Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Ja.
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
De Douane heeft de volgende exacte kilo-cijfers gerapporteerd.2
Jaartal
Cocaïne (in kg)
Cannabis (in kg)
2025
24.457
65.532
2024
37.642
14.492
2023
59.141
3.832
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
De toename van cannabisonderscheppingen uit niet-Europese landen wordt al enkele jaren waargenomen. In opdracht van de politie is daarom een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport, met de titel «Het gras is groener aan de overkant. De grootschalige illegale import van en handel in niet-Europese hennep», werd op 22 januari jl. gepubliceerd.
De politie ziet de (gedeeltelijke) legalisatie van hennepteelt en recreatieve consumptie in deze landen als de oorzaak van illegale overproductie uit de legale teelt. Deze teelt is bedoeld voor de lokale markt, maar wordt door criminele netwerken met een winstoogmerk ook gebruikt voor de illegale export. Deze is lucratief, met name voor de Europese markt, door de relatief lage prijzen en het hoge THC-gehalte van deze cannabis. De internationale handel in cannabis is overeenkomstig het Enkelvoudige Verdrag van de Verenigde Naties uit 1961 niet toegestaan. Hoewel de genoemde landen export ook niet toestaan, negeren criminelen deze verboden. Thailand heeft sinds 2025 de legalisering van cannabis grotendeels weer teruggedraaid. Het is daar alleen nog mogelijk om cannabis te gebruiken wanneer hiervoor een doktersrecept is verstrekt.
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Er vindt op verschillende niveaus een dialoog plaats met Canada en de Verenigde Staten om de cannabissmokkel vanuit deze landen terug te dringen. Zo hebben Nederland en België op 29 januari jl., als uitgaand waarnemer van de North American Drug Dialogue (NADD), op hoog ambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de smokkel van cannabis vanuit Noord-Amerika. De NADD is een samenwerkingsverband tussen de VS, Canada en Mexico om drugssmokkel tegen te gaan. Op 23 april vindt in de horizontale EU-raadswerkgroep ten aanzien van drugs (HDG) de EU-VS-dialoog plaats. In de HDG hebben zowel de Ministeries van Volksgezondheid als van Binnenlandse Zaken/Veiligheid van de lidstaten zitting. De trans-Atlantische samenwerking op het gebied van cannabissmokkel staat op de agenda van de dialoog.
Op basis van het onderzoek dat in opdracht van de Nederlandse politie was uitgezet (zie antwoord3, is eind 2025 op voorspraak van de Nederlandse politie het onderwerp «cannabisimport uit Noord-Amerika» opgenomen in het operationele actieplan Cannabis, Cocaïne en Heroïne van het multidisciplinaire samenwerkingsplatform tegen georganiseerde criminaliteit (EMPACT). Nederland heeft ten aanzien van dit nieuwe actiepunt de leiding op zich genomen. Op deze manier blijft Nederland in Europees verband de komende jaren de aandacht vragen voor dit onderwerp.
De Nederlandse politie en Douane bespreken deze problematiek met hun partners. Zowel op operationeel niveau in de samenwerking vanuit het Hit and Run Cargo (HARC) Team in de haven van Rotterdam als tijdens werkbezoeken. Een politiedelegatie bracht in februari 2025 tegen deze achtergrond een bezoek aan Canada. Bij dit bezoek is gevraagd om strenger op te treden tegen de illegale export vanuit Canada.
De Douane is op dit moment bezig met het verder ontwikkelen van de samenwerking met de Canadese autoriteiten, onder andere gericht op het tegengaan van cannabis die naar Europa komt. De Nederlandse Douane deelt al jaren informatie met de Amerikaanse Douane, hetgeen regelmatig tot bevindingen heeft geleid, zowel in Nederland als de VS. Daarnaast start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché op het National Targeting Centre (NTC) in Washington D.C. Deze attaché zal een belangrijke rol spelen in het verder verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de VS, Nederland en alle andere landen die op het NTC een analist hebben geplaatst.
Hiernaast zijn er in verschillende landen in Latijns-Amerika Douane-attachés of politie-liaisons geplaatst gericht op het tegengaan van drugssmokkel; o.a. in Brazilië, Panama en Peru. Concrete effecten hiervan zijn het sluiten van Douaneverdragen en MoU’s met verschillende prioritaire landen, waaronder uitwisseling van operationele informatie plaatsvindt.
De samenwerking met Thailand heeft minder prioriteit. In Thailand werd vorig jaar de legalisatie van cannabis uit 2022 teruggedraaid. De verwachting is dat cannabissmokkel uit Thailand zal teruglopen.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Latijns-Amerika blijft het belangrijkste herkomstgebied van cocaïne. Wel zien we een diversificatie in zowel smokkelroutes als smokkelmethodes. Twee vangsten in Amsterdam afkomstig uit Ghana wijzen erop dat de rol van West-Afrika in de internationale drugshandel groeit. De cocaïne gaat in dat geval vanuit Latijns-Amerika via West-Afrika naar Europa. Het beeld wordt verder versterkt door gegevens van het UNODC waarin te zien is dat de afgelopen jaren recordhoeveelheden cocaïne door West-Afrikaanse landen in beslag worden genomen. Daarnaast worden er minder kilo’s cocaïne per vondst aangetroffen, wat erop wijst dat criminelen mogelijk aan risicospreiding doen.
Naast een verschuiving in smokkelroutes waarschuwen Europol en European Union Drugs Agency (EUDA), maar ook het Maritime Analysis and Operations Centre – Narcotics (MAOC-N), voor een verschuiving in smokkelmethodes. Europese landen zien namelijk in toenemende mate smokkel via drop-off en onderzeeboten, privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Net als Nederland zien de ons omringende landen (Duitsland, België) en ook Spanje dezelfde stijgende trend in cannabis afkomstig uit Canada, VS en Thailand. De smokkel vindt zowel maritiem als via lucht plaats.
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Zoals ook blijkt uit het rapport van Europol veranderen strategieën van criminele netwerken in de cocaïnehandel voortdurend.4 De havens van Antwerpen, Hamburg en Rotterdam zijn traditioneel de belangrijkste toegangspoorten voor grootschalige cocaïnehandel naar Europa. Dankzij de barrières die de Douane, politie en andere partners in deze havens hebben opgeworpen en de lancering van de Europese Havenalliantie, zijn de cocaïne-inbeslagnames in deze drie havens aanzienlijk gedaald (in Antwerpen is in 2025 een lichte stijging waargenomen ten opzichte van 2024, maar een grote daling ten opzichte van de vangsten cocaïne in 2023). Het is waarschijnlijk dat sommige criminele netwerken hun activiteiten naar andere Europese havens hebben verplaatst, zoals blijkt uit de toegenomen inbeslagnames in verschillende andere havens in de EU. Het is ook waarschijnlijk dat criminele netwerken steeds vaker gebruik maken van luchtvervoer, inclusief zowel luchtvracht als post en pakketten, om maritieme havens te vermijden. In vraag 8 ga ik verder in op welke nieuwe smokkelmethoden de Douane heeft waargenomen.
Tot slot merk ik op dat ondanks veranderingen in smokkelmethoden, in de haven van Rotterdam nog steeds de meeste cocaïnevangsten worden gedaan. Daarom blijven we ook daar volop inzetten om drugssmokkel tegen te gaan. In de eerste maanden van 2026 zijn in de Rotterdamse haven wederom een aantal zendingen cocaïne inbeslaggenomen, waaronder een grote vangst van 4.830 kilo.
