Spuitlicenties voor bestrijdingsmiddelen en vakbekwaamheid |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wat behelst, in grote lijnen, het behalen van een spuitlicentie voor het spuiten met bestrijdingsmiddelen en wat behelst het verlengen hiervan? Hoe lang is de training? Welke onderwerpen komen aan bod? Met welke frequentie moet iemand met een spuitlicentie deze vernieuwen en wat zijn de vereisten voor vernieuwing?
Geldt een spuitlicentie voor specifieke teelten, specifieke middelen, of allebei?
Maakt de laatste stand van de wetenschap ten aanzien van de middelen waarvoor de licentie wordt gehaald, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Maken de risico’s voor omgeving en gezondheid van het gebruik van meerdere middelen tegelijk of na elkaar (cocktails), deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Maken de nog onbekende gevolgen voor de gezondheid, ook bij veilig gebruik, op de lange termijn, van middelen, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Maakt het belang van omgang met omwonenden, bijvoorbeeld van het inlichten van omwonenden over wat er wordt gespoten en overleg over het moment van spuiten, deel uit van het curriculum voor het behalen en/of verlengen van een spuitlicentie, zo nee, waarom niet?
Aan welke eisen moeten organisaties voldoen die dit soort trainingen geven? Hoe wordt gezorgd dat deze organisaties de vereiste kennis hebben om dit soort trainingen te geven?
Wat is de stand van zaken van de motie-Van Campen c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 691) over vakbekwaamheidseisen?
Is het (wettelijk) mogelijk bij herhaald overtreden van de regels ten aanzien van bestrijdingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan de recente bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de sierteelt onder glas) de spuitlicentie (tijdelijk) in te nemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het debat over gewasbescherming?
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt?1
Ja.
Deelt u de constatering dat deze situatie zichtbaar maakt hoe afhankelijk Nederland voor een deel van zijn voedselvoorziening is van productie in het buitenland?
Voedselvoorziening is een systeemvraagstuk. Een samenhangend netwerk van import, productie, verwerking, verhandeling en logistiek. Ik deel de constatering dat de Nederlandse voedselvoorziening voor een deel is gebaseerd op invoer van voedsel uit het buitenland. Dit draagt bij aan een grote zekerheid van een divers, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod in Nederland en daarmee aan een grote mate van voedselzekerheid.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de Nederlandse voedselzekerheid wanneer beschikbaarheid van voedselproducten direct wordt beïnvloed door weersomstandigheden in andere landen?
De invoer van voedsel uit het buitenland maakt het Nederlandse voedselsysteem minder kwetsbaar voor structurele verstoringen en draagt bij aan een divers en betaalbaar voedselaanbod. De Europese interne markt is daarbij van groot belang voor zowel de beschikbaarheid van voedsel uit andere EU-lidstaten als de afzet van Nederlandse producten, en draagt daarmee bij aan de robuustheid van het Europees voedselsysteem. Hetzelfde geldt voor invoer uit en afzet in derde landen.
Als Nederland de voedselvoorziening voornamelijk zou baseren op binnenlandse productie, zou het aanbod niet alleen minder divers zijn maar ook duurder uitvallen, omdat sommige producten hier niet, beperkt of alleen tegen hogere kosten dan elders kunnen worden geproduceerd. Bovendien zou de voedselzekerheid kunnen afnemen, doordat ook in Nederland buitengewone weersomstandigheden kunnen leiden tot tegenvallende of mislukte oogsten.
De gevolgen voor de Nederlandse voedselzekerheid van buitengewone weersomstandigheden in specifieke productielanden, zoals Spanje of Marokko, blijven doorgaans beperkt doordat er alternatieven beschikbaar zijn, zoals: Nederlandse seizoensproducten, verwerkte voedselproducten (o.a. ingevroren, ingeblikte of gedroogde groenten en fruit) en import uit andere landen.
Heeft u inzicht in de mate waarin Nederland voor de dagelijkse voedselvoorziening nu al afhankelijk is van specifieke buitenlandse regio’s? Zo ja, kan u dit overzicht met de Kamer delen?
Zoals eerder aan uw Kamer toegezonden, bevat het rapport: De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2025, in hoofdstuk 8 («Afhankelijkheden in de Nederlandse landbouwimport»), gedetailleerde informatie over de afhankelijkheid van voedselproducten uit verschillende regio’s buiten Europa.2
In hoeverre wordt in het huidige landbouw- en voedselbeleid expliciet rekening gehouden met het verkleinen van deze afhankelijkheid?
Het betrekken van voedsel uit meer bronnen dan alleen binnenlandse productie draagt bij aan een hoge mate van zekerheid en een gevarieerd, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod. Eventuele leveringsonderbrekingen uit binnen- of buitenland kunnen in de regel worden opgevangen door productsubstitutie of diversificatie van importstromen om kwetsbaarheden te laten afnemen. Tegelijkertijd blijft het van belang om de Nederlandse voedselvoorziening voor de lange termijn weerbaar te maken tegen uiteenlopende risico's, waaronder klimaat- en geopolitieke risico's. Dit ziet niet alleen op voedselproductie zelf, maar ook op de beschikbaarheid van essentiële grondstoffen en productiemiddelen voor de landbouw, zoals kunstmest, energie, veevoergrondstoffen en (onderdelen van) landbouwmachines. Mijn departement zet zich daarom in voor de waarborging van de beschikbaarheid van deze cruciale voedsel- en productiemiddelen.
Deelt u de opvatting dat een sterke en toekomstbestendige Nederlandse landbouwsector een belangrijke randvoorwaarde is voor de voedselzekerheid van ons land?
De voedselzekerheid van Nederland leunt in belangrijke mate op een robuust, duurzaam en toekomstbestendig agrocomplex. Dat betekent niet dat we volledig zelfvoorzienend moeten zijn. Het is daarbij van belang te benadrukken dat de kracht van het Nederlandse agrocomplex ook deels is gebaseerd op de import van voedsel van binnen en buiten de EU en onmisbare productiemiddelen, die een belangrijke randvoorwaarde vormen voor een hoge mate van voedselzekerheid. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 5 zou zonder import het voedselaanbod in Nederland minder zeker, minder divers en bovendien duurder zijn. Ik sta voor een sterke, toekomstbestendige en duurzame landbouwsector, functionerend binnen goed functionerende internationale voedselketens.
Hoe weegt u het belang van het behouden en versterken van binnenlandse voedselproductie mee bij beleidskeuzes die effect hebben op de omvang en mogelijkheden van de Nederlandse landbouwsector?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 3, 5 en 6 produceert Nederland niet al het voedsel zelf dat in ons land wordt geconsumeerd. De binnenlandse landbouwproductie is mede afhankelijk van de invoer van productiemiddelen. Tegelijkertijd wordt in Nederland een aanzienlijke hoeveelheid voedsel geproduceerd, bewerkt en verwerkt voor de export, wat bijdraagt aan het verdienvermogen. Dit betreft onder meer de productie van dierlijke producten zoals zuivel, vlees en eieren, naast plantaardige producten zoals aardappelen, uien en diverse groenten uit de tuin- en akkerbouw waarin Nederland een belangrijke positie heeft opgebouwd. Daarnaast speelt de voedselverwerkende industrie een belangrijke rol in de verwaarding van landbouwproducten, bijvoorbeeld door melk te verwerken tot kaas of cacaobonen tot chocolade. Deze vorm van waardecreatie borgt de internationale exportpositie van Nederland.
Het versterken van de binnenlandse voedselproductie betekent in deze context dat een deel van de huidige landbouwactiviteiten vervangen zou moeten worden door de productie van voedsel dat nu in Nederland in onvoldoende mate wordt geproduceerd. Gezien de Europese interne markt acht ik dat niet noodzakelijk en kan dit bovendien leiden tot een minder optimale uitkomst wat betreft een voldoende, divers en betaalbaar voedselaanbod. Voor de voedselzekerheid in Nederland is het daarom niet vereist dat de omvang of samenstelling van de land- en tuinbouw per se ongewijzigd blijft. Daarbij geldt ook dat beslissingen over wat en hoeveel er wordt geproduceerd, primair bij de agrarische ondernemers liggen, binnen de kaders van een verantwoorde omgang met natuur, milieu en leefomgeving.
Welke concrete maatregelen neemt u om de eigen productiecapaciteit van voedsel in Nederland te beschermen en waar mogelijk te versterken, juist met het oog op toenemende internationale onzekerheden en klimaatrisico’s?
Het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen is van groot belang en heeft de volle aandacht van het kabinet. Voedselvoorziening maakt onderdeel uit van de rijksbrede aanpak voor weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen. Zo wordt voedselvoorziening opgenomen in de nationale vitale infrastructuur. Tegelijkertijd brengt de overheid strategische afhankelijkheden in kaart en neemt zij waar nodig gerichte mitigerende maatregelen. Op Europees niveau draagt het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bij aan het versterken van de voedselzekerheid door een stabiele en duurzame landbouwproductie binnen de Europese Unie te waarborgen.
Bent u bereid om voedselzekerheid expliciet als zwaarwegend criterium mee te nemen bij toekomstige besluiten die gevolgen hebben voor de Nederlandse landbouwproductie?
Voedselzekerheid is een primair beleidsdoel van de overheid. Daarom is het van belang om voldoende productie van belangrijke voedselproducten in Nederland te handhaven op een duurzame wijze. Daarnaast is het van belang om maatregelen te nemen om de invoer van voedselproducten van elders te waarborgen, om zo veel mogelijk comparatieve voordelen te benutten. Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, en open en diverse handelsstromen vormt daarvoor de basis.
Deelt u de opvatting dat een landbouwsector die op voldoende schaal en met voldoende productievolume opereert, economisch weerbaarder en minder kwetsbaar is voor verstoringen dan een sector die slechts op minimale schaal produceert voor uitsluitend de binnenlandse markt?
De kracht en kwetsbaarheid van land- en tuinbouwbedrijven en deelsectoren worden niet alleen bepaald door schaalgrootte en productievolume. Hoewel schaal en volume kunnen bijdragen aan efficiëntie en concurrentiekracht, brengen ze onder bepaalde omstandigheden ook risico’s met zich mee, zoals zichtbaar werd tijdens de vraaguitval in de COVID-19-pandemie en bij extreme weersomstandigheden. Daarom is het van belang dat, naast het nastreven van schaalvergroting en doelmatigheid, ook wordt ingezet op diversificatie van zowel productie als handelsstromen en op het versterken van de weerbaarheid van de landbouwsector en de gehele voedselvoorzieningsketen. Handelsverdragen kunnen hierin een aanvullende rol spelen.
Deelt u de opvatting dat export van Nederlandse landbouwproducten een logisch onderdeel is van een goed functionerende mondiale economie, waarbij Nederland landbouwproducten exporteert en andere landen bijvoorbeeld techniek, auto’s of grondstoffen exporteren die Nederland importeert?
Net zoals Nederland profiteert van de invoer van voedselproducten waarin andere landen comparatieve voordelen hebben, kan de voedselzekerheid in andere landen worden versterkt door de invoer van landbouwproducten waarin Nederland zelf comparatieve voordelen heeft. Afhankelijkheden werken immers twee kanten op. Naast landbouwproducten produceert Nederland bovendien veel andere goederen die in het buitenland gewild en gevraagd zijn. Export en import, van producten en diensten uit andere economische sectoren dan de landbouw dragen eveneens bij aan de welvaart, en daarmee ook de voedselzekerheid, in Nederland.
Deelt u de mening dat juist deze exportpositie bijdraagt aan de economische kracht, innovatie en continuïteit van de Nederlandse landbouwsector en daarmee indirect ook aan de voedselzekerheid van Nederland zelf?
Ja. Zie ook het antwoord op de vorige vraag.
Het plotseling stopzetten van programma DuurzaamDoor |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u ertoe besloten om het succesvolle programma DuurzaamDoor plotseling stop te zetten na 15 jaar (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 12?
Er is geen sprake van plotseling stopzetten van het programma. De derde programmaperiode DuurzaamDoor (2020–2024) liep af in 2024.
Aan mijn besluit over hoe verder te gaan ging een brede consultatie vooraf. Na een eerste tussenevaluatie door TwynstraGudde, heeft begin 2024 Royal Haskoning DHV, op verzoek van de stuurgroep DuurzaamDoor, een onderzoek uitgevoerd bij stakeholders en het programmateam bij RVO. Er zijn interviews gehouden en er is een brede bijeenkomst georganiseerd. Kernvraag die centraal stond was of en hoe verder gegaan moest worden met DuurzaamDoor.
De stuurgroep adviseerde na deze verkenning om het programma voort te zetten. Zij gaf daarbij aan dat de werkende principes van het programma (lerende netwerkaanpak, multi stakeholder-benadering, verbinden van meerdere schaalniveaus, integraal werken aan duurzaamheidsopgaven en de mens centraal) ook de basis zouden moeten vormen voor een toekomstig programma. Op onderdelen stelde de stuurgroep aanpassingen voor. Onder meer ging het daarbij om meer aandacht voor het doorvertalen en agenderen van lokaal en regionaal gesignaleerde knelpunten naar het ministerie.
Op 2 juli 2024 trad het kabinet Schoof aan, met een nieuwe focus en agenda. Dat maakte dat de besluitvorming over het eventuele vervolg van DuurzaamDoor vertraging opliep. Daarom is in goed overleg met RVO en de Stuurgroep DuurzaamDoor besloten de lopende programmaperiode 2021–2024 met een jaar te verlengen. Daarmee konden ook de resultaten van de onafhankelijke eindevaluatie van het programma door TwynstraGudde worden afgewacht en konden deze worden betrokken bij de besluitvorming.
