Het artikel 'Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy» van professor Akiko Iwasaki in Nature Reviews Immunology (1 mei 2026), waarin zij pleit voor een open wetenschappelijk debat over vaccinatieschade en expliciet verwijst naar nieuw onderzoek naar het Post-Vaccinatie Syndroom (PVS)?
Ja.
Hoe weegt u de oproep van deze vooraanstaande immunoloog om «onhandige vragen» over vaccinatie-bijwerkingen met wetenschappelijke integriteit te behandelen, in het licht van het huidige Nederlandse beleid waarin de specifieke ondersteuning voor deze groep (C-support) juist wordt afgebouwd?
In Nederland worden klachten na vaccinatie en vaccinatiebijwerkingen met wetenschappelijke integriteit behandeld en het belang hiervan wordt dan ook onderschreven. Onderzoek naar bijwerkingen wordt verricht door bijwerkingencentrum Lareb, wat door het Ministerie van VWS wordt gefinancierd. C-support doet geen onderzoek naar bijwerkingen.
Deelt u de visie van professor Iwasaki dat het ontkennen van de noodzaak voor gespecialiseerd onderzoek en debat de wetenschappelijke vooruitgang en het publieke vertrouwen schaadt, zeker nu preprints van onder andere de Yale LISTEN-studie duiden op unieke symptoomprofielen bij PVS-patiënten?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de transitie van PVS-zorg naar het «reguliere veld» indruist tegen de internationale roep om juist meer specialistische aandacht en onderzoek naar de pathofysiologie van deze aandoening, zoals bepleit in Nature Reviews Immunology?
Van een dergelijke transitie is geen sprake. C-support ondersteunt post-COVID patiënten maar is geen zorgverlener. De inzet van het kabinet is dat alle PAIS-patiënten, waaronder patiënten met post-COVID klachten, passende zorg en ondersteuning ontvangen binnen de reguliere structuren van zorg en welzijn.
Bent u bereid om, in de geest van «vrijheid van wetenschappelijk onderzoek», de subsidie voor C-support te handhaven als de centrale plek waar in Nederland deze internationale nog volop in ontwikkeling zijnde kennis wordt verzameld en vertaald naar de Nederlandse patiëntenzorg?
Wat betreft de subsidie aan C-support verwijst het kabinet naar de antwoorden van 22 april jl. op Kamervragen hierover van het lid Bushoff (Pro)1 en van het lid Bikker (CU).2 In deze antwoorden is o.a. aangegeven dat, ook na 2026, middelen beschikbaar blijven voor een kennis- en informatiecentrum, zodat bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven.
Welke acties onderneemt u om te waarborgen dat Nederlandse zorgverleners niet vervallen in wat professor Iwasaki beschrijft als «politiek gekleurde evaluaties», maar patiënten met klachten na vaccinatie serieus nemen op basis van de meest recente, onafhankelijke internationale data?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 worden klachten na vaccinatie in Nederland serieus genomen en bijgehouden door Bijwerkingencentrum Lareb. Lareb analyseert aan de hand van Europese farmacovigilantieregels deze meldingen en stuurt deze geanalyseerde informatie door naar het Europese meldsysteem EudraVigilance. Dit Europese meldsysteem is een centrale Europese databank die beheerd wordt door het Europees Medicijnagentschap (EMA) en waarin bijwerkingen uit alle EU-landen worden verzameld zodat deze gebruikt kunnen worden voor geneesmiddelenbewaking. De meldingen worden met klinische en farmaco-epidemiologische gegevens, meldingen uit andere EU-lidstaten en wereldwijde gegevens geëvalueerd om het bijwerkingenprofiel van geneesmiddelen, inclusief vaccins, te bepalen.
Kunt u toezeggen dat u, conform de aanbevelingen in het genoemde artikel, ruimte creëert voor een structureel expertisecentrum waar ook «controversiële» post-acute aandoeningen zoals PVS zonder vooroordelen onderzocht en behandeld kunnen worden?
De organisatie van de zorg is aan het zorgveld zelf. Het zorgveld is zelf het beste in staat om te bepalen op welke wijze aandoeningen onderzocht en behandeld kunnen worden en welke organisatievorm daarvoor nodig is. Het kabinet heeft hierin geen sturingsmogelijkheid.
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Ja, het artikel is bekend. Het totaalaanbod van recreatiewoningen groeit en de vraag groeit niet of nauwelijks. De prijzen stagneren. Er is sprake van een stabiliserende markt.
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Ja, het aantal te koop staande vakantiewoningen groeit. Deze trend zet zich voort in 2026. Kopers hebben meer keuze en bieden vaker en ruimer onder de vraagprijs. De afgelopen vijf jaar zijn de prijzen van recreatiewoningen met 40% gestegen. Deze groei is nu voorbij. De gemiddelde verkoopprijs van in 2025 verkochte recreatiewoningen komt uit op 247 duizend euro. Dat is vrijwel even hoog als het jaar ervoor, de stijging bedraagt slechts 0,1%, zo blijkt uit cijfers van de NVM2, vraag en aanbod komen meer in balans.
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
Er is sprake van een normalisatie van de markt voor vakantiewoningen. Het aantal transacties groeit nog licht, maar niet spectaculair. In 2025 werden 4.273 vakantiewoningen verkocht, een stijging van 2,9% ten opzichte van 2024. Dat is volgens het eerdergenoemde NVM-rapport een gematigde stijging. Daarmee beweegt de markt zich van een krappe verkopersmarkt naar een meer evenwichtige marktsituatie. Daar past een duiding als «grote verkoopgolf» niet bij.
De rendementen staan vaker onder druk door hogere belastingen, btw-verhogingen en stijgende lasten. Dat 75% van de vakantiehuizen geen rendement meer zouden opleveren lijkt mij een hele hoge inschatting, die ook nergens bevestigd wordt door data. De vraag naar de huur van vakantiewoningen blijft relatief sterk. Ondernemers en particuliere beleggers zullen wel steeds kritischer en professioneler moeten kijken naar hun investeringen.
Daarnaast zijn de verschillen per regio groot. Het is daarom lastig alles te vervatten in een landelijk rendementsbeeld. In bijvoorbeeld Zeeland, in Limburg of op de Veluwe bestaan veel verschillen. Het aantal vakantiehuizen dat in de verkoop gaat zal sterk verschillen per regio. Met name particuliere beleggers zullen waarschijnlijk eerder uit deze markt stappen vanwege lagere rendementen en fiscale druk.
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
De koopmarkt koelt af, maar de huurvraag naar vakantiewoningen houdt aan, mede door de groei van buitenlands en binnenlands toerisme. Degene die kortgeleden hebben gekocht zullen wel scherper moeten zijn op hun rendementen. Daarnaast zien we in Nederland geen opvallende prijsbewegingen in deze markt.
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Hoewel de verkoopmarkt voor vakantiehuizen momenteel stabiliseert, blijft de vraag onverminderd aanwezig. Het opkopen en herstructureren van campings kan bijdragen aan een toekomstbestendig recreatieaanbod. Het geeft vernieuwing in het aanbod, het versterkt de toeristische aantrekkingskracht van een regio, draagt bij aan de lokale economie en werkgelegenheid.
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Het is mij bekend dat er gevallen zijn waarbij recreanten hun vaste kampeerplek verliezen doordat het huurcontract wordt opgezegd. Ik beschik op dit moment niet over signalen waaruit blijkt dat sprake is van een landelijke ontwikkeling. Dit is een ontwikkeling die ik zeer spijtig vind voor de betrokken recreanten. Echter, ik erken ook het belang van ondernemers om hun bedrijfsvoering rendabel en concurrerend te houden in een markt die voortdurend in beweging is.
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Ja.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Ik trek me de zorgen aan van de Veluwse gemeenten over de overnames van vakantieparken door grote ketens. Op landelijk niveau zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat overnames structureel leiden tot hogere prijzen, tot marktdominantie of tot een uniforme inrichting van vakantieparken die recreatie ontoegankelijk maakt voor brede groepen. De Autoriteit Consumenten & Markt (ACM) houdt hierop toezicht en bewaakt de markt hierop. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor marktdominante posities.
Overnames door grotere partijen zie ik niet allereerst als problematisch. Ik kan me ook niet vinden in de vrees voor een uniforme inrichting. Integendeel, het versterkt vaak juist professionalisering, modernisering en veranderingen gericht op nieuwe doelgroepen. Daarmee blijft een vakantiepark ook dynamisch en in staat om met nieuwe impulsen te blijven concurreren en te blijven bestaan. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om te sturen op de gewenste lokale invulling. Lokaal doen zich wel prijsstijgingen voor en wisselingen in het aanbod, maar dit hangt vaak nauw samen met het aansluiten op veranderende doelgroepen en de regionale marktcontext.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
Zie antwoord vraag 8.
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Het staat eigenaren van parken vrij om privaatrechtelijk hun park te verkopen aan andere partijen. Dat kan natuurlijk ook een overheid zijn. De gemeente kan in het omgevingsplan publiekrechtelijk regels stellen over de toegelaten kampeermiddelen, een maximaal aantal recreatiewoningen of een maximaal bebouwd oppervlakte. Op deze manier kan door de gemeente actief gestuurd worden op de ontwikkeling van een park.
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Ik kan mij goed voorstellen dat recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen dit als zeer ingrijpend ervaren en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Afhankelijk van de situatie zal hun juridische positie ten aanzien van de nieuwe eigenaar verschillen. Huurders van een vaste standplaats kunnen zich bijvoorbeeld beroepen op het algemeen huurrecht waarin de plichten van zowel de verhuurder als de huurder zijn geregeld.
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Ik kan daar in algemeenheid geen antwoord op geven. Gemeenten en provincie maken beleid en regels over recreatie. Dat kan ook gaan over de vitalisering van vakantieparken of recreatieparken. Gemeenten kunnen uiteindelijk concreet op de ontwikkeling van een recreatiefunctie op een bepaalde locatie sturen via het omgevingsplan of de verlening van een vergunning om daarvan af te wijken.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Het is in beginsel aan de gemeenten en daarna aan de provincie om ruimtelijk beleid te maken over recreatie. In dat kader kunnen zij ook beoordelen of het recreatief gebruik van gronden binnen hun grondgebied afneemt en een afweging te maken over de gevolgen daarvan voor de beschikbaarheid van betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme. De gemeente en daarna de provincie kunnen de lokale en regionale situatie het beste beoordelen en in dat kader ook de ruimtelijke afweging het beste maken. Als het gaat om concrete lokale of regionale ontwikkelingen heb ik daar in beginsel vanuit het Rijk geen rol in.
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Ik herken me niet in de stelling dat recreanten momenteel niet of nauwelijks beschermd zijn. Recreanten kunnen met een vaste standplaats zich beroepen op het algemeen huurrecht, waarin de rechten en plichten van verhuurder en huurder zijn geregeld.4 Daarnaast zijn herstructureringen die buiten het geldende omgevingsplan vallen onderworpen aan planologische toetsing op grond van de Omgevingswet, waarbij de effecten op de fysieke leefomgeving moeten worden onderzocht. Bovendien bieden de HISWA-RECRON-voorwaarden recreanten op aangesloten parken aanvullende bescherming boven op de wettelijke kaders. Deze voorwaarden zijn recent aangescherpt in samenwerking met de ANWB en zijn consumentvriendelijker geworden. Zo geldt bij herstructurering zonder vervangende plaats een minimale opzegtermijn van 18 maanden en zijn de verplaatsingsvergoedingen verhoogd. Geschillen kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Recreatie en Watersport, waarbij HISWA-RECRON de nakoming van bindende uitspraken garandeert.
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Er is geen officiële telling van alle overnames in Nederland. Er is wel sprake van een beweging van de markt van een situatie met veel individuele eigenaren naar een situatie waarin een groeiend deel van de vakantieparken wordt beheerd door professionele partijen. Dit draagt bij aan kwaliteitsverbetering, meer comfort, meer veiligheid en goed beheer.
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Onder vaste kampeerplaats wordt doorgaans verstaan een plek waar een kampeermiddel het gehele jaar mag blijven staan doordat de huurder de grond huurt voor een jaar met stilzwijgende verlenging. Het gaat dan veelal om specifieke huurafspraken tussen de eigenaar van de grond en de huurder. Vanuit het kabinet is hier geen zicht op.
