Het bericht ‘Geen straf voor milieuactivisten die Meisje met de parel besmeurden: te ingrijpend, zegt hof’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Gräper-van Koolwijk |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geen straf voor milieuactivisten die Meisje met de parel besmeurden: te ingrijpend, zegt hof?»1
Ja
Deelt u de mening dat besmeuring van erfgoed volstrekt onacceptabel is? Deelt u tevens de vrees dat het niet bestraffen van besmeuring kan leiden tot meer van zulke incidenten?
Elke vorm van vernieling vind ik verwerpelijk en onacceptabel. Het Hof heeft de actie strafbaar geacht en de actievoerders hebben 23 dagen vastgezeten in voorarrest. Hiermee is een duidelijk signaal gegeven dat vernielingen (ook niet onder het mom van een demonstratie) niet zonder gevolg zullen blijven.
Hoe vaak wordt artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast om een dader die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit geen straf op te leggen? Kunt u een overzicht geven per delict?
Hieronder een overzicht per jaar van het aantal misdrijfzaken met het eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf in eerste aanleg en in hoger beroep.
Uit de systemen van de Rechtspraak kan geen overzicht per delict worden weergeven.
Aantal misdrijfzaken met eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf naar jaar afdoening door de rechter in 1e aanleg:
Aantal misdrijfzaken met eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf naar jaar afdoening in hoger beroep:
Toelichting bij de cijfers
Bron: PSK en NIAS-MI, datum raadpleging 25-3-2024
Krijgen de verdachten, nu zij geen straf krijgen en wel in voorarrest hebben gezeten, een schadevergoeding? Zo ja, wat is hiervan de hoogte?
Artikel 533 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt in welke gevallen een schadevergoeding wegens (ten onrechte) ondergaan voorarrest kan worden verzocht, en wat in dergelijke gevallen geldt als «schade» die voor vergoeding in aanmerking komt. Behalve dat sprake moet zijn van een geval in de zin van dit artikel, moet ook sprake zijn van gronden van billijkheid om een vergoeding toe te wijzen. Het verzoek moet binnen drie maanden na beëindiging van de zaak worden ingediend. In deze concrete zaak heeft het Hof Den Haag op 11 maart 2024 uitspraak gedaan. Op het moment van navragen (25 maart 2024) hebben de verdachten nog geen verzoek tot schadevergoeding ingediend. Nu bovengenoemde termijn nog niet is verstreken kan zo’n verzoek nog binnenkomen. Het is aan de rechter om in een concrete zaak te oordelen of een dergelijk verzoek moet worden ingewilligd en, zo ja, wat de hoogte van de vergoeding is.
Hoe beoordeelt u het «chilling effect» op de vrijheid van meningsuiting dat volgens de rechter uitgaat van bestraffing van vernieling en hoe verhoudt zich dit tot de zinsnede «behoudens zijn verantwoordelijkheden volgens de wet» uit artikel 9 lid 1 van de Grondwet?
Het is niet aan mij als Minister om te treden in een uitspraak van de rechter.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie (OM) van plan is om cassatie in te stellen tegen de uitspraak?
Het OM heeft geen cassatie ingesteld. Het Hof heeft het feit bewezenverklaard en ook strafbaar geoordeeld. Bij de Hoge Raad kijken de rechters niet meer inhoudelijk naar feiten en bewijs, maar naar de toepassing van het recht, het volgen van de gerechtelijke procedure en de motivatie van de uitspraak. Het OM zag geen mogelijkheden in cassatie.
Worden de kosten die het museum gemaakt heeft om de glasplaat en de lijst van het schilderij te herstellen, verhaald op de daders? Zo nee, waarom niet?
In beginsel ben ik van mening dat de kosten van vernielingen altijd door de daders vergoed zouden moeten worden.
Het Mauritshuis is echter een onafhankelijke privaatrechtelijke instelling aan wie het beheer en behoud van de rijkscollectie is toevertrouwd. Veiligheidszorg is onderdeel van dit beheer en behoud. Ik heb er vertrouwen in dat het Mauritshuis een weloverwogen afweging maakt in het al dan niet verhalen van de kosten op de daders.
Welke stappen zijn reeds ondernomen om te zorgen dat erfgoed beschermd wordt tegen vernieling? Welke stappen bent u voornemens te zetten?