Begin 2025 werd deze eindevaluatie opgeleverd. Conclusie daaruit was dat het programma goed had gewerkt en een aantal unieke kenmerken en werkwijzen had ontwikkeld. Een van de aanbevelingen was om in de toekomst meer aansluiting te zoeken bij grotere systeemspelers en beleidsprogramma’s. Respondenten gaven ook aan dat een vervolgprogramma meer impact kon hebben als het belang van sociale en maatschappelijke innovaties beter voor het voetlicht zou worden gebracht, in een samenleving die vooral gericht is op technische innovaties.
Gegeven de grootte van de opgaven van LVVN op het terrein van voedsel, natuur en landelijk gebied en de noodzaak te investeren in innovatie zoals vermeld in het regeerprogramma, was er daarnaast aanleiding de beschikbare middelen en de opgebouwde expertise bij DuurzaamDoor in het vervolgprogramma te richten op deze opgaven. Om deze redenen heb ik in oktober 2025 besloten de bestaande middelen voor DuurzaamDoor op de begroting van LVVN in te zetten voor de Aanpak sociale innovatie. Met de aanpak zullen succesvolle elementen en de ervaring van het programma DuurzaamDoor worden behouden.
Overigens was DuurzaamDoor, net als de Aanpak sociale innovatie, een programma dat zijn oorsprong vond in eerdere programma’s. Hierbij gaat het onder meer om de NME Onderwijs Impuls (1992–1996), de extra impuls Natuur en Milieu Educatie (1996–1999), het programma Leren voor Duurzaamheid (2000–2003) en Leren Voor Duurzame Ontwikkeling (2004–2007 en 2008–2012).
Op basis van welke ambtelijke adviezen heeft u hiertoe besloten? Waren er ook ambtelijke adviezen die hiertegen adviseerden?
Conform het mij gegeven eenduidige ambtelijke advies, heb ik ervoor gekozen om na het aflopen van het programma DuurzaamDoor in 2025 door te gaan met een Aanpak sociale innovatie zoals hiervoor geschetst en daarvoor de via het programma Duurzaam Door bij RVO opgebouwde kennis en ervaring te benutten.
Op welke datum is binnen het ministerie hierover geïnformeerd? Op welke datum zijn het programmamanagement, de stuurgroep en andere medewerkers hiervan op de hoogte gesteld?
Vanaf begin 2024 is er nauw overleg geweest met het programmamanagement, het programmateam en de stuurgroep DuurzaamDoor. Met de aanbevelingen uit de brede consultatie, de nieuwe inzichten en koers van het kabinet en de eindevaluatie is gezamenlijk gewerkt aan de nieuwe aanpak sociale innovatie.
Hoe is er op uw besluit door deze betrokkenen bij DuurzaamDoor gereageerd?
De Aanpak sociale innovatie is in nauwe samenwerking met het programmateam bij RVO vormgegeven. De in DuurzaamDoor opgebouwde kennis en ervaring wordt benut in deze aanpak. Daarmee is er steun voor deze aanpak.
Hoeveel werknemers waren er betrokken bij DuurzaamDoor? Hoeveel van die medewerkers werden deels bekostigd door het geld van DuurzaamDoor?
Het programma DuurzaamDoor is uitgevoerd door RVO. In de laatste programmaperiode waren er bij RVO zeven medewerkers betrokken.
Kunt u bevestigen dat met het beëindigen van DuurzaamDoor ook de participatietafels die onder het programma vielen (Energietransitie, Natuurinclusief bouwen, Veranderkracht en Voedseltransitie) tot een einde zijn gekomen?
Alle participatietafels die in het programma DuurzaamDoor zijn geïnitieerd, zijn afgerond, of op andere plekken doorgezet of overgedragen.
De participatietafel Energie gaat door en is vanaf 2026 tijdelijk ondergebracht bij RVO. Het nog vorm te geven Nationaal Programma Energie Systeem (NPES) is de beoogde landingsplek voor de participatietafel Energie. Het project Opgroeiruimte, voor gemeenten en bewonersinitiatieven, is opgenomen in de academie van de landelijke koepel van energiegemeenschappen: energie samen.
De participatietafel Natuurinclusief bouwen is nu een van de domeinen van het Collectief Natuurinclusief en gaat daarin door. Ook is dit thema en dit netwerk geborgd in het netwerk KAN (Klimaat Adaptief Bouwen) en in het Groeifondsprogramma Werklandschappen van de toekomst.
De participatietafel Voedseltransitie heeft in 2025 haar laatste project («beter dan super») afgerond en is beëindigd. De kennis uit de tafel en tafelmethode is geborgd in kennisproducten en in de bestaande netwerken, zoals de Transitiecoalitie Voedsel, het Kennisplatform Stadslandbouw Nederland en de Community of Practice Voedselraden.
De instrumenten vanuit het ontwikkeltraject Veranderkracht zijn input voor de instrumentenkoffer van de Aanpak sociale innovatie.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van de waardevolle initiatieven, waarvan DuurzaamDoor aan de wieg heeft gestaan (Duurzame Dinsdag, de onderwijs coöperatie Leren voor Morgen, de Green Protein Alliance en het netwerk Klimaatadaptief bouwen met de Natuur (KAN)), zoals aangegeven in uw brief, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Kunt u aangeven of het voortbestaan van andere initiatieven mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke initiatieven zijn dat?
Het programma DuurzaamDoor heeft gewerkt als een initiator en heeft impulsen gegeven aan nieuwe ontwikkelingen of netwerken. Hierbij is altijd het doel geweest om te zorgen dat netwerken en activiteiten na een incidentele ondersteuning zelf verder zouden kunnen. Duurzame Dinsdag, het KAN netwerk en de Green Protein Alliance zijn overgenomen door andere organisaties.
De Coöperatie Leren voor Morgen, die bestaat uit leden die zich inzetten voor duurzaamheid in het onderwijs, blijft financiële ondersteuning ontvangen van LVVN, voor de periode 2026–2029.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van projecten, waaronder het Kennisplatform Collectieve Kracht, waarvan DuurzaamDoor (mede)financierder was, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke andere projecten werden door DuurzaamDoor (mede)gefinancierd?
Het Kennisplatform Collectieve Kracht heeft in de laatste programmaperiode van DuurzaamDoor twee subsidies ontvangen voor opstart van het kennisplatform en ontwikkeling van labs. Vervolgens heeft Collectieve Kracht een succesvolle aanvraag voor subsidie gedaan bij NWO. Collectieve Kracht wordt momenteel door de betrokkenen bij de Aanpak sociale innovatie betrokken bij participatievraagstukken die te maken hebben met een vitaal platteland.
Andere projecten waaraan DuurzaamDoor financieel heeft bijgedragen zijn bijvoorbeeld de al genoemde initiatieven bij vraag 7 en de vereniging GDO (gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling, met haar netwerk van lokale Natuur- en Duurzaamheidscentra). Er zijn bij mijn weten geen projecten die in gevaar zijn door het stoppen van DuurzaamDoor.
Beaamt u de stelling van TwynstraGudde in het evaluatierapport «Eindevaluatie DuurzaamDoor 2021–2024» dat het programma DuurzaamDoor een gewenste aanpak is van een benodigd antwoord op structurele problemen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke transities, en beantwoordt aan wetenschappelijk onderzoek opgesteld door Grin, Rotmans en Schot, «Transitions to Sustainable Development. New Directions in the Study of Long Term Transformative Change»? Zo ja, waarom stopt u dan het programma voortijdig? Zo nee, op grond waarvan?1
Het programma DuurzaamDoor is niet voortijdig gestopt, maar de huidige programma-periode liep af. Met de keuze voor een aanpak die zich richt op de hoofdopgaven van LVVN en bijdraagt aan het bredere innovatie-instrumentarium van het ministerie gaat de aanpak van DuurzaamDoor niet verloren. De werkende elementen, zoals een multi-stakeholder aanpak, ruimte voor ontdekken/experimenteren, het initiëren van lerende netwerken, een bottom-up aanpak, maatschappelijke participatie en een veilige leer- en ontwikkelsetting, worden voortgezet.
Deelt u de conclusie uit het evaluatierapport van TwynstraGudde dat DuurzaamDoor een waardevolle bijdrage levert aan duurzaamheidstransities? Zo ja, waarom heeft zij desondanks besloten het programma te beëindigen?
Een groot deel van de ervaring en netwerken gaat verder in de nieuwe Aanpak sociale innovatie als onderdeel van de bredere LVVN-aanpak op innovatie. De waarde van DuurzaamDoor blijft hiermee benut voor duurzaamheidsopgaven, maar wordt ook breder benut.
Zie ook het antwoord bij vraag 9.
Kunt u aangeven waarom, terwijl op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat dat DuurzaamDoor is gestart om duurzaamheidsvraagstukken aan te pakken, uw nieuwe project Aanpak Sociale Innovatie (in tegenstelling tot DuurzaamDoor) geen focus meer heeft op duurzaamheid en duurzaamheidstransitie, maar veel abstracter op maatschappelijke opgaven binnen het Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)-domein (voedsel, natuur en landelijk gebied)?2
Ik vind het belangrijk de beschikbare middelen en mensen in te zetten op de hoofdopgaven van LVVN en daarmee op meer opgaven dan duurzaamheid. Investeren in sociale innovatie is ook voor andere thema’s zoals gebiedsprocessen of natuurherstel van belang.
Welke aanleiding heeft u om te denken dat een programma gericht op duurzaamheidstransitie niet meer relevant is in tijden van klimaatverandering, energietransitie en strategische autonomie?
Ik kies ervoor de beschikbare middelen en opgebouwde expertise in te zetten voor de maatschappelijke opgaven op het terrein van natuur, platteland en een volhoudbaar voedselsysteem. Duurzaamheid is een integraal onderdeel van het beleid ten aanzien van deze opgaven. De aanpak sociale innovatie draagt zo ook bij aan brede maatschappelijke vraagstukken, zoals klimaatverandering, voedsel van dichtbij of natuurherstel.
Op welke wijze denkt u het gat te kunnen opvullen dat DuurzaamDoor achterlaat in de Nederlandse doorvertaling van internationale frameworks en verdragen op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid? Denkt u anders over de in het evaluatierapport van TwynstraGudde beschreven centrale rol van DuurzaamDoor hierin?
LVVN blijft zich inzetten in internationale netwerken op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid. Dit verandert niet. Ook de doorvertaling van die internationale afspraken zal blijven plaatsvinden via de Aanpak sociale innovatie en ook via bestaande (onderwijs)netwerken en de interdepartementale werkgroep Duurzame School.
Klopt het dat eerder de intentie was, zoals in de begroting voor 2025 vermeld stond, het programma door te laten lopen tot tenminste 2029 (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2 (tabel 59, blz. 143))? Waarom waren er tot aan 2029 anders middelen begroot voor DuurzaamDoor?
Het bedrag in de begroting 2025 met het label DuurzaamDoor is deels bestemd voor het programma DuurzaamDoor en deels voor het programma Jong Leren Eten. Het is vaker zo dat begrotingsreeksen langer in de begroting staan dan de duur van een programma(periode). Met deze middelen kan zo een volgend programma worden gefinancierd.
Het besluit over een opvolging van het programma DuurzaamDoor was op het moment van aanbieden van de begroting 2025 nog niet genomen. Inzet was toen al wel om de betreffende middelen te gebruiken voor een programma over leren en ontwikkelen, met een multi-stakeholder aanpak en met focus op initiatieven uit de maatschappij. Vandaar dat de meerjarige reeks erin bleef staan.
Het budget wordt nu ingezet onder de titel Aanpak sociale innovatie.
Klopt het dat u heeft besloten om DuurzaamDoor te stoppen ver voor de begrootte «einddatum van de Subsidie (regeling)», die in 2027 was gesteld?
Dit is onjuist. Er is geen subsidieregeling DuurzaamDoor. De hier genoemde einddatum subsidie(regeling) heeft betrekking op de subsidieregeling voor Jong Leren Eten makelaars. Deze staat in de begroting op een gezamenlijke post met het programma DuurzaamDoor.
In hoeverre zijn het managementteam, de stuurgroep en samenwerkingspartners meegenomen in de tijd voor het besluit dat DuurzaamDoor tot een einde zou komen?
Voor deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en 4.
Op welke wijze is rekening gehouden met de meerjarige samenwerkingen en langlopende leertrajecten die binnen DuurzaamDoor liepen en wat betekent het stopzetten van het programma voor de continuïteit en betrouwbaarheid van de overheid als samenwerkingspartner?
Het dossier heeft altijd uit opeenvolgende programmaperiodes van vier jaar bestaan, sinds 2013 met de naam «DuurzaamDoor». Ook samenwerkingsverbanden en langlopende leertrajecten zijn voor deze periode aangegaan, met een begin en een einde.
Erkent u de bijdrage van DuurzaamDoor, gezien het feit dat in het Biodiversiteitsplan Europees Nederland staat dat het programma DuurzaamDoor een ondersteuning en professionalisering faciliteert van het grote en fijnmazige netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie? Welke reden ziet u in dit licht om te stoppen met DuurzaamDoor? Op welke manier denkt u het gat dat DuurzaamDoor achterlaat op te kunnen vangen?
De aandacht voor natuur- en duurzaamheidseducatie vanuit het Ministerie van LVVN eindigt niet met het stoppen van het programma DuurzaamDoor. Via de inzet in de interdepartementale werkgroep Duurzame School en via onze samenwerking met de vereniging GDO (Gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling) zullen we ook in de periode 2026–2029 bijdragen aan de ondersteuning en professionalisering van het netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie. Daarbij gebruiken we ook de input vanuit de internationale gremia.
Is de aanname juist dat de begrote middelen voor DuurzaamDoor vanaf 2026 beschikbaar komen voor uw nieuwe project over sociale innovatie, zoals lijkt te worden gesteld (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2)?
Ja, dat klopt.