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Ik heb geen gegevens over het aantal vergunde luxe recreatiewoningen die de afgelopen vijf jaar vergund zijn en het aantal betaalbare kampeerplaatsen. In dit kader is ook van belang dat er geen vastomlijnde definitie is van betaalbare kampeerplaatsen. Dat maakt dat het aantal verdwenen betaalbare kampeerplaatsen überhaupt niet concreet te bepalen is. Hetzelfde geldt voor luxe recreatiewoningen.
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van campings en vakantieparken. Hierdoor heb ik ook geen inzicht in hoeverre de overnames gepaard gaan met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen. Ik wil toch graag nog het volgende toelichten over de marktsituatie. Het beeld dat overnames vooral door grote concerns worden gedreven, is te eenzijdig. De markt bestaat voor een belangrijk deel uit mkb’ers, familiebedrijven en kleinere investeerders. Bovendien investeren sommige buitenlandse concerns juist gericht in het behoud en de verbetering van vaste standplaatsen.
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Een onderzoek naar het enkel verdwijnen van vaste kampeerplaatsen en de reden daarvan acht ik niet noodzakelijk. Vanuit het Rijk zet ik in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag. Dit vergt een breder perspectief dan alleen de ontwikkeling in het aantal vaste kampeerplaatsen.
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatiewoningen en vakantieparken. Het is aan de gemeente om te beoordelen in hoeverre activiteiten zoals de huisvesting van arbeidsmigranten op een vakantiepark of in een recreatiewoning past binnen de regels voor die locatie het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is.
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Zie het antwoord op vraag 22.
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Dat kan ik in algemeenheid zo niet zeggen. Zoals eerder aangegeven zet ik mij vanuit het Rijk in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag.
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Zoals eerder aangegeven heb ik geen inzicht in de eigendomssituatie van vakantieparken en de mate waarin deze parken gebruikt worden voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Ik kan dan ook niet aangeven of de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen.
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
De kaders zijn voor alle projecten gelijk, woningbouw noch recreatie krijgt een voorkeursbehandeling in wet- en regelgeving. De toetsing en vergunningverlening blijft altijd liggen bij gemeenten en provincies als bevoegde gezagen. Zij beschikken over voldoende instrumentarium om hier zorgvuldig op te sturen. Wanneer een project significante effecten heeft op een Natura 2000-gebied, is een natuurvergunning verplicht.
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Het Kabinet begrijpt die spanning, maar deelt de conclusie niet dat er sprake is van een ongelijk speelveld. Zie eerder toelichting bij het antwoord van vraag 26.
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Ja. Het is gebruikelijk dat initiatiefnemers zelf de benodigde berekeningen en onderzoeksgegevens aanleveren. Overigens geldt dat voor alle sectoren, niet alleen voor recreatie.
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Zoals eerder omschreven ligt de toetsing van aangeleverde berekeningen en onderzoeken bij de bevoegde gezagen (gemeenten en provincie). Zij beoordelen of de onderbouwing volledig en realistisch is voordat een vergunning wordt verleend.
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Hiervan ben ik niet op de hoogte. Dit is vooral een juridisch en planologisch vraagstuk. Gefaseerde ontwikkelingen zijn meestal zichtbaar. De discussie gaat daarom doorgaans niet over de zichtbaarheid van een project, maar over de manier waarop het juridisch wordt beoordeeld. Dit speelt met name bij provincies en gemeenten.
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Het is aan de initiatiefnemer en het bevoegd gezag om te bepalen of een project een geheel vormt of juridisch sprake is van losse projecten. Op basis van deze beoordeling moet ook bepaald worden welke stikstofberekening nodig is.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Zie het antwoord op vraag 31.
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Ik erken dat de reactie op de motie langer op zich heeft laat wachten dan ik had voorzien. De motie vroeg om een zorgvuldige afweging en dat vergde de nodige tijd.
Ik realiseer mij dat het verlies van een jaarplaats op een kampeerterrein voor recreanten ingrijpend kan zijn en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Die zorgen neem ik serieus en heb ik meegewogen in mijn overwegingen.
Om verschillende redenen ben ik echter tot de conclusie gekomen dat een nieuwe Kampeerwet niet leidt tot een betere situatie voor recreanten en ondernemers. Ik zie dan ook geen aanleiding voor aanvullende landelijke wetgeving. Hierin heb ik een zorgvuldige afweging gemaakt waaruit blijkt dat meer wettelijke bescherming niet leidt tot meer beschikbare plaatsen, maar wel tot meer regeldruk en hogere kosten voor zowel ondernemers als voor recreanten.
In de Kamerbrief Toerisme, die ik vandaag naar de Kamer heb gestuurd, ga ik uitgebreider in op de verschillende redenen die hieraan ten grondslag liggen.
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Zie antwoord vraag 33.
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Zie antwoord vraag 33.
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Ruimte voor recreatie is belangrijk voor complete en prettige leefomgevingen. Voor de Nota Ruimte bezie ik hoe er meer dan in de Ontwerp-Nota Ruimte aandacht kan zijn voor reactie, welke vaak goed samengaat bij ontwikkelingen van bijvoorbeeld woningbouw of natuurontwikkeling. Dit betreft dan de ruimtelijke aspecten daar waar het Rijk een rol heeft. Vaak liggen verantwoordelijkheden rondom recreatie bij de medeoverheden en het bedrijfsleven, zo ook waar dat de mogelijkheden voor elk budget betreft.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Door de zorgvuldige afweging die ik gemaakt heb over deze motie, is het helaas niet gelukt de vragen tijdig te beantwoorden.
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
Het bericht ‘Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?’ |
|
Robert van Asten (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte, klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
In het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, dat in 2024 met de Kamer is gedeeld (2024D26664), is het doel opgenomen om laagwaardig gebruik van drinkwater te beperken, zowel bij de zakelijke gebruikers als bij huishoudens. We streven naar «juiste kwaliteit voor het juiste gebruik». Vanuit dat perspectief is het doorspoelen van de wc met drinkwater niet gunstig. Toepassing van andere kwaliteiten water moet echter wel zonder al te grote gezondheidsrisico’s kunnen. Daarom is vorig jaar door RIVM onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van grijs- en hemelwatergebruik in de gebouwde omgeving2.
Het RIVM concludeert dat er microbiologische risico’s zijn die op dit moment onvoldoende afgedekt kunnen worden met beheersmaatregelen. De beleidsappreciatie van dit onderzoek is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 27 625, nr. 735).
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op de drinkwatervoorziening?
Ja, en deze wordt ook onderschreven door het RIVM, mits dit op een verantwoorde manier kan.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aan het lid Vellinga-Beemsterboer toegezegd dat de Kamer na een jaar zal worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de aanbevelingen3. Het ministerie is op dit moment bezig met het vormgeven van de opdracht om de aanbevelingen van het RIVM uit te werken. Hierin wordt aan experts gevraagd om uit te werken wat de minimale kwaliteitseis voor grijswater zou moeten zijn. Ook overlegt het ministerie met de installatiebranche om beheersmaatregelen vast te laten leggen in werkprotocollen voor aanleg, beheer en onderhoud van grijs- en hemelwatersystemen.
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer, en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing2 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Het laten uitvoeren en monitoren van pilots is een belangrijk onderdeel van de aanpak. De selectie van representatieve pilots wil het ministerie samen met de (bouw)partners doen. Deze zijn niet alleen gericht op het opdoen van ervaring met de effectiviteit van beheersmaatregelen voor gebouwgebonden systemen, maar ook ervaring op te doen met bijvoorbeeld collectieve oplossingen. Hierbij wordt ook gekeken naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die een rol heeft in het verlenen van ontheffingen en het goedkeuren van meetprogramma’s.
Met een ontheffing van de ILT is bijvoorbeeld al een pilot in Tilburg5 opgestart om bad- en douchewater te gebruiken om toiletten te spoelen. In Silvolde6 zijn meerdere woningen gebouwd die regenwater in het gebied opgevangen waar ze drinkwater van kunnen maken; met een goedgekeurd meetprogramma kunnen ze daarmee aan de slag. Datzelfde geldt voor SUPERLOCAL7 in Kerkrade waar voor twee appartementencomplexen regenwater hergebruikt wordt. Dit soort pilots kunnen we gebruiken om van te leren hoe het gebruik van grijs- en hemelwater verantwoord kan. Zoals toegezegd wordt de Kamer hier in 2027 over geïnformeerd.
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen? Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid en regelgeving?
Pilots bieden de gelegenheid om op gecontroleerde schaal te experimenteren en te monitoren hoe gezondheidsrisico’s beheerst kunnen worden. De lessen uit andere landen nemen we daarin mee. De overeenkomsten en verschillen met Vlaanderen heeft onderzoeksinstituut KWR in juli 2025 geïnventariseerd in het rapport «Veilig water uit alternatieve bronnen»8. Vertaling naar beleid en regelgeving kan pas als de risico’s beheersbaar zijn. Een cruciaal verschil tussen het Nederlandse en Vlaamse drinkwater is overigens wel de toevoeging van chloor in Vlaanderen, waardoor daar de gezondheidsrisico’s veel kleiner zijn bij gebruik van alternatieve bronnen.
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering, toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
Het RIVM heeft in haar kennisnotitie concrete aanbevelingen gedaan voor het beheersbaar maken van de gezondheidsrisico’s: o.a. borging van correcte aanleg en ingebruikname van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen te voorkomen en het voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s. Deze aanbevelingen zien toe op concrete acties voor zowel beleid als praktijk. In de Kamerbrief van 27 januari jl. is dit nader toegelicht.
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s te beperken?
Hiervoor wordt verwezen naar de kennisnotitie van het RIVM en de beleidsappreciatie die hierop aan de Kamer is gegeven op 27 januari jl.
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aangegeven dat over twee jaar samen met de Minister van VRO de balans opgemaakt kan worden uit de acties in de beleidsappreciatie en we dan bezien of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit (of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Zoals met de Kamer gedeeld in januari jl., kunnen aan het gebruik van grijs- en hemelwater risico’s voor de volksgezondheid zitten. Ook dat is een verantwoordelijkheid van de regering. Daarnaast speelt bij zo’n extra eis in het Bbl de substantiële verhoging van de bouwkosten, die de betaalbaarheid van de nieuwbouw verder onder druk zet. De komende twee jaar zijn nodig om de beheersing van de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te onderzoeken in praktijkproeven in de verschillende fases van aanleg, beheer en onderhoud. Ook worden de kosten en baten en integrale impact op milieu onderzocht om zo verantwoord een heroverweging te kunnen maken. Tegelijk kijkt het ministerie naar alternatieve oplossingen om vraag en aanbod van drinkwater in evenwicht te houden, zoals de aanbodkant vergroten maar ook het drinkwaterbesparings-potentieel, op verschillende schaalniveaus van de drinkwaterketen.
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
In algemene zin moeten de kosten opwegen tegen de baten. Uit eerder onderzoek van Witteveen en Bos (2023) blijkt dat de investeringen in een grijs- of hemelwatersysteem € 4.000 tot € 7.000 per grondgebonden woning bedragen, met jaarlijkse onderhoudskosten van € 330 tot € 640. In de beleidsappreciatie op dat rapport (Kamerstukken 27 625, nr. 658) is aangegeven dat een nadere uitwerking van de kosten en baten van individuele mogelijke systemen volgt. Hierbij moeten ook de kosten van (extra) drinkwaterbereiding in ogenschouw worden genomen.
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Het is belangrijk dat vraag en aanbod van drinkwater in balans blijven. Hiervoor werkt het Ministerie van IenW met de provincies en drinkwaterbedrijven samen aan het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 om de productiecapaciteit van de drinkwaterbedrijven te vergroten met minimaal 100 miljoen kubieke meter drinkwater per jaar. Tegelijk wordt ook met veel partijen samengewerkt aan het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het drinkwatergebruik bij particulieren terug te dringen naar 100 liter per persoon per dag en 20% zuiniger drinkwatergebruik bij bedrijven. Voor de periode na 2030 werkt het ministerie aan een perspectief en strategie. Decentrale oplossingen zijn daar een onderdeel in en deze kunnen van betekenis zijn als er lokale knelpunten zijn.
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Op de Milieulijst voor MIA/Vamil staan verschillende technieken die bijdragen aan besparing van water (niet per sé drinkwater) in brede zin. Zowel in de industrie als in de landbouw. Uit het jaarverslag 2024 blijkt dat de totale steun die is verleend aan waterbesparing vanuit het MIA/Vamil-budget op het totale budget helaas beperkt is. Daarom wil ik in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing verkennen of uitbreiding van financiële regelingen voor drinkwaterbesparing bij zakelijke gebruikers mogelijk is. Specifiek wordt gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande nationale financiële regelingen, zoals MIA/Vamil en Veki9 en vraag ik IPO en VNG de bestaande regionale financiële regelingen in kaart te brengen met daarbij de mogelijkheden voor uitbreiding.
