Het bericht dat minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeilde in de aanpak van de crisis rond Ter Apel |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe Minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel»?1
Ja.
Kunt u het KMPG-rapport inzake «project uitwerking Instroombeperkende maatregelen asiel» afzonderlijk aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Dit departementaal rapport, dat met ondersteuning van KPMG tot stand is gekomen, is toegevoegd aan de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Koops (Nieuw Sociaal Contract) over het krantenartikel «Hoe Minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel».
Kunt u aangeven wat de kosten waren voor het inhuren van KMPG voor deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
De kosten van de inhuur betroffen € 70.952,90 incl. BTW.
Kunt u toelichten waarom de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) niet is betrokken bij de voorbereiding en vormgeving van de brief van 26 augustus 2022 (Kamerstuk 19 637, nr. 2992) en hierover dus geen advies heeft kunnen uitbrengen?
In de snelheid van het proces is DWJZ niet betrokken geweest bij het opstellen van de brief van 26 augustus 2022. Daarbij past de kanttekening dat er als gebruikelijk regelmatig contact was over het asiel- en migratiedossier tussen de beleidsmedewerkers van het – toenmalige – directoraat-generaal Migratie (DGM) en de wetgevingsjuristen van DWJZ. Tussen DWJZ en DGM is over verschillende onderwerpen genoemd in deze brief eerder inhoudelijk contact geweest. Van het willens en wetens passeren van DWJZ door de toenmalige bewindspersonen is dan ook geen sprake.
Klopt het dat de Minister van J&V in 2022 de hele zomer om meekijken door DWJZ heeft gevraagd bij de opstelling van de brief van 26 augustus 2022, zoals de Minister dat zelf aangeeft en kunt u dat onderbouwen met documenten? Zo ja, hoe rijmt u dat met de volgende opmerking vanuit de directie DWJZ: «Verder zijn wij op geen enkele manier betrokken geweest bij de totstandkoming van deze brief waarin onder meer een wetgevingstraject wordt aangekondigd»?2
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid heeft inderdaad deze opmerking in de kantlijn van het memo van 8 september 2022 geplaatst. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 4 is er in de periode die vooraf ging aan het opstellen van de brief van 26 augustus 2022 over verschillende onderwerpen uit deze brief inhoudelijk contact geweest tussen DGM en DWJZ. DWJZ is in de snelheid van het proces echter niet, zoals gebruikelijk, betrokken geweest bij het opstellen van de brief. Vandaar dat DWJZ de Minister in het memo van 8 september 2022 heeft geïnformeerd over de juridische consequenties van deze brief.
Kunt u de onderliggende stukken die hebben geleid tot het niet betrekken van DWJZ bij de brief van 26 augustus 2022 aan de Kamer toedoen komen?
Ik ben niet bekend met dergelijk stukken.
Hoe rijmt u de reactie van het Ministerie van J&V op het NRC-artikel waarbij wordt gesteld dat er geen aanleiding was om de brief voor extra advies voor te leggen aan DWJZ, terwijl de Minister van J&V stelt de hele zomer om meekijken door DWJZ heeft gevraagd bij de opstelling van de brief?
Zie de antwoorden op vragen 4 en 5.
Kunt u het stoplichtdocument, waarbij «het licht voor de nareismaatregel op rood stond», aan de Kamer doen toekomen? En kunt u aangeven waarom dit document niet mee is gestuurd bij de beantwoording van eerdere Kamervragen in 2022 hierover, waarbij expliciet is gevraagd naar de onderliggende juridische analyses van dit besluit?3
Het zogenaamde «stoplichtdocument» betrof een ambtelijk concept dat in kleuren duiding gaf aan denkbare maatregelen. Het betrof een eerste concept dat kort daarna is omgezet in een document dat niet langer in kleuren duiding gaf. Het onderdeel over de nareismaatregel van dat laatste document is destijds opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.4 Het zogenaamde «stoplichtdocument» is aan de beantwoording toegevoegd.
Kunt u toelichten waarom het ministerie, ondanks interne juridische adviezen, tegen elke uitspraak in hoger beroep is gegaan en kunt u de onderliggende documenten van dit advies en de documenten die hebben geleid tot deze keuze aan de Kamer doen toekomen?
De IND is niet tegen elke negatieve beroepsuitspraak in hoger beroep gegaan die zag op nieuwe maatregelen die genomen waren. De IND is terughoudend als het gaat om instellen van hoger beroep en weegt steeds af of er een zaaksoverstijgend belang is waardoor hoger beroep is aangewezen zoals ook in onderhavige zaken is gedaan.
Hoe rijmt u, ten aanzien van de maatregel om nareis te beperken tot de referent huisvesting heeft, de uitspraak van de Staatssecretaris van J&V in het debat in 2022 waarbij hij stelde: «En de ambtenaren zeggen niet dat het niet kan, maar ze zeggen heel nadrukkelijk wel dat – ik citeer – de juridische houdbaarheid geen zekerheid is»4, met de volgende constateringen van de ambtenaren, «geen begaanbare juridische weg»5 en «kan niet»6 en de constatering van DWJZ: «juridisch niet te rechtvaardigen»7? En hoe rijmt u de uitspraak van de Staatssecretaris van J&V in het debat met het feit dat in het stoplichtdocument het licht voor de nareismaatregel op rood stond? Is naar uw oordeel de Kamer onjuist of onvolledig geïnformeerd ten aanzien van de haalbaarheid van deze maatregel? Zo nee, waarom niet?
Naast de aangehaalde uitspraak van de Staatssecretaris blijken de juridische kanttekeningen die ambtelijk werden geplaatst ook uit de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.9 Ik zie dan ook geen reden om vast te stellen dat de Tweede Kamer destijds niet juist en volledig zou zijn geïnformeerd.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor het commissiedebat over vreemdelingen- en asielbeleid van 2 oktober 2025?
De beantwoording is zo spoedig mogelijk naar de Tweede Kamer gestuurd.
Het artikel 'Wat de wonden vertellen' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wat de wonden vertellen» uit De Volkskrant d.d. 13 september 2025?1
Ja.
Vindt u het onderzoek van De Volkskrant, waaruit blijkt dat de Israëlische krijgsmacht naar alle waarschijnlijkheid gericht op honderden Palestijnse kinderen onder vijftien jaar heeft geschoten en kinderen ernstig heeft verwond door middel van fragmentatiewapens, overtuigend? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie die het onderzoek van de Volkskrant kan verifiëren dan wel ontkennen. Het kabinet hecht er groot belang aan dat straffeloosheid wordt tegengegaan en dat schendingen van het internationaal recht, humanitair oorlogsrecht, worden onderzocht. Daar spant Nederland zich voor in.
Wat vertellen deze schotwonden aan het kabinet over de wijze van oorlogsvoering door de Israëlische krijgsmacht?
Het artikel concludeert dat de schotwonden in kwestie een indicatie zijn van gerichte aanvallen op kinderen. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie die het onderzoek van de Volkskrant kan verifiëren dan wel ontkennen. Volgens het humanitair oorlogsrecht mogen burgers geen doelwit vormen van militaire aanvallen. Indien burgers direct deelnemen aan de vijandelijkheden, verliezen ze voor de duur van deze deelname hun beschermde status. Het kabinet roept de strijdende partijen, waaronder Israël, om zich te allen tijde aan het humanitair oorlogsrecht te houden.
Heeft het kabinet eerder soortgelijke informatie over de wijze van oorlogsvoering door de Israëlische krijgsmacht ontvangen?
Informatie die het kabinet ontvangt over het Israëlische militair optreden in Gaza leidt al geruime tijd tot serieuze vragen. Het kabinet spreekt Israël hierop zowel bilateraal als multilateraal aan.
Heeft u uw Israëlische counterpart aangesproken op de bevindingen van het onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u uw Israëlische counterpart aangesproken op het feit dat Israël sinds maart 2025 meer dan honderd buitenlandse zorgmedewerkers toegang tot Gaza heeft ontzegd zonder opgave van reden?
Nederland heeft Israël veelvuldig opgeroepen en blijft dit doen om veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot de hele Gazastrook te faciliteren, zowel voor de invoer en distributie van goederen als de in- en uitreis van internationale hulpverleners. Meest recentelijk heb ik dit gedaan in een gesprek met mijn Israëlische ambtgenoot Saar op 24 oktober jl.
Op 9 oktober jl. bereikten Israël en Hamas overeenstemming over de eerste fase van het plan om het conflict in de Gazastrook te beëindigen (zie ook Kamerbrief d.d. 10 oktober jl.). Dit akkoord biedt, na ruim twee jaar van lijden, geweld en verwoesting, het broodnodige perspectief op een duurzaam einde aan de oorlog. Het is van essentieel belang dat de afspraken over deze eerste fase, waaronder die over humanitaire hulp, volledig worden geïmplementeerd en nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de Israëlische autoriteiten zelfs babyvoeding niet tot Gaza toelaten? Heeft u uw Israëlische counterpart daarop aangesproken?
Op Israël rust de plicht om de burgerbevolking in Gaza te voorzien van de noodzakelijke humanitaire hulp of deze hulp te faciliteren. Na het bereiken van het akkoord over de eerste fase van het vredesplan op 9 oktober jl. is de toegang van humanitaire hulp verbeterd. Het kabinet blijft het belang onderstrepen dat Israël zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht naleeft.
Staat het kabinet in contact met hulpverleners die in Gaza dienen of de afgelopen twee jaar in Gaza hebben gediend? Zo nee, bent u bereid om met enkelen van hen in gesprek te gaan?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een goede, voortdurende dialoog met hulporganisaties, en spreekt – zowel in Nederland als in de regio – regelmatig met hulpverleners die in de Gazastrook werken of hebben gewerkt.
Hoeveel Israëlische militairen zijn er in de afgelopen twee jaar veroordeeld voor misdrijven gepleegd tegen Palestijnse burgers?
Volgens cijfers van de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din, die zich baseert op informatie die is aangeleverd door de Israëlische krijgsmacht, zijn vijf Israëlische militairen veroordeeld voor misdrijven gepleegd tegen Palestijnse burgers in Israël en de Palestijnse gebieden. Daarnaast zijn er nog enkele lopende zaken.
Op welke manier spant het kabinet zich in voor het vastleggen van oorlogsmisdrijven in Gaza?
Nederland heeft altijd duidelijk uitgesproken dat de strijdende partijen zich aan humanitair oorlogsrecht moeten houden. Het kabinet veroordeelt alle schendingen van het internationaal recht, ongeacht wie de schending begaat. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen. Daar draagt het kabinet ook aan bij, bijvoorbeeld via bijdragen aan het Kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (OHCHR) en het Internationaal Strafhof.
Vallen de misdrijven beschreven in het onderzoek van De Volkskrant onder de Wet Internationale Misdrijven? Zo ja, is berechting van Israëlische militairen die in Nederland verblijven op basis van de in het onderzoek beschreven misdrijven tegen Palestijnse burgers, mogelijk?
Oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide, foltering, gedwongen verdwijningen en agressie zijn strafbaar gesteld in de Wet Internationale Misdrijven. Hierbij geldt dat Nederland rechtsmacht heeft over internationale misdrijven indien de verdachte een Nederlander is, het slachtoffer een Nederlander is of de verdachte zich op Nederland grondgebied bevindt. Of een strafrechtelijk onderzoek kan worden ingesteld, hangt onder meer af van de vraag of er voldoende bewijs voorhanden is voor individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid. De opsporing en vervolging van deze internationale misdrijven is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie.
Bent u, bij uitblijven van vervolging in Israël, bereid om in lijn met het complementariteitsbeginsel in het Statuut van Rome ook te pleiten en steun te bieden voor de berechting van Israëlische militairen bij het Internationaal Strafhof?
Er loopt reeds een actief onderzoek bij het Internationaal Strafhof (ISH) naar de situatie in de Palestijnse Gebieden, waaronder Gaza, en het is aan het Parket van de Aanklager van het ISH om dat onderzoek nader vorm te geven. Het kabinet respecteert de onafhankelijkheid van de organen van het ISH en mengt zich derhalve niet in het onderzoeks- en vervolgingsbeleid van het Parket van de Aanklager.
Bent u bereid om een aantal ernstig gewonde kinderen die in de regio geen hoog-specialistische zorg kunnen krijgen, in Nederlandse ziekenhuizen te laten behandelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op 2 oktober jl. besloot het kabinet om enkele kinderen uit Gaza, die acuut complexe hoog-specialistische zorg nodig hebben en waarvoor nu in de regio geen onmiddellijke hulp beschikbaar is, in Nederland te laten behandelen.2
Bent u bereid om u in te zetten voor de medische evacuatie van Mira, het 4-jarige meisje uit het artikel uit De Volkskrant?
Momenteel staan er 15.600 patiënten op de wachtlijst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor medische evacuatie uit Gaza, onder wie 3.800 kinderen. Om te bepalen welke kinderen voor evacuatie naar Nederland in aanmerking komen, baseert Nederland zich op de triage van artsen in Gaza, die via het Palestijnse Ministerie van Volksgezondheid patiëntenlijsten op basis van medische urgentie met de WHO delen. De WHO coördineert vervolgens het proces van medische evacuaties. Om dit selectieproces via de WHO zo zuiver mogelijk te laten verlopen, volgt het kabinet deze lijn. Het is daarom niet mogelijk een voorkeursbehandeling te geven aan individuele gevallen.
Bent u bereid deze vragen alle afzonderlijk te beantwoorden?
Er is getracht deze vragen zo veel mogelijk separaat te beantwoorden.
Het bericht dat Oekraïense mannen zelf huisvesting moeten regelen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Keijzer: Oekraïense mannen moeten zelf huisvesting gaan regelen»?1
Ja.
Kunt u aangeven op welke termijn u van plan bent om mannen die werken uit te zonderen van de rechten die ze hebben op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming?
Er is de ruimte om ontheemden die daartoe in staat zijn en bereid zijn, omdat zij bijvoorbeeld een inkomen hebben, zelfstandig een woonplek te laten zoeken. Gebruikmaking van deze ruimte hiervan acht ik wenselijk en ook gerechtvaardigd doordat de opvangcapaciteit voor ontheemden tegen zijn grenzen aanloopt. Er zijn zo goed als geen opvangplekken meer beschikbaar en dit levert schrijnende situaties op voor de meest kwetsbaren onder de doelgroep, zoals gezinnen met kinderen. Daarom moedig ik ontheemden die hiertoe bereid en bij machte zijn zelf een plek te zoeken. Er zijn al ontheemden die dat is gelukt. Zo blijft er ruimte voor hun meer kwetsbare landgenoten in de opvang. Wel blijven ontheemden uit Oekraïne die aan de voorwaarden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voldoen, recht hebben op bescherming. Dit vloeit voort uit de RTB waaraan Nederland is gebonden en is neergelegd in de Tijdelijke Wet Opvang ontheemden Oekraïne (TWOO). Het is niet mogelijk hierop eigenstandig specifieke doelgroepen uit te zonderen. Daarnaast verken ik met de VNG en andere betrokkenen hoe we redelijk en billijk met de nu ontstane situatie aan krapte om kunnen gaan en kunnen bezien wie op welk bed geplaatst wordt, met inachtneming van het recht op bescherming zoals dit is voorgeschreven in de RTB. Ik verwacht binnenkort meer te kunnen delen.
