De uitvoering van motie Ceder 19637, nr. 3488 |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen motie Ceder (Kamerstuk 19 637, nr. 3488) die een verkenning verzoekt van een aanpassing van het Vreemdelingenbesluit zodat een ambtshalve toets op artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij minderjarigen verplicht wordt en daarin de belangen van het kind waaronder geworteldheid in de Nederlandse samenleving expliciet worden gewogen; tevens een verkenning verzoekt hoe een uitwerking van deze ambtshalve toetsing in de vreemdelingencirculaire en de werkinstructie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet worden uitgewerkt, waarin wordt uitgewerkt wat artikel 8 EVRM voor minderjarige kinderen betekent op een wijze dat een aanzuigende werking voorkomen wordt, en een juridische uitwerking vraagt van een wijze waarop het perspectief van een positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving ook een overweging van toekenning kan zijn?
Op welke manier voert u deze motie uit? Welke stappen gaat u zetten om deze verkenningen te realiseren? Worden gemeenten, onderwijs- en werkgeversorganisaties hierbij betrokken? Op welke termijn kan de Kamer over uw bevindingen worden geïnformeerd?
Erkent u dat er ongedocumenteerde kinderen met en zonder asielverleden zijn die Nederlands spreken, goed opgeleid zijn en de Nederlandse normen en waarden onderschrijven? Klopt het dat dit momenteel nog geen zwaarwegend belang wordt toegekend? Klopt het tevens dat een potentieel positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving nog niet wordt meegewogen?
Erkent u dat het veel minder moeite en inspanning van toekomstige werkgevers en de samenleving vraagt als deze kinderen in Nederland uiteindelijk gaan werken dan als er migranten met een werkvisum tijdelijk de Nederlandse arbeidsmarkt op komen, zonder verplichtingen tot integratie en participatie?
Wat vindt u in het licht van toenemende arbeidstekorten in cruciale sectoren ervan dat er ongedocumenteerde jongeren/jong-volwassenen niet eenvoudig een verblijfsvergunning kunnen krijgen terwijl zij klaar staan om een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving?
Op welke manier wordt de toets aan het belang van het kind in vreemdelingrechtelijke procedures momenteel vormgegeven? Wat vindt ervan om deze toets verplicht te maken, bijvoorbeeld voor alle minderjarigen en/of als er een bepaald substantieel deel van het leven in Nederland is doorgebracht?
Neemt u in de verzochte verdere uitwerking mee welke rechten een kind heeft op basis van artikel 8 EVRM, waarbij de individuele belangen van het kind worden betrokken en aan welke inkadering denkt u?
Kunt u bevestigen dat er nu geen expertise bij de IND aanwezig is om de toets aan het belang van het kind uit te voeren? Krijgen vreemdelingen op die manier voldoende rechtsbescherming? Zijn er plannen om expertise aan de IND toe te voegen?
Het artikel 'Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten»?1
Ja
Bent u bekend met de bij deze zaak behorende beschikkingen van de rechtbank Noord Nederland?2, 3
Ja
Hoe kan het volgens u dat kinderen drie jaar lang ernstig fysiek zijn mishandeld, waaronder geslagen, aan de oren getrokken worden en door een hond gebeten worden, terwijl zij in dit gezinshuis geplaatst zijn door de Gecertificeerde Instelling (GI), deze GI de voogdij had en deze als gevolg hiervan ook toezicht diende te houden op het wel en wee en de veiligheid van de kinderen?
GI’s zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en hebben daarmee een belangrijke taak in het bewaken van de veiligheid van kinderen. Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig) passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Hoe deze verantwoordelijkheid in deze specifieke casus is ingevuld, kunnen we op dit moment niet beoordelen. Hiervoor zijn we in afwachting van het onderzoek dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, in samenwerking met de Inspectie Justitie en Veiligheid en mogelijk met de Inspectie van het Onderwijs, gaat doen naar de feiten en omstandigheden in deze casus.
Bent u bekend met het persbericht van de GI waarin gesteld wordt dat de jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogisch klimaat in het gezinshuis?4
Ja
Wat zegt het u dat ondanks dat jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogische klimaat in het gezinshuis, de kinderen er pas werden weggehaald na een specifieke melding? Hoe reflecteert u in dat licht op het functioneren en de daadkracht van de GI en de interne controlemechanismen, zeker gezien de duur, de herhaling en de ernst van de mishandelingen?
Omdat er volgens de GI sprake was van acute onveiligheid zijn de kinderen onmiddellijk overgeplaatst naar een ander gezinshuis en heeft de GI melding gedaan bij de IGJ. Er waren volgens de GI eerder geen concrete signalen van (fysieke) mishandeling opgevangen, ondanks regelmatige gesprekken met de kinderen door de jeugdbeschermers. De vraag óf er wel signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, wordt onderzocht.
De GI heeft aangegeven dat er eerder wel zorgen waren over de opvoedvaardigheden in het gezinshuis en de verzorging. Hier is destijds actie op ondernomen door de GI. De hoofdaannemer van het gezinshuis heeft daarop een traject gestart gericht op het verbeteren van de (pedagogische) vaardigheden van de gezinshuisouder. Pas nadat dit succesvol was afgerond, zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst.
Erkent u dat drie jaar mishandeling niet past bij het uitgangspunt dat een GI kinderen nauwlettend moet volgen en beschermen? Zo nee, hoe verklaart u dan dat dit toch is gebeurd?
Zoals ook bij vraag 3 is aangegeven, zijn we in afwachting van het onderzoek van de inspecties over de feiten en omstandigheden. Hoewel jeugdbeschermers kinderen regelmatig zien, blijft het herkennen van signalen van mishandeling bijzonder complex. Ieder contactmoment geeft slechts een beperkte inkijk in het dagelijks leven. Hierdoor blijft altijd een risico bestaan dat zorgwekkende situaties niet volledig zichtbaar zijn. Zoals ook bij vraag 5 is aangegeven, onderzoekt de GI óf er eerder wel signalen waren die zij hebben gemist. De GI zal de uitkomsten van dit intern onderzoek ook met de inspecties delen.
Hoe kan het dat nu blijkt dat er kinderen in een gezinshuis al jaren werden behandeld, terwijl de betrokken GI, die ook in de Vlaardingen-zaak betrokken was, heeft verklaard dat alle dossiers waren nagekeken en getoetst?
De GI heeft naar aanleiding van casus Vlaardingen alle dossiers getoetst op risicofactoren. Op basis hiervan is de situatie in dit gezinshuis ook opnieuw multidisciplinair besproken. Daaruit kwam naar voren dat er op dat moment geen signalen van acute onveiligheid waren.
Deelt u de analyse dat er in deze casus zowel sprake is van het verwijtbaar gedrag van de gezinshuisouders, als falen van de GI die signalen had moeten opmerken, controleren en melden?
Op dit moment kunnen we geen conclusies trekken over eventuele verwijtbaarheid of tekortkomingen van betrokken partijen. De inspecties voeren een calamiteitenonderzoek uit om de feiten en omstandigheden vast te stellen en conclusies te trekken over het handelen van de betrokken organisaties.
Hoe is het toezicht op gezinshuizen georganiseerd? Welke formele rechtspositie hebben de gezinshuisouders in het stelsel?
Bij gezinshuizen krijgen kinderen professionele jeugdhulp wanneer zij – om verschillende redenen – (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. De gezinshuisouders bieden 24 uur per dag professionele begeleiding, structuur en zor in een huiselijke setting. De gezinshuiskinderen maken daarbij deel uit van het gezin van de gezinshuisouder(s). De gezinshuisouders zijn hiervoor opgeleid en werken als jeugdhulpverleners.
Gezinshuisouders werken nauw samen met andere professionals zoals jeugdzorgwerkers, voogden van gecertificeerde instellingen en de leerkrachten op de school van de (gezinshuis)kinderen. Meestal zijn er vanuit de betrokken zorgorganisatie ook gedragsdeskundigen betrokken waaraan de gezinshuisouders bijzonderheden over de kinderen kunnen rapporteren en die meedenken over een zorgplan en de inschakeling van jeugdhulp of b.v. traumatherapie kunnen voorstellen.
Gezinshuisouders moeten voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Deze norm stelt dat aanbieders van jeugdhulp en jeugdbescherming er zorg voor dragen dat de taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een SKJ-(kwaliteitsregister Jeugd) of BIG- geregistreerde professional. Een SKJ-registratie toont aan dat voldaan wordt aan de eisen van vakbekwaamheid (o.a. relevante HBO-opleiding) en dat gewerkt wordt volgens de professionele standaarden van de beroepsgroep. Belanghebbenden kunnen een klacht indienen bij het SKJ en het register kan maatregelen opleggen en publiceren.
Gezinshuizen zijn aanbieders van jeugdhulp. Daarom vallen zij onder de Jeugdwet en onder het toezicht van de IGJ en IJenV. Ook gemeenten spelen een grote rol onder andere door inkopen van kwalitatief goede jeugdhulp. Zij kopen jeugdhulp in bij gezinshuizen, rechtstreeks of via een organisatie. Gemeenten bepalen vooraf aan welke eisen de jeugdhulp moet voldoen. Zij betalen voor deze jeugdhulp. Gemeenten moeten zich er bij de inkoop en betaling van vergewissen dat de aanbieder passende en kwalitatief goede en veilige hulp biedt.
Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor de IGJ een belangrijke bron van informatie. Iedereen kan een signaal afgeven bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Daarnaast moeten zorg- en jeugdhulpaanbieders, waaronder ook gezinshuizen, bepaalde incidenten (zoals calamiteiten en geweld) verplicht bij de inspecties melden. Signalen en meldingen worden bekeken en beoordeeld. Op basis van deze signalen en meldingen voert de inspectie risicogestuurd toezicht uit.
Zijn bij inspecties, meldpunten of vertrouwenspersonen meer meldingen bekend over structurele onveiligheid, geweld, misstanden of gebrek aan kwaliteit in gezinshuizen? Hoeveel sinds 2020?
De IGJ registreert meldingen die ze ontvangen op naam van de jeugdhulpaanbieder. Meldingen specifiek over het type jeugdhulpaanbieder «gezinshuis» hebben zij niet voorhanden.
In maart 2025 heeft de inspectie een overkoepelend rapport gepubliceerd over het toezicht naar de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp in gezinshuizen5. Hiervoor analyseerde de inspectie handmatig 139 signalen en meldingen over gezinshuizen in 2023 en 2024.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over onderzoeken in hoeverre de bestaande bestuurdersaansprakelijkheid beter onder de aandacht gebracht kan worden bij slachtoffers (Kamerstuk 31 015, nr. 289)?
Iedereen die te maken heeft met jeugdzorg kan bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon van Jeugdstem terecht voor informatie, advies of ondersteuning. Jeugdstem kan advies geven over de mogelijke stappen die gezet kunnen worden, bijvoorbeeld bij het indienen van een klacht. In deze communicatie nemen zij ook de mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid mee. Jeugdstem draagt bij aan de bekendheid van de procedure door de cliënt erop te wijzen de mogelijkheden te bespreken met een advocaat vanwege de complexe juridische aard. Gezien de complexiteit van deze trajecten, zien we op dit moment geen andere realistische mogelijkheid om dit ook nog op andere manieren verder onder de aandacht te brengen van slachtoffers.
Klopt het dat kinderen waarvan het gezag bij ouders is weggenomen, als gevolg van een besluit op basis van artikel 1:266 lid 1 BW, door de uitwerking van de maatregel en de uitvoering door de GI, vaak volledig aan het zicht onttrokken worden van de rechtbank? Klopt het en vindt u het wenselijk dat ouders vrijwel niet worden geïnformeerd of betrokken bij het toezicht op hun kind?
Bij een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling blijft de kinderrechter op vaste momenten betrokken, omdat de maatregel periodiek moet worden verlengd. Bij een voogdijmaatregel is dat inderdaad anders: deze loopt in beginsel door tot de meerderjarigheid van het kind en wordt niet periodiek door de kinderrechter getoetst.
De GI is (wettelijk) verantwoordelijk voor zicht op de veiligheid en ontwikkeling van een minderjarige onder voogdij. Daarnaast hebben ouders, ook na gezagsbeëindiging, op grond van artikel 377c BW recht op informatie over hun kind.
We herkennen dat het ontbreken van onafhankelijk toezicht op het welzijn en de positie van minderjarigen onder voogdij als een tekortkoming. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» de Raad voor de Kinderbescherming belast met een jaarlijkse evaluatie van het welzijn en de veiligheid van deze kinderen. De RvdK spreekt daarbij met de minderjarige, de ouders, de eventuele pleegouders en degene die een vertrouwensband met de minderjarige heeft.
Erkent u dat ouders na een gezagsbeëindiging nauwelijks meer zicht hebben op hun kinderen en dat dit ertoe kan leiden dat zij als enige in staat zijn misstanden te signaleren maar juridisch niet gehoord worden? Hoe beoordeelt u dat in zowel de Vlaardingen-zaak als deze zaak de ouders de enige waren die de misstanden zagen, maar door hun rechtspositie genegeerd werden?
We erkennen dat ouders na een gezagsbeëindiging een beperkte formele positie hebben en dat dit kan betekenen dat zij minder zicht hebben op de dagelijkse situatie van hun kind. Tegelijk blijven ouders ook na gezagsbeëindiging op grond van artikel 377c BW recht houden op informatie over hun kind. In de praktijk wordt echter ervaren dat dit recht niet altijd voldoende invulling krijgt, waardoor ouders zich onvoldoende gehoord kunnen voelen wanneer zij zorgen hebben.
De gebeurtenis in Vlaardingen laat zien dat signalen over mogelijke misstanden altijd serieus moeten worden genomen, ongeacht van wie deze afkomstig zijn. Het is onwenselijk als zorgen van ouders – of van anderen die dicht bij het kind staan – niet worden opgepakt. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» voorzien in onafhankelijk toezicht op kinderen onder voogdij door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit toezicht omvat onder meer een periodiek gesprek met de ouders, zodat hun signalen jaarlijks worden meegenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat ook na gezagsbeëindiging signalen van ouders kunnen leiden tot onderzoek en eventuele vervolgstappen wanneer daar aanleiding toe is.
Klopt het dat door het inzetten van de gezagsbeëindigende maatregel deze kinderen ook buiten beeld komen van de rechter, waardoor een toetsing of het goed gaat met het kind in de nieuwe setting niet meer plaatsvindt? Vindt u dat wenselijk?
Zie het antwoord op vraag 12.
Wat vindt u van het feit het dat ouders, bij wie problemen zijn met het opvoeden van hun kinderen, het gezag ontnomen kan worden? Wat vindt u van het creëren van een tussenliggende maatregel waarbij de beslissingsbevoegdheid, al dan niet tijdelijk, ontnomen wordt?
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een zeer ingrijpende maatregel. Soms is het helaas noodzakelijk voor de veiligheid en ontwikkeling van een kind. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag gezagsbeëindiging alleen plaatsvinden als duidelijk is dat voortzetting van het gezag schadelijk is voor het kind.
Om hierbij beter aan te sluiten, wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» het noodzakelijkheidscriterium toegevoegd: gezagsbeëindiging kan alleen als dit écht onvermijdelijk is. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel, via het wettelijk vastleggen van het perspectiefbesluit, een minder vergaande maatregel. Een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen voor onbepaalde tijd worden voortgezet wanneer dat in het belang van het kind is. Daarmee ontstaat een alternatief voor gezagsbeëindiging, waarbij ouders niet volledig hun beslissingsbevoegdheid verliezen.
Bent u bereid te onderzoeken of de rechtspositie van ouders na gezagsbeëindiging moet worden herzien, zodat hun signalen over mishandeling van hun eigen kinderen in situaties van pleegzorg, gezinshuizen of instellingen niet langer structureel kunnen worden genegeerd, mede gezien het risico dat kinderen van de radar verdwijnen binnen deze vormen van jeugdzorg?
We herkennen de zorg dat signalen over het welzijn van minderjarigen onder voogdij serieus moeten worden genomen. Het ontbreken van onafhankelijk toezicht op deze groep is inderdaad een tekortkoming in de huidige praktijk. Daarom wordt in het wetsvoorstel onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij wettelijk geborgd, zodat problemen in bijvoorbeeld een pleeggezin of gezinshuis niet buiten beeld kunnen blijven en kinderen niet van de radar verdwijnen. Met de ouder(s) wordt door de RvdK – in het kader van de evaluatie – een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde zorgen uit dit gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie hebben en hier onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de rapporten «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezonheidszorg en Jeugd en «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» van de Inspectie Justitie en Veiligheid?