Naar aanleiding van het incident met het Meisje met de Parel zijn er in de sector gesprekken geweest en zijn de veiligheidsprotocollen aangescherpt. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed organiseerde daarnaast samen met het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed FARO twee bijeenkomsten over collectieveiligheid en protestacties. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft voorts met vertegenwoordigers van de cultuursector, waaronder ook de Museumvereniging, gesproken over wat nodig is om te zorgen dat artiesten, kunstenaars en culturele instellingen veilig hun werk kunnen doen. Om te verzekeren dat bij een verstoring snel en adequaat kan worden opgetreden, spraken we af dat partijen in de cultuursector samen een algemene handreiking en specifieke protocollen per type culturele instelling opstellen. Belangrijk is daarbij dat culturele organisaties wanneer nodig snel toegang hebben tot de lokale politie, burgemeester en officier van justitie (de driehoek). Uit het gesprek bleek dat dit met name voor kleinere organisaties nog niet altijd het geval is. Ik zal in overleg treden met de VNG om te verzekeren dat de toegang tot de driehoek gewaarborgd is.
Elk geregistreerd museum heeft bovendien een individueel beveiligingsplan. Erfgoedwetmusea stellen bijvoorbeeld integrale veiligheidsplannen op conform de Erfgoedwet en de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen. Musea maken de veiligheidsmaatregelen die zij treffen om veiligheidsredenen echter niet openbaar. Ik kan daar dan ook niet verder op ingaan. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed houdt toezicht op de kwaliteit van deze plannen en heeft contact met de musea in Nederland. De musea hebben hun beveiliging in het algemeen gelukkig goed op orde. Ik zie daarom geen aanleiding om aanvullende stappen te zetten.
Deelt u de noodzaak om in gesprek met museumdirecteuren te bezien hoe de gevolgen van ordeverstorende acties en vernielingen kunnen worden voorkomen? Zo ja, ben u bereid dit gesprek te voeren?
Zoals genoemd in ons antwoord op vraag 8 zijn het Ministerie van OCW en de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed doorgaand met de musea in gesprek en heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanvullend met vertegenwoordigers uit de culturele sector gesproken over de omgang met ordeverstoringen zodat de veiligheid zo goed mogelijk kan worden gewaarborgd. Bovendien hebben musea hun beveiliging over het algemeen goed op orde. De noodzaak tot aanvullende gesprekken zie ik daarom niet.
Wat heeft u afgesproken met musea en andere culturele instellingen over hoe om te gaan met demonstraties en potentiële vernielingen aan de collectie? Wat is de verantwoordelijkheid dan wel bevoegdheid van de musea c.q. culturele instellingen?
Zie hier ook het antwoord op de vragen 7 en 8. Musea en culturele instellingen in het algemeen zijn zelf verantwoordelijk voor veiligheidszorg. De beveiligings- en veiligheidsplannen van musea worden doorgaans opgesteld op basis van risicoanalyses, waarin alle bestaande risico’s op schade worden meegenomen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het OM over het moderniseren van de OM-richtlijn over vernieling, zodat het OM bij daders die cultureel erfgoed uit onze musea vernielen, standaard een hogere (bijv. 300%) straf zal eisen dan bij vernieling van «gewone spullen»? Zo nee, waarom niet?
Een officier van justitie of advocaat-generaal heeft op grond van de wet en de Aanwijzing kader voor strafvordering van meerderjarigen voldoende mogelijkheden om een op de situatie toegesneden en passende straf te eisen. Ik zie geen noodzaak om het OM te vragen de richtlijn aan te passen.
Kunt u een stand van zaken geven van de uitvoering van de motie Michon c.s.2 over het wettelijk kader van demonstraties en de toegezegde kabinetsbrief over demonstraties?
Naar verwachting wordt deze brief, waarin ik en mijn collega van BZK ook ingaan op uw motie, in de maand april naar de Kamer wordt gezonden.
Het CPB-rapport 'De relatie tussen de arbeidsmarkt en studie-inschrijvingen' |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het CPB-rapport «De relatie tussen de arbeidsmarkt en studie-inschrijvingen»?1
Ja.
Bent u het met de onderzoekers eens dat het wenselijk is dat jongeren bij hun studiekeuze rekening houden met het arbeidsmarktperspectief? Zo ja, wat vindt u ervan dat jongeren dit nu onvoldoende meenemen in hun studiekeuze?
Ik ben het eens met het CPB. Hoe je na je studie terecht komt op de arbeidsmarkt, is naast eigen interesses en capaciteiten een belangrijke overweging in je studiekeuze. Goede studiekeuzeinformatie en -voorlichting kan scholieren en studenten hierbij helpen. In de beantwoording op vraag 5 en vraag 8 leest u hoe ik hier op inzet.