Kunt u concretiseren welke doelgroep specifiek u van plan bent uit te zonderen en kunt u aangeven hoe hoog het inkomen dan moet zijn?
Ontheemden uit Oekraïne die zichzelf kunnen redden en bereid zijn om zelfstandig een woonplek te regelen, vraag ik met klem dit te doen.
Bent u voornemens om vervolgens vrouwen die werken uit te zonderen van de opvang? Zo nee, waarom niet?
Er zullen ongetwijfeld (ook) Oekraïense vrouwen zijn die zichzelf kunnen redden en bereid zijn om een eigen woonplek te realiseren. Ook aan hen geldt mijn oproep. Door middel van deze oproep torn ik niet aan het recht op opvang, maar beoog ik de meest kwetsbaren onder de doelgroep als eerste te kunnen blijven opvangen.
Klopt het dat u stelt dat de Richtlijn ruimte biedt om mensen terug te sturen naar het land waar ze eerder waren, of om te vragen zelf onderdak te regelen? Zo ja, kunt u artikelen in de Richtlijn aanwijzen die deze ruimte zouden moeten bieden?
In het kader van de laatste verlenging van de tijdelijke bescherming tot en met 4 maart 2027 die onlangs plaatsvond2, met behoud van de op EU niveau afgegeven verklaring over het niet toepassen van artikel 11 van de RTB, is de mogelijkheid opgenomen dat lidstaten geen tijdelijke bescherming hoeven te verlenen aan ontheemden uit Oekraïne die al tijdelijke bescherming hebben in een andere EU-lidstaat (overweging 5 verlengingsbesluit). Ik bekijk momenteel met de IND hoe we hier invulling aan kunnen geven. Dit zou dan in principe per 4 maart 2026 ingaan, omdat deze verlenging dan ingaat. Ik verwacht uw Kamer hierover dit najaar nader te kunnen informeren. Voorgenoemd artikel 11 van de RTB3 stelt dat een persoon met tijdelijke bescherming in een EU-lidstaat, dat land die persoon mag terugsturen als diegene zonder toestemming in een ander EU-land is of daar probeert te komen. Sinds het begin van de grootschalige Russische invasie is er in EU-verband evenwel onvoldoende steun voor toepassing van artikel 11 van de RTB. Daarom is een verklaring4 afgegeven dat artikel 11 van de RTB niet wordt toegepast in solidariteit met lidstaten die door activering onevenredig worden belast.
Er kan aan ontheemden uit Oekraïne die zichzelf kunnen redden, omdat zij bijvoorbeeld een inkomen hebben worden gevraagd om een eigen woonplek te regelen.5 In het langetermijnbeleid dat ik, samen met betrokken departementen, uitwerk, zet ik in op een transitie naar huisvesting. Het doel is normaliseren zodat ontheemden op basis van hun inkomen huur kunnen gaan betalen.
Artikel 13 (1) van de RTB stelt dat de EU-lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen ter beschikking krijgen om huisvesting te vinden. Dat betekent dat aan ontheemden middelen ter beschikking gesteld kunnen worden ten behoeve van huisvesting, of bij vaststelling van voldoende inkomen, dat hen gevraagd wordt zelf in huisvesting te voorzien. Het inregelen en uitvoeren van een dergelijke systematiek hiervoor onder de RTB vergt een aanpassing van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en mogelijk ook de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne (TWOO). Daarnaast vergt dit substantiële inzet van gemeenten en doen zich complicerende factoren voor, waaronder het gebrek aan een sociaal vangnet, de krapte op de woningmarkt en de sociaaleconomische positie van ontheemden uit Oekraïne die maken dat huren of kopen naar verwachting voor weinig ontheemden in de gemeentelijke opvang is weggelegd.
In hoeverre verwacht u dat dit besluit juridisch standhoudt?
Als ik deze vraag zo moet lezen dat met besluit wordt bedoeld, het vragen aan ontheemden om zelf in een woonplek te voorzien als ze daartoe bij machte zijn, dan is dit juridisch mogelijk. Zoals hierboven benoemd, is het juridisch niet mogelijk specifieke groepen ontheemden uit Oekraïne uit te zonderen van het recht op opvang onder de RTB. Het niet verstrekken van tijdelijke bescherming aan ontheemden die tijdelijke bescherming in een andere lidstaat hebben, wordt als onderdeel van het RTB-verlengingsbesluit onderzocht. Hierbij wordt ook zorgvuldig gekeken naar de juridische basis voor de afwijzing.
Heeft u in kaart hoe groot de groep is die u voornemens bent uit te zonderen van de gemeentelijke opvang?
Nee. In zijn algemeenheid kan ik uw Kamer melden dat begin september 2025 ongeveer 132.000 ontheemden uit Oekraïne zijn ingeschreven in de BRP en er circa 98.000 gemeentelijk opvangplekken zijn gerealiseerd. Ongeveer 95.000 ontheemden vallen in de leeftijdscategorie van 18–65 jaar. Circa 60.000 ontheemden van deze leeftijdscategorie zijn vrouw en circa 35.000 man. Het merendeel van de ontheemden heeft een baan, vaak onder hun eigen niveau en in laagbetaalde sectoren.
Zoals hierboven vermeld, betreft het een oproep om zelf in opvang te voorzien, en is geen sprake van het onthouden van het recht op opvang.
Erkent u dat Oekraïense mannen vaak werken in laagbetaalde, tijdelijke of flexibele banen en dat de kans dat ze zonder goede opvang op straat belanden, slachtoffer worden van arbeidsuitbuiting en malafide huisbazen groter wordt?
In zijn algemeenheid zien we ook dat ontheemden, waaronder de mannen, veelal tijdelijke banen hebben en in sectoren werken waar de salarissen doorgaans niet hoog zijn. Uit onderzoek van het CBS volgt dat op 1 mei 2025 61% van de ontheemden uit Oekraïne tussen de 15- en 65 jaar in loondienst werkte.6 In de leeftijdscategorie 15–25 jaar werkte 52% in loondienst. Onder mannen was het aandeel werkenden 59%. De meeste ontheemden werkten op dat moment als uitzendkracht (36%), oproepkracht (23%), of hadden een ander tijdelijk dienstverband (28%). Uit onderzoek7 blijkt dat veel ontheemden uit Oekraïne financiële zorgen hebben en moeite hebben om rond te komen.
Er is een risico dat zij, wanneer zij geen aanspraak kunnen maken op opvangvoorzieningen, extra kwetsbaar worden voor slechte leef- en werkomstandigheden. Een grotere afhankelijkheid van werkgevers, bijvoorbeeld voor de huisvesting, kan leiden tot misstanden en uitbuiting van ontheemden uit Oekraïne. Deze problematiek is ook zichtbaar onder arbeidsmigranten. Het kabinet heeft daarvoor verschillende maatregelen getroffen.8
Verwacht u dat deze maatregel negatieve effecten zou kunnen hebben op de bereidheid om te werken? Zo nee, waarom niet?
De inzet van het kabinet blijft om belemmeringen om te werken zoveel mogelijk weg te nemen. Werk is voor nieuwkomers in Nederland, waaronder ontheemden uit Oekraïne, onder andere belangrijk voor het meedraaien in de Nederlandse samenleving en draagt daarmee bij aan het versterken van hun (financiële) zelfredzaamheid.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor het commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid van 2 oktober 2025?
Ja.
Het bericht dat Nederland moet meewerken aan het overbrengen van ambassadebewakers |
|
Derk Boswijk (CDA), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA), Don Ceder (CU) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de kantonrechter in een kort geding dat de Nederlandse Staat transportmiddelen beschikbaar moet stellen voor het overbrengen van 42 Afghaanse bewakers?
Ja. Ik ben bekend met de uitspraak van de kantonrechter in kort geding van 2 september jl.
Wat vindt u van het feit dat de rechter stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en haar zorgplicht niet heeft nageleefd door de Afghaanse bewakers niet te evacueren?
Het kabinet neemt zijn werkgeversverantwoordelijkheid serieus, ook in het buitenland. In dit geval waren de 42 eisers geen werknemers van de Staat. In deze procedure zijn verschillende redenen om aan te nemen dat artikel 7:658 lid 4 BW, het Nederlandse artikel waaruit de kantonrechter een zorgplicht van de Staat tegenover de 42 eisers heeft afgeleid, niet van toepassing is. Voor de beantwoording van vraag 2 verwijs ik u verder naar de brief1 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe verklaart u dat Hongaarse beveiligers die via hetzelfde bedrijf (Asman Abi) waren ingeleend wel geëvacueerd zijn, terwijl Afghaanse bewakers die hetzelfde werk verrichtten niet werden geëvacueerd? Hoe is deze afweging tot stand gekomen?
De Hongaarse bewakers zijn door speciale eenheden van een partnerland naar het vliegveld gebracht en uiteindelijk zonder tussenkomst van Nederland gerepatrieerd naar Hongarije. Zij hadden als EU-onderdanen recht op consulaire bijstand en hierover zijn voorafgaand aan de acute evacuatiefase specifieke afspraken gemaakt. Dit is niet vanwege hun werk als extern ingehuurde bewakers bij de Nederlandse ambassade gebeurd, zoals ook gecommuniceerd is in de brief2 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe ziet u het feit dat de rechter stelt dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft tegenover deze bewakers, omdat zij ook na de evacuatie en de machtsovername door de Taliban de ambassade nog enige tijd hebben beveiligd onder gevaarlijke omstandigheden? Bent u het hiermee eens? Hoe gaat u deze bijzondere zorgplicht vervullen?
Bewakers in dienst van de externe dienstverlener hebben na de val van Kaboel doorgewerkt op de Nederlandse ambassade-compounds tot aan de afstoting daarvan, waarvan de eerste eind 2021 en de tweede eind 2022 plaatsvond. Er is met enige regelmaat contact geweest met de externe dienstverlener over de veiligheid van de voormalige extern ingehuurde ambassadebewakers. Tot op heden heeft het kabinet geen berichten ontvangen waaruit blijkt dat bewakers die voor de externe dienstverlener werkten gevaar lopen vanwege hun voormalige werkzaamheden voor de Nederlandse ambassade.
De kantonrechter overweegt in het vonnis dat de omstandigheid dat de ambassadebewakers na de evacuatie de toen ontruimde ambassade nog enige tijd hebben beveiligd zou kunnen inhouden dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft. Wat de kantonrechter daarmee bedoelt, wordt niet verder uitgewerkt en is het kabinet niet duidelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze bewakers met hun gezinnen nu zo snel mogelijk alsnog worden overgebracht?
Het overbrengen van Afghanen is een complex proces. Dat proces bestaat uit verschillende stappen, waaronder verificatie van alle gegevens en documenten. Naar aanleiding van de uitspraak van 2 september jl. heeft de Staat eerste stappen gezet voor het mogelijk maken van deze overbrengingen.
Het gerechtshof heeft op 12 september jl. de verplichting voor de Staat geschorst om per direct uitvoering te geven aan het vonnis totdat het hof in het hoger beroep over deze zaak heeft geoordeeld. Om deze reden onderneemt het kabinet momenteel geen verdere stappen om het vonnis uit te voeren.
Onderschrijft u dat de uitspraak van de kantonrechter bij voorbaat uitvoerbaar is en zo snel mogelijk uitgevoerd moet worden?
De Staat heeft een turbospoedappel ingesteld gezien het kabinet zich niet kan vinden in de uitspraak van de kantonrechter, zoals eerder aangegeven in kabinetsbrief3 van 5 september jl. en de beantwoording van het Schriftelijk Overleg van 19 september jl.4 Hierbij heeft de Staat verzocht om een snelle uitspraak in het schorsingsincident. Op 12 september jl. heeft het gerechtshof in het schorsingsincident de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegekend.
Sommige bewakers van deze groep bevinden zich momenteel in Pakistan en Iran en zouden snel naar Nederland kunnen komen. Gaat u direct dit proces in gang zetten?
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van vraag 5.
Gelden voor de overbrenging van gezinsleden dezelfde voorwaarden als voor het recht op gezinshereniging voor asielstatushouders?
In punt 4.45 van het vonnis heeft de kantonrechter ten aanzien van familieleden het volgende gezegd:
«Ter voorkoming van misverstanden daaromtrent zal de kantonrechter bepalen dat als familieleden van Eisers zullen worden aangemerkt hun wettige echtgenoten of partners, die daarmee rechtens kunnen worden gelijkgesteld, en de van hen afhankelijke minderjarige kinderen, die op het moment van vertrek nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.»
Ook bij gezinshereniging na asiel wordt in beginsel uitgegaan van het kerngezin, zijnde de partner en minderjarige kinderen (paragraaf C2.4.1 Vreemdelingencirculaire). Het door de kantonrechter bepaalde is daarmee in lijn met de gezinshereniging voor asielstatushouders.
Kunt u de Kamer wekelijks (kort) op de hoogte houden van de status van deze overbrengingen?
Op dit moment wacht het kabinet de uitspraak in hoger beroep af.
Kunt u de beantwoording van deze vragen meenemen in de kabinetsbrief die tijdens de procedurevergadering van 4 september jl. is aangevraagd door de commissie Buitenlandse Zaken?
De kabinetsbrief5 is op 5 september jl. verstuurd. Hierin worden veel van de hierboven gestelde vragen beantwoord, zie ook de verwijzingen naar de brief in de beantwoording. Daarnaast is op 19 september jl. de beantwoording van het Schriftelijk Overleg6 naar de Kamer verstuurd.
Omzeiling van sancties tegen Rusland via Centraal-Aziatische landen |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de in maart 2024 aangenomen motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2027) die het kabinet verzoekt om sanctieomzeiling via landen uit de Euraziatische Economische Unie (EAEU), waaronder Kirgizië, steviger aan te pakken?
Ja.
Bent u bekend met het bericht van econoom Robin Brooks dat een aanzienlijke en aanhoudende stijging van Nederlandse goederenexport naar de bekende «ontwijkingshub» Kirgizië laat zien?1
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met een ander bericht van Robin Brooks, waaruit blijkt dat in landen met een vergelijkbare stijging van de export slechts een fractie van deze goederen terugkomt in de importcijfers van Kirgizië, wat erop duidt dat de goederen worden doorgevoerd naar de Russische Federatie?2
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat dergelijke doorvoer door Nederlandse bedrijven in strijd zou zijn met de uitbreiding van artikel 12 van sanctieverordening 2014/833 uit het 14e sanctiepakket van juni 2024?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u voornemens deze ogenschijnlijke omzeiling van sancties te onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u tevens voornemens de sanctiemaatregelen te handhaven door bedrijven schuldig aan deze omzeiling hierop aan te spreken?
Ja. Het tegengaan van sanctieomzeiling is een belangrijke prioriteit voor zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als de Douane. Beide organisaties doen al sinds 2022 intensief onderzoek naar sanctieomzeiling, onder meer door het onderzoeken van handelsdata. Bijzondere nadruk ligt daarbij op landen met een verhoogd risico op omzeiling (zoals Kirgizië) en op de zogeheten «Common High Priority Items», goederen die de Russische oorlogsindustrie het hardst nodig heeft.