Ja.
De lancering van de Discriminatietoets door de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme |
|
Don Ceder (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lancering van de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening en bent u het met de Staatscommissie eens dat de Discriminatietoets «een concreet instrument» is waarmee overheidsorganisaties structureel discriminatierisico’s kunnen signaleren en aanpakken?
Ja.
Welke rol ziet u voor de Rijksoverheid (ministeries, uitvoeringsorganisaties) in het gebruik van deze toets? Op welke wijze wordt het gebruik van de toets gestimuleerd?
Ik pak de regie op het vervolgtraject van de discriminatietoets. Dit mede naar aanleiding van de motie van het lid van Nispen c.s.1 die het kabinet verzoekt om ervoor te zorgen dat publieke dienstverleners de discriminatietoets publieke dienstverlening zullen gebruiken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierbij de centrale regie te geven.
Mijn streven is begin 2026 met een kabinetsreactie op de discriminatietoets te komen en daarin zal ik toelichten op welke wijze ik het gebruik van de toets wil stimuleren. Ik kan daar nu nog niet nader op in gaan, omdat de gesprekken hierover nog lopen. We werken daarbij aan twee stappen: (1) de inbedding van de discriminatietoets in bestaande structuren zoals aanbevolen door de staatscommissie en (2) procesbegeleiding van organisaties.
Hoe ondersteunt de Rijksoverheid het gebruik van de Discriminatietoets? Stelt het ministerie middelen beschikbaar om publieke organisaties te ondersteunen bij het toepassen van deze toets?
Voor de komende jaren zijn er middelen gereserveerd om organisaties te ondersteunen bij het toepassen van de discriminatietoets. Het gaat om 500.000 in 2026, om 1,1 miljoen in 2027, 2028 en 2029 en in 2030 nog 500.000. De opbouw van deze reeks is vanuit de gedachte dat 2026 een aanloopjaar is, dan 3 volle jaren en daarna afbouw. In de kabinetsreactie zal ik hier nader op in gaan.
Bent u voornemens om de Discriminatietoets (op termijn) wettelijk te verankeren, zodat gebruik niet vrijblijvend blijft? Zo nee, waarom niet?
Ik heb nu geen voornemen om de discriminatietoets wettelijk te verankeren. De toets is er net en ik vind het belangrijk om eerst ervaring op te doen met het instrument. Ook de staatscommissie geeft als belangrijke randvoorwaarde draagvlak voor het doorlopen van de discriminatietoets binnen de organisatie. Door organisaties te enthousiasmeren in plaats van te verplichten, wil ik voorkomen dat het een afvinklijstje wordt in plaats van kritisch en effectief zelfonderzoek naar risico’s op discriminatie in processen en werkpraktijken.
Mogelijk kan de discriminatietoets op termijn in samenhang worden bezien met de eveneens door de staatscommissie geadviseerde gelijkheidsplicht publieke sector, maar dit vergt nader onderzoek.
Hoe gaat het ministerie monitoren of de Discriminatietoets daadwerkelijk leidt tot minder discriminatie in de praktijk?
Het is bijzonder ingewikkeld om te monitoren of er daadwerkelijk minder discriminatie is en of er in dat geval een causaal verband bestaat tussen een afname van discriminatie en de discriminatietoets. Bij de gesprekken over de implementatie van de discriminatietoets is het wel onderwerp van gesprek hoe er lessen getrokken kunnen worden uit de toepassing en de resultaten van de discriminatietoets. In de kabinetsreactie op de discriminatietoets zal ik hier nader op in gaan.
Wordt de motie van het lid Ceder c.s. uitgevoerd op zodanige wijze dat inmiddels in alle uitvoeringstoetsen het risico op discriminatie beoordeeld wordt? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zal dit naar verwachting wel ingebed zijn in de standaard onderdelen van een uitvoeringstoets?1
Het programma Werk aan Uitvoering werkt op dit moment aan een handreiking met uniforme punten voor uitvoeringstoetsen en daarbij zullen zij ook kijken hoe de verschillende wensen daarin opgenomen kunnen worden. De (lessen uit de) discriminatietoets horen daar ook bij. De eerste versie van deze handreiking wordt in het voorjaar van 2026 opgeleverd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben de Eerste Kamer hier onlangs per brief over geïnformeerd.3 Met de Kamerbrief van Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er invulling gegeven aan de motie van het lid Ceder c.s.
Op welke wijze wordt de motie van de leden Ceder en Azarkan uitgevoerd die verzocht om in het Integraal Afwegingskader een discriminatietoets op te nemen? Is een dergelijke discriminatietoets inmiddels standaard opgenomen in het Integraal Afwegingskader? Zo nee, op welke termijn wordt dit geïmplementeerd?2
De discriminatietoets is steviger verankerd in de herziene Handreiking constitutionele toetsing die binnenkort ook aan de beide Kamers zal worden toegezonden. Net als de vorige editie is de Handreiking opgenomen in het Beleidskompas, de opvolger van het Integraal Afwegingskader, waardoor zij een vast onderdeel vormt van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Met een verscherpte aandacht voor de discriminatietoets wordt beoogd discriminerende effecten in nieuw beleid en wetgeving te voorkomen. Op deze manier wordt er invulling gegeven aan deze motie van de leden Ceder en Azarkan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden ruim voor de behandeling van de begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Ja.
Het bericht ‘Kerkleiders pleiten voor vrijlating Chinese voorgangers. ‘Zion Kerk groeit in de vervolging’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het nieuws van de ondervraging van meer dan 150 kerkleden en van de arrestatie en detentie van dertig voorgangers van de ondergrondse Zion Church in China, onder wie hoofdpredikant Jin «Ezra» Mingri, op verdenking van het online verspreiden van religieuze informatie?1
Ik vind deze berichten zorgwekkend.
Hoe beoordeelt u de arrestaties in het licht van de bredere trend waarin het voor christenen in China steeds moeilijker wordt om hun geloof te belijden?2
Het is niet goed mogelijk eigenstandig een volledig beeld van de situatie te vormen. Uit documentatie van onze partners uit het maatschappelijk middenveld en ook uit signalen die onze posten in China opvangen kan worden afgeleid dat er sprake is van toenemende druk. De arrestaties volgen op het aanscherpen van religieuze regelgeving eerder dit jaar. Vanwege de strenge controle van informatiestromen in China en de vergaande (cyber)surveillance van gesprekspartners uit de religieuze gemeenschappen is het voor hen lastig en soms risicovol om hierover rechtstreeks contact te onderhouden met de internationale gemeenschap.
Kunt u aangeven of Nederlandse ambassades en posten in de regio signalen ontvangen dat vervolging en beperkingen op religieuze gemeenschappen in China toenemen? Zo ja, kunt u deze duiden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe Nederland binnen zijn diplomatieke contacten met Chinese regering aandacht vraagt voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Is de zaak van de Zion Church daarbij specifiek aan de orde geweest? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet brengt deze zorgen over, zowel in bilateraal als multilateraal verband. Daarbij wordt specifieke aandacht gegeven aan de culturele en religieuze rechten van christenen en andere religieuze groepen. De zaak van de Beijing Zion Church is nog niet specifiek aan de orde geweest. Nederland zal de zaak, samen met onze partners, nauwgezet blijven volgen en deze in contacten met de Chinese autoriteiten aan de orde stellen.
Is Nederland bereid om, eventueel in EU-verband of met gelijkgezinde landen, op te roepen tot vrijlating van Jin Mingri en de andere gedetineerde voorgangers? Zo nee, waarom niet?
Een belangrijk deel van de Nederlandse inzet voor mensenrechtenverdedigers speelt zich af achter de schermen. Zoals hierboven al vermeld, zal Nederland de zaken van de gedetineerde leden van de Beijing Zion Church, samen met onze gelijkgezinde partners, zorgvuldig blijven volgen. De keuzes over de vorm van inzet zullen worden genomen in samenspraak met deze gelijkgezinde partners en op basis van effectiviteit.
Welke concrete stappen gaat u de komende periode zetten om de Chinese regering aan te spreken op de situatie van de Zion Church en andere religieuze minderheden?
Zoals aangegeven, blijft het kabinet zich inzetten voor de verbetering van de mensenrechtensituatie in China, inclusief de rechten van religieuze gemeenschappen. Nederland blijft de zaak van de Beijing Zion Church nauw volgen en stemt mogelijke vervolgstappen af met gelijkgezinde landen en partners uit het maatschappelijk middenveld.
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Wat kunt u delen over gevoerde gesprekken en de uitkomsten van deze gesprekken?
De uitvoering van de motie-Bikker/Stoffer, die oproept om christenvervolging tot vast onderdeel te maken van diplomatieke gesprekken met de landen op de Open Doors-ranglijst, sluit aan bij de bestaande inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging. De positie van christenen wordt binnen deze inzet regelmatig geagendeerd in zowel bilaterale contacten als in multilateraal verband. Conform deze motie zijn de ambassades nogmaals geïnstrueerd om zorgen over de positie van christenen structureel mee te nemen in hun dialoog met de autoriteiten.
Dit jaar werd dit concreet toegepast tijdens diverse uitgaande bezoeken, onder meer aan Nigeria, Pakistan en Syrië, waar vrijheid van religie en levensovertuiging onderdeel was van het gesprek, waaronder de positie van kwetsbare minderheden, o.a. die van christenen. Ook in multilateraal verband, zoals in de VN-Mensenrechtenraad en EU-dialogen, blijft Nederland aandacht vragen voor christenvervolging, in lijn met deze bredere inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging. Over de voortgang van de motie wordt gerapporteerd in de Mensenrechtenrapportage 2025.
Een gat in de steun aan Oekraïne |
|
Eric van der Burg (VVD), Fatimazhra Belhirch (D66), Kati Piri (PvdA), Maes van Lanschot (CDA), Laurens Dassen (Volt), Don Ceder (CU), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie van het lid Boswijk c.s. waarin de regering verzocht werd zich ervoor in te blijven spannen dat er geen ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een deel van het budget voor militaire steun aan Oekraïne van 2026 naar het jaar 2025 vooruit is geschoven?
Ja, het kabinet heeft tijdens voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de militaire steun te continueren met € 3,1 miljard op de defensiebegroting voor 2026 (binnen het totaal van € 3,5 miljard steun voor Oekraïne). De militaire en geopolitieke ontwikkelingen rondom Oekraïne hebben er toe geleid dat het kabinet heeft besloten een deel hiervan versneld in 2025 te realiseren.
Klopt het dat daarmee vaststaat dat de militaire steun aan Oekraïne in 2026 flink lager zal zijn dan in dit jaar? Zo ja, wat is het verschil?
De totale militaire steun aan Oekraïne blijft hetzelfde als bij de voorjaarsbesluitvorming is besloten. Een deel van deze steun is versneld in 2025 tot kasuitgaven gekomen. Als direct gevolg van het besluit is een gedeelte van de middelen die oorspronkelijk voor 2026 bestemd waren, reeds dit kalenderjaar uitgegeven. Het totale begrote bedrag aan kasuitgaven zal daardoor ca. € 4,3 miljard voor 2025 bedragen op de defensiebegroting. De momenteel begrote militaire steun op de defensiebegroting aan kasuitgaven voor 2026 bedraagt vooralsnog € 2,1 miljard. Voor 2027 zijn reeds kasuitgaven voor een totaal van € 750 miljoen gereserveerd op de defensiebegroting, mede omdat dit Nederland in staat stelt meerjarige uitgavenverplichtingen aan te gaan (bijvoorbeeld mbt de productie van drones en F16-gerelateerde verplichtingen).
Daarnaast is er in 2025, 2026 en 2027 nog respectievelijk ca. € 0,7 miljard, ca. € 0,5 miljard en ca. € 0,4 miljard beschikbaar op het defensiematerieelfonds voor de eigen krijgsmacht ter vervanging van eerder geleverd materieel.
Voorziet u dat in 2026 de voortzetting van de Oekraïense defensie-industrie in het geding komt? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet onderstreept het belang van het investeren in de Oekraïense defensie-industrie en heeft daartoe reeds meer dan € 1 miljard direct bij bedrijven in Oekraïne verworven. Een deel van deze investeringen zal in 2026 tot daadwerkelijke leveringen aan Oekraïne leiden. Ook in 2026 zal Nederland blijven investeren in de Oekraïense defensie-industrie.
Nederland investeert relatief veel in de Oekraïense defensie-industrie, onder andere via het Drone Line Initiative. Om voortzetting van de productie van de Oekraïense defensie-industrie in 2026 te waarborgen roept dit kabinet ook andere landen op om meer te investeren in de Oekraïense defensie-industrie. Hierbij biedt Nederland ook aan om gebruik te maken van onze contracten, ervaringen en opgedane lessen.
Bent u het ermee eens dat de Oekraïense strijdkrachten onverminderde steun verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland blijft Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd steunen in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw, zo lang als nodig is. Daarom is de lijn van het kabinet dat de internationale steun opgevoerd moet worden om Oekraïne in de sterkst mogelijke positie te brengen, waardoor Oekraïne ruimte krijgt bij mogelijke onderhandelingen en Oekraïne zich ook tegen toekomstige Russische agressie kan blijven verdedigen. Het onverminderd ondersteunen van de Oekraïense strijdkrachten met militaire steun is daar uiteraard onderdeel van.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat er ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?
Defensie richt zich op het waarborgen van een doorlopende en betrouwbare militaire steun aan Oekraïne. Tegelijkertijd is ook enige ruimte voor flexibiliteit nodig om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden, zowel in Oekraïne als in de internationale steunverlening. Nederland zorgt ervoor dat de samenstelling van de militaire steun nauw aansluit op de behoeften van het Oekraïense Ministerie van Defensie en dat toezeggingen aan Oekraïne ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naast de eigen inspanningen spoort Nederland ook andere bondgenoten aan om meer steun aan Oekraïne te leveren. Daarmee zet het kabinet in op meerburden sharing. Daarbij wordt ook gekeken naar de inzet van Russische bevroren tegoeden.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), van Marum , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.
Het rapport ‘De stand van de Jeugdzorg 2025’ van de Jeugdautoriteit |
|
Don Ceder (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport «De stand van de Jeugdzorg 2025» van de Jeugdautoriteit?1
Ja.
Deelt u de mening dat jongeren met bijvoorbeeld stress en een neerslachtig gevoel minstens net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg?
Het normaliseren van problemen of klachten die bij het gewone leven horen is een belangrijke doelstelling van de Jeugdwet en de Hervormingsagenda. We weten inmiddels dat het op de lange termijn niet helpt om deze kinderen een label te geven met een behandeling erachteraan. Zo benadrukte ook prof. dr. Laura Batstra nogmaals in de onlangs uitgesproken Mulock Houwer lezing2. Daarom is het essentieel om bij te dragen aan een gezonde opvoedcontext.
Wanneer er een hulpvraag is, staat voorop dat hulp of ondersteuning passend moet zijn bij de vraag en de aard van de problematiek en er goed gekeken moet worden naar de context. Het is aan de jeugdige en het gezin om samen met de professional te bepalen (zoals onder andere beschreven in de richtlijn Samen beslissen over jeugdhulp) of en zo ja, welke ondersteuning of hulp nodig is. Het heeft de voorkeur om de ondersteuning – als dit nodig blijkt te zijn – zo collectief, licht en laagdrempelig als mogelijk in te zetten; denk bijvoorbeeld aan groepsgesprekken onder leiding van een jongerenwerker zoals bij Bukojou of met een collectieve voorziening zoals Groen in ’s Hertogenbosch. Echter, wanneer dat nodig is, moet intensievere zorg ingezet kunnen worden. Het kan dus niet standaard zo zijn dat jeugdigen met stress of een neerslachtig gevoel in alle gevallen net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg.
Hoe reflecteert u op het oordeel dat de overheid onvoldoende kiest wat er nog wel onder de jeugdzorg valt, en welke problemen elders in de maatschappij opgelost moeten worden?
In de Jeugdwet staat beschreven in welke situaties een jeugdige of het gezin in aanmerking komt voor jeugdhulp. Deze open norm blijkt echter in de praktijk zó open dat het te weinig richting geeft. Dit complexe vraagstuk wordt nader uitgewerkt in de maatregelen rondom het thema Reikwijdte uit de Hervormingsagenda Jeugd. Zo wordt beschreven dat jeugdhulp alleen ingezet dient te worden wanneer de aard en ernst van de situatie dit vraagt. Dit betekent o.a. dat er geen jeugdhulp ingezet wordt wanneer sprake is van problematiek die geen betrekking heeft op het kind.
