De opname van aangiftes van slachtoffers die zich hebben verdedigd na een geweldsincident |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lizzy (21) uit het niets zwaar mishandeld door getinte spierbundel: «Hij stormde op me af en begon me in mijn gezicht te slaan»»?1
Ja.
Hoe vaak is sinds 1 januari 2026 geweigerd dan wel afgeraden een aangifte van een geweldsslachtoffer op te nemen omdat de politie meende dat sprake was van een conflict tussen beide partijen, wederzijds geweld of noodweer/zelfverdediging? Wordt dit geregistreerd? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er vermoedens zijn van een strafbaar feit, wordt er altijd aangeraden en aangemoedigd om hiervan aangifte te doen bij de politie.
De politie is verantwoordelijk voor toegankelijke en zorgvuldige dienstverlening aan iedere burger. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Dit wordt niet geregistreerd, omdat de politie geen gegevens vastlegt over aangiftes die niet zijn opgenomen.
Kunt u aangeven op grond van welke wettelijke bepalingen, beleidsregels of werkinstructies de politie kan besluiten een aangifte van een geweldsincident niet op te nemen? Op basis van welke criteria beoordeelt de politie of een aangifte wel of niet wordt opgenomen?
Eenieder die kennis draagt van een strafbaar feit mag hiervan aangifte doen. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Bij de verdere opvolging en prioritering van zaken weegt de politie onder meer de ernst van het misdrijf, de situatie van het slachtoffer en het belang van eventueel opsporingsonderzoek mee.
Het maken van keuzes in de opsporing behoort standaard tot het werk van het Openbaar Ministerie en de politie en vindt plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers die zich hebben verdedigd, niet ontmoedigd mogen worden om aangifte te doen? Zo nee, waarom niet?
Slachtoffers hebben altijd recht om aangifte te doen. De politie moedigt het juist aan om aangifte te doen wanneer er sprake is, of vermoedens zijn van een strafbaar feit. Er zijn verschillende manieren voor slachtoffers om aangifte te doen.
Zo ontwikkelt de politie haar dienstverlening steeds meer in een omnichannel-vorm, ook voor het doen van aangifte. Dat houdt in dat burgers, afhankelijk van de aard van hun melding, via de juiste route worden geholpen, zodat het contact aansluit bij hun situatie en behoefte. Voor het doen van aangifte zijn politie.nl en 0900-8844 in principe de primaire ingangen. Via deze kanalen kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. In andere gevallen adviseert en verwijst de politie bijvoorbeeld om telefonisch aangifte te doen of een afspraak te maken voor een aangifte op het bureau.
Op welke wijze wordt de politie geïnstrueerd om onderscheid te maken tussen een aanvaller en iemand die uit noodweer of zelfverdediging heeft gehandeld?
De opleiding BOA Intake en Service van de Politieacademie leidt de deelnemers op als eerste aanspreekpunt voor burgers aan de telefoon of aan de balie. Wat betreft de opname van aangiftes wordt van de politiemedewerkers verwacht dat zij de richtlijnen volgen, maar hier ook beargumenteerd van kunnen afwijken als de situatie daarom vraagt.
De politiemedewerkers worden getraind om bij het opnemen van aangiftes gesprekstechnieken toe te passen en de hulpvraag en de situatie te verduidelijken, zodat de feitelijke gegevens zo goed mogelijk op papier komen. Het is aan het OM om op basis van alle verklaringen in het proces-verbaal te beoordelen of er sprake is van noodweer of zelfverdediging.
Acht u het wenselijk dat de politie slachtoffers actief informeert over de mogelijkheid om aangifte te doen, ook wanneer zij zich tijdens het incident hebben verdedigd? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat slachtoffers nooit de indruk mogen krijgen dat zij geen aangifte kunnen doen omdat zij zich tegen een aanval hebben verdedigd? Welke maatregelen neemt u om dit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de werkinstructies voor de politie aan te scherpen, zodat slachtoffers van geweld niet worden ontmoedigd aangifte te doen en aangiften in beginsel altijd worden opgenomen?
De politie heeft voldoende handvatten om aangiftes goed en professioneel op te pakken. Er zijn mij geen signalen bekend die vragen om aanscherping van de werkinstructies van de politie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór 9 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het uitblijven van een volledige strafrechtelijke afhandeling van de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR-/Palliebestormers stadhuis verdwenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het binnendringen van een gemeenteraad, het verstoren van een raadsvergadering en het intimideren van gekozen volksvertegenwoordigers een frontale aanval vormen op onze democratische rechtsorde en daarom keihard en maximaal moeten worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. Het intimideren van volksvertegenwoordigers is tevens volstrekt onacceptabel. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het OM om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe kan het dat ruim een jaar na de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad, terwijl de gebeurtenissen volledig op beeld zijn vastgelegd en de identiteit van meerdere betrokkenen bekend is, nog altijd geen volledige strafrechtelijke afhandeling heeft plaatsgevonden?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed mevrouw Hessel aangifte voor het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de burgemeester van Utrecht geen aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal zelf, de betrokken actievoerders publiekelijk voor de camera van RTV Utrecht in bescherming nam en later samen optrok met de organisator van het protest? Deelt u de mening dat hierdoor de burgemeester de ernst van deze aanval op de democratie enorm heeft gebagatelliseerd en dat dit een enorm dieptepunt is voor onze democratie?
Het is niet aan mij om de bestuurlijke keuzes en het optreden van de burgemeester in dezen te beoordelen.
Klopt het dat raadslid Yvonne Hessel wél aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal, dat de politie deze aangifte heeft onderzocht en vervolgens heeft doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie, terwijl het Openbaar Ministerie later heeft aangegeven deze aangifte niet te hebben ontvangen? Hoe kan een aangifte in een zaak van deze ernst in hemelsnaam verdwijnen? Bent u hierover al in gesprek geweest met het Openbaar Ministerie? Zo ja, wat is daarbij besproken?
Een paar weken na de aangifte van de burgemeester heeft het raadslid Hessel aangifte gedaan van het verstoren van diezelfde raadsvergadering. Dit betreft een ander strafbaar feit dan de aangifte van de burgemeester, Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw Hessel is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aangeboden.
Er is dus geen sprake van een verdwenen aangifte.
Heeft de burgemeester van Utrecht vóór, tijdens of na de aangifte op enig moment contact gehad met het Openbaar Ministerie over de strafrechtelijke afhandeling van deze zaak? Zo ja, wanneer, met wie en wat is daarbij concreet besproken?
Het besluit om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
Bent u bereid volledig en onafhankelijk te laten onderzoeken hoe deze aangifte heeft kunnen verdwijnen, wie daarvoor verantwoordelijk is, of daarbij fouten, nalatigheid, beïnvloeding of belemmering een rol hebben gespeeld en welke consequenties hieraan verbonden worden en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet? . Deelt u de mening dat burgemeesters bij strafbare feiten die worden gepleegd tijdens een gemeenteraadsvergadering altijd aangifte behoren te doen om de lokale democratie te beschermen? Bent u bereid hierover landelijke afspraken of een richtlijn op te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5. Er is geen sprake van een verdwenen aangifte.
Waarom heeft het Openbaar Ministerie niet uit eigen beweging strafrechtelijk opgetreden tegen de personen die de Utrechtse gemeenteraad hebben bestormd en de vergadering hebben verstoord, terwijl deze gebeurtenissen uitgebreid op beeld zijn vastgelegd en publiekelijk bekend waren? Hoe rijmt u dit met de taak van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen?
Het kabinet roept politieke ambtsdragers op om normerend op te treden en altijd aangifte te doen van intimidatie of van handelingen die de lokale democratie onder druk zetten. Het is aan de ambtsdrager zelf om daarbij alle omstandigheden af te wegen en een besluit te nemen.
Acht u het aanvaardbaar dat personen die een democratisch gekozen gemeenteraad hebben bestormd, de vergadering hebben verstoord en hiermee de democratie frontaal hebben aangevallen mogelijk geheel of gedeeltelijk buiten vervolging blijven? Zo nee, bent u bereid alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken alsnog zo spoedig mogelijk strafrechtelijk worden vervolgd met maximale strafeisen?
Zie het antwoord op vraag 3. Het OM heeft ervoor gekozen om voor de zwaarste feiten vervolging in te stellen.
Indien uit onderzoek blijkt dat de burgemeester van Utrecht op welke wijze dan ook betrokken is geweest bij het verdwijnen van de aangifte of het frustreren van de strafrechtelijke afhandeling van deze aanval op de lokale democratie, deelt u dan de mening dat zij per direct niet langer houdbaar is als burgemeester en dat niet alleen een procedure tot schorsing en ontslag onmiddellijk in gang moet worden gezet, maar ook strafrechtelijke vervolging? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 3 en 9. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld.
Aanvullende berichtgeving over de situatie in Ceuta. |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veel migranten verlaten Ceuta, maar duizenden willen Europese droom niet opgeven: winkels op slot en boten richting Spanje gestopt»?1
Ja.
Welke informatie heeft het kabinet ontvangen van de Spaanse autoriteiten over het aantal migranten dat Ceuta daadwerkelijk heeft verlaten en hoeveel personen zich op dit moment nog in de Spaanse exclave bevinden?
Tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. gaf Spanje aan dat er rond de 72.000 irreguliere grensoverschrijdingen zijn geweest om via Ceuta de grens met Spanje over te steken waarvan zij, in samenwerking met Marokko, rond de 70.000 irreguliere migranten naar Marokko heeft laten terug keren.
Het is helder dat er grootschalig irreguliere aankomsten zijn geweest en dat deze irreguliere migranten ook op grote schaal zijn vertrokken. De irreguliere migranten zijn, door de chaotische situatie op 30 en 31 juli jl., niet geregistreerd bij binnenkomst van Ceuta. Ook is het niet mogelijk geweest om de terugkeer van al deze irreguliere migranten te registeren. Er bestaat daarom onduidelijkheid over het precieze aantal resterende irreguliere migranten dat zich nog in Ceuta bevindt. Het is daarom van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom, samen met andere gelijkgezinden lidstaten, hierop blijven aandringen.
Op welke wijze verifieert Nederland de juistheid van informatie die door de Spaanse autoriteiten wordt verstrekt over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten en de beveiliging van de buitengrens van de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met signalen dat de feitelijke situatie in Ceuta mogelijk afwijkt van de officiële lezing van de Spaanse autoriteiten? Zo ja, welke signalen zijn dat en welke conclusies verbindt het kabinet daaraan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien zou blijken dat de Spaanse autoriteiten bewust een ander beeld hebben geschetst van de situatie in Ceuta of onjuiste informatie hebben verstrekt over het aantal teruggekeerde migranten, welke gevolgen zou dat volgens u moeten hebben voor de samenwerking met Spanje binnen de Europese Unie?
Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de Spaanse autoriteiten onjuiste informatie hebben verstrekt. Het kabinet heeft tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. Frontex opgeroepen om de situatie aan de grens, het aantal irreguliere migranten in Ceuta en eventuele bewegingen nauw te blijven monitoren en hierover te rapporteren.
Deelt u de opvatting dat betrouwbare en controleerbare informatie van lidstaten essentieel is voor een goed functionerend Europees migratiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Wanneer zou voor u de grens bereikt zijn waarop geconcludeerd moet worden dat Spanje onvoldoende invulling geeft aan zijn verplichtingen als bewaker van de Europese buitengrens?
Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente toepassing en naleving van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. In dat kader is een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoedster van de Verdragen onmisbaar. Via Schengenevaluaties wordt getoetst of lidstaten voldoen aan het Schengen acquis. Op basis van deze evaluaties worden aanbevelingen geformuleerd die lidstaten moeten uitvoeren. Daarnaast rapporteert de Commissie over de integriteit van het Schengengebied via de Schengen barometer en het Staat van Schengenrapport. Het is, meer dan voorheen, extra van belang dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenvaluaties opvolgen om adequate toepassing en naleving van de Schengenregels te waarborgen. Het kabinet pleit er daarom voor dat tekortkomingen in de toepassing voor alle lidstaten inzichtelijk worden en politiek besproken worden tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Acht u Spanje, gelet op de huidige ontwikkelingen, nog steeds een volledig betrouwbare partner bij de uitvoering van het Europese migratiebeleid? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Het kabinet acht Spanje nog steeds een betrouwbare partner bij de uitvoering van het Europese migratiebeleid. Spanje heeft, mede op aandringen van Nederland, stappen genomen om de buitengrens verder te versterken en op korte termijn grootschalige terugkeeroperaties gestart, wat ertoe heeft geleid dat een groot aantal van de irreguliere migranten reeds zijn teruggekeerd. Het kabinet spreekt erkenning uit voor de snelle acties van Spanje. Ook ten aanzien van de uitvoering van het Pact werkt Nederland goed met Spanje samen. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Bent u bereid binnen de Raad van de Europese Unie aan te dringen op een onafhankelijke verificatie van de feiten rondom de gebeurtenissen in Ceuta, zodat lidstaten kunnen beschikken over objectieve informatie over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten en de daadwerkelijke grensbewaking? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat heeft het kabinet tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus j.l. gedaan.
Indien zou blijken dat Spanje de Europese asiel- en terugkeerregels structureel onjuist toepast of onvoldoende handhaaft, bent u dan bereid de Europese Commissie te verzoeken een inbreukprocedure tegen Spanje te starten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet er stelselmatig op in dat lidstaten het asielacquis en terugkeeracquis naleven. De Commissie ziet hierop toe, als hoedster van de verdragen. Het kabinet ziet geen reden om aan te nemen dat Spanje de verplichtingen die voortvloeien uit het asiel- en terugkeer acquis niet nakomt.
Ten aanzien van de verantwoordelijkheidsregels als bedoeld in artikel 60, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351 geldt dat de Nederlandse ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert. Ook de Europese Commissie heeft op op 15 juli 2026 een mededeling gepubliceerd over eventuele structurele tekortkomingen in lidstaten. Daarin concludeert de Commissie, in lijn met de Nederlandse ervaring, dat er ten aanzien van Spanje geen signalen zijn voor structurele tekortkomingen bij de uitvoering van de overdrachten onder AMbV
Bent u bereid de Europese Commissie te verzoeken onderzoek te doen naar mogelijke systematische tekortkomingen in de toepassing van de verantwoordelijkheidsregels door Spanje als bedoeld in Artikel 60, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de opvatting dat, indien de Europese Commissie dergelijke systematische tekortkomingen vaststelt, andere lidstaten niet gehouden zouden moeten zijn solidariteitsbijdragen – waaronder herplaatsingen of financiële bijdragen – aan Spanje te leveren? Bent u bereid dit standpunt in Europees verband uit te dragen?
Indien de Europese Commissie systemische tekortkomingen vaststelt bij een lidstaat die solidariteit ontvangt bij het uitvoeren van de AMbV overdrachten, dan zijn de andere lidstaten niet meer verplicht om solidariteit aan deze lidstaat te geven. Op basis van de laatste evaluatie van de Commissie, in lijn met de Nederlandse ervaring, is dit voor Spanje niet aan de orde.
Bent u bereid de Spaanse ambassadeur te ontbieden indien blijkt dat de Spaanse autoriteiten de Europese partners onjuist of onvolledig hebben geïnformeerd over de migratiesituatie in Ceuta? Zo nee, waarom niet en wanneer zou u dit wel aan de orde zijn?
Dit is niet aan de orde. het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de Spaanse autoriteiten onjuiste informatie hebben verstrekt. Spanje heeft snel, proactief en continu informatie gedeeld over de situatie in Ceuta.
Welke diplomatieke stappen acht u passend indien zou blijken dat Spanje bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten of de naleving van Europese verplichtingen?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid, indien Spanje de buitengrens aantoonbaar onvoldoende bewaakt en daardoor een ernstig risico ontstaat voor de openbare orde en de werking van het Schengengebied, tijdelijke maatregelen te treffen ten aanzien van het personenverkeer van en naar Spanje, waaronder intensivering van grenscontroles op lucht- en zeeverbindingen, voor zover het Unierecht daarvoor ruimte biedt? Zo nee, waarom niet?