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Het maakt criminelen niet uit welke Europese haven zij gebruiken voor de smokkel van drugs. Binnen Nederland werden in de haven van Amsterdam twee zendingen van in totaal 4.712 kilo cocaïne onderschept, afkomstig uit West-Afrika en verstopt in een lading hout. De Douane reageert hierop door in de haven van Amsterdam een vaste scan te plaatsen, en onderzoekt de mogelijkheden voor het plaatsen van een inspectieloods. In samenwerking met lokale partners wordt het cameratoezicht verder versterkt. In kleinere zeehavens is de Douane ook alert op drugssmokkel en wordt er samengewerkt met de Koninklijke Marechaussee, politie en Kustwacht.
Steeds meer Europese douanediensten signaleren een toename van het aantal drop-offs, oftewel het overboord gooien van drugs in zee of het overslaan op kleinere (vissers)schepen. In Nederland signaleerde de Douane in 2025 één drop-off, ter hoogte van Vlissingen. Begin 2026 zijn pakketten met zo’n 750 kilo hennep aangespoeld op het strand van Terschelling, mogelijk ging het om een mislukte drop-off. Douaniers worden speciaal getraind om drop-offs snel te herkennen en veilig en adequaat te handelen indien nodig.
Ook werd in Europees verband gesignaleerd dat criminelen in 2025 in toenemende mate gebruik maakten van onderzeeboten om cocaïne rechtstreeks vanuit Latijns-Amerika naar Europese landen als Spanje en Portugal te vervoeren. Elf onderzeeboten werden daar in beslag genomen. In Nederland is tot dusver nog geen smokkel via onderzeeboten gesignaleerd.
Daarnaast zijn er in Europees verband signalen van smokkel via privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Daarom voert de Nederlandse Douane in 2026 meer controles uit op de privéluchtvaart, met als belangrijkste doel de risico’s op drugssmokkel beter in kaart te brengen.
De Douane heeft diverse mogelijkheden om ingewassen cocaïne op te sporen. Dat gebeurt zowel via detectiemiddelen tijdens controles als via uitgebreide tests in het Douane-laboratorium. Bij het inwassen wordt dragermateriaal zoals textiel/kleding geweekt in een vloeistof waarin cocaïne is opgelost. Vervolgens wordt de vloeistof verdampt en blijft de cocaïne achter in het materiaal, om het er op een later moment weer uit te wassen met behulp van een oplosmiddel.
Verder zetten we in om het chemisch camoufleren van cocaïne beter te kunnen detecteren. Bij chemisch camoufleren wordt cocaïne op moleculair niveau aan een dragermateriaal gehecht en daarmee gecamoufleerd. In een extractie-lab moet de cocaïne dan worden gescheiden van het dragermateriaal. Met het Nederlands Forensisch Instituut en de politie werkt de Douane samen om de detectiemiddelen nog verder te verbeteren. Zo wordt er nieuwe apparatuur aangeschaft en getest.5
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
De politie6 geeft aan dat de betrokkenheid van Nederlandse drugscriminelen verder reikt dan niet-Europese cannabis. Het gaat veelal om polydrugshandelaren, die al langer in de drugshandel actief zijn. Naast niet-Europese cannabis handelen ze ook in Europese hennep, synthetische drugs, heroïne en cocaïne, inclusief de import. Er is hierbij geen sprake van een specialisme, maar meer van opportunisme. Criminelen zoeken immers altijd naar manieren om snel geld te verdienen. We blijven daarom inzetten op het tegengaan van drugssmokkel als geheel en onderzoeken geen beleidsopties die specifiek op cannabis gericht zijn. Daarbij worden uiteraard wel accenten gelegd als er (nieuwe) ontwikkelingen in de drugssmokkelmethodes worden geconstateerd. Zo wordt de samenwerking met Canada en de VS geïntensiveerd om cannabissmokkel tegen te gaan en start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché in Washington.
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Veel van de barrières die we opwerpen om drugssmokkel te bemoeilijken en de pakkans te vergroten, maken geen onderscheid tussen soorten drugssmokkel. Douane en politie houden de veranderingen in modus operandi van criminelen altijd in de gaten en spelen daarop in.
Op dit moment is een aanpassing van de strafmaat voor cannabissmokkel niet aan de orde. Het gelijk trekken van de strafmaat voor het smokkelen van Lijst I en II middelen zou namelijk een complete herziening van de systematiek van de Opiumwet betekenen. In mei 2024 heeft het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Drugs op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en naar aanleiding van de Motie van Nispen – waarin hij de regering verzoekt te onderzoeken of de huidige omgang met typen drugs en de indeling in lijsten nog wel objectief wetenschappelijk te rechtvaardigen is – een rapport opgeleverd. Hierin onderschrijven zij de uitkomsten van een eerder onderzoek «Drugs in lijsten: rapport Expertcommissie Lijstensystematiek Opiumwet» dat er geen overwegende voordelen aanwijsbaar zijn voor het wijzigen van de bestaande systematiek van twee lijsten.
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
Er is geen sprake van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel. In 2025 werden bijvoorbeeld (nog) meer douanecontroles uitgevoerd, mede gericht op onderschepping van cocaïne, in Rotterdam dan in 2024.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Laat ik voorop stellen dat het onacceptabel is dat drugs in gevangenissen terecht komt. De invoer van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar. Voor het verhandelen of het bezit van drugs gelden dezelfde strafrechtelijke normen als buiten de gevangenis. Voor het gevangenispersoneel maar ook voor gedetineerden zelf brengt het veiligheidsrisico’s met zich mee wanneer dit in de Penitentiaire Inrichtingen (PI) voorkomt. Daarom hanteert DJI een zerotolerancebeleid en wordt er stevig opgetreden.
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
DJI werkt hard om contrabande, waaronder drugs, te voorkomen.
Met een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
Ondanks deze controles komt er drugs de gevangenissen in. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit, controles van de post en gedetecteerde drones.
Mede daarom is de aanpak om contrabande tegen te gaan geïntensiveerd en is er momenteel een taskforce actief om contrabande in PI’s verder tegen te gaan. De taskforce volgt op een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Ellian2. Bij een zestal PI’s worden minimaal zes maanden lang geïntensiveerde controles toegepast. De Kamer wordt overeenkomstig de motie hierover uiterlijk september 2026 geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Ik deel de mening dat het problematisch is wanneer drugs voorkomen in PI’s. De invoer en het verhandelen van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar, en heeft bij constatering altijd consequenties. Tevens levert het veiligheidsrisico’s op als het gaat om de gezondheid van gedetineerden en medewerkers, en beïnvloeding van gedrag in negatieve zin. Wanneer drugsgebruik voorkomt, en dit herleidbaar is naar een gedetineerde, beslist de vestigingsdirecteur welke disciplinaire straf wordt opgelegd. In regimes waar het toetsingskader promoveren en degraderen geldt, wordt de gedetineerde gedegradeerd naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd. Wanneer drugsinvoer herleidbaar is naar een bezoeker of «invoerder», wordt aangifte gedaan wat kan leiden tot strafrechtelijke sancties. Dit geldt ook voor bezit.