De handhaving van sanctiemaatregelen is een verantwoordelijkheid van de Douane. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling. Bedrijven die worden verdacht zich bewust schuldig te maken aan omzeiling, worden ter vervolging voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. De meeste Nederlandse bedrijven die betrokken raken bij sanctieomzeiling, zijn zich daarvan echter niet bewust. Daarom worden bedrijven, waarvan uit onderzoek blijkt dat zij mogelijk (onbewust) betrokken zijn bij omzeiling, dan ook actief benaderd en voorgelicht over de risico's van omzeiling.
Welke consequenties zijn er voor Nederlandse bedrijven die, dan wel zelf, dan wel via dochterondernemingen, sancties tegen Rusland omzeilen?
Het schenden van EU-sanctieverordeningen is strafbaar als een economisch delict. Signalen dat een bedrijf de sancties overtreedt worden altijd opgevolgd door onderzoek. Indien door een toezichthouder wordt vastgesteld dat een bedrijf of persoon bewust sancties omzeilt wordt in overleg met het Openbaar Ministerie overgegaan tot vervolging. Op het moedwillig overtreden van de sanctieverordening gelden stevige straffen, waaronder geldboetes met een maximum van ruim 1 miljoen euro of gevangenisstraffen tot zes jaar. Ook kan illegaal verkregen winst worden teruggevorderd. Met de komst van de nieuwe Wet internationale sanctiemaatregelen zal het ook mogelijk worden voor sommige toezichthouders om bestuursrechtelijk te handhaven op dergelijke schendingen, wat het handhavingsproces aanzienlijk zal versnellen.
Op welke manier bent u van plan om toekomstige sanctie-omzeiling middels doorvoer door «ontwijkingshubs» te voorkomen? Overweegt u te pleiten voor intensievere sancties tegen Euraziatische doorvoerlanden in toekomstige sanctiepakketten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, voor welke additionele sancties overweegt u te pleiten?
De aanpak van sanctieomzeiling is een prioriteit van dit kabinet. Dit behelst nationaal een combinatie van onderzoek, voorlichting en handhaving. Daarnaast wordt met derde landen samengewerkt om omzeiling via hun grondgebied tegen te gaan. EU Sanctiegezant David O’Sullivan speelt hierin een belangrijke rol en ook Nederland spreekt derde landen hier actief op aan. Binnen de EU zet Nederland zich consequent in voor meer inzet tegen omzeiling. In dat kader is de aanpak van sanctieomzeiling een van de Nederlandse speerpunten voor het negentiende sanctiepakket, waaraan thans wordt gewerkt. Waar diplomatieke inspanningen niet genoeg opleveren, verbindt de EU hieraan consequenties door passende en gerichte maatregelen in te stellen. De EU legde ook eerder al sancties op aan bedrijven, banken en schepen die betrokken zijn bij omzeiling, waaronder in Kirgizië en Kazachstan. Hierbij wordt samengewerkt met G7-partners en Nederland draagt hier actief aan bij.
Asielaanvragen van lhbtqia+ personen uit de Verenigde Staten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van het aantal personen dat in de afgelopen vijf jaar in Nederland asiel heeft aangevraagd op grond van hun seksuele geaardheid of gender, uitgesplist naar land van herkomst? Kunt u daarbij ook vermelden hoe vaak aanvragen zijn afgewezen?
Asielmotieven, zoals seksuele geaardheid of gender, worden niet systematisch geregistreerd en zijn dus niet op geaggregeerd niveau te reproduceren.
Klopt het dat het aantal aanvragen vanuit de Verenigde Staten (VS) de laatste maanden fors is toegenomen, zoals wordt aangegeven door diverse belangenorganisaties en NRC?1 Zo ja, wat vindt u daarvan?
Tot en met juli 2025 heeft de IND 35 eerste aanvragen asiel ontvangen van vreemdelingen afkomstig uit de Verenigde Staten. Dat is een toename ten opzichte van 2022, 2023 en 2024 toen er respectievelijk 17, 18 en 9 eerste aanvragen asiel werden ingediend door vreemdelingen uit de Verenigde Staten. Dat aantallen aanvragen fluctueren is niet uitzonderlijk. Daarbij zijn vooral in januari relatief veel aanvragen ingediend en lijkt de situatie daarna wat te zijn gestabiliseerd.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassade over de toename van het aantal aanvragen en de onveilige situatie voor lhbtqia+-personen in de VS?
Voor een dergelijk gesprek over het aantal asielaanvragen zie ik nu geen aanleiding. Dat neemt niet weg dat Nederland op bilateraal niveau zich voortdurend inspant om gelijke rechten te bevorderen.
Klopt het dat aanvragen worden afgewezen omdat de VS volgens u en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, nog steeds veilig is? Zo ja, waar baseert u deze informatie op?
Als iemand asiel aanvraagt in Nederland beoordeelt de IND of deze persoon bescherming nodig heeft omdat diegene een gegronde vrees heeft voor vervolging, zoals volgt uit het Vluchtelingenverdrag, of omdat diegene risico loopt onderworpen te worden aan folteringen of onmenselijke behandelingen en bestraffingen als in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM).
De ontwikkelingen in de Verenigde Staten zijn op dit moment geen aanleiding om in algemene zin aan te nemen dat lhbtiq+ personen uit de Verenigde Staten een gegronde vrees voor vervolging hebben. Dit neemt niet weg dat iedere asielaanvraag altijd op zijn eigen merites wordt beoordeeld en dat bij elke beoordeling recente landeninformatie betrokken wordt.
Bent u ervan op de hoogte dat ook in de VS het aantal geweldsdelicten tegen lhbtqia+-personen is gestegen en jaarlijks mensen worden vermoord omdat ze transpersoon zijn? Bent u bereid om op basis van actuele informatie de veiligheidssituatie van lhbtqia+-personen opnieuw te beoordelen?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er voldoende specifieke opvangplekken voor lhbtqia+-personen die in de reguliere opvang niet veilig zijn of onveilige situaties meemaken? Zo nee, bent u bereid dit aantal op te hogen?
Het COA heeft geen landelijk beleid voor het categoraal opvangen van (lhbtiq+) asielzoekers. Wel vindt het COA het belangrijk dat elke asielzoeker in een veilige omgeving opgevangen wordt. Daarom houdt het COA bij plaatsing van asielzoekers zo veel als mogelijk rekening met kwetsbaarheid. Voor lhbtiq+ bewoners kan dit in de praktijk bijvoorbeeld betekenen dat wanneer aangegeven wordt dat een lhbtiq+ bewoner vanuit diens kwetsbare positie behoefte heeft aan plaatsing met andere lhbtiq+ bewoners, het COA deze bewoners samen plaatst in een unit. In de praktijk wordt dit dan vaak een lhbitq+ unit of roze unit genoemd. Deze units zijn afhankelijk van de in-, door- en uitstroom van bewoners, de behoefte van bewoners die op dat moment op de locatie verblijven en de ruimte die de locatie op dat moment heeft. Van een vast aantal plekken voor lhbtiq+ bewoners is dus geen sprake. Wanneer de capaciteitsdruk laag is, is er meer ruimte voor het COA om aan individuele behoeften te voldoen. Op dit moment is de ruimte beperkt, vanwege de hoge capaciteitsdruk bij het COA.
Het bericht 'Nederland schrapt marineleveringen aan Israël, 'risico op ongewenst eindgebruik’ |
|
Kati Piri (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja.
Kunt u aangeven welke vergunningen precies zijn ingetrokken? Kunt u daarbij per vergunning aangeven welk nummer de vergunningen hadden, om welke specifieke goederen het ging, wat het eindgebruik was, wat de goederen waard waren, en wat het land van herkomst en eindbestemming van de goederen was?
De ingetrokken vergunningen NL0074CDIU0182267 met een transactiewaarde van € 11.405,–, NL0074CDIU0184525 met een transactiewaarde van € 1.157,– en, NL0074CDIU0185272 met een transactiewaarde van € 7.361,– hebben betrekking op uitvoer van uit Nederland afkomstige reserveonderdelen voor (hangar)deuren/luiken van Israëlische marineschepen.
Op welke exacte datum is het besluit genomen om de vergunningen in te trekken?
Op respectievelijk 23 juni (NL0074CDIU0182267) en 14 juli (NL0074CDIU0184525 en NL0074CDIU0185272) jl. heeft de Staatssecretaris Buitenlandse Handel op buitenlandpolitiek advies van de Minister van Buitenlandse Zaken de intrekkingsbesluiten genomen. Op respectievelijk 27 juni en 1 augustus jl. zijn de beschikkingsbevoegden geïnformeerd dat de eerder afgegeven vergunning per onmiddellijke ingang werd ingetrokken.
Wat is de exacte ingangsdatum van de intrekking van de vergunningen?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het besluit reeds voor uw brief van 28 juli jongstleden is genomen, waarom heeft u de intrekking van de vergunningen niet reeds in de desbetreffende brief aan de Kamer gecommuniceerd?
Het kabinet heeft in de brief van 28 juli jl. het actuele aantal afwijzers gecommuniceerd. Daar had bij nader inzien ook de op 27 juni ingetrokken vergunning (NL0074CDIU0182267) bij moeten worden vermeld. Voor de overige twee ingetrokken vergunningen geldt dat bij verzending van de brief van 28 juli de beschikkingsbevoegde nog niet van het besluit op de hoogte was gesteld.
Heeft u zicht op of de militaire goederen die onder de ingetrokken vergunning vallen, reeds (deels) geleverd zijn?
De intrekking van vergunning NL0074CDIU0182267, waaronder nog geen feitelijke uitvoer had plaatsgevonden, heeft tot gevolg dat de geldigheid van de lopende vergunning vanaf het moment van bekendmaking aan de beschikkingsbevoegden per direct (voor de toekomst) stopt en dat deze niet langer op grond van de eerder verleende vergunning goederen mag uitvoeren.
Van de vergunningen NL0074CDIU0184525 en NL0074CDIU0185272 is vóór de intrekking gebruik gemaakt. De goederen in kwestie hebben Nederland verlaten waardoor Nederland feitelijk geen controle meer heeft over deze goederen. Niettemin heeft het kabinet met de intrekking het signaal willen afgeven dat dit type aanvragen momenteel, gelet op de context in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, de toets aan de Europese kaders voor wapenexportcontrole niet doorstaat.
Kunt u toelichten wat de intrekking praktisch inhoudt? Betekent de intrekking bijvoorbeeld dat er per direct geen onderdelen meer onder de vergunningen kunnen worden verstrekt aan Israel? En dat Israël de ontvangen militaire goederen aan Nederland heeft teruggegeven/moet teruggeven? Of kan Israël de verkregen onderdelen blijven gebruiken?
Zie antwoord vraag 6.
Indien Israël de reeds verkregen onderdelen onder de ingetrokken vergunningen kan blijven gebruiken, bestaat er dan een risico dat ze zijn/worden ingezet voor (of ter ondersteuning van) aanvallen tegen Palestijnen? Zo ja, hoe reëel is dat risico? Zo nee, waarom bestaat dat risico volgens u niet en waarom heeft u de vergunningen dan alsnog ingetrokken?
Wat is de exacte reden dat de vergunningen juist nu zijn ingetrokken, en waarom werd in een eerder stadium besloten om de vergunningen wél te verstrekken? Welke nieuwe informatie is hierin doorslaggevend geweest?
Kunt u uitleggen of en waarom de gebruiksdoeleinden van de vaartuigen – zoals benoemd in het NRC op 9 augustus jongstleden2 – onderdeel waren van de beslissing om de vergunningen in te trekken? Heeft u hier nieuwe informatie over ontvangen?
Heeft u nieuwe aanwijzingen dat de «delen voor oorlogsschepen» en «delen voor korvetten» gebruikt zijn of gebruikt zouden worden voor of ter ondersteuning van Israëls aanvallen op Palestijnen? Zo ja, wat zijn die aanwijzingen? Zo nee, waarom bent u dan op moment van intrekking tot de conclusie gekomen dat de onderdelen nu wel tot een «risico op ongewenst eindgebruik» leiden?
Als het gebruiksdoel van deze vergunningen geen onderdeel was van de beslissing, kunt u dan uitleggen of en waarom de «verslechterde situatie in Gaza» nu een reden tot intrekking was? Wat is er veranderd in de situatie waardoor er nu tot intrekking is besloten?
Bent u ervan op de hoogte dat op de huidige maandrapportage uitvoer militaire goederen van de rijksoverheid nog altijd lopende exportvergunningen zijn opgenomen die zien op de uitvoer van delen voor oorlogsschepen en korvetten naar Israël? Zo ja, betreft dit de vergunningen die zijn ingetrokken en indien dat het geval is: waarom staan die vergunningen nog op de lijst?
Het kabinet publiceert, via de genoemde historische overzichten, regelmatig kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen. Dit geldt ook voor deze drie vergunningen die eerder afgegeven en daarna ingetrokken zijn. Deze vergunningen staan nog op de lijst om in het kader van transparantie inzichtelijk te maken dat er eerder wel vergunning is afgegeven voor de betreffende transacties. Het kabinet zal de betreffende vergunningen voorzien van een korte toelichting op de intrekking.
Door zware belasting bij exportcontrole bij Douane en het Ministerie van Buitenlandse Zaken als gevolg van de Ruslandsancties en de oorlog in de Gazastrook wordt de verwerking en publicatie van deze kerngegevens soms vertraagd. Het kabinet doet zijn uiterste best om deze gegevens tijdig te actualiseren. Gelet op de tijd die nodig is voor verwerking van de data zal er echter altijd een vertraging zitten in de rapportage over afgegeven vergunningen.
Kunt u garanderen dat de informatie in de maandelijkse rapportages die de rijksoverheid op de website publiceert daadwerkelijk maandelijks wordt gecontroleerd (en indien nodig onmiddellijk bijgewerkt)? Met andere woorden: geven de rapportages altijd een waarheidsgetrouwe weergave van de verstrekte vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u precies aangeven welke vergunningen voor de export van militaire goederen naar Israël momenteel nog geldig zijn? Kunt u daarbij per vergunning aangeven welk nummer de vergunningen hebben, om welke goederen het gaat, wat het eindgebruik is, wat de goederen waard zijn, en wat het land van herkomst en eindbestemming van de goederen is?
Op dit moment is er slechts één vergunning (NL0074CDIU0185558) met de Israëlische krijgsmacht als eindgebruiker geldig. Deze betreft de uitvoer via Duitsland van uit Canada afkomstige onderdelen ten behoeve van het Iron Dome-luchtafweersysteem in Israël die het kabinet conform motie Kahraman3 blijft toestaan mits deze de toets aan de Europese criteria voor wapenexportcontrole doorstaan. De transactie heeft een transactiewaarde van € 266.750,-.