Bent u bekend met de motie van de leden Ceder en Bruyning over het verwerken van bewezen effectieve voorzieningen in de hervormingsagenda? In hoeverre hebt u de bewezen effectieve voorzieningen die in de motie worden genoemd betrokken en verwerkt in de continuering van de hervormingsagenda, of in hoeverre bent u van plan dat te doen?2
Ja, wij zijn uiteraard bekend met deze motie. We informeren uw Kamer over het vervolg op deze motie in de Jeugdbrief voorafgaande aan het Wetgevingsoverleg Jeugd (WGO) van 2 februari 2026.
Kunt u aangeven waardoor het komt dat de landelijke wet die beter afbakent wat er onder de jeugdzorgplicht van gemeenten valt vertraagd is? Wanneer verwacht u dat deze wet naar de Kamer wordt gestuurd?
De uitwerking van het wetsvoorstel en aanpalende onderwerpen ten aanzien van het thema Reikwijdte is in volle gang. In dit proces staan doeltreffendheid en zorgvuldigheid voorop. Ik wil met intensieve samenwerking tussen Rijk en gemeenten een voorstel dat inhoudelijk bijdraagt aan de beoogde doelen en voldoende draagvlak heeft in het veld om tot effectieve uitvoering te kunnen komen. Ik wil het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in consultatie brengen, het streven is begin volgend jaar.
Wat is uw reflectie op het oordeel van de Jeugdautoriteit dat het werkelijke probleem van de overbelasting van de jeugdzorg niet een tekort aan geld is, maar dat de maatschappij te veel verwacht van de jeugdzorg?
Deze constatering kan ik voor een belangrijk deel onderschrijven. Het is essentieel dat we als samenleveving realistisch zijn over wat de opvoedcontext betekent voor opgroeien in goede gezondheid: lichamelijk, mentaal en sociaal. Daarom is het bijvoorbeeld belangrijk dat de maatschappelijke dialoog wordt gevoerd en dat we op een andere manier gaan kijken naar hulpvragen en de reacties daarop. Dat geldt voor jongeren, ouders, de samenleving, professionals, politiek en andere relevante partijen. Daarnaast is het belangrijk dat we kritisch zijn op wat jeugdhulp wel en ook niet kan bieden. Met jeugdzorg is niet alles op te lossen. Behandeling zou meer gericht moeten zijn op het omgaan met problematiek en het omarmen van verschillen in plaats van het te behandelen, met als doel dat jongeren zélf vooruit kunnen.
Bent u het eens met de Jeugdautoriteit dat het «ongemakkelijke gesprek» over de verwachtingen van de maatschappij richting de Jeugdzorg te weinig wordt gevoerd, waar voormalig Staatssecretaris Van Ooijen ook zijn zorgen over uitte? Op welke manier kan het «ongemakkelijke» gesprek wel gevoerd worden?3
Ik zie op heel veel plekken in het land dat gemeenten en organisaties het gesprek hier wel al over aangaan. Tegelijkertijd deel ik de constatering van de Jeugdautoriteit dat dit nog te weinig gebeurt. Om de gesprekken tussen en met jongeren hierover te stimuleren heeft MIND Us in opdracht van VWS PRAATPOWER ontwikkeld.
Inmiddels is met honderden jongeren en hun omgeving, bijvoorbeeld de school, het gesprek gevoerd over mentale gezondheid, mentaal gezond opgroeien en/of wat jongeren (nu al) zelf kunnen doen om mentaal gezond te blijven. Begin 2026 zijn er ook tools voor gemeenten en organisaties om gesprekken tevoeren met ouders over opvoeden en opgroeien. Daarnaast voeren ook professionals steeds vaker het gesprek, daarbij geholpen met kennis vanuit de lectoren jeugd en gezin5. Met de leerlijn informele steun van netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) wordt ingezet om informele steun voor gezinnen te versterken. Hierbij is veel aandacht voor samenwerken met en in het netwerk, herstelbeweging, het versterken van de sociale basis en normaliseren van hulpvragen en problematiek. Met het aangekondigde wetsvoorstel reikwijdte ontstaat ook meer ruimte om dit gesprek vanuit de overheid, met name lokaal, actief in te gaan zetten.
Bent u bekend met de verschillende oplossingen die gemeenten bieden zodat er voldoende ruimte is voor de jeugdzorg die echt nodig is, zoals de nauwe samenwerking in Woudenberg tussen jeugdzorg, gemeente, onderwijs en de kerk? Wat is uw reflectie op deze werkwijze?
We zien diverse goede voorbeelden in het land waarbij het lukt om de hulpvragen van inwoners op een integrale manier te beantwoorden op een manier die past bij de hulpvraag. Hier hoort een intensieve samenwerking bij tussen betrokken partijen. Onderdeel van het wetsvoorstel reikwijdte is bijvoorbeeld dat gemeenten een visie moeten opstellen samen met betrokken partijen over de sociaal-pedagogische basis en de wijze waarop de samenwerking met de lokale teams en het onderwijs wordt vormgegeven.
Op welke manier kan de samenleving een grotere rol worden gegeven als het gaat over de stand van de Jeugdzorg? Welke ideeën hebt u daarvoor?
De Jeugdautoriteit geeft in haar rapport terecht aan dat er nog onvoldoende aandacht is voor het wegnemen van oorzaken die leiden tot instroom in de jeugdzorg, maar buiten de jeugdzorg liggen, bijvoorbeeld in het gezin, het onderwijs of de samenleving. Een sociale context met zogenoemde steunstructuren is daarbij van belang. Denk aan het oude gezegde «It takes a village to raise a child». Ik zie gelukkig hele mooie initiatieven in het land, zoals de familiescholen in Amsterdam of de buurtgezinnen. O.a. met de film «een sterke pedagogisch basis»6 laten we deze voorbeelden zien. Om dit te stimuleren en het belang hiervan te onderstrepen, krijgen gemeenten in het wetsvoorstel reikwijdte de opdracht om een visie op de pedagogische basis op te stellen en hierover in gesprek te gaan met de samenleving over hun rol bij het gezond opgroeien en opvoeden van kinderen. Er zijn handvatten en tools ontwikkeld voor het op een goede manier voeren van dit gesprek.7
Wat gaat u de komende tijd concreet doen om die jongeren zorg te bieden die dat echt nodig hebben?
Ik ga onverdroten én samen met o.a. gemeenten door met de uitvoering van de Hervormingsagenda waarin we afspraken hebben gemaakt met onze partners om het jeugdstelsel te verbeteren. Voorafgaand aan het WGO op 2 februari a.s. zullen informeer ik uw Kamer nader informeren over de laatste stand van zaken.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van incassobedrijven, zoals Alektum (aan wie BNPL-bedrijf (Buy Now Pay Later) Klarna vorderingen heeft overgedragen), die duizenden rechtszaken aanhangig maken, vaak zonder deugdelijke onderbouwing, niet verschijnen bij de rechtbank en schuldenaren confronteren met torenhoge rente- en incassokosten?1
Ik ben bekend met de beschrijving hierover in het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde en de bescherming van schuldenaren? In hoeverre is hier volgens u sprake van (structureel) misbruik van procesrecht?
Het is aan de rechter om te beoordelen of er bij de handelwijze van incassobedrijven zoals Alektum sprake is van misbruik van procesrecht. Dit zal per individueel geval door de rechter moeten worden beoordeeld.
Hieronder benoem ik een aantal verschillende (wettelijke) waarborgen in het rechtssysteem die ervoor zorgen dat het incasseren van private vorderingen goed verloopt en er geen misbruik wordt gemaakt van het procesrecht. Deze waarborgen zien zowel op de buitengerechtelijke incassofase als op de gerechtelijke fase.
In het algemeen geldt dat een schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar dienen te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat geldt evenzeer voor incassodienstverleners.
Per 1 april 2024 geldt de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Deze stelt eisen aan incassodienstverleners, onder meer voor de communicatie met schuldenaren, de informatie die aan hen moet worden verstrekt, de administratie van dossiers en de deskundigheid van personeel. De Wki is van toepassing op buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die worden verricht bij in Nederland woonachtige natuurlijke personen voor een derde of na overdracht van een vordering. Dit betekent dat wanneer een partij voor of als rechtsopvolger van de (oorspronkelijke) schuldeiser een vordering buitengerechtelijk probeert te incasseren bij een natuurlijk persoon, deze werkzaamheden onder de reikwijdte van de Wki vallen.2 Onder buitengerechtelijke incassowerkzaamheden wordt onder andere verstaan het bellen en/of schriftelijk aanmanen van de schuldenaar, ongeacht of hiervoor bij de schuldenaar kosten in rekening worden gebracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt toezicht op naleving van de eisen die de Wki aan deze ondernemingen stelt.
Als een vordering niet buitengerechtelijk wordt voldaan, kan de schuldeiser een gerechtelijke procedure starten. Het uitgangspunt is dat eenieder in beginsel toegang heeft tot de rechter, zolang diegene voldoende belang bij een rechtsvordering heeft.3 Het burgerlijk procesrecht bevat meerdere wettelijke waarborgen die moeten voorkomen dat partijen procederen zonder deugdelijke onderbouwing of wanneer zij daar, gelet op de onevenredigheid tussen de betrokken belangen, in redelijkheid geen belang bij hebben («geen belang, geen actie»). Van misbruik van procesbevoegdheid is niet snel sprake. Het enkele feit dat een vordering weinig kans maakt, levert geen misbruik van procesrecht op. De rechter kan besluiten om een vordering af te wijzen indien wordt geconstateerd dat er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht.4 Hiervan kan sprake zijn als een eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden en hij in redelijkheid niet tot het instellen van de rechtsvordering had kunnen komen.5 De rechter past dit principe terughoudend toe, gelet op het belang van de toegang tot de rechter.
Daarnaast kan de rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van rauwelijks dagvaarden. Hierbij wordt een schuldenaar zonder voorafgaande mogelijkheid tot een buitengerechtelijke oplossing gedagvaard. Indien daarvan sprake is, kan dit aanleiding zijn voor een afwijkende proceskostenveroordeling, omdat van een schuldeiser mag worden verwacht dat hij geen onnodige kosten veroorzaakt.
De rechter kan voorts een hardheidsclausule toepassen bijvoorbeeld wanneer enkel wordt geprocedeerd om een executoriale titel te verkrijgen voor het geval een overeengekomen betalingsregeling niet zou worden nagekomen, of wanneer – zoals hiervoor toegelicht – sprake is van rauwelijks dagvaarden.6
Daar komt bij dat rechters in zaken ter bescherming van consumenten ambtshalve toetsen of personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (handelaren) hebben voldaan aan de dwingendrechtelijke verplichtingen van het consumentenrecht. Dit omvat onder meer de toetsing van algemene voorwaarden (oneerlijke bedingen) en de naleving van wettelijke informatieplichten, zoals onder andere de correcte toepassing van de wettelijke incassokosten en de onderbouwing van de gevorderde kosten. Indien deze verplichtingen niet zijn nageleefd, kan de rechter de vordering geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel bestaan om te voorkomen dat incassobureaus op dergelijke wijze misbruik maken van het rechtssysteem?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft u de aangenomen motie Ceder c.s. (Kamerstuk 35 915, nr. 27) afgedaan? Acht u de genomen maatregelen afdoende om het doorverkopen van schulden als verdienmodel te hebben bestreden? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te nemen en/of te laten onderzoeken?
Schulden mogen geen verdienmodel zijn. Alle stappen binnen de keten zijn opzichzelfstaand gerechtvaardigd, maar kunnen als
optelsom soms tot excessen leiden. In de Kamerbrief Aanpak Civiele invordering Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 798. zijn maatregelen aangekondigd, waaronder het collectief afbetalingsplan, de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders en de herziening van de financierings- en tariefstructuur van gerechtsdeurwaarders. Deze maatregelen zijn erop gericht om de kostenoploop voor de schuldenaar te beperken en onwenselijke verdienprikkels in het invorderingsproces tegen te gaan. In lijn met de toezegging aan uw Kamer is recent de wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK) door het WODC gestart.7 De Kamer wordt in de eerste helft van 2026 nader geïnformeerd over de verdere uitwerking van de maatregelen.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 29 maart 20248 uiteen is gezet, is de verkoop en overdracht van vorderingen een gebruikelijke handeling in het handelsverkeer die bijdraagt aan solvabiliteit en liquiditeit van ondernemingen. In die brief is uiteengezet dat de verkoop van vorderingen een breed palet aan varianten omvat en ook veel positieve effecten heeft. Daarbij komt dat de oploop van kosten in het traject van invordering geen verband houdt met de verkoop van de vorderingen, maar met de inning van een vordering. Verdere kostenoploop door invorderingsmaatregelen die niet meer bijdraagt aan het komen tot betaling van de hoofdsom kan leiden tot een ongewenst verdienmodel.9 De maatregelen zijn er dan ook op gericht deze kostenoploop aan te pakken.
Tevens verzocht de motie Ceder c.s. om concrete maatregelen uit te werken waarmee de te vorderen rente bij schulden jegens consumenten wordt gemaximeerd. Dit onderwerp is ook aan de orde gekomen tijdens het Commissiedebat armoede- en schuldenbeleid op 22 mei 2025.10 De voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft aan de Kamer toegezegd om te identificeren of er situaties zijn waarin sprake is van disproportionele renteoploop die in het individuele geval door het wettelijk kader onvoldoende geadresseerd kan worden. Hierbij is specifiek het veld (evenals uw Kamer) uitgenodigd om casuïstiek aan te reiken. Tot dusver zijn er nog geen concrete casussen gemeld.
Bent u bekend met de algemene consumentenvoorwaarden van Klarna, waarin staat dat de vordering van de (web)winkel op de consument wordt overgedragen aan Klarna Bank AB? Deelt u dat een dergelijke overdracht van een vordering valt onder de reikwijdte van artikel 2, sub b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?2
Ik ben bekend met het feit dat Klarna verschillende sets algemene voorwaarden hanteert voor de uiteenlopende betaalmethoden die zij aanbiedt.12 Een van die betaalmethoden betreft Buy Now Pay Later (hierna: BNPL). Hierbij gaat Klarna als BNPL-aanbieder een kredietovereenkomst aan met de consument én neemt daarbij de vordering over uit de consumentenovereenkomst (een koopovereenkomst of overeenkomst tot het verrichten van diensten) van de handelaar (derde partij) waarmee de consument de consumentenovereenkomst is aangegaan.13
Doordat sprake is van overdracht van een vordering vallen eventuele door Klarna verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die voortvloeien uit BNPL-overeenkomsten onder de reikwijdte van de Wki en rust op Klarna in beginsel een registratieplicht. Klarna staat op het moment dat deze vragen worden beantwoord niet in het register van incassodienstverlening.14 Ik hecht eraan te benadrukken dat het oordeel of het bedrijf voldoet aan de verplichtingen die de Wki stelt bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid ligt en niet bij mij.
De toezichthouder kan op grond van artikel 3 Wki (de registratieplicht) handhavend optreden. Verder is de registratieplicht strafrechtelijk gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten.
Bent u van mening dat de activiteiten van Klarna onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening vallen? Zo ja, voldoet het bedrijf, naar uw oordeel, aan de verplichtingen die de wet stelt? Is het juist dat Klarna niet geregistreerd staat in het register van incassodienstverleners?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat Klarna, in het kader van haar BNPL-activiteiten, aan consumenten betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurt wanneer facturen onbetaald blijven? Deelt u de opvatting dat het versturen van herinneringen en aanmaningen moet worden aangemerkt als het verrichten van «buitengerechtelijke incassowerkzaamheden» in de zin van artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Ja, ik ben bekend met het versturen van dergelijke betalingsherinneringen en aanmaningen. In de door vier BNPL-aanbieders opgestelde Gedragscode BNPL is onder meer afgesproken dat consumenten kosteloos minimaal één betalingsherinnering ontvangen. Zoals in antwoord op vragen 2 en 3 is aangegeven, vallen het opnemen van contact en het sturen van betalingsherinneringen en aanmaningen voor een derde of na overdracht van een vordering onder de Wki.15
Is het correct dat de reikwijdte van de wet gebaseerd is op de feitelijke uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden richting natuurlijke personen, ongeacht door wie deze worden uitgevoerd? Zijn er organisaties uitgezonderd van de reikwijdte van deze wet?
