De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van de verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners en ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel te komen richting de Kamer.
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Het dagloon vormt de grondslag voor de verlofuitkering en wordt berekend op basis van het SV-loon, waarbij het bevallings- en zwangerschapsverlof 100 procent dagloon is. Het dagloon is – in de hoofdregel – het loon dat een werknemer in de referteperiode heeft genoten en waarover belastingen en sociale premies zijn betaald, gedeeld door het gemiddeld aantal dagloondagen in één jaar (261). Het dagloon is per 1 januari 2026 wettelijk gemaximeerd op € 304,25 per dag, omgerekend is dit € 6.617,44 per maand. Iedereen die meer verdient dan 80% van dit bedrag wordt via de uitkering geraakt door de verlaging, aangezien het maximumdagloon wordt verlaagd met 20%. Voor inkomens die onder 80% van het maximumdagloon verdienen, geldt dat zij niet geraakt worden door de verlaging in het maximumdagloon. Deze verlaging ziet er per inkomenscategorie dan als volgt uit voor de uitkeringen uit de Wet arbeid en zorg, weergegeven per maand:
≥100%
€ 6.617,44
€ 5.293,95
€ 1.323,49
90%
€ 5.955,69
€ 5.293,95
€ 661,74
80%
€ 5.293,95
€ 5.293,95
–
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
De uitkeringen uit de ziektewet en de Wet arbeid en zorg (Wazo) zijn beide gebaseerd op de dagloonsystematiek. Wanneer vrouwen ziek worden als gevolg van of door hun zwangerschap wordt hun uitkering niet verlaagd en geldt dat zij een uitkering vanuit de Ziektewet ontvangen voor 100% van het maximumdagloon. De gevolgen op de uitkeringen van de verlaging van het maximumdagloon komen daarbij overeen zoals beschreven in antwoord 3.
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
In 2024 waren er circa 13.900 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon, dit bedroeg 10,4% van het totale aantal zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen voor werknemers. Daarnaast zijn er in 2024 circa 8.500 vrouwelijke werknemers met een inkomen op of boven het maximumdagloon met zwangerschapsverlof gegaan (6,4% van het totale aantal uitkeringen). In 2025 waren er, op basis van voorlopige gegevens, circa 14.000 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon. Gegevens van 2025 over werknemers boven het maximumdagloon zijn nog niet bekend.
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit een eerder onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 43 cao’s (29% van de werknemers van de onderzochte cao’s) het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100% van het loon wordt aangevuld.2 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100% of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Het aanvullen van de uitkering wordt o.a. via cao-afspraken geregeld en er bestaat geen wettelijke verplichting hiertoe binnen de Wazo. Werkgevers zullen bij een lagere uitkering het loon meer moeten aanvullen als hierover binnen een cao afspraken zijn gemaakt. De grootte van deze aanvulling is afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en de afspraken binnen een cao of bedrijf. Een mogelijk gevolg van de verlaging is dat werkgevers hierdoor wellicht minder geneigd zullen zijn om het aanvullen van het loon tot 100% bij Wazo-uitkeringen vast te leggen in cao-afspraken. De gevolgen van deze maatregel op zwangerschapsdiscriminatie zijn moeilijk in te schatten.
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Voor het betaald ouderschapsverlof (en ook voor het aanvullend geboorteverlof) geldt een vergoeding van 70% tot het maximumdagloon. De impact van de verlaging van het maximumdagloon is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
≥100%
€ 4.632,21
€ 3.705,77
€ 926,44
90%
€ 4.168,99
€ 3.705,77
€ 463,22
80%
€ 3.705,77
€ 3.705,77
€ 0,00
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 11 cao’s (16% van de werknemers van de onderzochte cao’s) de uitkering van 70% maximumdagloon voor het betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd. In drie cao’s wordt het loon negen weken volledig doorbetaald; in twee cao’s wordt het loon vier weken volledig doorbetaald en gedurende de overige weken conform de wet; in vier cao’s wordt 75% van het loon doorbetaald; in één cao 70% van het laatstverdiende loon, en in één cao is gedurende 13 weken sprake van variabele doorbetaling (50 tot 90% afhankelijk van de salarisschaal).3
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Vrouwen zijn verplicht om het zwangerschaps- en bevallingsverlof op te nemen, de opname van het geboorte- en het ouderschapsverlof is optioneel. De kans bestaat dat ouders minder snel dit verlof zullen opnemen, vanwege de mogelijke terugval in inkomen. Wat precies de impact van de verlaging zal zijn op het gebruik van het aanvullend geboorte- en ouderschapsverlof, is moeilijk te voorspellen. Uit onderzoek blijkt dat van de ouders die geen gebruik maakten van het volledig aanvullend geboorteverlof, 27% van hen aangaf het inkomen niet te kunnen missen. En 18% van hen aangaf dat het voor hen financieel niet aantrekkelijk was. Van de ouders die niet volledig gebruik maakten van het aanvullend geboorteverlof, gaf 15% aan dat zij het inkomen niet konden missen en 11% dat zij het financieel niet aantrekkelijk vonden.
Met een verlaging van het maximumdagloon bestaat de kans dat een deel van de ouders minder gebruik zullen gaan maken van het ouderschapsverlof of aanvullend geboorteverlof. Het is op dit moment niet goed in te schatten wat het effect daarvan is op de beschikbaarheid in de kinderopvang.
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Het ouderschapsverlof is onder andere bedoeld om een gelijkwaardigere verdeling in zorgtaken tussen ouders te bevorderen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren.
In de beleidsevaluatie van het betaald ouderschapsverlof wordt onder andere beoordeeld of en hoe het ouderschapsverlof bijdraagt aan deze doelen. Deze evaluatie zal voor de zomer worden gepubliceerd.
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet de arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas lastige keuzes bij nodig, maar ik vind het ook belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij kijk ik ook naar de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Deze opties wil ik eerst bespreken met sociale partners, waarna ik uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel kom richting de Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, zie bijgaand.
Het artikel ‘KLM beschuldigd van onwettig straffen’ |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KLM beschuldigd van onwettig straffen»?1
Ja.
Klopt het dat KLM meer dan alleen loon inhoudt over gestaakte uren? Klopt het dat er «boetes» worden opgelegd?
Op grond van artikel 6, vierde lid van het Europees Sociaal Handvest (ESH) is het staken een recht van werknemers. In beginsel is een werkgever niet verplicht loon te betalen wanneer een werknemer staakt. Het niet verrichten van arbeid komt voor rekening van de werknemers. Naast loon kan de werkgever ook loongerelateerde arbeidsvoorwaarden inhouden. Daarbij kan worden gedacht aan overwerk- en ploegentoeslagen, maar ook aan pensioenopbouw over de stakingsuren. De werkgever mag in beginsel geen boete opleggen wegens het meedoen aan een staking. Over de praktijk bij KLM kan ik geen uitspraken doen. Het is aan de rechter om te beoordelen of die wettelijk is toegestaan.
Zo ja, hoe kwalificeert u deze praktijk? Is dit volgens u wettelijk toegestaan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien dit volgens u wettelijk toegestaan is, bent u dan bereid te kijken hoe de wet aangepast kan worden om dit in de toekomst te voorkomen?
In beginsel mogen er geen boetes worden opgelegd door de werkgever aan de werknemer omdat deze mee heeft gedaan aan een staking. Wel kunnen het loon én loongerelateerde arbeidsvoorwaarden worden ingehouden. Uiteindelijk is het aan de rechter om te beoordelen per situatie of de inhoudingen wettelijk zijn toegestaan. Daarbij zie ik geen aanleiding om de wet aan te passen. In de huidige wetgeving is gezocht naar een balans tussen het stakingsrecht en de bescherming van werknemers.
Wat voor gevolgen heeft dit voor het stakingsrecht? Deelt u onze zorgen dat het stakingsrecht hiermee in de weg kan worden gezeten?
Het stakingsrecht is verankerd in artikel 6, vierde lid van het ESH. Dit recht kan niet zomaar worden beperkt of bestraft. Het is aan de rechter om een oordeel te geven of daarvan sprake is in deze situatie.
Deelt u de opvatting dat deze praktijk geen vervolg mag krijgen?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs is naar de antwoorden op vragen 2 en 3.
De houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u onder elkaar zetten hoe groot de beroepsbevolking naar verwachting is ten opzichte van het aantal AOW’ers in 2033, 2040, 2050 en 2060, op basis van de huidige wetgeving en de meeste recente bevolkingsprognose? Hoeveel werkenden zijn er naar verwachting in die jaren per AOW’er?
Onderstaande figuur geeft de verwachte AOW-druk uit het afgelopen rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte weer.1 Die laat zien dat de AOW-druk per 2033 ongeveer 35% is. In 2040, 2050 en 2060 is dat respectievelijk ongeveer 37%, 35% en 34%. De AOW-druk wordt berekend op basis van de bevolkingsprognose. Dat is het aantal mensen in werkzame leeftijd (vanaf 20 tot AOW-leeftijd) ten opzichte van het aantal mensen boven de AOW-leeftijd in Nederland. De AOW-gerechtigden die in het buitenland wonen worden hierin dus niet meegerekend.
(x 1.000 personen, jaargemiddelde)
Aantal personen in Nederland boven AOW-leeftijd
3.870
4.135
4.064
4.032
Aantal personen in Nederland van 20 jaar tot AOW-leeftijd
11.147
11.222
11.576
12.013
Kunt u ook onder elkaar zetten wat de verwachtingen hierover waren in 2019, nadat het pensioenakkoord werd afgesloten, op basis van de afspraken in het pensioenakkoord en de bevolkingsprognoses uit die tijd?
Zie onderstaande figuren uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen»2 uit 2019. Daarin wordt ingegaan op de gevolgen van de vergrijzing voor onder meer de AOW. Er wordt ook stilgestaan bij de AOW-druk. Als u de figuur van vraag 1 met die hieronder vergelijkt kunt u zien dat de verwachting van de AOW-druk voor 2033 en 2060 is afgenomen.
Kunt u onder elkaar zetten hoeveel de verwachte uitgaven aan de AOW zijn als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in 2033, 2040, 2050 en 2060? Wat was de verwachting hierover in 2019, na het afsluiten van het pensioenakkoord?
In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de verwachtingen waren ten aanzien van de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP. De cijfers zijn afkomstig uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen» (2019) en het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De percentages voor 2033 en 2050 zijn niet beschikbaar.
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2019)
5,1%
6,5%
5,9%
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2025)
4,7%
5,7%
5,4%
In hoeverre zijn de verwachtingen over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW volgens u verbeterd of verslechterd sinds 2019, toen het pensioenakkoord werd afgesloten?
Zoals bij vraag 2 aangegeven is de verwachting dat in 2033 en 2060 de AOW-druk minder hoog uitvalt dan in 2019 verwacht werd. De AOW-uitgaven als percentage van het BBP vallen volgens de prognoses uit 2025 lager uit dan in 2019 verwacht werd, zoals uit de tabel bij vraag 3 is af te lezen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervoor niet alleen de AOW-uitgaven zelf, maar ook de ontwikkeling van het BBP van belang is.
Op het gebied van de financiering van de AOW constateerde het CBS in 2024 dat voor het eerst meer dan 50% van de AOW-uitkeringen gefinancierd uit de algemene middelen oftewel belastinggeld. Dit betekent dat premie-inkomsten de AOW-uitkeringen steeds minder dekken. Sinds 2001 zijn de AOW-premies niet meer toereikend om de volledige uitkeringen te dekken, omdat de AOW-premie op 17,9% is gemaximeerd. Het aandeel van de AOW-uitkeringen dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt een steeds groter deel van de overheidsuitgaven in beslag. De sneller stijgende AOW-uitgaven komen vooral door de vergrijzing. Daarnaast zijn de uitkeringen zelf verhoogd, omdat ze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (Wml). De premie-inkomsten stijgen veel minder dan de uitgaven. De verwachting is dat het aandeel gefinancierd vanuit algemene middelen in de toekomst verder zal toenemen.
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen? In hoeverre is dit vanwege de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW, en hoe verhoudt dit zich tot de prognoses in 2019 en de onderbouwing van de afspraken over dit onderwerp in het pensioenakkoord?
De uitkeringslasten van de AOW stijgen vanwege de toename van het aantal AOW’ers door de vergrijzing. Daarnaast stagneert de groei van de beroepsbevolking. Het gevolg is dat premies in de toekomst door minder werkenden moeten worden opgebracht en de AOW een groter beslag op de Rijksbegroting legt, zoals bij vraag 4 is uitgelegd. Daarom adviseerde de Studiegroep Begrotingsruimte om maatregelen te nemen die gericht zijn op het verlagen van de vergrijzingsgevoelige uitgaven.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat er in 2033 maar twee werkenden per AOW’er zijn? Waar baseerde hij dat cijfer op?
In het debat over de regeringsverklaring is voor deze verhouding de grijze druk gebruikt. Grijze druk laat de verhouding tussen het aantal mensen van 65 jaar of ouder en het aantal personen van 20 tot 65 jaar zien. Deze cijfers komen terug in publicaties van de SVB en het UWV.3 Het is echter zorgvuldiger om bij deze verhouding de «AOW-druk» te gebruiken. Dit laat de verhouding tussen AOW-gerechtigden en de beroepsbevolking. De AOW-leeftijd ligt immers niet meer op 65 jaar.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat de reden om de AOW versneld te verhogen was dat het kabinet zich zorgen maakt over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW? Waarom heeft het kabinet die zorgen, gegeven de ontwikkeling van de prognoses hierover in de afgelopen tien jaar?
Zoals in de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 aangegeven ziet het kabinet een opgave om de AOW-uitgaven houdbaar te houden in de context van de grote opgaven waar we voor staan. Hierover gaat het kabinet graag de komende periode met uw Kamer en de sociale partners in gesprek.
Kunt u een tabel maken met de jaarlijkse kosten van de AOW tot en met 2060, zowel vóór als na de voorgenomen maatregel?
De uitgaven aan de AOW volgens de 2/3e koppeling en 1-op-1 koppeling is hieronder weergegeven. Dit bevat niet de weglek naar andere sociale zekerheid.
AOW uitgaven 2/3e koppeling
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
AOW uitgaven 1-op-1
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
Verschil
–
–
–
–
–
AOW uitgaven 2/3e koppeling
62.172
63.568
64.775
65.137
66.224
AOW uitgaven 1-op-1
62.172
63.568
63.705
64.080
65.170
Verschil
–
–
– 1.070
– 1.057
– 1.054
AOW uitgaven 2/3e koppeling
67.398
67.761
68.855
69.856
69.860
AOW uitgaven 1-op-1
65.268
66.648
66.661
67.724
67.776
Verschil
– 2.130
– 1.113
– 2.195
– 2.133
– 2.084
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.392
70.800
70.338
70.449
70.616
AOW uitgaven 1-op-1
68.397
68.017
68.537
68.713
68.014
Verschil
– 1.995
– 2.783
– 1.802
– 1.737
– 2.602
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.777
70.237
70.370
70.636
70.121
AOW uitgaven 1-op-1
68.185
67.620
67.731
67.053
67.394
Verschil
– 2.592
– 2.617
– 2.639
– 3.583
– 2.727
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.253
70.438
70.687
70.204
70.519
AOW uitgaven 1-op-1
66.652
66.879
67.099
66.540
66.779
Verschil
– 3.601
– 3.559
– 3.588
– 3.664
– 3.739
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.965
70.570
70.999
71.621
72.358
AOW uitgaven 1-op-1
66.191
66.696
66.134
66.699
67.291
Verschil
– 4.775
– 3.873
– 4.865
– 4.922
– 5.067
Welk deel van de mensen die langer door zouden moeten werken door het voorstel om de AOW-leeftijd versneld te verhogen houdt het volgens u vol om daadwerkelijk langer door te werken? Welk deel komt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Werkloosheidswet (WW) of Participatiewet terecht?
Uit de meest recente «Monitor verhoging AOW-gerechtigde leeftijd» van SEO Economisch Onderzoek4 blijkt niet dat het actieve gebruik van de WW, WIA of bijstand toeneemt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Er is geen actief substitutie-effect, waarbij ouderen eerder zouden stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd een uitkering te gebruiken, zoals SEO dit omschrijft. Sinds 2013 is de AOW-leeftijd gestegen van 65 jaar naar 67 jaar in 2026. Door de verhoging blijven mensen die al een WW-, WIA- of bijstandsuitkering ontvangen langer in deze uitkering. Dit wordt het passieve substitutie-effect genoemd. Hoewel het risico op instroom in deze uitkeringen toeneemt zijn er geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Het Ministerie van SZW monitort de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd jaarlijks.
Bent u zich ervan bewust dat het CPB uitgaat van een ombuiging op de AOW van € 4,9 miljard en een netto ombuiging van € 2,7 miljard in 2060 als gevolg van de voorgenomen versnelde verhoging van de AOW-leeftijd? Klopt het dat daarmee zo’n 45%, dat wil zeggen bijna de helft, van de groep die langer door zou moeten werken in plaats daarvan een andere uitkering krijgt?
De raming van het CPB over de budgettaire gevolgen van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting sluit aan op de raming zoals opgenomen in het Coalitieakkoord. De 1-op-1 koppeling leidt tot een besparing op de AOW-uitgaven in 2060. Tegelijkertijd leidt dit er toe dat mensen een langere periode een andere uitkering ontvangen of voor de periode dat zij later een AOW ontvangen een andere uitkering instromen.
Deze weglekeffecten naar andere sociale zekerheid zijn gebaseerd op een analyse over realisatiecijfers uit 2019 t/m 2021. Hierin is geanalyseerd wat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid is van de groep mensen die in een gegeven jaar de AOW instromen. Uit deze analyse blijkt dat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid voor de mensen die op het punt staan de AOW-leeftijd te bereiken ca. 45% is van de uitgaven aan AOW zodra zij zijn ingestroomd. Met andere woorden, de uitgaven aan overige sociale zekerheidsuitkeringen, als gevolg van een hogere AOW-leeftijd, bedragen 45% van het bedrag dat anders aan de AOW uitgegeven zou zijn. Indien de AOW-leeftijd omhoog gaat zit deze groep dus langer in de betreffende socialezekerheidsuitkering. Deze analyse ziet echter alleen op de totale Rijksuitgaven. Er kunnen geen conclusies verbonden worden over het aantal mensen om wie dit gaat aangezien de gemiddelde hoogte van de AOW niet gelijk is aan de gemiddelde hoogte van de andere uitkeringen. Circa 34 procentpunt van de 45% aan weglek gaat immers om Arbeidsongeschiktheids-, WW en Ziektewetuitkeringen. De gemiddelde uitkeringshoogte hiervan ligt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde hoogte van een AOW-uitkering.
De 45% aan weglek zegt dus uitsluitend iets over de Rijksuitgaven, maar niet over het aantal mensen dat een uitkering ontvangen in plaats van inkomen uit werk voordat zij de AOW instromen.
Kunt u deze cijfers nader uitsplitsen? Hoeveel meer mensen komen respectievelijk terecht in de WIA, WW en Participatiewet, en met hoeveel nemen de kosten van deze regelingen respectievelijk toe?
Zoals toegelicht is uit de analyse niet op te maken hoeveel mensen terechtkomen in de WIA, WW of Participatiewet als gevolg van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting. Wel kan uiteengezet worden wat op basis van de analyse op basis van cijfers uit 2019 t/m 2021 de geraamde toename aan uitgaven aan deze regelingen is. Hieronder is de uitsplitsing van het weglekeffect naar andere sociale zekerheid weergegeven t/m 2035 en structureel.
Uitsplitsing weglekeffect (x € mln.)
Participatiewet
45
44
44
211
AO1
284
280
279
1344
IOAW/IOAZ2
56
56
56
267
Werkloosheidswet
72
72
71
343
Ziektewet
15
14
14
69
Algemene nabestaandenwet
14
13
13
65
Hieronder vallen de WAZ, WAO en WIA.
Hieronder vallen de IOAW, IOAZ, Wajong, BBZ en IOW.
Welke overlap ziet u tussen de plannen voor de AOW, WIA en WW? Hoeveel mensen hebben door de voorgenomen plannen dubbel of driedubbel pech, bijvoorbeeld omdat zij later AOW krijgen én korter WW, en daardoor in de bijstand terechtkomen?
Het kabinet heeft de sociale partners goed gehoord. Met betrekking tot de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting maakt het kabinet een pas op de plaats. We gaan samen met uw Kamer en met de sociale partners in de komende periode kijken of, en zo ja, welke alternatieven er mogelijk zijn. In de verkenning en uitwerking zal rekening gehouden worden met de mogelijke samenloop van regelingen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en de antwoorden vóór aanvang van de plenaire behandeling van de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026 aan de Tweede Kamer doen toekomen?
Aan beide verzoeken is voldaan.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Het bericht ‘Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds’ |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Publiek Energiefonds is geen vervanger van het noodfonds»1 van Energeia?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Wat zijn de verschillen in doel en opzet tussen het Publiek Energiefonds en het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) ondersteunde huishoudens met een laag tot midden inkomen en een hoge energierekening bij het betalen van hun energierekening. Het betrof een publiek-private samenwerking. De stichting TNE werd deels gefinancierd door een subsidie van het Rijk en deels door energieleveranciers en netbeheerders. Om de subsidie binnen de bestaande juridische kaders te verstrekken, was een private bijdrage van meer dan één derde van de totale som vereist.
Het TNE heeft in 2023, 2024 en 2025 uitgekeerd. Het had een jaarlijks vaststaand budget. Mensen kregen op volgorde van aanmelding een uitkering, totdat het budget was uitgeput. Aangezien het budget niet toereikend was voor het aantal huishoudens binnen de doelgroep, kon helaas niet iedereen geholpen worden. Omdat het een private stichting betreft, stond voor mensen geen bezwaar en beroep open.
