Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
We zien niet alleen in de Amsterdamse binnenstad, maar ook in andere grote steden, een aanhoudend probleem van overlast en criminaliteit waar ook jonge asielzoekers bij betrokken zijn. Het gaat daarbij vaak om een mobiele groep overlastgevers, die overlast of criminaliteit pleegt in een andere gemeente dan waar zij zelf feitelijk verblijft.
Bureau Beke heeft eerder in opdracht van het WODC onderzocht welke factoren ten grondslag kunnen liggen aan verschillende vormen van overlast en crimineel gedrag door COA-bewoners. Dit onderzoeksrapport is eind vorig jaar gepubliceerd.
Bij brief van 22 mei jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over deze kwalitatieve onderzoeksbevindingen en de daaraan gerelateerde inzet vanuit het Rijk.3
Op lokaal niveau worden in Amsterdam ten aanzien van overlast verschillende bestuurlijke maatregelen ingezet, zoals cameratoezicht en de instelling van overlastgebieden, waarin gebiedsverboden kunnen worden opgelegd na het begaan van wets- of APV-overtredingen. Voor de politie heeft de overlast in het centrumgebied hoge prioriteit; er is extra toezicht ingericht in de winkelstraten en er wordt nauw samengewerkt met partners aan nieuwe interventies. Hierbij wordt veelvuldig operationeel afgestemd, waarbij signalen van ondernemers en beveiligers direct worden vertaald naar een gerichte politie-inzet. Daarnaast monitort de politie, en dan specifiek de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de situatie nauwgezet om, in samenwerking met de IND en het COA, waar mogelijk direct maatregelen te treffen binnen de asielketen.
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
Zie antwoord vraag 3.
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Het kabinet geeft hoge prioriteit aan de terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen. Daartoe worden langs meerdere sporen stappen gezet om het aantal vertrekken te verhogen. Voor gedwongen terugkeer is het essentieel dat vreemdelingen in beeld zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Daarbij wordt, als dit nodig is, gebruik gemaakt van vreemdelingenbewaring. In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring uitgebreid.
Medewerking van derde landen is cruciaal, zoals voor het afgeven van vervangende reisdocumenten. De laatste jaren heeft Nederland sterk ingezet op het verbeteren van de migratiesamenwerking met derde landen. Als gevolg hiervan is de terugkeersamenwerking met verschillende landen, waaronder landen in Noord-Afrika, verbeterd. Zo is er nu sprake van «zicht op uitzetting» naar Marokko en Algerije. Dit heeft ook ertoe geleid dat Nederland de laatste jaren meer vertrekplichtige vreemdelingen naar deze landen heeft kunnen uitzetten.
De nieuwe Terugkeerverordening moet de terugkeerprocedure versimpelen, administratieve lasten verminderen en zorgen voor een eenvoudiger en efficiënter Europees terugkeerproces. Daarnaast creëert de nieuwe terugkeerverordening meer gronden voor vreemdelingenbewaring, mogelijkheden om langere inreisverboden op te leggen en creëert het tevens mogelijkheden voor innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld terugkeer- en transithubs.
Daarnaast is het kabinet bezig om bepaalde onderdelen van het Nederlandse terugkeersysteem te wijzigen. Enkele van de voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen in de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, die onlangs is aangenomen in de Tweede Kamer. Zo wordt in deze wet de mogelijkheid voor ongewenstverklaring van vreemdelingen verruimd. Ook maakt de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring het meewerken aan vertrek verplicht.
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Voor een cijfermatig overzicht van het aantal verdachtenregistraties van COA-bewoners en de strafrechtelijke afdoeningen door het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwijs ik naar de zogeheten Incidentenmonitor van het WODC. Op 2 juli jl. is de rapportage over 2019–2025 door het WODC gepubliceerd.4
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties. In 2025 werden 20 asielvergunningen ingetrokken en 110 asielaanvragen afgewezen op grond van de openbare orde.5
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Ja, ik ben het met de indieners eens dat asielzoekers die crimineel gedrag vertonen daarvan de consequenties moeten ondervinden. Een asielzoeker die een strafbaar feit pleegt, moet duidelijk merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Onder lik-op-stuk beleid wordt verstaan een snelle interventie na aanhouding van de verdachte tot en met de succesvolle tenuitvoerlegging van de straf. Dat zijn bij voorkeur de supersnelrechtzitting bij de politierechter, waarbij de verdachte binnen 72 uur na aanhouding vanuit de inverzekeringstelling wordt berecht en de snelrechtzitting bij de politierechter waarbij de verdachte binnen 17 dagen na aanhouding vanuit de bewaring wordt berecht. In beide situaties wordt een verdachte berecht vanuit de voorlopige hechtenis en kan de rechter bevelen dat de resterende straf direct aansluitend wordt uitgezeten.
Of de inzet van (super)snelrecht en directe tenuitvoerlegging van de sanctie (vaak een gevangenisstraf) mogelijk is, hangt af van de omstandigheden en is aan de officier van justitie.
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Deze categorisering wordt door het Openbaar Ministerie niet cijfermatig bijgehouden.
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
De opsporing en vervolging van strafbare feiten berusten primair bij de strafrechtketen en vallen niet onder de verantwoordelijkheid van het COA. Hoe vaak COA een maatregel oplegt die verband houdt met gedragingen van de bewoner buiten het AZC, wordt niet als categorie zodanig systematisch bijgehouden.
De IND beziet bij een onherroepelijke veroordeling altijd of verblijfsrechtelijke consequenties mogelijk zijn (bijvoorbeeld intrekking of weigering).
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Deze vraag kan niet kwantitatief worden beantwoord, omdat de politie-inzet niet op deze wijze wordt geregistreerd.
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Nee, dat klopt niet. Arbeidsmigranten en asielzoekers worden eveneens door SODA aangeschreven op het bij SODA bekende adres. SODA ziet echter op landelijk niveau dat de groep arbeidsmigranten en asielzoekers moeilijk aan te spreken zijn op de schade die zij veroorzaken, omdat verhuizing vaak voorkomt en post ongeopend retour komt. Doordat deze groep moeilijk vindbaar is, is de verhaalbaarheid van vorderingen erg laag.
Dagvaarden is voor SODA vervolgens geen aantrekkelijke optie, omdat dan moet worden geïnvesteerd in het verhalen van een vordering waarvan de debiteur moeilijk vindbaar is. Dit heeft als gevolg dat de meldingsbereidheid bij ondernemers daalt.
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
SODA werkt in de meeste gevallen voor ondernemers op basis van no cure no pay. In ongeveer 70% van de gevallen lukt het SODA de schade te verhalen. Tijdens de incassofase, de deurwaardersfase en gerechtelijke fase draagt SODA alle risico’s en kosten. Om deze werkzaamheden te mogen verrichten voldoet SODA aan de eisen van de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening. Bij deze werkzaamheden spant SODA zich in een zo hoog mogelijk percentage uit te keren aan ondernemers. Gemiddeld keert SODA, afhankelijk van de afspraken, 110 tot 130 euro uit aan de ondernemer.
De genoemde (circa) 80 euro raakt aan de gegarandeerde SODA-schadevergoeding voor ondernemers in Westerwolde.6 Mede naar aanleiding van de wens van ondernemers in Ter Apel voor één schadeloket, is voor ondernemers en bewoners in Ter Apel thans een separate schaderegeling opgezet.
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
De politie heeft laten weten de signalen over de toenemende agressie, intimidatie en het maken van foto’s van winkelpersoneel door winkeldieven, waaronder asielzoekers, in het kernwinkelgebied van Amsterdam in algemene zin te herkennen. Dit gedrag is volstrekt onacceptabel. Winkelpersoneel moet te allen tijde veilig zijn werk kunnen doen.
Deze categorieën van delicten worden door het Openbaar Ministerie niet apart cijfermatig bijgehouden.
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Ja, dat klopt voor wat betreft de eerste en tweede deelvraag. De procesbeschikbaarheidslocatie, zoals deze bestond tijdens de procesbeschikbaarheidsaanpak, was ingericht voor een specifieke doelgroep waarbij kwetsbaren, waaronder minderjarigen, zijn uitgesloten van. In maart 2025 hebben het COA en Nidos besloten tot een (tijdelijke) plaatsingsstop van amv op de htl. Dit naar aanleiding van diverse incidenten waar amv bij betrokken waren. Van deze incidenten is melding gedaan bij de betrokken Inspecties en zijn er evaluatieverslagen opgesteld. In de evaluaties werd geconstateerd dat een aantal verbeteringen moet worden doorgevoerd, voordat de plaatsingsstop van amv opgeheven kan worden. Zie in dit verband ook de toelichting aan uw Kamer bij brief van 22 mei jl.7 Het COA en Nidos werken hangende deze tijdelijke plaatsingsstop voor amv op de htl in gezamenlijkheid aan een duurzaam, goed en veilig werk-, woon-en begeleidingsklimaat voor amv.
Verder kan het COA, in samenspraak met Nidos, een amv die ernstige overlast veroorzaakt, plaatsen in de Perspectief Opvang Nidos (PON). In de PON ontvangen jongeren intensieve begeleiding, waarbij zij werken aan hun gedrag en toekomstperspectief, zowel binnen als buiten Nederland. Ik werk met het COA en Nidos op dit moment aan een afspraak uit het coalitieakkoord over verlengde opvang en aanvullende begeleiding van asielzoekers van 18–21 jaar.
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Waar het gaat om minderjarige vreemdelingen geldt dat het reguliere jeugdstrafrecht van toepassing is. Het toepasbaar instrumentarium uit het jeugdstrafrecht kent een pedagogisch uitgangspunt en zet daarmee ook in op verkleining van het risico op herhaling. Samen met de partners uit de vreemdelingenketen en de jeugdstrafrechtketen voert het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesprekken over handvaten om dat toepasbaar instrumentarium ook zo goed mogelijk in te zetten voor deze doelgroep.
In de doorontwikkeling naar een landelijke tafel om mobiele overlastgevende en criminele vreemdelingen aan te pakken, wordt nadrukkelijk samengewerkt met de organisaties in de vreemdelingenketen en strafrechtketen om op die manier te borgen dat het beschikbare instrumentarium maximaal wordt ingezet. Zoals toegelicht in de brief van 2 juli jl.8 wordt thans de persoonsgerichte aanpak in Utrecht doorontwikkeld naar een landelijke tafel met het streven om zo spoedig mogelijk na het zomerreces operationeel te zijn.
Ondertussen blijft onverkort de werkafspraak van kracht dat de politie bij een strafbaar feit door een alleenstaande minderjarige vreemdeling voogdij-instelling Nidos informeert, zodat door de voogd van Nidos en de amv-mentor van het COA de begeleiding van de jeugdige waar nodig wordt aangescherpt. Zulke lokale interventies worden niet op centraal niveau geregistreerd.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Voor de aanvragen die voor 12 juni 2026 zijn ingediend, is in een daartoe opgesteld plan van aanpak een onderverdeling in categorieën gemaakt ten behoeve van specialisatie of standaardisering bij de IND en daarmee een snellere behandeling van de aanvragen. U bent hierover bij brief van 5 juni jl. geïnformeerd. Het plan van aanpak ziet uitsluitend op het afdoen van openstaande aanvragen en niet op het herbeoordelen van reeds verleende vergunningen.
Er zal gestart worden met de categorie van personen uit landen waarvoor het niet zeer waarschijnlijk is dat hun aanvraag wordt ingewilligd op basis van het landenbeleid. Hierin worden de Syrische aanvragen met prioriteit meegenomen. De IND zal in tijdscohorten van ongeveer drie maanden werken, waarbij steeds wisselende nationaliteiten worden opgepakt. Syriërs maken standaard onderdeel uit van die tijdscohorten binnen de aanpak openstaande asielaanvragen. Zoals in de brief aangegeven, blijft de aanpak van overlastgevende asielzoekers de hoogste prioriteit houden. Deze groep gaat, net als voorheen het geval was, met een geprioriteerde procedure door het proces en staat daarmee los van dit plan van aanpak.
