De Joint Letter of Intent met Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden op onze eerdere vragen over Joint Letter of Intent (JLoI nog herinneren?1
Welke mogelijkheden worden onderzocht om toch eerder tot gedwongen sluiting van de zwaar verouderde, vervuilende en lekkende Kooksgasfabriek 2 (KGF2) over te gaan, aangezien daar al jaren de regels worden overtreden en Tata Steel zelf zegt dat ze niet aan alle regels kunnen voldoen?
Klopt het dat in de huidige plannen Kooksgasfabriek 1 (KGF1) en Hoogoven 6 nog tot 2045 open zullen blijven en kolen zullen blijven gebruiken? Wat vindt u van deze tijdslijn, gezien de belangen van milieu en de gezondheid van omwonenden?
Wat vindt u ervan dat de AMVI aangeeft dat de financiële modellen en bijbehorende aannames nog niet in een finale fase waren toen zij hun advies moesten schrijven?
Welke onafhankelijke instantie beoordeelt de business case en de aannames die zijn gemaakt en kunt u ons die beoordeling sturen?
Wat gebeurt er met Project Roadmap+ als de maatwerkafspraken niet door zouden gaan? Zijn het Project Roadmap+ en de maatwerkafspraken nou wel of niet met elkaar verbonden, aangezien in de JLoI wordt aangegeven dat deze wordt uitgevoerd zonder staatssteun, maar u in uw antwoord op vraag 17 aangeeft dat «Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+»?
Komt er nog een advies van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond over de definitieve JLoI, gezien het feit dat deze twee adviesorganen aangeven dat er nog «belangrijke documenten en modellen» ontbraken toen zij hun advies moesten geven over de concept JLoI?
Wat is het oordeel van de Expertgroep Gezondheid over de laatste versie van de JLOI precies? Heeft de Expertgroep u op wat voor manier dan ook (via de ambtelijke weg of anders) daarover iets te kennen gegeven?
Gezien het recht op informatie voor Kamerleden en het feit dat de Kamer heeft uitgesproken dat het kabinet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid moet opvolgen, kunt u ervoor zorgen dat wij nu alsnog een reactie van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond krijgen op het definitieve JLoI? Zo nee, waar bent u bang voor?
Kijkende naar uw beantwoording van onze eerdere vragen over de JLOI, hoe rijmt uw vermelding van stikstofuitstoot in 2024 voor Tata Steel Nederland (5,3 kton) met de vermelding in het jaarverslag van het bedrijf (5,065 kton)?2 Wat is de bron voor uw gegevens en hoe is het verschil te verklaren?
Hoeveel is de verwachte jaarlijkse stikstofuitstoot van Tata Steel nadat de DeNOx installatie bij de pelletfabriek in werking is gesteld? Gegeven dat de uitstoot in 2024 5.0 of 5.3 kton was en de DeNOx een «significante vermindering»3 in de stikstofuitstoot zou moeten betekenen, hoe ambitieus is een doel van 4.0 kton per jaar dan nog, zeker gezien er sprake is van een stikstofcrisis die ten koste gaat van o.a. gezondheid en woningbouw?4
Gezien het een gegeven is dat de huidige uitstoot van fijnstof (PM10) van Tata Steel IJmuiden nu 418 kton is5, waarom staat er dan in de JLOI6 dat de doelstelling om de maximale uitstoot van PM10 naar 467 een reductie zou zijn?7
Klopt het dat met deze grens Tata Steel eigenlijk meer PM10 mag emitteren dan ze nu doet?
Hoe komt u bij de cijfers die u eerder met ons deelde over de benzeenuitstoot van 19,8 ton in 2024 als uit het eMJV8 blijkt dat de uitstoot 28,2 ton is? Voor zink staat in het eMJV 19,9 ton (ipv 14,6) en lood 1,07 ton (ipv 0,8), dus waar zit het verschil in precies?9
Kunt u de tabel op p. 12 en 13 van uw eerder antwoorden op onze vragen aanvullen met daarin de bronvermelding van de data?10
Hoe verklaart u het verschil tussen de 6,8 Mton/jaar11 en de 5,86 Mton/jaar12?
Wat vindt u ervan dat de afspraken met het staalbedrijf uit het milieuconvenant van 1992 over reductie van bepaalde schadelijke stoffen in 2010, voor een groot deel niet zijn nagekomen en zelfs anno 2026 nog niet? Wat zegt dit over betrouwbaarheid van afspraken met zulke bedrijven?
Wat vindt u ervan dat voor zeer schadelijke stoffen, zoals benzeen, een reductie van 97,5% in 2010 was beloofd, maar dat de emissie van benzeen in plaats daarvan flink is gestegen?
Hoe komt dit over op omwonenden denkt u, en wat doet dat met het vertrouwen in de overheid en het staalbedrijf? Heeft u omwonenden hierover gesproken en over hun ervaringen met het gedrag en beloften van het staalbedrijf? Zo ja, wat hebben ze u meegegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe is daar door de tijd heen gemonitord en onafhankelijk gemeten of aan de afspraken werd voldaan en welke concrete stappen heeft het Rijk steeds gezet om er ook op toe te zien dat de afspraken werden nagekomen? Heeft het Rijk ooit iemand aangesproken op het niet nakomen van het milieuconvenant en zo ja, hoe en wanneer precies? In het kader van informatierecht van Kamerleden, kunt u een overzicht met een tijdlijn sturen over alle stappen en besluiten die hierover in de loop van tijd zijn gemaakt, zodat we kunnen leren van het verleden nu het kabinet voornemens is weer nieuwe afspraken aan te gaan met de staalfabriek?
Welke lessen trekt u over betrouwbaarheid van afspraken maken met de staalfabriek, aangezien duidelijk is dat veel afspraken uit het milieuconvenant uit 1992 nu nog steeds niet zijn gehaald, laat staan in 2010 toen ze al behaald hadden moeten worden?13
Waarom geeft u in uw eerdere antwoorden aan dat het milieuconvenant uit 1992 niet afdwingbaar is, terwijl ten tijde van het ondertekenen van het convenant werd aangegeven dat de afspraken zijn gemaakt zodat de Minister de bedrijven niet via wetgeving tot maatregelen hoefde te dwingen14, 15?
Kunt u toegeven dat het achteraf gezien niet de beste zet was om het milieuconvenant op die manier af te sluiten en dat het beter was geweest om maatregelen wettelijk af te dwingen?16 Zo nee, waarom leert u niet van het verleden?
Kunt u toezeggen dat aan een op te zetten metaaltafel ook vertegenwoordigers aan zullen sluiten van omwonendenorganisaties en milieuorganisaties zoals, Gezondheidop1, Frisse Wind, Dorpsraad Wijk aan Zee, Greenpeace en Urgenda?
Klopt het dat volgens eigen inschatting van Tata Steel Nederland er jaarlijks ongeveer 100 miljoen kilo kolen en ijzererts verwaait vanaf het terrein in IJmuiden17? Zo ja, wat vindt u hiervan? En wat betekent dit voor de gezondheid van omwonenden? Wat zijn de effecten op het milieu (graag met bronvermelding onderbouwen)?