Kenmerken van een publiek energiefonds zijn onder andere:
Binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF krijgen huishoudens met een gasaansluiting, een relatief hoog energieverbruik en een beperkt inkomen jaarlijks € 200 voor de verwachte stijging van hun energierekening als gevolg van de invoering van ETS-2. De looptijd van het fonds is minimaal 2 jaar, mogelijk langer afhankelijk van niet-gebruik. Het is de bedoeling dat tegelijkertijd wordt gewerkt aan het verduurzamen van woningen. Ook kunnen huishoudens die daar geen bezwaar tegen hebben ondersteuning krijgen van hun gemeenten bij de verlaging van hun energierekening, bijvoorbeeld energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit artikel dat het aangekondigde Publiek Energiefonds is bedoeld om huishoudens te beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van Europees beleid, en daarmee geen vervanging is voor de inkomenssteun die het Tijdelijk Noodfonds Energie gaf aan huishoudens, en dus niet kan fungeren als directe vervanger van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Het klopt dat de Europese middelen uit het Social Climate Fund en de vereiste nationale cofinanciering alleen aangewend kunnen worden voor het beschermen tegen toekomstige prijsstijgingen als gevolg van de invoering van het nieuwe Europese emissiehandelssysteem ETS-2. De middelen zijn echter ook bedoeld voor compensatie van hoge energiekosten en komen in belangrijke mate terecht bij de doelgroep van het Tijdelijk Noodfonds Energie.
In de brief van het vorige kabinet aan de Kamer (Kamerstuk 2025D38183) is aangegeven dat het publiek energiefonds wordt voorbereid in samenwerking met de werkeenheid Uitvoering van Beleid (UVB) en dat invoering per januari 2027 werd beoogd. Wat is de huidige stand van zaken? wordt de beoogd uitvoerder definitief aangesteld?
Het kabinet bekijkt de mogelijkheden van een meerjarig publiek Energiefonds. Dat gaat helaas niet makkelijk. Met name de uitvoerbaarheid blijft een uitdaging.
Tegelijkertijd begrijpt het kabinet dat huishoudens zich zorgen maken over hoe het conflict hen zal raken en het kabinet neemt die zorgen serieus. Voor komende winter wil het kabinet onder andere kijken of het noodfonds energie weer op poten gezet kan worden, zodat mensen die daar echt behoefte aan hebben daar gebruik van kunnen maken. Ook brengt het kabinet zoals toegezegd door de Staatssecretaris van Financiën, alternatieve opties in kaart voor gerichte ondersteuning, zodat deze wanneer nodig bij de augustusbesluitvorming benut kunnen worden.
Wanneer moet de vormgeving van het fonds definitief zijn om op 1 januari open te gaan? Is daar wetgeving voor nodig? Lopen de voorbereidingen op schema, en kunt u een gedetailleerde planning aan de Kamer doen toekomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Aangezien het publieke energiefonds in 2026 nog niet operationeel zal zijn, welke maatregelen treft u om huishoudens met lage en middeninkomens in de winter van 2026 te beschermen tegen hoge energielasten en mogelijke betalingsproblemen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u zicht op hoeveel huishoudens worden geholpen met de dit jaar beschikbaar gestelde 30 miljoen euro voor gemeenten, en hoeveel hen dit scheelt op hun energierekening?
Er zijn meer dan 151.000 huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld en toestemming hebben gegeven om hun gegevens met de eigen gemeente te delen. Aan gemeenten is € 10 miljoen beschikbaar gesteld om met deze huishoudens contact op te nemen over ondersteuning bij verlaging van de energierekening.
De overige € 20 miljoen dient als impuls voor de bestaande lokale dienstverlening in de aanpak van energiearmoede. Gemeenten kunnen deze middelen bijvoorbeeld inzetten voor energiecoaches, energiebesparende maatregelen en hulp bij het aanvragen van regelingen. Deze middelen kunnen gebruikt worden voor ondersteuning aan huishoudens die zich bij het TNE hebben gemeld, maar ook voor andere huishoudens in energiearmoede.
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de uitvoering van hun energiearmoede aanpak, waardoor de effecten per gemeente en per huishouden kunnen verschillen.
Uit het TNO-rapport «Kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de effecten van energiehulp op huishoudens»2 blijkt dat vergelijkbare energiehulp een meetbaar effect heeft op het gas- en elektriciteitsverbruik van huishoudens, met name voor mensen in energiearmoede. Gemiddeld leidt dit tot een besparing van € 215 per jaar op de energierekening. Daarnaast heeft energiehulp een breder effect, het vermindert zorgkosten en draagt bij aan een betere leefsituatie voor de huishoudens.
In hoeverre is onderzocht of het bestaande Tijdelijk Noodfonds Energie tijdelijk kan worden ingezet om 2026 te overbruggen? Is deze analyse heroverwogen naar aanleiding van de gerechtelijke uitspraak dat het Noodfonds geen zelfstandig bestuursorgaan betreft? Zo ja, hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de eerder opgevoerde argumenten om het Tijdelijk Noodfonds Energie in te zetten ter overbrugging van 2026?
Het kabinet wil ervoor zorgen dat er komende winter hulp is voor mensen die dat nodig hebben. Er liggen verschillende opties op tafel om mensen te helpen. Het Noodfonds Energie is daar één van. Die worden richting augustusbesluitvorming uitgewerkt.
Hoeveel huishoudens hadden dit jaar recht gehad op een uitkering uit het Tijdelijk Noodfonds Energie? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
Het Tijdelijk Noodfonds Energie bakende haar potentiële doelgroep af op basis van inkomens en energiequote. Op basis van de door het Tijdelijk Noodfonds Energie gestelde voorwaarden bedroeg in 2023 de doelgroep naar (grove) schatting ca. 1,8 mln. huishoudens. 2023 was wel een jaar met zeer hoge energieprijzen en daarmee een potentieel grote doelgroep van huishoudens met een hoge energiequote. Het jaar 2024 was qua energieprijzen een meer «gemiddeld» jaar. Op basis van de gestelde voorwaarden bedroeg de doelgroep toen naar schatting 685.000 huishoudens. Over 2026 heeft het kabinet geen inschatting van de potentiële doelgroep, ook omdat de prijzen nog niet vaststaan. Het ligt gezien de huidige prijzen voor de hand dat deze tussen die van 2023 en 2024 ligt.
Hoeveel huishoudens die recht hadden gehad op inkomenssteun door het Tijdelijk Noodfonds Energie zullen dat niet meer hebben onder de voorwaarden van het Publiek Energiefonds? Een inschatting o.b.v. de meest recente cijfers mag ook.
We kijken momenteel nog naar de vormgeving van een publiek energiefonds. De voorwaarden daarvoor staan dus nog niet vast. Om die reden kan de gevraagde inschatting nog niet worden gegeven.
Waarom is ervoor gekozen om het inkomensplafond om in aanmerking te komen voor een uitkering uit het Publiek Energiefonds te verlagen van 200% naar 130% van het sociaal minimum?
Een vernauwing van de omvang van de doelgroep sluit aan bij de bevindingen vanuit het onderzoeksprogramma energiearmoede van TNO3, met als doel om de beschikbare steun te richten op de doelgroep die dit het hardste nodig heeft.
Waarom is ervoor gekozen om de uitkering te maximeren op 200 euro, terwijl TNO berekende dat de «diepte» van energiearmoede veel dieper is (gemiddeld 472 euro per jaar)?
Zoals op vraag 3 geantwoord, mogen de Europese middelen uit het Social Climate Fund alleen gebruikt worden om de verwachte prijsstijgingen door de invoering van ETS-2 te compenseren. Onderzoek van CE-Delft laat zien dat de deze prijsstijging verder oploopt naarmate de jaren verstrijken. Het bedrag van € 200 per jaar sluit aan bij de verwachte gemiddelde prijsstijging waar huishoudens mee te maken krijgen door de meerprijs van ETS-2.
Daarnaast is de inzet van het kabinet om deze kloof te overbruggen ook breder dan alleen inkomensondersteuning; zo wordt er binnen het Ministerie van VRO nadrukkelijk ingezet op de verbetering van de energetische kwaliteit van woningen, en werkt het Ministerie van KGG als systeemverantwoordelijke aan een rechtvaardig energiesysteem.
Waar kunnen huishoudens met een warmtenet terecht die hun energierekening niet kunnen betalen?
Mensen met zorgen over de energierekening kunnen een betalingsregeling met de energieleverancier treffen of aankloppen bij de gemeente of bij Geldfit.
Kan uitstel van ETS2 leiden tot een lager budget in het Sociaal Klimaatfonds voor Nederland, en voor het Publiek Energiefonds in het bijzonder? Zo ja, (hoe) gaat u ervoor zorgen dat dit geen effect heeft op het beschikbare budget in het Publiek Energiefonds?
Het uitstel van ETS-2 zal geen gevolgen hebben voor het totale bedrag waar lidstaten aanspraak op kunnen maken. Wel is het mogelijk dat door het uitstel van ETS-2 de middelen pas later beschikbaar komen, aangezien het Social Climate Fund gevuld wordt uit de opbrengsten van ETS-2.
Kan uitstel van ETS2 naar 2028 ertoe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het Publiek Energiefonds in 2027, bijvoorbeeld omdat het fonds alleen toeziet op compensatie van extra kosten veroorzaakt door ETS2? Zo niet, op basis waarvan wordt in dat geval de vergoeding bepaald in 2027?
Uitstel van ETS-2 naar 2028 kan er niet toe leiden dat huishoudens geen of minder steun krijgen uit het publiek Energiefonds in 2027. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat het Sociaal Klimaatfonds ondanks uitstel van ETS2 per 1 januari open zal gaan? Zo niet, wat zijn de gevolgen voor het Publiek Energiefonds als dit niet zo zou zijn?
Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: 'Einde nog niet in zicht'' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontslaggolf bij bedrijven in volle gang: «Einde nog niet in zicht»»?1
Ja.
Welke economische ontwikkelingen verwacht het kabinet voor de komende jaren?
Op 20 februari 2026 publiceerde het CPB de doorrekening van het coalitieakkoord. Deze werd gemaakt op basis van ramingen uit een tussenversie van het Centraal Economisch Plan 2026. De definitieve raming wordt op 12 maart 2026 gepubliceerd.
In de doorrekening van het CPB is de verwachting dat het Bruto Binnenlands Product jaarlijks met gemiddeld 1,2%-punt groeit tussen 2027 en 2030. De verwachting is dat de werkgelegenheid in gewerkte uren jaarlijks gemiddeld met 0,4%-punt stijgt tussen 2027 en 2030 en de werkloosheid in 2030 uitkomt op 4,2%. Deze cijfers kunnen duiden op een aanhoudende arbeidsmarktkrapte.
Hoelang verwacht het kabinet dat deze reorganisatiegolf nog zal duren?
In 2025 waren er volgens het UWV 42% meer meldingen collectief ontslag (Wet melding collectief ontslag) van bedrijven en organisaties die een voorgenomen reorganisatie aankondigden.2 In totaal gaat het om 355 bedrijven en waren er 25.000 werknemers bij betrokken (36% meer als ten opzichte van 2024).
Het is moeilijk te voorspellen hoe het aantal reorganisaties zich in de toekomst zal ontwikkelen. Met het oog op aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt zal er druk op bedrijven blijven bestaan om processen efficiënter in te richten en hetzelfde werk met minder personeel te doen. Dit kan nodig zijn voor bedrijven om productiever te worden en concurrerend te blijven. Dit kan mogelijk bijdragen aan een toename van het aantal reorganisaties. De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Dit kan de productiviteit verhogen, wat vervolgens meer ruimte zou kunnen bieden voor loongroei. Het werkloosheidspercentage ligt historisch gezien nog steeds laag en volgens het CPB (doorrekening coalitieakkoord) zal de totale werkgelegenheid (gewerkte uren) in Nederland toenemen met gemiddeld 0,4% per jaar tussen 2027 en 2030.
Bij hoeveel bedrijven verwacht het kabinet de komende jaren ook een reorganisatie? Om hoeveel medewerkers zal dit gaan?
Er kan geen precieze schatting gemaakt worden over het aantal bedrijven dat de komende jaren gaat reorganiseren. Bij de keuze voor herstructurering van een bedrijf spelen verschillende factoren een rol, bijvoorbeeld de hoogte van kostenstijgingen, economische onzekerheid en technologische ontwikkelingen. Veel van deze factoren worden beïnvloed door mondiale ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn per definitie onzeker. Hoewel een precieze schatting niet kan worden gegeven, kunnen de actuele cijfers wel worden geduid.
De cijfers van UWV laten zien dat het aantal collectieve reorganisaties sinds 2023 toeneemt, zoals aangegeven in antwoord op vraag 3. Op dit moment is er geen indicatie dat deze trend komende tijd zal veranderen. Het is aannemelijk dat het aantal reorganisaties in 2026 relatief hoog blijft. Daartegenover tonen de cijfers van het UWV een daling in het aantal faillissementen. In 2025 betrof dit ruim 2.000 bedrijven en bijna 20.000 werknemers. Desondanks blijft de arbeidsmarkt krap. Het werkloosheidspercentage ligt met 4,0% historisch gezien laag (Q4 2025). Ook het aantal vacatures per werklozen ligt met 93 vacatures per 100 werklozen hoog.
Wat doet het kabinet om de mensen die nu hun baan verliezen te begeleiden naar nieuw werk?
Wie zijn baan verliest en aan de voorwaarden voldoet, kan zich melden bij UWV voor een WW-uitkering en bijbehorende ondersteuning bij het vinden van een nieuwe baan. Wie niet aan de voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet kan zich voor ondersteuning, en mogelijk een bijstandsuitkering, melden bij de gemeente. UWV en gemeenten richten zich daarbij op de individuele client en de ondersteuning die voor hem/haar passend is. Dit instrumentarium wordt ook aangeboden via de Werkcentra. In de Werkcentra kan daarnaast intensieve begeleiding op maat worden aangeboden aan wie dat nodig heeft, bijvoorbeeld aan oudere werkzoekenden of diegene die met behulp van scholing een baan kan vinden. Ook kunnen goede voorbeelden worden gedeeld binnen en tussen de Werkcentra. Daarnaast stimuleert het kabinet leven lang ontwikkelen in den brede, wat vervolgens de positie van mensen in de arbeidsmarkt versterkt.
Hoeveel procent van de werknemers, die de afgelopen twee jaar hun baan hebben verloren, heeft ondertussen nieuw werk gevonden?
Op basis van CBS-cijfers kan gekeken worden naar de baansituatie en WW-situatie van personen met een WW-uitkering na instroom in de WW3. Deze cijfers volgen de personen tot 2 jaar na instroom in de WW. Voor mensen die niet de WW instromen zijn geen exacte cijfers te berekenen. Hun situatie is lastig te volgen, omdat deze niet altijd bekend is. Het kan zijn dat zij niet aan de voorwaarden voldoen voor een WW-uitkering of al snel weer een nieuwe baan gevonden hebben.
Van de mensen die in 2021 instroomden in de WW heeft 66% één jaar later een werknemersbaan. Na 2 jaar is dit percentage vrijwel gelijk gebleven. Van het aantal mensen dat in 2021 instroomde in de WW heeft 67% twee jaar later een werknemersbaan. Van de totale instroom in de WW in 2021 geldt voor 77% dat zij op enig moment de WW zijn uitgestroomd én een nieuwe baan als werknemer hebben gevonden (vervolgens kan de baan- of uitkeringssituatie nogmaals veranderen, bijvoorbeeld door baanverlies of pensionering)4. Voor de mensen die in 2022 instroomden in de WW heeft 62% één jaar later een werknemersbaan. Cijfers over de baansituatie na één jaar zijn nog niet bekend.
Welke gevolgen zal de voorgenomen korting op de Werkloosheidswet (WW-)duur hebben voor de mensen die de komende jaren vanwege deze ontslaggolf hun baan dreigen te verliezen?
In het coalitieakkoord wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2028 de maximale WW-duur te verkorten van 24 naar 12 maanden. Bovendien wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2030 de opbouw van WW-rechten te vertragen. Nu geldt voor de eerste 10 jaren arbeidsverleden een opbouw van een hele maand WW-recht en voor de jaren daarna een halve maand WW-recht. Dat wordt een halve maand WW-recht voor alle jaren. Na invoering van deze maatregelen ontvangen werkloze werknemers een kortere WW-uitkering. De inkomensbescherming bij baanverlies wordt hierdoor beperkter. Overigens hecht ik eraan te benaderukken dat ik over de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek ga met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Wat vindt u van het feit dat dat bedrijven veel winst boeken, maar toch besluiten om te reorganiseren en werknemers te ontslaan?
De reorganisatie van bedrijven biedt in tijden van krapte kansen om de allocatie van arbeid te verbeteren. Er wordt gekeken of hetzelfde werk efficiënter gedaan kan worden. Dit geldt ook voor bedrijven waarbij het (relatief) goed gaat. Dit kan namelijk een bijdrage leveren aan het verlichten van de arbeidsmarktkrapte. Technologische vooruitgang vindt zijn weerslag op de arbeidsmarkt. Denk bijvoorbeeld aan de vele berekeningen die vroeger door werknemers handmatig werden gedaan, maar nu deels deels computers worden uitgevoerd. Dergelijke vooruitgang waarin het type werk zich ontwikkelt, is van belang voor economische vooruitgang. Dit is namelijk nodig voor een hogere productiviteitsgroei. Deze hogere productiviteit biedt vervolgens ruimte voor loongroei en komt daardoor deels bij de werknemers terecht.
Daarnaast is in tijden van arbeidsmarktkrapte de kans op het vinden een andere baan relatief groot. Dit neemt niet weg dat we ervoor moeten zorgen dat er geen mensen achterblijven, zelfs in zo’n goede arbeidsmarkt. Dit vergt goede begeleiding, zoals beschreven in het antwoord op vraag 5.
Een ondernemer heeft de vrijheid om, binnen de grenzen van de regelgeving, de onderneming naar eigen inzicht in te richten. Als werkgever hoeft een ondernemer niet in financiële problemen te zijn gekomen voordat hij of zij (personele) maatregelen treft. Daar mag men op anticiperen. Bij een eventuele ontslagaanvraag moet de ondernemer aan UWV wel duidelijk kunnen maken dat de maatregelen noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering, en dat deze maatregelen leiden tot het structureel verval van arbeidsplaatsen (over een periode van minimaal 26 weken). UWV toetst dit bij een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen marginaal. UWV toetst of de juiste ontslagvolgorde (afspiegelingbeginsel) is gehanteerd en of het aannemelijk is dat de werknemer niet binnen de redelijk termijn herplaatst kan worden. Het voorgaande neemt echter niet weg dat een reorganisatie voor de getroffen werknemers een vervelende situatie kan betekenen, met in sommige gevallen forse gevolgen voor de inkomenspositie van mensen.
Waarom bent u van plan op de WW-duur te korten terwijl de WW-pot vol zit en deze wordt gevuld door werknemers en werkgevers? Vindt u dit eerlijk?
Het verkorten van de WW-duur verbetert de overheidsfinanciën. Deze besparingen op de WW maken de gehele WW meer activerend. Hiermee wordt het arbeidsaanbod verhoogd in tijden van krapte op de arbeidsmarkt. Het kabinet kiest ervoor het activerende effect van de WW te vergroten maar ook om de WW de eerste twee maanden te verhogen naar 80%. Zo hebben werkenden meer zekerheid en rust om snel passend nieuw werk te vinden.
De aanwezigheid van fondsvermogen is geen reden om wel of niet te bezuinigen op de uitgaven die uit het fonds worden gedaan. Het kabinet kijkt naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten en zorgt ervoor dat het begrotingstekort blijft voldoen aan de Europese normen. Het coalitieakkoord zelf bevat zowel bezuinigingen als extra uitgaven. Extra uitgaven worden voornamelijk door het Rijk gedaan (defensie, wonen, stikstof). Een deel van de bezuinigingen vindt plaats bij uitgaven die worden gedaan bij de sociale fondsen (waaronder ook de zorgfondsen). De uitgaven van de sociale fondsen nemen hierdoor af, terwijl hun inkomsten niet veranderen of zelf toenemen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat bij de sociale fondsen de inkomsten al een tijd lang hoger zijn dan de uitgaven. Hierdoor is, met name bij de UWV-fondsen, een flink fondsvermogen opgebouwd. Ook het vermogen van het werkloosheidsfonds is sinds 2023 weer positief. Daarmee is het vermogenstekort dat was ontstaan tijdens de financiële crisis weer ingelopen. Daarbij heeft het ook geholpen dat de NOW-regeling, die door het Rijk is betaald, tijdens de coronacrisis veel werkloosheidsuitgaven heeft voorkomen. Daarnaast kijkt het kabinet naar alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten.
Bent u het ermee eens dat het een aanval op de rechten van werknemers is om tijdens een reorganisatiegolf te gaan tornen aan de rechten van werknemers, zoals bijvoorbeeld de WW-duur? Zo nee, waarom niet?
Het coalitieakkoord geeft een duidelijke richting van het kabinet ten aanzien van de WW. Dit is geen aanval op werknemers, maar het kabinet wil wel zorgen dat iedereen die aan het werk kan gaan, dat zo snel mogelijk doet. Gelukkig doen de meeste mensen dat ook. Voor werknemers zelf is een nieuwe baan het fijnste. De aanhoudende arbeidsmarktkrapte benadrukt deze noodzaak voor onze economie. Daarnaast heeft het kabinet de opdracht voor gezonde overheidsfinanciën te zorgen. Zoals bij vraag 7 aangegeven, ga ik voor de uitwerking van de WW-maatregelen graag in gesprek met sociale partners, maatschappelijke organisaties, werkzoekenden en ook met uw Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Zie hierboven.