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In dit verband wordt verwezen naar de recente brief over de uitwerking van de genoemde moties en voortgang van de maatregelen in de aanpak van overlast in het openbaar vervoer.9
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
De burgemeester is lokaal eindverantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en voert hierbij het operationele gezag over de politie.
Uitgangspunt is reeds dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de vreemdelingenketen, strafrechtketen en lokale driehoek. Het vraagt voortdurende inspanning van alle betrokken partners om zich te committeren aan het maximaal toepassen van het beschikbare instrumentarium.
Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk.
Daarbij geldt parallel dat de inzet van de vreemdelingenketen erop is gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet, geldt voor iedereen in Nederland, ook in de asielopvang. Tegen bedreiging en intimidatie van asielzoekers vanwege hun (bekering tot het) (christelijke) geloof moet daarom krachtig worden opgetreden. Uitgangspunt is dat iedere asielzoeker, ongeacht geloofsovertuiging, zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie.
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Het klopt dat er op het azc Vlissingen sprake was van spanningen tussen bewoners waarbij religie een rol speelde. Zonder op de individuele casus in te gaan, kan ik in zijn algemeenheid aangeven dat wanneer op een locatie sprake is van onderlinge spanningen of een incident, het COA een feitenonderzoek doet en in gesprek gaat met de betrokken bewoners.
Bij signalen van onveiligheid zoekt het COA met bewoners naar een passende oplossing. Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder de COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. Op 2 juli jl. heeft het WODC de Incidentenmonitor over 2019–2025 gepubliceerd.3 Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. In hoeverre de incidenten religieus van aard zijn, wordt echter niet systematisch geregistreerd.
N.a.v. de aangenomen motie van de leden Ceder en Van Dijk4 werkt mijn ministerie op dit moment in samenspraak met de strafrechtketen uit hoe religieus gemotiveerd geweld op COA-locaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt. Ik verwacht na de zomer uw Kamer te informeren hoe dit vorm krijgt.
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen. Als opvangorganisatie heeft COA de bevoegdheid om maatregelen conform het Maatregelenbeleid COA op te leggen wanneer sprake is van overlast of overtreding van de huisregels, zoals discriminatie, intimidatie of geweld.
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Op basis van de tot nu toe bekende signalen, die incidenteel van aard zijn, herkent het COA zich niet in het beeld dat op locaties sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie. Dat neemt niet weg dat op sommige locaties door incidenten die hebben plaatsgevonden, ook in relatie tot religie, het veiligheidsgevoel van bewoners onder druk kan staan. In aanvulling op de geldende kaders zoals toegelicht in antwoord 5, heeft COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. De signalen worden de komende tijd gerichter gemonitord om te bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Ja, wanneer een asielzoeker vanwege zijn geloofsovertuiging wordt lastiggevallen, is dat een onwenselijke aantasting van de godsdienstvrijheid. Dat sluit niet uit dat daarbij sprake is van een complexer spanningsveld.
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Mijn ministerie heeft recent een gesprek gevoerd met Stichting Gave om zo vanuit het maatschappelijk middenveld geïnformeerd te worden over signalen en aandachtspunten. Zoals benoemd in antwoord op vraag 6, heeft het COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. COA is alert op dergelijke signalen. De komende tijd wordt in samenspraak tussen departement en COA bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Elke bewoner van het COA wordt geïnformeerd over de huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat discriminatie, intimidatie en geweld niet is toegestaan. Uitgangspunt is dat het COA conform het maatregelenbeleid normerend optreedt jegens bewoners die zich niet aan de huisregels houden, waaronder discriminatie, intimidatie en geweld. Wanneer daarbij sprake is van een strafbaar feit, wordt melding of aangifte bij de politie gedaan door COA en/of worden bewoners gestimuleerd melding of aangifte te doen.
De normering vanuit het COA als opvang- en begeleidingsinstantie wordt in de praktijk soms bemoeilijkt, wanneer bijvoorbeeld medewerkers geen getuige zijn van een incident en betrokken bewoners naderhand een verschillend feitenrelaas aanvoeren. Bovendien kan negatief gedrag tegen kwetsbare doelgroepen in de opvang, waar ook christelijke asielzoekers toe behoren, soms heel subtiel plaatsvinden. Daarom blijft het doen van aangifte en/of melding door bewoners en COA van belang, om met de sterke arm ook langs de strafrechtelijke band gedrag te normeren.
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Uitgangspunt is dat een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, duidelijk moet merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Dit is in veel gevallen wel afhankelijk van het doen van aangifte. Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties.
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Het maatregelenbeleid bij het COA voor de HTL geeft thans al de ruimte om bij agressie en geweld tegen medewerkers, medebewoners en/ of derden met een (zeer) grote impact, zoals intimidatie op grond van iemands geloofsovertuiging, een HTL-maatregel op te leggen. Een dergelijke maatregel door het COA laat onverlet dat het bij dergelijke gedragingen primair van belang blijft dat strafrechtelijke opvolging plaatsvindt. Het COA gaat immers niet over vervolging en toepassing van het strafrecht. Ik zal voorts in samenspraak met COA bezien of de mogelijkheden die het staande kader dus reeds biedt, in de praktijk ook optimaal worden benut.
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
In eerdere berichtgeving5 is hierover reeds bekend gemaakt dat de politie in en rond de locatie meerdere meldingen van bedreiging en incidenten heeft onderzocht. Ik kan verder niet ingaan op dit individuele geval, maar hecht eraan nogmaals te benadrukken dat kwetsbare bewoners, minderjarigen in het bijzonder, recht hebben op een veilige opvang en dat het COA daarom bij signalen van intimidatie conform het Maatregelenbeleid optreedt.
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Het COA heeft een Klachtenregeling voor bewoners en derden. Bewoners van het COA worden hierover bij binnenkomst geïnformeerd. Iedere bewoner kan een klacht over zijn bejegening bij het COA indienen. Hiervoor zijn klachtenformulieren beschikbaar bij de infobalie op iedere locatie. Conform de Klachtenregeling wordt de klacht behandeld en beoordeeld door de locatiemanager, die zelf niet bij de klacht betrokken is. De afstand tot klager en beklaagde en de professionaliteit van de locatiemanager zorgen ervoor dat de klacht zorgvuldig en zonder vooringenomenheid behandeld wordt. Desgewenst kan de klacht ook door Juridische Zaken van het COA worden behandeld en beoordeeld. Na de beslissing op de klacht kan vervolgens de Nationale ombudsman om een oordeel worden verzocht.
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Ja, ik acht het onaanvaardbaar dat personen die gevlucht zijn uit vrees voor vervolging vanwege hun religieuze overtuiging, in Nederland opnieuw geïntimideerd of bedreigd worden. Inzet van dit kabinet is om daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en af te wijzen voor een verblijfsvergunning. In dat verband wordt nu met de vreemdelingenketen uitgewerkt hoe de vrijheidsbeperkende maatregel effectiever kan worden ingezet. Om ook verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen, blijft COA in den brede het doen van aangifte stimuleren zodat daadwerkelijk strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Mijn departement staat reeds in contact met COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties. In de aanpak van overlast en criminaliteit door asielzoekers is bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare doelgroepen, waaronder bekeerlingen. Vanzelfsprekend zetten wij dit overleg voort.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
Ja, uw vragen geprobeerd zoveel als mogelijk aldus te beantwoorden.
Het bericht ‘Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de positie van aanklager Karim Khan onhoudbaar is en zal Nederland, als één van de beslissende staten, daarom ook voor zijn ontslag stemmen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld moet worden dat de beschuldigingen aan het adres van de Aanklager van het Internationaal Strafhof (ISH) zeer verontrustend zijn. De Aanklager moet aan de hoogste standaarden worden gehouden. Het oordeel van het dagelijkse bestuursorgaan van de Vergadering van verdragspartijen – het zogenaamde Bureau, waar 21 van de 125 verdragspartijen zitting in hebben2 – dat er sprake is geweest van «ernstig wangedrag» en «ernstig plichtsverzuim» roept ernstige vragen op voor wat betreft de houdbaarheid van de positie van de Aanklager.
De vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop het Bureau zijn beslissing heeft gebaseerd zullen zorgvuldig worden bestudeerd door Nederland en in overleg met andere verdragspartijen zal worden bezien welke conclusies hier aan moeten worden verbonden. Uw Kamer zal per brief worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet tijdens de Speciale Zitting van de Vergadering van verdragspartijen die in het kader van deze procedure zal worden gehouden op 24 juli 2026 in New York.
Zal Nederland het arrestatiebevel gericht tegen leden van de Israëlische regering handhaven, gelet op het feit dat dit mogelijk door valse intenties tot stand is gekomen? Zo ja, waarom?
Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome. Dit betekent dat de arrestatiebevelen van het ISH niet worden uitgevaardigd door de Aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De Aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel. Aan de hand van de door de rechters uitgevaardigde arrestatiebevelen kan het ISH landen verzoeken om aanhouding en overlevering.
Voor Nederland geldt dat – conform de verplichtingen onder het Statuut van Rome – elk verzoek om aanhouding en overlevering dat Nederland ontvangt van het ISH direct in behandeling wordt genomen, zoals ook is opgenomen in de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.
Hoe beoordeelt Nederland deze (seksuele) wanpraktijken bij het Internationaal Strafhof en welke consequenties voor de geloofwaardigheid van het Hof heeft dit?
Zie het antwoord op vraag 2. Nederland staat als gastland en verdragspartij achter het ISH en de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. De geloofwaardigheid van het Hof staat niet ter discussie. Het kabinet acht het van groot belang dat de procedures van het ISH voor het onderzoeken en beoordelen van aantijgingen van wangedrag tegen individuele ambtsdragers van het Hof worden gevolgd.
Welke consequenties verbindt Nederland aan de geloofwaardigheid en de bindende kracht van het Internationaal Strafhof, gezien het feit dat vergaande beslissingen klaarblijkelijk op arbitraire gronden genomen worden?
Het kabinet herkent niet het beeld dat het ISH vergaande beslissingen op arbitraire gronden neemt. Zie ook de antwoorden op de vragen 3 en 4.
Welke stappen kan Nederland, en zult u specifiek als Minister, ondernemen tegen deze ambtsbekleder die waarschijnlijk strafbare feiten heeft gepleegd op Nederlandse bodem?
Zie het antwoord op vraag 2. De Vergadering van verdragspartijen zal zich tijdens de speciale zitting buigen over de beslissing van het Bureau en de onderliggende rapporten om te bezien welke conclusies hier aan verbonden moeten worden. Nederland zal hier als een van de 125 verdragspartijen aan deelnemen en na beoordeling van de onderliggende informatie naar behoren handelen.
Voor wat betreft eventuele mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging voor vermeende feiten die zijn gepleegd op Nederlands grondgebied dient te worden opgemerkt dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bezien of het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over individuele gevallen.
Welke consequenties zal Nederland eraan verbinden indien het merendeel van de leden niet voor ontslag stemt en daarmee de bindende en overtuigende kracht van het Internationaal Strafhof diskwalificeert?
Daar kan het kabinet niet op vooruitlopen. Eerst zullen de beslissing van het Bureau en de vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop die beslissing is gebaseerd zorgvuldig moeten worden bestudeerd en zal met andere verdragspartijen moeten worden bezien welke conclusies daaraan moeten worden verbonden.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Het kabinet neemt deze waarschuwingen serieus en werkt momenteel aan de geïntegreerde nationale aanpak datacentra die in het najaar verschijnt. Hoewel datacenters en AI belangrijk zijn voor ons toekomstig (economisch) verdienvermogen en onze digitale strategische autonomie, legt hun enorme elektriciteitsvraag druk op het Nederlandse energiesysteem. Bij nieuwe en uitbreidende datacenters bestaan nu al knelpunten bij netaansluitingen. Ook wordt door de opkomst van datacenters een forse en structurele groei in de elektriciteitsvraag verwacht, die sneller kan gaan dan de beschikbare uitbouw van hernieuwbare bronnen en het elektriciteitsnet.
