Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
In bepaalde situaties kan dit inderdaad het geval zijn. Door de stapeling van, op zichtzelf goed uitlegbare, regels en eisen is beleid en regelgeving door de jaren heen ingewikkeld geworden voor burgers, bedrijven en medeoverheden.
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Voor evenementen gelden, net als voor elke andere bedrijfsmatige activiteit, regels vanuit verschillende belangen en bestuursorganen. In dit geval regels zoals in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), Wet publieke gezondheid en Wet veiligheidsregio’s en de Omgevingswet. Tegelijkertijd ziet dit kabinet dat er soms sprake is van onnodige regeldruk. Daarom heeft dit kabinet stevige ambities ten aanzien van vereenvoudiging van regels en vermindering van regeldruk. Vereenvoudiging betekent het terugdringen van onnodige regels, stapeling van regels, uitzonderingen en complexiteit in wet- en regelgeving, processen en dienstverlening, maar ook bijvoorbeeld het harmoniseren van regelingen en het stoppen met opvragen van informatie die de overheid al heeft. Op dit moment verkent de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, hiervoor de mogelijkheden. Ik verwijs ook naar de beantwoording van de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid van 15 april 2026 op vragen uit de Tweede Kamer over regeldruk bij paasvuuractiviteiten.
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Met name bij de organisatie van kleinere evenementen kunnen dit soort regels sneller als niet proportioneel worden ervaren. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Maar naast regels in het omgevingsplan die gericht zijn op de belangen voor de fysieke leefomgeving gelden ook nog steeds de regels voor de openbare orde en veiligheid en de publieke gezondheid. Een dorpsfeest met 150 bezoekers moet soms aan dezelfde veiligheidsnormen voldoen als een groot festival. Het kabinet is aan de slag om regeldruk te verminderen en heeft als ambitie om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Alle bewindspersonen en hun departementen krijgen hiervoor een opgave, gecoördineerd door de Taskforce Slagvaardige Overheid. Hiernaast is het de bedoeling dat ook medeoverheden, toezichthouders, uitvoeringsorganisaties, publieke dienstverleners en andere betrokken partijen een rol krijgen in de vereenvoudigingsopgave op hun werkterrein. Het kabinet wil ook afspraken gaan maken met gemeenten om praktische belemmeringen, zoals evenementenregels, te verminderen.
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Zoals hierboven toegelicht zijn de regels voor lokale gemeenschapsactiviteiten onder andere afhankelijk van de omvang van het evenement, de locatie waar het evenement plaatsvindt en de risico’s voor de openbare orde en veiligheid. Dat betekent ook dat er voor verschillende locaties verschillende regels, zowel nationaal als decentraal en vanuit verschillende belangen kunnen gelden. En afhankelijk van de geldende regels kan er sprake zijn van een vergunning- of meldingsplicht. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) staan regels die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid waarvoor de burgemeester verantwoordelijk is. Landelijk gelden er regels vanuit de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg, en de Wet veiligheidsregio’s, de Warenwet, de Wegenverkeerswet, de Wet milieubeheer en de Omgevingswet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 zijn de regels hierin voor evenementen, zoals regels over brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur door harmonisatie gewijzigd of staan ze op een andere plek dan voorheen.
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
De Omgevingswet vraagt om een decentrale en integrale afweging van de verschillende belangen in de fysieke leefomgeving, zoals brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er lang niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn over wat er mogelijk is. Zo kan in het omgevingsplan het gebied worden aangewezen waar evenementen kunnen worden gehouden en welke regels daar precies gelden, zoals een geluidsnorm. Gemeenten worden vanuit het ministerie ondersteund bij het anders werken met de mogelijkheden van de Omgevingswet.
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Zoals hierboven toegelicht zijn de administratieve verplichtingen afhankelijk van de geldende regels en die worden bepaald door de omvang en de locatie van het evenement en de risico’s voor openbare orde en veiligheid. Er moet een goede balans moet zijn tussen de bescherming en veiligheid van aanwezigen en de lasten die de lokale regelgeving opwerpt voor deelnemers. Hierbij kan het ook helpen als de regels goed worden uitgelegd aan betrokkenen, zodat er draagvlak voor ontstaat.
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Ja, het is mogelijk voor gemeenten om in het omgevingsplan aan te geven op welke locatie evenementen mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn. Gemeenten worden door mijn ministerie en door de koepels VNG, UvW en IPO ondersteund bij het anders werken onder de Omgevingswet en krijgen informatie hierover ook via het Informatiepunt Leefomgeving.
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
In het kader van onze gezamenlijke ambities ten aanzien van vereenvoudiging en vermindering van regeldruk zijn wij in gesprek met de decentrale overheden en maatschappelijke organisaties hierover en zetten wij dit gesprek de komende tijd voort.
Het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
De berichten over grootschalige datalekken zijn zorgwekkend, vooral gezien de mogelijk schadelijke gevolgen voor getroffen betrokkenen. Het is belangrijk dat getroffen burgers, wanneer het waarschijnlijk een hoog risico betreft, goed worden geïnformeerd zodat zij weten waar zij aan toe zijn en daartoe gepaste stappen kunnen ondernemen. Ik wil voorzichtig zijn met het spreken van «structurele tekortkomingen». Elk incident is anders en kan een eigen oorzaak hebben, en het is niet uitgesloten dat er sprake kan zijn van een zeer geavanceerde cyberaanval waartegen zelfs goed beveiligde bedrijven kwetsbaar zijn.
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn verplicht om alle datalekken te documenteren, bijvoorbeeld in een register. Naast het lek zelf moeten ook de feiten en de gevolgen van het datalek en de genomen corrigerende maatregelen worden geregistreerd. Het doel van een dergelijk register is bewustwording en te leren van eerdere datalekken, alsook het nemen van effectieve maatregelen om de kans op nieuwe, soortgelijke datalekken te verminderen. Ook stelt het de toezichthouder in staat te controleren of de meldplicht wordt nageleefd. Daarnaast houdt de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de bij haar gemelde datalekken bij. Niet alle datalekken worden gemeld of zijn meldplichtig: een melding bij de AP is alleen verplicht als de inschatting is gemaakt dat het waarschijnlijk is dat het datalek een risico oplevert voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, zoals de bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer. De AP rapporteert jaarlijks over de meldplicht datalekken. Het kabinet beschikt niet over een register van alle datalekken, maar ziet vooralsnog niet dat sprake is van een tekort aan inzicht en van de noodzaak tot het treffen van maatregelen om dat te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Een datalek hoeft niet te duiden op onvoldoende structurele naleving van de AVG; ook goed beveiligde organisaties, overheden en bedrijven kunnen worden getroffen. Daarbij betekent een datalek op zich niet dat er ook sprake is van een overtreding van de AVG. Het gaat er verder vooral om hoe bedrijven handelen nadat een datalek is geconstateerd. Dat handelen kan bestaan uit het nemen van (extra) beveiligingsmaatregelen, het naleven van de meldingsplicht en transparante communicatie richting de getroffen betrokkenen. Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn – als verwerkingsverantwoordelijke – gehouden om gedegen risico-analyses te maken en een daaraan gekoppelde passende interne beveiligingscultuur en snel en adequaat te handelen in geval van een incident.
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen zijn nodig?
Het kabinet is van mening dat de AP over voldoende middelen beschikt om de (toezicht- en handhavings)taken die voortvloeien uit de AVG en de UAVG uit te voeren. De AP mag zelf bepalen hoe zij de middelen die zij voor AVG-toezicht ontvangt, verdeelt over de afzonderlijke AVG-toezichtstaken. Zoals genoemd in de beleidsreactie op de evaluatie van de AP2 wil het kabinet samen met de AP stappen zetten om te komen tot een meer objectieve basis die ondersteunend is bij de besluitvorming over een passende hoogte van het budget van de AP. Een landenvergelijkend onderzoek kan daarbij een nuttig instrument zijn.
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
De AVG biedt in principe voldoende normen voor het nemen van passende beveiligingsmaatregelen voor alle organisaties en bedrijven die (op grote schaal) persoonsgegevens verwerken. Passende beveiligingsmaatregelen houden concreet onder meer in dat organisaties en bedrijven bij risicovolle en/of grootschalige gegevensverwerkingen vooraf een Data Protection Impact Assessment (DPIA) dienen uit te voeren. Dit is een instrument om voorafgaand aan de verwerking de privacyrisico’s in kaart te brengen om daarmee de impact op de rechten van betrokkenen te beoordelen en gerichte maatregelen te nemen om deze risico’s te verkleinen. Daarnaast zijn organisaties en bedrijven in het geval van grootschalige gegevensverwerking vaak verplicht om een functionaris voor gegevensbescherming (FG) aan te stellen. De FG is een onafhankelijke toezichthouder binnen een organisatie of bedrijf die toeziet op de naleving van de AVG en adviseert over het zorgvuldig verwerken van persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke heeft voor het treffen van passende beveiligingsmaatregelen een verantwoordingsplicht. Gelet hierop zie ik geen noodzaak voor extra (strenge) maatregelen. Wel geldt straks voor organisaties en bedrijven die opereren in voor de samenleving cruciale sectoren, waaronder onder andere de transport- en energiesector, het bankwezen en de digitale infrastructuur, de Cyberbeveiligingswet. Deze wet is op 15 april jl. door uw Kamer aangenomen en treedt later dit jaar in werking. De Cyberbeveiligingswet is de doorvertaling van de Europese NIS2- en CER-richtlijn die lidstaten weerbaarder moeten maken tegen gevaren van buitenaf, waaronder cyberdreigingen. De wet verplicht onder andere tot het uitvoeren van een risicoanalyse en het op basis daarvan treffen van passende en evenredige maatregelen voor het betreffende netwerk- en informatiesysteem. Ook hebben organisaties en bedrijven op grond van deze wet een zorg-, meld- en registratieplicht.
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties, doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen met verschillende partijen?
Ja. De Europese Digitale Identiteit (EDI) stelt burgers in staat binnen de hele Europese Unie digitaal te legitimeren of in te loggen op websites. Het veilig delen van persoonsgegevens behoort daar ook toe, waarbij enkel de gegevens worden gebruikt die strikt noodzakelijk zijn.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Het is binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat (jaarlijkse) voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de (jaarlijkse) subsidievoorschotten en een jaar later worden bijgesteld op basis van de (jaarlijkse) definitieve correctiebedragen. Dit betekent dat er dus geen sprake is van terugwerkende kracht als de definitieve correcties afwijken (naar beneden of naar boven) van de daaraan voorafgaande voorlopige correcties. Volgens de staatssteunregels moeten de inkomsten voor de waarde van Garanties van Oorsprong (GvO) van groen gas in mindering worden gebracht zodra in het onafhankelijke advies van PBL hier een waarde voor kan worden bepaald. Die waarde van de GvO van groen gas was bij de voorlopige correctiebedragen 2025 voor groen gas nog niet bekend, maar ten tijde van de definitieve correctiebedragen 2025 wel en dus moet daar dan rekening mee worden gehouden.
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Zoals hierboven toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem binnen de SDE++. Producenten van groen gas hebben overigens in tegenstelling tot andere technieken binnen de SDE++ als voordeel dat ze gebruik kunnen maken van verschillende manieren van stimulering (keuze tussen SDE++-subsidie of verplichtingen voor energie en vervoer). Groengasprojecten kunnen dus per maand besluiten voor welke stimulering ze in aanmerking willen komen. Zij kunnen hier bij het aangaan van hun contracten rekening mee houden.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 1 is het binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de jaarlijkse subsidievoorschotten en een jaar later kunnen worden bijgesteld op basis van de definitieve correctiebedragen. Ik herken mij niet in het beeld dat de communicatie niet tijdig was. In de Kamerbrief over de SDE++ 2023 van 17 februari 2023 was opgenomen dat gecorrigeerd zal worden voor de GvO-waarde voor groengasprojecten vanaf 2023, zodra deze te bepalen is. In het eindadvies voor de SDE++ 2025 (gepubliceerd op 21 februari 2025) heeft het Planbureau voor de Leefomgeving voor het eerst een waarde voor de GvO opgenomen. Vervolgens is hier via een Kamerbrief van 6 juni 2025 op gewezen. Daarna heeft RVO het ook nog opgenomen in communicatie naar projecten.
