvaartveiligheid en de vitale luchthavenprocessen behartigt.
Het bericht ‘Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei» en het persbericht hierover van de Rechtbank Noord-Holland?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling van de Rechtbank Noord-Holland dat de disbalans tussen opgelegde straffen aan drugskoeriers enerzijds en grote drugscriminelen die zich bezighouden met (de organisatie van) grootschalige drugshandel anderzijds de laatste jaren verder is vergroot door de introductie van procesafspraken?3
Het is aan de rechter om (gevangenis-)straffen op te leggen, ook bij zaken waarin sprake is van procesafspraken. De introductie van procesafspraken kan inderdaad in sommige gevallen bijdragen aan vermindering van de straf voor verdachten, maar dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het OM maakt per individueel geval een afweging die recht moet doen aan de omstandigheden van het geval. Procesafspraken worden door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
Hoe vaak zijn er tot nu toe procesafspraken gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel en in hoeveel van deze grote drugszaken wil het Openbaar Ministerie in 2025 en 2026 nog procesafspraken maken?
Er vindt door het OM geen centrale registratie plaats van het aantal zaken waarin procesafspraken worden gemaakt. In algemene zin geldt dat het OM beoordeelt welke zaken geschikt zijn voor procesafspraken, afhankelijk van factoren zoals de ernst van de misdrijven en de impact op de georganiseerde misdaad.
Hoeveel drugszaken zijn er op dit moment in de voorraad te plannen strafzaken waarop de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn en, als dit niet uit de managementsystemen van de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan in contact treden met de Rechtspraak om dit aantal bij benadering te achterhalen?
Het valt niet te zeggen op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn. Uit contact met de rechtspraak blijkt dat een dergelijke zoekslag niet in de systemen van de rechtspraak of de Rechtbank Noord-Holland kan worden gemaakt. Het kan dus ook niet bij benadering worden gezegd op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van toepassing zijn.
Hoeveel procesafspraken zijn er tot nu toe in totaal tot stand gekomen sinds de inwerkingtreding van de OM-aanwijzing in 2023 en in hoeveel zaken streeft het OM naar het maken van procesafspraken in 2025 en 2026?
Er vindt, zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, geen centrale registratie plaats van het aantal procesafspraken dat het OM maakt. In algemene zin geldt dat het OM niet vooraf streeft naar het maken van procesafspraken in een bepaald aantal zaken. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Daarmee kan een bijdrage aan de belangen van slachtoffers, verdachten en de maatschappij worden geleverd. Een efficiënte en tijdige afronding van een anders mogelijk omvangrijke strafzaak zorgt immers relatief snel voor duidelijkheid voor eenieder en leidt ertoe dat voortvarender andere zaken kunnen worden opgepakt c.q. behandeld.
Hoe beoordeelt u het feit dat er dankzij procesafspraken een nog grotere kloof is ontstaan tussen opgelegde straffen in drugszaken in Nederland en opgelegde straffen in drugszaken in ons omringende landen zoals België, Duitsland en Frankrijk?
De straffen in Nederland zijn het resultaat van een zorgvuldig afgewogen oordeel dat kijkt naar de omstandigheden van de zaak en de rol van de verdachte. Procesafspraken kunnen leiden tot lichtere straffen, maar daar staat tegenover dat de verantwoorde inzet van procesafspraken kan bijdragen aan een efficiënte rechtsgang. Ook in ons omringende landen, zoals Duitsland, bestaan mogelijkheden om procesafspraken te maken. In elk geval blijft het streven van het OM een effectieve en evenwichtige afhandeling van strafzaken, waarbij de ernst van de misdaad en de impact op de samenleving altijd centraal staan.
Begrijpt u dat criminele netwerken hierdoor een sterkere prikkel krijgen om uithalers en andere drugskoeriers juist naar Nederland te sturen, omdat de opgelegde straffen in Nederland in verreweg de meeste gevallen veel lager zijn dan in België, Duitsland en Frankrijk?
In Nederland is de afgelopen jaren de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit fors is uitgebreid en versterkt. Met de brede aanpak, waarover uw Kamer periodiek wordt geïnformeerd, zet het kabinet vol in op Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminele netwerken om zich hier te vestigen of hun criminele activiteiten voort te zetten. Naast het verhogen van wettelijke strafmaxima op verschillende delicten, zet ik in op het verhogen van de pakkans, het opwerpen van barrières en het voorkomen van gelegenheid. Deze maatregelen zijn effectief en schrikken veelal meer af dan de hoogte vaneen opgelegde straf. Dat is ook terug te zien in de cijfers. Afgelopen jaren zijn flink wat barrières opgeworpen, waaronder de vertrouwensketen in de Rotterdamse haven waardoor pincodefraude bij het ophalen van containers onmogelijk is gemaakt, intensievere controle en de nieuwe strafbaarstelling van art. 138aa van het Wetboek van Strafrecht. Het resultaat van die barrières is onder meer dat het aantal uithalers in de Rotterdamse haven aanzienlijk is gedaald, van 415 in 2021 naar 266 in 2024.
Bent u bereid om mede naar aanleiding van deze berichten in gesprek te gaan met het Openbaar Ministerie om te bevorderen dat geen verdere procesafspraken worden gemaakt in grootschalige drugszaken tot na de behandeling van de eerste aanvullingswet van het Wetboek van Strafvordering in de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om hierover in gesprek te gaan met het OM. De huidige praktijk wordt genormeerd via door de Hoge Raad gegeven kaders (ECLI:NL:HR:2022:1252) en de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal. Binnen die grenzen kunnen procesafspraken worden gemaakt.
Zoals eerder aangegeven, worden procesafspraken door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten. Als rechters van mening zijn dat er hierbij sprake is van scheefgroei, dan is het goed als hierover binnen de rechtspraak discussie plaatsvindt. Ik vind het van belang om een specifiek wettelijk kader voor procesafspraken in te voeren. Deze regeling is opgenomen in de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het wetsvoorstel zal spoedig bij uw Kamer worden ingediend. Deze wettelijke regeling geeft de wetgever de mogelijkheid om principiële vragen die samenhangen met procesafspraken van een antwoord te voorzien, waaronder de vraag wat de maximale strafvermindering is die een verdachte via procesafspraken mag krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo volledig mogelijk beantwoord. Er is gepoogd om de gevraagde termijn te behalen, maar dit is helaas niet gelukt.
Het artikel 'In deze stad wordt nu de meeste cocaïne gebruikt, en het is niet Amsterdam' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente publicaties over het rioolwateronderzoek waaruit blijkt dat Leeuwarden momenteel de hoogste concentratie cocaïnegebruik van Nederland kent, en dat ook het gebruik van amfetamine daar fors is gestegen?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat drugsgebruik niet normaal en ongezond is, en bovendien de onderwereld spekt en de samenleving verpest doordat het leidt tot criminele ondermijning, explosies en liquidaties? Bent u bereid dit in de stelligste en meest expliciete termen te veroordelen?
Ja. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Criminele netwerken verdienen aan het gebruik van drugs. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een crimineel verdienmodel. Dit schadelijke aspect van drugsgebruik wordt benadrukt in de campagne «Drugs raakt ons allemaal» waarmee de afgelopen maanden in uitvoering van de motie Bikker over een landelijke campagne veel jongeren zijn bereikt.2 Deze inzet op bewustwording en preventie laat onverlet dat mensen met verslavingsproblematiek tijdig passende ondersteuning kunnen krijgen wanneer dat nodig is.
Hoe duidt u de in het artikel geschetste ontwikkeling in het licht van de landelijke aanpak tegen drugscriminaliteit en -gebruik? Ziet u hierin een trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken?
Dit kabinet zet in op het terugdringen van drugscriminaliteit en drugsgebruik. Ik neem signalen die op een trend in de andere richting lijken te wijzen dan ook serieus. In dit geval wil ik echter wel opmerken dat op basis van dit artikel slechts beperkt conclusies kunnen worden getrokken over de landelijke aanpak van drugscriminaliteit en drugsgebruik.
In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Welke verklaringen heeft u voor het feit dat juist Leeuwarden zo slecht scoort? Speelt de beschikbaarheid van drugs, de aanwezigheid van criminele netwerken of andere sociaaleconomische factoren hierbij een rol?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.3 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan.
Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt.
Wordt er op dit moment voldoende ingezet op preventie en handhaving in regio’s buiten de Randstad, zoals Friesland? Zo ja, kunt u toelichten welke maatregelen daar specifiek worden genomen?
Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
De gemeente Leeuwarden heeft een lokaal gezondheidsbeleid «Samen Gezond» en geeft uitvoering aan het Preventie- en Handhavingsplan Drugs, Alcohol & Tabak. Eén van de concrete uitwerkingen is de implementatie van Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO). OKO is een landelijk preventieprogramma van het Trimbos en het Nederlands Jeugdinstituut dat dit jaar is gestart. Momenteel loopt er een OKO-monitor op het voortgezet onderwijs, is er een pilotinterventie «Pauzesport» opgestart en zijn er interactieve ouderavonden in ontwikkeling. Preventie van middelengebruik vraagt om een aanpak voor de lange termijn en een integrale benadering. De gemeente Leeuwarden werkt daarom nauw samen met ketenpartners zoals de GGD Fryslân, Verslavingszorg Noord-Nederland en diverse welzijnsorganisaties. Daarnaast maken Friese gemeentes onderdeel uit van het provinciale samenwerkingsverband «Nuchtere Fries», als onderdeel van de Friese Preventieaanpak.
Aan de hand van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) wordt in Leeuwarden-Oost gewerkt aan het doorbreken van intergenerationele armoede en het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid. Het lange termijn doel is om dit tot een gebied te maken waar kinderen kansrijk kunnen opgroeien, zonder armoede. Hierop wordt ingezet via de pijlers gezondheid, wonen, leren en werken, de thema’s leefbaarheid en veiligheid worden integraal in deze pijlers meegenomen. Via dit programma, dat een horizon heeft van twintig jaar, zet de gemeente Leeuwarden sterk in op het vergroten van perspectief van de bewoners en een vermindering van de invloed van criminelen op deze wijken.