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, hernieuwbare energie, fysieke ruimte en de transportcapaciteit op het elektriciteitsnet zijn schaars. Het feit dat een datacenter groene stroom inkoopt, maakt de faciliteit in de context van onze totale energietransitie niet automatisch volledig duurzaam.
Datacenters kenmerken zich door een continu elektriciteitsverbruik. Omdat de productie van hernieuwbare bronnen zoals wind en zon weersafhankelijk is, betekent dit dat er op de momenten dat er onvoldoende hernieuwbare stroom beschikbaar is, er conventionele centrales moeten bijspringen. Daarnaast kan er sprake zijn van een verdringingseffect. De verwachte groei in de elektriciteitsvraag van datacenters en AI is meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Deze actualisatie wordt met Prinsjesdag gepresenteerd.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat datacenters een belangrijke schakel vormen in onze digitale infrastructuur en ons dagelijks leven. Investeren in voldoende datacentercapaciteit voor de ontwikkeling is een randvoorwaarde voor de brede welvaart, ons innovatieklimaat en het veiligstellen van ons toekomstig verdienvermogen. Hoewel de verdere groei van datacenters hiermee niet volledig duurzaam is, zoekt het kabinet vanuit deze economische en strategische belangen nadrukkelijk naar manieren om deze faciliteiten wel mogelijk in ons systeem in te passen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent de zware belasting van het stroomnet en de grote uitdagingen in de klimaattransitie. Er is een uitdaging voor de inpassing van de inflexibele stroomvraag van AI-gigafabrieken en de beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet. Het aanpakken van de huidige netcongestieproblematiek heeft prioriteit voor dit kabinet. Tegelijkertijd ontwikkelt kunstmatige intelligentie (AI) zich in hoog tempo en vormt het een steeds belangrijkere motor voor innovatie, economische groei en het versterken van het Europese concurrentievermogen. Om zelfstandig AI-modellen te kunnen trainen en toepassen en zo de afhankelijkheden van derde landen te verminderen, is de realisatie van soevereine rekeninfrastructuur in Europa en Nederland noodzakelijk.
Grootschalige AI-rekenfaciliteiten vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. De daadwerkelijke impact van een AI-gigafabriek is sterk afhankelijk van onder meer het ontwerp, de schaal en de locatie.
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
De instructieregel voor hyperscale datacentra geldt voor alle datacentra die voldoen aan de criteria voor omvang (bebouwd oppervlak van meer dan 10 hectare) en vermogen (elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer).3 Er wordt momenteel gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, als onderdeel waarvan onder meer mogelijkheden voor een aanscherping van deze criteria worden verkend.4 Ik verwacht uw Kamer in het najaar te informeren over deze geïntegreerde aanpak.
De overheid ziet een rol voor zichzelf om binnen de geldende kaders de juiste randvoorwaarden te creëren voor het ontwikkelen van AI-infrastructuur, met oog voor de ruimtelijke en energetische inpasbaarheid. Het doel hiervan is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk van de grond te krijgen, wat van belang is voor het kunnen trainen en toepassen van AI-modellen.
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Zoals toegelicht onder het antwoord op vraag 6 verzoekt de motie-Grinwis tot een aanscherping van de huidige juridische criteria voor hyperscale datacenters. De uitwerking van deze motie wordt meegenomen in een bredere, nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, waarover uw Kamer in het najaar wordt geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet, zoals verwoord in de kamerbrief van 31 maart.6 Deze factoren zijn ook meegewogen in de instructieregel voor hyperscale datacentra, benoemd in de beantwoording van vraag 6. Voor AI-gigafabrieken en andere grootschalige datacenters die binnen de kaders van de instructieregel ontwikkeld mogen worden geldt dat vergunningverlening in beginsel aan relevante regionale autoriteiten is.
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich via diverse kaders actief in om de impact van datacenters op klimaat, water en ruimte te minimaliseren:
Het kabinet is niet voornemens om daarnaast een afzonderlijke, nationale m.e.r.-plicht specifiek voor datacenters te introduceren:
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Ik deel de opvatting dat het niet past dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerde gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Het gebruik van het adres van een justitiële inrichting als vestigings- of postadres van een bedrijf is niet in lijn met de bestemming van die inrichting en past niet binnen het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Ik ga niet in op individuele gevallen. Verder verwijs ik naar de toelichting onder vraag 2.
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
De Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) bevat geen expliciete verbodsbepaling voor het voeren van een (online) onderneming vanuit detentie. Gedetineerden kunnen in beginsel een rechtspersoon oprichten of een onderneming starten of voortzetten. Het is uiteraard niet toegestaan om met een onderneming of rechtspersoon verboden activiteiten te ontplooien of een verboden doel na te streven. Zo is het oprichten van een organisatie die in strijd is met de openbare orde bij wet verboden.
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
In de Kamerbrief van 22 november 2021 (Kamerstukken 29 911, 29 279 en 24 587, nr. 339) schreef zoals bij vraag 4 is aangegeven dat de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming het oprichten van organisaties vanuit detentie aan banden wilde leggen dan wel verbieden voor gedetineerden die in de EBI of op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) verblijven. In de voortgangsbrief van 13 juni 2022 (Kamerstuk 29 911, nr. 353) is de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van dit onderzoek. Hierbij is aangegeven dat het complex is om een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vorm te geven, dat het bovendien al verboden is om een organisatie op te richten die in strijd is met de openbare orde, en dat een dergelijke maatregel op gespannen voet staat met het resocialisatiebeginsel. Om die redenen is destijds besloten hier niet verder op in te zetten.
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6, waarin ik heb uiteengezet waarom destijds is besloten niet in te zetten op een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vanuit detentie, en welke maatregelen sindsdien wel zijn getroffen ten aanzien van financiële transacties.
Gelet op de redenen die toen zijn aangevoerd zie ik op dit moment geen aanleiding om dat standpunt te herzien.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 5 en 6 is er geen algemene grondslag om het exploiteren van ondernemingen door gedetineerden te verbieden. Wel bieden de Pbw en de huisregels de directeur de bevoegdheid om op te treden wanneer een gedetineerde beschikt over niet-toegestane communicatiemiddelen of wanneer zijn gedragingen de orde of veiligheid in gevaar brengen.
Daarnaast is, zoals toegelicht in antwoord 1, de financiële handelingsruimte van gedetineerden sinds 1 januari 2024 verder ingeperkt: het saldo op de rekening-courant is gemaximeerd op € 250 en transacties vinden plaats onder toezicht van medewerkers van de PI.
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Letschert , Berendsen , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Ja, het kabinet staat in contact met de aluminiumindustrie en is bekend met de signalen uit de sector over mogelijke indirecte import van Russisch aluminium.
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Ja, het klopt dat de EU met aanname van het zestiende sanctiepakket op 24 februari 2025 de import van ruw aluminium uit Rusland verboden heeft, terwijl de import van aluminiumproducten uit derde landen op basis van ruw aluminium met Russische oorsprong tot op heden niet verboden is. Met aanname van het twintigste sanctiepakket op 23 april jl. is het importverbod op ruw aluminium wel uitgebreid met diverse aluminiumproducten.
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Het verbeteren van de effectiviteit van de Ruslandsancties is voorwerp van voortdurende aandacht van het kabinet. Het kabinet neemt daarbij alle beschikbare signalen serieus en treedt op waar noodzakelijk.
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Het kabinet onderkent het risico dat Europese aluminiumproducenten hierdoor potentieel een concurrentienadeel kunnen ondervinden ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen afzetten. Dit zou kunnen leiden tot verstoringen van het gelijke speelveld. Het kabinet onderzoekt daarom voortdurend hoe de naleving van geldende sancties kan worden verbeterd en hoe, waar nodig, sancties verder kunnen worden aangescherpt om omzeiling te voorkomen. Het kabinet hecht daarbij grote waarde aan signalen als deze.
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Nee, het kabinet beschikt momenteel niet over gegevens op basis waarvan de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch aluminium is verwerkt, betrouwbaar kan worden vastgesteld. De oorsprong van het gebruikte aluminium wordt doorgaans niet geregistreerd in handels- of douanegegevens van derde landen. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen of en in welke mate Russisch aluminium via verwerking in derde landen alsnog op de Europese markt komt.
Gezien het grensoverschrijdende karakter van deze handelsstromen ligt een dergelijke analyse primair op Europees niveau. Het kabinet is bereid zich in EU-verband in te zetten voor een beter inzicht in deze stromen en zal bezien welke mogelijkheden er zijn om de impact hiervan nader in kaart te brengen.
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Het kabinet heeft op dit moment geen specifieke landen op het oog waar een verhoogd risico vanuit gaat voor wat betreft import van producten of halffabricaten waarin Russisch aluminium in verwerkt is.
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Op moment van schrijven bevinden de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket zich in een vergevorderd stadium. Het kabinet is bereid in aanloop naar een volgend sanctiepakket te onderzoeken of en hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector verder te ondermijnen.
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om de naleving te verbeteren. Bij het instellen van rapportageplichten is hierbij van belang dat de hiermee gepaard gaande administratieve lasten voor het bedrijfsleven proportioneel zijn in verhouding tot de mate waarin deze bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen.
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Ja, het kabinet is bereid om in EU-verband te onderzoeken of registratie van de smelt- en gietoorsprong van aluminium kan bijdragen aan het tegengaan van sanctieontwijking via derde landen. Daarbij zal ook gekeken moeten worden naar internationale voorbeelden en bestaande systemen voor oorsprongsregistratie.
Het kabinet constateert dat ook de Europese aluminiumindustrie pleit voor meer transparantie over de smelt- en gietoorsprong van aluminium. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat eventuele maatregelen uitvoerbaar zijn, effectief bijdragen aan het bereiken van de beleidsdoelen en niet leiden tot onnodige administratieve lasten voor bedrijven.
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Afhankelijk van de wijze waarop een potentieel importverbod op aluminiumproducten op basis van Russisch aluminium zou worden vormgegeven kunnen verschillende nationaal bevoegde autoriteiten een rol spelen bij toezicht en handhaving. Als het verbod gemodelleerd zou worden naar de huidige importverboden op ijzer- en staalproducten lijkt er in ieder geval een rol voor de Douane weggelegd ten aanzien van de handhaving aan de EU-buitengrens. Tegelijkertijd moedigt het kabinet aan dat de Europese Commissie een actieve rol speelt in het verbeteren van de naleving op Europees niveau, onder andere door middel van data-analyse en informatiedeling.
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Tijdens onderhandelingen over nieuwe sanctiemaatregelen weegt het kabinet steeds zorgvuldig de proportionaliteit van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven ten opzichte van het beoogde doel om het Russische verdienvermogen te raken.
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa. Aluminium is een essentiële grondstof voor uiteenlopende sectoren, waaronder defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw en de versterking van elektriciteitsnetten. Een concurrerende en weerbare Europese aluminiumketen draagt daarmee bij aan de strategische autonomie en economische veiligheid van de EU.
Daarnaast is aluminium opgenomen op de Europese lijst van strategische grondstoffen onder de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA). Ook worden bij de productie van aluminium andere strategisch relevante materialen gewonnen, waaronder het kritieke grondstof gallium, dat van groot belang is voor halfgeleiders, defensietoepassingen en de energietransitie.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe de effectiviteit van de geldende sancties tegen Russisch aluminium verhoogd kan worden en of aanvullende maatregelen kunnen bijdragen aan het verder ondermijnen van het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector. Voor eventuele aanvullende sanctiemaatregelen is een unaniem Raadsbesluit vereist. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in aanloop naar een volgend sanctiepakket te communiceren over de Nederlandse onderhandelingsinzet.
