Bent u bekend met het bericht dat steeds meer lokale bestuurders een veiligheidsscan laten uitvoeren, mede door de toename van online dreigingen?1
Ja, met dit bericht ben ik bekend.
Hoe beoordeelt u dat lokale bestuurders steeds vaker preventief veiligheidsscans laten uitvoeren vanwege online dreiging, en bent u het met de leden van de CDA-fractie eens dat dit wijst op een structureel en genormaliseerd veiligheidsprobleem? Zo nee, waarom niet?
De veiligheidsscans voor decentrale bestuurders en de maatregelen die op basis hiervan getroffen worden zijn preventief. Bestuurders kunnen hiervan gebruik maken om hun weerbaarheid tegen dreigingen te vergroten, ook (en juist) wanneer de bestuurder nog geen agressie, intimidatie of bedreiging heeft meegemaakt. Het is dus goed dat decentrale bestuurders gebruik maken van de mogelijkheid om preventief maatregelen te laten treffen. Het is niettemin betreurenswaardig dat deze maatregelen überhaupt nodig zijn. Geweld tegen politieke ambtsdragers is niet normaal en dat moeten we ook absoluut niet normaal gaan vinden.
Over welke actuele cijfers en trends beschikt u met betrekking tot online intimidatie, bedreiging en doxing van lokale bestuurders, en hoe verhouden deze zich tot eerdere jaren?
Elke twee jaar laat ik onderzoek doen naar de mate waarin lokale politieke ambtsdragers te maken krijgen met agressie en intimidatie. De uitkomsten van dit onderzoek worden gepubliceerd in de Monitor Integriteit en Veiligheid. Sinds de editie van 2022 is hierin meer aandacht voor online agressie. Daaruit blijkt dat 39% van decentrale politieke ambtsdragers te maken heeft gehad met online agressie. In 2024 bedroeg dit 37%. Dit jaar verschijnt wederom de Monitor Integriteit en Veiligheid. Vanuit politie en het Openbaar Ministerie zijn nog geen definitieve cijfers bekend over het aantal zaken van doxing van politieke ambtsdragers. Wel is dit aantal tot nu toe zeer beperkt.
Welke landelijke, structurele voorzieningen ten behoeve van preventieve veiligheidsondersteuning van lokale bestuurders zijn er beschikbaar?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur en het Netwerk Weerbaar Bestuur zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Kunt u toelichten in hoeverre veiligheidsscans en de opvolging daarvan landelijk uniform zijn ingericht, of dat sprake is van versnippering in kwaliteit en aanpak?
Door de Regeling veilig wonen kunnen decentrale bestuurders sinds 1 januari 2024 een beveiligingsadvies op maat krijgen. Deze beveiligingsadviezen worden uitgevoerd door het CCV en gefinancierd door mijn ministerie. Veiligheidsexperts van het CCV werken volgens een uniform en zorgvuldig vastgesteld proces, van veiligheidsgesprek en woningschouw tot en met het opstellen van een adviesrapport. De CCV-adviseur spreekt met de bestuurder en diens werkgever en betrekt relevante openbroninformatie. Deze gecombineerde informatie vormt de basis voor het risicoprofiel en voor preventieve beveiligingsmaatregelen voor de individuele bestuurder. Er is in de advisering ruimte voor maatwerk. De experts bezien per situatie welke preventieve maatregelen passend en noodzakelijk zijn. Het rapport wordt door de Beveiligingsautoriteit van mijn ministerie getoetst op proportionaliteit en vervolgens vastgesteld. De uitvoering van het advies ligt bij de bestuurder en diens werkgever.
Hoe wordt voorkomen dat de mate van bescherming tegen online dreiging afhankelijk is van de grootte, financiële middelen of bestuurskracht van een gemeente?
Het is belangrijk dat alle gemeenten weerbaar zijn tegen de verschillende vormen van oneigenlijke druk, ongeacht de grootte, financiële middelen of bestuurskracht. Ik heb daarom aandacht voor de positie van kleinere gemeenten. Zo gaat het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur langs alle gemeenten, provincies en waterschappen om de bewustwording over risico’s en omgang met (online) agressie en intimidatie onder politici te vergroten, is het Netwerk Weerbaar Bestuur erop ingericht om kennisuitwisseling en regionale samenwerking tussen grote en kleinere gemeenten te stimuleren en bestaat er een speciale meerjarige decentralisatie-uitkering om de slagkracht van kleinere gemeenten tegen oneigenlijke druk te vergroten. Ook is bij de toekenning van de middelen via de decentralisatie-uitkering voor veiligere vergaderingen rekening gehouden met het inwoneraantal van de betreffende gemeenten en provincies, waarbij kleinere gemeenten relatief meer ontvangen.
Welke signalen heeft u dat aanhoudende online dreiging leidt tot zelfcensuur, terughoudendheid of aangepast optreden van lokale bestuurders?
Vanuit de media, gesprekken met lokale bestuurders en cijfers uit de Monitor Integriteit en Veiligheid ontvang ik signalen dat alle vormen van agressie verschillende negatieve effecten hebben. De effecten lopen uiteen van verminderd werkplezier tot aangepast social media gebruik en het zich niet meer kandideren voor een volgende bestuursperiode. Dit is onacceptabel. Bestuurders moeten vrij hun werk kunnen doen. Het is belangrijk dat bij aanhoudende online dreiging de organisatie en de politie worden ingeschakeld, zodat er bijvoorbeeld stopgesprekken plaatsvinden en eventueel strafrechtelijk kan worden opgetreden.
In hoeverre ziet u risico’s voor de instroom, het behoud en het functioneren van lokale bestuurders, en daarmee voor de continuïteit en kwaliteit van het lokaal bestuur?
Agressie en bedreigingen zijn een grote aantasting van het ongestoord functioneren van de lokale democratie. Toch komt uit onderzoek niet eenduidig naar voren dat politieke ambtsdragers hun ambt neerleggen vanwege agressie en bedreigingen. Ook noemen politieke partijen agressie en intimidatie niet als de belangrijkste reden waarom het lastig is om nieuwe kandidaten te vinden.
Een overgrote meerderheid van de politieke ambtsdragers die te maken krijgt met agressie ervaart hierdoor negatieve gevolgen. Dit tast de integriteit van het openbaar bestuur aan en daarom moeten we politieke ambtsdragers hierbij zo goed mogelijk ondersteunen.
Hoe is de samenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie ingericht bij signalen die voortkomen uit veiligheidsscans, en acht u deze samenwerking toereikend?
Signalen uit het adviesrapport van het CCV kunnen voor de bestuurder en/of werkgever aanleiding zijn voor contact met de lokale politie of het Openbaar Ministerie. Het is aan de vaste partners binnen de lokale veiligheidsdriehoek zelf om hierover waar nodig met elkaar in contact te treden. Er zijn mij geen signalen bekend dat dit niet goed verloopt. Daarnaast kan de Beveiligingsautoriteit van BZK naar aanleiding van een casus van een lokale bestuurder afstemming zoeken met de Politie of het OM om te bezien of eventuele aanvullende inzet te realiseren is.
Bent u bereid te bezien of een meer structurele landelijke aanpak, bijvoorbeeld via uniforme standaarden, centrale ondersteuning of aanvullende regelgeving, nodig is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging?
Hoewel er ruime mogelijkheden zijn om strafrechtelijk te kunnen optreden tegen intimidatie van lokale bestuurders en verstoringen van het democratische proces, blijkt dat online intimidaties en bedreigingen minder snel als strafbaar feit kunnen worden aangemerkt. Er is meer kennis nodig over online intimidatie en bedreiging en daar zet ik me de komende tijd voor in. Daarnaast ga ik aan de slag met modelaangifte voor decentrale politieke ambtsdragers waardoor de kwaliteit van aangiftes verbeterd en het doen van aangifte makkelijker wordt.
Ik ben bereid om samen met mijn ambtsgenoot van JenV te bezien of een meer structurele landelijke aanpak noodzakelijk en wenselijk is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging. Daarbij zal ik kijken naar de mogelijkheden van uniforme standaarden, versterking van ondersteuning en, waar nodig, aanvullende regelgeving wanneer strafrechtelijke vervolging onvoldoende kansrijk is.
De overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat ondernemers in het centrum van Emmen afgelopen jaar een forse toename van overlast en criminaliteit door asielzoekers, in de praktijk veiligelanders, uit Ter Apel ervaren?
Wat heeft u het afgelopen jaar gedaan om dit tegen te gaan, los van de maatregelen door de gemeente Emmen?
Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat de overlast en diefstallen nog eens extra piekten gedurende de periode in december dat de pendelbus gratis was en de daders dus gratis werden afgeleverd voor hun criminele activiteiten in het centrum? Wat is uw reactie hierop?
Welke (politie)cijfers zijn er bekend over criminaliteit door asielzoekers in Emmen? Hoe verhouden de cijfers van afgelopen jaar zich tot die van voorgaande jaren?
Wat bedraagt de geschatte jaarlijkse schadepost door criminaliteit door asielzoekers (waaronder maar niet beperkt tot diefstal, vernieling en inzet van beveiliging en veiligheidsmaatregelen) voor ondernemers in het centrum van Emmen? Is hierin ook een stijging waarneembaar ten opzichte van voorgaande jaren?
Kunt u de zaken uit bovenstaande twee vragen tevens specificeren naar de periode waarin de pendelbus gratis reed?
Herkent u de ervaringen van ondernemers dat asielzoekers bij controles door politie en handhaving artikelen terugkrijgen, soms koffers vol, wanneer niet direct onomstotelijk vaststaat dat deze gestolen zijn, terwijl er redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat deze niet zijn afgerekend? Begrijpt u dat dit enorm frustrerend is?
Kan bij deze groep niet veel sneller worden overgegaan tot inname van artikelen die onverklaarbaar in bezit zijn en/of waarvan niet kan worden aangetoond dat ze afgerekend zijn? Bent u bereid hiervoor uw steun uit te spreken?
Herkent u tevens het signaal van ondernemers dat gestolen goederen waarmee asielzoekers op het asielzoekerscentrum in Ter Apel aankomen (bijvoorbeeld kleding waar nog beveiligingsclips aan bevestigd zijn) na inname vaak niet worden teruggebracht naar de winkeliers? Zo ja, deelt u de mening dat dit onacceptabele inkomstenderving is?
Wat is momenteel de stand van zaken rond de invoering van preventief fouilleren in de omgeving van station Emmen naar aanleiding van het aanwijzen van dit gebied tot veiligheidsrisicogebied? Kunnen dergelijke fouilleeracties zo gericht mogelijk worden ingezet tegen de bekende overlastgevende groepen veiligelanders? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat ondernemers in het centrum van Emmen overwegen er de brui aan te geven of om minder dagen open te gaan, omdat het werkplezier compleet vergald wordt of omdat de kosten en de energie om winkeldiefstallen tegen te gaan simpelweg niet meer zijn op te brengen? Deelt u de mening dat dit onaanvaardbaar is?
Deelt u de mening dat dit, gelet op het verband met het asielzoekerscentrum en aanmeldcentrum in Ter Apel, zeker ook een landelijk probleem is dat om verantwoordelijkheid van het Rijk vraagt? Zo nee, waarom niet?
Wat gaat u doen om de overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen per direct aan te pakken en in te dammen?
Bent u bereid om, indien gewenst door en in samenwerking met de gemeente Emmen, vanuit het Rijk te zorgen voor extra handhaving in dit gebied? Zo nee, waarom niet?
De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359) |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting voor multinationals verwatert?
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het zogeheten Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veiligehavenregel niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen, Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Het kabinet begrijpt dat er bij sommige EU-lidstaten vrees bestond voor een akkoord over de Side-by-Side veiligehavenregel omwille van de concurrentiepositie van Europese multinationals. Niettemin vindt het kabinet dat met het akkoord het best mogelijke resultaat is bereikt waarbij de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen in stand kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Dat is ook van belang voor het EU-concurrentievermogen. De EU is immers niet gebaat bij een nieuwe race naar de bodem in de winstbelasting.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Het IF heeft geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel aan de overeengekomen voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van het Amerikaanse NCTI2-systeem wordt in voorkomende gevallen belasting geheven over de niet-uitgekeerde winsten van buitenlandse dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals. Voor de berekening van die belasting wordt onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van die dochterondernemingen wereldwijd en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinational in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het Amerikaanse NCTI-systeem minder belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Echter, gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals is van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives onder Pijler 2 er naar verwachting toe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen in de Verenigde Staten fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde voorwaarden kunnen opereren als Amerikaanse multinationals.
