Het in behandeling nemen van aangiften door de politie |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Is er over de afgelopen tien jaar een verband waar te nemen tussen het sluiten van politiebureaus en het aantal aangiften dat wordt gedaan?
Is er een verband tussen het capaciteitsprobleem bij de politie en het opnemen van aangiften?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als mensen aangifte willen doen en dat de mogelijkheid tot het doen van aangifte dagen op zich laat wachten?
Hoeveel politiecapaciteit is er beschikbaar om fysieke aangiften op te nemen, in vergelijking met de voorgaande vijf jaren?
In welk opzicht komt een fysieke of online gedane aangifte overeen en wat zijn de verschillen?
Kunt u een overzicht geven van aangiften opgesplitst naar fysiek en online en daarbij opnemen of zij in behandeling zijn genomen of geseponeerd?
Bent u van mening dat aangiften gedaan op politiebureaus doorgaans gemakkelijker in behandeling kunnen worden genomen, dan dat zij online worden gedaan? Wordt er nog navraag gedaan naar de aangiften die online worden gedaan, omdat zij mogelijk bepaalde informatie missen?
Op basis waarvan beslist de politie of een zaak prioriteit krijgt?
Worden bepaalde soorten misdrijven structureel minder opgepakt?
Is er inzicht voor burgers waarom een zaak wel of niet opgepakt wordt?
Waarom wordt men aangeraden bij het onderwerp «Ik ben slachtoffer van huiselijk geweld, wat moet ik doen?» vermeld op de website van de politie, om contact op te nemen met Veilig Thuis, de Kindertelefoon of de huisarts en niet de politie? Waarom wordt hier niet vermeld dat men aangifte kan doen? Deelt u de mening dat dit slachtoffers ontmoedigt om aangifte te doen van huiselijk geweld?
Hoeveel mensen die kunnen beschikken over een DigiD hebben een DigiD?
Klopt het dat toeristen geen online aangifte kunnen doen, nu zij niet beschikken over een DigiD?
Welke eisen worden aan de medewerker van de politie gesteld welke bevoegd is aangiften op te nemen? En wordt de politie gecontroleerd op het opnemen van aangiften?
Het artikel 'Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar»?1
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke taak volgens u prioriteit heeft?
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende zijn opgevolgd?2
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor komt dit?
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van strafbare feiten?
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke criteria gebeurt dit?
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren, zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers, doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen reactie is ontvangen vanuit het OM?
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals opgenomen in de landelijke afspraken?
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg, en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt dit ook bij aan personeelstekorten?
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd aangifte te doen?
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de politie hier voldoende bekend mee?
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en in de aanpak van personeelstekorten?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig voelen om hun werk te blijven doen?
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Mogelijke stemfraude bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gorinchem. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in Gorinchem vermoedens bestaan van stemfraude met volmachten bij de recente gemeenteraadsverkiezingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk op grote schaal gebruik is gemaakt van volmachten, waaronder situaties waarin meerdere volmachten op vergelijkbare wijze waren voorbereid?
De mogelijkheid om te stemmen bij volmacht wordt in ons land breed gedragen, omdat het bijdraagt aan de toegankelijkheid van verkiezingen: mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen, krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. 54% van de kiezers die bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 een volmacht heeft afgegeven zou niet zijn gaan stemmen als machtigen niet mogelijk was.2 Dit laat zien dat het stemmen per volmacht een toegevoegde waarde heeft in ons verkiezingsproces; het zorgt dat er geen stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
De mogelijkheid om bij volmacht te stemmen brengt echter ook kwetsbaarheden met zich mee, zoals dat kiezers onder druk gezet kunnen worden om hun volmacht af te geven. Internationale waarnemers hebben bij eerdere verkiezingen ook op deze risico’s gewezen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. De wettelijke strafbepalingen zijn op dit onderwerp recent nog aangescherpt. Hiervoor is 1 januari jl. een wetswijziging3 in werking getreden (Stb. 2025, 272) waarbij de delictsomschrijving is aangescherpt en de strafmaat is verhoogd. Ook is er voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen extra ingezet op aanvullende voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers.
Wanneer er sprake is van een hoog percentage volmachten bij een stemlokaal kan dit een aanwijzing zijn voor mogelijke risico’s zoals ronselen. Daar kan echter niet op voorhand vanuit gegaan worden. Er kunnen ook andere verklaarbare factoren zijn: bij stemlokalen in de buurt van verzorgingscentra worden bijvoorbeeld vaker stemmen bij volmacht uitgebracht dan bij andere stemlokalen. In de praktijk zien we dat concrete aanwijzingen van onregelmatigheden zoals ronselen worden gesignaleerd en dat dit leidt tot aangifte en onderzoek door het Openbaar Ministerie (hierna: OM). De politie en het OM doen op dit moment onderzoek naar de gebeurtenissen rond de gemeenteraadsverkiezing in Gorinchem. Op de uitkomsten van dit onderzoek kan ik niet vooruitlopen. Als uit dat onderzoek blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van ronselen, is dat strafbaar en is het aan de rechter om hierover te oordelen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Zijn er signalen dat vergelijkbare praktijken met betrekking tot volmachtstemmen ook in andere gemeenten hebben plaatsgevonden? Zo ja, waar en wordt hier ook onderzoek naar gedaan?
Er zijn geen andere signalen bij mij gemeld. Wanneer er sprake is van vergelijkbare praktijken in andere gemeenten is het aan het betreffende college om aangifte te doen, zodat de signalen kunnen worden onderzocht.
In hoeverre acht u het zorgwekkend dat op één stembureau een relatief hoog aantal volmachten is uitgebracht (circa 135 op 650 stemmen)?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het huidige systeem van stemmen bij volmacht kwetsbaar is voor misbruik? Zo ja, welke risico’s zijn hierbij bekend? Hoe worden deze risico’s op dit moment aangepakt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre komt misbruik van volmachten vaker voor bij verkiezingen in Nederland en wordt dit structureel gemonitord?
De omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in Nederland lijkt in de praktijk beperkt. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan vanwege ronselen.
Er is geen actuele monitoring ingericht waarin het misbruik van volmachten structureel op een plek wordt bijgehouden. Iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst. Gemeenten en stembureaus hebben een belangrijke rol in het signaleren van mogelijke onregelmatigheden tijdens verkiezingen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. Als er signalen van ronselen zijn, dient de betreffende gemeente aangifte te doen. Dat is ook in Gorinchem gebeurd.
Deelt u de zorg dat situaties waarin kiezers worden benaderd om hun volmacht af te geven het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het initiatief om een volmacht af te geven moet altijd bij de kiezer zelf liggen. Wanneer kiezers worden benaderd of zelfs onder druk worden gezet om hun volmacht af te geven, ligt dit initiatief niet langer bij de kiezer maar bij de persoon die de volmacht probeert te bemachtigen. Dit kan worden gekwalificeerd als ronselen en is schadelijk voor het vertrouwen in het verkiezingsproces. Om die reden is de strafbaarstelling en strafmaat voor ronselen recent aangescherpt.
Welke rol spelen kandidaten of politieke partijen bij het verzamelen van volmachten en waar ligt de grens tussen legitieme ondersteuning en ongewenste beïnvloeding?
Het komt voor dat politieke partijen bemiddelen tussen kiezers die een volmacht willen afgeven en potentiële gemachtigden. Dit kan handig zijn voor kiezers die zeker willen weten dat de gemachtigde op de partij van hun keuze gaat stemmen. Deze praktijk is toegestaan, mits het initiatief nog altijd bij de kiezer zelf ligt om contact op te nemen met de politieke partij, zodat een gemachtigde kan worden aangewezen en de kiezer dus ook weet wie de volmachtnemer is. Zodra politieke partijen of individuele kandidaten zelf kiezers benaderen om hen te bewegen hun volmacht af te geven, is er sprake van ronselen. Het is dus van belang om deze grens scherp voor ogen te houden.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige systeem van volmachtstemmen moet worden aangepast of aangescherpt om fraude en beïnvloeding tegen te gaan?
Iedere verkiezing wordt uitgebreid geëvalueerd met als doel te onderzoeken welke verbeteringen in het verkiezingsproces mogelijk zijn. De casus in Gorinchem wordt betrokken bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen. Daarbij wordt bezien of en zo ja hoe de regels over het gebruik van volmachten moeten worden aangescherpt.
Welke vervolgstappen worden overwogen indien uit het onderzoek blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van stemfraude en wat betekent dit voor de geldigheid van de verkiezingsuitslag in Gorinchem?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te bepalen welke vervolgstappen passend zijn wanneer er sprake is van het ronselen van volmachten of andere vormen van stemfraude in Gorinchem. De gemeenteraad van Gorinchem heeft op 31 maart jl. besloten de nieuw verkozen leden niet toe te laten en een herstemming te organiseren. Inmiddels is bekend dat deze herstemming plaatsvindt op 29 april aanstaande. De gemeenteraad heeft hiertoe besloten omdat er te veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de stemming, nu er een onderzoek loopt naar mogelijke verkiezingsfraude door de politie en het OM.
Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en eventuele bredere implicaties voor toekomstige verkiezingen?
Zie antwoord vraag 9.
De politiepublicatie 'Game Over?!' en het profiel van verdachten van bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de politiepagina «Game Over?!», waarin tientallen verdachten van onder meer bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken herkenbaar in beeld worden gebracht?1
Ja
Herkent u een bepaald daderprofiel bij deze daders? Zo ja, hoe ziet dit profiel eruit? Zo nee, worden wij dan bedrogen door onze eigen ogen?
Zoals de campagne heeft laten zien zijn nepagenten en fraudeurs een groot probleem, met soms ingrijpende gevolgen. Niet alleen in verband met de financiële gevolgen van oplichting, maar ook het verlies van de samenleving in het vertrouwen dat je de deur kan openen of gegevens kan delen. Dit kabinet geeft prioriteit aan de aanpak van criminaliteit die burgers raakt, zowel offline als online. Met de actie Game Over?! wil de politie zaken oplossen, oplichters aanpakken, criminele netwerken verstoren en laten zien dat deze criminaliteit niet zonder gevolgen blijft. In het strafrecht staat het handelen van een verdachte centraal. Herkomst, culturele achtergrond of geloof spelen geen rol.
Kunt u bevestigen dat binnen deze dadergroep sprake is van oververtegenwoordiging van mensen met een bepaalde herkomst? Zo nee, waarom wordt hier niet explicieter over gerapporteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt in publieke communicatie over deze criminaliteit terughoudend omgegaan met het benoemen van daderprofielen, terwijl dit relevant is voor preventie en bewustwording?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is er bij dit type criminaliteit sprake van georganiseerde structuren en welke rollen worden daarin onderscheiden? Indien sprake is van georganiseerde structuren, zijn deze duidelijk in beeld bij de politie?
Bij oplichtingen door nepagenten is meestal sprake van een georganiseerde structuur met een aantal rollen. De meeste fraudes verlopen volgens een vast stramien en met een vaste rolverdeling. De rollen die je kunt onderscheiden zijn: de beller, de nepagent, de chauffeur en de coördinator. Deze rollen zijn duidelijk. De «Game Over?!» campagne focust zich specifiek op de rol van nepagent.
Kunt u toelichten in hoeverre bij deze vormen van fraude sprake is van grensoverschrijdende of internationaal georganiseerde criminaliteit? Indien hiervan sprake is, op welke vlakken schieten opsporingsbevoegdheden en de samenwerking met andere landen tekort in het aanpakken van deze criminaliteit?
