Het stijgende aantal jongeren in de bijstand zonder duidelijke verklaringen of inzicht in oorzaken |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van NRC Handelsblad «Hoe kan het toch dat het aantal jongeren in de bijstand toeneemt?»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de stijging van jongeren in de Participatiewet sterker is dan van andere leeftijdsgroepen en al dertien kwartalen op rij aanhoudt?
Hoe ontwikkelde de instroom van jongeren in de bijstand volgens u in de afgelopen vijf jaar, waar mogelijk uitgesplitst naar leeftijd, achtergrond, kwetsbare positie, voorgaande betrekking, bijstandsduur, en reden van instroom?
Deelt u de constatering van de onderzoekers in het artikel dat er geen eenduidige verklaring bestaat en wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken ontbreekt?
Heeft de regering onderzoek gedaan of laten doen naar de oorzaken van de structurele stijging van het aantal jongeren in de Participatiewet? Zo nee, bent u bereid dit te laten doen?
Aangezien werkende jongeren relatief vaak een flexibel contract hebben en hierdoor bij tegenslag vaak als eerste hun baan verliezen, welke maatregelen neemt u om het aandeel vaste contracten onder jongeren te verhogen?
Hoeveel jongeren, die door een kort arbeidsverleden alleen recht hebben op de minimale WW-duur van drie maanden, stromen jaarlijks na afloop van deze WW-duur door naar de bijstand? Hoe verhoudt zich dit tot andere leeftijdsgroepen?
Herkent u dat met de stijging van het aantal jongeren in de bijstand ook het aantal dakloze jongeren toeneemt, en kunt u hier de meest actuele cijfers over verstrekken? Biedt de Participatiewet dienstverlening aan instromende jongeren om hun huurwoning te behouden of om een huurwoning te bemachtigen?
Herkent u dat jongeren kort na hun achttiende relatief vaak en steeds vaker in problematische schulden raken, mede door online gokken of «buy now pay later»- diensten, en dit bijdraagt aan bijstandsinstroom? Welke bewindspersoon draagt de beleidsverantwoordelijkheid voor de samenhang tussen online kansspelen, consumentenkrediet, schuldenbeleid en de bijstandsinstroom van jongeren?
Hoe weegt u de samenhang tussen de mentale gezondheid van jongeren en hun arbeidsmarkt- en bijstandspositie, wetende dat onderzoek van het RIVM2 en GGD GHOR laat dat bijna de helft van de jongeren de eigen mentale gezondheid als niet goed (matig of slecht) beoordeelt? Hoe wordt interdepartementale samenwerking op dit thema vormgegeven en welke resultaten levert dit op?
Welke maatregelen neemt de regering om de dertien kwartalen aanhoudende stijging van jongeren in de bijstand te keren? Hoe gaat u de Kamer periodiek informeren over de voortgang en de resultaten van het beleid?
Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?
Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van drie gronden: 1) vooringenomenheid (zowel groepsgewijs als individueel), 2) hardheid van het stelsel, of 3) een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). De toetsing van gedupeerdheid op basis van deze gronden is volgordelijk. Dit betekent dat als een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid (de gedupeerdheidsgrond waaronder non respons valt) er niet meer wordt getoetst of een ouder ook gedupeerd is op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie O/GS. Daarnaast is het zo dat non respons maar één van de redenen is om gedupeerd te zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Dit maakt dat het ook nog mogelijk is dat een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid vanwege een andere reden. Dit is echter ook niet getoetst als er al sprake was van gedupeerdheid vanwege non respons.
Voor een volledige en correcte beoordeling moet voor elk jaar dat een ouder als gedupeerde is aangemerkt op basis van individuele vooringenomenheid getoetst worden of er 1) sprake is van gedupeerdheid op basis van individuele vooringenomenheid op basis van een andere reden dan non-respons of 2) sprake is van een andere gedupeerdheidsgrond. Dit kan niet uit de huidige dossiers worden gedestilleerd, omdat dit niet is onderzocht en hier niet naar gevraagd is in het ouderverhaal. Ook kan er uit een ouderverhaal blijken dat een ouder in de brievenadministratie staat én gedupeerd is op basis van non respons. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als uit het ouderverhaal blijkt dat het niet daadwerkelijk ontvangen van een brief aannemelijk kan worden gemaakt.
Om meer inzicht te geven in het proces van de integrale beoordeling is een illustratie bijgevoegd. Deze laat zien welke gedupeerdheidsgronden er zijn en wat de verschillende redenen kunnen zijn om tot deze gedupeerdheidsgrond te komen.
Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie deel ik niet. Zoals ik in vraag 1 heb uitgelegd geeft het al dan niet ontvangen van een reactie geen sluitend beeld over de gedupeerdheid (en dus ook niet of de compensatie terecht was) van een ouder in dat betreffende jaar, omdat dit maar een stukje van de beoordeling is. Het geeft enkel een beeld welke ouders mogelijk ten onrechte op de grond non respons zijn gecompenseerd. Hier zitten ook ouders tussen die terecht zijn gecompenseerd om een van de genoemde redenen in vraag 1. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een ouder zich (fysiek) aan een balie heeft gemeld.
Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief, bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen, mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2. Om betrouwbaar in kaart te kunnen brengen in welke gevallen sprake kan zijn van een onterechte compensatie zouden integrale beoordeling opnieuw moeten worden uitgevoerd. Dat is niet uitvoerbaar en onwenselijk voor de betreffende ouders.
Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?
Nee, deze conclusie zoals gesteld deel ik niet. Ik deel de conclusie dat ouders die in een CAF/Fraude onderzoek zaten niet in het massale proces zaten. Echter kan een ouder ook om een andere reden dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Ook kan er sprake zijn van gedupeerdheid op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie. Aangezien in de Integrale Beoordeling sprake is van volgordelijkheid, zijn hier geen getallen van.
Zoals eerder met de Kamer heb gedeeld kan ik concluderen dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kan ik op individueel niveau geen conclusies trekken.
Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen definitief standpunt over het mogelijk gebruik van de informatie ingenomen voordat uit het onderzoek bleek dat de administratie daadwerkelijk betrouwbaar was.
Wel heb ik besloten de hersteloperatie voort te zetten gedurende het onderzoek, een lange vertraging was niet uitlegbaar, en heb ik aangegeven dat niet zou worden teruggekomen op reeds genomen besluiten. In de eerste plaats was de vraag of daarvoor een juridische basis bestond en ten tweede acht ik dit niet uitlegbaar aan als gedupeerde aangemerkte ouders.
Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2 van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?
Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat ik op basis van de brievenadministratie pas iets over de gedupeerdheid van ouders kan zeggen als alle Integrale Beoordelingen, inclusief ouderverhaal, opnieuw gedaan worden.
Een nieuwe beoordeling kost veel tijd en brengt nieuwe uitvoeringskosten met zich mee. En creëert veel onrust onder als gedupeerde aangemerkte ouders, waarbij mogelijk voor een deel van de ouders geldt dat zij op dezelfde of een andere grond alsnog als gedupeerd zou worden aangemerkt. Hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar. Het is echter wel zo dat de administratie wordt gebruikt in bijvoorbeeld bezwaar-, beroep- en civiele zaken.
Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?