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
Binnen de Penitentiaire Inrichtingen is verslavingszorg beschikbaar. Het medisch personeel bestaat uit BIG-geregistreerde professionals met kennis van verslavingszorg. Indien de zorgvraag het aanbod van een PI overstijgt kan forensische zorg worden ingezet. Dit is aanvullende ambulante zorg, die wordt ingekocht bij forensische zorgaanbieders, met het doel de kans op terugval in drugsgebruik en hiermee gepaard gaand crimineel handelen te verkleinen. Ook is er aandacht voor scholing voor met name de psychologen binnen PI’s. Tevens zijn er trainingen beschikbaar voor de medewerkers van de inrichtingen via het online leerportaal op het gebied van verslaving.
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Aangetroffen contrabande, waaronder drugs, worden jaarlijks door DJI gepubliceerd.3 Verder worden er steekproefsgewijs urinecontroles uitgevoerd bij justitiabelen. DJI ontvangt de uitslagen van deze urinecontroles van het laboratorium die de controles uitvoert. Verder wordt er momenteel geen gericht onderzoek gedaan naar drugsgebruik- en invoer in Nederlandse gevangenissen. Ik bekijk of en wat de mogelijkheden zijn om drugsgebruik- en invoer in gevangenissen beter in kaart te brengen en wat daarvan de toegevoegde waarde is.
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Ontwikkelingen op de drugsmarkt volgen elkaar snel op en het opsporen van nieuwe psychoactieve stoffen (zoals synthetische cannabinoïden)
is moeilijk. De meeste van deze synthetische drugs worden namelijk niet gedetecteerd door bijvoorbeeld urinecontroles. Daarom investeert DJI in aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. De afgelopen jaren is in meerdere inrichtingen geëxperimenteerd met nieuwe detectietechnologie voor sporenanalyse van verdachte materialen. De eerste resultaten zijn positief. Op basis daarvan schaalt DJI gefaseerd op: inrichtingen kunnen verdachte monsters centraal laten analyseren bij daartoe ingerichte testlocaties.
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
In 2024 zijn er in het gevangeniswezen en vreemdelingenbewaring 3.155 beschikkingen opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs, in 2025 ging het om 3.548 beschikkingen.
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 8 volgen de ontwikkelingen op de drugsmarkt elkaar snel op en is en blijft het lastig om synthetische drugs op te sporen, maar investeert DJI daarom in op aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. Dit is nog steeds een grote uitdaging. Voor de vraag over onderzoek verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Op Europees niveau is er vanuit de European Union Drugs Agency (EUDA) al langere tijd aandacht voor de monitoring en behandeling van drugs in gevangenissen. Vanuit Nederland is er nog ruimte voor verbetering als het gaat om monitoring en de aanpak van drugsgebruik in detentie. Van andere landen valt dan ook zeker nog te leren. Er wordt bezien welke mogelijkheden er zijn om de aanpak en zorg rondom drugs te verbeteren in PI’s Voorbeelden en ervaringen uit andere landen worden hierin meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Het belasten arbeidsmigranten door gemeenten |
|
Tijs van den Brink (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belasting voor arbeidsmigranten: «Betalen niet mee aan schoonmaak en groen»», van Omroep Brabant, d.d. 08 januari 2026?1
Ja.
Deelt u de opvatting zoals die door de gemeente Helmond geschetst wordt dat arbeidsmigranten moeten bijdragen aan de openbare voorzieningen waar zij gebruik van maken, zoals openbaar groen en afvaldiensten, als ze tijdelijk woonachtig zijn in een gemeente?
Het kabinet deelt de opvatting dat arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven, net als andere inwoners van Nederlandse gemeenten, verplicht zijn zich in te schrijven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) en moeten meebetalen aan gemeentelijke voorzieningen via lokale belastingen.
Kunt u aangeven in hoeverre het niet-inschrijven van arbeidsmigranten bij gemeenten in beeld is als een probleem? En hoe plaatst u dit in een bredere context van gemeenten die geen zicht hebben op de aantallen arbeidsmigranten die zich binnen hun gemeentegrenzen begeven?
Het is zeker een bekend probleem. Het kabinet werkt aan maatregelen naar aanleiding van het advies van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten2. Een van de onderwerpen daarin is het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten. Op 9 september 2025 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en SZW samen met gemeenten werken aan de maatregelen3.
Kunt u aangeven in hoeverre de aanwezigheid van arbeidsmigranten die geen lokale belasting betalen een financiële last is voor gemeenten die bovengemiddeld veel arbeidsmigranten hebben?
Het kabinet heeft hier geen goed zicht op. Zoals bij vraag 3 aangegeven is het kabinet bekend met het probleem van het niet-inschrijven van arbeidsmigranten. In dat kader wordt gewerkt aan het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten.
Welke maatregelen neemt u om het niet-inschrijven van arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven tegen te gaan?
Al sinds het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is er aandacht voor het beter zicht krijgen op arbeidsmigratie via betere registratie. De Tweede Kamer is in november geïnformeerd over de voortgang van alle maatregelen, waaronder de maatregelen op het verbeteren van de registratie4. Zoals bij vraag 3 aangegeven heeft de Minister van SZW op 9 september 2025 in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van BZK en SZW momenteel samen met gemeenten werken aan deze en mogelijk aanvullende maatregelen.5
Welke mogelijkheden ziet u om, naast de bestaande initiatieven waarin ingezet wordt op de verantwoordelijkheid van werkgevers om zorg te dragen voor de huisvesting van hun werknemers, ook in te zetten op een verantwoordelijkheid van de werkgevers om erop toe te zien dat arbeidsmigranten die zijn naar Nederland halen ook ingeschreven worden?
In 2025 is de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen door beide Kamers. In deze wet is een zorgplicht voor uitleners bij de registratie van arbeidskrachten opgenomen. Met deze zorgplicht worden uitleners verantwoordelijk om de registratie van arbeidskrachten te bevorderen en vervolgens te controleren of de persoon zich daadwerkelijk heeft laten inschrijven als ingezetene in de BRP. Ook komt er mogelijk een meldplicht. De zorgplicht wordt momenteel verder uitgewerkt in lagere regelgeving. Dit wordt samen met onder meer uitleners, vakbonden, gemeenten en uitvoeringsorganisaties gedaan. Het streven is de zorgplicht per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Op termijn wordt toezicht en handhaving op de plicht georganiseerd via het normenkader van de Wtta.
Bent u van mening dat een dergelijke relatief hoge verblijfsbelasting een geschikte methode is om arbeidsmigranten te stimuleren om zich in te schrijven bij gemeenten?
Het is aan gemeenten om te bepalen welke methode voor hen het meest passend is. Zij zijn zowel verantwoordelijk voor de registratie in de BRP als voor het heffen van lokale belastingen.
Beschikt u over een overzicht van welke gemeenten in Nederland reeds een dergelijke verblijfsbelasting voor arbeidsmigranten ingevoerd hebben?
Nee, een dergelijk overzicht heb ik niet. Wel is er openbare informatie over toeristenbelasting beschikbaar in de Atlas lokale lasten 2025 van het COELO6. Daaruit blijkt dat 93% van de gemeenten in 2025 toeristenbelasting hief.
Het bericht 'Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en aanstotelijk is dat X op grote schaal seksuele deepfakes van vrouwen en minderjarigen genereert met AI-chatbot Grok?