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Nee. Zoals eerder toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen en is compensatie of een hersteloperatie daarom niet aan de orde.
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?
Zoals hiervoor aangegeven, er is geen sprake van aanpassing met terugwerkende kracht maar van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen waar de subsidieontvangers rekening mee houden. Een belangrijk uitgangspunt van de SDE++ is om de hoogte van de subsidie te baseren op een zo goed mogelijke inschatting van de marktwaarde van het product. Dat geldt zeker voor groen gas waar de waarde van GvO’s substantieel kan zijn. Het bewust later invoeren van de correctie voor de waarde van GvO’s voor groen gas staat op gespannen voet met de hiervoor geschetste uitgangspunten en zou kunnen leiden tot niet toegestane overstimulering.
Het kabinet realiseert zich terdege dat de sector wacht op perspectief. Het opschalen van de groengasproductie is een belangrijk element voor het verduurzamen en weerbaar maken van de energievoorziening. Vanwege dit belang zet het kabinet in op inwerkingtreding van een bijmengverplichting voor groen gas per 1 januari 2027. Dit biedt deze producenten namelijk zekerheid op lange termijn en stimuleert zo verdere opschaling. Het wetsvoorstel hiertoe is onlangs ingediend bij de Tweede Kamer.
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD), Berendsen , Enneüs Heerma (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Ja.
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
In de Kamerbrief over de «Acties weerbaarheid energieschok»1 heeft het kabinet een eerste analyse gemaakt van mogelijke overwinsten in de olie- en gassector. In deze analyse is geconcludeerd dat de marges met name bij de productie van ruwe olie zijn opgelopen, maar dit wordt vrijwel volledig in het buitenland gematerialiseerd. Daarnaast heeft het kabinet ook indicaties van toegenomen marges in de raffinagesector. Hierbij is echter een belangrijke kanttekening dat het kabinet geen zicht heeft op de prijsafspraken die individuele bedrijven maken. Operators verhandelen olievolumes bijvoorbeeld (deels) middels een vast-prijscontract tegen een vooraf vastgestelde prijs, waardoor de invloed van hogere prijzen op de winsten mogelijk uitblijft. Bovendien betekent een hogere marge nog niet dat sprake is van een (in Nederland eventueel te belasten) overwinst. Tot slot heeft het kabinet geen indicatie dat de marges bij pomphouders zijn toegenomen. In de onlangs gepubliceerde monitor brandstofprijzen van het ACM worden deze conclusies bevestigd.
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het kabinet heeft geen onderzoek gedaan naar de prijsontwikkeling in andere Europese lidstaten.
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Het is in een vrije markteconomie normaal dat winsten fluctueren, afhankelijk van vraag-aanbod en prijsontwikkelingen. In Nederland hebben raffinaderijen bijvoorbeeld periodes van lagere winsten, maar ook periodes van hogere winsten. Dat gezegd hebbende is het niet de bedoeling dat fossiele bedrijven profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Het kabinet deelt het belang om de kosten- en prijsontwikkeling bij olie- en gasbedrijven goed in de gaten te houden. De ACM publiceert sinds halverwege deze maand daarom iedere week een monitor brandstofprijzen. Op basis hiervan concludeert het kabinet dat er geen aanwijzingen zijn dat pomphouders momenteel hogere winstmarges realiseren als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. Dit is naar verwachting wel het geval in de raffinagesector, waarvan een deel in Nederland staat. Daarnaast worden ook extra winsten gemaakt bij de productie van ruwe olie. Dit zit echter vrijwel volledig in het buitenland. Conform de aangenomen motie van de leden Klaver en Paternotte2 pleit het kabinet in Europees verband voor een aanpak van eventuele overwinsten bij energiebedrijven.
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Het kabinet heeft recent een aantal maatregelen genomen om de eerste effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Eventuele extra winsten in de olie- en gassector leiden ook tot meer inkomsten in de vennootschapsbelasting. Deze sectoren zijn sterk internationaal verweven. Voor het belasten van eventuele extra winsten bovenop de vennootschapsbelasting, kiest het kabinet daarom een Europese aanpak. Zo roept het kabinet de Europese Commissie op tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast roept het kabinet op om de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten.
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
De Commissie heeft onlangs aangegeven geen voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting te gaan publiceren. De Commissie heeft in de Accelerate EU mededeling van 22 april jl. wel steun aan lidstaten aangeboden voor het vormgeven van nationale maatregelen toegespitst op het belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven. De Nederlandse oliemarkt is sterk verweven met die van andere Europese landen. In de discussie over het belasten van overwinsten is het daarom van belang om te blijven optrekken met andere Europese lidstaten. Ook in de andere lidstaten speelt deze discussie, maar heeft het nog niet tot nieuwe concrete voorstellen voor wetgeving geleid. Het kabinet blijft echter aandacht vragen bij de Commissie om in Europees verband tot een aanpak voor het belasten van eventuele overwinsten te komen en zal hierbij ook zoveel mogelijk optrekken met andere gelijkgestemde lidstaten.
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Het kabinet heeft tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei opgeroepen tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft het kabinet opgeroepen op EU-niveau de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei als op de informele Energieraad van 12 en 13 mei. Deze oproep heeft vooralsnog niet geleid tot een nadere analyse of voorstel van de Europese Commissie (hierna: Commissie). De Commissie heeft onlangs aangegeven geen voorstel voor een geharmoniseerde overwinstbelasting te gaan publiceren. De Commissie heeft in de Accelerate EU mededeling van 22 april jl. wel steun aan lidstaten aangeboden voor het vormgeven van maatregelen toegespitst op het belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven. De Nederlandse oliemarkt is sterk verweven met die van andere Europese landen. In de discussie over het belasten van overwinsten is het daarom van belang om te blijven optrekken met andere Europese lidstaten. Ook in de andere lidstaten speelt deze discussie, maar heeft het nog niet tot nieuwe concrete voorstellen voor wetgeving geleid. Het kabinet blijft aandacht vragen bij de Commissie om in Europees verband tot een aanpak voor het belasten van eventuele overwinsten te komen en zal hierbij ook zoveel mogelijk optrekken met andere gelijkgestemde lidstaten.
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Het kabinet heeft recent een aantal maatregelen genomen om de eerste effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Het tijdelijk of permanent extra belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven is daar geen onderdeel van, hier kiest het kabinet namelijk een Europese aanpak.
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
De betreffende EU Verordening c.q. de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage (en de tijdelijke verhoging van de cijns) leiden tot meerdere procedures. Het gaat daarbij zowel om nationaalrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures als om arbitrageprocedures. Tegen de tijdelijke solidariteitsbijdrage en tijdelijke verhoging van de cijns zijn in totaal 33 bezwaren ingediend bij de Belastingdienst, met een gezamenlijk bestreden bedrag van circa 2,7 miljard euro. Van deze bezwaren zijn er inmiddels twee in beroep aanhangig bij de rechtbank. De overige bezwaren zijn nog in behandeling. Daarnaast is een aantal partijen een arbitrageprocedure gestart, bijvoorbeeld op grond van het Energiehandvestverdrag. Het is onder meer met het oog op de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de vertrouwelijkheid van de arbitrageprocedures niet aan het kabinet om een volledig overzicht van de betrokken partijen en de geschilpunten te geven. Het kabinet verwijst voor de arbitragezaken waarvan de Kamer reeds op de hoogte is gebracht naar de brieven aan uw Kamer van 20 januari jl. en 18 mei jl.3 Een aantal bedrijven uit de olie- en gassector hebben daarnaast rechtstreeks beroep tegen de EU-verordening ingediend bij het Europees Hof van Justitie.
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Ik kan bevestigen dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen tussen Shell en ExxonMobil en de Staat. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd, onder meer in de Kamerbrief inzake de start van de AoH-arbitrage.4 Ik kan ook bevestigen dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van een arbitrageprocedure tussen Petrogas en het Koninkrijk der Nederlanden.5 Indien gewenst kan uw Kamer een vertrouwelijke briefing ontvangen over deze procedures. Dit vanwege de verplichte geheimhouding ten aanzien van de inhoud van de arbitrageprocedure.
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Ja. Het kabinet verwijst naar de brief van het kabinet aan uw Kamer van 20 januari jl. en 18 mei jl.6
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
Ja. Het kabinet verwijst naar de brief aan uw Kamer van 18 mei jl.8
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Het kabinet heeft inderdaad aangegeven dat een overwinstbelasting aandachtspunten kent. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afbakening van het subject (de belastingplichtige) en het object (de belastbare grondslag). Om die reden zijn vorige kabinetten terughoudend geweest met het invoeren van een solidariteitsbijdrage.9 Als gevolg van de geopolitieke situatie en de daaruit ontstane zeer uitzonderlijke omstandigheden in 2022 is een EU-verordening aangenomen met daarin een tijdelijke solidariteitsbijdrage. Het kabinet Rutte IV heeft – ingevolge deze EU-verordening – de tijdelijke solidariteitsbijdrage voor 2022 ingevoerd. Over deze tijdelijke solidariteitsbijdrage worden momenteel meerdere juridische procedures gevoerd (zie ook het antwoord op vraag 13). Indien gewenst kan uw Kamer hier een vertrouwelijke briefing over ontvangen.
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Het introduceren van een nieuwe overwinstbelasting of crisisheffing is niet per definitie onmogelijk, maar elke specifieke situatie vergt een afzonderlijke weging. Voor nu kiest het kabinet voor een Europese aanpak bij het belasten van eventuele extra winsten bij olie- en gasbedrijven.
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 20 en 21.
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Het staat in onze rechtsstaat vrij om naar de rechter te stappen tegen overheidsmaatregelen. Daarnaast heeft Nederland afspraken gemaakt over basisstandaarden van goed bestuur in verdragen waardoor bedrijven die hebben geïnvesteerd vanuit een ander land waarmee Nederland een dergelijk verdrag heeft onder bepaalde omstandigheden een arbitrageprocedure kunnen starten. Het gaat hierbij om basisstandaarden zoals we die ook in ons nationale recht kennen.
Het staat partijen vrij om gerechtelijke toetsing van maatregelen te vragen bij een tribunaal dat daarover rechtsmacht heeft, wat afhangt van de specifieke omstandigheden van elk afzonderlijk geval. Uiteraard zal de Staat in dergelijke procedures verweer voeren. Het indienen van een vordering staat derhalve niet gelijk aan het toegewezen krijgen daarvan.
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Het kabinet verwijst naar het antwoord op vraag 23.
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
De Nederlandse overheid handelt bij de voorbereiding en uitvoering van (fiscale) maatregelen binnen de geldende nationale en internationale juridische kaders. Het staat investeerders echter op grond van investeringsbeschermingsovereenkomsten met ISDS-clausules vrij om een geschil aan te spannen bij een tribunaal wanneer zij menen dat de in het verdrag vastgelegde bescherming is geschonden. In investeringsbeschermingsovereenkomsten betreft dat afspraken over goed bestuur zoals we die ook in het nationale recht kennen. Maar een zaak aanspannen wil niet zeggen dat die zaak ook gewonnen wordt. Wanneer een tribunaal in een concreet geval toch tot het oordeel komt dat Nederland een verdragsverplichting heeft geschonden, kan dit financiële gevolgen hebben, bijvoorbeeld in de vorm van schadevergoeding.