Ja, de Wki heeft betrekking op de uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden met betrekking tot voldoening door in Nederland woonachtige natuurlijke personen (zie vraag 6). De enige structurele uitzondering betreft publiekrechtelijke incassanten zoals het CJIB en de zogenoemde zelfincassanten. Dit zijn de primaire schuldeisers die de eigen vorderingen zelf innen in plaats van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden uitbesteden aan een geregistreerde incassodienstverlener. Dat wil zeggen dat op deze partijen geen registratieplicht rust. Deze schuldeisers dienen zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Klopt het, zoals in het artikel gepubliceerd door Follow the Money staat, dat u in gesprek bent met het bedrijf Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Nee, dat klopt niet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is niet in gesprek met Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Dat acht ik ook niet wenselijk. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb benadrukt, is dit ook niet aan mij. Wel heeft mijn ministerie een toelichting gegeven aan onder andere Klarna over de civielrechtelijke gevolgen en wat in de memorie van toelichting bij de Wki is opgenomen over de definitie van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, ongeacht of voor deze werkzaamheden kosten in rekening worden gebracht bij de schuldenaar. Dit nadat in een regulier overleg met de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (Vfn) was aangegeven dat schuldeisers een belangrijke rol hebben in het naleven van de wet door enkel incassowerkzaamheden te laten verrichten door geregistreerde partijen. Ook omdat hier vanaf 1 oktober 2026 civielrechtelijke gevolgen aan verbonden zijn die ook impact hebben op de schuldeisers zelf.
Omdat het gesprek een toelichtend karakter had en niet zag op een beoordeling van de werkwijze van Klarna, is ervoor gekozen de Inspectie niet bij het gesprek te betrekken.
Wat is de reden voor dit overleg? Is het gebruikelijk en wenselijk dat er overleg plaatsvindt tussen u en een bedrijf over naleving van de wet? Wat is hierin de rol van de Inspectie Justitie en Veiligheid? Is de Inspectie (al dan niet op handhavende wijze) betrokken bij dit overleg?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waarom met Klarna wordt «overlegd» terwijl in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staat dat «incassodienstverleners die niet zijn geregistreerd hun werkzaamheden met onmiddellijke ingang [moeten] staken en gestaakt houden»?3
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op de vragen 9 en 10 heb ik geen overleg gehad met Klarna over haar naleving van de Wki.
Op grond van artikel 4 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki), is het verboden voor incassodienstverleners zonder geldige registratie buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten of aan te bieden. Dit wordt eveneens benadrukt in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In dit kader wil ik toevoegen dat het van groot belang is dat ook BNPL- partijen (waaronder Klarna) zich alsnog inschrijven als zij hun incassowerkzaamheden in de toekomst willen continueren.
Klopt het dat het overtreden van de registratieplicht in het incassoregister wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED)? Kunnen burgers in dit geval zelf aangifte doen van een vermoedelijke overtreding van deze registratieplicht door een incassodienstverlener?
Ja, het overtreden van de registratieplicht is een economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten.17 Het Openbaar Ministerie (hierna OM) is bevoegd hiertegen op te treden. Iedereen die een vermoeden heeft van het niet naleven door een incassobedrijf van de registratieplicht in de zin van de Wki kan daarvan aangifte doen bij de politie.
De Inspectie JenV ziet erop toe dat de incassosector de registratieplicht naleeft en heeft eveneens een meldpunt Wki, zodat burgers met individuele problemen met een incassodienstverlener hiervan melding kunnen maken.18
Op welke wijze wordt er gehandhaafd op de Wet kwaliteit incassodienstverlening? Kunt u cijfers delen van de hoeveelheid boetes et cetera die zijn opgelegd?
De Inspectie JenV beschikt over verschillende handhavingsinstrumenten, waaronder de last onder dwangsom, bestuurlijke boete en doorhaling en/of schorsing van een registratie. Naast dit formele handhavingsinstrumentarium beschikt de Inspectie JenV ook over informele instrumenten zoals het voeren van een normoverdragend gesprek met een onderneming en het uitdelen van waarschuwingen. In het geval het geboden is om strafrechtelijk op te treden, is het OM aan zet.
De Inspectie heeft in 2025 tot op heden vijftien keer geïntervenieerd naar aanleiding van geconstateerde overtredingen. In elf gevallen betrof het de inzet van een informeel handhavingsinstrument (waarschuwingsbrief en/of normoverdragend gesprek) en in vier gevallen de inzet van een formeel handhavingsinstrument (last onder dwangsom of bestuurlijke boete).
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid volgens u voldoende instrumenten en capaciteit om adequaat te kunnen handhaven om een afschrikwekkende werking te hebben waardoor bedrijven zich genoodzaakt voelen om te voldoen aan de wet?
De Inspectie JenV heeft bij het ministerie kenbaar gemaakt dat zij voor een effectieve uitvoering van haar toezichtstaak aanvullende instrumenten en capaciteit wenselijk acht. In 2026 heb ik, net als vorig jaar, met het oog op een effectieve uitvoering extra middelen beschikbaar gesteld voor de Inspectie JenV ter ondersteuning van haar toezichttaak, waaronder voor uitbreiding van capaciteit en het Meldpunt Wki van de Inspectie JenV.
Ook herkent de Inspectie JenV dat de reikwijdte van de Wki in de praktijk tot vragen en knelpunten leidt. In dat kader wil ik benoemen dat de Invoeringstoets Wki waarin de knelpunten uit de uitvoeringspraktijk zijn geïnventariseerd nagenoeg af is en dat ik momenteel werk aan de kabinetsreactie daarop. De reikwijdte van de wet vormt een expliciet onderdeel van deze toets. Ik verwacht de resultaten dit voorjaar aan uw Kamer te sturen. Ik wil hier nog niet op vooruitlopen. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de huidige wetgeving voldoende instrumentarium biedt om de kwaliteit van incassodienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd zal de opgedane ervaring in de praktijk met het toezicht de komende periode moeten uitwijzen of deze instrumenten in de uitvoering toereikend zijn.
Op basis van deze bevindingen kan bij de evaluatie van de wet worden beoordeeld of aanvullende regelgeving en toezicht noodzakelijk is. Bovendien treedt het laatste onderdeel van de wet – de civielrechtelijke gevolgen – pas op 1 oktober 2026 in werking.
Wat vindt u van de suggestie die gedaan wordt in het artikel om de wetgeving aan te scherpen ten aanzien van de wijze waarop zogeheten BNPL-bedrijven mogen samenwerken met incassobureaus? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving of toezicht nodig is om consumenten beter te beschermen tegen agressieve incassopraktijken in deze sector?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bekend met het interview in de Volkskrant van 4 november 20251 met dr. Rachel Imamkhan over het Nederlandse beleid inzake strafoverdracht?
Ja, het interview is mij bekend.
Bent u bekend met de uitspraak van het gerechtshof Den Haag2 waarin werd geoordeeld dat de detentieomstandigheden van Jaitsen Singh in de Verenigde Staten leiden tot een «humanitair onwenselijke situatie» en de Nederlandse regering een verzoekt tot overplaatsing moet indienen?
Ja, de uitspraak is mij bekend. Het verzoek tot strafoverdracht is reeds ingediend bij de Amerikaanse autoriteiten.
Klopt het dat Nederland pas na maanden en pas op het laatste moment een overbrengingsverzoek heeft ingediend voor de heer Singh, en dat dit verzoek aanvankelijk summier was geformuleerd zodat het risico op afwijzing groot was?
De brief met het verzoek is op 19 september 2025 verstuurd naar de Amerikaanse autoriteiten. Dit was binnen de door het gerechtshof gestelde termijn van vier weken. Bij verzoeken tot strafoverdracht wordt gebruik gemaakt van een standaardbrief. Bij hoge uitzondering en op hun verzoek, is aan de raadslieden van de heer Singh de mogelijkheid geboden om hierop mee te lezen, wat tot wijzigingen in de brief heeft geleid. Dit heeft tot gevolg gehad dat het proces meer tijd in beslag heeft genomen dan wanneer een standaardbrief zou zijn gebruikt.
Kunt u toelichten waarom het ministerie in deze zaak niet proactief heeft gehandeld, ondanks de terminale gezondheidstoestand van betrokkene?
De zaak Singh voldoet niet aan de criteria van het WOTS-beleidskader.3 Daarom oordeelde de regering dat hij niet in aanmerking kwam voor strafoverdracht. Volgens het Hof is de Staat in redelijkheid tot het standpunt gekomen dat hij onvoldoende binding met Nederland heeft, maar zijn er bij de zaak van dhr. Singh uitzonderlijke omstandigheden die toch de inzet van strafoverdracht rechtvaardigen.
De regering wijkt in dit specifieke geval, conform het arrest van het Hof, af van het beleidskader. Ik verwijs u ook graag naar het antwoord op eerder gestelde Kamervragen, waaruit blijkt dat de Staat zich wel degelijk heeft ingespannen om de heer Singh te ondersteunen.4 Op dit moment zet ik ook alle diplomatieke middelen in die het proces van positieve besluitvorming aan de kant van de Verenigde Staten kunnen bespoedigen.
Hoe vaak heeft Nederland sinds 2010 een overbrengingsverzoek afgewezen op basis van het criterium «gebrek aan binding met Nederland»? Kunt u dit uitsplitsen naar jaar en motivering?
Onderstaande cijfers zijn van inkomende verzoeken op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS). Het gaat om afgesloten dossiers waarin in alle gevallen niet aan het bindingsvereiste werd voldaan. Andere criteria van het WOTS-beleidskader kunnen in deze dossiers ook een rol hebben gespeeld.
2016: 3
2017: 4
2018: 5
2019: 6
2020: 4
2021: 9
2022: 7
2023: 14
2024: 7
2025: 135
De cijfers met betrekking tot reden van afwijzing in de jaren 2010–2015 kunnen niet worden gegenereerd, omdat dit niet op deze wijze werd geregistreerd en vanwege een wisseling van het systeem.
Waarom hanteert Nederland eisen die niet voortvloeien uit internationale verdragen, zoals de eis dat een gedetineerde niet langer dan vijf jaar uit Nederland mag zijn vertrokken vóór arrestatie?
Op grond van artikel 2 WOTS dient een verdrag ten grondslag te liggen aan de overbrenging van een gevonniste naar Nederland.6 Uit artikel 10, «general considerations» van het Explanatory Report bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) blijkt dat bij het verdrag aangesloten lidstaten zelf de kaders kunnen invullen met betrekking tot de weigeringsgronden voor een verzoek tot strafoverdracht. In het Nederlands rechtssysteem is dit ingekleurd door middel van het WOTS beleidskader en in jurisprudentie. In het beleidskader is opgenomen dat bij het bepalen of er sprake is van binding, onder meer gekeken wordt naar waar betrokkene feitelijk woonachtig is (inschrijving in de BRP) en hoe lang, waar hij werkt, waar het gezin verblijft dan wel de familie en zo meer.7
Dat een gedetineerde niet langer dan vijf jaar uit Nederland mag zijn vertrokken vóór arrestatie is op zichzelf geen harde voorwaarde. Binding met Nederland is een harde voorwaarde voor overbrenging. Het doel van de overbrenging van gevonniste personen is om de kans op resocialisatie van de veroordeelde te vergroten en het risico van recidive te verkleinen doordat de tenuitvoerlegging van een straf in het land gebeurt waar de veroordeelde onderdaan is en/of woont en geworteld is. Re-integratie in de Nederlandse samenleving is zinloos als er geen wezenlijke relatie is met Nederland. Het Nederlanderschap alleen is daarvoor niet voldoende. Bij het bepalen of er sprake is van binding, wordt onder meer gekeken naar waar en hoe lang betrokkene feitelijk woonachtig was. Wanneer betrokkene zijn banden met Nederland heeft verbroken, bijvoorbeeld door zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen en meer dan vijf jaar buiten Nederland te wonen, en onvoldoende is gebleken dat hij het doel had zijn hoofdverblijf in Nederland later weer op te pakken, komt hij niet in aanmerking voor overbrenging. In een dergelijk geval is het resocialisatiebelang immers niet met een overbrenging gediend.8
Hoe verhoudt deze bindingseis zich tot situaties waarin een veroordeelde na veroordeling wordt uitgezet uit het land van detentie? Is er dan nog sprake van een reële toets op binding?
Voor personen die ongewenst zijn verklaard en na hun invrijheidstelling kunnen worden uitgezet naar Nederland geldt het bindingsvereiste ook. Er bestaat in het kader van de WOTS geen internationale verplichting om veroordeelden waarbij dit aan de orde is, over te nemen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt, en tot de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm?
Uit het beleidskader blijkt dat de WOTS een penitentiair instrument is. Het is dus niet humanitair van aard. Het doel is resocialisatie van de gedetineerde. In de WOTS is vastgelegd dat de overbrenging van een strafvonnis naar Nederland uitsluitend kan plaatsvinden op basis van een verdrag. Dit heeft twee redenen. Ten eerste is Nederland niet bereid strafvonnissen ten uitvoer te leggen die in strijd met fundamentele beginselen van een behoorlijke strafprocedure tot stand zijn gekomen. Een tweede reden voor het eisen van een verdragsbasis is dat een verdrag het juridisch kader biedt voor de staat van veroordeling en de staat van tenuitvoerlegging voor elke overbrenging.9 Op deze wijze wordt gewaarborgd dat zorgvuldig en rechtvaardig wordt omgegaan met de overdracht van een persoon naar een ander land, waarbij de rechten van de betrokkene, zoals recht op een eerlijk proces en bescherming tegen onmenselijke of vernederende behandeling, worden gewaarborgd.
Een gestelde schending van het verbod op folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen zoals neergelegd in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zal primair in het land van veroordeling aan de orde moeten worden gesteld voor zover het ziet op detentie.
Bent u bereid om het beleid inzake strafoverdracht te herzien, zodat humanitaire omstandigheden zoals leeftijd, ziekte, familiebanden en detentieomstandigheden kunnen worden meegewogen en het beleid daarmee in overeenstemming wordt gebracht met internationale verdragen? Zo nee, waarom niet?
De WOTS en de WOTS-verdragen zijn penitentiaire instrumenten. Om die reden ben ik niet bereid om het beleid inzake strafoverdracht te herzien, zodat humanitaire omstandigheden kunnen worden meegewogen.
Ik heb op 25 november 2025 cassatieberoep aangetekend tegen het arrest van het hof Den Haag in de zaak Singh. Ik acht het van zaaksoverstijgend belang om enkele cassatiegronden voor te leggen aan de Hoge Raad. Ik zal mij, hangende deze cassatieprocedure, onverminderd blijven inzetten voor de naleving van het door het hof uitgesproken gebod.
Ik wil niet vooruitlopen op het arrest van de Hoge Raad. Zodra duidelijk is wat de Hoge Raad heeft geoordeeld, zal ik uw Kamer hierover informeren en de afweging maken of dit aanleiding geeft tot een eventuele aanpassing van het WOTS-beleidskader.
Hoe waarborgt u dat beslissingen over strafoverdracht transparant en toetsbaar zijn, en dat gedetineerden rechtsbescherming genieten bij afwijzing van hun verzoek?
Bij een verzoek tot strafoverdracht vanuit het buitenland, wordt de gedetineerde, dan wel door Nederland, dan wel door het land van veroordeling, op de hoogte gesteld van een eventuele afwijzing. Het verstrekken van inlichtingen is een gedeelde verantwoordelijkheid, zoals opgenomen in artikel 4 VOGP. De autoriteiten in het land van veroordeling ontvangen vanuit Nederland een brief met daarin de redenen voor afwijzing. Het staat de gedetineerde vrij om aanvullende stukken aan te dragen op grond waarvan het standpunt kan worden heroverwogen. De betrokkene kan zich tot de civiele rechter wenden indien hij/zij het niet eens is met de beslissing tot afwijzing.
Gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit die in het buitenland vastzitten, krijgen daarnaast consulaire bijstand van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid te bezien of de beoordeling van overbrengingsverzoeken ondergebracht kunnen worden bij een onafhankelijke rechter in plaats van bij de Minister, om politieke beïnvloeding te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid te bezien of beoordeling van overbrengingsverzoeken ondergebracht kunnen worden bij een onafhankelijke rechter. Ik zie geen reden om het huidige proces omtrent de beoordeling van overbrengingsverzoeken aan te passen. De rechten van de betrokkenen worden op een deugdelijke wijze gewaarborgd. Ik verwijs u verder naar het antwoord bij vragen 12 en 13 hieronder.