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen? Zo ja, welke?
Zoals hierboven toegelicht wil ik nu al pilots stimuleren. Om het generiek uit te rollen zijn er concrete beheersmaatregelen aanbevolen om dit in de toekomst wel veilig te kunnen doen. Hiermee ga ik aan de slag en pas dan kan worden overwogen of het drinkwaterbesluit en het besluit bouwwerken leefomgeving in deze zin worden aangepast.
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht besluitvorming kan plaatsvinden?
In het WGO Water van 2 februari jl. is al toegezegd dat de Kamer over een jaar wordt geïnformeerd.
Het bericht dat archieffragmenten van Pim Fortuyn zijn geblokkeerd en niet mogen worden uitgezonden |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt de bewering in de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 dat een groot aantal archieffragmenten van Pim Fortuyn in televisiesystemen wel kan worden teruggevonden, maar niet (meer) mag worden uitgezonden?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Klopt het dat redacties bij het raadplegen van deze archieven worden geconfronteerd met een technische blokkade, waardoor uitzending van deze fragmenten slechts mogelijk is na aanvullende toestemming of helemaal niet is toegestaan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Is het waar dat deze blokkades zijn aangebracht binnen systemen waarvan omroepen gebruikmaken, zoals het archiefsysteem van de NPO en/of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid? Zo niet, om welk systeem gaat het dan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke instanties of partijen hebben besloten tot het aanbrengen van deze blokkades bij archieffragmenten van Pim Fortuyn?
Zoals ik onder antwoord 1 heb aangegeven fungeren de omroepen als rechthebbende en licentieverstrekker als het materiaal aan hen toebehoort. Zij bepalen of een licentie voor hergebruik wordt verstrekt. Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Is het waar dat het hierbij (mede) gaat om fragmenten met aantoonbare historische en politieke betekenis, waaronder interviews en debatmomenten uit de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn?
Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma <I>NOVA</I> uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten in DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Met welke reden of redenen zijn deze fragmenten geblokkeerd, en op basis van welk juridisch, beleidsmatig of contractueel kader is deze beslissing genomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er naast de in de uitzending genoemde fragmenten nog meer archiefbeelden van Pim Fortuyn die (gedeeltelijk) zijn geblokkeerd, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel fragmenten het gaat en op welke gronden deze zijn geblokkeerd?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat betrokkenen die in deze fragmenten voorkomen, via een systeem kunnen aangeven dat zij niet wensen dat bepaalde beelden opnieuw worden uitgezonden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien de publieke omroep verantwoordelijk is voor het blokkeren van deze archieffragmenten, acht u deze handelwijze verenigbaar met de publieke taak van de publieke omroep om de Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis toegankelijk en inzichtelijk te maken?
Zoals ik onder antwoord 4 heb aangegeven, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om vanuit hun publieke taak materiaal waarvan zij rechthebbende zijn, zoveel mogelijk beschikbaar te stellen. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat van Fortuyn, worden dan ook regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Deelt u de mening dat historisch-politieke archieffragmenten die met publieke middelen zijn vervaardigd of beheerd, in beginsel vrij beschikbaar moeten zijn voor journalistieke en maatschappelijke duiding?
Ja. Audiovisueel archiefmateriaal draagt bij aan de beleving van historische momenten. Het geeft inzage in een tijdsbeeld en kan bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Tegelijkertijd zijn er gronden waarop het hergebruik van materiaal beperkt kan worden.
Deelt u de mening dat het structureel blokkeren van dergelijke fragmenten neerkomt op het beperken van het zicht op de Nederlandse politieke geschiedenis?
Nee. Op dit moment is er mijns inziens geen sprake van het «structureel» blokkeren van archiefmateriaal. Omroepen gaan slechts na een zorgvuldige afweging over tot het blokkeren van materiaal. Ik vind het goed dat omroepen hier terughoudend mee omgaan, vanwege de maatschappelijke waarde die het materiaal heeft. Dat neemt niet weg dat omroepen soms genoodzaakt zijn om een afweging te maken tussen het belang van het hergebruik en overige relevante omstandigheden, zoals het belang van de betrokkenen.
Zoals ik onder antwoord 5 heb aangegeven, constateert Beeld & Geluid dat omroepen ook voor programma’s die een blokkade bevatten, licenties geven voor hergebruik.
Kunt u toezeggen dat u zich actief zal inzetten om ervoor te zorgen dat archieffragmenten van Pim Fortuyn met historische en politieke betekenis weer zonder belemmeringen kunnen worden uitgezonden? Zo niet, waarom niet?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan dat er in algemene zin licenties worden verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal van Fortuyn. Bovendien is ook voor het desbetreffende fragment uit het nieuwsbericht meerdere malen een licentie verstrekt voor hergebruik. Daarnaast zetten omroepen zich in om zoveel mogelijk materiaal beschikbaar te maken. Het blijft uiteindelijk aan de rechthebbende om een afweging te maken rondom het verstrekken van licenties.
Bent u bekend met het bericht «Opgepakte verdachte steekpartij Winschoten is dief van knuffels voor Jeffrey en Emma»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onacceptabel is dat deze Syriër, na zijn veroordeling voor diefstal op een herdenkingsplek van vermoorde Nederlandse kinderen, nog steeds in Nederland verblijft en opnieuw strafbare feiten pleegt?
Hoewel ik niet op deze individuele casuïstiek kan ingaan, hecht ik eraan te benadrukken dat ik crimineel gedrag veroordeel en dat dit kabinet in de aanpak van overlast en crimineel gedrag van asielzoekers strenger wil optreden bij recidive.
Hoeveel keer moet een Syriër in Nederland een misdrijf plegen voordat u hem het land uit zet? Is er voor u überhaupt nog een grens?
Een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is reden voor de IND om te onderzoeken of naast strafrechtelijke consequenties, ook verblijfsrechtelijke consequenties kunnen worden toegepast. Dat kan ook betekenen dat een afgegeven asielvergunning wordt ingetrokken. Daarbij moet wel worden voldaan aan hoge eisen van Europees Unierecht. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DTenV het terugkeerproces. Dit kan, afhankelijk van de situatie, vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring plaatsvinden.
Op 18 december 2024 heeft toenmalig Minister Faber uw Kamer geïnformeerd over aanscherping van het openbare-ordebeleid in asielzaken.2 Die beleidsaanscherping is onverkort van kracht en betekent dat we in asielzaken het maximale doen.
Het is aan de officier van justitie om te bepalen of in individuele gevallen vervolging wordt ingesteld en voor welke afdoening wordt gekozen.
Kunt u aangeven waarom deze en andere criminele Syriërs nog steeds niet zijn uitgezet, ondanks de overduidelijke overlast en criminaliteit die zij veroorzaken? Gaat u dit alsnog doen?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u, gelet op dit soort weerzinwekkende incidenten en de vele andere misdrijven door asielzoekers en statushouders, waarom de opstand onder de Nederlandse bevolking steeds groter wordt? Zo ja, waarom voert u dan nog steeds geen onmiddellijke, volledige asielstop in en waarom zet u niet massaal criminele vreemdelingen uit?
Tegen de achtergrond van de recente asielrellen, herhaal ik op dit punt wat ik ook in het Commissiedebat van 13 mei jl. met uw Kamer heb gewisseld. Onze rechtstaat mag niet worden ondermijnd door intimidatie, bedreiging en geweld. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten. Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie door de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen. Daarbij ben ik bereid om alle juridische ruimte te gebruiken, maar zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop.
Zo geeft dit kabinet nu prioriteit aan het implementeren van het Europese Migratiepact, waarmee meer grip op de Europese instroom wordt verkregen.
Om effectieve terugkeer en vertrek van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen te bevorderen is het streven van het kabinet om met de nieuwe Terugkeerverordening de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter en doeltreffender te maken en de samenwerking met landen buiten de Europese Unie te versterken, onder andere via migratiepartnerschappen.
Om de geïntensiveerde inzet op brede, strategische partnerschappen en de samenwerking met derde landen vorm te geven wordt er in een ambtelijke taskforce internationale migratie samengewerkt met betrokken departementen waaronder Buitenlandse Zaken en uitvoeringsorganisaties.
Ten slotte komt het kabinet met een nieuw wetsvoorstel voor de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders op basis van een zorgvuldige procedure, advisering en gesprekken met maatschappelijke organisaties.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid op 13 mei aanstaande?
Ik heb ernaar gestreefd uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De transparantie bij de Nederlandse Loterij en de publieke verantwoordelijkheid van de Staat in relatie tot gokschade |
|
Ingrid Coenradie (PVV), Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Loterij – exploitant van o.a. Staatsloterij, Lotto, Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten, Lucky Day en Toto – geen inzicht geeft in de verhouding tussen online en fysieke winnaars bij deze spellen, terwijl deze gegevens technisch eenvoudig beschikbaar zijn?
Ik ben ermee bekend dat Nederlandse Loterij (NLO) geen inzicht geeft in deze gegevens.
Waarom publiceert de Nederlandse Loterij geen basisinformatie over het aantal online verkochte loten en deelnames, het aantal winnende online loten en deelnames, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor al deze kansspelen?
NLO is niet verplicht om informatie te publiceren over het aantal online verkochte loten, het aantal winnende online loten, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor deze kansspelen. Loten kunnen digitaal worden aangeschaft via de website van NLO of fysiek via één van de retailkanalen. De keuze voor het online dan wel fysiek aanschaffen van een lot heeft geen invloed op de winstkans. Hierdoor ontbreekt de meerwaarde van het openbaar maken van dergelijke indicatoren. Van belang is dat loterijen eerlijk verlopen en hiervoor bestaan strenge wettelijke vereisten. Om een eerlijk verloop te borgen wordt de gebruikte trekkingsapparatuur gekeurd en zijn de trekkingen openbaar. Ook vinden trekkingen plaats in aanwezigheid van een notaris en wordt hiervan een proces-verbaal opgemaakt. De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt hier toezicht op.
Bent u bereid de Nederlandse Loterij te verplichten dergelijke transparantie-indicatoren jaarlijks openbaar te maken voor alle door haar geëxploiteerde kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het actief stimuleren van deelname aan kansspelen door een staatsbedrijf zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om gokschade te beperken, zeker gezien de groei van online deelname bij spellen als Lucky Day, Toto en Eurojackpot?
Een staatsdeelneming dient zich net als andere aanbieders van kansspelen te houden aan de wet- en regelgeving. De wet- en regelgeving ten aanzien van kansspelen is gericht op het realiseren van de doelstellingen van het kansspelbeleid, in het bijzonder de bescherming van mensen tegen gokschade. Daarnaast mag van een staatsdeelneming verwacht worden dat zij hun maatschappelijke opdracht centraal stellen. Hierbij gaat het onder meer om de bescherming van spelers en het aanbieden van een betrouwbaar en veilig kansspelaanbod. Het aandeelhouderschap in NLO valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Financiën. In zijn brief van 8 juni jl. geeft de Staatssecretaris van Financiën aan dat hij als aandeelhouder van NLO de nadruk legt op het borgen van het publiek belang van het verantwoord aanbieden van kansspelen.1 De Staatssecretaris van Financiën ziet dit als de belangrijkste (strategische) doelstelling van NLO.
Erkent u dat deze dubbele rol bestuurlijk onzuiver is en vergelijkbaar met een overheid die zelf alcohol produceert, consumptie stimuleert en tegelijkertijd waarschuwt voor de schadelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat omzetdoelen van de Nederlandse Loterij zwaarder wegen dan het beperken van maatschappelijke schade, gezien de sterke commerciële promotie van o.a. Toto en Eurojackpot?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedragen de maatschappelijke kosten van gokverslaving jaarlijks, en hoe verhouden deze zich tot de totale afdracht van de Nederlandse Loterij aan de Staat?