Daarnaast zijn er andere vergunningen geldig voor uitvoer naar Israël waarbij eindgebruik niet in Israël plaatsvindt. Het betreft hier (tijdelijke) uitvoer ten behoeve van verdere productontwikkeling of reparatie- en/of onderhoudsdoeleinden in Israël. Voor een deel van deze vergunningen geldt dat de looptijd nog niet is verstreken, maar wel al voor de maximale waarde van de vergunningen is geëxporteerd. Deze vergunningen zijn weliswaar nog wel geldig, maar niet meer bruikbaar. Voor het overzicht en informatie over alle vergunningen zie onderstaande tabel:
NL0074CDIU0185558
Delen voor radarsystemen
Duitsland
Israël
€ 266.750,–
Betreft onderdelen voor het Iron Domesysteem
NL0074CDIU0181334
Delen voor robots
Israël
VS
€ 49.292,–
Vergunningwaarde volledig verbruikt.
NL0074CDIU0181899
Delen, gereedschappen en technologie voor F-16 gevechtsvliegtuigen.
Het gaat hier om bewerking van F-16-onderdelen ten behoeve van productiedoeleinden. Het betreft hier door een Nederlandse partij in Israël uitbesteed werk waarbij er geen sprake is van eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht. Na de werkzaamheden in Israël zijn/worden de betreffende onderdelen geretourneerd naar Nederland.
Israël
Israël
€ 1.000.000,–
Betreft geen eindgebruik door Israëlische krijgsmacht en ook geen eindgebruik in Israël.
NL0074CDIU0183046
Delen voor simulatiesystemen
Israël
Nederland
€ 5.000.000,–
NL0074CDIU0184006
Elektronica voor vliegerhelmen
Israël
VS
€ 5.750,–
NL0074CDIU0184345
Elektronica voor vliegerhelmen
Israël
India
€ 115.575,–
NL0074CDIU0183705
Warmtebeeldcamera's.
Deze goederen worden geïntegreerd in systemen die vervolgens worden uitgevoerd naar Europese landen.
Israël
Israël
€ 43.128,–
Vergunningwaarde volledig verbruikt.
Betreft geen eindgebruik door Israëlische krijgsmacht en ook geen eindgebruik in Israël.
NL0074CDIU0186462
Programmatuur voor beveiligde communicatie.
Uitvoer van demonstratiematerieel dat na beursdeelname in Nederland weer is geretourneerd naar Israël waarvan het eindgebruik niet bij de Israëlische krijgsmacht ligt.
Israël
Israël
€ 359,58,–
Vergunningwaarde volledig verbruikt.
Betreft geen eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht.
NL0074CDIU0185706
Communicatiesystemen.
De uit te voeren goederen worden voor verdere productontwikkeling naar Israël verzonden en zullen enkel gebruikt worden voor test- en evaluatiedoeleinden. Er is geen sprake van eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht.
Israël
Israël (niet de Israëlische krijgsmacht)
€ 5.730,–
Betreft geen eindgebruik door Israëlische krijgsmacht en ook geen eindgebruik in Israël.
NL0074CDIU0187232
Technologie voor radarsystemen.
Dit betreft de uitvoer van minimaal noodzakelijke technologie ter ondersteuning van uit te brengen offertes.
Divers, waaronder Israël
€ 500,–
Betreft geen eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht.
NL0074CDIU0187795
Delen voor onbemande voertuigen
Israël
VS
€ 18.502,–
NL0074CDIU0188390
Elektronica voor vliegerhelmen
Israël
VS
€ 12.949,–
NL0074CDIU0187537
Programmatuur voor observatiesystemen.
Ingezet bij integratie van systemen die Europese landen als eindgebruiker hebben.
Israël
Israël
€ 1.000,–
Betreft geen eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht.
NL0074CDIU0187335
Delen voor geleide projectielen
Israël
Spanje, Hongarije en Portugal
€ 2.412.128,78,–
Vergunningwaarde volledig verbruikt.
Betreft geen eindgebruik in Israël, maar bewerking van materieel ten behoeve van enkele Europese krijgsmachten.
Kunt u aangeven welke Israëlische vergunningsaanvragen Nederland sinds 7 oktober 2023 heeft afgewezen? Kunt u daarbij per vergunningsaanvraag aangeven om welke goederen het ging, wat het eindgebruik was, wat de goederen waard waren, en wat het land van herkomst en eindbestemming van de goederen was?
Sinds 7 oktober 2023 zijn er elf aanvragen voor uitvoer militaire goederen met eindgebruik in Israël afgewezen. Het kabinet rapporteert publiekelijk over de afgewezen aanvragen via de jaarrapportages en het «Historisch overzicht afgewezen aanvragen voor militaire goederen».4 Onderstaande tabel bevat de informatie uit dit overzicht die betrekking heeft op Israël sinds 7 oktober 2023.
178774
Munitie, kal. 9x19mm
Israël
Particuliere handelaar
7
175816
Beeldversterkers
Israël
IDF
2,4,6,7
175829
Thermische kijkers
Israël
IDF
2,4,6,7
175868
Helmen
Israël
IDF
2,4,6,7
175869
Kogelwerende platen, NIJ level IV
Israël
IDF
2,4,6,7
180863
Beeldversterkers
Israël
Israel Prison Service
2,4,6,7
179643
Technologie voor helikopters
Israël
Israel Ministry of Defence
2,4,6
187112
Technologie voor helikopters
Israël
Israel Ministry of Defence
2,4,6
181008
Onderdelen voor marineschepen
Israël
IDF
2,4,6
181010
Onderdelen voor marineschepen
Israël
IDF
2,4,6
186509
Technologie voor patrouillevaartuigen
Israël
IDF
2,4,6
Kunt u bovenstaande vragen binnen twee weken en los van elkaar beantwoorden?
Er is naar gestreefd de antwoorden binnen de verzochte termijn te beantwoorden. Dit bleek uiteindelijk niet haalbaar. Vervolgens zijn de vragen binnen enkele dagen na de deadline beantwoord.
De dood van Al Jazeera-journalist Anas al-Sharif in Gaza |
|
Kati Piri (PvdA), Jan Paternotte (D66) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de dood van Al Jazeera-journalist Anas al-Sharif in Gaza, zoals gemeld door onder andere The Guardian, en met de reactie van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ)? Kunt u bevestigen dat hij, samen met vier collega’s, omkwam bij een gerichte aanval op een pers tent bij een ziekenhuis in Gaza-Stad, en dat zijn dood plaatsvindt in de context van het ombrengen van meer dan 200 journalisten sinds het uitbreken van de oorlog in Gaza?
Ja, ik ben bekend met dit bericht en de reactie van de NVJ. De Israëlische strijdkrachten hebben bevestigd dat vijf journalisten, waaronder dhr. Al-Sharif, zijn gedood bij de aanval op hun tent in de Gazastrook. Volgens het Committee to Protect Journalists (CPJ) zijn inmiddels 192 journalisten om het leven gekomen tijdens het huidige conflict in de Gazastrook.1 Reporters without Borders (RSF) spreekt van meer dan 200 gedode journalisten.2 Ook op 25 augustus jl. is er een luchtaanval geweest op het Nasser-ziekenhuis met 20 doden, waaronder naar verluidt vier journalisten en mediawerkers. Dit zijn alarmerende cijfers.
Klopt het dat het Israëlische leger stelt dat de heer al-Sharif lid was van Hamas?
Ja, dat stelt het Israëlische leger, onder andere in een bericht op X.3 Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie hierover en heeft schriftelijk opheldering gevraagd aan de Israëlische autoriteiten.
Onderschrijft u de analyse van de Verenigde Naties (VN) Speciaal Rapporteur voor vrijheid van meningsuiting, Irene Khan, die aangeeft dat al-Sharif doelwit is geweest van een systematische belasterings- en intimidatiecampagne van Israël?
Israël heeft serieuze beschuldigingen geuit aan het adres van de heer al-Sharif. Nederland onderstreept consequent de noodzaak om dergelijke beschuldigingen te onderbouwen en die onderbouwing te delen met de internationale gemeenschap. Het kabinet constateert dat dit vooralsnog te weinig gebeurt.
Het feit is dat momenteel teveel burgers, onder wie journalisten, omkomen in de Gazastrook. Dit moet stoppen. Ook moeten lokale en internationale journalisten hun essentiële werk in vrijheid en veiligheid kunnen uitvoeren. Juist in een oorlogssituatie is persvrijheid en de veiligheid van journalisten van groot belang. Zowel bilateraal als multilateraal roept het kabinet alle partijen bij het conflict met klem op om te handelen in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht. Journalisten zijn, in hun hoedanigheid als burgers, beschermd onder internationaal recht. Het aanvallen van burgers door partijen is een ernstige inbreuk op het humanitair oorlogsrecht. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Onderschrijft u de verklaring van de NVJ dat de dood van al-Sharif onderdeel is van «een hele lange rij van aanslagen en moorden op journalisten» in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van artikel 79 van het Aanvullend Protocol I bij de Geneefse Conventies, de bescherming van journalisten in gewapende conflicten, in het bijzonder in de huidige situatie in Gaza?
Artikel 79 van het Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève ziet op maatregelen ter bescherming van journalisten. Opgemerkt dient te worden dat Israël geen partij is bij dit Protocol en zodoende niet gebonden is aan de bepaling in artikel 79. Daarentegen bepaalt het internationaal gewoonterecht dat burgerjournalisten die beroepshalve missies uitvoeren in gebieden waar zich gewapende conflicten voordoen, moeten worden gerespecteerd en beschermd, zolang zij niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden. Ook journalisten in de Gazastrook genieten deze bescherming.
Onderschrijft u de cijfers van onder meer het Committee to Protect Journalists (CPJ), Reporters Without Borders (RSF) en het Palestinian Journalists Syndicate dat sinds oktober 2023 meer dan 200 journalisten in Gaza zijn gedood? Zo nee, welke cijfers hanteert u dan?
Het kabinet kan deze cijfers niet eigenstandig verifiëren, maar het is duidelijk dat de meeste bronnen spreken van circa 200 journalisten die zijn omgekomen of gedood in de Gazastrook sinds oktober 2023. Dit zijn alarmerende cijfers. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Welke inspanningen heeft Nederland tot nu toe geleverd om meer toegang voor (buitenlandse) journalisten tot Gaza te bewerkstelligen?
Het kabinet maakt zich ernstig zorgen over de persvrijheid in de Gazastrook. Door het gebrek aan vrije toegang voor internationale journalisten – een situatie die eveneens zou moeten veranderen – is de rol van lokale journalisten van groot belang voor informatie en beelden uit Gaza. De toenemende internationale berichtgeving over bewuste en gerichte aanvallen op journalisten baart het kabinet ernstige zorgen. Nederland wil daarom dat Israël bewijs deelt met de internationale gemeenschap in het geval dat aanvallen op journalisten worden onderbouwd met claims van lidmaatschap van een terroristische organisatie. Nederland blijft de Israëlische autoriteiten daarnaast met klem oproepen om toegang te verlenen aan journalisten tot Gaza en de veiligheid van alle journalisten in Gaza te waarborgen.
Hoe beoordeelt u de huidige persvrijheid in de Gazastrook, mede gelet op het feit dat buitenlandse journalisten geen toegang krijgen tot het gebied tenzij zij met het Israëlische leger meereizen?
Mede in navolging van de motie Ceder (CU) van 21 augustus jl. over de toegang voor internationale journalisten en waarnemers tot Gaza (23432–594) onderstreept Nederland regelmatig, zowel publiek als achter gesloten deuren, de noodzaak bij Israël dat internationale journalisten toegang moeten krijgen tot de Gazastrook. Dit is onder andere gebeurd bij de ontbieding van de Israëlische ambassadeur op 29 juli jongstleden. Daarnaast is er op 21 augustus jl. een gezamenlijke verklaring vanuit de Media Freedom Coalition (MFC) gekomen over mediatoegang, -vrijheid en veiligheid in Gaza. Nederland speelde een initiërende en aanjagende rol bij de tot stand koming van dit statement. De verklaring is door 26 landen ondertekend, waaronder Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.
Het kabinet zet zich ook op andere manieren in om de situatie in Gaza, waaronder die van journalisten, te verbeteren, door een combinatie van druk en dialoog. Het initiatief in mei jl. voor een evaluatie van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord, maar de inspanningen om de druk richting Hamas op te voeren (o.a. sancties), en de maatregelen aangekondigd in de Kamerbrief van 28 juli jl. zijn daar voorbeelden van. Daarnaast roept Nederland de partijen bij het conflict op om snel onafhankelijke en onpartijdig onderzoek naar elke omgekomen journalist te bewerkstelligen. Zie ook het antwoord op vraag 11.
Bent u bereid om, bilateraal of in EU-verband, bij de Israëlische regering aan te dringen op vrije en onafhankelijke toegang voor journalisten tot Gaza? Zo ja, op welke wijze en binnen welk tijdpad? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de analyse dat effectieve maatregelen nodig zijn om druk uit te oefenen op de Israëlische regering om vrije toegang voor journalisten te realiseren? Zo ja, welke concrete maatregelen overweegt u? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe ziet u de rol van Nederland, in EU- en VN-verband, bij de bescherming van journalisten in conflictgebieden, en welke lessen trekt u uit de situatie in Gaza voor toekomstig beleid?
De situatie in de Gazastrook is schrijnend en zorgwekkend. Het werk voor journalisten is daar levensgevaarlijk. Toegang tot informatie is een mensenrecht en juist ook in oorlogssituaties moeten journalisten vrij en zo veilig mogelijk hun werk kunnen doen. Persvrijheid, en in ruimere zin vrijheid van meningsuiting, is sinds jaar en dag één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid.
Nederland heeft daarom het afgelopen jaar onder andere extra geld (EUR 0,5 miljoen) vrijgemaakt voor het werk van Free Press Unlimitedin de Gazastrook en Westelijke Jordaanoever voor de bescherming van persvrijheid en extra steun gegeven voor de onderzoekscapaciteit van het VN Mensenrechtenkantoor in de Palestijnse Gebieden (EUR 2 miljoen). Ook organiseerde Nederland tijdens de Mensenrechtenraad in maart een high level side event over mediavrijheid in conflictsituaties. Daarnaast zijn via het Safety for Voices-programma (EUR 10 miljoen voor 2023–2027) in 2024 meer dan 2000 journalisten in nood geholpen. Nederland pleit voor meer internationale aandacht voor de toenemende straffeloosheid voor geweld tegen journalisten wereldwijd en onderzoekt ook al geruime tijd mogelijkheden om binnen de Media Freedom Coalition een internationale onderzoekstaskforce op te richten die ingezet kan worden om onderzoek te doen naar moorden op journalisten.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Waar toepasselijk zijn antwoorden op vragen samengevoegd.
Een lijst met mogelijke sanctiemaatregelen tegen Israël |
|
Kati Piri (PvdA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inzage van interne stukken over mogelijke sanctiemaatregelen tegen Israël door De Telegraaf, d.d. 29 juli 2025?1
Ja.
Hebben deelnemers aan het spoedberaad van het kabinet op maandag 28 juli een lijst met beoogde maatregelen ontvangen?
Ja.
Klopt het dat er meerdere opties op tafel lagen voor hardere sanctiemaatregelen, waaronder op het gebied van wapenleveranties? Zo ja, wat is de reden dat het kabinet hier niet voor heeft gekozen?