De noodverordening in Zandvoort en de overlast, intimidatie en geweldsincidenten op Nederlandse stranden |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Noodverordening moet «hufterigheid» in Zandvoort tegengaan. «Die meiden zijn net zo brutaal»» in de Volkskrant van 31 mei 2026?1
Ja.
Klopt het dat de burgemeester van Zandvoort een noodverordening heeft afgekondigd wegens ernstig overlastgevend gedrag na de Pinksterdagen, en dat ook het strand bij Nesselande in Rotterdam is aangewezen als veiligheidsrisicogebied?
Ja. De burgemeester van Zandvoort heeft op 29 mei tot en met 31 mei jl. en op 20 juni tot en met 22 juni jl. een noodverordening afgekondigd wegens incidenten zoals bedreigingen, mishandeling en openlijke geweldpleging. Het strand van Nesselande is door de burgemeester van Rotterdam aangewezen als veiligheidsrisicogebied voor de periode van 12 juni tot 1 oktober 2026.
Kunt u bevestigen dat strandpachters zijn geïntimideerd, een portier een stok in zijn gezicht kreeg, serveersters zijn lastiggevallen en twee strandpaviljoens daardoor eerder zijn gesloten?
De overlast en incidenten in Zandvoort en in andere strandgebieden hebben impact op de hele gemeenschap. Op donderdag 4 juni jl. ben ik op het strand van Zandvoort in gesprek gegaan met de burgemeester, ondernemers, politie, boa’s en het OM over de situatie. De strandpachters vertelden mij dat personeel is geïntimideerd, bespuugd of uitgescholden. De verhalen zijn indringend. Strandpachters voelden zich genoodzaakt eerder dicht te gaan of zelfs dicht te blijven, omdat de situatie niet meer veilig voelde. Dat is niet normaal. Zandvoort moet veilig en toegankelijk blijven.
Bent u in staat om cijfers aan te leveren over het jaarlijkse aantal vergelijkbare incidenten van intimidatie, bedreiging en geweld tegen ondernemers, personeel en bezoekers op stranden van de afgelopen tien jaar?
Bent u bereid om – gelet op de zware oververtegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de criminaliteitscijfers en het actuele maatschappelijke debat over migratie – in kaart te brengen wat de herkomst is van de daders van deze overlast- en geweldsincidenten?
Bent u bereid in dat overzicht niet alleen eerste en tweede generatie migranten op te nemen, maar ook derde en vierde generatie migranten, zodat een volledig beeld ontstaat?
Indien u deze gegevens niet paraat heeft, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Indien het antwoord op bovenstaande vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een openbaar dashboard in te richten waarop per periode zichtbaar is hoeveel personen worden verdacht van geweldsmisdrijven, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en herkomst, inclusief derde en vierde generatie migranten? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt er «weinig onderzoek» gedaan – aldus Ira Helsloot, de in het artikel genoemde hoogleraar besturen van veiligheid – naar de oorzaak van de overlast en het geweld? Waarom wordt dat onderzoek niet gedaan?
Bent u bereid alsnog onderzoek te laten doen naar de oorzaken van deze overlast, inclusief de migratieachtergrond van de daders? Zo nee, waarom niet?
Herkent u uit politieregistraties het beeld – alsook beschreven door bovenstaande hoogleraar – dat met name jongeren met een migratieachtergrond niet accepteren dat vrouwen schaars gekleed op het strand zitten?
Op basis van politieregistraties kunnen hier geen uitspraken over worden gedaan.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat vrouwen op een Nederlands strand worden lastiggevallen of geïntimideerd vanwege hun kleding of gedrag?
Ja. Het lastigvallen of intimideren van vrouwen, om welke reden dan ook en waar dan ook, is onaanvaardbaar.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat de vrijheid van vrouwen op het strand wordt ingeperkt door intimiderend gedrag van groepen jongeren?
Handhaving van de openbare orde is aan het lokaal gezag. Bestaande maatregelen die hiertoe kunnen bijdragen zijn zichtbare aanwezigheid van politie, boa’s, toezicht- en handhavingsteams, toepassing van Algemene Plaatselijke Verordening (APV)-instrumenten en gebiedsverboden, Halt-trajecten voor minderjarigen, lokale preventie (jeugdwerk, voorlichting, afspraken met strandexploitanten) en in het uiterste geval de inzet van de noodbevoegdheden. De afweging wat effectief en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Indien u die maatregelen nog niet heeft, op welke termijn komt u hiermee?
Zie antwoord vraag 14.
Welke gevolgen voor het beleid verbindt u aan de signalering van de burgemeester dat de overlastgevende groep steeds jonger wordt – soms 12 of 13 jaar – en een anti-autoritaire houding heeft?
Het is belangrijk dat de politie en het lokale gezag in staat zijn om de openbare orde op straat en in onze wijken goed te handhaven. En dat het gezag wordt gerespecteerd en dat we ons veilig voelen op straat en in onze buurt. De signalering dat overlastgevende groepen steeds jonger zijn, onderstreept het belang van een vroegere en integrale preventieve en doortastende inzet; een goede samenwerking tussen gemeenten, onderwijs, justitie, zorg en jongerenwerk. Het is daarbij aan de burgemeester om in samenwerking met andere (gemeentelijke) partners en het OM (voor zover het om strafbare feiten gaat) om (jeugd-)overlast aan te pakken. Vanuit het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid zijn hiervoor verschillende handreikingen beschikbaar.
Hoeveel aanhoudingen en gebiedsverboden zijn er dit voorjaar landelijk opgelegd wegens strand- en uitgaansoverlast?
Aanhoudingen en gebiedsverboden in de context van strand- en uitgaansoverlast worden niet apart geregistreerd.
Acht u de huidige bevoegdheden van politie en handhaving toereikend om dit soort overlast aan te pakken?
Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden niet toereikend zijn om dit soort overlast aan te pakken. Strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen o.a. openlijke geweldpleging, mishandeling en bedreiging. Bestuursrechtelijk staan onder andere het noodbevel en de noodverordening, gebiedsverboden, cameratoezicht en aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied ter beschikking. Waar het minderjarigen betreft kan handhaving tevens bestaan uit het opleggen van Halt-trajecten en de inzet van het jeugdstrafrecht. De afweging wat nodig en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Zo nee, welke aanvullende bevoegdheden acht u nodig?
Zie antwoord vraag 18.
Bent u bereid bij geweld en intimidatie door minderjarigen ook de ouders aansprakelijk te stellen, mede gelet op de constatering dat ouders minder betrokken zijn?
Ouders kunnen niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het gedrag van hun kinderen. Als het gaat om civiele aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade zijn ouders aansprakelijk voor veroorzaakte schade door hun kinderen tot en met 13 jaar.5 Hierbij kunnen benadeelden een schadeclaim voegen in een eventuele strafzaak.
Ten aanzien van ouders of gezagsdragers van kinderen onder de 12 jaar heeft de burgemeester de bevoegdheid om rechtstreeks aan ouders het bevel te geven ervoor te zorgen dat kun kind zich niet onbegeleid op bepaalde plaatsen bevindt.6 De burgemeester kan in geval van overtreding van de APV een last onder dwangsom opleggen ter voorkoming van herhaalde overtreding.
Welke consequenties verbindt u aan herhaalde overlast voor de verblijfsstatus of het inburgeringstraject van daders, voor zover dit van toepassing is?
Het Europees Unierecht vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er sprake moet zijn van een ernstig misdrijf of een bijzonder ernstig misdrijf om de verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken.
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor onherroepelijk veroordeeld zijn, beoordeelt de IND altijd of dit ook verblijfsrechtelijke gevolgen heeft. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verblijfsduur van de vreemdeling en de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Na een weigering of intrekking van de verblijfsvergunning door de IND start de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) het terugkeerproces.
Deelt u de analyse dat het toenemende aantal overlast- en geweldsincidenten op publieke plaatsen mede samenhangt met de omvang en samenstelling van de immigratie van de afgelopen decennia?
De in de vraag genoemde analyse en de bijbehorende feitelijke onderbouwing zijn niet bekend. Het is daarom niet mogelijk de genoemde analyse te duiden.
Indien u deze analyse niet deelt, op welke gegevens baseert u dat?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de mening dat de burger recht heeft op een veilig en onbezorgd strandbezoek, en dat de overheid op dit moment tekortschiet in het faciliteren hiervan?
Ik deel de mening dat iedere burger die het strand bezoekt dat veilig en onbezorgd moet kunnen doen. Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden van het lokaal gezag niet toereikend zijn om overlast aan te pakken.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het zomerreces te beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet’ |
|
Harmen Krul (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende teler?1
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt, via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Dat is niet bekend, daarover wordt geen informatie verzameld.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Nee. Wel zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment – naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium4 worden opgesteld – onderdeel zijn van het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid.
Het wettelijk kader voor het wietexperiment bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie. Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief tips om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit houden toezicht op de naleving van de eisen.
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Het is niet duidelijk dat dit een causaal verband betreft. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren.
Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis? Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Historisch gezien heeft de tabaksindustrie veel ervaring met het financieren van onderzoek dat aansluit bij haar belangen. Het kabinet vindt dit zeer onwenselijk en verwerpelijk. Niet omdat elk commercieel gefinancierd onderzoek automatisch onbetrouwbaar is, maar omdat de tabaksindustrie een lange geschiedenis heeft van strategisch omgaan met wetenschap. Onafhankelijk onderzoek is zeer belangrijk, zeker wanneer het gaat om de gezondheid van mensen. Het kabinet baseert dan ook geen beleid op onderzoeken die door de tabaksindustrie zijn gefinancierd.
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja, waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen de markt vrij te laten aan telers en coffeeshops. Daarbij past dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4. Verder geldt dat het wettelijk kader geen bepaling bevat die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid, verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Het kabinet beoogt met het wietexperiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. De effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium en zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid verder brengen. Er zijn binnen het wietexperiment geen doelen geformuleerd ten aanzien van verslavingspreventie of het terugdringen van de illegale markt, het experiment is een exploratief onderzoek.
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Artikel 5.3 van WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging is niet van toepassing op het wietexperiment. De reden hiervoor is dat cannabis(producten) niet als legale producten worden aangemerkt. De Wet Experiment gesloten coffeeshopketen regelt in essentie dat de aangewezen telers uitgezonderd zijn van de strafbaarstelling onder de Opiumwet, mits zij voldoen aan de in het wietexperiment opgenomen eisen. De cannabisproducten die geproduceerd worden binnen het wietexperiment blijven echter nog steeds onder de Opiumwet vallen en zijn daardoor nog steeds illegaal. Hieruit volgt dat de Tabaks- en rookwarenwet en de Tabaksproductenrichtlijn niet van toepassing zijn op de producten die binnen dit experiment worden verkocht. Daarbij past de conclusie dat internationale verplichtingen ook niet van toepassing zijn.
Dat neemt niet weg dat het kabinet de zorgen die hierover leven serieus neemt. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de beleidsmatig geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
De risico’s voor het uitoefenen van invloed op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid acht het kabinet klein. Aangezien met name de onderzoeksresultaten over de effecten van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht en het eindverslag van de onafhankelijke begeleidingscommissie de basis hiervoor vormen.
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan het wietexperiment?
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid van de tabaksindustrie te voorkomen?
Nee. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding voor aanvullende regels. Naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de beleidsmatig geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de samenhang tussen het tabaks- en cannabisbeleid hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders – worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd, rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld aan gewerkt.5
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp. Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
De Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) kent drie vrijstellingen voor de plicht van ouders2 hun kind als leerling in te schrijven op een school. Deze vrijstellingen volgen uit artikel 5 Lpw, en houden kort samengevat in dat een kind wordt vrijgesteld, wanneer a) deze om lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is voor het onderwijs, b) de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, en c) het kind al staat ingeschreven op een school in het buitenland en hier ook regelmatig heengaat. Ouders met een 5(a)- of 5(b)-vrijstelling kunnen ervoor kiezen om thuisonderwijs te geven, maar er bestaat geen «vrijstelling voor thuisonderwijs».