De internationale component verschilt per type oplichting. Bij telefonische helpdeskfraude (waar nepagenten en bankhelpdeskfraude onder vallen) is juist vaak sprake van Nederlandse daders in alle rollen. Vloeiend en netjes Nederlands spreken is een vereiste om geloofwaardig over te komen.
Er is ook een internationale context: Nederlandse daders plegen hun delicten ook in België, zowel het oplichten, als het ronselen van personeel. Ook worden Nederlandse loopjongens ingezet voor oplichtingen in België.
Bent u voornemens de korpschef op te roepen, bij effectiviteit van deze maatregel van publicatie, dit veel vaker in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Politie en Openbaar Ministerie gaan de «Game Over?!» campagne evalueren. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zullen zij beslissen over een vervolg.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over ontwikkelingen in daderprofielen en trends binnen deze vorm van criminaliteit?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert maandelijks de kenmerken van bij de politie geregistreerde verdachten naar incidentsoort. Deze zijn openbaar beschikbaar via de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek.2
De mobiele eenheid voor Utrecht |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dijksma wil eigen ME, Minister geschrokken van impact ongeregeldheden Overvecht op agenten»1 en «Sneller inzetbare ME: waarom Utrecht naar Den Haag en Rotterdam kijkt»2?
Ja.
Op grond van welke criteria wordt bepaald of een stad een eigen paraat peloton van de Mobiele Eenheid (ME) krijgt?
In de bijlagen bij de Regeling ME 2025 zijn de basiseenheden, watergetrainde eenheden en specialistische eenheden van de ME verdeeld over de verschillende regionale eenheden en de Eenheid landelijke expertise en operaties. Binnen deze kaders kan elke regionale eenheid zelf besluiten hoe de paraatheid van de ME binnen de regio is georganiseerd. De regeling wijst geen «paraat ME-peloton» toe aan specifieke steden, zoals Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Er zijn ook geen criteria op basis waarvan wordt bepaald of een stad een eigen «paraat ME peloton» krijgt.
Artikel 13, eerste lid, Regeling mobiele eenheid politie 2025 bepaalt dat de korpschef ervoor zorgdraagt dat in iedere regionale eenheid ten minste één sectie van een basiseenheid ME binnen anderhalf uur op de opkomstlocatie aanwezig en gereed voor inzet is. «Gereed voor inzet» betekent dat de leden van de mobiele eenheden de benodigde kleding en uitrusting aan hebben en dat zij gebriefd zijn. Een peloton ME bestaat uit twee secties (artikel 2, lid 4 Regeling mobiele eenheid 2025).3
Het is aan de eenheden zelf om in overleg met de lokale bevoegde gezagen te bepalen of zij een sectie of een peloton ME direct in plaats van binnen anderhalf uur klaar heeft staan voor inzet in een specifieke stad.
Waarom heeft Utrecht geen eigen paraat ME-peloton? Wat betekent dat voor de ME-paraatheid in die stad?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de genoemde politiesocioloog dat een paraat ME-peloton het verschil kan maken bij een effectieve aanpak van ongeregeldheden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het voordeel van een direct inzetbare sectie of peloton ME is dat zij direct naar de locatie kunnen gaan waar een openbare ordeverstoring plaatsvindt. Of en in hoeverre dat een verschil kan maken bij het optreden tegen ongeregeldheden, hangt af van de schaal, de omstandigheden en de complexiteit van de openbare ordeverstoring. De keuze voor een direct inzetbare sectie of peloton ME zal gevolgen hebben voor de beschikbare politiecapaciteit op andere plekken.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat bij gebrek aan een eigen ME-peloton agenten in Utrecht langer moeten wachten op ondersteuning van de ME dan in andere grote steden? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor eerder in het antwoord op vraag 2 en 3 is aangeven, moet in elke eenheid ten minste één sectie ME binnen anderhalf uur inzet gereed zijn. Hoe sneller zo’n sectie of peloton gereed is voor inzet, hoe korter agenten in de Basispolitiezorg moeten wachten op assistentie van de ME. De lengte van de tijdsduur waarbinnen een sectie of peloton binnen een politie-eenheid inzet gereed is op een specifieke locatie of in een stad, is een keuze die op lokaal niveau wordt gemaakt. De burgemeester van Utrecht zal hierover in gesprek moeten gaan met de politiechef en de andere burgemeesters binnen de eenheid. Ik treed daar niet in.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat er ook voor Utrecht een paraat peloton ME beschikbaar moet komen? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u dat bewerkstellingen? Zo nee, waarom niet en hoe wordt er dan wel voor een snellere inzet van de ME in die stad gezorgd?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power» van The New Republic?1
Hoe beoordeelt u het gegeven in het artikel dat het bedrijf Palantir doelbewust inzet op discriminerende aspecten van hun technologie waarmee democratische verhoudingen worden verslechterd?
Welke rol spelen bedrijven als Palantir Technologies momenteel in Nederlandse overheidsprocessen, bijvoorbeeld op het gebied van data-analyse, veiligheid of publieke dienstverlening?
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat technologiebedrijven die nauw samenwerken met overheden of veiligheidsdiensten ook uitgesproken politieke visies hebben over de werking van democratieën?
Hoe is er in de aanbesteding van de software van Palantir nagedacht over de impact van deze samenwerking op de democratie en maatschappij?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van Palantir, wat is de status van de uitvoering van de drie gevraagde actielijnen uit deze motie2?
Kunt u een plan aanleveren om de verschillende functionaliteiten van Palantir waar de Nederlandse overheid gebruik van maakt om te zetten naar volwaardige alternatieven, en welke EU-bedrijven dit kunnen leveren? Zo ja, kan er ook een overzicht gemaakt worden welke EU-bedrijven deze functionaliteiten kunnen leveren, en kunt u de Kamer dit doen toekomen?
Is het kabinet bereid, als de benodigde capaciteiten nog niet op de Europese markt beschikbaar zijn, om te verkennen of de talenten binnen JIVC (Joint Informatievoorziening Commando) benut kunnen worden om de benodigde capaciteiten zelf te ontwikkelen, al dan niet in samenwerking met het Nederlandse of Europese bedrijfsleven?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of aanvullende transparantie- of governance-eisen nodig zijn voor technologiebedrijven die AI-systemen leveren aan overheden, zeker wanneer deze bedrijven ook actief zijn in defensie- en veiligheidssectoren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
De uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek naar drugsgebruik, waaruit blijkt dat Nederland hoog scoort op MDMA en ketamine |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groot rioolwateronderzoek naar drugs: Nederland bovenaan met MDMA en ketamine», waarin wordt bericht over de uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek door het drugsagentschap EUDA?1
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat Nederland tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat het ketaminegebruik in Nederlandse steden volgens dit onderzoek met ruim 40 procent is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar?
Deelt u de zorg dat het sterk toenemende gebruik van ketamine, een middel met aanzienlijke gezondheidsrisico’s, erop kan wijzen dat dit middel in toenemende mate wordt genormaliseerd binnen het recreatieve uitgaansleven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan voor het huidige drugsbeleid?
In hoeverre bevestigen deze cijfers volgens u het beeld dat drugsgebruik in Nederland niet afneemt, maar in bepaalde vormen juist structureel toeneemt? Wat betekent dit voor de inzet van het kabinet op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik?
Hoe verhouden de uitkomsten van dit Europese rioolwateronderzoek zich tot de lopende Nederlandse pilot met rioolwatermetingen om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken?
Bent u bereid om, mede in het licht van deze Europese cijfers, rioolwateronderzoek structureel en landelijk in te zetten als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik te monitoren? Zo nee, waarom niet?
Welk rioolwateronderzoek naar drugsgebruik wordt er op dit moment gedaan en op wiens initiatief?
Welke lessen voor de effectiviteit van het huidige preventie- en handhavingsbeleid trekt u uit het feit dat het onderzoek laat zien dat bij middelen als MDMA en cocaïne sprake is van duidelijke weekendpieken, terwijl bij sommige steden en middelen juist sprake lijkt van meer verspreid gebruik door de week?
Laat de volgende uitkomst volgens u zien dat er sprake is van problematisch drugsgebruik in het uitgaansleven en dat hier maatregelen voor nodig zijn? Welke schade heeft dit gebruik elk weekend voor de veiligheid, gezondheid en het milieu en zijn gebruikers daar bekend mee?
Op welke wijze wordt samengewerkt met gemeenten en andere belangrijke samenwerkingspartners om de uitkomsten van dit soort onderzoeken te vertalen naar gerichte lokale maatregelen om het gebruik van drugs terug te dringen?
Leiden de uitkomsten van dit onderzoek tot andere prioriteiten in preventie, opsporing en handhaving? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik, zoals verslaving en problemen met geheugen en concentratie, met name onder jongeren en jongvolwassenen? Zo ja, welke maatregelen neemt het kabinet om deze risico’s te beperken?
Het bericht ‘Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Bart Bikkers (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat informatie van vrouwen over vruchtbaarheid, hun menstruatiecyclus en (het afbreken van) een eventuele zwangerschap wordt doorverkocht en gedeeld met bedrijven?
Dergelijke informatie zal in de regel kwalificeren als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Als in de hier genoemde gevallen sprake is van een dergelijke doorverkoop zonder expliciete toestemming, en van een onrechtmatige verwerking van dergelijke bijzondere persoonsgegevens, dan vind ik dat verontrustend. Het verwerken van deze persoonsgegevens is immers verboden, tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld2 dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen, zijn naar het oordeel van het HvJEU in beginsel gezondheidsgegevens. De verkoop daarvan aan derde partijen, zonder dat er een mechanisme bestaat dat de klant hiervoor vooraf uitdrukkelijke toestemming laat geven, is in strijd met de AVG.
Het beoordelen van een specifieke situatie is echter aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP is bij uitstek bevoegd om stappen te ondernemen wanneer sprake is van een overtreding van de regels die zijn neergelegd in de AVG. Het kabinet beschikt niet over bevoegdheden om daarover uitspraken te doen en zou op de stoel van de toezichthouder gaan zitten als het dat deed.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze data lijkt te worden gedeeld met landen of bedrijven die zich buiten Europa bevinden en waar vrouwenrechten, zoals het recht op abortus, onder druk staan?
Persoonsgegevens mogen alleen naar zogeheten derde landen (landen buiten de Europese Economische Ruimte) worden doorgegeven als een van de in de AVG genoemde specifieke uitzonderingen van toepassing is. Dat kan het geval zijn als de Europese Commissie (EC) heeft vastgesteld dat dit land een passend beschermingsniveau biedt, of als de doorgifte is voorzien van passende waarborgen en de betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken. De beoordeling hiervan in specifieke gevallen vereist een juridische en feitelijke oordeelsvorming door de onafhankelijke toezichthouder.
Klopt het dat gegevens over onder andere menstruatie, miskramen, zwangerschapstesten en het gebruik van morning-afterpillen volgens de privacywetgeving als bijzondere persoonsgegevens gelden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, klopt het dat deze bijzondere persoonsgegevens niet zonder medeweten van degene waar het om gaat verkocht mogen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u onze zorg dat bedrijven die zichzelf profileren als vóór de vrouwengezondheid en als een betrouwbare partij, terwijl zij zonder uitdrukkelijke toestemming bijzondere persoonsgegevens van gebruikers doorverkopen, misleidend te werk gaan? Zo ja, welke rol ziet u hierbij voor de Autoriteit Consument & Markt of de Autoriteit Persoonsgegevens?