Ja, wij vinden het onacceptabel dat met behulp van de AI-chatbot Grok op grote schaal deepnudes (seksueel getinte nepafbeeldingen of -video’s) zijn gegenereerd. Het bericht dat zoveel mensen, slachtoffer zijn geworden vinden wij zeer zorgwekkend. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast zijn deze beelden ook schadelijk voor de samenleving, omdat iedereen, specifiek jongeren, ze online tegen kunnen komen. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van personen zonder toestemming, is strafbaar, ook als het materiaal met AI is gegenereerd.
Bent u bereid om aan te sluiten bij landen zoals Frankrijk en Australië die een onderzoek zijn begonnen tegen X en eisen dat X in actie komt tegen de stroom aan deepfakes van vrouwen? Welke concrete stappen gaat u hiervoor zetten?
In de aanpak van dit soort platforms vinden wij de Europese benadering van belang, waarbij wij als Europese lidstaten één lijn trekken. GROK AI wordt – omdat het onderdeel van X is – via de Europese Digitale Dienstenverordening (DSA) gereguleerd. X is een zeer groot online platform (meer dan 45 miljoen maandelijkse gebruikers) waarop de Europese Commissie (EC) toezicht houdt. De EC is inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.2 Onder de DSA zijn platforms verplicht om illegale content zo snel mogelijk te verwijderen.
In het Verenigd Koninkrijk (VK) is toezichthouder Ofcom een onderzoek gestart. Het toezicht in het VK is anders geregeld, omdat het VK geen lid is van de EU en de DSA daarom niet van toepassing is.
Vindt u het wenselijk dat X veel verder gaat dan concurrenten als het gaat om het toestaan van bikini-deepfakes, terwijl voor andere AI-chatbots strengere beperkingen gelden voor wat met kunstmatige intelligentie mag worden gemaakt?
Nee, wij vinden het handelen van X op dit punt hoe dan ook niet wenselijk.
Voor al dit soort praktijken bestaat hetzelfde juridische kader dat deze praktijken tegen moet gaan. Hierbij is het relevant onderscheid te maken tussen illegale content en niet-illegale content. Alle beelden die illegaal zijn – zoals afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen3 – zijn ook illegaal als deze door AI gegeneerd zijn. Op grond van de DSA moet deze illegale content zo snel mogelijk verwijderd worden, zodra het platform kennis heeft van illegale content (als het bijvoorbeeld is gemeld). Voor wat betreft mogelijk schadelijke, niet-illegale content, geldt dat de DSA voorschrijft dat platforms zoals X systeemrisico’s in kaart moeten brengen en moeten mitigeren (artikel 34 DSA). Zoals hierboven aangegeven, is de EC, die hierop toezicht houdt, inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.
Relevant is verder artikel 14 van de DSA dat regelt dat online platforms in hun gebruiksvoorwaarden informatie moeten opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie omvat gegevens over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie, met inbegrip van algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem.
Gaat u zich inzetten om gemanipuleerde seksuele afbeeldingen van vrouwen en minderjarigen zo snel mogelijk van het platform te laten verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dat doen?
Jazeker en wij zien in het geval van Grok AI al een aantal ontwikkelingen in de goede richting. Zo heeft X naar aanleiding van de toenemende druk laten weten de regels voor AI-chatbot Grok aan te scherpen, waardoor het niet meer mogelijk moet zijn om mensen ermee «uit te kleden» of afbeeldingen te creëren van echte mensen in weinig verhullende kleding. Indien er onverhoopt toch nog gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op het platform staan, kan een ieder op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen. Het platform dient een dergelijk verwijderverzoek op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken.
Als het verwijderen van de illegale content niet lukt door middel van een melding aan het platform, kan een gespecialiseerde hulporganisatie worden ingeschakeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de coördinerende toezichthouder op de DSA in Nederland, aangewezen als betrouwbare flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms zoals X. X dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform nalaat om adequaat op een melding te reageren, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van X de Europese Commissie in kan grijpen. De EC kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Zoals hierboven vermeld, is de EC een onderzoek gestart naar X, waarbij specifiek wordt gekeken naar AI-chatbot Grok, vanwege mogelijke overtredingen van de DSA. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Is het mogelijk om op basis van de Digital Services Act (DSA) een verwijderverzoek in te dienen als het gaat om dergelijke deepfake afbeeldingen?
Ja, een ieder kan op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen wanneer er gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op een platform staan.
Daarnaast rust op grond van de DSA op zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines de verantwoordelijkheid om illegale inhoud op hun diensten tegen te gaan en systeemrisico’s te mitigeren. Tevens dienen zij hun gebruikers in staat te stellen om illegale inhoud of inhoud die in strijd is met de gebruiksvoorwaarden van een zeer groot onlineplatform op eenvoudige wijze te melden. Het platform X is door de EC aangewezen als zeer groot online platform, waardoor al het bovenstaande van toepassing is.4
Deze zorgvuldigheidsplicht geldt ook ten aanzien van deepnudes, zodra deze illegaal zijn.5 Zo is op grond van artikel 252 Wetboek van Strafrecht (Sr) (ziet specifiek op seksueel beeldmateriaal van minderjarigen) en artikel 254ba Sr het zonder instemming maken, voorhanden hebben of verspreiden van seksueel beeldmateriaal strafbaar, ongeacht of dit door een persoon of AI is vervaardigd. Ook andere strafrechtelijke bepalingen, zoals doxing (art. 285d Sr) en smaad/laster (respectievelijk art. 261 en 262 Sr), zijn in voorkomend geval mogelijk van toepassing, bijvoorbeeld als de AI-chatbot gegenereerde beelden/ bewerkingen van personen bevatten met het oogmerk die persoon vrees aan te (laten) jagen (doxing) of opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt (smaad/laster), en er aan de andere voorwaarden van die specifieke wetsartikelen wordt voldaan.
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 5, is X op grond van artikel 16 van de DSA verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals materiaal van illegale deepnudes, kan melden. Het derde lid van artikel 16 DSA verduidelijkt dat een melding van illegale inhoud, conform de vereisten van dat artikel, leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moet zij prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een platform dat niet dan kan zij geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de DSA en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud. Voor het indienen van een verwijderverzoek kan de hulp van Offlimits, een betrouwbare flagger, worden ingeschakeld.
Zijn er voor zover bekend ook Nederlands slachtoffers van deze AI-beelden en zo ja, is voor deze slachtoffers voldoende bekend waar zij terecht kunnen voor hulp?
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Deze organisaties werken voortdurend aan het onder de aandacht brengen van hun meldpunten en/of hulplijnen, bijvoorbeeld door middel van campagnes. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn, die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
In hoeverre biedt Nederlandse wetgeving bescherming tegen het genereren en verspreiden van AI-deepfakes van vrouwen en minderjarigen en is dit volgens u voldoende?
De Nederlandse wetgeving biedt via de artikelen 252 en 254ba Sr voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties (zonder toestemming) deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
De strafbaarstelling van artikel 254ba Sr omvat onder meer het, zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van (nep) seksueel beeldmateriaal. Ook het openbaar maken en het voorhanden hebben van dergelijke (nep) naaktbeelden valt onder het bereik van dit artikel. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het seksueel beeldmateriaal van kinderen en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
Naast de strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie (OM) op bovenstaande strafrechtelijke bepalingen zijn er bestuursrechtelijke handhavers die werken aan de bestrijding van online illegale content. Een van de belangrijkste is de ACM, die als digitaledienstencoördinator voor Nederland handhaaft op de verplichtingen uit de DSA.