In het schooljaar 2024–2025 waren er 2860 5(b)-vrijstellingen. Deze cijfers berusten op de leerplichttelling.3 Het is niet bekend of er bij al deze vrijstellingen ook vervangend (thuis)onderwijs wordt geboden.
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Dit klopt niet. De Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) belet niet dat deze gegevens worden geregistreerd. Artikel 6 Lpw schrijft voor dat ouders aan de gemeente waarin zij wonen kennisgeven op welke grond zij menen een beroep te mogen doen op een vrijstelling. Indien zij een beroep doen op de 5(b)-vrijstelling moet die kennisgeving de verklaring bevatten dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.
In het kader van hun toezichthoudende taak moeten de leerplichtambtenaren van de gemeente, als een kind niet is ingeschreven op een school, kunnen vaststellen of er beroep op vrijstelling is gedaan en zo ja, of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het doen van beroep op vrijstelling. Hiervoor is het bewaren van genoemde kennisgevingen en verklaringen noodzakelijk. In dit verband verwijs ik naar een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank het standpunt dat de gemeente voor het bewaren van de verklaring over de richtingbezwaren geen beroep kon doen op de wettelijke plicht tot verwerking als bedoeld in de AVG, verwierp.5 De rechtbank achtte het bewaren van de verklaring noodzakelijk, evenredig, proportioneel en evenwichtig.
DUO registreert dat een leerling een vrijstelling heeft op grond van artikel 5 Lpw, maar niet of dit is op grond van onderdeel a, b of c. DUO maakt dus niet de koppeling op persoonsniveau tussen de leerling en de reden van vrijstelling. Voor de leerplichttelling baseert DUO zich op informatie van de leerplichtambtenaren die per gemeente het totaal aantal vrijstellingen doorgeven. Hierbij wordt wel een uitsplitsing gemaakt per onderdeel a, b, of c, maar omdat dit om totalen gaat, is er geen sprake van gegevensverwerking.
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Dat klopt. In het derde kwartaal van dit jaar wordt deze evaluatie gestart en de uitkomsten worden in de eerste helft van 2027 verwacht. Op dit moment is nog niet precies vastgelegd op welke elementen deze evaluatie precies ziet. Uw suggestie wordt meegenomen in de besluitvorming hierover.
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Het modelformulier waarnaar wordt verwezen in de vraagstelling is een hulpmiddel voor gemeenten en heeft geen juridische status. In dat formulier uit 1995 werd ouders verzocht een feitelijke verklaring te geven dat zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning.
In de Nederlandse rechtsstaat is de rechter bevoegd tot interpretatie van wetten en regels en langs die weg wordt het positieve recht mede vormgegeven. Die interpretatie kan door de jaren heen veranderen, omdat juridische of maatschappelijke ontwikkelingen daartoe nopen. Mede daarom bevat de wet (bewust) abstracte termen, die in de rechtspraktijk nader vorm krijgen. Zo kan het recht meebewegen met de tijd. Het arrest van de HR van 21 april 2026 is daar een goed voorbeeld van. Het arrest geeft duidelijkheid over de wijze waarop de Lpw moet worden uitgelegd en toegepast.
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Ik ben bekend met deze jurisprudentie over het van rechtswege ontstaan van de vrijstelling. Deze jurisprudentie betreft slechts de afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter ten opzichte van die van de strafrechter. Er is dus geen sprake van verschillende inhoudelijke lijnen in de rechtspraak over de voorwaarden waaronder een vrijstelling ontstaat.
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
De redenering van de Hoge Raad is gebaseerd op een uitvoerige analyse van de reeds ingezette perspectiefwisseling ten aanzien van de rechten van het kind. De Hoge Raad baseert zich daarbij vooral op internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen. De Hoge Raad is bevoegd om een eerder standpunt aan te scherpen. In de praktijk waren er veel vragen over het bestaande toetsingskader en de manier waarop die zou moeten worden toegepast, die leidden tot verschillende procedures bij verschillende gemeenten. De Hoge Raad heeft met het recente arrest het toetsingskader willen verduidelijken en aanscherpen.
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Ik ben bekend met de jurisprudentie waarin het EHRM heeft geoordeeld dat staten beoordelingsruimte hebben bij het bepalen of zij thuisonderwijs toestaan.8 Het EHRM heeft in diezelfde jurisprudentie benadrukt dat het niet in strijd is met het EVRM om thuisonderwijs te verbieden of om dit niet actief mogelijk te maken. Nederland kan hierin een eigen afweging maken.
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
De Hoge Raad is bevoegd om de Lpw te interpreteren. Die interpretatie vindt plaats met inachtneming van de voor de rechtsvraag relevante juridische context. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze die interpretatie plaatsvindt, wat het resultaat daarvan is en hoe die wordt gemotiveerd. Het recht op onderwijs van het kind is als zodanig niet expliciet in het nationale recht neergelegd. In artikel 2 EP EVRM is het recht op onderwijs én het ouderlijk opvoedingsrecht wel neergelegd. De kern van de zaak werd uiteindelijk gevormd door de verhouding tussen die twee rechten en daar sluit de HR bij aan. Daarover is ook jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorhanden, waarnaar de Hoge Raad verwijst. De Hoge Raad betrekt overigens ook het nationale recht, voor zover hij verwijst naar de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten waar de leerplicht kan worden vervuld.
Ik volg de stelling dat het thuisonderwijs en de vrijstelling onder de Grondwet een status hebben die niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen niet. Bij de invoering van de Lpw in 1969 is thuisonderwijs als onderwijsvorm juist afgeschaft. Van een vanzelfsprekende status van het thuisonderwijs was dus allerminst sprake. Dat geldt ook voor de vrijstelling. Hoewel het geven van thuisonderwijs in het wetsontwerp van de Lpw 1969 nog was opgenomen als vrijstellingsgrond, is deze mogelijkheid in de definitieve wet vervallen. Hierbij was geen overweging dat het thuisonderwijs een zo vanzelfsprekende status had dat het niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen in de wet.
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Ik deel niet dat de Hoge Raad relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing heeft gelaten. Daarbij heeft de Hoge Raad in zijn arrest rekenschap gegeven van de vrijheid van onderwijs uit artikel 23 Grondwet door te wijzen op de mogelijkheden voor ouders om geschikt onderwijs te kiezen voor hun kind en de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten.11
Wanneer de veroordeelde meent dat de Hoge Raad een oordeel heeft gegeven dat in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan diegene hierover een klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de vorm van een verzoekschrift. Indien deze klacht slaagt, kan een verzoek tot herziening bij de Hoge Raad worden gedaan op grond van artikel 457, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Alleen wanneer er een 5(b)-vrijstelling is ontstaan, is er geen sprake van een strafbaar feit en kan niet worden toegekomen aan de vraag of er van een strafuitsluitingsgrond (rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond) van toepassing zou kunnen zijn. Er is dan namelijk geen verplichting om te handelen in lijn met artikel 2 Lpw, zodat een overtreding daarvan ook niet mogelijk is.
Ik deel dat zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie.
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
De rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden gewaarborgd omdat het arrest voor alle gemeenten geldt, ook in lopende zaken. Ook hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Ingrado naar aanleiding van het arrest een handreiking opgesteld.12 De handreiking biedt duidelijkheid aan gemeenten en leerplichtambtenaren.
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Uit de Grondwet volgt dat onderwijs een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering is en dat het geven van onderwijs vrij is. Hieruit vloeit concreet voort dat de overheid zorg draagt voor een toegankelijk stelsel met voldoende openbaar onderwijs en dat het stichten van een school naar de eigen richting mogelijk is en een dergelijk initiatief vanuit de overheid gefinancierd kan worden. Het onderwijs op openbare scholen is levensbeschouwelijk neutraal. Van deze uitgangspunten wordt in het arrest van de Hoge Raad rekenschap gegeven. Overigens is in Nederland 31% van de basisscholen openbaar, 30% van de scholen is katholiek, 30% protestants-christelijk en 9% heeft een andere denominatie.13 Voor 98% van de leerlingen (po en vo) geldt dat er een openbare school op redelijke afstand beschikbaar is.
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Het is niet aan het kabinet om rechterlijke uitspraken te becommentariëren. De door de Hoge Raad gehanteerde criteria volgen uit Europese jurisprudentie.14
De brede vorming die we van elke school verwachten in het kader van burgerschapsonderwijs (en dus ook openbare) komt terug in de wettelijke vereisten om onder andere kennis over en respect bij te brengen voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap en seksuele gerichtheid.
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
Ik zie geen noodzaak tot een dergelijke verkenning. Het uitgangspunt is dat openbare scholen hieraan voldoen. In de wet is immers bepaald dat openbare scholen toegankelijk zijn voor leerlingen van alle achtergronden en dat het onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.15 Scholen worden hierop gecontroleerd door de Inspectie van het Onderwijs.
Zoals aangekondigd stuur ik u spoedig een kamerbrief over artikel 5(b) Lpw, waarbij ook het arrest van de Hoge Raad wordt meegenomen. Een aanvullende verkenning acht ik niet noodzakelijk.
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Ja, ik kan deze vragen afzonderlijk beantwoorden en de antwoorden met u delen voor ik de brief stuur.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Den Haag waarbij door de rechtbank is bevestigd dat u niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van de Europese Unie?1
Ja. Ik kan mij echter niet vinden in die uitspraak en heb hiertegen hoger beroep ingediend bij de Raad van State.
Hoe rijmt u de conclusie dat bepaalde provincies in Jemen (zoals Al Mahra en Hadramaut) «veilig» zijn met de informatie van hulporganisaties, United Nations en VluchtelingenWerk dat het geweld en de instabiliteit zich over het hele land verspreiden en dat de situatie onvoorspelbaar blijft?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft onderzoek gedaan naar de verschillende provincies in Jemen. Hierbij is naar voren gekomen dat de provincies Al Mahra en Hadramaut grotendeels gevrijwaard zijn gebleven van de gevechten die gaande zijn in andere provincies in Jemen. In het landenbeleid ten aanzien van Jemen is vervolgens opgenomen dat voor de provincies Al Mahra en Hadramaut géén sprake is van een risico op willekeurig geweld in de zin van artikel 15c. De rechtbank in Arnhem heeft inmiddels geoordeeld dat ik er op juiste gronden vanuit ga dat in Hadramaut geen sprake is van een gewapend conflict. Dit neemt niet weg dat de IND altijd op basis van een individuele beoordeling een besluit neemt over de asielaanvraag. Bij deze beoordeling betrekt de IND de meest recent beschikbare informatie over de veiligheidssituatie in een land.
Kunt u specifiek aangeven welke bronnen, naast het ambtsbericht, zijn gebruikt om de afwezigheid van willekeurig geweld in deze gebieden aan te tonen?
Via het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), dit is het IND-expertisecentrum op het gebied van taal- en landinhoudelijke informatie, heeft het departement extra informatie opgevraagd over de veiligheidssituatie in Jemen sinds het publiceren van het ambtsbericht tot en met februari 2026. TOELT heeft onder andere informatie opgehaald uit openbare bronnen van ACLED en de Yemen Monitor maar ook geput uit andere betrouwbare nieuwsbronnen.
Waarom blijft u vasthouden aan het beleid waarbij humanitaire factoren slechts globaal worden meegenomen, terwijl de rechter en de Raad van State oordelen dat onvoldoende in kaart is gebracht hoe humanitaire omstandigheden (zoals hongersnood en gebrek aan water) het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen en het Europese Hof (arrest CF en DN) een «allesomvattende beoordeling» eist?