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Voor de Side-by-Side veiligehavenregel zijn robuuste en strikte criteria afgesproken. Daarnaast is de werking van de binnenlandse bijheffing onveranderd. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Ten eerste hangt de uitkomst van een vergelijking af van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime. Tot nu toe is alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. De kenmerken en de technische vormgeving van Pijler 2 zijn niet goed vergelijkbaar met de kenmerken en de technische vormgeving van het Amerikaanse belastingstelsel. Om enigszins recht te doen aan de gevallen in de praktijk zou moeten worden uitgegaan van een groot aantal variabelen zoals de belastbare winstgrondslag, de aanwezigheid van «substance», de belastingheffing in de eigen jurisdictie en in de jurisdicties van de dochterondernemingen alsmede de mogelijkheid tot verrekening van in het buitenland geheven belastingen. Als gevolg daarvan zouden steeds verschillende aannames moeten worden gemaakt. Een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld zou geen betrouwbaar beeld geven in welke gevallen in de praktijk het Amerikaanse belastingstelsel kan leiden tot een lagere of anders verdeelde belastingdruk.
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Ook hier geldt dat de uitkomst van een vergelijking afhangt van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime en dat tot nu toe alleen het Amerikaanse belastingstelsel is aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Ook in geval van een multinationale groep met een dochteronderneming in ten minste één laagbelastende jurisdictie geeft een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld om de hiervoor genoemde redenen geen betrouwbaar beeld hoe de belastingdruk onder Pijler 2 zich in de praktijk verhoudt tot de belastingdruk onder het Amerikaanse belastingstelsel.
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Op grond van het Amerikaanse NCTI-systeem wordt voor de berekening van de toepasselijke belasting onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van de tot een Amerikaanse multinationale groep behorende dochterondernemingen buiten de VS en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende andere landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinationale groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het NCTI-systeem minder of meer belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Het IF heeft vastgesteld dat er geen materieel risico is dat de buitenlandse winsten van Amerikaanse multinationale groepen die gezien hun omvang onder Pijler 2 zouden vallen, onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. Het uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarbij is de toekomstige evaluatie van belang om te volgen hoe dit in de praktijk uitpakt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden ondervangen. Daartoe zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse bijheffingen behouden of invoeren. Verder zal worden gekeken naar eventuele onbedoelde effecten zoals materiële concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen en negatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelastende jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Welke maatregelen eventueel aangewezen zouden zijn, hangt ervan af welke elementen in welk systeem een eventuele structurele concurrentieverstoring zouden veroorzaken. Dat is op voorhand niet te zeggen en zou moeten blijken uit de evaluatie. Dat neemt niet weg dat altijd gekeken kan worden naar fiscale maatregelen ten gunste van het vestigingsklimaat voor zover die passen in het Pijler 2-raamwerk.
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Het is niet geheel duidelijk wat in dit verband wordt bedoeld met de aanpassing van de winstallocatie nu de voor Pijler 2 relevante winst wordt bepaald aan de hand van de commerciële jaarrekening. Het is denkbaar dat een multinational met hoofdkantoor in een kwalificerende Side-by-Sidejurisdictie besluit om winstgevende activiteiten in een voorheen laagbelastende jurisdictie die een binnenlandse bijheffing heeft ingevoerd, te verplaatsen naar een andere, nog steeds laagbelastende jurisdictie (zonder binnenlandse bijheffing). Maar of dat werkelijk een reëel risico is, is moeilijk in te schatten omdat voor een dergelijke verplaatsing verscheidene factoren een rol kunnen spelen. De aangekondigde evaluatie in 2029 zal hier naar verwachting meer inzicht in geven.
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten, betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa € 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming verdisconteerd?
Het akkoord zal naar verwachting in eerste instantie met name effect hebben op multinationals met een Amerikaans hoofdkantoor en op multinationals die kunnen profiteren van de gunstigere behandeling van belastingvoordelen. De positieve gedragseffecten van de minimumbelasting, zoals winstverschuiving (terug) naar Nederland, zullen bij deze bedrijven naar verwachting in mindere mate optreden. Dit is al meegenomen in de budgettaire raming. Dit inzicht zorgt dus niet voor een aanvullende derving bovenop de geraamde € 120 miljoen.
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake») in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime, in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire opbrengsten voor Nederland?
Het is van belang dat het IF zal monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en -als nodig actie kan ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om bij die evaluatie in het oog te houden dat Nederlandse bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties. Uiteraard zal uw Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie en zullen bij de Nederlandse weging van de uitkomsten waar relevant ook eigen gegevens en analyses worden betrokken. Daarbij zal het kabinet ook de signalen vanuit de praktijk in de gaten houden.
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Het is niet de verwachting dat de Side-by-Side veiligehavenregel grote gevolgen heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat. In het algemeen geldt dat het IF-akkoord van belang is om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem. Daar heeft ook het Nederlandse vestigingsklimaat baat bij.
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.3 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven erop dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet wijst in dit verband op de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in een Side-by-Side veilige haven jurisdictie.
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse concurrenten?
De positie, in het bijzonder de fiscale positie, van Nederlandse en Europese ondernemingen hangt af van verscheidene nationale en internationale factoren. Het kabinet denkt niet dat Nederlandse en Europese ondernemingen als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel structureel op achterstand komen. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarnaast zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Het is voorbarig om op voorhand te stellen dat Nederland een beduidend economisch nadeel ondervindt als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel zoals ook in de beantwoording van vraag 17 geschetst. Het IF zal een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse ondernemingen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals, zoals de wereldwijde minimumbelasting, het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting zijn binnen de Europese Unie opgenomen in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd door middel van de Wet minimumbelasting 2024. Nederland is hiermee gehouden aan de regels van de wereldwijde minimumbelasting. Nog los daarvan: in het hypothetische geval waarin Nederland de regels van de minimumbelasting niet zou toepassen, zouden andere jurisdicties de minimumbelasting die Nederland als gevolg daarvan niet zou heffen, wel kunnen heffen. Het kabinet is daarnaast van mening dat het opnemen van de het Side-by-Side pakket in de Nederlandse wetgeving zorgt voor eenduidigheid en belastingplichtigen zekerheid biedt, wat ook ten goede kan komen aan het vestigingsklimaat.
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals of de uitwisseling van gegevens tussen landen het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De betrokkenheid van de Verenigde Staten is daarbij van groot belang, zeker voor zover hun belastingsysteem als gelijkwaardig kan worden gezien.
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn elk afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Het artikel ‘Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»1, waarin wordt beschreven dat Oekraïne gebaat zou zijn bij het direct overnemen van Nederlandse gasinstallaties die door de sluiting van de Groningse gaskraan in ons land zijn afgedankt en ongebruikt staan te wachten op ontmanteling?
Ja.
Erkent het kabinet het essentiële belang van een snelle reparatie van de Oekraïense gas-infrastructuur voor het moreel van de Oekraïense bevolking en dus ook voor veiligheid van Europa?
Ja. Sinds het begin van de grootschalige invasie in Oekraïne heeft Rusland de energie-infrastructuur in Oekraïne met continue en doelgerichte aanvallen verwoest. Op 14 januari jl. heeft president Zelensky de noodtoestand betreft de energiesituatie uitgeroepen. Meer dan 60% van de energiecapaciteit, onder meer gasproductiefaciliteiten, is verwoest en zitten dagelijks zo’n 6 miljoen Oekraïners zonder stroom en verwarming. Nederland steunt Oekraïne onverminderd via militaire en niet-militaire steun. Zo heb ik onlangs een bezoek aan Oekraïne gebracht, vergezeld door een handelsmissie van 17 bedrijven uit de energie- en gezondheidssector. Met de recent aangekondigde extra 23 miljoen energiesteun draagt Nederland in 2.026 EUR 133 miljoen bij aan energiesteun aan Oekraïne.2 Deze steun is gericht op het financieren van gasaankopen, het uitvoeren van urgente reparaties, het herstellen van onder meer energiecentrales en het leveren van energiemateriaal zoals generatoren en transformatoren. Sinds de start van de oorlog zijn ruim 250 vrachtwagens met energiemateriaal naar Oekraïne gereden.
Op welke termijn kunnen ongebruikte Groningse pompen en kranen naar Oekraïne worden gebracht?
In verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne kunnen we geen uitspraken doen over concrete leveringen.
Kan het kabinet zeggen of er genoeg ongebruikte installaties in Groningen beschikbaar zijn om de schade van de Russische aanvallen in Oekraïne in zijn geheel te compenseren?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de schade aan het Oekraïense energiesysteem enorm. Het beschikbare materiaal van de NAM op zich zelf is helaas niet voldoende om alle beschadigde infrastructuur te repareren of vervangen. Daarom zet het kabinet in op diverse steunkanalen, zowel bilateraal als multilateraal. Het kabinet blijft kijken naar mogelijkheden voor steun aan Oekraïne.
Is het kabinet bereid ondersteuning te bieden bij het transport van (onderdelen van) oude gasinstallaties?
Het kabinet financiert ook de transportkosten van energiematerieel als onderdeel van onze in-kind (het leveren van materiele steun) bijdragen. Een deel van het beveiligde transport wordt daarnaast gefinancierd door de Europese Commissie.
Is de NAM bereid het materiaal kosteloos beschikbaar te stellen? Zo nee, is het kabinet bereid financiële ondersteuning te bieden en deze te beschouwen als onderdeel van de steun aan Oekraïne, zodat Oekraïne in geen geval zelf voor de installaties hoeft te betalen?
Het kabinet biedt financiële ondersteuning voor het inkopen en leveren van in-kind materiaal aan Oekraïne. Tot nog toe zijn ruim 250 vrachtwagens met materiaal aan Oekraïne geleverd, afkomstig van verschillende bedrijven. In 2026 is 25 miljoen beschikbaar voor in-kind steun aan Oekraïne waaronder gasmateriaal via de NAM. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bereidheid van de NAM om al dan niet goederen te doneren.
Kan het kabinet het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) aanspreken voor de kosten van aanschaf en transport van de benodigde materialen?
Het kabinet financiert het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) met een totale bijdrage van EUR 100 miljoen sinds de start van de oorlog. Deze bijdrage richt zich op het financieren van de hoogste urgente energienoden zoals geprioriteerd door Oekraïne en levert energiegoederen aan Oekraïne, zoals transformatoren, gasturbines en generatoren voor urgent herstel van beschadigde energie-infrastructuur. Die Nederlandse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor herstel van beschadigde energiecentrales en netverbindingen in de regio’s Kharkiv, Donetsk en Vinnytsja. Daarnaast financiert het fonds, ook met een Nederlands bijdrage, de plaatsing van zonnepanelen op ziekenhuizen zodat deze operationeel blijven in het geval van stroomuitval. Het UESF maakt voor de inkoop van goederen gebruik van Europese aanbestedingen op basis van steunverzoeken die door het Oekraïense energieministerie ingediend worden.
Welke maatregelen treft het kabinet om waar nodig exportvergunningen versneld gereed te brengen?
Gezien het energiegoederen en energie-gerelateerd materiaal voor civiele doelen betreft zijn exportvergunningen niet aan de orde.
Onderschrijft het kabinet de gedachte dat een snelle levering van gasinstallaties hoge kosten voor Oekraïne en zijn partners in Europa kan voorkomen, gegeven het feit dat Oekraïne alleen al om de winter door te komen voor bijna twee miljard euro aan gasimport moet uitgeven?
Gezien de omvang van de schade aan de Oekraïense infrastructuur is het helaas niet mogelijk te voorkomen dat Oekraïne gas moet inkopen om de winter door te komen. In samenwerking met de Europese Commissie en diverse landen zoals Duitsland en Italië heeft de European Bank for Reconstuction and Development daarom extra financiering ter beschikking gesteld voor gasaankopen. Nederland draagt hier tevens aan bij. Dit is aanvullend aan de noodsteun gericht op het operationeel houden van het Oekraïense gas- en elektriciteitsnetwerk via UESF en de in-kind regeling.