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
In beginsel worden de materiële bepalingen van investeringsbeschermingsovereenkomsten opgesteld om wederzijdse investeringen tussen twee staten aanvullende bescherming te bieden. Dit beoogt het investeringsklimaat in beide landen te versterken. Wanneer een investeerder van de andere verdragspartij meent dat de staat een dergelijke beschermingsbepaling schendt kan deze, onder voorwaarden, op basis van de in de overeenkomst opgenomen procedures een geschil aanhangig maken bij een arbitragetribunaal. Het kabinet hecht hierbij belang aan het expliciet verduidelijken van de beleidsruimte van overheden in investeringsbeschermingsovereenkomsten en helder afgebakende beschermingsstandaarden. Dit vormt daarom ook een onderdeel van de moderniseringsinzet van het kabinet. De modernisering van dat stelsel herbevestigt expliciet het recht van Staten om in het publieke belang te reguleren, zoals op het terrein van klimaat- en energiebeleid. De gemoderniseerde Nederlandse modeltekst bevat daarbij ook bepalingen over duurzame ontwikkeling, waaronder een bepaling waarin de verplichtingen uit multilaterale overeenkomsten op het gebied van milieubescherming, zoals het Klimaatakkoord van Parijs, worden bevestigd.
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?
Het Datalek bij Basic-Fit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , van Bruggen |
|
|
|
|
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de Autoriteit Persoonsgegevens al een onderzoek is gestart naar aanleiding van het datalek bij Basic-Fit?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) doet geen mededelingen over eventuele lopende onderzoeken. Haar onafhankelijkheid brengt bovendien mee dat het aan de AP zelf moet worden gelaten in welke gevallen een onderzoek noodzakelijk en wenselijk is.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of er wordt gekeken naar een mogelijke overtreding van artikel 5 AVG?
Over die informatie beschik ik niet. Mocht het inderdaad zo zijn dat de AP onderzoek doet, dan informeert zij het kabinet daar niet over, ook niet desgevraagd. Op grond van artikel 52 AVG treedt de AP volledig onafhankelijk op en blijft zij vrij van externe invloed en vragen.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de regelgeving (voornamelijk de AVG) of de handhaving moet worden aangescherpt, wellicht omdat sommige AVG-artikelen onduidelijk of achterhaald zijn?
Ik beschik niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont, mede gezien de brede werkingssfeer van de AVG. Het komt eerder aan op naleving van de regelgeving; dat deze in voorkomende gevallen tekort schiet, is eerder toe te schrijven aan verschillende andere factoren dan aan de bepalingen in de AVG zelf.
Basic-Fit valt niet onder de Cyberbeveiligingswet. Deelt u de opvatting dat grote bedrijven met veel data onder de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet zouden moeten vallen als «belangrijke entiteit»? Basic-Fit genereert namelijk zo’n 1,4 miljard omzet.
Omdat de NIS2-richtlijn streeft naar harmonisatie tussen de lidstaten, is in de NIS2-richtlijn bewust bepaald alleen essentiële en belangrijke entiteiten uit specifieke kritieke sectoren, subsectoren en soorten entiteiten onder het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn te brengen die zeer belangrijk zijn voor het functioneren van de economie en maatschappij. Incidenten bij deze entiteiten kunnen leiden tot verstoring of compromittering van hun dienstverlening. Deze kunnen grote economische schade veroorzaken of in sommige gevallen ook tot ontwrichting van de samenleving leiden. Bij de omzetting van de NIS2-richtlijn heeft het kabinet ervoor gekozen om niet meer te regelen dan op grond van de Europese regelgeving noodzakelijk is. Dit zou een nationale kop zijn en het kabinetsbeleid is dat er geen nationale koppen komen op Europese regelgeving.
Als Basic-Fit onder de Cyberbeveiligingswet zou vallen, had volgens u beiden het datalek dan voorkomen kunnen worden (voornamelijk in het licht van de zorgplicht)?
Op grond van de zorgplicht in de Cyberbeveiligingswet moeten essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen nemen om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Zorgplichtmaatregelen dragen bij aan het voorkomen van een incident, het beperken van de impact van een incident, het efficiënt en effectief reageren op een incident en het zo snel mogelijk herstellen van een incident. Het risico op een datalek blijft echter altijd aanwezig en kan daarom nooit geheel worden voorkomen.
Kunt u beiden iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Simon Ceulemans (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Zie de inhoudelijke beantwoording hieronder.
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
De cijfers die in het artikel worden aangehaald zien op het aantal eerste asielaanvragen en de nationaliteiten van de aanvragers. Deze cijfers worden maandelijks door de IND gepubliceerd in Asylum Trends, te vinden via https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-en-publicaties/asieltrends.
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
De samenstelling van de categorie «nationaliteit onbekend» kan niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden.
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Het klopt dat er niet altijd duidelijkheid is over de nationaliteit van de vreemdeling. De beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is onderdeel van de asielprocedure. Dat een vreemdeling geregistreerd staat met onbekende nationaliteit hoeft hier echter niet mee te maken te hebben. Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten of om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld dan wel om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een vreemdeling met onbekende nationaliteit geregistreerd staat, wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. Als de vreemdeling geen bekende nationaliteit heeft, maar er is geen twijfel over de identiteit en herkomst van de vreemdeling, kan de aanvraag getoetst worden aan het land van gebruikelijk verblijf. Het niet kunnen toewijzen van een nationaliteit hoeft dus niet in de weg te staan aan het kunnen beoordelen van de aanvraag.
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Zoals aangegeven in de voorgaande beantwoording lijkt het hier grotendeels te gaan om personen die al een asielstatus hebben in Griekenland. In algemene zin is niet te zeggen door hoeveel landen deze vreemdelingen hebben gereisd alvorens ze een aanvraag indienden in Nederland.
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Nee, niet zover mij bekend.
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 6 en 9.
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND standaard of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, of dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zogenaamde 1F-gedragingen (ernstige misdrijven). Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Dit kabinet wil meer grip krijgen op migratie. Naast de specifieke inzet beschreven in antwoord 9, geldt dat belangrijke stappen daarin de inwerkingtreding van het Pact en de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel zijn.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Het kabinet kan het afwijkende beeld dat uit de rapportage van de meldweken naar voren komt niet goed verklaren. Om meer inzicht te krijgen in deze signalen uit de praktijk is er mede daarom op korte termijn een gesprek ingepland met de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en de Vereniging Jonge Apothekers (VJA). Het kabinet is zich er natuurlijk terdege van bewust dat het wisselen van medicijnen voor patiënten erg vervelend kan zijn en bijvoorbeeld stress kan opleveren. Tegelijk is het goed te melden dat verantwoord wisselen van geneesmiddel mogelijk is. In de Leidraad Verantwoord Wisselen2 zijn door alle betrokkenen, waaronder vertegenwoordigers van apothekers, voorschrijvers en patiënten, heldere afspraken vastgelegd over welke medicijnen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Ook is duidelijk vastgelegd wat de rol van voorschrijver en apotheker hierin is. Dat wisselingen in geval van tekorten bij veel patiënten tot gezondheidsverslechtering zou leiden zou niet zo moeten zijn. Temeer daar het bij veruit de meeste van de wisselingen gaat om een wisseling tussen producten met dezelfde werkzame stof maar dan met een andere verpakkingsgrootte, van een ander merk, of geïmporteerd uit een ander land. Alleen in uitzonderlijke gevallen, als er geen enkele andere optie is, vinden er wisselingen plaats tussen medicijnen met een andere werkzame stof. En zeker dan wordt door de betrokken zorgverleners een uiterst zorgvuldige afweging gemaakt. Dat neemt niet weg dat het kabinet er samen met veldpartijen, waaronder ook de apothekers, in goede samenwerking alles aan blijft doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 snapt het kabinet dat het wisselen van medicijnen voor patiënten vervelend kan zijn en stress kan opleveren, en in uitzonderlijke gevallen zelfs kan leiden tot suboptimale zorg. Daarom blijft het kabinet er samen met de veldpartijen, waaronder ook de apothekers, alles aan doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Het kabinet heeft in het antwoord op vraag 3 uit de eerdere set vragen3 over dit bericht laten weten de signalen van de apothekers te kennen. Ook heeft het kabinet laten weten deze signalen serieus te nemen en mee te nemen in de gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid. Het gaat daarbij onder andere om de gesprekken die het kabinet voert over de uitvoering van de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)4 om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. De afspraken beogen om de impact van tekorten te verminderen, niet alleen voor de patiënt maar ook voor apotheekteams. In het kader van de afspraken maken de koepels van zorgverleners en zorgaanbieders uit de sector zo goed als mogelijk inzichtelijk wat de impact van tekorten is bij hun achterban en deelt de uitkomsten met het Ministerie van VWS. Op dit moment legt het Ministerie van VWS met de betrokken stakeholders de laatste hand aan een werkagenda om de afspraak uit te voeren. Zodra iedereen de werkagenda heeft ondertekend, deelt het kabinet deze met de Kamer. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 te informeren over de inhoud van de werkagenda.
Daarnaast zijn LEF (Landelijk Eerstelijns Farmacie) en de VJA (Vereniging Jonge Apothekers) naar aanleiding van de brandbrief uitgenodigd voor een gesprek over de signalen. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden.
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
In de vraag worden drie maatregelen genoemd: de Leidraad Verantwoord Wisselen, de «ijzeren voorraad» (die tegenwoordig de veiligheidsvoorraad genoemd wordt) en de afspraken onder het AZWA. Kortheidshalve gaat het kabinet hier alleen op deze drie maatregelen in. Voor alle andere afgeronde, lopende en voorgenomen maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren verwijst het kabinet naar de recent verstuurde voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen5 en kabinetsreactie Periodieke Evaluatie Beschikbaarheid Medische producten.6
In de Leidraad Verantwoord Wisselen zijn afspraken vastgelegd over het wisselen van geneesmiddelen en de verantwoordelijkheid van onder andere arts en apotheker hierbij. Deze werkafspraken bieden duidelijkheid aan apotheker, patiënt, voorschrijver en zorgverzekeraar welke geneesmiddelen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Veldpartijen hebben de Leidraad in eigen beheer. Periodiek wordt de Leidraad door veldpartijen onderling geëvalueerd en geüpdatet. Daar is het kabinet niet bij betrokken. Omdat de Leidraad mede tot stand is gekomen om mogelijke ongewenste effecten van het preferentiebeleid te ondervangen, worden de effecten van de Leidraad Verantwoord Wisselen meegenomen bij de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid. In deze evaluatie worden ook de effecten van dit beleidsinstrument op het apotheekteam onder de loep genomen.
De AZWA-afspraken over het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen hebben op dit moment nog geen effect omdat deze afspraken pas recent door de deelnemende veldpartijen akkoord zijn bevonden. De deelnemers starten dit jaar met de uitvoering. De timing van mijlpalen en uiteindelijke afronding verschilt per deelafspraak. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 nader te informeren over de inhoud en uitvoering van deze werkagenda. Daarbij zal het kabinet ook ingaan op de beoogde impact van de werkagenda «aan de balie.»