Leeuwarden neemt deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te houden en te halen. Dit wordt op verschillende manieren gedaan. De PmG-partners zetten hun expertise in vanuit hun kerntaken en we versterken de onderlinge samenwerking waardoor zo effectief mogelijk kan worden gewerkt.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interventies die vanuit het NPLV-programma Leeuwarden-Oost worden ingezet. Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor kennen de professionals elkaar inmiddels goed en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit ook de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
De aanpak van ondermijning is in de gemeente Leeuwarden geprioriteerd. Vanuit de aanpak wordt een extra impuls gegeven aan het tegengaan van ondermijning (preventie), de bestrijding ervan (repressie) en het creëren van bewustwording en weerbaarheid. Hiervoor heeft de gemeenteraad een incidenteel budget beschikbaar gesteld van € 600.000 voor de periode 2025–2027. Naar aanleiding van de extra impuls wordt actief ingezet op de toepassing van de wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob) en het intensiveren van bestuurlijke controles door een interventieteam ondermijning. Deze interventies leiden onder andere regelmatig tot de sluiting van drugspanden door burgemeester van Leeuwarden op grond van art. 13b Opiumwet.
Bent u het er mee eens dat de strijd tegen de drugsproblematiek en de criminele ondermijning die daarmee gepaard gaat, onmogelijk door gemeenten alleen kan worden opgelost?
Hier ben ik het mee eens.
Hoe wilt u gemeenten tegemoetkomen en ondersteunen om drugs en aanverwante ondermijning tegen te gaan? Welke intensivering zou daarvoor nodig zijn, en bent u bereid deze middelen uit te trekken?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Zoals in het antwoord op vraag 5 is toegelicht worden gemeenten ondersteund via GGD’en, preventiecoalities en regionale zorgaanbieders. Daarnaast bieden landelijk gefinancierde kennisinstellingen, zoals het Trimbos-instituut en Verslavingskunde Nederland hierbij concrete handvatten.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC-LIEC bestel wordt vanuit het Rijk gefinancierd. Meer specifiek gericht op de aanpak van jeugdcriminaliteit in gemeenten is PmG al genoemd. De eerste resultaten van dit programma zijn positief. Gelet op deze bestaande instrumenten en de huidige inzichten ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om de ondersteuning vanuit het Rijk te intensiveren.
Bent u bereid om, samen met gemeenten en politie, extra aandacht te geven aan de aanpak van drugsgebruik en -handel in Leeuwarden en vergelijkbare steden?
Zoals in antwoord 7 is aangegeven, zet dit kabinet vol in op de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit en het terugdringen van drugsgebruik. Hierbij stelt het kabinet middelen en instrumenten beschikbaar om het (lokale) gezag te equiperen deze problematiek aan te pakken. Het gaat hier in veel gevallen om een meerjarige, langdurige inzet. Er is goed contact met de gemeente Leeuwarden en vergelijkbare steden over de lokale situatie.
Hoe beoordeelt u het instrument van rioolwateronderzoek als middel om trends in drugsgebruik te monitoren? Overweegt u om dit structureel en landelijk uit te breiden, zodat er een vollediger beeld ontstaat?
In november 2023 hebben JenV en VWS opdracht gegeven aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut om een pilotstudie uit te voeren naar het gebruik van drugs door middel van rioolwateronderzoek. Dit onderzoek is op 5 november jl. gepubliceerd. De studie heeft uitgewezen dat rioolwateronderzoek een goede, objectieve aanvulling kan zijn op het landelijke beeld van drugsgebruik dat op basis van andere bronnen wordt samengesteld. De onderzoekers stellen dat één rioolwatermeting per jaar, ieder jaar op hetzelfde moment, voldoende is om het landelijke beeld te onderhouden. Meer metingen zijn niet nodig, omdat het drugsgebruik in Nederland volgens de metingen van het RIVM het hele jaar relatief constant is. Ik ben momenteel, samen met de Staatssecretaris van JPS, in gesprek met het RIVM en het Trimbos-instituut over de wijze waarop wij een vervolg willen geven aan deze pilot. De Staatssecretaris JPS en ik informeren uw Kamer hier zo spoedig mogelijk meer uitgebreid over.
Het bericht 'Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden»?1
Ja.
Hoe bekijkt u deze maatregelen van de Zweedse regering die juist bedoeld zijn om vrouwen en meisjes te beschermen tegen schadelijke en onbewezen praktijken?
In Nederland mogen meisjes en vrouwen nooit worden gedwongen tot een maagdelijkheidstest. Het is dan ook van belang meisjes en vrouwen hiertegen te beschermen. Tevens geldt dat maagdelijkheidstests medisch niet betrouwbaar zijn en in Nederland – volgens de geldende richtlijnen – niet uitgevoerd mogen worden door medisch professionals. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Vooropgesteld staat dat het recht op zelfbeschikking in Nederland een groot goed is. Meisjes en vrouwen moeten altijd zelf over hun eigen lichaam kunnen beschikken. Dit is ook vastgelegd in wet- en regelgeving. Het kabinet zet zich in om dit recht op zelfbeschikking te waarborgen. De leidraad voor het medisch handelen in Nederland zijn de juridische en ethische kaders zoals die in wet- en regelgeving en in ethische normen zijn vastgelegd. Belangrijke uitgangspunten daarvoor zijn de grondwettelijke bescherming van de lichamelijke integriteit en het (daarmee verband houdende) recht op zelfbeschikking.
In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) is de vereiste van toestemming voor behandeling vastgelegd: zorgverleners mogen een patiënt alleen onderzoeken of behandelen als de patiënt daar zelf toestemming voor geeft. Aanvullend daarop is het recht op informatie en overleg opgenomen. Patiënten hebben recht op duidelijke en begrijpelijke informatie over hun ziekte, de behandeling en de mogelijke gevolgen daarvan, de mogelijke gevolgen bij afzien van behandeling, andere onderzoeken en behandelingen door andere hulpverleners, de uitvoeringstermijn van de behandeling en de verwachte tijdsduur daarvan (informed consent) en op tijdig overleg hierover met de hulpverlener (samen beslissen).
Kunt u bevestigen dat maagdelijkheidstests volgens de Nederlandse professionele standaard niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen? Zijn er desondanks aanwijzingen dat dergelijke verzoeken toch worden gedaan bij huisartsen, gynaecologen of andere zorgprofessionals? Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang hiervan is, hoe deze signalen momenteel worden geregistreerd of opgevolgd en of deze verzoeken aanleiding vormen voor toezicht door de IGJ? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid hierover structurele monitoring te laten plaatsvinden?
Ja, ik deel uw mening dat maagdelijkheidstests niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen. Een maagdelijkheidstest is volgens artsen en experts wetenschappelijk onbetrouwbaar. Er bestaat geen test om maagdelijkheid vast te stellen.
Ik heb contact gehad met de Nederlandse Verenging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) met de vraag of er in Nederland binnen de beroepsgroepen artsen aanwezig zijn die een dergelijk verzoek inwilligen. Zowel de NVOG als de NHG geven aan dat er geen aanwijzingen zijn dat er gynaecologen of huisartsen zijn in Nederland die een maagdelijkheidstest uitvoeren of bewijzen van maagdelijkheid afgeven. De NVOG stelt dat het uitvoeren van dergelijke tests in strijd is met de uitgangspunten van de beroepsvereniging en het standpunt hymenreconstructie2. In dit standpunt staat beschreven dat «niemand door lichamelijk onderzoek of anders, kan vaststellen of een vrouw nog maagd is». Beide beroepsgroepen kunnen niet volledig uitsluiten dat het voorkomt.
De professionele norm binnen de zorg staat voorop. Wanneer zorgverleners te maken krijgen met verzoeken in deze context, staat de veiligheid van de vrouw altijd centraal. Bij signalen van druk, dwang of een onveilige situatie wordt maatwerk geleverd om de vrouw zo goed mogelijk te helpen, bijvoorbeeld door advies, doorverwijzing of het betrekken van passende hulpverlening.
Ook vanuit de zelforganisaties die werken met sleutelpersonen vanuit gemeenschappen zelf zijn geen signalen over maagdelijkheidstests naar voren gekomen. Er zijn geen verdere cijfers bekend over de eventuele omvang van het aantal verzoeken om een maagdelijkheidstest.
Het kabinet is niet voornemens structurele monitoring naar maagdelijkheidstests op te zetten. Voor het monitoren van maagdelijkheidstests geldt dat betrouwbare informatie lastig te verkrijgen is. Gezien de uitgangspunten van de beroepsverenigingen niet mee te werken aan dergelijke tests, worden ook geen gegevens hierover geregistreerd. Monitoring zou daarmee onbetrouwbaar en onvolledig zijn. De IGJ heeft aangegeven dat signalen over handelen buiten de professionele standaard, reden kunnen zijn om er in het toezicht aandacht aan te besteden.
Deelt u de mening dat maagdelijkheidstests geen enkele medische grondslag hebben en dat een dergelijke praktijk kan bijdragen aan het onderdrukken en controleren van meisjes en vrouwen? Zo ja, hoe wilt u dit toepassen in Nederland? Zo niet, waarom niet?
Ja, ieder meisje en vrouw heeft het volste recht om te allen tijde zelf te beschikken over haar lichaam en haar seksualiteit. Het kabinet zet zich in om meisjes en vrouwen te beschermen en dit recht te waarborgen. Er bestaat geen test om maagdelijkheid vast te stellen. Maagdelijkheidstests passen niet bij het recht op zelfbeschikking. Het recht op onaantastbaarheid van het eigen lichaam is bovendien verankerd in onze Grondwet. Met de aanpak gericht op zelfbeschikking en de preventie van schadelijke praktijken wordt ingezet op normverandering en het beschermen van meisjes en vrouwen. Via sleutelpersonen uit betrokken gemeenschappen wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de acceptatie van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen en het versterken van zelfbeschikking, ook als het gaat om seksualiteit.