Het kabinet laat zich breed adviseren over verschillende mogelijkheden. De uiteindelijke uitkomst van de beslissing om maatregelen in te stellen is gedeeld in de Kamerbrief van 28 juli jl.2 Het kabinet zal de opgestelde notitie voor het bewindspersonen overleg niet met de Kamer delen en beroept zich daarbij op de bescherming van de eenheid van kabinetsbeleid en de bescherming van diplomatieke belangen.
Waarom heeft het kabinet de maandelijkse rapportage over de uitvoer van militaire goederen na 31 maart 2025 niet meer geactualiseerd?
Het kabinet hanteert een grote mate van transparantie over de uit- en doorvoer van strategische goederen en loopt hiermee internationaal voorop. Het kabinet publiceert regelmatig kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire en dual-use goederen, evenals kerngegevens over de doorvoer van militaire goederen over Nederlands grondgebied.
Het streven is publicatie binnen twee maanden.
Door zware belasting bij exportcontrole bij Douane en het Ministerie van Buitenlandse Zaken als gevolg van de Ruslandsancties en de oorlog in de Gazastrook is de publicatie vertraagd. Het kabinet doet zijn uiterste best om de achterstanden in te lopen en inmiddels zijn de kerngegevens voor uitvoer van militaire goederen tot en met 31 mei 2025 gepubliceerd.3
Zijn er nu nog vergunningen geldig op basis waarvan doorvoer en uitvoer van militaire en dual-use goederen naar Israël mogelijk is? Zo ja, kunt u heel specifiek voor elke vergunning aangeven welke goederen en welke waarde het betreft?
Voor militaire goederen zijn er op dit moment zeven vergunningen geldig waarmee door- en uitvoer naar Israël mogelijk is. Het gaat hier om goederen als communicatiesystemen, technologie voor radarsystemen, delen voor onbemande voertuigen, elektronica voor vliegerhelmen, programmatuur voor observatiesystemen en delen voor geleide projectielen.
Voor de uitvoer van delen voor radarsystemen geldt dat dit radaronderdelen betreffen ten behoeve van het Iron Dome-luchtafweersysteem, waarmee inkomende dreigingen gedetecteerd en uitgeschakeld kunnen worden.
Met uitzondering van de delen voor radarsystemen ten bate van het Iron Dome-luchtafweersysteem, conform de motie Kahraman4, geldt dat er bij alle geldige vergunningen sprake is van (tijdelijke) uitvoer ten behoeve van verdere productontwikkeling of reparatie- en/of onderhoudsdoeleinden in Israël waarbij er geen sprake is van eindgebruik in Israël.
Voor de verleende dual-use vergunningen tot en met juni 2025, inclusief informatie over de geldigheid, omschrijving en waarde ervan, verwijst het kabinet naar het document «Rapportage uitvoer dual-use goederen geactualiseerd tot en met juni 20255». In de periode 1 juli 2025 tot 1 augustus 2025 zijn na zorgvuldige toetsing aan de Europese exportcontrolekaders vijf dual-use vergunningen aan civiele bedrijven in Israël verleend.
De verleende vergunningen zijn uitsluitend voor transacties met medisch of civiel eindgebruik. In geen van deze gevallen is sprake van eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht of andere eindgebruikers met een geweldsmandaat. In één geval betrof het de definitieve uitvoer van meetsystemen ter waarde van circa 31 miljoen euro. Eenmaal betrof het de definitieve uitvoer van technologie voor infraroodcamera’s ter waarde van circa 25 duizend euro. Tweemaal betrof het de definitieve uitvoer van gestuurde vonkbruggen ter waarde van circa 16 duizend, respectievelijk circa 19 duizend euro. De laatste vergunning betrof de tijdelijke uitvoer van traagheidsnavigatiesystemen ter waarde van circa 24 miljoen euro. De verleende vergunningen hebben een geldigheid van één jaar.
Kunt u vóór het aanstaande commissiedebat over Gaza de maandelijkse rapportage actualiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat een nationale boycot voor producten uit illegale nederzettingen op de lijst stond? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft het kabinet er niet voor gekozen om met een nationale boycot voor te sorteren op het scenario dat er onvoldoende steun voor een Europese boycot is?
Zoals is vermeld in de Kamerbrief van 28 juli jl. heeft het kabinet besloten in samenwerking met gelijkgestemde partners zich in te spannen voor handelspolitieke maatregelen ten aanzien van goederenimport uit de door illegale nederzettingen, conform de motie van Campen en Boswijk.6 Als lidstaat van de Europese Unie is Nederland onderdeel van de interne markt, waarin vrij verkeer van goederen geldt. Een eventuele maatregel gericht op het weren van producten uit illegale nederzettingen is effectiever als deze op niveau van de Unie wordt genomen, ook met oog op de eventuele handhaving van een dergelijke maatregel.
Bent u bereid om de lijst, op basis van artikel 68 van de Grondwet, vóór het commissiedebat met de Tweede Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en vóór het commissiedebat beantwoorden?
De vragen zijn zoveel mogelijk separaat beantwoord en voor het debat verstuurd.
De aankondiging van Frankrijk om de Palestijnse staat te erkennen |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aankondiging van Frankrijk om, in navolging van meer dan 140 landen waaronder Ierland, Spanje, Noorwegen en Zweden, over te gaan tot erkenning van de Palestijnse staat?
Ja.
Bent u van mening dat de internationale gemeenschap druk moet houden op Israël om het Palestijns recht op zelfbeschikking te eerbiedigen en de illegale bezetting te beëindigen?
Ja. In overeenstemming met het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024 erkent het kabinet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer over de situatie in de Gazastrook van 28 juli jl. zet het kabinet zich in om door een combinatie van druk op en dialoog met Israël de situatie in zowel de Gazastrook als de Westelijke Jordaanoever te verbeteren.
Bent u van mening dat erkenning een belangrijk signaal is dat de internationale gemeenschap blijft strijden voor een rechtvaardige en duurzame tweestatenoplossing? Zo nee, waarom niet?
De uiteindelijke erkenning van de Palestijnse staat moet voor Nederland onderdeel zijn van het politieke proces dat leidt tot een duurzame oplossing die door beide partijen wordt gedragen, waarbij de tweestatenoplossing het uitgangspunt is. Dit proces moet wat Nederland betreft zo spoedig mogelijk worden aangevangen. Erkenning vraagt om een zorgvuldige afweging. Hierbij moet niet alleen worden gekeken naar wat dit daadwerkelijk kan betekenen voor het concreet verbeteren van de catastrofale situatie in Gaza, maar ook naar de verantwoordelijkheden en noodzakelijke hervormingen van de Palestijnse Autoriteit.
Klopt het dat nationale regeringen zelf tot erkenning kunnen besluiten en dat dit geen Europees besluit vraagt of Europese competentie is?
Ja, dat klopt.
Bent u van mening dat het tijd is dat Nederland overgaat tot de erkenning van de Palestijnse staat? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment overweegt het kabinet niet om de Palestijnse staat te erkennen.
Deelt het kabinet dat, gegeven de hoge leeftijd en kwetsbaarheid van mogelijke rechthebbenden, het zaak is voortvarend uitvoering te geven aan de wens van de Kamer om de regeling voor Indische slachtoffers lokaal bekend te maken en claims af te handelen?
Ja. Het kabinet is van mening dat het belangrijk is om snel uitvoering te geven aan het verzoek van de Kamer om de regeling voor Indonesische slachtoffers lokaal bekend te maken en de claims af te handelen.
Kunt u toelichten welke acties het kabinet precies heeft ondernomen in de twee jaren sinds het aannemen van de motie-Sjoerdsma c.s. (Kamerstuk 26 049, nr. 101), en specifiek toelichten waarom sindsdien nog geen (delen van) de namenlijst met slachtoffers van het Nederlands Insituut voor Militaire Historie (NIMH) lokaal bekend zijn gemaakt?
Sinds het aannemen van bovengenoemde motie, waarin het kabinet is verzocht dit gegevensoverzicht «proactief lokaal bekend te stellen [...] binnen de juridische kaders zoals de privacywetgeving», heeft het kabinet verschillende acties ondernomen. In de uitvoering van de motie zet het kabinet in op een persoonlijke en lokale aanpak.
Zoals eerder ook is aangegeven in de Kamerbrief inzake uitvoering motie-Sjoerdsma c.s. over o.a. het gegevensoverzicht van het NIMH d.d. 17 juni 2025 (uw referentie: 26 049, nr. 101/2025D16328), is in de geest van de motie door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in 2024 een financiële bijdrage verstrekt aan een Indonesische stichting die als doel heeft de schadevergoedingsregeling onder nabestaanden breder bekend te stellen en, voor zover door betrokkenen gewenst, hen te ondersteunen bij het indienen van een schadeclaim. Met behulp van deze bijdrage heeft de stichting verschillende plekken in Indonesië bezocht waar mogelijke nabestaanden zich bevinden. Dit heeft geleid tot een stijging in het aantal claims dat met tussenkomst van de stichting is ingediend. Ook in 2025 zal een bijdrage aan de stichting worden verstrekt. De Nederlandse ambassade in Jakarta onderhoudt goed en regelmatig contact met de stichting. De Nederlandse ambassadeur in Indonesië heeft in 2024 in Zuid-Sulawesi nabestaanden bezocht die onder de regeling een claim hebben ingediend.
Dat er sinds het aannemen van de motie nog geen (delen van) het gegevensoverzicht van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie lokaal bekend zijn gemaakt, heeft te maken met het feit dat het overzicht bijzondere persoonsgegevens bevat in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Dit betreft informatie over mogelijke slachtoffers van standrechtelijke executies en mogelijke slachtoffers van martelingen en verkrachtingen. Aan het verwerken van dergelijke informatie zijn op grond van de AVG strenge voorwaarden verbonden. In geval sprake is van het delen van informatie aan een organisatie buiten de Europese Unie moeten er privacy-assessments worden uitgevoerd en moeten partijen privacy-afspraken in contracten vastleggen. Dit zijn zorgvuldige en langdurige processen.
Het kabinet heeft de landsadvocaat gevraagd te adviseren over de privacy- en archiefrechtelijke aspecten van verdere openbaarmaking van het gegevensoverzicht en/of onderdelen daarvan. Dit advies is in januari 2024 ontvangen. Op basis van dit advies is in het voorjaar van 2024 een Data Transfer Impact Assessment (DTIA) uitgevoerd. De DTIA is aan de Functionarissen Gegevensbescherming (FG’s) van respectievelijk de Ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken voorgelegd.
De FG’s adviseerden een aantal maatregelen waaraan de afgelopen periode is gewerkt, zoals het uitvoeren van een Data Protection Impact Assessment (DPIA)1, het opstellen van afspraken tussen het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de verschillende verantwoordelijkheden en rollen in het proces, en het opstellen van zogeheten Standard Contractual Clauses.
De bovengenoemde documenten zijn opnieuw voor advies voorgelegd aan de betrokken FG’s. Dit advies wordt na de zomer verwacht. Eventuele verdere maatregelen die door de FG’s worden geadviseerd zullen met urgentie worden opgevolgd.
Het kabinet vindt het vervelend dat het doorlopen van alle benodigde stappen volgens de AVG veel tijd in beslag heeft genomen, ook gezien de hoge leeftijd van de personen die een claim zouden kunnen indienen. Het kabinet zet zich in voor een zo spoedig mogelijke afronding van de laatste stappen in dit proces.
Naar verwachting kan het gegevensoverzicht dit najaar worden gedeeld met de Indonesische stichting.
Waarom heeft het kabinet er niet voor gekozen om voorlopige of tussentijdse stappen te nemen richting slachtoffers en nabestaanden?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer verwacht u nu dat de eerste concrete acties, zoals het daadwerkelijk delen van de namenlijst met de Indonesische stichting en het benaderen van nabestaanden, gaan plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich dat u op 29 december 2023 de Kamer meldde dat het kabinet een advies had gevraagd aan de landsadvocaat over het lokaal beschikbaar stellen van de namenlijst? Kunt u aangeven of en wanneer het advies van de landsadvocaat is ontvangen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is nog niet begonnen met de namenlijst proactief te gebruiken, terwijl u wel aangeeft dat dit onderdeel zou uitmaken van de uitvoering van te motie? Wanneer wordt dit alsnog opgepakt?
Om de namenlijst proactief te kunnen gebruiken moeten verschillende privacy gerelateerde stappen worden gezet en maatregelen worden genomen zoals geschetst in het antwoord op vraag 2, 3, 4 en 5.
Kunt u bevestigen of op de namenlijst ook slachtoffers uit kampongs in andere delen van Indonesië (naast Zuid-Sulawesi en Rawagede) voorkomen?
Ja, het gegevensoverzicht bevat ook gegevens van mogelijke slachtoffers uit andere delen van Indonesië.
Is onderzocht of er ook slachtoffers in andere regio’s of op andere lijsten staan die in dit proces moeten worden meegenomen?
De stichting heeft zich bij haar activiteiten in eerste instantie gericht op een beperkt aantal delen van Indonesië. De stichting zou zich ook op andere gebieden in Indonesië kunnen richten. Dit zal worden betrokken in de gesprekken met de stichting over de vervolgstappen zoals genoemd in het antwoord op vraag 4.
Ziet u kansen om de Indonesische autoriteiten meer te gaan betrekken bij de Nederlandse inzet om zo de afhandeling te versoepelen? Welke mogelijkheden worden hiervoor benut?
Het kabinet geeft voorkeur aan een persoonlijke en lokale aanpak boven brede publicatie van het gegevensoverzicht of het betrekken van de Indonesische autoriteiten, zodat rekening wordt gehouden met de via digitale middelen beperkte bereikbaarheid van de (hoog)bejaarde doelgroep, en de verwachting dat dit voor de nabestaanden een emotioneel beladen onderwerp is.
Hoe beoordeelt u de constatering dat tot op heden nog geen claims over marteling of verkrachting zijn ingediend, ondanks dat het kabinet heeft aangegeven deze in behandeling te zullen nemen? Ziet u drempels voor betrokkenen om dergelijke claims in te dienen, en zo ja, welke?
Het is juist dat er tot op heden geen claims over marteling of verkrachting zijn ingediend.
Waarom deze claims tot op heden niet zijn ingediend is onduidelijk. Hierbij zou een rol kunnen spelen dat de nog levende slachtoffers inmiddels op hoge leeftijd zijn. Ook schaamte zou een rol kunnen spelen.
Het kabinet benadrukt nogmaals dat als een claim over marteling of verkrachting wordt ingediend deze wordt behandeld en beoordeeld met inachtneming van de eerdere rechterlijke uitspraken en met het uitgangspunt dat het belangrijk is dat aan alle slachtoffers recht moet worden gedaan.