Dan ten slotte de «ijzeren voorraad». Het traject om grotere voorraden van geneesmiddelen in de productie- en distributieketen aan te leggen stamt uit 2019. Bij de start van het traject was het voornemen inderdaad om het aanhouden van in totaal vijf maanden voorraad te verplichten. Dit beleidsvoornemen is in meerdere stappen bijgesteld tot de huidige acht weken in totaal, zoals de beleidsregel over de verplichte veiligheidsvoorraad op dit moment vereist.7 Hier is de Kamer op verschillende momenten nauwgezet over geïnformeerd.8, 9, 10 De huidige hoogte van de veiligheidsvoorraad van in totaal acht weken is gebaseerd op een balans tussen enerzijds het risico op leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen en anderzijds de negatieve neveneffecten die een (hoge) voorraad kent. Bij die negatieve neveneffecten kan gedacht worden aan spillage, aan ongelijke verplichtingen tussen Europese lidstaten en aan onnodige financiële risico’s voor leveranciers en groothandels. Bovenop deze wettelijke veiligheidsvoorraden heeft het kabinet een subsidie verstrekt voor het aanleggen en aanhouden van een extra voorraad van kritieke geneesmiddelen door groothandels. Eind vorig jaar heeft adviesbureau Strategies in Regulated Markets (SiRM) in opdracht van branchevereniging BG Pharma een onderzoek uitgevoerd naar het effect van deze extra voorraden op de beschikbaarheid van geneesmiddelen.11 Hierin constateert SiRM dat er in 2025 minder en minder lange geneesmiddelentekorten zijn optreden bij volgesorteerde groothandels.
Dit effect blijkt het grootst bij geneesmiddelen waarvoor een (extra) voorraad is aangelegd, zoals de verplichte veiligheidsvoorraad en de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen onder de subsidie.
De genoemde maatregelen maken zoals aangegeven deel uit van een veel breder pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren, waarover het kabinet de Kamer regelmatig informeert. In 2025 konden voor het tweede jaar op rij minder tekorten worden gemeld in de data van apothekers.12 Tegelijkertijd – zoals terecht in de vraag wordt opgemerkt – ondervonden in 2025 nog steeds circa 3,5 miljoen Nederlanders de gevolgen van tekorten en kost het oplossen van tekorten een grote inzet van zorgpersoneel. Daarom kan de Kamer ervan op aan dat het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor het kabinet een prioriteit blijft.
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Op de vraag in hoeverre de kosten en baten van het preferentiebeleid tegen elkaar opwegen kan het kabinet inderdaad – zoals in de vraag terecht geconstateerd – lopende de onafhankelijke evaluatie naar dit instrument geen uitspraken doen. U kunt de uitkomsten van het onderzoek en de reactie van het kabinet daarop eind 2026 tegemoet zien.
In de tussentijd is het kabinet niet van plan een tijdelijke maatregel te nemen. Het kabinet kan zich namelijk niet mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars en apotheken in de zorgcontractering met elkaar vastleggen over de uitvoering van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen. Als apotheken van oordeel zijn dat de afspraken die zij hierover met zorgverzekeraars hebben gemaakt niet redelijk en billijk zijn of onverwachts ongewenste gevolgen hebben, kunnen zij hierover in gesprek gaan met de zorgverzekeraar, al dan niet via de zorgmakelaar die in hun opdracht de onderhandelingen heeft gevoerd. Ook kunnen zij dit meenemen bij hun inzet in de onderhandelingen voor het nieuwe contractjaar (2027).
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Het kabinet is bekend met de trend dat het aantal fabrikanten per geneesmiddelen afneemt. De rol van het preferentiebeleid daarin kan het kabinet echter niet vaststellen. Mogelijk brengt de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid daar verandering in. Eén van de effectgebieden waar de onafhankelijke evaluatie naar gaat kijken is het effectgebied geneesmiddelenmarkt. Het onderzoeksbureau zal daarbij ook onderzoeken of het preferentiebeleid impact heeft op het aantal aanbieders van geneesmiddelen.
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Het model van laagste prijs plus bandbreedte (LPG+), waar in vraag 8 van de eerdere set vragen13 over dit bericht aan gerefereerd werd, is een bestaande variant van het inkoopmodel Laagste Prijs Garantie (LPG). Zowel LPG als LPG+ worden in de inkoop toegepast door zorgverzekeraars, naast het preferentiebeleid. Het aandeel van LPG en LPG+ is in de afgelopen jaren afgenomen naarmate meer geneesmiddelen zijn opgenomen in het preferentiebeleid en naarmate meer zorgverzekeraars preferentiebeleid zijn gaan voeren. Wel worden de modellen vaak toegepast als alternatief model in geval een preferent aangewezen product niet leverbaar is. Anders dan de vraag lijkt te veronderstellen gaat het dus voor zover het kabinet bekend niet om een nieuw alternatief, maar om een beproefd en gangbaar inkoopmodel. LPG en varianten daarop komen dan ook met enige regelmatig aan de orde in gesprekken van het kabinet met veldpartijen.
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het lijkt het kabinet zinvol om deze evaluatie af te wachten.
Daar komt bij dat het kabinet zich niet kan en wil mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars, apotheken, groothandels en leveranciers met elkaar maken over de toepassing van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen, al dan niet als onderdeel van de zorgcontractering.
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Alle leden van de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen is gevraagd om informatiebronnen die zij van belang achten voor het onderzoek aan te leveren. Ook de KNMP, de ASKA, de NApCo en OptimaFarma zijn lid van deze werkgroep en daarmee in de gelegenheid om de volgens hen van belang zijnde informatie over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie in te brengen. Bij verzending van deze antwoorden staat de uitvraag nog open. In het eindrapport van de evaluatie, dat de Kamer eind 2026 zal ontvangen, wordt een overzicht opgenomen van alle geraadpleegde bronnen zodat de lezer zich een oordeel kan vormen of de verschillende perspectieven op dit onderwerp voldoende zijn meegenomen.
De onderzoeksfase van de evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau,. In algemene zin acht het kabinet het voor het maken van goed beleid van bijzonder groot belang dat bewindspersonen en ambtenaren in nauw contact staan met de praktijk en de burger, niet alleen met de vertegenwoordigers of koepels daarvan. In dat kader is het goed te vermelden dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, onlangs, op 4 mei 2026, op werkbezoek is geweest bij een apotheek en dat in de toekomst waarschijnlijk nog regelmatig zal doen. Ook de bij deze vraagstukken betrokken ambtenaren hebben regelmatig contact met apothekers, het gesprek met de vertegenwoordigers van LEF en VJA is daar een voorbeeld van.
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Ja.
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Nee. In de antwoorden op de Feitelijke Kamervragen bij de Voorjaarsnota 2026 is de verdeling van het budgettaire belang over de gebruikers van de innovatiebox inzichtelijk gemaakt op basis van de aangiftegegevens van de Belastingdienst over 2023. Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Het is daarom niet mogelijk om exacte informatie of exacte bedragen per belastingplichtige te noemen. Ik heb geen zicht op de bronnen van journalisten, maar in algemene zin staat het bedrijven vrij om inzicht te geven in hun eigen fiscale verplichtingen en daarbij behorende belastingvoordelen, bijvoorbeeld via hun jaarverslag.
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik niet specifiek ingaan op de individuele posities van belastingplichtigen. Ik herken wel het beeld dat het voordeel van de innovatiebox grotendeels terecht komt bij een aantal internationaal opererende bedrijven. Deze bedrijven nemen een groot deel van de investeringen in R&D voor hun rekening. Daarnaast spelen deze bedrijven een centrale rol in de innovatie-ecosystemen in Nederland en betalen ze een relatief groot deel van de totale vennootschapsbelasting in Nederland. De innovatiebox bewerkstelligt kort samengevat dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de innovatiebox om het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven te bevorderen en om innovatie in Nederland te stimuleren.
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Het kabinet is het niet eens met de suggestie dat gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers jaarlijks extra belasting moeten betalen doordat Nederland een innovatiebox heeft. De innovatiebox heeft volgens het kabinet namelijk per saldo een positief effect op de Nederlandse economie. Bedrijven die vrijwel al hun activiteiten naar het buitenland verplaatsen kunnen geen of nauwelijks winst toerekenen aan Nederland op basis van internationale transfer pricing-regels. Als er geen winst in Nederland wordt gemaakt, levert de innovatiebox ook geen belastingvoordeel op. Het feit dat een bedrijf wel gebruikmaakt van de innovatiebox, bewijst juist dat er nog steeds economische activiteiten (zoals R&D, octrooibeheer of productontwikkeling) in Nederland plaatsvinden en dat er in Nederland belasting wordt betaald.
De innovatiebox is niet automatisch toepasbaar op alle winsten. Bedrijven moeten aantonen dat de winsten voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Als een bedrijf geen of minder R&D in Nederland verricht, kan het ook geen of minder gebruik maken van de regeling. Daarnaast worden voordelen gekort als R&D-werkzaamheden binnen het concern worden uitbesteed.
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
De combinatie van WBSO in de aanloopfase (directe korting op loonkosten) en de innovatiebox bij doorgroeien (lager effectief tarief op de winst) vormen tezamen het generieke innovatie-instrumentarium. Bedrijven wegen de combinatie van de voordelen van beide regelingen mee bij hun beslissingen over het land waarin ze investeren in R&D. Uit de evaluatie van de innovatiebox uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek en Dialogic blijkt dat de innovatiebox bijdraagt aan R&D-investeringen, hoewel het effect minder sterk is dan bij de WBSO. De maatschappelijke baten van innovatie slaan door spill-over effecten breder neer. Ook toeleveranciers van bedrijven met veel innovatie hebben meer kans om door te groeien en te innoveren. Naast de innovatiebox (outputzijde; winsten) worden bedrijven in Nederland ook aan de inputzijde (kosten) gestimuleerd om te innoveren door de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO). De innovatiebox is daarnaast primair bedoeld om Nederland aantrekkelijk te houden voor innovatieve ondernemingen, zowel om bedrijvigheid uit het buitenland aan te trekken als om te voorkomen dat bestaande activiteiten vertrekken. Zonder een dergelijke regeling zou Nederland zichzelf uit de markt prijzen, omdat veel andere landen inmiddels vergelijkbare of gunstigere fiscale regimes hebben. Het gaat hierbij niet alleen om nieuwe innovatie, maar ook om het behouden van bestaande economische waarde (zoals octrooien en kennisintensieve arbeidsplaatsen).
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Het hoofddoel van de innovatiebox is het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet kiest er daarom voor om de bestaande regeling in de huidige vorm voort te zetten. Dat neemt niet weg dat het kabinet gaat onderzoeken hoe de toegang tot de regeling kan worden verbeterd. Daarbij zal ook aandacht zijn voor kleinere bedrijven. Uw Kamer wordt hier na de zomer verder over geïnformeerd.
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven kunnen alleen gebruikmaken van de innovatiebox voor winsten die voortkomen uit zelf ontwikkelde innovaties in Nederland. Wanneer een bedrijf vrijwel al zijn activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst, kan het bedrijf geen of nauwelijks winst aan Nederland toerekenen op basis van internationale transfer pricing-regels. In dat geval kan een bedrijf dus ook niet of in zeer beperkte mate profiteren van de innovatiebox.
Daarnaast wordt nogmaals benadrukt dat het kabinet een groot belang hecht aan een stabiel en voorspelbaar vestigingsklimaat. Uit de evaluatie blijkt dat de innovatiebox hieraan bijdraagt. Het kabinet kiest er daarom voor om de regeling in de huidige vorm voort te zetten.
Het TNO-rapport 'Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk' |
|
Daniël van den Berg (JA21), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het TNO-rapport «Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit rapport dat de robotiseringsgraad van de Nederlandse maakindustrie achterblijft ten opzichte van internationale koplopers?
Ik deel de constatering dat Nederland wat betreft robotisering van de industrie achterblijft ten opzichte van de internationale koplopers zoals Zuid-Korea, China en Duitsland. Nederland staat wereldwijd op de twaalfde plek qua robotdichtheid, aldus het rapport. Maar de mate van robotisering moet ook worden bezien in de context van de samenstelling van de Nederlandse industrie die in vergelijking met andere landen bijvoorbeeld een betrekkelijk kleine auto-industrie heeft terwijl in deze sector wereldwijd veel robots geïnstalleerd zijn.2
Kunt u de Kamer een actuele, sectorale uitsplitsing sturen van robotadoptie in de Nederlandse maakindustrie, inclusief een onderscheid tussen het mkb en het grootbedrijf?