Waar baseert u uw opmerking op dat een maatwerkafspraak een «flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren» als er nog geen gezondheidseffectrapportage (GER) is en de Expertgroep Gezondheid IJmond zegt «De inschatting van de Expertgroep is dat de gezondheidsverbetering op basis van deze JLoI beperkt zal zijn»18? Kunt u uw mening onderbouwen met wetenschappelijke conclusies en onafhankelijke experts en daarvan de stukken naar ons sturen? Zo nee, kunt u dan stoppen met zelf bepalen wat «flinke» verbeteringen zijn voor de gezondheid van omwonenden die jarenlang door de overheid zijn genegeerd?
Hoe staat het nu met het tijdelijk verbod op staalslakken en de stop op gebruik van staalslakken bij waterwerken van het Rijk, zoals bij de Ooster- en Westerschelde? Welke reactie is er vanuit de Europese Commissie hierop gekomen en wat betekent dit voor het gebruik ervan?
Nu een aantal gemeenten hebben besloten om helemaal te stoppen met toepassing van staalslakken, kunt u andere gemeenten in het land er ook actief op wijzen wat hun mogelijkheden zijn om ook ermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u gemeenten niet heeft afgeremd of zult afremmen in het instellen van een verbod op toepassing van staalslakken en dat u de wens van gemeenten om meer te doen om milieu en gezondheid van hun burgers te beschermen respecteert?
Wordt in de business case van Tata Steel rekening gehouden met het permanent worden van het huidige tijdelijke verbod op specifieke toepassingen van staalslakken of hebben ze aangenomen dat dit verbod op termijn wordt opgeheven? Welke invloed zou een permanent verbod hebben op de business case van Tata en op de JLoI?
Klopt het dat er 1,066 miljard euro van de begroting van het Ministerie van Financiën zal worden overgeheveld naar het Klimaatfonds om de maatwerksubsidie te kunnen geven? Waarnaar refereert u precies met «de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën» waar dit geld staat?
Deelt u de mening dat het bewust verhullen van het beschikbare budget in andere posten dan de daarvoor bestemde post voor Maatwerkafspraken binnen het Klimaatfonds in strijd is met het universaliteitsbeginsel in de comptabiliteitswet? Waarom is het geld niet gewon gereserveerd op de daarvoor bestemde plek?
Waarom is er zoveel gebrek aan transparantie over waar het geld voor Tata vandaan moet komen tegenover de Kamer en de burgers, die dat geld moeten ophoesten?
Waarom denkt u dat Tata Steel Limited als moederbedrijf niet bereid is een 403-verklaring te tekenen?
Wat betekent het voor de Nederlandse burgers dat het Indiase bedrijf niet garant staat voor de leningen en verplichtingen die de Nederlandse dochter aangaat?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India aangeeft19 dat er pas na 2035 getest zal worden met verschillende energiedragers (o.a. waterstof) terwijl in de JLoI staat dat dit vanaf 2032 toegepast zal worden? Waarom wordt überhaupt zo laat getest?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India spreekt20 van «veranderingen in beleid» voor bijvoorbeeld nettarieven als «voorwaarden voor maatwerkafspraken? Hoe strookt dit met uw opmerking dat hier geen budget voor is?
Gezien het nieuwe onderzoek naar de schadelijke effecten op de gezondheid van mensen van dioxines, bent u nog steeds van mening dat de grote toename in de uitstoot van dioxines na het «Groen» Staalplan «niet per definitie onverantwoord» is (antwoord op vraag 40)? Zo ja, waar baseert u dit op en welke recente adviezen van gezondheidsexperts?21
Wat wordt de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na uitvoering van het «Groen» Staalplan?
Waarom neemt u een CO2-emissiereductie van 19% mee als resultaat van de maatwerkafspraken als Tata zelf aangeeft dat «het de ambitie van Tata Steel is om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen»?22
Kunt u bevestigen dat uit het milieujaarverslag 202423 van Tata Steel blijkt dat de uitstoot van schadelijke stoffen als lood, arseen en benzeen in 2024 tot ruim drie keer hoger was dan in voorgaande jaren werd vastgesteld?
Kunt u bevestigen dat er sprake kan zijn van onderrapportage door Tata Steel, wat strafbaar is onder de Wet op de Economische Delicten?
Bent u zich ervan bewust dat de Omgevingsdienst vaker heeft geconstateerd dat beweringen van Tata Steel over uitstoot niet kloppen en dat zelfs de Reclame Code Commissie Tata Steel hierover op de vingers heeft getikt? Wat vindt u daarvan? Wat zegt dat over betrouwbaarheid van Tata Steel?
Wat vindt u ervan dat de Omgevingsdienst het gedrag van Tata Steel «opportunistisch en calculerend» heeft genoemd?
Erkent u dat dit soort gedrag van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, erom vraagt dat de overheid meer regie neemt, meer controle krijgt en meer inzet op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar maakt, zodat snel en goed gecontroleerd en gemonitord kan worden en ook burgers op elk moment kunnen zien wat in hun omgeving wordt uitgestoten (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)? Zo nee, hoe gaat u dan volledige transparantie waarborgen en garanderen dat bedrijven niet meer kunnen spelen met cijfers, meetapparatuur en meetresultaten?
Ziet u het grote belang van snel toegankelijke inzicht in de volledige uitstoot van Tata Steel en de uitvoering van de opdracht van de Kamer (zoals verwoord in motie-Teunissen c.s.) om af te wijken van de reguliere processen rondom metingen en om zo snel mogelijk te zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken? Hoe gaat u daar precies voor zorgen en welk tijdspad met deadlines hoort daar precies bij? Wat wilt u hierover in de maatwerkafspraken opnemen?
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor het plenaire Tata Steel debat over de JLoI?
Het bericht 'Jongeren maken (onbewust) reclame voor illegale goksite op TikTok' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS waaruit blijkt dat jongeren via TikTok, soms onbewust, reclame maken voor illegale goksites?1
Deelt u de mening dat het inzetten van jongeren, mogelijk minderjarigen, voor de promotie van illegale goksites een ernstige schending vormt van de bescherming van minderjarigen en ingaat tegen de doelstellingen van de Wet kansspelen op afstand?
Kunt u aangeven in welke mate de Kansspelautoriteit signalen ontvangt over illegale gokreclame via sociale-mediaplatforms als TikTok, en hoe vaak hier in 2024 en 2025 daadwerkelijk handhavend tegen is opgetreden? Hoeveel illegale online gokwebsites zijn offline gehaald door de Kansspelautoriteit?
Welke concrete handhavingsmaatregelen zijn door de Kansspelautoriteit ingezet tegen illegale gokaanbieders die via TikTok opereren, en waarom blijken deze praktijken desondanks nog steeds plaats te vinden?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de via TikTok verspreide gokreclame sprake is van minderjarigen, en hoe wordt vastgesteld of illegale gokcontent jongeren daadwerkelijk bereikt of door hen wordt verspreid?
In hoeverre acht u sociale-mediaplatforms als TikTok zelf verantwoordelijk voor het actief opsporen en verwijderen van content die illegale gokreclame bevat, in het bijzonder wanneer deze zichtbaar is voor jongeren?
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de overheid, de Kansspelautoriteit en sociale-mediaplatforms over het tegengaan van illegale gokreclame, en hoe wordt gecontroleerd of platforms deze afspraken daadwerkelijk naleven?
Kunt u aangeven welke maatregelen u in samenspraak met de Kansspelautoriteit gaat nemen tegen sociale-mediaplatforms die structureel onvoldoende optreden tegen illegale gokreclame, en of deze middelen in de praktijk ook daadwerkelijk worden toegepast?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat legale gokaanbieders aan strenge reclamebeperkingen zijn gebonden, terwijl illegale aanbieders via sociale media jongeren kunnen blijven bereiken, en hoe gaat u ervoor zorgen dat de websites van deze aanbieders direct offline worden gehaald?
De militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de militaire campagne door troepen van de Syrische overgangsregering tegen de Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië en van de totale blokkade van de stad Kobani?1
Kwalificeert het kabinet het volledig afsluiten van een bevolking van water, elektriciteit en internet als een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier oefent het kabinet, eventueel in samenwerking met de Europese Unie (EU), druk uit op de Syrische regering om de blokkade van Kobani en de gewapende strijd tegen de Koerden onmiddellijk te stoppen?
Hoe beoordeelt u de recente acties van de Syrische overgangsregering en de aan haar gelieerde milities ten aanzien van de Syrian Democratic Forces in Noord-Syrië?
Maakt het kabinet zich zorgen over mogelijke slachtpartij tegen Koerden, na de gebeurtenissen in Suweida tegen Druzen en in de kustregio tegen Alawieten? Zo nee, waarom niet?
Kan het kabinet bevestigen dat Turkije een actieve rol speelt bij de militaire campagne tegen de Koerden, onder meer door financiering en opleiding van de Syrische strijdkrachten en het gebruik van drones bij ernstige mensenrechtenschendingen, alsook het uitoefenen van diplomatieke druk?
Is het kabinet ervan op de hoogte dat het Syrische leger jihadistische elementen, voormalige ISIS en Al Qaeda strijders bevat en er inmiddels voldoende bewijzen zijn dat onderdelen van het leger en aan Damascus gelieerde milities zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen? Zo nee, op welke manier vergaart het kabinet informatie over de situatie in Syrië?
Erkent het kabinet de belangrijke rol die de Koerdische strijdkrachten hebben gespeeld bij het verslaan van ISIS en het ontmantelen van het IS kalifaat, en het bewaken van 9.000 IS gevangenen? Zo ja, voelt het kabinet dan ook de verplichting om nu de Koerden bij te staan?
Hoe beoordeelt het kabinet de veiligheidssituatie nu een aantal IS-gevangenissen zijn overgenomen door het Syrische leger en ook honderden IS-strijders lijken te zijn ontsnapt/bevrijd? Op welke manier vormt dit een veiligheidsrisico voor Nederland?
Deelt het kabinet de mening dat het verankeren van autonomie, erkenning van culturele en politieke rechten in de nieuwe Syrische Grondwet voor Koerden en andere minderheden in Syrië essentieel zijn om vrede te bewaren? Zo nee, waarom niet?
In de Koerdische regio Rojava worden de rechten van vrouwen gewaarborgd en is er in het bestuur en de rechtspraak sprake van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, welke concrete stappen neemt het kabinet om deze gelijkwaardigheid te beschermen?
Welke invloed heeft het recente handelen van de Syrische autoriteiten op eventuele normalisatie van relaties tussen Syrië enerzijds, en Nederland en de EU anderzijds?
Op welke manier levert het kabinet druk uit binnen de EU om de voorwaarden voor hulpgelden streng na te leven? En vindt het kabinet dat de voorwaarden op dit moment door het Syrische regime voldoende worden nageleefd?
Op welke manier heeft u de aangenomen motie Piri uitgevoerd, die het kabinet verzocht in alle contacten met Syrische autoriteiten aan te blijven dringen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdaden en de bescherming van minderheden?2
In het licht van alle aanvallen tegen minderheden, waarom heeft u besloten om geen aanvullende middelen vrij te maken voor het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten, waar de aangenomen motie Piri c.s. om verzocht?3 Bent u bereid uw besluit te herzien? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van het einde van de Amerikaanse steun aan de Koerden, na vijftien jaar bondgenootschap in de strijd tegen IS?
Heeft u in de afgelopen weken contact gehad met de Koerdische diaspora in Nederland en geluisterd naar hun zorgen? Zo nee, bent u bereid dat te doen?
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het wegvallen van de toegang tot het digitale betalingsverkeer voor de coffeeshopsector. |
|
Joost Sneller (D66), Nathalie van Berkel (D66) |
|
Bruijn , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek in de coffeeshop: kan de cannabis straks niet meer gepind?» en kunt u bevestigen dat het voor ondernemers in deze sector momenteel onmogelijk is geworden om bij een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener een nieuw contract af te sluiten?1
Ik ben bekend met het artikel. Het is bekend dat het voor coffeeshops soms moeilijk is om deel te nemen aan het betalingsverkeer via pin en dat zij soms hiervoor worden afgewezen door betaaldienstverleners. Maar de betalingsverkeerketen bestaat uit meerdere partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat legitieme, belastingbetalende ondernemers zelfs bij minieme wijzigingen in hun bedrijfsvoering, zoals een noodzakelijke rechtsvormwijziging, hun bestaande bankrelatie verliezen en nergens anders terecht kunnen?
De afgelopen periode heb ik mij ervoor hard gemaakt om de toegang tot het betalingsverkeer voor ondernemers te verbeteren.2 In de casus uit het artikel gaat het om het opzeggen van bestaande pincontracten tussen coffeeshops en de betaaldienstverlener CCV. Het gaat niet om een bankrelatie. Volgens het artikel beëindigt CCV deze contracten omdat het aanbieden van pinbetalingen aan coffeeshops als te risicovol wordt aangemerkt. Ik heb geen signalen dat dit samenhangt met bijvoorbeeld een rechtsvormwijziging.
Het blijkt niet dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft. Op grond van de Wwft moeten poortwachters, waaronder betaaldienstverleners en banken, op individuele basis cliëntenonderzoek doen en een risicobeoordeling maken. Indien zij een witwasrisico constateren dan dienen zij mitigerende maatregelen te nemen. Hierbij mag er geen sprake zijn van categorale uitsluiting. Bepaalde sectoren mogen niet bij voorbaat worden uitgesloten vanwege een hoger risico. Dat betekent dat ook bonafide coffeeshops toegang moeten hebben tot het betalingsverkeer.
CCV stelt dat dit besluit een eigen afweging is. Het is bekend dat internationale bedrijven zoals Visa en Mastercard, via wier netwerken de pinbetalingen lopen, eigen voorwaarden stellen aan het gebruik van hun netwerken. Deze voorwaarden kunnen doorwerken in de wijze waarop betaaldienstverleners hun dienstverlening en risicobeleid inrichten.
Van de Betaalvereniging Nederland begrijp ik dat ondernemers in deze specifieke sector nog steeds keuzevrijheid ten aanzien van aanbieders van pincontracten hebben en dat het daarmee nog steeds mogelijk is om pinbetalingen aan te bieden. Ik ga desalniettemin in gesprek met Mastercard en Visa om duidelijkheid te krijgen over het probleem en kijken naar een oplossing.
Ziet u in deze beweging een bevestiging dat er sprake is van de facto categorale uitsluiting van een hele sector?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe rijmt u de ogenschijnlijke categorale uitsluiting met de wettelijke plicht van financiële instellingen om een individuele risico-afweging te maken op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze plicht eerder werd bevestigd door de Minister van Financiën?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat de situatie achteruit lijkt te gaan?