Wilt u deze vragen één voor één uiterlijk voor 10 uur 's ochtends op woensdag 14 januari 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het eerstvolgende commissiedebat over gas?
Tijdens het Commissiedebat Gasmarkt van 14 januari jl. is de inzet betreft het leveren van onderdelen van de Groningse gaswinning voor de wederopbouw van de Oekraïense gasinfrastructuur ter sprake gekomen. Deze inzet past binnen de bredere Nederlandse steun aan Oekraïne.
Het bericht ‘Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door»?1
Ja.
Vindt u het redelijk dat tentamens voor studenten gewoon doorgaan wanneer Rijkswaterstaat en de NS adviseren het reizen uit te stellen en het openbaar vervoer in de regio rond instellingen niet rijdt?
Omdat de lokale weeromstandigheden en bereikbaarheid als gevolg hiervan enorm kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van instellingen. Het uitgangspunt is dat het onderwijs zoveel mogelijk wordt gecontinueerd. Dit is ook in het belang van studenten. Daarom zijn de onderwijsinstellingen aan zet om zelf een afgewogen besluit te nemen over de wijze waarop het onderwijs en de tentaminering zijn georganiseerd en daarbij rekening te houden met de lokale omstandigheden.
Welke verplichtingen rusten op instellingen om te voorkomen dat studenten met studievertraging en extra kosten te maken krijgen vanwege dit soort situaties van overmacht?
In het geval dat een instelling besluit een tentamen op te schorten vanwege weersomstandigheden, hebben instellingen de plicht om studenten een ander examenmoment aan te bieden.
In de Onderwijs- en examenregeling wordt onder meer het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens opgenomen alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden. Ook mogelijkheden tot herkansing worden hierin opgenomen. Op deze wijze wordt rekening gehouden met (persoonlijke) omstandigheden die het deelnemen aan een tentamen in de weg staan. Het is hierbij goed om op te merken dat het missen van een tentamen niet per definitie leidt tot studievertraging en extra kosten. Vaak zijn er mogelijkheden om binnen de nominale studieduur te herkansen.
Vindt u het wenselijk dat in dit soort situaties landelijk grote verschillen tussen instellingen ontstaan terwijl de omstandigheden voor alle studenten hetzelfde zijn?
Onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor een goede organisatie van hun onderwijs. Begin januari hebben de weersomstandigheden ertoe geleid dat onderwijsinstellingen minder goed bereikbaar waren. Hierbij waren er op lokaal niveau grote verschillen. In sommige regio’s gold dat er geen regionaal vervoer meer beschikbaar was; in andere regio’s reed het regionale of lokale vervoer gewoon (al dan niet met een aangepaste dienstregeling). Daarom vind ik het van belang dat onderwijsinstellingen zelf een afgewogen besluit nemen over de organisatie van het onderwijs gebaseerd op de lokale omstandigheden.
Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met de koepelorganisaties?
Omdat de weersomstandigheden en bereikbaarheid per regio kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van de onderwijsinstelling. Wel zal ik steeds blijven uitdragen dat ik het van belang vind dat het onderwijs zoveel mogelijk doorgang blijft vinden en wanneer de omstandigheden dat niet toe laten dat instellingen – conform hun bestaande verantwoordelijkheid – studenten op de hoogte te stellen van mogelijkheden voor het inhalen van onderwijs of het herkansen van tentamens of examens.
Het artikel 'Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump» van 6 januari 2026?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de OESO-minimumwinstbelasting van 15% onder andere bedoeld is om voor alle grote multinationals een gelijk minimum te creëren zodat er geen «race to the bottom» plaatsvindt en belastingontwijking wordt tegengegaan? Zo ja, kunt u reflecteren wat het effect is van de gemaakte uitzondering voor Amerikaanse multinationals hierop? Zo nee, waarom niet?
De OESO-minimumwinstbelasting, ook wel Pijler 2 genoemd, beoogt ervoor te zorgen dat multinationale groepen met een omzet van ten minste € 750 miljoen ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Pijler 2 voorziet in een bijheffing als in een jurisdictie effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van Pijler 2 is tweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven te verminderen om winsten te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties. Ten tweede beoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties. Hiermee wordt een race naar de bodem in de winstbelasting tegengegaan en een gelijker speelveld gecreëerd voor internationaal opererende ondernemingen. Pijler 2 zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen.
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veilige haven niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Erkent u dat het niet toepassen van het OESO-minimumtarief op Amerikaanse multinationals, terwijl deze wel van toepassing wordt op Europese en Nederlandse multinationals, het beoogde gelijke speelveld onder druk zet?
Het kabinet vindt het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehavenjurisdicties. Het is daarom van belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Welke signalen heeft u ontvangen van Nederlandse en/of Europese bedrijven over het belang van een wereldwijde minimumwinstbelasting die zonder uitzonderingen wordt toegepast met het oog op een gelijk speelveld?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.1 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven er op dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is daarom positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veilige haven-jurisdicties.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de uitzondering voor Amerikaanse multinationals ertoe leidt dat grote, zeer winstgevende Amerikaanse multinationals die actief zijn op de Nederlandse en Europese markt niet in alle gevallen een vergelijkbare minimumwinstbelasting betalen als Europese bedrijven?
De dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals in Nederland en in de meeste andere EU-lidstaten zijn onderworpen aan de binnenlandse bijheffing voor zover hun effectieve belastingdruk minder dan 15% bedraagt. In deze gevallen betalen zij over de winsten in Nederland en andere EU-lidstaten een vergelijkbare minimumwinstbelasting als Europese multinationals zouden betalen.
Deelt u de analyse dat het internationale belastingstelsel, dat nog grotendeels is gebaseerd op fysieke aanwezigheid, fundamenteel tekortschiet in een economie waarin waardecreatie steeds vaker digitaal plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De nationale wetten en bilaterale belastingverdragen binnen het huidige internationale belastingstelsel sluiten voor de verdeling van heffingsrechten over winsten inderdaad grotendeels aan bij de fysieke aanwezigheid van een bedrijf in een land. Ook het huidige Nederlandse verdragsbeleid sluit grotendeels aan bij dit uitgangspunt.2 In mijn brief over digitale diensten belastingen geef ik aan dat in internationale fora en in het publieke debat inderdaad de vraag speelt of de eis van fysieke aanwezigheid nog wel passend is in de huidige tijd van digitalisering.3 Bedrijven hebben namelijk door digitale mogelijkheden steeds minder een fysieke aanwezigheid nodig om in een land actief te zijn en omzet te genereren. Dat geldt bij uitstek voor digitale bedrijven, maar is ook bij andere bedrijven aan de orde.
Zijn er concrete alternatieven om alsnog een gelijk speelveld te creëren tussen Europese multinationals en Amerikaanse multinationals? Bijvoorbeeld door in te zetten op een Europese Digitale Dienstenbelasting?
De discussies over de digitaliserende economie lopen al langere tijd. In mijn brief over digitale dienstenbelastingen loop ik een aantal belangrijke initiatieven langs die de afgelopen jaren de revue zijn gepasseerd, waaronder Pijler 1 van het IF en eerdere richtlijnvoorstellen in de Europese Unie. Op dit moment is een akkoord op Pijler 1 op korte termijn niet realistisch en zijn de voorstellen in de Europese Unie niet aangenomen. Mede daarom wordt de discussie over een digitale dienstenbelasting in meerdere landen weer gevoerd. De invoering van een (Europese) digitaledienstenbelasting is echter complex en kent verschillende risico’s en onzekerheden. Het is onduidelijk of de mogelijke voordelen van een digitaledienstenbelasting opwegen tegen de risico’s en onzekerheden. Voor een overzicht en verdere uitwerking van deze aspecten daarvan verwijs ik naar de eerdergenoemde brief. Uiteraard neem ik nota van de aangenomen motie van het lid Dassen om te verkennen hoe een Europese digitaledienstenbelasting kan worden ingevoerd.4 Gelet op de demissionaire status van het kabinet is die verkenning aan een volgend kabinet.
Bent u bereid om samen met gelijkgezinde EU-lidstaten op te trekken om te komen tot een gecoördineerde Europese digitale dienstenbelasting? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de demissionaire status van het kabinet zijn beleidskeuzes omtrent een digitale dienstenbelasting op dit moment niet aan de orde.
Acht u het een reëel risico dat bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar de Verenigde Staten om onder het mondiale minimumtarief uit te komen? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om dit tegen te gaan?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Deelt u de opvatting dat dreigementen zoals de «revenge tax» geen reden mag zijn om af te zien van eerlijke belastingheffing en nationale fiscale soevereiniteit? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt.
Gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in Koerdische wijken in Aleppo |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op berichten, onder meer van Reuters, over gevechten tussen het Syrische leger en de Syrian Democratic Forces (SDF)?1
In dit stadium is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welk geweld, en hoe de situatie tussen de Syrische overgangsregering en de SDF zich verder zal ontwikkelen. Wel is helder dat sprake is van meerdere dodelijke burgerslachtoffers en tientallen gewonden en dat duizenden burgers hun huis door het geweld hebben moeten ontvluchten. Het kabinet is bezorgd over het geweld in Aleppo en monitort de situatie, die inmiddels gestabiliseerd lijkt, nauwgezet.
Voor de stabiliteit van Syrië en de veiligheid en het welzijn van alle Syrische burgers is het cruciaal dat de betrokken partijen met elkaar in gesprek blijven en niet over gaan tot geweld. In rechtstreeks contact, en ook via de EU, roepen wij hiertoe expliciet op. De EU riep via een verklaring op 10 januari jl. op tot een eind aan de vijandelijkheden, bescherming van burgers en toegang van humanitaire hulp.3
In de Kamerbrief van 19 september 20254 heeft het kabinet de inzet ten behoeve van een veilig en stabiel Syrië nader uiteen gezet.
Meent u dat een militaire operatie tegen de SDF in deze wijken gerechtvaardigd is? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is, in EU-verband, uw inzet om het vechten zo snel mogelijk te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat deze gevechten de veiligheid en gelijke rechten van de Koerden in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan, mede in het licht van de aangenomen motie-Ceder c.s.?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans op verdere escalatie? Wat is uw inzet voor een vrij en democratisch Syrië waarin alle minderheden, inclusief de Koerden, veilig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad op vrijdag 9 januari een bezoek brengen aan Syrië en de interim president ontmoeten? Acht u dit bezoek wenselijk in het licht van deze berichten? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid dit in EU-verband aan de orde te stellen?
Ja, de voorzitter van de Europese Commissie, mevrouw Von der Leyen, en de voorzitter van de Europese Raad, de heer Costa, bezochten de Syrische overgangsregering op 9 januari in Damascus. Bij dit bezoek is het belang van een vreedzame en inclusieve politieke transitie expliciet benoemd.
Syrië bevindt zich in een uitzonderlijke en fragiele situatie. Juist in deze overgangsfase is het van belang dat sprake is van directe contacten met de overgangsautoriteiten. Deze contacten stellen ons immers in staat om onze verwachtingen, waaronder ten aanzien van inclusiviteit, bescherming van burgers en mensenrechten, consequent onder de aandacht te brengen van de Syrische overgangsregering.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor het commissiedebat van 13 januari aanstaande over de Raad Buitenlandse Zaken 29 januari 2026?
De Kamervragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Bedreigingen van kardinaal Sako in Irak |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Cardinal Sako Targeted After Christmas Homily Misinterpreted as Political «Normalization»»1 en op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten?2
Ik deel de zorgen over de bedreigingen, net als de zorgen over de positie van verschillende etnische en religieuze gemeenschappen, waaronder christenen, in Irak. In reactie op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten heeft de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing de Beweging uitgenodigd om over de oproep in gesprek te gaan.
Bent u bereid deze bedreigingen publiekelijk te veroordelen en de Iraakse regering te vragen hetzelfde te doen?
Voorop staat dat kardinaal Sako zijn werk moet kunnen blijven doen. Onze ambassade in Bagdad staat in contact met hem. Na publiekelijke toelichting van de kardinaal op de uitspraken in zijn Kersttoespraak is de aandacht in de media en de maatschappij significant afgenomen. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren. Het kabinet vraagt ook in de doorlopende contacten met de Iraakse autoriteiten aandacht voor religieuze gemeenschappen en benadrukt hierbij het belang van behoud van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog.