Is er recentelijk onderzoek gedaan in hoeverre maagdelijkheidstests voorkomen in Nederland in de privésfeer? Zo ja, kunt u de resultaten van dit onderzoek delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid om dit in kaart te laten brengen? Is het in Nederland op dit moment strafbaar om een maagdelijkheidstests uit te voeren of een maagdelijkheidsverklaring af te geven door niet-medische personen?
Er is recentelijk geen onderzoek gedaan naar de vraag of maagdelijkheidstests in Nederland voorkomen en er bestaat ook geen voornemen daartoe. Er zijn geen betrouwbare (registratie)gegevens beschikbaar waardoor (een schatting van) de omvang naar verwachting niet betrouwbaar is vast te stellen, zoals ook in de beantwoording van vraag 3 vermeld. Daarnaast wijzen signalen vanuit diverse professionals en organisaties erop dat maagdelijkheidstests niet of nauwelijks voorkomen in Nederland.
Er is geen sprake van een aparte strafbaarheidsstelling voor het uitvoeren van maagdelijkheidstests of het afgeven van een maagdelijkheidsverklaring door niet-medische personen. Het Wetboek van Strafrecht kent mogelijke strafbepalingen afhankelijk van de wijze waarop de tests worden uitgevoerd of de verklaringen worden afgegeven. Zo kan er bij het tegen iemands wil binnendringen van een seksueel lichaamsdeel sprake zijn van schuldverkrachting, zoals strafbaar gesteld in artikel 242 Wetboek van Strafrecht. En bij een valselijk afgegeven verklaring kan mogelijk sprake zijn van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht. Als hiervan aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om deze aangifte te beoordelen aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval.
In Zweden wordt het ook strafbaar om geen melding te maken van gedwongen huwelijken en kindhuwelijken, in het licht hiervan hoe staat het met de uitvoering van de motie-Dral c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 293) die toeziet op een meldplicht?
Zoals in de kabinetsreactie op het inspectierapport inzake het incident met het pleegmeisje in Vlaardingen3 van januari 2025 is aangegeven en de motie Dral verzoekt, verkent het Ministerie van VWS een adviesplicht binnen de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De invoering van een adviesplicht vraagt een aantal inhoudelijke keuzes, zoals de verhouding tot collegiale toetsing, de impact op professionals en de uitvoerbaarheid. Het ministerie zal de komende tijd
met betrokken organisaties een aantal scenario’s van de adviesplicht bespreken en vervolgens verder uitwerken tot een voorkeursscenario. De vervolgstap is om in beeld te brengen wat dit betekent voor aanpassing van wet- en regelgeving.
Welke concrete stappen acht u op korte termijn haalbaar om ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen in Nederland niet langer worden geconfronteerd met pseudomedische claims, sociale druk of dwang rondom «maagdelijkheid», inclusief handhaving, voorlichting, regelgeving en mogelijke strafbaarstelling?
De bescherming van meisjes en vrouwen in Nederland tegen geweld, dwang en onderdrukking is een prioriteit van het kabinet. Het kabinet zet in op het versterken van zelfbeschikking en de preventie van schadelijke praktijken. Maagdelijkheidstests passen niet bij het recht op zelfbeschikking. Binnen de aanpak gericht op verandering vanuit gemeenschappen zelf, wordt via sleutelpersonen uit betrokken gemeenschappen gewerkt aan de acceptatie van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen en het versterken van zelfbeschikking, ook als het gaat om seksualiteit. Zoals eerder vermeld in antwoord op vraag 3 zijn er, volgens de NVOG, in Nederland geen aanwijzingen dat er in Nederland gynaecologen zijn die een maagdelijkheidstest uitvoeren of bewijzen van maagdelijkheid afgeven. Ook zijn vanuit de betrokken zelforganisaties, die bijvoorbeeld zijn aangesloten bij de Alliantie Verandering van Binnenuit, gefinancierd door het Ministerie van OCW of vanuit de initiatieven die met middelen van het Ministerie van SZW worden gesteund, geen signalen over het uitvoeren van maagdelijkheidstests naar voren gekomen. Niet door artsen en ook niet door personen uit de privésfeer. Een specifieke strafbaarstelling voor het uitvoeren van maagdelijkheidstests is daarom vooralsnog niet noodzakelijk. Daarnaast wijzen medici erop dat een verbod ertoe kan leiden dat eventuele verzoeken voor dergelijke tests in het illegale circuit terechtkomen. Dat is onwenselijk en kan nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid en ondersteuning van vrouwen.
Welke stappen worden er op dit moment vanuit het kabinet nog meer ondernomen om meisjes en vrouwen in Nederland beter te beschermen tegen schadelijke praktijken die hun lichamelijke integriteit, autonomie en rechten aantasten?
Het kabinet vindt het van groot belang meisjes en vrouwen te beschermen tegen iedere vorm van geweld. De bescherming tegen schadelijke praktijken is daar onderdeel van. De aanpak van schadelijke praktijken vereist inzet op zowel preventie, bescherming en ondersteuning van slachtoffers als op strafbaarstelling. Versterking van het recht op zelfbeschikking draagt bij aan de preventie van schadelijke praktijken. In dit kader wordt gewerkt aan voorlichting binnen (gesloten) gemeenschappen in samenwerking met sleutelpersonen. Specifiek over maagdelijkheid verstrekken organisaties zoals Sense en Rutgers op laagdrempelige manieren informatie. Informatie en voorlichting over dit onderwerp is belangrijk, omdat er helaas sprake kan zijn van onjuiste (medische) informatie. Daarnaast is en blijft de verklaring tegen meisjesbesnijdenis beschikbaar ter preventie van vrouwelijke genitale verminking. Deze verklaring kan worden uitgereikt aan ouders afkomstig uit risicolanden die van plan zijn om naar het land van herkomst te gaan. Met de verklaring kunnen familieleden worden geïnformeerd over de consequenties en strafbaarheid van vrouwelijke genitale verminking.
Naast voorlichting en het stimuleren van dialoog over deze thema’s in de betrokken gemeenschappen om verandering te bewerkstelligen, is het heel belangrijk de kennis en vaardigheden van professionals te vergroten en de samenwerking tussen ketenpartners te versterken. Om professionals voldoende handvatten te geven, zodat zij (signalen over mogelijke) schadelijke praktijken eerder herkennen en weten hoe te handelen, wordt door VWS ingezet op deskundigheidsbevordering, onder andere van huisartsen en verloskundigen. Aanvullend hierop zal door de Staatssecretaris Participatie en Integratie worden ingezet op deskundigheidsbevordering van professionals in het sociaal domein en zal een ketenaanpak op de preventie van schadelijke praktijken worden opgezet in twee regio’s waar die nu nog ontbreekt.
De samenwerking tussen ketenpartners wordt verder bevorderd door het Landelijk Netwerkknooppunt Schadelijke Praktijken. Het kabinet draagt financieel bij aan dit netwerk. Binnen het netwerk bestaat de behoefte een digitaal platform op te zetten zodat gemakkelijk en snel informatie en vragen kunnen worden gesteld. Het kabinet stelt in de jaren 2026–2029 financiële middelen beschikbaar om dit platform te ontwikkelen.
Tot slot zal de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid – naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen uit het WODC-onderzoek «Over grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking» – onderzoeken of en hoe het huidige juridische instrumentarium kan worden aangevuld met maatregelen in lijn met preventieve beschermingsbevelen, geïnspireerd op het voorbeeld uit het Verenigd Koninkrijk. Deze civielrechtelijke maatregelen kunnen strafrechtelijk worden gehandhaafd. Op deze wijze kan de bescherming van (potentiële) slachtoffers aanzienlijk worden vergroot.
Certificering boa’s. |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de stelling dat het geen zin heeft om buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) te voorzien van extra bevoegdheden en middelen, zoals bijvoorbeeld een korte wapenstok en pepperspray als de boa’s hier door middel van een examen niet het vereiste certificaat kunnen halen?
Ik deel de mening dat de toetsing voor het gebruik van de bevoegdheden en middelen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) op orde moet zijn. Daarnaast hecht ik waarde aan het ingezette beleid zoals uiteengezet in de Kamerbrief over de rol van de boa van 2 oktober jl. Het is belangrijk dat de boa met zijn uitrusting goed geëquipeerd wordt voor zijn taak en voor de omstandigheden waarin die taak wordt uitgeoefend. De boa als professionele partner in handhaving moet toegerust zijn om zijn taak goed en veilig uit te voeren, ook als hij onvoorzien (en ongewenst) wordt geconfronteerd met agressie en geweld tijdens zijn werk. In de Kamerbrief wordt benoemd dat er in het nieuwe bestel daarom een standaarduitrusting van bevoegdheden en middelen zal komen, gekoppeld aan de opsporingsbevoegdheid. Daarbovenop kan, indien aan de eisen is voldaan, de boa beschikken over aanvullende uitrusting.
Bent u bekend, met het bericht dat gestuurd is naar de commissie Veiligheid en Justitie met het onderwerp «Bezorgdheid over Regeling Toetsing Geweldbeheersing Buitengewoon Opsporongsambtenaar (RTGB)-certificering van BOA’s», waarin vermeld wordt dat er naar schatting 500 boa’s op de wachtlijst staan voor dat examen de zogenaamde RTGB-toets? Zo ja, klopt deze berichtgeving?
Ik ben niet bekend met dit bericht dat gestuurd is naar de VKC Veiligheid en Justitie. De boa-werkgevers zijn verantwoordelijk voor het laten toetsen van hun boa’s conform de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon Opsporingsambtenaar (RTGB) indien zij beschikken over politiebevoegdheden of geweldsmiddelen. De Politieacademie is verantwoordelijk voor het samenstellen van de RTGB-toetsen en de certificering van de RTGB-toetsers. De Politieacademie is bereid om voor het einde van het jaar een inhaalslag te organiseren om zoveel mogelijk van de boa-werkgevers, die de afgelopen jaren bij de Politieacademie toetsing hebben afgenomen, te helpen hun boa’s alsnog getoetst te krijgen. Het zal gaan om twee dagen (22 en 23 december), en indien nodig ook in de laatste week van december. De politieacademie heeft hierbij aangegeven dat tijdens deze sessies de toetsingscapaciteit dermate is dat de boa’s die eerder werden afgewezen voor een toets-aanvraag alsnog terecht zouden kunnen. Hierover is inmiddels door de Politieacademie een bericht aan de betreffende boa-werkgevers verzonden. Ook zijn de boa-werkgevers aangeschreven die zich niet bij de Politieacademie hebben gemeld maar wel eerder zijn getoetst door de Politieacademie.