Omdat het Schengengebied niet geschonden is en het overgrote deel van de irreguliere migranten weer is teruggekeerd is dit nu niet in beeld.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er controles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Heeft u kennisgenomen van maatregelen van andere lidstaten om het personenverkeer met Spanje tijdelijk aan aanvullende controles te onderwerpen naar aanleiding van de huidige migratiesituatie? Zo ja, hoe beoordeelt u deze maatregelen?
Ja. Het is niet aan het kabinet om de maatregelen van andere lidstaten te beoordelen.
Onder welke omstandigheden acht u het gerechtvaardigd om, met een beroep op de Schengengrenscode, tijdelijke grenscontroles ten aanzien van reizigers vanuit Spanje in te voeren indien sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid?
Zie antwoorden hierboven. Op dit moment is er geen additioneel risico voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid geconstateerd, mede vanwege het feit dat er tot op heden geen secundaire bewegingen naar het Europese vasteland zijn geconstateerd. Het kabinet blijft de situatie nauw monitoren. Mocht de situatie wijzingen en additionele maatregelen nodig blijken zal het kabinet uw Kamer daarover informeren.
Bent u bekend met de Spaanse wetgeving op grond waarvan de Spaanse regering alleenstaande minderjarige migranten die illegaal Ceuta zijn binnengekomen niet zal terugsturen, maar deze minderjarige migranten in de procedure zal opnemen en eventueel naar andere autonome regio’s binnen Spanje zal sturen? Zo ja, kunt u aangeven of er informatie bekend is dat deze illegaal binnengekomen amv’ers reeds in de procedure zijn opgenomen dan wel verplaatst zijn naar andere autonome regio’s in Spanje?
Het kabinet heeft geen geverifieerde informatie waaruit blijkt dat de amv’ers al zijn opgenomen in een procedure dan wel zijn overgeplaatst naar andere autonome regio’s.
Op welke juridische grondslag baseert Spanje dit beleid en acht u dit in overeenstemming met de het Europese migratiebeleid?
Het is niet aan het kabinet om te beoordelen of het handelen van Spanje in lijn is met de Europese wetgeving. Het is aan de Europese Commissie als hoeder van de verdragen om hier op toe te zien.
Deelt u de opvatting dat het vooruitzicht op opvang en herverdeling binnen Europa een aanzuigende werking kan hebben op alleenstaande minderjarige migranten en mensensmokkelaars? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft duidelijk gemaakt, onder andere tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus, dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen.
In algemene zin is het, om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, van belang dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Migranten die geen recht hebben om asiel moeten snel afgewezen worden, en de terugkeer geeffectueerd. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie van het Asiel- en Migratiepact en de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhub.
Bestaat het risico dat deze minderjarigen zich, nadat zij binnen Spanje zijn verdeeld, vrij binnen het Schengengebied kunnen verplaatsen en uiteindelijk ook Nederland bereiken? Hoe beoordeelt u dit risico?
Voor de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die asiel hebben aangevraagd in Spanje geldt conform EU-regelgeving dat de lidstaat van eerste aanvraag, in dit geval Spanje, verantwoordelijk is voor de beoordeling van het asielverzoek. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Hoe beoordeelt u het Spaanse beleid in het licht van de noodzaak om irreguliere migratie en mensensmokkel tegen te gaan?
Het is niet aan het kabinet om het beleid van Spanje te beoordelen. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met Spanje te onderzoeken. Hen is gevraagd hierin in ieder geval de oorzaken, inclusief de rol van mensensmokkelaars en tekortkomingen aan de Spaanse buitengrens, mee te nemen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bereid binnen de Raad van de Europese Unie aan te dringen op een eenduidig Europees beleid waarbij ook voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen dat erop ziet dat ook zij, bij illegale grensoverschrijding, direct teruggestuurd worden?
Indien een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) zonder verblijfsvergunning op het grondgebied van een lidstaat verkeert, kan een lidstaat een terugkeerbesluit nemen en is de amv daarmee vertrekplichtig. Hier zijn wel voorwaardes aan verbonden om de amv te beschermen en niet zonder adequate opvang naar het land van herkomst te sturen. De amv heeft ook, net zoals iedereen, het recht om asiel aan te vragen. Zodra de asielprocedure loopt heeft de amv, net zoals ieder ander, het recht om deze af te wachten op het territorium van de lidstaat waar de asielprocedure is aangevraagd.
Het beleid en de bijzondere waarborgen en uitzonderingen inzake de procedure en beoordeling van asielverzoeken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen is op Europees niveau vastgelegd in onder andere de Asielprocedureverordening. Daarmee is er reeds eenduidig Europees beleid.
Bent u het eens met de uitspraak van de Minister-President op X waarin hij stelt dat de invasie te wijten is aan mensensmokkelaars?2
Het is een gegeven dat mensensmokkelaars een kwalijke rol spelen in de migratieroutes tussen Noord-Afrika en Europa. Het kabinet heeft de rol van mensensmokkelaars, het misbruik dat zij maken van kwetsbare personen en de rol die zij hebben gespeeld in dit incident veroordeeld. Het kabinet vindt het van belang dat het wrede verdienmodel van mensensmokkelaars doorbroken wordt.
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, kunt u onderbouwen op basis van welke concrete informatie de Minister-President stelt dat de gebeurtenissen in Ceuta zijn veroorzaakt door mensensmokkelaars? Beschikt het kabinet over bevestigde inlichtingen of strafrechtelijke onderzoeken waaruit dit blijkt, of betreft dit een aanname? Indien die onderbouwing ontbreekt, waarom presenteert de Minister-President deze lezing, welke u volgt, dan als een vaststaand feit, terwijl er ook andere verklaringen voor de massale grensbestorming worden genoemd?
Zoals hierboven aangegeven veroordeelt het kabinet de rol die mensensmokkelaars hebben gespeeld. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen is het van belang dat er verder onderzoek wordt gedaan naar de totstandkoming van dit incident, het samenspel tussen de verschillende factoren waaronder mogelijke tekortkomingen aan de buitengrens en de rol van mensensmokkelaars is hierbij van belang. Nederland heeft hiertoe tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus jl. opgeroepen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bekend met het bericht «Online werd massale overtocht naar Ceuta wekenlang voorbereid en gepromoot»?3 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. Het is op dit moment is moeilijk te kwantificeren welke factoren allemaal een rol hebben gespeeld en in welke omvang. Het kabinet loopt niet vooruit op de uitkomsten van het eerdergenoemde onderzoek.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de Spaanse inlichtingendiensten, volgens de Spaanse krant ABC, op de hoogte waren van de dreiging van de invasie in Ceuta? En hoe beoordeelt u het optreden van de Spaanse inlichtingendienst?
Het is niet aan het kabinet om het optreden van de Spaanse inlichtingdiensten te beoordelen.
Bent u bekend met de aanwijzingen dat Marokkaanse autoriteiten onvoldoende hebben opgetreden tegen mensensmokkel, georganiseerde migratiestromen of online oproepen om de oversteek naar Ceuta te maken? Zo ja, hoe beoordeelt u deze?
Het kabinet gaat nu niet in op dit soort analyses over het ontstaan van de situatie. Het kabinet is van mening dat het – met het oog op het voorkomen van een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst- nodig is om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met in Spanje te onderzoeken. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
In hoeverre deelt u de zorgen van de Spaanse autoriteiten dat migratie opnieuw als politiek drukmiddel zou kunnen worden ingezet? En welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat dit gaat gebeuren?
De Raad heeft in 2024 een Verordening vastgesteld met maatregelen in geval van instrumentalisering van migratie. Daarnaast is een gezamenlijke inzet op de versterking van buitengrenzen en de andere maatregelen zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 7 essentieel.
Welke rol speelt de samenwerking tussen de Europese Unie en Marokko bij grensbewaking en het tegengaan van illegale migratie, en voldoet Marokko volgens u momenteel aan de gemaakte afspraken?
Zowel de Europese Unie als EU-lidstaten onderhouden nauwe betrekkingen met Marokko op het gebied van migratie en werken samen op verschillende terreinen, waaronder grensmanagement en het verbeteren van terugkeersamenwerking. Marokko heeft voorts constructief meegewerkt aan terugkeer van vertrek-plichtige vreemdelingen en in nauwe samenwerking met Spanje ondersteund bij het tegengaan van verdere irreguliere bewegingen.
Het bericht 'Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN' |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het onacceptabel is dat dergelijk tuig het stadhuis bestormt, aanwezigen aanvalt en de orde in de raadzaal verstoort? En dat dergelijk gedrag de democratische rechtsstaat ondermijnt, zeker als er geen nadere actie op wordt ondernomen?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe is het mogelijk dat een jaar nadat onder andere Extinction Rebellion het Utrechtse stadhuis heeft bestormd en doordrong tot in de raadzaal, het OM nog steeds de zaak niet heeft opgepakt, naar aanleiding van een aangifte van een raadslid?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed het gemeenteraadslid aangifte van het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aan geboden.
De keuze om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe is het mogelijk dat de politie aangeeft de zaak, waarbij meerdere verdachten in beeld zijn, te hebben verstuurd en het OM aangeeft de aangifte nooit heeft ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze zaak tot de bodem uit te zoeken en daar nader over te berichten?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt is dit inmiddels gebeurd.
Het bericht 'Privacy terreurverdachte Muhammed K. (19) volgens rechter ontzettend belangrijk: ’Telefoon maximaal twaalf keer per jaar gecontroleerd’' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy terreurverdachte Muhammed K. (19) volgens rechter ontzettend belangrijk: «Telefoon maximaal twaalf keer per jaar gecontroleerd»»?1
Ja.
Wat is, los van de beleidstechnische inhoud, uw persoonlijke reactie op dit bericht? Zakt bij u ook de moed in de schoenen over de prioriteiten en capaciteiten van de overheid (en haar aanhangende organisaties) bij het lezen van dergelijke berichten?
Ik begrijp goed dat deze berichtgeving gevoelens van onbegrip kan oproepen. Dat iemand die eerder is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf opnieuw is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf, is buitengewoon ernstig en zorgelijk.
De recente aanhoudingen onderstrepen de bevindingen in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland dat de jihadistische dreiging de belangrijkste en meest bepalende factor voor de terroristische dreiging is in Nederland. Alleen door een onverminderde inzet op zowel lokaal als nationaal niveau kunnen we de veiligheid blijven waarborgen. De politie en de inlichtingendiensten continueren hun inzet om potentiële dreigingen direct te verstoren, met als recent voorbeeld meerdere aanhoudingen van terrorismeverdachten de afgelopen maanden.
Tegelijkertijd kan geen enkele aanpak het risico op terroristisch geweld of recidive volledig uitsluiten. Dat mag echter nooit een reden zijn om daarin te berusten. Nieuwe signalen moeten steeds opnieuw worden beoordeeld en waar blijkt dat de aanpak, het toezicht of de samenwerking kan worden versterkt, moeten daar concrete lessen en maatregelen uit volgen.
Deelt u de mening dat in deze casus, en helaas veel vaker, de overheid tekortschiet in het beschermen van haar burgers en dat dit tekortkomen bij dit soort incidenten pijnlijk aan het licht komt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel terroristen (in wording) staan momenteel onder toezicht van de reclassering met een dergelijke beperking in het toezicht zoals bij Muhammed K.?
Reclassering Nederland draagt met een landelijk team van gespecialiseerde reclasseringsprofessionals, het zogeheten TER-team, bij aan het verkleinen van de dreiging die uitgaat van volwassen verdachten of veroordeelden van strafbare feiten die zij pleegden vanuit extremistische, terroristische en/of geradicaliseerde overtuigingen.
Het TER-team houdt momenteel toezicht op in totaal 26 volwassen personen aan wie de voorwaarde «meewerken aan controle gegevensdragers» is opgelegd. Hieronder vallen ook personen met links- en rechts-extremistische overtuigingen en personen die zich soeverein hebben verklaard.
Bij de Raad voor de Kinderbescherming staan 30 jeugd-CTER zaken geregistreerd. Er zit geen specifiek kenmerk op bijzondere voorwaarden in de registratie van Toezicht en Begeleidingszaken binnen Gecertificeerde Instellingen (GI’s) vanuit de jeugdreclassering.
Deelt u de mening mening dat dergelijke deradicaliseringstrajecten juist door deze terroristen misbruikt kunnen worden om hun dossier te verschonen door goed gedrag te vertonen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uit te sluiten dat iemand bij een begeleidingstraject sociaal wenselijk gedrag vertoont of probeert de betrokken professionals te misleiden. Sociaal wenselijk of strategisch gedrag in dit werkveld is een bekend en onderkend fenomeen, hierin zijn de professionals die dergelijke trajecten uitvoeren dan ook getraind De beoordeling wordt daarom niet uitsluitend gebaseerd op wat een betrokkene tijdens gesprekken verklaart of op gedurende korte tijd vertoond positief gedrag, er wordt ook gekeken naar objectieve informatie en gebruikgemaakt van objectieve criteria. De ontwikkeling wordt over een lange periode bezien, waarbij verschillende waarnemingen, informatiebronnen en professionele inzichten worden betrokken. Daarbij kan onder meer worden gekeken naar de naleving van opgelegde voorwaarden, concrete gedragsveranderingen, relevante contacten, risico- en beschermende factoren en eventuele nieuwe signalen.
Daarbij is van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen deradicalisering en disengagement. Deradicalisering is gericht op het afstand nemen van extremistisch gedachtegoed en een verandering in waarden, attitudes en opvattingen, terwijl disengagement ziet op het beëindigen van extremistisch of terroristisch gedrag en het verbreken van banden met extremistische personen of netwerken. Een verandering van overtuigingen is niet altijd volledig vast te stellen en is ook niet in alle gevallen (direct) haalbaar. Daarom wordt in de praktijk tevens ingezet op concrete en duurzame gedragsverandering en op het verminderen van het risico op (extremistisch) geweld.
Een deradicaliserings- of disengagementstraject is bovendien geen op zichzelf staande garantie en komt niet in de plaats van strafrechtelijk optreden, reclasseringstoezicht of de inzet van politie en veiligheidsdiensten wanneer daar aanleiding voor bestaat. Volledige zekerheid over iemands overtuigingen en toekomstig gedrag kan niet worden gegeven. Nieuwe of afwijkende signalen kunnen daarom aanleiding geven om het risicobeeld opnieuw te beoordelen en de inzet waar nodig aan te passen of te intensiveren.
Deelt u de mening dat toezicht op mobiele apparaten totaal nutteloos is indien dit slechts één keer per maand plaatsvindt en de betreffende terrorist ook nog vrijuit andere toestellen kan gebruiken en chats/gegevens kan wissen voorafgaand aan de controle? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
De rechtbank bepaalt welke voorwaarden of vorm(en) van controle nodig zijn en in sommige gevallen ook hoe vaak. De partij die belast is met het uitvoeren van controles, bepaalt wanneer deze worden uitgevoerd. Deze controles kunnen onaangekondigd worden uitgevoerd. Dit vergroot de kans dat iemand zich structureel zal conformeren aan een opgelegde voorwaarde. Tegelijkertijd ben ik, zoals in mijn brief van 22 mei 20262 vermeld, met de reclassering in gesprek over de mogelijkheden om een vergelijkbare methodiek te ontwikkelen voor controle inzake online terrorisme en (gewelddadig) extremisme delicten, zoals de reclassering die heeft ontwikkeld om te controleren of een justitiabele zich houdt aan de bijzondere voorwaarde «vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik».
Daarnaast is het de taak van reclasseringswerkers om cliënten te motiveren om zich uit eigen beweging te houden aan opgelegde voorwaarden. Daarbij zijn de voorwaarden onderdeel van het kader om het gesprek aan te gaan over gedragsverandering. De reclassering zet zich immers in voor duurzame gedragsverandering en niet enkel het naleven van een tijdelijke voorwaarde.
Bent u van mening dat rechters bij hun aanstelling voldoende zijn toegerust om dit soort terrorismezaken met voldoende oog voor de bescherming van de samenleving te beoordelen? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, waar schiet het huidige kader tekort?