Uit het recent gepubliceerde jaarverslag blijkt dat NLO in 2025 € 126,4 miljoen heeft afgedragen aan de Staat der Nederlanden. Ik beschik niet over precieze bedragen ten aanzien van de jaarlijkse maatschappelijk kosten van gokverslaving. Wel is in 2023 middels een indicatieve kosten-baten analyse getracht de maatschappelijke kosten en baten van kansspelen te kwalificeren en vervolgens indicatief te kwantificeren.2 In die analyse schatten de onderzoekers de maatschappelijke kosten van kansspelverslaving in 2019 op € 1.137 miljoen. Echter, dat bedrag is van voor de legalisering van online kansspelen en de maatschappelijke kosten verschillen per type kansspel, waarbij de kosten de hoger zijn naarmate het kansspel meer risico op gokschade met zich meebrengt. Ik beschik niet over specifieke bedragen voor de maatschappelijke kosten van de producten van NLO. Het voorkomen van gokschade heeft mijn prioriteit, en zoals ik aan uw Kamer gecommuniceerd heb in de Kamerbrief van 12 juni jl. streef ik naar een structurele daling van de omvang van gokschade in Nederland.3
Waarom vindt er geen structurele monitoring plaats van de relatie tussen online deelname aan loterijen en kansspelen (zoals Lucky Day en Toto) en problematisch speelgedrag, terwijl de risico’s van online kansspelen breed worden erkend?
Loterijen – zoals Lucky Day – vallen onder de wettelijke bepalingen voor landgebonden kansspelen en niet onder online kansspelen. In wet- en regelgeving wordt geen onderscheid gemaakt tussen loten die online of fysiek aangeschaft worden. In beide gevallen valt het kansspel onder de vergunning van loterijen, waarbij het internet een alternatief verkoopkanaal betreft. Loterijen kennen een lager risico op gokschade dan online kansspelen. In het jaarlijkse onderzoek «Deelname aan kansspelen» wordt voor loterijen, landgebonden kansspelen en online kansspelen de relatie met problematisch speelgedrag gemonitord.4 Voor online kansspelen, waaronder online sportweddenschappen, geldt daarnaast dat structurele monitoring plaatsvindt middels de tweejaarlijkse monitoringsrapportages van de Kansspelautoriteit en het onderzoek «Perspectief van Nederlanders op Kansspelen».5
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de maatschappelijke effecten van de groei van online deelname aan alle kansspelen van de Nederlandse Loterij? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 8, vindt structurele monitoring plaats voor online kansspelen. NLO wordt als één van de aanbieders van online kansspelen meegenomen in die monitoring. Momenteel is het verbeteren van de bescherming tegen gokschade bij online kansspelen het meest urgent. Daar ligt dan ook mijn prioriteit. Nadat dat traject is afgerond, zal ik bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren. Daarbij kan ook aandacht besteed worden aan de maatschappelijke effecten van de mogelijke groei van online verkoop van landgebonden kansspelen. Ik zal in die context bezien of, en zo ja, welk type onderzoek nodig is.
Welke onafhankelijke instantie controleert of de kansverdeling tussen online en fysieke loten en deelnames identiek is bij alle spellen, en waarom worden deze auditbevindingen niet openbaar gemaakt?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 8, wordt in wet- en regelgeving geen onderscheid gemaakt tussen online en fysiek gekochte loten. Voor zowel online als fysiek gekochte loten geldt dat er regels zijn voor het proces van prijsbepaling, om te waarborgen dat het proces eerlijk verloopt. Bij prijsbepaling dient een methode te worden toegepast die beïnvloeding van buitenaf uitsluit en waarbij het toevalskarakter is gewaarborgd. De vergunninghouder moet processen die gebruikt worden bij prijsbepaling laten keuren door een door de Minister aangewezen keuringsinstelling of onafhankelijke deskundige. Verder moet de vergunninghouder jaarlijks een IT-audit laten uitvoeren volgens door de Ksa vastgestelde regels.6 Daarnaast moeten alle trekkingen openbaar en in aanwezigheid van een notaris plaatsvinden.
Bent u bereid deze audits voortaan te publiceren, zodat burgers kunnen controleren of het systeem eerlijk functioneert?
De keurings- en auditrapporten bevatten bedrijfsgevoelige informatie. Ze dienen alleen voor het toezicht door de Kansspelautoriteit, die zo nodig aanwijzingen aan de vergunninghouders geeft. Ik zal daarom het publiceren van de keurings- en auditrapporten niet verplichten.
Waarom gelden voor online loterijen en kansspelen van de Nederlandse Loterij niet dezelfde zorgplichten als voor andere online kansspelen, terwijl de drempelloze beschikbaarheid van online deelname vergelijkbare risico’s met zich meebrengt?
Het beschermen van burgers tegen gokschade is een centrale doelstellingen in het kansspelbeleid. Uitgangspunt daarbij is risicogebaseerde bescherming, waarbij de mate van ingrijpen en benodigde bescherming voor een bepaald kansspel afhankelijk is van het risico op gokschade van dat kansspel. Ik wijs hierbij op het onderzoek «risico’s op gokschade: Een rangorde van gokproducten» dat ik op 17 april jl. naar uw Kamer gestuurd heb.7 De risicoclassificatie zoals in het onderzoek wordt gepresenteerd, geeft inzicht in de mate van risico op gokschade van verschillende typen kansspelen. Loterijen, ongeacht het verkoopkanaal, kennen andere kenmerken dan online kansspelen. Hierdoor hebben loterijen een ander, lager, risicoprofiel dan online kansspelen. Voor online kansspelen gelden in lijn daarmee meer verplichtingen en verboden, bijvoorbeeld met betrekking tot de zorgplicht en reclame. Ik werk aan een wetswijziging voor online gokken, waarin ik extra maatregelen neem om de bescherming tegen gokschade te verbeteren. Onderdeel van die wetswijziging is het verstevigen van de zorgplicht. Zoals aangegeven bij vraag 9 zal ik, nadat dat traject is afgerond, bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren.
Het bericht ‘Excuses, maar geen geld. Waarom Nederland de slachtoffers in Hawija niet compenseert’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Groene Amsterdammer, Investico en BOOS over het gebrek aan compensatie in Hawija?1
Op 14 april 2026 publiceerde BNN-VARA programma BOOS een online aflevering, in samenwerking met onderzoek platform Investico en de Groene Amsterdammer, over de gevolgen van de Nederlandse wapeninzet in Hawija op 2-3 juni 2015. Tijdens het ordedebat van 15 april 2026 verzocht de Kamer om een aanvullende reactie van de regering op de uitzending van BOOS. Op 19 mei heeft het kabinet als reactie hierop de brief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija, april 2026» gestuurd.2 In deze brief wordt ingegaan op de overwegingen ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen inzake de luchtaanval in Hawija en het algemeen beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen.
Welke stappen zijn gezet om te komen tot de gemaakte excuses in Hawija en hoe zijn slachtoffers daarbij betrokken?
Naar aanleiding van de uitkomsten van het rapport van de commissie Sorgdrager bood het kabinet in 2025 excuses aan voor de onbedoelde gevolgen van de Nederlandse luchtaanval in 2015. Toenmalig Minister van Defensie bracht deze excuses ook over aan de burgemeester van Hawija. Op 15 januari 2026 bracht de toenmalig Minister van Defensie een bezoek aan Hawija om in gesprek te gaan met slachtoffers en nabestaanden, de gouverneur van de provincie Kirkuk en de burgemeester van Hawija. Tijdens dit bezoek heeft hij persoonlijk de excuses overgebracht. Daarbij is gesproken met lokale autoriteiten, betrokkenen en inwoners van het getroffen gebied.
Waarom is er geen contact opgenomen met het compensatiekantoor in Kirkuk om informatie te achterhalen over wie de slachtoffers zijn van het bombardement?
Het kabinet heeft in 2020 besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Uw Kamer is de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd over de overwegingen hieromtrent, zoals ook recent uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».3 Gelet op dit besluit, zijn er geen stappen ondernomen om tot concrete vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.
Waarom is er nooit doorgevraagd naar het dossier van PAX, de Universiteit Utrecht en Ashor om informatie te achterhalen wie de slachtoffers zijn van het bombardement?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe kijkt u zelf naar uw uitspraken over dat individuele compensatie van slachtoffers niet mogelijk zou zijn, omdat individueel slachtofferschap en schade niet te achterhalen zouden zijn? Kunt u expliciet maken welke stappen er dan wel zijn gezet om te achterhalen wie de slachtoffers zijn van het bombardement in Hawija?
De vraag wat Defensie voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».4
Waarom stelt u, zonder navraag naar de informatie te hebben gedaan, dat de informatie van PAX, Ashor en de Universiteit Utrecht niet voldoet aan de «juridische lat»? Kunt u dat onderbouwen?
Het kabinet heeft in 2020 besloten niet over te gaan tot vrijwillige compensatie op individueel niveau.
In generieke zin geldt dat bij iedere vorm van compensatie (of die nu vrijwillig is of verplicht) zal moeten worden vastgesteld onder welke voorwaarden en op basis van welk bewijs (c.q. juridische lat) iemand in aanmerking komt voor een vergoeding.
Waar zal de 10 miljoen euro aan compensatie voor de gemeenschap in Hawija aan worden besteed? Wie is betrokken bij het besluit waar dit geld aan zal worden besteed en hoe zijn of worden slachtoffers betrokken?
In het debat over het rapport van de commissie Sorgdrager op 15 mei 2025 heeft Defensie toegezegd circa 10 miljoen euro beschikbaar te maken voor aanvullende projecten. De invulling hiervan wordt op dit moment vormgegeven door het Ministerie van Defensie in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tijdens het bezoek van de voormalig Minister van Defensie aan Hawija in januari jl., heeft hij met verschillende belanghebbenden gesproken over de noden en wensen van de gemeenschap. Deze behoeften zullen in de besteding worden meegenomen.
Deelt u de mening van advocaat Zegveld die stelt dat er geen verschil in slachtofferregeling zou hoeven zijn tussen Mosul en Hawija? Zo niet, kunt u dat beargumenteren?
Zoals uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026» is het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratiabetalingen) het leveren van maatwerk.5 Vrijwillige compensatie kan verschillende vormen aannemen en dient telkens nauwkeurig te worden afgestemd op de aard van de wapeninzet en geleden schade, binnen de context van het desbetreffende conflict. Deze variabelen zijn in elke situatie anders.
Inzake Mosul is de Kamer op 25 maart 2026 geïnformeerd over de hoofdconclusies van het interne onderzoek naar de luchtaanval op 22 maart 2016 te Mosul (Irak). Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van de Nederlandse wapeninzet in Mosul, heeft Defensie besloten de nabestaanden een vrijwillige financiële tegemoetkoming aan te bieden. Er was, met de kennis van nu, geen sprake van een legitiem militair doelwit. Bovendien heeft Defensie de geleden schade met grote waarschijnlijkheid eigenstandig in kaart kunnen brengen. Een tegemoetkoming is daarom gepast en uitvoerbaar.
In Hawija is daarentegen het standpunt van Defensie dat de aanval rechtmatig was. Het kabinet heeft destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau, om de redenen uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».6
Tot slot, wijs ik u op de lopende rechtszaak die slachtoffers en nabestaanden van de wapeninzet in Hawija hebben aangespannen tegen de Nederlandse Staat. In deze zaak buigt de rechtbank zich over de vraag of de gevolgen van de wapeninzet in Hawija te wijten zijn aan onrechtmatig handelen door de Staat. Defensie wacht de uitspraak van de rechtbank af.
Waarom was het bij andere oorlogen met burgerslachtoffers wel mogelijk om individuele schadevergoedingen uit te keren, en bij de slachtoffers van Hawija niet? Kunt u in uw antwoord ingaan op de voorbeelden die genoemd worden in het artikel van de Groene Amsterdammer, Investico en BOOS?
Zie het antwoord op de bovenstaande vraag. In het specifieke geval van Afghanistan heeft Nederland, net als meerdere partnerlanden, in de periode 2002–2021 vrijwillige betalingen uitgekeerd.7 De aard van de inzet in Afghanistan was een andere dan die in Irak tegen ISIS. In Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijding van ISIS. Dit verschil in karakter van de missie is van invloed op de overwegingen ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen.
Het is tevens voorgekomen dat na een rechterlijke uitspraak Nederland alsnog individuele schadevergoedingen heeft toegekend, zoals eerder is gedaan naar aanleiding van rechtszaken die zijn aangespannen door slachtoffers en/of nabestaanden uit Srebrenica (Bosnië) en Chora (Afghanistan).
Bent u bereid om alsnog te onderzoeken op welke manier individuele compensatie van slachtoffers van het bombardement in Hawija uitgekeerd kan worden met de beschikbare informatie over slachtoffers van het bombardement die tot nu toe nog niet is betrokken?