Ik wil wederom vooropstellen dat ik deze beoordeling niet zal uitvoeren. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven zal in een dergelijke situatie ook voor ouders die alsnog op een andere grond als gedupeerde worden aangemerkt de beoordeling opnieuw moeten plaatsvinden. Voor hen heeft een dergelijke herbeoordeling dus ook gevolg, en hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar.
Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien UHT kan vaststellen dat uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden, wordt in beginsel uitgegaan van een correcte verzending. Daarmee staat echter niet zonder meer vast dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. Ook wanneer een brief is verzonden, kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit volgt dat een ouder desondanks gedupeerd is geraakt. Zo kan een ouder bijvoorbeeld stellen wél op een uitvraagbrief te hebben gereageerd. UHT beoordeelt een dergelijke stelling op aannemelijkheid.
Indien aannemelijk is dat een ouder heeft gereageerd en een verlaging of nihilstelling desondanks heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen en daarmee van gedupeerdheid. Het ouderverhaal wordt daarom niet generiek belangrijker geacht dan de beschikbare informatie uit de administratie, maar maakt onderdeel uit van de integrale beoordeling waarin alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang worden gewogen.
Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn er binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Ook is er één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn individueel onderzocht, maar hebben destijds niet geleid tot de kennis van de aanwezigheid van verzend- en ontvangstadministratie. In de zomer van 2024 is er voor het eerst een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties.
Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken, mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd gedurende de jaren?
Alle signalen die toentertijd zijn binnengekomen hadden geen concrete verwijzing naar de brieven administratie. Deze signalen zijn wel altijd beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Echter hebben deze signalen zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben deze signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?
Om de administratie te kunnen gebruiken acht ik het belangrijk dat de administratie betrouwbaar en volledig is. Temeer omdat de informatie uit deze adminstratie als contra-informatie aan ouders zouden worden tegengeworpen. Ik wilde niet het risico lopen dat ouders gevolgen ondervonden van het gebruik van de administratie zonder dat vast stond dat deze administratie volledig en betrouwbaar was.
Daarom heb ik de ADR gevraagd dit te onderzoeken. Het ADR-onderzoek staat los van de vraag hoe de informatie in de administratie binnen een individuele beoordeling moet worden gewogen en welke rol het ouderverhaal daarin speelt.
Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het onderzoek voor u materieel niet van belang waren?
Het onderzoek van de ADR heeft uitgewezen dat de onderzochte administratie van het massale proces betrouwbaar en volledig is. Daar was lopende het onderzoek nog geen duidelijkheid over. Gezien de mogelijke impact van het gebruik van de administratie als bron van contra-informatie richting de ouder en het feit dat in het verleden de informatiehuishouding gebreken kende vond ik het niet verantwoord deze informatiebron te gebruiken voordat de uitkomsten van het ADR onderzoek duidelijk waren. Dit betekent dat er vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek ook geen werkinstructies zijn aangepast.
Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig) is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?
Dit zal altijd per casus beoordeeld moeten worden en ik kan hier dus geen algemene conclusies over trekken.
Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?
Nee. Ook in de situaties waar de vraag op doelt, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. Het enkele feit dat een ouder pas na ontvangst van een stopbrief reageert, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Indien wordt vastgesteld dat een ouder een stopbrief heeft ontvangen terwijl deze bij een juiste behandeling van diens situatie niet had mogen worden verzonden en de ouder daardoor schade heeft geleden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. In dat geval bestaat recht op compensatie. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen, zijn in 2020 vastgesteld en konden rekenen op brede steun van de Tweede Kamer.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties), terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie in het kader van non-respons?
Het Capgemini-onderzoek is niet in tegenspraak met het antwoord dat ik eerder heb gegeven. Het onderzoek had betrekking op klachten over zoekgeraakte fysieke stukken bij Toeslagen en was geen structurele meting van het aantal zoekgeraakte poststukken. Evenmin bevatte het een vergelijking met andere overheidsorganisaties.
Het onderzoek van de klachtdossiers laat wel zien dat de verwerking van ontvangen stukken kwetsbaar was en dat de registratie van ontvangen reacties geen sluitend en volledig beeld geeft. De conclusie is daarom dat de brievenadministratie relevante informatie kan bevatten, maar op zichzelf niet voldoende is om non-respons vast te stellen. De brievenadministratie kan aantonen dat een standaardbrief administratief is verzonden, maar niet dat de ouder deze heeft ontvangen. Ook kan uit het ontbreken van een geregistreerde reactie niet zonder meer worden afgeleid dat de ouder niet heeft gereageerd. Daarvoor moeten ook het overige dossier en het verhaal van de ouder worden betrokken.
Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording in vraag 8 heb benoemd kan een ouder ook met aanwezigheid van de brievenadministratie nog steeds gedupeerd zijn. Daarnaast wil ik ook benadrukken dat het proces om te beoordelen of een ouder gedupeerd is complex is en kan een ouder om andere redenen dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid, zelfs als non-respons hier door de aanwezigheid van de brievenadministratie niet meer de reden voor is. Conclusies trekken over de gedupeerdheid van ouders kan enkel als de gehele integrale beoordeling, inclusief ouderverhaal, opnieuw wordt gedaan.
De beoordeling door UHT is ook niet gebaseerd op de veronderstelling dat door ouders verstrekte informatie verloren is gegaan. De beoordeling binnen de hersteloperatie richt zich op de vraag of de oorspronkelijke stopzetting rechtmatig was. Hierbij wordt alle informatie uit de systemen van UHT geraadpleegd. Indien niet kan worden vastgesteld dat een wettelijk vereiste uitvraag heeft plaatsgevonden en een toeslag desondanks is stopgezet, wordt die stopzetting als onrechtmatig aangemerkt. Een ouderverhaal is in deze beoordeling nodig om een duiding te geven van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent ook dat UHT alle informatie uit de systemen gebruikt in de beoordeling. Als UHT op basis van de systemen niet kan aantonen dat de vereiste uitvraag aan de ouder heeft plaatsgevonden, geldt binnen de hersteloperatie het uitgangspunt dat bij twijfel in het voordeel van de ouder wordt geoordeeld. Dit proces is met de brievenadministratie ook niet anders geworden, UHT heeft enkel meer informatie tot zijn beschikking.
Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000 ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht als gedupeerd aangemerkte personen?
Zoals in de brief van 6 februari jl. aan de Kamer is geschreven, wordt geconcludeerd dat als deze brievenadministratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kunnen er géén conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van ouders op individueel niveau, dit vergt een volledige herbeoordeling inclusief ouderverhaal. Aangezien ik deze herbeoordeling niet kan en zal doen, wil ik ook niet speculeren over aantallen.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging van vraag 3?
Zoals ik in het antwoord op vragen 1 en 3 heb uitgelegd geeft het leggen van toeslagjaren van deze ouders naast de brievenadministratie een incomplete beoordeling.
Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?
Nee, UHT gaat niet automatisch uit van een onterechte non-respons. UHT kijkt altijd naar alle beschikbare feiten en omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar informatie uit de verschillende beschikbare systemen en wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is geweest van een onterechte non-respons.
Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?