Kunt u aangeven welke lessen, trajecten en projecten, uit 15 jaar DuurzaamDoor expliciet worden meegenomen in de nieuwe Aanpak Sociale Innovatie en waar dit alles is vastgelegd?
De werkwijze, manieren van samenwerken, netwerken en kennis die binnen het programma DuurzaamDoor zijn ontwikkeld, vormen de basis voor de Aanpak sociale innovatie.
Inzet is om in de nieuwe aanpak de werkmethodes die zijn ontwikkeld toegankelijk te houden. Op dit moment gebeurt dat nog via de archiefpagina van DuurzaamDoor3. Het team bij RVO dat aan de aanpak werkt bestaat uit adviseurs met ervaring, die hun weg weten binnen de bestaande netwerken. Het merendeel van de adviseurs komt uit het programmateam van DuurzaamDoor.
Is er een maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van het stoppen van DuurzaamDoor? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen?
Er is geen maatschappelijke kosten-baten analyse gemaakt over het programma DuurzaamDoor.
Bent u bereid het volledige besluitvormingsdossier rondom het stopzetten van DuurzaamDoor, inclusief interne nota’s, adviezen en besluitstukken, met de Kamer te delen?
Met bovenstaande antwoorden heb ik gepoogd u voldoende inzicht te verschaffen.
Kunt u deze vragen vraag voor vraag, voor haar aftreden, beantwoorden?
Dat heb ik gedaan.
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Ja, ik heb kennis genomen van de recente uitspraken.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
De kern van de uitspraken is dat de Minister van LVVN op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (1107/2009) bevoegd en gehouden is om een professionele gebruiker te verzoeken informatie te verstrekken uit hun registers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien een derde partij een verzoek tot inzage heeft ingediend. Derde partijen zijn in ieder geval drinkwaterindustrie, detailhandelaren en omwonenden. De uitspraken zorgen ervoor dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (m.n. telers) vaker informatie zullen moeten verstrekken over dat gebruik aan partijen buiten de overheid.
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voornemens om hoger beroep in te gaan stellen. Dit zal een pro-forma beroep zijn om de opties open te houden voor mijn ambtsopvolger om een keuze te maken aan de hand van een nader onderzoek naar de uitspraken en deze niet bij voorbaat te beperken. Een van de overwegingen daarbij is dat de uitleg van een Europese Verordening is voorbehouden aan het Europese Hof van de EU, dit ook met het oog op een gelijk speelveld tussen lidstaten.
Daarnaast ben ik voornemens om een voorlopige voorziening te vragen. Daarmee wordt voorkomen dat de opdracht van de rechtbank om alsnog te beslissen moet worden uitgevoerd, voordat op het hoger beroep is beslist.
Ik heb reeds een aantal verzoeken om toegang tot spuitgegevens ontvangen. Ik ga deze verzoeken, en de mogelijke verzoeken die nog volgen, aanhouden tot er juridische duidelijkheid is. De indieners van deze verzoeken stel ik hiervan op de hoogte.
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Er zullen hier twee sporen uitgewerkt moeten worden. Een juridisch spoor voor de korte termijn en een beleidsmatig spoor voor de lange termijn. De precieze uitwerking voor de korte termijn ben ik nu aan het vormgeven. Het spoor voor de lange termijn laat ik over aan mijn ambtsopvolger.
Ik kan me goed kan voorstellen dat we uiteindelijk toegaan naar een ander systeem, dat veel meer inzicht geeft in de individuele toepassing door bedrijven. Zo’n systeem zou vergelijkbaar van opzet kunnen zijn zoals in de diergeneeskunde, waar het al heel gebruikelijk is dat toegepaste middelen worden verantwoord en geregistreerd.
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Mijn beleid is altijd gericht op het «goed nabuurschap». Hierbij stimuleren we professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen om in gesprek te gaan met hun omgeving. Goede gesprekken tussen buren zullen de frequentie van dit soort formele verzoeken via mijn ministerie tot een minimum beperken. Ook verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Het is van belang om deze gegevens in de juiste context te plaatsen. De professionele gebruiker kan dit het beste zelf doen, zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 6. Hoe dit gewaarborgd kan worden in het geval dat er verzoeken bij mijn ministerie ingediend worden, wordt onderdeel van het proces dat voor de lange termijn vormgegeven wordt zoals vermeld in het antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Dit heb ik gedaan.
Eieren |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Mag een boer aangeven op zijn doosje eieren dat zijn kippen niet met een mRNA-vaccin zijn gevaccineerd?
Er zijn zowel voor klasse A als klasse B eieren vereisten voor de informatie die op de verpakking moet staan (art. 11 Verordening (EU) 2023/2465). Ook bij verkoop van losse eieren moet de informatie die normaal op de verpakking staat beschikbaar zijn voor de consument (art. 14 Verordening (EU) 2023/2465). Gegevens over vaccinaties zijn geen onderdeel daarvan. De vaccinatieverordening (EU) 2023/361 bevat geen voorschriften over labelen / etiketteren / meldingen, en ook geen verbod om iets op te nemen op een ei/verpakking. Een houder moet wel eerlijke en duidelijke voedselinformatie geven (artikel 7 van Verordening (EU) 1169/2009). Kortom, op een doosje eieren mag staan dat de kippen niet met een mRNA-vaccin zijn gevaccineerd, mits dit correcte informatie is.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Heijnen , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Binnen de Emissieregistratie worden emissies toegerekend aan de verschillende sectoren, zoals landbouw, industrie en verkeer. Daarvoor is het nodig vast te stellen welke bronnen aan de sectoren worden toegerekend. In de toerekening van bronnen aan sectoren worden ook de minder goed beïnvloedbare bronnen meegerekend, omdat ook deze bronnen een bijdrage leveren aan de totale nutriëntenopgave. Het is echter niet zo dat extern inlaatwater aan de sector landbouw wordt toegerekend.
Voor de sector landbouw is uitgegaan van de uit- en afspoeling van landbouwgronden, direct meemesten van sloten, lozingen vanuit de glastuinbouw en erfemissies. In de uit- en afspoeling van landbouwgronden zit ook de bijdrage van kwel en bodemprocessen zoals de mineralisatie van veengrond. De kennisinstellingen achter Emissieregistratie beargumenteren dat kwel en mineralisatie van veen deels een gevolg zijn van keuzes in het waterbeheer ten behoeve van agrarisch gebruik.Deze bronnen die in de uit- en afspoeling van landbouwgronden zijn opgenomen, worden dus niet volledig aan landbouw toegeschreven. Anderzijds wordt bij de bronnen voor de verontreiniging van oppervlaktewater de post «depositie op open water» apart onderscheiden. Deze post bestaat voor stikstof gemiddeld voor de helft uit stikstof afkomstig van landbouw.
De Emissieregistratie maakt een pragmatische keuze om deze bronnen toe te delen aan sectoren. Deze registratie is vooral bedoeld om trendmatige ontwikkelingen weer te geven en niet om op basis van deze toedelingen beleidsmatige keuzes voor afzonderlijke sectoren te maken. Bij de bronnenanalyse (zie het antwoord op de vragen 7 en 8) was wel het doel om beleidsmatige keuzes te maken. Daarom zijn daarin aanvullende uitgangspunten gekozen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie het antwoord op vraag 2. De instituten die gezamenlijk aan de Emissieregistratie werken (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderling overleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd en toegerekend. Ik ga er van uit dat deze kennisinstellingen op een eerlijke en betrouwbare wijze inzicht geven in de bijdrage van de verschillende sectoren. Ik ga uw verzoek wel overbrengen aan de kennisinstellingen. Het is vervolgens aan hen om te wegen welke informatie betrouwbaar genoeg is om weer te geven. De instituten hebben naar aanleiding van de gerezen vragen, zoals onder andere door Agrifacts zijn gesteld, reeds de omschrijving van de bron landbouwgronden op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) verduidelijkt.
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
In de Nitraatrapportage wordt gebruik gemaakt van verschillende meetnetten om te rapporteren over de waterkwaliteit in Nederland. In de monitoring van de waterkwaliteit is het niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende bronnen die bijdragen aan de nutriëntenbelasting.
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is ontwikkeld om het effect van het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten van de actieprogramma’s in beeld worden gebracht (zie Hoofdstuk 2 in Nitraatrapportage 2024). In het LMM wordt zo dicht mogelijk bij de bron gemeten, namelijk op de landbouwpercelen zelf en in de aangrenzende sloten.
Voor de rapportage van het grondwater dieper dan 5 meter onder het maaiveld wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Voor dit meetnet wordt in de monitoringsgegevens een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen van landgebruik (voor de Nitraatrapportage wordt voor het LMG onderscheid gemaakt in de categorieën landbouw, natuur en overig). Indien dit het geval is, wordt dit duidelijk aangegeven in de begeleidende tekst.
Bij de meetnetten voor het oppervlaktewater is het niet altijd mogelijk dit onderscheid te maken vanwege de specifieke opzet van deze meetnetten, zoals het geval is bij de KRW-monitoringslocaties. Aan het begin van hoofdstuk 6 (zie Figuur 6.1–6.4) van de Nitraatrapportage (over oppervlaktewater) wordt ingegaan op de verschillende bronnen van nutriënten in het oppervlaktewater waarbij onder andere een onderscheid wordt gemaakt tussen uit- en afspoeling vanuit natuurgronden en uit- en afspoeling vanuit landbouwbronnen. Daarnaast worden de monitoringsgegevens over de nutriëntenbelasting en (deels ook voor) eutrofiëring van het oppervlaktewater afzonderlijk getoond voor landbouwspecifieke oppervlaktewateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren. Hierbij wordt opgemerkt dat de invloed van belasting vanuit de landbouw op deze wateren afneemt in de volgorde van landbouwsloten, landbouwspecifieke wateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren.
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Ja. De Europese Commissie (EC) is op 14 juli 2025 geïnformeerd over de Landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research (WEnR).
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
De EC heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie een eigen analyse opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit4. De EC heeft zich voor de analyse van de waterkwaliteit in Nederland gebaseerd op monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Nitraatrapportage van de periode 2020–2023 en monitoringsgegevens vanuit het LMM5. Voor wat betreft het aandeel van de verschillende bronnen in de nutriëntenbelasting van het Nederlandse oppervlaktewater wordt in de Nitraatrapportage verwezen naar de Emissieregistratie 2024. Daarnaast wordt in de bijlage bij de brief van Eurocommissaris Roswall ook verwezen naar monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Kaderrichtlijn Water.
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Regionale overheden mogen bij het afleiden van doelen voor nutriënten rekening houden met natuurlijke processen. Daarvoor zijn handreikingen opgesteld. Zo kan rekening worden gehouden met de zogenaamde «natuurlijke achtergrondbelasting». Daarbij hebben de waterbeheerders regionale kennis van de verschillende bronnen gebruikt en is er rekening gehouden met de specifieke gebiedskenmerken. De KRW-normstelling is een doelwaarde die past bij wat ecologisch nodig is voor het KRW-waterlichaam. Er bestaat dus geen aparte «norm voor landbouw» en een «norm voor kwel». Bronnenanalyses helpen bij het bepalen waar de belasting vandaan komt en welke maatregelen nodig zijn. Alle waterschappen werken daarbij op basis van een handreikingen die door het Rijk is opgesteld.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie antwoord vraag 7.
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8. Als er meer recente en betere informatie beschikbaar is, dan zijn en worden de nutriëntennormen daarop aangepast. Ook kan in bepaalde gevallen gebruik worden gemaakt van legitieme uitzonderingen, als KRW-normen niet tijdig worden behaald. Zie daarvoor de informatie die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat naar uw Kamer is gestuurd, zoals (Kamerstuk 27625, nr. 716).
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 is aangegeven is er enerzijds sprake van een uniforme werkwijze die in de handreiking is beschreven, en anderzijds kan dit worden ingevuld met gebiedsspecifieke kenmerken. Het is bekend dat er verschillen kunnen optreden in de manier waarop door waterschappen natuurlijke omstandigheden (zoals kwel, bodemtype en hydromorfologie) worden meegewogen in de onderbouwing van KRW-doelen. Dat hangt samen met verschillen in gebiedskenmerken. In het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari jl. is door de Minister van IenW aan het lid Van der Plas (BBB) toegezegd om de Kamer te informeren over het gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water (BO KRW) over het verwerken van natuurlijke achtergrondconcentraties in de KRW-doelen.
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
De Emissieregistratie inventariseert veel gegevens van verschillende bronnen. Dat gaat ook verder dan alleen de bronnen voor water. Deze informatie wordt in veel beleidstrajecten toegepast.
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Voor het opstellen van de landelijke bronnenanalyse door WEnR is samengewerkt met de waterschappen en is gebruikgemaakt van de data en kennis van de waterschappen en de regionale bronnenanalyses van de waterschappen, indien deze beschikbaar waren. Voor de landelijke bronnenanalyse is op een landelijk geharmoniseerde wijze een methodiek gevolgd voor de toewijzing van alle bronnen. De regionale analyses worden uitgevoerd voor een afgebakende regio, met keuzes die bij die regio passen. De regionale analyses verschillen onderling, bijvoorbeeld de wijze waarop wordt omgegaan met het ingelaten water vanuit het hoofdwatersysteem.
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. Conform artikel 3, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing.
De motie Flach en Grinwis6 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. Lidstaten zijn verplicht op grond van criteria genoemd in bijlage I van de Nitraatrichtlijn vast te stellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed en welke wateren zouden kunnen worden beïnvloed indien maatregelen achterwege zouden blijven. In de beantwoording op Kamervragen van het lid De Vos (Fvd) is reeds aangegeven dat ik in lijn met de motie Flach en Grinwis en conform het Hoofdlijnenakkoord aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heb gevraagd om hierover te adviseren7. Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet8. Op 26 januari 2026 is aan uw Kamer de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma aan uw Kamer toegestuurd. Hierbij is ook het voornoemde advies van de CDM gevoegd. Ik laat de besluitvorming naar aanleiding van dit advies over aan het volgende kabinet.