Zowel de Raad van State als het Hof van Justitie van de EU spreken in de door u aangehaalde uitspraken van het globaal betrekken van alle relevante omstandigheden. Ik ben daarom van oordeel dat de door de Raad van State geconstateerde motiveringsgebreken in het oude landenbeleid met betrekking tot het betrekken van de humanitaire omstandigheden bij de 15c-beoordeling, middels het nieuwe landenbeleid Jemen zijn hersteld. Ik heb uw Kamer per brief en de bijbehorende bijlagen op 8 oktober 2025 geïnformeerd over deze wijzigingen.
Bent u bereid om, naar aanleiding van de recente rechterlijke uitspraak dat het beleid niet voldoet aan de eisen van de Raad van State en het Europese Hof, de uitvoering van het nieuwe beleid (en daarmee de afwijzingen van asielaanvragen) per direct op te schorten totdat er een deugdelijke, allesomvattende analyse van de humanitaire situatie ligt?
Deze zaak ligt nog voor bij de Raad van State. Ik ben van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het landenbeleid niet in overeenstemming is met de uitspraak van de Raad van State. Ik zie daarom ook geen aanleiding om het beleid ingevolge de uitspraak van de rechtbank te wijzigen.
Komt er een nieuwe wijziging in het landenbeleid voor Jemen naar aanleiding van bovengenoemde uitspraken? Zo ja, hoe wordt daarin recht gedaan aan de uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb geconcludeerd, zijn de eisen van de Raad van State en het Europese Hof van Justitie reeds meegenomen in de meest recente beleidswijziging voor het landenbeleid Jemen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is op dit moment bezig met een nieuw ambtsbericht over Jemen; dit ambtsbericht wordt verwacht in het vierde kwartaal van 2026 en zodra dit is gepubliceerd zal ik bezien of het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd dient te worden.
Op welke feitelijke informatie baseert u de aanname dat vluchtelingen uit onveilige gebieden zich duurzaam en veilig kunnen vestigen in de zogenaamd veilige provincies, gezien de enorme druk op de lokale infrastructuur door de miljoenen interne ontheemden in Jemen?
Uit het ambtsbericht bleek, en dit beeld is na het opvragen van meer actuele informatie recent nog bevestigd, dat de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra vrijwel gevrijwaard zijn gebleven van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Voor deze provincies kan dan ook de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is van willekeurig geweld in de zin van een gewapend conflict, als bedoeld in artikel 15c. Bovendien blijkt ook niet uit de informatie dat de, weliswaar, precaire humanitaire situatie, het gevolg is van de gehanteerde oorlogsmethoden. Er is daarom geen reden aan te nemen dat in deze provincies sprake is van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c en dat men in algemene zin zich hier niet veilig kan vestigen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de IND altijd een individuele beoordeling doet als iemand zegt asielbescherming nodig te hebben. Er kunnen dus op individuele gronden redenen zijn om aan te nemen dat iemand zich niet in deze provincies kan vestigen.
Hoe wordt gegarandeerd dat deze mensen daar niet alsnog in een levensbedreigende humanitaire situatie terechtkomen?
Het is aan de vreemdeling om de vrees voor ernstige schade bij terugkeer aannemelijk te maken. Voor het vaststellen van een reëel risico op ernstige schade is een volledig individuele beoordeling vereist. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst. De humanitaire omstandigheden zijn daarbij reeds meegewogen bij de vaststelling of sprake is van een 15c situatie in de verschillende provincies in Jemen. Aan de hand daarvan beoordeelt de IND of de aangedragen vrees aannemelijk is en of dit voldoende is om asielbescherming te verlenen.
Erkent u dat het huidige beleid, waarbij zaken worden aangehouden of afgewezen op basis van een juridisch wankel fundament, ertoe leidt dat een grote groep Jemenieten in Nederland in onzekerheid leeft en hun integratie en persoonlijke ontwikkeling ernstig worden belemmerd?
De IND kan sinds het publiceren van het nieuwe landenbeleid in oktober 2025 weer beslissen op Jemenitische asielaanvragen. Ik ben ervan overtuigd dat het huidige landenbeleid ten aanzien van Jemen recht doet aan de informatie die over Jemen bekend is.
Hoe kunt u de Jemenieten in Nederland ondersteunen en faciliteren in hun ontwikkeling en integratie gedurende deze onzekere tijden?
Personen met de Jemenitische nationaliteit die een verblijfsstatus in Nederland hebben, hebben toegang tot dezelfde integratie en inburgeringsmogelijkheden als statushouders met een andere nationaliteit. Ik zie daarom geen aanleiding om naast de bestaande mogelijkheden extra ondersteuning te bieden ten behoeve van de ontwikkeling en integratie van Jemenitische statushouders. Voor Jemenitische vreemdelingen die nog in de asielprocedure zitten, geldt dat zij dezelfde positie genieten als vreemdelingen met een andere nationaliteit. Ook voor hen zie ik geen reden om bijzonder beleid in te richten.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Het is niet passend dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerden gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
Ik kan niet ingaan op individuele casussen. In zijn algemeenheid kan ik mededelen dat het gebruik van een penitentiaire inrichting (PI) als postadres voor een commercieel bedrijf niet in lijn is met de bestemming en het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Ik ga niet in op individuele zaken. In algemeenheid geldt dat de mogelijkheid om opbrengsten die iemand met een strafbaar feit heeft behaald, af te romen via een ontnemingsmaatregel (art. 36e Sr) gericht is op wederrechtelijk verkregen voordeel. Of en in hoeverre dit per individuele casus toepasbaar is, hangt af van het verband tussen de opbrengsten en een gepleegd delict.
In beginsel worden de kosten van een strafproces, behoudens enkele uitzonderingen, niet verhaald op de verdachte.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Ik ga niet in op de specifieke casus. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1 voor een overzicht van wat wel en niet mogelijk is.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
UN special rapporteurs |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigend onderzoeksrapport (1) inzake de objectiviteit van UN special rapporteurs?1
Ja.
Wilt u puntsgewijs en gedocumenteerd aangeven in hoeverre u de kritiekpunten uit het rapport herkent en beoordeelt?
Wilt u puntsgewijs en onderbouwd aangeven wat u vindt van alle aanbevelingen van het rapport?
Wat is, gespecificeerd per rapport van de genoemde UN special rapporteurs, uw oordeel over de waarde van elk van die rapporten? Welke reserves heeft u over ieder individueel rapport?
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van het rapport van UNWatch?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om het Nederlandse uitgangspunt ten aanzien van Speciaal Rapporteurs fundamenteel te wijzigen. Nederland zal zich blijven inzetten voor een effectief en onafhankelijk systeem van Speciaal Rapporteurs en zal daarbij het belang van objectiviteit, integriteit en naleving van de gedragscode blijven benadrukken. Indien het kabinet het nodig acht zal het in gesprek gaan met Speciaal Rapporteurs om eventuele zorgen over te brengen.
Het bericht 'Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: 'Voor sommigen is wachten tot 18 geen optie'' |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL4 «Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: «voor sommigen is wachten tot 18 geen optie»»?1
Ja.
Waar vindt u dat primair de verantwoordelijkheid ligt voor een gezonde levensstijl, bij ouders of de overheid?
De overheid heeft een wettelijke taak om te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.2 Hoewel ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de opvoeding van hun kinderen, heeft de overheid een belangrijke rol in het creëren van een omgeving waarin kinderen gezond kunnen opgroeien. Er is dus sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Het kabinet zet zich dan ook in voor een preventieaanpak gericht op zowel collectieve als individuele preventie. Hierbij wordt met verschillende maatregelen en aanpakken geprobeerd om het ontstaan van overgewicht tegen te gaan. Omdat het ontstaan van overgewicht meerdere oorzaken kan hebben en complex is, is zo’n brede, integrale aanpak nodig.
Wel is het goed om te benadrukken dat kinderen met overgewicht en hun ouders vaak te maken hebben met vooroordelen. Obesitas is geen kwestie van eigen schuld. Er spelen vele maatschappelijke en individuele oorzaken mee.
Wat wordt er nu gedaan om ouders te ondersteunen bij het aanbieden van een gezonde levensstijl voor kinderen?
Het kabinet biedt kinderen en ouders hulp en ondersteuning bij het ontwikkelen van een gezonde leefstijl. Dit doet het kabinet vanuit een breed preventiebeleid waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doet het kabinet – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie. We werken met een omgevingsgerichte aanpak langs de levensloop van kinderen tot volwassenen om een gezonde leefomgeving te stimuleren. Binnen deze omgevingsgerichte aanpak die gericht is op het gezond en kansrijk opgroeien van kinderen versterken we de gezondheidsvaardigheden van kinderen, jongeren en volwassenen en zetten we in op de onderliggende determinanten van gezondheid.
Daarnaast bieden we passende zorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft en werken we aan een sterkere verbinding tussen het zorg- en sociaal domein in het kader van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA), Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en het Integraal Zorgakkoord (IZA).
Vanuit het AZWA wordt de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren geïntensiveerd. Deze ketenaanpak is een samenwerking tussen zorg en sociaal domein, gericht op gezinnen waarbij er bij het kind sprake is van obesitas of overgewicht én waarbij psychosociale en/of sociaal maatschappelijke problematiek speelt binnen het gezin. De zorg en ondersteuning die een kind, ouders en het gezin vanuit de ketenaanpak krijgen, verschilt per situatie. Overgewicht of obesitas zijn aanleiding om in gesprek te gaan en vanuit daar wordt gekeken naar achterliggende oorzaken, de huidige situatie en de nodige ondersteuning voor het kind en gezin. De ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de bredere preventieve aanpak die hierboven is benoemd. Er is een toegankelijke sociale basis beschikbaar in wijken en buurten die helpt om gezinnen vroegtijdig te bereiken en passende ondersteuning te bieden. In de eerste levensjaren sluit de ketenaanpak aan bij Kansrijke Start, waar geboortezorg, jeugdgezondheidszorg (JGZ) en wijkteams samenwerken om gezinnen tijdig te ondersteunen en onderliggende factoren van overgewicht vroeg te signaleren. Wanneer kinderen ouder worden, spelen scholen een belangrijke rol. Programma’s als Gezonde School en of de JOGG-aanpak dragen bij aan een samenhangende aanpak waarin gezond gedrag wordt gestimuleerd, zowel in de klas als in de buurt. Deze gezonde leefomgeving versterkt de zorg en ondersteuning die kinderen krijgen binnen de ketenaanpak.
Hoe groot is de groep van kinderen die obesitas heeft? Welk percentage van deze groep zou in aanmerking komen voor een maagverkleining?
In 2025 had 12,4% van de kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar in Nederland overgewicht, waarvan 2,9% ernstig overgewicht (obesitas).3 Op basis van de richtlijn Behandeling van kinderen met Obesitas4 van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde komen alleen jongeren tussen 13 en 18 jaar die bijna uitgegroeid zijn in aanmerking voor een maagoperatie, ofwel bariatrische chirurgie. Zij hebben dan al een leefstijlbehandeling gehad om een gezonder eetpatroon aan te leren en meer te bewegen. De verwachting van het Zorginstituut Nederland is dat 100 tot 150 jongeren per jaar in aanmerking komen voor een uitgebreid selectietraject. Daarvan komen 10 tot 20 jongeren per jaar in aanmerking voor deze behandeling. Het gaat hierbij om jongeren met een BMI (body mass index) van meer dan 40, of om jongeren met een BMI van 35 tot 40 die daarnaast een ziekte hebben die samenhangt met ernstig overgewicht, zoals diabetes type 2, leververvetting en cardiovasculaire problemen.
En hoe heeft deze groep zich de laatste vijf jaar ontwikkeld? Wat is de verwachting voor 2030 en 2035?
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.5 Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht wel significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd. De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 20246 komt naar voren dat het aantal mensen met overgewicht de komende 25 jaar naar verwachting zal toenemen. In 2050 zal 64% van de Nederlanders overgewicht hebben. Hierbij wil het kabinet benadrukken dat dit om een verwachte stijging gaat, waarbij geen rekening gehouden wordt met nieuw beleid of toekomstige ontwikkelingen. Desalniettemin geven deze percentages aan dat we onverminderd moeten blijven inzetten op de doelstellingen en ambities zoals geformuleerd in de preventiestrategie.