Het bericht ‘EU-ministers nemen geen maatregelen tegen Israël, houden opties op tafel’ |
|
Jan Paternotte (D66), Kati Piri (PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP), Christine Teunissen (PvdD), Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Wat was de inzet van Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juli? Heeft u voorgesteld sancties in te stellen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Mede indachtig de motie Piri/Paternotte1, heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juli jl. benadrukt dat moet worden ingezet op implementatie van het akkoord tussen de EU en Israël over de toegang van humanitaire hulp tot de Gazastrook. Nederland kondigde aan bereid te zijn om bij te dragen aan de implementatie van het akkoord, via een extra humanitaire contributie. Het kabinet zag het akkoord als een stap in de goede richting, maar heeft meteen aangegeven dat het zo snel mogelijk zou moeten worden geïmplementeerd en dat het cruciaal is dat Israël de met de EU gemaakte afspraken nakomt. Bovenal zal Israël meer stappen moeten zetten om de hulpverlening te faciliteren, zoals door het openen van alle grensovergangen en het wegnemen van belemmeringen voor distributie van hulp door professionele, gemandateerde hulporganisaties. Mede vanwege inspanningen van Nederland is bedongen dat wekelijks gerapporteerd wordt over de implementatie van het akkoord en dat alle beoogde maatregelen op tafel blijven liggen. Op 23 en 29 juli jl. rapporteerden de Europese Dienst voor Extern Optreden en de Europese Commissie over de voortgang van de implementatie van het akkoord. Hieruit werd geconcludeerd dat Israël de gemaakte afspraken vooralsnog in onvoldoende mate nakomt.
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 28 juli jl. heeft het kabinet besloten over te gaan tot concrete maatregelen. Op EU-niveau zet Nederland zich in voor opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord met Israël en steunt het de voorgestelde opschorting van Israëlische deelname aan het Accelerator programma van de European Innovation Council, als onderdeel van Horizon Europe. Tevens zal het kabinet in samenwerking met gelijkgestemde partners pleiten voor een voorstel van de Europese Commissie voor handelspolitieke maatregelen ten aanzien van goederenimport uit de illegale nederzettingen in bezet gebied, conform de motie Van Campen en Boswijk.2 Nationaal is de Israëlische ambassadeur op 29 juli jl. op ministerieel niveau ontboden, waarbij Nederland met klem heeft aangedrongen op naleving van het internationaal humanitair recht. Tevens heeft het kabinet besloten de Israëlische Ministers Smotrich en Ben-Gvir persona non grata te verklaren en zet het in op hun registratie als ongewenste vreemdelingen in het Schengeninformatiesysteem (SIS), vanwege hun herhaalde aanzetten tot geweld door kolonisten, hun oproepen tot etnische zuivering in Gaza en hun actieve steun voor de uitbreiding van illegale nederzettingen.
Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in juli jl. eveneens het belang van sancties tegen gewelddadige kolonisten en kolonistenorganisaties benadrukt. Desondanks kon wederom geen akkoord worden bereikt over het derde sanctiepakket dat voorligt in de Raad en is opgesteld door Nederland en Frankrijk. Nederland blijft zich samen met Frankrijk onverminderd inzetten voor aanname van dit pakket. Zoals reeds bekend in uw Kamer heeft Nederland het Zweedse initiatief gesteund met betrekking tot het opleggen van sancties tegen extremistische Israëlische Ministers, in lijn met de gewijzigde motie Klaver.3 Nederland benadrukte tevens de aankondiging van Minister Smotrich om de banking waiver in te trekken niet mag worden geformaliseerd en dat Israël de clearance revenues aan de Palestijnse Autoriteit moet overmaken.
Hoe heeft u opvolging gegeven aan uw uitspraken tijdens het commissiedebat over de Raad Buitenlandse Zaken waar u zei dat u bereid was als Nederland zelf stappen te zetten als er op 15 juli nog geen bestand zou zijn en de Europese Unie (EU) geen overeenstemming zou bereiken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u met de Kamer delen welke afspraken er concreet zijn gemaakt met Israël over het toelaten en distribueren van humanitaire hulp? Aan welke voorwaarden moet Israël bij de eerste deadline over twee weken voldoen?
De gemaakte afspraken tussen de EU en Israël zien onder meer toe op een toename van het aantal vrachtwagens dat dagelijks de Gazastrook binnenkomt; de opening van verschillende andere grensovergangen (zoals de grensovergangen bij Zikim in het noorden van de Gazastrook en Kisuffim in het zuiden); de opschaling van aanvoerroutes over land vanuit Jordanië en Egypte; het mogelijk maken van de distributie van voedselvoorraden via bakkerijen en openbare keukens in de hele Gazastrook; de hervatting van dagelijkse invoer van circa 200.000 liter brandstof voor humanitair gebruik en toegang voor de VN tot deze brandstof; de bescherming van hulpverleners; het verbeteren van procedures voor de registratie van ngo’s; toegang voor vuilniswagens en verruiming van toegang tot vuilstortplaatsen; herstel van essentiële humanitaire infrastructuur; en herstel van toegang tot water.
Welke actie gaat u ondernemen als Israël niét aan deze voorwaarden voldoet?
Zie antwoord vraag 1.
Waarop baseerde u zich bij de uitspraak: «Ik zie bijvoorbeeld dat er gisteren 180 vrachtauto's gingen en eergisteren 160.»?1
Deze uitspraak was gebaseerd op informatie uit diplomatieke contacten.
Zijn er naast afspraken over humanitaire hulp ook afspraken gemaakt over de aanvallen die Israël nog steeds uitvoert, zowel in Gaza als op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, welke afspraken zijn dit?
Het akkoord tussen de EU en Israël ziet niet toe op de gevechtshandelingen in de Gazastrook. Het kabinet onderstreept dat het van belang is dat naast afspraken over toegang voor humanitaire hulp er ook een onmiddellijk staakt-het-vuren komt en dat alle partijen zich aan het internationaal humanitair recht houden. De oorlog moet stoppen.
Wilt u deze vragen vóór woensdag 24 juli om 10.00 uur beantwoorden?
Er is getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording.
Burgers die de grens menen te moeten bewaken |
|
Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Racisme en gepraat over wapens in WhatsApp-groep van «grenswacht» van Jan Huzen»?1
Ja
Hoe beoordeelt u in het licht van de racistische uitspraken zoals die gedaan worden in de Whatsappgroep «Grenscontroles i.v.m. Asielzoekers» uw eerder getoonde begrip voor de achterliggende «frustratie» bij burgers die de grenscontroles hielden? Deelt u de mening dat dit begrip met de kennis van deze racistische teksten nu niet meer op zijn plaats is?
De zorgen en frustraties van sommige Nederlanders over het Nederlandse asielbeleid laten onverlet dat burgers niet het recht in eigen handen mogen nemen. Het uitvoeren van grenscontroles is voorbehouden aan autoriteiten die wettelijk bevoegd zijn, zoals de Koninklijke Marechaussee, en aan strenge regels gebonden. In dit land is er geen ruimte voor eigenrichting. Uitspraken zoals hierboven genoemd zijn verwerpelijk en gevaarlijk.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de in het artikel genoemde beheerder van de Whatsappgroep «Helaas troffen we geen asielzoekers aan. Ook geen donkere mensen, of iets wat erop lijkt» en dat de burgers die grenscontroles uitvoerden indien zij asielzoekers waren tegengekomen die zouden hebben achtervolgd en ondervraagd? Deelt u de mening dat dergelijke uitspraken niet op begrip maar of afkeuring dienen te rekenen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt er vervolging plaats naar aanleiding van de racistische uitlatingen in de genoemde appgroep?
Het is aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er sprake is van strafbare feiten.
Burgers die de grens menen te moeten bewaken |
|
Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Burgers doen zelf «grenscontroles» bij Ter Apel, politie ziet niets strafbaars»1 en «Opnieuw «grenscontrole» door groep burgers, dit keer bij Sellingen»?2
Ja.
Kunt u in een feitenrelaas weergeven waaruit (tot op het moment van beantwoording van deze vragen) de genoemde «grenscontroles» bestonden? Waaruit bestonden de handelingen van de zelfbenoemde grenscontroleurs? Op welke wijze hebben zij automobilisten benaderd, laten stoppen, vragen gesteld of op andere wijze getracht hen te controleren? Hoe veel zelfbenoemde grenscontroleurs waren daarbij betrokken en hoe vaak hebben deze grenscontroles plaatsgevonden? Wat waren de locaties van de controles? Wat heeft de politie ondernomen?
De politie heeft mij het onderstaande feitenrelaas gegeven:
Deelt u de mening dat zelfs als automobilisten vrijwillig toestaan dat hun auto gecontroleerd werd, dat een dergelijke controles intimiderend kunnen werken en sowieso ongewenst zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er sprake is van strafbare feiten. Dat is niet aan mij om te beoordelen.
Deelt u de mening dat controles van deze controles de vrijheid van burgers onrechtmatig beperken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de woordvoerder van de gemeente Westerwolde dat het «verboden [is] voor burgers om auto's aan te houden op de manier waarop de politie dat doet», en dat «dergelijke acties voor enorm gevaarlijke situaties op en langs de weg [zorgen].»? Zo ja, waarom en was er sprake van enige strafbare feiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat bedoelde u met uw uitspraak over de groep burgers die bij Ter Apel voor grenswacht speelden: «Laat de politie en marechaussee hun werk doen en hou je aan de wet.»? Op welke wijze hielden deze burgers zich niet aan de wet?
Wat ik bedoelde met mijn uitspraken is dat het uitvoeren van grenscontroles is voorbehouden aan autoriteiten die wettelijke bevoegd zijn, zoals de Koninklijke Marechaussee, en aan strenge regels gebonden. In dit land is geen ruimte voor eigenrichting.
Wat bedoelde u met uit uitspraak «neem het recht niet in eigen hand»? Op welke wijze werd het recht in eigen hand genomen en waarom acht u dit ongewenst?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u met uw Duitse ambtsgenoot overlegd hoe tegen deze «grenscontroles» opgetreden moet worden? Zo ja, waar heeft dat overleg toe geleid? Zo nee, wilt dan alsnog met uw Duitse ambtsgenoot gaan overleggen en de Kamer over de uitkomst daarvan informeren?
De politie staat in nauw contact met de Koninklijke Marechaussee en de Duitse politie om de situatie aan de grens goed te blijven volgen en waar nodig op te treden. Ook de Koninklijke Marechaussee onderhoudt reguliere contacten met de Duitse grensautoriteiten waar het om binnengrenscontroles gaat.
Het bericht ‘Trump wil duizenden illegalen naar Guantánamo Bay sturen, ook Nederlanders’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Kati Piri (PvdA), Sarah Dobbe (SP), Jan Paternotte (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trump wil duizenden illegalen naar Guantánamo Bay sturen, ook Nederlanders»?1
Ja, ik heb kennis genomen van de berichten hierover in de pers. Kort na het verschijnen van de berichten heeft de woordvoerder van het Witte Huis Leavitt op X gemeld dat het om «fake news» gaat.
Op basis van de laatste informatie lijkt het bericht dat de Trump administratie zich voorbereidt op de overplaatsing van buitenlanders die illegaal in de VS verblijven naar de Amerikaanse basis in Guantánamo Bay voorbarig.
Er zijn ook geen indicaties dat de Verenigde Staten voornemens is Nederlandse staatsburgers uit te zetten via Guantánamo Bay.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is om mensen, zonder enige vorm van proces, vast te zetten in het detentiecentrum in Guantánamo Bay?
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de Trump-regering geen contact met de Nederlandse overheid heeft opgenomen om u op de hoogte te stellen van de opsluiting van Nederlanders?
Ik verwijs voor de beantwoording van deze vragen naar het antwoord op vraag 1
Heeft u naar aanleiding van deze berichtgeving zelf al contact opgenomen met uw Amerikaanse collega om aan te geven dat van de opsluiting van Nederlanders op deze manier geen sprake kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Is bij de ambassade en consulaten in de Verenigde Staten (VS) bekend om welke personen het gaat? En wordt reeds bijstand aan deze Nederlanders verleend?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, samen met Europese collega’s, duidelijk te maken aan de VS dat het zonder proces vastzetten van EU-burgers in Guantánamo Bay consequenties met zich mee zal brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u, gezien de urgentie, deze vragen voor vrijdag 13 juni om 12.00 uur beantwoorden?
De beantwoording van deze vragen zal binnen de daarvoor geldende termijn plaatsvinden.
Het artikel 'Europese Unie stelt in gelekt rapport zèlf oorlogsmisdaden in Gaza vast, toch blijft het stil over sancties tegen Israël' |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Europese Unie stelt in gelekt rapport zèlf oorlogsmisdaden in Gaza vast, toch blijft het stil over sancties tegen Israël»?1
Ja.
Betreft dit artikel het rapport van de Europese Unie (EU) Speciaal Gezant waar u naar verwees in uw brief aan Hoge Vertegenwoordiger Kaja Kallas, d.d. 6 mei 2025?
Ja.
Deelt u de conclusie van het rapport dat Israël systematisch burgerdoelen bombardeert en dat dit een duidelijke schending is van het internationaal humanitair oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het rapport trekt zelf deze conclusie niet, maar verwijst wel naar conclusies van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) op dit punt. Het kabinet heeft meermaals aangegeven dat het bombarderen van burgerobjecten in Gaza een duidelijke schending is van het humanitair oorlogsrecht. Samen met de conclusie van de Europese Dienst voor Extern Optraden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord, heeft het kabinet besloten zowel nationaal alsmede via het EU-spoor maatregelen te nemen.
Deelt u de conclusie van het rapport dat Israël uithongering inzet als oorlogswapen en dat dit een duidelijke schending is van het internationaal humanitair oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het rapport trekt zelf deze conclusie niet, maar verwijst wel naar conclusies van de OHCHR op dit punt. Het kabinet deelt in algemene zin de conclusie dat de inzet van honger als methode van oorlogvoering nooit mag en een duidelijke schending is van het internationaal humanitair recht.
Vindt u dat het rapport voldoende bewijs geeft dat Israël in overtreding is van artikel twee van het Associatieverdrag met de Europese Unie, waarin beide partijen zich committeren aan het respecteren van mensenrechten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt de constateringen van de rapporten van de Speciaal Vertegenwoordiger voor mensenrechten zeer serieus. Het kabinet heeft de inhoud van de rapporten dan ook meegewogen in het besluit om een evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het associatieakkoord te initiëren. Deze evaluatie is reeds uitgevoerd en besproken tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 juni jl. De Kamer is hier middels het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van juni 2025 over geïnformeerd2: de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) heeft geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord. Ook het recente voorstel van de Europese Commissie tot opschorting van de samenwerking tussen Israël en de European Innovation Council (EIC), een onderdeel van Horizon Europe, het grootste onderzoeks- en innovatieprogramma van de EU, onderschrijft deze conclusie. Hierop volgend heeft het kabinet besloten zowel nationaal alsmede via het EU-spoor maatregelen te nemen. Hier is uw Kamer over geïnformeerd middels een brief op 28 juli jl.3
Staat u open voor opschorting van de handelsvoordelen die Israël geniet onder het EU-Israël Associatieverdrag, als consequentie voor de schending van het verdrag door Israël? Zo nee, waarom niet?
Ja, in lijn met de Kamerbrief van 28 juli jl.4 pleit Nederland voor een opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. Het kabinet zet zich in de daarvoor geëigende Brusselse gremia en in relevante bilaterale contacten met andere EU-lidstaten momenteel hiervoor in.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en voor woensdag 18 juni beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Het is helaas niet gelukt deze voor 18 juni te beantwoorden.