Bent u het ermee eens dat de handhaving van de openbare orde en veiligheid in het geding kan komen als deze berichtgeving juist is? Het kan toch niet zo zijn dat 500 opgeleide boa’s niet hun taken kunnen uit oefenen omdat zij geen mogelijkheid krijgen om het vereiste certificaat te behalen, terwijl er een grote behoefte is aan meer veiligheid op straat?
Het handhaven van de openbare orde is primair een taak van de politie, niet van de boa. Zoals hierboven is aangegeven, is de Politieacademie bereid om voor het einde van het jaar een inhaalslag te organiseren. Hierdoor worden de betreffende boa’s alsnog getoetst, zij blijven dan beschikken over de politiebevoegdheden en geweldsmiddelen.
Bent u het eens met de stelling dat er zo snel mogelijk een einde moet komen aan deze ongewenste situatie?
Zie het antwoord op vraag 2.
Ziet u een snelle en/of structurele oplossing voorhanden om de boa’s die op de wachtlijst staan te certificeren? Bent u bijvoorbeeld bereid om artikel 1 van de regeling «Toetsing geweldsbeheersing BOA» te wijzigen, zodat instructeurs die bevoegd zijn te toetsen en niet in vaste dienst zijn bij de betrokken werkgever, ook kunnen certificeren?
Zie het antwoord op vraag 2. Ook zal er in het komende jaar gekeken worden naar de aanpassing van de RTGB voor een structurele oplossing. Daarom acht ik het op dit moment niet nodig om ook private partijen die niet in dienst zijn bij een boa-organisatie als toetser als bedoeld in de RTGB te laten optreden en boa’s te laten certificeren. Voor een structurele oplossing zal, ook in samenspraak met de Politieacademie en andere partijen, gekeken worden naar het aanpassen van de RTGB om voor de toekomst zeker te stellen dat er genoeg toetsingscapaciteit zal zijn.
Daarnaast wil ik op de huidige mogelijkheid wijzen voor boa-werkgevers van het hebben van eigen toetsers. Mits gecertificeerd door de Politieacademie kan een toetser, naast de ambtenaar van Politie, een persoon zijn die in vaste dienst is bij een boa-werkgever.
Kunt u inzichtelijk maken wat een RTGB-toetsing de Politieacademie jaarlijks oplevert?
Voor de uitvoering van RTGB-toetsing berekent de Politieacademie een tarief, waarbij enkel de kosten van inzet van de toetsers worden verrekend. Hierbij gaat het om 5.000 boa’s waar de Politieacademie jaarlijks ca. 1,1 miljoen euro voor ontvangt.
Kunt u ook inzichtelijk maken hoeveel tijd een dergelijke RTGB-toetsing in beslag neemt?
De RTGB-toetsing bestaat uit de toets Aanhoudings- en Zelfverdedigingsvaardigheden en de toets Geweldsbeheersing. Deze toetsen worden gecombineerd geëxamineerd. De toetsing van twaalf boa’s neemt ongeveer drie uur in beslag. Voor de toetsing zijn twee toetsers nodig. Een klein gedeelte van de boa’s is bewapend met een vuurwapen. Zij dienen ook getoetst te worden voor de toets Schietvaardigheid Pistool. Eén toetser mag maximaal vier schutters tegelijk examineren. Dit neemt ongeveer 30 minuten in beslag. De training en voorbereiding van de boa’s en de toetsers zijn hierbij niet meegenomen.
Kunt u een percentage afgeven in hoeveel gevallen de Politieacademie zorgdraagt voor de RTGB-toetsing ten opzichte van de werknemer bij een particuliere werkgever van buitengewoon opsporingsambtenaren?
Elke boa die over politiebevoegdheden beschikt moet voldoen aan de verplichtingen binnen de RTGB. Voor de Domeinen I, II en IV gaat het om zo’n 6500 boa-aktes met politiebevoegdheden en/of geweldsmiddelen waarbij moet zijn voldaan aan de regels als gesteld in de RTGB. Een deel daarvan, bijvoorbeeld de boa’s van HTM, RET en NS worden door de werkgever zelf conform de RTGB getoetst. In domein VI gaat het om ongeveer 4200 RTGB-plichtige boa’s, de politie-boa’s daarbij niet meegerekend, waarbij een aanzienlijk deel van de boa’s binnen de eigen organisatie wordt getoetst. Voor de Domeinen III en V gaat het om enkele boa’s met politiebevoegdheden. Er wordt geen overzicht bijgehouden van het totaal aantal getoetste boa’s en waar deze dan zijn getoetst, bij een particuliere boa-werkgever dan wel bij een overheidsinstantie die opsporingsambtenaren in dienst heeft. De politieacademie geeft aan boa’s van ongeveer 140 werkgevers te toetsen en dit jaar ca. 6000 (her)certificeringen te hebben uitgevoerd. Van het totaal aantal RTGB-plichtige boa’s heeft de Politieacademie daarmee ongeveer 56% getoetst. Voor de overige 44% van de toetsen is niet vast te stellen of deze toetsen zijn afgenomen door een toetser in dienst van de betreffende (particuliere) boa-werkgever, of door een toetser in dienst van een andere (particuliere) boa-werkgever. Zoals hierboven staat aangegeven wordt hiervan geen overzicht bijgehouden.
Het artikel 'Tweede Kamer zaait twijfel over abortuszorg met twee aangenomen moties' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Klopt het dat er op dit moment onderhandeld wordt tussen de Raad en het Europees Parlement over de Richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten?1
Ja, dat klopt.
Kunt u de Nederlandse positie in de Raad ten aanzien van die richtlijn toelichten? Kunt u specifieke toelichting geven op het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9(3) die betrekking heeft op de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers?
De Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel voor herziening van de richtlijn is neergelegd in het BNC-fiche van 6 oktober 20232.
Met betrekking tot het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9 (3) is Nederland groot voorstander van het beschermen en ondersteunen van slachtoffers van seksueel geweld. Daaronder valt de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en tevens toegang tot abortuszorg. Wij steunen het expliciet benoemen van toegang tot abortuszorg in de overweging bij artikel 9 (3) met een verwijzing naar het nationale recht. Het genoemde artikel en de bijbehorende overweging leiden niet tot harmonisering van wetgeving op EU-niveau.
Klopt het dat Nederland zich op ambtelijk niveau heeft uitgesproken tegen het opnemen van toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers in deze richtlijn en het expliciet benoemen van abortus in de overweging die correspondeert met dit artikel? Zo ja, waarom?
Nee, dat is niet correct. In het kader van de onderhandelingen en het meest recente voorstel van het Europese Parlement (hierna: EP) om abortus expliciet te noemen in de overweging bij artikel 9 (3), heeft Nederland aangegeven het voorstel van het EP te kunnen steunen mits wordt aangegeven dat dit een onderwerp is van nationaal recht. De juridische basis van deze richtlijn3 biedt geen grondslag om toegang tot gezondheidszorg, waaronder seksuele en reproductieve gezondheidszorg, te harmoniseren binnen de Europese Unie. Het expliciet benoemen van abortuszorg ligt echter gevoelig bij een aantal lidstaten. Nederland wil ook deze lidstaten aan boord houden om zo tot een onderhandelingsakkoord met betrekking tot een herziene richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten te komen. Daarom is de suggestie gedaan om aan te sluiten bij artikel 26 lid 2 van de reeds vastgestelde richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.4
Deelt u de mening dat Nederland als voorvechter van progressieve waarden juist voorop zou moeten lopen met het beschermen van slachtoffers van seksueel geweld, en dat toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en specifiek abortuszorg daar een onlosmakelijk onderdeel van is?
Ja, deze mening deel ik.
Bent u bereid om dan wel op ambtelijk niveau, dan wel op ministerieel niveau van standpunt te veranderen ten aanzien van artikel 9(3) en de corresponderende overweging, in de richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en het Deens voorzitterschap daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Nee, dat is niet nodig in het licht van bovenstaande beantwoording.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, het liefst voor 10 december 2025 te beantwoorden?
Ik heb uw vragen conform uw verzoek voor 10 december 2025 beantwoord.
Het bericht ‘Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen?’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen»1?
Ja.
Bent u bereid concreet toe te lichten wat u kunt doen om straffeloosheid in zaken zoals deze te voorkomen? Zo ja/nee, waarom?
Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen. In algemene zin merk ik op dat straffeloosheid zoveel als mogelijk moet worden voorkomen, in het bijzonder waar het gaat om zeer ernstige misdrijven. Ook in zaken met een internationale context zetten alle betrokken Nederlandse autoriteiten, waaronder mijn departement, zich daartoe in. Samen met het Openbaar Ministerie wordt in zaken zoals deze gekeken naar verschillende mogelijkheden om tot gerechtigheid te komen. Een goede samenwerking met de justitiële autoriteiten in het buitenland is hierbij een aspect dat een rol speelt. Over het aangaan en versterken van deze samenwerkingsrelaties voert mijn departement waar nodig overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheid tot het indienen van een rechtshulpverzoek, en zo ja, acht u dit kansrijk en welke criteria hanteert u bij het indienen van rechtshulpverzoeken als er geen adequaat verdrag is met een land als Syrië? Zo nee, wat gaat u dan doen?
Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, kan ik geen mededelingen doen.
In zijn algemeenheid kan ik toelichten dat rechtshulpverzoeken worden ingediend op verzoek van de officier van justitie of de rechter. Inzending naar het buitenland vindt plaats door tussenkomst van mijn departement als centrale autoriteit, dat in dit kader adviseert over de (on)mogelijkheden en de afweging om een verzoek al dan niet te verzenden. Daarbij wordt waar nodig het Ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken.