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Ja.
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Ja. Het klachtrecht in de jeugdzorg is een belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Jeugdigen en/of ouders moeten zich veilig genoeg voelen om te klagen over de manier waarop een instantie hen helpt (onder meer over bejegening). Klachtrecht is ervoor bedoeld dat jeugdigen en/of ouders zich gehoord voelen en dat een klacht kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
In het rapport «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet»1 is één van de bevindingen dat jeugdigen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten. Ik vind dit zorgelijk. De voormalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en mijn ambtsvoorganger hebben vorig jaar onderzoek laten uitvoeren om een actueel overzicht te krijgen van de uitvoeringspraktijken en verbeterpunten van interne klachtbehandeling bij organisaties in het brede jeugdzorgdomein. Dit onderzoek is 17 december jl. aan uw Kamer aangeboden2. Het rapport biedt aanknopingspunten om het klachtrecht te verbeteren. Het is een omvangrijk rapport dat aanbevelingen doet op zowel juridisch gebied als op de uitvoering. Momenteel bestuderen de Staatssecretaris van JenV en ik dit nader. Hiervoor voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties, zoals met de VNG en de brancheorganisaties. Ook gaan we in gesprek met jongeren als onderdeel van de kinderrechtentoets. De bevindingen uit het rapport van de Kinderombudsman nemen we hierin uiteraard mee. Voor de zomer van 2026 informeren de Staatssecretaris van JenV en ik de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de te zetten stappen.
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Uit de cijfers van Jeugdstem blijkt dat zij de afgelopen drie jaar duizenden jongeren en ouders hebben ondersteund bij een klachttraject, zie de tabel hieronder:
Klacht ondersteuningstrajecten
Jeugdigen
Ouders
2023
1.912
1.613
2024
2.521
1.832
2025
2.480
1.895
Ik vind het belangrijk dat jongeren zelfstandig een klacht kunnen indienen in een veilig pedagogisch klimaat. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor het creëren en het waarborgen van een cultuur waar het veilig en toegankelijk is voor jeugdigen en ouders om een klacht in te dienen. Ook is het van belang dat klachtenprocedures toegankelijk zijn en er een organisatiecultuur is waarin geleerd wordt van feedback van jeugdigen en ouders. Deze aanbeveling komt ook overeen met een aanbeveling uit het eerder genoemde rapport3.
Daarom is het belangrijk dat zij een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon die hen kan ondersteunen bij het indienen van een klacht. Ik subsidieer hiervoor Jeugdstem, een landelijke en onafhankelijke organisatie van vertrouwenspersonen in de jeugdzorg, die hen een luisterend oor biedt. Deze gesprekken zijn veilig en vertrouwelijk. Jeugdigen en ouders kunnen ook bij een vertrouwenspersoon terecht voor informatie en advies, onder meer over hun rechtspositie.
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Met het hierboven genoemde onderzoek is een beeld gegeven van de klachtenprocedures in het jeugdzorgdomein. Het is de taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om toe te zien of een jeugdhulpaanbieder beschikt over een klachtenprocedure die voldoet aan de Jeugdwet.
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Ik herken dit beeld. Dit wordt ook bevestigd in het onlangs gepubliceerde onderzoek naar klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein4, dat in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van VWS is uitgevoerd.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt uw Kamer voor de zomer van 2026 geïnformeerd over te zetten stappen.
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Op grond van de Jeugdwet mogen jeugdigen en/of ouders zelfstandig een klacht indienen. Hier is geen begeleider voor nodig. Desgewenst kunnen jeugdigen en/of ouders een beroep doen op ondersteuning indien dit wenselijk wordt geacht.
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Ja, ik herken dit beeld. Voor de zomer van 2026 informeren we de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de voortgang van de te zetten stappen.
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Dit zou niet zo moeten zijn. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, dient het klachtrecht onder meer bij te dragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp. Het eerdergenoemde onderzoek5 geeft op dit punt ook een aanbeveling. Mede hierover voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
In de vervolgstappen op het eerder genoemde onderzoek zullen ook de bevindingen uit het recente rapport van de Kinderombudsman en de aanbevelingen van de Kinderombudsman uit 2016 worden meegenomen. Overigens zijn er sindsdien 2016 wel ontwikkelingen geweest. Zo heeft Jeugdstem in 2023 materiaal ontwikkeld, waarmee professionals in een vroeg stadium met cliënten het gesprek aan kunnen gaan over welke stap het beste genomen kan worden wanneer ze ontevreden zijn. Het doel hiervan is om de informatievoorziening voor jeugdigen en ouders te verbeteren en de toegankelijkheid van klachtenprocedures te vergroten. Ook heeft Jeugdstem opleidingsmateriaal over klachtafhandeling ontwikkeld voor professionals.6
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor de wettelijke kaders voor de klachtenprocedures bij jeugdzorgorganisatie. Organisaties in het jeugdzorgdomein kunnen binnen deze kaders hun eigen interne klachtenprocedure inrichten. Met de Staatssecretaris van JenV kijk ik naar de mogelijkheden om klachtenprocedures te versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Ja, zie antwoorden hierboven.
Het bericht 'Jos voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek' |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Jos (64) uit Beek voelt zich misleid na 43 jaar ploegendienst in pvc-fabriek die op faillissement afstevent: «We zijn belazerd»», over de (aanstaande) faillissementssituatie rond Vynova in Beek en de mogelijke gevolgen voor werknemers en oud-werknemers, waaronder het mislopen van loon, een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU-)regeling, en vergoedingen uit het sociaal plan?1
Ja. Het bericht is mij bekend. Het raakt mij dat werknemers die zich jarenlang hebben ingezet voor hun werkgever nu met zoveel onzekerheid worden geconfronteerd.
Hoe beoordeelt u dat er volgens berichtgeving een sociaal plan is overeengekomen met toezeggingen over onder meer ontslagvergoedingen, terwijl (een deel van) de betrokken werknemers inmiddels geen salaris over januari heeft ontvangen en uitbetaling van vergoedingen uit het sociaal plan onzeker is een aangevraagd faillissement?
Vooropgesteld is het zeer teleurstellend als afspraken uit een sociaal plan niet kunnen worden nagekomen, vanwege de financiële situatie van een bedrijf. Er wordt vaak lang over onderhandeld en het biedt werknemers in een kwetsbare situatie houvast. Wanneer dat houvast wegvalt, kan dat gevoelens van onzekerheid en onrechtvaardigheid versterken. Deze situaties komen helaas voor.
Een sluiting als gevolg van faillissement is wezenlijk anders dan een bedrijfssluiting of herstructurering van een onderneming wegens een bedrijfseconomische reden, waarvoor in nauw overleg met vakbonden en/of een OR vaak een sociaal plan wordt afgesproken ter ondersteuning van de ontslagen werknemers.
In geval van faillissement hangt het van de omstandigheden af in hoeverre werknemers nog aanspraak kunnen maken op vergoedingen uit een sociaal plan. Als een vergoeding al vóór het faillissement verschuldigd was, kunnen werknemers deze indienen bij de afwikkeling van het faillissement. Of en in hoeverre deze wordt uitbetaald hangt af van de beschikbare middelen en de andere schulden van het bedrijf. In de praktijk betekent een faillissement vaak dat niet alle schulden volledig kunnen worden betaald, hoe wrang dat ook kan uitpakken voor betrokken werknemers.
Werknemers hebben daarbij wel een zekere bescherming. Bepaalde vorderingen, zoals achterstallig loon en vakantiegeld, krijgen voorrang boven andere schulden.
Een andere situatie doet zich voor wanneer de curator tijdens het faillissement de arbeidsovereenkomst opzegt. In dat geval kunnen werknemers geen aanspraak maken op een ontslagvergoeding uit een eerder afgesproken sociaal plan. In plaats daarvan gelden de regels die specifiek zijn voor ontslag bij faillissement.
In beide situaties kunnen werknemers een beroep doen op de loongarantieregeling van UVW. Deze regeling houdt in dat UVW bij blijvende betalingsonmacht van de werkgever (zoals een faillissement) onder voorwaarden onder meer het achterstallige loon (over maximaal 13 weken), vakantiegeld en bepaalde andere verplichtingen uit de dienstbetrekking overneemt. Dit kan voor werknemers in deze moeilijke periode enige financiële verlichting bieden.
Deelt u de opvatting dat werknemers, zeker na tientallen dienstjaren, zwaar mogen leunen op gemaakte afspraken en toezeggingen in een sociaal plan, en dat het maatschappelijk vertrouwen wordt geschaad als zulke toezeggingen bij een sluiting niet worden nagekomen?
Ik ben het ermee eens dat werknemers waarde moeten kunnen hechten aan een sociaal plan. Voor werknemers vormen dergelijke afspraken een belangrijk fundament voor vertrouwen. Sociale plannen zijn in eerste instantie bedoeld om ontslagen te voorkomen. Daarnaast hebben ze als doel de (financiële) gevolgen van ontslagen te verzachten.
Helaas kan het voorkomen dat een onderneming (vlak) na het overeenkomen van een sociaal plan failliet gaat, waardoor het sociaal plan niet (volledig) kan worden nagekomen. Zoals bij het antwoord op de vorige vraag is beschreven, hangt het in dat geval van de situatie af in hoeverre een werknemer de afspraken die gemaakt zijn in een sociaal plan nog zal kunnen afdwingen.
Kunt u toelichten welke normatieve betekenis u hecht aan sociale plannen in dit soort situaties?
Een sociaal plan is niet wettelijk verplicht, maar wordt in de praktijk met regelmaat afgesproken tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers. Juist omdat het werknemers duidelijkheid en houvast kan bieden in een onzekere periode.
Bij grotere ontslagen (20 of meer werknemers binnen een tijdsbestek van 3 maanden in een werkgebied van UWV) moet een werkgever dit melden en in overleg gaan met vakbonden over hoe de gevolgen voor werknemers kunnen worden beperkt. Dat overleg kan leiden tot een sociaal plan, maar dit is niet verplicht. Een sociaal plan wordt wel vaak als wenselijk gezien voor alle partijen, omdat het duidelijkheid en houvast biedt voor alle betrokkenen.
Een sociaal plan wordt daarom vaak gesloten bij herstructurering en sluiting. Een sociaal plan is juridisch bindend voor betrokken partijen en kan – buiten faillissement – ook worden afgedwongen. Een faillissement wordt echter juist uitgesproken omdat de gefailleerde niet meer in staat is om al zijn verplichtingen na te komen. Er gelden in dat geval de bij het antwoord op vraag 2 beschreven bijzondere regels, die berusten op een afweging van de belangen van alle betrokkenen bij een faillissement, hoe moeilijk dat in de praktijk ook kan uitwerken voor werknemers.
Klopt het dat (ex-)werknemers die gebruikmaakten van een RVU bij Vynova, omdat zij daarvoor zelf ontslag moesten nemen, in beginsel geen aanspraak meer hebben op een Werkloosheidswet (WW-)uitkering wanneer de RVU-uitkeringen vervolgens wegvallen door betalingsonmacht van de werkgever?
In algemene zin geldt voor de WW dat een werknemer die het dienstverband op eigen initiatief beëindigt geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat dan sprake is van verwijtbare werkloosheid. Ik realiseer me dat dit in situaties als deze hard kan uitpakken voor werknemers die in goed vertrouwen gebruik hebben gemaakt van een regeling.
Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van inkomenszekerheid en de bedoeling van RVU-afspraken?
Wanneer een RVU-uitkering wegvalt als gevolg van betalingsonmacht van de werkgever, kan dat aanzienlijke gevolgen hebben voor het inkomen van betrokken werknemers. In hoeverre die gevolgen optreden, hangt mede af van de manier waarop de regeling is ingericht en welke afspraken daarover zijn gemaakt. De situatie waarin een RVU-uitkering stopt door betalingsonmacht is dan ook onwenselijk, omdat deelname aan een RVU-regeling voor werknemers een ingrijpende stap is. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de uitkeringen daadwerkelijk worden betaald, aangezien deze vaak een belangrijke inkomensvoorziening vormen in de periode tot het bereiken van de AOW-leeftijd.
Een RVU is een arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgevers en werknemers(-vertegenwoordigers). Het is daarom aan sociale partners om bij het maken van deze afspraken nadrukkelijk oog te hebben voor de uitvoerbaarheid, de financiering en de zekerheid van betaling. Daarbij is het van groot belang dat zij vooraf stilstaan bij de risico’s, zoals betalingsonmacht, en afspraken maken over hoe deze kunnen worden gemitigeerd en opgevangen. Dit kan bijvoorbeeld door het treffen van voorzieningen via cao-afspraken, het onderbrengen van middelen in een A&O-fonds of het extern organiseren van de financiering en uitvoering van de regeling, met name wanneer sprake is van een onzekere financiële situatie.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van deze situatie, te bezien of de huidige systematiek rond RVU-afspraken waarbij werknemers «op eigen verzoek» uit dienst gaan (en daarmee WW-rechten kunnen verliezen) aanvullende waarborgen behoeft voor het geval de werkgever de RVU-verplichting daarna niet (meer) kan nakomen, bijvoorbeeld door insolventie? Zo ja, welke opties verkent u? Zo nee, waarom niet?
Ik zie dat situaties waarin een werkgever in betalingsonmacht raakt nadelige gevolgen kunnen hebben voor personen die gebruikmaken van een RVU. Dat kan voor betrokken tot onzekerheid leiden.
In het akkoord «Gezond naar het pensioen» (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 663) is met sociale partners afgesproken om de voortzetting van de RVU zorgvuldig te volgen en aandacht te hebben voor de uitvoerbaarheid. Daarbij wordt ook gekeken naar hoe regelingen in de praktijk uitwerken.
In de Kamerbrief over de uitwerking van het akkoord (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685) is tevens aandacht gevraagd voor de mogelijke gevolgen voor de uitbetalingen van RVU-uitkeringen wanneer de werkgever failliet gaat en deze geen voorziening heeft getroffen voor de doorbetaling van RVU-uitkeringen. De handreiking voor de uitvoering van RVU-regelingen, die in samenwerking met sociale partners is opgesteld, beschrijft oplossingsrichtingen om dit risico af te dekken.
Tegen deze achtergrond ben ik hierover in gesprek met sociale partners en zal ik dit blijven doen. Daarbij is nadrukkelijk aandacht voor de continuïteit van RVU-uitkeringen. Sociale partners hebben toegezegd dit ook actief onder de aandacht te brengen bij hun achterban. Op dit moment zie ik echter geen directe aanleiding voor aanpassing van de RVU-systematiek.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij bedrijfssluitingen en herstructureringen sociale plannen en bijbehorende financiële verplichtingen beter worden geborgd (bijvoorbeeld via zekerheidsstellingen), zodat werknemers niet alsnog met lege handen staan bij surseance of faillissement?
Een sociaal plan is ook een arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgevers en werknemers(vertegenwoordigers). Het is aan partijen zelf om daarbij ook afspraken te maken over hoe de uitvoering en betaling worden geregeld, juist om onzekerheden zoveel mogelijk te beperken. Ik begrijp de wens dat werknemers hierin meer zekerheid willen en acht het wenselijk dat partijen hier nadrukkelijk aandacht aan hechten. Het is aan partijen om daar goede afspraken over te maken.
Tegelijkertijd kan een faillissement ertoe leiden dat niet alle afspraken kunnen worden nagekomen, wat voor werknemers ingrijpend kan zijn. Mocht het uiteindelijk tot een faillissement komen, dan worden werknemers beschermd doordat vorderingen wegens verschuldigd loon of vakantiegeld deels een voorrangspositie hebben bij de afwikkeling van het faillissement. Ook het UWV speelt hierin, zoals eerder genoemd, een rol.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met sociale partners?
Een sociaal plan is een arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers. Het is aan partijen zelf om daarbij ook stil te staan bij de vraag hoe afspraken in de praktijk kunnen worden nagekomen en hoe zoveel mogelijk zekerheid kan worden geboden aan werknemers.
In het kader van de uitwerking en monitoring van de afspraken rond het akkoord «Gezond naar het pensioen» (Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 663) is mijn ministerie in gesprek met sociale partners over de uitvoering van RVU-regelingen in de praktijk. Naar aanleiding van uw Kamervragen is daarbij opnieuw aandacht gevraagd voor de continuïteit en borging van RVU-uitbetalingen. Sociale partners zullen hun achterban hier extra op attenderen.
Ernstige privacyschendingen door het UWV bij fraudebestrijding |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat het UWV jarenlang onrechtmatig pasfoto’s van burgers heeft opgevraagd bij gemeenten ten behoeve van fraudebestrijding, zoals onder andere omschreven in het artikel van EenVandaag?1
Ja, dat ben ik.
Erkent u dat het opvragen en gebruiken van pasfoto’s uit paspoort- en ID-administraties door het UWV in strijd is met de Paspoortwet?
Nee. Ik erken wel dat het opvragen en gebruiken van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs bij gemeenten een vergaand middel is. UWV heeft de bevoegdheid tot het opvragen en gebruiken van een kopie van foto’s op een identiteitsbewijs op basis van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Proportionaliteit en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals zorgvuldigheid staan bij het uitoefenen van deze bevoegdheid voorop.
UWV verstrekt jaarlijks meer dan één miljoen uitkeringen. Misbruik komt voor en dat pakt UWV aan. Controle en toezicht op de rechtmatigheid zijn hiervoor belangrijke onderdelen van het takenpakket van UWV. Per jaar ontvangt UWV ongeveer 6.000 signalen van mogelijke regelovertreding. Medewerkers beoordelen of deze signalen moeten worden onderzocht. UWV doet circa 2.000 toezichtonderzoeken op jaarbasis. Bij een klein aantal hiervan, ongeveer 100 per jaar, moet er een kopie van een foto op een identiteitsbewijs worden opgevraagd. Het gaat op jaarbasis om circa 5% van het totaal aantal toezichtonderzoeken. Dat is nodig als tijdens het onderzoek blijkt dat het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet. UWV zet hiervoor eerst lichte middelen in: mogelijk kan het op het internet worden gevonden. Als de lichte middelen niet een (betrouwbaar) resultaat opleveren, dan kan een zwaarder middel worden ingezet zoals het opvragen van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs. Dit gebeurt alleen bij een concreet vermoeden van misbruik, waarbij het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet, en dat niet op een minder ingrijpende manier kan worden onderzocht. Dit vergaande middel zet UWV dan ook beperkt in.
Hoe beoordeelt u het feit dat het UWV intern erkent dat deze werkwijze «strikt genomen niet rechtmatig» is, maar medewerkers desondanks expliciet opdraagt hiermee door te gaan?
In het verleden is een document met een persoonlijke opvatting van een medewerker beschikbaar geweest voor andere medewerkers van UWV. De inhoud hiervan bevat niet het juridische standpunt of de werkwijze van UWV. De tekst is inmiddels verwijderd en de geldende werkinstructies, waaronder over het waarnemen, brengt UWV regelmatig onder de aandacht van de UWV-medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Deelt u de mening dat hier sprake is van bewust en structureel overtreden van privacywetgeving door een overheidsinstantie die juist het goede voorbeeld zou moeten geven?
Nee, die mening deel ik niet. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat overheidsinstanties zorgvuldig en terughoudend moeten omgaan met persoonsgegevens. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun privacy wordt gerespecteerd door de overheid. Ook UWV handelt binnen dit kader. In de situatie die in het artikel wordt geschetst, gaat het om toezichtonderzoek waarbij het mogelijk is voor UWV om een kopie van een foto op een identiteitsbewijs op te vragen bij de gemeente voor identificatie van een uitkeringsgerechtigde waartegen concrete vermoedens van misbruik zijn. UWV maakt beperkt gebruik van deze bevoegdheid en pas nadat andere minder inbreukmakende middelen zijn ingezet. Het opvragen van kopieën van identiteitsbewijzen bij gemeenten is proportioneel en toegestaan op grond van artikel 54 van de Wet SUWI. Er is hier dus geen sprake van het bewust en structureel overtreden van wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat het UWV pasfoto’s gebruikt voor het observeren en volgen van uitkeringsgerechtigden, inclusief het vastleggen van kleding, uiterlijk en loopgedrag?
Ik begrijp dat het waarnemen van uitkeringsgerechtigden een vergaand middel is en vragen oproept over privacy en proportionaliteit. Het uitgangspunt is vertrouwen in mensen. Dit middel zet UWV daarom beperkt in. Toch zijn er ook mensen en organisaties die zich doelbewust niet aan de regels houden. Het is een taak van UWV om deze situaties te onderkennen en er gepast op te reageren.
Bij concrete vermoedens van misbruik moet UWV onderzoek doen. In sommige gevallen kunnen kleding of loopgedrag daarbij relevant zijn in een toezichtonderzoek. Zo is er een casus geweest waarbij iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, omdat diegene slecht ter been was. Na een tip startte UWV een onderzoek en bij de waarneming die daar op volgde, bleek deze persoon een halve marathon te lopen. Dan is het inderdaad relevant om de situatie en uitkeringsgerechtigde te beschrijven en vast te leggen. Daarbij moet een toezichtmedewerker wel zorgvuldig vaststellen dat hij de juiste persoon waarneemt, zoals beschreven in antwoord op vraag 2. Toezichtmedewerkers hebben verschillende manieren om misbruik te onderzoeken. Daarbij worden altijd eerst de minst ingrijpende onderzoeksmethoden ingezet.
Hoe beoordeelt u het standpunt van het UWV dat de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) boven de Paspoortwet zou staan, terwijl meerdere privacy-experts dit nadrukkelijk tegenspreken?