Deze exacte cijfers worden niet jaarlijks bijgehouden door de regering of het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2023 heeft het CBS hier een enquête over uitgestuurd. De CBS Internationaliseringsmonitor Digitalisering 2023 – III laat zien dat medium- en medium-hoog technologische bedrijven (respectievelijk 38% en 35% van de bedrijven) in Nederland vaker robots in het productieproces gebruiken dan laag- en hoogtechnologische bedrijven (respectievelijk 25% en 20% van de bedrijven). De categorie medium- en medium-hoogtechnologische sectoren omvat sectoren zoals de chemische industrie, de metaalindustrie en de elektronische industrie. Ook maken bedrijven met boven de 100 werkzame personen vaker gebruik van robots dan bedrijven met minder dan 100 werkzame personen.3 Daarnaast laat een dataset van het CBS uit 2025 over ICT-gebruik bij kleine bedrijven zien dat bedrijven met meer dan 250 werkzame personen vaker gebruik maken van robotondersteunde procesautomatisering en servicerobots of autonome voertuigen (respectievelijk 25% en 15% van de bedrijven) dan bedrijven met minder dan 250 werkzame personen (respectievelijk 2% en 1% van de bedrijven).4
Welke belemmeringen voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie wegen volgens u op dit moment het zwaarst?
Over het algemeen spelen verschillende macro-economische factoren zoals handelsbarrières, loonkosten en conjunctuur een rol. Daarnaast zijn onder meer de vaardigheden van personeel, digitale gereedheid en acceptatie van het bedrijf en de hoge investeringen met lange terugverdienkosten belemmeringen voor adoptie van robotisering. Het is lastig om aan te geven welke van deze factoren het zwaarste weegt. De mate waarin deze factoren de adoptie van robotisering verhinderen kan namelijk per bedrijf verschillen. Een bedrijf met een lagere liquiditeit zal bijvoorbeeld minder snel in robots investeren dan een kapitaalkrachtiger bedrijf.
Op welke Nederlandse evaluaties, studies of modelanalyses baseert het kabinet zijn oordeel over het effect van robotisering op arbeidsproductiviteit, leveringszekerheid en concurrentiekracht?
Er is in het recente verleden veel onderzoek gedaan naar automatisering en robotisering. Bijvoorbeeld door het Centraal Planbureau (CPB),5 het Joint Research Center (JRC) van de Europese Commissie,6 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),7 de Internationale Federatie van Robotica (IFR)8 en wetenschappelijke studies.9 In algemene zin laten deze studies zien dat robotisering in de korte termijn kan bijdragen aan gematigde productiviteitsverhoging via een hogere benuttingsgraad van productielocaties, een vermindering van fouten en snellere doorlooptijden. Effecten op productiviteitsverhoging zijn vaak vertraagd zichtbaar door implementatiekosten, organisatorische aanpassingen en leercurves van werknemers.
Op middellange termijn kan robotisering een bijdrage leveren aan het concurrentievermogen van de maakindustrie via een verbetering van de kwaliteit, schaalbaarheid en kostenefficiëntie van productie.
Op de lange termijn kan robotisering ook een bijdrage leveren aan de leveringszekerheid. Zo kunnen kostenvoordelen en hogere kwaliteit leiden tot reshoring van productie vanuit het buitenland naar Nederland en maakt robotisering ons minder afhankelijk van schaars technisch personeel. Voor leveringszekerheid is het van belang om naast robotadoptie ook enige vorm van controle te hebben over relevante software, hardware, technische (onderhouds-) skills en componenten. Een risico is namelijk dat Nederland met een hogere mate van robotisering ook meer afhankelijk wordt van de benodigde besturingssystemen, grondstoffen en onderdelen, zoals batterijen en chips.
Deze studies geven een vergelijkbaar beeld als het TNO-rapport Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk.
Welke bestaande rijksinstrumenten kunnen mkb-maakbedrijven momenteel benutten voor automatisering, digitalisering en robotisering? Kunt u ook aangeven hoe vaak hier gebruik van wordt gemaakt?
Het kabinet heeft, samen met de EU en de provincies de Europese Digitale Innovatiehubs (EDIH’s) verlengd tot en met 2028. De vijf EDIH’s hebben tot doel om de digitalisering van het innovatieve- en innovatievolgend mkb in vooral de maakindustrie te versnellen. Daarbij gaat het er om dat mkb-bedrijven daadwerkelijk de stap zetten naar toepassing van digitalisering, inclusief automatisering en robotisering. Hiertoe krijgen ze ondersteuning bij het in kaart brengen van hun digitaliseringsvraag, het berekenen van hun business-case en testen van technologie vóór investering, het trainen van medewerkers en management en het vinden van passende partners en financiering. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Dit is een agenda van en voor de maakindustrie om de digitalisering van het mkb te versnellen. Hiertoe worden mkb-ondernemers geactiveerd, bijvoorbeeld via bijeenkomsten, en methodieken ontwikkeld. Bewezen methodieken worden vervolgens op grotere schaal uitgerold door de EDIH’s. Een voorbeeld is de ontwikkeling van een standaard stappenplan om de digitale fabriek te realiseren. Over het bereik van de EDIH’s in de eerste periode (2023–2025) zijn voorlopige cijfers beschikbaar: Ruim 10.000 mkb-bedrijven hebben gebruik gemaakt van de diensten van de EDIH’s. De definitieve cijfers voor alle EDIH’s zijn in juli beschikbaar.
Zijn er fiscale prikkels, vereenvoudigingen van procedures en/of maatregelen die de regeldruk verlagen om robotinvesteringen te versnellen? Zoja, welke zijn het kansrijkst?
Ja, er bestaan belangrijke fiscale prikkels die innovatie en investeringen van bedrijven en ondernemers stimuleren, waaronder die in robotica, zoals bijvoorbeeld de WBSO10 en de Innovatiebox11. Daarnaast zijn er Fieldlabs zoals Robo-house die specifiek gericht zijn op robotisering.
Ten aanzien van regeldruk/administratieve lastenverlichting wordt er scherp gekeken naar mogelijkheden om procedures te vereenvoudigen en onnodige regels te schrappen. Ook voor de WBSO en de Innovatiebox wordt gekeken naar hoe de aanvraag makkelijker kan. Of daarmee het investeringsproces echt versnelt is de vraag, omdat dit ook van andere factoren afhangt.
Het kabinet zet daarnaast in op structurele vermindering van regeldruk voor ondernemers. Zo is de ambitie om voor de zomer voor 500 regels de regeldruk te verminderen voor ondernemers, waarbij uw Kamer in juli over de tussenstand wordt geïnformeerd. Hierna is de kabinetsambitie om jaarlijks 500 regels voor burgers en ondernemers te schrappen of vereenvoudigen.
In de Prinsjesdagbrief (september 2026) over de WBSO wordt u verder geïnformeerd over de WBSO en de Innovatiebox, en in het bijzonder over administratieve lastenverlaging voor deze regelingen.
In hoeverre vormen energiekosten, netcongestie en langdurige vergunningsprocedures momenteel een belemmering voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie?
De energiekostenstijging heeft een beperkt effect voor sectoren die veel robots inzetten zoals de auto en elektronische industrie. In algemene zin geldt dat een kostenstijging ertoe kan leiden dat bedrijven bepaalde investeringsbeslissingen uitstellen.
De gevolgen van netcongestie worden breed gevoeld in de samenleving en de economie. Bedrijven lopen aan tegen oplopende wachtrijen voor een nieuwe of zwaardere aansluiting. Dat geldt ook voor bedrijven die een bestaande productiefaciliteit willen uitbreiden of een nieuwe faciliteit willen bouwen waarin met behulp van robotica wordt geproduceerd.
Ten aanzien van vergunningsverlening behoeft de inzet van robots in het productieproces over het algemeen geen aparte vergunning, zo lang deze aan de bestaande regels voor o.a. machines en arbeidsveiligheid voldoet. Bij de bouw van een nieuwe productiefaciliteit of een aanpassing van een fabriekshal moet een ondernemer soms wel een vergunning aanvragen, bijvoorbeeld onder de Omgevingswet.
Kunt u in kaart brengen in welke mate Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten?
Het kabinet houdt niet centraal bij in welke mate individuele Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten.
Wel brengt de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) risicovolle strategische afhankelijkheden (RSAs) in kaart op nationaal niveau. In de kabinetsaanpak en voortgangsbrieven Strategische Afhankelijkheden en de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) geeft het kabinet aan dat op basis van deze (RSA) analyses handelingsopties worden ontwikkeld om risico’s te mitigeren, zoals diversificatie van leveranciers, versterking van Europese productiecapaciteit, versterking van publiek-private samenwerking en strategische voorraden.
Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan het mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden, onder meer via Europese risicobeoordelingen van kritieke technologieën. Daarbij is ook aandacht voor risico’s van extraterritoriale wetgeving, en voor het versterken van de Europese digitale en technologische weerbaarheid.
De specifieke uitkomsten van de RSA-analyses zijn vanwege gevoeligheden niet openbaar.
Welke inzet pleegt het kabinet op het gebied van standaardisatie en interoperabiliteit bij industriële robotica en hoe wordt vendor lock-in daarbij voorkomen?
Er is geen specifieke kabinetsinzet ten aanzien van standaardisatie voor industriële robotica. In bredere zin sluit de inzet van het kabinet rondom standaardisatie aan op het Europese beleid, zoals de Europese Normalisatiestrategie.12 Zo zet het kabinet bij herziening van de Normalisatieverordening in 2026 in op het sneller ontwikkelen van Europees geharmoniseerde standaarden. Daarnaast zet het kabinet in op het vergroten van de Nederlandse en Europese invloed binnen internationale standaardisatieorganisaties om zo invloedrijk te blijven op internationaal toneel.
Hoe beoordeelt het kabinet de rol van open-sourcecomponenten in industriële robotica, mede in het licht van beheerkosten, aansprakelijkheid en cybersecurity?
Open source is een concept dat vooral een rol speelt bij de ontwikkeling en distributie van software, inclusief robotica software. Het kabinet staat in beginsel positief tegenover open source software omdat dit de mededinging, leveringszekerheid en innovatie ten goede kan komen. Tegelijkertijd kan ook commerciële software, waarbij de broncode van software proprietary is, een bijdrage leveren aan het borgen van deze publieke belangen, dus ook in de ontwikkeling van robotica software. In de praktijk zal de toepassing van open source componenten case-by-case bepaald moeten worden op zijn merites. De veiligheid en daarmee de kosten van de ontwikkeling van (open source) software worden uiteindelijk bepaald door de kwaliteit van de ontwikkelings- en onderhoudsprocessen.
Welke ondersteuning is of wordt beschikbaar gesteld aan maakbedrijven, in het bijzonder mkb-bedrijven, om verbonden robots en andere operationele technologie-systemen cyberveilig in te richten en te beheren?
Het is in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om hun bedrijfsprocessen cyberveilig te houden, als onderdeel van de bredere verantwoordelijkheid voor hun eigen bedrijfsvoering. Daarnaast is er ook een rol voor de overheid in het ondersteunen van bedrijven in cyberveiligheid en weerbaarheid. Nationaal Cybersecuritycentrum (NCSC)13 biedt één loket voor bedrijven met een breed scala aan bronnen om de digitale weerbaarheid van alle bedrijven in Nederland te versterken. Op grond van de subsidieregeling «Mijn Cyberweerbare Zaak» kunnen kleinere mkb-er tot 50 medewerkers subsidie krijgen voor het nemen van cybersecuritymaatregelen. Daarnaast onderzoekt het kabinet een passend vervolg op de subsidieregeling «Versterken Cyberweerbaarheid», die was gericht op het creëren van samenwerkingsverbanden en het stimuleren van uitwisseling van kennis en kunde over cyberweerbaarheid.