De Belastingdienst voert actief beheer van het fysieke archief voor alle dienstonderdelen. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig ingericht proces, waarbij voor ieder aangeboden archiefstuk wordt vastgesteld welke bewaartermijn op grond van de Archiefwet van toepassing is. Als onderdeel van het reguliere archiefbeheer heeft de FIOD begin oktober 2025 een aantal strafrechtelijke onderzoeksdossiers van Dienst Toeslagen behandeld. Hierover heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd. In het kader van de Hotspot Toeslagenaffaire heeft de FIOD aangegeven welke dossiers voor bewaring in aanmerking komen en niet mogen worden vernietigd.1 Deze dossiers zijn uit het archief gehaald, apart gezet en geregistreerd. De dossiers zijn daarmee veiliggesteld en uitgesloten van vernietiging.
Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd en door welke partijen?
Zie antwoord vraag 21.
Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 21 en 22 heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd over de bij archiefwerkzaamheden aangetroffen dossiers en de vaststelling dat deze dossiers op grond van de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire bewaard moeten blijven. Op 4 juni 2026 zijn de Staatssecretarissen in de kantlijn van een overleg over de datakluis mondeling geïnformeerd over het FIOD-archief. Hoewel bewindspersonen doorgaans niet over regulier archiefbeheer worden bijgepraat, is dit specifieke onderwerp toen wel kort benoemd, zonder dat er sprake is van een verband met de datakluis. Het betreffende FIOD-archief staat daarmee los van de datakluis, evenals de aanpak hieromtrent.
Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze alsnog worden ingezet?
De hersteloperatie heeft de afgelopen jaren in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt van onderzoeksdossiers van de FIOD. In het geval de FIOD een onderzoek doet, kan dit relevante informatie bevatten bij het onderzoek naar gedupeerdheid van een ouder door UHT. De Wet hersteloperatie toeslagen biedt de UHT als daartoe aanleiding is de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens bij de FIOD en/of het Openbaar Ministerie op te vragen. De dossiers bij de FIOD blijven volgens de richtlijnen Hotspot Toeslagenaffaire voor UHT opvraagbaar.
Welke jaren bestrijken deze dossiers?
De dossiers zijn van 2016 en de jaren hiervoor. Verdere specificering vereist dat de dossiers individueel moeten worden bekeken. De dossiers zijn indien nodig opvraagbaar. Een onderzoek naar de specifieke jaren van de dossiers is hiervoor niet relevant.
Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?
Het gaat om strafrechtelijke gegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk en worden bij uitzondering en slechts als daartoe specifieke aanleiding is gedeeld. Dit is in het geval van de PEFD niet aan de orde geweest.
Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie door de ADR?
Deze dossiers maken onderdeel uit van het fysieke archief van de FIOD. Het betreft geen nieuw ontdekt archief, maar bestaande archiefstukken die in het kader van regulier archiefbeheer en conform de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire zijn beoordeeld door informatiespecialisten op vernietiging dan wel bewaring. Tegen die achtergrond is geen sprake van een afzonderlijk onderzoek of beoordeling door een externe partij. Deze dossiers mogen alleen gebruikt worden als daar een specifieke aanleiding voor is bij de hersteloperatie.
Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd in het antwoord op vragen 21 en 22 worden stukken die onder de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire vallen uitgesloten van vernietiging. De betreffende dossiers zijn juist in het kader van die richtlijnen geïdentificeerd en veiliggesteld.
Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie (Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid richting de moeder?
De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid. Deze vraag is in de zaak dan ook niet beantwoord en deze vraag zal ook niet door de civiele rechter beantwoord worden.
Zoals eerder benoemd is het beoordelingsproces of een ouder gedupeerd is veel uitgebreider en complexer dan non-respons en zelfs dan individuele vooringenomenheid. Zonder dat een ouder opnieuw beoordeeld wordt, inclusief ouderverhaal, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van deze ouder.
Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid, die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit een puur theoretische redenering is?
Aangezien de zaak geen betrekking had op de vraag of een ouder al dan niet gedupeerd is, was dit niet relevant en is dit niet onderzocht. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden. Over individuele gevallen kan ik verder geen uitspraak doen.
Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?
Ik heb onderzocht of het mogelijk was om op alle onderdelen van de hersteloperatie stapelingsrisico’s te voorkomen. Hieruit bleek dat het niet mogelijk was om de brievenadministratie breder toe te passen dan op dit moment gebeurt. Alle aanvullende regelingen zijn namelijk gebaseerd op de Integrale Beoordeling van de gedupeerde aanvrager. Toegang tot aanvullende regelingen, waaronder brede ondersteuning en aanvullende schadecompensatie, kan enkel worden ontzegd als uit de Integrale Beoordeling blijkt dat een ouder niet gedupeerd is. Om hierover conclusies te trekken moet de hele Integrale Beoordeling opnieuw worden gedaan en zoals ik al meermaals heb gezegd kan en wil ik dit niet doen.
Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 31.
Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?
De brievenadministratie zal niet breder ingezet worden dan op dit moment het geval is. Dit gaat dus om de volgende, eerdergenoemde, situaties:
Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen, die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?
Ik deel dit uitgangspunt niet. Zoals meermaals benadrukt zegt het voorkomen in de brievenadministratie niet direct iets over de gedupeerdheid van individuele ouders.
Als blijkt dat ouders niet gedupeerd zijn, worden de aanvullende regelingen stopgezet en worden de gegevens van deze ouders met gemeenten gedeeld om de brede ondersteuning stop te zetten.
Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Ik wil onderstrepen dat ik het belangrijk vind dat medewerkers die menen dat relevante informatie niet wordt betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, dit kunnen melden. Het huidige meldlandschap: dat bestaat binnen Dienst Toeslagen biedt hiervoor voldoende ruimte, uit het recente medewerkersonderzoek blijkt ook dat 91% van de medewerkers weet waar ze met een integriteitskwestie naar toe kunnen.
In de eerste plaats kunnen medewerkers dergelijke signalen bespreken met hun leidinggevende of, indien zij zich daar niet vrij toe voelen, gebruikmaken van de bestaande interne of externe meldvoorzieningen. Binnen het Ministerie van Financiën is hier intern ruimte voor bij Integriteitsonderzoeken Financiën (IF). Bij het IF hebben (voormalig) medewerkers van heel Financiën (waaronder de uitvoeringsorganisaties Belastingdienst (inclusief FIOD), Dienst Toeslagen en Douane) de mogelijkheid om desgewenst anoniem melding te maken van mogelijke integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden. De IF publiceert hier jaarlijks verantwoordingsrapportages over. Daarnaast is er extern ook een meldpunt voor medewerkers, namelijk de Commissie sociale veiligheid en integriteit. (Voormalig) medewerkers van heel Financiën kunnen hier hun vragen kwijt, ook als het gaat over betreffende kwestie.
Gelet op deze bestaande voorzieningen zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk meldpunt in te stellen. Wel vind ik het belangrijk dat (oud-)medewerkers bekend zijn met de bestaande meldmogelijkheden. Daarom zal ik bezien hoe de bekendheid van deze voorzieningen eventueel verder kan worden vergroot.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?
Ja.
Het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van nu.nl over het feit dat veel ouders ondanks een hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de totale overheidsuitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Bron: SZW Jaarverslagen.
Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag (gesaldeerd met de ontvangsten) vanaf 2015. Nadat de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in de periode voor 2015 enkele jaren afnamen door ombuigingen op de kinderopvangtoelsag en een dalend aantal kinderen dat gebruik maakte van kinderopvang, zijn de uitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015 over de gehele periode toegenomen. Tussen 2015 en 2025 gaat het om een toename van € 3.741 miljoen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen bedraagt het verschil circa € 3,1 miljard (in prijzen 2025). Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Enerzijds gaan meer kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Zo gingen in 2025 gemiddeld 922.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de opvang, tegenover gemiddeld 639.000 kinderen in 2015. Ook gingen kinderen gemiddeld meer uren per week naar de opvang in 2025 (65,9 uur) dan in 2015 (58,1 uur). Anderzijds zijn de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag meermaals verhoogd en is ook de maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag enkele keren aangepast.
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies? Zo ja, om welke belastingen en premies gaat het precies (loon- en inkomstenbelasting, btw of andere belastingen)? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Het klopt dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies. Voor wat betreft de belastingen gaat het om de algemene middelen van het Rijk. Er zijn geen specifieke belastingen waarvan (een gedeelte van) de opbrengst wordt geoormerkt voor de kinderopvangtoeslag. Bij de premies gaat het om de Werkgeversbijdrage kinderopvang. Dit is een opslag op de Aof-premie (premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds) ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom.
Hoeveel procent van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd door werknemers en hoeveel procent door werkgevers? Wilt u graag een overzicht geven van deze lastenverdeling vanaf 2015 en een toelichting op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit werkgeverslaten (via een hogere Aof-premie), en deels uit de algemene middelen. Werknemers dragen niet direct financieel bij aan de kinderopvangtoeslag.
De lastenverdeling tussen overheid (algemene middelen) en werkgevers van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag is weergegeven in onderstaande tabel:
Overheid
34%
45%
49%
54%
59%
63%
64%
64%
62%
64%
67%
Werkgevers
66%
55%
51%
46%
41%
37%
36%
36%
38%
36%
33%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Het aandeel dat werkgevers bijdragen is afgelopen jaren gedaald naar 1/3e van het totaal in 2025. Dit komt gedeeltelijk doordat de overheid in 2025 een groter deel van de kinderopvangkosten vergoedt. De bijdrage uit de Aof-premie staat immers geheel los van het werkelijke gebruik van kinderopvang. Daarnaast is het gebruik van kinderopvang sterker gestegen dan de omvang van de werknemerspopulatie. Daardoor wordt de totale kinderopvangtoeslag hoger, terwijl daar niet direct een hogere werkgeversbijdrage tegenover staat. Hierdoor neemt het aandeel van de kinderopvangtoeslag dat uit collectieve middelen moet worden gefinancierd toe.
Hoe wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag precies bepaald: welke variabelen (inkomen, vermogen, in rekening gebrachte kosten door de opvang, aantal gewerkte uren van de vader/moeder, etc.) zijn bepalend? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
De hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt in de kern bepaald door (1) de hoogte van het inkomen, (2) het soort kinderopvang dat wordt afgenomen, (3) het aantal uren kinderopvang dat wordt afgenomen en (4) het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd. Het vermogen of het exacte aantal gewerkte uren van de ouder(s) spelen geen rol. In detail:
Ouders maken vooraf een inschatting van hun inkomen. Nadat de belastinginspecteur het inkomen definitief heeft vastgesteld, vindt de definitieve toekenning van de toeslag plaats. Dit kan ertoe leiden dat ouders een nabetaling of een terugvordering krijgen, als het door henzelf geschatte inkomen afwijkt van het definitief vastgestelde inkomen.
Hoeveel mensen maken gebruik van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet of niet volledig (fulltime) werken? Kunt u hiervan een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting hierop?
De meeste ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag, hebben werk. De arbeidseis zoals omschreven in artikel 1.6 is namelijk een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag. Soms kunnen ouders om bepaalde redenen niet voldoen aan de arbeidseis. Wanneer deze mensen niet in aanmerking zouden komen voor kinderopvangtoeslag, kan dit de arbeidsparticipatie nu of in de toekomst juist belemmeren. Daarom zijn in artikel 1.6 een aantal uitzonderingen op de arbeidseis opgenomen. De twee belangrijkste categorieën zijn 1) ouders die activiteiten uitvoeren die gericht zijn op toekomstig werk, bijvoorbeeld een opleiding of reïntegratietraject van het UWV, en 2) ouders die werken, maar een partner hebben die niet of tijdelijk niet kan voldoen aan de arbeidseis, bijvoorbeeld een partner met een Wlz-indicatie die langdurige zorg nodig heeft. Zij komen ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Zie ook de brief van 24 juni 2025 over de arbeidseis voor een uitgebreidere toelichting.5
Het is niet haalbaar gebleken om binnen kort tijdsbestek exact te becijferen hoeveel ouders afgelopen 10 jaar gebruik maakten van kinderopvangtoeslag dankzij een uitzondering op de arbeidseis. De reden is dat ouders die gebruik maken van een bepaalde uitzondering soms ook (gaan) werken, terwijl dit in het systeem dan niet altijd aangepast wordt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een student naast diens studie gaat werken, maar in het systeem als student aangemerkt blijft. Het zou meer uitzoekwerk vergen om exact in beeld te brengen hoeveel ouders gebruik maken van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet werken. Het is wel mogelijk om een indicatie te geven van het aantal ouders dat gebruik maakt van een uitzondering op de arbeidseis. Tussen 2015 en 2025 ging het om zo’n 10.000 ouders per jaar. Ongeveer 50% van deze ouders kwam in aanmerking voor kinderopvangtoeslag door een studie, 25% door een traject naar werk en 25% door het volgen van een inburgeringstraject. Ter indicatie, in totaal ontvingen tussen 2015 en 2025 jaarlijks tussen de ca. 500.000 en 720.000 huishoudens kinderopvangtoeslag.
Bent u het ermee eens dat de kosten van de kinderopvangtoeslag leiden tot hogere loonkosten en dat het inhuren van werknemers daardoor duurder wordt voor werkgevers? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Nee, ik ben het niet eens met deze redenering. Tot 2005 bestonden er verschillende voorzieningen voor kinderopvang. Sommige werkgevers organiseerden zelf kinderopvang voor hun werknemers. Daarnaast was er aanbod vanuit gemeenten en betaalden sommige ouders zelf alle kosten voor kinderopvang. Hierdoor waren ouders onder andere afhankelijk van waar zij woonden en wie hun werkgever was voor de eigen bijdrage die zij betaalden voor kinderopvang. Met de introductie van de kinderopvangtoeslag in 2005 kwam er voor het eerst één landelijke regeling, waar alle ouders onder dezelfde voorwaarden gebruik van konden maken. De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit collectieve middelen en deels uit werkgeversbijdragen. Het gaat dat om een opslag op de Aof-premie ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom (zie het antwoord op vraag 4).
De kinderopvangtoeslag stelt ouders in staat om de zorg voor hun kinderen te combineren met werk en bevordert op deze manier de arbeidsparticipatie. De werkgever kan dus beschikken over werknemers dankzij de kinderopvangtoeslag.