Coffeeshops hebben de afgelopen jaren problemen gehad om deel te (blijven) nemen aan het betalingsverkeer. Dit heeft verschillende oorzaken. Zoals hierboven aangegeven lijkt het niet zo te zijn dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft, waar bij eerdere signalen sprake van was. De oorzaak lijkt te liggen in de eigen voorwaarden van internationale ondernemingen in het betalingsverkeer. Met die ondernemingen ga ik in gesprek over hun beleid.
Erkent u dat de doelstellingen van de Wwft (het voorkomen van witwassen) juist worden ondermijnd wanneer een sector collectief uit de gereguleerde financiële infrastructuur wordt geduwd en volledig afhankelijk wordt van contant geld?
Het is niet in lijn met de doelstellingen van de Wwft dat een sector categoraal wordt uitgesloten. Ondernemers moeten toegang hebben tot het betalingsverkeer. Ik vind het niet wenselijk als bepaalde ondernemers en hun klanten uitsluitend afhankelijk zijn van contante betalingen.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van ondernemers, personeel en de openbare orde als coffeeshops door deze, de facto, categorale uitsluiting van digitaal betalingsverkeer noodgedwongen grote hoeveelheden contant geld opslaan en daarmee een groter risico lopen op bijvoorbeeld overvallen?
Contant geld is een belangrijke terugvaloptie in het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het bekend dat een sterke afhankelijkheid van contante betalingen gepaard gaat met hogere veiligheidsrisico’s voor ondernemers. Het is niet wenselijk dat coffeeshops, of andere ondernemingen, worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken doordat toegang tot digitaal betalingsverkeer ontbreekt.
Hoe kijkt u aan tegen de verschuiving naar buitenlandse betaaldienstverleners; deelt u de zorg dat hierdoor de grip op het toezicht (DNB) en de informatiepositie van opsporingsdiensten (FIU/FIOD) ernstig verslechtert door het mechanisme van Home State Control?
In de Europese Unie gelden in beginsel dezelfde regels voor betaaldienstverleners. Dit maakt dat het toezicht op betaaldienstverleners door Europese toezichthouders in de regel vergelijkbaar is. Ook de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) krijgen structureel informatie uit andere EU-lidstaten ten behoeve van het opsporen en beoordelen van grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Ook DNB kan informatie uitwisselen met andere EU-toezichthouders op betaaldienstverleners.
Vindt u het acceptabel dat Nederlandse ondernemers voor hun basisvoorzieningen afhankelijk worden van buitenlandse partijen waar zij bij geschillen nauwelijks juridische bescherming of verweer hebben onder de Nederlandse wet?
Betaaldienstverleners die actief zijn op de Nederlandse markt, waaronder CCV, vallen onder het Europese en nationale toezichtskader voor het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het zo dat onderdelen van de betaalketen, met name de kaartnetwerken, internationaal zijn georganiseerd. Dit betekent dat Nederlandse ondernemers in de praktijk te maken kunnen krijgen met voorwaarden en besluiten die niet uitsluitend onder Nederlands recht vallen. Ik vind het belangrijk dat de betaalketen weerbaar blijft en daarom zet ik mij in voor het borgen van de vitale betaalinfrastructuur in Nederland. Daarbij kijken we ook kritisch naar afhankelijkheden van buitenlandse betaaldienstverleners en kijken we naar de verdere ontwikkeling van Europese betaaloplossingen die kunnen bijdragen aan een robuuster en diverser betalingsverkeer.
Bent u bereid om, in het kader van zijn systeemverantwoordelijkheid voor een inclusief betaalverkeer, met DNB in gesprek te gaan over een actiever handhavingsbeleid tegen het categorisch weigeren van klanten?
Er vindt regelmatig overleg plaats met DNB over dit onderwerp. Zo is er het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB), waar DNB en het ministerie regelmatig in gesprek gaan met aanbieders en afnemers van betaaldiensten over het categoraal beëindigen of beperken van klantrelaties. Hierin worden ook actuele ontwikkelingen met betrekking tot een inclusief betalingsverkeer besproken.
Ziet u het risico dat deze financiële uitsluiting de geloofwaardigheid en het succes van het Experiment Gesloten Coffeeshopketen ondermijnt, nu ook gecertificeerde ondernemers binnen dit experiment tegen muren aanlopen bij banken?
Het is wenselijk dat het Experiment Gesloten Coffeeshopketen wordt voortgezet. Daarin ligt ook een rol voor het betalingsverkeer. Indien deze ontwikkeling zich voortzet en meerdere coffeeshophouders raakt, kan dat effect hebben op het verloop van het experiment. Tot dusver zijn er geen signalen van deelnemende coffeeshophouders over (problemen als gevolg van) financiële uitsluitingen door banken of betaaldienstverleners en lijkt het in de casuïstiek te gaan om partijen die buiten het experiment vallen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te garanderen dat deze legaal opererende sector toegang behoudt tot het digitale betalingsverkeer nu de markt dit duidelijk laat afweten?
Ik ga in gesprek met Visa en Mastercard om deze casus te bespreken. Hierin zal ik ook de geldende juridische kaders toelichten en vragen om een proportionele, risico gebaseerde beoordeling. Het is belangrijk om te benadrukken dat het wietexperiment een expliciete en wettelijke basis heeft in de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Daarnaast volgt het gedoogbeleid voor coffeeshops uit een aanwijzing van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verkopen van cannabis onder strenge voorwaarden – zoals geen verkoop aan minderjarigen, geen harddrugs, het voorkomen van overlast en het hanteren van beperkte hoeveelheden – wordt gedoogd. Zolang coffeeshops binnen die kaders opereren, vindt geen strafrechtelijke handhaving plaats. Het is om die reden ook onwenselijk als coffeeshops worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet langer mogelijk zijn.
Kunt u deze vragen met de nodige spoed beantwoorden, aangezien de continuïteit van bedrijven en de veiligheid op straat hier direct door in het geding zijn?
De vragen zijn met de nodige spoed beantwoord.
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Ja, ik heb kennis genomen van de recente uitspraken.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
De kern van de uitspraken is dat de Minister van LVVN op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (1107/2009) bevoegd en gehouden is om een professionele gebruiker te verzoeken informatie te verstrekken uit hun registers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien een derde partij een verzoek tot inzage heeft ingediend. Derde partijen zijn in ieder geval drinkwaterindustrie, detailhandelaren en omwonenden. De uitspraken zorgen ervoor dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (m.n. telers) vaker informatie zullen moeten verstrekken over dat gebruik aan partijen buiten de overheid.
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voornemens om hoger beroep in te gaan stellen. Dit zal een pro-forma beroep zijn om de opties open te houden voor mijn ambtsopvolger om een keuze te maken aan de hand van een nader onderzoek naar de uitspraken en deze niet bij voorbaat te beperken. Een van de overwegingen daarbij is dat de uitleg van een Europese Verordening is voorbehouden aan het Europese Hof van de EU, dit ook met het oog op een gelijk speelveld tussen lidstaten.
Daarnaast ben ik voornemens om een voorlopige voorziening te vragen. Daarmee wordt voorkomen dat de opdracht van de rechtbank om alsnog te beslissen moet worden uitgevoerd, voordat op het hoger beroep is beslist.
Ik heb reeds een aantal verzoeken om toegang tot spuitgegevens ontvangen. Ik ga deze verzoeken, en de mogelijke verzoeken die nog volgen, aanhouden tot er juridische duidelijkheid is. De indieners van deze verzoeken stel ik hiervan op de hoogte.