Met Syrië bestaat momenteel geen justitiële rechtshulprelatie. Voor het aangaan van een dergelijke wederzijdse rechtshulprelatie is het essentieel dat er een bestendige, algemene diplomatieke relatie met een land is. Ook van belang is of een land partij is bij relevante internationale verdragen, die bijvoorbeeld zien op de naleving van fundamentele mensenrechten of op justitiële samenwerking in strafzaken. Om een verzoek tot rechtshulp in te dienen is een bepaalde mate van vertrouwen in elkaars rechtssysteem nodig. Daarnaast komen er verschillende praktische aspecten bij kijken en dient een verzoek uitvoerbaar te zijn voor het bevraagde land. Al deze aspecten gelden des te meer voor het sluiten van bilaterale rechtshulp- en uitleveringsverdragen, waar een sterke mate van wederkerigheid bij komt kijken.
Het rechtssysteem in Syrië is sinds de val van het regime van president Assad, in december 2024, nog in opbouw. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen in het licht van een mogelijke toekomstige samenwerkingsrelatie.
Onder welke omstandigheden acht u het denkbaar dat u in overleg treedt over een rechtshulp- en/of uitleveringsverdrag met Syrië?
Zie antwoord vraag 3.
Welke andere Europese landen hebben inmiddels rechtshulpverzoeken aan Syrië gedaan en kunt u in overleg treden met deze landen om te bespreken hoe zij deze rechtshulpverzoeken hebben voorbereid en welke voorwaarden daarbij zijn gesteld?
Ik ben niet bekend met rechtshulpverzoeken die andere (Europese) landen aan Syrië hebben gedaan. Wellicht ten overvloede merk ik op dat ik geen uitspraken kan doen over de justitiële rechtshulprelaties die andere landen aangaan met Syrië.
In Europa bestaan diverse overleggremia en samenwerkingsverbanden, zowel binnen de Raad van Europa als de Europese Unie. Hierin delen landen best practices met elkaar en kunnen ervaringen over justitiële samenwerking met specifieke landen worden uitgewisseld. Nederland is vertegenwoordigd in deze overlegstructuren en neemt actief deel aan deze vormen van informatie-uitwisseling.
Bent u bereid de zaak van de vermoorde Ryan bij elk diplomatiek (ambtelijk en politiek) overleg met vertegenwoordigers van de Syrische regering blijvend onder de aandacht te brengen om straffeloosheid te voorkomen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover periodiek informeren? Zo nee, waarom niet?
Dit is een uiterst tragische zaak. Zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als mijn departement bezien of – met inachtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet – en op welke gepast moment, niveau en wijze de zaak onder de aandacht gebracht kan worden bij vertegenwoordigers van de Syrische overgangsregering. Ik kan de Kamer hierover niet periodiek informeren, aangezien ik niet in kan gaan op individuele strafzaken en de al dan niet diplomatieke stappen die daarin worden gezet. Dit zou ook niet in het belang zijn van de zaak, aangezien juist vertrouwelijkheid van diplomatiek verkeer een relatie ten goede komt.
Het artikel 'Drie dagen in dienst, 19.000 euro na ontslag wegens geloof' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart , Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-nieuwsartikel «Drie dagen in dienst, 19.000 euro na ontslag wegens geloof»1 en met de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 26 september 2025?2
Ja.
Hoe beoordeelt u, met inachtneming van de trias politica en dus zonder in te gaan op het rechterlijk oordeel zelf, de bredere maatschappelijke gevolgen van deze uitspraak voor de arbeidsmarkt, de positie van werkgevers en de omgang met geloofsovertuigingen op de werkvloer? Wat vindt u hiervan?
Vanwege de scheiding van staatsmachten kunnen wij, zoals u stelt, inderdaad niet treden in het rechterlijk oordeel in deze specifieke zaak. Wel kunnen wij ingaan op bredere maatschappelijke implicaties. De uitspraak raakt aan een spanningsveld: enerzijds de grondrechten op gelijke behandeling en vrijheid van godsdienst, en anderzijds de noodzaak voor werkgevers om hun bedrijfsvoering doeltreffend te organiseren.
Uit deze zaak blijkt dat wensen en belangen van werkgever en werknemer rondom deze thema’s kunnen botsen. Belangrijk is dat, als zich dat voordoet, afspraken gemaakt kunnen worden op basis van goed werkgeverschap en goed werknemerschap,. In verreweg de meeste gevallen kunnen botsende wensen en belangen in de praktijk op die manier toch met elkaar worden geregeld (zie ook antwoord op vraag3.
Deze uitspraak maakt het belang duidelijk dat werkgevers in dergelijke gevallen onder meer:
Tegelijkertijd benadrukt de uitspraak dat de proeftijd geen vrijbrief is om te handelen in strijd met de gelijke behandelingswetgeving. Dat is geen nieuwe juridische lijn, maar wordt door deze zaak opnieuw zichtbaar.
Deelt u de zorgen dat deze uitspraak ertoe kan leiden dat werkgevers terughoudender worden om sollicitanten aan te nemen bij wie het vermoeden bestaat dat hun geloofsovertuiging tot beperkingen of conflicten op de werkvloer kan leiden, vanwege het risico op claims? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Werkgevers zijn gehouden om een verzoek om aanpassing van werkzaamheden of faciliteiten in verband met geloofsovertuiging zorgvuldig te beoordelen. De wettelijke kaders bieden werkgevers daarbij voldoende ruimte om rekening te houden met hun bedrijfsvoering zonder dat dit leidt tot discriminatie vanwege godsdienst of levensovertuiging. Zie voor meer toelichting op dit punt de antwoorden op vragen 5 en 7.
Deelt u de mening dat de huidige wetgeving onvoldoende houvast biedt voor werkgevers om te bepalen welke geloofsuitingen of -beperkingen binnen de dagelijkse bedrijfsvoering redelijkerwijs zijn te faciliteren en welke niet? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In beginsel is er binnen de wettelijke kaders genoeg ruimte om tussen werkgever en werknemer te bepalen welke uitingen redelijkerwijs zijn te faciliteren door de werkgever. Uiteraard geldt dat discriminatie wegens godsdienst en levensovertuiging in Nederland verboden is. Ook op de werkvloer bestaat er een zekere mate van vrijheid om geloof te uiten.
Tegelijkertijd hebben werkgevers weldegelijk mogelijkheden om onderscheid te kunnen maken – en uitingen niet te faciliteren. Dit is toegestaan als een beperking op de vrijheid van godsdienst «objectief gerechtvaardigd» kan worden.
Voorwaarde om hieraan te voldoen is dat het te bereiken doel met het maken van onderscheid legitiem is (bijvoorbeeld om de bedrijfsvoering goed te laten verlopen) én het middel om het doel te bereiken daartoe geschikt en noodzakelijk is. Daarnaast is in de Awgb opgenomen onder welke specifieke omstandigheden het onderscheid niet verboden is. De wet biedt daarmee voldoende ruimte aan werkgevers om invulling te geven aan hun bedrijfsvoering zonder dat dit leidt tot discriminatie vanwege godsdienst of levensovertuiging.
Is het volgens u logisch dat als tijdens de proeftijd blijkt dat een werknemer het werk feitelijk niet wil en/of kan doen vanwege de geloofsovertuiging de werkgever deze arbeidsrelatie dan beëindigt? Zo nee, waarom niet?
De proeftijd is voor een werkgever een manier om te achterhalen of de werknemer geschikt is voor zijn/haar werk. Voor de werknemer kan de proeftijd onder andere worden gebruikt om te bepalen of de baan aansluit bij de verwachtingen/wensen. Voordeel van de proeftijd is dat gedurende de proeftijd de arbeidsovereenkomst per direct kan worden beëindigd. De werkgever en de werknemer hoeven geen opzegtermijn in acht te nemen. Wel moeten werkgever en werknemer zich ook tijdens de proeftijd houden aan «algemene beginselen» waaronder het beginsel van non-discriminatie en goed werkgever- en werknemerschap.
Betekent deze uitspraak feitelijk dat een werkgever beter om algemene en/of niet nader te specificeren redenen ontslag kan verlenen in de proeftijd?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5, kan een werkgever de arbeidsovereenkomst gedurende de proeftijd per direct beëindigen. De werkgever hoeft daarbij geen schriftelijke reden te geven voor de opzegging, tenzij de werknemer hier zelf om vraagt. De werkgever kan zelfs weigeren om aan het verzoek van de werknemer gehoor te geven. Wel kan een werknemer ook een proeftijdontslag zonder reden altijd aanvechten bij de rechter, bijvoorbeeld als hij het vermoeden heeft dat er sprake is van ongelijke behandeling.
Wanneer een werknemer bepaalde kerntaken weigert uit te voeren vanwege geloofsovertuiging, in hoeverre moet een werkgever volgens u verplicht worden om werkzaamheden aan te passen en/of collega’s en klanten te belasten? Waar ligt volgens u de grens?
Werkgevers zijn gehouden om een verzoek om aanpassing van werkzaamheden of faciliteiten in verband met geloofsovertuiging zorgvuldig te beoordelen. Daarbij geldt dat een werkgever moet bezien of en in hoeverre een verzoek redelijkerwijs kan worden gefaciliteerd, zonder dat dit leidt tot een onevenredige belasting van de bedrijfsvoering of van collega’s, of tot aantasting van de dienstverlening aan klanten.
Het genoemde verbod van onderscheid geldt bijvoorbeeld niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (AWGB art 2, lid4.
De wet verplicht werkgevers dus niet om álle geloofsgerelateerde beperkingen te honoreren. Facilitering moet redelijk, proportioneel en uitvoerbaar zijn. Wanneer een werknemer structureel weigert om wezenlijke taken uit te voeren en passende alternatieven ontbreken, kan de werkgever op basis van het bestaande juridische kader concluderen dat de functie niet langer vervulbaar is, mits dit besluit zorgvuldig en zonder verboden onderscheid wordt genomen. Hierbij is het beginsel «goed werkgeverschap» relevant.
Tegelijk is er ook het beginsel van «goed werknemerschap». Dat houdt onder meer in dat werknemers zich op hun beurt ook redelijk en flexibel moeten opstellen.