Rechters doorlopen een strenge selectie en een langdurig en intensief inwerktraject voordat zij zelfstandig als rechter aan het werk gaan. Een rechter in opleiding wordt opgeleid in verschillende rechtsgebieden met een daarbij passend cursusaanbod. Rechters in opleiding worden opgeleid en begeleid door ervaren collega’s. Ook na deze opleiding zijn rechters verplicht trainingen en cursussen te volgen. Door permanente educatie worden kennis en vaardigheden actueel gehouden en verder uitgebreid. SSR, het opleidingsinstituut van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie, biedt cursussen aan op het gebied van terrorisme en terrorismebestrijding zodat rechters goed in staat zijn om zaken op dit gebied aan te pakken en te beoordelen. Binnen het cursusaanbod is ook aandacht voor de verschillende fasen van het terrorismeonderzoek.
Wij zijn ons ervan bewust dat u geen harde kritiek op de Rechtspraak wilt leveren, maar kunt u zich ook niet aan de indruk onttrekken dat er in deze casus, en wellicht vaker, sprake is van flinke naïviteit bij de Rechtspraak? Zo nee, waarom niet?
De rechter kijkt bij de behandeling van iedere zaak naar alle relevante feiten en omstandigheden van de zaak. Bij het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf weegt de rechter steeds zorgvuldig of die voorwaarden noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn. Als een voorwaarde een inbreuk maakt op grondrechten – zoals de privacy – is het aan de rechter om de proportionaliteit te bewaken. Een begrenzing, zoals een maximumaantal controles, kan daarbij dienen om de inbreuk niet verder te laten gaan dan nodig is. Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen en afwegingen die door rechters worden gemaakt in rechterlijke uitspraken.
Het bericht 'Online werd massale overtocht naar Ceuta wekenlang voorbereid en gepromoot; Spaans wantrouwen over rol Marokko' |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Online werd massale overtocht naar Ceuta wekenlang voorbereid en gepromoot; Spaans wantrouwen over rol Marokko», alsmede met overige berichtgeving over de massale, wekenlang online voorbereide en gepromote overtocht van duizenden illegale grensoverschrijders vanuit Marokko naar de Spaanse exclave Ceuta, en met de berichten over Spaans wantrouwen jegens de rol van Marokko daarbij?1 2 3 4
Ja.
Waren onze diensten op de hoogte van deze voorbereidingen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet doet vanzelfsprekend in de openbaarheid geen uitspraken over de informatiepositie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Deelt u de opvatting dat deze ongecontroleerde massale grensdoorbraak vanuit Marokko naar Spanje niet alleen een gevaar vormt voor de Spaanse nationale veiligheid, maar ook voor die van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment geen aanleiding om de gebeurtenissen in Ceuta te verbinden aan onze nationale veiligheid. In algemene zin is bekend dat de instrumentalisering van (irreguliere) migratiestromen wordt gebruikt door statelijke actoren om sociale en politieke stabiliteit te ondermijnen. Of hier sprake van is bij de gebeurtenissen in Ceuta is op dit moment niet bekend. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de nationale veiligheid in andere lidstaten.
Bent u bereid onze diensten vanaf nu structureel deze dreiging in kaart te laten brengen en u wekelijks te laten informeren over de stand van zaken? Zo nee, waarom niet?
De AIVD mag op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek verrichten met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. De AIVD maakt daarbij zelf de afweging of er aanleiding is tot het starten van onderzoek.
Heeft u kennisgenomen van mijn bericht op X waarin ik voorstel de NAVO de buitengrenzen van de EU te laten bewaken, ter bescherming van ons continent tegen ongecontroleerde massale immigratie die onze cultuur, collectieve veiligheid en welvaart destabiliseert? Zo nee, waarom niet? Bent u, ongeacht het antwoord, bereid dit verzoek bij de NAVO neer te leggen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De NAVO is een politieke en militaire alliantie die middels collectieve verdediging tegen gewapende aanvallen de veiligheid van de bondgenoten waarborgt. De NAVO heeft geen rol in migratiebeheer. Het is de taak van de EU-lidstaten en de EU-agentschappen zoals Frontex om de buitengrenzen van de EU te bewaken tegen, onder andere, irreguliere migratie.
Kloppen de op sociale media circulerende berichten dat een Marokkaanse illegale immigrant in Ceuta tijdens de onlusten aldaar op klaarlichte dag een Spaanse burger in zijn keel heeft gestoken? Zo ja, wat is de conditie van het slachtoffer, is de dader aangehouden en welke straf staat hem te wachten voor deze moordaanslag? Zo nee, kunt u aangeven wat er feitelijk is voorgevallen?5
Het is verder de Spaanse autoriteiten om onderzoek te doen naar incidenten die hebben plaatsgevonden in Ceuta.
Kloppen de berichten dat, in tegenstelling tot de Spaanse verklaringen dat vrijwel iedereen zou zijn vertrokken, in werkelijkheid nog een aanzienlijk aantal illegale grensoverschrijders in Ceuta is achtergebleven? Zo ja, om hoeveel personen gaat het?
Spanje heeft, in samenwerking met Marokko, de terugkeer van het overgrote deel van de irreguliere migranten bewerkstelligd en de nieuwe aankomsten door de grens te versterken voorkomen. Het snelle optreden van Spanje was noodzakelijk. Dat betekent niet dat de EU en Spanje de aandacht nu kan laten verslappen. Het is helder dat er grootschalig irreguliere aankomsten zijn geweest en dat deze irreguliere migranten ook op grote schaal zijn vertrokken. De irreguliere migranten zijn, door de chaotische situatie op 30 en 31 juli jl., niet geregistreerd bij binnenkomst van Ceuta. Ook is het niet mogelijk geweest om de terugkeer van al deze irreguliere migranten te registeren. Er bestaat daardoor onduidelijkheid over hoeveel irreguliere migranten zich nog in Ceuta bevinden. Het is van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daar samen met andere gelijkgezinden lidstaten op blijven aandringen.
Deelt u de opvatting dat, indien Spanje ons hierover onvolledig of onjuist informeert, dit het onderlinge vertrouwen ondermijnt waarop verdragen als Schengen en het EU Migratiepact zijn gebaseerd? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om Nederland te beschermen tegen de gevolgen van Spaanse incompetentie en onjuiste informatievoorziening?
Het snelle optreden van Spanje, in goede samenwerking met Marokko, was noodzakelijk. Zoals aangegeven lijkt met de nu gepleegde inzet de integriteit van het Schengengebied niet geschonden. Dit wordt ook ondersteund door Frontex. Het is van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daar samen met andere gelijkgezinden lidstaten op blijven aandringen.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat illegale grensoverschrijders uit Ceuta via Spanje of andere Schengenlanden Nederland weten te bereiken?
Het artikel waaruit blijkt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Alleen Nederlandse chauffeurs krijgen boete als ze over Merwedebrug rijden: «Pure concurrentievervalsing»» en kunt aangeven of het klopt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden? Zo nee, kunt u toelichten waar de bevindingen van het AD vandaan komen en waarom deze onjuist zijn?1
Bent u indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is bereid om het uitschrijven van bekeuringen aan Nederlandse chauffeurs te staken zolang buitenlandse chauffeurs geen bekeuring kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat louter het bekeuren van Nederlandse chauffeurs discriminatie is en dat dit past in de trend bij de overheid waarin Nederlanders overmatig worden benadeeld ten opzichte van niet-Nederlanders? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vereisen dat overtreders ongeacht nationaliteit op gelijke wijze worden behandeld? Zo ja, hoe wordt daarop toegezien en hoe gaat u deze evidente discriminerende situatie oplossen?
Acht u het indien buitenlandse overtreders niet of moeilijk kunnen worden beboet dan rechtvaardig dat Nederlandse ondernemers hierdoor relatief zwaarder worden getroffen?
Hoe lang verwacht u dat het verbod voor vrachtverkeer op de Merwedebrug nog noodzakelijk blijft en wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de duur van de maatregel?
Wanneer gaat u eindelijk eens (adequaat) investeren in de infrastructuur teneinde te voorkomen dat het bekeuren van vrachtwagenchauffeurs überhaupt nodig is?
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
De ondermijning van het vuurwerkverbod |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview van burgemeester Pechtold in de Volkskrant van 3 juli 2026, waarin hij aangeeft dat inwoners ondanks het verbod de ruimte krijgen om wat vuurwerk af te steken en dat het verbod onmogelijk te handhaven is?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de burgemeester dat mensen soms de rand moeten kunnen opzoeken en dat hij mensen die ruimte wil geven ook als het betekent dat er af en toe wat vuurwerk wordt afgestoken?
Ja.
Deelt u de mening dat uitlatingen van een burgemeester, waarin hij aankondigt een landelijk vastgestelde wet niet te zullen handhaven en aankondigt dat hij «wat vuurwerk» zal toelaten, de wet ondermijnt en daarmee ook het draagvlak en de duidelijkheid van de nieuwe norm worden aangetast? Zo nee, wat is dan de boodschap die burgers volgens u met zulke uitspraken meekrijgen?
De Wet veilige jaarwisseling die per 1 augustus in werking is getreden, regelt het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, met uitzondering van F1-vuurwerk. Dit betekent dat het bezit van vuurwerk en het afsteken daarvan door consumenten is verboden, tenzij er sprake is van een door de burgemeester verleende ontheffing. Dit is een duidelijke landelijke norm, die voor alle burgers geldt. Uitspraken in de media doen niet af aan de gelding van die norm. Het niet naleven van deze norm is strafbaar. Hierop kan worden gehandhaafd, zowel door boa’s als politie onder de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag.
Deelt u de zorg dat de uitspraken van de burgemeester de autoriteit van buitengewone opsporingsambtenaren (boa's) en politieagenten kunnen ondergraven, doordat overtreders zich in de praktijk kunnen beroepen op zijn woorden? Zo nee, waar baseert u zich op? Zijn hier gesprekken over gevoerd met boa's en de politie?
Het is niet vast te stellen of burgers zich in de praktijk op dergelijke uitspraken zullen beroepen. De bevoegdheden van boa’s en politie vloeien voort uit de wet en worden hierdoor niet aangetast. Eenduidige communicatie in lijn met het landelijke vuurwerkverbod is echter wel wenselijk en van belang. Het draagt bij aan een heldere normstelling en ondersteunt boa’s en politie bij de uitvoering van hun handhavingstaak. Naar aanleiding van deze specifieke uitspraken zijn geen afzonderlijke gesprekken gevoerd met boa’s of de politie.
Deelt u de mening dat het door de uitspraken van de burgemeester van Delft mogelijk moeilijker wordt voor omliggende gemeentes om goed te handhaven, omdat de norm vager is doordat de burgemeester van Delft zegt dat in Delft wel «wat vuurwerk» afgestoken kan worden? Zo nee, wat is dan de boodschap die burgers volgens u met zulke uitspraken meekrijgen bij het vuurwerkverbod?
Nee. Het landelijke vuurwerkverbod geldt in alle gemeenten en vormt daarmee een landelijke en duidelijke norm. Het is echter van belang dat alle betrokken overheden hierover eenduidig communiceren. Daarnaast is het aan elk lokaal gezag om te bepalen of er ontheffingen worden verleend aan verenigingen of stichtingen voor het afsteken van vuurwerk.
Deelt u de vrees dat de uitspraken van burgemeester Pechtold andere burgemeesters kunnen aanmoedigen om het vuurwerkverbod eveneens minder streng te handhaven, met als gevolg groeiende verschillen tussen gemeenten en afnemende naleving door inwoners? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Er geldt een duidelijk wettelijk kader. De inzet en prioritering van handhaving is en blijft wel een verantwoordelijkheid van het lokaal gezag. In de lokale driehoek worden afspraken gemaakt over de inzet van de politie, lokale prioriteiten en de strafrechtelijke handhaving. Gemeenten bepalen dan ook zelf hoe zij toezicht en handhaving organiseren, rekening houdend met de lokale situatie en beschikbare capaciteit. De burgemeester legt hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad. Daarnaast is het aan de burgemeester om te bepalen hoe er in zijn/haar gemeente met de ontheffingsmogelijkheid wordt omgegaan.
Is er vanuit het kabinet contact geweest met burgemeester Pechtold naar aanleiding van zijn uitspraken? Zo nee, gaat u het gesprek alsnog voeren met het doel om te zorgen dat de nieuwe norm bij alle burgers duidelijk landt?
Nee, er is naar aanleiding van de uitspraken geen contact geweest met burgemeester Pechtold. Overleg met burgemeesters en gemeenten omtrent de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling vindt plaats via reguliere overlegstructuren. Zo is er regelmatig overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), wordt op ambtelijk en bestuurlijk niveau via een expert- en regiegroep afgestemd over de uitwerking van het handhavingsplan waarin gemeenten en andere partners zijn vertegenwoordigd en vindt regulier overleg plaats binnen het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV). Met de relevante partners wordt gewerkt aan het zo goed en eenduidig mogelijk laten landen van de nieuwe regelgeving, bijvoorbeeld door het uitwerken van handreikingen voor gemeenten en het ontwikkelen van duidelijke communicatie richting burgers.
Kunt u een volledig overzicht geven, inclusief een tijdlijn, van alle acties die het kabinet onderneemt om de nieuwe norm dat consumenten geen vuurwerk meer mogen afsteken, goed te laten landen, in lijn met adviezen van politie en (gedrags)wetenschappers? Kunt u per actie uitgebreid toelichten wat deze precies inhoudt en hoe deze precies wordt ingevuld? Wat houdt de publiekscampagne precies in en hoe lang loopt die? Is dat het enige wat wordt gedaan om de nieuwe norm goed te laten landen bij mensen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Hoe worden gemeenten door het kabinet precies geholpen om de nieuwe norm goed te laten inbedden onder burgers dat consumenten geen vuurwerk meer mogen afsteken, in lijn met adviezen van politie en (gedrags)wetenschappers? Kunt u hier zo precies mogelijk in zijn, met een volledige opsomming van acties (inclusief tijdlijn) die het kabinet hiervoor heeft ondernomen en nog gaat ondernemen? Kunt u per actie uitgebreid toelichten wat deze precies inhoudt en hoe deze exact wordt ingevuld?
Hiervoor verwijs ik naar het handhavingsplan dat op 16 maart jl. met uw Kamer is gedeeld en de onlangs verzonden Verzamelbrief vuurwerk van 1 juli jl.2 In deze stukken wordt een overzicht gegeven welke acties zijn uitgevoerd en welke nog volgen om de nieuwe norm goed te laten landen en om gemeenten en uitvoeringspartners te ondersteunen richting de jaarwisseling, inclusief een tijdspad. Bij de totstandkoming en uitvoering van het handhavingsplan is nauw samengewerkt met onder meer VNG, gemeenten, politie, OM, ILT en gedragswetenschappers, zowel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als voor het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Ook is input opgehaald bij onder andere het jongerenpanel van HALT, het jongerenpanel van de politie en via de online community «Nederland denkt mee» van de dienst Publiek en Communicatie via het Ministerie van Algemene Zaken. Acties uit het handhavingsplan zien op communicatie, preventie, handhaving, opsporing en de aanpak in de grensregio’s en internationaal. Deze richten zich onder meer op verschillende risicofactoren en dragen bij aan een duurzame gedragsverandering zoals beoogd met de Wet veilige jaarwisseling. Onderdeel hiervan is een landelijke communicatiecampagne, gebaseerd op gedragsinzichten. Van 17 augustus tot en met 9 oktober loopt de landelijke campagne en deze heeft als boodschap dat burgers vuurwerk, anoniem en straffeloos, kunnen inleveren tijdens georganiseerde inleveracties, omdat het bezit, afsteken en vervoeren van vuurwerk3 vanaf 1 augustus voor consumenten verboden is. De landelijke campagne behelst een onlinevideo, een radiospot, online communicatie, gerichte media en praktische informatie over de inleverdagen op www.leverjevuurwerkin.nl. De inleveracties zelf zijn verspreid door het hele land georganiseerd, in ruim 30 gemeenten, en vinden plaats van 1 september tot 9 oktober 2026. Hiermee worden burgers herinnerd aan de nieuwe norm en wordt de kans geboden hun vuurwerk in te leveren.
Op basis waarvan heeft het kabinet de afweging gemaakt dat de acties onder antwoorden op vraag 8 en 9 voldoende zijn?