Om meer afgestudeerden in tekortsectoren te krijgen en zoveel mogelijk te behouden, is het ook van belang dat werkgevers een aantrekkelijk beroepsperspectief bieden. Bijvoorbeeld door betere arbeidsvoorwaarden en een prettige en leerzame werkomgeving te bieden. Of bijvoorbeeld door interesse te wekken bij jongeren voor het vakgebied.
Hoe oordeelt u over het feit dat afgestudeerde studenten 20% minder kans hebben op een baan, terwijl de huidige arbeidsmarkt krap is? Kunt u het antwoord toelichten?
Mede door de krapte, kunnen de arbeidsmarktkansen van afgestudeerden verschillen per sector en opleidingsniveau. Hierdoor kan een afgestudeerde in de sector een hogere salaris ontvangen en betere baankansen hebben dan in een andere sector. Het is daarom van belang dat studenten bij hun studiekeuze bewust zijn van de (duurzame) arbeidsmarktperspectieven. Dit benadrukt het belang van goede studiekeuzeinformatie.
Momenteel ervaren veel sectoren een krapte op de arbeidsmarkt. Maar niet iedere sector is vergelijkbaar. Zo zijn er sectoren die gevoelig zijn voor conjunctuurbewegingen en automatisering. Om die reden is het aantal vacatures an sich niet de beste raadgever voor een studiekeuze met goede arbeidsmarktperspectieven. Sectoren zoals de zorg, het onderwijs en de techniek zijn minder gevoelig voor fluctuaties in de economie en vragen vaak om (hoogwaardige) vaardigheden die minder gevoelig zijn voor automatisering2. Deze sectoren zijn van strategisch belang voor onze samenleving en bij deze sectoren wordt een aanhoudende krapte verwacht.
Met het bestuursakkoord hoger onderwijs3 investeer daarom ik structureel € 30 miljoen in de hbo-opleidingen gezondheidszorg, onderwijs en bètatechniek. Hogescholen kunnen deze middelen inzetten om (1) de studenteninstroom naar opleidingen in de genoemde sectoren te vergroten, (2) onnodige uitval en studieswitch in deze sectoren in te perken en (3) verbinding van de instelling met het werkveld te verbeteren om weglek na afstuderen te verminderen. Zoals aangegeven bij de beantwoording op vraag 1, is het ook van belang dat werkgevers in tekortsectoren een aantrekkelijk beroepsperspectief bieden.
Hoe duidt u dat bijvoorbeeld de hbo-sector taal en cultuur een bijna 30% lager startsalaris kent en bijna 20% minder kans op een baan biedt dan bijvoorbeeld onderwijs en zorg? Welke stappen onderneemt u om meer studenten op te leiden voor deze tekortsectoren?
Zie antwoord vraag 3.
Welke acties onderneemt u zodat meer studenten worden opgeleid voor de arbeidsmarkt? Waarom zijn deze acties momenteel niet toereikend? Zijn extra stappen wenselijk?
Ik ben het met het lid Martens-America eens dat het wenselijk is dat meer studenten worden opgeleid voor de grote maatschappelijke uitdagingen. Dit vraagt om een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Hier zijn het onderwijs- en werkveld continu mee bezig, door opleidingen goed op de arbeidsmarkt af te stemmen. Daarnaast zet ik allerlei acties in om dit te bevorderen4: denk aan het investeren van € 32 miljoen per jaar in loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB), het creëren van mogelijkheden voor oriëntatie in het mbo, het richten van regelingen in het mbo op opleidingen in tekortsectoren, het verbeteren van de arbeidsmarktinformatie binnen de studiekeuzeinformatie in het hoger onderwijs, het investeren van € 30 miljoen in de drie grote tekortsectoren in het hbo, versterking van leven lang ontwikkelen (LLO) en andere maatregelen om de overgang naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken.
Daarnaast laat ik momenteel een onderzoek uitvoeren of en welke effecten sturende maatregelen in het mbo, hbo en wo hebben om studenten te interesseren voor opleidingen die opleiden voor beroepen met een duurzaam arbeidsmarktperspectief: denk aan een numerus fixus, verlaging van les- en collegegeld of schoolkosten voor opleidingen in tekortsectoren en baangaranties. Verder vindt er een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) plaats naar de doelmatigheid van het hbo en wo, dat zich ook richt op demografische, regionale en arbeidsmarktontwikkelingen. Deze onderzoeken bied ik na afronding in de zomer van 2024 aan uw Kamer aan.