Daarbij moeten aanbieders van producten met digitale componenten (alle hardware, software en componenten) die na 11 december 2027 op de markt komen in het kader van de Europese Cyber Resilience Act aan essentiële cybersecurityvereisten gaan voldoen en actief informatie over incidenten en kwetsbaarheden gaan delen. De uitvoeringswet van de verordening die dit gaat regelen is aangeboden aan Staten-Generaal. Het aannemen van deze wet maakt het onder andere mogelijk voor de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) om markttoezicht te houden op fabrikanten, importeurs en distributeurs van digitale producten en voor het NCSC om een meldpunt in te richten voor incidenten en geëxploiteerde kwetsbaarheden.
Beschikt het kabinet over een actuele raming van de behoefte aan personeel met kennis van robotica, systeemintegratie, onderhoud, data en operationele technologie-cybersecurity in de maakindustrie? En sluiten de huidige mbo-, hbo- en wo-opleidingen en bestaande om- en bijscholingsinstrumenten daarop aan?
Nee. Het kabinet monitort het tekort aan technisch geschoold personeel via het Actieplan Groene en Digitale Banen. Er is met name een kwantitatieve mismatch tussen het aanbod van technisch geschoolden en de vraag op de arbeidsmarkt. Dat komt onder meer door de vergrijzing, toenemende vraag naar technisch geschoold personeel en minder leerlingen en studenten die kiezen voor een bèta- of techniekopleiding. In 2023 was 18,6% van de studenten ingeschreven in bèta- of technische opleiding, aanzienlijk minder dan het EU gemiddelde 26,9%.14
Het tekort aan talent, waaronder bètatechnici, is een belangrijke belemmering voor het Nederlandse verdienvermogen. Dit constateert ook het rapport Wennink. Alleen meer leerlingen en studenten opleiden voor technische beroepen is onvoldoende om het tekort terug te dringen. Het kabinet werkt daarom aan een nationale talentstrategie. Binnen deze strategie worden instrumenten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit, gerichte migratie en fiscaliteit nadrukkelijker gericht op sectoren die cruciaal zijn voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Uw kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de Talentstrategie.
Hoe verbindt het kabinet civiele robotisering in de maakindustrie met dual-use toepassingen en de versterking van de Nederlandse defensie-industrie?
Robotisering in de civiele maakindustrie kan worden toegepast in de defensie- en dual-use industrie door relevante best practices uit het civiele domein toe te passen voor defensieproductie. Voorbeelden die al eerder publiekelijk zijn gedeeld, zijn o.a. de productie van defensiematerieel door VDL en de samenstelling en productie van onderdelen van militaire satellietcapaciteit door de bestaande toeleveringsketen van hoogwaardige productiemethoden uit de semicon industrie in te zetten.
Bent u bereid de Kamer een integrale kabinetsreactie op dit rapport van TNO te sturen, waarin in ieder geval wordt ingegaan op het aspect of een nationale robotiseringsagenda noodzakelijk is?
Ik zie geen aanleiding voor een integrale reactie, te meer daar ik in onderhavige antwoorden al ben ingegaan op diverse aspecten die in dit rapport aan bod komen. Wat betreft een nationale robotiseringagenda wordt robotisering in ieder geval meegenomen in de gerichte programma’s van het industriebeleid met focus, in het bijzonder in de programma’s machinebouw en digitale diensten en AI. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Ik geef de voorkeur aan een gefocuste integrale aanpak boven een veelvoud aan aparte agenda’s.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: ‘Je houdt je hart vast’' |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Ja.
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat concreet per sector inzichtelijk maken?
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur. Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere (Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar 500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei, en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie. Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en manier van overheidsingrijpen vragen.
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen, aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
De vertraging en mogelijke versobering van de verbreding van de A27 tussen Houten en Hooipolder |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dreigt de kaasschaaf voor de A27? Regio vreest nieuwe knelpunten en stilvallen van woningbouw»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat, door oplopende kosten, delen van het project A27 Houten–Hooipolder zijn uitgesteld, versoberd of heroverwogen? Zo ja, welke onderdelen betreft dit precies?
In de MIRT-brief najaar 2024 is gemeld dat het programma A27 Houten-Hooipolder te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. In de MIRT-brief van voorjaar 20252 is aangegeven dat – als gevolg van deze oplopende kosten – keuzes gemaakt moeten worden. Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder wordt er prioriteit gegeven aan het uitvoeren van de werkzaamheden die onvermijdelijk zijn; het gaat om de vervanging van de Merwedebruggen en de Hagesteinsebruggen (beide einde levensduur).
Programmaonderdelen die gericht zijn op de doorstroming, worden gefaseerd in de tijd waarbij de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (beperken van flessenhalzen) als eerste worden uitgevoerd. Het gaat hier bijvoorbeeld om de wegverbreding tussen Everdingen en Gorinchem en de aanleg van Merwedebrug Oost.
Werkzaamheden die reeds gestart zijn, worden doorgezet (knooppunt Hooipolder en aansluiting Groote Haar). Dit betekent echter ook dat andere onderdelen van het programma op een later moment worden uitgevoerd. Concreet gaat het hier om de capaciteitsuitbreiding van de Houtensebrug3 en de vervanging van de Keizersveerbruggen en aansluitende infrastructuur.
Inmiddels is de ontwerpfase van de Merwedebrug West en van de Hagesteinsebruggen afgerond. Daarmee is er meer inzicht gekomen in de planning van het programma. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031 en de Hagesteinsebruggen naar verwachting in 2034. Per separate brief (11 mei 20264) is de Kamer nader geïnformeerd over de over de laatste ontwikkelingen bij het programma A27 Houten-Hooipolder (inclusief planning en financiën).
Kunt u aangeven wat op dit moment de actuele kostenraming van het project A27 Houten–Hooipolder is, hoe deze zich verhoudt tot eerdere ramingen en welke oorzaken ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen?
Het beschikbare budget bedraagt in het MIRT 2026 € 2.998 mln. Om de onvermijdelijke onderdelen en de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (zie antwoord 2) uit te kunnen voeren bedraagt de aanvullende dekking circa € 1.850–1.970 mln.5.
Oorzaken die ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdende inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal).
Gezien de grote omvang van dit aanvullende bedrag zijn er verschillende scenario’s (bijvoorbeeld een geheel nieuw ontwerp of de renovatie van de bestaande Merwedebrug) onderzocht en zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Geen van deze opties leverde echter de beoogde kostenbesparing op zonder fors in te boeten op het beoogde resultaat. Dat resultaat moet worden bereikt gegeven het feit dat het traject één van de belangrijkste noord-zuid verbindingen van Nederland vormt. Het betreft een grote noodzakelijke vernieuwingsopgave van vitale infrastructuur (o.a. verouderde Merwedebrug en Hagesteinsebrug). Ook is er sprake van acute infrastructurele knelpunten op het tracé, die verder toenemen als gevolg van de groeiende mobiliteit.
Welke scenario’s voor fasering, versobering of bezuiniging worden momenteel onderzocht? Kunt u per scenario aangeven wat de gevolgen zijn voor capaciteit, doorstroming, verkeersveiligheid, leefbaarheid en uitvoeringstermijn?
Zie beantwoording vraag 2 en 3. Uitgangspunt blijft om het hele Tracébesluit uit te voeren en de meest urgente onderdelen als eerste op te pakken.
Deelt u de zorg dat het uitstellen van de vervanging of aanpassing van onderdelen zoals de Keizersveerbrug, de Houtensebrug en knooppunt Gorinchem ertoe kan leiden dat nieuwe of blijvende knelpunten ontstaan op het traject A27? Zo nee, waarom niet?
Bij de prioritering is de afweging zodanig gemaakt dat de kans op knelpunten zo klein mogelijk is, zie beantwoording vraag 2. Daarbij blijft het belangrijk dat het gehele programma (Tracébesluit) uiteindelijk wordt uitgevoerd.
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de betekenis van de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem voor de doorstroming op de A27, gelet op het feit dat dit traject behoort tot de grootste fileknelpunten van Nederland?
Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder is de Merwedebrug met gedeeltelijke aanpak van knooppunt Gorinchem de grootste flessenhals. Bovendien heeft de Merwedebrug einde technische levensduur bereikt en is vervanging op korte termijn noodzakelijk. Dat is de reden dat dit onderdeel van het programma met prioriteit wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat een gedeeltelijke aanpak van de A27, waarbij cruciale flessenhalzen onvoldoende worden meegenomen, het risico vergroot dat publiek geld wordt geïnvesteerd zonder dat de beoogde filevermindering daadwerkelijk wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Uiteindelijk wordt het hele Tracébesluit uitgevoerd, maar wordt de uitvoering langer over de tijd verspreid. De belangrijkste flessenhalzen worden hierbij als eerste aangepakt. Zie ook vraag 5.
Kunt u aangeven wat de verwachte effecten zijn van de huidige onzekerheid rond de A27 op de filedruk bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie indien onderdelen worden geschrapt of uitgesteld?
Voor de doorstroming is de Merwedebrug de grootste flessenhals op de A27 tussen Houten en Hooipolder. De bestaande Merwedebrug heeft einde levensduur bereikt. Naast de bestaande Merwedebrug zal de nieuwe Merwedebrug West worden gebouwd. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031. Tijdelijk zal deze brug gebruikt worden in twee richtingen. Na de sloop van de bestaande brug zal de Merwedebrug Oost (capaciteitsuitbreiding) worden gebouwd. De precieze planning van de Merwedebrug Oost is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de vervanging van de objecten Steenenhoek en Palenweg die momenteel nader wordt uitgewerkt. De vermindering van de filedruk is hiermee afhankelijk van het moment van openstellen van Merwedebrug Oost. Bij een latere opstelling van Merwedebrug West zal het bestaande knelpunt erger worden als gevolg van autonome groei (langdurigere spitsperiode). Het positieve effect van de verbreding van Gorinchem-Everdingen zal pas bij openstelling van Merwedebrug Oost zijn bereikt. Daarnaast zal er een risico zijn van terugslag van de file op de A27 over knooppunt Gorinchem.
De filedruk tijdens de uitvoering van m.n. het gedeelte Everdingen-Gorinchem zal fors zijn, hiervoor zijn de nodige nacht-, weekend- en zomerafsluitingen gepland (link planning werkzaamheden).
Welke gevolgen verwacht u van verdere vertraging of versobering voor de bereikbaarheid van Gorinchem en de omliggende regio, zowel voor bewoners als voor goederenvervoer, hulpdiensten en regionale economie?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal er langer sprake zijn van hinder door de files op het traject met gevolgen voor de bereikbaarheid.
Erkent u dat de aanhoudende onzekerheid over de A27 negatieve gevolgen kan hebben voor woningbouw, bedrijventerreinen en andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio, juist op een plek waar bereikbaarheid een essentiële randvoorwaarde is? Zo ja, hoe weegt u dat mee?
De Tweede Kamer is op 11 mei 2026 geïnformeerd over de stand van zaken van het programma A27 Houten-Hooipolder. Met deze brief wordt duidelijkheid gegeven over de planning van realisatie van dit programma. De inzet is en blijft om uiteindelijk het gehele Tracébesluit te realiseren. Zie tevens de beantwoording vraag 2 voor de onderdelen die prioriteit krijgen.
Kunt u concreet aangeven welke woningbouw- en economische ontwikkelingen langs het traject A27 Houten–Hooipolder geraakt kunnen worden door uitstel of versobering van het project?