Wat betreft de Paspoortwet en de Wet SUWI het volgende. De Paspoortwet en de daarbij behorende lagere regelgeving regelen specifieke zaken in verband met identiteitsbewijzen, zoals de uitgifte en inname van identiteitsbewijzen, en de bescherming van de daarbij gebruikte gegevens. Gemeenten vervullen een belangrijke rol in de uitvoering van de Paspoortwet. In artikel 73 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is specifiek ten aanzien van de gegevens in de reisdocumentenadministratie aangegeven aan wie gemeenten deze gegevens mogen verstrekken. In de Wet SUWI zijn regels en bevoegdheden van onder andere UWV vastgelegd in het kader van de wettelijke taken die UWV uitvoert. Daarbij horen ook toezicht op en handhaving van de regels betreffende uitkeringen. In dat kader heeft UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI de bevoegdheid om gegevens en inlichtingen bij onder andere de colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. De bevoegdheid van UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI ziet derhalve op veel meer situaties dan alleen het opvragen van gegevens uit reisdocumenten bij gemeenten. De gegevens die UWV opvraagt moeten uiteraard noodzakelijk zijn voor de taak van UWV en het gebruik van de bevoegdheid moet in verhouding staan tot de ernst van de overtreding (proportionaliteit). Mogelijk is verwarring ontstaan doordat in artikel 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 UWV niet staat vermeld als instantie aan wie gemeenten gegevens uit reisdocumenten mogen verstrekken. Dit doet niet af aan de bevoegdheid die UWV heeft op grond van artikel 54 van de Wet SUWI.
Hoe verklaart u dat gemeenten als Amsterdam en Rotterdam jaarlijks meerdere pasfoto’s verstrekken aan het UWV, terwijl andere gemeenten verzoeken weigeren vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag?
Ik begrijp dat verschillen in handelwijze tussen gemeenten vragen oproepen. Zoals hiervoor toegelicht, geeft artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet SUWI aan UWV de bevoegdheid om in het kader van de toezichttaak kopieën van een foto op een identiteitsbewijs bij colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. Dat in de praktijk verschillend wordt gehandeld door gemeenten, doet niet af aan de wettelijke grondslag waarop UWV handelt, maar beperkt wel de onderzoeksmogelijkheden van UWV. Dit was mij niet eerder bekend en daarom ga ik hierover in gesprek met de betrokken partijen om te komen tot een eenduidige toepassing.
Heeft het UWV de Autoriteit Persoonsgegevens actief geïnformeerd over deze werkwijze, en zo nee, waarom niet?
UWV handelt binnen het wettelijk kader van de Wet SUWI en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. UWV rapporteert daarom niet proactief aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Welke maatregelen neemt u om per direct te stoppen met deze praktijk en om te voorkomen dat het UWV in de toekomst opnieuw wettelijke grenzen overschrijdt bij fraudebestrijding?
UWV houdt toezicht conform de wettelijke kaders. Ik vind het van belang dat de geldende werkwijze helder is vastgelegd en eenduidig wordt toegepast. UWV brengt de geldende werkinstructies daarom regelmatig onder de aandacht van medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Welke consequenties verbindt u aan deze handelwijze, zowel bestuurlijk als richting het UWV-management?
UWV maakt in deze gevallen een zorgvuldige belangenafweging tussen privacy en het onderzoeken van mogelijk misbruik. Ik zie dan ook geen reden om hieraan consequenties te verbinden.
Het bericht 'Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls' |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls» en de daarin aangehaalde uitkomsten van onderzoek van ING, waaruit zou blijken dat bijna 80% van de jongvolwassenen (18–34 jaar) maandelijks een impulsaankoop doet en dat een op de drie van hen hierdoor wel eens in financiële problemen is gekomen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zorgelijk is als impulsaankopen, mede door achteraf betalen, kunnen bijdragen aan structurele geldnood, zeker bij jongvolwassenen met een kleine financiële buffer, en dat hier een verantwoordelijkheid ligt voor bescherming van jongeren, zodat problematische schulden kunnen worden voorkomen en we financiële weerbaarheid kunnen versterken?
Ja. Het is zorgelijk wanneer impulsaankopen bijdragen aan financiële problemen, zeker bij jongvolwassenen met een beperkte financiële buffer. Achteraf betalen kan dit effect versterken omdat het de drempel voor aankopen verlaagt en het bewustzijn van de werkelijke financiële impact vermindert. Ik vind het daarom belangrijk dat consumenten adequaat worden beschermd en dat zij in staat worden gesteld om weloverwogen keuzes te maken.
Met de komst van de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en de daaruit volgende implementatiewet wordt hiervoor een belangrijke basis gelegd. Voor het eerst valt achteraf betalen volledig onder het wettelijke consumentenkredietkader, waardoor aanbieders verplicht zijn om zorgvuldig te toetsen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt en om consumenten beter te informeren over de voorwaarden en risico’s. Daarnaast legt de CCDII regels vast over reclame, toezicht, raadpleging van het kredietregister en maximale vergoedingen, bijvoorbeeld bij te late betalingen en maatregelen bij (dreigende) betalingsproblemen, waardoor consumenten beter beschermd zijn tegen overkreditering. Dit is een essentiële stap om problematische schulden te voorkomen en de financiële weerbaarheid van consumenten te versterken.
Tegelijkertijd is achteraf betalen onderdeel van een breder fenomeen, waarbij beïnvloeding via sociale media tot impulsaankopen kan leiden. Dit kan zorgen voor financiële problemen bij kwetsbare groepen zoals jongeren. Daarom blijft het belangrijk om naast wettelijke bescherming ook aandacht te hebben voor bewustwording en educatie, zodat jongeren leren omgaan met financiële keuzes in een samenleving waarin online aankopen steeds makkelijker en sneller worden gedaan. Om die bewustwording te vergroten zet het kabinet in op verschillende initiatieven. Zo dient de «Week van het geld» als belangrijke aanjager voor het stimuleren van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren en is er aandacht voor thema’s als financiële verleidingen en achteraf betalen. Het hele jaar door worden scholen ondersteund via de website geldlessen.nl met onderwijsmateriaal over omgaan met geld. Tevens is er vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in verschillende tijdvakken subsidie beschikbaar gesteld voor onderwijsinstellingen van het middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs en primair onderwijs om structureel aandacht te geven aan financiële educatie. Daarnaast is met de «Betaal Later Kater» campagneronde specifiek aandacht besteed aan risico’s van achteraf betalen en zijn er concrete tips gegeven aan jongeren hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan.
Bent u het ermee eens dat er een koopstopregister moet komen, zoals bepleit door de deskundigen, waarin jongeren uit zelfbescherming zich kunnen afmelden voor achteraf betalen, en bent u bereid te verkennen hoe (en door wie) een landelijk werkende zelfuitsluitingsoptie voor BNPL kan worden ingericht?
Binnen de sector zijn reeds initiatieven ontwikkeld om zelfuitsluiting van achteraf betalen mogelijk te maken. Zo beschikt de BNPL-aanbieder Billink over een zogenoemd «Schulden Preventie Register», dat voorziet in de mogelijkheid tot individuele zelfuitsluiting, zowel op verzoek van de consument als op verzoek van een hulpverlener.2 BNPL-aanbieders Riverty, Klarna en in3 hebben aangegeven positief te staan tegenover deelname aan dit register en zijn hierover in gesprek met Billink. Klarna beschikt daarnaast reeds over een eigen opt-outfunctionaliteit, waarmee consumenten via de Klarna-app kunnen kiezen om geen gebruik (meer) te maken van de kredietproducten «Betaal binnen 30 dagen» of «Betaal in 3 delen» en alleen de optie «Betaal nu» mogelijk blijft.3 Tegen deze achtergrond ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om zelf een landelijk koopstopregister voor BNPL te ontwikkelen.
Bent u bereid hiervoor ook inspiratie op te doen bij het Crux-register, dat voor online gokken een effectieve zelfuitsluitingsoptie biedt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om strengere transparantie-eisen te stellen aan aanbieders van achteraf betalen over voorwaarden en risico’s (zoals betaaltermijnen, aanmanings- en incassokosten) en om te voorkomen dat deze informatie wordt «weggestopt», zoals in het artikel wordt gesignaleerd?
Met de CCDII worden strengere eisen gesteld aan de informatieverstrekking aan consumenten. Aanbieders moeten tijdig, duidelijk en begrijpelijk informeren over onder meer betaaltermijnen, kosten, gevolgen van te late betaling en eventuele incassomaatregelen. Ook volgen uit de implementatie van de CCDII regels die de vergoedingen maximeren die aanbieders bij consumenten in rekening mogen brengen, inclusief maximale kosten bij te late betaling.
Daarnaast gaan regels gelden voor verantwoorde reclame en worden aanbieders onder toezicht geplaatst van de AFM. De AFM kan handhavend optreden wanneer aanbieders niet voldoen aan de wettelijke transparantie- en zorgplichtvereisten.
Kunt u aangeven hoe het inmiddels staat met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over onderzoeken of inkomensondersteunende regelingen van de overheid op een vast moment in de maand kunnen worden uitbetaald, zodat mensen daar hun vaste lasten beter op aan kunnen sluiten en zo een beter financieel overzicht krijgen?2
Het nieuwe kabinet heeft in het coalitieakkoord de ambitie opgenomen om alle regelingen van de overheid op een vast moment in de maand uit te betalen en dat te laten aansluiten op één vaste betaaldag voor de maandlasten. Momenteel is het Ministerie van SZW bezig met een onderzoek naar de praktische uitvoerbaarheid van het harmoniseren van betaalmomenten. Dit onderzoek richt zich zowel op de inkomstenkant als de uitgavenkant van mensen die inkomensondersteunende regelingen ontvangen. De onderzoeksvragen waar het onderzoek op ingaat zien op de mogelijkheden tot samenbrengen van betaalmomenten van inkomensondersteunende regelingen en incassomomenten van vaste lasten. Daarbij is aandacht voor de gevolgen voor burgers, publieke dienstverleners, private organisaties en systeemrisico’s. Het onderzoek is bijna afgerond en zal voor de zomer met een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden voor het inbouwen van een «nadenkmoment» bij achteraf betalen?
Het idee van een «nadenkmoment» sluit aan bij het bredere uitgangspunt dat consumenten een weloverwogen beslissing moeten kunnen nemen bij het aangaan van krediet. Met de implementatie van de CCDII worden aanbieders verplicht om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst adequate informatie te verstrekken en een kredietwaardigheidstoets uit te voeren.
In hoeverre aanvullende gedragsinterventies, zoals een verplicht nadenkmoment, effectief en proportioneel zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
Bent u bereid nogmaals uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om achteraf betalen in fysieke winkels te verbieden, ook in relatie tot de per november 2026 in werking te treden Herziene richtlijn consumentenkrediet (Consumer Credit Directive II; CCDII) voor consumentenbescherming bij achteraf betaaldiensten?
De CCDII reguleert achterafbetaaldiensten volledig en maakt geen onderscheid tussen online en fysieke aanbiedingsvormen. Een nationaal verbod op BNPL in fysieke winkels, terwijl online BNPL wel toegestaan blijft, is daarom naar verwachting juridisch niet verenigbaar met het maximumharmonisatiekarakter van de richtlijn.
Kunt u aangeven hoe ver de kredietcheck reikt die aanbieders van achteraf betalen moeten doen na het in werking treden van de CCDII per november 2026, en of dit inderdaad voldoende is om jongeren te beschermen tegen aankopen waar zij onvoldoende middelen voor hebben, of dat er aanvullende bescherming nodig is?
De CCDII verplicht aanbieders tot het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets voordat een krediet wordt verstrekt. Dit houdt in dat zij, op basis van toereikende informatie over de financiële situatie van de consument, moeten beoordelen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt. Ook worden regels ingevoerd voor raadplegen van en registratie bij het BKR, zodat kredietverplichtingen inzichtelijk zijn en overkreditering kan worden tegengegaan.
Daarnaast bevat de CCDII bepalingen ten aanzien van vroegsignalering van schulden. Zo worden aanbieders verplicht om consumenten op tijd door te verwijzen naar schuldadviesdiensten en dienen zij passende respijtmaatregelen te treffen bij betalingsproblemen. Ook worden kosten voor invordering gemaximeerd en wordt het aanbieden van BNPL aan minderjarigen verboden.
Met dit samenhangende pakket aan maatregelen biedt de CCDII een stevig en toekomstbestendig kader voor consumentenbescherming. Of aanvullende maatregelen nodig zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
De misstanden en uitbuiting van Nederlandse jongeren in Franse gastgezinnen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikelen in de Telegraaf en Dagblad van het Noorden over de misstanden bij Franse gastgezinnen waar Nederlandse jongeren via jeugdzorgbedrijf Tjeenz en onderaannemer Force en Soi werden geplaatst? Wat is uw reactie op dit artikel waaruit blijkt dat Nederlandse jongeren feitelijk werden uitgebuit in plaats van dat zij hulp kregen voor hun problemen?1, 2
Ja. Ik ben geschrokken van het bericht dat er mogelijk misstanden waren bij Nederlandse jongeren die in Frankrijk jeugdhulp krijgen. Iedere jongere moet in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven.
Is bekend hoeveel jongeren momenteel in het buitenland zitten via soortgelijke trajecten? Kunt u garanderen dat al deze jongeren nu veilig zijn?
Als jongeren in het buitenland worden geplaatst, dan dient de verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden. Met deze procedure wordt voorafgaand aan de plaatsing van de jongere in het buitenland instemming gevraagd aan de buitenlandse Centrale autoriteit, zodat de landelijke autoriteiten van dat land op de hoogte zijn van de plaatsing. Het CA heeft dus zicht op het aantal geregistreerde (pleegzorg)plaatsingen in het buitenland. Meestal gaat dat om plaatsingen bij familieleden, in een enkel geval bij een gastgezin of zorginstelling. In 2024 ging dit in totaal om 12 kinderen. Als deze procedure niet wordt gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geen toezicht houdt in het buitenland.
Wie is er volgens u verantwoordelijk voor het toezicht op leefomstandigheden en kwaliteit van hulp, op het moment dat een jongere in het buitenland wordt geplaatst? Hoe wordt het toezicht vormgegeven en hoe wordt de kwaliteit van de geboden hulp getoetst? Wie is er bevoegd om in te grijpen bij misstanden? Wat is de rol van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij jeugdhulp in het buitenland?
De Nederlandse kwaliteitseisen gelden ook voor jeugdhulp die gemeenten of aanbieders in het buitenland inkopen of aanbieden. Een gemeente of jeugdhulpaanbieder die ervoor kiest jeugdhulp in het buitenland in te zetten, moet zich er dus van vergewissen dat deze hulp voldoet aan de in Nederland geldende eisen en dat wordt voldaan aan internationale regelgeving en de wet- en regelgeving van het ontvangende land. Zij zijn hier verantwoordelijk voor.
Voordat een jongere geplaatst kan worden in het buitenland, dient de procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden door aanbieders en gemeenten. Het volgen van de procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is de verantwoordelijkheid van de plaatsende instantie, namelijk de gemeente of GI. Deze procedure staat beschreven in de Europese Verordening Brussel II ter. De Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het plaatsende land vraagt hierbij goedkeuring aan de Centrale autoriteit van het ontvangende land alvorens in dat land jeugdhulp verleend kan worden aan een jongere. Dit is van belang zodat het land waar de jongere wordt geplaatst hiervan op de hoogte is, weet wie toezicht houdt en hoe zo nodig contact opgenomen kan worden met de ouders. Bovendien is de procedure voor het plaatsen van de jongere in het buitenland onderhevig aan de nationale regels en voorwaarden van dat land. Via de Centrale autoriteiten kan informatie worden gevraagd welke regels en voorwaarden dat zijn, dit kan per land verschillen.
Verder dienen de afspraken die gemaakt zijn in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd opgevolgd te worden. Het Platform Jeugdhulp in het Buitenland, de IGJ en de VNG hebben deze afspraken gemaakt. De jeugdhulpaanbieder die jongeren in het buitenland plaatst is volgens het Afsprakenkader verplicht aan de IGJ door te geven wie de lokale toezichthouder is en hoe het toezicht op de kwaliteit is vormgegeven (en wie er dus kan ingrijpen bij eventuele misstanden). Op deze manier kan, indien er zorgen zijn over de kwaliteit van de zorg in het buitenland, de IGJ contact opnemen met de buitenlandse collega-inspectie. Gemeenten hebben in dit kader ook een verantwoordelijkheid, in het Afsprakenkader is hierover het volgende opgenomen: «Nederlandse gemeenten hebben zich aan de afspraken uit dit kader verbonden. Dit betekent dat gemeenten zorgdragen dat iedere buitenlandse plaatsing volgens de criteria van dit afsprakenkader geschiedt.»
Hebt u ook gelezen dat dat deze jongeren stiekem eten aten dat voor dieren was bedoeld, geen wc tot hun beschikking hadden in de nacht, werden opgesloten, rotklussen moesten doen en werden vernederd? Hoe kan het dat deze ernstige misstanden niet eerder ergens zijn opgepakt door de verantwoordelijke organisaties of anderen?
Ja, ik ben erg geschrokken van deze berichten. Jongeren moeten in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven. De verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is in deze situatie niet gevolgd. Als deze verplichte procedure en het Afsprakenkader niet worden gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de IGJ geen toezicht houdt in het buitenland.
Kunt u verklaren waarom er niet eerder is ingegrepen bij Force en Soi? Waar is dit misgegaan? Zijn er de afgelopen jaren signalen binnen gekomen bij gemeenten, hulporganisaties en de Franse of Nederlandse Inspectie? Zo ja, wat is er gedaan met deze signalen?
De IGJ heeft mijn ministerie gemeld dat zij recentelijk is geïnformeerd door betrokken Nederlandse zorgaanbieders en Franse autoriteiten over het intrekken van de vergunning van Force en Soi. De IGJ kan niet ingaan op individuele casuïstiek of meldingen.
Klopt het dat de IGJ formeel geen rol heeft bij jeugdhulp in het buitenland, maar de toezichthouder in het betreffende land? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Ja, dat klopt. Om het toezicht in het buitenland te regelen voor Nederlandse jongeren dient de verplichte procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden te worden gevolgd. De IGJ is niet bevoegd om toezicht te houden in het buitenland. Als er jeugdhulp wordt geboden in het buitenland, dan moet de aanbieder die dit aanbiedt of gemeente die dit inkoopt hierover afspraken maken met de lokale toezichthouder en er moet op nationaal niveau toestemming zijn van het ontvangende land. De IGJ moet geïnformeerd worden over welke lokale toezichthouder toezicht houdt.
Wat is precies de status van het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod dat door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Platform aanbieders in het buitenland en de IGJ is opgesteld? Klopt het dat er ook aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen?
Het Afsprakenkader bevat afspraken die zijn opgesteld door het Platform Jeugdhulp in het buitenland, de IGJ en de VNG om de kwaliteit van de in het buitenland geboden jeugdhulp te kunnen waarborgen. Het is de bedoeling dat met dit Afsprakenkader kwaliteitstandaarden voor jongeren die in het buitenland jeugdhulp krijgen geborgd worden wanneer een jongere, onder verantwoordelijkheid van een Nederlandse jeugdhulpaanbieder, in het buitenland jeugdhulp ontvangt. De VNG adviseert haar leden om bij trajecten in het buitenland alleen jeugdhulp in te kopen bij organisaties die zich aan het Afsprakenkader houden. Momenteel wordt het Afsprakenkader herzien en verbeterd.
Het klopt dat aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen. In het Afsprakenkader staat dat jeugdhulpaanbieders die zich aansluiten bij het Platform Jeugdhulp in beginsel moeten voldoen aan de kwaliteitsvereisten genoemd in het Afsprakenkader. Wanneer een jeugdhulpaanbieder zich niet aansluit bij het Platform Jeugdhulp, dan is het aan de betrokken gemeente het gesprek te voeren met de jeugdhulpaanbieder die zij heeft gecontracteerd over hoe de kwaliteitsvereisten geborgd worden.
Deelt u de mening dat het afsprakenkader op geen enkele wijze aandacht heeft voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren? Hoe verklaart u het dat hier zo weinig aandacht voor is, en er zo weinig geleerd lijkt te zijn van de vele rapporten die de schadelijke gevolgen van repressie en afzondering duidelijk maken?
Kinderen horen veilig te zijn in de jeugdhulp en zij verdienen kwalitatief goede zorg. Ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen. Daarnaast wordt het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd herzien en verbeterd. Ik zal bij partijen benadrukken dat daarin ook aandacht moet zijn voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren. Ook wil ik dat er meer aandacht komt voor de verplichte procedure van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden.
Wordt aan jongeren die in het buitenland worden geplaatst expliciet kenbaar gemaakt dat ze recht hebben op een vertrouwenspersoon? Zo nee, hoe rijmt dit met de Jeugdwet en Kinderrechten?
Het is aan plaatsende jeugdhulpaanbieders om hierop toe te zien dat dit gebeurt. Plaatsende jeugdhulpaanbieders dienen de Jeugdwet en kinderrechten in acht te nemen.
Deelt u de mening dat deze misstanden vragen om aanpassing van het afsprakenkader om de positie van kinderen te beschermen? Maar ook om beter toezicht? Zo ja, gaat u dit oppakken met de VNG en de IGJ?
Zie ook het antwoord bij vraag 8: het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd wordt herzien en ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen.
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Nicole Moinat (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Ja.
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
Ik deel de zorgen over de vatbaarheid van kwetsbare jongeren om (online) geronseld te worden. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, hebben een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken. Dit vraagt ook om een combinatie van mediawijsheid, alsmede betrokkenheid van ouders bij de online activiteiten van hun kinderen.