Het handhavingsplan is één van de drie voorwaarden waaraan diende te worden voldaan voor inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. De daarin opgenomen acties zien toe op communicatie, preventie, handhaving, opsporing en de aanpak in de grensregio’s en internationaal. Deze richten zich onder meer op verschillende risicofactoren en dragen bij aan een duurzame gedragsverandering zoals beoogd met de Wet veilige jaarwisseling. De acties uit het handhavingsplan zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking met een breed scala aan partijen, waaronder de VNG, gemeenten, politie, OM, Halt, ILT. De betrokken partijen hebben ieder vanuit hun eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid een bijdrage geleverd aan de uitwerking van deze thema’s en het effectief laten landen van de nieuwe norm in de samenleving. Het handhavingsplan dient daarbij als handreiking voor gemeenten, politie en andere betrokken partijen bij de voorbereiding op en uitvoering van hun lokale aanpak. Daarmee is sprake van een breed gedragen plan dat aansluit bij de uitvoeringspraktijk. Daarbij geldt dat de eerste jaarwisselingen onder het nieuwe regime nadrukkelijk in het teken staan van leren, evalueren en waar nodig bijstellen van de aanpak. Op 16 maart jl. is het geactualiseerde handhavingsplan ook aan uw Kamer aangeboden,4 waarna het Inwerkingtredingsbesluit in het kader van de voorhang op 8 mei jl.5 aan de Eerste en Tweede Kamer is aangeboden. De Eerste Kamer heeft op 2 juni jl. besloten in te stemmen met de uitwerking van de voorwaarden en daarmee met de inwerkingtreding van de Wet op 1 augustus 2026. Ook in de voorhangprocedure van de Tweede Kamer is geen bezwaar gekomen tegen de inwerkingtreding van de wet.
Overweegt het kabinet om de vuurwerkregels kort na de aankomende jaarwisseling te evalueren en mogelijk aan te scherpen, waarbij ook de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen wordt geschrapt, gezien alle kritiek van burgemeesters op de ontheffingen en de besluiten van ondertussen al een kwart gemeentes om geen ontheffingen af te geven?2
Net zoals de afgelopen jaren, zal de jaarwisseling worden gemonitord, en wordt de Tweede Kamer kort na de jaarwisseling geïnformeerd over het landelijk beeld van de afgelopen jaarwisseling. Het Besluit veilige jaarwisseling, waarin op initiatief van de Tweede Kamer de ontheffingsmogelijkheid voor burgemeesters is uitgewerkt, zal in samenhang met de Wet veilige jaarwisseling na drie jaar worden geëvalueerd. Zoals toegezegd wordt de Kamer nader geïnformeerd over het tijdspad van de evaluatie.7 In deze brief, die in het najaar aan de Kamer zal worden verstuurd, zal tevens worden ingegaan op de wijze van monitoring.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
Ja.
Ongeregeldheden in Den Haag na de WK-voetbalwedstrijd tussen Nederland en Marokko op 30 juni 2026 |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de ongeregeldheden in Den Haag na de WK-voetbalwedstrijd tussen Nederland en Marokko op 30 juni 2026, waarbij de Mobiele Eenheid (ME), een waterkanon en wapenstokken zijn ingezet en dertien personen zijn aangehouden?1
Ja.
Klopt het dat de sfeer na afloop van de wedstrijd aanvankelijk feestelijk was, met toeterende auto’s, vlaggen, dansende supporters en vuurwerk en dat de politie reeds vooraf zichtbaar en grootschalig aanwezig was in de Haagse Schilderswijk?
Het behoort tot de reguliere taken van de driehoek (burgemeester, officier van justitie en de eenheidschef van de politie) om rondom toekomstige situaties een risico inschatting te maken en zo nodig daarop voor te bereiden.
De politie heeft mij laten weten dat het klopt dat de politie nadrukkelijk zichtbaar aanwezig was in het straatbeeld.
De burgemeester van Den Haag heeft de gemeenteraad geïnformeerd dat het WK zorgvuldig is voorbereid waarbij ervaringen uit eerdere toernooien werden meegenomen. Daarbij is er ruimte voor spontane feestelijke vieringen op straat. Dat is ook geconstateerd bij de wedstrijd Marokko-Nederland op 30 juni 2026.
Kunt u een feitelijke reconstructie geven van de gebeurtenissen in de Haagse Schilderswijk na afloop van deze wedstrijd, uitgesplitst naar tijdstip, locatie, aard van de incidenten, gegeven bevelen, ingezette politie-eenheden, gebruikte geweldsmiddelen en verrichte aanhoudingen?
Kunt u daarbij specifiek reconstrueren op welk moment de sfeer volgens politie en driehoek omsloeg, welke concrete feiten of incidenten daaraan ten grondslag lagen en welke rol meldingen over vuurwerk, stenen, flessen, opstoppingen, openbare-ordeverstoringen en het vermeende vuurwapenincident daarbij hebben gespeeld?
Op welk moment en door wie is besloten om op te schalen naar inzet van de ME, het waterkanon en de wapenstok en welke concrete dreiging voor personen, goederen of de openbare orde maakte deze opschaling volgens u noodzakelijk?
Welke minder ingrijpende middelen zijn voorafgaand aan deze opschaling overwogen of ingezet en waarom zijn deze volgens politie en driehoek onvoldoende geacht?
Is voorafgaand aan de inzet van het waterkanon en het gebruik van wapenstokken duidelijk gewaarschuwd dat deze middelen zouden worden ingezet? Zo ja, hoe vaak, op welke wijze, op welke locaties en in welke talen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke wettelijke bevoegdheden en geweldsinstructies zijn het waterkanon en de wapenstok ingezet en hoe is daarbij voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van de wapenstok is op grond van artikel 12e van de Ambtsinstructie onder andere geoorloofd om een persoon op afstand te houden die een ambtenaar in diens taakuitoefening belemmert of die geen gehoor geeft aan een bevoegd gegeven bevel of verordening, en/of ter verspreiding van samenscholing of volksmenigten die een onmiddellijke bedreiging vormen voor de openbare orde.
Het gebruik van de waterwerper is op grond van artikel 14 van de Ambtsinstructie geoorloofd bij het optreden van een mobiele eenheid in opdracht van de meerdere en na verkregen toestemming van het bevoegd gezag.
De politie heeft op 30 juni in Den Haag geweld toegepast ter handhaving van de openbare orde onder het bevoegd gezag van de burgemeester. De wijze waarop dit geweld is toegepast, en welke geweldsmiddelen hierbij zijn ingezet zijn operationele afwegingen die worden gemaakt in de lokale driehoek. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. In zijn commissiebrief gaat de burgemeester van Den Haag hier op in.
Op grond van Artikel 12e van de Ambtsinstructie mag de wapenstok slechts worden gebruikt in strikt omschreven situaties. Kunt u per bekende inzet van de wapenstok concreet aangeven welke wettelijke grond aanwezig was, welk doel met het geweld werd beoogd en waarom dit geweldsmiddel op dat moment noodzakelijk en proportioneel was?
Zie antwoord vraag 8.
Op sociale media circuleren tevens beelden waarop is te zien dat jongeren in Den Haag gehoor geven aan de politie om door te lopen, maar desondanks herhaaldelijk met wapenstokken worden geslagen. De beelden wekken de indruk dat juist het voortdurende slaan en zwaaien met wapenstokken paniek veroorzaakt onder jongeren die dus in beginsel meewerken. Kunt u deze beelden bevestigen?2
Zie het antwoord op vraag 3 tot en met 7.
De beelden wekken de indruk dat het voortdurende slaan en zwaaien met wapenstokken juist paniek veroorzaakt onder jongeren die in beginsel lijken mee te werken. Bent u bereid deze beelden te laten beoordelen door een onafhankelijke instantie om vast te stellen of het politieoptreden noodzakelijk, proportioneel, subsidiair en de-escalerend was? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat feestvierende jongeren of omstanders die zelf geen geweld gebruikten en gehoor gaven aan politiebevelen, toch zijn geraakt door politiegeweld of hardhandig zijn aangehouden? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke vervolgstappen worden gezet?
Deelt u de mening dat geweld tegen politieagenten onacceptabel is, maar dat dit nooit mag betekenen dat feestvierende jongeren collectief of disproportioneel hard worden aangepakt?
Hoe voorkomt de politie dat het gedrag van enkele ordeverstoorders leidt tot een collectieve aanpak van een grotere groep Marokkaanse feestvierders, waaronder jongeren die geen strafbare feiten plegen en juist gehoor geven aan politiebevelen?
In zijn algemeenheid geldt dat wanneer de burgemeester de politie de opdracht geeft om ter handhaving van de openbare orde personen te bevelen zich uit een aangewezen gebied te verwijderen, dit wordt dit gecommuniceerd met de personen die zich in dat gebied bevinden. De politie geeft de instructie om een gebied te verlaten en kondigt aan dat personen die hieraan geen gehoor geven het risico lopen dat er geweld tegen hen gebruikt zal worden.
Wordt het politieoptreden in Den Haag onafhankelijk geëvalueerd, inclusief de voorbereiding, de zichtbare aanwezigheid van de politie, het moment van opschaling, het gebruik van geweldsmiddelen, de aanhoudingen en de vraag of de inzet de-escalerend of juist escalerend heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester van Den Haag heeft in zijn brief aan de gemeenteraad onder andere gecommuniceerd dat eerdere ervaringen worden meegenomen in de voorbereiding op momenten waarbij de mogelijkheid bestaat op openbare orde verstoringen.
Ook heeft hij in zijn brief aan de gemeenteraad gecommuniceerd dat politiegeweld in Nederland aan strikte regels gebonden is en altijd achteraf wordt getoetst en waar nodig onderzocht. Als er klachten over het politieoptreden worden ingediend, worden die zorgvuldig beoordeeld, tot indien nodig, aan de onafhankelijke Nationale ombudsman. Er kan ook aangifte worden gedaan als iemand van mening is dat de politie een strafbaar feit heeft begaan.
Uit berichtgeving blijkt dat Amsterdam koos voor een de-escalerende aanpak waarbij fans ruimte kregen om feest te vieren en geen aanhoudingen zijn verricht, terwijl in Den Haag en Utrecht zwaarder is opgeschaald met ME, waterkanonnen en wapenstokken. Hoe verklaart u dit verschil in politieaanpak en in hoeverre is vooraf meegewogen dat grootschalige en zichtbare politie-inzet juist escalerend kon werken, met name in een dichtbevolkte wijk waar veel jongeren en omstanders aanwezig waren, temeer nu beelden de indruk wekken dat tegen aanwezige jongeren buitensporig en disproportioneel geweld is gebruikt door herhaaldelijk met de wapenstok te slaan?3 45
De handhaving van de openbare orde en de inzet van de politie met dit doeleinde wordt uitgevoerd onder het gezag van de burgemeester. De burgemeester legt hier verantwoording over af in de gemeenteraad. Op lokaal niveau worden afwegingen gemaakt hoe er wordt omgegaan met lokale openbare orde verstoringen onder andere omdat lokaal de kennis aanwezig is over de lokale context, risicolocaties, betrokken gemeenschappen en de beschikbare capaciteit van de politie en hulpdiensten. Daardoor kunnen getroffen maatregelen verschillen per gemeente.
Gelet op het voorgaande, kunt u precies reconstrueren waardoor, hoe en op welk moment de sfeer omsloeg, wanneer is besloten op te schalen naar inzet van de ME, waterkanonnen en wapenstokken, welke concrete feiten of incidenten daaraan ten grondslag lagen en in hoeverre en hoe daarbij de afweging is gemaakt dat voornoemde zware politie-inzet noodzakelijk, proportioneel en de-escalerend was?
Zie het antwoord op vraag 3 tot en met 10.
Bent u bereid de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over de uitkomsten van de evaluatie van het politieoptreden in Den Haag en daarbij expliciet in te gaan op de vraag of de inzet van ME, waterkanon en wapenstokken noodzakelijk, proportioneel, subsidiair en de-escalerend was?
Het is niet aan de Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele casuïstiek. De handhaving van de openbare orde en de inzet van de politie met dit doel wordt uitgevoerd onder het gezag van de burgemeester. De burgemeester legt hier verantwoording over af in de gemeenteraad.
De bosbranden in Frankrijk, Spanje en Italië de vraag om hulp |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Frankrijk de Europese Unie om hulp heeft gevraagd bij de bestrijding van de natuurbranden en dat ook Spanje en delen van Italië te maken hebben met ernstige natuurbranden?
Ja.
Hebben Frankrijk, Spanje of Italië inmiddels een verzoek om internationale of Europese bijstand gedaan? Zo ja, welke verzoeken zijn gedaan en welke rol speelt Nederland daarin?
Frankrijk en Spanje hebben een beroep gedaan op het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming (Union Civil Protection Mechanism; UCPM). Frankrijk activeerde het mechanisme op 23 juli 2026 en verzocht om ondersteuning vanuit de lucht bij de bestrijding van natuurbranden. Spanje activeerde het mechanisme op 24 juli 2026 en verzocht om ondersteuning op de grond en vanuit de lucht. Italië had ten tijde van de berichtgeving nog geen beroep gedaan op UCPM.
Het Nationaal Crisiscentrum (NCC), onderdeel van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, fungeert als Single-Point-of-Contactvoor het Europese Emergency Response Coordination Centre (ERCC). Via het ERCC ontvangt het NCC alle bijstandsaanvragen die voortkomen uit het UCPM en coördineert de beoordeling daarvan met de betrokken Nederlandse partners. Naar aanleiding van de verzoeken van Frankrijk en Spanje heeft Nederland geen aanvullende capaciteit aangeboden. Vanwege het verhoogde natuurbrandrisico in Nederland moest voldoende specialistische capaciteit beschikbaar blijven voor de nationale paraatheid.
Is Nederland bereid om, indien daarom wordt verzocht, bij te dragen aan de bestrijding van de natuurbranden in Frankrijk, Spanje of Italië? Zo ja, welke inzet kan Nederland daarbij leveren?
Ja, Nederland is bereid vanuit Europese solidariteit via het UCPM, bij te dragen aan de bestrijding van natuurbranden in het buitenland, wanneer de omstandigheden dat toelaten. Ieder verzoek wordt beoordeeld naar welke capaciteit wordt gevraagd, of het beschikbare personeel en materieel geschikt en veilig inzetbaar zijn, wat de gevolgen zijn voor de Nederlandse paraatheid en hoelang de inzet naar verwachting zal duren.
Verder zijn Italië, Frankrijk of Spanje betrokken als host-country bij het Europese pre-positioning programme. Tijdens dit programma hebben brandweerdiensten uit andere Europese lidstaten de mogelijkheid hun personeel ervaring op te laten doen in respectievelijk Italië, Frankrijk of Spanje ten behoeve van de natuurbrandbestrijding.
Los van het eerdergenoemde Spaanse bijstandsverzoek zijn er dit jaar in totaal veertig Nederlandse brandweermensen ingezet in Catalonië in verband met het pre-positioning programme. Tijdens deze internationale trainingsmissie draaide Nederlandse brandweermensen mee met hun Spaanse collega’s. Daarbij ondersteunde zij de lokale natuurbrandbestrijding en deden tegelijkertijd kennis en ervaring op die ook in Nederland kan worden benut.
Heeft het kabinet hierover inmiddels contact met de betrokken landen of met de Europese Unie? Zo ja, wat is de stand van zaken?
Nederland staat voortdurend via het NCC in nauw contact met het ERCC over de ontwikkeling van natuurbranden, bijstandsverzoeken en de door lidstaten aangeboden capaciteit. Via deze Europese structuur vindt ook de afstemming met de betrokken landen plaats.
Deze verzoeken van Frankrijk en Spanje zijn met de relevante Nederlandse partners beoordeeld. Als bovengenoemd kon Nederland ten aanzien van deze bijstandsverzoeken geen aanvullende capaciteit aanbieden, omdat vanwege het verhoogde natuurbrandrisico voldoende specialistisch personeel en materieel beschikbaar moest blijven voor de nationale paraatheid.
Beschikt Nederland op dit moment over voldoende capaciteit om, indien nodig, bijstand te verlenen aan andere Europese landen zonder dat dit ten koste gaat van de nationale paraatheid?
Nee, Nederland beschikt niet het hele jaar door over voldoende specialistische capaciteit voor natuurbrandbestrijding om andere Europese landen bijstand te kunnen verlenen. Dit was ook het geval ten tijde van de bijstandsaanvragen uit Spanje en Frankrijk. Vanwege het verhoogde natuurbrandrisico moest voldoende personeel en materieel beschikbaar blijven voor de bestrijding van mogelijke natuurbranden in Nederland. Dit betekent niet dat Nederland in algemene zin over onvoldoende brandweercapaciteit beschikte ten tijde van de bijstandsaanvragen. De beperking betreft specifiek de specialistische capaciteit die nodig was voor de bestrijding van binnenlandse natuurbranden.