Het is hierbij belangrijk om te vermelden dat door de demografische ontwikkeling er steeds minder Nederlandse studenten zijn. Deze krimp houdt de komende jaren aan. Daarnaast blijven de arbeidsmarkttekorten in de cruciale sectoren onverminderd groot. De aanpak van de krapte op de arbeidsmarkt kan niet alleen door het onderwijs worden opgepakt, maar vraagt om een Rijksbrede inzet5. Hierbij is tevens een belangrijke rol weggelegd voor de werkgevers en werknemers.
Bent u het ermee eens dat numeri fixi een wenselijk instrument zijn om te voorkomen dat studenten worden opgeleid in kansarme sectoren? Zo ja, wat gaat u doen om het gebruik hiervan te stimuleren?
Mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten dienen zorg te dragen voor een goede aansluiting op de arbeidsmarkt. De overgrote meerderheid van de mbo- hbo- en wo-studenten vindt binnen een jaar een baan. In die zin is er over het algemeen sprake van een goede aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Desondanks is er sprake van een aanhoudende arbeidsmarktkrapte in de essentiële sectoren. Daardoor komt het aanpakken van maatschappelijke opgaven onder druk te staan en kan de brede welvaart worden geschaad. Vanuit het oogpunt van de arbeidsmarkt kan de overheid overwegen om meer sturende instrumenten in te zetten. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5, laat ik via een onderzoek verkennen of en welke effecten de inzet van sturende maatregelen, zoals numeri fixi, hebben.
Als het gaat om de inzet van het instrument van numerus fixus ben ik van mening dat het van belang is om ook het effect van dit instrument op de toegankelijkheid en kansengelijkheid mee te wegen. Het inzetten van dit instrument is ingrijpend en kan gevolgen hebben voor de studiekeuzevrijheid van jongeren. Ook blijkt dat het selecterende opleidingen nog niet altijd lukt om kansengelijkheid in de selectieprocedure te borgen. In mijn Kamerbrief selectie in het hbo en wo6, die ik op 14 februari met de Kamer heb gedeeld, heb ik de afweging om in de toekomst meer te sturen met numeri fixi nader beschreven.
Bent u het ermee eens dat meer mbo-studenten in de beroepspraktijk opgeleid moeten worden, nu dit rapport laat zien dat deze studenten een betere baankans en een hoger salaris hebben? Wat is de laatste stand van zaken van het aanvalsplan voor bbl-opleidingen2? Geeft het rapport aanleiding om de aanpak uit te breiden?
Binnen een stage of een leerbaan maken mbo-studenten kennis met het werkveld en leren zij hun kennis en vaardigheden toepassen in de praktijk. De beroepspraktijkvorming is dan ook een essentieel onderdeel van alle mbo-opleidingen, zowel in de bol als bbl. Na het behalen van het diploma hebben afgestudeerden van een bbl-opleiding over het algemeen een sterkere arbeidsmarktpositie dan afgestudeerden van een bol-opleiding.8 Bijvoorbeeld in de vorm van een gemiddeld hoger uurloon.9 Tegelijkertijd dient te worden opgemerkt dat bbl-studenten vaak een andere uitgangspositie kennen dan bol-studenten. Een groter deel van de bbl-studenten zijn ouder en volgt een opleiding in het kader van leven lang ontwikkelen. Mogelijk kan dit voor een deel de goede aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt verklaren. Deze studenten hebben immers vaak al een arbeidscontract, netwerk en een inkomen. Daarnaast brengen bbl-studenten meer tijd door in de praktijk. Dit leidt tot een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.10
Met het bbl-offensief wil ik gericht een impuls geven aan de bbl. Het doel is dat studenten, jong en oud, kunnen kiezen voor een combinatie van leren en werken die voor hen het meest passend is. Daarom zet ik mij samen met onderwijs en bedrijfsleven in om de bekendheid en toegankelijkheid van de bbl te vergroten, het aantal bbl-plekken te verhogen en de begeleidingscapaciteit te verbeteren.11 Voor de zomer informeer ik uw Kamer over de nadere uitwerking hiervan.
Bent u bereid om aankomende studenten niet alleen informatie over het huidige arbeidsmarktperspectief te verstrekken, maar ook te informeren over het verwachte arbeidsmarktperspectief in de toekomst?