Nee. Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u deze vragen in ieder geval beantwoorden voor het plenaire debat over het addendum op het rapport van de Commissie onderzoek wapeninzet Hawija?
Ja.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Omroep Zwart gered door gift van zes ton ondanks ledenverlies' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Is publiek bekend welke donateur een gift van meer dan zes ton aan Omroep Zwart heeft geschonken?1
Nee.
Weet u wellicht wie deze gift van meer dan zes ton aan Omroep Zwart heeft geschonken?
Nee.
Vindt u het zorgelijk dat (anonieme) donateurs door middel van dergelijke grote giften mogelijk in het geheim invloed kunnen uitoefenen op de programmering van de publieke omroep?
Alle omroepen moeten voldoen aan de eisen op het gebied van transparantie en verantwoording. Het Commissariaat voor de Media houdt hier toezicht op. Het is een omroep toegestaan om donaties te ontvangen zolang er sprake is van een onvoorwaardelijke gift, hier geen inhoudelijke voorwaarden aan verbonden zijn en daarmee de onafhankelijkheid van het media-aanbod volledig gewaarborgd is. Het Commissariaat zal dit onderwerp in het kader van de reguliere rechtmatigheidstoetsing over boekjaar 2025 opvolgen.
De motie Veltman (Kamerstuk 36563, nr. 11) |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met motie-Veltman over het aanpassen van het Besluit capaciteitsverdeling om juridisch bindende kaderovereenkomsten mogelijk te maken die spoorvervoerders meerjarige zekerheid bieden, voor nationale én internationale treinverbindingen?1
Ja.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van deze motie? Welke concrete stappen zijn inmiddels gezet richting ProRail en wanneer verwacht u uitgewerkte voorstellen en een concreet tijdpad met de Kamer te kunnen delen?
ProRail heeft een onderzoek uitgevoerd waarin zij enkele aanbevelingen doet om juridisch bindende kaderovereenkomsten mogelijk te maken. Het onderzoeksrapport is half mei opgeleverd en 2 juni aan de Tweede Kamer verstuurd. ProRail is, zoals zij in het rapport stelt, reeds aan de slag gegaan met de uitkomsten van het rapport. IenW is in gesprek met ProRail over de vervolgstappen die samen gezet kunnen worden.
Welke mogelijkheden bestaan binnen de huidige Nederlandse regelgeving om spoorvervoerders meerjarige zekerheid te bieden over toegang tot capaciteit op het spoor? Acht u deze mogelijkheden toereikend voor investeringen in nationale én internationale treinverbindingen?
Er bestaan binnen de huidige Nederlandse wet- en regelgeving mogelijkheden om spoorvervoerders meerjarige zekerheid te bieden over toegang tot capaciteit op het spoor, voornamelijk voor internationaal personenvervoer. Het is echter aan geldverstrekkers om te beoordelen of de zekerheid over toegang tot capaciteit toereikend is voor investeringen. Ook bedrijfseconomische aspecten, vervoersprognoses of macro-economische omstandigheden kunnen meespelen bij het al dan niet doen van een investering.
Deelt u de opvatting dat meerjarige zekerheid over spoorcapaciteit van groot belang is voor investeringen in (inter)nationaal spoorvervoer, mede gezien de lange levertijden van nieuw treinmaterieel? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In hoeverre klopt het dat in andere Europese landen, waaronder Frankrijk, reeds wordt gewerkt met zogenoemde framework agreements of vergelijkbare meerjarige capaciteitsafspraken? Welke lessen kunnen daaruit worden getrokken voor Nederland?
Meerdere Europese infrastructuurbeheerders werken met framework agreements of meerjarige capaciteitsafspraken. Lessen die daaruit getrokken kunnen worden voor Nederland heeft ProRail in haar rapport opgenomen. In het algemeen geldt dat de karakteristieken van het Nederlandse spoornet ertoe leiden dat de Nederlandse situatie niet een-op-een te vergelijken is met een land als Spanje, Frankrijk of Duitsland. Desalniettemin kan geleerd worden van onder meer de manier waarop de kaderovereenkomsten vormgegeven worden en hoe de overeenkomsten in de markt worden gezet. Ook kan geleerd worden van de manier hoe wordt toegezien op de naleving van de overeenkomsten.
Hoe beoordeelt u het huidige systeem van capaciteitsverdeling als het gaat om het bieden van voldoende zekerheid aan nieuwe toetreders en private aanbieders van (inter)nationale treinverbindingen? Waar zitten volgens u de belangrijkste knelpunten?
ProRail doet in haar rapport enkele constateringen en aanbevelingen op het gebied van capaciteitsverdeling. Deze aanbevelingen worden meegenomen bij de implementatie van de verordening spoorweginfrastructuurcapaciteit en het opstellen van de nationale beleidssturing («strategic guidance») die onder die verordening aan ProRail kan worden gegeven.
In hoeverre kunnen kaderovereenkomsten bijdragen aan een beter gebruik van bestaande infrastructuur, waaronder de HSL-Zuid (hogesnelheidslijn), en aan het versterken van internationale treinverbindingen als alternatief voor korteafstandsvluchten?
Kaderovereenkomsten kunnen op internationale verbindingen een positieve bijdrage leveren aan een beter gebruik van bestaande infrastructuur en het versterken van internationale treinverbindingen als alternatief voor korteafstandsvluchten.
Hoe verhoudt de ontwikkeling van kaderovereenkomsten zich tot de ambitie om ruimte te bieden aan innovatieve en nieuwe aanbieders op het spoor?
Kaderovereenkomsten zouden voor innovatieve en nieuwe aanbieders mogelijk een positieve bijdrage kunnen leveren in het verkrijgen van financiering en het afdekken van een deel van het bedrijfsrisico.
Deelt u de opvatting dat verdere Europese harmonisatie van capaciteitsverdeling kan bijdragen aan betrouwbaardere en eenvoudiger te organiseren internationale treinverbindingen? Welke inzet kiest Nederland hierin richting Europa?
Ja, die opvatting deel ik. In Europa pleit Nederland voor een harmonisering van wet- en regelgeving aangaande internationale kaderovereenkomsten. Dit gebeurt onder andere in de EU SERAF-werkgroep aangaande kaderovereenkomsten en in gesprekken met mijn buitenlandse collega’s. Ook wordt met de verordening capaciteitsmanagement de harmonisering van capaciteitsverdelingsregels beoogd. Hierover is de Kamer 2 juni per brief geïnformeerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Spoor van 3 juni 2026?
Ja.
Hogere CO₂-uitstoot door de export van Nederlandse elektriciteit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland exporteert voor miljard euro naar buren dankzij zonnepanelen en gascentrales»1?
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 voor het vierde jaar op rij netto-exporteur van elektriciteit was?
Ja. Dit blijkt uit de recent gepubliceerde Annual Market Update 2025 door TenneT.2
Klopt het dat de netto-export van elektriciteit in 2025 circa 14 TWh bedroeg en een waarde vertegenwoordigde van meer dan één miljard euro? Zo nee, welke cijfers hanteert het kabinet?
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van de in 2025 geëxporteerde elektriciteit is opgewekt met welke energiebron?
Nee, dat onderscheid is niet te maken.
Kunt u uitsplitsen hoe de kosten en baten van elektriciteitsexport zijn verdeeld over de verschillende stakeholders, waaronder netbeheerders, producenten, de industrie, huishoudens en de Staat? Kortom, wat is de totale (maatschappelijke) balans van de export van elektriciteit?
Nee, een dergelijke uitsplitsing en het geven van een totale (maatschappelijke) balans is niet mogelijk. Voor zover de elektriciteitsexport opwek uit gas- of kolencentrales zou betreffen, staan in de totale (maatschappelijke) balans voor de producent tegenover de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit, ook de kosten van de inkoop van gas of kolen voor die opwek en de kosten van de benodigde emissierechten. Die totale kosten worden bij export doorberekend aan de klanten in het buitenland.
Klopt het dat de toegenomen elektriciteitsexport niet alleen samenhangt met extra zonneproductie, maar juist ook met extra productie uit gascentrales en kolencentrales?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is het onderscheid naar energiebron van de export niet te maken. Wel weten we dat de toename van de gehele productie ten opzichte van 2024 bestaat uit opwekking via gascentrales (+4.7 TWh), zonne-energie (+3.7 TWh) en kolencentrales (+2.4 TWh).
Klopt het dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse stroomproductie is gestegen van circa 23 megaton naar circa 25 megaton? Zo ja, welk deel van deze stijging is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export?
Ja, dat klopt. De in het antwoord op vraag 2 genoemde Annual Market Update van TenneT verklaart de toename in CO2-uitstoot vooral door meer opwek uit kolen. Tegelijk is, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, het onderscheid naar energiebron van de geëxporteerde elektriciteit en daarmee naar CO2-uitstoot niet te maken. Het is daarmee niet duidelijk welk deel van de stijging in CO2-uitstoot is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export
Telt de CO2-uitstoot van in Nederland opgewekte elektriciteit die vervolgens wordt geëxporteerd volledig mee in de Nederlandse emissiecijfers en bij de Nederlandse klimaatdoelen?
Ja.
Acht u het wenselijk dat Nederland de CO2-uitstoot draagt van elektriciteitsproductie die uiteindelijk in het buitenland wordt verbruikt?
Dit is een inherent onderdeel van het Europese systeem en de wijze waarop de elektriciteitsmarkt is ingericht. Deze geïntegreerde elektriciteitsmarkt zorgt voor meer zekerheid op energievoorziening, lagere prijzen voor consumenten en bedrijven, en efficiënter gebruik van infrastructuur en investeringen. In dit geval kan het ook zorgen voor uiteindelijk minder CO2-uitstoot in Europa als geheel, omdat hierbij geldt dat de Nederlandse centrales over het algemeen minder uitstoten dan de inefficiëntere kolen- of gascentrales uit andere Europese landen.
Wie betaalt uiteindelijk de extra kosten van de CO2-uitstoot die ontstaat doordat Nederlandse gas- en kolencentrales elektriciteit produceren voor export naar het buitenland?
Alle gas- en kolencentrales in de EU betalen zelf voor hun CO2-uitstoot. Omdat gas- en kolencentrales dit doorberekenen in de prijs waartegen zij elektriciteit verkopen, betalen dus uiteindelijk de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de CO2 van de productie die wordt geëxporteerd.
Klopt het dat de gemiddelde Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen naar circa 87 euro per MWh, mede door hogere CO2-prijzen en hogere gasprijzen? Welk aandeel van deze prijsstijging is toe te rekenen aan CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit?
Ja, het klopt dat de Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen tot ca. 87 euro per MWh. Omdat de elektriciteitsprijzen in Nederland op een Europese elektriciteitsmarkt tot stand komen, zijn de CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit niet specifiek aan deze prijsstijging toe te rekenen. De CO2-prijs varieert door het jaar heen, maar was gemiddeld in 2025 € 74 per ton CO2. Deze gemiddelde CO2-prijs verhoogt de elektriciteitsprijs op de Europese elektriciteitsmarkt met circa € 30 per MWh als gascentrales de prijs zetten en met circa € 60 per ton als kolencentrales dit doen. Zoals in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, betalen de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de ETS-kosten van elektriciteit die wordt geëxporteerd naar hun land.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse huishoudens en bedrijven via hogere elektriciteitsprijzen, nettarieven, belastingen, heffingen of indirecte ETS-kosten meebetalen aan de productie van elektriciteit die naar het buitenland wordt geëxporteerd?
Via de SDE++ is subsidie beschikbaar voor de opwek van elektriciteit. Hier betalen Nederlandse gebruikers via belastingen aan mee. Een deel van deze elektriciteit kan ook worden geëxporteerd. Daartegenover staat dat Nederland op veel momenten ook stroom uit andere landen importeert die soms daar gesubsidieerd is. Het systeem werkt dus beide kanten op. Voor de ETS kosten op het gebruik van fossiele brandstoffen geldt dat die, zoals hierboven in het antwoord op vraag 10 is geschetst, worden doorberekend aan de gebruiker, waar die zich ook bevindt.
Kunt u inzichtelijk maken hoe de ETS-kosten bij elektriciteitsproductie voor export precies worden doorberekend?
Gas- en kolencentrales zullen de ETS-kosten meenemen bij de prijs waarvoor zij bereid zijn elektriciteit te verkopen. Bij verkoop op de beurs van de zogenoemde day ahead market weten deze producenten niet aan wie zij de elektriciteit verkopen en dus ook niet of de elektriciteit in Nederland of daarbuiten verbruikt wordt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort van start gaan.