Het bericht 'Nederlandse grensboeren halen doelen niet door vervuild water uit Duitsland: dit voelt wel oneerlijk' |
|
Hidde Heutink (PVV), Chris Jansen (PVV) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit artikel en wat vindt u hiervan?1
Kunt u aangeven waarom er niet eerder in Brussel aan de bel is getrokken over deze overduidelijke achterstelling van onze boeren ten opzichte van boeren uit Duitsland?
Is dit niet een overduidelijk voorbeeld dat onze boeren erin worden geluisd door idiote regels en daarmee bewust naar de afgrond worden geduwd? Zo nee, waarom niet?
Waarom draait Nederland op voor de vervuiling uit het buitenland en wat doet u om dit te stoppen?
Wanneer gaat u de Nederlandse Kaderrichtlijn Water (KRW)-normen versoepelen?
Valt het nog uit te leggen dat het water, één millimeter over de grens, schoner zou zijn, en in Nederland niet meer? Zo ja, hoe legt u dat dan uit aan al die boeren, tuinders en vissers die al jarenlang worden gepakt?
Snapt u dat we als Nederland op deze wijze nooit de KRW-doelen gaan halen?
De behandeling en het transport van zieke en kreupele ‘afgemolken’ koeien. |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de beelden gezien die door dierenrechtenorganisatie Ongehoord zijn gemaakt op vijf verschillende erkende verzamelcentra, waar een deel van de koeien en kalfjes naartoe wordt gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?
Ja.
Heeft u gezien dat op alle gefilmde locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, zelfs als deze dieren ziek en kreupel zijn?
Ik heb de beelden uit het nieuwsartikel van Ongehoord gezien.
Heeft u gezien dat bijna 10 procent van alle erkende Nederlandse verzamelcentra voor koeien en kalfjes is gefilmd? Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
Ik kan geen uitspraak doen over of dit wel of geen incidenten zijn. Ik weet niet hoeveel beeldmateriaal er is opgenomen, en wat het percentage is van die beelden die in het nieuws zijn gekomen.
Wat vindt u van deze praktijken?
Ik vind het kwalijk dat koeien en kalfjes worden geschopt. Dit is niet de manier waarop met dieren moeten worden omgegaan.
Kunt u bevestigen dat koeien in de melkveehouderij elk jaar zwanger worden gemaakt zodat ze melk blijven geven, het kalfje vrijwel direct na de geboorte wordt weggehaald en dat na een paar jaar, als de moederkoe minder melk begint de geven en daardoor economisch minder interessant wordt, deze wordt afgevoerd naar het slachthuis?
Ik kan niks zeggen over de individuele werkwijze van melkveehouders. Deze werkwijze kan per melkveehouderij verschillen.
Kunt u bevestigen dat veel van deze zogeheten «afgemolken» melkkoeien te maken hebben met (ernstige) welzijnsproblemen zoals kreupelheid doordat één op de drie melkkoeien niet buitenkomt, maar hun hele leven op harde vloeren staat?1
In algemene zin ben ik bekend met welzijns- en gezondheidsrisico’s in de veehouderij. Over het algemeen nemen veehouders adequate maatregelen om die risico’s te beperken.
Kunt u bevestigen dat veel van deze melkkoeien, ook als zij welzijnsproblemen hebben, alsnog worden afgevoerd naar het slachthuis zoals te zien is op de beelden, omdat ze dan nog iets van geld opleveren?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat zo’n 25 procent van de melkkoeien niet rechtstreeks naar het slachthuis wordt vervoerd, maar eerst naar een verzamelcentrum wordt gebracht, daar in een andere vrachtwagen wordt geladen om vervolgens alsnog naar het slachthuis te worden vervoerd?
Ik kan bevestigen dat dit het geval is geweest van 2017 t/m 2020 en ik heb geen reden om aan te nemen dat dit veranderd is.
Bent u bekend met de Europese Transportverordening (Verordening (EG) nr. 1/2005) die voorschrijft dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet mogen worden vervoerd, in het bijzonder wanneer zij «niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen»?
Ja.
Kunt u bevestigen dat desondanks jaarlijks ongeveer 16.000 dieren op verzamelcentra worden gedood omdat ze te zwak, gewond of ziek zijn om verder te mogen worden vervoerd (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 8)?
In 2024 is voor 16.713 dieren een doodmelding geregistreerd op een verzamelcentrum. De oorzaak van de dood van deze dieren is niet geregistreerd.
Hoe verklaart u dat deze dieren op transport zijn gezet naar een verzamelcentrum?
Ik heb geen inzicht in de beweegredenen op dit punt. Wel vind ik dat alle schakels in de keten ervoor moeten zorgen dat dierenwelzijn op ieder
moment geborgd is. Elk bedrijf en iedere medewerker binnen het bedrijf moet ervan doordrongen zijn dat zij de verantwoordelijkheid hebben om dierenwelzijn te verzekeren. Licht gewonde of zieke dieren mogen vervoerd worden wanneer het transport geen extra lijden veroorzaakt. Voorafgaand aan het transport moeten de veehouder en transporteur beoordelen of een dier transportwaardig is of niet, en bij twijfel moet advies van een dierenarts worden gevraagd.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
In de Transportverordening worden in bijlage 1, Hoofdstuk I regels gesteld over de geschiktheid van dieren voor vervoer. Daarin wordt onder meer geregeld dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet in staat worden geacht te worden vervoerd wanneer zij niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Die bijlage regelt echter ook dat zieke of gewonde dieren in staat kunnen worden geacht te worden vervoerd wanneer het lichtgewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt, en waarbij bij twijfel het advies van de dierenarts wordt ingewonnen.
Erkent u dat daarnaast veel koeien in verzamelcentra niet in staat zijn om pijnloos te bewegen, zoals koeien die praktisch op drie poten lopen, ernstig hinken, trekken met een of meerdere poten of nauwelijks meer kunnen lopen, zoals te zien is op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Het aantal koeien met een vorm van kreupelheid op een verzamelcentra wordt niet geregistreerd. Kreupelheid is een veel voorkomend probleem bij melkkoeien. Licht kreupele koeien kunnen ook te vinden zijn op verzamelcentra.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de richtlijn heeft dat zolang koeien met «verminderde» of «gebrekkige» mobiliteit op vier poten steunen, ze gewoon op transport mogen worden gezet omdat de kreupelheid «niet altijd' gepaard gaat met pijn?
Nee, er kan niet gesteld worden dat koeien zonder meer geschikt zijn voor vervoer wanneer ze op vier poten steunen en een verminderde of gebrekkige mobiliteit hebben. Bij twijfel moet het advies van een dierenarts-practicus worden ingewonnen.
De NVWA en de sector gebruiken daarvoor de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van volwassen runderen. De richtsnoeren geven aan dat een rund dat niet op alle vier poten kan staan, niet kan worden vervoerd. Wanneer een rund alle poten niet gelijkmatig belast is een nadere beoordeling van de mobiliteit nodig. De richtsnoeren beschrijven hoe de mobiliteit van een rund wordt beoordeeld en ondersteunt deze beschrijving met afbeeldingen. Op basis van deze beoordeling kan een rund wel of niet vervoerd worden.
Deze richtsnoeren zijn opgesteld door Europese brancheorganisaties, een NGO en de Europese Federatie voor Dierenartsen. De richtsnoeren geven nadere duiding aan de regels in de Europese Transportverordening. De voorschriften in de Transportverordening zijn altijd leidend.
Welke andere redenen kunt u bedenken waarom een koe ernstig zou hinken of met haar poten zou trekken, anders dan dat zij pijn ervaart?
Een koe kan ernstig hinken of met haar poten trekken zonder dat de koe pijn ervaart. De afwezigheid van pijn bij een ernstig hinkende koe of bij een koe die met haar poten trekt, is echter niet doorslaggevend bij de beoordeling van de geschiktheid voor het vervoer. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 12 mogen de vervoersomstandigheden geen letsel of onnodig lijden veroorzaken. Ook mogen alleen licht gewonde of zieke dieren vervoerd worden, wanneer het vervoer geen extra lijden veroorzaakt. Daarom moet de mobiliteit van een rund dat niet op alle vier de poten staat voorafgaand aan het transport verder beoordeeld worden. Bij twijfel moet het advies van de dierenarts ingewonnen worden.
Bent u bekend met de bevindingen van Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA dat «afgemolken» melkkoeien vaak lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen hebben (zoals kreupelheid) en dat het risico groot is dat het lijden tijdens transport toeneemt?2
Ik ben bekend met dit rapport.
Bent u bekend met het recente onderzoek van Universiteit Utrecht, Wageningen University & Research en Cornell University over kreupelheid in melkkoeien waarin zij concluderen dat kreupelheid pijn veroorzaakt en een ernstig welzijnsprobleem is?3
Ik ben bekend met dit rapport.
Kunt u bevestigen dat melkkoeien met lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen op transport worden gezet, wat volgens Buro leidt tot een groot risico dat het lijden hierdoor toeneemt?
In de praktijk kan het voorkomen dat melkkoeien met lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen op transport worden gezet.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening die stelt dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet mogen worden vervoerd en dat onnodig lijden moet worden voorkomen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 12 moeten de houder en de vervoerder voorafgaand aan het vervoer beoordelen of dieren geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Daarvoor gebruiken zij als hulpmiddel de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor het vervoer van varkens, volwassen runderen en paarden. Bij twijfel moet het advies van een dierenarts worden ingewonnen. Ondanks een zorgvuldige beoordeling vooraf kan het voorkomen dat een dier toch extra of onnodig geleden heeft of dat letsel veroorzaakt is door het transport. Dan blijkt achteraf dat het dier niet geschikt was voor het voorgenomen transport. Achteraf kan echter niet altijd worden vastgesteld dat de houder en de vervoerder in zo’n situatie verwijtbaar gehandeld hebben. Dat is wel nodig om een overtreding te bewijzen en als gevolg daarvan aan de houder en/of de vervoerder een bestuurlijke boete op te leggen.
Bent u bekend met de bevindingen van Buro dat het herhaald in- en uitladen, verblijf op verzamelcentra en herhaald transport ongerief en lijden veroorzaakt?
Ik ben bekend met de bevindingen van Buro. Herhaaldelijk in- en uitladen verhoogt het risico op welzijnsaantasting.
Kunt u bevestigen dat het volgens de Transportverordening verboden is om dieren te vervoeren op een wijze die onnodig lijden veroorzaakt?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 12 stelt de Transportverordening in artikel 3 dat het verboden is dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Kunt u bevestigen dat koeien herhaald worden in- en uitgeladen als ze via een verzamelcentrum worden getransporteerd, wat volgens Buro leidt tot een groot risico dat het lijden toeneemt?
Wanneer er een verzamelcentrum betrokken is bij het transport van dieren worden de dieren een extra keer af- en opgeladen.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
Het gebruik van verzamelcentra tijdens transport is toegestaan volgens de Europese Transportverordening en aan regels gebonden.
Kunt u tevens bevestigen dat de Transportverordening bepaalt dat de duur van diertransporten zoveel mogelijk moet worden beperkt?
Artikel 3 van de Transportverordening stelt als algemene voorwaarde voor het vervoer van dieren dat alle nodige voorzieningen getroffen zijn om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien.
Kunt u bevestigen dat het gebruik van verzamelcentra voor binnenlandse slacht leidt tot onnodige vertraging en langere transporten?
Het gebruik van verzamelcentra is voor zowel nationaal als internationaal transport wettelijk toegestaan. Als een veehouder melkrunderen naar het slachthuis stuurt, zijn dat meestal hele kleine aantallen dieren. Bijvoorbeeld één of twee. Slachthuizen vragen vaak juist om meerdere dieren tegelijk van ongeveer dezelfde soort, grootte en categorie. Op verzamelcentra worden deze groepen samengesteld. Dit is een efficiëntere manier van dieren vervoeren dan iedere koe individueel afleveren op het slachthuis. Daarom zie ik het gebruik van verzamelcentra tijdens transport niet als onnodige vertraging.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
Het gebruik van verzamelcentra is toegestaan volgens de Transportverordening en aan regels gebonden.
Bij hoeveel van de 55 erkende verzamelcentra voor koeien en kalfjes heeft de NVWA de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar jaar, controles uitgevoerd? Hoeveel controles zijn er per verzamelcentrum uitgevoerd? Hoeveel dierenwelzijnsovertredingen zijn er geconstateerd, hoeveel waarschuwingen zijn er gegeven en hoeveel boetes zijn er opgelegd?
In 2023 hadden 61 verzamelcentra een erkenning voor het verzamelen van runderen; in 2024 waren dit 60 verzamelcentra en in 2025 waren dit 56 verzamelcentra. Bij al deze verzamelcentra heeft de NVWA ten minste jaarlijks één of meer controles uitgevoerd.
De NVWA voert jaarlijks een verplichte controle uit op de erkenningsvoorwaarden. Daarnaast houdt de NVWA risicogericht toezicht op verzamelcentra, waardoor de inspectiefrequentie per verzamelcentrum kan variëren. Verder worden controles op dierenwelzijn uitgevoerd tijdens de exportcertificering voorafgaand aan de verplaatsing van dieren naar andere landen.