Welke inkomensgroepen ontvangen kinderopvangtoeslag? Kunt u een overzicht verstrekken en daarbij onderscheid maken tussen verschillende inkomensgroepen (minimumloonverdieners, één keer modaal, 1,5 keer modaal, twee keer modaal, 2,5 keer modaal, drie keer modaal, vier keer modaal, vijf keer modaal, zes keer modaal of meer), maar daarin ook verschillende huishoudtypen (huurders/woningeigenaren, alleenstaand/gehuwd, fulltime/parttime werkend) opnemen? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op gegevens van Kinderopvangtoeslag die het Ministerie van SZW van Dienst Toeslagen ontvangt. Daarin kan enkel onderscheid worden gemaakt tussen de huishoudtypen alleenstaanden en paren. Onderstaande tabel 1 toont het aantal huishoudens in elke categorie dat in 2025 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Vanwege de geringe aantallen voor alleenstaanden zijn de hoogste inkomensgroepen samengevoegd tot «3 x modaal en hoger».
Tot 100% Wml
5.700
31.700
37.300
100% Wml tot modaal
10.500
28.100
38.600
Modaal tot 1,5 x modaal
53.200
17.100
70.300
1,5 x modaal tot 2 x modaal
125.800
6.800
132.500
2 x modaal tot 2,5 x modaal
120.900
2.200
123.100
2,5 x modaal tot 3 x modaal
82.300
800
83.100
3 x modaal en hoger
135.200
1.000
136.200
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Aanvullend is hieronder voor de inkomenscategorie «3 keer modaal en hoger» een nadere uitsplitsing gemaakt op totaalniveau (136.200 huishoudens):
3 x modaal tot 4 x modaal
82.300
4 x modaal tot 5 x modaal
29.500
5 x modaal tot 6 x modaal
12.100
6 x modaal en hoger
12.200
De laagste inkomenscategorieën, met een gezamenlijk inkomen tot het minimumloon respectievelijk tussen 100% WML en modaal, bestaan grotendeels uit alleenstaanden. Bij een gezinnen met twee werkende ouders komt het totale inkomen al gauw boven modaal uit. Bij paren met een inkomen tot modaal komt het relatief vaak voor dat één of beide ouders zijn uitgezonderd van de arbeidseis (zie het antwoord op vraag 6). Daaronder vallen onder meer studenten en ouders die een traject naar werk volgen.
Hoeveel (absoluut en procentueel) van de huidige ontvangers van kinderopvangtoeslag blijft boven het sociaal minimum wanneer de kinderopvangtoeslag voor hen zou worden afgeschaft? Kunt u een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting op uw antwoord?
Kinderopvangtoeslag is geen vorm van inkomensondersteuning, maar een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Kinderopvangtoeslag zorgt er dus voor dat ouders te maken hebben met lagere netto-uitgaven aan kinderopvang, zodat ze de zorg voor hun kinderen kunnen combineren met werk. Ouders betalen daarbij altijd een eigen bijdrage voor kinderopvang. Zonder kinderopvangtoeslag is kinderopvang voor veel ouders te duur en is het niet aantrekkelijk om te werken. Het is niet precies bekend hoeveel ouders zouden stoppen met werken als de kinderopvangtoeslag zou worden afgeschaft en hoeveel ouders vervolgens boven het sociaal minimum zouden blijven. Andersom is het ook mogelijk dat ouders met kinderopvangtoeslag zich nu al op het sociaal minimum bevinden, bijvoorbeeld wanneer zij een opleiding volgen en nog geen betaald werk verrichten.
Bent u van mening dat iedereen, die op dit momentrecht heeft op kinderopvangtoeslag en ontvangt, deze toeslag ook absoluut nodig heeft om financieel het hoofd boven water te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 9, is de kinderopvangtoeslag niet bedoeld als inkomensondersteuning, maar om ouders tegemoet te komen in de kosten voor kinderopvang. Zo kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun kinderen. Zonder kinderopvangtoeslag zouden veel ouders niet in staat zijn te betalen voor kinderopvang en dus minder of niet kunnen werken, wat de bestaanszekerheid van deze ouders onder druk zou zetten. In de huidige vergrijzende samenleving hebben we bovendien iedere arbeidskracht hard nodig. Kinderen van werkende ouders hebben op deze wijze toegang tot kwalitatief goede kinderopvang met positieve effecten op de ontwikkeling tot gevolg.
Hoeveel euro bedragen de totale uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag (exclusief de kosten voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door het toeslagenschandaal)? Kunt u een overzicht geven vanaf 2015?
Dienst Toeslagen heeft géén inzicht in de uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag, omdat de processen integraal zijn georganiseerd om de vier toeslagsoorten uit te voeren en dus niet per toeslagsoort. Hierdoor kan Dienst Toeslagen niet de gevraagde doorsnede van kinderopvangtoeslag leveren. Op dit moment is er een model in ontwikkeling dat op termijn dit inzicht voor kinderopvangtoeslag (en andere toeslagsoorten) wel kan leveren voor de jaren 2024 en verder.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 2,02%-punt worden verlaagd6.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting met 6,25%-punt worden verlaagd7. Het enkel verlagen van het tarief tweede schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste schijf. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de eerste schijf in de inkomstenbelasting in de tweede schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting met 16,54%-punt worden verlaagd. Het enkel verlagen van het tarief derde schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste en tweede schijven. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de tweede schijf in de inkomstenbelasting in de derde schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen en een hoog inkomen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
In welke mate leidt een afschaffing van de kinderopvangtoeslag en een gelijktijdige verhoging van de arbeidskorting met hetzelfde bedrag tot veranderingen in de arbeidsparticipatie? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag is een gerichte vorm van ondersteuning in de kosten van kinderopvang zodat ouders werk kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Het aantal werkende ouders is per definitie kleiner dan het totaal aantal werkenden. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders zal dus tot een kleinere verhoging van de arbeidskorting voor alle werkenden leiden. De verwachting is daarom dat de negatieve effecten op arbeidsparticipatie van het afschaffen van de kinderopvangtoeslag groter zijn dan de eventuele positieve arbeidsparticipatie-effecten van het verhogen van de arbeidskorting.
Kunt u deze vragen vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
Het kabinet dat het onnodig moeilijk wil maken om arme mensen in Nederland aan de bijstand te helpen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eelco Heinen (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money «Kabinet wil het onnodig moeilijk maken om arme mensen aan bijstand te helpen1»?
Ja, het artikel is bekend en samen met de reactie van het Ministerie van SZW gepubliceerd. In de reactie heb ik aangegeven dat proactieve dienstverlening een goede manier is om mensen te bereiken die ondersteuning nodig hebben bij werk, inkomen, opleiding en meedoen in de samenleving. Ik heb bewust gekozen het wetsvoorstel eenvoudig te houden voor een snelle, eerste stap. Later kunnen we de mogelijkheden voor proactieve dienstverlening uitbreiden.
Wat vindt u ervan dat ongeveer 200.000 huishoudens in Nederland niet weten dat zij recht hebben op een algemene bijstandsuitkering?
Uit data-analyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)2 blijkt dat in december 2021 naar schatting 160.000 huishoudens potentieel recht hadden op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering omdat het eigen inkomen in die maand december onder het sociaal minimum lag. Ruim een derde van al deze potentiële niet-gebruikers (d.w.z. 58.000 huishoudens) had volgens de NLA ook in de voorgaande 12 maanden recht op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering maar deed daar geen beroep op.
Voor de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)3 en de Toeslagenwet (TW)4 zijn de schattingen over het niet-gebruik vergelijkbaar. Daarom zet het kabinet in op het tegengaan van het niet-gebruik met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.