De uitspraak van de rechter ten aanzien van het ambtsbericht inzake Syrië |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de rechter inzake de openbaarmaking van het algemeen ambtsbericht over Syrië?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de rechter die stelt dat u op grond van het Europese Unierecht en het nationale recht verplicht bent om het algemeen ambtsbericht inzake Syrië te overleggen?
Het kabinet is de uitspraak aan het bestuderen en zal deze betrekken bij de nieuwe werkwijze inzake niet-openbare ambtsberichten.
Kunt u zo snel mogelijk voldoen aan de uitspraak van de rechter en het nieuwe ambtsbericht inzake Syrië, indien bekend, alsnog openbaar maken?
Het nieuwe ambtsbericht Syrië is op 6 juni jl. bij het Woo-besluit openbaar gemaakt.
Bent u voornemens in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak? Zo ja, waarom?
De uitspraak betreft een tussenuitspraak in een vreemdelingrechtelijke procedure. Het eventueel instellen van hoger beroep is eerst aan de orde indien de rechtbank een einduitspraak heeft gedaan. Dit ligt op de weg van het Ministerie van Asiel en Migratie.
Deelt u de constatering van de rechter dat het evident is «dat de openbaarmaking van een algemeen ambtsbericht, de nationale veiligheid of de veiligheid van die bronnen in het algemeen niet in gevaar zal brengen»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, klopt het dat u daarmee niet meer voldoet aan de enige uitzonderingsgrond voor het niet openbaar maken van ambtsberichten?
Per ambtsbericht dient te worden vastgesteld of er al dan niet uitzonderingsgronden van toepassing zijn. In het geval van het nieuwe ambtsbericht Syrië heb ik geconcludeerd dat er geen uitzonderingsgronden op grond van de Woo zijn om de informatie niet openbaar te maken.
Zoals aangegeven in mijn reactie op vraag 2 worden de overwegingen in de tussenuitspraak op dit moment bestudeerd door het kabinet. De genoemde artikelen maken hier onderdeel van uit en zullen ook worden betrokken bij de nieuwe werkwijze inzake niet-openbare ambtsberichten. Het is aan de Minister van Asiel en Migratie onder wiens verantwoordelijkheid onderhavige gerechtelijke procedure valt om te reageren op de tussenuitspraak.
Het besluit om ambtsberichten voortaan niet meer te publiceren blijft staan. Ik heb aangegeven dat Woo-verzoeken volgens de geldende procedures en criteria worden behandeld. Op basis van de juridische kaders van de Woo is het ambtsbericht Syrië op verzoek openbaargemaakt.
Klopt het dat de Unierechtelijke en nationale rechtelijke verplichtingen die aangehaald worden door de rechter in deze zaak ook van toepassing zijn op alle andere landen waar uw ministerie een algemeen ambtsbericht voor opstelt? Zo ja, bent u voornemens om uw eerder aangekondigd beleid om algemene en thematische ambtsberichten voortaan niet meer actief openbaar te maken in te trekken? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom de aangehaalde Unierechtelijke verplichtingen, waaronder artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten, artikel 10 van richtlijn 2013/32, artikel 12 van richtlijn 2013/32 en artikel 23 van richtlijn 2013/32 niet van toepassing zouden zijn op uw onlangs aangekondigd beleid?
Zie antwoord vraag 5.
Op basis van welke adviezen en inzichten heeft u eerder gesteld dat er geen wettelijke verplichting bestaat om ambtsberichten actief openbaar te maken?2
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en kunt dat doen voor het commissiedebat JBZ-Raad 12–13 juni 2025 te Luxemburg (vreemdelingen- en asielbeleid) van 11 juni 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat Netanyahu de bewapening van aan ISIS-gerelateerde groepen in Gaza heeft goedgekeurd |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israel arming ISIS-affiliated militia in Gaza, ex-defense chief claims; Netanyahu: Fighting Hamas «in various ways»» van Haaretz, d.d. 5 juni 2025?1
Ja.
Keurt u deze bewapening af? Zo nee, waarom niet?
Het standpunt van het kabinet is dat er een onmiddellijk staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas nodig is om de gijzelaars vrij te krijgen, om massaal meer hulp te kunnen geven aan de noodlijdende bevolking in de Gazastrip en om te zorgen dat er een einde komt aan de vijandelijkheden. Daarbij is het van belang dat Hamas en aanverwante groepen geen rol krijgen bij het toekomstig bestuur van de Gazastrook en dat zij worden ontwapend.
Het kabinet kan niet eigenstandig vaststellen of de berichtgeving over de bewapening van met Hamas rivaliserende lokale groepen die al dan niet zijn geaffilieerd met ISIS klopt, maar erkent dat deze berichten zorgelijk zijn. Het kabinet keurt dan ook de bewapening van die groeperingen af.
Als de berichtgeving klopt, bent u bereid om Netanyahu op de Europese sanctielijst te zetten vanwege bewapening van terroristische organisaties? Zo nee, waarom niet?
Hiertoe zie ik op dit moment geen aanleiding, aangezien de veronderstelde verbinding tussen de lokale groepen en ISIS niet is vastgesteld.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en voor 12 juni a.s. beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord en zo snel mogelijk met de Kamer gedeeld.
De erkenning van de Palestijnse Staat |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat België steun heeft gegeven aan het plan van Macron voor wederzijdse erkenning van Israël en Palestina?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat Malta komende maand de Palestijnse Staat gaat erkennen?2
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat ook het Verenigd Koninkrijk (VK) overweegt het Franse voorstel ter erkenning van de Palestijnse Staat te steunen?3
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Spanje, Ierland en Noorwegen al in mei 2024 de Palestijnse Staat hebben erkend?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Israel warns Europe that Palestine recognition may be met with West Bank annexation» van The Times of Israel, d.d. 27 mei jl.?4
Ja.
Heeft Israël ook Nederland gewaarschuwd dat erkenning van de Palestijnse Staat gevolgd zal worden met de annexatie van (delen van) de Westelijke Jordaanoever of met het afbouwen van inlichtingensamenwerking?5
Er is geen contact geweest met Israël over de gevolgen van een mogelijke erkenning van de Palestijnse staat.
Hoe beoordeelt u dit dreigement?
De uitspraken en acties van de regering Netanyahu die raken aan annexatie en herbezetting vormden mede de aanleiding om de Israëlische ambassadeur te ontbieden op 9 april 2025 en een brief aan de Hoge Vertegenwoordiger te sturen om naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren.
Bent u bekend met het bericht dat het Israëlische veiligheidskabinet vorige week de bouw van 22 nieuwe illegale nederzettingen heeft goedgekeurd?6
Ja.
Bent u van mening dat de bouw van nederzettingen eindelijk een halt moet worden toegeroepen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u daartoe? Zo nee, waarom niet?
Ja. In overeenstemming met het advies van het IGH van 19 juli 2024, erkent het kabinet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Het kabinet keurt het Israëlisch nederzettingenbeleid ten stelligste af en spreekt zich hierover consistent, zowel voor als achter de schermen, uit. De Nederlandse overheid ontmoedigt economische relaties met bedrijven in Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse Gebieden. Daarnaast zet het kabinet zich in EU-verband in voor aanvullende maatregelen tegen gewelddadige kolonisten en entiteiten op de bezette Westelijke Jordaanoever. Diverse sanctiepakketten tegen entiteiten en personen zijn inmiddels in EU-verband aangenomen.
Bent u bekend met de stemming van de Knesset tegen de tweestatenoplossing in juli 2024?7
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van Netanyahu dat erkenning van de Palestijnse Staat een beloning voor terreur zou zijn?8
Ja.
Klopt het bericht dat Frankrijk aan Nederland en andere Europese landen heeft gevraagd om tijdens de aanstaande Verenigde Naties (VN)-conferentie van 17 tot 20 juni een gezamenlijke verklaring ter erkenning van de Palestijnse Staat af te leggen?9 Zo ja, op welk niveau heeft Frankrijk Nederland benaderd?
Dit bericht is niet correct. Overigens is de conferentie inmiddels uitgesteld.
Met alle voornoemde feiten in het achterhoofd, overweegt u net als andere Europese landen om komende maand de Palestijnse Staat te erkennen? Zo nee, waarom niet?
Het is op het moment van schrijven nog niet duidelijk of landen als Frankrijk deze maand daadwerkelijk tot erkenning zullen overgaan. Erkenning is een middel dat slechts één maal kan worden ingezet en vergt daarom zorgvuldige afweging. Erkenning is voor Nederland op dit moment niet aan de orde.
Kunt u deze vragen vóór 10 juni – een week voor aanvang van de VN-conferentie over de tweestatenoplossing – en elk afzonderlijk beantwoorden?
Er is getracht om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het gehouden rondetafelgesprek over de situatie in Gaza en bijbehorende position papers |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA), Stephan van Baarle (DENK), Sarah Dobbe (SP), Jan Paternotte (D66), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gehouden rondetafelgesprek over de situatie in Gaza d.d. 28 mei jl. en bijbehorende position papers?
Ja.
Bent u van mening dat er een ernstig risico bestaat dat er genocide wordt gepleegd in Gaza? Zo ja, vanaf wanneer ziet u dit risico?
Nederland is in de regel terughoudend met het kwalificeren van situaties als genocide. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Er moet dus sprake zijn van één of meerdere handelingen uit het Genocideverdrag én van genocidale opzet. Bij dit misdrijf geldt een hoge bewijslast. Hiervoor is het noodzakelijk om voldoende bewijs te vergaren, dit materiaal te analyseren en dat te beoordelen. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Hoewel de aandacht in het maatschappelijk debat vooral uitgaat naar genocide, is het kabinet van mening dat binnen het internationaal recht geen hiërarchie bestaat tussen de verschillende internationale misdrijven. Tegelijkertijd moet de terughoudendheid om zaken te kwalificeren als genocide zeker niet worden gezien als ontkenning van de ernst van de catastrofale situatie in de Gazastrook.
Het kwalificeren van een situatie als genocide door Nederland of andere staten is geen vereiste voor de toepasselijkheid van verplichtingen voor derde landen onder het Genocideverdrag. Zoals ook gesteld in de Kamerbrief van 21 januari 2025 ontstaat de verplichting om genocide te voorkomen en de bijbehorende plicht om te handelen op het moment dat een (derde) staat verneemt, of normaal gesproken had moeten weten, van het bestaan van een ernstig risico op genocide. Derhalve hoeft hiervoor niet op een rechterlijk oordeel te worden gewacht. De reikwijdte van de verplichting voor derde staten, zoals Nederland, hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide. Over de exacte afbakening van dit begrip bestaan, ook onder juristen, verschillende inzichten. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Sinds het eerste bindende tussenvonnis met voorlopige maatregelen van het Internationaal Gerechtshof in bovengenoemde zaak, heeft Nederland in Kamerbrief van 13 februari 2024 aangegeven deze uitspraak te respecteren en heeft de partijen, ook in de bilaterale contacten, opgeroepen de uitspraak na te leven.
Nederland neemt elk risico op genocide zeer serieus en heeft, mede in het licht van de genoemde verplichting, al langere tijd stappen ondernomen om de situatie naar vermogen te verbeteren, zoals ook in de Kamerbrief van 21 januari 2025 is omschreven
Het kabinet zal naar aanleiding van de ontwikkelingen op de grond steeds de inzet blijven wegen en bezien welke instrumenten, maatregelen of stappen op het terrein van diplomatie, humanitair veiligheid en bestrijding van straffeloosheid kunnen worden ingezet ten behoeve van daadwerkelijke verbetering van de catastrofale situatie in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever.
Bent u het met de auteurs dr.mr. Marieke de Hoon en prof.dr.mr. Göran Sluiter eens dat de uiterlijke datum waarop de Nederlandse staat op de hoogte kwam van het serieuze risico dat genocide gepleegd wordt in Gaza op zijn laatst 26 januari 2024 was, toen het Internationaal Gerechtshof (IGH) oordeelde dat het aannemelijk was dat de rechten van de Palestijnen onder het genocideverdrag worden geschonden? Zo nee, waarom niet?
Zie de beantwoording van vraag 2.
Acht u de rechterlijke tussenuitspraken van het IGH op 26 januari 2024, 28 maart 2024 en 24 mei 2024 als zodanig bewijs van een ernstig risico op genocide in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich bewust van de uitspraak van het IGH in de zaak Bosnië tegen Servië (paragraaf 182) dat de verplichting van een staat om genocide te voorkomen, en de corresponderende verplichting om te handelen, ontstaat op het moment dat een staat op de hoogte komt van het bestaan van een serieus risico op genocide en dat een rechterlijke vaststelling daar niet voor nodig is?1
Ja. Zoals weergegeven in de Kamerbrieven van 21 januari en 18 juni 2025, is het kwalificeren van een situatie als genocide door Nederland of andere staten geen vereiste voor de toepasselijkheid van verplichtingen onder het Genocideverdrag, waaronder de verplichting om genocide te voorkomen. Deze verplichting treedt immers in werking bij een betrouwbare aanwijzing van een ernstig risico op genocide. Ook in situaties waarin niet vaststaat of daden van geweld zijn aan te merken als genocide dient reeds te worden overgegaan tot actie, binnen de mogelijkheden van de betreffende staat, ter preventie van verdere gruwelijkheden.
Bent u zich ervan bewust dat het IGH stelt dat de inspanningsverplichtingen om genocide in Gaza te voorkomen en te beëindigen een zelfstandige en individuele verantwoordelijkheid van verdragsstaten, en dus ook van Nederland, zelf is?
Ja. Zoals weergegeven in Annex 1 in de Kamerbrief van 21 januari 2025, is de verplichting om genocide te voorkomen primair gericht op de staat met controle over de handelingen of het grondgebied, maar niet territoriaal begrensd. De reikwijdte van de verplichting voor derde staten, zoals Nederland, hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide.
Kunt u aangeven welke concrete stappen u namens Nederland heeft gezet sinds 26 januari 2024, om genocide in Gaza te voorkomen – en ondertussen te beëindigen – zoals verplicht wordt in artikel 1 van het Genocideverdrag?
Nederland neemt elk risico op genocide zeer serieus en heeft, mede in het licht van de genoemde verplichting, al langere tijd stappen ondernomen om de situatie naar vermogen te verbeteren, zoals ook in de Kamerbrief van 21 januari 2025 is omschreven. Het kabinet blijft naar aanleiding van de ontwikkelingen ter plaatse steeds de inzet blijven en beziet welke instrumenten, maatregelen of stappen op het terrein van diplomatie, humanitair, veiligheid en bestrijding van straffeloosheid kunnen worden ingezet ten behoeve van verbetering van de situatie in Israël en de Palestijnse gebieden.