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) geeft uitvoering aan maatregelen die Nederland op grond van EU- en nationale regelgeving moet nemen om online terroristisch en seksueel beeldmateriaal van kinderen te signaleren en snelle verwijdering ervan door aanbieders van hostingdiensten te garanderen.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het is aan de AP om te beoordelen of een AI deepfake een schending is van de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van gegevensverwerkingen.6
Daarnaast kunnen slachtoffers van AI deepfakes mogelijk bescherming vinden in het civielrecht. Artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek biedt het kader voor wat onrechtmatig is in civielrechtelijke zin – al dan niet in combinatie met specifieke civielrechtelijke bepalingen. Hierbij gaat het in de kern om een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Op welke manier wordt in Nederland gecontroleerd of platforms voldoen aan verplichtingen rondom schadelijke AI-inhoud?
In Nederland controleren de bevoegde toezichthouders of platforms voldoen aan wettelijke verplichtingen. De DSA bevat verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers.
Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de online dienst in kwestie. In het geval van X/Grok is bijvoorbeeld de EC primair bevoegd. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, ook een gerechtelijke procedure te starten.
De ACM roept slachtoffers van dergelijke beelden op om melding te doen bij het platform/de hosting provider, bij de politie of bij een trusted flagger zoals Offlimits. Deze meldingen zijn waardevol om aan te tonen dat materiaal zonder toestemming is verspreid. Ook kan naar aanleiding van de meldingen blijken dat het platform/de hosting provider onvoldoende optreedt tegen illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Daarnaast is de AP op grond van de DSA en de AVG een bevoegd toezichthouder op het gebied van illegale deepnudes. Als deepnudes zonder toestemming worden verspreid, kan er sprake zijn van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van dit soort materiaal. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan zijn dat niet de AP, maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
Vindt u dat de mogelijkheid om elk persoon of object door een AI-bot af te laten beelden in bikini geschrapt moet worden om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen slachtoffer worden van seksuele deepfakes? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify applicaties verder tegen te gaan. Ondanks de mogelijkheid om gebruikers van de applicaties strafrechtelijk te vervolgen (via de artikelen 252 en 254ba Sr) en de mogelijkheid om elk illegaal beeld steeds te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen. Om die reden wordt bezien of het wenselijk en haalbaar is het aanbieden van de applicaties zelf te verbieden, nationaal dan wel Europees. Inmiddels hebben met verschillende stakeholders en experts gesprekken plaatsgevonden. Voordat een inhoudelijke positie bepaald wordt, is verdere studie nodig.
Denkt u dat een algeheel verbod op het generen van seksuele content door AI-bots kan helpen om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen hiervan slachtoffer worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 8 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) genereren, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes nu al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba Sr. Ondanks deze strafrechtelijke mogelijkheden en de mogelijkheid om elk illegaal beeld te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen.
In hoeverre kan de in consultatie gebrachte Wet naburig recht deepfakes van personen bij vergelijkbare gevallen behulpzaam zijn? En wanneer kan de Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Het wetsvoorstel naburig recht deepfakes van personen, een initiatiefvoorstel dat in voorbereiding was bij het voormalig Kamerlid Dral (VVD), is (nog) niet ingediend bij de Tweede Kamer. Er heeft van 30 oktober tot en met 31 december 2025 een internetconsultatie plaatsgevonden over een voorontwerp van de wet van haar hand. Dit voorontwerp is voor advies voorgelegd bij de Commissie Auteursrecht. Het is aan de opvolger van het lid Dral om te besluiten of en hoe het traject wordt voortgezet. Gelet op de voorbereidende fase waarin het wetsvoorstel zich op dit moment bevindt, kan niet worden beoordeeld in hoeverre het Wetsvoorstel een meerwaarde zal hebben voor de aanpak. Zoals bij de vragen 8 en 11 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) vervaardigen, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Europese lidstaten over het misbruik van AI-chatbots als het gaat om seksuele content op X en andere platforms?
Ja, daartoe zijn wij bereid. Zoals is geantwoord bij vraag 10, vindt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning plaats waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify-applicaties verder tegen te gaan. Binnen dit onderzoek vinden ook gesprekken plaats met andere Europese lidstaten, om te bezien hoe de aanpak daar is vormgegeven en of gezamenlijk kan worden opgetreden.
Het bericht ‘Coffeeshops maken volop reclame voor ‘space donuts’ ondanks streng verbod: ‘Online kan blijkbaar alles’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts» ondanks streng verbod:«Online kan blijkbaar alles»»?1
Ja.
Klopt het dat het reclameverbod voor coffeeshops uit de AHOJGI-criteria niet alleen ziet op fysieke uitingen, maar ook op online reclame via sociale media, zoals Instagram? En hoe zit het met websites? Mogen coffeeshops hun producten presenteren via (publiek toegankelijke) websites?
Het gedoogbeleid stelt strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie zijn de landelijke gedoogvoorwaarden voor coffeeshops vastgelegd op grond waarvan de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd. Dit zijn de zogenaamde AHOJGI-criteria (affichering, harddrugs, overlast, jeugd, grote hoeveelheden, ingezetenen, zie hieronder).
Bij de beoordeling van de vraag of kan worden afgezien van strafrechtelijk optreden tegen een coffeeshop gelden de volgende criteria:
Het afficheringsverbod (criterium A) betekent dat het voor coffeeshops niet is toegestaan om reclame te maken, in die zin dat een coffeeshop geen reclame maakt anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Dit verbod op affichering geldt voor elk medium (televisie, radio, kranten, internet, reclameborden, posters, folders, etc.). Dit betekent dus ook dat geen enkele vorm van online reclame is toegestaan, niet op sociale media en ook niet op websites. Indien dit wel het geval is, dan kan het Openbaar Ministerie besluiten tot vervolging over te gaan. De gemeente stelt binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet ook lokaal coffeeshopbeleid op waarin de AHOJGI-criteria en aanvullende voorwaarden kunnen worden opgenomen. Nagenoeg alle gemeenten hebben de handhaving op het afficheringsverbod opgenomen in hun lokale beleid.2 Dat houdt in dat de burgemeesters van deze gemeenten ook bestuursrechtelijk kunnen handhaven bij een overtreding van het afficheringsverbod.
Herkent u het beeld uit het artikel in De Telegraaf dat coffeeshops online structureel reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten, terwijl fysieke reclame streng wordt gehandhaafd?
Navraag bij zowel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als verschillende gemeenten wijst uit dat coffeeshops niet structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. De consequenties van het overtreden van de AHOJGI-criteria kunnen ernstig zijn en leiden tot het schorsen of definitief intrekken van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring. Mede door deze ernstige consequenties houden coffeeshops zich in het algemeen strikt aan de voorwaarden.
Deelt u de opvatting dat online reclame voor softdrugs door coffeeshops, al dan niet via eigen websites, in strijd is met het geldende gedoogbeleid, ook als deze reclame niet expliciet gericht is op minderjarigen?
Zoals in het antwoord onder vraag 2 opgenomen, stelt het gedoogbeleid strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie is vastgelegd onder welke voorwaarden de verkoop van softdrugs wordt gedoogd door het openbaar ministerie (de AHOJGI-criteria). De gemeente kan vervolgens binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet lokaal coffeeshopbeleid opstellen waarin de AHOJGI-criteria zijn opgenomen en aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld.