Erkent u dat er momenteel geen effectieve rechtsbescherming bestaat voor Nederlandse gedetineerden in het buitenland bij de beoordeling van strafoverdrachtsverzoeken?
Dit erken en deel ik niet. Vooropgesteld wordt dat aan de WOTS geen recht op overbrenging kan worden ontleend. De WOTS voorziet niet in een rechtsmiddel voor een gedetineerde tegen een besluit van de Minister om de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis niet over te nemen.
Een dergelijke rechtsgang past niet in het systeem van de wet omdat dat zou veronderstellen dat de gedetineerde een afdwingbaar recht heeft te opteren waar hij een aan hem opgelegde sanctie ten uitvoer gelegd wenst te zien.11 Nederlandse gedetineerden in het buitenland genieten desalniettemin effectieve rechtsbescherming bij de beoordeling van strafoverdrachtsverzoeken. Ten eerste wordt de beoordeling van dergelijke verzoeken geregeld door de WOTS, die waarborgen biedt voor een zorgvuldige procedure. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 10, ontvangen de autoriteiten in het land van veroordeling in voorkomende gevallen een brief met daarin de reden voor afwijzing van het verzoek tot strafoverdracht. Ten tweede heeft Nederland mechanismen om ervoor te zorgen dat de rechten van gedetineerden ook buiten de landsgrenzen gewaarborgd blijven, bijvoorbeeld door de mogelijkheid tot het starten van een kort geding bij de nationale rechter, al dan niet gevolgd door een bodemprocedure, hoger beroep en cassatieberoep.
Ook kan de gedetineerde zich wenden tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in geval van het vermoeden van schending van fundamentele rechten.
Deelt u de bevinding uit het proefschrift van dr. Imamkhan3 dat veroordeelden geen toegang hebben tot een transparante, toetsbare procedure en dat besluiten tot afwijzing niet gemotiveerd hoeven te worden?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid om de voorwaarde uit artikel 2 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) – waarin wordt geëist dat Nederland alleen verdragen sluit met landen waarin voldoende vertrouwen bestaat in het rechtsstelsel – te heroverwegen en op korte termijn een wijziging voor te stellen?
Deze eis volgt niet uit artikel 2 van de WOTS. Dit artikel bepaalt alleen dat tenuitvoerlegging in Nederland van buitenlandse rechterlijke beslissingen niet geschiedt anders dan krachtens een verdrag.12
Gelet op het voornoemde houd ik vast aan de voorwaarde uit artikelrtikel2 WOTS en zie ik geen reden om deze te heroverwegen of een wijziging voor te stellen.
Deelt u de opvatting dat deze verdragsvoorwaarde Nederland belemmert in het bieden van humanitaire bescherming aan gedetineerden?
Ik deel deze opvatting niet. Zoals gezegd is de WOTS een penitentiair instrument. Het bieden van humanitaire bescherming is geen doel van de WOTS. Dit laat onverlet dat gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit die in het buitenland zitten, altijd bijstand vanuit Buitenlandse Zaken (consulaire bijstand) kunnen krijgen.
Moorden op en ontvoeringen van leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk in de Ethiopische regio Arsi |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van aanvallen gericht tegen leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk, waar in de Addis Standard melding van wordt gemaakt?1
Ja.
Welke informatie heeft u over de moorden die in oktober in Arsi gepleegd zijn?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft bevestigt de vermoedelijk religieuze dimensie van deze aanvallen. Naast religie spelen echter mogelijk ook andere dimensies een rol, waaronder etniciteit, historische binnenlandse spanningen tussen bevolkingsgroepen en een actueel conflict tussen de federale overheid en lokale en regionale milities en rebellengroepen. De aanslagen zijn niet opgeëist en het is vooralsnog niet mogelijk gebleken te achterhalen wie de daders waren en wat hun motief was.
Klopt het volgens uw informatie dat er sinds 2021 al 190 orthodoxe gelovigen in dit gebied zijn vermoord?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft, bevestigt dat er in de afgelopen jaren vele orthodox gelovigen slachtoffer zijn geworden van geweld. Over het precieze aantal heeft het kabinet geen informatie.
Bent u bekend met de moordpartij uit augustus 2024, die ook in de Addis Standard wordt genoemd, waarbij onder de doden ook een priester was?
Ja.
Wat is volgens de informatie over de situatie in Ethiopië waarover u beschikt de reden dat specifiek leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk doelwit zijn geworden van geweld in deze regio?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het kabinet erkent daarnaast de religieuze dimensie in het geweld van de recente aanvallen, waarbij leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk slachtoffer waren. Historisch gezien verschillen de slachtoffers van aanvallen per gebied binnen de Oromia regio, en is het motief niet altijd duidelijk. Het kabinet veroordeelt met klem doelbewuste aanvallen op minderheden, waaronder Ethiopisch orthodoxe christenen.
Hoe duidt u de informatie die de aanval uit augustus 2024 aan het Oromo Liberation Army (OLA) toeschrijft?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft over deze aanval is niet eenduidig. In de praktijk is de Oromo Liberation Army (OLA) geen homogene, centraal-gestuurde groepering. OLA opereert gefragmenteerd en vanuit uiteenlopende motieven. In de regio zijn ook andere gewapende groeperingen actief. Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren.
Hoe duidt u de berichtgeving van de Addis Standard waarin het OLA juist de regering ervan beschuldigt verantwoordelijk te zijn voor de moorden die in oktober gepleegd zijn?2 Wie is er volgens de informatie waar u over beschikt verantwoordelijk voor de moorden op de orthodoxe gelovigen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van Dr. Caleb Ta, gepubliceerd op de website Borkena, dat het gaat om doelgerichte, geplande aanvallen en dat lokale autoriteiten deze aanvallen stilzwijgend goedkeuren of zelfs coördineren? Zo nee, waarom niet?3
Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren. Vrij snel na de aanvallen van eind oktober en begin november werd door diverse nationale actoren in Ethiopië, inclusief door de Ethiopische mensenrechtencommissie en de Ethiopisch Orthodoxe kerk, opgeroepen tot een onafhankelijk en openbaar onderzoek. De Ethiopische regering heeft hierop gereageerd door de Interreligieuze Raad, bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende religieuze denominaties, te verzoeken een onderzoek naar de aanvallen in te stellen.
Bent u bereid de Ethiopische regering ertoe op te roepen orthodoxe gemeenschappen in deze regio te beschermen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Nederland volgt de situatie in Ethiopië nauwlettend. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een vaste prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid, en zorgen over de positie van kwetsbare groepen worden consequent geagendeerd waar dat relevant en nodig is. Zo roept het kabinet in gesprekken met vertegenwoordigers van de overheid de Ethiopische regering consequent op om de eigen burgers beter te beschermen tegen geweld. Ook in EU- en VN-verband roept Nederland op tot bescherming van eigen burgers en met name kwetsbare groepen.
Het rapport ‘Behoeften en ondersteuning van mantelzorgers op Bonaire’ van Stichting Mantelzorg Bonaire |
|
Don Ceder (CU) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Behoeften en ondersteuning van mantelzorgers op Bonaire» van Stichting Mantelzorg Bonaire?
Ja.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek onder mantelzorgers op Bonaire, namelijk die van structurele overbelasting, bureaucratische knelpunten en een gebrek aan passende ondersteuning van mantelzorgers?
Het rapport verschaft waardevolle inzichten in de huidig situatie van de mantelzorgers op Bonaire en geeft concrete aanbevelingen om passende ondersteuning aan mantelzorgers te bieden. De centrale actie is het opstellen van een mantelzorgbeleid dat zou kunnen bijdragen aan het leveren van structurele ondersteuning aan mantelzorgers. Daarnaast geeft 22% van de mantelzorgers aan dat er behoefte is aan ondersteuning met administratieve werkzaamheden. Deze uitkomst toont aan dat er enerzijds de noodzaak is aan informatie, advies en begeleiding aan mantelzorgers om met deze werkzaamheden om te gaan en anderzijds de noodzaak om mantelzorgers te ontlasten door de administratieve lasten en regeldruk te verminderen. Verder toont dit rapport aan dat het inrichten van maatwerkvoorzieningen vereist is op basis van de type mantelzorgverlening en de doelgroep aan wie mantelzorg wordt verleend. Zo onderstreept het rapport dat mantelzorgers met verpleegtaken overal behoefte aan lijken te hebben, terwijl mantelzorgers met huishoudelijke taken met name behoefte hebben aan financiële hulp. Dergelijke concrete uitkomsten bieden een richting om maatwerkoplossingen voor mantelzorgers te realiseren.
Welk beleid voert u momenteel om mantelzorgers op Bonaire te ondersteunen? Welke wettelijke taken heeft het Rijk om mantelzorgers op Bonaire, Sint Eustatius en Saba te ondersteunen?
Het Besluit Maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES is op 1 januari 2025 ingegaan1. Dit Besluit heeft als doel het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking of, chronische psychische of psychosociale problemen, opdat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Op het gebied van maatschappelijke ondersteuning is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) verantwoordelijk gesteld voor het organiseren van maatwerkvoorzieningen waaronder de dagopvang, de respijtzorg en de huishoudelijke hulp. De Openbare Lichamen dragen zorg voor het welzijn van ouderen, waaronder de mantelzorgondersteuning, het bevorderen van sociaal contact en het aanbieden van activiteiten in de buurten en wijken. Ten aanzien van mantelzorg benadrukt het Besluit dat het bevorderen van de verlening van mantelzorg kan bijdragen aan het creëren van een zelfredzame samenleving. Het vormen van lokaal beleid voor mantelzorgers is dus hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam. Het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB) heeft dat bijvoorbeeld uitgewerkt in het beleidsdoel «Mantelzorgers voelen zich voldoende ondersteund» van het Beleid «Vitaal Ouder worden op Bonaire» (2023–2027)2.
Ik kan het lokaal beleid ondersteunen door middel van het bieden van maatwerkvoorzieningen om mantelzorgers te ontlasten. In de afgelopen jaren is er een inhaalslag gemaakt door te investeren in de uitbreiding van deze voorzieningen. Op basis van de behoefte van ouderen op Saba, St. Eustatius en Bonaire kunnen zij overdag naar de dagbesteding, waarbij transport wordt aangeboden. Ook kunnen zij maaltijden thuis ontvangen en gebruik maken van huishoudelijke hulp. Dit draagt bij aan de zelfredzaamheid van de oudere en verlicht de druk op de mantelzorger. Specifiek is er ook op Bonaire logeeropvang beschikbaar zodat de mantelzorger een paar dagen en nachten ontlast kan worden. Tot slot heeft VWS in de afgelopen twee jaar in samenwerking met lokale partijen cursussen voor mantelzorgers aangeboden om hen te helpen hoe goede zorg te verlenen3. Voorts is er op Bonaire een steunpunt mantelzorg geopend en zijn er op Bonaire en St. Eustatius commissies ouderenzorg waar ook de signalen van behoeften van mantelzorgers besproken kunnen worden en lokale partijen gezamenlijk actie op kunnen inzetten.
Welke aanknopingspunten vindt u in het rapport om het mantelzorgbeleid op Bonaire te intensiveren? Hoe ziet u daarin de verschillende verantwoordelijkheden van het Rijk en de gemeente Bonaire?
Ik zie aanknopingspunten om de mantelzorgondersteuning te optimaliseren door middel van een lokaal mantelzorgbeleid, informatie- en educatievoorziening, en het bieden van respijtzorg. Met de recente implementatie van maatschappelijke ondersteuning kunnen de noden van de hulpbehoevende inwoners en hun mantelzorgers beter in beeld komen. Hiertoe hebben het OLB en VWS intensief contact. Op basis van de afgesproken verantwoordelijkheden in de wet- en regelgeving ben ik van mening dat het OLB de initiatiefnemer dient te zijn voor het opstellen van het mantelzorgbeleid. Ik wil graag in gezamenlijkheid monitoren of de bestaande voorzieningen volstaan in het aantal beschikbare plekken en de kwaliteit van deze voorzieningen. Daarnaast heeft VWS geïnvesteerd in een mantelzorgsteunpunt en heeft het OLB geld beschikbaar gesteld voor Stichting Mantelzorg Bonaire om hun activiteiten te versterken. VWS en het OLB zullen bovenstaande recente intensiveringen met elkaar monitoren.
Welke mogelijkheden ziet u om de gemeente Bonaire en de Stichting Mantelzorg Bonaire extra te ondersteunen, gezien de bijzondere situatie van Bonaire als het gaat om de leeftijdsopbouw en sociaal-economische status van de bevolking? Is het mogelijk om een intensiveringspilot van de inzet te starten op Bonaire, zodat dit bij succes eventueel uitgerold kan worden naar alle BES-eilanden?
Mantelzorgondersteuning dient in gezamenlijkheid door alle aanbieders en stichtingen in de zorg op Bonaire verder gestimuleerd te worden. Een passend gremium om de ondersteuning van mantelzorg bij alle partijen te bespreken is de Cockpitgroep Ketenalliantie Ouderenzorg (hierna: CKO). In dat kader kan het CKO eventueel, indien de noodzaak is onderschreven, een dergelijk intensiveringspilot onder leiding van het OLB opzetten om tegemoet te komen aan de huidige behoeften zoals blijkt uit het rapport. De noodzaak van een intensiveringspilot dient naar voren te komen uit de monitoring van bestaande maatwerkvoorzieningen en de identificatie van concrete aanpassingen, toevoegingen of intensiveringen van de huidige activiteiten. Ik ondersteun, daar waar mogelijk is, het CKO om de integrale ouderenzorg te stimuleren en daarvan de geleerde lessen onder de aandacht te brengen bij de overige BES-eilanden.
Het bericht 'Meesters veruit in de minderheid in basisonderwijs: ’Kinderen in de klas hebben mannelijke rolmodellen nodig’' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Becking , Moes |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Meesters veruit in de minderheid in basisonderwijs: «Kinderen in de klas hebben mannelijke rolmodellen nodig»»?1
Ik vind het belangrijk dat het onderwijspersoneel de samenleving weerspiegelt en dat kinderen verschillende rolmodellen voor de klas zien. Het onderwijs moet voor iedereen een aantrekkelijke werkplek zijn. Juist in tijden van aanhoudende tekorten. Daarom werken we er aan om dit te verbeteren, bijvoorbeeld via de campagne «Werken met de Toekomst»2 en de Alliantie Divers voor de Klas3. De afgelopen jaren hebben we veel stappen gezet voor het verbeteren van het imago van het leraarschap, maar het kost natuurlijk tijd alvorens dit effect sorteert.
Tegelijkertijd moeten we ook realistisch zijn dat het aandeel van mannelijke leraren niet zomaar maakbaar is. Het percentage van mannelijke leraren in Nederland is bijvoorbeeld vergelijkbaar met het gemiddelde in de EU. Dat weerhoudt ons er niet van in te zetten op een hoger aantal mannen en meer diversiteit.
Hoe reflecteert u op het feit dat het percentage mannelijke leraren tussen 2016 en 2022 niet is gestegen en hoe komt dit volgens u?
Ik vind het jammer dat het percentage niet is toegenomen. Dit kan onder andere te maken hebben met het imago van het beroep en dat er de afgelopen jaren veel mannelijke leraren met pensioen zijn gegaan. Het heeft ook te maken met de relatief hoge arbeidsparticipatie van vrouwen. Dat is iets wat we moeten toejuichen. De laatste jaren is er meer aandacht omtrent dit thema en zet OCW zich meer in om de diversiteit, waaronder mannen, te vergroten. Denk bijvoorbeeld aan de campagne, verbeterde arbeidsvoorwaarden en het werk van de Alliantie Divers voor de Klas. Het kost tijd voordat het effect van deze maatregelen terug te zien is in de school. Zo kan een verhoogde instroom van mannen op de lerarenopleidingen pas 4 jaar later leiden tot meer leraren in de school. We zien de afgelopen jaren gelukkig een stijging in de instroom op de lerarenopleidingen. In de aanpak van lerarentekort is dit een goede ontwikkeling.