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars, indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt, is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
Het blokkeren van historische archiefbeelden van Pim Fortuyn |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat historische televisiefragmenten van Pim Fortuyn in omroeparchieven zijn gemarkeerd als niet-uitzendbaar of beperkt toegankelijk zijn gemaakt?1
Ja.
Klopt het dat binnen omroeparchieven of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid systemen bestaan waarmee betrokken personen bezwaar kunnen maken tegen heruitzending van historische fragmenten?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.2 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem.
Hoe beoordeelt u het voorbeeld waarbij voormalig politicus Marcel van Dam bezwaar zou hebben gemaakt tegen heruitzending van het historisch bekende fragment waarin hij Pim Fortuyn in Het Lagerhuis een «buitengewoon minderwaardig mens» noemt, en vindt u dat dergelijke politiek-historische fragmenten beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik vind het belangrijk dat audiovisueel archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, zoveel mogelijk beschikbaar is. Het draagt bij aan de beleving van historische momenten en geeft inzage in een tijdsbeeld. Hierdoor kan het bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Onlangs is hierin een belangrijke stap gemaakt met de lancering van het online platform «de Schatkamer» van Beeld & Geluid. Op dit platform zijn meer dan 700.000 audiovisuele fragmenten gratis te zien voor het publiek.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. Het fragment heeft volgens Beeld & Geluid een andere, lichtere status dan een blokkade. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Op basis van welke criteria kunnen historische televisiebeelden worden geblokkeerd, beperkt of «uitgezet» voor hergebruik?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo is het mogelijk dat het auteursrecht op een fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico kan betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Deelt u de mening dat censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal zoveel mogelijk moet worden uitgesloten en dat publiek uitgezonden politieke fragmenten in beginsel beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik deel niet de mening dat er sprake zou zijn van censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om materiaal zoveel mogelijk vrij te geven in het kader van de publieke taak die ze uitvoeren. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Bovendien is het aantal geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag. Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, worden regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is. Ook is het mogelijk om een groot deel van het archiefmateriaal alsnog te bekijken in DAAN, ondanks mogelijke beperkingen rondom het hergebruik.
Hoe wordt voorkomen dat politiek gevoelige of maatschappelijk ongemakkelijke fragmenten selectief uit het publieke geheugen verdwijnen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u inzicht geven in hoeveel historische politieke fragmenten momenteel beperkt beschikbaar zijn, wie daarover beslist, en welke bezwaarprocedures daarbij gelden?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het portal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Voor de procedure rondom het blokkeren van materiaal verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat juist de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn van groot historisch belang is voor het begrijpen van het huidige maatschappelijke en politieke debat in Nederland?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid in overleg te treden met de publieke omroep en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid om te waarborgen dat historisch relevante politieke archieven toegankelijk en uitzendbaar blijven voor journalistieke en documentaire doeleinden?
Nee. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 constateer ik dat omroepen een zorgvuldige afweging maken bij het verstrekken dan wel blokkeren van fragmenten. Omroepen streven ernaar om materiaal waarvan zij rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Daarnaast wordt voor een groot deel van de fragmenten in de praktijk een licentie verstrekt voor hergebruik en is het percentage blokkeringen in het archief van Beeld & Geluid laag.
Onthullingen in Nieuws van de Dag betreffende de mogelijkheid bij de NPO om tv-fragmenten met Pim Fortuyn te blokkeren zodat deze niet uitgezonden kunnen worden. |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 waarin presentator Thomas van Groningen onthulde dat personen die figureren in tv-fragmenten met Pim Fortuyn, de mogelijkheid hebben om in het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid aan te geven dat voor hen pijnlijke passages niet uitgezonden mogen worden en dit dan ook niet gebeurt?
Ja.
Klopt volgens u de bewering van Van Groningen dat het fragment waarin oud-politicus Marcel van Dam tegen Pim Fortuyn zegt dat hij een «buitengewoon minderwaardig mens» is, is geblokkeerd en dat dit het geval is met «heel veel van dit soort fragmenten» met Pim Fortuyn?
Nee, dat is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context, voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Deelt u de mening dat als dit fragment (of welk fragment dan ook) inderdaad op verzoek van Marcel van Dam (of van wie dan ook) niet meer mag worden uitgezonden, dit vanuit journalistiek oogpunt bijzonder ongewenst is?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor hergebruik kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke exceptie valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij een nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op de veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade bij de verstrekking van de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkade het materiaal en de metadata te bekijken blijven. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Meent u dat er een einde zou moeten komen aan de praktijk van een veto uitspreken over het uitzenden van tv-fragmenten, door personen die liever niet herinnerd worden aan een optreden in relatie tot Fortuyn of eventuele andere persoonlijkheden/onderwerpen, en zo ja, bent u bereid dit aan de orde te stellen bij de NPO?
Nee, naar mijn mening is geen sprake van dergelijke veto’s. Voor blokkeringen of licentiebeperkingen van materiaal dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
Ik vind het daarnaast van belang om nogmaals te benadrukken dat het percentage geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag is. Een besluit van de omroep als rechthebbende om geen licentie te verstrekken voor het hergebruik van materiaal wordt genomen na een zorgvuldige afweging tussen het belang van hergebruik en de overige relevante omstandigheden, zoals het belang van een betrokkene.
Zijn er volgens u situaties denkbaar waarbij een persoon met recht bezwaar zou kunnen maken tegen het herhalen van fragmenten die zich in het archief bevinden van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het hergebruik van materiaal beperkt kan worden op verschillende gronden.
Aangezien iedere Nederlander onvrijwillig meebetaalt aan de NPO, acht u het gepast om dan materiaal dat van ons allemaal is, te cureren, censureren, blokkeren of anderszins niet publiek beschikbaar te maken danwel houden?
Zoals ik onder antwoord 3 al heb aangegeven, streven omroepen ernaar om materiaal waarvan zij de rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Dit vinden zij passend gezien de publieke taak die zij uitvoeren. Dit uitgangspunt deel ik. Omroepen maken een zorgvuldige afweging bij het verstrekken van licenties. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Bovenstaande sluit niet uit dat er gronden kunnen zijn waarop omroepen besluiten om een licentie niet te verstrekken.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel fragmenten uit het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid op verzoek van betrokkenen zijn geblokkeerd, afgeschermd of anderszins beperkt in hergebruik, en in hoeveel gevallen dit politiek of maatschappelijk relevante uitzendingen betreft?
Nee. Beeld & Geluid beoordeelt niet of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kunnen maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zou uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het zoekportaal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Kunt u inzichtelijk maken welk orgaan binnen de NPO verantwoordelijk is voor dergelijke censuur en welke overwegingen en criteria gehanteerd worden bij het inwilligen van verzoeken tot moderatie dan wel censuur?
Ik deel niet de mening dat hier sprake is van censuur. Zoals ik eerder heb aangegeven, streven omroepen ernaar om fragmenten waarvan zij rechthebbende zijn, zo veel mogelijk vrij te geven. Zie het antwoord op vraag 3 voor de gronden en overwegingen die een rol spelen bij een besluit om een licentie voor hergebruik niet te verstrekken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en 2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze sancties zijn opgelegd?
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm in wet- en regelgeving?
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende therapeuten met zich meebrengt?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties, te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het huidige bezoek van de minister aan Egypte. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke doelen heeft u gesteld aan uw bezoek aan Egypte?
Egypte is een belangrijke strategische partner voor Nederland in de regio. Mijn bezoek bood de gelegenheid voor verdieping van onze bilaterale relatie op thema’s als handel, migratiesamenwerking en humanitaire hulp.
Onderdeel van mijn bezoek was o.a. een succesvolle handelsmissie op tuin- en akkerbouw die bijdroeg aan kansen voor het Nederlands bedrijfsleven, maar ook als doel had nader inzicht te krijgen in de economische en maatschappelijke uitdagingen waar Egypte momenteel voor staat. Ook bood mijn bezoek de gelegenheid de samenwerking op het gebied van water verder te verdiepen, o.a. door betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven een impuls te geven. Nederland en Egypte vieren dit jaar 50 jaar watersamenwerking.
Mijn bezoek was ook een goede gelegenheid voor het bevestigen van de goede bilaterale migratiesamenwerking met Egypte als migratiepartnerland. Egypte is een belangrijk herkomst- en transitland voor migranten en vangt veel vluchtelingen op.
Een ander doel van dit bezoek was steun uitspreken voor de rol die Egypte speelt bij het leveren van humanitaire hulp aan Gaza. Ik heb ook de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza en het belang van humanitaire toegang benadrukt.
Spreekt u tijdens uw bezoek ook over de situatie van Soedanese en Palestijnse vluchtelingen waaronder medische evacuees en andere vluchtelingen die in Egypte verblijven? Zo ja, met welke insteek en doel?
Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende partijen gesproken over de situatie van vluchtelingen in Egypte. Egypte speelt een belangrijke rol bij de opvang van vluchtelingen uit de regio. Onderwerpen hierbij waren onder andere de impact van de recente ontwikkelingen in Soedan en het Midden-Oosten en de visie en verwachtingen van Egypte ten aanzien van de vluchtelingenrespons. Ik heb in die gesprekken ook de kwetsbare positie van vluchtelingen aan de orde gesteld. Tevens heb ik besproken hoe de Nederlandse inzet bijdraagt aan de situatie van vluchtelingen in Egypte, waar er momenteel nog uitdagingen liggen, en hoe we de samenwerking kunnen versterken. Een voorbeeld van deze Nederlandse inzet is het PROSPECTS partnerschap, dat beoogt onder meer Soedanese vluchtelingen en hun gastgemeenschappen in Egypte toegang te geven tot bescherming en basisdiensten zoals onderwijs. Daarnaast steunt Nederland Save the Children, dat in Egypte werkt aan de bescherming van kinderen van vluchtelingen en behandeling van ongeveer 600 patiënten, voornamelijk kinderen, uit Gaza. Deze patiënten en hun begeleiders krijgen medische behandeling in private klinieken, inclusief noodzakelijke nazorg voor psychosociale zorg, prothesen en fysiotherapie. Ik heb de Palestijnse medische evacuees uit Gaza en hun begeleiders gesproken om inzicht te krijgen in hun ervaringen.
Is aan u bevestigd dat er Palestijnse kinderen zijn die om medische redenen naar Egypte zijn geëvacueerd maar daar geen hoog-specialistische zorg kunnen ontvangen? Bent u voornemens extra hulp(inzet) voor deze kinderen en hun families beschikbaar te stellen, en indien dat niet in de mogelijk is, medische evacuatie naar Nederland als optie toe te voegen?
Tijdens mijn bezoek aan Egypte heb ik een beter eigen inzicht gekregen van de situatie van patiënten, waaronder kinderen, uit Gaza die voor een medische behandeling in Egypte verblijven. Duidelijk is dat Egypte een essentiële rol speelt in de medische hulpverlening aan patiënten uit Gaza. Van alle landen uit de regio vangt Egypte het grootste aantal medische evacuees uit Gaza op.
Nederland draagt middels diplomatieke inzet en een additionele bijdrage van EUR 25 miljoen bij aan de versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. Financiële middelen worden via onze vaste humanitaire partners, zoals de Rode Kruis en Rode Halve Maanbeweging, de Dutch Relief Alliance en VN-organisaties, ingezet ter ondersteuning van zowel de acute als structurele medische capaciteit in Gaza en de regio.
Samen met deze organisaties blijft het kabinet kijken welke stappen het verder kan nemen ter versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. De observaties tijdens mijn bezoek aan Egypte neem ik daarin mee. In lijn met mijn inbreng hierover tijdens het Commissiedebat Humanitaire Hulp van 9 april jl. is uw Kamer toegezegd dat in deze afweging de optie van een medische evacuatie van patiënten net buiten Gaza ook meegenomen kan worden.