Het verbod op affichering geldt in zijn algemeenheid en dus niet alleen als de reclame expliciet gericht is op minderjarigen. Overtreding van dit criterium betekent dan ook dat zowel de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven op basis van het gemeentelijke coffeeshopbeleid als het openbaar ministerie kan vervolgen op basis van artikel 3b Opiumwet.
Hoe beoordeelt u het risico dat minderjarigen via sociale media worden geconfronteerd met online reclame voor softdrugs, zoals beschreven in het Telegraaf-artikel?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 herkennen wij het beeld niet dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Daarom beoordelen wij het risico op dit moment als laag. Mochten wij in de toekomst signalen ontvangen van de VNG of individuele gemeentes dat de situatie verandert dan zullen wij het risico opnieuw beoordelen en, indien nodig, passende maatregelen verkennen.
Bent u bekend met signalen dat gemeenten moeite hebben met de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops, ondanks dat dit verbod juridisch duidelijk is?
Zoals onder vraag 3 weergegeven, zijn ons geen signalen bekend dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Wel zien we dat het handhaven op online uitingen uitdagend kan zijn voor gemeenten, bijvoorbeeld omdat het lastig is te achterhalen wie er achter de online reclame zit en dat de reclame snel verwijderd kan worden en op een andere plek geplaatst kan worden. Indien een coffeeshop online reclame maakt, kan de gemeente op basis van het lokale beleid bestuursrechtelijk handhaven. Hierbij kan de gemeente in het uiterste geval de exploitatievergunning en de gedoogverklaring schorsen of definitief intrekken.
Deelt u de zorg dat het uitblijven van effectieve handhaving van online reclame de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid ondermijnt en daarmee de gezondheid van tieners (en volwassenen) in gevaar brengt?
Zie het antwoord op vraag 3. Wij herkennen niet dat coffeeshops op grote schaal online reclame maken voor hun producten en dat hiermee de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid wordt ondermijnd. Bij afwezigheid van online reclame door coffeeshops op grote schaal is er ook geen extra gevaar voor de gezondheid van tieners en volwassenen.
Welke instrumenten hebben gemeenten momenteel tot hun beschikking om op te treden tegen online reclame door coffeeshops, en acht u deze instrumenten voldoende effectief?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 stelt een gemeente binnen de landelijke kaders eigen coffeeshopbeleid vast waarin de AHOJGI-criteria en eventueel aanvullende criteria worden opgenomen. De AHOJGI- criteria vormen daarmee een onderdeel van het lokale coffeeshopbeleid en kunnen worden opgenomen als voorwaarden bij een exploitatievergunning of een gedoogverklaring voor een coffeeshop. Dit betekent dat bij niet-naleving van deze criteria de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven omdat niet aan de voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan. Gemeenten leggen in het gemeentelijke handhavingsbeleid vast welke maatregelen zij kunnen nemen indien coffeeshops zich niet houden aan de voorwaarden. In het uiterste geval kan de burgemeester de exploitatievergunning en gedoogverklaring van een coffeeshop schorsen of intrekken. Daarnaast kan het openbaar ministerie tot vervolging overgaan op basis van artikel 3b Opiumwet. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek.
Inmiddels zijn er handhavingsverzoeken ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Het is aan de burgemeester om op deze handhavingsverzoeken te reageren.
Kunt u gemeenten landelijk ondersteunen of faciliteren bij de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops? Bijvoorbeeld door landelijke richtlijnen, expertise of samenwerking met andere instanties?
Navraag bij VNG en individuele gemeenten leert dat er geen behoefte is aan landelijke richtlijnen of ondersteuning op dit gebied. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 is het afficheringsverbod voor gemeenten voldoende helder en houden coffeeshops zich in het algemeen aan de voorwaarden. Indien een coffeeshop zich niet aan de voorwaarden houdt, kan de burgemeester overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving.
Ziet u een rol voor landelijke toezichthouders bij het tegengaan van online reclame voor softdrugs door coffeeshops? Bent u bereid met sociale-mediaplatforms het gesprek aan te gaan om te voorkomen dat coffeeshops reclame maken voor drugs via de sociale media?
Waar het gaat om online reclame voor softdrugs door coffeeshops is het aan de gemeente om bestuursrechtelijke sancties op te leggen aan een coffeeshop, dan wel aan het openbaar ministerie om een coffeeshop te vervolgen.
Daarnaast moeten onlineplatforms op grond van de Europese Digital Services Act maatregelen nemen om illegale content tegen te gaan. In het algemeen geldt dat alle reclame voor drugs illegale content is en ik ben actief bezig met de aanpak hiervan. In deze aanpak zoeken wij samen met andere ministeries geregeld de dialoog met sociale-media platformen op. Afgelopen jaren is een publiek-private samenwerking onder neutraal voorzitterschap van het Platform van de InformatieSamenleving (ECP) opgezet, waarin publieke en private partijen bijeenkomen om uitdagingen, zorgen en ontwikkelingen op het gebied van online content met elkaar te bespreken.3 Deze dialoog ondersteunt de aanpak van diverse vormen van schadelijke en illegale online content.
Verder houdt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op de naleving van de Digital Services Act voor tussenhandeldiensten met een hoofdvestiging in Nederland. Een platform moet volgens de DSA passende en evenredige maatregelen nemen om de bescherming van minderjarigen voldoende te waarborgen. De ACM heeft in dat kader een onderzoek geopend naar Snapchat in verband met de handel van vapes aan minderjarigen. De ACM onderhoudt hierbij nauw contact met de Europese Commissie, omdat Snapchat is aangemerkt als Very Large Online Platform (VLOP) en daardoor onder rechtstreeks toezicht van de Europese Commissie valt. Ik volg de uitkomsten van het onderzoek van de ACM met interesse.
Ook wordt de internationale samenwerking opgezocht met andere landen om problemen met jurisdictie te ondervangen en elkaars ervaringen te delen. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid tot publiek-private samenwerking, onder andere op Europees niveau met internetproviders om zo de uitdagingen – van de online verkoop van verboden middelen – gezamenlijk te adresseren.
Tot slot is het goed om te benadrukken dat het kabinet investeert in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Op welke wijze wordt binnen het kabinet samengewerkt tussen de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dit dossier, gezien de raakvlakken met zowel handhaving als jeugd- en preventiebeleid?
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport werken intensief samen op het gebied van drugsbeleid in het algemeen en op het coffeeshopbeleid in het bijzonder. Dit gaat om zowel het reguliere coffeeshopbeleid als het Experiment gesloten coffeeshopketen. In de Kamerbrief inzake het drugsbeleid, die 22 mei vorig jaar aan uw Kamer is gestuurd, wordt verder ingegaan op de samenwerking op het gebied van preventie en handhaving van drugs in het algemeen.4
Bent u bereid te bezien of aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen nodig zijn om te voorkomen dat het reclameverbod voor coffeeshops online een dode letter blijft, zoals geschetst in het Telegraaf-artikel?
Wij achten aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen niet nodig aangezien het afficheringsverbod voor coffeeshops voldoende helder is en gemeenten dan wel het OM kunnen optreden indien een coffeeshop zich hier niet aan houdt.
Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
van Marum , Tieman |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Wij delen dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een kleine markt betreft, er enkel één aanbieder is en alternatieve vervoersmiddelen geen volwaardig substituut bieden. De eilanden zijn bereikbaar door de meerdere dagelijkse vluchten op de luchtverbindingen en via de veerdienst.