Deze zorg deel ik. Wanneer inderdaad sprake is van onrechtmatige verwerkingen van dergelijke bijzondere persoonsgegevens, dan vind ik dat verontrustend. Voor mogelijke schending van consumenten- en gegevensbeschermingsrecht kunnen gebruikers zich tot de toezichthoudende autoriteit wenden. Voor zover het de naleving betreft van de AVG is dat de AP. De AP kan onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, kan boetes en dwangsommen opleggen alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Met betrekking tot de naleving van het consumentenrecht kan een melding worden gedaan bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de toezichthouders, en waar nodig partners op Europees niveau, om zo snel mogelijk de lichamelijke integriteit van vrouwen en mensen ook digitaal te beschermen zodat voorkomen wordt dat hormonale kwetsbaarheden worden geëxploiteerd voor commercieel gewin, zonder dat vrouwen dat weten? Zo nee, waarom niet?
Het arrest van het HvJEU d.d. 4 oktober 2024 waaraan ik heb gerefereerd in de antwoorden op de vragen 2 en 4, heeft de brede werkingssfeer van de AVG bevestigd door een ruime interpretatie van het begrip «gezondheidsgegevens», door ook online aankopen van receptvrije geneesmiddelen daaronder (en daarmee onder de strikte regels voor bijzondere persoonsgegevens) te brengen. Ik zou niet willen concluderen dat er sprake is van lacunes in de wetgeving; veeleer wringt het bij de naleving daarvan door verwerkingsverantwoordelijken. Het doen van onderzoek daarnaar is als gezegd een taak van de onafhankelijke toezichthouder. Op grond van artikel 52 AVG treedt de AP daarbij volledig onafhankelijk op en blijft zij vrij van al dan niet rechtstreekse externe invloed en vragen, noch aanvaardt zij instructies van wie dan ook. Deze onafhankelijkheid vind ik belangrijk en ik wil deze dan ook niet doorkruisen.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wetgeving afdoende is, of dat er nog aanvullende wetgeving of beleid nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Door de politie georganiseerde iftarbijeenkomsten |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten en op sociale media verspreide video’s waaruit blijkt dat op verschillende locaties iftarbijeenkomsten zijn georganiseerd of gefaciliteerd door de politie, onder meer in of bij politiebureaus, waarbij ook de islamitische gebedsoproep (azan) te horen is?
Klopt het dat er op of bij meerdere politiebureaus iftarbijeenkomsten hebben plaatsgevonden die door of met medewerking van de politie zijn georganiseerd of gefaciliteerd? Zo ja, om welke locaties, data en gelegenheden ging het?
Klopt het dat in het in de video getoonde geval sprake was van een iftarbijeenkomst waarbij de azan werd voorgedragen in aanwezigheid van politieagenten in uniform? Zo ja, wie was verantwoordelijk voor de organisatie en op basis van welke overwegingen is besloten deze bijeenkomst te houden?
Acht u het passend dat in of bij politiebureaus expliciete religieuze uitingen of rituelen plaatsvinden die behoren tot één specifieke godsdienst, terwijl de politie een neutrale vertegenwoordiger van de rechtsstaat behoort te zijn?
Zijn er binnen de politie richtlijnen of protocollen voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarmaaltijden, gebedsmomenten of andere religieuze activiteiten, in politiegebouwen of tijdens politiegerelateerde evenementen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Worden bij dergelijke bijeenkomsten politiecapaciteit, werktijd, faciliteiten of andere publieke middelen ingezet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de aard en omvang van deze inzet?
Zijn er ook voorbeelden bekend waarbij andere religieuze tradities – zoals christelijke, joodse of andere religieuze bijeenkomsten of rituelen – op vergelijkbare wijze door of met medewerking van de politie in politiegebouwen zijn georganiseerd of gefaciliteerd?
Hoe verhoudt het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten zich volgens u tot de vereiste neutraliteit van de politie als overheidsinstelling?
Deelt u de zorg dat het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten door de politie het beeld kan wekken dat de politie zich met een specifieke religie identificeert, en dat dit het vertrouwen in de neutraliteit en onpartijdigheid van de politie bij delen van de samenleving kan ondermijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het wenselijk dat politieagenten in uniform aanwezig zijn bij of deelnemen aan religieuze rituelen of oproepen, zoals het voordragen van de azan, in de context van een door of met medewerking van de politie georganiseerde bijeenkomst?
Bent u bereid te bezien of nadere richtlijnen nodig zijn om te waarborgen dat politiegebouwen en politieactiviteiten een levensbeschouwelijk neutraal karakter behouden?
Is er bekend in hoeverre er onder politieagenten draagvlak bestaat voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, in of bij politiebureaus? Zo ja, wat zijn de uitkomsten daarvan?
Hoe wordt binnen de politie omgegaan met politieagenten die zich levensbeschouwelijk neutraal willen opstellen en daarom niet willen deelnemen aan religieuze bijeenkomsten of rituelen, zoals iftarbijeenkomsten of het bijwonen van religieuze oproepen? Wordt het weigeren van deelname formeel en informeel volledig geaccepteerd?
Kunt u aangeven of er binnen de politie signalen, meldingen of klachten bekend zijn van politieagenten die zich onder druk gezet, ongemakkelijk of bezwaard hebben gevoeld door het organiseren van religieuze bijeenkomsten in of bij politiebureaus?
Zijn er binnen de politie interne discussies, spanningen, ergernissen of vormen van weerstand bekend onder medewerkers met betrekking tot het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, door of met medewerking van de politie?
Het bericht dat ouderen zich in toenemende mate onveilig voelen |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgen bij ouderen om oorlog en fatbikes: 40 procent houdt deur ’s avonds dicht, roep om meer politie op straat»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB waaruit onder andere blijkt dat meer dan de helft van 65-plussers in Nederland van mening is dat hun gemeente onvoldoende doet om te zorgen voor hun veiligheid?
Iedereen moet zich in Nederland veilig kunnen voelen, ook ouderen. Het kabinet streeft ernaar iedereen een veilige en rechtvaardige samenleving te bieden. Ik vind het vervelend dat ouderen in Nederland zich volgens dit onderzoek onveilig voelen.
Ik zou de cijfers wel in een bredere context willen plaatsen. Begin maart verscheen namelijk ook de Veiligheidsmonitor, een grootschalig onderzoek vanuit het CBS waarin ook veiligheidsbeleving is meegenomen.2 Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat 65-plussers zich van alle leeftijdsgroepen juist het minst onveilig voelen.
De cijfers uit het onderzoek van de ouderenbond gaan wel wat breder dan de Veiligheidsmonitor. Zo worden de zorgen van ouderen over bijvoorbeeld financiële problemen, het niet meekunnen in de digitale maatschappij, vallen en autorijden niet meegenomen in de Veiligheidsmonitor.
Wat is uw mening over de bevinding uit het onderzoek dat 40 procent van de ouderen ’s avonds niet meer de deur wilt opendoen als er wordt aangebeld?
De Veiligheidsmonitor geeft hier een wat ander beeld dan het onderzoek van ANBO-PCOB. Uit de cijfers van het CBS blijkt namelijk dat 13% van de 65-plussers de deur ’s avonds niet opendoet.3 Dit percentage ligt echter wel hoger dan bij andere leeftijdsgroepen.
Dat gezegd hebbende, vind ik wel dat ouderen zich ’s avonds in hun eigen huis veilig zouden moeten voelen. In mijn beantwoording van vraag 5 ga ik verder in op acties die ik daarvoor onderneem.
Verder vind ik het in beginsel geen verkeerde zaak dat mensen zelf actie ondernemen om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Verschillende preventiecampagnes vanuit de Rijksoverheid zijn hier ook op gericht.
Deelt u de bezorgdheid van veel ouderen dat zij zich onveiliger voelen dan vroeger, door onder andere oorlogsdreiging, sociale onrust, cybercriminaliteit en verkeersoverlast?
Ik begrijp die zorgen. Voor veel ouderen stapelen verschillende bronnen van onrust zich op: de internationale spanningen komen dichtbij via nieuws en sociale media, in de eigen omgeving is er soms meer sociale frictie, en criminaliteit verschuift deels naar het digitale domein. Ik kan me voorstellen dat dit gevoelens van onveiligheid oproept, ook als de statistieken niet overal en voor iedereen hetzelfde beeld laten zien.
Ik blijf hierover in gesprek met lokale partners. Zo zorgen we er gezamenlijk voor dat we ons niet alleen richten op het verbeteren van objectieve veiligheid, maar vooral op het dagelijkse gevoel van veiligheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid van ouderen te versterken?
Een van mijn prioriteiten is om veiligheid en gezag op straat te versterken. Daar wil ik voor alle Nederlanders op inzetten, dus ook voor ouderen.
Volgens het onderzoek van ANBO-PCOB ziet een groot deel van de ouderen het vergroten van zichtbaarheid en aanwezigheid van politie en wijkagenten als de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan. Dit kabinet wil meer wijkagenten opleiden en inzetten. Daarbij wil ik benadrukken dat niet alleen wijkagenten invulling geven aan de zichtbaarheid en aanwezigheid van de politie in de wijk: dat doen alle agenten in de gebiedsgebonden politie met elkaar. In toenemende mate beschikken agenten over de apparatuur om hun werk op straat of op locatie te kunnen doen. Zo kan ook maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Dit gebeurt met name bij online criminaliteit, zoals bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude. Gezien de grote impact hiervan bezoeken agenten het slachtoffer inmiddels in alle politie-eenheden ook thuis. Verder verwijs ik graag naar de, naar het zich op dit moment laat aanzien, succesvolle campagne Game-over. OM en politie voeren die campagne met als doel om personen die verdacht worden van bankhelpdeskfraude, of het zich voordoen als nepagent, te identificeren en op te pakken. Dit zijn vormen van criminaliteit waarvan met name ook kwetsbare ouderen het slachtoffer worden.
Daarnaast wil ik doen wat ik kan ouderen zich veiliger te laten voelen. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van de Veiligheidsmonitor, heb ik toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en gemeenten zal verkennen waar mogelijkheden liggen om de veiligheidsbeleving te verbeteren, juist ook op lokaal niveau.4 Daarin zal ik specifiek aandacht hebben voor de oudere doelgroep.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ouderen beter te beschermen tegen digitale oplichting?
Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) biedt op de website algemene informatie en advies voor slachtoffers van identiteitsfraude en geeft naar aanleiding van incidenten ook gerichtere informatie middels nieuwsbrieven. Ook dit jaar werk ik gezamenlijk met ketenpartners aan goede voorlichting om ouderen weerbaarder te maken tegen digitale oplichting. Dit jaar staat, net als eerdere jaren, de maand april in het teken van senioren en veiligheid. Onder andere het CMI, de politie, de Nederlandse Vereniging van Banken, Slachtofferhulp Nederland en de Fraudehelpdesk informeerden recentelijk bezoekers van de Senioren Expo en de huishoudbeurs over verschillende fraudevormen, met speciale aandacht voor identiteitsfraude en preventieve maatregelen, waaronder het gebruik van de KopieID-app.
Verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat in Limburg drugscriminaliteit niet alleen toeneemt, maar zelfs openlijk wordt verheerlijkt, onder meer door het in brand steken van auto’s en het verspreiden van beelden daarvan op sociale media?1
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat zware criminaliteit wordt gevierd en verheerlijkt en dat dit een ontwrichtend effect heeft op de samenleving en met name op jongeren?
Hoe beoordeelt u de signalen van de politie dat criminelen in grensregio’s steeds brutaler opereren en zich kennelijk onaantastbaar wanen?
Klopt het dat de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds tekortschiet, waardoor criminelen bewust gebruikmaken van grenzen om opsporing te ontwijken en, zo ja, waarom is dit probleem nog altijd niet opgelost? Welke knelpunten zijn er?
Hoe kan het dat jongeren massaal betrokken raken bij en worden beïnvloed door deze georganiseerde criminaliteit en erkent u dat hier sprake is van een zorgwekkende normalisering van criminaliteit onder jongeren?