Heeft u ook met instemming kennisgenomen van de uitspraak van de voorzitter van het Landelijk Overleg Lerarenopleiding Basisonderwijs (LOBO) over dat ze in 2030 zo’n 30 procent aan mannelijke studenten willen hebben?
Ja. Ik ben blij dat de lerarenopleidingen samen werk maken van het aantrekken van meer mannelijke studenten.
Liggen er aan dat streefcijfer ook concrete afspraken tussen de lerarenopleidingen ten grondslag, naast dat er in september tips zijn opgesteld?
Tussen de lerarenopleidingen in het LOBO is afgesproken zich in te spannen voor een verhoogde instroom van 30% van mannelijke studenten op de lerarenopleidingen. Dit wordt jaarlijks in het LOBO geëvalueerd. In het bereiken van de 30% is het van belang te doen wat werkt. De opgestelde tips zijn onderbouwd en er is aangetoond dat de principes werken in de praktijk. Daarnaast zijn veel van de lerarenopleidingen betrokken bij de leernetwerken van de Alliantie Divers voor de klas waar ook werkende principes worden uitgewisseld. Een van de principes waarvan is aangetoond dat het bijdraagt aan het verhogen van de instroom is bijvoorbeeld dat mannelijke studenten aanwezig zijn bij de voorlichtingsdagen.
Op welke manier wordt bijgehouden of het percentage mannelijke studenten inderdaad hoger wordt en hoe wordt bijgestuurd als stijging uitblijft?
Het LOBO evalueert jaarlijks de stand van zaken met betrekking tot het streefcijfer van 30%. De lerarenopleidingen spreken elkaar eropaan waar nodig. Met het vaststellen van dit streefcijfer laat het LOBO zien werk te willen maken van meer mannelijke studenten. Daarnaast houdt OCW jaarlijks het percentage van mannelijke leraren en de instroom van mannelijke studenten op de lerarenopleidingen bij. Deze informatie ontvangt de Tweede Kamer jaarlijks met de Kamerbrief Lerarenstrategie van december.
Herinnert u zich motie-Ceder c.s. en bent u het eens dat 30 procent mannelijke studenten nog geen 30 procent meesters betekent, gezien de uitval van mannelijke studenten op de pabo, evenals van startende mannelijke leraren?2
Het is van belang niet enkel te focussen op het verhogen van de instroom van het aantal mannelijke studenten op de lerarenopleidingen, maar ook te kijken naar de door- en uitstroom op de opleidingen en het behoud in het werkveld. Dit is een belangrijk onderdeel in de aanpak van de lerarentekorten. Denk daarbij aan het verminderen van werkdruk, het bieden van loopbaanperspectief en het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden. Tevens ben ik aan de slag met het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en arbeidsvoorwaarden dat nu bij de Raad van State ligt voor advies.
Op welke manier zet het werkveld zich in voor het behoud van mannelijke leraren en bent u bereid hen aan te moedigen om daar concrete afspraken over te maken en, in navolging van de lerarenopleidingen, een streefcijfer op te stellen, in lijn met motie-Ceder c.s.? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze afspraken verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ik zie dat scholen zich inspannen om leraren te behouden. Zo wordt er bijvoorbeeld ingezet op het verlagen van de werkdruk en het bieden van professionaliseringskansen. Het is van belang goede voorbeelden en tips met elkaar te delen en ik constateer dat Alliantie Divers hierin een belangrijke rol heeft op het gebied van mannen. Daarom ontvangt de Alliantie een subsidie van het ministerie. De uitstroom van mannelijke leraren bestaat voornamelijk uit pensioengerechtigden. Vandaar zou ik op dit moment niet inzetten op concrete afspraken over het behoud van mannelijke leraren.
De publicatie 'Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities' |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op de publicatie «Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities» van het OSCE Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR)?1
Het kabinet verwelkomt de ODIHR-publicatie «Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities». De publicatie laat duidelijk zien dat anti-christelijke incidenten – variërend van vernieling tot bedreiging en geweld – ernstige gevolgen hebben voor de veiligheid en vrijheidsbeleving van christelijke gemeenschappen. Het kabinet onderschrijft het belang dat wordt gehecht aan tijdige signalering, goede registratie, effectieve bescherming, interreligieuze dialoog en slachtoffergerichte ondersteuning. Dit sluit aan bij de Nederlandse mensenrechtenprioriteit gericht op het beschermen en bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging, waarbij bijzondere aandacht bestaat voor kwetsbare religieuze minderheden, onder wie christenen.
Hoe beoordeelt u het feit dat, sinds het ODIHR begon met rapporteren over anti-christelijke haatmisdrijven, incidenten uit meer dan dertig OSCE-landen zijn gerapporteerd? Meent u dat er voldoende aandacht is voor het aanpakken van anti-christelijke haatmisdrijven, zowel op nationaal als internationaal niveau?
Het feit dat ODIHR meldingen van anti-christelijke incidenten uit meer dan dertig OSCE-landen registreert, laat zien dat deze problematiek in verschillende landen speelt en internationale aandacht vereist. Vrijheid van religie en levensovertuiging blijft een kernprioriteit van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, met aandacht voor kwetsbare religieuze minderheden, onder wie christenen.
Nederland zet zich daarnaast internationaal actief in om naleving van vrijheid van religie en levensovertuiging te bevorderen en samenwerking met gelijkgezinde landen te versterken. Daarbij ondersteunt Nederland religieuze gemeenschappen via diplomatie, multilaterale fora en gerichte programma’s. Ook brengt Nederland het thema consequent onder de aandacht binnen de VN-Mensenrechtenraad en de EU. Waar nodig worden zorgen rechtstreeks besproken met partnerlanden en in andere internationale gremia, mede ondersteund door de inzet van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de mensenrechtenambassadeur.
Welke lessen trekt u in het bijzonder uit deze publicatie voor de nationale situatie? Kunt u concreet aangeven welke opvolging u aan aanbevelingen uit de publicatie geeft?
Iedereen die zich in Nederland bevindt kan met ervaringen en klachten over discriminatie op grond van religie terecht bij lokale antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), de politie of bij het College voor de Rechten van de Mens. Het aantal meldingen over discriminatie op grond van religie is bij deze instanties laag. Gelet op het geringe aantal meldingen geven deze instanties geen aparte cijfers over discriminatie van bijvoorbeeld christenen. Dit gebeurt wel bij de cijfers van het Meldpunt Online Discriminatie. Daaruit blijkt dat in 2024 discriminatie van christenen 3% van het aantal meldingen betrof van discriminatie op grond van geloof.2 Vanwege het geringe aantal meldingen is er op dit moment geen specifiek beleid om discriminatie van christenen tegen te gaan. Indien blijkt dat het aantal meldingen van discriminatie van christenen in de komende jaren stijgt, dan kan daarop passende actie volgen.
In het kader van de stelselherziening van de ADV’s werkt de Minister van BZK aan brede publiekscommunicatie ter verhoging van de meldingstoegankelijkheid van iedere vorm van discriminatie. Die communicatie heeft tot doel om burgers gemakkelijker hun weg te laten vinden naar een ADV, waar ze melding kunnen maken van discriminatie en terecht kunnen voor advies en bijstand. Bij het voorbereiden van die campagne werkt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen met uiteenlopende stakeholders uit het maatschappelijk middenveld. Daarvoor liet hij een vooronderzoek doen: Van ervaren tot melden: motivaties en barrières bij discriminatie melden | Rapport | Rijksoverheid.nl. Dit onderzoek biedt de uitgangspunten voor de strategie van de publiekscommunicatie. De ontwikkeling van de communicatie is beoogd voor het eerste kwartaal van 2026.
Ziet u ook in Nederland intolerantie jegens christenen? Op welke manier geeft u opvolging aan de aanbeveling om bewustwordingscampagnes en activiteiten te ontwikkelen en te implementeren om bewustwording en begrip van de intolerantie jegens christenen te vergroten?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier draagt u bij aan het opbouwen van vertrouwen tussen christelijke gemeenschappen en overheden? Ziet u dat dat vertrouwen toeneemt? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat is daarvan de oorzaak en welke concrete stappen zet u om het vertrouwen te vergroten?
Door haatmisdrijven goed te monitoren, prioriteit te geven aan de vervolging ervan en daders harder te straffen, streeft het kabinet naar een samenleving waar eenieder, ook christenen, vrijelijk hun religie en identiteit kunnen belijden en uiten.
De Minister van Justitie en Veiligheid is tevens Minister van Eredienst. In die hoedanigheid onderhoudt hij periodiek contact met religieuze (koepel)organisaties, waaronder het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, met als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen het Rijk en deze organisaties. Hier kunnen onder meer zorgen ten aanzien van intolerantie tegen christenen ter sprake komen. Op deze manier wordt aan vertrouwen gebouwd.
Deelt u de constatering dat er onderraportage en onderregistratie plaatsvindt van (anti-christelijke) haatmisdrijven? Geldt dat ook voor Nederland? Welke concrete stappen zet u, in lijn met de aanbevelingen, om het aantal haatmisdrijven beter in beeld te krijgen?
Het is bekend dat niet alle mensen die discriminatie ervaren dit ook melden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Veiligheidsmonitor 2023 van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het is gewenst dat meer mensen hun discriminatie ervaringen melden en zo nodig aangifte doen. Hierdoor kunnen individuen die discriminatie ervaren tijdig adequate ondersteuning krijgen en kunnen gemeenten en het Rijk hun beleid daarop afstemmen. Het kabinet zet zich op meerdere vlakken in om onderrapportage en onder registratie te verbeteren. Zo hebben aangiftes van discriminatie prioriteit bij politie en het Openbaar Ministerie en wordt het stelsel van gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen herzien, zodat burgers die discriminatie ervaren dit eenvoudig kunnen melden.
Op welke manier vraagt u op internationaal niveau aandacht voor anti-christelijke haatmisdrijven, ook in landen waar christenvervolging niet of minder aanwezig lijkt te zijn? Is dit regelmatig onderdeel van gesprek? Zo nee, bent u bereid om hier meer aandacht aan te geven in uw bilaterale contacten?
Het kabinet vraagt structureel aandacht voor religieus gemotiveerde haatmisdrijven, ook waar christelijke personen of gemeenschappen worden geraakt. Dit gebeurt onder meer binnen de VN-Mensenrechtenraad en de EU, alsmede via internationale samenwerkingsverbanden zoals de International Religious Freedom and Belief Alliance. In dat kader brengt Nederland ook concrete situaties onder de aandacht, bijvoorbeeld in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Nigeria, Pakistan en Syrië. De Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging onderhoudt daarnaast nauw contact met relevante maatschappelijke organisaties en spreekt partnerlanden waar nodig aan op incidenten en zorgelijke ontwikkelingen.
Ook in landen waar het risico minder zichtbaar lijkt, blijft Nederland alert op signalen van discriminatie en geweld. Diplomatieke posten volgen ontwikkelingen nauwgezet en kaarten deze waar nodig bilateraal aan. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen. Waar passend wordt dit onderwerp ook in bilaterale contacten verder geagendeerd.
Aanvallen van Hamas op Palestijnen in Gaza |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Hamas sinds en rond het ingaan van het staakt-het-vuren de aanval heeft geopend op meerdere Palestijnen in de wijk Sabra in Gaza-stad en meerdere Palestijnen heeft geëxecuteerd? Hoeveel mensen zijn hierbij omgekomen?
Na het ingaan van het staakt-het-vuren keerde Hamas zichtbaar terug op straat in Gaza. Op sociale media circuleren beelden waarop te zien is hoe acht geblinddoekte mannen in Gaza-stad worden geëxecuteerd. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de exacte aantallen mensen die zijn geëxecuteerd. Het lijkt echter te gaan om tientallen executies. Onder druk van bemiddelende partijen bij het staakt-het-vuren zijn de executies op deze publieke wijze gestopt.
Klopt het dat Hamas-strijders zich bij deze aanval verschuilden in ambulances? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dat? Is deze tactiek in de afgelopen twee jaar vaker ingezet?
Het kabinet kan dit specifieke incident niet eigenstandig verifiëren. In algemene zin veroordeelt het kabinet uiteraard dergelijk misbruik van civiele (hulp)middelen door Hamas.
Bent u bekend met de gezamenlijke oproep van de clans in Gaza?1 Hoe beoordeelt u deze oproep?
Het kabinet heeft deze oproep niet kunnen verifiëren.
Klopt het dat de woordvoerder van de veiligheidstroepen van de Palestijnse Autoriteit de uitspraak heeft gedaan dat Hamas nu de basis legt voor een burgeroorlog in Gaza?2 Hoe beoordeelt u deze uitspraak?
Woordvoerder Anwar Rajab heeft inderdaad een dergelijke uitspraak gedaan. Het kabinet deelt de opvatting dat Hamas het grootste obstakel vormt voor de implementatie van het vredesplan van president Trump. De ontwapening en ontmanteling van Hamas zijn dan ook cruciaal om orde en veiligheid in de Gazastrook te bewerkstelligen. Uit mijn recente gesprekken met mijn collega’s uit de regio maak ik op dat deze zienswijze breed binnen de regio wordt gedeeld.
Kan het kabinet zich in internationaal verband inzetten voor de veiligheid van onder andere de Dughmush clan en voorkomen dat buitengerechtelijke executies plaatsvinden? Hoe kan het kabinet in internationaal verband de veiligheid van verschillende clans, minderheden en Palestijnen in het algemeen in Gaza aankaarten?
Het belangrijkste voor het bijdragen aan de bescherming van de burgerbevolking in Gaza is dat het staakt-het-vuren standhoudt, en dat er zicht komt op een duurzame oplossing van het conflict. Het vredesplan dat op 13 oktober is ondertekend biedt daarvoor nu momentum. Het is zaak dat er afspraken worden gemaakt over de volgende fases van het plan: o.a. de totstandkoming van een internationaal ondersteund en technocratisch overgangsbestuur in Gaza en de ontwapening van Hamas. Dit zal niet gemakkelijk zijn. De inspanningen van het kabinet zijn erop gericht dit plan te laten slagen. Hiervoor bracht ik begin november een bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden. Daar sprak ik onder meer de Amerikaanse Generaal Frank die leiding geeft aan het Civil Military Coordination Center(CMCC). Dit centrum is opgezet om de implementatie van het vredesplan van Trump te ondersteunen. Het kabinet plaatst twee tijdelijke civiele experts bij dit centrum. Daarnaast draagt het kabinet bij aan de EU missies EUBAM Rafah en EUPOL COPPS, en werkt het in EU-verband aan sancties tegen Hamas. Ook heeft het kabinet sinds 7 oktober 2025 zo’n EUR 94 miljoen beschikbaar gesteld specifiek voor humanitaire hulp aan de Gazastrook, en EUR 25 miljoen voor het versterken van medische capaciteit in Gaza en de omliggende landen. Tot slot kijkt het kabinet hoe het kan bijdragen aan de wederopbouw van de Gazastrook. Zo zal Nederland samen met een aantal andere landen mede-gastheer zijn van een conferentie in Kaïro over dit onderwerp.
In hoeverre heeft deze situatie invloed op het Amerikaanse vredesplan en de stabiliteit in Gaza?
Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2025?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De erkenning van de Armeense genocide |
|
Isa Kahraman (NSC), Don Ceder (CU) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de kabinetsbrief van 25 april 2025 (Kamerstuk 36 600 V, nr. 70), waarin het kabinet stelt dat voor Armenië «het vredesproces met Azerbeidzjan en het normalisatieproces met Turkije de hoogste prioriteiten [zijn] in zijn buitenlandse beleid»? Herinnert u zich ook dat het kabinet schreef dat «Nederland de verbetering van relaties in de regio door Armenië niet [wil] hinderen doordat Nederland zodanige diplomatieke effecten oproept dat deze nadelig kunnen uitwerken op de belangen van Armenië, landen in zijn regio of Nederland zelf»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat in augustus Armenië en Azerbeidzjan een vredesovereenkomst hebben getekend? Bent u er ook van op de hoogte dat op het gebied van het normalisatieproces tussen Armenië en Turkije er goede vorderingen worden gemaakt?
In augustus heeft een trilateraal overleg in Washington plaatsgevonden waar premier Pashinyan en president Aliyev het vredesverdrag hebben geparafeerd. Het vredesverdrag is daarmee nog niet getekend. Het kabinet ziet voorts voorzichtig positieve stappen ten aanzien van het normalisatieproces tussen Armenië en Turkije.