Aangezien het een groep kwetsbare patiënten betreft, wil het kabinet deze afweging in alle zorgvuldigheid doen. U wordt hierover zo snel als mogelijk geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van de Verenigde Naties (VN) en verschillende humanitaire organisaties op de opvang en behandeling van vluchtelingen uit onder meer Soedan in Egypte? Zo ja, wat is uw reactie? Bent u het met ons eens dat opvang van vluchtelingen humaan moet zijn en hoe verhoudt zich dat tot deze kritiek?1
Ja. Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende organisaties gesproken over de opvang en behandeling van vluchtelingen in Egypte. Deze organisaties hebben hun zorgen met mij gedeeld. In mijn gesprekken met de Egyptische autoriteiten heb ik waardering uitgesproken voor het feit dat Egypte zoveel vluchtelingen langdurig opvangt. Daarbij heb ik echter ook opgeroepen tot een humane aanpak, met name waar het gaat om detentie of uitzetting van kinderen. De autoriteiten zegden toe naar schrijnende situaties, zoals het scheiden van gezinnen, te zullen kijken. Onze PROSPECTS partners zijn goed gepositioneerd om hierbij te ondersteunen, ondermeer bij de ontwikkeling van het Egyptische asielsysteem.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen om de resterende miljarden uit het Europese financiële steunpakket voor Egypte pas vrij te geven als wordt toegezegd dat de rechten van Soedanese vluchtelingen zullen worden gerespecteerd?
Egypte ligt in een regio getekend door conflict en vangt al jaren heel veel vluchtelingen op, terwijl het land zelf vele uitdagingen kent. Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de positie van vluchtelingen bij aanhoudende conflicten en toenemende noden. Nederland ondersteunt Egypte om het waardig opvangen van vluchtelingen mogelijk te maken door o.a. het PROSPECTS programma. Dit gaat gepaard met de verwachting dat Egypte vluchtelingen daadwerkelijk bescherming biedt.
Nederland benadrukt, zowel bilateraal als in multilateraal en EU verband, richting Egypte dat behandeling van migranten en vluchtelingen in lijn met internationaal recht en mensenrechten moet plaatsvinden. In lijn met motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3199) bepleit Nederland dat een deel van de EUR 200 miljoen onder het EU partnerschap die is gereserveerd voor migratiesamenwerking besteed moet worden aan de verbetering van bescherming en opvang van asielzoekers en vluchtelingen. Ook in de verdere uitwerking van het EU partnerschap met Egypte zal Nederland aandacht blijven vragen voor de meest kwetsbaren, zoals vluchtelingen.
Bent u het eens met de vraagstellers dat het onacceptabel is dat Egypte steun geeft aan de strijdende partijen in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Er zijn vele Soedanese én niet-Soedanese actoren betrokken, met uiteenlopende en vaak wisselende belangen.
Egypte heeft sterke historische, politieke, economische, militaire en maatschappelijke banden met Soedan. Vanwege deze banden vervult Egypte een sleutelpositie bij het vinden van een politieke oplossing voor het conflict in Soedan. Om die reden is Egypte ook onderdeel van de Quad. De Quad is een samenwerkingsverband tussen de Verenigde Staten, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte dat zich momenteel inspant om een staakt-het-vuren te bereiken. Nederland spreekt Egypte, net als andere landen in de regio, aan op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing, en benadrukt daarbij het belang van het naleven van internationaal recht en een staakt het vuren.
Bent u het met ons eens dat de oorlog in Soedan door steun van buitenaf in stand wordt gehouden of in ieder geval langer duurt en heviger is dan het zou zijn zonder steun van buitenaf?
Het kabinet deelt de zorg van de vragenstellers over de impact van buitenlandse steun op het verloop van het conflict in Soedan. Nederland spreekt met alle landen in de regio over de situatie in Soedan. In deze gesprekken brengt Nederland stelselmatig zorgen over de humanitaire situatie naar voren, benadrukt het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan in algemene zin, en onderstreept het de noodzaak van een staakt-het-vuren als eerste stap richting een politieke oplossing.
Daarnaast pleit Nederland binnen de Europese Unie voor een versterkte diplomatieke inzet richting relevante regionale actoren en multilaterale organisaties die betrokken zijn bij het conflict in Soedan (de VN, AU, IGAD en de League of Arab States).
Bent u bereid om tijdens uw bezoek Egypte op te roepen de steun aan de SAF te stoppen en om mee te helpen andere landen ook op te roepen de steun aan de RSF of de SAF te stoppen?
Ik heb tijdens mijn contacten met Egypte de crisis in Soedan en de noodzaak tot beëindiging van het geweld aan de orde gesteld. Egypte vervult, mede gezien zijn nauwe banden met Soedan, een belangrijke rol bij het bevorderen van een politieke oplossing voor het conflict en kan in Quad-verband een belangrijke bijdrage leveren aan het tot stand komen van een mogelijk staakt-het-vuren.
Nederland zal Egypte, evenals andere landen in de regio, blijven aanspreken op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing. Dat geldt voor alle vormen van steun die het conflict verlengen of verhevigen, aan zowel de RSF en gelieerde milities als de SAF.
Hoe zet u (handels)relaties met Egypte in om de druk op het stoppen van steun aan de strijdende partijen in Soedan op te voeren?
De goede bilaterale relatie met Egypte, onder andere op het gebied van handel en onze watersamenwerking, biedt de mogelijkheid in gesprekken ook zaken aan te kaarten waar de Nederlandse en Egyptische standpunten uiteenlopen.
Bent u bereid deze vragen met spoed en een voor een te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk en binnen de gestelde termijn beantwoord.
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Ja
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Ja
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Op verspreidingsatlas.nl2 is de verspreiding van een groot aantal soorten (water)planten binnen Nederland door de tijd te volgen. Zowel watercrassula (Crassula helmsii)3 als grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)4 nemen sterk toe.
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
De exacte effecten verschillen per gebied en per soort. Sommige invasieve waterplanten kunnen bijvoorbeeld waterlichamen met een dichte mat van stengels en bladeren overgroeien. Hierdoor worden inheemse planten verdrongen, onderwaterplanten sterven af en aanwezige dieren verdwijnen. De dichte matten en het afsterven van grote massa’s waterplanten kunnen leiden tot zuurstofgebrek in het water. Dit heeft een negatieve invloed op andere waterorganismen en kan leiden tot vissterfte.
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Bij overvloedige groei van invasieve waterplanten kunnen watergangen en waterinlaten verstopt raken. Planten kunnen hinder veroorzaken voor de pleziervaart en recreatieve mogelijkheden zoals zwemmen, duiken en sportvisserij beperken. Het beheer en onderhoud van watergangen wordt bemoeilijkt door verstopping van waterlopen en ophoping van plantenmassa bij kunstwerken, wat kan leiden tot wateroverlast.
Recreatie kan zelf ook een bron van verdere verspreiding van invasieve exoten vormen, doordat (delen van) planten meeliften met bijvoorbeeld scheepsschroeven en visgerei.
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten5, dat door voormalig Staatssecretaris Rummenie in januari van dit jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat beschreven hoe de aanpak van invasieve exoten in ons land is georganiseerd.
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de waterveiligheid, voldoende waterafvoer en een goede waterkwaliteit, monitoren waterschappen actief de aanwezigheid en ontwikkeling van waterplanten. Hierdoor zijn waterschappen vaak de eerste overheden die nieuwe vestigingen van invasieve waterplanten signaleren.
Wanneer invasieve soorten de doorstroming negatief beïnvloeden, kunnen de waterschappen vanuit hun waterbeheertaak maatregelen treffen om verspreiding te voorkomen en schade te beperken, bijvoorbeeld preventieve maatregelen, snelle verwijdering bij nieuwe introducties of beheersing van gevestigde populaties.
De uitvoering van bestrijdings- en beheersmaatregelen van invasieve uitheemse soorten is in Nederland grotendeels gedecentraliseerd naar provincies. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de aanpak van de meeste invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst, met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
De landelijke afstemming vindt plaats via verschillende overleg- en samenwerkingsstructuren, waaronder interbestuurlijke overleggen tussen Rijk, provincies en waterschappen en gezamenlijke programma’s.
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Waterschappen en provincies geven aan dat zij diverse methodes toepassen, zoals machinaal en handmatig verwijderen, peilverlaging en machinaal afgraven. Er wordt ook geëxperimenteerd met nieuwe methodes zoals elektrocutie en bevriezen met droogijs.
De effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen zijn in de praktijk echter vaak beperkt. Veel invasieve waterplanten kunnen zich snel herstellen en verspreiden zich via fragmenten, waardoor herhaald beheer noodzakelijk is. Bestrijding leidt zelden tot volledige uitroeiing en het langdurig treffen van beheersmaatregelen blijft vaak nodig. Om die reden wordt veelal ingezet op het beperken van schade en risico’s in plaats van volledige eliminatie.
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In het kader van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is over specifieke invasieve exoten die de waterschappen aangaan (waaronder invasieve uitheemse waterplanten) tussen LVVN, provincies en de Unie van Waterschappen (UvW) ambtelijk afstemming geweest. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
De aanpak van invasieve waterplanten vraagt om een structurele inzet van financiële en personele middelen. Hoewel waterschappen en andere beheerders zich actief inzetten, staan deze middelen in de praktijk onder druk. Bestrijding is arbeidsintensief, langdurig en moet vaak worden herhaald, terwijl de effectiviteit van maatregelen beperkt kan zijn. In de praktijk wordt de inzet gericht op prioritering en het beheersen van de grootste risico’s.
Ik heb geen zicht op de financiële en personele middelen bij beheerders. Waterschappen hebben echter aangegeven in 2024 € 6,1 mln. uitgegeven te hebben aan de bestrijding van invasieve waterplanten, uitgevoerd door externe partijen. Ten algemene geldt dat LVVN en provincies vanuit het natuurbeleid (waaronder het exotenbeleid) afspraken maken over prioritering en de aanpak van invasieve exoten, met daarbij de ambities per soort en een financieringsopgave voor de komende vier jaar. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan invasieve exoten. Met de beschikbare middelen wordt prioriteit gegeven aan preventie en vroegtijdige detectie en eliminatie van invasieve exoten waarvoor eliminatie het doel is. Daarnaast heb ik dit jaar specifiek voor de aanpak van invasieve waterplanten in natuurgebieden door provincies € 6,5 mln. euro gereserveerd op de LVVN-begroting, om in een aantal natuurgebieden een eerste start te maken.
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Van een aantal invasieve waterplanten is bekend dat ze in het verleden verhandeld werden in de vijver- en aquariumhandel. Hoewel de handel in soorten van de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (verder: Unielijst) inmiddels is verboden, worden nog steeds waterplanten aangeboden waarvan bekend is dat ze onder bepaalde omstandigheden invasief kunnen worden. De handel heeft dus bijgedragen aan de aanwezigheid van invasieve waterplanten in Nederland. Daadwerkelijke introductie in het milieu gebeurt veelal door bewust of onbewust weggooien van invasieve vijver- of aquariumplanten door consumenten. Verdere verspreiding kan vervolgens op uiteenlopende manieren plaatsvinden, onder andere door werkzaamheden en recreatie. Vanuit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten worden daarom acties voorbereid die gericht zijn op preventie en bewustwording van onder andere consumenten en tuinbranche.
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd, binnen Nederland en in Europees verband. Het bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid.
Rijk, provincies en waterschappen werken samen om invasieve exoten aan te pakken. Ze hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden. Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor nationaal beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit en systeemverantwoordelijk voor het exotenbeleid. Met betrekking tot invasieve exoten vallen onder de verantwoordelijkheid van LVVN taken zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel.
Uitvoering van het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst gedecentraliseerd naar de provincies. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor herstelmaatregelen in natuurgebieden met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
Het Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over het ambitieniveau per soort van de Unielijst. Voor een aantal soorten van de Unielijst is artikel 17 van de Europese Exotenverordening van toepassing. Dit zijn soorten die nog niet in Nederland voorkomen of in een vroeg stadium van invasie zijn en waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt. Soorten die wijdverspreid zijn, zijn meestal niet meer volledig te verwijderen en vallen onder artikel 19 van de Europese Exotenverordening. De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen tegen deze soorten. Lidstaten hebben beleidsruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven.
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) valt onder de systeemverantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. In de Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS).
De waterschappen zien toe op het functioneren van het waterbeheer in regionale wateren. Beheer vindt plaats vanuit hun taken op gebied van waterbeheer (aan- en afvoer) en waterkwaliteit (KRW). Voor invasieve waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Ja. Wel geldt sinds 2022 in Nederland ook een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen. Deze staan sinds augustus 2025 ook op de Unielijst.
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Voor soorten die (nog) niet op de Unielijst staan kan overwogen worden om een nationaal handelsverbod in te stellen. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten staat dat een mogelijk nationaal handelsverbod op «typisch Nederlandse» invasieve exoten, waaronder de gele bieslelie, wordt verkend. De gele bieslelie staat deels in het water, meestal op de oever, maar ook op de hogere droge delen.