Deelt u de mening dat mensen moeten krijgen waar zij recht op hebben, ook in het geval zij daar zelf niet van op de hoogte zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat uitkeringen en voorzieningen toegankelijk zijn voor de mensen die het nodig hebben. Het voorkomt dat hun inkomen onder het sociaal minimum belandt. En het helpt hen naar werk, opleiding en meedoen in de samenleving.
«Als er door de Nederlandse overheid – lees: de Belastingdienst – iets te halen valt, dan kunnen gegevens moeiteloos worden gedeeld. Maar als de overheid iets moet brengen zoals een uitkering waar iemand recht op heeft, dan is informatie delen opeens erg ingewikkeld». Herkent u deze ervaring en begrijpt u dat dit door mensen zo wordt ervaren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat meer gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsorganisaties kan bijdragen aan een verbetering van de dienstverlening. Tegelijkertijd is het belangrijk dat uitvoeringsorganisaties zorgvuldig omgaan met gegevens van burgers. Hier is dus wel een goede wettelijke basis voor nodig. De fiscale geheimhoudingsplicht staat in beginsel in de weg aan wat de Belastingdienst deelt voor niet-fiscale doeleinden. Gegevens die de Belastingdienst heeft voor de uitvoering van haar taken mogen niet zomaar gedeeld worden. Om de belastingwetgeving te kunnen uitvoeren beschikt de inspecteur – de Belastingdienst – over bevoegdheden om informatie (onder dwang) in te winnen. Dit brengt mee dat de inspecteur ertoe is gehouden om zorgvuldig met die fiscale gegevens om te gaan. Die asymmetrie dient juist ter bescherming van burgers en bedrijven, en complementeert het systeem van heffing en inning. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of de gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld.
Kiest u er bewust voor mensen die hier recht op hebben, niet aan een bijstandsuitkering te helpen? Zo ja, waarom? Zo nee, leg uit waarom niet.
Integendeel, het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW zet in op het bereiken van mensen die recht hebben op ondersteuning, maar daarvan nog geen gebruikmaken.
In welke mate heeft uw antwoord op de vorige vraag te maken met het mensbeeld dat elk individu zelf verantwoordelijk is om op de hoogte te zijn van alle regelingen waar iemand potentieel recht op heeft?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW is gebaseerd op onderzoek naar de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen die ondersteuning nodig hebben.5 Die oorzaken worden verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Proactieve dienstverlening richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen.
Bent u het met de SP eens dat juist de proactieve benadering maakt dat de kloof tussen overheid en burger wat verder gedicht kan worden? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Bijvoorbeeld het onderzoek «Burgerperspectief proactieve dienstverlening» laat zien dat respondenten positief staan tegenover het terugdringen van niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen door de overheid. Wanneer de overheid de burger de hand reikt en tegemoetkomt, bevordert dit een gevoel van vertrouwen. Deze inzichten zijn verwerkt in het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.6
Deelt u de mening dat óók de Belastingdienst de relevantie informatie moet delen met de gemeenten om de wet Proactieve Dienstverlening goed te laten functioneren? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet in op betere uitwisseling van gegevens om de dienstverlening te verbeteren. Voor fiscale gegevens is het daarnaast van belang dat deze niet zomaar gebruikt en gedeeld mogen worden vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4. De Belastingdienst staat positief tegenover de verlening van medewerking aan proactieve dienstverlening, mits goed geregeld en indien verder is voldaan aan hetgeen wat verder onder vraag 4 is vermeld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten wel de benodigde informatie krijgen zodat zij mensen die recht hebben op verschillende vormen van bijstand en inkomensondersteuning wel proactief kunnen benaderen?
Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW geven gemeenten nieuwe mogelijkheden om inwoners te bereiken die mogelijk recht hebben op uitkeringen en voorzieningen, zoals algemene bijstand. Mede afhankelijk van het verloop van de Kamerbehandeling kunnen die mogelijkheden worden uitgebreid.7 Zo kan aan dit wetsvoorstel een deugdelijke juridische grondslag worden toegevoegd voor gegevens van de Belastingdienst met een aanvulling op het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW.
De Nederlandse overheid bespaart op dit moment naar schatting 1 miljard euro vanwege het niet uitkeren van de algemene bijstandsuitkering. Waar gebruikt het kabinet dit geld voor? Kunt u dit specifiek uiteenzetten?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen zijn er daarom niet.
Welk belang weegt volgens u zwaarder, dat van fiscale geheimhouding of bestaanszekerheid? Leg uit waarom u dit vindt.
Fiscale geheimhouding en bestaanszekerheid sluiten elkaar niet uit. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, en daarnaast of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld. Meer in het algemeen: zowel eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bestaanszekerheid zijn grondrechten en worden niet tegen elkaar afgewogen.
Door het niet mogelijk maken van het delen van informatie door de Belastingdienst aan de gemeenten, wordt zeer sterk de indruk gewekt dat u liever niet heeft dat mensen de bijstandsuitkering aanvragen. Erkent u dit? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw argumentatie om Nederlanders ervan te overtuigen dat hier geen sprake van is?
Voor nu is gekozen voor eenvoud, zodat mensen snel geholpen kunnen worden. Uitbreiding in de toekomst is mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Afgelopen week diende ik tevens schriftelijke vragen in naar aanleiding van de verborgen datakluis met 64 miljoen dossiers. Ook in dit dossier houdt de Belastingdienst structureel relevante informatie achter. Wat maakt dat de Belastingdienst zoveel transparantie eist van haar burgers en dit zelf niet doet als dit onwelgevallig uit lijkt te komen?
Voor gedetailleerde informatie over de datakluis verwijst de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane naar de Kamerbrief van 15 april 2026 over het onderwerp8 en naar de antwoorden op de genoemde schriftelijke vragen.9 Dit staat los van de fiscale geheimhouding en van de fiscale informatieverplichtingen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht “Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school” |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school»1, waarin vier op de tien jonge lhbtiq+'ers aangeeft zich niet veilig te voelen op school en een kwart zich thuis onveilig voelt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat vrijheid het recht is om jezelf te kunnen zijn en de plicht de ander te accepteren? En dat religieuze, culturele of andere opvattingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen voor intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+-jongeren?
Ja, deze mening deel ik. Gelijkwaardigheid en vrijheid zijn fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. In Nederland moeten lhbtiq+ personen overal en altijd veilig en vrij zichzelf kunnen zijn. De vrijheid van de één mag nooit ten koste gaan van de vrijheid van de ander. Intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+ personen is onacceptabel.
Herkent u het geschetste beeld en de gepresenteerde cijfers? Hoe beoordeelt u de bevinding dat de onveiligheid zich niet alleen op straat of op school voordoet, maar in aanzienlijke mate ook in de eigen thuissituatie?
Ja, ik herken het geschetste beeld. Verschillende onderzoeken laten zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. Dit blijkt ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor (hierna: LVM) in het funderend onderwijs, die inzicht biedt in de ervaren veiligheid op school van onder anderen lhbt leerlingen.2 Die signalen zijn dus helaas niet nieuw. Toch ben ik geschrokken van deze cijfers. Het is aangrijpend dat zoveel lhbtiq+ jongeren zich ook thuis onveilig voelen. Thuis zou juist een veilige omgeving moeten zijn.
Beschikt uw ministerie over historische data om te beoordelen of hier sprake is van een stijgende trend in het gevoel van onveiligheid onder lhbtiq+-jongeren, of dat er sprake is van een continue/structurele problematiek?