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Goede veerverbindingen zijn van groot belang voor de leefbaarheid op de Waddeneilanden. Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de Friese Waddeneilanden. Om goede veerverbindingen te garanderen heeft de Rijksoverheid voor dit vervoer concessies verleend. Omdat de huidige concessies aflopen, bereidt het ministerie nieuwe concessies voor, die ingaan in 2029. De doelen en uitgangspunten die worden gehanteerd voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddeneilanden vanaf 2029 zijn: betrouwbaar, frequent en structureel; toekomstbestendig; prettige reisbeleving; en, betaalbaar en beheersbaar. Daarover is de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van IenW op 22 september 20252.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft het publieke belang bereikbaarheid het kunnen reizen van, naar en binnen Caribisch Nederland onder redelijke voorwaarden. Dit publieke belang wordt primair geborgd door het luchtvaartsysteem. Daarnaast zijn er veel reisbewegingen met de veerdienst tussen de Bovenwindse Eilanden.
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Om de eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen organiseert het Rijk concessies voor passagiersvervoer van en naar de Friese Waddeneilanden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. RWS is verantwoordelijk voor het structurele beheer en onderhoud van vaarwegen in de Waddenzee.
Allereerst is het van belang te onderstrepen dat het zeevervoer op de Waddeneilanden en het luchtvervoer op Saba en Sint Eustatius verschillend van aard zijn en niet een-op-een kunnen worden vergeleken. In Caribisch Nederland zal het instrument van overheidsingrijpen de vorm hebben van een openbaredienstverplichting (Public Service Obligation, PSO). In het Multilateraal luchtvaartprotocol3 waarin luchtvervoer afspraken zijn gemaakt met de landen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, is namelijk afgesproken eventuele afspraken over overheidsingrijpen in de luchtvaartmarkt door middel van een PSO uit te voeren. Een PSO is een instrument dat de overheid de mogelijkheid geeft om in te grijpen in de vrije markt voor luchtvervoer. Met een PSO kunnen nadere eisen aan de ticketprijzen en aan het minimum aantal vluchten worden gesteld. Op Saba en Sint Eustatius zouden lagere ticketprijzen de kosten voor de luchtvaartmaatschappij niet dekken, waardoor een overheidsbijdrage noodzakelijk zal zijn. Indien het besluit genomen zou worden door het Rijk om een PSO in te stellen dient de financiering hiervoor gevonden te worden.
Daarnaast is een wijziging in de Luchtvaartwet BES noodzakelijk om een PSO in te kunnen stellen. Het wetsvoorstel daartoe is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. Het genoemde wetsvoorstel regelt de wettelijke grondslag voor een PSO. De eventuele instelling, invulling en financiering worden hierin niet geregeld, maar zullen geregeld moeten worden bij de regeling die vastgesteld moet worden bij een concreet besluit tot instelling van een PSO. In 2023 is de vereiste jaarlijkse subsidie door onderzoeksbureau SEO geschat tussen de 3,8 en 7,6 miljoen dollar per jaar. Deze bedragen worden op dit moment geactualiseerd. De resultaten worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Uit de evaluatie van de beleidsdeelneming in Winair komt naar voren dat een PSO de enige effectieve manier is om de ticketprijzen te kunnen verlagen5. Gezien deze conclusie kan in de tussenliggende periode niets worden gedaan aan de hoge ticketprijzen. Indien het besluit genomen wordt om een PSO in te stellen, dan zal dat pas kunnen nadat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES in werking is getreden. Het wetsvoorstel is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. De daadwerkelijke instelling van de PSO vraagt om dekking, zoals beschreven in het antwoord op de vorige vraag. Er is nog geen financiering beschikbaar voor de instelling van de PSO. De geschatte benodigde financiering wordt momenteel geactualiseerd.
Naast de luchtverbinding, draagt de veerdienst tussen Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij aan de bereikbaarheid. Zoals gemeld in de brief van 11 december jl.6 heeft het kabinet besloten voor de jaren 2026 en 2027 € 1,5 mln. beschikbaar te stellen om de subsidie voor deze veerdienst voort te zetten en te verhogen. Eerder is vastgesteld dat deze veerdienst zonder rijksbijdrage niet levensvatbaar is. Voor de periode na 2027 is nog geen financiering beschikbaar.
Verder kan vanuit eigen initiatief door de eilanden ingezet worden op het stimuleren en verbeteren van de bereikbaarheid. Een voorbeeld hiervan zijn de initiatieven die het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius neemt om luchtverbindingen van Sint Eustatius op te zetten met de luchtvaartmaatschappij Dutch Caribbean Islandhopper (DCI).
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Het kabinet erkent dat het vervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarbij is het van belang om aan te geven dat het vervoer naar verschillende essentiële voorzieningen, zoals medische zorg en onderwijs, al wordt geborgd via andere instrumenten. Zo wordt medisch vervoer geborgd via VWS, waarbij er aparte afspraken zijn over medische vluchten. De mogelijke PSO is dus specifiek gericht op reguliere vluchten.
Dat neemt niet weg dat lucht- en zeevervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarom wordt ingezet op de maatregelen die genoemd zijn onder het antwoord op vraag 4.
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
De ministeries zijn voortdurend in overleg met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius. In deze overleggen wordt onder andere stilgestaan bij de veiligheid van de luchtvaart en het voldoen aan internationale standaarden. Ook de connectiviteit, zowel in algemene zin als wat betreft deze specifieke verbindingen, wordt besproken. Ondanks dat wij onder vraag 4 hebben aangegeven dat wij geen mogelijkheden zien om momenteel de ticketprijzen te kunnen verlagen, kan dit onderwerp in deze overleggen worden besproken.
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie de beantwoording onder vraag 4 voor borging van de bereikbaarheid. Daarnaast actualiseert het Ministerie van IenW momenteel het onderzoek uit 2023 over de subsidiekosten voor een PSO voor de luchtverbindingen op Saba en Sint Eustatius. De Kamer wordt in het tweede kwartaal van 2026 over dit onderzoek en de mogelijk door het Rijk te nemen stappen geïnformeerd.
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Rijkaart , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.
Het bericht 'OM onderzoekt 49 sterfgevallen door illegale medicijnensite: ‘Vermoedelijk topje van de ijsberg’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM onderzoekt 49sterfgevallen door illegale medicijnensite: «Vermoedelijk topje van de ijsberg»»?1
Daar zijn wij bekend mee.
Heeft u in beeld hoeveel vermoedelijke sterfgevallen inmiddels in verband kunnen worden gebracht met de middelen die via Funcaps werden verstrekt?
Op een pro-forma zitting d.d. 17 november 2025 met betrekking tot de strafzaak tegen Funcaps heeft het Openbaar Ministerie (OM) aangegeven dat 35 sterfgevallen in correlatie staan tot Funcaps. Die correlatie kan zijn: overledene is mogelijk als gevolg van gebruik van Funcaps middelen om het leven gekomen, dan wel zijn bij de overledene middelen in de woning gevonden. In de strafzaak wordt nu onderzoek gedaan naar het verband tussen de sterfgevallen en Funcaps.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat zoveel mensen al slachtoffer zijn geworden van dit middel, en dat dit misschien zelfs een topje van de ijsberg is?