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Er zullen hier twee sporen uitgewerkt moeten worden. Een juridisch spoor voor de korte termijn en een beleidsmatig spoor voor de lange termijn. De precieze uitwerking voor de korte termijn ben ik nu aan het vormgeven. Het spoor voor de lange termijn laat ik over aan mijn ambtsopvolger.
Ik kan me goed kan voorstellen dat we uiteindelijk toegaan naar een ander systeem, dat veel meer inzicht geeft in de individuele toepassing door bedrijven. Zo’n systeem zou vergelijkbaar van opzet kunnen zijn zoals in de diergeneeskunde, waar het al heel gebruikelijk is dat toegepaste middelen worden verantwoord en geregistreerd.
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Mijn beleid is altijd gericht op het «goed nabuurschap». Hierbij stimuleren we professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen om in gesprek te gaan met hun omgeving. Goede gesprekken tussen buren zullen de frequentie van dit soort formele verzoeken via mijn ministerie tot een minimum beperken. Ook verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Het is van belang om deze gegevens in de juiste context te plaatsen. De professionele gebruiker kan dit het beste zelf doen, zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 6. Hoe dit gewaarborgd kan worden in het geval dat er verzoeken bij mijn ministerie ingediend worden, wordt onderdeel van het proces dat voor de lange termijn vormgegeven wordt zoals vermeld in het antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Dit heb ik gedaan.
Het bericht dat de Rabobank als eerste grootbank de mogelijkheden voor aflossingsvrij lenen vergaand gaat inperken. |
|
Teun van Dijck (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strengere hypotheekvoorwaarden Rabobank: aflossingsvrij lenen ingeperkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Rabobank deze maatregelen gaat nemen in relatie tot het feit dat bijna de helft (45 procent) van de totale hypotheekportefeuille in Nederland uit aflossingsvrije hypotheken bestaat?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. DNB en de AFM houden daar toezicht op. Het is niet aan mij om het beleid van een individuele bank of maatregelen van de onafhankelijke toezichthouders te beoordelen. Wel blijf ik met toezichthouders en aanbieders in gesprek over de impact van de aangekondigde maatregelen.
Rabobank maakte bekend dat de bank en haar dochteronderneming Obvion het beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken gaat aanscherpen. Rabobank heeft hierover de afgelopen jaren intensief overleg gehad met de toezichthouders.2 De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft op haar website dat zij een verhoogd risico ziet bij aflossingsvrije hypotheken ten opzichte van aflossende hypotheken. DNB licht daarbij toe dat de terugbetaling van aflossingsvrije hypotheken meestal afhankelijk is van de waarde van de woning en dat er bij aflossingsvrije hypotheken onzekerheid is over toekomstige betaalbaarheid. DNB vindt het belangrijk dat instellingen deze extra risico’s adequaat beheersen.3 Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) besteedt in haar toezicht aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken. Zij benadrukt dat het belangrijk is dat aanbieders klanten met een aflossingsvrije hypotheek zorgvuldig blijven behandelen en klanten niet onevenredig worden getroffen door maatregelen van instellingen om risico’s te beheersen.4
Welke gevolgen heeft dit voor bestaande klanten met een aflossingsvrije hypotheek, ook indien hun woonsituatie verandert?
Wat de gevolgen van de aanscherping in het beleid van Rabobank zijn voor individuele klanten, hangt af van de specifieke situatie. Ik maak uit de berichtgeving op dat de aanscherping van het beleid ziet op bestaande en nieuwe klanten die verhuizen, of bijvoorbeeld doorstromen naar een nieuwe woning, en daarmee een nieuwe hypotheek afsluiten. Ook bij herfinancieringen en verhogingen van bestaande hypotheken, gaat per mei het nieuwe beleid gelden. Bestaande klanten die niets wijzigen aan hun hypotheek, worden hier volgens Rabobank niet door geraakt. Rabobank meldt dat in bijzondere situaties, zoals bij overlijden of klanten die uit elkaar gaan, er indien nodig samen met klanten naar passende oplossingen gekeken.
Bent u het eens met het standpunt dat de hypotheekrente veel te hoog is in Nederland (inmiddels boven de vier procent) en dat de woningmarkt met het aanscherpen van hypotheekregels alleen maar verder op slot raakt? Zo nee, waarom niet?
Ik volg de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt nauwgezet en blijf daarover in gesprek met aanbieders van hypothecair krediet en de toezichthouders. Als gevolg van een bredere stijging van marktrentes is het gemiddelde rentepercentage van door banken aangeboden hypothecaire kredieten voor huishoudens sinds medio 2022 stijgende. Wat het specifieke rentepercentage is dat aan consumenten gerekend wordt, hangt onder andere af van de aanbieder en de door de consument gekozen rentevastperiode. In Europees vergelijkend perspectief zijn er EU-lidstaten waar de gemiddelde hypotheekrente hoger is en lidstaten waar deze lager is dan in Nederland.
De gemiddelde hypotheekrente of rente over nieuwe hypothecaire kredieten geven een beperkt beeld van de daadwerkelijke woonlasten van consumenten. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bijvoorbeeld dat het percentage van het inkomen dat Nederlandse huishoudens aan hypotheeklasten kwijt zijn, de afgelopen jaren is gedaald.5 Recente data laten bovendien zien dat het aantal transacties van bestaande koopwoningen stijgende is.6
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat grootbanken de hypotheekrente verlagen en de hypotheekvoorwaarden versoepelen in plaats van verder blijven aanscherpen? Bent u bereid om op zijn minst met grootbanken in gesprek te gaan hierover?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht in de Linda 'Nicole (45) is door Long Covid al vier jaar niet thuis geweest: ik zie mijn kinderen een keer per week’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de ervaringen van mensen zoals Nicole (45), van wie het leven op zijn kop staat door post-covid of PAIS?1
Krijgen mensen met complexe Long Covid-problematiek voldoende ondersteuning /begeleiding om de juiste zorg te vinden?
Kunt u een update geven van de stand van zaken van biomedisch en klinisch onderzoek met financiering via ZonMw naar post-covid?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het Post-Covid Netwerk Nederland en hun werkzaamheden en financiering?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van stichting C-support en hun werkzaamheden en financiering?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de post-covid expertisecentra en hun werkzaamheden en financiering?
Is bekend hoeveel mensen met ernstige post-covidproblematiek langdurig zorg en ondersteuning nodig hebben, zoals zorg met verblijf? Zo nee, wilt u dit inzichtelijk maken?
Hoeveel plaatsen voor langdurige zorg met verblijf voor (jongere) mensen zijn er beschikbaar in Nederland en is dit voldoende? Kunnen mensen met post-covid hier ook gebruik van maken?
Welke mogelijkheden ziet u om plekken waar zorg met verblijf wordt aangeboden, zoals revalidatiecentra, logeerhuizen en hospices, te ondersteunen om mensen met post-covid beter te kunnen helpen?
Klopt het dat post-covid-expertisecentra door middel van een lotingsysteem mensen behandelen? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel mensen hierdoor wel en niet geholpen kunnen worden?
Zo ja, waarom is er voor een lotingssysteem gekozen? Waarom is er niet gekozen om de meest kwetsbare mensen eerst te behandelen?
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: ‘Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht’' |
|
Peter de Groot (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
Het bericht dat er aanhoudend agressie en geweld wordt gepleegd tegen verschillende minderheden in Syrië. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het aanhoudende geweld tegen minderheden zoals de Alawieten en de Koerden in Syrië door de regering?1
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij door het kabinet altijd ondubbelzinnig veroordeeld.