Ja, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert periodiek onderzoek uit naar de ervaren veiligheid van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Dit onderzoek gaat niet over de thuissituatie van lhbtiq+ jongeren. Lhbt leerlingen3 voelen zich minder veilig, worden vaker gepest en maken vaker geweld mee dan niet-lhbt leerlingen in het funderend onderwijs.
Dit geldt voor zowel het primair als voortgezet onderwijs.4 Tabel 1 geeft een overzicht van de veiligheidscijfers in het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar verschillende jaren.
2014
2016
2018
2021
2022
Veiligheidsgevoel
Lh(b)t
83,0%
86,8%
89,9%
95%
95%
Niet-lhbt
94,2%
95,6%
97,1%
98%
98%
Pesten
Lh(b)t
24,1%
18,0%
7,7%
13%
17%
Niet-lhbt
10,5%
7,4%
4,7%
4%
6%
Verbaal geweld
Lh(b)t
40,0%
39,5%
29,8%
N.b.
36%
Niet-lhbt
29,0%
26,3%
26,9%
N.b.
30%
De percentages in de jaren 2014, 2016 en 2018 laten het gemiddelde zien over lesbische, homoseksuele en transgender leerlingen. In deze monitors is geen uitsplitsing gemaakt naar biseksuele leerlingen. In 2018 was het aantal transgender respondenten laag, waardoor resultaten gevoelig zijn voor toevallige afwijkingen.
Heeft u inzicht in de redenen dan wel de achtergrond van deze stagnatie in het veiligheidsgevoel van jonge lhbtiq+'ers? Kunt u die inzichten delen?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam (2025) geeft inzicht in de lhbtiq+-opvattingen van jongeren.5 De onderzoekers concluderen dat de lhbtiq+-opvattingen van jongeren een complex samenspel van factoren zijn, dat niet te reduceren valt tot één factor. De lhbtiq+-opvattingen van jongeren hangen samen met de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg. Daarnaast zijn er signalen dat de opkomst van de manosfeer en religieus conservatisme een rol spelen. Medio 2027 publiceert de Universiteit van Amsterdam aanvullend onderzoek met daarin aandacht voor de rol van sociale media en de manosfeer. Ook verschijnt de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 volgend jaar, met cijfers over de lhbtiq+-opvattingen van jongeren in alle GGD-regio’s in Nederland. Op basis van de resultaten hiervan weeg ik af welk aanvullend onderzoek nodig is.
Klopt het dat scholen wettelijk verplicht zijn om de sociale veiligheid van leerlingen te waarborgen? Hoe verklaart u tegen die achtergrond dat vier op de tien ondervraagde lhbtiq+-jongeren zich desondanks niet veilig voelen op school?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school. Dat betekent dat scholen samen met leraren, leerlingen en medezeggenschap, veiligheidsbeleid maken om incidenten te voorkomen (preventie) en af te handelen, jaarlijks (of vaker) de veiligheid van leerlingen onderzoeken, een coördinator hebben om pestgedrag tegen te gaan, een contactpersoon hebben bij wie leerlingen terecht kunnen als zij worden gepest, handelen in lijn met de meld-, overleg- en aangifteplicht seksuele misdrijven en ervoor zorgen dat elk personeelslid een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft.
Het onderzoek van de NOS is weliswaar niet representatief, maar schetst een zorgelijk beeld dat ik herken. Ook uit recent onderzoek in opdracht van Stichting School & Veiligheid blijkt dat lhbtiq+ leerlingen meer negatieve uitspraken richting zich krijgen dan niet-lhbtiq+ leerlingen6. In de Staat van het Onderwijs signaleert iets meer dan de helft van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs negatieve uitingen over lhbtiq+ personen.7 Verklaringen hiervoor bevinden zich niet enkel binnen het domein van het onderwijs, maar in de hele samenleving.
Heeft u inzicht in het aantal scholen dat de afgelopen vijf schooljaren door de onderwijsinspectie is aangesproken omdat zij onvoldoende zorg droegen voor de sociale veiligheid van lhbtiq+-leerlingen? Welke consequenties werden daaraan verbonden?
De inspectie houdt toezicht op de naleving van de zorgplicht voor sociale veiligheid van alle leerlingen op een school op basis van de wettelijke vereisten. Onderdeel daarvan is dat de inspectie erop let of leerlingen uit minderheidsgroepen, zoals lhbtiq+ leerlingen, zich veilig voelen. Wanneer een school niet voldoet aan haar wettelijke zorgplicht, volgt een herstelopdracht en kan bij uitblijven van herstel een financiële sanctie volgen. Als de inspectie een herstelopdracht geeft op de standaard veiligheid, is dat voor de sociale veiligheid als geheel, bijvoorbeeld doordat er geen aanspreekpunt pesten of antipest-coördinator aanwezig is op school. Hierbij wordt niet geregistreerd in hoeverre de veiligheid van een specifieke groep de aanleiding is voor de herstelopdracht.
Op basis van steekproeven van de inspectie kreeg 8% van de scholen in het primair onderwijs een herstelopdracht voor de standaard veiligheid. In het speciaal onderwijs gold dat voor 16% van de scholen en in het voortgezet onderwijs betrof dat 28% van de scholen.
Hebben schoolleiders op dit moment volgens u voldoende mogelijkheden om direct en zo nodig disciplinair op te treden tegen het discrimineren van dan wel het gebruik van geweld tegen leerlingen? Zo nee, wat hebben zij nodig?
Discriminatie op grond van seksuele gerichtheid is verboden en strafbaar. Scholen en schoolleiders hebben de mogelijkheid om op te treden. Dat begint uiteraard met goed veiligheidsbeleid, het uitvoeren van de burgerschapsopdracht en een positief pedagogisch klimaat op school. Als het nodig is, kunnen scholen ook repressieve maatregelen treffen. Bijvoorbeeld schorsing, verwijdering en aangifte. Verder ondersteunt Stichting School & Veiligheid scholen bij het werken aan een veilige school. Ook de VO-raad en PO-Raad ontvangen subsidie om samen met scholen en ouders te werken aan een positieve pedagogische schoolcultuur.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat schoolbesturen signalen van onveiligheid voortaan direct onderzoeken en daar daadwerkelijk consequenties aan verbinden? Hoe ondersteunt u scholen daarin?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid. Dat houdt ook in dat scholen optreden bij onveiligheid. De inspectie houdt toezicht op de naleving van wettelijke plichten en kan indien nodig handhavend optreden door middel van het opleggen van een herstelopdracht. Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Daarnaast ondersteunt het kabinet scholen bij het versterken van de sociale veiligheid door te investeren in praktische ondersteuning. Via COC Nederland wordt onder meer de Paarse Vrijdag-aanpak verder ontwikkeld, inclusief ondersteuningsmateriaal voor scholen, trainingen en handvatten voor schoolleiders en leraren.
Welke onderdelen van het inmiddels verworpen wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs acht u nog steeds noodzakelijk om deze problematiek aan te pakken en wanneer komt het kabinet met een nieuw voorstel om de ontstane lacunes te dichten?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen zich veilig moeten voelen op school. Om die reden beraad ik mij momenteel over een vervolg. Zodra daar meer duidelijk over is, informeer ik de Tweede Kamer hierover. De maatregelen die onderdeel waren van dit wetsvoorstel kunnen niet zonder meer opnieuw ingezet worden in beleid of wetgeving. Zaken als een evaluatie van het veiligheidsbeleid of het hebben van een vertrouwenspersoon zijn helaas nog niet gebruikelijk op alle scholen.