Bent u bereid om, eventueel in EU-verband, de Iraakse regering te vragen om alles te doen om de veiligheid van kardinaal Sako en zijn omgeving te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorgen over de onveiligheid en kwetsbare positie van Aramese christenen en andere christelijke bevolkingsgroepen in Irak? Op welke manieren stelt u hun veiligheid en positie aan de orde in bilateraal en multilateraal verband? Wat kan daarnaast de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing hierin betekenen?
Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de vijf Nederlandse prioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid. Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbare positie van minderheden, waaronder christenen, in Irak en agendeert deze zorgen in bilaterale contacten en in VN- en EU-verband, onder meer tijdens de EU-Iraq Cooperation Council. De bescherming van kwetsbare gemeenschappen en het bevorderen van sociale cohesie maken integraal onderdeel uit van de Nederlandse inzet, waarbij in contacten met de Iraakse autoriteiten het belang van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog wordt benadrukt.
Ook via projecten zet Nederland zich in voor vrijheid van religie en levensovertuiging. In de afgelopen vijf jaar is Nederland in Irak actief geweest via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA), dat zich richtte op interreligieuze dialoog, sociale cohesie en de positie van religieuze minderheden, onder wie christenen. Daarnaast financiert Nederland wereldwijd projecten uit het Mensenrechtenfonds. Voor de periode 2026–2031 wordt via het FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» EUR 35 miljoen gealloceerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging. Aangezien de voorstellen voor de aanbesteding nog niet zijn ontvangen, kan op dit moment nog niet worden aangegeven in welke landen deze programmering actief zal zijn.
De Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ondersteunt de inzet in Irak door het thema internationaal te agenderen, met specifieke aandacht voor de positie van religieuze minderheden. Daarnaast onderhoudt de Speciaal Gezant contact met relevante maatschappelijke en religieuze actoren en draagt hij bij aan de diplomatieke inzet van Nederland binnen EU- en VN-verband.
Wanneer wordt er eindelijk een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid aangesteld? Bent u bereid om opnieuw hiertoe aan te dringen, samen met gelijkgezinde landen? Zo nee, waarom niet?
De benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid ligt bij de Europese Commissie. De Commissie heeft aangegeven dat de selectieprocedure loopt, maar op dit moment is nog geen concrete datum bekend voor afronding en aanstelling.
Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming. Dit gebeurt via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie consequent te benadrukken in EU-verband. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant noodzakelijk voor een consistente en zichtbare inzet van de EU op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
De aanschaf van Chinese slimme meters door netbeheerders. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat netbeheerders Alliander (Liander), Enexis en Stedin onderdelen voor circa vier miljoen (slimme) meters betrekken van Kaifa uit China?1, 2, 3
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen over deze berichtgeving (Kamerstuk 2025Z227414) gaat het in dit nieuwsbericht over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten. Zie voor een verdere toelichting op dataveiligheid ook de antwoorden op vraag 7, 8 en 9 in Kamerstuk 2025Z22741.5
Is deze gunning volgens uw beoordeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het hier gaat om een aanbesteding/gunning voor «sensoronderdelen» en kunt u de Kamer een feitenoverzicht sturen met scope, aantallen, contractwaarde, looptijd, opties en betrokken entiteiten, inclusief Kaifa Technology Netherlands?
Zoals toegelicht in het voorgaande antwoord gaat het hier over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet.
De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – deze component gegund middels een aanbesteding met openbare selectie. Het gevraagde feitenoverzicht is te vinden in het door de netbeheerders openbaar gepubliceerde aanbestedingsdocument. In het aanbestedingsdocument is opgenomen dat de verwachte aantallen voor deze meetmodule 7.933.740 eenheden zijn en de contractwaarde € 592.517.432 is. De totale opdracht zal worden geleverd door 2 leveranciers: 60% door Kaifa Technology Netherlands B.V. uit China en 40% door Sagemcom Energy & Telecom uit Frankrijk. De afzonderlijke netbeheerders zijn overeenkomsten aangegaan voor een initiële periode van acht jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met 3 keer 2 jaar. Het is aan de netbeheerders om te beslissen of zij gebruik maken van deze verlengingsoptie. Verdere details zijn te vinden in het aanbestedingsdocument dat is opgesteld door de netbeheerders.6
Kunt u toelichten welke onderdelen van de meter(s) uit China komen (sensor, printplaten, communicatiemodule, firmware, etcetera) en welke onderdelen in Nederland en de Europese Unie worden geproduceerd of geassembleerd?
In de nieuwe generatie slimme meter zijn in de basis vijf separate componenten te onderscheiden die ieder apart worden ingekocht.
(1) Basis elektriciteit meetmodule (hardware). Deze inkoop is verlopen zoals beschreven in de beantwoording van deze Kamervragen en in Kamerstuk 2025Z227417.
(2) De gateway (hardware met een besturingssysteem). Voor dit onderdeel loopt op dit moment de aanbestedingsprocedure. Als eis is assemblage en productie van kritieke onderdelen in een GPA-land opgenomen.8
(3) De applicatielaag (software). Dit onderdeel is gegund aan een Nederlandse partij.
(4) De gasmeter (hardware). Dit onderdeel is gegund aan twee Europese leveranciers.
(5) De Public Key Infrastructure (encryptie). Bij dit onderdeel zijn vertrouwelijke veiligheidsmaatregelen toegepast en het onderdeel wordt geleverd door een Nederlandse partij.
Kunt u bevestigen welke (in)directe staatsinvloed er is en hoe dit is meegewogen in de risicoafweging, aangezien in de berichtgeving wordt gesteld dat China Electronics Corporation (CEC) een belang van 35% heeft in Kaifa?
Dat er mogelijk sprake kan zijn van (in)directe staatsinvloed is een van de redenen geweest waarom de netbeheerders een risicoanalyse hebben uitgevoerd. Hierbij is onder andere gekeken naar cyber- en energie leveringszekerheidsrisico’s, zoals beïnvloeding op afstand, ongeautoriseerde toegang tot meterdata, alsook naar productleveringszekerheidsrisico’s.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Om zo goed mogelijk te verifiëren of er eventueel sprake zou zijn van een inschrijving onder kostprijs, hebben de netbeheerders een uitvraag gedaan bij de Europese Commissie in het «Foreign Subsidies Regulation» mechanisme. Het Foreign Subsidies Regulation (FSR) is een EU-verordening die bedoeld is om oneerlijke concurrentie op de interne markt tegen te gaan wanneer bedrijven financiële steun krijgen van landen buiten de EU. Uit deze melding heeft de Europese Commissie geen belemmeringen waargenomen en gecommuniceerd aan de netbeheerders.
Is vooraf door of namens het kabinet een nationale veiligheids- of ketenafhankelijkheidsanalyse uitgevoerd voor deze aanbesteding (AIVD/MIVD/NCTV/RDI of anders)? Zo ja, door wie en met welke hoofdconclusies? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in beantwoording van eerdere Kamervragen9 hebben de netbeheerders een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter.
De nieuwe generatie slimme meters is opgebouwd uit verschillende hard- en softwarecomponenten en voor ieder van deze componenten geldt een ander risicoprofiel. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274110, kent de elektriciteit meetmodule daardoor een laag risicoprofiel. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is. Het betreft mitigerende maatregelen ten aanzien van de energie- en productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Heeft u in dit dossier geïntervenieerd of een toets gevraagd, aangezien in 2022 door het kabinet is gesteld dat de overheid bij een Nederlands project kan interveniëren als de nationale veiligheid in het geding is? Zo nee, waarom is dit niet als «veiligheidsdossier» behandeld?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u (slimme) energiemeters, gezien hun rol in netbeheer en gegevensverwerking, onderdeel van vitale infrastructuur of «kritieke ketencomponenten»? Welke definitie hanteert u, en wie beslist daarover?
Binnen de Aanpak Vitaal11 zijn door het kabinet processen binnen de energiesector aangemerkt als vitaal. Het betreft elektriciteit (transport, distributie en productie van elektriciteit op land en op zee) en gas (transport, distributie, productie, hervergassing en opslag van gas op land en op zee)12. Een vitaal proces is een proces waarvan uitval, verstoring of manipulatie tot dusdanig ernstige effecten kan leiden dat dit de nationale veiligheid kan schaden en daarmee maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken.
Binnen deze processen gelden de regionale netbeheerders als vitale aanbieders. De regionale netbeheerders Alliander, Enexis en Stedin verwerven gezamenlijk de nieuwe slimme meter. De netbeheerders hebben zelf de verantwoordelijkheid om de mate waarin een component kritiek is vast te stellen en daar ook rekening mee te houden bij hun verwervingstrategieën. De Minister van Klimaat en Groene Groei kan, indien nodig, de netbeheerders opdragen om maatregelen te treffen.
Netbeheer Nederland stelt dat het om een meetsensor zonder schakelaar of telecommunicatietechnologie gaat en dat audits niets hebben opgeleverd; welke audits waren dit (scope, frequentie, onafhankelijke partij, bevindingen) en kan de Kamer inzage krijgen?
De audit rapporten zijn vertrouwelijk omdat deze bedrijfsgevoelige informatie bevatten. De netbeheerders hebben contractueel vastgelegd deze concurrentiegevoelige informatie niet te delen.
Kunt u uitsluiten dat via deze componenten (direct of indirect) manipulatie van meetwaarden, (direct of indirect) aanvallen op de toeleveringsketen of ongeautoriseerde toegang tot meterdata mogelijk is? Zo nee, zijn er mitigatieplannen aanwezig door het Rijk dan wel de netbeheerders, die de risico’s zoveel als mogelijk beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe borgt u dat burgers niet worden gedwongen een meter te accepteren waarvan de risico’s niet transparant zijn beoordeeld, aangezien de Energiewet per 1 januari 2026 is ingegaan en de vervanging van analoge meters verplicht maakt (meewerkingsplicht)?
Bij de vervanging van de laatste analoge meters wordt dit jaar en volgend jaar nog de huidige (5e generatie) slimme meter aangeboden en nog niet de nieuwe meter, aangezien de bestaande voorraad naar verwachting strekt tot in het najaar van 2027. Consumenten kunnen de vervanging van een oude analoge meter met de Energiewet niet meer weigeren, maar er zijn wel twee alternatieven als iemand bezwaar heeft tegen het op afstand uitlezen van de meter. Zo kan de communicatiefunctionaliteit van de slimme meter op verzoek van de afnemer worden uitgezet. Ook kan worden gekozen voor een zogeheten digitale meter. Beide meten verbruik en invoeding apart. Als consumenten hiervoor kiezen, moeten ze net als nu wel de meterstanden zelf blijven doorgeven aan de energieleverancier.
Welke aanbestedingsruimte hebben netbeheerders benut om leveringszekerheid, staatsinvloeden en cybersecurity als (uitsluitings)criteria te hanteren, en welke ruimte is volgens u onbenut gebleven?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274113 is de slimme meter modulair ontworpen en is voor de afzonderlijke componenten een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn Europese leveranciers in dit traject aantoonbaar in staat geweest om mee te dingen en te leveren (volume/tijd), en kunt u de Kamer informeren welke Europese aanbieders zijn afgevallen en om welke redenen?
Ja, Europese aanbieders hebben zich kunnen inschrijven voor deze aanbesteding. De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – dit onderdeel gegund middels een openbare aanbesteding. Er is geen restrictie geweest op deelname uit landen. Iedere aanbieder heeft kunnen inschrijven voor de selectiefase van de aanbesteding. Gekwalificeerde aanbieders konden in de gunningsfase van de aanbesteding een aanbieding doen.
Kandidaten kunnen niet openbaar gemaakt worden. Deze gegevens zijn bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig. De gegunde leveranciers bestaan uit Kaifa Technology Netherlands B.V. en Sagemcom Energy & Telecom SAS. Dit is weergegeven op Tenderned.14
Is onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving (onder kostprijs) en/of een verstorend effect van staatssteun? Zo ja, wat was de uitkomst. Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval leveringen/onderhoud/updates vanuit China (tijdelijk) wegvallen door geopolitieke spanningen, en welke buffer/alternatieve leveranciers zijn (contractueel) geborgd?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274115 zijn betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA).16 In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Welke concrete artikelen en AMvB’s in de huidige Energiewet geven netbeheerders nu wél/geen handvatten om hoog-risico leveranciers te weren bij (digitale/slimme) meters, aangezien in 2022 het kabinet aangaf dat wijzigingen (o.a. mogelijkheid tot gebruik Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid) in de Energiewet zouden landen?