De NVWA heeft op verzamelcentra het verzamelen van runderen de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar jaar, het volgende aantal controles uitgevoerd:
1. Exportcertificering rund
1.170
1.053
806
2. Risicogerichte controles op dierenwelzijn en diergezondheid
410
371
315
3. Verplichte controle erkenningsvoorwaarden
78
56
58
In het volgende overzicht is aangegeven bij hoeveel van deze inspecties de afgelopen drie jaar bevindingen zijn vastgesteld gerelateerd aan dierenwelzijn, uitgesplitst naar type controle en naar jaar:
1. Exportcertificering rund
161
213
138
2. Risicogerichte controles op dierenwelzijn
15
4
10
3. Verplichte controle erkenningsvoorwaarden
20
11
9
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de NVWA de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar jaar, het volgende aantal maatregelen genomen:
Officiële waarschuwing
2
0
1
Bestuurlijke boete
6
4
0
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening de ruimte biedt om het gebruik van verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht expliciet te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
De Transportverordening geeft geen expliciete grondslag om het gebruik van verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving. In algemene zin biedt de Transportverordening wel ruimte voor de lidstaten om strengere nationale maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren tijdens vervoer dat volledig op hun grondgebied verloopt of tijdens vervoer over zee dat vanaf hun grondgebied vertrekt. Een verbod als benoemd in de vraag zal negatieve neveneffecten met zich meebrengen vanwege de rol van verzamelcentra in zowel binnenlands als grensoverschrijdend transport.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord. Het is helaas niet gelukt deze binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Het Landbouwbesluit |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Heijnen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wiersma, roep uw BBB-collega tot de orde» inzake de wijziging van de regels voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling en de grote zorgen over de gevolgen voor de gewenste vruchtwisseling en kringlooplandbouw?1
Ja, wij onderschrijven het belang van noodzakelijke vruchtwisseling en, zoals in het bericht genoemd, omarmen wij de kringloopgedachte. Gezien het verdere verloop van de vragen willen we hieronder alvast een toelichting geven op de fiscale gevolgen bij vruchtwisseling. We benadrukken graag dat vruchtwisseling zowel voor toepassing van de landbouwvrijstelling als de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) relevant is. Het effect van vruchtwisseling op deze faciliteiten is echter verschillend.
De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing als de grond ter beschikking wordt gesteld aan een ander. Hierop is in de jurisprudentie een uitzondering geformuleerd in het geval van vruchtwisseling.2 Belangrijk is dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar (of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.3 Het recent gepubliceerde beleidsbesluit biedt hierover de gewenste duidelijkheid voor de praktijk.4 Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor die melkveehouder is er geen noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit van die grond. Het ter beschikking stellen van grond in het kader van bijvoorbeeld derogatie kwalificeert dus niet voor de landbouwvrijstelling.
Vruchtwisseling heeft een ander effect voor de BOR en DSR ab. Onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel. Er geldt echter een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in Titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).5 Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter (of gebruiker van de grond). Bepaalde gewassen zoals gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving, omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een akkerbouwer grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing. Momenteel wordt onderzocht hoe een verruiming van de uitzondering op de vastgoedmaatregel kan worden vormgegeven (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer6 en de motie Grinwis c.s.7 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd).
Kunt u aangeven waarom u na het jarenlang functioneren van de werkafspraak uit 2014 met betrekking tot de beoordeling van vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling niet alleen gekozen hebt voor het vastleggen van de werkafspraak in het Landbouwbesluit, maar ook voor aanscherping van de voorwaarden?2
In het verleden heeft de Belastingdienst een werkafspraak gemaakt met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO Nederland). In de bijlage bij de beantwoording van de vragen is een kopie van die werkafspraak uit 2014 opgenomen.9 De afspraken uit deze werkafspraak zijn het vertrekpunt geweest voor de invulling van het onderdeel over vruchtwisseling in het beleidsbesluit. De kern van die werkafspraak is geweest dat gevallen waarbij de grond voor één jaar ter beschikking wordt gesteld of voor één jaar wordt verpacht als vruchtwisseling is aan te merken. Dit wel onder de strikte voorwaarde dat uit de feiten niet blijkt dat de grond om andere redenen dan vruchtwisseling ter beschikking wordt gesteld (zoals dat het geval is bij derogatie). In de werkafspraak is door de Belastingdienst aangegeven dat duidelijk uit de feiten moet blijken dat het perceel in beginsel om het jaar in gebruik moet zijn geweest in het kader van de eigen landbouwonderneming. De invulling die in het recent gepubliceerde beleidsbesluit aan het begrip vruchtwisseling wordt gegeven, is op hoofdlijnen hieraan gelijk. De werkwijze die het beleidsbesluit voorschrijft verschilt dus niet wezenlijk van de werkwijze die al sinds de genoemde werkafspraak wordt gehanteerd. Zoals hiervoor benoemd, is de werkafspraak met één van de vertegenwoordigers van de agrarische sector afgesloten. Op bepaalde onderdelen bestond verschil van inzicht tussen LTO Nederland en de Belastingdienst. Omdat behoefte bestaat aan duidelijkheid en transparantie over het standpunt van de Belastingdienst over de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling, is dit standpunt opgenomen in deze actualisatie van het beleidsbesluit. Op de website van de Belastingdienst zal een verwijzing worden opgenomen naar de vindplaats van het beleidsbesluit. Een beleidsbesluit heeft een bredere werking dan een werkafspraak. De verschillen tussen de werkafspraak en het beleidsbesluit komen tot uitdrukking in de vormgeving van de voorwaarden in het beleidsbesluit. Een aantal van deze voorwaarden lijkt op het eerste gezicht strikter dan die in de werkafspraak, maar hoeven dat – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – niet te zijn. Zoals hiervoor aangegeven, is in de werkafspraak opgenomen dat bij een periode van ter beschikking stellen van de grond aangesloten wordt bij een periode van één jaar. In het beleidsbesluit geldt echter als uitgangspunt dat de periode van ter beschikking stellen vanuit het perspectief van de grondeigenaar niet langer mag zijn dan één teeltseizoen (in één jaar kan sprake zijn van meerdere teeltseizoenen). Op dit punt lijkt het beleidsbesluit dus strikter. Vervolgens geldt dit uitgangspunt niet als de teeltduur van het in het kader van vruchtwisseling geteelde gewas bij de gebruiker van de grond langer is dan één jaar (dus soepeler dan de werkafspraak). Daarbij geldt verder nog de uitzondering dat de termijn van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor de teelt van het gewas in de eigen landbouwonderneming van de grondeigenaar. Daarmee kan de termijn dus ook langer zijn dan één jaar. Verder wordt, om onduidelijkheid tussen partijen te voorkomen en om de bewijspositie van de agrariërs te verbeteren in het beleidsbesluit tot uitdrukking gebracht dat de onderhandse overeenkomst tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker, die vereist is voor toepassing van de landbouwvrijstelling, schriftelijk moet zijn vastgelegd. De voorwaarden in het beleidsbesluit bieden de inspecteur meer ruimte om met de concrete feiten en omstandigheden van het specifieke geval rekening te houden. Op die manier wordt naar onze mening meer recht aan de praktijk gedaan dan eerder in de werkafspraak het geval was.
Komen de voorgestelde aanpassingen voort uit de wens om de landbouwvrijstelling te beperken, of liggen er andere redenen aan de wijziging ten grondslag?
Het beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 23 november 201810 en bevat beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. Beleidsbesluiten worden regelmatig geactualiseerd. Een beleidsbesluit geeft een invulling van de zienswijze die de Staatssecretaris van Financiën heeft als uitvoerder van belastingwetgeving over – in dit geval – landbouwgerelateerde vraagstukken. Meer specifiek is het een leidraad voor de belastinginspecteur hoe om te gaan met de genoemde vraagstukken. Dit beleidsbesluit biedt de praktijk onder andere de gewenste duidelijkheid over de standpunten van de Belastingdienst bij de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling. Bovendien wordt met het beleidsbesluit concrete invulling gegeven aan de eerdere niet-gepubliceerde werkafspraak uit 2014 met LTO Nederland. Het beleidsbesluit geeft belastingplichtigen nog steeds de mogelijkheid om een andersluidend standpunt in te nemen en dat te laten toetsen door de rechter. Binnen de bestaande wet en jurisprudentie geeft dit beleidsbesluit een zo ruim mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling voor toepassing van de landbouwvrijstelling.
Een conceptversie van het beleidsbesluit is in de zomer van 2025 voorgelegd aan de Werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid (FUB). Namens de Werkgroep FUB hebben fiscale vertegenwoordigers van de agrarische sector (belastingadviseurs) gereageerd. Het commentaar vanuit de Werkgroep FUB is dat een aantal voorwaarden uit het besluit te beperkend wordt uitgelegd. Naar aanleiding van dat commentaar is het besluit op een aantal punten aangepast (verduidelijkt en versoepeld). Gelet op de wettekst, jurisprudentie en de doelstelling van de landbouwvrijstelling kon niet aan alle punten tegemoet worden gekomen.
Het beleidsbesluit is in nauw overleg met de inspecteurs tot stand gekomen die in hun dagelijkse praktijk te maken hebben met de landbouwgerelateerde vraagstukken. Het beleidsbesluit blijft binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie. Aan het beleid – dat grotendeels een codificatie is van de bestaande werkafspraak met LTO Nederland – werd voor publicatie van dit beleidsbesluit ook al uitvoering gegeven door de Belastingdienst. Er zijn geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst, omdat het beleidsbesluit binnen de bestaande kaders van wetgeving en jurisprudentie past. Wanneer eventueel sprake is van aanpassing van wetgeving zal in de regel een uitvoeringstoets plaatsvinden.
In hoeverre is de wijziging in het Landbouwbesluit in overleg met sectorpartijen opgesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de uitvoeringsgevolgen vooraf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hier meer inzicht in geven?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het overgangsrecht ook voor mondelinge overeenkomsten geldt?
Voor het toepassen van de landbouwvrijstelling op grond die in het kader van vruchtwisseling aan een ander ter beschikking is gesteld, is vereist dat tussen de gebruiker en de terbeschikkingsteller van de grond een onderhandse overeenkomst is gesloten. Daarbij moet ook aan de overige voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn voldaan. Een onderhandse overeenkomst vereenvoudigt de beoordeling voor de betrokken partijen en de inspecteur. In de werkafspraak met LTO Nederland is destijds niets opgenomen over de wijze van vastlegging van de overeenkomst. In het beleidsbesluit is een overgangsbepaling opgenomen voor (vaststellings)overeenkomsten tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker met inachtneming van de werkafspraak. Voor aantoonbare bestaande (vaststellings)overeenkomsten geldt onder meer dat deze ongemoeid blijven als deze beschikken over een einddatum tot en met twee jaar na datum van de publicatie van het beleidsbesluit. Dat kunnen ook mondelinge overeenkomsten zijn. In de praktijk is het complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als geen schriftelijke overeenkomst is opgesteld. Echter, als de aanwezigheid van een mondelinge overeenkomst aannemelijk kan worden gemaakt dan is het overgangsrecht uiteraard ook van toepassing op die mondelinge overeenkomst. De overgangsbepaling zal in de praktijk in alle redelijkheid worden toegepast door de inspecteur.
Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling? Zo ja, wat betekent dit dan voor de maatschappelijk gewenste teelt van rustgewassen? Zo nee, kunt u precies aangeven welke ruimte er blijft voor eigen teelt van rustgewassen zonder bij uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling te verliezen?
In het beleidsbesluit is de voorwaarde opgenomen dat het ter beschikking stellen van de grond noodzakelijk moet zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop door de terbeschikkingsteller van de grond te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren. Als de terbeschikkingsteller van de grond om hem moverende redenen zelf een niet-uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen, is er niet langer de noodzaak om de grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en kwaliteit van de grond. Mocht de eigenaar de grond toch ter beschikking stellen, dan is de landbouwvrijstelling niet van toepassing over de waardeontwikkeling van de grond over de periode dat de grond niet in het eigen landbouwbedrijf is aangewend. Als de grondeigenaar dus zelf aan de (maatschappelijk) gewenste vruchtwisseling doet, is er vanuit dat perspectief geen reden om ruimere terbeschikkingstellingsregels te hanteren.
Hoe moeten telers aantonen dat het uit gebruik geven van de grond noodzakelijk is voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren?
In het beleidsbesluit is als toelichting op de voorwaarden opgenomen dat de terbeschikkingsteller de noodzaak van het ter beschikking stellen van de grond of de toepassing van een uitzondering aannemelijk moet maken. In het beleidsbesluit is als voorbeeld genoemd dat dit kan door middel van (vak)studies met betrekking tot de termijn van de terbeschikkingstelling die noodzakelijk is voor de teelt in de eigen landbouwonderneming. De manier waarop bewijs kan worden aangeleverd is vormvrij. Een andere manier dan met (vak)studies is ook mogelijk. Gedacht kan worden aan het overleggen van het bouwplan, mits daaruit blijkt dat sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling. De inspecteur neemt alle feiten van het geval in ogenschouw en beoordeelt in alle redelijkheid of de landbouwvrijstelling op de ter beschikking gestelde grond van toepassing is.
Hoe waardeert u de analyse dat het vastgestelde besluit zal leiden tot aanzienlijke regeldruk? Dit omdat alle uitgebruikgevingen in het kader van vruchtwisseling schriftelijk vastgelegd moeten worden, terwijl dat eerder veel op basis van mondelinge afspraken werd gedaan, en de noodzakelijkheid voor bodemgesteldheid en plantgezondheid aangetoond moet worden?