Er wordt al werk gemaakt van het informeren van leerlingen en studenten over het arbeidsmarktperspectief. Op de website van KiesMBO kunnen zij de verwachte kans op een stage en baankans zien. Deze informatie is gebaseerd op de huidige arbeidsmarktinformatie. Voor de baankans wordt ook een ontwikkeling van de verwachting over 5 jaar getoond. Daarnaast wordt op korte termijn op de website extra kwalitatieve informatie toegevoegd vanuit de sector zoals ontwikkelingen en trends en wat die betekenen voor de opleiding en het werk. Verder zet ook het Expertisepunt LOB zich in om het gebruik van arbeidsmarktinformatie door scholen te stimuleren, zodat leerlingen en studenten ook deze informatie kunnen benutten in het studiekeuzeproces.
In het hbo en wo verzamelt en verspreidt het Landelijk Centrum Studiekeuze (LCSK) objectieve en betrouwbare studiekeuzeinformatie. Via de website studiekeuze123.nl hebben studiekiezers laagdrempelige toegang tot studiekeuzeinformatie over opleidingen. Daarbij is ook informatie beschikbaar over de arbeidsmarkt en het arbeidsmarktperspectief van opleidingen. Zoals aangegeven in mijn beantwoording op vraag 5 stel ik jaarlijks € 1 miljoen beschikbaar aan het LCSK om de arbeidsmarktinformatie binnen de studiekeuzeinformatie te verbeteren.
Het voorspellen van de arbeidsmarktperspectief op opleidingsniveau voor de langere termijn is echter zeer moeilijk. In het rapport «visie talentvraag 2040» worden de risico’s beschreven van het doortrekken van prognoses naar een langere tijdshorizon12. Daaruit blijkt dat ver vooruitkijken en daar conclusies aan verbinden veel onzekerheid geeft. Hier ligt ook een uitdaging voor het vervolgonderwijs, dat de volgende generaties wil opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst terwijl de toekomstige arbeidsmarkt gedeeltelijk door de volgende generaties zelf wordt vormgegeven.
Woede over besluit Hogeschool Utrecht om Holocaust-lezingen te schrappen |
|
Ulysse Ellian (VVD), Claire Martens-America (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woede over besluit Hogeschool Utrecht om Holocaust-lezingen te schrappen»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het extra pijnlijk is dat dit bericht verschijnt op de dag dat wereldwijd de Holocaust herdacht wordt? Kunt u het antwoord toelichten?
Ja, ik ben het met de leden van de VVD-fractie eens dat dit pijnlijk is. De gruwelijkheden van de Holocaust mogen, ook 79 jaar na dato, onder nieuwe generaties, niet vergeten worden. Het herdenken van, het vertellen en onderwijzen over de Holocaust is en blijft belangrijk.
Bent u het ermee eens dat antisemitisme in onze samenleving een groot probleem is? Kunt u aangeven wat het kabinet daaraan gaat doen?
Ik deel de mening van uw fractie dat antisemitisme in de samenleving een groot probleem is. In Nederland moeten Joodse mensen veilig kunnen leven. De toegenomen onveiligheidsgevoelens vanwege het gewelddadige conflict in Israël en de Palestijnse gebieden baren mij zorgen. In het onderwijs is geen plaats voor discriminatie van wie dan ook, of het nu gaat om antisemitisme of islamofobie.
De aanpak van antisemitisme in Nederland is uiteengezet in het werkplan van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) dat de Minister van Justitie en Veiligheid in oktober 2022 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. Het kabinet committeert zich aan de uitvoering van dit werkplan, waarvan de relevantie dezer dagen opnieuw pijnlijk duidelijk wordt.
Deelt u de mening dat Holocausteducatie een cruciale pijler is in de strijd tegen antisemitisme? Zo ja/nee, waarom (niet)?
Het is van groot belang dat we de kennis over de Holocaust van generatie op generatie blijven overdragen. Het onderwijs speelt hier inderdaad een belangrijke rol in. In het onderwijs wordt volop aandacht besteed aan de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust en de Jodenvervolging. Deze onderwerpen zijn een verplicht onderdeel van het curriculum van het funderend onderwijs en worden regelmatig besproken in mbo-burgerschapslessen. In het hbo en wo worden deze thema’s vanuit allerlei invalshoeken en disciplines bestudeerd en ook wordt er lesmateriaal ontwikkeld, dat ook breed wordt verspreid, bijvoorbeeld de lesbrief van TerInfo van de Universiteit Utrecht.