De A27 Houten-Hooipolder is vooral een belangrijke verbindingsroute tussen het noorden en zuiden van Nederland en als ontsluiting van het rivierengebied. Deze vertraging heeft vooral hiervoor gevolgen.
Welke gevolgen heeft de huidige onzekerheid voor de ontwikkeling van openbaarvervoermaatregelen in de corridor, waaronder de snelle busverbinding tussen Breda, Gorinchem en Utrecht en de aanleg van overstappunten?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal de OV-verbinding tussen Breda en Utrecht langer hinder ondervinden van de files op het traject. Hierbij blijft het uitgangspunt dat tijdens de werkzaamheden de weg en vaarweg zoveel mogelijk beschikbaar blijven voor verkeer.
Hoe beoordeelt u de toename van sluipverkeer op gemeentelijke en provinciale wegen als gevolg van aanhoudende congestie op de A27? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Helaas zal de regio als gevolg van de gefaseerde uitvoering op diverse plekken langer last blijven houden van het sluipverkeer bij hinder op de A27. In het programmabudget zijn middelen gereserveerd voor een beperkte passende hinderaanpak; deze worden al sinds de start van het programma ingezet en de hinderaanpak blijft van toepassing nu uitvoering van het programma langer duurt. Rijkswaterstaat voert landelijk verkeersmanagement uit in afstemming met de regio. Doel van Rijkswaterstaat hierbij is om automobilisten op de snelweg te houden en sluipverkeer te voorkomen.
In hoeverre zijn de betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden, waaronder Slimme Aanpak A27, betrokken bij de keuzes die nu worden gemaakt over planning, budget en scope?
Met de leden van de Bestuurlijke Advies Groep (BAG) (betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden) is na het faseringsbesluit van mei 2025 afgesproken om de effecten van het faseringsbesluit inzichtelijk te maken. Ook is aan de leden van de BAG gevraagd proactief mee te denken over mogelijke beheersmaatregelen en meekoppelkansen. Hiervoor zijn werkateliers gepland. Het is de ambitie om rond de zomer concrete voorstellen te bespreken in de BAG en hierover vervolgens afspraken te maken.
Bent u bereid op korte termijn met de regio in overleg te treden over een integrale oplossing voor het gehele traject, inclusief de knelpunten bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem? Zo ja, op welke termijn?
Voor de belangrijkste werkzaamheden binnen het programma A27 Houten-Hooipolder (o.a. Merwedebrug West en Hagesteinsebruggen) is de Tweede Kamer per brief is geïnformeerd over de stand van zaken. Direct hierna worden de regionale bestuurders geïnformeerd over de stand van zaken. Duidelijkheid over de aanpak van de werkzaamheden voor de langere termijn (o.a. Houtensebrug en Keizersveerbruggen) is afhankelijk van nieuwe besluitvorming binnen het Mobiliteitsfonds. Vanuit het programma is regelmatig contact met de regio over de voortgang van het programma, maar na de zomer zal ik ook zelf hierover in gesprek gaan met de regio.
Kunt u de Kamer vóór de komende begrotingsbehandeling of een ander eerstvolgend relevant debat een geactualiseerde planning sturen, inclusief duidelijkheid over budget, scope, fasering en oplevermomenten van de verschillende deelprojecten?
De Tweede Kamer is op 11 mei per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Over de voortgang van het programma wordt de Tweede Kamer op de reguliere momenten geïnformeerd.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat het project zodanig wordt versoberd dat hardnekkige fileknelpunten, waaronder bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, in stand blijven?
Met het afronden van de ontwerpfase en het definitief opdragen van de Merwedebrug West wordt een grote stap gezet in het programma A27 Houten-Hooipolder. De Merwedebrug vormt namelijk het grootste knelpunt tussen Houten en Hooipolder.
Het besluit om het werk aan de Merwedebrug West op te dragen (gunnen), kan niet langer uitgesteld worden om het afgesproken traject met de aannemerscombinatie binnen de gemaakte afspraken af te ronden. Uitstel van het besluit leidt tot vertraging van de start van de uitvoering en verandering van de voorwaarden waaronder het werk zou kunnen worden uitgevoerd. Dit zou leiden tot hogere kosten, een langere duur en grotere risico’s. Op 23 juni 2026 vindt het Commissiedebat Strategische keuzes bereikbaarheid plaats, waarin het afweegproces voor de brede prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds met de Tweede Kamer besproken wordt. De begrotingsregels schrijven voor dat meerkosten van dekking worden voorzien. De meerkosten voor de Merwedebruggen worden voor nu gedekt uit de Ring Utrecht, het besluit voor de definitieve dekking loopt mee in dit afweegproces. Er dient geprioriteerd te worden over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen. Zie hiervoor de brief die ik samen met de Staatssecretaris naar de Tweede Kamer heb gestuurd (Kamerbrief 36800-A-39, d.d. 16 maart 2026).
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van het project, de kostenontwikkeling en de bestuurlijke afstemming met de regio?
De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de MIRT-projecten via Kamerbrieven die voorafgaand aan de commissiedebatten MIRT aan de Tweede Kamer worden gestuurd.
Het artikel 'Leger VS: blokkade Straat van Hormuz begint maandag om 16:00' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Rob Jetten (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het Amerikaanse leger de Straat van Hormuz gaat blokkeren vanaf 16:00 vandaag?1
Het kabinet pleit ervoor dat de Straat van Hormuz zo spoedig mogelijk open gaat en blijft voor internationale scheepsvaart. De maritieme blokkade door de VS is niet gericht op het blokkeren van alle internationale scheepvaart, maar op het tegenhouden van Iraanse schepen en schepen die Iraanse havens aandoen om te voorkomen dat Iran profiteert van diens blokkade van de Straat van Hormuz voor overige scheepvaart. Met de maritieme blokkade poogt de Verenigde Staten om druk uit te oefenen om via die weg de Iraanse blokkade op te heffen. Het kabinet is niet betrokken bij de maritieme blokkade die de VS heeft ingesteld als onderdeel van het gewapend conflict met Iran.
Bent u van plan om druk te zetten op de Amerikaanse regering om af te zien van een blokkade of, als de blokkade is gestart, deze op te heffen in dezelfde lijn als met de blokkade door Iran?
Zie antwoord vraag 1.
Is de Minister-President van plan om de blokkade te bespreken tijdens zijn bezoek aan het Witte Huis? Zo ja, wat wordt de inzet en welke maatregelen worden besproken als de inzet niet wordt gehaald?
In de verschillende gesprekken tijdens het bezoek aan Washington is de situatie in de Straat van Hormuz besproken. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken, kan ik hier niet verder over uitweiden.
Welke gevolgen heeft dit voor Nederlandse schepen of voor Nederlanders die zich nog in de Straat van Hormuz bevinden of daar doorgang zoeken?
Nederlandse schepen worden niet aanvullend geraakt door de maritieme blokkade, omdat het niet gaat om Iraanse schepen of schepen die Iraanse havens aandoen.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Nee, dit klopt niet.
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen2 van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan.
De Schijf van Vijf combineert al langer gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer wetenschappelijke data over duurzaamheid en veiligheidsaspecten beschikbaar gekomen. Dit maakte het mogelijk voor het Voedingscentrum om duurzaamheid en voedselveiligheid geïntegreerd mee te nemen in de aanpassingen van de meest recente Schijf van Vijf.
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Het kabinet hecht aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding.
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vernieuwde Schijf van Vijf is net als voorheen een goede houvast om gezond te eten. De adviezen van het Voedingscentrum voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en leveren alle voedingsstoffen en energie die nodig zijn voor een gezond voedingspatroon.
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) adviseren landen gezondheid en duurzaamheid samen te bekijken in de voedingsrichtlijnen, met als duidelijke afspraak dat dit nooit ten koste mag gaan van gezondheid.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat zij op hun bord willen hebben. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het Voedingscentrum biedt, voor wie dit wil, praktische tips hoe je stapsgewijs meer volgens de Schijf van Vijf kan eten. Het kabinet zet zich in om de gezonde keuze makkelijker maken. Maar nogmaals, de keuze is aan mensen zelf.
De Amerikaanse MATCH Act en de gevolgen daarvan voor ASML |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ingediende MATCH Act, waarin Republikeinse en Democratische politici voorstellen de exportbeperkingen voor chipfabricage machines naar China verder aan te scherpen?
Ja.
Klopt het dat dit wetsvoorstel beoogt ook voor bedrijven uit bondgenootschappelijke landen, waaronder Nederland en Japan, dezelfde beperkingen te laten gelden als voor Amerikaanse bedrijven?
De MATCH Act is een wetsvoorstel van het Amerikaanse Congres dat zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat wordt geïnitieerd. Het gaat op dit moment om conceptwetgeving, die zowel in het Huis als de Senaat nog de formele processen moet doorlopen. Het gaat bovendien nog om twee eigenstandige teksten in het Huis en de Senaat. De teksten kunnen gedurende de behandeling in zowel het Huis als de Senaat nog worden aangepast.
In de kern stelt de MATCH Act exportcontroles op bepaalde halfgeleiderproductieapparatuur en componenten via diplomatie multilateraal te «harmoniseren». De tekst richt zich daarbij op Amerikaanse bondgenoten en partners. De conceptwetteksten specificeren niet om welke landen het gaat en richten zich op alle partnerlanden die belangrijke («chokepoint») halfgeleiderproductietechnologie maken.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft een positie in halfgeleiderproductieapparatuur, samen met bedrijven uit onder andere Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea, Duitsland en andere Europese landen. In het wetsvoorstel wordt de Amerikaanse regering opgedragen om in coördinatie met bondgenoten en partners tot meer restrictief beleid te komen, met landen-specifieke exportcontroles met als uitgangspunt dat alle aanvragen worden afgewezen («country-wide controls with presumption of denial»). Dit zou moeten gelden voor China, Rusland, Iran, Noord-Korea en andere landen die door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als «land van zorg» worden gezien.
De huidige versie van de MATCH Act omvat ook voorstellen omtrent service- en onderhoudsdiensten voor geavanceerde halfgeleiderapparatuur. Dit zou kunnen betekenen dat voor onderhoud van dergelijke apparatuur bij bepaalde eindgebruikers een vergunning vereist wordt. Dit voorstel van het VS-congres kan ertoe leiden dat bedrijven, ook voor reeds geleverde machines, geen onderhoud of ondersteuning meer mogen verrichten zonder vergunning, en stelt dat bij de vergunningbehandeling het uitgangspunt zou moeten gelden dat deze niet worden verleend («presumption of denial»). De uiteindelijke impact hangt af van de nadere uitwerking in uitvoeringsregelgeving en eventuele uitzonderingen.
Het initiatief voorziet erin dat, als bondgenoten en partners binnen de vastgestelde periodes niet tot geharmoniseerde controles komen, de Verenigde Staten via Amerikaanse wetgeving extraterritoriaal beperkingen kunnen op leggen op export uit deze landen. Het kabinet kijkt daarom met zorg naar de MATCH Act.
Het is aan de leden van het Amerikaanse Congres om hun eigen standpunt over deze conceptwetgeving te bepalen. Gezien de mogelijke impact van de MATCH Act op Nederland bij aanname in huidige vorm, heeft Nederland zijn bezwaren, in het bijzonder over de extraterritorialiteit, zowel bij leden van het Amerikaanse Congres als bij de Amerikaanse regering neergelegd (zie ook vraag 6).