Is helder welke oorzaken ten grondslag liggen aan het ontwikkelen van obesitas als minderjarige?
Overgewicht wordt veroorzaakt door een complex samenspel van persoonlijke, leefstijl en omgeving gerelateerde oorzaken, waaronder ongezonde voeding. Mensen, ook kinderen en jongeren en hun ouders en verzorgers, worden in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welbevinden zijn twee van de belangrijkste leefstijlfactoren in het streven naar een gezond gewicht, naast aandacht voor onderliggende determinanten van gezondheid als bijvoorbeeld kansengelijkheid en armoedebestrijding. Mensen worden dagelijks bewust en in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Er is op veel plekken vaak een overwegend groter aanbod ongezonde opties dan gezonde opties en niet iedereen heeft de juiste gezondheidsvaardigheden om gezonde voedingsopties te kiezen. Daarnaast kunnen onderliggende problemen in het gezin een gezonde leefstijl in de weg staan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan medische, psychische en psychosociale factoren of sociaal-maatschappelijke problemen zoals schulden of werkloosheid. Voor een duurzame verandering is daarom meer nodig dan alleen ondersteuning van het kind gericht op voeding, beweging en slaap.
Wat kunnen ouders doen om te voorkomen dat een zware medische ingreep noodzakelijk gaat worden?
Jongeren zijn vatbaarder voor het aanleren van zowel gezonde als ongezonde gewoonten. En een gezonde thuisomgeving vormt een belangrijke basis voor een gezonde start.7
De gezondheid van kinderen wordt beïnvloed door factoren in de thuissituatie, zoals opvoeding, voedingspatronen, beweging, schermgebruik en sociale omstandigheden. Ouders en andere opvoeders spelen hierbij een belangrijke rol. Jong geleerd is immers ouder gedaan.8 Tegelijkertijd kunnen ouders dit niet alleen. Hier zet het kabinet dan ook op in vanuit de preventiestrategie.
Voor kinderen en jongeren die al overgewicht hebben is het belangrijk om tijdig na te gaan of er passende hulp en ondersteuning nodig is. Ouders kunnen hun zorgen bespreken met bijvoorbeeld de JGZ, met het sociaal wijkteam, en met zorgprofessionals zoals de huisarts of de kinderarts. Vanuit het AZWA continueert het kabinet de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas. Op deze manier investeert het kabinet in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Maar zoals ook in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, ontstaan overgewicht en obesitas door een complex samenspel van verschillende factoren. Een zware medische ingreep is simpelweg niet altijd te voorkomen.
Het artikel 'In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval»?1
Ja.
Is het correct dat Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, een lijst met potentiële doelwitten in Europa heeft gepubliceerd?
Op social media heeft Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, aangegeven dat de Russische strijdkrachten over een lijst beschikken van Europese faciliteiten die drones maken en andere materialen die potentiele doelen kunnen zijn voor de Russische strijdkrachten. Verder zijn de uitlatingen van president Medvedev onacceptabel en druisen in tegen de democratische normen & waarden.
Is het correct dat op deze lijst ook «dronefabriek Destinus» in Hengelo staat?
Media hebben op 16 april 2026 gemeld dat het bedrijf Destinus uit Hengelo op de lijst zou staan.
Staat deze dronefabriek in Hengelo? Produceert deze fabriek drones voor Oekraïne?
Het is openbare informatie dat het hoofdkantoor van Destinus in Hengelo is gevestigd. Naast Hengelo heeft Destinus vestigingen verspreid over Europa.
Over welke systemen waar worden geproduceerd, worden geen uitspraken gedaan.
Kan Rusland, bijvoorbeeld met de Oreshnik, deze dronefabriek uitschakelen?
Het kabinet doet geen uitspraken die inzage geven in de informatiepositie van Nederland ten aanzien van de capaciteiten van wapensystemen van potentiële tegenstanders.
Heeft Nederland de militaire capaciteit om een Oreshnik die wordt afgeschoten vanuit Rusland op deze dronefabriek te onderscheppen?
Het kabinet doet geen uitspraken die inzage geven in de effectiviteit van Nederlandse wapensystemen in relatie tot de wapensystemen van potentiële tegenstanders.
Is het correct dat de (woon)wijk De Nijverheid, op slechts anderhalve kilometer van deze dronefabriek ligt?
Voor wat betreft het hoofdkantoor is dat correct.
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Het kabinet doet geen uitspraken die inzage geven in de informatiepositie van Nederland ten aanzien van de capaciteiten van wapensystemen van potentiële tegenstanders. Tevens geeft het kabinet geen uitspraken die inzage verschaffen in de paraatheid van de Nederlandse detectie- en afweercapaciteiten met betrekking tot die wapensystemen.
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – specifiek in de (woon)wijk De Nijverheid, mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is de verwachte tijd – en dus de maximale waarschuwingstijd voor bewoners in de omgeving – tussen het moment waarop de Oreshnik wordt gelanceerd en het moment waarop de raket de dronefabriek treft?
Zie antwoord vraag 8.
Is het, wat u betreft, wenselijk en redelijk, dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de burgers van Hengelo en de bewoners van De Nijverheid in het bijzonder aan deze risico’s worden blootgesteld omdat er een dronefabriek gevestigd is in Hengelo die drones produceert voor een oorlog die, in ieder geval wat Forum voor Democratie betreft, niet onze oorlog is?
Het kabinet hoopt dat de vragen die het lid Van Houwelingen stelt een onderschrijving zijn van de Russische dreiging. Daarnaast hoopt het kabinet dat hiermee Forum voor Democratie inzet op een herziening van het tot op heden uitgedragen standpunt rond de Russische dreiging en het kabinet steunt in maatregelen om Nederland te beschermen tegen de Russische dreiging.
Om de Russische dreiging het hoofd te bieden, bouwt Nederland samen met haar bondgenoten aan een robuuste afschrikking en paraatheid. Door onder andere de slagkracht van Oekraïne te steunen, draagt Nederland bij aan een afschrikkende werking tegen de Russische Federatie.
Daarnaast is het de inzet van het Kabinet om de eigen militaire slagkracht verder te versterken, zodat een potentiële tegenstander wordt afgeschrikt en, mocht het toch tot een conflict komen, deze effectief kan worden afgeweerd en de bevolking van Nederland en haar bondgenoten kan worden beschermd.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn en afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Ja, daar heeft het kabinet kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Het onderzoek levert een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ, maar vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
De inzet van de POH-GGZ draagt bij aan het laagdrempelig toegankelijk houden van de zorg. De beleidsdoelen van de POH-GGZ zijn breder dan het voorkomen van specialistisch ggz-gebruik en aantoonbare symptoomverbetering alleen. De POH-GGZ draagt er namelijk aan bij om de huisartsenzorg te versterken, laagdrempelige ondersteuning te bieden en psychische klachten vroegtijdig te signaleren. Het uitblijven van aantoonbaar betere mentale gezondheidsuitkomsten op populatieniveau kan niet alleen worden herleid naar de inzet van de POH-GGZ en heeft te maken met heel veel andere factoren, zoals de grotere vraag en toegenomen complexiteit van de zorgvraag in de GGZ. Tevens is het voorkomen van verergering van klachten moeilijk meetbaar.
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Het klopt dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ tussen 2011 en 2021 is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 patiënten per jaar. Het klopt ook dat het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven. Het kabinet is van mening dat uit deze ontwikkeling niet zonder meer kan worden afgeleid dat de POH-GGZ een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd. Wel deelt het kabinet de conclusie dat de introductie van de POH-GGZ heeft bijgedragen aan het creëren van meer behandelaanbod. Dit was ook een van de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ. Een mogelijke vervolgvraag is of een deel van de patiënten die bij de POH-ggz geholpen wordt op een andere plek beter kan worden geholpen. Bijvoorbeeld daar waar het overbruggingszorg betreft van patiënten met complexe zorgvragen die op een wachtlijst staan voor vervolg behandeling, of waar het voornamelijk sociale problemen betreft. Er is hier reeds beleid op ingezet. In het AZWA is daarom onder andere afgesproken om in te zetten op laagdrempelige steunpunten, mentale gezondheidsnetwerken, een verbeterde samenwerking tussen het sociaal domein en de eerstelijnszorg, en om de positie van de POH-GGZ te versterken door extra uren mogelijk te maken (verhoging van 12 naar 16 uren POH-GGZ per huisartsenpraktijk. Hiermee streven we naar een passende inzet van zorgprofessionals en het voorkomen van specialistische zorg.
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
In 2023 betroffen de uitgaven aan de POH-ggz 255 miljoen euro.2 Patiënten en huisartsen ervaren meerwaarde van de POH-GGZ. De POH-GGZ is een laagdrempelig aanspreekpunt dicht bij huis, helpt bij het verhelderen van hulpvragen en ondersteunt bij het vinden van passende vervolgstappen. Daarnaast ervaren huisartsen dat de POH-GGZ een belangrijke bijdrage levert aan de toegankelijkheid van zorg voor mensen met mentale klachten. Het onderzoek vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
In het IZA is een hogere maximuminzet van de POH-GGZ afgesproken (van 12 uur naar 16 uur inzet POH-GGZ per huisartsenpraktijk). Deze en aanpalende afspraken in het IZA zijn mede ingegeven door de hoge druk op de zorg, specifiek huisartsenzorg. De POH-GGZ speelt een belangrijke rol in de praktijken, voor patiënten met (licht) psychosociale klachten die zich bij de huisarts presenteren en ook niet snel in de basis of specialistische GGZ terecht kunnen. In het IBO mentale gezondheid en ggz3 wordt verwezen naar een onderzoek wat zich vooral richt op de verschillen tussen praktijken. Dit wijst erop dat wanneer de inzet van POH-GGZ in huisartsenpraktijken hoog is, er minder mensen met een depressie of klachten van depressieve aard in de generalistische basis-ggz of specialistische ggz terechtkomen.4 Daarnaast heeft het Trimbos een aantal onderzoeken naar de POH-GGZ uitgevoerd. Dit zijn onderzoeken naar de effectiviteit, doelmatigheid, patiëntervaringen en de organisatie van POH-GGZ.5
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
De toegankelijkheid van de gespecialiseerde ggz is een complex probleem. Het kabinet is via verschillende routes bezig met het oplossen van deze problematiek. In het AZWA (afspraak C6) zorgen de partijen in de ggz gezamenlijk dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. En het kabinet zet zich met de routekaart passende zorg ggz in om meer sturing op passende zorg voor de patiënt met een complexe zorgvraag te creëren. Dit is ook onderdeel van de kabinetsreactie op het IBO Mentale gezondheid en ggz, wat het kabinet voor de begrotingsbehandeling van VWS zal versturen. Daarnaast draagt de POH-GGZ bij aan laagdrempelige toegang tot psychische ondersteuning, vroegsignalering, passende triage en ondersteuning van de huisarts. Hiermee reiken de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ verder dan enkel een instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek levert, net als de andere onderzoeken zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ. Momenteel is een onafhankelijke evaluatie van de POH-GGZ niet aan de orde. Volgende maand gaat het Ministerie van VWS met onderzoeker Roger Prudon en mensen uit de praktijk in gesprek over het recente onderzoek. In dit gesprek zullen het onderzoek, de interpretatie en de mogelijke beleidsimplicaties aan bod komen.