Het is noodzakelijk dat in het onderwijs actief aandacht is en blijft voor de verschrikkingen van de Holocaust, omdat we ons als samenleving moeten realiseren wat er is gebeurd en dat we ons moeten blijven uitspreken tegen haat, uitsluiting, geweld en antisemitisme in onze samenleving. Ik roep dan ook alle onderwijsbestuurders en -professionals op om die belangrijke taak te blijven vervullen, ook wanneer het moeilijk is.
Om scholen en docenten te ondersteunen, werkt de NCAB op dit moment samen met betrokken organisaties in het veld aan een Nationaal Plan versterking Holocausteducatie. In januari is in dit kader ook de campagne «Leer over de Holocaust» gestart, om in de maand waarin we de Holocaust herdenken extra aandacht te vragen voor het belang van onderwijs.
Bent u het ermee eens dat de holocaust geen mening is, maar een zeer gruwelijk historisch feit? Heeft u reeds contact gehad met de Hogeschool Utrecht hierover? Ziet u dit breder onder onderwijsinstellingen?
Ik ben het met de VVD-fractie eens dat de Holocaust een zeer gruwelijk historisch feit is. De Hogeschool Utrecht heeft aangegeven dat zij zich bij de inhoud, vorm en uitvoering van het onderwijs niet laat leiden door belangengroeperingen of activisten. De hogeschool heeft aangegeven dat, in tegenstelling tot de berichtgeving, de geplande lezingenreeks over de Holocaust doorgaat. De eerste lezing heeft inmiddels plaatsgevonden. Deze was volgens de hogeschool uitgesteld om de veiligheid van sprekers, studenten, docenten en bezoekers te kunnen waarborgen en de gemeente Utrecht heeft hierbij inmiddels hulp aangeboden. De besluitvorming hierover is aan het college van bestuur vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een veilig leer- en werkomgeving. In deze zorg komen instellingen soms voor moeilijke afwegingen te staan.
Kunt u aangeven of het besluit om de Holocaust-lezing te schrappen door het bestuur van de Hogeschool Utrecht is gemaakt of door de individuele docenten zelf? Heeft u naar aanleiding van deze vraag contact gehad met de Hogeschool Utrecht?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of het schrappen van deze lezing komt vanuit angst voor reacties vanuit studenten of onwil om deze zeer belangrijke lezing geen doorgang te laten vinden? In het geval dit angst is, hoe ondersteunt u deze leraar? Kunt u uw antwoord wederom toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Tot slot, bent u ermee bekend dat antisemitisme een sluimerend probleem is in onze samenleving? Wat gaat u eraan doen om dit op het mbo, hbo en wetenschappelijk onderwijs te voorkomen? Met daarbij in acht nemend dat de holocaust een onderdeel van het curriculum is en geen mening?
Ik ben ermee bekend dat het antisemitisme in onze samenleving toeneemt. Ik vind het zorgelijk dat de NCAB en ook Joodse organisaties een toename van zorgen zien onder de Joodse gemeenschap in Nederland over hun veiligheid en dat zij signalen ontvangen van onder meer studenten die zich op hun instellingen onveilig voelen vanwege hun achtergrond. De aanpak van antisemitisme in Nederland is uiteengezet in het werkplan van de NCAB dat de Minister van Justitie en Veiligheid in oktober 2022 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. De kabinetsbrede inzet zal nader worden uitgewerkt in de Nationale Strategie Antisemitismebestrijding, die uiterlijk in het voorjaar van 2024 zal verschijnen.
Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid ben ik als Minister voortdurend in gesprek met het onderwijsveld en belangenorganisaties over de maatschappelijke spanning en hoe het onderwijs hiermee omgaat. Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Integrale aanpak sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap»2 is er geen plaats in het hbo en wo voor (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, machtsmisbruik, discriminatie, racisme en intimidatie. Dat geldt ook voor antisemitisme en moslimhaat. In deze brief heb ik een programma aangekondigd voor de komende vier jaar waarbij wordt ingezet op drie belangrijke veranderprocessen: de organisatiestructuur, de cultuur op de werkvloer en het systeem van klachtenafhandeling.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 4 over de rol van holocaustonderwijs in het curriculum. Daarnaast is het belangrijk dat studenten in het mbo, hbo en wo weten waar zij melding kunnen doen als zij antisemitisme meemaken, gediscrimineerd of onveilig voelen dat zij hun melding in veiligheid en vertrouwelijkheid kunnen doen. Zij kunnen hiervoor aankloppen bij de docent, functionarissen ten behoeve van studentenwelzijn, vertrouwenspersoon of de beveiliging.