Verwacht u dat deze uitspraak consequenties heeft voor sectoren waarin specifieke werkzaamheden regelmatig botsen met religieuze voorschriften, zoals slachterijen, landbouwgerelateerde dienstverlening, zorg, horeca en schoonmaak?
De (Europeesrechtelijke) jurisprudentie laat zien dat de beoordeling of er sprake is van een verboden onderscheid, direct dan wel indirect, op grond van godsdienst een feitelijke beoordeling is waarbij alle feiten en omstandigheden meegewogen moeten worden.5 Denk hierbij aan de aard van de werkzaamheden van de betrokkene en of deze werkzaamheden een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormen.
De rechtbank Noord-Holland heeft in deze casus de specifieke feiten en omstandigheden afgewogen en geconcludeerd dat er sprake is van een direct verboden onderscheid op grond van godsdienst.6 Dat maakt dat er geen algemene opmerking kan worden gemaakt over of deze uitspraak consequenties heeft voor sectoren waarin specifieke werkzaamheden mogelijk botsen met religieuze voorschriften. In een andere situatie kunnen andere factoren namelijk van belang zijn die maken dat er geen sprake is van een verboden onderscheid. Verder is het in algemene zin belangrijk dat werkgevers er zorg voor dragen dat zij geen verboden onderscheid maken.
Kunt u aangeven hoeveel zaken in de afgelopen vijf jaar bij het College voor de Rechten van de Mens of de rechter zijn voorgelegd waarin ontslag of conflicten rond werkweigering werden gelinkt aan geloofsovertuiging? Ziet u een trend?
Uit navraag bij het College voor de Rechten van de Mens blijkt dat het College sinds 2020 14 keer heeft geoordeeld over de vraag of sprake was van onderscheid op grond van godsdienst bij de werving en selectie of de beëindiging van een dienstverband. Het College oordeelde in zes zaken dat sprake was van verboden onderscheid op grond van godsdienst. De cijfers laten geen trend zien.
De Raad voor de Rechtspraak heeft desgevraagd laten weten dat het niet mogelijk is om zaken te filteren die gaan over ontslag of conflicten rond werkweigering gelinkt aan geloofsovertuiging.
Bent u bereid samen met sociale partners te bekijken of aanpassing van wet- of regelgeving nodig is om zowel vrijheid van godsdienst als uitvoerbaarheid van werk te borgen, zonder dat werkgevers worden blootgesteld aan disproportionele risico’s?
Met inachtneming van de geformuleerde antwoorden, zien wij op dit moment geen reden om wet- en regelgeving aan te passen.
Bent u bereid een juridische verkenning te starten naar de mogelijkheden om werkgevers meer duidelijkheid en ruimte te bieden binnen de huidige wet- en regelgeving om in te grijpen wanneer handelingen of beperkingen die voortvloeien uit een geloofsovertuiging de uitvoering van werkzaamheden of de representativiteit binnen het werk belemmeren?
Wij vinden, met inachtneming van de hierboven geformuleerde antwoorden, dat de juridische kaders toereikend zijn.
Het bericht ‘Dit jaar al 500 nepagenten aangehouden, vier keer meer dan in 2023’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er dit jaar al 500 nepagenten zijn aangehouden, vier keer meer dan in 2023? Wat is uw eerste reactie op deze stijging?1
Ja, het is ongewenst dat er zo veel criminelen zijn die zich voordoen als agent. Ik ben wel blij dat de politie hier veel aandacht voor heeft en daarom zo veel nepagenten heeft kunnen opsporen en aanhouden.
In hoeverre hangt de stijging van het aantal aangehouden nepagenten samen met deze gerichte en intensieve inzet van de politie, zoals u in 2024 aangaf?2
De politie zet meer in op heterdaad bij meldingen over nepagenten. Hierdoor kan vaker succesvol opgespoord worden. Door de werkwijze van de daders haalt de politie vooral veel succes bij het opsporen en aanhouden van de nepagenten die aan de deur staan.
De politie heeft afgelopen zomer via een succesvolle publiekscampagne met Omroep Max ingezet om meer maatschappelijke bewustwording te creëren en mensen te behoeden. In deze publiekscampagne is uitgedragen actief het alarmnummer 112 te bellen en daarnaast te verifiëren of er nepagenten aan de deur staan. Sindsdien wordt 112 ook daadwerkelijk vaker gebeld. Dat kan het hoge aantal aanhoudingen (deels) verklaren.
Hoe ontwikkelt het aantal meldingen en aangiften van deze criminaliteitsvorm zich op dit moment?
Het aantal aangiftes en meldingen van nepagenten blijft nog altijd stijgen.
Deelt u de zorgen van de CDA-fractie dat een dergelijke toename duidt op nóg professionelere en georganiseerde criminele bendes die deze vorm van oplichting gebruiken? Zo ja, welke structurele tegenmaatregelen zijn volgens u per direct nodig?
Ja, ik vind het zorgelijk dat het aantal incidenten met nepagenten stijgt. Daarom ben ik, in lijn met de motie Boswijk en Mutluer3, aan het onderzoeken of oplichting in eigen woning door nepagenten zwaarder bestraft kan worden.
Daarnaast is het van belang dat de politie door gaat met bewustwordingsacties bij groepen die vaak slachtoffer worden van nepagenten. Een goed voorbeeld hiervan is de campagne samen met Omroep Max.
Hoe verklaart u de in het artikel genoemde sterke regionale verschillen, en welke lokale factoren of criminele patronen liggen hier volgens u aan ten grondslag?
Er is geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van deze verschillen.
Worden slachtoffers in 2025 daadwerkelijk sneller en vaker geholpen en hoe beoordeelt u de effectiviteit van deze campagnes, gezien uw antwoorden op de eerdere schriftelijke vragen van het lid Boswijk dat slachtoffers vaak schaamte ervaren en dat campagnes gericht zijn op het vergroten van de aangiftebereidheid?3
Er is dit najaar een evaluatie uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau naar de effectiviteit van de publiekscampagne met Omroep Max die is gestart op 11 juli 2025. De primaire doelgroep van de campagne wordt gevormd door senioren in de leeftijd van 70+, de secundaire doelgroep bestaat uit hun omgeving (zoals (klein)kinderen). Het bereik van de campagne onder de doelgroep 70+ is hoog.
Het doel van de campagne was bewustwording en handelingsperspectief vergroten bij senioren, voor het geval ze met nepagenten te maken krijgen. De uitkomsten van dit onderzoek wijzen erop dat de campagne hierin slaagt. De politie ziet dat mensen die de campagne al eerder hebben gezien (dus vóórdat zij ermee in het onderzoek werden geconfronteerd) zich inderdaad bewuster zijn van het gevaar van nepagenten en beter weten wat ze moeten doen als zij hiermee te maken krijgen.
De 70-plussers die de campagne al voor het onderzoek hadden gezien, geven daarbij vaker aan direct 112 te bellen, een handelingsadvies dat expliciet in de campagne werd genoemd.
Het landelijke protocol #digitp, waarbij er bij meldingen van digitale criminaliteit (waaronder nepagenten) zoveel als mogelijk politiemensen naar een melder toegaan om hulp te bieden en mogelijke sporen veilig te stellen zorgt voor snellere en betere hulp aan slachtoffers op het moment dat zij die het meeste nodig hebben. Dit protocol wordt doorlopend bijgesteld op basis van de ervaringen van zowel politie als burgers.
Het schaamte-element is helaas zeer hardnekkig. Zowel in het contact met slachtoffers als in berichtgeving (zoals campagnes) probeert de politie te benadrukken dat schaamte begrijpelijk is, maar niet nodig, en dat dit iedereen kan overkomen. Dit is echter een culturele verandering in hoe de maatschappij naar deze criminaliteit en de slachtoffers kijkt en zal dus blijvend aandacht nodig hebben.
Acht u, gezien de explosieve stijging van nepagenten, de huidige strafbaarstelling nog wel toereikend genoeg, aangezien u heeft aangegeven dat het dragen van een strek lijkend uniform niet strafbaar is, tenzij het tot verwarring leidt?
Ik verwijs u naar mijn reactie op de motie Boswijk c.s. in het tweede halfjaarbericht politie 2025.6
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Boswijk-c.s. over het verruimen van de strafbaarstelling van verkoop en aanschaf van neppe politie-uniformen?4
Zie antwoord vraag 7.
Welke verklaringen heeft u voor het feit dat juist ouderen opnieuw het grootste doelwit lijken te zijn?
Criminelen gebruiken diverse werkwijzen om mensen geld afhandig te maken. Alle doelgroepen zijn doelwit, maar met een werkwijze die past bij de belevingswereld van die doelgroep.
Voor ouderen speelt het aspect autoriteit (zoals bankmedewerkers en politie) een grote rol. Ouderen hebben daarnaast vaker meer vermogen (vaak ook in huis), dure sieraden en kunst. Hier past een vorm van oplichting bij waarbij je dat geld, sieraden, en goederen op gaat halen.
Jongeren worden ook slachtoffer van deze criminelen, maar dan met varianten meer toegesneden op hun belevingswereld: elektronica die niet geleverd wordt, ticketsites die niet bestaan, beleggingsfraude en datingfraude zijn varianten waar de jongere generaties mee geraakt worden.
Wordt de aanpak van deze doelgroep aangepast of geïntensiveerd?
De politie blijft inzetten op diverse vormen van bewustwording en hulpverlening. Ook werkt de politie samen met diverse partijen om de doelgroep vanuit meerdere invalshoeken te benaderen.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om burgers – en specifiek ouderen – beter te beschermen tegen deze misleidende criminelen?
Voorlichting over de manier van opereren door nepagenten is erg belangrijk. Daarnaast is het voor de opsporing van nepagenten van belang dat slachtoffers melding doen wanneer ze vermoeden dat er een nepagent aan de deur staat. Daarom is op www.politie.nl een pagina ingericht met tips over hoe je kan voorkomen dat je slachtoffer van nepagenten wordt en een handelingsperspectief als je slachtoffer bent geworden. Ik vind het belangrijk dat deze tips verspreid worden onder ouderen. Daarom zijn publiekscampagnes zoals die van afgelopen zomer met Omroep MAX erg waardevol.