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International dat ingaat op de structurele ontvoering van Alawitische vrouwen en meisjes? Zo ja, gaat u mee in de oproep van Amnesty om het Syrische regime op te roepen onafhankelijk onderzoek te doen naar deze misstanden en te luisteren naar meldingen?2 Zo nee, waarom niet?
Dergelijke berichten over ontvoeringen van Alawitische vrouwen en meisjes zijn bij het kabinet bekend en zijn zeer verontrustend. In alle contacten, zowel bilateraal als in EU-verband, onderstreept het kabinet het belang van het borgen van de rechten en veiligheid van álle Syrische gemeenschappen. Ook zet het kabinet zich, eveneens in EU-verband, in voor het bevorderen van de mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid in Syrië. Hiertoe dragen wij bij aan het monitoren, documenteren en onderzoeken van mogelijke mensenrechtenschendingen, onder meer via het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism. Duidelijkheid ten aanzien van deze berichten over ontvoeringen kan op verschillende manieren worden bereikt, waaronder via deze bestaande mechanismen.
Is er naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag door Druzen in juli jongstleden, contact gelegd tussen de Syrische diaspora, en specifiek de etnische minderheden, en het ministerie?3 Zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat doorlopend in contact met alle Syrische gemeenschappen en diaspora, waaronder de Druzische. In recente contacten, waaronder op 5 februari met de Minister-President, hebben diverse vertegenwoordigers van deze gemeenschappen hun zorgen geuit en vragen gesteld over het beleid van het kabinet. In deze gesprekken werden deze zorgen erkend en is dezerzijds het kabinetsbeleid gedeeld ten aanzien van de bescherming van (religieuze) gemeenschappen in Syrië, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief van d.d. 19 september jl.
Wat is uw reactie op de berichten dat de Syrische troepen mogelijk tracht IS-gevangenen te bevrijden, gezien de banden tussen de gevangenen en Ahmad Al-Sharaa?4 Hoe zorgt u ervoor dat dit geen effect heeft op het de veiligheid van zowel de Nederlandse als de internationale en Syrische veiligheid?
Het kabinet is bekend met dergelijke berichtgeving, maar heeft op dit moment geen indicaties dat sprake is van doelgerichte vrijlatingen van IS-gevangenen door het Syrische leger.
Ten aanzien van de veiligheid geldt dat het kabinet, met alle betrokken nationale- en internationale partners, de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houdt, specifiek ten aanzien van de IS-gevangenen.
Hoe draagt u bij aan de bescherming van minderheden in Syrië? Ligt hier al een diplomatiek plan op klaar en zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet draagt op verschillende manieren bij aan de bescherming van de diverse gemeenschappen in Syrië, waaronder via bilaterale en multilaterale contacten, door onze bijdragen aan stabilisatie, door het ondersteunen van mechanismen die mensenrechtenschendingen monitoren en onderzoeken, en door gerichte inzet van sancties middels de EU.
Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2.031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich onder meer op Syrië en heeft als doel religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen.
Voor meer over het kabinetsbeleid ten aanzien van de bescherming van Syrische minderheden verwijs ik u graag door naar de eerder genoemde Kamerbrief van 19 september jl.
Wordt er overwogen om in EU-verband maatregelen tegen de ex-HTS groepen te nemen, zoals Reuters aangeeft dat wel gebeurd is bij andere terroristische groepen?5
Op Nederlands initiatief zijn sancties ingesteld tegen groepen en individuen die zich schuldig hebben gemaakt aan sektarisch geweld. Mocht geverifieerde berichtgeving of onderzoek hiertoe aanleiding geven, dan kan het kabinet zich, via de EU, opnieuw hard maken voor het instellen van aanvullende gerichte sancties.
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het internationaal recht en mogelijke etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De recente gebeurtenissen in noordoost-Syrië zijn met grote zorg door het kabinet gevolgd. Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen zijn zeer ernstig.
Ten aanzien van het grootschalige geweld in Latakia van maart 2025 en in Sweida van juli 2025 acht het kabinet van groot belang dat de verantwoordelijken voor sektarisch geweld en mensenrechtenschendingen ter verantwoording worden geroepen. Het kabinet verwelkomt in dit kader de publicatie van het rapport van de VN Commission of Inquiry van 14 augustus 2025 en acht het van belang dat de aanbevelingen worden opgevolgd en de daders gestraft. Het kabinet blijft dit proces nauwlettend volgen en wacht in dit kader het rapport van de VN Commission of Inquiry ten aanzien van de gewelddadigheden in Sweida af.
Welke maatregelen tegen het regime bent u bereid te nemen, zowel in nationaal als internationaal verband, om het aanhoudende geweld te stoppen? Ligt er een escalatieladder klaar die de Syrische bevolking en humanitaire organisaties ontziet? Zo ja, kan deze worden toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, juist omdat economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid, iets waar álle Syrische gemeenschappen bij gebaat zijn. Tegelijkertijd heeft het kabinet zich binnen de EU hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de bredere Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en zal – waar nodig – passende en proportionele maatregelen nemen.
Op welke manier gaat u, samen met de internationale gemeenschap, ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren standhoudt, nu we zien dat het bestand al meerdere keren geschonden is?
Op 30 januari jl. zijn de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) tot een overeenkomst gekomen, onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren en integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat. De betrokken partijen zijn sindsdien begonnen met de praktische implementatie van deze overeenkomst, waarbij sprake lijkt van een relatief rustige en gestabiliseerde situatie in het noordoosten. Het kabinet verwelkomt de overeenkomst van 30 januari en heeft, samen met landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk consequent opgeroepen tot een duurzame oplossing en het belang van dialoog om die te bereiken.
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Moes |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang is?
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs, terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen (namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige voorzieningen logisch en uitlegbaar?
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja, kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel te monitoren?
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht2 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten? Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn3 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?
De Marokkaanse rellen in Den Haag en Amsterdam. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gewelddadige rellen in Den Haag en Amsterdam na het verlies van Marokko in de finale van de Afrika Cup, waarbij auto’s in brand werden gestoken en politieagenten met zwaar vuurwerk werden bekogeld?1
Zijn al deze Marokkaanse relschoppers opgepakt en worden zijn na een veroordeling gedenaturaliseerd en Nederland uitgezet?
Deelt u de mening dat Marokkanen die zich zo verbonden voelen met Marokko, maar lekker in Rabat moeten gaan wonen en daar moeten gaan rellen? Kunt u dat deze week nog in de Schilderswijk gaan vertellen?
Kunt u bevestigen dat personen met een Marokkaanse migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitsstatistieken en in de uitkeringsafhankelijkheid? Zo ja, waarom wordt hier niet keihard tegen opgetreden?
Bent u het ermee eens dat jarenlang openzetten van de grenzen en het massaal toelaten van migranten uit Marokko en andere niet-westerse landen heeft geleid tot de vorming van islamitische no-go zones?
Bent u bereid om per direct een stop in te stellen voor nieuwe migranten uit Marokko en alle Marokkanen die de openbare orde verstoren of strafbare feiten plegen, na een veroordeling te denaturaliseren en uit Nederland te zetten?
Wilt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Het artikel 'Ouders die schreeuwen of duwen: leraren geconfronteerd met onaanvaardbaar gedrag' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente bericht van RTL Nieuws over grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat zeker 300 basisscholen de afgelopen vijf jaar te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?