Welke concrete maatregelen neemt u om het verheerlijken van criminaliteit, bijvoorbeeld via sociale media en muziek, tegen te gaan en acht u het nodig om hier harder tegen op te treden?
Hoe beoordeelt u het feit dat verboden motorbendes zoals Hells Angels, Bandidos en Satudarah opnieuw aan invloed lijken te winnen doordat leden vrijkomen en opnieuw actief worden?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat criminelen in staat zijn om jongeren in te zetten en tegelijkertijd openlijk hun activiteiten te verheerlijken zonder dat daar zichtbaar hard tegen wordt opgetreden?
Welke concrete extra maatregelen gaat u nemen om de ondermijnende criminaliteit in Limburg hard aan te pakken en wat gaat er nu daadwerkelijk veranderen ten opzichte van de huidige aanpak?
Wat is er volgens u op dit moment nodig om ervoor te zorgen dat in grensregio’s als Limburg weer duidelijk wordt dat politie en justitie de controle hebben, in plaats van criminele netwerken die zich onaantastbaar wanen?
Kunt u deze vragen nog vóór het commissiedebat over criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van donderdag 19 maart 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden daarbij kunnen worden betrokken?
Het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Rijswijk ervoor heeft gekozen om het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Irgoen Olei Holland niet te informeren over een onderzoek naar Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, omdat deze media volgens de gemeente een bepaalde «kleuring» zouden geven aan het conflict in Gaza?1
Deelt u de mening dat het uiterst kwalijk is als een gemeente besluit Joodse media en organisaties uit te sluiten van communicatie over een onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie en dat dit op zijn minst de schijn wekt van discriminatie op grond van politieke gezindheid, afkomst of religie?
In algemene zin staat buiten kijf dat het uitsluiten van Joodse media en organisaties vanwege hun geloof of afkomst onacceptabel is. Het doen van onderzoek, naar welk onderwerp dan ook, speelt een belangrijke rol bij het verrijken van kennis en ontwikkelingen in de samenleving. Wanneer een gemeente onderzoek doet of laat uitvoeren betreft dit een lokale aangelegenheid. De gemeentelijke autonomie maakt dat gemeentebesturen een eigen bevoegdheid hebben. Hierbinnen kunnen zij ook zelf onderzoek verrichten en hier beleidskeuzes op baseren. Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven aan de wijze waarop een gemeente in een concreet geval optreedt in het kader van een onderzoek. Het is aan de gemeenteraad om haar college van burgemeester en wethouders ter verantwoording te roepen wanneer zij dat nodig acht.
Hoe beoordeelt u het feit dat het college van burgemeester en wethouders hiermee inging tegen het advies van zowel de onderzoeker als de begeleidingscommissie, die aangaf dat het uitsluiten van deze media de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek kon schaden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat communicatie over onderzoek naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog afhankelijk wordt gemaakt van de politieke opvattingen die een gemeente toeschrijft aan bepaalde Joodse media of organisaties?
In het algemeen ben ik het met u eens dat Joodse media of organisaties niet op basis van hun politieke opvattingen uitgesloten zouden moeten worden bij onderzoeken naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog.
Hoe verhoudt de handelwijze van de gemeente Rijswijk zich volgens u tot artikel 1 van de Grondwet, waarin expliciet is vastgelegd dat discriminatie op grond van onder meer politieke gezindheid niet is toegestaan?
Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven over de handelwijze van het gemeentebestuur van Rijswijk. Wanneer er een vermoeden is van het overtreden van artikel 1 van de Grondwet, kan de rechter daar desgevraagd een oordeel over uitspreken.
Deelt u de zorgen dat door deze beslissing mogelijk relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden nooit zijn bereikt, waardoor het onderzoek naar Joods vastgoed mogelijk onvolledig is gebleven?
Het is niet aan mij om over een specifiek geval een opvatting te hebben. Wel kan ik het mij voorstellen dat er in dit geval een zorg bestaat dat mogelijk niet alle relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden zijn bereikt in dit onderzoek. Echter, ik wil en kan niet oordelen of het onderzoek van de gemeente Rijswijk daarmee als onvolledig kan worden gezien.
Bent u bereid te onderzoeken of de handelwijze van de gemeente Rijswijk in strijd is met het discriminatieverbod en met de zorgvuldigheid die van een overheid mag worden verwacht bij onderzoek naar onteigend Joods bezit?
Nee. De Nationale ombudsman is in beginsel bevoegd om klachten over de gedraging van – in dit geval – de gemeente Rijswijk te onderzoeken en hierover te oordelen. Met de komst van de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling – naar zogenaamd eenzijdig overheidshandelen – wordt het in de toekomst voor het College voor de Rechten van de Mens ook mogelijk om over het handelen van de overheid te oordelen. Een wetgevingstraject hiervoor ben ik momenteel aan het voorbereiden.
Welke rol ziet u voor het Rijk om te waarborgen dat gemeenten bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie zorgvuldig, onafhankelijk en zonder politieke of ideologische afwegingen handelen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders haar verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen. Dit geldt ook bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie.
Deelt u de mening dat het bijzonder pijnlijk en ongepast is als juist bij onderzoek naar onrecht dat Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan opnieuw een situatie ontstaat waarin Joodse organisaties of media worden buitengesloten en dat dit bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik kan mij voorstellen dat er gevoelens van onvrede bestaan bij de Joodse organisaties die niet direct zijn betrokken bij het onderzoek van de gemeente Rijswijk. Echter, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de gemeente Rijswijk om opheldering te vragen over deze gang van zaken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Ik ben bekend ben met het arrest «Aroja» van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en verschillende uitspraken die daarnaar verwijzen van de Nederlandse rechtspraak.
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes (IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering – bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Zoals uw Kamer bekend, kan ik niet ingaan op individuele gevallen. In algemene zin kan ik aangeven dat het Hof in haar arrest nader gepreciseerd heeft hoe de maximale termijn voor vreemdelingenbewaring op basis van de Terugkeerrichtlijn, in Nederland geïmplementeerd in artikel 59 Vreemdelingenwet 2000, moet worden berekend. De uitspraak van het Hof luidt dat per direct de maximale termijn van 18 maanden (6 maanden + 12 maanden verlenging) berekend moet worden door alle periodes van vreemdelingenbewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar op te tellen. Tot nu toe ging de Nederlandse rechtspraktijk er van uit dat deze termijn per opgelegde bewaringsmaatregel steeds opnieuw inging. Dit heeft als gevolg dat vreemdelingen die in totaal 18 maanden of langer in vreemdelingenbewaring hebben gezeten op basis van één en hetzelfde terugkeerbesluit, niet langer in vreemdelingenbewaring ter fine van terugkeer gesteld kunnen worden. Dit maakt het al complexe bewaringsproces nog ingewikkelder. Het Hof onderbouwt haar oordeel door te verwijzen naar het verbod op willekeurige bewaring. Het Hof wijst lidstaten wel op mogelijkheden om in hun nationale wetgeving handelingsperspectieven te scheppen met strafrechtelijke sancties.
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege de optelling van eerdere IBS-periodes?
Vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn dienen Nederland te verlaten. Het uitgangspunt is daarbij dat een vreemdeling zelfstandig vertrekt. Indien de vreemdeling niet of onvoldoende medewerking verleent aan zijn vertrek dan wordt er overgegaan tot gedwongen vertrek. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan overlastgevende en criminele vreemdelingen. Onder de Terugkeerrichtlijn kunnen vreemdelingen in bestuursrechtelijke vreemdelingenbewaring worden gesteld wanneer er een onttrekkingsrisico is of wanneer zij de terugkeerprocedure ontwijken of belemmeren. Er is thans geen op zichzelf staande grond voor terugkeerbewaring om de enkele reden dat personen een risico vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Voor vreemdelingen in het strafrecht geldt dat de (gedwongen) terugkeer zoveel als mogelijk aansluitend op het einde van de strafrechtelijke detentie wordt georganiseerd.
In gevallen waarbij de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling vaststaat, zal doorgaans de maximale termijn van 18 maanden bewaring met het oog op uitzetting volstaan, ook als eerdere bewaringsperiodes op grond van de Terugkeerrichtlijn bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarbij is van belang dat periodes van rechtmatig verblijf gedurende de behandeling van een asielprocedure niet vallen onder de Terugkeerrichtlijn en dus geen onderdeel uitmaken van de maximale termijn van 18 maanden. Ook bewaring in het kader van de Dublinprocedure telt niet mee. Het herhaald indienen van een toelatingsprocedure zal de vreemdeling dus maar beperkt baten.
Het Aroja-arrest heeft echter wel een negatieve impact op de bewaring van vreemdelingen die niet over geldige reisdocumenten beschikken. Voor hen zal een vervangend reisdocument moeten worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het (mogelijke) land van herkomst. Afhankelijk van het land van herkomst en de mate van medewerking van de vreemdeling, kan het geruime tijd duren voordat het onderzoek door het land van herkomst is afgerond. Bij een negatieve uitkomst is aanvullend onderzoek nodig. Dit kunnen langdurige trajecten zijn die veel tijd in beslag nemen. Met dit arrest bestaat het risico dat de maximale bewaringstermijn is volgelopen, zonder dat terugkeer geeffectueerd kon worden. Daarnaast wordt verwacht dat vreemdelingen die niet meewerken aan terugkeer zich nog heftiger zullen verzetten om uitzetting te voorkomen als de maximale termijn van 18 maanden in beeld komt. Daarom zal de vreemdelingenketen de inzet van vreemdelingenbewaring nog scherper moeten afzetten tegen de spoedige effectuering van terugkeer.
Waar terugkeer in 18 maanden niet mogelijk is gebleken, zal naar andere handelingsperspectieven moeten worden gekeken. Strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 197 Wetboek van Strafrecht is in een aanzienlijk aantal gevallen binnen deze categorie een mogelijkheid, als een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd. De aanpassing van de wetgeving met betrekking tot de ongewenst verklaring en de strafbaarstelling van illegaal verblijf, welke thans in de Eerste Kamer ter behandeling liggen, kunnen een ingang bieden om dit handelingsperspectief te versterken.
Daarnaast zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord tussen de Raad van de EU en het Europees Parlement over de Terugkeerverordening. Beide instellingen versterkten het voorstel van de Europese Commissie om de maximale terugkeerbewaring te verlengen naar 24 maanden (12+12 maanden) en bovendien geen formele limiet te stellen aan de bewaringsduur voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een meerderheid van lidstaten is daarnaast voorstander van de mogelijkheid om, na het verloop van de maximale bewaringsduur van 24 maanden, opnieuw maximaal 6 maanden terugkeerbewaring te kunnen opleggen wanneer zich een onderduikrisico voordoet en er uitzicht ontstaat op uitzetting, bijvoorbeeld omdat de terugkeersamenwerking met een derde land verbetert. Verder biedt de verordening onder meer een nieuwe en op zichzelf staande bewaringsgrond voor personen die een veiligheidsrisico vormen. Hoewel de definitieve verordening nog niet gereed is, ziet het kabinet hierin perspectief om de door het arrest toegevoegde complexiteit deels weg te nemen.
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond, omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk kunnen worden uitgezet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders, al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus, en reden voor opheffing van de bewaring?