Herinnert u zich dat meerdere moties de regering hebben opgeroepen niet meer te spreken over de «kwestie» van de Armeense genocide? Hoe voert het kabinet, nu de vredesovereenkomst is getekend, de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3122) uit?
Het vredesproces is nog niet afgerond daar het verdrag nog niet is getekend.
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer met deze motie-Ceder c.s. niet oproept tot een juridische erkenning (wat ook niet mogelijk is, omdat het Genocideverdrag uit 1948 geen retroactiviteit kent), maar tot een historisch morele erkenning, zoals Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg, de Verenigde Staten en andere landen al hebben gedaan?
De motie vraagt om voortaan te spreken van de Armeense genocide. Het kabinet houdt voor het begrip «genocide» de juridische definitie uit het Genocideverdrag aan en gebruikt het woord genocide niet in een andere context.
Herinnert u zich dat het kabinet in de eerdergenoemde brief ook schreef dat, «juíst als verdediger van het internationaal recht, de Nederlandse regering het mogelijke gebruik van zwaarwegende juridische kwalificaties zeer zorgvuldig [hoort] te verkennen»?
Ja.
Ziet u de overige landen van de Benelux niet als verdedigers van het internationaal recht? Hoe weegt u de uiting dat hier sprake zou zijn van een zwaarwegende juridische kwalificatie, terwijl dit om een gebeurtenis gaat voordat het Genocideverdrag ondertekend was en dit verdrag geen retroactiviteit noch juridische erkenning en rechtsgevolgen kent en een historisch-morele benadering heel goed mogelijk is, zoals andere landen hebben laten zien?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of andere landen kunnen worden aangemerkt als verdedigers van het internationaal recht. Het kabinet hanteert één kwalificatie van genocide en dat is de juridische definitie zoals gesteld in het Genocideverdrag.
Ziet u Frankrijk, de Verenigde Staten en Duitsland niet als verdedigers van het internationaal recht? Hoe weegt u de uiting dat hier sprake zou zijn van een zwaarwegende juridische kwalificatie, terwijl uit erkenning noch een juridische status, noch rechtsgevolgen vloeien, maar slechts een historisch-morele erkenning?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of andere landen kunnen worden aangemerkt als verdedigers van het internationaal recht. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Kunt u ontkrachten dat het kabinet bang is voor de Turkse reactie en mogelijke gevolgen? Indien u dit niet kunt, voor welke gevolgen vreest het kabinet? Waarom hebben gelijkgezinde landen de Armeense genocide dan wel al erkend? Acht u de vrees voor een Turkse reactie zwaarwegender, dan de wens die de Kamer veelvuldig, in verschillende samenstellingen, heeft geuit?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de beweegredenen van andere landen met betrekking tot deze kwestie. Nederland steunt de Armeense ambities en inspanningen om de stabiliteit in de zuidelijke Kaukasus te bevorderen, mede door de relaties met buurlanden Azerbeidzjan en Turkije te verbeteren. Nederland wil deze inzet van Armenië niet hinderen.
Kunt u bevestigen dat het kabinet aan het verzoek van de bijna unaniem aangenomen motie-Ceder c.s., om voortaan niet meer over «de kwestie» te spreken, met het beantwoorden van deze brief heeft voldaan? Zo niet, waarom niet?
Nee. Zoals in de brief van afgelopen april vermeld staat, houdt het kabinet vast aan «de kwestie van de Armeense genocide». Het kabinet ziet positieve ontwikkelingen ten aanzien van de relaties tussen deze landen. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat zowel het vredesproces met Azerbeidzjan als het normalisatieproces met Turkije zich nog in een precaire fase bevinden.
Kunnen deze vragen één voor één worden beantwoord en voor aanvang van het debat over de Europese top van 23 en 24 oktober?
De vraag zijn één op één beantwoord en zo snel mogelijk naar de Kamer gestuurd.
Beleid rond inclusiviteit op hogescholen |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Moes |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat onderwijsinstellingen uit zichzelf traditionele en cultureel diep verankerde religieuze feestdagen hernoemen of schrappen in het kader van inclusiviteit?
Ik vind het belangrijk dat onderwijsinstellingen zich bewust zijn van wat er leeft in de maatschappij en bij hun studenten en medewerkers. Onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf hun onderwijs, interne inclusiviteitsbeleid en onderwijskalenders vorm te geven.
Vanwege deze institutionele autonomie heeft het Ministerie van OCW geen beleid op hoe hbo- en wo-instellingen feestdagen moeten noemen. De Rijksoverheid communiceert jaarlijks wanneer er officiële feestdagen zijn (waaronder Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Kerstmis) en wanneer er schoolvakanties zijn in het funderend onderwijs. Die feestdagen benoemen wij en dat blijven wij ook doen. Hiernaast roept het kabinet in de Strategie Bestrijding Antisemitisme (2024)1 onder andere onderwijsinstellingen op om naast christelijke dagen ook met andere religieuze dagen, zoals Joodse en Islamitische feestdagen meer rekening te houden. De wijze waarop hbo- en wo-instellingen dit invullen en hun jaarkalenders inrichten is uiteindelijk aan hen.
Bent u het eens dat dit de noodzaak tot het ontwikkelen naar een inclusieve samenleving ondergraaft omdat het burgers niet meer stimuleert om via dialoog en samenwerking elkaar religieuzes tradities te leren kennen?
Ik vind het zeer wenselijk dat op de onderwijsinstelling het gesprek wordt gevoerd over identiteit en (religieuze) tradities en hoe deze in ere worden gehouden. Ook het gesprek omtrent het vieren van feestdagen hoort hier bij. In de dialoog kan de medezeggenschap een rol spelen. Het is echter niet aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om te oordelen over de uitkomst van dit gesprek en het beleid van de instelling dat hieruit voortvloeit.
Kunt u, naar aanleiding van het nieuws van het schrappen van de benamingen van christelijke feestdagen door de HU, uiteenzetten welke rol u voor uzelf ziet als stelselverantwoordelijke en welke rol bij de instellingen zelf ligt als het gaat om beleid rondom inclusiviteit?
Onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf het onderwijs vorm te geven, inclusief bijbehorend inclusiviteitsbeleid. Bij mij ligt de taak om ervoor te zorgen dat er ruimte, aandacht en middelen zijn waarmee instellingen aan die verantwoordelijkheid invulling kunnen geven en waarbij er ruimte is voor pluriformiteit en onderlinge (veilige) dialoog.
Op welke manier zet u zich in zodat elke student zich veilig voelt binnen het hoger onderwijs, ongeacht bijvoorbeeld geslacht, afkomst, geaardheid, beperking of levensovertuiging?
De onderwijsinstellingen dragen zorg voor een (sociaal) veilige leer- en werkomgeving waar eenieder zich vrij kan uiten, zich thuis voelt en kan ontwikkelen. Als Minister stimuleer en help ik de instellingen om de sociale veiligheid van hun studenten en medewerkers te bevorderen. Dit doe ik middels de integrale aanpak sociale veiligheid, die samen met het veld is opgesteld en bestaat uit verschillende maatregelen. Zo loopt er momenteel een landelijk programma waarmee universiteiten, hogescholen, medewerker-, promovendi- en studentenorganisaties worden gestimuleerd om samen te werken bij het vergroten van sociale veiligheid. Voor het landelijk programma sociale veiligheid is gedurende 2024–2027 jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar gesteld. Daarnaast ontvangen instellingen tot en met 2031 jaarlijks € 4 miljoen voor uitvoering van afspraken over sociale veiligheid uit het bestuursakkoord. Verder werk ik aan de ontwikkeling van een wetsvoorstel zorgplicht veiligheid in het vervolgonderwijs, die ook voorziet in versterking van het toezicht op veiligheidsbeleid van instellingen. Daarnaast heb ik een onderzoek naar klacht- en meldprocedures laten uitvoeren; mijn beleidsreactie ontvangt uw Kamer in november.
Erkent u dat inclusiviteitsbeleid een intrinsieke spanning in zich heeft en beleid dat door de ene student verwelkomt, door een andere student als «exclusief» kan worden ervaren?
Inclusie gaat in de kern om het creëren van een omgeving waar een verscheidenheid aan identiteiten, culturen, perspectieven worden verwelkomd, benut, erkend en gewaardeerd. Het is mijn stellige overtuiging dat dit mogelijk moet zijn zonder dat dit ertoe leidt dat anderen worden buitengesloten.
Bent u het eens dat de invulling van inclusiviteitsbeleid van onderwijsinstellingen al snel raakt aan de vrijheid van onderwijs, juist vanwege de identiteitscomponent en bent u het eens dat onderwijsinstellingen, binnen wet- en regelgeving, een zeer grote mate van vrijheid hebben hoe ze dit beleid invullen?
Colleges van bestuur gaan, binnen wet- en regelgeving, zelf over het beleid ten aanzien van hun instelling, inclusief het beleid ten aanzien van inclusiviteit. Ik hecht grote waarde aan het feit dat onderwijsinstellingen die vrijheid hebben.
In hoeverre kunnen instellingen in het (hoger) onderwijs via bijvoorbeeld een cao gebonden worden aan bepaald inclusiviteitsbeleid? Kunnen ze bijvoorbeeld worden verplicht tot het inwisselbaar maken van feestdagen, het opstellen van een bepaalde jaarkalender of het aanpassen van de naam van een feestdag?
Uit de wet volgt niet welke feestdagen iemand vrij is. Werkgevers en werknemers, of een vertegenwoordiging daarvan, kunnen in een cao afspraken maken over welke feestdagen gedurende het kalenderjaar een vrije dag zijn. Ook kan daarbij de mogelijkheid voor personeel om een feestdag te ruilen worden vastgelegd. Als partijen daarbij een bepaalde jaarkalender willen opstellen of de naam van een feestdag aan willen passen, dan kan dat binnen het cao recht. De cao wordt afgesloten door (een vertegenwoordiging van) werkgevers en werknemers. Cao-afspraken zijn bindend voor de instellingen die onder de werkingssfeer van die cao vallen.
Kunt u garanderen dat dit hoort bij de autonomie die een individuele onderwijsinstelling heeft? Zo nee, waarom niet?
Instellingen worden bij de cao-onderhandelingen vertegenwoordigd door de werkgeversverenigingen. Individuele instellingen hebben inspraak op de cao-inzet van deze verenigingen. Ook vindt er een achterbanraadpleging plaats na het afsluiten van een cao-akkoord. Via deze systematiek hebben instellingen invloed op de cao. Wanneer afspraken in de cao worden opgenomen zijn deze bindend.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan over hoe zij inclusiviteit vormgeven en daarbij expliciet aandacht te vragen voor het behoud van ruimte voor religieuze en culturele tradities, waaronder christelijke feestdagen?
Ja, dit onderwerp is belangrijk in het kader van het welzijn, thuisgevoel en de sociale veiligheid van studenten en medewerkers op hun onderwijsinstelling. Over deze onderwerpen heb ik regelmatig gesprekken met het veld. Ik zal dit onderwerp blijven meenemen in mijn gesprekken met onderwijsinstellingen.
Het bezoek van de Indonesische president aan Nederland en mensenrechtenschendingen in West-Papoea |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aukje de Vries (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er vrijdag een gesprek met de Minister-President en de Indonesische president op de planning staat?1 Wat staat er bij dat gesprek op de agenda?
Nee, tijdens het recente bezoek van de Indonesische president Prabowo Subianto aan Nederland heeft geen gesprek met de Minister-President plaatsgevonden.
Bent u van mening dat Nederland vanwege de historische band een bijzondere zorgplicht heeft jegens de mensen in West-Papoea? Bent u ermee bekend dat momenteel mensenrechten in West-Papoea worden geschonden, evenals dat deze in het verleden zijn geschonden?
De mensenrechtensituatie in Papua is zorgelijk. Verschillende (mensenrechten)organisaties, waaronder Human Rights Watch en Amnesty International, rapporteren onder andere over geweld en inbreuken op eigendommen van de inheemse bevolking. Er vallen ook slachtoffers door geweld gebruikt door lokale gewapende groepen.
Het lot van de Papua’s gaat het kabinet ter harte. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt de situatie in Papua nauwlettend, onder andere via de Nederlandse ambassade in Jakarta. De Nederlandse regering respecteert de territoriale integriteit van de Republiek Indonesië, inclusief Papua.
Spreekt u en/of het koningspaar de Indonesische president morgen aan op de mensenrechtenschendingen van de mensen uit West-Papoea? Zo ja, welke boodschap wordt overgebracht? Zo nee, waarom niet?
Het Koninklijk Paar heeft de president ontvangen op Paleis Huis ten Bosch; het is een goed gebruik dat de gesprekken die het Koninklijk Paar op het Paleis voert vertrouwelijk zijn.
Mochten de mensenrechten van de mensen uit West-Papoea nog niet op de agenda staan, bent u bereid deze aan de agenda toe te voegen? Zo nee, kunt u toelichten waarom rapporten van bijvoorbeeld Greenpeace en Amnesty International daar geen aanleiding toe zouden geven?2 3
Zie antwoord vraag 3.
Kunt uiteenzetten op welke manieren u zowel bilateraal als multilateraal Indonesië aanspreekt op de schendingen van mensenrechten van mensen in West-Papoea?
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken, zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt de regering nadrukkelijk wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen.
De Nederlandse ambassade in Jakarta ondersteunt verschillende projecten ter bevordering van de bescherming van mensenrechten in Indonesië, inclusief Papua. De Nederlandse ambassade brengt voorts regelmatig werkbezoeken aan verschillende provincies door heel Indonesië, inclusief Papua, tijdens welke aandacht wordt besteed aan dit thema. De Nederlandse ambassade in Jakarta heeft het bezoek van een aantal leden van de Vaste Kamercommissie van Buitenlandse Zaken aan Indonesië afgelopen juli ondersteund, en verwelkomt dat de leden o.a. met de Indonesische mensenrechtencommissie over de situatie in Papua hebben gesproken. Nederland zal multilateraal aandacht blijven vragen voor de situatie in Papua, zoals het tijdens de meest recente Universal Periodic Review (UPR) van Indonesië in november 2022 heeft gedaan.
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 26 september beantwoorden, nog voordat het bezoek van de Indonesische president plaatsvindt?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Nieuwe berichten over aanvallen op christenen in West- en Centraal-Afrika |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zeker zeven christenen omgekomen bij nieuwe aanvallen in Nigeriaanse deelstaat Benue»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Slachtpartij in Oost-Congo: moslims doden meer dan 70 christenen tijdens rouwdienst»?2
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Schutters openen vuur op dorpelingen in Niger na doopfeest, 22 doden?»3
Ja.
Hoe reflecteert u op het voortgaande geweld in West- en Centraal-Afrika, waar bovenstaande berichten voorbeelden van zijn? Klopt het dat voornamelijk christenen hiervan het slachtoffer zijn? Klopt het dat de daders van de genoemde aanvallen voornamelijk, zo niet uitsluitend, islamitische terroristische groeperingen zijn? Indien het bij u onbekend is wie de daders en slachtoffers zijn, bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Het kabinet veroordeelt het geweld in West- en Centraal-Afrika ten zeerste en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, waaronder christenen.
Het geweld tegen burgers door IS- of Al-Qaeda-gelieerde jihadistische groeperingen, zoals in de Democratische Republiek Congo, Niger, Noord-Nigeria en in andere landen in de regio treft zowel christenen als moslims. In DRC was een christelijke gemeenschap slachtoffer van de genoemde aanval. In Niger werd aanvankelijk door sommige media gemeld dat het zou gaan om een aanval door jihadistische terroristen op christenen. Later bleek dat het ging om een aanval tijdens een islamitisch inwijdingsritueel.
Het genoemde geweld in de Nigeriaanse deelstaat Benue heeft een andere dynamiek en is onderdeel van regelmatig oplaaiende spanningen over landgebruik in Noord- en Centraal-Nigeria tussen boeren, die overwegend christelijk zijn en herders, die overwegend islamitisch zijn. Religie en etniciteit verergeren de bestaande spanningen.
Nederland volgt de situatie ter plaatste nauwlettend en houdt daarbij oog voor de kwetsbare positie van religieuze minderheden zoals christenen in sommige gebieden.
Erkent u dat de aanvallen, hoewel niet uitsluitend, religieus zijn gemotiveerd? Zo ja, wat betekent dit voor uw beleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de mening dat de aanvallen van jihadistische terroristen religieus gemotiveerd zijn. Christenen en moslims zijn hiervan het slachtoffer. Bij conflicten tussen boeren en herders in Nigeria werkt religie escalerend, maar gemeenschappen worden doorgaans niet specifiek vanwege hun religie aangevallen.