Het is onacceptabel dat sommige ouders grensoverschrijdend gedrag vertonen richting onderwijspersoneel. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid en de school hoort een veilige plek te zijn voor medewerkers. Scholen hebben daarnaast een taak om te investeren in een goede relatie tussen school en ouders.
Bovenal roep ik ouders op om respectvol met onderwijspersoneel om te gaan. Het is volkomen begrijpelijk dat je als ouder soms zorgen hebt, en die moet je te allen tijde kunnen bespreken met de school. Maar dat is nooit een reden voor grensoverschrijdend gedrag. Bij ernstige incidenten kan de school ouders de toegang tot de school ontzeggen en overgaan tot aangifte.
Is er structureel onderzoek gedaan naar de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders richting docenten? Of wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gebruikt de Landelijke Veiligheidsmonitor2 om de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te meten en zicht te hebben op de (sociale) veiligheid op scholen. Momenteel wordt gewerkt aan de herziening en wettelijke verankering van de Landelijke Veiligheidsmonitor. Het wetsvoorstel wordt in het eerste kwartaal van dit jaar aan uw Kamer aan geboden. De eerstvolgende editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor wordt naar verwachting in het schooljaar 2027–2028 uitgevoerd.
Uit de laatste editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor blijkt dat er in de periode 2021–2022 een lichte toename in het aantal geweldsincidenten onder leerlingen en personeel was, waarbij verbaal geweld het vaakst voorkwam. Hierbij geeft 17% van personeel primair onderwijs (po) en 28% personeel voortgezet onderwijs (vo) aan eenmaal per maand soms of vaker geconfronteerd te worden met een incident. Dit percentage was bij zowel po- als vo-personeel zes procentpunt gestegen ten opzichte van 2020–2021.3
Bovendien is bekend dat bij zowel po- als vo-personeel, als zij slachtoffer worden van grensoverschrijdend gedrag, de dader van het incident in iets minder dan twintig procent van de gevallen een familielid van een leerling was. Er was een significante stijging van het aantal vo-docenten dat gepest werd door familieleden van leerlingen zichtbaar: van 10 procent in 2021 naar 23 procent in 2022. In het po waren geen significante verschillen hierin te zien.4
Herkent u het beeld dat het gedrag van ouders zorgt voor minder werkplezier en een toename van de werkdruk voor docenten?
In 2023 is onderzoek gedaan naar de vertrekredenen van leraren in het po, vo en mbo. Ongewenst gedrag van ouders werd niet genoemd als reden om te stoppen met het werken in het onderwijs.5
Is u bekend of dit gedrag een van de redenen is dat docenten stoppen met werken in het onderwijs? Zo ja, hoe groot is deze groep docenten die vanwege grensoverschrijdend gedrag van ouders stopt?
Zie antwoord vraag 4.
Is de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders meer zichtbaar in het primair onderwijs of in het voortgezet onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 3.
Is bekend of docenten zich voldoende gesteund voelen door schoolbesturen en schoolleiders in situaties van grensoverschrijdend gedrag door ouders? Welke ruimte ziet u om docenten te ondersteunen bij het omgaan met agressief of grensoverschrijdend gedrag van ouders?
Schoolbesturen en schoolleiders moeten achter hun medewerkers gaan staan als er grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt. Daarnaast roept het kabinet scholen altijd op om aangifte te doen als er een vermoeden is van een strafbaar feit. Hierbij ondersteunt het ministerie de PO-Raad en de VO-raad met een projectsubsidie om te investeren in de relatie tussen ouders en school. Daarnaast is Stichting School & Veiligheid er om scholen te ondersteunen bij het bevorderen van een sociaal veilig schoolklimaat.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden de eisen aan het veiligheidsbeleid van scholen versterkt. Daarmee wordt onder meer geregeld dat er interne en externe vertrouwenspersonen op scholen komen, veiligheidsincidenten worden geregistreerd en dat er een jaarlijkse evaluatieverplichting van het veiligheidsbeleid moet plaatsvinden. Ook moeten scholen een veiligheidscoördinator aanstellen die het veiligheidsbeleid coördineert. Hiermee wordt gezorgd voor beter zicht op de veiligheid, betere ondersteuning en begeleiding en goede evaluatie.
De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is opgeschoven naar 1 augustus 2027. De eerder beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026 is niet langer haalbaar. Het moment van plenaire behandeling, in combinatie met de tijd die scholen nodig hebben om de wet zorgvuldig te implementeren en de onderlinge samenhang tussen de verschillende maatregelen, maakt dat een implementatie op z’n vroegst per 1 augustus 2027 mogelijk is. Het schooljaar 2026–2027 benutten we daarom om scholen goed voor te bereiden op de komst van de wet. Ik roep scholen dan ook op om niet te wachten met het aan de slag gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel.
Is bekend hoeveel scholen een protocol hebben opgesteld gericht op het omgaan met grensoverschrijdend gedrag van ouders? Hoe beoordeelt u het feit dat scholen protocollen voor de omgang met dit gedrag hebben?
Het opstellen van zulke protocollen zou eigenlijk niet nodig hoeven zijn, maar het kan desondanks goed zijn om met elkaar regels af te spreken om zo te weten wat je van elkaar verwacht. Dit helpt de relatie tussen ouders en leraren. In 2022 gaf ongeveer 90% van de schoolleiders aan dat de school een veiligheidsplan had. Personeelsleden die aangaven dat er expliciete gedragsregels voor personeel zijn, gaven onder andere aan dat omgang met ouders/verzorgers van leerlingen (po: 65%, vo: 64%) een onderwerp is waarover gedragsregels zijn opgesteld.6
De situatie in Syrië |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het staakt-het-vuren dat zou zijn overeengekomen tussen het Syrische regeringsleger en de SDF?
In de afgelopen periode is de situatie in noordoost-Syrië zeer complex geweest, waarbij de ontwikkelingen elkaar snel opvolgden. Na het staakt-het-vuren van 20 januari, dat op 24 januari verlengd werd, kwamen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) op 30 januari een permanent staakt-het-vuren overeen. Onderdeel van deze overeenkomst is ook de integratie van de SDF en de gebieden in het noordoosten in de Syrische staat. Het kabinet verwelkomt deze overeenkomst. Van belang is dat er een vreedzame en duurzame oplossing tussen de twee partijen wordt gevonden, dat de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd en dat ontheemden veilig en verantwoord terug kunnen keren. Het kabinet blijft de situatie op basis hiervan nauwgezet volgen.
Op basis van welke actuele informatie concludeert u dat er geen risico bestaat op escalatie met Koerdische actoren in Irak, en acht u deze inschatting nog houdbaar in het licht van de gebeurtenissen sinds het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken gehouden op 13 januari jl.?
Het kabinet baseert zijn inschatting op informatie van het postennetwerk in de regio, internationale partners en veiligheidsdiensten. Daarbij wordt onderkend dat de situatie in Syrië en de bredere regio voortdurend in beweging is en dat ontwikkelingen in Syrië kunnen doorwerken in buurlanden, waaronder Irak. In het licht van de ontwikkelingen in noordoost-Syrië is het inderdaad zaak om deze inschatting continu te herijken. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en stemt hierover af met internationale partners.
Bent u bereid zich in te zetten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de toedracht en verantwoordelijkheden rond het vrijlaten van IS-terroristen uit de gevangenis van Al-Shaddadi, en te pleiten voor gerichte EU-sancties tegen personen of entiteiten die hiervoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden?