Naar aanleiding van dit arrest zijn de dossiers van alle vreemdelingen die op dat moment in bewaring verbleven (circa 430) onderzocht. In totaal zijn ongeveer 30 bewaringsmaatregelen opgeheven als een direct gevolg van deze uitspraak. Bij ongeveer 10 vreemdelingen ging dat om maatregelen waarin de maximale termijn van 18 maanden is overschreden. In ongeveer 20 gevallen is het formele vereiste, om voor ommekomst van een periode van 6 maanden een verlengingsbesluit te nemen, niet goed toegepast wat tot opheffingen heeft geleid. In die gevallen is bij opnieuw aantreffen van de vreemdeling in het toezicht opnieuw bewaring mogelijk, met een verbeterde motivering. In andere gevallen is een nieuwe bewaringsmaatregel beschouwd als verlengingsmaatregel om meer opheffingen te voorkomen.
Het arrest dateert van 5 maart 2026. Van een overzicht over de afgelopen 18 maanden in relatie tot deze uitspraak, kan dan ook geen sprake zijn.
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6, biedt de Terugkeerverordening perspectief op het versterken van het terugkeerbeleid. Het kabinet zet dan ook in op de vlotte afronding van de triloogonderhandelingen.
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Ik wil hier graag verwijzen naar het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6 en het antwoord op vraag 8.
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht? Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven is het kabinet van mening dat het onderhandelingsmandaad van de Raad van de EU, dat de inzet vormt van de gesprekken in de triloog, een goed alternatief biedt om het handelingsperspectief te versterken. Zoals eerder opgemerkt zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord op de Terugkeerverordening.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
Waar mogelijk heb ik de vragen één voor één beantwoord. Waar de vragen in elkaars verlengde lagen of hetzelfde antwoord hadden heb ik de beantwoording gebundeld.
De geweldsgolf in Lelystad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Lelystad opnieuw wordt geteisterd door een reeks explosies bij woningen, waarbij zeer jonge daders worden ingezet en bewoners in grote angst leven?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het geweld in Lelystad al langere tijd speelt en dat er ondanks eerdere arrestaties en maatregelen opnieuw een reeks aanslagen plaatsvindt? Erkent u dat dit voor bewoners het beeld oproept dat de overheid de grip op de situatie dreigt te verliezen?
Het is begrijpelijk dat deze reeks aanslagen bij een deel van de bewoners zorgt voor onrust en mogelijk het beeld oproept dat er onvoldoende grip is op de situatie. De burgemeester, in samenspraak met de lokale driehoek, is verantwoordelijk voor de lokale handhaving van de openbare orde. Op d.d. 5 maart heeft de burgemeester van Lelystad tijdens een interpellatiedebat in de gemeenteraad een uitgebreide toelichting gegeven op raadsvragen naar aanleiding van recente explosies in de stad. Tijdens deze raadsvergadering is benadrukt dat de aanpak van de explosies hoge prioriteit heeft bij politie, OM en gemeente.
Landelijk zien we dat aanslagen met explosieven een hardnekkig en complex fenomeen zijn. Daarom is eind 2024 het Offensief tegen Explosies opgericht. Binnen dit Offensief werken publieke en private partners samen om te komen tot een duurzame afname van het aantal aanslagen met explosieven. In 2025 was landelijk sprake van een lichte daling, maar het aantal is nog steeds te hoog. Samen met het Offensief tegen Explosies blijf ik mij daarom onverminderd inzetten om het aantal aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen terug te dringen.
Hoe kan het dat een vermeende leider van een criminele groep, die in verband wordt gebracht met meerdere geweldsincidenten, met een enkelband en gebiedsverbod tijdelijk de straat op mocht om zijn rijbewijs te halen, terwijl de stad tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van explosies en geweld? Hoe legt u dit uit aan bewoners die zich inmiddels onveilig voelen in hun eigen wijk?
Gedetineerden kunnen, in het kader van resocialisatie, verlof krijgen en bij voorlopige hechtenis kan hiervoor schorsing worden verleend. Bij de beoordeling hiervan wordt een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij onder meer het recidiverisico en de veiligheid voor de samenleving worden meegewogen. Aan het verlof of de schorsing kunnen voorwaarden worden verbonden die met een enkelband kunnen worden gemonitord, zoals een gebiedsverbod. Over individuele gevallen kan ik geen uitspraken doen.
Deelt u de mening dat het ronselen en inzetten van minderjarigen voor zware criminaliteit een bijzonder laffe en verwerpelijke praktijk is en bent u met ons van mening dat hier aanzienlijk zwaardere straffen voor moeten gelden?
Ik deel de mening dat het verwerpelijk en kwalijk is dat minderjarigen worden geronseld voor het plegen van zware criminaliteit. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, lopen een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken van criminele ronselaars. Dit is zorgelijk. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Hier speelt ook de vaak hoge (tijd)druk door criminelen een rol. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken.
Het is aan de rechter om te bepalen over de strafoplegging. Het OM en de politie geven aan dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de officier van justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten.2
Afhankelijk van de omstandigheden zijn daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment genomen om de betrokken criminele netwerken achter deze explosies op te rollen en welke verdere concrete maatregelen bent u van plan te gaan nemen?
Op individuele casuïstiek kan ik niet ingaan. In algemene zin kan ik melden dat vanuit diverse politieteams en afdelingen wordt gewerkt om niet alleen uitvoerders op te sporen en te vervolgen, maar ook om ronselaars (voor uitvoerders) en opdrachtgevers te identificeren en aan te pakken.
Het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen, zoals ronselaars en brokers is één van de prioriteiten voor 2026 vanuit het Offensief tegen Explosies.
Bent u bereid om, onder andere, extra politiecapaciteit, opsporingsmiddelen en bestuurlijke maatregelen in te zetten om deze geweldsgolf zo snel mogelijk te stoppen en de veiligheid van bewoners te herstellen?
De huidige situatie is ernstig en heeft logischerwijs een aanzienlijke impact op het veiligheidsgevoel van bewoners. Het is belangrijk dat deze geweldsgolf snel stopt. In het geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de problematiek in de wijk Kempenaar in Lelystad, is het aan de veiligheidsdriehoek, de burgemeester, de politie en het OM, om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden.
Het gebruik van explosieven om te intimideren is niet enkel beperkt tot Lelystad. Aanslagen met explosieven komen verspreid over het gehele land voor. Met deze aanslagen wordt het veiligheidsgevoel in wijken ernstig aangetast. Dit vind ik onacceptabel. Eén van de punten waar het Offensief tegen Explosies zich op richt is het vergroten van de weerbaarheid van gemeenten. Hiertoe is onder andere een handelingskader ontwikkeld voor gemeenten.3 Deze kunnen gemeenten gebruiken ten behoeve van de lokale aanpak. Daarnaast zet ik met het Offensief in op het tegengaan van de brede beschikbaarheid van zwaar vuurwerk, het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen en het voorkomen van (herhaald) daderschap.
Het bericht 'Pijnlijke conclusie: peperdure maatregelen tegen witwassen niet effectief en oneerlijk' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL en het achterliggende rapport van de Algemene Rekenkamer «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Deelt u de hoofdconclusie van de Algemene Rekenkamer dat de huidige anti-witwasaanpak onvoldoende effectief en efficiënt is?
De Algemene Rekenkamer (AR) richtte zich in haar onderzoek op de periode 2020–2024. Ik ben het met de AR eens dat de antiwitwasaanpak in die jaren in de praktijk beter kon. Na afloop van die onderzoeksperiode heb ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid onze nieuwe antiwitwasaanpak met de Tweede Kamer gedeeld.2 Deze nieuwe antiwitwasaanpak adresseert veel van de conclusies van de AR. In deze nieuwe antiwitwasaanpak benoemen wij twee hoofddoelen: 1) verlagen van lasten voor bonafide burgers en bedrijven; en 2) barrières verhogen voor criminelen. Door deze doelen centraal te stellen zetten we in op een antiwitwasaanpak die zowel effectief is als efficiënt.
Kun u een inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet ter bestrijding van witwassen en hoe deze kosten doorberekend worden aan klanten?
Ik kan geen inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet, of de gevolgen van de hogere compliancekosten voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen.
Banken bepalen zelf hun eigen inzet op het antiwitwasdossier. Er is sinds de publicatie van «Herstel naar balans» door De Nederlandsche Bank (DNB) nadrukkelijk ingezet op een verbeterde risicogebaseerde toepassing van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zowel door de toezichthouder als door banken.3 Dit betekent dat de inzet hoger moet zijn als de risico’s hoger zijn. Als de risico’s lager zijn moeten de maatregelen beperkt worden. De Wwft geeft hier ook de ruimte voor. Ook in de nieuwe antiwitwasaanpak is dit een belangrijke pijler aangezien is gebleken dat banken in de praktijk de risicogebaseerde aanpak nog steeds onvoldoende toepassen. Banken stellen hierdoor nog steeds soms onnodige vragen aan bepaalde klanten, en sommige burgers ervaren zelfs discriminatie. Een verbetering van de risicogebaseerde aanpak zorgt ervoor dat banken minder onnodige vragen stellen, en minder maatregelen nemen wanneer de risico’s lager zijn. Dit kan er toe leiden dat banken minder kosten maken. De uitvoering van de risicogebaseerde benadering ligt primair bij de banken, zij dienen ervoor te zorgen dat de maatregelen die zij nemen proportioneel zijn aan het geconstateerde risico. DNB houdt toezicht op deze risicogebaseerde benadering.
Daarnaast hebben veel banken de afgelopen jaren grootschalige hersteltrajecten moeten uitvoeren, omdat zij de basis van de antiwitwasaanpak niet op orde hadden.4 Deze hersteltrajecten waren nodig om onder andere een goede basis te leggen voor de risicogebaseerde aanpak.
De problematiek rondom discriminatie bij banken speelt breder dan enkel de toepassing van de Wwft. Het is onacceptabel dat burgers discriminatie ervaren in de interactie met banken. De afgelopen jaren hebben we zelf ook onderzoeken gedaan naar (ervaren) discriminatie. De Minister van Financiën heeft naar aanleiding van deze onderzoeken diverse acties opgesteld om (ervaren) discriminatie aan te pakken. Dat geldt ook voor de banken zelf en voor DNB. Hierover is de Tweede Kamer in mei 20245, december 20246 en september 20257 geïnformeerd.
In hoeverre acht u de genoemde kosten proportioneel in verhouding tot de effectiviteit van het beoogde doel van witwasbestrijding, mede gelet op neveneffecten zoals het risico op discriminatie, de toegenomen regeldruk voor bedrijven en verenigingen en het mogelijke afhaken van vrijwilligers waardoor maatschappelijk initiatief onder druk kan komen te staan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom in het rapport wel de effecten van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) op (oud-)politici (Politically Exposed Persons, PEP’s) zijn onderzocht, maar bijvoorbeeld niet is gekeken naar de effecten op maatschappelijke organisaties zoals (sport)verenigingen, terwijl deze laatste groep ook signalen van administratieve lasten en belemmeringen meldt?2
De AR bepaalt zelf hoe zij hun onderzoek vormgeven. In het rapport benoemt de AR dat zij drie groepen hebben geselecteerd om te onderzoeken hoe verschillend de ervaren controles door banken zijn. Ze hebben niet enkel groepen geselecteerd op signalen van lasten. Daarnaast is het zo dat er voor PEP’s specifieke onderzoeksverplichtingen zijn voor poortwachters.9
Bent u bereid deze effecten op maatschappelijke organisaties alsnog te laten onderzoeken om zo een volledig beeld te krijgen van de neveneffecten?
In 2023 heeft SIRA in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoek gedaan naar regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen.10 Daar is vervolgens ook een kabinetsreactie op gestuurd in 2024, mede namens mij.11 In het onderzoek is genoemd dat de Wwft-verplichtingen maatschappelijke organisaties voornamelijk tijd kosten.