Wij delen de mening dat de berichtgeving uitermate schokkend is en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers. Wij vinden het belangrijk om duidelijk te krijgen of dit inderdaad het topje van de ijsberg is. Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Is de website waarop deze middelen verstrekt zijn, nog steeds offline of zijn er equivalenten in beeld?
De website is offline gehaald door de service provider op aangeven van de Inlichtingen en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA-IOD). Andere vergelijkbare websites zijn naar aanleiding van de publiciteit offline gegaan of hebben hun aanbod aangepast. Websites kunnen overal ter wereld worden gehost. Dit betekent dat er niet altijd mogelijkheden zijn om websites uit de lucht te halen. Ondanks de handhaving, blijft het illegale aanbod groot. Het offline halen van websites is een kat-en-muisspel.
Vallen de designerdrugs van Funcaps onder de nieuwe categorie van designerdrugs die sinds 1 juli 2025 verboden zijn?
Een deel van de middelen zijn naar het oordeel van het Openbaar Ministerie voor het leven en gezondheid gevaarlijk zoals bedoeld in artikel 174 Wetboek van Strafrecht. Een deel van de middelen zijn volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geneesmiddelen, die alleen met een vergunning mogen worden verkocht. Een deel van de middelen is aan te merken als stof vallend onder een van de stofgroepen die sinds 1 juli 2025 onder de Opiumwet verboden zijn.
Het lijkt erop dat websites van bedrijven als Funcaps hebben geprobeerd de Opiumwet, Geneesmiddelenwet en Warenwet te omzeilen door het gebruik van de termen als «voor onderzoeksdoeleinden» of «niet voor menselijke consumptie». Wij vinden dit zeer ongewenst gezien de mogelijke gezondheidsrisico’s die het gebruik van dit soort middelen met zich meebrengt. Daarom zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daarover zo snel als mogelijk informeren.
Zijn er op dit moment nog leemtes in de Opiumwet waardoor soortgelijke designerdrugs niet officieel verboden zijn? Zo ja, wat is ervoor nodig om deze grensgevallen wel onder het verbod uit de Opiumwet te laten vallen?
Door de introductie van lijst IA bij de Opiumwet zijn er nu drie groepen designerdrugs verboden. Op dit moment wordt gewerkt aan regelgeving om een vierde stofgroep, de nitazenen, toe te voegen aan lijst IA. Er zijn en komen nog steeds stoffen op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Deze stoffen vormen niet allemaal eenzelfde bedreiging voor de volksgezondheid.
De effecten van de NPS-wet, lijst IA, worden gemonitord en geëvalueerd. Op basis van deze dataverzameling en de ontwikkeling in het aanbod van designerbenzodiazepinen en de effecten op de gezondheid wordt de wenselijkheid van een verbod op deze groep middelen binnen de Opiumwet bepaald.
Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Funcaps dagelijks de Staatscourant in de gaten houden om op de hoogte te blijven van eventuele nieuwe verboden van designerdrugs?
Wanneer het geval is dat de insteek van deze bedrijven is om de wetgeving te ontduiken, mag duidelijk zijn dat dit zeer onwenselijk is.
Hoe vaak worden pakketten onderschept met designerdrugs of grondstoffen en welke maatregelen zijn mogelijk om deze aanpak structureel te verbeteren?
Sinds 1 juli 2025 is de nieuwe wetgeving aangaande specifieke groepen designerdrugs in werking. Er zijn op dit moment nog geen cijfers bekend over onderscheppingen van designerdrugs en/of grondstoffen sinds 1 juli 2025.
In het kader van de invoeringstoets van de onderhavige wetgeving, woeden in de loop van 2026 de eerste cijfers van na de wetswijziging van 1 juli 2025 bekend. Deze cijfers worden gebruikt voor de evaluatie van de wetgeving, die na 3 jaar moet zijn afgerond, en geven een eerste indicatie van de effectiviteit van de recente wetswijziging en of er eventueel nadere maatregelen nodig zijn om de problematiek aan te pakken.
Verder worden grondstoffen zelden via pakketten per post verstuurd en daarmee dus ook zelden onderschept. De stroom grondstoffen, ook wel precursoren, loopt normaliter via andere logistieke wegen, zoals via de havens of het spoor.
Welke preventieve maatregelen kunt u nemen om tevoorkomen dat soortgelijke illegale webshops in de toekomst opnieuw ontstaan, met name bij handel in designerdrugs?
Wij kunnen niet voorkomen dat webshops worden gemaakt of opgezet. Er kan pas gehandhaafd worden als daadwerkelijk sprake is van online illegale inhoud of illegale activiteit.
Indien geen gehoor wordt gegeven aan verzoeken tot verwijdering van online illegale content2 kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris, die enkel wordt afgegeven ingeval van verdenking van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, een platform bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is voor de beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten (artikel 125p Sv).
De digitaledienstenverordening (DSA) is sinds 2024 in werking en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe.
Welke opsporingstechnieken zijn op dit moment inzetbaar om online handel in designerdrugs te detecteren?
Er zijn diverse opsporingsmogelijkheden om illegale online handel te detecteren. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien er gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
In hoeverre worden hostingbedrijven aangesproken wanneer ze webshops faciliteren die designerdrugs aanbieden?
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze kennis hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de NVWA en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. Zowel de IGJ als de NVWA-IOD maken regelmatig gebruik van deze mogelijkheid, wat leidt tot het offline halen van websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hoe kan misleidende marketing rondom designerdrugs, die specifiek gericht is op jongeren, tegen worden gehouden en hoe wordt voorkomen dat minderjarigen gemakkelijk via internet toegang hebben tot designerdrugs?
Online platformen hebben onder de DSA de verplichting om de privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen (artikel 28). Zij zijn echter niet verplicht om te beoordelen of de afnemer van hun dienst minderjarig is. Online platformen kunnen wel houders van websites die frequent illegale inhoud plaatsen schorsen.
Het is in algemene zin niet mogelijk om de toegang van jongeren of minderjarigen tot het internet te beperken, ook niet als het gaat om ongewenste websites. Het is vooral van belang dat deze groep wordt voorgelicht over de risico’s. Ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen. Momenteel worden deze richtlijnen verder geconcretiseerd, zodat ouders en opvoeders de adviezen kunnen toepassen in hun dagelijks leven. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van OCW momenteel aan de verankering van digitale geletterdheid in het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs: zo worden leerlingen gestimuleerd om online de kansen en risico’s te herkennen en zo weloverwogen keuzes te maken. Het Trimbos-instituut biedt voorlichting over de risico’s van drugs gericht op de doelgroep, bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voorgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Daarnaast is afgelopen zomer een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social mediacampagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren.
De handel in middelen die vallen onder de Opiumwet is strafbaar. Daarnaast is het op grond van artikel 3b van de Opiumwet ook verboden om de verkoop van middelen door openbaarmaking te bevorderen. Indien aangetoond kan worden dat sociale media of andere partijen medeplichtig zijn aan deze handel kan daartegen worden opgetreden. Voor strafrechtelijke vervolging moet er echter wel opzet van de sociale media of verkopende websites bij de handel of openbaarmaking aangetoond kunnen worden. Hierbij is het dus van belang om te kijken om wat voor stoffen deze misleidende marketing draait om tot het antwoord te komen hoe daarmee om te gaan.
Op welke manier werkt Nederland samen met buurlanden om labs en sites die designerdrugs aanbieden en produceren, op te sporen en op te rollen?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het sinds 1 juli 2025. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.