Het tegengaan van straffeloosheid is een prioriteit voor het kabinet. Het is zodoende van belang dat er duidelijkheid komt ten aanzien van de berichten dat IS-terroristen bewust zouden zijn vrijgelaten. Dit belang brengt het kabinet, ook via de EU, over aan de Syrische overgangsregering.
Duidelijkheid ten aanzien van wat er precies is voorgevallen en wie eventueel verantwoordelijk is geweest, kan op verschillende manieren worden bereikt. Het kabinet zet zich, ook in EU-verband, actief in voor het tegengaan van straffeloosheid en draagt hiertoe bij aan verscheidene organisaties die actief zijn op het gebied van monitoring en onderzoek. Het gaat dan onder meer om het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Mocht blijken dat individuen of entiteiten verantwoordelijk zijn voor het vrijlaten van IS-terroristen, dan zal Nederland dit in EU-verband agenderen en bezien welke vervolgstappen binnen de geldende EU-kaders passend zijn. Het sanctie instrumentarium is daarbij één van de opties.
Bent u bereid om in EU-verband financiële en politieke steun aan de Syrische overgangsregering ter discussie te stellen, als vastgesteld wordt dat de autoriteiten ook maar enige verantwoordelijkheid dragen voor het ontsnappen van IS-terroristen?
De inzet van het kabinet ten aanzien van Syrië vraagt om een voortdurende en zorgvuldige afweging. Veiligheid en stabiliteit in Syrië zijn van groot belang voor Nederland en voor alle Syrische gemeenschappen. Vanuit dit perspectief zet het kabinet zich in voor humanitaire hulp, economische ontwikkeling, wederopbouw en het tegengaan van straffeloosheid.
Mede daartoe onderhoudt het kabinet contact met de Syrische overgangsregering, waarbij het kabinet zich nadrukkelijk bewust is van de achtergrond van de huidige machthebbers in Damascus en van zorgwekkende ontwikkelingen in het afgelopen jaar, waaronder de geweldsescalaties in Latakia en Sweida. Gelet op bovengenoemde inzet en met het oog op het beperken van de invloed van landen als Iran en Rusland, acht het kabinet het noodzakelijk om te blijven engageren met de Syrische overgangsregering.
Het kabinet spreekt de overgangsregering daarbij consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen en het bevorderen van een inclusieve politieke transitie. In EU-verband zet het kabinet zich in voor een voorwaardelijke benadering van financiële en politieke steun, waarbij deze gekoppeld is aan de concrete stappen die de overgangsregering zet op deze terreinen. Recentelijk heeft het kabinet dit, volgend ook op de motie Stoffer en Ceder1, onder meer opgebracht in de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl.2
Indien wordt vastgesteld dat de autoriteiten verantwoordelijkheid dragen voor ernstige misstanden, waaronder betrokkenheid bij ontsnappingen van aan IS-gelieerde personen of aanhoudend geweld tegen minderheden, dan zal het kabinet zich ervoor inzetten om de steun opnieuw te wegen en, waar nodig, ter discussie te stellen.
Deelt u de conclusie dat de in de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 32 623, nr. 334) gestelde voorwaarden voor normalisatie van de betrekkingen met Damascus door het aanhoudende geweld tegen minderheden niet worden nageleefd? Zo ja, welke consequenties verbindt het kabinet hieraan voor de Nederlandse en Europese steun aan regering van Al-Sharaa?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland en de EU de Koerden in Syrië politiek, diplomatiek en strategisch steunen, onder meer via partners in de Koerdische autonome regio in Noord-Irak? Ziet u mogelijkheden om deze steun uit te breiden?
Nederland en de EU steunen Syrië via een breed pakket aan humanitaire hulp, steun voor vroeg herstel en sociaaleconomische stabilisatie, waaronder een EU-steunpakket van circa EUR 620 miljoen voor 2026–2027. Deze inzet is gericht op een vreedzame en inclusieve transitie en komt ten goede aan de Syrische bevolking als geheel, waaronder ook Koerdische gemeenschappen.
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een stabiel Syrië waarin de rechten van alle burgers worden gerespecteerd. Daarin maken Nederland en de EU geen onderscheid tussen bevolkingsgroepen.
Klopt het dat de Syrische interim-regering de aanvallen op de SDF op religieuze gronden legitimeert?1 Hoe beoordeelt u dit? Welke consequenties verbindt het kabinet aan religieuze rechtvaardiging van geweld door autoriteiten voor Nederlandse en Europese steun aan Syrië?
Het kabinet is bekend met berichtgeving dat (individuen binnen) de Syrische overgangsautoriteiten religieuze taal zouden gebruiken om optreden tegen de SDF te ondersteunen. Deze berichten zijn echter moeilijk onafhankelijk te verifiëren. In zijn algemeenheid geldt dat het kabinet religieuze rechtvaardiging van geweld, als ook het typeren van groepen op basis van religieuze identiteit, onaanvaardbaar acht.
Acht u het waarschijnlijk dat ontsnapte IS-strijders terugkeren op Europese bodem? Erkent u dat er dan sprake is van een risico voor de nationale en Europese veiligheid? Liggen er concrete protocollen klaar? Zo nee, bent u bereid deze in Europees verband te laten opstellen?
Het bericht dat de kinderrechter Jeugdbescherming Noord ontslaat in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde. |
|
Bente Becker (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kritische kinderrechter ontslaat Jeugdbescherming Noord in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde» in het Dagblad van het Noorden d.d. 16 januari 2026 inzake de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:78)?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een rechter op deze wijze de voogdij van een gecertificeerde instelling (GI) beëindigt?
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van het verscherpte toezicht vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op Jeugdbescherming Noord?
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van de kritische rapporten «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» en «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid? Kunt u in antwoord op deze vraag ook toelichten of en zo ja welke systeemverantwoordelijkheid u ziet wanneer een rechter ook in deze casus zo expliciet concludeert dat «geen verantwoorde hulp» is geleverd?
Deelt u de mening dat het belang van het kind bij partnerdoding altijd voorop zou moeten staan? Klopt het dat bij partnerdoding zonder strafrechtelijke vervolging (bijvoorbeeld door overlijden van de verdachte) in de praktijk soms terughoudendheid ontstaat om de feiten als uitgangspunt te nemen? Hoe voorkomt u dat kinderen hierdoor in onzekerheid blijven?
Vindt u het wenselijk dat er door een GI kan worden afgeweken van het «Handelingsprotocol gezag, contact/omgang en hulp na partnerdoding» wanneer sprake is van partnerdoding? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat hier in de toekomst sprake van kan zijn?
Is er momenteel sprake van een zekere vorm van prioritering binnen de hulpverlening die wordt geboden door de GI’s, bijvoorbeeld op basis van de ernst van een casus? Zo ja, op welke wijze is dit ingericht? En leidt partnerdoding tot een prioritering van hulpverlening aan kinderen die onder voogdij geplaatst worden bij een GI?
Kunt u de Kamer informeren welke concrete maatregelen u neemt om te voorkomen dat kinderen na partnerdoding/femicide opnieuw schade oplopen door gebrek aan regie, expertise of tijdige hulp vanuit de GI of een andere instantie?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg Jeugd d.d. 2 februari 2026?
De Gazaraad van Trump |
|
Eric van der Burg (VVD), Sarah Dobbe (SP), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?