Het Ministerie van Financiën is ook regelmatig in gesprek met een brede groep aan organisaties om de impact van de antiwitwascontroles te bespreken, onder andere in hetMaatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) de-risking. In het MOB de-risking zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), DNB, betaalinstellingen, goede doelen en ondernemers- en consumentenverenigingen samen om de voortgang op de aanpak van de-risking te bespreken en aan te pakken. Zo heeft de NVB standaarden opgesteld om banken te helpen in hun klantonderzoek. In haar proportionaliteitsverkenning onderstreept DNB de positieve vooruitgang die er op dit gebied heeft plaatsgevonden.12 Daarnaast spreekt het Ministerie van Financiën ook regelmatig met onder andere banken en maatschappelijke organisaties, waarbij de neveneffecten van de Wwft regelmatig onderwerp van gesprek zijn.
SIRA noemde enkele mogelijkheden tot verbetering, waaronder inzetten op de risicogebaseerde benadering. Daar ben ik nu mee bezig, maar dit staat en valt met de inzet vanuit banken zelf. Zij staan primair aan de lat om hier werk van te maken. Ik zie geen reden voor aanvullend onderzoek.
Vindt u de huidige personele inzet bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) proportioneel ten opzichte van de zeer grote personele inzet bij banken voor het verzamelen en melden van ongebruikelijke transacties, mede gelet op signalen dat de opvolging van deze meldingen niet altijd inzichtelijk is?
De personele inzet bij DNB kan wat mij betreft niet vergeleken worden met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties totaal verschillende rollen hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Banken vullen een centrale rol in ons financiële stelsel en dienen risicogebaseerd onderzoek te doen naar klanten en hun transacties te monitoren.
DNB controleert of financiële ondernemingen, waaronder banken, voldoen aan hun wettelijke verplichtingen. De taken die hierbij komen kijken zijn anders dan die van banken, en dus is het logisch dat de personele inzet van een andere orde is. Ik ben van mening dat de huidige inzet van DNB daarom proportioneel is.
De personele inzet bij FIU-Nederland laat zich moeilijk vergelijken met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties verschillende rollen en verantwoordelijkheden hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het analyseren van alle ongebruikelijke transacties geen doel op zich is. De FIU-Nederland analyseert meldingen risicogebaseerd, waarbij het zich richt op de grootste risico’s en op de prioriteiten van de ketenpartners. Dit past binnen de risicogebaseerde aanpak van witwassen.
De FIU-Nederland ziet in de aanbevelingen in het rapport tevens een aansporing van de huidige inzet op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering, zoals aanbevolen door de AR, verder mogelijk. De data gedreven benadering maakt het vervolgens mogelijk om beter inzicht te krijgen en geven in de meest risicovolle meldingen en de opvolging hierop.
Hoe beoordeelt u de signalen dat de huidige werkwijze van de FIU ertoe leidt dat niet alle ongebruikelijke transacties worden opgepakt, dat de aanpak onvoldoende risico- en datagedreven is en dat er weinig wordt gedaan aan kwaliteitsverbetering en structurele terugkoppeling richting banken en bent u bereid hier concrete stappen op te zetten?
De focus van de FIU-Nederland ligt op het verder versterken van de risicogebaseerde aanpak, waarbij de grootste witwasrisico’s prioriteit krijgen. In de praktijk betekent dit dat de FIU-Nederland meldingen risicogebaseerd analyseert en zich richt op de belangrijkste risico’s en de prioriteiten van ketenpartners. Het oppakken van alle ongebruikelijke transacties is daarbij geen doel op zich.
Bovendien neemt de FIU-Nederland de conclusies en aanbevelingen ter harte om meer risico- en datagedreven te werken. De FIU-Nederland zet daarom ten eerste in op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering verder mogelijk. De versterkte datapositie zal de FIU-Nederland ook de mogelijkheid geven om risico’s, trends en fenomenen beter te identificeren en te duiden. Daarnaast zal de FIU-Nederland verkennen in hoeverre IT-oplossingen kunnen ondersteunen in een meer data-gedreven benadering. De afgelopen jaren zijn al een aantal belangrijke stappen gezet ten behoeve van het objectief prioriteren van belangrijke meldingen.
De FIU-Nederland onderstreept het belang dat de AR geeft aan kwalitatief goede meldingen door meldingsplichtige instellingen. Binnen de huidige wettelijke mogelijkheden werkt de FIU-Nederland momenteel al concreet aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen, bijvoorbeeld door middel van een aanstaande update van de meldformulieren. Gedurende het jaar publiceert de FIU-Nederland bovendien op diens website over witwasmethoden, zoals bijvoorbeeld het «cash compensatie model», zodat poortwachters en andere partijen die inzichten kunnen benutten in hun werk. Het nieuwe Europese antiwitwaspakket biedt de FIU-Nederland vanaf juli 2027 meer mogelijkheden om informatie te verstrekken aan toezichthouders en feedback te geven aan poortwachters. Dit zal een verdere impuls geven aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen. De FIU-Nederland bereidt zich momenteel voor op de implementatie van deze wetgeving.
Klopt het dat DNB een strengere toezichtfilosofie hanteert dan toezichthouders in andere landen en dat Nederland de Europese anti-witwasregels strikter toepast, waardoor de administratieve lasten voor Nederlandse financiële instellingen hoger uitvallen?
De Europese antiwitwasrichtlijn schrijft voor wat poortwachters moeten doen, de toezichthouder houdt hier toezicht op. De afgelopen jaren heb ik in verschillende gesprekken signalen ontvangen van verschillende poortwachters waarin zij aangaven dat Nederland, dan wel DNB strenger zou zijn op bepaalde onderdelen. Dit bleek telkens om een Europese verplichting te gaan en niet om een nationale interpretatie. Bovendien zie ik dat in andere EU-landen toezichthouders ook optreden richting poortwachters die de antiwitwasverplichtingen niet op orde hebben.
In haar toezicht benadrukt DNB dat poortwachters de verplichtingen uit de Wwft risicogebaseerd moeten uitvoeren, zoals onder meer blijkt uit haar leidraad (de Q&A en Good Practices Wwft).13 Voorts hebben DNB en het ministerie bijgedragen aan de totstandkoming van de eerder genoemde risicogebaseerde sectorstandaarden van de NVB, en heeft DNB in 2025 onderzoeken gedaan naar het tegengaan van discriminatie14 en de proportionele toepassing van de Wwft door banken.15 De FATF heeft ook in haar richtsnoeren over financiële inclusie (juni 2025) Nederland diverse malen genoemd als positief voorbeeld.16 Nederland blijft ook in Europees, waaronder in AMLA-verband, aandacht houden voor de versterking van de risicogebaseerde aanpak.
In hoeverre hebben deze hogere compliancekosten gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reflecteert u op uw rol en die van uw ministerie ten aanzien van de beperkte inhoudelijke betrokkenheid bij de effectiviteit van het toezicht van DNB en bent u bereid om het gesprek over de effectiviteit en de gevolgen van de anti-witwasaanpak structureel te verankeren in de toekomstige overlegstructuur met DNB?
De uitvoering van de opgedragen taken is primair de verantwoordelijkheid van DNB zelf. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken.
Tegelijkertijd ben ik systeemverantwoordelijk voor het functioneren van het toezichtsysteem en de toezichthouders. Hierbij moet ik kunnen beoordelen of DNB haar taken op doeltreffende en doelmatige wijze uitvoert. Ik oefen hiertoe zogenaamd «toezicht op afstand» uit op DNB. Dat doe ik conform de visie Toezicht op afstand17 en de Kaderwet zbo’s, op basis waarvan vijfjaarlijks het doeltreffend en doelmatig functioneren van DNB als zelfstandig bestuursorgaan wordt geëvalueerd.
Het is wenselijk om over de taakuitvoering van de Wwft meer inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het integriteitstoezicht van DNB. Ik ga dan ook met DNB in gesprek over hoe dit opgepakt kan worden. Hierbij geef ik de voorkeur om dit structureel te verankeren in bestaande publicaties of kanalen.
Wanneer kunnen we de integrale kabinetsreactie ontvangen op het Algemene Rekenkamerrapport «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend», inclusief een verbeterplan hoe de anti-witwasaanpak concreet meer risicogestuurd ingericht kan worden om zo de efficiëntie te verhogen?
De reactie van de Minister van Justitie en Veiligheid en mijzelf is opgenomen in het rapport van de AR. In die reactie gaan wij in op de conclusie en aanbevelingen van het AR rapport. Deze is ook te vinden op de site van de AR.18
In de tweede helft van 2026 zullen wij een voortgangsbrief sturen waarin de Kamer wordt geïnformeerd over de nieuwe antiwitwasaanpak. In de voortgangsbrief zullen wij verder inzage geven in de voortgang van de risicogebaseerde benadering. Ik merk hierbij op, net als wij richting de AR in onze reactie hebben opgemerkt dat de risicogebaseerde aanpak primair bij de banken ligt: zij dienen ervoor te zorgen dat ze zich op hoge risico’s richten en minder op lage risico’s.
Kan de Minister erop toezien dat bovengenoemde vragen meegenomen worden in de aanstaande kabinetsreactie?
Zie antwoord vraag 12.
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel medewerkers zijn momenteel werkzaam bij het Politiedienstencentrum? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar vaste medewerkers en ingehuurde krachten?
Voordat ik inga op uw vragen wil ik graag benadrukken dat ik als Minister van Justitie en Veiligheid jaarlijks verantwoording afleg over de begroting van mijn ministerie, waarin het begrotingsartikel 31 Politie is opgenomen. Daarnaast kent de politie een eigen begroting en jaarverantwoording waarin de korpschef verantwoording aflegt over het gevoerde beleid en de uitgaven. Dit is in lijn met andere organisaties binnen de Rijksoverheid. Bij enkele van uw vragen wordt gevraagd naar een dieperliggend detailniveau als het gaat om gevraagde overzichten en uitsplitsingen. In de beantwoording heb ik mij tot het uiterste ingespannen om uw vragen te beantwoorden. Daar waar de gevraagde gegevens niet voorhanden zijn, kan ik deze niet aan u verstrekken.
De bezetting van de totale niet-operationele sterkte beslaat momenteel ruim 13.000 fte. Hier valt de klassieke bedrijfsvoering onder, maar ook bijvoorbeeld de docenten aan de Politieacademie. Van de ruim 13.000 fte werken er bij het Politiedienstencentrum ongeveer 8.000 fte. De overige ongeveer 5.000 fte zijn werkzaam bij andere organisatieonderdelen en eenheden van de politie.
Daar waar de niet-operationele functies overbezet zijn, heb ik met de korpschef afgesproken dat deze overbezetting wordt afgebouwd. Dit is ook nodig om de politiebegroting op orde te krijgen. Ik monitor de afbouw van genoemde overbezetting.
Bij de politie zijn 1256 medewerkers werkzaam (excl. Politieacademie) op basis van externe inhuur, waarvan 911 bij het Politiedienstencentrum (peildatum 01-04-2026). Hiermee kunnen fluctuaties in werkbelasting worden opgevangen en kan specifieke expertise (zoals bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen, IV-specialisme) tijdelijk ingezet worden als deze niet binnen de organisatie voor handen is.
Wat bedragen de bestuurskosten van de korpsleiding van de Nationale Politie? Kunt u deze kosten per jaar uitsplitsen over de periode 2020 tot en met heden?
De bestuurskosten van de korpsleiding van de politie worden maandelijks gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid (Rijksoverheid.nl). Hiermee sluit de politie aan bij de systematiek die wordt gehanteerd bij de openbaarmaking van de bestuurskosten van bewindspersonen en topambtenaren in de sector Rijk. Vanaf april 2026 zullen deze gegevens op open.overheid.nl worden gepubliceerd.