Netbeheerders hebben op grond van de Energiewet de verplichting om de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit is een wettelijke taak van netbeheerders.
De netbeheerders kunnen via drie kaders producten of diensten aanschaffen. Deze kaders hebben ieder in meer of mindere mate mogelijkheden om de veiligheid van de producten en diensten en daarmee de nationale veiligheid te waarborgen.17 Er zijn veiligheidsmaatregelen mogelijk in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012), de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied (ADV) en er kan gebruik gemaakt worden van het inroepen van artikel 346 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.18
Om een veilige energietransitie te borgen, heeft het kabinet besloten de mogelijkheden voor de netbeheerders om veiligheidsmaatregelen te nemen uit te breiden en te uniformeren. Er wordt tevens verkend in hoeverre harmonisatie van bevoegdheden op termijn mogelijk en wenselijk is, met het oog op een meer uniforme en uitvoerbare systematiek. De nieuwe Energiewet creëert onder artikel 3.18 de bevoegdheid voor de Minister van Klimaat en Groene Groei om aanvullende eisen te stellen aan kritieke processen van de netbeheerders ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving. Hierdoor wordt het voor de netbeheerders gemakkelijker om gebruik te maken van de veiligheidsmaatregelen in de hierboven beschreven wettelijke kaders.
Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel in de onderliggende conceptwetgeving van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet, te weten het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten en het Cyberbeveiligingsbesluit, een artikel opgenomen waarbij entiteiten verplicht kunnen worden om bepaalde producten of diensten van specifieke leveranciers niet te gebruiken. De desbetreffende vakminister kan een dergelijke bevoegdheid inzetten – in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid – indien dat noodzakelijk is om risico’s voor de nationale veiligheid te voorkomen, te beperken of te beheersen. De vakminister dient hiervoor een beoordelingskader te doorlopen en aan de hand daarvan te bepalen of er al dan niet sprake is van de noodzaak om de verplichting op te leggen.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met een kader voor vertrouwde leveranciers voor vitale energiecomponenten (incl. meters) te komen, met heldere criteria (staatsinvloed, ketentransparantie, cybersecurity) en een toetsingsproces voor netbeheerders?
Zie antwoord vraag 16.
De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
Het bericht Noodpakket vaak te duur voor mensen in armoede, ze hebben die spullen nu al dagelijks nodig |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het staat met het bekijken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is voor mensen die vanwege een laag inkomen zich geen noodpakket kunnen veroorloven, waar u in uw beantwoording van eerdere vragen over dit onderwerp aan refereert? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Zoals aangegeven in de eerdere beantwoording2 wordt momenteel bekeken welke ondersteuning vanuit bestaande organisaties beschikbaar is voor mensen in een kwetsbare financiële positie. Daarbij wordt gekeken naar initiatieven van maatschappelijke organisaties en gemeenten. Op dit moment zie ik geen financiële ruimte om hier binnen afzienbare tijd aanvullende stappen in te zetten.
Recent heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aangegeven dat er bij gemeenten vragen leven over de beschikbaarheid en financiering van noodpakketten voor minima en dat sommige gemeenten verkennen welke rol zij hierin kunnen spelen. Dit bevestigt het beeld dat er lokaal beweging ontstaat en dat gemeenten, vanuit hun nabijheid tot inwoners, een belangrijke rol kunnen hebben in het bieden van passende ondersteuning. Met de VNG heb ik afgesproken te verkennen wat er aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen. Waar mogelijk willen we voorkomen dat er verschil ontstaat in de ondersteuning van mensen in een vergelijkbare positie.
Wij streven ernaar de Kamer hier verder over te informeren in Q2 2026.
Kunt u een stand van zaken geven van het nagaan op verschillende betrokken ministeries wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten, waar u in dezelfde beantwoording aan refereert? Kunt u ook hier aangeven wanneer de Kamer hierover geïnformeerd wordt?
Alle ministeries werken samen om de maatschappelijke weerbaarheid te versterken. Zoals eerder aangegeven wordt door de verschillende betrokken ministeries nagegaan wat aanvullend nodig is, in samenhang met het bestaande beleid, om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar bestaande structuren en voorzieningen en naar de rol van verschillende betrokken departementen.
Uitgangspunt daarbij is dat ondersteuning zoveel mogelijk aansluit bij de leefwereld van mensen en geen extra druk of stigmatisering veroorzaakt. De signalen van gemeenten, waaronder de recente aandacht die de VNG vraagt voor de positie van minima bij noodvoorbereiding, worden meegenomen. Daarbij is het startpunt dat we uitgaan van bewustwording en zelfredzaamheid van inwoners en enkel inspringen waar dat noodzakelijk blijkt.
Wij streven ernaar de Kamer hier verder over te informeren in Q2 2026.
Bent u bereid in overleg met maatschappelijke organisaties en medeoverheden in overleg te treden teneinde in kaart te brengen hoe op een zo efficiënt mogelijke wijze gezorgd kan worden dat voor huishoudens die op of onder het sociaal minimum leven een basisnoodpakket beschikbaar is?
Met de VNG en maatschappelijke organisaties als Voedselbanken Nederland, het Armoedefonds en het Rode Kruis vindt overleg plaats over de vraag welke ondersteuning beschikbaar is en wat aanvullend nodig kan zijn om mensen in kwetsbare posities te ondersteunen bij noodvoorbereiding. In dit overleg wordt niet alleen gekeken naar de beschikbaarheid van middelen, maar ook naar bredere vormen van ondersteuning.
Het bericht ‘Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het FD: «Misbruik via de plof-bv kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er grip op»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Was het risico dat turboliquidaties gebruikt kunnen worden als verdwijningstruc voor fraudeurs bij introductie van het voorstel voorzien? Zo ja, waarom is dit risico destijds ingeschat als acceptabel?
De wetgever heeft het wenselijk geacht dat lege, inactieve rechtspersonen op eenvoudige wijze konden worden beëindigd. De turboliquidatie is ingevoerd om dit mogelijk te maken.2 In de praktijk heeft de turboliquidatieregeling ruimte geboden aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Tegelijkertijd heeft de regeling zorgen doen ontstaan over misbruik door kwaadwillenden, met name als er schulden achterblijven.3 Er zijn minder procedurele waarborgen dan bij een gewone, maar kostbaardere en langere faillissementsprocedure. Dit risico werd dus onderkend en er werd ingezien dat de regeling verbetering behoefde,4 ook al is de aard en omvang van mogelijk misbruik niet precies vast te stellen. Deze verbetering kreeg urgentie toen de Minister voor Rechtsbescherming in 2022 in verband met de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor het bedrijfsleven een mogelijke toename in bedrijfsbeëindigingen verwachtte. Dit heeft geleid tot de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met een aantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Hierdoor kunnen schuldeisers beter beoordelen of de regeling correct is toegepast. Bestuurders kunnen verder een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld, bijvoorbeeld door frauduleus handelen.5
Deelt u de mening dat er geen volledig beeld is van de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u het volledige beeld delen met de Kamer?
Ik deel deze mening. Uit de praktijk volgt dat misbruik zich voordoet, maar de omvang hiervan is lastig vast te stellen. De reden hiervoor is dat het, vanwege het beperkte inzicht in de financiële stukken van een rechtspersoon, achteraf moeilijk is om te bepalen of bestuurders frauduleus hebben gehandeld.
Waarom zijn de negatieve signalen, zoals 1. dat de helft van degenen die gebruik maken van turboliquidaties, jarenlang of nooit een jaarrekening deponeerden, ondanks dat dit verplicht is, 2. dat de helft van de ontbindingen te laat zijn gemeld bij de Kamer van Koophandel of 3. dat de opheffing gebeurde met terugwerkende kracht, niet eerder boven tafel gekomen? Waarom is er niet eerder op deze signalen geacteerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, waren er in het verleden diverse signalen van misbruik van de turboliquidatieregeling. Om deze reden zijn er met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie diverse maatregelen doorgevoerd, waaronder de aangescherpte verantwoordingsplicht, de mogelijkheid voor schuldeisers om bij niet-naleving van deze verplichting inzicht te krijgen in de administratie van de ontbonden rechtspersoon en aangescherpte sancties, zoals de mogelijkheid tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod bij het niet voldoen aan de deponeringsverplichting.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft het WODC-onderzoek naar de effecten van deze wet op 12 augustus 2025 aan uw Kamer aangeboden.6 In deze brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het streven is om in het tweede kwartaal van dit jaar een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek met uw Kamer te delen.
Wat is er nodig om het toezicht op het bij een turboliquidatie verplicht deponeren van extra documenten te intensiveren zodat er inzicht ontstaat over de omvang van het probleem en zodat er gehandhaafd en opgetreden kan worden, aangezien het eerste bestuursverbod wegens foute turboliquidatie nog uitgedeeld moet worden?
De handhaving van de verantwoordingsplicht is de taak van Bureau Economische Handhaving (dat onderdeel was van de Belastingdienst en verder gaat onder de naam DFEI (Dienst financieel-Economische Integriteit) als onderdeel van het kerndepartement Financiën). Zoals in reactie op vraag 4 is aangegeven, zal in het kader van het nieuwe wetgevingstraject worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn. Hieronder valt ook de handhaving van de verantwoordingsplicht. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien.
Wanneer is het rapport van het in 2019 gelastte onderzoek naar de omvang van het misbruik bij turboliquidaties gereed? Zal dit rapport enkel constateringen of ook oplossingsrichtingen bevatten?
Het onderzoek is op eigen initiatief door de Belastingdienst uitgevoerd. Het rapport wordt op korte termijn openbaar gemaakt en door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane met uw Kamer gedeeld. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is. Een aantal aanbevelingen, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aanpassen van de opleiding voor nieuwe en huidige medewerkers en het opnemen van signalen in de invorderingssystemen, heeft de Belastingdienst uitgevoerd. Enkele aanbevelingen worden momenteel nog uitgewerkt binnen de Belastingdienst en zullen daarna worden geïmplementeerd.
Hoe kijkt u naar de wetsbepaling die in Duitsland bestaat die ondernemers dwingt om bij betalingsonmacht hun eigen faillissement aan te vragen? Zou een dergelijke wetsbepaling een onderdeel van de oplossing van het probleem kunnen zijn?
Ik vind dat we ondernemers in financiële problemen moeten stimuleren om tijdig maatregelen te nemen om deze problemen op te lossen. Bij tijdig ingrijpen wordt in de regel de schade voor schuldeisers beperkt, bijvoorbeeld wanneer met hen een akkoord kan worden gesloten over een financiële herstructurering. Bedrijfsbeëindiging kan in zo’n situatie ook een reële mogelijkheid zijn. Dit kan op verschillende manieren. Turboliquidatie biedt hiervoor een laagdrempelige mogelijkheid en brengt minder kosten met zich dan een faillissement. Dat is een voordeel, want hoe lager de kosten zijn, hoe meer er onder de schuldeisers kan worden verdeeld.
Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen maakt onderdeel uit van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).7 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.8 Mede door de Nederlandse inzet bevat de richtlijn niet alleen een duty to file,9 maar ook twee alternatieven.10 Die alternatieven zijn11 een mogelijke verplichting voor ondernemers in financiële moeilijkheden om transparant te zijn naar schuldeisers en12 een mogelijke verplichting om andere maatregelen te treffen waarvan verwacht mag worden dat ze een vergelijkbaar niveau van schuldeisersbescherming bieden. Dit biedt de nodige flexibiliteit die Nederland wilde behouden voor reddingspogingen van ondernemingen die in potentie levensvatbaar zijn.
Tijdens de implementatie zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
Het artikel Bonje tussen nieuwe en oude eigenaar ggz-organisatie Inter-Psy: ‘We zitten in een vechtscheiding’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Bruijn |
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de escalerende ruzie tussen de huidige en voormalige eigenaar van Inter-Psy, inclusief de dreigende rechtszaken en de faillissementsaanvraag?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een grote ggz-instelling, die grotendeels met publieke middelen wordt gefinancierd, zo kwetsbaar blijkt te zijn voor zakelijke conflicten tussen aandeelhouders en vastgoedpartijen?
Er is mij onvoldoende bekend over de zakelijke conflicten die spelen in deze specifieke situatie om hierover te oordelen.