Daarnaast zijn de Nederlandse specialistische natuurbrandteams niet volledig ingericht volgens de richtlijnen die gelden voor bestrijdingsmodules binnen het UCPM. Hierdoor sluiten de samenstelling, werkwijze en uitrusting van deze teams nog niet optimaal aan op die van andere Europese landen. Dit beperkt de snelheid en effectiviteit waarmee Nederland dergelijke teams internationaal kan aanbieden en inzetten. De landelijk en internationaal inzetbare specialistische capaciteit en het verbeteren van de aansluiting op de Europese richtlijnen zijn daarom belangrijke aandachtspunten.
In hoeverre is Nederland, mede gelet op de steeds grotere risico's op natuurbranden in Europa, beter voorbereid op een periode van aanhoudende droogte en natuurbranden dan enkele jaren geleden? Welke maatregelen zijn daarvoor genomen?
Het risico op natuurbranden neemt in Europa toe, ook in Nederland. Door hogere temperaturen en langdurige droogte kunnen natuurbranden vaker ontstaan, zich sneller verspreiden en moeilijker te bestrijden zijn. De recente natuurbranden in onder meer Spanje, Frankrijk en Griekenland onderstrepen deze ontwikkeling, evenals de natuurbranden die dit voorjaar in Nederland hebben plaatsgevonden en recent in Limburg. Het kabinet neemt deze risico’s zeer serieus en zet zich in om de weerbaarheid van Nederland tegen natuurbranden te vergroten. In dit verband verwijs ik naar de brief die de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) afgelopen mei mede namens mij aan de Tweede Kamer heeft gestuurd (Kamerstuk 30 821, nr. 336). Zo wordt er geïnvesteerd in risicobeperkende maatregelen, wordt gewerkt aan de verankering van risicobeheersing in de Omgevingswet en het oprichten van een nationaal centrum voor natuurbrandbeheersing.
Afgelopen jaar is het Landelijk Crisisplan Natuurbranden vastgesteld (Kamerstuk 30 821, nr. 277). Dit plan verduidelijkt de verantwoordelijkheden, samenwerking en opschalingsstructuren bij grootschalige natuurbranden. Er wordt ook gekeken naar de operationele voorbereiding op de bestrijding van grootschalige natuurbranden. Het scenario van meerdere gelijktijdige natuurbranden maakt deel uit van het landelijk risicoprofiel en het landelijk dekkingsplan voor de brandweerzorg waaraan wordt gewerkt. De bestuurlijke besluitvorming over het landelijke dekkingsplan vindt later dit jaar plaats. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de bovenregionale samenwerking, de beschikbaarheid en inzetbaarheid van specialistische teams en het gezamenlijk opleiden, trainen en oefenen.
Zoals uit het antwoord op de vorige vraag blijkt, kent de specialistische capaciteit nog beperkingen wanneer gelijktijdig een verhoogd natuurbrandrisico in Nederland en in het buitenland bestaat. Deze aspecten worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de Nederlandse natuurbrandbestrijding. De inzet is erop gericht Nederland beter in staat te stellen meerdere grootschalige natuurbranden effectief te bestrijden en, wanneer de omstandigheden dat toelaten, bijstand aan andere Europese landen te verlenen.
Bent u bekend met het artikel en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het rijden met een ongeldig rijbewijs is onacceptabel. Wie ondanks een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel toch blijft rijden, brengt de verkeersveiligheid in gevaar, houdt zicht niet aan een opgelegde straf en pleegt een strafbaar feit waar een gevangenisstraf voor opgelegd kan worden. Het is goed om te zien dat de politie hier intensief op handhaaft. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak die succesvol blijkt. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. Hierdoor wordt de pakkans vergroot.
Erkent u dat een straf die door duizenden bestuurders eenvoudig wordt genegeerd, blijkbaar aantoont dat het gezag in Nederland tot onder het nulpunt is gedaald en dat het tijd is om over te stappen op een zerotolerancebeleid als het gaat om recidivisten ten aanzien van de verkeersveiligheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat bestuurders die met een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel door blijven rijden, stevig aangepakt moeten worden. Daarom neem ik met het Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed ook aanvullende maatregelen voor deze doelgroep.2 Het wetsvoorstel regelt onder meer dat ten aanzien van mensen die een opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid schenden, vervangende hechtenis kan worden toegepast. Zo kan er snel worden ingegrepen als iemand toch achter het stuur wordt aangetroffen, zonder dat er eerst een vervolging voor het rijden met een ontzegging van de rijbevoegdheid plaats moet vinden.
Ook regelt het wetsvoorstel dat de ontzegging van de rijbevoegdheid dadelijk uitvoerbaar verklaard kan worden. Hiermee kan een opgelegde rijontzegging direct ten uitvoer worden gelegd en geldt deze bijvoorbeeld dus ook al lopende een eventueel hoger beroep.
Daarnaast geeft het wetsvoorstel de strafrechter de bevoegdheid om bij een ontzegging van de rijbevoegdheid het rijbewijs ook ongeldig te verklaren voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven voor de resterende duur van de geldigheid. Dat betekent dat het rijbewijs definitief ongeldig wordt en dat iemand pas na afloop van de duur van de rijontzegging een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Om een nieuw rijbewijs te kunnen krijgen moet iemand opnieuw zijn rijvaardigheid en rijgeschiktheid aantonen. Ik meen dat er hiermee een stevig pakket ligt om notoire verkeersovertreders die achter het stuur blijven stappen af te schrikken en aan te pakken.
Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling. Graag ga ik in het kader van die behandeling verder met uw Kamer in gesprek over deze aanvullende maatregelen.
Kunt u inschatten hoeveel personen hun rijontzegging jaarlijks negeren en in de auto stappen, gezien de politie jaarlijks 10.000 gevallen per jaar betrapt en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat het echte cijfer vele manen hoger ligt?
Er is geen zicht op het aantal mensen dat rijdt met een rijontzegging maar hiervoor niet wordt gepakt. Ik beschik wel de instroomcijfers van zaken bij het OM voor artikel 9 WVW1994, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Jaar
Instroom bij het OM van artikel 9 WVW 1994 zaken
2021
8.177
2022
9.941
2023
10.404
2024
8.182
2025
8.869
Hoeveel van de betreffende bestuurders zijn in de afgelopen vijf jaar twee, drie of meer keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid? Wat is het hoogste aantal overtredingen dat in deze periode bij één persoon is geconstateerd?
In de afgelopen vijf jaar zijn over deze periode opgeteld 5177 personen twee keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid, 2107 personen drie keer, 1124 personen vier keer en 1320 personen vijf keer en meer. De bestuurder die het vaakst is betrapt op het rijden zonder geldige rijbevoegdheid is 36 keer gepakt.
Hoe vaak is een persoon, waarvan het rijbewijs al afgepakt was, betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak had zo’n verkeersongeval een dodelijk slachtoffer?
Het is niet bekend in hoeveel gevallen een bestuurder waarvan het rijbewijs ongeldig was, betrokken is geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak daarbij sprake was van een dodelijk slachtoffer, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel kan uit de cijfers gehaald worden hoeveel unieke personen voor een artikel 9 WVW 1994 (rijden zonder geldig rijbewijs) delict in combinatie met een artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken ongeval) delict zijn vervolgd. Het gaat in totaal om 239 personen. Daarbij moet worden opgemerkt dat bij een ongeval meerdere bestuurders betrokken kunnen zijn en schuld kunnen hebben en ook kunnen de delicten los van elkaar gepleegd zijn.
Deelt u de mening dat het niet langer uit te leggen is dat de verkeersveiligheid herhaaldelijk in het geding komt door mensen die een opgelegde sanctie negeren en dat feitelijk moet worden overgegaan naar onmiddellijk hechtenis als sprake is van een rijverbod? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op de verkeersveiligheid acht ik het inderdaad van belang dat personen die (herhaaldelijk) een rijontzegging negeren, zo snel mogelijk van de weg gehaald kunnen worden. Daarom wordt met het in het antwoord op vraag 2 al genoemde Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed voorgesteld dat ten aanzien van deze bestuurders vervangende hechtenis kan worden toegepast.
Acht u de maatregelen uit het wetsvoorstel Verbetering aanpak rijden onder invloed afdoende, of zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om veelplegers die ondanks een rijontzegging of ongeldig verklaard rijbewijs blijven rijden effectief uit het verkeer te weren? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u zelf?
Met het wetsvoorstel worden belangrijke stappen gezet om deze groep bestuurders effectiever aan te pakken. In dit verband noem ik nogmaals in het bijzonder de vervangende hechtenis. Niet alleen maakt dit snel optreden mogelijk, de verwachting is ook dat van de vervangende hechtenis een grotere afschrikwekkende werking uitgaat dan van het huidige beleid waarbij er eerst een aparte vervolging voor het schenden van de rijontzegging dient plaats te vinden. Daarnaast is de aanpak van de politie met behulp van ANPR-camera’s, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, erg effectief. Momenteel wordt ook nog gewerkt aan de ontwikkeling van een bredere veelplegersaanpak, die ziet op alle verkeersovertredingen en niet specifiek het schenden van een rijontzegging. Uw Kamer wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Bent u bereid wettelijk te regelen dat bij herhaald rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt, het voertuig in beginsel altijd in beslag wordt genomen en, waar mogelijk, verbeurd wordt verklaard? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp en deel de wens om hard op te treden tegen veelplegers die blijven rijden terwijl hun rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt. De inbeslagname van een voertuig is al mogelijk en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de ernst van de gedraging. De bevoegdheid om te beslissen over de inbeslagname ligt bij het openbaar ministerie en de rechter. Verbeurdverklaring kan door de rechter worden opgelegd als bijkomende straf wanneer het voertuig is gebruikt om het strafbare feit te plegen. Met het oog op het belang van de rechtelijke straftoemetingsvrijheid, acht ik het echter van belang dat niet wettelijk wordt voorgeschreven dat de inbeslagname en verbeurdverklaring altijd moet plaatsvinden in geval van recidive. Het is van belang dat de rechter de omstandigheden van het geval en de proportionaliteit van een dergelijke straf kan afwegen. Bovendien kan het zo zijn dat het voertuig niet in bezit zijn van de overtreder. Tot slot zal een dergelijke regeling hardnekkige overtreders helaas niet tegenhouden om in een ander voertuig te blijven rijden. Vervangende hechtenis, zoals voorgesteld met voornoemd wetsvoorstel, is in die gevallen naar verwachting effectiever.
Hamas-terreurinfrastructuur en aanslagplannen in Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Investigation: Hamas planned massive October 7th attacks across Europe» en het onderliggende onderzoek van de Neue Zürcher Zeitung «Die Hamas nimmt den Westen ins Visier – und plante wohl einen zweiten 7. Oktober in Europa»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat, zoals gesteld door de Duitse Generalbundesanwalt Jens Rommel, Hamas sinds 2019 een Europa-breed netwerk heeft opgebouwd van verborgen wapenopslagplaatsen, smokkelroutes en slapende terreurcellen, met als doel een aanslagengolf rond 7 oktober 2025, de tweede jaardag van het bloedbad van 7 oktober 2023? Beschikken de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten over eigenstandige informatie hierover, en is de Kamer hierover ooit geïnformeerd?
In het openbaar kunnen geen uitspraken worden gedaan over de inlichtingenpositie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In het jaarverslag van 2025 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aangegeven dat het onderzoek doet naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.3 De AIVD heeft twee handelingsvormen onderkend van Hamas in Europa. Ten eerste is in Europa al jaren een «politiek» netwerk actief dat financiële steun voor Hamas verwerft en zich in Europa bezighoudt met activisme, lobby- en andere beïnvloedingswerkzaamheden. De tweede handelingsvorm is aan het licht gekomen via een aantal aanhoudingen in Europa: aan Hamas te relateren personen waren – op aansturing van Hamas-leden in Libanon – betrokken bij het (ver)bergen en (ver)plaatsen van vuurwapens en munitie. De AIVD schrijft in het jaarverslag over 2025 dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.4 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. Deze strafrechtelijke onderzoeken lopen nog. Over eventuele aanhoudingen in het buitenland en de aldaar lopende strafrechtelijke onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat er in de afgelopen periode arrestaties zijn verricht in Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland en Cyprus, waarbij onder meer wapens (waaronder een AK-47, dertien pistolen en meer dan negenhonderd kogels), explosieven en een claimvideo voor een aanslag zijn aangetroffen, gericht tegen Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen, en dat Wenen daarbij als logistiek knooppunt fungeerde? Deelt u de conclusie van de Duitse autoriteiten dat dit een zelfstandige, operationele Hamas-infrastructuur op Europese bodem betreft, los van het conflict in Gaza en Israël?
Zie antwoord vraag 2.
Is bij u bekend of vergelijkbare voorbereidingshandelingen, trainingsroutes (bijvoorbeeld via Maleisië, zoals in het onderzoek beschreven) of financieringsstromen richting Hamas zich hebben voorgedaan met een raakvlak met Nederland, Nederlandse ingezetenen of in Nederland gevestigde organisaties? Kunt u dit, voor zover de veiligheid dit toelaat, toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een deel van de aangehouden en veroordeelde personen de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit of over een Schengen-verblijfsvergunning beschikt, waardoor zij zich ongehinderd binnen het Schengengebied konden verplaatsen? Deelt u de opvatting dat dit een fundamenteel veiligheidslek in het vrije verkeer binnen Schengen blootlegt, en dat dit gevolgen moet hebben voor het verblijfsrecht en de bewegingsvrijheid van personen met een vastgesteld Hamas-profiel?
Het kabinet kan niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures. Het al dan niet delen van informatie over deze zaken is aan de bevoegde autoriteiten van de in het artikel genoemde landen.
Nederland en de Europese Unie (EU) werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren, en daarmee ook belangen, zoals het vrije verkeer van personen, te waarborgen.
Wanneer er sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een (onherroepelijke) veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet de betrokkene Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat deze onthullingen aantonen dat de dreiging van Hamas nooit beperkt is geweest tot Israël, maar zich, zoals de onderzoeken stellen, ook richt op Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Europa, en dat eerdere geruststellingen daarover, ook vanuit Nederland en de EU, achterhaald zijn gebleken?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2,3 en 4 geeft de AIVD in het jaarverslag van 2025 aan dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.5 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. De veiligheidsdiensten blijven de ontwikkelingen nauwgezet volgen en betrekken nieuwe informatie voortdurend bij hun dreigingsanalyses.
In het recent Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van de NCTV is aangegeven dat het dreigingsniveau op niveau 4 van de 5 blijft staan.6 Dat betekent dat er een reële kans is dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Bij het vaststellen van het dreigingsniveau wordt niet alleen gekeken naar de activiteiten van Hamas maar ook naar de brede jihadistische geweldsdreiging, de terroristische dreiging vanuit rechts-extremisten, anti-institutioneel extremisten en (online) radicaliseringsprocessen in Nederland. In het meest recente DTN is aangegeven dat een daadwerkelijke koerswijziging van (facties binnen) Hamas de dreiging tegen vooral Joodse en Israëlische doelwitten in Europa zal verhogen. Joodse en Israëlische instellingen blijven, waar nodig, onderwerp van specifieke aandacht en beveiligingsmaatregelen.7 Er is op dit moment geen aanleiding tot een afzonderlijke aanpassing van het dreigingsniveau.
Is naar aanleiding van deze onthullingen een aanpassing van het nationale dreigingsbeeld (dreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)) overwogen of doorgevoerd, specifiek voor Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Nederland, zoals in het onderzoek wordt gesteld? Zo nee, waarom niet, gelet op het feit dat vergelijkbare cellen zijn aangetroffen in meerdere ons omringende landen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete maatregelen zijn op dit moment van kracht om synagogen, Joodse scholen, gemeenschapscentra, Israëlische diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen én bredere westerse instellingen en publieke voorzieningen in Nederland te beschermen tegen een vergelijkbaar scenario als in Griekenland, Oostenrijk en Duitsland is blootgelegd? Acht u deze maatregelen, in het licht van dit onderzoek, nog toereikend?