De hoogte van de bestuurskosten zijn redelijk stabiel, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021. Dit had te maken met de toen geldende COVID-maatregelen.
Zie hieronder het overzicht van bestuurskosten van de korpsleiding sinds 2020:
Jaar bedrag
2020 17.240,27 euro
2021 23.501,46 euro
2022 26.705,73 euro
2023 32.856,33 euro
2024 28.850,05 euro
2025 30.986,34 euro
Hoe hebben de bestuurskosten van de korpsleiding zich ontwikkeld sinds 2020 en wat zijn de belangrijkste oorzaken van eventuele stijgingen of dalingen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat wordt binnen de Nationale Politie verstaan onder de begrippen «operationele sterkte» en «operationele slagkracht»? Kunt u toelichten hoe deze begrippen binnen de organisatie worden gehanteerd en gebruikt in de sturing van de politieorganisatie?
Het begrip «operationele sterkte» is vastgelegd in regelgeving (Art. 1 besluit verdeling sterkte en middelen), heeft betrekking op de operationele formatie en bezetting en is verdeeld in de werksoorten gebiedsgebonden politie (GGP), opsporing, informatiefunctie, intake & service en meldkamer, beveiliging, overige operationele functies, en leiding. De formatie is de door mij gefinancierde politiesterkte (in fte’s). Deze wordt ieder jaar vastgesteld als bijlage bij het begrotings- en beheerplan. De bezetting is het personeel dat daadwerkelijk in dienst is bij de politie, oftewel de mate waarin de formatie gevuld is.
Het begrip «operationele slagkracht» is niet vastgelegd in regelgeving. Ik versta hieronder de mate waarin de politie operationeel effectief is.
Hoeveel personen worden momenteel door de Nationale Politie ingehuurd? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar functiecategorieën of typen werkzaamheden?
Momenteel worden er door de politie ongeveer 1250 personen extern ingehuurd. Een uitsplitsing naar functiecategorieën of typen werkzaamheden is niet beschikbaar. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, werkt een groot deel van deze externe krachten bij het Politiedienstencentrum, bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen en IV-specialisten.
De gemiddelde duur van een extern inhuurcontract is 2,2 jaar. Er zijn personen die langer worden ingehuurd. Eén persoon wordt sinds de vorming van de nationale politie ingehuurd voor meerdere opdrachten op verschillende plekken binnen de politieorganisatie. Deze persoon heeft gereageerd op meerdere opdrachten. Bij een nieuwe opdracht wordt er een nieuwe aanbesteding in de markt gezet, waarop een kandidaat kan reageren. Hierbij is er geen bijzondere aandacht voor het gegeven of iemand al werkzaam is binnen de organisatie. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat de aaneengesloten periode waarin iemand werkzaam is op inhuurbasis in sommige gevallen langer uit kan pakken.
Het uitgangspunt blijft dat de persoon die het beste past op de opdracht, de opdracht gegund krijgt.
De kosten voor externe inhuur zijn te vinden in de jaarverantwoordingen van de politie voor de desbetreffende jaren. In 20241 betroffen de kosten voor externe inhuur € 184 mln. op de totale personeelskosten van € 6 miljard. Het per jaar aan externe inhuur bestede bedrag is ongeveer 3% van de totale personeelskosten van de politie. Dat is ruimschoots minder dan de Roemernorm van 10%, die voor overheidsorganisaties geldt.
Bij de externe inhuur van de politie zijn verschillende partijen betrokken. Zo wordt er een partij ingezet voor de inhuur van uitzendkrachten tot en met mbo niveau (exclusief IV-functies), twee partijen voor inhuurprofessionals vanaf hbo niveau en alle IV-functies en zijn er specialistische raamcontracten.
Hoeveel geld heeft de Nationale Politie in de jaren 2020 tot en met heden per jaar uitgegeven aan externe inhuur? Kunt u deze bedragen per jaar specificeren?
Zie antwoord vraag 5.
Met welke externe bureaus of organisaties doet de Nationale Politie momenteel zaken in het kader van externe inhuur?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de langst aaneengesloten periode waarvoor een externe kracht door de Nationale Politie is ingehuurd en wat is de gemiddelde duur van externe inhuurcontracten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van het programma «Politie voor Iedereen» sinds de start van dit programma? En wilt u deze kosten per jaar uitsplitsen en aangeven welk budget hiervoor de komende jaren is gereserveerd?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. In de jaarverantwoording politie legt de korpschef verantwoording af over het gevoerde beleid van de organisatie en haar uitgaven. De politie heeft geen apart overzicht van alle (zowel interne als externe middels inhuur en dergelijke) inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
In de begroting en beheerplan politie 2025–2029 is opgenomen hoe het korps inzet op diversiteit en inclusie. Voor de opgave Politie voor Iedereen wordt jaarlijks tussen de 3 en 5,5 miljoen euro begroot. Alle eenheden en diensten krijgen een budget voor het realiseren van die wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt.
Kunt u een specificatie geven van de uitgaven binnen het programma «Politie voor Iedereen», zoals kosten voor personeel, trainingen, communicatiecampagnes, onderzoek, evenementen en overige activiteiten?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre worden binnen het programma «Politie voor Iedereen» externe bureaus, consultants of trainers ingehuurd? Kunt u aangeven welke organisaties hierbij betrokken zijn en welke bedragen hiermee gemoeid zijn geweest, uitgesplitst per jaar?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van alle politie-iftars – incusief het uitsplitsen van de kosten per georganiseerde iftar? En kunt u deze kosten ook doen toekomen van voorgaande jaren en welk budget voor aankomende jaren hiervoor gereserveerd is?
Zie antwoord vraag 9.
Herkent u of de korpsleiding signalen uit de organisatie dat er feitelijk sprake is van bezuinigingen op eenheidsniveau, bijvoorbeeld doordat voertuigen met schade niet worden gerepareerd of doordat bureaus keuzes moeten maken tussen functies vanwege budgettaire beperkingen? Hoe duidt u deze signalen?
In de door mijn voorganger verstuurde Kamerbrief van 21 januari 2026 over de financiële situatie bij de politie, heb ik u geïnformeerd dat de eenheden binnen de politie zelf sturen binnen het per eenheid beschikbare budget.
Voor 2026 zullen daarbij de basisteams (de gebiedsgebonden politie en de opsporing in de basisteams) helemaal buiten beschouwing worden gelaten. Hiermee wordt geborgd dat de aanwezigheid van de politie in buurt, wijk, stad en gemeente en de opsporing in de basisteams niet geraakt worden. Met andere woorden: blauw op straat blijft dus buiten beschouwing. Daarnaast zullen in 2026 de bijzondere bijdragen (zoals voor de Dienst Specialistische Interventies en ondermijning) ongemoeid blijven. Er wordt in 2026 ook niet getornd aan de instroom van aspiranten en er worden geen mensen ontslagen.
Hoeveel medewerkers van de Nationale Politie zitten momenteel thuis met een diagnose van posttraumatische stressstoornis (PTSS) dan wel andere psychische klachten?
De korpsleiding herkent dit signaal niet. Vanaf 1 april 2025 is het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten in werking getreden. Nieuwe meldingen van politiemedewerkers met beroepsgerelateerde klachten vallen onder dit nieuwe stelsel. Zodra een politiemedewerker zich meldt met gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, ontvangt de politiemedewerker direct de benodigde begeleiding, zorg en gerichte vergoedingen. Dat geldt bij alle gezondheidsklachten. In dit stelsel staat aandacht en zorg voor de politiemedewerker voorop. Politiemedewerkers kunnen makkelijker en sneller aanspraak maken op voorzieningen uit de rechtspositie, omdat er wordt gewerkt vanuit vertrouwen in plaats van een juridische erkenningsprocedure.
Voor het maken van aanspraak op de voorzieningen in het nieuwe stelsel is de medische diagnose niet relevant. Hierdoor zijn er geen aantallen beschikbaar van politiemedewerkers met een diagnose van PTSS of andere psychische klachten. In 2025 zijn er 1804 meldingen geregistreerd die vallen onder het nieuwe stelsel met een toekenning van 1% beroepsgerelateerde gezondheidsklachten. Of deze politiemedewerkers thuis zitten of (gedeeltelijk) aan het werk zijn is afhankelijk van de individuele casuïstiek. Hierover kan ik geen uitspraken doen.
Het nieuwe stelsel wordt continue gemonitord en na drie en vijf jaar geëvalueerd. De eerste monitor van het nieuwe stelsel is positief, waaronder op de gemiddelde doorlooptijden van een melding, het advies op de melding en het besluit daarover.
Herkent u of de korpsleiding signalen dat verzuimmeldingen, in het bijzonder bij PTSS, niet altijd adequaat worden opgevolgd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke maatregelen worden genomen om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 14.
Klopt het dat politiemedewerkers in de eenheid Midden-Nederland, met name in Utrecht, arrestanten regelmatig moeten vervoeren naar cellencomplexen in andere plaatsen in de regio, zoals Amersfoort, Houten of andere locaties, omdat in Utrecht zelf onvoldoende capaciteit beschikbaar is voor insluiting?
Het vervoeren van arrestanten door de politie is onderdeel van de taakuitvoering van de politie. De politie geeft het vervoer van arrestanten zo efficiënt als mogelijk vorm en houdt hierbij rekening met de inzetbaarheid van de agenten op straat. Zij doen dit bijvoorbeeld door meerdere arrestanten tegelijk te vervoeren door de inzet van arrestantenbussen bemenst met medewerkers van de Teams Arrestantentaken in elke regionale eenheid. Daarbij komt het enkele keren voor dat er niet direct een arrestantenbus kan rijden door gebrek aan capaciteit. Binnen de portefeuille arrestantenzaken wordt doorlopend gereflecteerd op hoe het proces efficiënter kan worden ingericht.
Het overbrengen van arrestanten naar het Politie Cellencomplex (PCC) in Houten is de standaardprocedure van de politie in de eenheid Midden-Nederland en is al sinds langere tijd van kracht. De bureaus in Utrecht, ook het bureau in Utrecht Centrum (Kroonstraat), beschikken niet over cellen, wel over ophoudruimten. In die ruimten kunnen en mogen arrestanten slechts korte tijd opgehouden worden. Overnachten kan en mag alleen in een Politie Cellencomplex, zoals in Houten. Arrestanten worden daarom in principe altijd naar de cellencomplexen vervoerd. District Utrecht beschikt over een eigen ophoudgebied waar arrestanten in de piekmomenten ondergebracht kunnen worden. Daarmee is een zorgvuldige afweging over wanneer het efficiënter is om met arrestanten naar Houten te rijden of wanneer het efficiënter is om politiecapaciteit vrij te maken om de arrestanten in het ophoudgebied te laten verblijven. Zo wordt er geen kostbare politiecapaciteit vastgezet in het ophoudgebied op de momenten dat daar (vrijwel) geen arrestanten zitten. Vanuit Houten worden de arrestanten, indien van toepassing, zoals overeengekomen met de Dienst Vervoer en Ondersteuning en van de Dienst Justitiële Inrichtingen, overgebracht naar een locatie van het gevangeniswezen.
De inzet voor het vervoer van arrestanten naar de PCC’s in de eenheid vindt plaats volgens een op basis van ervaring vastgesteld roosterschema. De bussen doen vanuit efficiëntie meerdere bureaus in de eenheid Midden-Nederland aan. Een registratie van het aantal uren per inzet per politiemedewerker zou een onevenredige administratiedruk op de politie betekenen en is daarom ook niet opgelegd.