De aanhoudende ICT-problematiek bij het Openbaar Ministerie (OM) |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 11 november 2025 aan het College van Procureurs-Generaal (het College), kent u de reactie van het College op die brief1 en kent u de brandbrief van 20 november 2025 uit naam van 2.850 OM-medewerkers van het «Comité OM onder druk» aan het College?2 En kent u de eerdere frustraties van OM-medewerkers over de hardnekkige ICT-problemen (toespraak voorzitter van het College van 13 mei 2024)3
Ja.
Herinnert u zich de eerdere berichten «Misdaadregistratie loopt vast door gammele ICT bij OM»4, het bericht «Openbaar Ministerie heeft problemen op zittingen door «ernstige computerstoring»»5 en het bericht «Een op de vier werknemers van OM kan niet werken door ICT-problemen»?6
Ja.
Herinnert u zich de mondelinge vragen van het lid Lahlah over ICT-problemen bij het OM (mondeling vragenuur 23 april 2024) en andere antwoorden op vragen vanuit de Tweede Kamer over eerdere ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) waaronder uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mutluer over de blijvende ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie?7
Ja.
Deelt u de mening dat uit bovenstaande berichten blijkt dat er bij het OM al veel te lang sprake is van structurele problemen met de ICT waardoor het werk door OM-medewerkers ook al te lang belemmerd wordt en tot frustratie en gevoelens van onbegrip leidt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind dat de medewerkers van het OM in hun werk al te lang worden gehinderd door slecht functionerende ICT en betreur dit zeer.
Deelt u de mening dat er ondanks de al jaren durende problemen met de ICT bij het OM geen of nauwelijks verbetering is opgetreden? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan het tegendeel? En zo nee, hoe komt het dan dat de laatste maanden er sprake is van snel groeiende ontevredenheid bij OM-medewerkers en ze uitgeput en gefrustreerd raken omdat concrete maatregelen om de ICT duurzaam op orde te krijgen uitblijven en de werkdruk onverminderd hoog blijft?
Ja, ik deel de mening dat er voor de medewerkers in ieder geval niet genoeg zichtbare verbetering heeft plaatsgevonden. De ICT-inbreuk in juli 20258 heeft de problemen – in ieder geval tijdelijk – nog eens vergroot. De snel gegroeide ontevredenheid is daarmee goed verklaarbaar en terecht.
Schrikt u ook als u moet lezen dat een zeer groot en representatief deel van de OM-medewerkers constateert dat zij niet langer op een verantwoorde wijze hun werk kan doen en dat de staat van de rechtsstaat in het geding is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de ICT-problemen bij mij bekend zijn, vind ik het erg vervelend en betreur ik dat zo veel medewerkers hier zo veel hinder van ondervinden.
Wat is er gebeurd na uw toezegging om het OM te vragen om voor het zomerreces van 2024 te komen met een plan met concrete maatregelen om de werkdruk bij het OM te verminderen, zowel door investeringen in het personeel als door het bieden van technologische oplossingen die specifiek gericht zijn op het stroomlijnen van werkprocessen?
De implementatie van het nieuwe wetboek vraagt inderdaad aanpassingen van de ICT. De ICT-opgave van het OM is in relatie tot het nieuwe wetboek groot. Op dit moment wordt door alle ketenorganisaties uitgegaan van inwerkingtreding van het nieuwe wetboek op 1 april 2029. Ook de planning van het OM is daarop gericht. Het OM kan op dit moment voor de ICT echter geen garanties geven ten aanzien van de haalbaarheid van deze planning. Het OM inventariseert momenteel de effecten van de recente ICT-problemen. Verwacht wordt dat de eventuele effecten daarvan, waaronder die met betrekking tot de implementatie van het nieuwe wetboek, in het voorjaar van 2026 bekend zijn.
Erkent u dat de stress en druk bij het OM-personeel leidt tot achterstanden en onvolkomenheden in dossiers? Zo ja, kunt u concreet beschrijven hoe dit de problematiek het functioneren van de strafrechtketen aantast? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde brieven van de NVvR en het Comité OM onder druk?
De dagelijkse ICT-problemen hinderen het werk en leiden daarmee tot een hogere werkdruk. Dit zou, hoewel dit niet in kwantitatief opzicht inzichtelijk is te maken, een negatief effect kunnen hebben op de prestaties van het OM. De ICT-inbreuk heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe voorraden en zal daarmee waarschijnlijk een tijdelijk negatief effect hebben op de doorlooptijden. De mate waarin de kwantitatieve ketendoelstellingen hierdoor worden beïnvloed is nog niet bekend. Het College van procureurs-generaal herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, het Comité, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek.
Kunt u inzichtelijk maken welke primaire processen momenteel niet naar behoren functioneren binnen het OM als gevolg van de door medewerkers aangekaarte problematiek? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag nadrukkelijk ook informatie vanuit OM-medewerkers betrekken die dagelijks geconfronteerd worden met de ICT-problemen?
Op dit moment hebben de OM-medewerkers in alle (primaire) processen geregeld te maken met ICT-verstoringen. Er zijn inmiddels verschillende concrete maatregelen genomen die moeten helpen de werkdruk bij het OM te verlichten en het werkplezier te vergroten. Het College is hierover in gesprek met de Ondernemingsraad en met de leiding van de OM-onderdelen. Er is uitgebreidere monitoring ingericht om de prestaties van de systemen nauwlettend in de gaten te houden. Verdere vernieuwing en verzwaring van de onderliggende infrastructuur is gepland. Vanuit het College en de ICT-organisatie zijn bezoeken gebracht aan alle OM-onderdelen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de directe en urgente ICT-problematiek en de specifieke behoeften van de collega’s op de OM-onderdelen. Op basis daarvan zijn diverse verbeteracties doorgevoerd die de werkprocessen ten goede komen.
Tegelijkertijd blijven zich in de bestaande, verouderde ICT-omgeving van het OM met enige regelmaat nieuwe ICT-incidenten aandienen. Daarom zet het OM naast genoemde kortetermijnmaatregelen ook heel stevig in op structurele oplossingen die weliswaar veel minder snel zijn te realiseren, maar voor het functioneren van de informatievoorziening (IV) en de werkprocessen bij het OM uiteindelijk van fundamenteel belang zijn. Daartoe is een meerjarenplanning in voorbereiding, die als basis zal dienen voor de onderbouwing van de meerjarige financieringsbehoefte van het OM vanwege de noodzakelijke investeringen in de ICT.
Bent u bereid om met de NVvR in overleg te treden om te horen welke gevolgen de ICT-problemen voor de dagelijkse praktijk van het OM, waaronder Officieren van Justitie, hebben? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
De NVvR heeft haar brief aan het College van procureurs-generaal gericht en hierop heeft het College gereageerd. Het College en de NVVR zijn regelmatig met elkaar in gesprek en het is ook in de eerste plaats aan het College om dat gesprek te voeren.
In hoeveel zaken is er sprake van vertraging of veroudering als gevolg van de aanhoudende problematiek? Kunt u dit uiteenzetten per type zaak?
De mate waarin vertraging optreedt in zaken wordt gemeten in doorlooptijden. De ontwikkeling van de doorlooptijden wordt duidelijk bij de publicatie van de cijfers over 2025. Er kan geen causaal verband worden gelegd tussen de doorlooptijd van zaken en de algemene ICT-problematiek. Wel zal de impact van de ICT-verstoring die deze zomer plaatsvond en de nasleep daarvan waarschijnlijk zichtbaar worden in deze cijfers. Als gevolg van de ICT-verstoring en het offline gaan van de OM-systemen, konden nieuwe zaken in de periode van 17 juli tot eind augustus niet vanuit de opsporingsdiensten naar het OM worden overgedragen. Dit had vooral impact op de eenvoudige zaken. Tijdens de ICT-verstoring zijn zwaardere onderzoeks- en ondermijningsmisdrijven handmatig verwerkt en zijn vertragingen in de behandeling van deze zwaardere misdrijven beperkt gebleven.
Kunt u nader uiteenzetten of er afdelingen binnen het OM onevenredig hard worden geraakt door de problematiek en welke dat zijn? Heeft dit als gevolg dat sommige soorten zaken meer vertraging en veroudering oplopen dan andere soort zaken?
Zoals hiervoor aangegeven hebben alle medewerkers te maken gehad met de ICT-problematiek. De ICT-inbreuk heeft effect gehad op de voorraden en doorlooptijden. Uit het landelijk zaakvolgsysteem blijkt dat de omvang van de voorraden («voorraadbak intake OM») vanaf de datum van de ICT-inbreuk sterk is toegenomen. Deze voorraden zijn in het vierde kwartaal van 2025 aangepakt; het OM verwacht dat deze extra voorraad in het eerste kwartaal van 2026 is weggewerkt.
In hoeverre komt de door het College zelf opgelegde taakstelling om de benodigde ICT-investeringen te kunnen doen ten koste van andere taken van het OM en het welzijn de OM-medewerkers?
Om de ICT structureel te verbeteren, zijn de komende jaren investeringen nodig. Daarnaast nemen de instroom en productie af, lopen tijdelijk beschikbaar gestelde middelen af en nemen structurele kosten van het OM toe. Kortom: het OM staat voor de opgave om de financiële positie structureel te versterken.
Alle OM-onderdelen moeten dus in hun begroting voor 2026 rekening houden met minder geld. Hen is door het College daarom gevraagd aan te geven welke maatregelen nodig zijn en welke consequenties dit heeft. Voor 2026 ligt de nadruk op bewuster, slimmer en efficiënt omgaan met middelen, zowel financieel als in de verdeling van het werk. Samen met de OM-onderdelen is gezocht naar effectieve aanpak om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Het is aan de leiding van de OM-onderdelen om binnen die financiële kaders voor 2026 verstandige keuzes te maken: wat wel kan worden gedaan en wat niet. Intussen blijf het College in goed in contact met de OM-onderdelen en wordt het welzijn van de OM-medewerkers goed in de gaten gehouden.