Vanwege veiligheidsoverwegingen doe ik in het openbaar nooit uitspraken over beveiligingsmaatregelen die worden getroffen. Wel kan ik uw Kamer verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. De betrokken veiligheidsdiensten en bevoegde gezagen beoordelen voortdurend of de getroffen maatregelen toereikend zijn en passen deze waar nodig aan.
Bent u bereid op korte termijn een aanvullende, specifieke dreigingsanalyse te laten uitvoeren door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de NCTV naar Hamas-gerelateerde netwerken, slapercellen en wapenopslag in Nederland, en de Kamer hierover te informeren
De AIVD onderzoekt, zoals in het jaarverslag van 2025 gemeld, de dreiging van Hamas tegen onze nationale veiligheid. Vanzelfsprekend kunnen in de openbaarheid geen uitspraken worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zoals bepaald in de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid is de NCTV niet bevoegd onderzoek te doen naar organisaties en/of personen.
Is bekend, of bent u bereid te laten onderzoeken, via welke immigratie- of asielroute de in het onderzoek genoemde en vergelijkbare Hamas-gelieerde personen in Nederland en Europa voet aan de grond hebben gekregen, bijvoorbeeld via asielprocedures, gezinshereniging, arbeids- of studievergunningen? Kunt u de Kamer hierover informeren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kan het kabinet niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures.
Binnen de verschillende verblijfsprocedures bestaan maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Onderdeel van deze beoordeling is nadrukkelijke aandacht voor mogelijke risico’s voor de openbare orde, inclusief internationale misdrijven en nationale veiligheid. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen.
Het kabinet onderstreept tevens het belang van de inzet aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Alle lidstaten zijn verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen. Het recent in werking getreden EU-migratiepact is daarbij een belangrijke stap om meer grip te krijgen over wie er naar Europa komt. Met de nieuwe screeningverordening, die onderdeel is van het pact, moet de identiteit van onderdanen van niet-EU-landen die aan screening worden onderworpen snel worden vastgesteld, net als eventuele veiligheidsrisico's.
In een wereld waarin de ontwikkelingen op zowel het gebied van dreigingen voor de nationale veiligheid als migratie elkaar in hoog tempo opvolgen is het noodzakelijk om voortdurend te monitoren of de procedures en bevoegdheden van dit systeem nog aansluiten op actuele ontwikkelingen en waar nodig verbeteringen door te voeren. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen.8 Het kabinet verwijst daarnaast naar de aanbiedingsbrief bij het rapport Migration-related Terrorism: Trends, Challenges and Policy Implication waarin nader wordt ingegaan op de het onderkennen van signalen van radicalisering of mogelijke betrokkenheid bij terrorisme in de asiel- en nareisprocedure.9
Is bekend via welke route, met welke documenten en via welke buitengrens de betrokken personen het Schengengebied zijn binnengekomen, en welke controles daarbij gefaald hebben? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse en Europese buitengrensbewaking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid maatregelen te treffen om personen met een vastgesteld Hamas-profiel die zich in Nederland bevinden, het land en waar mogelijk het Schengengebied te laten verlaten, via intrekking van verblijfsrecht, uitzetting en een inreisverbod? Zo ja, op welke termijn?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kunnen een veroordeling voor een misdrijf of het vormen van een gevaar voor de nationale veiligheid gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Wanneer een dergelijke vreemdeling niet (meer) in het bezit is van een verblijfsrecht wordt in beginsel een terugkeerbesluit opgelegd en wordt – met inachtneming van internationale verplichtingen – ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer. Daarbij wordt in de regel ook een inreisverbod opgelegd.
Bent u bereid, samen met de Europese partners, te bevorderen dat nieuwe Hamas-gelieerde personen niet langer via asiel-, migratie- of andere routes toegang krijgen tot Nederland en het Schengengebied, bijvoorbeeld door verscherpte screening, gedeelde risicoprofielen en strengere buitengrenscontroles? Welke concrete stappen onderneemt u hierin?
Het kabinet zet zich onverminderd in om iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid, waaronder terrorisme en extremisme, tegen te gaan. Onze democratische rechtsorde en nationale veiligheid is een groot goed, en bescherming daarvan vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen. Ondanks de strenge procedure en inspanningen van de ketenpartners kan nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen, omdat personen zich mogelijk kunnen onttrekken aan het zicht van de autoriteiten en omdat eventuele risico’s die van een persoon uitgaan niet altijd op voorhand bekend zijn. Zoals toegelicht bij de vragen 5, 10 en 11 zijn de nodige samenwerking en maatregelen reeds aanwezig. Daarnaast wordt voortdurend gemonitord of de procedures en bevoegdheden binnen het systeem nog aansluiten bij de actuele ontwikkelingen. Waar nodig worden deze aangepast en verbeterd.
Bent u bereid de garantie te geven dat onder de huidige en toekomstige grote asielinstroom naar Nederland geen personen binnenkomen die gelieerd zijn aan Hamas of andere terroristische organisaties? Zo nee, kunt u toelichten waarom een dergelijke garantie niet te geven is, en welke aanvullende screening, achtergrondcontroles en informatie-uitwisseling met buitenlandse diensten u bereid bent in te voeren om dit risico zo dicht mogelijk bij nul te brengen? Indien blijkt dat dit – het risico drastisch reduceren – niet mogelijk is, bent u dan niet Russisch roulette met Nederlandse mensenlevens aan het spelen? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid een concreet plan van aanpak naar de Kamer te sturen waarin wordt uiteengezet hoe (a) de fysieke beveiliging van Joodse, Israëlische en andere westerse instellingen in Nederland wordt versterkt, (b) grensoverschrijdende smokkel van wapens en explosieven richting Nederland wordt tegengegaan, (c) de monitoring van Hamas-gelieerde netwerken, werving en financieringsstromen in Nederland wordt geïntensiveerd, en (d) personen met een vastgesteld Hamas-profiel sneller kunnen worden aangehouden, hun verblijfsrecht kunnen verliezen of de toegang tot Nederland kan worden ontzegd? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer dit plan verwachten?
Het kabinet werkt reeds langs meerdere sporen aan de bestrijding van extremisme en terrorisme. Uw Kamer wordt over deze aanpak met verschillende producten geïnformeerd, zoals onder andere de Contraterrorismestrategie 2022–2026. Ten aanzien van de monitoring van dreigingen publiceert de NCTV halfjaarlijks het DTN en de AIVD jaarlijks het Jaarverslag. Ten aanzien van de beveiliging van instellingen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8. Daarnaast verwijs ik naar de beantwoording onder vraag 5 en 12 waarin de consequenties voor verblijf en het weigeren van toegang uiteen zijn gezet.
Bent u bereid te onderzoeken of het Nederlanderschap van personen met een vastgesteld Hamas-profiel kan worden ingetrokken op grond van bestaande terrorismewetgeving, en zo nodig met aanvullende wetgeving te komen om dit te vergemakkelijken?
Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap reeds in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan op grond van artikel 14, tweede lid Rijkswet op het Nederlanderschap bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per casus wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
De beschikbare instrumenten binnen het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht worden consequent toegepast binnen de geldende wettelijke kaders en met inachtneming van de vereiste individuele beoordeling. De intrekking van het Nederlanderschap gaat in de meeste gevallen gepaard met het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod door de IND. Hierna dient de persoon Nederland te verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat werving en financiering voor Hamas in Nederland, via stichtingen, verenigingen of onlineplatforms, met voorrang strafrechtelijk moet worden onderzocht en aangepakt? Welke concrete stappen onderneemt u op dit vlak, en bent u bereid de Kamer hierover periodiek te informeren?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek worden gestart en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst. Ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)10, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s. De onderzoekers constateren dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Bent u bereid om, samen met de Duitse Generalbundesanwalt en andere betrokken Europese partners, te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van Hamas-infrastructuur in Europa, inclusief gedeelde inlichtingen, gezamenlijke opsporingsteams en een gedeelde lijst van geïdentificeerde slapercellen en risicopersonen? Zo ja, op welke termijn en langs welke kanalen (Europol, Eurojust, bilateraal) wilt u dit vormgeven?
Hamas is een terroristische organisatie waar hard tegen moet worden opgetreden, zowel nationaal als internationaal. Zo staat Hamas op de EU sanctielijst terrorisme. Daarnaast is binnen deze sanctielijst sinds 19 januari 2024 een specifiek kader voor beperkende maatregelen opgezet, zodat EU-personen of entiteiten die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ) ondersteunen, faciliteren of mogelijk maken, ter verantwoording kunnen worden geroepen.
Internationale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen betrokken ketenpartners is van belang. Op operationeel niveau vindt nauwe samenwerking plaats tussen veiligheidspartners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ten behoeve van de kwaliteit van de beantwoording zijn de antwoorden op een aantal vragen geclusterd.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Ja.
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
De term «schijnhuwelijk» wordt gebruikt voor de situatie waarin een huwelijk wordt aangegaan met als doel om een verblijfsvergunning voor een buitenlander te verkrijgen. Ambtenaren van de burgerlijke stand verlenen geen medewerking aan een schijnhuwelijk.
Dat geldt eveneens voor een bigaam huwelijk. Werkt een ambtenaar van de burgerlijke stand, willens en wetens, mee aan de voltrekking van een bigaam huwelijk, dan pleegt hij een misdrijf. Er zijn geen situaties bekend waarin een ambtenaar van de burgerlijke stand meewerkte aan een dergelijk bigaam huwelijk.
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Het Nederlandse huwelijksrecht is ingericht op een huwelijk tussen twee personen. Dat waarborgt rechtszekerheid en gelijkwaardigheid binnen de relatie en biedt duidelijke kaders voor onder meer afstamming, gezag, erfrecht en vermogensrecht. Bigamie is strafbaar op grond van artikel 237 van het Wetboek van Strafrecht. Polygame verhoudingen kunnen leiden complexe, moeilijk te handhaven rechtsposities. Het kabinet ziet geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
Zolang geen sprake is van een wettelijke huwelijksvoltrekking, is er geen sprake van bigamie. Tegelijkertijd past terughoudendheid en duidelijkheid bij ceremoniële bijeenkomsten met een formeel karakter vanwege betrokkenheid vanuit de overheid, om verwarring te voorkomen. Het is belangrijk om richting betrokkenen en aanwezigen duidelijk te maken dat een ceremonie geen rechtsgevolg heeft. Gemeenten kunnen hun buitengewoon ambtenaren van de burgerlijke stand (babs) daarop instrueren en, waar nodig, arbeidsrechtelijke maatregelen treffen als verwarring wordt veroorzaakt.
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Het is op grond van de wet verboden om gelijktijdig met meer dan één persoon te trouwen. Van een babs mag worden verwacht dat hij daarmee bekend is. Werkt hij toch, willens en wetens, mee aan de voltrekking van een bigaam huwelijk, dan pleegt hij een misdrijf.
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
Gemeenten signaleren een maatschappelijke behoefte aan huwelijksachtige ceremonies. Vaak gaat het om een herbevestiging van een langdurig huwelijk, soms ook, om de bevestiging van een nadrukkelijk buitenhuwelijkse relatie. De gemeente heeft geen formele rol in deze ceremonies. Wanneer een aangewezen gemeentelijke babs optreedt als ceremoniespreker zou dat wel tot verwarring kunnen leiden over de vraag of sprake is van een ceremonie of van een echt huwelijk. Gemeenten verlangen daarom gewoonlijk van door hen aangestelde babsen dat deze er duidelijk over zijn of zij een officieel huwelijk voltrekken of dat zij alleen een ceremonie uitvoeren. Houdt de babs zich niet aan de afspraken dan kan de gemeente besluiten om de arbeidsovereenkomst met de babs te beëindigen.
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bij beëdiging van een babs voor één dag is duidelijk op welke huwelijksvoltrekking of partnerschapsregistratie de beëdiging betrekking heeft. Gemeenten zullen vanzelfsprekend geen babs aanwijzen voor de voltrekking van een bigaam huwelijk.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
Ik zie daarvoor geen aanleiding. De babs voltrekt enkel huwelijken tussen twee personen.
De afhandeling van geweld en belediging van politieagenten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen van politieagenten dat zaken betreffende geweld tegen politieagenten en belediging van politieagenten in de praktijk regelmatig worden geseponeerd of slechts beperkt strafrechtelijk worden afgedaan?
Nee, deze signalen ken ik in zijn algemeenheid niet. Het Openbaar Ministerie (OM) neemt deze zaken juist zeer ernstig op. Deze worden met prioriteit behandeld en het sepotpercentage is in deze zaken lager dan gemiddeld. In 2025 werd volgens het jaarbericht van het OM 31 procent van de totale uitstroom onvoorwaardelijk geseponeerd1, terwijl in Veilig Publieke Taak-zaken in 2025 slechts 14 procent onvoorwaardelijk werd geseponeerd2 en in Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA)-zaken slechts 17,8 procent. Laatstgenoemde percentage blijkt uit de tabel in het antwoord op vraag 2. Een onvoorwaardelijke sepot betekent dat het OM onvoorwaardelijk afziet van vervolging. Bij een voorwaardelijk sepot zijn er voorwaarden verbonden aan het sepot, bijvoorbeeld verplichte begeleiding door Reclassering Nederland. Dit betekent niet dat er geen sepots voorkomen, bijvoorbeeld als het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt of als een andere afdoening prevaleert om een duurzame afdoening te verkrijgen.
Hoeveel aangiften en processen-verbaal wegens geweld en belediging tegen politieagenten zijn in de afgelopen vijf jaar door het Openbaar Ministerie (OM) afgedaan met een sepot of een voorwaardelijk sepot? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
Het OM spant zich samen met de politie in voor mensen met een veilige publieke taak (VPT). In verband hiermee worden ook de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak geactualiseerd. Dit zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM. Deze afspraken zien op de strafrechtelijke aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken3. Naar verwachting ontvangt uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 de herziene versie van de ELA.
Om de vervolging van VPT-zaken voor de samenleving inzichtelijk te maken publiceert het OM ieder jaar in april een memo overzicht en duiding VPT. In onderstaande tabel staat het totaal aantal ter vervolging ingestroomde VPT-zaken over de jaren 2021 t/m 2025. Onder het totaal aantal ingestroomde VPT-zaken staan de aantallen die onder de door het OM met de maatschappelijke kwalificatie Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA) ter vervolging zijn ingestroomd en daaronder zijn de aantallen voorwaardelijke – en onvoorwaardelijk sepots opgenomen.
9.823
9.911
9.113
9.110
9.811
– Vw sepot
322
407
366
358
383
– Ov sepot
793
902
842
767
810
% GTPA geseponeerd
17,1%
18,9%
19,8%
18,5%
17,8%
Wat zijn de meest voorkomende sepotgronden in zaken waarin politieagenten slachtoffer zijn van geweld of belediging? Kunt u hiervan een overzicht geven?
De meest voorkomende sepotgrond bij een onvoorwaardelijke sepot is «onvoldoende bewijs». Bij een voorwaardelijke sepot is dat «ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert». In dat geval prevaleert bijvoorbeeld bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk ingrijpen.
Hoeveel zaken wegens geweld en/of belediging van politieagenten hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot een strafbeschikking, transactie of veroordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
De cijfers die ik van het OM heb ontvangen, zijn niet uitgesplitst naar geweld en/of belediging. Over de afdoening van GTPA-zaken kan ik de onderstaande cijfers verstrekken. Hierin staat weergeven hoeveel zaken zijn afgedaan met een transactie/ OM-strafbeschikking en hoeveel zaken aan de rechter zijn voorgelegd. Het totaal aantal zaken dat is geseponeerd treft u in de tabel bij het antwoord op vraag 2.
1.143
1.403
1.273
1.304
1.669
4.132
4.045
3.897
3.922
3.650
Herkent u de signalen uit de politiepraktijk dat ernstige beledigingen van agenten, waaronder bedreigende en intimiderende uitlatingen tijdens de uitoefening van hun functie, met regelmaat worden geseponeerd? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarop baseert u dat?