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Er is momenteel, bijvoorbeeld bij jeugdzorg of lokale wijkteams, geen gezamenlijk zicht op hoeveel jongeren online worden geronseld. Ronselaars hoeven slechts één oproep te plaatsen om grote aantallen jongeren te bereiken. Daarbij komt dat jongeren zelf terughoudend zijn in het melden van criminele uitbuiting bij de politie of andere instanties. Daarom wordt door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) een onderzoek uitgevoerd naar de meldingsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting. De eerste inzichten uit dit onderzoek worden in de zomer van 2026 opgeleverd en gedeeld met gemeenten en andere partners binnen het preventieveld via bijvoorbeeld de digitale vindplaats van Preventie met Gezag (PmG) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit PmG het online hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt biedt online hulpverlening aan jongeren die het slachtoffer zijn van criminele uitbuiting of vastzitten in de criminaliteit. Ook kunnen mensen uit de omgeving van een jongere bij Keerpunt terecht wanneer zij zich over diegene zorgen maken. Uit het jaarrapport van Keerpunt blijkt dat online rekrutering met name via sociale media platformen zoals Snapchat, Telegram en Instagram plaatsvindt. Het specifieke aantal is, zoals eerder benoemd, echter onbekend.
Om meer inzicht te krijgen in de modus operandi van online rekruteren wordt op dit moment in opdracht van JenV en het CKM een cyclisch onderzoek uitgevoerd op Telegram en Snapchat. Inzichten uit dit onderzoek worden omgezet naar een handzame factsheet en worden halfjaarlijks gedeeld met de gemeenten, zorg-, sociaal en veiligheidspartners en opsporingsdiensten. De eerste landelijke factsheet wordt voor de zomer van 2026 verwacht.
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
Landelijke cijfermatige onderbouwing van deze aanname ontbreekt. De eerdergenoemde onderzoeken zullen hier meer zicht op geven.
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
Het jeugdzorgstelsel is gedecentraliseerd, waarbij gemeenten op basis van de jeugdwet volledig verantwoordelijk zijn voor de organisatie van alle jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De uitvoering gebeurt door het inkopen van zorg bij jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen of via lokale wijkteams.
Bij bewustwording over en het signaleren van normvervaging en afglijden van jongeren in een kwetsbare positie naar criminaliteit, spelen de werkgevers in het jeugdzorgstel een belangrijke rol, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de (bij)scholing en professionalisering van hun werknemers die jongeren begeleiden.
Jeugdprofessionals worden hierbij onder andere geholpen door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Onlangs heeft het CCV voor professionals een lijst met «rode vlaggen» gepubliceerd. In deze lijst staan risicosignalen, zowel in de online als offline wereld, die erop kunnen wijzen dat een jongere afglijdt naar de criminaliteit.
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
In het kader van het Actieplan Samen tegen Mensenhandel werken Defence for Children-ECPAT, Rode Kruis en FIER aan meer inzicht en bewustwording bij professionals gericht op de signalering en bewustwording van jeugdige slachtoffers van mensenhandel. Door middel van een campagne, (#GeenBuit) e-learning (BUIT) en een verdiepende (maatwerk) training zijn in totaal circa 200.000 professionals bereikt in de jeugdzorg, de migratieketen, politie, welzijn en onderwijs. Sinds april 2025 is aanvullend ingezet op bewustwording en signalering van mensenhandel op scholen (het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) onder de noemer «Uitbuiting (niet) op school». Het aanbod bestaat uit een maatwerktraining, toolkit en vernieuwde signalenkaart.
Deze interventies zijn onderdeel van de brede aanpak van mensenhandel, gecoördineerd vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zo richt de eerder genoemde interventie die zorgt voor inzicht en bewustwording bij professionals op het gebied van jeugdige slachtoffers van mensenhandel zich op zowel criminele uitbuiting als seksuele uitbuiting. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij bestaande expertise en werkwijzen.
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Gemeenten geven lokaal invulling aan de samenwerking tussen partijen als politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk. Afhankelijk van de lokale verschillen is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd. Een goede samenwerking en uitwisseling van signalen van bovenstaande partijen is belangrijk om preventief en repressief signalen van ronselen te herkennen.
PmG draagt bij aan het versterken van de lokale domein-overstijgende samenwerking tussen het sociaal domein (gemeenten, zorg- en onderwijspartners) en justitiepartners op het gebied van preventie. Doel is hierbij om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met justitie danwel doorgroeien in de criminaliteit. In iedere PmG-gemeente vinden er multidisciplinaire casusoverleggen plaats, bijvoorbeeld signaal-overleggen op scholen in het kader van de veiligheid rond en om school in gemeenten, (preventieve) persoonsgerichte aanpakken en/of aanpak van complexe problematiek in een Zorg- en Veiligheidshuis. Afhankelijk van de casuïstiek sluiten verschillende partners aan, zoals jongerenwerkers, school, politie, reclassering en gemeente.
Het is belangrijk om tijdig signalen te delen om verder afglijden te voorkomen. Om die reden wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan een handreiking om gemeenten meer houvast te geven bij het organiseren van vroegsignalering die rechtmatig, zorgvuldig en met oog voor de rechten van jongeren en hun ouders wordt uitgevoerd. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2026 gereed zal zijn en beschikbaar komt voor alle gemeenten.
In antwoord op Kamervragen ten behoeve van het schriftelijk overleg Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september 2025 is op het punt van het delen van informatie uitgebreid ingegaan.2
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Voor zover ik nu kan bezien, voldoen het strafrecht en de handhaving in de aanpak van criminele ronselaars. Mij zijn geen signalen bekend dat het strafrechtelijk kader in concrete gevallen niet toereikend is om personen die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten strafrechtelijk aan te pakken. Het OM en de politie bevestigen het beeld dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de Officier van Justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld in artikel 273f, vijfde lid, onder e, Sr, waar specifiek de «uitbuiting van een persoon bij het verrichten van strafbare activiteiten» is opgenomen. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten. Of sprake is van criminele uitbuiting hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij wordt gekeken naar de aard en duur van de strafbare activiteit, de beperkingen voor de betrokkene en (in mindere mate) het economische voordeel van degene die de jongere heeft aangezet tot het plegen van het strafbare feit.
Afhankelijk van de omstandigheden zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Een minderjarige kan bijvoorbeeld tegen betaling een explosief in de nabijheid van een woning plaatsen; dan kan sprake zijn van het uitlokken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor personen of goederen, strafbaar op grond van artikel 157 in verbinding met artikel 47 Sr. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en PmG zetten in op het mitigeren van risicofactoren en het bevorderen van beschermende factoren om te voorkomen dat jongeren in een kwetsbare positie met criminaliteit in aanraking komen, afglijden of doorgroeien in de criminaliteit. Dit doen we in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit wordt gecombineerd met het stellen van grenzen die aan jongeren die dreigen in de criminaliteit te belanden danwel doorgroeien. De inzet van PmG sluit aan op de inzet vanuit het NPLV, waar langjarig wordt ingezet op het tegengaan van armoede, het vergroten van de gezondheid en het creëren van veilige en leefbare wijken. De lessen van het NPLV worden breder gedeeld met andere gemeenten. Zie ook de Kamervragen zoals eerder benoemd.3
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
De auteurs van het landelijk kwaliteitskader «Effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» concluderen dat er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat universele voorlichtings- en educatieprogramma’s bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit onder jongeren, terwijl de kans op schadelijke effecten relatief groot is.4 Daarom is terughoudendheid bij de inzet van (brede) campagnes op zijn plaats.
Lokmiddelen zijn zware opsporingsmiddelen. Het werken met een lokmiddel of lokpersoon is complex en vergt veel capaciteit. Bovendien bestaat het risico dat bij de inzet van lokmiddelen de grens tussen lokken en uitlokken wordt overschreden. Vanuit proportionaliteit en subsidiariteit zetten opsporingsdiensten ze daarom terughoudend in, vooral wanneer andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
We hebben momenteel voldoende instrumenten in handen om samen te kunnen werken, zowel aan de preventieve als aan de strafrechtelijke kant. Gemeenten zetten in om zo vroeg mogelijk kinderen, jongeren en gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden. Waar nodig bieden zij passende jeugdhulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning aan ouders en forensische jeugdhulp aan jeugdigen. Het is aan gemeenten om te zorgen voor voldoende passend aanbod. Professionals kunnen bij de keuze voor een passende interventies o.a. gebruik maken van de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.5
Het strafrecht wordt pas ingezet op het moment dat er een strafrechtelijk feit is begaan. In geval van vroegsignalering is hier geen sprake van. Politie kan wel signalen opvangen dat jongeren afglijden in de criminaliteit. Zij kunnen ook samenwerken met scholen of (preventief) doorverwijzen naar jeugdhulp, gemeenten en reclassering. Ik werk voortdurend aan de verbetering van deze samenwerking, bijvoorbeeld door knelpunten in de gegevensdeling tussen gemeenten en justitiepartners op te lossen met de Taskforce Gegevensdeling.
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Nibud-onderzoek over het forse verlies in inkomsten van huishoudens als kind 18 wordt |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nibud: alleenstaande ouder verliest veel inkomen als kind 18 wordt» en met het betreffende rapport «De financiële knip op 18 jaar»?1, 2
Ja, ik ben bekend met het NOS-artikel naar aanleiding van het Nibud-rapport «De financiële knip op 18 jaar».
Wat is uw reactie op het rapport?
Het Nibud-rapport laat zien dat veel huishoudens met kinderen minder te besteden krijgen zodra een kind 18 jaar wordt. Dit komt vooral doordat ouders dan geen recht meer hebben op kinderbijslag en kindgebonden budget, waardoor het huishoudinkomen daalt. Tegelijkertijd komen er extra kosten bij, zoals de premie voor een zorgverzekering. Naast kinderbijslag en kindgebonden budget kan ook ondersteuning via gemeentelijke regelingen vervallen zodra een kind 18 jaar wordt, hoewel dit niet is meegenomen in het Nibud-onderzoek.
Ik begrijp dat het voor sommige huishoudens lastig kan zijn om deze inkomensdaling op te vangen, en ik begrijp ook dat mensen zich hier zorgen over maken. Het gaat soms immers om grote bedragen. De inkomensterugval door verlies aan kinderbijslag en kindgebonden budget kan – omgerekend naar maandbedragen – oplopen tot € 436 per kind voor tweeoudergezinnen. Bij alleenstaande ouders kan dit oplopen tot € 715 per kind als het jongste kind 18 jaar wordt.
Het is onvermijdelijk dat de ondersteuning voor de kosten van kinderen op enig moment ophoudt te bestaan. Op dit moment ligt die grens op 18 jaar. Dat is ook de leeftijd waarop jongeren meer rechten krijgen (zoals het recht om te stemmen, zelfstandig auto te rijden of te trouwen) en ook meer verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld dat jongeren een zorgverzekering moeten afsluiten of aansprakelijk zijn voor schulden die zij maken). In dat kader is 18 jaar ook een logische leeftijd om te verwachten dat jongeren zelf financieel meer gaan bijdragen.
Het vervallen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget betekent niet dat er helemaal geen ondersteuning meer is. Zodra een kind 18 jaar wordt, zijn er een aantal andere regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen. Zo komen de meeste jongeren in aanmerking voor zorgtoeslag. Jongeren die studeren komen in aanmerking voor studiefinanciering. Jongeren die nog voortgezet onderwijs volgen komen in aanmerking voor de tegemoetkoming scholieren (WTOS). En jongeren die niet werken of studeren kunnen een beroep doen op algemene bijstand.
Ouders en kinderen kunnen ook zelf een bijdrage leveren door in te spelen op het feit dat een kind 18 jaar wordt en dat de regelingen dan stoppen. Ouders zouden bijvoorbeeld meer uren kunnen gaan werken. En meerderjarige kinderen kunnen wellicht ook bijdragen in de kosten als zij studiefinanciering ontvangen, een bijbaan hebben, en eventueel meer uren gaan werken. Studenten die vanwege een medische beperking niet kunnen bijverdienen naast hun studie, kunnen mogelijk via hun gemeente studietoeslag krijgen. En als het echt niet lukt om rond te kunnen komen, dan kunnen mensen voor onvoorziene bijzondere omstandigheden ook een beroep doen op individuele bijzondere bijstand.
Het is vooral belangrijk dat ouders met hun kinderen (en eventueel de gemeente) in gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en over de mogelijkheden om hiermee om te gaan.
In hoeverre waren deze signalen bij u bekend?
Ik ben ermee bekend dat het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget vervalt zodra een kind 18 jaar wordt.
Wat is uw reactie op de uitspraak van Nibud-directeur Mattias Gijsbertsen dat de harde financiële overgang van een 17-jarig naar een 18-jarig kind de kansenongelijkheid versterkt?
Het effect van 18 jaar worden op kansenongelijkheid hangt af van de individuele situatie. Niet alleen regelingen voor meerderjarige kinderen zijn van belang, maar ook de mogelijkheden die ouders en kinderen zelf hebben om een inkomensdaling op te vangen spelen een belangrijke rol. Als ouders meer uren kunnen gaan werken, of als meerderjarige kinderen een bijbaan hebben, hoeft dat niet automatisch te leiden tot grotere kansenongelijkheid. Op langere termijn kan het hebben van een bijbaan helpen om waardevolle vaardigheden te ontwikkelen, een netwerk op te bouwen en werkervaring op te doen, wat kansenongelijkheid zelfs kan verminderen.
Deelt u de opvatting dat de noodzakelijke verhoging van het kindgebonden budget in 2023, nadat de Commissie sociaal minimum concludeerde dat gezinnen soms honderden euro’s per maand tekort kwamen, niet tot gevolg zou mogen hebben dat ouders bij de 18e verjaardag van hun kind opnieuw of dieper in armoede terecht komen?
Het klopt inderdaad dat de verhogingen van het kindgebonden budget in de afgelopen jaren tot gevolg hebben gehad dat ouders nu meer kindgebonden budget verliezen wanneer een kind 18 jaar wordt. Hoewel dit een nadeel is, was dat voor de regering destijds geen reden om af te zien van de verhogingen van het kindgebonden budget, omdat de wens om huishoudens met kinderen gericht te ondersteunen zwaarder woog. Het is daarom van belang dat ouders bij dreigende geldzorgen naar de gemeente gaan om te bezien wat passende ondersteuning voor hen zou kunnen zijn.
Deelt u de zorgen over het feit dat alleenstaande ouders in de bijstand de hoogste inkomensdaling hebben? Zij verliezen bijna 720 euro per maand als hun jongste kind 17 wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe deze grote daling voor deze specifieke groep kan worden opgevangen of verzacht?
Ik herken dat de inkomensdaling voor eenoudergezinnen groter kan zijn dan voor tweeoudergezinnen. Dit is het geval in situaties waarin het jongste kind 18 jaar wordt. In principe zijn de bedragen per kind binnen de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor eenouder- en tweeoudergezinnen gelijk. Voor 17-jarigen is dat – omgerekend naar maandbedragen – € 141 per kind aan kinderbijslag en maximaal € 295 per kind aan kindgebonden budget. Alleenstaande ouders ontvangen binnen het kindgebonden budget echter een verhoging van het bedrag in de vorm van de zogenaamde alleenstaande ouderkop (ALO-kop). De hoogte van dit bedrag (€ 279 per maand) is onafhankelijk van het aantal kinderen. Als een kind 18 jaar wordt en er zijn geen andere kinderen jonger dan 18 jaar, dan verliezen eenoudergezinnen dus in totaal € 715 per maand aan kinderbijslag en kindgebonden budget, terwijl dit voor tweeoudergezinnen € 436 per maand is.
Ik begrijp dat een inkomensdaling moeilijker op te vangen is als deze groter is, en dat het voor alleenstaande ouders dus moeilijker kan zijn. Tegelijkertijd is de inkomensverandering niet het enige dat relevant is. Uiteindelijk is het ook belangrijk hoeveel mensen onderaan de streep te besteden hebben. Een grotere inkomensdaling betekent daarom niet automatisch dat eenoudergezinnen altijd moeilijker rond kunnen komen dan tweeoudergezinnen. Het Nibud-onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat de financiële situatie van een alleenstaande ouder in de bijstand met twee kinderen van 15 en 18 jaar doorgaans beter is dan de financiële situatie van een stel in de bijstand met twee kinderen van dezelfde leeftijd – ook nadat een kind 18 is geworden. In de begrotingen die het Nibud opstelde voor dit onderzoek is bovendien geen rekening gehouden met een aantal regelingen die in de praktijk wel een rol kunnen spelen, zoals kinderalimentatie. Een deel van de kinderen van gescheiden ouders heeft hier recht op totdat zij 21 jaar worden.
Op basis van het Nibud-onderzoek kan dus niet meteen worden gesteld dat de financiële gevolgen van 18 jaar worden vaker tot problemen leiden in eenoudergezinnen dan in tweeoudergezinnen. Daarom zie ik op dit moment geen reden om specifiek voor alleenstaande ouders te onderzoeken hoe de inkomensdaling bij 18 jaar kan worden opgevangen of verzacht. Het antwoord op vraag 10 gaat wel uitgebreider in op de mogelijkheden om de gevolgen van een inkomensdaling in algemene zin te matigen.
Hoe beziet u de tegenstelling van het wegvallen van inkomsten als kinderbijslag en het kindgebonden budget bij de 18e verjaardag en de wettelijke verantwoordelijkheid die ouders hebben tot de 21e verjaardag voor de kosten van levensonderhoud en studie?
Ouders zijn inderdaad financieel verantwoordelijk voor hun kinderen totdat zij 21 jaar worden. Maar dat betekent niet dat meerderjarige kinderen van 18–20 jaar geen enkele bijdrage kunnen leveren. Het is belangrijk dat ouders tijdig met hun kinderen in gesprek gaan over de financiële gevolgen van 18 jaar worden, en de mogelijkheden om hiermee om te gaan.
Deelt u de mening dat het type vervolgopleiding geen invloed zou mogen hebben op de financiële situaties van kinderen en hun ouders?
Nee. Doordat er verschillen zijn in kosten van een studie, zullen er ook verschillen in inkomsten en uitgaven zijn tussen huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten. Die verschillen zijn er enerzijds tussen de onderwijstypes onderling, maar ook tussen opleidingen binnen hetzelfde onderwijstype kan dit het geval zijn. Zo verschillen de uitgaven van studenten in het mbo en hbo/wo op het gebied van schoolkosten (deze zijn over het algemeen hoger in het mbo3) en de hoogte van het les- en collegegeld. Het collegegeld in het hbo en wo ligt met € 2.601 hoger dan het lesgeld van € 1.458 in het mbo. Verder betalen minderjarige mbo-studenten geen lesgeld, terwijl minderjarige hbo- en wo-studenten wel collegegeld betalen.
Hoe beoordeelt u de verschillen tussen in inkomensdaling van ouders van mbo-studenten enerzijds, die voor hun 18e nog geen studiefinanciering krijgen, en hbo- en wo-studenten anderzijds, die voor hun 18e wel studiefinanciering ontvangen? Is dit wat u betreft eerlijk?
De situaties van huishoudens met mbo- en hbo/wo-studenten zijn niet goed met elkaar te vergelijken, zoals ook in het antwoord op vraag 8 is uitgelegd. Het saldo van inkomsten en uitgaven daalt ten eerste harder in huishoudens met studerende hbo-/wo-studenten zodra het kind 18 jaar wordt, doordat het inkomen van een gezin met een minderjarige hbo/wo-student al hoger is dan dat van een gezin met een minderjarige mbo-student. De reden hiervoor is dat minderjarige hbo/wo-studenten al studiefinanciering ontvangen en mbo-studenten nog niet.4 Tegelijkertijd betaalt een minderjarige hbo/wo-student al wel collegegeld en een minderjarige mbo-student nog geen lesgeld. Verder ontvangt een mbo-student die 18 jaar wordt studiefinanciering en betaalt lesgeld (vanaf het studiejaar nadat die 18 jaar is geworden). De hbo/wo-student die 18 jaar wordt, krijgt dus al studiefinanciering en betaalt al collegegeld. Voor beide huishoudens geldt dat de kinderbijslag en kindgebonden budget vervallen zodra het kind 18 jaar wordt.
Hoewel het inkomen van een gezin met een hbo/wo-student harder daalt zodra het kind 18 jaar wordt, is het saldo van inkomsten en uitgaven nadat het kind 18 jaar is geworden wel vergelijkbaar met dat van een huishouden met een mbo-student.
Hoe kan worden voorkomen dat de overgang van kind naar volwassene de verschillen tussen jongeren verder versterkt doordat sommigen noodzakelijk moeten bijdragen aan het huishoudbudget, maar daardoor weinig tot geen financiële ruimte hebben om te sparen voor hun eigen toekomst?
Zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 2 en 4 bestaan er al verschillende regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen, en daarmee de mogelijke effecten op kansenongelijkheid te matigen.
Hoe kijkt u naar de constatering van het Nibud dat de sterke inkomstendaling de vraag oproept of de harde overgang bij het 18 worden gedempt zou moeten worden, zodat het verdwijnen van het kindgebonden budget een jongere niet alsnog op achterstand kan zetten? Bent u bereid dit verder te onderzoeken?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit nu verder te onderzoeken. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen.
Gaat u stappen ondernemen naar aanleiding van het rapport? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke en op welke termijn?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om extra stappen te nemen naar aanleiding van het rapport. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er op dit moment al regelingen die kunnen helpen om de inkomensdaling op te vangen.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Ja, deze artikelen zijn ons bekend.
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik van het «nulaanbod»?