Meer algemeen is het zo dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen (financiële) bedrijfsvoering. Op basis van huidige wet- en regelgeving en de Governancecode Zorg worden randvoorwaarden en eisen gesteld aan de bedrijfsvoering en het bestuur van zorginstellingen. En in toekomstige wet- en regelgeving, het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), worden deze randvoorwaarden en eisen verder aangescherpt. Op basis van signalen en meldingen kunnen toezichthouders nader onderzoek doen en waar nodig maatregelen opleggen. Deze voorwaarden zijn erop gericht te zorgen dat de maatschappelijke belangen zoals kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en jeugdhulp voorop blijven staan.
Maar dit voorkomt niet dat partijen bijvoorbeeld contractueel afspraken kunnen maken op onderdelen die niet wettelijk zijn vastgelegd of zaken juist onvoldoende juridisch vastleggen, waarover zakelijke conflicten kunnen ontstaan.
Deelt u de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren direct risico’s kunnen opleveren voor de continuïteit van zorg, wachttijden en de positie van cliënten en medewerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke waarborgen zijn nu concreet aanwezig?
Ja, ik deel de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren onwenselijk kunnen zijn. En dat dit risico’s kan opleveren voor de continuïteit en kwaliteit van zorg en dat dit niet bevorderlijk is voor de werkomstandigheden van medewerkers.
De toezichthouders Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houden toezicht op respectievelijk de continuïteit en de kwaliteit van zorg. Zodra er signalen zijn dat de continuïteit of de kwaliteit in het geding dreigt te komen, hebben toezichthouders de mogelijkheid om een onderzoek te starten en indien nodig maatregelen op te leggen.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bevestigen of er signalen zijn over continuïteitsrisico’s bij Inter-Psy? Welke acties zijn of worden genomen?
De NZa houdt toezicht op continuïteit van zorg in relatie tot de zorgplicht. De NZa heeft aangegeven bekend te zijn met deze aanbieder, maar kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. In het algemeen kan ik verwijzen naar de early-warning-systeem-afspraken die er liggen tussen de NZa en zorgverzekeraars2.
Klopt het dat Inter-Psy recent een kapitaalinjectie van € 1,5 miljoen nodig had om salarissen en lopende verplichtingen te kunnen voldoen? Wat zegt dit volgens u over de financiële gezondheid en bedrijfsvoering?
Er is mij onvoldoende bekend, anders dan de berichtgeving waar u naar verwijst, over deze specifieke casus en een eventuele kapitaalinjectie. Het is primair aan de instelling om zorg te dragen voor een gezonde bedrijfsvoering en voldoende liquiditeit om aan lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Dat een organisatie tijdelijk externe financiering nodig heeft, kan verschillende oorzaken hebben, zoals investeringen of veranderingen in contractering. Het is niet aan mij als bewindspersoon om een oordeel te geven over de financiële gezondheid en de bedrijfsvoering van Inter-psy.
Hoe verklaart u dat een instelling die volgens het jaarverslag 2024 winstgevend was, binnen enkele maanden afhankelijk lijkt van noodkapitaal? Ziet u hier aanwijzingen voor mismanagement of risicovolle financieringsconstructies?
Het is niet ongebruikelijk dat een instelling die over een boekjaar winstgevend is, op enig moment te maken krijgt met liquiditeitsdruk. Jaarverslagen geven een beeld op hoofdlijnen over een afgesloten periode, terwijl de liquiditeitspositie sterk kan worden beïnvloed door actuele omstandigheden, zoals vertraagde betalingen, stijgende kosten of incidentele uitgaven. Zoals ook hierboven al benoemd, is het niet aan een bewindspersoon om te concluderen dat sprake is van mismanagement of risicovolle financieringsconstructies. Het is in ons zorgstelsel de NZa die toezicht houdt op een professionele en transparante bedrijfsvoering bij zorgaanbieders. De NZa kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. De zorgverzekeraar en interne toezichthouder spelen hierin ook een belangrijke rol.
Wat is uw oordeel over constructies waarbij zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen, en vervolgens als verhuurder hoge of strategisch bepalende huren vragen aan de zorginstelling die met publiek geld wordt bekostigd? Acht u dit moreel en maatschappelijk verantwoord?
Ik heb geen bezwaren tegen het feit dat zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen. Ik vind het daarentegen wel onwenselijk als deze constructie wordt misbruikt voor persoonlijk gewin. Om dergelijk misbruik tegen te gaan wordt in de Wibz een norm voor van betekenis zijnde transacties geïntroduceerd. Een vastgoedtransactie, zoals verkoop of verhuur, valt onder deze norm. De norm zegt dat deze transacties alleen plaats mogen vinden tegen marktconform tarief als er sprake is van verbonden partijen (bijvoorbeeld als de bestuurder van de zorg BV dezelfde bestuurder is als van de vastgoed BV). Met deze norm wordt zelfverrijking met vastgoedtransacties verboden. Met de voorgestelde norm kan de NZa dergelijke meldingen over dergelijke transacties nader onderzoeken en waar nodig handhaven door een aanwijzing te geven of een boete op te leggen. Zoals aangekondigd in een brief van 11 december 2025 aan de Tweede Kamer3 ga ik onderzoeken of verdere aanscherping van het kader voor normale marktvoorwaarden zowel wenselijk als mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dergelijke vastgoed-constructies in de zorg leiden tot onredelijke financiële druk en continuïteitsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Deze analyse deel ik niet. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties en het huidige stelsel van marktwerking leidt bovendien tot concurrentieprikkels die kunnen leiden tot verbetering van kwaliteit. Winstgevendheid van een zorgaanbieder (anders dan winstuitkering) is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Dat betekent niet dat financieel gewin de boventoon mag voeren, zoals dat wel het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Herkent u het signaal dat winst- en bezoldigingsbeperkingen in de zorg via vastgoedconstructies worden omzeild? Welke maatregelen overweegt u om dit te voorkomen, bijvoorbeeld door integrale toetsing van totale opbrengsten richting zorgondernemers?
De NZa en IGJ hebben in een gezamenlijke signalering «Versterk de integriteit en professionaliteit van de bedrijfsvoering in de zorgsector»4 gewezen op meldingen en signalen die zij ontvangen over het oneigenlijk besteden van zorggeld en twijfelachtige financiële of organisatorische constructies. Daarbij wijzen zij onder andere op normen zoals vastgelegd in de Governancecode Zorg ten aanzien van belangenverstrengeling en integere bedrijfsvoering, maar ook het door bestuurlijke en/of financiële constructies omzeilen van wettelijke bepalingen waardoor zorggelden oneigenlijk worden besteed. Deze signalering is aanleiding geweest om in het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) de verplichting op te nemen dat aanbieders bij van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen normale marktvoorwaarden moeten hanteren. Deze norm is ook toegelicht in de beantwoording van vraag 7.
Hoe beoordeelt u het risico dat een verhuurder, die tevens (minderheids)aandeelhouder is, via huurconflicten druk kan uitoefenen op de bedrijfsvoering van een zorginstelling?
Het is onwenselijk als vanwege een huurconflict druk wordt uitgeoefend op de bedrijfsvoering van een zorginstelling. Als daarbij sprake is van niet-integer handelen verwacht ik, naast optreden van de interne toezichthouder, dat het wetsvoorstel Wibz de NZa mogelijkheden geeft om in een dergelijk geval nader onderzoek te doen en waar nodig maatregelen op te leggen.
Wat betekent een faillissementsaanvraag door een (voormalig) eigenaar/verhuurder voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen? Is de huidige wet- en regelgeving voldoende om te voorkomen dat patiënten de rekening betalen?
Het zal per situatie verschillen wat een faillissementsaanvraag betekent voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen. In de zorg geldt dat continuïteit van zorg voor patiënten en cliënten moet worden geborgd. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in eerste instantie bij zorgverzekeraars middels de zorgplicht. De NZa houdt vervolgens toezicht op de naleving van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
De huidige wet- en regelgeving, waaronder Zvw en Wlz, en het toezichtkader van de IGJ en de NZa, is erop gericht om de continuïteit en toegankelijkheid van zorg zoveel mogelijk te waarborgen. Tegelijkertijd kan niet in alle gevallen worden uitgesloten dat cliënten hinder ondervinden van financiële of organisatorische problemen bij een zorgaanbieder. Om ongecontroleerde faillissementen van instellingen, waar patiënten en cliënten de dupe van kunnen worden, te voorkomen heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sinds enige jaren het zogenoemde continuïteitsbeleid. Dit beleid beschrijft hoe om te gaan met instellingen in financiële problemen. Het is erop gericht continuïteit van zorg te borgen, wat niet hetzelfde hoeft te zijn als de continuïteit van de instelling. Ook is het gericht op het voorkomen van ongecontroleerde faillissementen.
De kern is dat zorgaanbieders verplicht zijn om continuïteitsproblemen te melden bij zorginkopende partijen (zoals zorgkantoren en zorgverzekeraars). Zorgkantoren en zorgverzekeraars zijn weer verplicht dit te melden bij de NZa. Dit heet het early-warning-systeem (EWS). Bij problemen in instellingen zijn de zorginkopende partijen op grond van hun zorgplicht verplicht de continuïteit van zorg te borgen en de NZa ziet hierop toe. Pas in het uiterste geval wanneer betrokken partijen er zelf niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. De inzet van VWS geldt als laatste redmiddel5.
De IGJ verwacht van zorgaanbieders dat zij voorbereid zijn op een scenario waarin discontinuïteit van de zorgverlening aan patiënten, cliënten of bewoners dreigt te ontstaan. Bijvoorbeeld als gevolg van een mogelijk faillissement of voorgenomen besluit om te stoppen met het aanbieden van bepaalde vormen van zorg. Wanneer er daadwerkelijk discontinuïteit van zorg lijkt te ontstaan, moeten de activiteiten van alle betrokkenen gericht zijn op een warme overdracht van de zorgverlening. In de leidraad continuïteit van zorg en jeugdhulp6 legt de IGJ uit wat zij concreet verwacht van zorgaanbieders waarbij bijvoorbeeld vanwege faillissement risico’s voor de continuïteit van zorg aan patiënten en cliënten ontstaan.
Hiernaast is in het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders een maatregel opgenomen waarbij een zorgaanbieder geen onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Dit ook om te voorkomen dat deze onverantwoorde risico’s moeten worden terugverdiend waarbij het risico ontstaat dat de kwaliteit of continuïteit van zorg in het geding komt.
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en IGJ hebben om in te grijpen wanneer zakelijke conflicten de zorgcontinuïteit bedreigen? Zijn deze instrumenten in dit dossier benut?
Hier verwijs ik naar de early-warning-systeem-afspraken en bevoegdheden van de IGJ, zoals omschreven in mijn antwoord op vraag 11. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht via de as van de zorgverzekeraar.
Acht u de productiviteitsdruk (zes van de acht uur cliëntencontact) medisch verantwoord, gelet op de noodzaak van voorbereiding, overleg en dossiervoering? Ziet u risico’s voor kwaliteit en werkdruk?
De beoordeling of zorg medisch verantwoord is, ligt primair bij de professionele beroepsgroepen en bij de individuele zorgverlener. Wat kwalitatieve zorg is, is vastgelegd in wet- en regelgeving en uitgewerkt in professionele standaarden, richtlijnen en zorgstandaarden. In het huidige zorgstelsel is de zorgaanbieder verantwoordelijkheid om kwalitatieve goede zorg te leveren en het is aan de zorgverzekeraar om voldoende zorg in te kopen tegen een tarief waardoor een aanbieder zorg kan aanbieden die voldoet aan de kwaliteitsstandaarden. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg.
Wat is uw oordeel over het gegeven dat diverse leidinggevenden en behandelaars zijn vertrokken na de overname?
Bij een overname is het niet ongebruikelijke dat er personeelswisselingen plaatsvinden. Wanneer leidinggevenden en behandelaren een zorginstelling verlaten, is het belangrijk dat de zorgcontinuïteit en de kennisoverdracht goed worden gewaarborgd. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder dat zij de maatregelen nemen die daarvoor nodig zijn. Verder is er een rol weggelegd voor de NZa en IGJ om toezicht te houden op, respectievelijk, de continuïteit en kwaliteit van zorg.