Deze signalen herken ik in zijn algemeenheid niet. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Daarbij hecht ik eraan het volgende op te merken. Intimiderende en bedreigende uitlatingen kunnen een grote impact hebben op agenten en zijn moreel verwerpelijk. Vanuit strafrechtelijk perspectief geldt echter dat intimiderende en bedreigende uitlatingen niet altijd een strafbaar feit opleveren. Waar het wel een (mogelijk) strafbaar feit oplevert, pakt het OM deze zaken met prioriteit op.
Van het OM heb ik, zoals hiervoor weergegeven, jaarcijfers ontvangen van het totaal aantal GTPA-zaken die ter vervolging zijn ingestroomd. Daarbij is tevens het aantal voorwaardelijke en onvoorwaardelijke sepots gegeven. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1, 3 en 4.
Deelt u de opvatting dat een consequente bestraffing van geweld en ernstige belediging van politieagenten essentieel is voor het gezag van de politie, de veiligheid van onze dienders en de norm dat agressie tegen hulpverleners onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Geweld en agressie tegen mensen met een publieke taak is onacceptabel en dit geldt zeer zeker ook voor politiemedewerkers. Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen alle functionarissen met een publieke taak is essentieel.
De politie heeft als werkgever een belangrijke rol in de ondersteuning van politiemedewerkers die tijdens het uitvoeren van hun werk te maken krijgen met geweld en agressie. Zo is er binnen de politie een Integrale Aanpak Geweld Tegen Politieambtenaren. Deze aanpak is gericht op de bescherming van politiemedewerkers door opleiding, registratie en vroegsignalering. De leidinggevenden vervullen een ondersteunende rol in de zorg en aandacht voor de mentale weerbaarheid van hun medewerkers. Ook wordt er in debriefings aandacht besteed aan het delen van nare ervaringen tijdens de dienst. Indien dit het geval is worden de betreffende politiemedewerkers 3 á 4 weken later uitgenodigd voor een groepsgesprek samen met een psycholoog. Ook is het Team Collegiale Ondersteuning ingericht voor ondersteuning voor en door collega’s na ingrijpende en schokkende gebeurtenissen in het werk.
Verder benoemt het OM in het requisitoir de bijzondere positie van het slachtoffer en motiveert de strafeis met inachtneming van de toepasselijke aanwijzingen van het College, als ook een afwijking daarvan. In beginsel wordt door het OM in VPT-zaken een aanmerkelijk hogere sanctie opgelegd of straf geëist. Voor mij is op basis van de geleverde informatie niet aannemelijk dat geweld en agressie van politiemedewerkers niet consequent wordt vervolgd en bestraft.
Ik informeer u op korte termijn over de herziening van de ELA bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tussen de politie en het OM. Met deze herziening wordt beoogd om de politie en het OM nog beter in staat te stellen om VPT-delicten met meer prioriteit en kwaliteit af te handelen.
Bent u bereid samen met het OM te onderzoeken of de huidige afdoeningspraktijk in zaken van geweld en belediging van politieagenten in overeenstemming is met het uitgangspunt dat agressie en geweld tegen publieke functionarissen een hoge opsporings- en vervolgingsprioriteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de overheid haar eigen politieagenten in de steek laat wanneer geweld en ernstige belediging van politieagenten niet consequent worden vervolgd en bestraft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat rechters verkeersboetes te hoog vinden en dit mogelijk gevolgen heeft voor kabinetsbeleid |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spectaculair: rechters vinden verkeersboetes te hoog, mogelijk gevolgen voor kabinetsbeleid» van het AD d.d. 3 juli 2026?1
Ja.
Bent u bekend met de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de daarin opgenomen rechtsoverwegingen waaruit blijkt dat de verhoging van de boetebedragen uit 2024 en 2025 onverbindend is verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?2
Ja.
Hoe reflecteert u op het oordeel van drie kantonrechters dat de verhogingen van de verkeersboetes in 2024 en 2025 onredelijk zijn en neerkomen op verkapte belastingheffing bij verkeersovertreders?3
De rechtspraak laat een wisselend beeld zien. In enkele recente zaken heeft de kantonrechter inderdaad geoordeeld dat het besluit waarmee de verkeersboetes in 2024 en 2025 zijn verhoogd onverbindend is in verband met strijd met het evenredigheidsbeginsel. De in deze zaken opgelegde verkeersboetes zijn daarom verlaagd naar het niveau in 20234. In verschillende andere zaken hebben rechters echter geoordeeld dat de verhogingen van de verkeersboetes niet onrechtmatig waren en dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.5 De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken. Ik zal deze ontwikkelingen nauwlettend volgen.
Ten aanzien van «détournement de pouvoir» kan worden opgemerkt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, de hoogste rechter voor verkeerszaken die worden afgedaan op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, eerder heeft geoordeeld dat met de verhoging van de sanctietarieven per 1 maart 2024 niet is gehandeld in strijd daarmee of met het specialiteitsbeginsel.6 Ook heeft het hof in deze zaak geoordeeld dat het bedrag van de opgelegde sanctie in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de onderhavige gedraging, zodat ook hier geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.7
Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, de kritiek dat de overheid daarmee haar boekje te buiten gaat wanneer zij een wettelijke bevoegdheid voor verkeersveiligheid inzet voor een ander, oneigenlijk budgettair doel, oftewel détournement de pouvoir?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre acht u uw beleid rechtsstatelijk houdbaar, nu de overheid burgers met steeds hogere verkeersboetes aanspreekt op naleving van de wet, terwijl diezelfde overheid deze boetes mede inzet als begrotingsinstrument en daarmee volgens meerdere rechters (on)geschreven regels, zoals het evenredigheidsbeginsel, schendt?4
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangegeven laat de rechtspraak nog een wisselend beeld zien. Het is zaak om het verdere verloop van rechtelijke procedures eerst af te wachten.
Waarom heeft u geen dragende juridische motivering gegeven voor de verhouding tussen de verhoogde boetes op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) en boetes voor commune delicten, terwijl zowel het Openbaar Ministerie als de Raad van State nadrukkelijk op deze disbalans heeft gewezen?
Ik heb eerder meerdere malen erkend dat er sprake is van een disbalans tussen de Wahv-boetes en de boetes voor commune delicten en dat deze disbalans onwenselijk is. De benodigde bezuinigingen om de disbalans op te lossen, acht dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk moeilijk uitlegbaar is dat foutparkeren op een gehandicaptenplaats kan leiden tot een hogere boete dan een geldboete die in de strafrechtpraktijk regelmatig wordt opgelegd voor mishandeling? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de meest recente Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (juli 2026) geldt voor een eenvoudige mishandeling die bestaat uit een droge klap of schop (met alleen pijn en geen letsel) als oriëntatiepunt een geldboete van € 700,–.9 Voor het onterecht parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats die specifiek is toegekend aan een bepaald kenteken (voor het parkeren voor de eigen woning of voor de werkplek) is het boetebedrag € 500,–. Voor het onterecht parkeren op een algemene gehandicaptenparkeerplaats geldt een boete van € 400,–. Het bezetten van een parkeerplaats voor een minder valide persoon beperkt direct de mobiliteit van mensen met een beperking. Een stevige normstelling en een hoge boete is derhalve en in algemene zin op zijn plaats.
Hoe gaat u nu voorkomen dat een wettelijke bevoegdheid die bedoeld is voor verkeersveiligheid, normhandhaving en bestraffing van verkeersovertredingen, wordt ingezet voor het dichten van begrotingsgaten?
Zoals ik reeds eerder meerdere malen heb toegezegd zal ik de verkeersboetes niet beleidsmatig verhogen en enkel jaarlijks indexeren. In het kader van de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bekijk ik momenteel welke mogelijkheden er zijn om te waarborgen dat verkeersboetes ook in de toekomst primair worden ingezet als instrument voor verkeersveiligheid en niet als begrotingsmiddel.
Kunt u de verhoging van de verkeersboetes in 2024 en 2025 uitsplitsen naar aard en hoogte, waarbij per boetecategorie inzichtelijk wordt gemaakt welk deel voortvloeit uit inflatiecorrectie en welk deel uit een beleidsmatige keuze, en hoeveel deze beleidsmatige verhogingen exact hebben opgeleverd voor de staatskas?
De verhoging van de verkeersboetes op grond van de Wahv bedroeg in 2024 10%. Daarvan was 5,7% inflatiecorrectie en 4,3% een beleidsmatige aanvullende verhoging. Deze beleidsmatige verhoging heeft extra opbrengsten van (bij benadering) ongeveer 37 miljoen euro opgeleverd. De strafrechtelijke verkeersboetes zijn in dat jaar enkel geïndexeerd op basis van de inflatie van 5,7%. In 2025 zijn de verkeersboetes, zowel de Wahv-boetes als de strafrechtelijke verkeersboetes, enkel met 3,2% geïndexeerd.
Bij eerdere beleidsmatige verhogingen van de verkeersboetes, zijn ook de strafrechtelijke tarieven altijd met hetzelfde percentage verhoogd.
Kunt u vervolgens uiteenzetten hoe deze extra opbrengsten budgettair zijn verwerkt, waaraan zij zijn besteed en welk concreet maatschappelijk of verkeersveiligheidseffect daarmee is bereikt?
Alle ontvangsten op grond van de Wahv zijn onderdeel van de Rijksbegroting. Er is geen nadere specificatie waaraan deze zijn besteed.
Hoe beoordeelt u het risico dat ook andere rechters de verhogingen van 2024, 2025 en 2026 exceptief gaan toetsen en onverbindend verklaren wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?
Het is niet aan mij om daar op vooruit te lopen. De rechtspraak laat tot nu toe een wisselend beeld zien. Vanzelfsprekend volg ik deze ontwikkeling nauwlettend. Ik verwijs hiervoor ook naar het antwoord op de vragen 3 en 4.
Bent u zich ervan bewust dat, wanneer deze zaken uiteindelijk bij het gerechtshof of de Hoge Raad terechtkomen en ook daar wordt geoordeeld dat de verhogingen van de verkeersboetes uit 2024 en 2025 in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, dit kan dwingen tot verlaging van de hoogte van verkeersboetes in Nederland?
Ja. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4 ten aanzien van het huidige beeld van de rechtspraak.
Op 3 juli 2026 heeft de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad advies uitgebracht. Hij stelt dat Wahv-verhogingen door hun afschrikwekkende en bestraffende karakter niet kunnen worden afgedaan als louter incassomaatregel. Hoe rechtvaardigt u dat deze verhogingen automatisch worden opgelegd zonder de rechtsbescherming die hoort bij een criminal charge onder Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?5
De conclusie van de advocaat-generaal is een advies aan de Hoge Raad. De prejudiciële vraag over de ophogingen bij Wahv-boetes is momenteel in behandeling bij de Hoge Raad. De vraag of de ophogingen in strijd zijn met artikel 6 EVRM en – indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord – welke eventuele gevolgen dit heeft voor de inrichting van de rechtsbescherming moet dus nog worden beantwoord.
Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad?
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de conclusie van de advocaat-generaal op twee verschillende aspecten zien. Waar de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland raken aan de hoogte van verkeersboetes zelf, gaat de conclusie van de advocaat-generaal over de verhogingen van verkeersboetes bij niet-tijdige betaling van een verkeersboete.
Los van de toezegging dat ik de verkeersboetes niet beleidsmatig zal verhogen (zie ook het antwoord op vraag 8), onderneem ik naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland nu geen stappen. Zoals eerder in het antwoord op vragen 3 en 4 aangegeven laten de uitspraken nog een wisselend beeld zien. Ik acht het van belang om eerst af te wachten hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken en wil daar niet op vooruitlopen.
Wat betreft de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad geldt het volgende. De Hoge Raad heeft de vraag als gezegd op dit moment in behandeling. Na de uitspraak van de Hoge Raad kan de procedure bij de rechtbank Den Haag, die de prejudiciële vraag heeft gesteld, worden voortgezet.
Er kan niet vooruit worden gelopen op rechterlijke uitspraken. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vraag 18 van de feitelijke vragen van de VKC JenV naar aanleiding van het rondetafelgesprek op 15 april jl. bereiden het CJIB en het Ministerie van Justitie en Veiligheid zich wel voor op mogelijke scenario’s. Als de uitkomst van de procedure helder is, zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de eventuele implicaties en hoe dit wordt opgepakt.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van deze rechterlijke uitspraken, met een integraal voorstel te komen om verkeersboetes, verhogingen en aanmaningskosten proportioneel te maken en te voorkomen dat verkeersboetes mensen onnodig in problematische schulden duwen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangeven, laat de rechtspraak nu nog een wisselend beeld zien. De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken. Zoals u weet zie ik op dit moment ook geen mogelijkheden voor wijzigingen in het verkeersboetebeleid. De benodigde bezuinigingen hiervoor acht dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
"Onmacht of onkunde? Waarom het maar niet lukt onrust Ter Apel te beteugelen" |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht?1
Ja.
Erkent u dat er in Ter Apel al jaren structureel zware delicten worden gepleegd – intimidatie, bedreiging, diefstal, geweldpleging, drugshandel – en dat daar vrijwel niemand voor wordt opgepakt of vervolgd?
Al langere tijd is in Ter Apel sprake van een aanhoudende overlastproblematiek. Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. In de eerste twee weken van juli zijn elf aanhoudingen verricht in relatie tot het plegen van strafbare feiten op en rond het voorterrein van de COA-locatie in Ter Apel.
Deelt u de opvatting dat de norm keihard moet zijn: direct aanhouden, fors hogere straffen eisen en uitzitten, en na de straf altijd en zonder uitzondering uitzetten? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Op het voorterrein van het aanmeldcentrum in Ter Apel gaat de politie over tot een aanhouding bij constatering van strafbare feiten en/of verstoring van de openbare orde. Het Openbaar Ministerie kan ten aanzien van asielzoekers die strafbare feiten plegen, inzetten op lik-op-stuk. Denk daarbij aan de inzet van (super)snelrecht en directe tenuitvoerlegging van de sanctie (vaak een gevangenisstraf). Of dit in een concreet geval mogelijk is hangt af van de omstandigheden en is aan de officier van justitie en de rechter.
De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een (onherroepelijke) veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Bent u bereid de politie op te dragen iedere asielmigrant die overlast pleegt of de wet overtreedt ter plekke op te pakken en vast te zetten, en na de straf voor altijd uit te zetten? Zo nee, waarom accepteert u dat deze feiten ongestraft blijven?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid het Openbaar Ministerie (OM) te vragen bij deze daders standaard de maximale straf te eisen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te onderzoeken en, waar mogelijk, een verdachte aan te houden en te vervolgen. Zoals hiervoor toegelicht, kan het Openbaar Ministerie ten aanzien van asielzoekers die strafbare feiten plegen, inzetten op lik-op-stuk. Denk daarbij aan de inzet van (super)snelrecht en directe tenuitvoerlegging van de sanctie (vaak een gevangenisstraf). Of dit in een concreet geval mogelijk is hangt af van de omstandigheden en is aan de officier van justitie en de rechter.
Het is niet aan mij als Minister van Asiel en Migratie om bemoeienis te hebben met de wijze waarop iemand strafrechtelijk wordt vervolgd. Dat laat onverlet dat ik mij, zowel interdepartementaal als in samenspraak met de betrokken organisaties, inspan voor een optimale aansluiting tussen de strafrechtketen en asielketen in de aanpak van criminaliteit door asielzoekers.
Deelt u de opvatting dat de aanhoudende chaos in Ter Apel opnieuw aantoont dat Nederland de asielinstroom niet aankan?
Dit kabinet werkt aan meer grip op migratie door in te zetten op verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen. Met o.a. de beantwoording van Kamervragen d.d. 20 juli jl.2 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die dit kabinet inzet om de instroom te beperken.
Deelt u de opvatting van onze fractie dat het jarenlange gedoogklimaat – waarbij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), gemeente en Den Haag naar elkaar blijven wijzen – zelf een oorzaak is van de overlast, en bent u bereid daar per direct zelf de regie in te nemen? Zo nee, waarom niet?
De aanhoudende overlastproblematiek acht ik onacceptabel. In aanvulling op de reeds bestaande maatregelen, heb ik daarom bij brief van 13 juli jl. extra maatregelen aangekondigd.3 Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek.
Bent u bereid onmiddellijk een keiharde en directe asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet, en welk ander middel gaat u dan inzetten om te voorkomen dat dit zich blijft herhalen?
Zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop. Dit kabinet werkt aan meer grip op migratie door inzet op verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen.