Een handelsverbod kan een effectieve maatregel zijn om nieuwe introducties binnen Nederland tegen te gaan. Hier dient wel een goede onderbouwing aan ten grondslag te liggen. Een nationaal handelsverbod kan ook uitwerking hebben op het ónopzettelijk verspreiden of importeren van deze invasieve exoten. Zoals in het geval dat de invasieve exoot of delen daarvan (zaden, stengel- of worteldelen) onopzettelijk meelift in andere producten of materialen (zoals potplanten, grond of bagger).
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Deze organisaties kunnen bijdragen aan het signaleren, melden en vrijwillig bestrijden van invasieve waterplanten. Samenwerking tussen waterbeheerders en deze partijen is van groot belang omdat invasieve waterplanten zich makkelijk via het water kunnen verspreiden. Deze organisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van verdere verspreiding via onzorgvuldig gebruik of onderhoud van onder meer scheepshuiden, -schroeven, ballastwater of visgerei.
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Er vindt monitoring van verspreiding plaats via een landelijk systeem waarin de kennisorganisaties een belangrijke rol spelen. De resultaten van deze monitoring worden gebruikt om verspreiding en effectiviteit van maatregelen te volgen, beheerstrategieën en prioriteiten bij te stellen en beleid gericht te verbeteren. Monitoring en kennisuitwisseling vormen daarmee een essentieel onderdeel van de doorontwikkeling van het exotenbeleid. Ik ben in overleg met provincies over het ontwikkelen van een online tool waarmee de verspreiding, de bestrijding en het beheer van invasieve exoten en het effect van die aanpak structureel gemonitord gaat worden. Invasieve waterplanten kunnen hier ook een plek in krijgen. Ik ben van plan om voor de ontwikkeling middelen vrij te maken, als een van de maatregelen uit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De waterschappen monitoren de invasieve waterplanten in het kader van de Bedrijfsvergelijkingen. Deze cijfers worden gebruikt voor het volgen van trends en ontwikkelingen ten behoeve van het eigen beheer.
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten dat in januari 2026 door Staatssecretaris Rummenie naar de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Het aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De aanpak van invasieve waterplanten vormt hier een integraal onderdeel van. Onderliggend doel van het exotenbeleid en van het aanvalsplan is de nadelige gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Daarbij draagt het aanvalsplan direct en indirect ook bij aan andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Het is mij bekend dat watersporters en zwemmers hinder kunnen ondervinden van waterplanten en dat dit in sommige gevallen kan leiden tot onveilige situaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Dat is vervelend, maar niet altijd te voorkomen. Inheemse waterplanten maken deel uit van en dragen bij aan een gezond ecosysteem.
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Hierover zijn binnen mijn ministerie geen cijfers bekend.
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaarwegen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Ik zie daarin geen rol voor mij weggelegd.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Dat is zorgelijk, maar het is ook de eigen verantwoordelijkheid van de recreant om eventuele waterplanten op een veilige manier te verwijderen.
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaargeulen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Beheersing van waterplanten is erg intensief en daardoor kostbaar. Bovendien zijn inheemse waterplanten onderdeel van en dragen ze bij aan een gezond water ecosysteem. Daarom moeten keuzes worden gemaakt waar welke inzet op wordt gepleegd. Waterplanten worden in de praktijk vooral door vaarwegbeheerders gemaaid in hoofdvaargeulen omdat hier doorstroming, waterafvoer en veiligheid leidend zijn. Het vrijhouden van deze geulen is noodzakelijk om het waterbeheer te kunnen uitvoeren en om risico’s voor wateroverlast en scheepvaart te voorkomen.
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid als Minister van LVVN, maar is primair een taak van de waterbeheerders.
Het 'Oranje Boekje' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer het zogenaamde «Oranje Boekje» met werkinstructies voor medewerkers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) toegestuurd krijgen (of in vertrouwen inzien)?
Ja. Het «Oranje Boekje» (21 maart 2025) is als bijlage bij dit antwoord gevoegd. In het «Oranje Boekje» zijn bepalingen in de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid en het Besluit coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid uitgewerkt in beleidsregels en instructies voor de uitvoering. Het doel van het Oranje Boekje is medewerkers van de NCTV een handreiking te bieden voor een juiste en consistente uitvoering van de bij wet vastgelegde coördinatietaak. Voorbeelden met betrekking tot het interne administratieve proces, alsmede voorbeelden van producten en taakvelden die inzicht geven in aandachtsgebieden van de NCTV worden in het belang van het goed functioneren van de Staat niet aan eenieder openbaar gemaakt. Deze passages kunnen door uw Kamer vertrouwelijk worden ingezien.
Het bericht ‘Pensioenfondsen lopen door ‘verkeerde beslissingen’ miljarden aan rendement mis: ‘Op een bepaald moment is het geen toeval meer’' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen lopen door «verkeerde beslissingen» miljarden aan rendement mis: «Op een bepaald moment is het geen toeval meer»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen te weinig terugkijken op hun beleggingsbeslissingen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Pensioenfondsen toetsen jaarlijks vooraf of hun strategisch beleggingsbeleid nog in lijn is met het beleggingsrisico dat deelnemers en gepensioneerden willen en kunnen nemen. Op deze manier zorgen pensioenfondsen ervoor dat het beleggingsbeleid in het belang van deelnemers en gepensioneerden wordt gevoerd. DNB houdt ook toezicht op deze jaarlijkse toetsing van het beleggingsbeleid. De uitkomst van het nagestreefde beleggingsbeleid kan achteraf mee- of tegenvallen door onverwachte ontwikkelingen op financiële markten. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen in hun jaarverslagen duidelijk zouden moeten opschrijven waarin is geïnvesteerd en wat dat wel of niet heeft opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Pensioenfondsen geven reeds in hun jaarverslagen aan hoe het pensioenvermogen wordt belegd. Daarbij kan er in de jaarverslagen ook worden gevonden wat de beleggingsresultaten van de verschillende beleggingscategorieën zijn geweest.
Wat vindt u van het feit dat pensioen deelnemers zelf heel weinig te zeggen hebben over waar hun pensioengeld in wordt geïnvesteerd, en dus welke risico’s er met hun geld wordt genomen?
Het pensioenfondsbestuur belegt in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden en dient bij het bepalen van het beleid hun belangen zorgvuldig af te wegen. Over het beleid en de wijze waarop het beleid is uitgevoerd legt het pensioenfondsbestuur verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan, waar onder andere deelnemers zitting in hebben, beoordeelt het uitgevoerde beleid, waaronder het beleggingsbeleid, en de gemaakte beleidskeuzes voor de toekomst. Daarbij toetst het verantwoordingsorgaan of het pensioenfondsbestuur een evenwichtige afweging heeft gemaakt tussen de belangen van alle belanghebbenden.
Verder is een duidelijke en evenwichtige communicatie aan deelnemers van belang. Door transparant te zijn over het beleggingsbeleid, de gemaakte keuzes en de bijbehorende risico’s, kunnen deelnemers meer inzicht krijgen hoe hun pensioen wordt beheerd. In combinatie met de rol van het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben en invloed kunnen uitoefenen, draagt het ook bij aan een gecontroleerde uitvoering van het gevoerde beleid.
Bent u het eens dat pensioendeelnemers hier meer over zouden moeten kunnen meebeslissen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de vorige beantwoording is aangegeven nemen deelnemers via verantwoordingsorganen deel aan de besluitvorming binnen het pensioenfonds over het beleggingsbeleid.
Welke stappen neemt het kabinet om deze positie te verbeteren?
In de bestaande besluitvormingsprocessen van pensioenfondsen zijn verschillende checks and balances opgenomen om een evenwichtige belangenafweging te borgen. Om te bezien of de vertegenwoordiging door de belanghebbenden, waaronder deelnemers, in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen, wordt momenteel een onderzoek uitgezet. Over de bevindingen wordt uw Kamer naar verwachting in de eerste helft van 2027 geïnformeerd.2
Wat vindt u van de stelling dat sommige fondsen bij een risicovrije belegging vaak al beter af waren geweest?
Achteraf is het makkelijk te zien dat een bepaalde portefeuille een betere prestatie heeft geleverd dan een andere, maar vooraf is dit niet evident. Het is de vraag of een theoretisch portefeuille, zoals deze in het artikel wordt aangehaald, te vergelijken is met een portefeuille van een pensioenfonds. Pensioenfondsen houden onder andere rekening met de fluctuaties in de rentestand, waarvoor ze instrumenten in zetten ter afdekking van rentedalingen zoals rentederivaten. Fondsen boeken bij een stijgende rentestand een negatief rendement op deze instrumenten. Dit leidt tot een lager rendement op de totale portefeuille. Daarnaast belegt een fonds in verschillende beleggingscategorieën om risico te spreiden in omvang, tijd en geografisch. Dit maakt dat portefeuilles van pensioenfondsen minder goed vergelijkbaar zijn met een portefeuille die is samengesteld uit enkel risicovrije beleggingen, dan wel een mix van risicovrije beleggingen en liquide aandelen.
Wat vindt u van het in het artikel aangehaalde feit dat pensioenfondsen vaak grotere beleggingsrisico’s nemen dan nodig?
Pensioenfondsen dienen conform de wettelijke vereisten, te handelen in belang van deelnemers en gepensioneerden en moeten het beleggingsbeleid afstemmen op de risicohouding van deelnemers. Hierbij wordt rekening gehouden met het beleggingsrisico dat deelnemers willen en kunnen nemen. Om inzicht te hebben in het beleggingsrisico dat deelnemers willen nemen wordt een risicopreferentieonderzoek periodiek verricht door de pensioenfondsen en de AFM houdt hier toezicht op. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet hebben voldaan aan de wettelijke waarborgen.
Ziet u dit ook als het nemen van onnodig risico’s met pensioengeld van deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven houdt het fonds rekening met de risicohouding van deelnemers, waarbij DNB vervolgens toezicht houdt op het naleven van het prudent person-beginsel, wat inhoudt dat het beleggingsbeleid in het belang van de deelnemers wordt gevoerd.
Bij hoeveel pensioenfondsen heeft het nemen van een hoger beleggingsrisico de afgelopen vijf jaar ook echt een hoger pensioen opgeleverd? Bij hoeveel gevallen niet?
Er is geen openbare informatie beschikbaar voor alle pensioenfondsen in hoeverre ze meer beleggingsrisico vooraf hebben genomen de afgelopen vijf jaar en welk rendement deze verandering van beleggingsrisico hen achteraf heeft opgeleverd.
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd met pensioenfondsen over het nemen van onnodige risico’s? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Ik deel uw mening niet dat er door pensioenfondsen onnodig risico’s zijn genomen. Het risico dat fondsen nemen in hun beleggingsbeleid moet overeenkomen met de risicohouding van deelnemers, waarbij wordt gekeken naar welk risico ze willen, maar ook kunnen nemen. DNB houdt hierbij toezicht op dat fondsen het prudent person-beginsel hanteren. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet aan de wettelijke waarborgen hebben voldaan.
Bent u het eens dat pensioenbestuurders door pensioendeelnemers geconfronteerd zouden moeten kunnen worden over waar hun pensioengeld in is geïnvesteerd, welk rendement dat heeft opgeleverd en welke risico’s daarbij zijn genomen?
Pensioenfondsen leggen in de jaarverslagen verantwoording af over de resultaten die het gevoerde beleggingsbeleid heeft opgeleverd. DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het fonds zijn doorlopen en het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen (waarin deelnemers en werkgevers zitting hebben) in voldoende mate betrokken zijn in het beslissingsproces.3 Zo moet worden aangegeven en onderbouwd hoe met de verschillende inzichten van de verantwoordingsorganen is omgegaan.4
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd over het verhogen van de pensioen nu het rentepercentage weer stijgt? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Binnen de kaders van de Pensioenwet besluiten pensioenfondsbestuurders eigenstandig over de indexatie aan deelnemers en gepensioneerden. In dit besluit betrekken ze de evenwichtige belangenafweging voor alle deelnemers, het reglementair vastgelegde indexatiebeleid en de financiële positie van het fonds. DNB houdt toezicht op of het pensioenfonds zich aan de wettelijke kaders houdt. Onder het nieuwe stelsel wordt het voor fondsen makkelijker om de pensioenen te verhogen bij goede financiële resultaten, maar daarbij zal er ook een belangenafweging plaats moeten vinden voordat uitkeringen worden verhoogd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.