Deelt u de zorg dat het vervoeren van arrestanten over langere afstanden politiecapaciteit kost, doordat agenten tijd kwijt zijn aan het heen- en terugbrengen van arrestanten, en dat dit ten koste kan gaan van de inzetbaarheid van politie op straat? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen of te beperken?
Zie antwoord vraag 16.
Hoe vaak is het in de afgelopen drie jaar voorgekomen dat arrestanten vanuit Utrecht naar een andere plaats in de regio moesten worden vervoerd wegens gebrek aan beschikbare cellencapaciteit en hoeveel politiecapaciteit (bijvoorbeeld in uren of inzet van medewerkers) is hiermee gemoeid geweest?
Zie antwoord vraag 16.
Krijgen de 1.700 agenten die een niet-verzonden brief hebben gekregen, een aantekening in hun personeelsdossier of blijft dit op een ander manier zichtbaar en daarmee kleven aan de betreffende dienders?
Zoals met uw Kamer gedeeld, zijn de eerder uitgereikte brieven ingetrokken.3 Indien de brieven in het personeelsdossier waren opgenomen, worden deze verwijderd.
Hoeveel politiemedewerkers beschikken momenteel over gehoorbescherming en hoeveel medewerkers beschikken daar nog niet over?
Alle politiemedewerkers die op straat werken en voor wie dat nodig is, beschikken over gehoorbeschermingen. De politie heeft in 2026 een budget beschikbaar voor de gehoorbescherming van 2,2 miljoen euro.
Welke kosten zijn gemoeid met het verstrekken van gehoorbescherming aan politiemedewerkers en welk budget is hiervoor gereserveerd?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over politie van 25 maart 2026?
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
De Staat werkt momenteel aan verduidelijking en, waar nodig, aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden, in lijn met het vonnis.
Mede omdat de zaak onder de rechter is, wordt niet in algemene zin ingegaan op de berichtgeving. Dat is anders ten aanzien van concrete vragen die de Kamer stelt.
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Nee, op dit moment nog niet. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de aanbestedingsvoorwaarden te verduidelijken danwel aan te passen loopt nog.
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Op dit moment kan niet concreet worden gezegd of de aanbestedingen de digitale autonomie van Nederland vergroten danwel verkleinen. Echter, op de Europese Aanbesteding Programmatuur 2025 (EAP-2025) aanbestedingen waren en blijven de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. De ARBIT bevat ook voorwaarden die bijdragen aan digitale autonomie en soevereiniteit, zoals voorwaarden met betrekking tot exit, opzegging, ontbinding en informatieveiligheid.
Met de aanbestedingen wordt beoogd raamovereenkomsten te sluiten met daartoe geschikt bevonden resellers. Dat zijn resellers die zich aan de aanbestedingsvoorwaarden conformeren. De deelnemers doen binnen de raamovereenkomsten met de resellers nadere uitvragen voor de levering van specifieke producten. De impact op de digitale autonomie is vooral afhankelijk van de inhoud van deze nadere uitvragen.
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Bij aanpassing van de aanbestedingsstrategie en -voorwaarden wordt, waar van toepassing en mogelijk, (nieuw) rijksbreed beleid geborgd, waaronder rijksbreed beleid inzake digitale autonomie en soevereiniteit.
Deelnemers moeten binnen hun inkoopvraagstukken borgen dat zij gericht besluiten nemen inzake de reductie van het risico op afhankelijkheid. Dat betekent dat zij bestaande producten vervangen door alternatieven die minder / geen risico op afhankelijkheid kennen. Voor nieuwe producten dienen zij voor hun nadere uitvragen binnen de raamovereenkomsten aanvullende eisen en voorwaarden op te nemen, passend bij de specifieke opdracht, om te borgen dat het risico op afhankelijkheid beheersbaar blijft.
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. De categorie Software Rijk onderzoekt nog of en zo ja, in welke mate de aanbestedingsvoorwaarden ten aanzien van digitale soevereiniteit en autonomie verder moeten worden aangepast.
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. De aanbestedingen zijn gestaakt. De Staat onderzoekt de noodzaak en mogelijkheden voor aanpassing of herziening van de aanbestedingsvoorwaarden en neemt op basis van de bevindingen een besluit inzake de vervolgaanpak. Ter overbrugging zijn de bestaande raamovereenkomsten verlengd, om te voorkomen dat de inkoop van standaardprogrammatuur tussentijds stilvalt.
De uitspraak van de rechter heeft gevolgen voor alle opdrachten (nadere overeenkomsten) die worden afgesloten onder de verlengde raamovereenkomsten van het Ministerie van Defensie en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De ministeries zijn hierover geïnformeerd.
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Zoals toegelicht bij vraag 6 is het doel van de aanbestedingen om voor de inkoop van standaardprogrammatuur (zowel nieuwe, als uitbreidingen op bestaande software) een duidelijk en rechtmatig afsprakenkader te creëren. Deze aanbestedingen hebben niet specifiek betrekking op software van Microsoft of Oracle.
De noodzaak van de aanbestedingen is drieledig, namelijk:
Diensten die worden ingekocht zijn: de levering van standaardsoftware, onderhoud en support, helpdeskondersteuning, adviesdiensten, installatie en configuratie van standaardsoftware en trainingen en opleidingen.
De aanbestedingen worden uitgevoerd ten behoeve van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De lijst met deelnemende organisaties staat onderaan de beantwoording van deze lijst met vragen en antwoorden.
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Binnen de lopende raamovereenkomsten moet het voor deelnemers mogelijk zijn om, indien nodig, het aantal licenties voor het gebruik, onderhoud en/of beheer van deze programmatuur uit te kunnen breiden. Een uitvraag op basis van technische eisen kan leiden tot aanbod van een ander typen licenties, hetgeen praktisch niet wenselijk is en tot kostenverhoging kan leiden.
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft wordt de closed source- en open source, software bedoeld die softwareleveranciers gebruiken voor het leveren van hun software(diensten). Dat is ook van toepassing voor software(diensten) van Microsoft (Perceel6. Binnen deze aanbesteding is het leveren van open-source software(diensten) voorbehouden aan een ander Perceel, Perceel 2. Om te voorkomen dat dit voorbehoud ervoor zorgt dat de software van de softwareleverancier in Perceel 1 niet meer werkt, danwel wordt uitgesloten, omdat deze open source software bevat, is de uitzonderingsgrond toegevoegd dat ook software(diensten) met gerelateerde open source toepassingen in Perceel 1 kunnen worden aangeboden.
De Staat neemt deze oplossingen af via resellers omdat de Staat de software op deze wijze op basis van eenduidige voorwaarden (ARBIT) in kan kopen.
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (> 4.000) kunnen leveren. De concrete, technische eisen worden niet in de raamovereenkomst vastgelegd, maar pas bij elke afzonderlijke nadere offerteaanvraag van een deelnemer. Die offerteaanvraag kan:
Waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat, geldt die ook voor de betreffende nadere offerteaanvraag voor standaardprogrammatuur en bijbehorende dienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld in de volgende situaties:
Samengevat: de technische specificaties worden per opdracht geformuleerd binnen het raamwerk, en waar de wet uitzonderingen of een lichter regime toelaat, wordt dat op die specifieke nadere offerteaanvraag toegepast.
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Ja, de standaarden van het Forum Standaardisatie zijn uitgevraagd.
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
De EAP-aanbestedingen zijn gericht op het contracteren van meerdere resellers (softwareverkopers) die binnen de raamovereenkomst in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (>4.000 softwareproducten) kunnen leveren.
De deelnemers doen binnen de (rijksinkoopvoorwaarden van de) raamovereenkomst bij de gecontracteerde resellers nadere offerteaanvragen die leiden tot het aangaan van licentieovereenkomsten. De licentieovereenkomsten worden echter gesloten onder de voorwaarden van de Rijksoverheid en niet eenzijdig onder voorwaarden van de softwareleverancier.
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Nee, niet alleen Microsoft of Oracle kunnen aan de aanbestedingseisen voldoen.
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe een zeer breed scala aan standaardprogrammatuur (meer dan 4.000 producten) kunnen leveren. De EAP2025-aanbestedingen schrijven daarom niet toe naar Microsoft of Oracle.
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Met «80–85%» wordt gedoeld op het aandeel nadere offerteaanvragen dat productgericht is en middels minicompetities binnen de raamovereenkomsten wordt uitgevraagd. Het doen van productgerichte uitvragen binnen een raamovereenkomst is wettelijk toegestaan in die gevallen waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat. Zie ook de beantwoording op vraag 12.
De aanbesteding is open want deze heeft tot doel meerdere opdrachtnemers te contracteren die in staat zijn om de gevraagde standaard programmatuur te kunnen leveren.
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee, die informatie kan niet inzichtelijk worden gemaakt, omdat deze informatie niet centraal wordt geregistreerd.
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Nee, een productgerichte offerteaanvraag zorgt ervoor dat door één van de gecontracteerde resellers een specifiek product (standaardprogrammatuur) wordt uitgevraagd en geleverd. Dit kan Microsoft of Oracle betreffen, maar ook andere standaardprogrammatuur.
Voor een productgerichte uitvraag wordt gekozen, omdat er bijvoorbeeld sprake is van uitbreiding van de licenties van een oplossing die reeds in gebruik is. Zie ook de beantwoording van vraag 12.
Een productgerichte uitvraag betekent op zichzelf niet dat sprake is van een vendor lock-in.
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Nee, de analyse wordt niet gedeeld.
In de vraag worden oorzaak en gevolg omgedraaid. Immers, het uitgangspunt is dat een deelnemer standaardprogrammatuur functioneel uitvraagt, tenzij op grond van de Aanbestedingswet 2012 voor de concrete opdracht een lichter regime of een uitzondering geldt. In dat geval kan de deelnemer een productgerichte uitvraag doen bij de gecontracteerde reseller.
Een vendor lock-in kan ontstaan ná ingebruikneming van de oplossing met de beste prijs-kwaliteitverhouding. In die situatie kan die afhankelijkheid een grond zijn om bij uitbreidingen of vernieuwing productgericht uit te (moeten) vragen.
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Nee, software van Microsoft en Oracle is niet de enige manier om dienstverlening te kunnen handhaven. De vraag of een deelnemer zonder software van bijvoorbeeld Microsoft, Oracle of een andere fabrikant kan, wordt op deelnemer niveau vastgesteld.
Centraal inzicht in overwegingen die ten aanzien van besluitvorming over offerteaanvragen van individuele deelnemers ten grondslag ligt, ontbreekt; die gegevens zijn niet centraal bijgehouden en geregistreerd.
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Ja, dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren is eerder toegepast bij uitgevoerde aanbestedingen voor raamovereenkomsten van de Rijksoverheid inzake de levering van standaardprogrammatuur.
Ja, er zijn lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is.
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
In dit kader kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 18. Overigens zien productgerichte uitvragen niet alleen toe op Microsoft en Oracle. De gronden om productgericht uit te vragen, gelden in gelijke mate voor de softwareproducten (> 4.000) van alle vendors.
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Nee. In dit kader kan verder worden verwezen naar de beantwoording op vraag 10.
De aanbestedingen richten zich niet specifiek op de levering van producten van Amerikaansen vendors, maar op producten (> 4.000) die de deelnemers via de gecontracteerde resellers afnemen.
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Ja, in de bijlagen treft u de relevante aanbestedingsstukken en nota’s van inlichtingen aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Toegezegd wordt dat de aanbestedingen worden voortgezet nadat op basis van de resultaten van de in- en externe consultaties een besluit is genomen over de (mate van) aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden en de vervolgaanpak. De Kamer zal tegelijkertijd met de markt worden geïnformeerd op de wijze waarop de aanbesteding zal worden hervat.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.