Het kabinet is ermee bekend dat er verschillende standpunten bestaan ten aanzien van het gebruik van het vrij te laten bedrag (vtlb) voor het vaststellen van de afloscapaciteit in buitengerechtelijke schuldregelingen. Het gebruik van het vtlb heeft als mogelijke uitkomst het zogenoemde «nulaanbod» als er geen afloscapaciteit is. Een buitengerechtelijke schuldregeling komt vrijwillig tot stand tussen de schuldenaar en de schuldeisers, waarbij contractsvrijheid het uitgangspunt is. Vanwege de vrijwilligheid is er weinig in wetgeving vastgelegd over de wijze van uitvoering. Het is aan schuldenaren en schuldeisers om tot afspraken over het aflossen van de schuldenlast te komen. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van een schuldhulpverlener.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) is in artikel 4a, vijfde lid opgenomen dat tenminste de beslagvrije voet (bvv) in acht moet worden genomen in het plan van aanpak, waar een schuldregeling onderdeel van kan zijn. Het vtlb ligt in de meeste gevallen niet onder de bvv en het gebruik ervan is daarmee als zodanig niet onrechtmatig in het licht van artikel 4a, vijfde lid van de Wgs.
Het kabinet realiseert zich dat de memories van toelichting bij de Wgs (2012 en 2021) tegenstrijdige informatie bevatten ten aanzien van het gebruik van het vtlb en de bvv. Het kabinet is hierover in gesprek, ook met betrokken partijen uit de praktijk, om te bezien hoe deze onduidelijkheid weggenomen kan worden. We komen over de uitkomsten uiterlijk in het tweede deel van 2026 terug bij uw Kamer.
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen en dergelijke)?
De branchevereniging NVVK vertegenwoordigt een groot deel van schuldhulpverlenende instanties in Nederland. Dit doet zij onder andere door het opstellen van standaarden voor de schuldhulpverlening waar haar leden zich aan verbinden en het maken van collectieve afspraken met (koepels van) schuldeisers. Het staat de branche vrij om, binnen de kaders van geldende wet- en regelgeving, invulling te geven aan werkwijzen met betrekking tot de schuldhulpverlening. Het is voor de schuldhulpverleningspraktijk wenselijk dat dat de NVVK haar leden een uniform kader biedt waardoor zowel schuldeisers, schuldenaren en schuldhulpverleners weten waar ze aan toe zijn.
Het is van belang dat een schuldenaar zich inspant om een zo groot mogelijk deel van de schuld af te lossen binnen de mogelijkheden van zijn persoonlijke financiële situatie. Het kabinet vindt het belangrijk dat niemand in een uitzichtloze schuldensituatie belandt. Het kabinet hecht er ook aan dat de kwaliteit van schuldhulpverlening wordt vergroot en de uitvoering meer wordt geüniformeerd. Daarom heeft het kabinet een basisdienstverlening schuldhulpverlening afgesproken met VNG, NVVK en Divosa.4 Daarnaast heeft de NVVK een keuzehulp5 ontwikkeld waarmee de schuldhulpverlener kan beoordelen wat het best passende instrument is voor de schuldeisers en schuldenaar. Hierin is vermeld dat als de verwachting bestaat dat gedurende de looptijd van 18 maanden de afloscapaciteit kan toenemen, niet gekozen wordt voor een saneringskrediet maar voor schuldbemiddeling.
Het is belangrijk om te benadrukken dat zowel het vtlb als de bvv niet hetzelfde zijn als het bestaansminimum. Wel zijn beide berekeningswijzen erop gericht om te borgen dat mensen met problematische schulden een minimumbedrag overhouden om van te leven en af te lossen.
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Het kabinet herkent de zorg dat het ontbreken van afloscapaciteit via de vtlb-berekening grote consequenties kan hebben voor schuldeisers. Het uitgangspunt bij het aflossen van schulden is wederkerigheid en draagkracht, waarbij er altijd ruimte moet zijn voor individuele gevallen waarbij blijkt dat niet kan worden afgelost. Aan de andere kant is het ook belangrijk dat schuldenaren tijdens een schuldregeling voldoende financiële middelen overhouden om te voorzien in hun levensonderhoud. Dit uitgangspunt staat op gespannen voet met het belang van schuldeisers. Het is daarom belangrijk dat er kritisch wordt gekeken naar wat iemand kan afdragen. Los daarvan houdt het kabinet aandacht voor passende begeleiding en nazorg voor schuldenaren die zich melden voor schuldhulpverlening. Het doel van begeleiding en nazorg is om de financiële redzaamheid te versterken en te voorkomen dat mensen opnieuw in een situatie van problematische schulden terecht komen. Gemeenten kennen de wettelijke verplichting om nazorg te bieden. Op welke manier financiële begeleiding en nazorg kan worden geboden is uitgewerkt in de basisdienstverlening. In lijn met de motie Van Eijk (VVD) en Inge van Dijk (CDA)6 is opgenomen dat de nazorgperiode 12 maanden duurt. Hiermee blijft de inwoner nog in ieder geval 12 maanden na finale kwijting van de schulden in beeld, ook wanneer er sprake is geweest van een «nulaanbod».
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij relevant?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is in de Wgs opgenomen dat tenminste de beslagvrije voet in acht moet worden genomen, waarbij, zoals toegelicht in de memorie van toelichting op pagina 17, ten minste 5% van het inkomen gebruikt kan worden voor aflossing van schulden. In de memorie van toelichting staat ook dat het ophogen van de beslagvrije voet is toegestaan, het verminderen niet. Daarmee is het toepassen van het vrij te laten bedrag niet strijdig met de Wgs. De Wgs gaat over de gemeentelijke schuldhulpverlening in den brede, niet specifiek over schuldregelingen.
De Faillissementswet biedt de mogelijkheid om, bij het ontbreken van afloscapaciteit, de rechtbank direct om toegang tot de Wsnp te verzoeken, zonder daarvoor eerst een buitengerechtelijke poging te hebben gedaan. Het is daarmee voor schuldhulpverleners mogelijk om bij het ontbreken van afloscapaciteit toch een voorstel voor een buitengerechtelijke schuldregeling voor te leggen aan de schuldeisers of om namens de schuldenaar een verzoek tot toelating tot de Wsnp in te dienen. Juist doordat een buitengerechtelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen staat het hen vrij om de voorwaarden van de schuldregeling met elkaar af te stemmen. Wanneer partijen er onderling niet uitkomen, is er een mogelijkheid om een dwangakkoord aan te vragen. De rechter beoordeelt bij een dwangakkoord alleen of een schuldeiser op redelijke gronden heeft geweigerd. Dit wordt gedaan op basis van de door de schuldeiser aangedragen argumenten.
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
In december 2024 heeft de NVVK gepubliceerd dat uit dossieronderzoek blijkt dat er bij een derde van de dossiers geen aflossingscapaciteit is.7 Bij dit onderzoek is tevens gekeken naar de kenmerken van de schuldenaren die geen mogelijkheid hebben tot aflossing. Het betreft met name schuldenaren die leven van een uitkering (84%), de grootste groep is alleenstaand (57%) en in 23% betreft het een alleenstaande ouder met kind(eren). Dit dossieronderzoek is echter uitgevoerd onder een deel van de NVVK leden en betreft dus niet een volledige weergaven van alle leden. In de loop van het tweede kwartaal van 2026 zal de NVVK het jaarverslag van 2025 publiceren, hierin zullen recentere cijfers worden weergeven die betrekking hebben op alle leden. In afwachting van deze cijfers wordt nader onderzoek daarom op dit moment niet noodzakelijk geacht.
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering? Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende administratieve handelingen)?
Enkel het maandelijks aflossen van een deel van de totale schuldenlast leidt niet direct tot gedragsverandering. Begeleiding kan wel leiden tot een gedragsverandering. Daarom is begeleiding passend bij de situatie van de schuldenaar nodig. Middels de basisdienstverlening worden handvatten geboden voor het bieden van begeleiding en nazorg.
Uit recent onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam blijkt dat schuldeisers sinds de halvering van de aflosperiode per 1 juli 2023 niet minder akkoord gaan met schuldregelingen. In dit onderzoek was het lastig om de wijzigingen per 1 juli 2023 (halvering aflosperiode) en 1 juli 2024 (toepassen vtlb met mogelijk gevolg «nulaanbod») los van elkaar te zien. In het onderzoek gaven schuldeisers wel aan zorgen te hebben over de uitvoering van financiële begeleiding en nazorg voor mensen in een schuldregeling. Om terugval in schuldenproblematiek te voorkomen, is goede begeleiding en nazorg noodzakelijk. Voor grotere schuldeisers kan het financieel-administratief aantrekkelijker zijn om een schuld direct af te boeken in plaats van een relatief klein deel van de schuld, of niets, terug te ontvangen. Voor kleinere schuldeisers kan dit anders liggen, omdat de impact van het afboeken van een schuld voor hen groter is op de financiële situatie van het bedrijf. Dit beeld wordt ook ondersteund door de bevindingen die voortkomen uit het onderzoek dat heeft plaatsgevonden binnen de verkorting minnelijke schuldregelingen en Wet schuldsanering natuurlijke personen.8
Op dit moment achten wij onderzoek naar gedragsverandering in relatie tot terugval niet opportuun. Dit komt met name door het gebrek aan landelijke data over terugval. Door middel van het project Data Delen Armoede en Schulden (DDAS9) wordt data op een uniforme wijze vergaard, waardoor er meer inzicht komt in onder andere terugvalcijfers. De verwachting is dat in 2027 de eerste cijfers worden gepubliceerd. Op basis van deze gegevens zal ik bezien of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers, schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Wij voeren regelmatig overleg met schuldeisers, schuldhulpverleners en mensen met schulden om de gewenste en ongewenste effecten van het beleid in de gaten te houden. Dit blijven we doen. In recent onderzoek dat door de Hogeschool van Amsterdam is uitgevoerd zijn de ervaringen van schuldeisers, schuldhulpverleners en schuldenaren opgehaald met betrekking tot de verkorting van het buitengerechtelijke traject.10 De onderzoekers gaven hierbij aan dat het moeilijk was om de verkorting geïsoleerd van de ontwikkelingen rond het toepassen van de vtlb-berekening te onderzoeken. Daarmee is in het onderzoek ook deels gekeken naar de ervaringen met het «nulaanbod». De conclusie van het onderzoek was dat er, na enige initiële weerstand, nu overwegend wordt meegewerkt aan schuldregelingen door schuldeisers. Wel gaven zowel schuldeisers als schuldhulpverleners aan zorgen te hebben over het risico op terugval nu de duur van schuldregelingen is verkort en er vaker sprake is van ontbrekende afloscapaciteit.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om voor schuldregelingen een herijking uit te voeren van het beleid. Het uitgangspunt is dat er sprake is van een buitengerechtelijke schuldregeling en deze vrijwillig tot stand komt tussen de schuldenaar en de schuldeisers waarbij contractsvrijheid het uitgangspunt is. Leidend hierin is dat tenminste de beslagvrije voet in acht moet worden genomen en dat daar enkel naar boven toe van mag worden afgeweken.
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Een schuldhulpverlener bepaalt, op basis van de situatie van de schuldenaar, welk instrument passend is voor het oplossen van de schuldenlast. Als de verwachting is dat er nog mogelijkheden zijn voor de schuldenaar om een (hoger) inkomen te vergaren gedurende de looptijd van de schuldregeling ligt een schuldregeling met een spaarprognose-aanbieding (schuldbemiddeling) meer voor de hand dan een saneringskrediet waarbij de schuld direct wordt afgeboekt en de schuldenaar een maandelijks (vast) bedrag terugbetaalt aan een gemeentelijke kredietbank. Als blijkt dat er geen aflossingsmogelijkheden zijn, dan kan de schuldhulpverlening een «nulaanbod» doen. Het staat een schuldhulpverlener vrij om, ook bij een «nulaanbod», een schuldbemiddelingstraject aan te bieden. De schuldregelaar motiveert zijn beslissing bij het aanbod aan de schuldeisers.
Bij alle vormen van schuldregelingen staat voorop dat het bieden van passende financiële begeleiding noodzakelijk is. Wanneer een inwoner zich meldt bij de gemeentelijke schuldhulpverlening wordt er naast een plan van aanpak ook een begeleidingsplan opgesteld. Hierin staat vermeld welke vorm van begeleiding de schuldenaar ontvangt en welke doelen behaald dienen te worden met die begeleiding. Dit alles heeft als doel om terugval in een schuldensituatie te voorkomen.
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Het past het kabinet niet om in te gaan op het rechterlijk oordeel in een individuele zaak. Het is aan de rechter om te oordelen of sprake is van onredelijke weigering van de schuldeiser(s). Wel blijft het kabinet de jurisprudentie over schuldregelen zonder afloscapaciteit op de voet volgen.
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het nulaanbod in het minnelijk traject?
Gelijk aan het antwoord op vraag 10, gaat het kabinet niet in op individuele gerechtelijke uitspraken.
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen? Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Het klopt dat in Wsnp-zaken wordt gerekend met het vrij te laten bedrag. Dit is op basis van de door Recofa (Rechters-commissaris Faillissementen en surseances van betaling) ontwikkelde methode. Dit past binnen het wettelijk kader van de Wsnp, waarbij artikel 295 van de Faillissementswet een grondslag kent voor het vtlb. Het vtlb bestaat uit de bvv en een door de Recofa vastgesteld nominaal bedrag. In het nominaal bedrag worden correcties opgenomen voor noodzakelijke en onvermijdelijke kosten waar de bvv geen rekening mee houdt. Het criterium daarbij is minimaal maar toereikend, zodat er enerzijds zoveel mogelijk gespaard wordt voor schuldeisers en er anderzijds geen nieuwe schulden hoeven te ontstaan tijdens de schuldregeling. Bij een negatieve correctie kan het nominaal bedrag op nihil uitkomen en is het vtlb gelijk aan de beslagvrije voet. De richtlijnen voor de nominale correcties zijn vastgelegd in het vtlb-rapport, dat halfjaarlijks wordt geactualiseerd. De wet laat het immers aan de rechter-commissaris om dit nominaal bedrag vast te stellen.
Aan het einde van een Wsnp-traject wordt pas bezien wat er daadwerkelijk gereserveerd kon worden gedurende de schuldregeling. De uitkomst van de berekening van het vtlb kan ertoe leiden dat er minder dan 5% van het inkomen wordt afgelost of zelfs helemaal niet kan worden afgelost. Hier staat tegenover dat de Wsnp diverse wettelijke waarborgen voor schuldeisers biedt, zoals een informatie- en inspanningsplicht voor de schuldenaar. Voldoet de schuldenaar daar niet aan, dan kan het Wsnp-traject worden beëindigd. Bovendien is er sprake van toezicht door de Wsnp-bewindvoerder en de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelt aan het einde van het traject of de schuldenaar alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling (waaronder de afdracht aan de boedelrekening) is nagekomen en of de schuldenaar de schone lei krijgt.
Beleidsmatig gezien ziet het kabinet vooral voordelen in deze Recofa-richtlijnen. Deze zijn namelijk door gespecialiseerde rechters opgesteld, zijn relatief snel aan te passen en bieden ruimte aan rechters om in concrete gevallen maatwerk te bieden
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan zijn?
Wie schulden aangaat moet deze in beginsel terugbetalen. Een verhoging van het sociaal minimum leidt maar in beperkte mate tot meer afloscapaciteit. Op basis van de berekening van de beslagvrije voet is de aflossingsruimte ten minste 5 procent van het inkomen. Bij een verhoging van het sociaal minimum komt 5 procent van de verhoging ten goede aan de schuldeiser. Bij toepassing van het vtlb hangt dit van persoonlijke omstandigheden af of in die situatie meer aflossingscapaciteit overblijft. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 vermeld, is het vtlb en de bvv niet hetzelfde als het bestaansminimum.
Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes , Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede: «Ik sla weleens een maaltijd over»»?1
Ja.
Waren deze signalen bij u bekend?
Deze signalen waren bij mij niet bekend. Wel blijkt uit eerdere onderzoeken dat sommige studenten moeite hebben met rondkomen. Uit het Nibud Studentenonderzoek 2024 blijkt bijvoorbeeld dat ruim 20% van de mbo-studenten en 12% van de hbo-/wo-studenten betalingsachterstanden heeft. Ook gaf 9% van de hbo- en wo- studenten, 12% van de mbo bol-studenten en 10% van de mbo bbl-studenten aan veel moeite te hebben met rondkomen.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat steeds meer studenten de noodzaak voelen te kiezen tussen het betalen van collegegeld, zorgpremie, huur of de boodschappen?
Ja, we vinden het zorgelijk als studenten niet kunnen voorzien in de basale kosten voor studie en levensonderhoud. Alhoewel uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 naar voren komt dat studenten over het algemeen gemakkelijk rond kunnen komen en dat is verbeterd ten opzichte van eerdere jaren, blijkt ook uit andere onderzoeken dat er studenten zijn voor wie dat niet geldt.
Wat is uw reactie op het onderzoek van State of Youth NL waaruit blijkt dat niet alleen studenten, maar ruim 80 procent van de 12- tot 29-jarigen in het algemeen stress ervaart als gevolg van geldproblemen en bijna twee derde moeite heeft om rond te komen?
Dat er zo veel jongeren zijn die stress ervaren door geldproblemen is reden tot zorg. Het is belangrijk dat jongeren leren met geld om te gaan en te voorzien in hun onderhoud. Uit het onderzoek van State of Youth (wat breder is dan studenten) komt ook naar voren dat jongeren soms meer geld uitgeven dan ze van plan waren, omdat ze het moeilijk vinden om de druk te weerstaan om onnodige dingen te kopen en sociale activiteiten te ondernemen. Ook weten jongeren vaak niet waar ze hulp kunnen vinden bij geldzorgen.
Voor studenten geldt dat het voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud een gedeelde verantwoordelijkheid is van de student zelf, de ouders en de overheid. Studenten kunnen een bijbaan nemen, sparen of lenen en van ouders wordt ook een financiële bijdrage verwacht. Voor studenten van ouders met een minder toereikend inkomen is een aanvullende beurs beschikbaar. De overheid draagt bij met de basisbeurs en het studentenreisproduct.
Om jongeren financieel weerbaarder te maken, zet de overheid onder andere in op financiële educatie, mediacampagnes en laagdrempelige ondersteuning bij geldzorgen, in en buiten onderwijsinstellingen. In de Voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, staat hierover meer. Ook is het hebben en behouden van werk belangrijk. Het kabinet heeft besloten om vanaf 2027 het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar te verhogen.
Om jongeren die dat nodig hebben te begeleiden van school naar werk en bij het behoud van werk, is de wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk per 1 januari 2026 in werking getreden. En gemeenten kunnen maatwerk toepassen bij de re-integratie en inkomensondersteuning voor jongeren die in een kwetsbare positie zitten2.
Heeft u inzicht in hoeveel studenten genoodzaakt zijn zich te wenden tot reguliere voedselbanken omdat ze te weinig geld overhouden voor de boodschappen?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Hoe ziet u dit nieuws in het licht van onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA), waaruit blijkt dat geldzorgen negatieve invloed op de studieresultaten en het privéleven van studenten hebben?2
Welzijn wordt, zowel positief als negatief, beïnvloed door veel verschillende factoren. Financiële stress kan inderdaad een negatieve invloed hebben op het welzijn van studenten blijkt uit onderzoek4. Dit is zorgelijk. Het is daarom belangrijk dat studenten leren op een verantwoordelijke wijze met geld om te gaan en dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen, bij hun onderwijsinstelling of daarbuiten (zie vraag 4 en 8).
Deelt u de zorgen over de onderzoeksresultaten van de HvA waaruit blijkt dat 22 procent van de studenten niet alleen geldzorgen heeft, maar ook nog eens achterstallige rekeningen waarvoor weer driekwart van de studenten geen betalingsregeling heeft getroffen? Heeft u in beeld hoe groot deze problemen onder studenten van andere instellingen zijn?
Het is zorgelijk dat zoveel studenten een betalingsachterstand hebben. We hebben geen cijfers per onderwijsinstelling, maar uit het Nibud Studentenonderzoek uit 2024 komt een vergelijkbaar beeld naar voren wat betreft het deel van de studenten dat een betalingsachterstand heeft. Het is daarom belangrijk dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen bij geldzorgen, zodat betalingsachterstanden worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kosteloos aanbieden van budgetcoaches voor financiële hulp en begeleiding geen extra kostenpost voor onderwijsinstellingen zou moeten zijn, zoals nu bij de HvA het geval is, maar voor alle studenten van alle instellingen toegankelijk moet zijn, zeker omdat dit het risico op financiële problemen later in het leven vermindert en voorkomt dat problemen verergeren?
Onderwijsinstellingen zijn niet verantwoordelijk voor het aanbieden van financiële hulp. Verantwoord met geld omgaan is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de student zelf. Instellingen kunnen wel problemen signaleren bij studenten en hen op de juiste manier verwijzen of laagdrempelige hulp bieden. Er zijn diverse gratis hulproutes beschikbaar, bij de gemeente, vrijwilligers, Geldfit (website, bellijn, whatsapp, chat, mail) en andere organisaties.
Daarnaast zijn er ook voorbeelden van onderwijsinstellingen die (bijvoorbeeld vanuit de subsidieregeling «Financiële educatie voor onderwijsinstellingen») de samenwerking hebben gezocht met hun lokale gemeente en op die manier budgetcoaches op school inzetten om financiële begeleiding aan studenten met geldzorgen te bieden.