Klopt het dat de MATCH Act er in de praktijk toe kan leiden dat ASML geen immersie-DUV-lithografiemachines meer aan China mag verkopen en evenmin onderhoud of service mag verrichten aan reeds geleverde machines, onder meer aan bedrijven als SMIC, Hua Hong, Huawei, CXMT en YMTC?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een verbod op onderhoud en service van reeds verkochte machines feitelijk kan neerkomen op gedwongen contractbreuk en daarmee grote juridische en economische risico’s voor ASML met zich mee kan brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor ASML, de Nederlandse toeleveringsketen en de werkgelegenheid, mede in het licht van het gegeven dat China in 2025 goed was voor 33 procent van de omzet van ASML en ASML zelf aangaf dat dit aandeel in 2026 naar circa 20 procent zou dalen?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die uitgaat van het Amerikaanse voorstel. Elk land is verantwoordelijk voor zijn eigen exportcontrolewetgeving.
Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten.
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat de Verenigde Staten via eigen wetgeving feitelijk verdere beperkingen opleggen aan de exportmogelijkheden en dienstverlening van een Nederlands bedrijf?
Het kabinet hecht aan goede samenwerking met partners. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving. Dat maken we altijd duidelijk in onze diplomatieke contacten met andere landen, zo ook met de Verenigde Staten.
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen voor ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik.
De EU Dual Use Verordening is het leidende juridische kader voor Nederland. Daaruit vloeit voort dat het Europese en Nederlandse exportcontrolebeleid landenneutraal is, elke vergunningaanvraag op zijn eigen merites («case-by-case») wordt beoordeeld en exportcontrole geen exportverbod is. Internationaal overleg over exportcontrole is de standaard en de inzet van Nederland is om met zoveel mogelijk landen tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk gaat elk land zelf over de exportcontrolemaatregelen die nodig zijn om zijn nationale veiligheid te beschermen. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Is het kabinet hierover reeds in gesprek met de Verenigde Staten, Japan, Taiwan, Zuid-Korea en de Europese Commissie, en wat is daarbij concreet de Nederlandse inzet?
Nederland staat in het kader van exportcontrole continu en op alle niveaus in contact met andere technologiehoudende landen, bilateraal alsook via de multilaterale exportcontroleregimes zoals het Wassenaar Arrangement. De MATCH Act is daar onderdeel van, gezien de nauwe verwevenheid van de internationale halfgeleidersector en de potentiële scope van de MATCH Act. Wegens de diplomatieke vertrouwelijkheid kan het kabinet niet in detail treden over de inhoud deze gesprekken.
Kunt u aangeven wat de verwachte verdere behandeling van de MATCH Act in de Verenigde Staten is, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat, en op welke termijn hierover meer duidelijkheid wordt verwacht?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de concept wettekst nadrukkelijk onder de aandacht te brengen op alle niveaus.
Is uw kabinet zich bewust van zijn grondwettelijke plicht om de internationale rechtsorde te bevorderen?
Ja. Als een van de weinige landen heeft Nederland deze taak vastgelegd in Artikel 90 van de Grondwet.
Erkent u dat Israël de internationale rechtsorde steeds verder tart, door structurele ontmenselijking en onderdrukking van de Palestijnen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en illegale nederzettingen en nu ook nog het legaliseren van het doodmartelen van Palestijnse gevangenen die zonder eerlijk proces zijn vastgezet met de nieuwe doodstrafwet?
Het kabinet maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Israël en de bezette Palestijnse Gebieden, waaronder de doodstrafwetgeving. Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.1 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies als onmenselijk en ondoeltreffend.
Waarom spreekt u Israël wel aan op de doodstrafwet, maar veroordeelt u niet keihard het racistische karakter van de wet die mogelijk maakt dat Israëlische militaire rechtbanken uitsluitend Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever kunnen en zelfs moeten veroordelen tot executie door ophanging, binnen 90 dagen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep?
Naast de wet zelf acht het kabinet acht discriminatoire karakter van de nieuwe Israëlische doodstrafwetgeving onacceptabel. Zie het antwoord op vraag 2.
Erkent u dat deze wet een verdere voltooiing is van het geïnstitutionaliseerde apartheidsregime van Israël gericht op de Palestijnse bevolking?
Apartheid is een specifieke juridische term. Het is aan de rechter om te oordelen of daarvan sprake is.2 Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft in zijn advies inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden vastgesteld dat het Israëlische optreden een schending oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (het CERD). Het IGH heeft daarbij evenwel geen duidelijk uitsluitsel gegeven over de vraag of er, naast rassendiscriminatie, ook sprake is van apartheid in de bezette Palestijnse Gebieden. Volgens het kabinet past deze nieuwe doodstrafwetgeving in dit patroon.
Wat vindt u ervan dat het aannemen van deze racistische wet in het Israëlische parlement ter plekke door de Israëlische regering werd gevierd met bubbels?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Het kabinet beschouwt de reactie in het parlement als zeer ongepast en verwerpelijk.
Erkent u dat Israël deze wet kon doorvoeren na voortdurende straffeloosheid voor het apartheidsregime van Israël en de genocide in Gaza door het wegkijken van landen als Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werpt de aantijging dat Nederland wegkijkt voor de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden verre van zich. Nederland veroordeelt schendingen van het internationaal recht. Nederland draagt bij aan waarheidsvinding en de bevordering van berechting. Uw Kamer is daarnaast veelvuldig geïnformeerd over maatregelen die Nederland heeft genomen.
Erkent u dat wanneer een staat schendingen van het internationaal recht kan plegen zonder vervolging, als een bezetting kan voortduren zonder consequenties en als economische en politieke relaties gewoon blijven bestaan alsof er niets aan de hand is, het internationaal recht op z’n zachtst gezegd selectief wordt toegepast en uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat het onbeschrijfelijke lijden van het Palestijnse volk niet alleen wordt veroorzaakt door de misdaden die Israël structureel pleegt tegen de Palestijnen, maar ook door de wetenschap dat landen zoals Nederland (dat immers een belangrijke handelspartner is van Israël en dat Israël nog steeds een bondgenoot noemt) weigeren een rode lijn te trekken en daadwerkelijk consequenties te verbinden aan het overschrijden van die rode lijn door Israël?
Zie antwoord vraag 6.
Welke verantwoordelijkheid voelt u voor dit deel van het leed dat het Palestijnse volk wordt aangedaan; het wegkijken en het niet-handelen van de zogenaamde omstanders, zoals Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Kent u de geschiedenis van de druk die de internationale gemeenschap op Zuid-Afrika heeft uitgeoefend, met boycots tegen het apartheidsregime? Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap daar goed aan heeft gedaan (ook al had het allemaal beter en sneller gekund)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou een soortgelijke boycot van Israël nu niet op z’n plaats zijn?
Ja, het kabinet is bekend met deze geschiedenis. Ik ga geen vergelijking maken tussen deze situaties.
Wanneer heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden over het Israëlische gevangenisstelsel (maart 2026), waaruit blijkt dat duizenden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen, zonder geldig rechtsproces worden opgepakt, opgesloten en gemarteld?1 Wat was uw eerste, eerlijke reactie op wat u las in dit rapport?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van VN-rapporteur Albanese kort na publicatie in maart 2026. Dergelijke rapporten leveren een bijdrage aan het vergaren van informatie over mensenrechtenschendingen. Het rapport schetst een schokkend beeld van de omstandigheden van hoe door Israël (gedetineerde) Palestijnen worden behandeld. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut en is een regel van dwingend internationaal recht (ius cogens). Het kabinet wijst Israël ook consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Onderschrijft u de conclusie in het rapport dat marteling en gevangenschap systematisch worden toegepast op de totale Palestijnse bevolking en dat ze daarom onderdeel zijn van de genocide op het Palestijnse volk? Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te kunnen verwerpen?
Het kabinet neemt het werk en de rapporten van deze onafhankelijke mandaathouders serieus. Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel terughoudend om situaties als zodanig te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Het vraagstuk over vermeende genocide in de Gazastrook ligt momenteel voor bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Nederland wacht deze uitspraak af.
Hoe beoordeelt u het nieuwe rapport van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, Alice Jill Edwards van 2 april jl.? Onderschrijft u haar conclusie dat de Israëlische doodstrafwet het risico op marteling en andere vormen van mishandeling verder verergert?2 Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te verwerpen?
Dit betreft geen nieuw rapport van VN-rapporteur Alice Jill Edwards, maar een persverklaring. Onze positie ten aanzien van de Israëlische doodstrafwetgeving is helder: Nederland is principieel tegen de doodstraf. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dergelijke wetgeving zal geenszins positief bijdragen aan het verbeteren van de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Nederland blijft Israël oproepen om zijn internationale verplichtingen volledig na te leven.
Erkent u dat het internationaal humanitair recht vereist dat alle Palestijnen die zonder proces vastzitten onmiddellijk worden vrijgelaten, zeker nu het executeren van deze gevangenen wettelijk beleid dreigt te worden onder leiding van de Israëlische Minister Ben Gvir? Zo nee, op basis waarvan meent u dat deze mensen gevangen mogen blijven zitten met dreigende executie als gruwelijk eindstation? Zo ja, welke middelen gaat uw kabinet direct inzetten tegen Israel om het krachtige signaal af te geven dat al deze mensen moeten worden vrijgelaten en dat de doodstrafwet moet worden ingetrokken?
Het kabinet acht het veelvuldig gebruik van administratieve detentie, alsook de duur en schaal hiervan, door Israël zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten met regelmaat het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting
Israël.
Erkent u dat de huidige kabinetsreactie – zorgen uiten over de doodstrafwet en in EU-verband pleiten voor het opschorten van de doodstraf – niet in verhouding staat tot wat nodig is om het systematische apartheidsregime van Israel tegen de Palestijnen, waar deze doodstraf onderdeel van is, te stoppen?
De kabinetsreactie5 had louter betrekking op de Nederlandse inzet ten aanzien van de doodstrafwetgeving.
Op welke manier gaat u Israël aanzetten tot onmiddellijke toegang voor het Internationale Rode Kruis tot alle Israëlische gevangenissen om noodzakelijke medische hulp aan Palestijnen te bieden?
Nederland steunt het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) als hoeder van de Verdragen van Genève en hun kernmandaat om gedetineerden te bezoeken tijdens gewapend conflict conform deze Verdragen. Het kabinet blijft de Israëlische regering oproepen ICRC-gedelegeerden toegang te verlenen en dringt hiertoe bij Israël aan, onder meer bij monde van de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025.
Welke drukmiddelen gaat u tegen Israel inzetten om onafhankelijke waarnemers toe te laten in de Israëlische gevangenissen, zodat onafhankelijk bewijsmateriaal kan worden verzameld en Nederland Israël voor het internationaal Gerechtshof kan dagen wegens schending van het VN-verdrag tegen foltering – zoals Nederland dat in 2023 ook tegen Syrië deed?
Zie het antwoord op vraag 16. Verder hangt het van de feiten en omstandigheden van een specifieke gebeurtenis af of een aansprakelijkheidsstelling mogelijk is. Deze hangen samen met voldoende bewijs, de mogelijkheid het geschil voor te leggen aan een rechter of tribunaal, en de mogelijkheid om de aansprakelijkstelling samen met een ander gelijkgezind land te doen. Nederland kan Israël niet voor het Internationaal Gerechtshof dagen voor schending van het Antifolterverdrag. Er geldt tussen Nederland en Israël namelijk geen bepaling die het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid geeft in een dergelijke zaak. Zie hiervoor ook het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025.6
Erkent u dat van een normale handels- en samenwerkingsrelatie met een land dat oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen pleegt geen sprake kan zijn? Zo ja, bent u bereid om nu eindelijk een economische boycot in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is geen voorstander van een algehele boycot van Israël. Zie verder het antwoord op vraag 6, 7, 8 en 9.
Erkent u dat een volledige stop op militaire samenwerking en wapenhandel noodzakelijk is zolang een reëel risico bestaat dat deze bijdragen aan ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht? Bent u bereid om elke militaire samenwerking met Israël op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle individuele vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordt afgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht. Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Het kabinet is daarmee van mening dat het staande beleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen.
Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.