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet neemt de aanbevelingen uit het onderzoek serieus. Hoewel het onderzoek concludeert dat de toegenomen inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar heeft bijgedragen aan het verminderen van de druk op de basis en gespecialiseerde ggz, wil het kabinet benadrukken dat de POH-GGZ een breder doelt dient. Zo is de POH-GGZ ook bedoeld voor o.a. het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz, ondersteuning van huisartsen, inzetten op vroegsignalering, en effectievere triage en zorg dicht bij huis. Daarnaast zijn er, in bijvoorbeeld het AZWA, maatregelen genomen om de effectieve inzet van de POH-GGZ te bevorderen. Mentale gezondheidsnetwerken zorgen ervoor dat de druk op de gespecialiseerde ggz afneemt, doordat de huisarts, het sociaal domein, de ggz en ervaringsdeskundigen samenwerken in het Verkennend Gesprek. Ook het versterken van de samenwerking van eerstelijnszorg en het sociaal domein zorgt voor de inbedding van de POH-GGZ in het (preventieve) zorgstelsel. Het Ministerie van VWS gaat, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7, verder in gesprek over dit onderzoek.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
Ik ben ermee bekend dat de provincie Gelderland werkt aan vernieuwing van haar ontgrondingenbeleid. Ik heb begrepen dat de uitwerking daarvan op dit moment plaatsvindt. Het meest recente document in die fase is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau2. Op basis daarvan is niet vast te stellen welke richting de provincie voor het vernieuwde beleid gaat kiezen en of er gevolgen zijn voor de toekomstige beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen.
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050 heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenW met uw Kamer gedeeld per brief van 23 april 20243. In de twee destijds onderzochte economische scenario’s neemt bij ongewijzigd beleid tot 2050 de vraag naar grind, steenslag, industriezand en kalkzandsteenzand af, vooral door de lager geprognosticeerde bevolkingsgroei en nieuwbouw vanaf 2030. In beide scenario’s is de verwachting dat de vraag naar ophoogzand en klei zal stijgen, vooral door de behoefte voor de kustverdediging.
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
Nee. Zulke cumulatieve effecten zijn ook niet vast te stellen. Provincies kunnen te allen tijde beleidskeuzes maken die meer of minder ruimte geven voor vergunningen voor de winning van primaire bouwgrondstoffen. Dat betekent overigens niet dat er een lineaire relatie is tussen provinciale beleidskeuzes en de nationale beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen. Er is bijvoorbeeld ook sprake van import en export.
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
In de brief die ik parallel met deze antwoorden aan uw Kamer aanbied, is dit nader beschreven.4 Suppletiezand is voorlopig voldoende voorhanden maar om de bereikbaarheid ervan voor de (verdere) toekomst te verzekeren, moeten wellicht vanaf 2037 in bepaalde delen van de Noordzee meer wingebieden worden gereserveerd. Bij gelijkblijvende winning kan de Nederlandse productie van industriezand, ophoogzand en klei tot 2050 even groot zijn als de verwachte nationale vraag. Uit gesprekken met Rijkswaterstaat en de provincies blijkt dat er voor ophoogzand en industriezand momenteel nog voldoende ruimte is met betrekking tot de lopende vergunningen (verleend en in aanvraag). Lopende vergunningen van grote winningen worden, gelet op de maximale looptijd van vijftien jaar, vaak verlengd en/of uitgebreid. Grind is daarvoor onvoldoende aanwezig en moet, net als tot dusver, grotendeels worden geïmporteerd. Verder in de toekomst kijken betekent meer en grotere onzekerheden. Daarom beschrijf ik in de brief maatregelen die erop gericht zijn om de situatie te monitoren en indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Bouwgrondstoffen worden in Nederland geïmporteerd en geëxporteerd. In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer wordt gerefereerd aan onderzoeken waaruit volgt dat de Nederlandse import en export een omvang heeft van de orde-grootte van enkele tientallen procenten van de binnenlandse productie.
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Bij meer druk op de binnenlandse winningscapaciteit zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen. De afgelopen decennia werd in voorkomende gevallen vooral meer geïmporteerd. Daarnaast kan de markt het gebruik van primaire bouwgrondstoffen op diverse manieren verminderen, bijvoorbeeld door bouwmaterialen te hergebruiken, door bij locatiekeuzes meer rekening te houden met de benodigde hoeveelheid ophoogzand en door het aanpassen, en door het renoveren, verduurzamen, optoppen en transformeren van bestaande gebouwen te stimuleren.
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Geïmporteerde grond, bagger en bouwstoffen moeten om in Nederland op of in de bodem te kunnen worden toegepast voorzien zijn van een milieuverklaring bodemkwaliteit, waarvoor de regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hier ligt een keuring aan ten grondslag. Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit moet blijken of PFAS in deze keuring is meegenomen. Geïmporteerd materiaal moet aan dezelfde voorwaarden voldoen als niet geïmporteerd materiaal.
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Op basis van het landelijke beeld, dat is beschreven in de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer, zie ik vooralsnog weinig risico’s voor de woningbouwopgave en infrastructuurprojecten. Indien de binnenlandse winning van industriezand en ophoogzand afneemt zal de markt op zoek gaan naar andere oplossingen, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8. Suppletiezand moet voldoende beschikbaar zijn voor de kustverdediging. Daarom is in de ontwerp Nota Ruimte opgenomen dat het van belang is op de Noordzee extra ruimte voor zandwinning te reserveren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 6 blijf ik de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
In het ontwerp van de Nota Ruimte is beschreven dat de reserveringszone voor zandwinning op de Noordzee is aangewezen als het gebied waarbinnen zandwinning als activiteit van nationaal belang (voor waterveiligheid en klimaatbestendige inrichting) voorrang heeft op ander ruimtegebruik.
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven verantwoordelijk is voor het indienen van de aanvragen voor omgevingsvergunningen voor ontgrondingen. Daarbij moet het bedrijfsleven zich richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. De provincies hebben in het huidige ontgrondingenbeleid de verantwoordelijkheid om een vergunningaanvraag te beoordelen op ruimtelijke en milieukundige aspecten. De provincies wegen hierbij ook het belang van de primaire bouwgrondstoffen voor waterveiligheid, infrastructuur en woningbouw mee.
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat het bedrijfsleven zich bij aanvragen voor een vergunning moet richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. In het huidige ontgrondingenbeleid wegen de provincies de winning van primaire bouwgrondstoffen mee bij het opstellen van regionale ruimtelijke plannen en in vergunningprocedures.5
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer beschrijf ik dat ik via monitoring zicht ga houden op vraag en aanbod en dat ik een structureel overleg zal organiseren om samen met de provincies en de winbedrijven zicht te houden op het aantal ingediende vergunningaanvragen, de voortgang van de vergunningverlening en de ruimte onder de lopende vergunningen.
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Ja. Ik blijf de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik informeer uw Kamer mocht dit laatste zich voordoen.
Voortgezette samenwerking met Walraven via Aurexys bv |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wist u, op het moment dat u instemde met de overdracht van de contracten naar Aurexys bv, dat de strafrechtelijk vervolgde verdachten achter DTS Armory daar aandeelhouder van waren? Zo ja, waarom heeft u die overdracht dan toch gefaciliteerd?
Voorzover bekend zijn de eigenaren van Aurexys B.V. niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Ook in dit geval is deze lijn gevolgd.
Aurexys bv heeft dezelfde eigenaar als DTS Armory en de verdachten achter DTS Armory waren er aandeelhouder van. Waarom beschouwt u dit dan toch als «een ander bedrijf»?
Defensie doet, in de gevallen waar u met uw vraag op doelt, zaken met een rechtspersoon en niet met een natuurlijk persoon. Aurexys B.V. is een andere rechtspersoon dan DTS Armory B.V. en kan daardoor zelfstandig overeenkomsten aangaan.
Klopt het dat u al sinds 15 november 2025 wist dat de wapenvergunning van DTS Armory was ingetrokken wegens verdenking van fraude? Waarom is er pas ná de publicaties van Follow the Money ingegrepen, en is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd? Deelt u de conclusie dat hier dus geen sprake was van daadkrachtig optreden?
De overheveling van het contract van DTS Armory B.V. naar Aurexys B.V. is direct na kennisneming van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie op 15 november 2025 in gang gezet en heeft geleid tot het ondertekenen van een overeenkomst op 3 december 2025. Er was op dat moment geen aanleiding om deze overheveling aan de Tweede Kamer te melden. De eerste publicatie van Follow the Money was op 13 maart 2026.
U stelde in De Balie dat Defensie «meteen» had gehandeld en niet meer met Walraven zou samenwerken, maar stelde in het Kamerdebat dat lopende contracten gewoon doorlopen. Hoe duidt u deze tegenstrijdigheid?
Het klopt dat wij geen zaken meer doen met het aan de heer W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. vanwege het ontbreken van de juiste vergunningen, maar het klopt niet dat wij op dit moment geen zaken doen met andere aan hem gelieerde bedrijven. Ik maak daarom van deze gelegenheid gebruik om mijn uitspraak bij De Balie te verhelderen. Naar aanleiding van een opmerking van een andere gespreksdeelnemer inzake het intrekken van een vergunning op grond van de Wet Wapens en Munitie van een aan de heer W. gelieerd bedrijf, reageerde ik onder andere met: «daarna is ook meteen gehandeld vanuit Defensie dat we met deze persoon niet meer kunnen samenwerken». Daarmee bedoelde ik niet de heer W. persoonlijk, maar het betreffende aan dhr. W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. De heer W. is niet onherroepelijk veroordeeld en daarom is er in dit geval ook geen grond tot het op voorhand uitsluiten van een aan hem gelieerde rechtspersoon.
In het debat zei u: «Dat is niet waar. Er is geen persbericht.» Via uw woordvoerder werd dit later bijgesteld tot: er is geen persbericht «waarin melding wordt gemaakt van een specifieke leverancier». Erkent u dat dit twee wezenlijk andere uitspraken zijn en dat uw oorspronkelijke ontkenning niet juist was aangezien het persbericht over deze levering openbaar op de website van Defensie staat?1
Een van de onderwerpen waarover ik met uw Kamer heb gesproken tijdens het Commissiedebat Materieel van 3 juni 2026, is de levering van boten door een aan de heer W. gelieerd bedrijf. Daarna was er verschil van inzicht met uw Kamer over het al dan niet uitgegaan zijn van een persbericht over de levering van de boten. Ik merkte op dat Defensie daarover geen persbericht heeft uitgegeven en bedoelde daarmee een persbericht waarin specifieke aantallen of leverancier(s) vermeld zijn. Er is vanuit Defensie op 4 juni 2025 een persbericht uitgegaan over een maritiem steunpakket voor Oekraïne. Vorig jaar is in dat persbericht een indicatie gegeven van het aantal te leveren boten, maar is geen exact aantal genoemd noch welke partij(en) deze levert. In een Kamerbrief van 17 juni 2025 over het verslag van de NAVO bijeenkomst gehouden op 5 juni 2025 te Brussel en voorafgegaan door een bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 4 juni 2025, zijn wel specifieke aantallen genoemd.2
Defensie bevestigt «zaken te doen met bedrijven waar de heer Walraven aan gelieerd is». Om welke bedrijven en bedragen gaat het en is hierbij ook de drone-onderneming Hyllus bv betrokken, waarvan Walraven gevolmachtigde is?
Defensie maakt deze informatie niet openbaar. Ik bied uw Kamer aan om hier in een vertrouwelijke technische briefing nader op in te gaan.
Voor welk totaalbedrag heeft Defensie inmiddels contracten gesloten met DTS Armory, Aurexys bv en andere aan Walraven gelieerde bedrijven en wat is daarvan tot op heden daadwerkelijk in Oekraïne geleverd? Hoe kan de Kamer controleren of deze honderden miljoenen aan gemeenschapsgeld doelmatig zijn besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met álle bedrijven waarbij Walraven betrokken is daadwerkelijk te beëindigen en te garanderen dat de overige partijen in het Oekraïne-project hun werk zonder zijn betrokkenheid kunnen voortzetten? Zo nee, waarom niet ook gezien uw eerdere uitspraak in De Balie?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden, vóór de voortzetting van het commissiedebat Materieel op 10 juni?
Vanwege de samenloop in beantwoording zijn enkele vragen gecombineerd.