Zijn er acties ondernomen naar aanleiding van de resultaten van Europees onderzoek dat in januari 2022 met de Kamer is gedeeld waaruit blijkt dat studenten eerder op zichzelf gaan wonen als hun ouders een krappe portemonnee hebben, en studenten op kamers weer vaker financiële zorgen dan thuiswoners hebben?34
Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen die de financiële situatie van uitwonende studenten hebben verbeterd. In studiejaar 2023–2024 is de basisbeurs opnieuw ingevoerd voor hbo- en wo-studenten, waarmee zowel
thuiswonende als uitwonende hbo- en wo-studenten een hogere bijdrage van de overheid ontvangen. Daarnaast is vanaf 1 januari 2026 de leeftijdsgrens voor de huurtoeslag verlaagd van 23 naar 21 jaar. Hierdoor komt een groter deel van de uitwonende studenten in aanmerking voor huurtoeslag. Deze maatregelen hebben de financiële situatie van uitwonende studenten flink verbeterd.
Deelt u de mening dat de financiële situatie van ouders geen invloed zou mogen hebben op de studieperiode van hun kinderen?
Studeren moet voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de financiële situatie van de ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om een financiële bijdrage te leveren, dan hebben studenten recht op een aanvullende beurs, naast de basisbeurs. Minderjarige mbo bol-studenten kunnen een tegemoetkoming krijgen uit het mbo-studentenfonds, als ze onvoldoende middelen hebben om lesmiddelen aan te schaffen.
Is een basisbeurs van 130,21 euro per maand voor thuiswonenden en 324,52 euro per maand voor uitwonenden wat u betreft voldoende om de kosten te dekken, zeker met de stijgende kosten voor huur- en levensonderhoud? Deelt u de mening dat een bijbaan dit verschil niet zomaar kan overbruggen?
In het antwoord op vraag 4 gaf ik al aan dat de kosten van studie en levensonderhoud van studenten worden gedragen door de student, ouders en de overheid. Uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 bleek verder dat ongeveer 90% van de studenten aangeeft financieel (goed) rond te kunnen komen. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2024 in de Kamerbrief over de financiële positie van studenten7 – op basis van de voorbeeldbegrotingen8 van het Nibud voor uitwonende studenten – geconcludeerd dat deze studenten in principe over voldoende middelen beschikken om in de minimale kosten van studeren en levensonderhoud te voorzien. Daarbij is wel uitgegaan van de gemiddelde kamerhuur, dat studenten een bijbaan hebben en een bijdrage van de ouders of aanvullende beurs ontvangen. Voor studenten die niet werken of een veel hogere huur betalen kan het lastiger zijn om in die kosten te voorzien.
In 2026 zal het Nibud opnieuw een Studentenonderzoek uitvoeren en de voorbeeldbegrotingen aanpassen naar de huidige situatie. Dit onderzoek wordt tweejaarlijks uitgevoerd. We blijven daarmee de financiële situatie van studenten monitoren.
Welke stappen onderneemt u of gaat u ondernemen om de geldstress onder jongeren en studenten naar beneden te brengen?
Zie het antwoord op vraag 4. De aanpak van geldzorgen van jongeren is onderdeel van het Nationaal Programma Armoede en Schulden. In de voortgangsrapportage over dat programma, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, wordt uw Kamer op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen.
Het bericht Noodpakket vaak te duur voor mensen in armoede, ze hebben die spullen nu al dagelijks nodig |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het staat met het bekijken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is voor mensen die vanwege een laag inkomen zich geen noodpakket kunnen veroorloven, waar u in uw beantwoording van eerdere vragen over dit onderwerp aan refereert? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Zoals aangegeven in de eerdere beantwoording2 wordt momenteel bekeken welke ondersteuning vanuit bestaande organisaties beschikbaar is voor mensen in een kwetsbare financiële positie. Daarbij wordt gekeken naar initiatieven van maatschappelijke organisaties en gemeenten. Op dit moment zie ik geen financiële ruimte om hier binnen afzienbare tijd aanvullende stappen in te zetten.
Recent heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) aangegeven dat er bij gemeenten vragen leven over de beschikbaarheid en financiering van noodpakketten voor minima en dat sommige gemeenten verkennen welke rol zij hierin kunnen spelen. Dit bevestigt het beeld dat er lokaal beweging ontstaat en dat gemeenten, vanuit hun nabijheid tot inwoners, een belangrijke rol kunnen hebben in het bieden van passende ondersteuning. Met de VNG heb ik afgesproken te verkennen wat er aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen. Waar mogelijk willen we voorkomen dat er verschil ontstaat in de ondersteuning van mensen in een vergelijkbare positie.
Wij streven ernaar de Kamer hier verder over te informeren in Q2 2026.
Kunt u een stand van zaken geven van het nagaan op verschillende betrokken ministeries wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten, waar u in dezelfde beantwoording aan refereert? Kunt u ook hier aangeven wanneer de Kamer hierover geïnformeerd wordt?
Alle ministeries werken samen om de maatschappelijke weerbaarheid te versterken. Zoals eerder aangegeven wordt door de verschillende betrokken ministeries nagegaan wat aanvullend nodig is, in samenhang met het bestaande beleid, om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar bestaande structuren en voorzieningen en naar de rol van verschillende betrokken departementen.
Uitgangspunt daarbij is dat ondersteuning zoveel mogelijk aansluit bij de leefwereld van mensen en geen extra druk of stigmatisering veroorzaakt. De signalen van gemeenten, waaronder de recente aandacht die de VNG vraagt voor de positie van minima bij noodvoorbereiding, worden meegenomen. Daarbij is het startpunt dat we uitgaan van bewustwording en zelfredzaamheid van inwoners en enkel inspringen waar dat noodzakelijk blijkt.
Wij streven ernaar de Kamer hier verder over te informeren in Q2 2026.
Bent u bereid in overleg met maatschappelijke organisaties en medeoverheden in overleg te treden teneinde in kaart te brengen hoe op een zo efficiënt mogelijke wijze gezorgd kan worden dat voor huishoudens die op of onder het sociaal minimum leven een basisnoodpakket beschikbaar is?
Met de VNG en maatschappelijke organisaties als Voedselbanken Nederland, het Armoedefonds en het Rode Kruis vindt overleg plaats over de vraag welke ondersteuning beschikbaar is en wat aanvullend nodig kan zijn om mensen in kwetsbare posities te ondersteunen bij noodvoorbereiding. In dit overleg wordt niet alleen gekeken naar de beschikbaarheid van middelen, maar ook naar bredere vormen van ondersteuning.
De oproep voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Don Ceder (CU), Pieter Grinwis (CU), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de G4 voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE)?1
Ja.
Wat is uw reactie op de brief, waarin de vier grote steden waarschuwen dat ondersteuning via gemeenten deze winter niet tijdig en niet effectief kan worden ingezet voor huishoudens met acute betalingsproblemen, waardoor inwoners «uiteindelijk de dupe worden»?
We zijn de G4 erkentelijk voor hun betrokkenheid bij dit onderwerp. Wij delen de urgentie om huishoudens die leven in energiearmoede ook aankomende winter te ondersteunen. Daarom is de afgelopen periode nagegaan welke scenario’s mogelijk zijn, en of deze haalbaar zijn. In de Kamerbrief van 7 november jl. worden twee scenario’s inclusief de resultaten en conclusies gedeeld. Deze scenario’s worden hieronder toegelicht.
Er is geconstateerd dat het niet haalbaar is om aankomende winter een publiek-private constructie te realiseren. Een belangrijke randvoorwaarde dat private partijen meer dan één derde van het benodigde bedrag bijdragen, wordt momenteel niet gehaald. Het uitblijven van inleg van derde partijen resulteert in aanzienlijke financiële, juridische en maatschappelijke risico’s waar uw Kamer eerder over is geïnformeerd.
Na bestuurlijk overleg hebben de VNG en SZW gezamenlijk besloten € 30 miljoen via het Gemeentefonds beschikbaar te stellen, om een impuls te geven aan bestaande lokale gemeentelijke dienstverlening. De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen bij het verlagen van hun energierekening. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is door de VNG, Stichting TNE en SZW gewerkt aan een veilige datadeling van gegevens van huishoudens die expliciet toestemming hebben gegeven om hun gegevens te delen met de eigen gemeente om hulp te ontvangen. Hiertoe heeft de Stichting TNE, in opdracht van SZW, een portaal gebouwd. Huishoudens die een aanvraag hebben gedaan bij het Tijdelijk Noodfonds Energie en expliciet toestemming hebben gegeven voor het delen van hun gegevens, kunnen op basis hiervan worden doorverwezen naar het lokale hulpaanbod in de eigen gemeente. Huishoudens worden persoonlijk benaderd voor hulp bij het verlagen van hun energierekening. Dit kan gaan om voorzieningen die zien op de verduurzaming van de woning en om hulp bij het aanvragen van landelijke en lokale voorzieningen, bijvoorbeeld via de Voorzieningenwijzer. Huishoudens kunnen daarnaast hierbuiten ook altijd bij hun gemeente terecht om te bespreken wat de mogelijkheden zijn voor ondersteuning. Indien door de bewoner gewenst kan bredere hulp worden geboden.
Met deze keuze kan vanuit het Rijk een cofinanciering van € 30 miljoen extra worden ingezet voor het publieke energiefonds, deze middelen komen uit het amendement Grinwis. Door het inzetten van in totaal € 90 miljoen aan Rijksmiddelen als cofinanciering, kan met behulp van middelen uit het SCF bijna een viervoudig bedrag voor het energiefonds beschikbaar komen.
Hoe beoordeelt u de constatering van de G4 dat gemeenten de uitvoeringscapaciteit voor inkomenssteun deze winter grotendeels nog moeten opbouwen, terwijl de infrastructuur van het TNE volgens hen volledig klaarstaat om direct ingezet te worden?
Er is door SZW en VNG gezamenlijk gekozen voor de aanpak om inwoners voor de winter van 2025–2026 te ondersteunen via de bestaande gemeentelijke dienstverlening. Daartoe is € 30 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten via het Gemeentefonds. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is gekozen om aan te sluiten bij bestaande lokale dienstverlening. Gemeenten kunnen, afhankelijk van de lokale situatie, het beste inschatten op welke wijze deze ondersteuning het meest effectief kan worden ingezet om bij te dragen aan het verlagen van de energierekening van inwoners.
Zoals ook is vermeld in het antwoord onder vraag twee wordt er niet voldaan aan de randvoorwaarde van voldoende private financiering. Daarmee is de route van een publiek-privaat construct niet verantwoord.
Hoe beziet u de waarschuwingen van de G4 dat gemeenten door beperkte wettelijke mogelijkheden vooral zullen inzetten op verduurzamingsmaatregelen en niet of minder op directe inkomenssteun, terwijl ook die inkomenssteun deze winter voor huishoudens met acute betalingsproblemen dringend nodig is, en het verzoek was in motie Timmermans c.s.2? Hoe waarborgt u dat de beschikbare middelen ook worden benut voor acute financiële ondersteuning van huishoudens met betalingsproblemen, naast de nodige maatregelen op het gebied van verduurzaming die echter pas op langere termijn effect hebben?
De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen binnen het bestaande aanbod van de lokale dienstverlening. Gemeenten kennen beleidsvrijheid wat betreft de invulling van dit bestaande hulpaanbod. Het is niet mogelijk om directe inkomensondersteuning te bieden aan huishoudens vanuit deze middelen. Gemeenten kunnen deze middelen wel aanwenden om huishoudens te bereiken en te wijzen op bestaande voorzieningen zoals toeslagen en/of minimaregelingen. Daarnaast kan bijzondere bijstand worden verleend wanneer de hoge energiekosten het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden, zoals een chronische ziekte of beperking.
Hoe weegt u de juridische en financiële risico’s die u schetst3 bij het inzetten van TNE zonder private inleg, waaronder risico op onrechtmatigheid en staatssteun, ten opzichte van de door TNO en de G4 geschetste gezondheidsproblemen, stress en leerachterstanden die ontstaan wanneer kinderen opgroeien in energiearmoede?
Het is onwenselijk dat kinderen in Nederland opgroeien in energiearmoede en daarbij negatieve gevolgen ondervinden voor hun gezondheid, ontwikkeling en gelijke kansen. Het kabinet zet daarom in op het ondersteunen van huishoudens met hoge energiekosten door deze huishoudens door te werken aan de realisatie van een publiek energiefonds, en met de inzet op het verbeteren van de energetische kwaliteit van de woning, zodat zij structureel grip kunnen krijgen op hun energierekening. Echter, zoals geschetst in de Kamerbrief van 7 november jl. leidt een publiek-private constructie zonder private bijdrage tot forse financiële, juridische en maatschappelijke risico’s.
Met het uitblijven van de benodigde financiering door derde partijen bestaat de mogelijkheid dat de constructie wordt aangemerkt als een buitenwettelijk bestuursorgaan, waardoor uitkeringen onrechtmatig kunnen zijn en sprake kan zijn van een open einde-regeling met grote financiële gevolgen voor het Rijk. Daarnaast is er een reëel risico op staatssteun, wat kan leiden tot onderzoek door de Europese Commissie en mogelijke terugvordering van middelen. In de Kamerbrief van 30 september jl.4 vindt u een nadere toelichting op deze risico’s.
Bent u bereid de optie om de ondersteuning deze winter alsnog via het TNE te organiseren opnieuw te bezien, nu de G4 hier expliciet een oproep toe doet? Waarom wel of niet?
Op basis van de geschetste risico’s in het antwoord op vraag 5 en de conclusie in de Kamerbrief van 7 november jl. is de mogelijkheid om inkomensondersteuning te realiseren in de vorm van een publiek-private constructie niet haalbaar is. Met het uitblijven van een private bijdrage van meer dan één derde van het totale bedrag is deze mogelijkheid niet verantwoord.
Kunt u bovenstaande vragen een voor een beantwoorden voor het tweeminutendebat over Energiebesparing en betaalbare energierekening voor huishoudens?
Ja.
Steeds drukker wordende sinterklaasstichtingen door stijgende armoede |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sinterklaasstichtingen hebben het steeds drukker, stijgende armoede speelt rol»1?
Ja.
Deelt u de mening dat de ervaringen van sinterklaasstichtingen, die het ieder jaar drukker krijgen en dit jaar zelfs een «stop» op het aantal verzoeken hebben om het aantal aanvragen behapbaar te houden, haaks staan op de cijfers waaruit zou blijken dat de kinderarmoede de afgelopen jaren meer dan gehalveerd is?
Ik deel de mening dat sinterklaasstichtingen de ontwikkeling van armoede anders kunnen ervaren dan blijkt uit de cijfers.
Hoe verklaart u dit verschil?
Ik zie een aantal mogelijke verklaringen voor dit verschil. Een eerste mogelijke verklaring is dat de doelgroep van hulporganisaties groter is geworden. Een grotere doelgroep kan enerzijds het gevolg zijn van een toename van het aantal mensen met een laag inkomen, en anderzijds het gevolg zijn van ruimere voorwaarden bij hulporganisaties. Een tweede mogelijke verklaring is dat de armoedeproblematiek onder de bestaande doelgroep groter is geworden. Anders gezegd, dat de intensiteit van armoede groter is geworden. Een derde mogelijke verklaring is dat hulporganisaties en de doelgroep elkaar beter weten te vinden.
Deelt u de zorg dat het feit dat ouders bij sinterklaasstichtingen steeds vaker om basisvoorzieningen in plaats van om speelgoed voor hun kinderen vragen, mogelijk aantoont dat de armoede in Nederland zich verdiept?
Het is zorgelijk dat er ouders in Nederland zijn die voor basisvoorzieningen aankloppen bij fondsen en stichtingen. Voor een klein deel van de huishoudens zou dat kunnen komen doordat de armoede zich verdiept, maar in algemene zin blijkt niet uit de cijfers dat armoede in Nederland zich verdiept. Een recente analyse over de toereikendheid van het sociaal minimum laat zien dat de inkomenspositie van veel huishoudens op sociaal minimum in de afgelopen jaren is verbeterd. Deze analyse is voor de zomer van 2025 verzonden aan de Tweede Kamer, als bijlage bij de routekaart Hervormingsagenda Inkomensondersteuning. De analyse laat zien dat het totale inkomen op sociaal minimum-niveau in principe toereikend is voor minimaal noodzakelijke uitgaven, terwijl dat bij verschijning van het rapport van de Commissie sociaal minimum in 2023 niet het geval was. Daaruit blijkt dat de inkomenspositie van huishoudens op het sociaal minimum in de afgelopen jaren is verbeterd, met name door verhogingen van het kindgebonden budget en de huurtoeslag.
Hoewel er voor sommige individuele huishoudens sprake kan zijn van verdieping van armoede, blijkt niet uit de cijfers dat het aantal mensen in diepe armoede is toegenomen (zie ook het antwoord op vraag 5). Het kabinet blijft zich inspannen voor het beter bereiken van mensen en het voorkomen van hoge onvermijdelijke uitgaven.
Zijn er cijfers van de afgelopen vijf jaar die dit aantonen en zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Het CPB heeft in de publicatie De armoede-intensiteit: een raming van de diepte van armoede een figuur opgenomen die de (verwachte) ontwikkeling van het aantal mensen in armoede laat zien in de periode 2018–2026, uitgesplitst naar armoede-intensiteit (hieronder toegevoegd). Dit figuur laat zien dat het aantal personen die diep in de armoede zitten (dus een hoge armoede-intensiteit) afgelopen jaren ongeveer gelijk is gebleven.
Deelt u de opvatting dat het voorzien van kinderen in hun basisbehoeften, zoals een bril, warme kleding of menstruatieproducten, primair een taak is van de overheid en niet van (sinterklaas)stichtingen en fondsen wanneer ouders hier financieel niet voor kunnen zorgen? Waarom wel of niet?
Het Rijk heeft de kerntaak om te zorgen voor bestaanszekerheid en werkgelegenheid en doet dit onder andere middels inkomensondersteuning, zoals kinderbijslag en kindgebonden budget. Het kan zijn dat mensen door onzeker inkomen, hoge onvermijdbare uitgaven of een ingrijpende gebeurtenis, zoals een scheiding, zich tijdelijk in een financieel kwetsbare positie bevinden. De gemeente kan dan de inwoner ondersteunen. Ook zijn er verschillende partijen in het maatschappelijk middenveld, zoals bijvoorbeeld de kerken of particuliere fondsen, die mensen ondersteunen.
Bent u op de hoogte van de gevolgen voor kinderen wanneer ouders niet voor hun basisvoorzieningen kunnen betalen, zoals schaamte, kans op pesten en verminderde sociale interactie?2
Ja.
Deelt u de opvatting dat elk kind een gelijke start verdient maar dat van een gelijke start geen sprake is bij een gebrek aan basisvoorzieningen?
Ja.
Wat heeft u gedaan met het rapport «Armoedestress voor kinderen en jongeren in Nederland: basisvoorzieningen onder druk» van het Nationaal Fonds Kinderhulp dat in april aan u is aangeboden?3
Ik heb kennisgenomen van de inzichten uit dit rapport. Kinderhulp signaleert met name een stijging op het aantal aanvragen van basisvoorzieningen zoals brillen, beugels, bed/kamerinrichting en persoonlijke hygiëne4. Het is nog onduidelijk wat hiervan precies de oorzaak is, maar zoals eerder genoemd is een mogelijke verklaring dat gezinnen, inclusief werkenden met een laag inkomen, organisaties als Kinderhulp ook beter weten te vinden. In de eerste helft van 2026 zal de inzet van de fondsen verenigd binnen het samenwerkingsverband SAM& geëvalueerd worden.
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet en dat is het nog steeds. Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens op of rond het sociaal minimum meer te besteden hebben.
Zo heeft het Rijk een aantal maatregelen genomen die het inkomen van mensen direct verhogen. Er is bijvoorbeeld een extra belastingschijf geïntroduceerd met een verlaagd tarief, waardoor mensen minder belasting betalen. Daarnaast wordt de arbeidskorting vanaf 2026 aangepast, waardoor werkenden met een laag inkomen recht krijgen op meer arbeidskorting. Het kindgebonden budget wordt in de jaren 2025–2028 stapsgewijs verhoogd, bovenop reguliere indexatie. De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand is bevroren in de jaren 2025–2027, waardoor de bijstand niet daalt in deze jaren. Ook de huurtoeslag is vereenvoudigd en verhoogd. Vanaf 2026 krijgen de laagste inkomens € 7,50 per maand extra huurtoeslag, en bovendien wordt de huurtoeslag minder snel afgebouwd. Daarnaast krijgen ook huurders met een hogere huur en een lager inkomen recht op huurtoeslag. En vanaf 2027 gaat het jeugdminimumloon omhoog voor jongeren van 16 t/m 20 jaar.
Naast directe inkomensmaatregelen werkt het kabinet met het Nationaal Programma Armoede en Schulden aan het voorkomen van armoede en het tegengaan van de langetermijneffecten van armoede. Hierbij zet het kabinet in op de aanpak van kinderarmoede (voortzetten schoolmaaltijden, financiële ondersteuning aan SAM&-partijen, start interdepartementale aanpak om gezinnen in kwetsbare positie beter te ondersteunen), voorkomen van geldzorgen door o.m. de subsidieregeling financiële educatie, inzet op beter bereiken van werkenden met een laag inkomen en vereenvoudigen van (gemeentelijk) armoedebeleid.
Welke lessen heeft u uit het rapport getrokken?
De ontwikkelingen van maatschappelijke organisaties en fondsen zoals Kinderhulp zijn belangrijk om te volgen. Door vinger aan de pols te houden kunnen we tijdig schakelen met fondsen en gemeenten over wat er nodig is om alle kinderen in Nederland goed te kunnen blijven ondersteunen.