Deelt u de mening dat deze taakstelling niet zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk bij het OM of het beter functioneren van het OM als organisatie? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dan zorgen voor meer financiële armslag voor het OM? Zo nee, waarom niet?
Het College heeft geoordeeld dat het noodzakelijk en verantwoord is om de taakstelling op te leggen. Het College heeft samen met de leiding van de OM-onderdelen gezocht naar manieren om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Hiermee maakt het OM financiële middelen vrij om zelf bij te dragen aan de noodzakelijke investeringen in het versterken van de ICT. Beter functionerende IV zal op langere termijn onder andere een positief effect hebben op de werkdruk. Het College blijft in goed contact staan met de OM-onderdelen. Waar de OM-onderdelen vastlopen, zal het College bezien of er financiële ruimte kan worden vrijgemaakt gedurende het jaar. Voor wat betreft de ICT-problematiek maakt het College inzichtelijk welke investeringen de komende jaren nodig zijn. Hierover ga ik het gesprek aan met het OM. Ik kan nog niet vooruitlopen op mogelijke oplossingsrichtingen.
Zorgen de ICT problemen er voor dat slachtofferrechten bij strafzaken in geding komen? Kunt u onderbouwen, en kan het OM bevestigen, dat deze rechten momenteel niet in het geding zijn? Kunnen het OM en u waarborgen dat alle slachtoffers van strafzaken hun bestaande rechten ten volle kunnen uitoefenen? Zo nee, kunt u in overleg met het OM specifieke verbeteringen doorvoeren zodat hier zo spoedig mogelijk wél sprake van is?
Zoals hiervoor aangegeven heeft de offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM geleid tot vertragingen en werken het OM en partners in en rondom de strafrechtketen hard om deze in te lopen. Er is momenteel sprake van een verhoogde werkvoorraad, waardoor het uitsturen van het wensen- en het schadevergoedingsformulier aan slachtoffers langer op zich laat wachten. Er zijn op dit moment echter geen signalen bij het OM bekend dat de slachtofferrechten in het geding komen. Zo wel dan zal het OM hier voortvarend mee aan de slag gaan.
Ondervinden het OM-personeel of andere partners in de strafrechtketen op dit moment nog de gevolgen van de in de afgelopen zomer ontstane verstoring van het ICT-systeem van het OM? Zo ja, welke concrete gevolgen betreft dit?
Zie mijn antwoorden op de voorgaande vragen; er zijn door de ICT-inbreuk onder meer voorraden ontstaan die deels nog moeten worden weggewerkt.
Deelt u de mening dat de overgang en implementatie van het nieuwe wetboek van Strafvordering ook aanpassingen van de ICT systeem van het OM vergt? Acht u het OM in staat om tijdig voor een goed functionerende overgang en implementatie te zorgen? Zo ja, welke stappen zijn en worden daarvoor gezet en hoe is de voortgang daarvan? Zo nee, waarom niet en wat is er dan nog meer nodig?
Hoe gaat u de «vinger aan de pols» van het OM houden8 en wat gaat u doen op het moment dat u moet constateren dat de ICT-problemen nog altijd niet afdoende en tijdig worden opgelost?
Ik bespreek de ICT-problematiek zeer regelmatig met onder meer het College van procureurs-generaal en ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen. Ik laat mij niet uit over eventuele in de toekomst door mij te nemen maatregelen.
Bent u nog steeds van mening u geen rol zou hebben bij het oplossen van de problemen bij het OM?9 Zo ja, waarom en waaruit leidt u af dat dat de OM leiding nu wel zelf in staat zou zijn om de langdurige structurele ICT problemen op te lossen? Zo nee, welke rol gaat u dan wel spelen? En zo nee, bent u bereid daar desnoods uw algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens het OM voor te gebruiken?10
Het is in de eerste plaats aan het College van procureurs-generaal om de problemen met de ICT op te lossen. Uiteraard word ik van de voortgang op de hoogte gebracht en wordt er vanuit mijn departement meegedacht en ondersteuning geleverd. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en laat mij niet uit over eventuele in de toekomst te nemen maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘3000 medewerkers Openbaar Ministerie sturen brandbrief over ICT-problemen’ |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe dit probleem rondom de ICT zo uit de hand heeft kunnen lopen? Waar heeft men het de afgelopen jaren laten liggen?1
Zoals mijn ambtsvoorganger al eerder aan uw Kamer heeft toegelicht,2 kampt het OM met verouderde systemen. Hiernaast heeft het OM onder meer te maken gehad met de ICT-inbreuk3 in juli 2025 en slecht functionerende kantoorautomatisering. De combinatie van onder meer deze factoren heeft geleid tot de huidige situatie.
Heeft het Openbaar Ministerie (OM) inzichtelijk hoeveel procent van de tijd medewerkers van het OM bezig zijn met ICT-gerelateerde zaken in plaats van het werk waarvoor zij eigenlijk zijn ingehuurd? Zo ja, kunt u dit met ons delen?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Op welke wijze werkt het OM aan het herstellen en verbeteren van de ICT-infrastructuur?
Door het OM wordt onafgebroken gewerkt aan het herstellen en verbeteren van de ICT-infrastructuur. Dit is een meerjarig traject, ingestoken langs de lijn van vijf thema’s: betrouwbare IV-dienstverlening, digitale weerbaarheid, modern en flexibel IT-landschap, toegankelijke en betekenisvolle informatie, volwassen IV-organisatie.
Het herstel van de ICT-infrastructuur naar aanleiding van de ICT-inbreuk is in een afrondende fase. Het herstel van de thuiswerkfunctionaliteit en de mobiele toegang tot mail en agenda zijn afgerond en de meeste medewerkers zijn inmiddels in staat om thuis te werken. In het kader van het verder verbeteren van de bestaande IV-dienstverlening aan de medewerkers volgt het OM twee sporen. Namelijk het spoor voor de korte termijn, waarbij beschikbaarheid en continuïteit de hoogste prioriteit heeft. Het tweede spoor ziet op meerjarige fundamentele verbeteringen. De komende jaren wil het OM een forse inhaalslag maken op onder meer de kantoorautomatisering en de infrastructuur voor de IV. Het OM maakt inzichtelijk welke financiële structurele middelen hiervoor nodig zijn.
Hoe verhoudt dit zich tot de brandbrief waarin gesteld wordt dat er investeringen nodig zijn voor de ICT-infrastructuur?
Het College van procureurs-generaal maakt inzichtelijk welke investeringen nodig zijn om de ICT op orde te brengen. Zoals de Staatssecretaris van JenV tijdens het vragenuur op 25 november 2025 heeft toegezegd wordt u hiervan voor de behandeling van de begroting van JenV op de hoogte gebracht.
Deelt u de mening van de indieners van de brandbrief dat er investeringen nodig zijn in de ICT-infrastructuur? Zo ja, welke investeringen zijn er nodig om op zo kort mogelijke termijn de ICT-infrastructuur op orde te krijgen en hoe valt dit te rijmen met de eerder gealloceerde middelen?
Voorgaande kabinetten hebben al de nodige middelen aan het OM verstrekt ten behoeve van investeringen in de ICT. Het OM maakt nog inzichtelijk welke investeringen op termijn nodig zijn en u wordt hierover nog schriftelijk geïnformeerd.
Heeft de verhoogde werkdruk binnen het OM ook effect op de verzuimcijfers? Zo ja, hoe ziet deze ontwikkeling eruit? En wat doet het OM concreet om dit te mitigeren?
Het verzuimcijfer van het OM was in de jaren 2020–2024 stabiel op circa 5%. In 2025 is het verzuimcijfer bij het OM opgelopen, met name in de maanden van de ICT-inbreuk. Het is aannemelijk dat dat komt door de verhoogde werkdruk als gevolg van de ICT-verstoringen, mede omdat de verzuimcijfers van de maanden juli tot oktober 2025 hoger zijn dan dezelfde periode uit voorgaande jaren. Kanttekening hierbij is dat het algemene verzuimcijfer in Nederland volgens CBS-analyses ook een lichte verhoging laat zien in 2025. Het voortschrijdend inzicht laat zien dat het verzuim in 2025 hoger gaat uitkomen dan de eerdergenoemde 5%. De verzuimcijfers laten nu een verwacht gemiddeld verzuim zien van rond de 6%.
In hoeverre hebben de problemen rondom de ICT consequenties voor de strafbeschikkingen die bij het OM lopen?
De problemen met de ICT hebben geen consequenties voor de toepassing van de strafbeschikking.
Welke maatregelen worden er getroffen om fouten te voorkomen? En in hoeverre wordt er gekeken naar extra maatregelen om het risico op fouten zoveel mogelijk in te dammen? Zo ja, welke?
Het OM werkt op alle niveaus en in alle geledingen doelbewust en doelgericht aan verbeteringen in de betrouwbaarheid van de processen en systemen. Er zijn verschillende programma’s, projecten en initiatieven die daar een directe of indirecte bijdrage aan leveren. Soms is de verandering direct heel zichtbaar, door een aanpassing in de organisatiestructuur, een andere werkwijze in het werkproces of de vervanging van een systeem. Ook worden er bijvoorbeeld maatregelen genomen om de werkdruk te verminderen en wordt gewerkt aan maatregelen die het risico op fouten moet doen verminderen op het niveau van de IT-infrastructuur (zie ook het antwoord op de vraag 3).
Hoe kijkt u aan tegen het verwijt van de indieners van de brandbrief dat er een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» ontbreekt vanuit de top van het OM?
De brandbrief van de medewerkers is gericht aan het College van procureurs-generaal. Het College herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek. Het is aan het College om hierop te reageren. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en zal het College daar waar nodig bij ondersteunen.
Ziet u voor zichzelf een rol om een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» te laten horen richting de medewerkers van het OM? Zo ja, hoe wilt u dit invullen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil vooropstellen dat ik het ontzettend vervelend vind dat de medewerkers van het OM in hun werk gehinderd worden door slecht functionerende ICT. Het is echter primair aan het College om de zorgen van de medewerkers te adresseren. Het College is daarover met de Ondernemingsraad, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek. Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit zelf te doen, mede omdat ik het College voldoende in staat acht om de problemen op te lossen.