Hoe waarborgt u dat bij overnames van zorginstellingen niet primair financiële motieven, maar publieke waarden (kwaliteit, continuïteit, bereikbaarheid) centraal staan?
De zorgspecifieke fusietoets van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toetst fusies en overnames, met als doel om de publieke waarden te waarborgen. De NZa moet een concentratie of fusie eerst goedkeuren alvorens deze bij de Autoriteit, Consument en Markt (ACM) wordt getoetst. De ACM toetst overnames en fusies wanneer deze boven een bepaalde omzetdrempel vallen en kijkt daarbij onder andere of een organisatie niet te groot wordt. Met de aangekondigde aanscherpingen van de zorgspecifieke fusietoets krijgt de NZa ook de bevoegdheid om een concentratie tegen te houden als er risico’s zijn op een onrechtmatige bedrijfsvoering bij een of meer van de betrokken zorgaanbieders. Ook kan de NZa concentraties tegenhouden wanneer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) risico’s ziet voor de kwaliteit van zorg. Hiernaast heeft de intern toezichthouder ook een belangrijke rol bij het waarborgen van de kwaliteit, continuïteit en bereikbaarheid bij fusies en overnames.
Welke lessen trekt u breder voor het zorgstelsel uit dit conflict? Ziet u aanleiding voor aanscherping van toezicht, wetgeving of voorwaarden rond private investeerders in de ggz?
Zonder op dit specifieke geval in te gaan, kan ik stellen dat financieel gewin nooit de boventoon mag voeren in de zorg. Zeker wanneer daarbij geen oog is voor het belang van patiënt en voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. In de Wibz zit een voorwaarde waardoor er geen onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen mogen worden genomen. Dit moet voorkomen dat private investeerders of andersoortige investeerders de continuïteit van de zorgaanbieder in het geding brengen. Hiernaast wordt met de herbezinning op de Wibz ook gekeken naar aanscherpingen die zien op (private) investeerders met niet zuivere intenties. Een andere belangrijke rol is weggelegd voor de NZa, zij houden toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders. Zij heeft op dit moment al de mogelijkheid om bij signalen een onderzoek in te stellen. Op basis van de uitkomst van dit onderzoek kan de NZa eventueel maatregelen opleggen.
Ziet u het conflict rond Inter-Psy als een incident, of als symptoom van een structureel probleem waarin marktprikkels en aandeelhoudersbelangen botsen met het publieke belang in de zorg? Kunt u dat onderbouwen?
In de brief van 14 maart 20257 heeft mijn ambtsvoorganger uitgebreid stilgestaan bij de marktwerking in de zorg en de uitdagingen die het huidige stelsel met zich meebrengt. In deze brief wordt uitvoerig toegelicht dat marktprikkels in het zorgstelsel historisch gezien een rol hebben gespeeld bij het bevorderen van efficiëntie en keuzevrijheid, maar dat tegelijkertijd duidelijk is geworden dat ongebreidelde marktwerking niet altijd vanzelf leidt tot betere toegankelijkheid, samenwerking of continuïteit van zorg. Destijds werd gesignaleerd dat er op onderdelen aanpassingen nodig zijn om de publieke doelstellingen van kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit beter te borgen, zoals regels rond winstuitkeringen, het voorkomen van evident onwenselijke fusies en een meer gelijkgerichte inkoop in cruciale sectoren van de zorg8. Dat gezegd hebbende, kan ik niet ingaan in op individuele casussen.
Deelt u de analyse dat het huidige stelsel zorginstellingen stimuleert om te denken in termen van groei, rendement en vastgoedposities, in plaats van stabiliteit, nabijheid en kwaliteit van zorg? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat private investeerders, vaak georganiseerd in complexe holdings, strategische zeggenschap hebben over essentiële ggz-voorzieningen? Welke risico’s ziet u voor democratische controle en publieke verantwoording?
Ik vind het van groot belang dat bestuurders van zorginstellingen de kwaliteit en continuïteit van zorg voorop zetten, onafhankelijk van het type investeerder. Met het wetsvoorstel Wibz stel ik maatregelen aan het uitkeren van winst. Zo mag winst alleen worden uitgekeerd als de NZa geen maatregel heeft opgelegd vanwege tariefdelicten of overtreden van transparantiebepalingen.
Dit om de kwaliteit en continuïteit van zorg te beschermen en te voorkomen dat strategische keuzes of persoonlijk financieel gewin de overhand krijgen. Hiernaast ben ik met de aanscherping van de Wibz aan het kijken of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn om het gedrag van investeerders die financieel gewin voorop stellen te mitigeren.
Bent u bereid om de Kamer een integrale analyse te sturen van de effecten van private investeringen, vastgoedconstructies en overnames op continuïteit, werkdruk, wachttijden en kwaliteit in de ggz – inclusief beleidsopties voor structurele hervorming?
Uit het rapport van EY uit 2024 worden geen verschillen in kwaliteit gevonden tussen PE-gefinancierde ggz instellingen, en niet-PE-gefinancierde instellingen9. Onderzoek van SiRM en Finance Ideas10 geeft aan dat private investeringen leiden tot nieuwe toetreders en innovatie en investeringen, wat erg belangrijk is in tijde van schaarste. Echter benoemt dit onderzoek ook risico’s verbonden aan private investeringen, zoals een focus op financiële resultaten en ongewenste risicoselectie. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een soortgelijke integrale analyse uit te voeren. Met de herbezinning van de Wibz wordt onder andere gekeken naar aanscherpingen om eventuele negatieve effecten van private investeringen verder tegen te gaan.
De situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «In Gaza, another winter of despair»?1 Waarom wordt beschreven dat de winteromstandigheden in de Gazastrook opnieuw hebben geleid tot zeer moeilijke leefomstandigheden, inclusief overstromingen en sterfgevallen als gevolg van onderkoeling? Wat is uw beoordeling van deze situatie?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht. Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van basale voedselhulp verbeterd, maar de humanitaire noden blijven hoog.
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza op te voeren in het licht van deze berichtgeving?
De Nederlandse financiële inzet voor humanitaire hulp in 2026 is op 12 januari jl. aan de Kamer bekendgemaakt.2 Middels aanzienlijke, flexibel inzetbare bijdragen aan de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en Dutch Relief Alliance helpt Nederland deze organisaties ook in 2026 om te reageren op humanitaire crises wereldwijd. Dat geldt ook voor hun werk in de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de regio. Nederland maakt in 2026 tevens EUR 16 miljoen beschikbaar voor het humanitaire landenfonds van de VN voor de Palestijnse gebieden. In 2025 werd dit fonds ondersteund met een bedrag van EUR 14,7 miljoen. Daarnaast zal, net als in voorgaande jaren, gedurende 2026 worden gekeken waar ter wereld eventuele additionele humanitaire bijdragen het hardst nodig zijn.
Bent u het eens dat de regering-Netanyahu bijdraagt aan deze omstandigheden door nog steeds humanitaire hulpgoederen zoals winterbescherming en noodzakelijke spullen voor medische zorg tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, waaronder de beperkte opening van grensovergangen, de Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s, en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, zoals onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Israël voert hiervoor veiligheidsoverwegingen aan. Israël heeft de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen. Als bezettende macht is Israël verplicht om hulpacties van derde staten of onpartijdige humanitaire organisaties toe te staan en deze met alle haar ten dienste staande middelen te faciliteren. Dit volgt ook uit het IGH advies van 22 oktober 2025 over Israëls verplichtingen ten aanzien van VN-hulpverlening in de bezette Palestijnse Gebieden. Nederland blijft onderstrepen dat volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang cruciaal is, en spreekt Israël hier consequent in bilateraal en multilateraal verband op aan.
Welke maatregelen heeft Nederland, zelf of in EU-verband, genomen om te bevorderen dat humanitaire hulp wél in voldoende mate de Gazastrook bereikt? Welk resultaat heeft dat geleverd?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Nederland blijft zich ervoor inspannen dat professionele hulporganisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang hebben om hun werk uit te kunnen voeren. Dit alles doet Nederland zowel bilateraal in contacten met de Israëlische autoriteiten, als in EU verband. Dit heeft het kabinet recent gedaan naar aanleiding van de herregistratieplicht. De Minister van Buitenlandse Zaken nam na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël. Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers» Statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.3 In eerdere Kamerbrieven bent u geïnformeerd over de wijzen waarop Nederland ten tijde van de humanitaire blokkade de druk heeft opgevoerd.4
Hoe beoordeelt u de recente Israëlische goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever? Deelt u de mening dat de regering-Netanyahu hiermee een tweestatenoplossing ondermijnt?
Het kabinet acht de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig en veroordeelt het Israëlisch nederzettingenbeleid, waarvan de goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever deel uitmaakt. Het kabinet roept Israël op dit besluit terug te draaien en geen verdere stappen te zetten die een tweestatenoplossing onder druk zetten. Deze boodschap heeft Nederland ook onderstreept in een gezamenlijke verklaring met gelijkgezinden.5 Daarnaast gaat het kabinet door met het voorbereiden van nationale maatregelen om producten uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren.
Welke stappen heeft u naar aanleiding van dit besluit gezet, zelf of in EU-verband? Bent u van plan verdere actie te ondernemen, bijvoorbeeld binnen de VN?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het bericht «Israëlische checkpoints verstikken Palestijnen op bezette Westoever» waarin wordt beschreven dat Palestijnen door checkpoints gehinderd worden in het bereiken van bijvoorbeeld school, werk of medische behandelingen?2 Bent u het eens dat het Israëlische leger hiermee onrechtmatig en disproportioneel handelt en bent u bereid dit te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet roept Israël consequent op het internationaal recht te eerbiedigen, waaronder in de Palestijnse Gebieden. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in.
Bent u bekend met het bericht «Israël foltert en verkracht Palestijnse gevangenen – en bijna niemand mag hen bezoeken»?3 Wat is uw reactie op dit bericht?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Deze zorgen betreffen de detentieomstandigheden zelf, het aantal arbitraire detenties, en de toegang tot detentiefaciliteiten voor hiervoor gemandateerde organisaties, specifiek het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Het kabinet brengt deze zorgen op in bilaterale contacten met de Israëlische autoriteiten, waaronder tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Ook multilateraal spreekt Nederland zich hierover uit, waaronder in de gemeenschappelijke positie van de EU-Israël Associatieraad en in (EU-) verklaringen bij de Mensenrechtenraad.
Deelt u de opvatting dat deze praktijken een schending van mensenrechten betekenen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december jl. en waar het NRC-artikel naar refereert. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht, bovenstaand rapport is hiervoor van belang. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om in internationale fora te pleiten voor onafhankelijke, transparante onderzoeken naar alle meldingen van marteling en mishandeling van Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Nederland hecht groot belang aan het tegengaan van straffeloosheid. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in en brengt dit ook op in internationale fora zoals de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN. Tijdens het Open Debat over het Midden-Oosten van de VN-Veiligheidsraad van 27 oktober jl. riep Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het internationaal recht in de Palestijnse Gebieden. Daarnaast loopt er bij het Internationaal Strafhof (ISH) al een actief onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. Het is aan het ISH om dat onderzoek nader vorm te geven binnen de grenzen van het Statuut van Rome. Het kabinet respecteert de onafhankelijkheid van de aanklagers van het ISH en mengt zich derhalve niet in hun onderzoeks- en vervolgingsbeleid.
Nederland draagt ook in 2026 bij aan de onderzoekscapaciteit van het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden (OHCHR), middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. De OHCHR in de Palestijnse Gebieden monitort de mensenrechtensituatie en rapporteert daar publiekelijk over.
De pendelbus en de aanhoudende onveiligheid op de reguliere buslijnen naar Ter Apel. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat door een woordvoerder van u in aanvulling op uw brief van 19 december is aangegeven dat het «nog een paar dagen» kan duren voordat geregeld is dat er weer betaald moet worden voor de pendelbus?1 Vanaf wanneer gaat er weer betaald worden en waarom moet dit zo lang duren?
Bent u ervan op de hoogte dat de onvrede en zorgen over de veiligheidssituatie onder chauffeurs op de reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen (met name de lijnen 72, 73) inmiddels dermate zijn opgelopen dat zij voornemens zijn de halte(s) nabij het asielzoekerscentrum (azc) over te slaan indien de afspraken over het in 2022 afgesloten veiligheidsconvenant tussen het ministerie, Qbuzz, vakbond FNV en de provincies Drenthe en Groningen niet worden nageleefd? Wat is uw reactie hierop?