Het vereiste dat sprake moet zijn van een onderhandse (schriftelijke) overeenkomst heeft een praktische achtergrond. Zoals aangegeven, is het in de praktijk complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als er geen schriftelijke overeenkomst is. Een schriftelijke overeenkomst is voor de inspecteur eenvoudig te toetsen. Het betekent ook dat de belastingplichtige beter kan aantonen dat de grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling. Daarmee heeft de belastingplichtige een sterkere positie om aan zijn bewijslast te voldoen. Daarnaast geeft deze voorwaarde duidelijkheid voor alle partijen. Wij realiseren ons dat deze voorwaarde kan worden ervaren als verzwaring van de administratieve lasten in die gevallen dat eerst alleen een mondelinge overeenkomst bestond. Daarbij gaat het echter wel om een fiscale faciliteit waarvan mag worden verwacht dat de belastingplichtige die kan onderbouwen. In situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling kunnen de terbeschikkingsteller en gebruiker van de grond relatief eenvoudig een overeenkomst opstellen. Er gelden, naast schriftelijke vastlegging, geen bijzondere vereisten voor deze overeenkomst. Ter vergelijking: voor de teeltpachtwetgeving is vereist dat sprake is van een bij de grondkamer geregistreerde pachtovereenkomst. Voor de landbouwvrijstelling is een onderhandse overeenkomst al voldoende. Bij bedrijfsoverdracht spelen echter de BOR en DSR ab een rol (zie het antwoord op vraag 1). In dat geval zal de overdrager van het landbouwbedrijf moeten voldoen aan de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in het BW om de zogenoemde vastgoedmaatregel achterwege te laten. Achtergrond van die maatregel is dat een dergelijke uitzondering op de zogenoemde vastgoedmaatregel voor de Belastingdienst goed is te toetsen door aan te sluiten bij de bestaande teeltpachtwetgeving.11
Deelt u de analyse dat de gevolgen voor telers groot kunnen zijn, zeker ook bij bedrijfsoverdracht, omdat vanwege de economische druk sprake is van forse stijgingen van grondprijzen?
Zoals aangegeven, is de landbouwvrijstelling niet van toepassing voor de periode dat de grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander zonder noodzaak tot vruchtwisseling. Daarbij wordt opgemerkt dat de eigenaar van de grond dus niet de toepassing van de landbouwvrijstelling verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt. Aan de landbouwvrijstelling is inherent dat de beoordeling of de grond in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, wordt beoordeeld vanuit de positie van de eigenaar van de grond. Het beleidsbesluit geeft daarover naar onze mening duidelijkheid binnen de geschetste kaders en is inhoudelijk niet wezenlijk anders dan de uitgangspunten uit de werkafspraak die sinds 2014 door de Belastingdienst worden gehanteerd. Het ligt niet voor de hand om deze uitzondering op de reikwijdte van de landbouwvrijstelling verder uit te breiden voor situaties waarbij de grond ook ter beschikking wordt gesteld maar waarin geen sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling vanuit het perspectief van de agrariër die de grond bezit.12 Dit doet afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment dat landbouwgronden niet meer aan de eigen onderneming ter beschikking staan (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer13 en de motie Grinwis c.s.14 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd). Tot slot hechten we er aan op te merken dat voortdurend overleg plaatsvindt tussen de Belastingdienst en vertegenwoordigers van de agrarische sector door middel van het zogenoemde Platform Landbouw. In het Platform Landbouw worden fiscale vraagstukken behandeld over landbouwgerelateerde zaken. Daarin bestaat ook ruimte voor overleg en discussie over de invulling van het onderdeel vruchtwisseling in het recent gepubliceerde beleidsbesluit. Dit overleg kan aanleiding zijn om het beleidsbesluit op punten te verduidelijken of aan te passen, mits dat uiteraard past binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie.
Hoe waardeert u de analyse dat de vastgelegde, aangescherpte voorwaarden negatieve gevolgen zullen hebben voor de gewenste vruchtwisseling, teelt van rustgewassen en kringlooplandbouw, omdat eerder sprake zal zijn van het verliezen van de landbouwvrijstelling bij uitgebruikgevingen?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de analyse dat, gelet op de dynamiek in de landbouw en de veelzijdige vormen van samenwerking tussen telers, de aangescherpte voorwaarden in de praktijk voor veel onduidelijkheid zullen zorgen en mogelijk lastig werkbaar zullen blijken te zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid het vastgestelde kader voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling in overleg met de sector te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 10.
De tijdige aanbieding van het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u bij het plenaire debat over het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij hebt aangeven dat het verbod uiterlijk 15 december 2025 moet worden aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V), om het per 1 januari 2026 in werking te kunnen laten treden?
Ja.
Kunt u uiterlijk maandagavond 15 december 2025 laten weten of u het verbod tijdig hebt aangeboden aan het Ministerie van J&V en daarmee hebt voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum?
Ja. Het verbod is tijdig aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V). Hiermee is voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum.
Kunt u aangeven of u op koers ligt om het verbod per 1 januari 2026 in werking te laten treden, zoals u hebt toegezegd bij het debat?
Ja. De AMVB is inmiddels gepubliceerd in Staatsblad 2025, 4341.
Het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen over het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat?1
Deze zorgen zijn mij bekend.
Vanaf wanneer kunnen Renure-producten worden toegepast?
In het Nitraatcomité van 19 september jl. is positief geadviseerd over de door de Europese Commissie voorgestelde toelating van Renure-producten als kunstmestvervanger binnen de Europese Unie. Tot en met 8 januari konden de Raad en het Europees parlement nog bezwaar maken. Dit is niet gebeurd, zodat de Europese Commissie het voorstel zal vaststellen. Momenteel wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie. De internetconsultatie over dit voorstel is 8 december gesloten. Ik zal op korte termijn de concept regeling voor Renure ter notificatie aanbieden aan de Europese Commissie. De verwachting is dat de daadwerkelijke implementatie in de nationale regelgeving in het tweede kwartaal van 2026 zal plaatsvinden.
Deelt u de analyse dat ook de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft?
De analyse dat de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft deel ik. De in het antwoord op vraag 2 genoemde regeling voor Renure is in internetconsultatie geweest, waarmee de producenten kennis hebben kunnen nemen van de voorgenomen plannen en hiermee de eerste voorbereidingen kunnen gaan treffen.
Deelt u de analyse dat het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat, terwijl er nog geen Renure-producten kunnen worden toegepast, risico’s met zich meebrengt voor onder meer de bedrijfsprocessen van betrokken bedrijven?
Deze analyse deel ik. Om geen gat te laten vallen in de productie tussen het einde van de pilot en de daadwerkelijke toelating van Renure en de continuïteit binnen de keten te waarborgen heb ik voorzien in een overgangssituatie. Op 19 december jl. heb ik uw kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 636).
Bent u bereid de pilot mineralenconcentraat te verlengen tot Renure in de praktijk toepasbaar is?
Ja, zoals ik in mijn brief van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 636) heb aangegeven heb ik voorzien in een overgangssituatie tussen de pilot mineralenconcentraat en de inwerkingtreding van de algemene Nederlandse regelgeving voor producenten en afnemers van Renure-meststoffen die in 2025 deelnamen aan de pilot. Hetzelfde geldt voor de pilot Kunstmestvrije Achterhoek uit het 7e actieprogramma.
Deze overgangssituatie geldt vanaf het einde van de bezwaarperiode van de Raad en het Europees parlement (8 januari) tot 6 weken na inwerkingtreding van de Renure-regeling, of – als dat eerder is – tot het moment dat de producent is geregistreerd of gecertificeerd. Daarbij gelden de voorwaarden en voorschriften van de eerdere pilots, de voorwaarden uit de aangepaste Nitraatrichtlijn én van de notificatieversie van de beoogde Renure-implementatieregeling.
Dit betekent dat al voor inwerkingtreding van de Renure-regeling mineralenconcentraat in lijn met het voorstel voor Renure, tot maximaal 80 kilogram stikstof per hectare mag worden gebruikt bovenop de norm voor stikstof uit dierlijke mest. Het mineralenconcentraat dat voor inwerkingtreding van de Renure-regeling wordt gebruikt telt daarbij mee voor de 80 kilogram Renure die per kalenderjaar en per hectare bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest mag worden gebruikt, als de nationale regeling die uitvoering geeft aan de Europese Renuretoelating (de Renure-implementatieregeling) in werking is getreden. De producenten van mineralenconcentraat blijven tijdens de overgangsperiode mestcode 120 gebruiken voor het melden van het transport in rVDM.
De voornoemde deelnemers aan de pilots zijn nader geïnformeerd over de exacte voorwaarden.
De vogelgriep |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel van 26 november 2025, waarin wordt beschreven dat er in Europa nog nooit eerder zoveel wilde vogels besmet waren met vogelgriep?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoeveel pluimvee Nederland heeft en wat de precieze pluimveedichtheid is? Kunt u daarbij aangeven hoe zich dit verhoudt tot andere landen met een grote pluimveesector, zowel binnen als buiten Europa?
Er zijn in Nederland 2.154 locaties geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met een actief Uniek Bedrijfsnummer (UBN) voor gevogelte. In totaal staan daar 82.432.396 dieren geregistreerd (peildatum 1 november 2025). Bij deze cijfers zijn zowel commerciële als niet-commerciële houders inbegrepen. Bij deze cijfers is het goed om te realiseren dat een actief UBN niet automatisch betekent dat er ook daadwerkelijk dieren worden gehouden. Een UBN kan om meerdere redenen langere tijd leeg staan.
In vergelijking met veel andere landen heeft Nederland een relatief hoge pluimveedichtheid.
Acht u het verantwoord dat pluimvee in hoge dichtheden wordt gehouden, wetende dat dit het risico vergroot op het ontstaan en de verspreiding van hoog-pathogene vogelgriepvirussen?
Uit onderzoek blijkt dat in gebieden met een hoge bedrijfsdichtheid een verhoogd risico is op tussenbedrijfstransmissie. Het vorige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep het streven opgenomen naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in deze gebieden te verkennen. Ik laat momenteel een impactanalyse uitvoeren naar deze structuurmaatregelen. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) onderzoeken de economische impact op de pluimveesector. Andere experts, onder leiding van het RIVM, samen met Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), zullen vervolgens een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Ik heb de totale impactanalyse nodig om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. Daarbij is het uitgangspunt dat maatregelen geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn. Ik verwacht dat de impactanalyse in het eerste kwartaal van 2026 gereed is.
Wat zijn de concrete vervolgstappen die u overweegt te nemen gezien deze risicovolle situatie? Is het inkrimpen van de pluimveesector een maatregel die u overweegt te treffen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Worden er met andere landen gesprekken gevoerd over het wereldwijd inkrimpen van de pluimveesector?
Landen bepalen zelf hun landbouwbeleid. Er zijn internationale organisaties die zich met diergezondheid, voedselzekerheid, en One Health bezighouden. Zo is er bijvoorbeeld de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) die werkt aan het verbeteren van de gezondheid en het welzijn van dieren wereldwijd. WOAH, en daarmee alle aangesloten landen, streeft naar internationale solidariteit bij de beheersing van diergezondheidsrisico's, en werkt grensoverschrijdend aan het bevorderen van een «One Health»-aanpak. De Food and Agriculture Organisation (FAO) heeft als doel voedselzekerheid voor iedereen te bereiken en ervoor te zorgen dat mensen toegang hebben tot voldoende hoogwaardig voedsel. Bij FAO en WOAH wordt dus gestreefd naar een duurzame veehouderij, maar landen zijn vrij daar zelf hun eigen beleid in te maken.
Deelt u de mening dat het bevorderlijk is om het aantal pluimveebedrijven in waterrijke gebieden sterk te verminderen, gezien het feit dat veel pluimveebedrijven in waterrijke gebieden staan, waar veel watervogels leven die het hoog-pathogene virus meedragen?
Uit onderzoek blijkt dat in waterrijke gebieden een verhoogd risico is op insleep van vogelgriep op commerciële pluimveebedrijven vanuit besmette wilde vogels. Overigens doen de huidige uitbraken zich in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd. In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het vorige kabinet in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep een streven naar een verbod op nieuwvestiging en een verkenning naar een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in zowel waterrijke gebieden als pluimveedichte gebieden heeft opgenomen. In het antwoord op vraag 3 heb ik geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Gezien het feit dat in voorgaande jaren grote populaties wilde vogels gedecimeerd zijn door hoog-pathogene vogelgriepvarianten en virusexperts aangeven dat het subtype dat nu in allerlei varianten rondwaart niet meer uit te roeien is bij wilde vogels, hoe wilt u voorkomen dat er nieuwe subtypen in de pluimveehouderij ontstaan waarbij dit eveneens gebeurt?
De afgelopen jaren is het virus van eigenschappen veranderd. Waren het eerst vooral laagpathogene varianten die voorkwamen in de wilde vogels, nu zien we ook de hoogpathogene variant. Opmerkelijk genoeg zijn veel wilde vogels die nu besmet zijn, niet ziek geworden van deze variant. Het virus gedraagt zich dus erg onvoorspelbaar. Dit soort virussen muteert snel, maar het onderliggend mechanisme is niet bekend. Pluimveehouders en houders van andere vogelsoorten zetten zich in om hun dieren te vrijwaren van infectie. Helaas vinden er desondanks uitbraken plaats, niet alleen in Nederland maar ook in heel veel andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Polen, Spanje en België, en veel landen in Azië. In Nederland, en in andere EU-lidstaten worden besmette locaties zo snel mogelijk geruimd. Op die manier wordt voorkomen dat pluimvee op andere locaties worden besmet. Daarmee wordt ook de kans op mutaties verkleind. Nieuwe mutaties kunnen echter overal ontstaan, niet alleen in Nederland.
Acht u de eerder aangekondigde maatregelen (Kamerstuk 28 807, nr. 310 en Kamerstuk 28 807, nr. 311) nog steeds voldoende, gezien de recente ontwikkelingen?
Naar aanleiding van de uitbrakenreeks in de periode 2021–2023 heeft het vorige kabinet het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgesteld met een pakket maatregelen ter preventie van vogelgriepbesmettingen, ten behoeve van de volks- en diergezondheid. Een groot deel van deze maatregelen is uitgevoerd, maar een aantal maatregelen bijvoorbeeld op het gebied van vaccinatie van pluimvee en de structuurmaatregelen kennen een langere doorlooptijd.
Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen in verspreiding en ernst. Dit jaar is helaas een sterke toename in het aantal uitbraken te zien, waaronder een groot aantal besmettingen bij wilde vogels. Ook in andere landen in Europa is er een sterke toename te zien. Het virus wordt ook verspreid tussen wilde vogels en dat maakt het handelingsperspectief bij die besmettingen beperkt. Bij uitbraken op pluimveelocaties is vrijwel nooit bekend hoe het virus in de stal is binnengekomen. We weten wel dat bioveiligheidsmaatregelen, zoals hygiënemaatregelen, goede afdichting van stallen en beheersing van knaagdieren, de kans op het binnenkrijgen van virus verkleint. Ik roep pluimveehouders opnieuw op om de bioveiligheidsmaatregelen zo goed mogelijk na te leven. Dit is de belangrijkste maatregel die houders kunnen nemen om de kans op een uitbraak te verkleinen. Ik blijf werken aan de uitwerking van de maatregelen uit het intensiveringsplan en blijf de situatie nauwgezet monitoren. Helaas zie ik geen aanvullende maatregelen bovenop de daarin genoemde acties op het gebied van humane gezondheid, wilde dieren en gehouden dieren.
Erkent u dat veel vogelpopulaties in een slechte staat van instandhouding zijn, ook vogelsoorten die gevoelig zijn voor vogelgriep? Deelt u de mening dat, boven op de huidige inspanningen, extra inspanningen nodig zijn om de effecten van de vogelgriep op deze soorten op te vangen? Bent u van plan om deze kwetsbare vogelpopulaties verdere bescherming te bieden? Zo ja, hoe?
Mijn voorganger heeft in 2023 door Sovon onderzoek laten uitvoeren naar de impact van vogelgriepuitbraken op populaties van wilde vogels, en welke mogelijkheden er zijn om deze uitbraken te voorkomen, of zo snel mogelijk te beheersen. Dit onderzoek is met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 36 200-XIV, nr. 120). Het onderzoeksrapport geeft een beeld van wat er bekend is over de impact van HPAI op populaties van wilde vogels in Nederland. Ook geeft het specifiek zicht op voor welke soorten er aanwijzingen zijn van verhoogde sterfte door vogelgriep, en welke vogelsoorten eigenschappen hebben die de soort kwetsbaar maken voor vogelgriep. In aanvulling op dit rapport is in 2024 een vervolgrapport opgesteld dat een nadere duiding geeft door te analyseren welke gevolgen een eventueel optredende vogelgriepsterfte kan hebben voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten2.
In lijn met de aanbevelingen uit de rapporten heeft mijn voorganger ingezet op het centreren van meldingen van dode vogels via een landelijke «vogelgriep app», en is er een leidraad opgesteld voor het opruimen van dode vogels (Kamerstuk 28 807, nr. 279). Een andere aanbeveling gaat in op het creëren van robuuste natuurgebieden, waarbij gedacht kan worden aan het creëren van rustgebieden, om de verspreiding van het virus te beperken. Deze en andere aanbevelingen zijn gedeeld met experts, terreinbeherende organisaties, faunabeheereenheden en provincies en meegenomen in de ontwikkeling van de aanpak van vogelgriep. De ontwikkeling van vogelgriep in wilde vogels wordt nauw gemonitord en zodra de situatie om aanvullende inzet vraagt zal ik in afstemming met betrokken organisaties nagaan hoe ik of de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) daaraan kan bijdragen. Het streven naar robuuste natuurgebieden maakt nadrukkelijk onderdeel deel uit van het beleid van de Staatssecretaris van LVVN.
Gezien het feit dat u in uw Kamerbrief van 1 december 2025 (Kamerstuk 28 807, nr. 311) spreekt over een verhoging van het risiconiveau voor mensen die voor hun werk met besmette dieren in aanraking komen, welke maatregelen, behalve monitoring, bent u bereid te nemen om dit risiconiveau niet verder te verhogen?
De duiding van het risico voor mensen die vanwege hun werkzaamheden in contact komen met besmette vogels is door de experts verhoogd van laag-gemiddeld naar gemiddeld. Deze multidisciplinaire expertgroep komt minstens twee keer per jaar samen om het risico van hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te beoordelen. Zij geven als verklaring voor deze verhoging van het risico dat door het hoge aantal besmettingen bij wilde vogels en bij pluimveehouderijen, de kans op blootstelling voor mensen die voor hun werk met (mogelijk) besmette dieren in aanraking komen nu hoger is dan eerder. Medewerkers die betrokken zijn bij de ruimingen krijgen een opleiding, goede instructies, persoonlijke beschermingsmiddelen en zijn gevaccineerd tegen de humane griepvariant. Bovendien is er tamiflu beschikbaar dat door de arbodienst wordt verzorgd. Hiermee wordt de kans op een humane besmetting verkleind.
Pluimveehouders kennen de risico’s ook, ze weten dat hun pluimvee besmet kan raken met vogelgriepvirus. Omdat ze een verdenking snel melden is in het algemeen het aantal besmette vogels nog klein, wat het risico laag houdt. De belangrijkste maatregel om humane infecties te voorkomen is het zo snel mogelijk elimineren van een besmettingshaard, vooral besmette pluimveebedrijven. Dat doet de NVWA uiterst snel en efficiënt, mede door het snelle melden door de pluimveehouder. Door bioveiligheidsmaatregelen strikt na te leven kan de kans op meer besmettingen van pluimvee worden verkleind.
Andere professionals zoals jagers en terreinbeheerders zijn geïnformeerd over de risico’s van vooral subklinisch besmette vogels. Ook zij kunnen met persoonlijke beschermingsmiddelen de kans dat ze besmet raken verkleinen. Voor zover bekend zijn er geen medewerkers, jagers of andere professionals besmet geraakt door hun werkzaamheden of activiteiten.
Daarnaast worden mensen die in nauw contact komen met vogels geadviseerd (jagers, medewerkers van de dierenambulance of anderen die dode wilde vogels ruimen) of verplicht (ruimingsploegen, specialistenteams) persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) te gebruiken.
De verwachting van deskundigen is dat de prevalentie in wilde vogels de komende tijd afneemt, wat verder bijdraagt aan de vermindering van het risico’s voor mensen. Dit zijn de maatregelen die ik neem, en kan nemen om het risico voor professionals niet verder te laten oplopen.
Ziet u in dat overdraagbaarheid naar de mens een potentieel nieuwe pandemie kan betekenen? In hoeverre heeft u maatregelen voorbereid om dit te voorkomen?
Virussen worden soms van dier op mens overgedragen. Als zo’n virus muteert, overdraagbaar wordt van mens op mens en mensen hebben geen weerstand tegen zo’n nieuwe variant dan kan dit, net zoals bij SARS-CoV-2, een pandemie veroorzaken. Dit zou volgens de experts ook bij vogelgriep kunnen gebeuren. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29 658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries daarnaast nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Het intrekken van een wetenschappelijk stuk na mogelijke betaling door glyfosaatproducent |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Bruijn , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel van 3 december 2025, waarin wordt beschreven dat een invloedrijk wetenschappelijk artikel over het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat na 25 jaar is ingetrokken?1
Ja
Kunt u uiteenzetten welke grondslag dit wetenschappelijk artikel heeft of heeft gehad in het beleid dat Nederland, en breder gezien, Europa voert bij het gebruik van glyfosaat?
Het artikel van Williams en anderen2 is een zogenoemd review-artikel waarin gegevens uit meerdere individuele wetenschappelijke studies worden samengevat en geanalyseerd. Bij de beoordeling van een werkzame stof (of gewasbeschermingsmiddel) worden alleen originele studierapporten gebruikt en geen review-studies. De conclusies uit dit review-artikel zijn geen onderdeel van de risicobeoordeling van glyfosaat3 en zijn niet meegenomen in de Europese besluitvorming bij de hernieuwde goedkeuring van de stof in 2023. Het intrekken van dit review-artikel heeft dan ook geen gevolgen voor de goedkeuring van de stof glyfosaat of toelating van middelen op basis van deze werkzame stof.
Bent u verder bekend met wetenschappelijke studies over pesticiden, glyfosaat in het bijzonder, waarbij aanleiding bestaat om te twijfelen aan de legitimiteit van het onderzoek, wat de invloed was van dergelijke onderzoeken was en hoe zowel positieve als negatieve uitkomsten van deze onderzoeken gewogen en getoetst worden aan bronnen en belangen?
Nee, ik ben verder niet op hoogte van dergelijke onderzoeken.
In hoeverre acht u deze berichtgeving, over rectificatie van wetenschappelijke onderzoeken en mogelijke inmenging van de fabrikant om gevaren en risico’s van het bestrijdingsmiddel te bagatelliseren, als een belangrijk moment voor herziening van onze omgangsnormen met betrekking tot glyfosaat, variërend van bijvoorbeeld toelatingsprocedures tot aan subsidies?
Ik vind het belangrijk dat besluitvorming over werkzame stoffen wordt gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke wetenschappelijke informatie. Het intrekken van het review-artikel geeft geen aanleiding om te twijfelen aan eerdere besluitvorming over glyfosaat.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren uit de certificering en besluitvorming en daaropvolgende onderzoeken te herzien als deze op dergelijke onderzoeken zijn gebaseerd?
Er zijn verschillende waarborgen binnen het proces van de stofbeoordeling ingebouwd om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren. Allereerst baseren de toelatingsautoriteiten zich in eerste instantie op onderzoek dat is uitgevoerd volgens Good Laboratory Practice (GLP)4. Dit is een systeem om de kwaliteit van de experimenten in laboratoria te waarborgen waar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op houdt. De rapporteur lidstaat (RMS) beoordeelt alle studies, inclusief studies uit de wetenschappelijke literatuur, en kijkt hierbij op een gestructureerde wijze naar de betrouwbaarheid, bijvoorbeeld met behulp van de Klimisch criteria5, en de relevantie van de studies. De betrouwbaarheid en relevantie bepalen samen de aanvaardbaarheid van de studie. Alle relevante, betrouwbare wetenschappelijke technische kennis wordt tegen elkaar afgewogen om tot een eindconclusie te komen. Hierbij wegen relevante en betrouwbare studies zwaarder dan minder betrouwbare/relevante studies. Niet-acceptabele studies worden niet meegenomen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) voert samen met alle andere lidstaten een collegiale toetsing (peer review) uit op het beoordelingsrapport van de RMS. Ook vindt er een openbare consultatie plaats. Bovendien moeten aanvragers sinds 2019 op basis van de Algemene Levensmiddelenverordening de autoriteiten al vooraf informeren dat een nieuwe studie begint en moeten ze het melden als de studie is afgerond. Dit om te voorkomen dat bedrijven onderzoeksresultaten achterhouden.
In hoeverre bent u bereid om het Europees vastgestelde toetsingskader ter discussie te stellen nu de legitimiteit van invloedrijke wetenschappelijke onderbouwingen die mogelijk ten grondslag liggen aan onze opvattingen over glyfosaat in twijfel wordt getrokken of zelfs wordt gerectificeerd?
Het intrekken van het betreffende review-artikel heeft geen invloed op de uitkomst van de risicobeoordeling van glyfosaat en deze hoeft daarom niet nationaal of Europees bediscussieerd te worden.
In aanvulling daarop, bent u bereid om bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) aan te dringen op herziening van het toetsingskader voor het gebruik van glyfosaat, wellicht in afwachting van herziening van het Europese toetsingskader?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat Montsano geen gesprekspartner moet zijn van Nederland of via andere manieren de mogelijkheid moet hebben om de sterke lobby voor de gifindustrie voort te zetten? Ziet u dus de wenselijkheid van een lobbyverbod voor de gifindustrie in?
Besluitvorming over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen dient altijd gebaseerd te zijn op onafhankelijke wetenschappelijke beoordelingen. Ik vind het daarom van grote waarde dat het Ctgb, als onafhankelijke toelatingsautoriteit, deze beoordelingen uitvoert zonder inmenging van derden, zoals fabrikanten of politiek. Het Ctgb wijst iedere vorm van ongeoorloofde beïnvloeding van de wetenschappelijke oordeelsvorming categorisch af. Waar het gaat om mijn eigen beleidsvorming praat ik met telers, NGO’s, belangenbehartigers, andere overheden en ook fabrikanten om een goed beeld te hebben van de wensen en ontwikkelingen binnen de samenleving en eventuele gevolgen van (toekomstig) beleid. Ik hecht waarde aan deze dialoog met alle onderdelen van de samenleving.
Is er naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op de Wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een onderzoek ingesteld naar de reikwijdte van de verplichtstelling van alternatieven voor glyfosaat?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het betreffende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en de verdere stappen op dit onderwerp.
Hoe gaat u waarborgen dat dit onderzoek onafhankelijk en zorgvuldig wordt uitgevoerd, waarbij scherp wordt gelet op mogelijke belangenverstrenging of illegitimiteit van aangehaalde onderzoeken, helemaal gelet op recente berichtgevingen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre de effecten van glyfosaat onafhankelijk worden onderzocht en de basis vormen voor het toetsingskader voor de verplichtstelling van alternatieven?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze en eerdere negatieve berichtgeving over de schadelijke effecten van glyfosaat concrete vervolgstappen te geven aan het aanpassen van het glyfosaatbeleid in Nederland?
Glyfosaat is in 2023 opnieuw Europees goedgekeurd op basis van een zeer omvattend wetenschappelijk dossier met meer dan 2400 studies. De onafhankelijke wetenschappelijke adviezen van de hiervoor aangewezen instituten concluderen dat glyfosaat veilig kan worden toegepast. Op basis van deze conclusies zijn momenteel geen aanvullende maatregelen nodig.