De relatie tussen de NCTV en de wetenschap |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit recent verschenen artikel op NieuwRechts, getiteld «NCTV nestelt zich in universiteiten met leerstoelen over eigen werk»1?
Ja.
Is het correct dat, zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) ook zelf op zijn eigen website schrijft met betrekking tot de Universiteit Leiden2, er aan verschillende Nederlandse universiteiten leerstoelen ingesteld zijn door de NCTV?
Ja, er is door de NCTV een bijzondere leerstoel ingesteld aan de Universiteit Leiden. Daarnaast ondersteunt de NCTV een bijzondere leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam.
In het verleden heeft de NCTV een bijzondere en een reguliere leerstoel ondersteund. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nadere toelichting hierop.
Kan de Tweede Kamer een compleet overzicht ontvangen van alle leerstoelen die door de NCTV zijn ingesteld aan Nederlandse universiteiten?
De NCTV heeft in totaal één bijzondere leerstoel ingesteld, twee bijzondere leerstoelen ondersteund en één «reguliere» leerstoel ondersteund. Ten eerste heeft de NCTV aan de Universiteit Leiden de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security ingesteld van 0,2 fte per 1 november 2024 voor de duur van vijf jaar. Ten tweede ondersteunt de NCTV per 1 december 2023 de Bijzondere Leerstoel Klinische Psychologie van Radicalisering van 0,4 fte aan de Universiteit van Amsterdam voor de duur van vijf jaar. Ten derde heeft de NCTV de Bijzondere Leerstoel Governance of Intelligence and Security Services van 0,2 fte aan de Universiteit Leiden van 1 september 2017 tot 25 mei 2022 ondersteund. Ten vierde heeft de NCTV de «reguliere» leerstoel Terrorisme en Contraterrorisme aan de Universiteit Leiden vanaf 1 februari 2007 ondersteund. Sinds 2014 wordt deze leerstoel niet langer door de NCTV gefinancierd, maar door de universiteit zelf.
Kwam het initiatief voor het instellen van deze «NCTV-leerstoelen» aan Nederlandse universiteiten van de universiteiten zelf of van de NCTV? Kunt u deze vraag afzonderlijk, voor elke «NCTV-leerstoel», beantwoorden?
Voor de ondersteuning van de Bijzondere Leerstoel Klinische Psychologie van Radicalisering aan de Universiteit van Amsterdam kwam het initiatief van de NCTV vanwege zorgen over gefixeerde eenlingen met psychische problematiek zoals genoemd in analyses en publicaties van de NCTV.
De Bijzondere Leerstoel Governance of Security and Intelligence Services, de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security en de «reguliere» leerstoel Terrorisme en Contraterrorisme zijn een gezamenlijk initiatief van de Universiteit Leiden en de NCTV.
Hoeveel NCTV-medewerkers zijn in totaal, tegelijkertijd, ook medewerker van een universiteit? Hoeveel daarvan zijn hoogleraar?
Op basis van de vastgelegde gegevens in het personeelssysteem is vastgesteld dat twee medewerkers van de NCTV momenteel werkzaamheden verrichten aan een universiteit. Zij ontvangen hiervoor geen vaste financiële vergoeding.
Voorts is een medewerker hoogleraar en vervult hij momenteel de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security van 0,2 fte aan de Universiteit Leiden. Deze Leerstoel is per 1 november 2024 voor de duur van vijf jaar ingesteld.
Is het eigenlijk wel toegestaan voor deze «NCTV-hoogleraren» – die dus niet alleen hoogleraar maar tegelijkertijd ambtenaar bij de NCTV zijn – om openlijk kritiek te leveren op de NCTV?
Ja, de bijzondere hoogleraren zijn wetenschappelijk onafhankelijk.
Indien toegestaan, kunt u wellicht één voorbeeld geven van kritiek geleverd door een NCTV-hoogleraar – dat wil zeggen een hoogleraar die is aangesteld op een door de NCTV ingestelde leerstoel – op de NCTV?
Als Minister treed ik niet in de beoordeling van het wetenschappelijke werk van onafhankelijke hoogleraren.
Wat behelst de functie van Chief Science Officer bij de NCTV? Is deze functionaris betrokken bij het bepalen van de wetenschappelijke agenda van de NCTV, bij de besluitvorming over welk onderzoek de NCTV via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum uitzet of bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen en offertes?
De Chief Science Officer (CSO) van de NCTV is verantwoordelijk voor het bevorderen van kennis en vakmanschap binnen de NCTV, het organiseren van opleidingen en is personeelsverantwoordelijk voor medewerkers van de NCTV-Academie.
De besluitvorming over wetenschappelijke prioriteiten en onderzoekswensen richting het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC) ligt bij het managementteam van de NCTV.
Het WODC bepaalt zelf welke wensen worden gehonoreerd en is zelf verantwoordelijk voor het benaderen en selecteren van onderzoekers.3 De regie voor de uitvoering, vaststelling en publicatie van het onderzoek ligt eveneens bij het WODC. De CSO van de NCTV is hier niet bij betrokken. Het WODC bekostigt alle gehonoreerde onderzoekswensen zelf.
Kunt u een volledig overzicht aan de Kamer verstrekken van álle financiële relaties tussen de NCTV en Nederlandse universiteiten of kennisinstellingen sinds 2006 – dus niet alleen leerstoelen, maar ook gefinancierde promotieplaatsen, detacheringen, gastdocentschappen, opdrachtonderzoek en bijdragen aan onderzoeksprojecten – met per relatie het bedrag en de looptijd?
In bijlage I treft u een overzicht van 153 onderzoeken aan die in de periode van 2005 tot 2026 op verzoek van de NCTV en voorganger NCTb door tussenkomst van en met financiering door het WODC door kennisinstellingen zijn uitgevoerd.
Is het, wat u betreft, in het algemeen wenselijk als een veiligheidsdienst, zoals de NCTV, niet alleen de financiering maar ook de medewerkers (hoogleraren) levert voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek («NCTV-wetenschap») op zijn eigen beleidsterrein?
De NCTV is geen veiligheidsdienst, maar de nationale coördinator op het gebied van nationale veiligheid en terrorismebestrijding. De NCTV draagt als coördinator bij aan de bescherming van de nationale veiligheid. In dat kader ondersteunt de NCTV kennisontwikkeling op relevante terreinen.
Kunnen de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoord worden?
Ja, de bovenstaande vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Mogelijke contacten tussen de NCTV en journalisten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande ja-nee-vragen ook met «ja» of «nee» beantwoorden?
Ja.
Kan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) journalisten (net zoals de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst1 inzetten als «agent»? Ja of nee? Indien het antwoord «ja» is, op welke wijze zet de NCTV journalisten in als agent?
Nee, die bevoegdheid heeft de NCTV niet.
Oefent de NCTV op enige wijze (heimelijk) invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven, bijvoorbeeld door journalisten artikelen te laten publiceren (zonder dat daarbij de NCTV expliciet als bron of opdrachtgever wordt genoemd)? Ja of nee?
Nee.
Los van of de NCTV wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de NCTV dit doen? Met andere woorden: heeft de NCTV hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee, de NCTV gebruikt geen journalisten om artikelen te laten verschijnen en heeft hier ook geen juridische grondslag voor. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid waaronder de NCTV, voorziet de media desgevraagd en waar mogelijk van informatie, bijvoorbeeld via persvragen of interviews.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
De bovenstaande vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
De gewelddadige straatroof van een 96-jarige vrouw in Overveen en het uitblijven van adequaat politieoptreden |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mieke (96) bruut overvallen, maar politie heeft geen tijd, kleinzoon Bing (23) start massale klopjacht op daders: «Het net sluit zich»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een 96-jarige vrouw die op 4 juli jl. in Overveen op klaarlichte dag gewelddadig van haar gouden ketting werd beroofd, van de politie te horen kreeg dat er pas over zeventien dagen plek was om aangifte te doen?
Geweldsmisdrijven als deze zijn afschuwelijk en ik veroordeel deze ten zeerste. Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik echter niet ingaan op individuele casussen. Ik onderschrijf het belang van een bereikbare en zichtbare politie en vind het belangrijk dat burgers goed en zo snel als kan worden geholpen bij (het doen van) de aangifte. De politie is verantwoordelijk voor haar dienstverlening aan de burger en streeft ernaar om slachtoffers van misdrijven zo goed mogelijk bij te staan. Daarom spant de politie zich in om dit proces zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de behoefte van burgers.
In het algemeen geldt dat de politie bij het opnemen van aangiften rekening houdt met de ernst van het misdrijf, de situatie van het slachtoffer en het belang van eventueel opsporingsonderzoek.
Voor het opnemen van een aangifte van een meer complex of ernstiger strafbaar feit zoals in deze zaak, is vaak persoonlijk contact tussen de politie en het slachtoffer nodig en is het belangrijk dat er doorgevraagd kan worden om zoveel mogelijk aanknopingspunten voor de opsporing te verkrijgen. Dit kan een langere doorlooptijd met zich meebrengen. In deze casus is inmiddels de aangifte ontvangen en loopt er onderzoek.
Een belangrijk aspect hierbij is het verzamelen van bewijs, zoals het veiligstellen van relevante camerabeelden binnen de termijn waarin dat mogelijk is. Volgens de Autoriteit Persoonsgegevens mogen particulieren camerabeelden maximaal 4 weken (28 dagen) bewaren. Als er sprake is van een incident mogen camerabeelden langer worden bewaard. Daarnaast mogen gemeentelijke cameratoezichtbeelden in de openbare ruimte maximaal vier weken bewaard worden (artikel 151c van de Gemeentewet). Als de politie beelden heeft van een misdrijf en deze gebruikt kunnen worden voor opsporing en vervolging, mogen de beelden bewaard worden zolang dit voor het onderzoek nodig is
Tot slot geldt dat de politie voortdurend haar dienstverlening evalueert om deze waar mogelijk te verbeteren. De inzichten en lessen uit bovenstaande casus worden benut om de dienstverlening verder te ontwikkelen en in de toekomst nog beter aan te laten sluiten bij de behoeften van burgers.
Deelt u de opvatting dat een wachttijd van zeventien dagen voor het doen van aangifte van een geweldsmisdrijf tegen een hoogbejaarde volstrekt onacceptabel is, mede omdat – zoals de kleinzoon van het slachtoffer terecht constateerde – cruciaal bewijsmateriaal zoals camerabeelden na zo'n periode veelal gewist is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat drie jonge burgers binnen enkele dagen deden wat de politie naliet: camerabeelden verzamelen bij winkeliers en bewoners, de daders haarscherp in beeld brengen – inclusief het misdrijf zelf – en dit bewijsmateriaal, in de woorden van de Telegraaf, «op een presenteerblaadje» aanleveren bij de Haarlemse politie?
Wanneer burgers informatie aanleveren ten behoeve van een opsporingsonderzoek staat de politie daarvoor open. Informatie die aanknopingspunten voor de opsporing oplevert, is waardevol en behulpzaam bij de uitvoering van het onderzoek en het vinden van daders. Uiteraard waardeer ik de betrokkenheid van burgers en juich ik toe dat zij relevante informatie met de politie delen. Daarbij is het wel van belang dat deze informatie binnen de geldende wettelijke kaders is verkregen. Burgers beschikken namelijk niet over opsporingsbevoegdheden; het uitvoeren van opsporingsonderzoek is een taak van de politie die plaatsvindt onder het gezag van het Openbaar Ministerie (OM). De politie bepaalt echter – ook onder het gezag van het OM – welke zaken worden onderzocht en beoordeelt aangeleverde informatie altijd op betrouwbaarheid en rechtmatigheid. Voordat informatie als bewijs wordt gebruikt, verricht de politie daarom te allen tijde eigen onderzoek ter verificatie.
Kunt u verklaren waarom zelfs ná het aanleveren van dit bewijsmateriaal het politieoptreden volgens de betrokkenen «vrij bureaucratisch» verliep, waarbij het ene politiedistrict niet direct schakelde met het andere en de jongens niet konden worden doorverbonden met het district Zandvoort waar de zaak onder viel?
Ik betreur het wanneer burgers het gevoel hebben dat adequaat politieoptreden uitblijft en benadruk dat de politie ernaar streeft om slachtoffers van misdrijven zo goed mogelijk bij te staan. Het belang van een zichtbare en bereikbare politie is daarbij groot. Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik echter niet ingaan op individuele casussen. Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Hoe beoordeelt u de reactie van de politiewoordvoerder dat een aangifte-afspraak «moet passen in de agenda's van de politie en de aangever»? Deelt u de opvatting van onze fractie dat bij een gewelddadige straatroof op een 96-jarige de agenda van de politie zich moet voegen naar het slachtoffer, en niet andersom?
Zoals ik in mijn beantwoording op de vragen 2 en 3 aangaf is het van groot belang dat de politie bereikbaar en zichtbaar is. Het contact tussen de politie en een burger die aangifte wil doen, dient zo veel als mogelijk op maat te zijn en te passen bij de individuele situatie en behoefte van de burger.
Kunt u bevestigen dat de daders – volgens het artikel drie vermoedelijk Oost-Europese mannen – op dit moment nog altijd voortvluchtig zijn? Welke opsporingsinzet wordt er nu daadwerkelijk gepleegd om hen aan te houden, en op welke termijn verwacht u resultaat?
Als Minister van Justitie en Veiligheid ga ik niet in op individuele casussen. Daarnaast kan ik geen uitspraken doen over lopend onderzoek.
Kunt u de Kamer, zodra de daders zijn aangehouden, informeren over hun nationaliteit en verblijfsstatus?
Op het moment dat er verdachten zijn aangehouden is er sprake van een strafzaak en is het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor de communicatie. Over lopende strafzaken doe ik geen uitspraken.
Deelt u de opvatting van onze fractie dat daders die een oma van 96 beroven lang in de cel horen en daarna keihard ons land uitgetrapt moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw afschuw van dit soort gewelddadige misdrijven tegen kwetsbare slachtoffers, maar het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om de daders op te sporen en te vervolgen en aan de rechter om een straf op te leggen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het Openbaar Ministerie in deze zaak maximaal inzet op een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en dat na afloop van de detentie wordt ingezet op ongewenstverklaring, uitzetting en een duurzaam inreisverbod? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie handelt zelfstandig en onafhankelijk. Ik heb er alle vertrouwen in dat het OM in deze zaak tot een passende beslissing komt.
Meer algemeen gesproken, indien daartoe aanleiding bestaat, beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst of een strafrechtelijke veroordeling gevolgen heeft voor het verblijfsrecht. Eindigt het verblijfsrecht, dan zet de Dienst Terugkeer en Vertrek voortvarend in op terugkeer naar het land van herkomst of, indien van toepassing, overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat.
Is de politie bekend met de eerdere incidenten die in het artikel worden genoemd waarbij de daders volgens de sociale-mediacampagne van de drie vrienden meer berovingspogingen hebben gedaan en eerder een vrouw hebben achtervolgd en worden deze meegenomen in het opsporingsonderzoek?
Ik heb van de politie vernomen dat alle informatie die de kleinzoon van het slachtoffer samen met zijn vrienden heeft verzameld, is overgedragen aan de politie. Verder kan ik niet ingaan op individuele casussen en worden er geen uitspraken gedaan over lopende onderzoeken.
Welke structurele maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat slachtoffers van geweldsmisdrijven direct aangifte kunnen doen en dat burgers zich niet langer genoodzaakt voelen zelf rechercheur te spelen omdat de politie geen tijd heeft?
De politie ontwikkelt haar dienstverlening steeds meer naar een multichannel-vorm, ook voor het doen van aangifte. Dat houdt in dat burgers, afhankelijk van de aard van hun melding, via de juiste route worden geholpen, zodat het contact zo veel als mogelijk aansluit bij hun situatie en behoefte. Voor het doen van aangifte zijn politie.nl en 0900-8844 in principe de primaire ingangen. Via deze kanalen kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. In andere gevallen adviseert en verwijst de politie naar andere mogelijkheden, bijvoorbeeld door een afspraak te maken voor een aangifte op het bureau.
Kunt u deze vragen, gezien de maatschappelijke onrust rond deze zaak en het feit dat de daders nog voortvluchtig zijn, ieder afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik de vragen individueel beantwoord.