Het Nederlandse beleid richt zich nadrukkelijk op meer dan alleen het tegengaan van geweld. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de vijf prioriteiten in het mensenrechtenbeleid. Dit onderwerp wordt stelselmatig aan de orde gesteld in bilaterale contacten en via multilaterale kanalen zoals de EU en de VN. Daarbij pleit Nederland voor de bescherming van religieuze minderheden en ondersteunt het via het Mensenrechtenfonds maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor religieuze vrijheid. Sinds 2015 speelt de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging een belangrijke rol door het thema internationaal te agenderen, contacten te onderhouden met religieuze en maatschappelijke actoren.
Wat is uw reactie op specifiek de concrete stappen die christelijke jongerenorganisaties in Nigeria eisen van de Nigeriaanse overheid, namelijk erkenning dat de moorden doelgericht zijn, de terugkeer van ontheemden met eigendomsrechten, arrestatie en berechting van daders, en onderzoek naar de rol van veiligheidsdiensten?4 Bent u bereid om de Nigeriaanse overheid erop aan te spreken om de stappen op te volgen? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de beantwoording van vraag 4 erkent het kabinet dat religie een rol speelt in de verschillende conflicten in Nigeria. Daarnaast bespreekt het kabinet in dialoog met de Nigeriaanse overheid de problematiek in al zijn facetten. De bescherming van burgers en het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging staan hierin centraal.
Meent u dat de huidige inzet van Nederland tegen dit geweld voldoende is? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke manier wilt u de inzet vergroten?
Nederland volgt de situatie in de genoemde landen nauwlettend en bekijkt voortdurend hoe onze inzet te verbeteren op conflictpreventie, stabiliteit en vrijheid van religie en levensovertuiging binnen de beschikbare middelen. Het kabinet kiest daarbij voor een context specifieke benadering, omdat de oorzaken en dynamiek van het geweld in landen als Nigeria, Niger en de Democratische Republiek Congo sterk verschillen.
Merkt u dat het aankaarten van gewelddadige incidenten tegen christenen in bilaterale contacten effectief is? Zo ja, kunt u dit onderbouwen? Zo nee, bent u bereid om nieuwe stappen te zetten om de druk te verhogen?
Het kabinet stelt mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, stelselmatig aan de orde in bilaterale en multilaterale contacten. Daarbij worden regeringen aangesproken op hun internationale verplichtingen, en krijgen lokale organisaties die zich inzetten voor dialoog en bescherming van minderheden steun. In diverse gevallen heeft dit geleid tot concrete resultaten, zoals de vrijlating van religieuze leiders of het terugdraaien van beperkende maatregelen.
De regeringen in de betreffende landen delen vaak de zorgen over geweld in hun samenleving, maar zijn niet altijd in staat of bereid dit effectief tegen te gaan. Waar structurele verbeteringen uitblijven, blijft Nederland dit onderwerp consequent agenderen en zet het, waar passend, aanvullende drukmiddelen in via EU- en VN-kanalen.
Wanneer wordt de Speciaal Gezant van de Europese Unie voor vrijheid van religie en levensovertuiging eindelijk benoemd? Kunt u een precieze datum noemen?
Er is geen datum bekend voor de benoeming van de nieuwe EU-Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging. Nederland blijft dit onderwerp consequent aankaarten in EU-verband, onder meer via de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel. In juni heeft mijn voorganger dit punt ook nog besproken met mevrouw Kallas, Hoge Vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken. Het kabinet blijft aandringen op een spoedige invulling van de functie, gezien het belang van een consistente en zichtbare Europese inzet op dit terrein.
Hoe is opvolging gegeven aan de motie-Ceder c.s. (21 501-20, nr. 2254)?
De genoemde motie verzocht de regering om bij de aankomende Raad eind juni 2025 te pleiten voor een gezamenlijke en duidelijke veroordeling van het aanhoudende geweld in Nigeria, waaronder dat tegen christenen en om zich in te zetten voor gerichte EU-maatregelen ter ondersteuning van religieuze minderheden.
Deze motie is nog niet afgedaan. In agendering vanuit Nederland voor de Raad wordt altijd strategisch afgewogen of een boodschap goed tot zijn recht komt in dit specifieke forum en of er daadwerkelijk acties uit voort zullen komen. Het kabinet geeft er daarom voorkeur aan dit onderwerp in eerste instantie op te brengen in het Politiek en Veiligheidscomité waar mensenrechten gerelateerde onderwerpen gepaste aandacht krijgen en daarmee meer kans op opvolging. Het kabinet zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Hoe is opvolging gegeven aan de motie-Ceder (36 600 V, nr. 48)?
Aan deze motie over de bevordering van veilige en waardige vrijwillige terugkeer van ontheemden naar Nigeria is opvolging gegeven door, waar mogelijk en opportuun, aandacht te vragen voor de situatie in Nigeria in bilateraal, EU- en multilateraal verband. Nederland heeft de bescherming van burgers in verschillende internationale fora opgebracht en zal dit blijven doen. Daarnaast werkt Nederland, via ondersteuning van maatschappelijke en religieuze organisaties, actief aan het tegengaan van discriminatie op grond van religieuze achtergrond en het bevorderen van religieuze tolerantie en vreedzaam samenleven. Tot slot ondersteunt Nederland meerdere humanitaire partnerorganisaties die via meerjarige flexibele financiering ontheemden ondersteunen in opvang en veilige terugkeer.
De uitspraak van het Gerechtshof over het overplaatsen van de heer Singh |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het krantenbericht «Familie van Nederlander die al 41 jaar in Amerikaanse cel zit woest op ministerie: «Ze laten hem wegrotten daar»»? Hoe beoordeelt u dit bericht?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Ik betreur dat de familie de indruk heeft gekregen dat de Staat de strafoverdracht van de heer Singh zou tegenwerken. Meteen nadat het Hof het arrest heeft gewezen, is met prioriteit gewerkt aan het opstellen van het verzoek tot strafoverdracht. De tekst is, bij hoge uitzondering, voor verzending voorgelegd aan de advocaat van de heer Singh. Het verzoek tot strafoverdracht is uitgestuurd naar de Amerikaanse autoriteiten binnen de door het Gerechtshof gestelde termijn.
Op welke wijze heeft het kabinet uitvoering gegeven aan de uitspraak van het Gerechtshof d.d. 26-08-2025? Is het kabinet van mening dat alle onderdelen van de uitspraak van het Gerechtshof uitgevoerd dienen te worden?
Het Gerechtshof gelast de Staat om binnen vier weken na de datum van het arrest (26 augustus 2025) een verzoek tot strafoverdracht op grond van art. 2 lid 3 van het Verdrag Overbrenging Gevonniste Personen (VOGP) bij de autoriteiten van de Verenigde Staten in te dienen en daarnaast al datgene te doen wat redelijkerwijs nodig is om de feitelijke strafoverdracht van de heer Singh vanuit de Verenigde Staten naar Nederland te bewerkstelligen.2
Het kabinet zal beide onderdelen van de uitspraak uitvoeren. Het verzoek aan de VS om mee te werken aan strafoverdracht is binnen de hiervoor door het Gerechtshof gestelde termijn ingediend bij de Amerikaanse autoriteiten. Ook legt de Nederlandse ambassade in Washington contacten met de autoriteiten aldaar om het verzoek onder de aandacht te brengen.
Op welke wijze heeft het kabinet invulling gegeven aan de motie-Ceder d.d. 24 november 2024 (36 600 VI, nr. 105) voordat het gerechtshof een uitspraak heeft gedaan? Is er voor de uitspraak een verzoek op basis van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) opgestart en op welke wijze is maatwerk binnen de beleidskaders toegepast om de heer Singh zo op korte termijn naar Nederland over te laten brengen?
Voorafgaand aan de uitspraak van het Hof is niet ingezet op strafoverdracht middels de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots), maar is consulaire bijstand verleend en zijn parole-verzoeken van de heer Singh door de toenmalige Minister voor Buitenlandse Zaken en de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming ondersteund, op voorwaarde dat er geen gevaar meer zou zijn voor de samenleving.
De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaak van de heer Singh niet aan alle criteria uit het beleidskader van de Wots is voldaan. Er is namelijk onvoldoende sprake van binding met Nederland.3 Strafoverdracht op grond van de Wots werd daarom niet de geëigende weg bevonden. De rechter heeft de beslissing van de Minister in deze zaak in een kort geding en in eerste aanleg in een bodemprocedure in stand gelaten, waarbij is overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid.4 Het Hof onderschrijft dat de Minister in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen dat een dergelijke binding er niet is, maar komt echter tot het oordeel dat de Staat in deze zaak op grond van bijzondere omstandigheden een uitzondering moet maken op zijn beleid (art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Het Hof weegt daarbij de hoge leeftijd en broze gezondheid van de heer Singh mee, alsmede het feit dat hij in de VS verstoken is van familiebezoek en dat er een gerede kans bestaat dat hij in de VS in gevangenschap zal overlijden.
De Staat voert dit arrest, zoals ook aangegeven bij vraag 2, uit.
Klopt het dat een WOTS-verzoek maar één keer per twee jaar ingediend kan worden en het daarom cruciaal is dat deze zo zorgvuldig wordt ingediend?
Er is in de Wots geen wettelijke beperking opgenomen aan hoe vaak iemand een verzoek tot strafoverdracht kenbaar kan maken.
Klopt het dat uw ministerie in een conceptbrief aan de Amerikaanse autoriteiten de suggestie wekt dat de heer Singh in Nederland op vrije voeten zou kunnen komen? Zo ja, waar baseert het kabinet dit op en hoe groot acht het kabinet deze kans?
In een conceptbrief, die gedeeld is met de advocaat van de heer Singh, is niet gesuggereerd dat de heer Singh op vrije voeten zou kunnen komen. Wel is aangegeven dat over de aard en duur van de straf op voorhand niets gezegd kan worden omdat het aan de rechter is om dat te bepalen. Bij het volgen van de omzettingsprocedure, wat bij overdracht vanuit de VS gebruikelijk is vanwege het afwijkende strafklimaat, zal de Nederlandse rechter beslissen over de aard en lengte van de in Nederland uit te zitten straf. Het is onwenselijk en niet mogelijk om daarop vooruit te lopen.
Bent u het ermee eens dat vanwege de gezondheidssituatie en de leeftijd van betrokkene en vanwege de uitspraak deze zaak grote prioriteit verdient? Hoe kan het dan dat de brief nog niet is uitgestuurd?
De brief met het verzoek mee te werken aan strafoverdracht is binnen de door het gerechtshof gestelde termijn verzonden aan de Amerikaanse autoriteiten. Zoals aangegeven, heb ik dit met prioriteit opgepakt.
Kunt u deze spoedvragen binnen drie werkdagen beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'High Court rules state not giving Palestinian prisoners enough food, in slap to Ben Gvir' |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «High Court rules state not giving Palestinian prisoners enough food, in slap to Ben Gvir» en op de reactie van Minister Ben Gvir dat hij de uitspraak naast zich neer zal leggen?1
Nederland maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Deze zorgen betreffen zowel de detentieomstandigheden, de grootschalige arbitraire detentie van Palestijnen en de toegang tot detentiefaciliteiten voor hiervoor gemandateerde organisaties, met name het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Het kabinet brengt deze zorgen op in bilaterale contacten met de Israëlische autoriteiten. Ook multilateraal spreekt Nederland zich hierover uit, waaronder in de gemeenschappelijke positie van de EU-Israël Associatieraad en in (EU-) verklaringen bij de Mensenrechtenraad.
Zijn er al sterfgevallen gemeld die het gevolg zijn van de behandeling van Palestijnse gevangenen? Zo ja, hoeveel?
Volgens de VN zijn sinds 7 oktober 2023 minstens 75 Palestijnse gedetineerden overleden in Israëlische detentiefaciliteiten. Het VN mensenrechtenkantoor in de Palestijnse Gebieden schrijft daarover: «Of the 75 deaths in detention, at least 22 detainees reportedly had health conditions requiring medical attention prior to their arrest, raising concerns that the denial of such medical care coupled with harsh detention conditions may have been calculated to contribute to their deaths. In at least 12 cases, we gathered testimonies or evidence in the form of autopsy reports that detainees died after being beaten or tortured by Israeli security forces.»
Heeft Nederland al eerder aandacht gevraagd voor de situatie van deze specifieke groep Palestijnen? Zo ja, op welke wijze?
Ja, het kabinet heeft zowel bilateraal als multilateraal aandacht gevraagd voor de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Kunt u uiteenzetten op welke manier gevangenen horen te worden behandeld volgens internationale verdragen? Zijn hierbij ook nog specifieke rechten voor gevangenen die niet in eigen land zijn opgepakt, maar uit het buitenland naar het land zijn overgebracht?
Het Vierde Verdrag van Genève bevat gedetailleerde bepalingen over de behandeling van gedetineerden die zich bevinden in bezet gebied en die zich bevinden op het grondgebied van de gevangenhoudende staat zelf. Palestijnen die in Israël zelf gevangen zitten, moeten zonder nadelig onderscheid conform de in Israël toepasselijke mensenrechtelijke standaarden worden behandeld. Nederland stelt zich daarnaast op het standpunt dat mensenrechtelijke bescherming van deze gevangenen zich ook uitstrekt tot de bezette Palestijnse gebieden. Volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waar Israël partij bij is, moeten allen die van hun vrijheid zijn beroofd worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid, inherent aan de menselijke persoon.
Hebben de genoemde Palestijnse gevangenen recht op juridische bijstand en, zo ja, hoe is dit gewaarborgd? Op welke wijze verschillen hun rechten van andere gevangenen?
Palestijnse gevangenen die in Israël zelf gevangen zitten, moeten conform de daarvoor geldende standaarden worden behandeld. Nederland stelt zich daarnaast op het standpunt dat de daarvoor geldende bescherming van deze gevangenen zich ook uitstrekt tot gevangenen die zich niet in Israël zelf bevinden. Volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waar Israël partij bij is, heeft in geval van strafrechtelijke vervolging een ieder het recht zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman. Ook het humanitair oorlogsrecht bevat bepalingen over behandeling in geval van strafrechtelijke vervolging. Een verdachte heeft onder meer het recht te worden bijgestaan door een bevoegd raadsman van eigen keuze.
Zijn er door de Israëlische regering afspraken met de Palestijnse Autoriteit gemaakt over het overbrengen van Palestijnse gevangenen naar Israëlisch grondgebied? Zo ja, welke en kunt u deze documenten naar de Kamer sturen?
Het kabinet is niet op de hoogte van het bestaan van dergelijke afspraken.
Bent u bereid om via de Nederlandse vertegenwoordiging er bij de Israëlische regering op aan te dringen dat de uitspraak moet worden nageleefd en dat Palestijnse gevangenen in hun basisbehoeften moeten worden voorzien?
Ja. Nederland heeft meermaals zorgen geuit ten aanzien van de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Bent u bereid om te pleiten voor het toelaten van internationale waarnemers om erop toe te zien dat Palestijnse gevangenen in hun basisbehoeften worden voorzien?
Ja, dit is reeds onderdeel van het Nederlandse beleid. Het kabinet dringt hier al geruime tijd op aan, zowel bilateraal als multilateraal. Hierbij gaat het in het bijzonder om toegang tot detentiefaciliteiten voor onafhankelijke waarnemers van het ICRC op basis van hun expertise, neutraliteit en internationaal mandaat. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Hoe wordt verder toegezien op naleving van het algemene welzijn van Palestijnen in Israëlische gevangenissen? Welke stappen ziet het Nederlandse kabinet voor zich, eventueel in multilateraal verband?
Het Vierde Verdrag van Genève geeft gedetineerden in situaties van bezetting het recht om bezoek te ontvangen van het ICRC. Als organisatie is het ICRC onvervangbaar gezien zijn neutraliteit, mandaat en decennialange ervaring met de betreffende activiteiten ter bescherming van onder andere gedetineerden. Nederland blijft zich onverminderd inzetten voor toegang tot de gedetineerden en het mandaat van het ICRC.
Kunt u de Kamer periodiek informeren over de omstandigheden in de gevangenissen en in hoeverre deze verbeterd zijn en de uitspraak van het Hooggerechtshof wordt nageleefd?
Indien hiertoe aanleiding voor bestaat, zal het kabinet de Kamer hierover informeren.