Heeft u naar aanleiding van het rapport concrete stappen gezet om de kinderarmoede in Nederland omlaag te brengen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet en dat is het nog steeds. Dit rapport sterkt mij in de overtuiging dat we met onze inzet de goede weg in zijn geslagen en dat we dit door moeten zetten zodat elk kind mee kan doen en zich kansrijk kan ontwikkelen.
Gelukkig is de financiële armoede onder gezinnen, en ook de kinderarmoede, in de laatste vijf jaar meer dan gehalveerd. Door onder meer een hoger kindgebonden budget en een hogere en vereenvoudigere huurtoeslag. Maar omdat het in deze gezinnen vaak niet enkel om weinig geld gaat, hebben deze gezinnen ook tijdige hulp en ondersteuning nodig vanuit meerdere aandachtsgebieden. Ik werk dan ook samen met verschillende ministeries, en met gemeenten, ervaringsdeskundigen, kinderen, jongeren en andere partijen om te komen tot een meer preventieve en integrale ondersteuning van gezinnen in een kwetsbare positie. Daarnaast kunnen gezinnen die minder te besteden hebben ook ondersteuning krijgen, via de gemeente of via school, voor bijvoorbeeld een lidmaatschap bij de voetbalclub, of een fiets. En als je een lege maag hebt, is leren lastiger. Daarom krijgen dagelijks ook 350.000 leerlingen een maaltijd van school.
Welke maatregelen neemt u om de zorgwekkende stijging van 40% sinds 2021 in aanvragen voor basisvoorzieningen voor kinderen als een warme jas, een bril of een bed om in te slapen terug te dringen?
Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens op of rond het sociaal minimum meer te besteden hebben. Zie hiervoor de beantwoording van vraag 9.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
Er zijn diverse verklaringen voor waarom het aandeel arbeidsongeschikten per land verschillend is. Voor een deel zitten de verschillen bijvoorbeeld al in de definitie van arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden om recht te krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. En in welke soorten uitkeringen in de statistieken meetellen als arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een van de verklaringen voor de internationale verschillen die ook in één van de in de vraag aangehaalde krantenartikelen staat, is dat in Nederland wordt beoordeeld in hoeverre iemand nog wel kan werken naast een arbeidsbeperking. Dat is niet in alle andere landen zo. Hierdoor zijn er weliswaar in verhouding meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar een relatief groot deel van die mensen werkt ook naast de uitkering. Daarnaast spelen de relatief hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Nederland mogelijk een rol. Ook heeft Nederland relatief veel mensen die werken in een tijdelijke arbeidsovereenkomst en blijft de re-integratie van deze groep werknemers achter.5 Verschillen tussen socialezekerheidsstelsels en statistieken daarover daarvan moeten altijd met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral na problemen met de hoge instroom in de toenmalige WAO, zijn verschillende prikkels ingevoerd om re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te bevorderen en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te beheersen. Die prikkels zitten door het hele stelsel, vanaf de periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in de uitkeringshoogte en premiebetaling voor de ZW en de WIA. Voor werkgevers zijn de belangrijkste prikkels de wettelijke verplichting om gedurende de eerste twee jaar van ziekte 70% van het loon door te betalen en zich in te spannen voor re-integratie. De wettelijke loondoorbetaling van 70% geeft de werknemer ook een financiële prikkel om zo snel mogelijk het werk te hervatten, hoewel werkgevers en werknemers in CAO’s vaak bovenwettelijke aanvullingen afspreken tot 100% loondoorbetaling waarmee deze prikkel vermindert of verdwijnt. Ook heeft de werknemer in deze periode de verplichting om mee te werken aan re-integratie.
Als de werknemer na die twee jaar recht krijgt op een WIA-uitkering, dan betaalt de (oud-) werkgever nog maximaal 10 jaar mee aan de uitkering van deze werknemer. Als de werknemer instroomt in de WIA en nog arbeidsvermogen heeft, bestaan de belangrijkste prikkels voor de werknemer uit:
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Een deel van het verzuim in Nederland kan door macrotrends en ontwikkelingen in de samenleving en op arbeidsmarkt worden verklaard.
Uit de tweejaarlijkse Arbobalans6 van TNO, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, volgt dat van het totale ziekteverzuim in Nederland ongeveer 8% komt door psychische klachten. Na griep, verkoudheid en virusinfecties zijn psychische klachten hiermee de tweede reden die werknemers voor 2024 opgeven voor verzuim.7
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meer mensen psychische problemen ervaren en vaker verzuimen op het werk. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) concludeert in een recent rapport dat onze «hypernerveuze samenleving» de mentale gezondheid onder druk zet.8 De toename van uitval door psychische klachten komt voort uit een samenspel van maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren. De toename van psychische aandoeningen in de WIA-instroom is geen uniek Nederlands verschijnsel en is ook niet inherent verbonden aan ons stelsel. Het past in een bredere, internationale, trend.9
Afgaande op de laatste vier metingen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden over 2021–2024 lijkt er geen toename te zijn qua werkdruk, maar juist een afname. Wel blijft werkdruk als voornaamste reden van verzuim veroorzaakt door het werk in de periode 2022–2024 vrij stabiel rond de 27%.10 Eveneens blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden dat in de periode 2021–2024 het aandeel werknemers met burn-outklachten niet verder is gestegen.11, 12, 13, 14
Met betrekking tot het huidige en toekomstige verzuimniveau speelt een rol dat werknemers steeds langer doorwerken en dat het aandeel oudere werknemers is toegenomen. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met chronische klachten en het daaraan gerelateerde verzuim toe.
De toegenomen instroom in de WIA kan voor een deel worden verklaard door de dubbele vergrijzing. Ongeveer de helft van de stijging tussen 2006 en 2024 is toe te schrijven aan het langer doorwerken van oudere werknemers. Dit is het gevolg van het afbouwen van vroegpensioenregelingen en de beleidsmatige verhoging van de AOW-leeftijd.15
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
De (belangrijkste) knelpunten binnen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel zijn recent in het kader van onder meer de probleemanalyse en het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)16, 17.
Mijn voorgangster heeft OCTAS verzocht om deze knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen en daarover een advies uit te brengen. De probleemanalyse van deze commissie geeft de belangrijkste knelpunten weer en in het eindrapport wordt verder ingegaan op de mogelijke oplosrichtingen. Beide documenten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden.18
Het nieuwe kabinet kan keuzes maken op basis van deze gesignaleerde actuele knelpunten en gepresenteerde oplossingsrichtingen en aanbevelingen.
Daarnaast zijn we altijd in gesprek met sociale partners over knelpunten die zij ervaren in het huidige stelsel. Mede op basis van die input en aanbevelingen wordt als onderdeel van arbeidsmarktpakket gewerkt aan een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid gaat geven over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers.
Ook werken we aan een wetsvoorstel om per 2028 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
In Nederland zijn werkgevers verplicht ervoor te zorgen dat hun werknemers veilig en gezond kunnen werken. De mate van bescherming die zij moeten bieden, is door de overheid vastgelegd in de Arbowet. Hiertoe dient elk bedrijf arbobeleid te voeren. Een goed arbobeleid leidt tot duurzame inzetbaarheid en verhoogde productiviteit. Het arbobeleid beperkt de gezondheidsrisico’s, vermindert het ziekteverzuim en bevordert de re-integratie.
In de Arbovisie 2040 presenteerde het kabinet de missie van nul doden door werk («zero death») en zo min mogelijk ongevallen en zieken door werk. Daarbij is focus op preventie essentieel. Met de Arbovisie 2040 is een traject ingezet om te komen tot een toekomstbestendig arbostelsel. Structurele verbeteringen zijn alleen te realiseren door een stevig commitment en goede samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid en door inspanning van alle betrokkenen. Het realiseren van een trendbreuk van «zero-death» vraagt om een meerjarige, gefaseerde aanpak, die door het kabinet uiteen is gezet in de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie».19
Daarnaast voert het kabinet een gezondheidsbeleid om te voorkomen dat mensen ziek worden en moeten verzuimen. Er zijn bijvoorbeeld landelijke afspraken en samenwerkingen voor een gezonde leefstijl, zoals het Preventieakkoord20, het Integraal Zorgakkoord21 en aanvullend zorg- en welzijnsakkoord22. Om te bevorderen dat zieke werkenden tijdens hun behandeling (deels) aan het werk kunnen blijven of na behandeling sneller weer aan het werk kunnen is samenwerking tussen arbeidsgerelateerde zorg en curatieve zorg essentieel.
Initiatieven vanuit de beroepsgroepen van bedrijfsartsen en medisch specialisten dragen hier inmiddels aan bij, met ondersteuning van het Ministerie van SZW.23
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
De regering beschikt niet over cijfers die inzichtelijk maken of en in welke mate er door werknemers misbruik zou worden gemaakt van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon. Bij eventuele twijfel over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer kan de werkgever de bedrijfsarts vragen daar op basis van diens medische expertise een inschatting van te laten maken. Ik zie in centrale registratie van deze cijfers, als die überhaupt mogelijk zou zijn, onvoldoende toegevoegde waarde. Daarnaast zou dit voor werkgevers aanzienlijke extra administratieve lasten en kosten met zich meebrengen.
Ook over eventueel misbruik van WIA-voorschotten zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.24 Hierop ga ik verder in bij het antwoord op vraag 13. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Voor wat betreft uw vraag over de aanwezigheid van eventueel misbruik van ziekmeldingen en het recht op loondoorbetaling verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
In veel situaties zal er bij de werkgever geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de ziekmelding van de werknemer. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 uiteen heb gezet, heeft een werkgever, in het geval er toch aanleiding voor twijfel is over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer, de mogelijkheid de bedrijfsarts te vragen op basis van diens medische expertise een inschatting te maken.
Een ziekmelding is voor de werknemer overigens niet vrijblijvend. Voor zowel de werkgever als werknemer gelden na een ziekmelding verplichtingen om te werken aan spoedige en duurzame re-integratie van de werknemer terug naar arbeid. Bij het (verwijtbaar) niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen heeft de werkgever mogelijkheden om over te gaan tot, waarschuwen, loonopschorting, loonstop of – in ernstige gevallen – ontslag (zie ook mijn antwoord op vraag25.
Ik kan mij enerzijds voorstellen dat het advies van de bedrijfsarts, en in sommige gevallen beperkt inzicht in de toestand van de werknemer, soms tot onduidelijkheid en vragen leidt bij werkgevers en daarmee dus ook extra complexiteit met zich meebrengt. Anderzijds is het voor een zorgvuldige inschatting in het belang van zowel de werkgever als de werknemer noodzakelijk dat juist een deskundig en onafhankelijk arts die inschatting maakt. Daarbij geldt dat van de bedrijfsarts verwacht mag worden dat hij een duidelijke inschatting maakt van wat de werkgever, bij medische beperkingen van de werknemer, wel en niet mag verwachten in het kader van het re-integratietraject. Dat moet de werkgever voldoende duidelijkheid en houvast geven om goede afspraken met de werknemer te maken over een passend re-integratietraject.
Waar het stelsel enerzijds effectief is gebleken waar het gaat om het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid26 begrijp ik anderzijds dat werkgevers, en zeker kleine, werkgevers dit als zwaar en complex kunnen ervaren. We werken dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers bij de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten:
Tot slot is het ook aan het nieuwe kabinet om keuzes te maken naar aanleiding van de aanbevelingen en adviezen van de OCTAS en het IBO-WIA, gericht op een beter uitlegbaar, betaalbaar en uitvoerbaar stelsel voor ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ook voor werkgevers. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Wanneer een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan de re-integratie en daarmee (verwijtbaar) geen gevolg geeft aan diens wettelijke verplichtingen, heeft de werkgever verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Denk daarbij aan het, na een (schriftelijke) waarschuwing, eventueel opschorten van het loon, een loonstop, of -in ernstige gevallen- ontslag wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Voor de onderbouwing van een dusdanig ontslagverzoek bij de kantonrechter is in ieder geval een deskundigenoordeel van UWV nodig. Over in hoeveel situaties gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheden zijn geen cijfers.
Verschillende door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken geven inzicht in voorbeelden maar kunnen niet als indicatie gebruik worden voor het daadwerkelijk aantal gevallen. In het door werkgevers laten registreren van dit soort cijfers zie ik overigens onvoldoende meerwaarde, temeer omdat dit voor werkgevers extra administratieve lasten en (regeldruk)kosten met zich mee zou brengen.
Een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie) kan alleen door UWV opgelegd worden aan een werkgever. Wel kan UWV bij de conclusie dat de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een maatregel opleggen zoals een korting op de WIA-uitkering.
Wanneer een werknemer onvoldoende re-integratieverplichtingen verricht kan dit een rol spelen bij het opleggen van een loonsanctie. Uit cijfers van UWV blijkt dat loonsancties die (mede) door verwijtbaar handelen van de werknemer aan de werkgever worden opgelegd nauwelijks voorkomen (0,6% van de loonsancties in de periode 2022–2024). Daarbij is van belang op te merken dat een loonsanctie in deze situaties alleen opgelegd kan worden indien de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer tot medewerking te bewegen. Wanneer de werkgever aan diens verplichtingen heeft voldaan, waaronder in voldoende mate heeft gepoogd de werknemer te activeren, maar de werknemer niet, dan is dat geen aanleiding voor het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.
Ik acht het met u van groot belang dat een werkgever geen loonsanctie opgelegd krijgt indien hij in het kader van de re-integratie van de werknemer heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. In dat kader wordt zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 6, onder meer gewerkt aan het wetsvoorstel dat bij de RIV-toets van UWV het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend maakt, dit wetsvoorstel geeft de werkgever vooraf (vóór de RIV-toets van UWV) meer zekerheid over wat van hem in het kader van de re-integratie verwacht mag worden.
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden werkdruk als verzuimreden veroorzaakt door het werk, voor werknemers in de afgelopen drie jaar stabiel rond de 27% gebleven. Uit de Arbobalans 2024 blijkt voor werknemers dat 75% van de psychische klachten als verzuimreden, hoofdzakelijk of deels, werkgerelateerd is.
Daarvan uitgaande kan worden verondersteld dat de overige 25% wordt veroorzaakt door privéomstandigheden en/of maatschappelijke oorzaken.
Op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat psychische klachten, overspannenheid en burn-out als verzuimreden voor zelfstandigen in de periode 2021–2025 is gezakt van 6,4% naar 4,5%.27, 28, 29
Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat verzuim hoofdzakelijk of deels veroorzaakt door werk is gezakt van 30% naar 19%. Hierin is een te hoge werkdruk als belangrijkste reden van verzuim gezakt van 26% naar ongeveer 20%.
Zoals beschreven zijn psychische klachten door het werk een groot deel van de totale verzuimkosten zijn. Het is daarom van belang om in de aanpak van werkstress en werkdruk te blijven investeren.30 Niet alleen is het vervelend als een werknemer zijn beroep niet kan uitoefenen of dat een werkgever zijn arbeidskracht moet missen. Ook brengt een (langdurig) uitvallende werknemer de nodige maatschappelijke kosten met zich mee.
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Een aanzienlijk deel van het ziekteverzuim (ongeveer 8%) heeft betrekking op psychosociale klachten.31 Wat voor medische behandeling eventueel wordt toegepast bij mentale problematiek hangt af van de diagnose en de aard van de aandoening en klachten. Vaak zal de behandelaar (of behandelend arts) op basis van de huidige kennis over de specifieke problematiek een eventuele behandeling voorschrijven.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een richtlijn voor het handelen bij werkenden met psychische problemen.32 De bedrijfsarts zal bij (potentieel) langdurig verzuim op basis van de medische klachten een probleemanalyse opstellen die ook ingaat op de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts wordt uiterlijk in de achtste ziekteweek een plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer. In dat plan van aanpak worden afspraken gemaakt over de re-integratie-inspanningen die nodig zijn om weer te komen tot een duurzame en (waar mogelijk) spoedige terugkeer van de werknemer naar werk. De werkgever heeft daarbij inspraak en een belangrijke rol bij de totstandkoming van het plan van aanpak (en dus ook het re-integratietraject) alsmede bij de regelmatige evaluatie en, waar nodig, aanpassing daarvan.
Deze bovenstaande aanpak is onderdeel van de Wet verbetering poortwachter. De Wet verbetering poortwachter is vanaf de invoering effectief gebleken in het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.33 Tegelijkertijd vraagt het veel van werkgevers en werken we dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers op dit vlak te ontlasten. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3 en vraag 7.
Voor mensen met mentale problematiek stelt UWV voor de UWV- en gemeentelijke doelgroep het instrument IPS (Individuele Plaatsing en Steun) ter beschikking.
IPS is wetenschappelijk onderbouwd en is dé methode om mensen met een ernstige psychische aandoening te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk. GGZ-instellingen die voldoen aan het door kenniscentrum Phrenos opgestelde kwaliteitskader voor de implementatie van IPS kunnen dit instrument in overleg met een cliënt aanvragen. De uitvoering van dit instrument gebeurt door mensen die door Phrenos zijn opgeleid als IPS-begeleider. Naast IPS voor mensen met ernstige psychische aandoeningen wordt ook geëxperimenteerd met IPS voor lichtere psychische aandoeningen (IPS-CMD). Naast IPS biedt UWV aan mensen met mentale problematiek en een UWV uitkering persoonlijke ondersteuning bij hun re-integratie, waarbij UWV ook de mogelijkheid heeft om re-integratie trajecten en of scholing in te kopen.
UWV heeft daarnaast via de werkgeversdienstverlening ook aandacht voor werkgevers rond dit thema. Zo biedt de divisie Werkbedrijf proactief kennis aan, bijvoorbeeld middels kennissessies over een mentaal gezonde werkvloer. Maar ook door middel van gerichte begeleidingstrajecten worden werkgevers ondersteund.
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
De aanwezigheid van mentale klachten leidt niet per definitie tot de conclusie dat de betreffende werknemer niet of in het geheel niet in staat is diens of andere passende werkzaamheden te verrichten, noch leidt dit per definitie tot de conclusie dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Indien een werknemer zich ziekmeldt ten gevolge van mentale klachten kan de werkgever de bedrijfsarts om advies vragen vanuit diens medische expertise over in welke mate die klachten de werknemer beperken om diens werkzaamheden uit te oefenen.
Indien de klachten geen medische oorzaak blijken te hebben maar bijvoorbeeld voortkomen uit een conflict (denk aan zogenaamde «situatieve arbeidsongeschiktheid» bij een conflict), dan gaat het niet om uitval door ziekte maar zijn er andere redenen voor de werkgever en werknemer om samen om de tafel te gaan zitten. Daarbij komt aan de werkgever als een van de twee partijen in de arbeidsrelatie uiteraard een essentiële rol toe.
Het is aan diegene met medische expertise om te kunnen beoordelen of er sprake is van arbeidsuitval door ziekte of niet. Daarvoor zijn in ons stelsel de bedrijfsarts en verzekeringsarts de aangewezen deskundigen.
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Gegevens over zieke werknemers zijn bijzondere, zeer privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor gelden strenge regels. Het vastleggen en delen (verwerken) van bijzondere persoonsgegevens over zieke werknemers door de werkgever is verboden. Dit betekent dat bij een ziekmelding de werkgever alleen voor hem noodzakelijke gegevens mag registreren, bijvoorbeeld of ziekte verband houdt met een arbeidsongeval. Elke werkgever in Nederland moet een basiscontract hebben afgesloten met een gecertificeerde arbodienst of BIG-geregistreerde bedrijfsarts. Zij ondersteunen de werkgever bij preventieve taken en verzuimbegeleiding. Bij langdurig verzuim is het aan de arbodienst of bedrijfsarts om de werkgever te informeren over de verwachte duur van de ziekte en te adviseren over de belastbaarheid van de werknemer in geval van herstel en re-integratie. De bedrijfsarts dient die informatie ook inzichtelijk te maken in de, uiterlijk in de zesde week van ziekte op te stellen, probleemanalyse. Inzicht in de belastbaarheid van de werknemer is voor de werkgever van belang om samen met de werknemer een effectief en verantwoord re-integratietraject tot stand te kunnen brengen zonder dat daarmee medische gegevens gedeeld hoeven te worden. De probleemanalyse van de bedrijfsarts biedt de werkgever en werknemer dan ook een belangrijke basis voor het opstellen van het plan van aanpak waarin onderlinge afspraken worden gemaakt over de re-integratie van de werknemer.
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Uiterlijk in de zesde week van het ziekteverzuim dient een gesprek met de bedrijfsarts plaats te vinden waarna deze (de bedrijfsarts of de arbodienst) een probleemanalyse opstelt. In die probleemanalyse wordt onder meer inzicht gegeven in welke belastbaarheid de werknemer heeft.
Uiterlijk in de achtste week van het ziekteverzuim dienen werkgever en werknemer het plan van aanpak op te stellen. Daarbij heeft het UWV geen rol maar gaat het dus om de afspraken die werkgever en werknemer onderling maken over het te volgen re-integratietraject. Zij gebruiken daarbij wel de probleemanalyse van de bedrijfsarts en zo nodig kunnen andere deskundigen adviseren (zoals een arbeidsdeskundige).
Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat er toe moet leiden dat de inschatting van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend is bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers, o.a. bij het vormgeven van het plan van aanpak, blijven uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en hoeven zij zich geen zorgen te maken over de vraag of de verzekeringsarts van UWV, na twee jaar, mogelijk een andere inschatting over de belastbaarheid maakt. Daarmee neemt voor de werkgever het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.34 Op dit moment is dat beleid tegenwettelijk en daarom was het beleid altijd tijdelijk. Vanwege de verwachting dat het beleid langer nodig is, zijn afgelopen voorjaar middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten structureel te maken.35 Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit beleid. Het wetsvoorstel hiertoe wordt naar verwachting voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.