Recent heeft het kabinet daarom verdere stappen gezet, waarbij het belangrijkste doel steeds was om Israël te bewegen de humanitaire blokkade op te heffen en de partijen tot een staakt-het-vuren te laten komen en geen stappen te zetten die tweestatenoplossing verder uit zicht brengt. Zo is het kabinet op 7 april overgegaan tot intrekking van de algemene vergunning NL002 en aanpassing algemene vergunning NL007 NL010 door Israël uit te sluiten als land van eindbestemming. Op 9 april heeft Nederland – als eerste EU-lidstaat sinds het einde van het staakt-het-vuren op 18 maart jl. – de Israëlische ambassadeur ontboden naar aanleiding van de aanval op een Palestijns hulpkonvooi met ambulancemedewerkers. Op 6 mei heeft Nederland tevens een brief aan de EU Hoge Vertegenwoordiger verstuurd met het verzoek om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren. Het is van belang dat deze stap in Europees verband is gezet, omdat gezamenlijk opvoeren van de druk meer gewicht in de schaal legt. Op 23 juni heeft de Raad Buitenlandse Zaken gesproken over de uitkomsten van het onderzoek aangaande mogelijke schending van artikel 2 van het Associatieakkoord EU-Israël. Voor verdere informatie verwijs ik uw Kamer naar het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken. Daarnaast blijft Nederland in Europees verband zich als initiatiefnemer inzetten om gewelddadige en kolonistenorganisaties te sanctioneren. Verder hebben verschillende demarches plaatsgevonden in Israël over de catastrofale humanitaire situatie in de Gazastrook, waaronder in EU-verband en met gelijkgezinde landen als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, en is met de betrokken partners steeds contact geweest over de onderhandelingen ten aanzien van een staakt-het-vuren. Ook heeft Nederland op 18 juni jl. zich aangesloten bij het Zweedse initiatief om EU-sancties tegen de extremistische Ministers Ben-Gvir en Smotrich in te stellen.
Bent u in het licht van bovenstaande van mening dat Nederland al het mogelijke in haar macht (all means reasonably available to them) doet om genocide in Gaza te voorkomen of te beëindigen? Zo ja, kunt u dat uitleggen?
Ja. Daarbij weegt het kabinet de Nederlandse inzet voortdurend en bepaalt steeds naar aanleiding van de ontwikkelingen ter plaatse op welke wijze de druk op de meest effectieve wijze kan worden opgevoerd om een einde te maken aan de catastrofale situatie in de Gazastrook. Zie ook het antwoord bij vraag 2 en bij vraag 7.
Sinds de tussenuitspraak van het IGH op 26 januari 2024 is de situatie in Gaza verder verslechterd, bent u van mening dat de acties van Nederland Israël voldoende hebben bewogen om van koers te veranderen? Zo ja, kunt u dat uitleggen? Zo nee, kunt u dan uitleggen waarom u geen extra stappen hebt ondernomen zoals verplicht onder het Genocideverdrag?
Zie de beantwoording van vraag 7.
Bent u van mening dat de Nederlandse oproep voor een onderzoek naar de schending van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord door Israël in de buurt komt van de eis van het Genocideverdrag om al het mogelijke te doen om genocide in Gaza te voorkomen of te beëindigen?
Dit is één element van de wijze waarop Nederland invulling hieraan geeft. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Bent u van mening dat Nederland, als bondgenoot en handelspartner van Israël meer invloed heeft dan veel andere landen om Israël onder druk te zetten de genocide en oorlogsmisdaden dat het land begaat in Gaza te beëindigen?
Het kabinet is van mening dat collectieve druk meer impact heeft dan individuele druk en zet zich daarom waar mogelijk in op initiatieven in EU-verband of ander breed verband (zoals bij de demarches). Desalniettemin heeft het kabinet de afgelopen maanden naast een gezamenlijke Europese koers ook meerdere nationale stappen gezet. Realiteitszin is geboden, ook gezien de beperkte invloed die Nederland kan uitoefenen in het Midden-Oosten. Op het gebied van handel is het daarnaast van belang dat rekening wordt gehouden met de EU-competenties.
Hoe vergelijkt u de Nederlandse inspanningsverplichting om genocide in Gaza te voorkomen en te beëindigen met die van Zuid-Afrika, dat bijvoorbeeld een zaak heeft aangespannen tegen Israël?
Iedere staat geeft zijn eigen invulling aan de inspanningsverplichting om genocide te voorkomen. Nederland zet zowel in bilateraal als multilateraal verband druk om de situatie op de grond te verbeteren. Zo zijn er diverse maatregelen genomen, zie het antwoord bij vraag 7.
Bent u van mening dat Nederland, als hechte bondgenoot en handelspartner van Israël, een nog grotere verplichting heeft om genocide in Gaza te voorkomen en te beëindigen dan een land als Zuid-Afrika dat minder politieke, economische en militaire relaties heeft met Israël? Zo nee, waarom niet?
Het is aan staten zelf om hun verplichtingen vorm te geven. Zoals toegelicht in mijn brief van 21 januari 2025, hangt de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op vermeende daders onder meer af van de geografische afstand en van de sterkte van de politieke, militaire en financiële banden tussen de autoriteiten van de staat en de belangrijkste bij de gebeurtenissen betrokken personen. Zie verder het antwoord op vraag 12.
Bent u van mening dat aansluiten bij de genocidezaak die Zuid-Afrika heeft aangespannen tegen Israël bij het IGH zou bijdragen aan de Nederlandse inspanningsverplichting om genocide in Gaza te voorkomen of te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De genoemde verplichting omvat niet het initiëren van juridische procedures of het interveniëren in bestaande procedures bij het Internationaal Gerechtshof. Daarnaast kan een interventie van Nederland in de zaak die Zuid-Afrika aangespannen heeft tegen Israël niet bijdragen aan het voorkomen of beëindigen van de vermeende genocide in de Gazastrook. Nederland kan zich niet «aansluiten» bij deze zaak. Het Statuut van het Internationaal Gerechtshof biedt Nederland alleen de mogelijkheid in deze procedure een interventie in te dienen die zich richt op de constructie (interpretatie) van het verdrag. Een dergelijke interventie kan niet ingaan op de feiten van de zaak, of op de vraag of Israël zijn verplichtingen onder het Genocideverdrag geschonden heeft.
Bent u van mening dat het stoppen van Nederlandse wapenexport en wapenimport naar en van Israël zou bijdragen aan de Nederlandse inspanningsverplichting om genocide in Gaza te voorkomen of te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het huidige toetsingsbeleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen. Het kabinet toetst vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen zorgvuldig per geval. Daarbij gaat het kabinet zeer gedegen te werk. Daar waar een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Zo wordt geen vergunning verleend voor de uitvoer van militaire goederen als een duidelijk risico bestaat dat die zullen bijdragen aan activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op de Westelijke Jordaanoever. Dat het kabinet hiermee voldoet aan zijn (internationaalrechtelijke) verplichtingen is door de voorzieningenrechter van het gerechtshof in Den Haag bevestigd in het vonnis van 13 december 2024.
Het kabinet hecht er tot slot aan te benadrukken dat er binnen de Europese kaders voor wapenexportcontrole geen onderscheid wordt gemaakt tussen offensieve en defensieve wapens. Bij elke vergunningaanvraag wordt per geval beoordeeld of de betreffende export duidelijke risico’s op ongewenst eindgebruik met zich meebrengt. In dat licht kan kortom gesteld worden dat, gegeven de huidige situatie in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, de uitvoer naar Israël van goederen die gebruikt kunnen worden bij ernstige schendingen van mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht niet wordt toegestaan. Tegelijkertijd laat dit beleid wel ruimte voor de uitvoer van militaire goederen die enkel voor zelfverdedigingsdoeleinden kunnen worden gebruikt, zoals onderdelen voor het Iron Dome systeem. Het kabinet blijft deze uitvoer – gezien het belang van de veiligheidswaarborging voor burgers in Israël – toestaan zo lang deze de toets aan de Europese kaders voor wapenexportcontrole doorstaat.
Bent u van mening dat economische sancties tegen Israël zouden bijdragen aan de Nederlandse inspanningsverplichting om Genocide te voorkomen of te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
De reikwijdte van de verplichting voor derde staten, zoals Nederland, hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide.
Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed uitgeoefend kan worden. Hierbij worden op voorhand geen opties uitgesloten. In algemene zin wordt bij sancties gestreefd naar een zo groot mogelijke effectiviteit, waarbij een weging moet worden gemaakt van het politieke doel, de haalbaarheid (o.a. het Europese krachtenveld) en de juridische vereisten. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Bent u van mening dat sancties tegen regeringsleiders die oproepen tot etnische zuivering, honger als wapen en de vernietiging van Gaza, zoals Netanyahu, Smotrich, Ben-Gvir en Katz zouden bijdragen aan de Nederlandse inspanningsverplichting om genocide in Gaza te voorkomen of te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
De reikwijdte van de verplichting voor derde staten, zoals Nederland, hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide.
Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed uitgeoefend kan worden. Hierbij worden op voorhand geen opties uitgesloten. In algemene zin wordt bij sancties gestreefd naar een zo groot mogelijke effectiviteit, waarbij een weging moet worden gemaakt van het politieke doel, de haalbaarheid (o.a. het Europese krachtenveld) en de juridische vereisten. Op basis van deze weging heeft Nederland op 18 juni jl. zich aangesloten bij het Zweedse initiatief richting de Hoge Vertegenwoordiger van de EU om sancties tegen de extremistische Ministers Ben-Gvir en Smotrich in te stellen.
Hoe beoordeelt u het feit dat auteurs dr.mr. Marieke de Hoon en prof.dr.mr. Göran Sluiter stellen dat het «een misverstand is dat er op een rechterlijk oordeel moet worden gewacht» om het risico op genocide te erkennen?
Dit is conform het standpunt van het kabinet. Zoals in Annex 1 van mijn brief aan uw Kamer van 21 januari 2025 is toegelicht, ontstaat de verplichting om genocide te voorkomen en de bijbehorende plicht om te handelen op het moment dat de (derde) staat verneemt, of normaal gesproken had moeten weten, van het bestaan van een ernstig risico dat genocide zal worden gepleegd. Derhalve hoeft hiervoor niet op een rechterlijk oordeel te worden gewacht. Wel kan een staat alleen aansprakelijk worden gehouden voor het schenden van de verplichting tot voorkomen van genocide wanneer daadwerkelijk vast staat dat genocide heeft plaatsgevonden. Nederland heeft hierop volgend de afgelopen maanden diverse maatregelen genomen, zie het antwoord bij vraag 7.
Bent u het eens met de stelling van auteurs dr.mr. Marieke de Hoon, prof.dr.mr. Göran Sluiter en de uitspraak in het rondetafelgesprek d.d. 28 mei jl. van prof. mr. dr. G.G.J.A. Knoops dat het rechtelijke oordeel of genocide is gepleegd vaak pas ruimschoots komt nadat die genocide heeft plaatsgevonden en dat hierop wachten in strijd is met de verplichting om genocide te voorkomen en/of te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 18.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV), uit het advies Het gebruik door politici van de term genocide, dat «[h]et oordelen van staten over internationaalrechtelijke kwesties inherent is aan het systeem van het volkenrecht» en dat het in beginsel aan staten is «om een oordeel te vellen over volkenrechtelijk relevante handelingen van andere staten of andere personen»?
Het kabinet erkent dat uitingen van staten van belang zijn bij de vorming en ontwikkeling van het internationaal recht. Een belangrijke nuance, die ook de CAVV daarbij maakt, is dat dergelijke uitingen van staten van belang zijn om de effectiviteit van het volkenrecht te waarborgen, wanneer bijvoorbeeld geen rechterlijk orgaan met verplichte rechtsmacht beschikbaar is. Ook betekent het feit dat staten zich kunnen uitlaten over kwesties van volkenrecht niet dat een staat verplicht zou zijn een bepaalde situatie te voorzien van een internationaalrechtelijke kwalificatie.
Bent u het met de CAVV en auteurs dr.mr. Marieke de Hoon en prof.dr.mr. Göran Sluiter eens dat bovenstaande impliceert dat ook parlementen niet belemmerd worden door een regel dat alleen de rechter zich zou kunnen uitspreken over genocide of misdrijven tegen de menselijkheid?
Dit is aan het parlement zelf.
Hoe beoordeelt u de constatering van auteurs dr.mr. Marieke de Hoon en prof.dr.mr. Göran Sluiter dat bij de erkenning van genocide door een staat het gaat om het geheel van bekende feiten en omstandigheden en de beoordeling daarvan door gezaghebbende instanties en wetenschappers?
Zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 17 juni en de Kamerbrief van 21 januari 2025 is Nederland in de regel terughoudend om situaties als genocide te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Er moet dus sprake zijn van één of meerdere handelingen uit het Genocideverdrag én van genocidale opzet. Bij dit misdrijf geldt een hoge bewijslast. Hiervoor is het noodzakelijk om voldoende bewijs te vergaren, dit materiaal te analyseren en dat te beoordelen. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide.
Bent u zich bewust van het feit dat talloze gezaghebbende internationale humanitaire organisaties – waaronder Amnesty International en Human Rights Watch en wetenschappers – waarschuwen voor een genocide in Gaza?
Ja.
Heeft het kabinet een ander standpunt ingenomen ten opzichte van het vorige kabinet over het erkennen van genocides?
Nee.
Bent u bekend met de uitspraak van voormalig Minister van Justitie Dilan Yesilgöz die aan de Kamer schreef «Voor de Nederlandse regering zijn bij de erkenning van genocides uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek en vaststellingen door de VN leidend»? Onderschrijft u deze uitspraak?
Ja, ik ben hiermee bekend. Voor de meest recente toelichting op het kabinetstandpunt verwijs ik u naar het antwoord op vraag 22.
Welke andere afweging maakt u ten opzichte van Dilan Yesilgöz, toenmalig Minister van Justitie, die beoordeelde dat Islamitische Staat (IS) zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan genocide tegen Yezidis, nog voordat er uitspraken van internationale rechtbanken waaruit – het risico op – genocide kon worden afgeleid, beschikbaar waren?
Zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 17 juni jl. en de Kamerbrief van 21 januari jl. is Nederland in de regel terughoudend om situaties als genocide te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Er moet dus sprake zijn van één of meerdere handelingen uit het Genocideverdrag én van genocidale opzet. Bij dit misdrijf geldt een hoge bewijslast. Hiervoor is het noodzakelijk om voldoende bewijs te vergaren, dit materiaal te analyseren en dat te beoordelen. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide.
Bent u het ermee eens dat – indachtig alle rapporten (van Amnesty International, Human Rights Watch, Artsen zonder Grenzen, verschillende wetenschappers en verschillende internationale organisaties) waarin vanuit de beschikbare feiten wordt geconcludeerd dat de behandeling van de Palestijnse bevolking door Israël wordt gekwalificeerd als genocide en indachtig het regeringsstandpunt met betrekking tot de vaststelling van genocides zoals dat enige jaren geleden bij de genocide op Yezidis werd toegepast – er voldoende feiten zijn vastgesteld om te kunnen stellen dat Israël zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt en maakt aan genocide in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Over het kwalificeren van genocide, zie het antwoord bij vraag 2.
Vereist het doel en de strekking van het genocideverdrag niet dat er betekenisvolle en maximale invulling wordt gegeven aan de preventieplicht?
Ja. Zie het antwoord op vraag 7 voor de Nederlandse invulling hieraan.
Bent u bereid deze vragen los van elkaar en binnen een week te beantwoorden?
Er is getracht om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.