Bent u bereid om, indien onderzoeken deze uitkomst aanbevelen, de verplichting tot het gebruik van alternatieven aan te scherpen en voor eenieder te codificeren in de Wijzigingen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State op de beoogde wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en over de verdere stappen op dit onderwerp.
De mogelijkheid niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare zone in het kader van de Nitraatrichtlijn |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen specifieke kwetsbare zones aan te wijzen, maar het gehele grondgebied als kwetsbaar te beschouwen in het kader van de Nitraatrichtlijn?1
In lijn met de Nitraatrichtlijn heeft Nederland de keuze gemaakt om het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (verder 7e actieprogramma) en voorgaande actieprogramma’s van toepassing te laten zijn op het gehele Nederlandse grondgebied. Daarom heeft Nederland geen kwetsbare zones aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zoals vastgelegd in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, enkel van toepassing zijn op kwetsbare zones?2
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. De verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn zijn in Nederland van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Artikel 3, vijfde lid, Nitraatrichtlijn geeft aan dat een lidstaat is ontheven van de verplichting kwetsbare zones aan te wijzen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Nitraatrichtlijn, als het zijn actieprogramma’s op zijn hele grondgebied van toepassing laat zijn.
Kunt u bevestigen dat ook de maximale hoeveelheid uit te rijden mest van 170 kilogram per hectare per jaar, zoals per 1 januari 2026 geldig vanwege de afschaffing van de derogatie, enkel van toepassing is op kwetsbare zones?
De norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar is opgenomen in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn. De verplichtingen opgenomen in bijlage III zijn volgens artikel 5, vierde lid, een verplicht onderdeel van actieprogramma’s. Afhankelijk van de keuze die een lidstaat heeft gemaakt over het grondgebied waarop een actieprogramma ziet, geldt de norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest.
Kunt u bevestigen dat Nederland de lijst van kwetsbare zones kan herzien, zodat niet langer het gehele grondgebied, maar slechts een deel daarvan als kwetsbare zone geldt?3
De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten die een lijst van kwetsbare zones hanteren om die ten minste iedere vier jaar te herzien. Lidstaten die hun actieprogramma’s toepassen op het gehele grondgebied zijn ontheven van deze verplichting. Aangezien in Nederland actieprogramma’s van toepassing zijn op het gehele Nederlandse grondgebied is er geen lijst van kwetsbare zones die herzien kan worden. De motie Flach en Grinwis4 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. In lijn met de motie en conform het Hoofdlijnenakkoord is aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om hierover te adviseren.
Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet. In voornoemde brief is aangegeven dat de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma voor het einde van het kerstreces aan uw Kamer zal worden gestuurd. Hierbij zal ook het voornoemde CDM advies gevoegd worden.
Kunt u bevestigen dat Nederland dit herzieningsbesluit eenzijdig kan nemen, dit enkel aan de Europese Commissie (EC) hoeft te melden en hiervoor dus geen toestemming nodig heeft van de EC?
Het is de bevoegdheid van een lidstaat om kwetsbare zones aan te wijzen of het actieprogramma op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing te laten zijn. In het geval dat Nederland overgaat tot het aanwijzen van kwetsbare zones, zal Nederland dit afdoende moeten onderbouwen en zal de Europese Commissie daarvan in kennis moeten worden gesteld. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn. Dat betekent overigens niet dat de Europese Commissie in die situatie geen rol heeft ten aanzien van een aanwijzing van kwetsbare zones. Indien een lidstaat een aanwijzing van kwetsbare zones onvoldoende kan onderbouwen, heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om vanwege niet naleving van de Nitraatrichtlijn een infractieprocedure te starten bij het Europees Hof van Justitie. In de loop van de tijd heeft het Europese Hof van Justitie in verschillende uitspraken lidstaten in het ongelijk gesteld vanwege het niet adequaat aanwijzen van kwetsbare zones conform de Nitraatrichtlijn. Dit heeft in de betreffende lidstaten geleid tot uitbreiding van het areaal aangewezen kwetsbare zones, dan wel aanwijzing van het gehele grondgebied.5
Kunt u bevestigen dat Nederland dus de mogelijkheid heeft om de strengere mestnormen die per 1 januari 2026 zullen gelden, evenals andere verplichtingen voortvloeiende uit de Nitraatrichtlijn, van toepassing te laten zijn op een kleiner grondgebied dan momenteel het geval is? Deelt u de mening dat dit de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk zou kunnen verlichten?
Het 7e actieprogramma is van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Bij het vaststellen van een volgend actieprogramma kan Nederland de reikwijdte van het actieprogramma opnieuw wegen.
Klopt het dat u over een eventuele wijziging van de Nederlandse lijst met kwetsbare zones advies heeft gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)?
Aan de CDM is advies gevraagd over de mogelijkheid om de actieprogramma’s onder Nitraatrichtlijn niet langer van toepassing te laten op het gehele Nederlandse grondgebied, maar enkel op kwetsbare zones. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u dit advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, indien dit antwoord bevestigend luidt?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid de Nederlandse lijst met kwetsbare zones zo spoedig mogelijk te herzien, om zo de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen?
In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangeven dat in Nederland op basis van de Nitraatrichtlijn de keuze is gemaakt om het actieprogramma van toepassing te laten zijn op het hele Nederlandse grondgebied. Er is derhalve geen lijst met kwetsbare zones.
Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de nieuwe mestnormen per 1 januari 2026 ingaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één week beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Het artikel 'Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?»?1
Ja.
In het artikel wordt gesproken over een vaccin tegen het vogelgriepvirus voor kippen dat door de European Medicines Agency (EMA) is goedgekeurd, is dit goedgekeurde vaccin wellicht een «mRNA-vaccin»?
Het in het artikel genoemde vaccin is geen mRNA-vaccin, maar een vectorvaccin, INNOVAX-ND-AI, van MSD Animal Health. Dat is een vaccin dat na een beoordeling door het Europees Medicijnagentschap (EMA), door de Europese Commissie is toegelaten in de Europese Unie, voor gebruik bij kippen. Dit vaccin is door het EMA beoordeeld op werkzaamheid en veiligheid voor dier, mens en milieu.
Betreft dat misschien dit door de EMA goedgekeurde (mRNA-)vaccin, gezien het feit dat er wordt gesproken over één pluimveehouderij in Nederland die zijn kippen heeft gevaccineerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waar worden de eieren van deze pluimveehouderij in Nederland verkocht? Kan de Nederlandse consument op de verpakking zien dat de kippen die deze eieren hebben gelegd met dit (mRNA-)vaccin zijn gevaccineerd? Zo nee, waarom wordt dit voor de Nederlandse consument (bewust?) verborgen gehouden?
De eieren worden sinds eind juli 2025 via de bestaande afzetkanalen op de markt gebracht. Er is geen noodzaak om te melden in welke winkels de producten liggen, aangezien de eieren van gevaccineerde hennen veilig zijn.
Vindt u het belangrijk dat consumenten goed kunnen worden geïnformeerd over het voedsel dat ze eten?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat, zeker als consumenten daar prijs op stellen, pluimveehouders, te allen tijde, vrij zijn om aan te geven, op hun pak eieren, of de eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo nee, waarom niet? Waarom mogen consumenten niet weten of eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de volgende zin in het genoemde artikel: «Je wit niet, zegt hij, dat in andere landen eieren op de markt worden gebracht van kippen die «ongevaccineerd» zijn, als een soort keurmerk.?»; waarom zou men dat niet willen? Wat is erop tegen om consumenten, die dat graag willen weten, in staat te stellen te achterhalen of de eieren op hun bord wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Hoe gaat u deze consumenten beschermen en garanderen dat Nederlandse pluimveehouders, die dat willen, op hun doosje eieren wel degelijk kunnen (blijven) aangeven dat de eieren afkomstig zijn van (on)gevaccineerde kippen?
Consumenten eten al decennia eieren en vlees van gevaccineerde kippen. Kippen worden tegen veel ziekten gevaccineerd, ook met vergelijkbare vaccins. Voorbeelden van ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn infectieuze bronchitis, infectieuze bursitis, infectieuze larynhgotracheitis, Newcastle disease, Salmonella Enteritidis en coccidiose. Dit gebeurt met vaccins die op de markt zijn toegelaten na een beoordeling op werkzaamheid en veiligheid voor mens, dier en omgeving. De eieren en het vlees van gevaccineerde kippen zijn veilig voor humane consumptie. Op verpakkingen van eieren en vlees staat niet welke vaccins zijn toegediend. Dit geldt ook in het geval van de eieren en het vlees van de kippen uit de pilot. Ik wil u er ook op wijzen dat het Voedingscentrum Nederland informatie geeft over voedsel afkomstig van gevaccineerde dieren2.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Joost Eerdmans (JA21), Sandra Beckerman , Dion Graus (PVV), Laurens Dassen (Volt), Laura Bromet (GL), Anne-Marijke Podt (D66), Esther Ouwehand (PvdD), Pieter Grinwis (CU) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
Het uitblijven van een verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom u tegen de wens van de Kamer in gaat door niet het verbod op de toegezegde datum naar de Kamer te sturen?1
Begin dit jaar is het ontwerpbesluit voor een verbod op het gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij ter notificatie aan de Europese Commissie voorgelegd. Gedurende de stand-still van 3 maanden heb ik geen opmerkingen van de Europese Commissie ontvangen, daarmee is de standstill-periode geëindigd.
Ik heb daarna advies bij de Afdeling advisering van Raad van State aangevraagd. De streefdatum van inwerkingtreding op 1 juli 2025 is helaas niet gehaald, omdat ik nog het advies van de Afdeling advisering van Raad van State afwachtte. Op 28 juli 205 is het advies van de Afdeling advisering openbaar gemaakt2.
Naar aanleiding van het ontvangen advies van de Raad van State heb ik vervolgens nog wijzigingen verwerkt in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting. Dit proces heeft enige tijd in beslag genomen.
Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad voor akkoord worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Kunt u toelichten waarom er nog steeds geen wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd, ondanks de lang verstreken termijn van 1 juli 2025?
Er is geen wetsvoorstel dat naar de Kamer zal worden verstuurd. Het verbod wordt door middel van een algemene maatregel van bestuur vormgegeven. Het ontwerp van die AMvB is in het kader van de voorhang aan de Kamers voorgelegd. Voor de stappen die daarna hebben plaatsgevonden verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.
Zijn er op dit moment juridische bezwaren of beperkingen, bijvoorbeeld door de Europese Commissie of andere instanties die de publicatie vertragen? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u toelichten op welke manier het verbod technisch of financieel niet uitvoerbaar is, gezien er verder geen reden is om de wens van de Kamer niet te honoreren?
Er zijn op dit moment geen juridische bezwaren of beperkingen die in de weg staan aan de bekendmaking van het verbod.
Kunt u de Kamer volledig informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verbod?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Welke rol zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben bij toezicht op de naleving van het verbod zodra het van kracht is?
De NVWA is de bevoegde autoriteit voor het toezicht op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen.
Tegelijkertijd ligt de verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving in de eerste plaats bij de bedrijven zelf. Voor het welzijn van de dieren is het cruciaal dat medewerkers die met dieren omgaan goed opgeleid zijn en zich bewust zijn van hoe menselijk handelen het dierenwelzijn kan beïnvloeden. Ik verwacht van de sectorpartijen dat zij in deze voorwaarden voorzien.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat overtredingen effectief kunnen worden bestraft en dat herhaling wordt voorkomen?
Omdat overtredingen op dit verbod fysiek en op heterdaad vastgesteld moeten worden, heeft de NVWA in haar handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoets aangegeven dat dit verbod slechts beperkt handhaafbaar is. Daarbij komt dat bij het laden en lossen van dieren bij nationale transporten (waar deze wetswijziging betrekking op heeft), geen toezichthouder van de NVWA aanwezig is, omdat bedrijven niet verplicht zijn deze transporten aan de NVWA te melden. De NVWA heeft daardoor geen zicht op wanneer deze transporten plaatsvinden.
Welke alternatieven voor het gebruik voor stroomstoten, zoals diervriendelijke methoden, ondersteunt uw ministerie en hoe stimuleert u de sector om die alternatieven te implementeren?
Alternatieven voor het voortdrijven van dieren zijn onder meer opdrijframmelaars, drijfschotten, plastic zakken, vlaggen en stokken met plastic linten. Onderzoek van de Amerikaanse professor Temple Grandin heeft aangetoond dat ongewenst stilvallen van dieren zoveel mogelijk kan worden voorkomen, door logische looplijnen en het creëren van een rustige omgeving tijdens het laden. Dit omvat bijvoorbeeld ook het vermijden van afleidingen zoals reflecties, en het voorkomen van geluidsoverlast. Deze hulpmiddelen worden in de praktijk al gebruikt, naast het gangbare elektrische veedrijfmiddel en zijn binnen de sector reeds bekend.
Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met transporteurs, veehouders en andere betrokkenen over de overgang naar alternatieven vóór de inwerkingtreding van het verbod?
Sinds 2021 hebben gesprekken met de sector plaatsgevonden over alternatieven voor het elektrisch veedrijfmiddel. Deze gesprekken hebben niet kunnen voorkomen dat nieuwe incidenten met onjuist gebruik van de elektrische veedrijfmiddel geconstateerd werden, die ook het nieuws haalden. Om die reden heeft mijn voorganger het verbod aangekondigd3. De totstandkoming van dit verbod, en het feit dat hieraan gewerkt werd, is al geruime tijd bekend binnen de sector en dit is ook meermaals in gesprekken met de sector langsgekomen. Van de sector verwacht ik dat zij zich actief zullen blijft inzetten om het gebruik van de eerder beschreven alternatieven te stimuleren.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken het wetsvoorstel naar de Kamer sturen voor behandeling?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken deze vragen beantwoorden?
Ja.