Bent u ermee bekend dat de FNV vandaag opnieuw de noodklok luidt richting vervoerder Qbuzz en u over het niet nakomen van de afspraken in dit convenant, met name het gebrek aan toezichthouders op station Emmen en bij de haltes van de lijnen 72 en 73 en het gebrek aan directe communicatie tussen deze toezichthouders en de chauffeurs? Wat is uw reactie hierop?
Bent u er tevens van op de hoogte dat de FNV aangeeft al maanden aandacht te vragen voor de toegenomen overlast en verslechterde veiligheidssituatie op deze lijnen maar dat dit tot op heden niet tot verbetering heeft geleid?
Wat heeft u dit jaar ondernomen om de veiligheidssituatie te verbeteren op de reguliere buslijnen in Ter Apel?
Hoeveel incidenten hebben zich dit jaar voorgedaan op reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen en hoe verhoudt dit aantal zich tot dat van voorgaande jaren waarin het convenant van kracht was?
Deelt u de mening dat het in 2022 gesloten convenant momenteel onvoldoende wordt nageleefd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar stokt het, wie is hiervoor verantwoordelijk en wat gaat u eraan doen om dit recht te zetten?
Welke partijen zijn verantwoordelijk voor het naleven van het convenant en wie kunnen hier door chauffeurs op worden aangesproken?
Deelt u de mening dat het totaal onaanvaardbaar is dat buschauffeurs en medereizigers op de buslijnen door Ter Apel na al die jaren nog steeds, en weer in toenemende mate, te maken hebben met overlast en agressie door een groep kansloze asielzoekers?
Welke maatregelen gaat u per direct treffen om deze wantoestanden keihard de kop in te drukken?
Bent u, naast zorgen voor voldoende toezichthouders op station Emmen en de haltes in Ter Apel, bereid om per direct (particuliere) beveiligers op zowel de pendelbus als de reguliere buslijnen te laten meereizen en hiervoor indien nodig als Minister de portemonnee te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Nederlandse grensboeren halen doelen niet door vervuild water uit Duitsland: dit voelt wel oneerlijk' |
|
Hidde Heutink (PVV), Chris Jansen (PVV) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit artikel en wat vindt u hiervan?1
Kunt u aangeven waarom er niet eerder in Brussel aan de bel is getrokken over deze overduidelijke achterstelling van onze boeren ten opzichte van boeren uit Duitsland?
Is dit niet een overduidelijk voorbeeld dat onze boeren erin worden geluisd door idiote regels en daarmee bewust naar de afgrond worden geduwd? Zo nee, waarom niet?
Waarom draait Nederland op voor de vervuiling uit het buitenland en wat doet u om dit te stoppen?
Wanneer gaat u de Nederlandse Kaderrichtlijn Water (KRW)-normen versoepelen?
Valt het nog uit te leggen dat het water, één millimeter over de grens, schoner zou zijn, en in Nederland niet meer? Zo ja, hoe legt u dat dan uit aan al die boeren, tuinders en vissers die al jarenlang worden gepakt?
Snapt u dat we als Nederland op deze wijze nooit de KRW-doelen gaan halen?
Het bericht 'Transparantie is alweer passé, met dank aan het ultrakorte politieke geheugen in Den Haag' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Transparantie is alweer passé, met dank aan het ultrakorte politieke geheugen in Den Haag» d.d. 17 december 2025?
Erkent u het belang van het recht van iedere burger op overheidsinformatie en dat dit een internationaal erkend mensenrecht is? Deelt u de mening dat het van belang is om het recht op overheidsinformatie niet in te perken?
Kunt u reageren op de kritiek dat voorstellen zoals het begrenzen van de omvang van Woo-verzoeken, het invoeren van verplichte formulieren of het doorberekenen van kosten neerkomen op drempelverhoging voor een mensenrecht?
Deelt u de opvatting dat de Woo bijdraagt aan transparantie en daarmee aan het vergroten van het vertrouwen in de overheid?
Kunt u toelichten waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vooruitlopend op de geplande evaluatie van de Woo in 2026 al voorstellen doet die het recht op overheidsinformatie feitelijk kunnen beperken? Acht u het getuigen van goed bestuur om conclusies te trekken over de werking van de Woo voordat de wettelijke evaluatie heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt u dat uitleggen?
Welke concrete stappen heeft u sinds de inwerkingtreding van de Woo gezet om proactieve openbaarmaking daadwerkelijk de norm te maken, zoals de wet al mogelijk maakt?
Bent u bereid om, naar Scandinavisch voorbeeld, te onderzoeken hoe informatie sneller en minder politiek (zijnde met meer vertrouwen in de Woo-specialisten en daarmee een drastisch inkorting van de parafenlijn) kan worden verstrekt, inclusief e-mails en informele documenten? Zo ja, hoe gaat u daar invulling aan geven? Zo niet, waarom niet?
Waarom worden in beleidsafwegingen rond de Woo vrijwel uitsluitend de kosten betrokken en niet de maatschappelijke baten van openbaarheid, zoals beter bestuur, minder fouten en groter vertrouwen?
Kunt u aangeven of er binnen andere ministeries onderzoeken zijn gedaan naar het verbeteren en makkelijker maken van de Woo en wat hier de uitkomsten van zijn geweest?
Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen het voorstel om het Adviescollege Openbaarmaking en Informatiehuishouding (ACOI) te versterken tot een onafhankelijke autoriteit met bindende bevoegdheden?
Bent u voornemens om lessen te trekken uit de aanpak van onder andere de gemeente Amsterdam die de doorlooptijd terugbracht en de proactieve openbaarmaking van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Ronald Plasterk: dat een ngo dit durft te doen, tekent de enorme macht van deze organisaties in Brussel» van 18 december 2025?1
Ja.
Bent u ook bekend met het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 11/2025, getiteld «Transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering – Ondanks vooruitgang nog steeds geen betrouwbaar overzicht»?2
Ja.
Bent u voorts bekend met de website ngotransparency.eu waarop een van de Europese Commissie verkregen database is geopenbaard over financiering van ngo’s in de Europese Unie, waaronder ook in Nederland?
Ja.
Klopt het dat deze subsidies worden verstrekt op basis van contracten en werkprogramma’s waarin concrete activiteiten zijn vastgelegd, waaronder lobby richting Europese instellingen, politieke fracties en nationale politieke partijen. En klopt het dat deze contracten en werkprogramma’s niet openbaar zijn?
Organisaties die subsidiegelden benutten stellen bij aanvraag van subsidie zelfstandig hun werkprogramma’s op aan de hand van gestelde toetsingscriteria. Er is dus geen sprake van dat de Europese Commissie bepaalt (op welke wijze) belangenbehartiging plaatsvindt bij bepaalde partijen.
Op grond van EU-wetgeving worden programma’s vastgesteld voor de duur van ieder meerjarig financieel kader. Deze programma’s zijn openbaar. Informatie daarover is te vinden op het EU Funding & Tenders Portal. Deze programma’s worden uitgevoerd door middel van werkprogramma’s. Deze worden door de Europese Commissie vastgesteld via comitologie en zijn ook openbaar. De contracten die met ngo’s worden gesloten zijn niet openbaar, dat is ook niet verplicht. Wel moeten belangenvertegenwoordigers die geen commerciële belangen vertegenwoordigen, waaronder doorgaans ngo’s, hun lobbyactiviteiten melden in het EU-transparantieregister. Hiernaast is de Europese Commissie volgens het Financieel Reglement van de Unie verplicht om het Europees parlement en de Raad op hun verzoek een verslag te sturen met informatie over subsidies, waaronder het aantal aanvragers van subsidies, het aantal subsidies en de betrokken bedragen van het voorgaande begrotingsjaar.3
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat belastinggeld wordt gebruikt om organisaties te financieren die tot doel hebben politieke besluitvorming te beïnvloeden?
De Europese Commissie gebruikt subsidieverstrekking om bepaalde EU-beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Ook maatschappelijke organisaties kunnen zich aanmelden voor deze subsidies. Afhankelijk van de beleidsdoelen en de daarvoor opgezette instrumenten kan beleidsbeïnvloeding een subsidiabele activiteit zijn. Wanneer dit soort activiteiten niet subsidiabel is, kunnen organisaties uiteraard wel uit eigen middelen aan beleidsbeïnvloeding doen. Het kabinet acht het onwenselijk dat overheidsgeld dat is bedoeld voor ontwikkelingshulp wordt gebruikt voor de financiering van beleidsbeïnvloeding in Nederland.
Bent u bereid te onderzoeken welke EU-financiering aan in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s is verstrekt en wat er voor die bedragen concreet is gedaan, welke activiteiten daarmee zijn gefinancierd en in hoeverre deze activiteiten gericht waren op politieke beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In het financiële transparantieregister van de EU staan de ontvangers per fonds en per land opgenomen. Het kabinet houdt zelf geen overzicht bij van in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s die subsidies van de Europese Commissie ontvangen en is ook niet voornemens dat te doen. De Europese Commissie heeft een eigenstandige verantwoordelijkheid om subsidieovereenkomsten aan te gaan met maatschappelijke organisaties. De Europese Commissie dient daarbij, naast de afspraken over transparantie, de voorwaarden en doelstellingen van het betreffende fonds en van het Financieel Reglement van de Unie in acht te nemen.
Bent u bereid bij de Europese Commissie volledige transparantie over EU-financiering van NGO’s te eisen, inclusief alle contracten, werkprogramma’s, lobbyactiviteiten en daarbij ook de rol van de Nederlandse Eurocommissaris te onderzoeken, zo nodig via een extern onafhankelijk bureau? Zo nee, waarom niet?
Transparantie en verantwoording over subsidies en belangenbehartiging zijn essentieel om het vertrouwen van burgers in de Unie te behouden. Het Europees parlement en de Europese Commissie hebben in 2011 het EU-transparantieregister ingesteld door middel van een interinstitutioneel akkoord. De Raad is in 2021 toegetreden tot dit akkoord. Het kabinet is hier voorstander van en heeft zich hiervoor ingezet. Het akkoord biedt een kader voor een transparante en integere interactie tussen de EU-instellingen en belangenvertegenwoordigers. De EU-instellingen hebben zich gecommitteerd alleen bepaalde interacties met belangenvertegenwoordigers aan te gaan wanneer deze zijn ingeschreven in het register. Het kabinet heeft op het moment geen signalen dat geldende transparantie- en lobbyregels zijn overtreden en ziet dan ook geen noodzaak om nadere informatie op te vragen.
Deelt het kabinet de mening dat dit deze praktijken haaks staan op artikel 11 VEU, aangezien het (lid 1) niet de vertegenwoordigers zijn die hún mening geven maar de Europese Commissie is die háár mening geeft, en dit voorts (lid 2) niet open en transparant gebeurt?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhouden deze door de Europese Commissie gesubsidieerde lobby-praktijken ter beïnvloeding van het politieke (beleidsvórmings-)proces zich tot artikel 317 VWEU?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat vindt u ervan dat de Europese Commissie telkens anderen (EU-lidstaten maar ook derde-landen) de maat neemt over transparantie, democratie en «rule of law», terwijl zij zelf alle regels aan haar laars lapt, mede gezien alle recent bekend geworden corruptieschandalen? Wat gaat u doen om de Europese Commissie tot de orde te roepen en een toontje lager te laten zingen?
Het kabinet hecht waarde aan het waarborgen van integriteit van de instellingen om het vertrouwen van burgers in de EU te behouden. Het is belangrijk om daarover afspraken te maken tussen EU-instellingen. Nederland maakt zich daarom hard voor het snel voltooien van het interinstitutioneel orgaan voor ethiek (Ethics Body). Het kabinet zet zich in om het orgaan zo effectief mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe het orgaan ook instellingen kan aansporen om anti-corruptietrainingen aan te bieden. Zoals in bovenstaande antwoorden aangegeven, is Nederland ook voorstander van initiatieven zoals het in 2011 ingestelde EU-transparantieregister, op basis van een interinstitutioneel akkoord tussen Europees parlement en de Europese Commissie, en sinds 2021 de Raad. Ook zet Nederland zich in voor opvolging van de aanbevelingen van de Europese Ombudsman uit 2024 over het verbeteren van de werking van dit EU-transparantieregister.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?