Hoe worden jongeren die zich in hun thuissituatie onveilig voelen vanwege hun geaardheid of genderidentiteit ondersteund en hoe wordt hierin samengewerkt met gemeenten, de jeugdzorg en maatschappelijke organisaties?
Leerlingen die zich onveilig voelen kunnen in het onderwijs terecht bij leraren, mentoren, vertrouwenspersonen of zorgcoördinatoren. Jongeren die een luisterend oor nodig hebben, kunnen contact opnemen met de Kindertelefoon, Switchboard en Genderpraatjes. Op www.injebol.nl kunnen jongeren terecht voor betrouwbare informatie over mentale gezondheid, laagdrempelige ondersteuning en doorverwijzingen naar meer specifieke vormen van ondersteuning. Op dit platform is ook informatie te vinden over seksualiteit en seksuele gerichtheid.
Deze jongeren kunnen ook terecht bij het lokale wijkteam of Veilig Thuis voor advies en ondersteuning. Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van passende jeugdhulp en de samenwerking met onder meer onderwijs en sociaal domein. Maatschappelijke organisaties, zoals COC Nederland, bieden laagdrempelige ondersteuning, informatie en contact met lotgenoten.
Het kabinet werkt ook aan preventie van onveiligheid bij lhbtiq+ personen en specifiek jongeren. Zo financiert het kabinet het programma Regenboogsteden die op lokaal niveau werken aan het verbeteren van de sociale acceptatie en sociale veiligheid van lhbtiq+ personen. Op school kunnen jongeren zich ook aansluiten bij Gender & Sexuality Alliances (GSA’s), een initiatief van COC Nederland. Dit zijn groepen die leerlingen zelf vormen om steun en herkenning te vinden bij elkaar.
Welke indicatoren en meetinstrumenten worden gebruikt om te bepalen of beleidsmaatregelen daadwerkelijk leiden tot een veiliger klimaat voor lhbtiq+-jongeren op scholen en in de samenleving?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor. Deze monitor bevat cijfers over de ervaren leefbaarheid en veiligheidsbeleving in de woonbuurt, waaronder die van lhbtiq+ personen.8 Daarnaast geeft de tweejaarlijkse Lhbtiqa+-monitor inzicht in onder andere de veiligheid, discriminatie en gezondheid van lhbtiq+ personen in Nederland.9 Deze monitor wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Uw Kamer ontvangt de eerstvolgende monitor in Q4 van dit jaar.
Ik werk momenteel aan het Wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in uw Kamer. Dit wetsvoorstel bevat een wettelijke taak en grondslag om tweejaarlijks de veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te monitoren middels de LVM. Het wetsvoorstel en de onderliggende regeling regelen dat de LVM inzicht geeft in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Daarmee komt er actueel zicht op de trends en trendontwikkelingen in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Dit kan betrokken worden bij de beoordeling en evaluatie van het landelijke beleid.
Een van de beleidsmaatregelen ter bevordering van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen op school is het hebben van een GSA. Het Nederlands Jeugd Instituut heeft GSA’s erkend als goed onderbouwde interventie. Daarnaast laat veel onderzoek positieve effecten van GSA’s zien op de veiligheid en het welbevinden van lhbtiq+ jongeren. Ook weten we dat het bespreekbaar maken van diversiteit zorgt voor een veiliger schoolklimaat. Ik wil hier graag nader onderzoek naar laten doen binnen de Versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid.
Bent u bereid om de veiligheidsbeleving van jonge lhbtiq+'ers (zowel op school als in de thuissituatie) jaarlijks expliciet op te nemen als vast meetpunt in bijvoorbeeld voortgangsbrieven?
Met de LVM zoals beschreven in het antwoord op vraag 12 wordt tweejaarlijks inzicht gegeven in de veiligheidsbeleving van lhbtiq+’ers op school. Deze rapportage wordt ook met de Kamer gedeeld. Ook de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor en Lhbtiqa+-monitor worden met uw Kamer gedeeld.
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
De grote verschillen binnen en tussen gemeenten als het gaat om de uitvoering van de Participatiewet |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Mensen die bijstand aanvragen worden ongelijk behandeld» van Binnenlands Bestuur op 6 juli 2026?1
Ja.
Deelt u de mening dat grote verschillen in de behandeling van bijstandsaanvragen binnen dezelfde gemeente en tussen gemeenten onwenselijk zijn?
Gemeenten zijn in medebewind verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en in dat kader verantwoordelijk voor de vormgeving van de aanvraagprocedure om het recht op bijstand vast te stellen. In de wet is daarbij ruimte voor de menselijke maat en om uit te gaan van wat iemand nodig heeft. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat mensen die daar recht op hebben kunnen rekenen op een bepaald niveau van ondersteuning en dat ze zekerheid over hun inkomen hebben. Het is aan de gemeenteraad om hierop toe te zien.
Met de wetswijzigingen van spoor 1 van het programma Participatiewet in balans wordt de uitvoering door gemeenten op bepaalde punten meer geharmoniseerd en is op andere punten meer ruimte gecreëerd voor het toepassen van de menselijke maat. Zo mogen op individuele basis gemeenten afzien van de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar in een kwetsbare situatie. Ook is er sprake van een verkorte aanvraagprocedure voor herintreders in de bijstand en voor alle aanvragers een eenvoudigere aanvraag. De genoemde wijzigingen gelden vanaf 1 januari 2026 en helpen de aanvraagprocedure meer te harmoniseren tussen gemeenten.
Welke instructies krijgen ambtenaren van gemeenten om hun taken betreffende de behandeling van bijstandsaanvragen uit te voeren en hun bevoegdheden en beleidsvrijheid correct in te zetten? Hoe houdt u zicht op de kwaliteit, onderlinge gelijkenissen, en op de eenduidigheid?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet. SZW heeft een faciliterende rol in het ondersteunen van de uitvoering door gemeenten. Bij de wijzigingen van Participatiewet in balans is voor een aantal onderdelen een duidelijker kader neergezet voor gemeenten waarin de bewegingsruimte explicieter is gemaakt.
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de vormgeving van de uitvoering, en worden daarbij ondersteund door onder meer de VNG en Divosa. SZW houdt geen toezicht op de uitvoering van individuele gemeenten. Dat is aan de gemeenteraad.
Welke verbeteringen denkt u dat er in de bestaande gemeentelijke instructies betreffende het behandelen van de aanvragen mogelijk zijn? Welke rol ziet u hierbij voor de nationale overheid?
Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de werkinstructies aan hun medewerkers. Deze zijn en worden aangepast op basis van de wijzigingen van de Participatiewet in balans. Deze wijzigingen zijn deels al ingegaan en een deel gaat in per 1 januari 2027. In 2028 wordt een invoeringstoets uitgevoerd, waaruit eventuele knelpunten naar voren kunnen komen. Mocht uit de invoeringstoets blijken dat er knelpunten zijn in de uitvoering van de wijzigingen van de Participatiewet, dan zal ik daar met gemeenten het gesprek over aangaan. De Kamer wordt hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn er vanuit de nationale overheid op dit moment initiatieven of beleid om gemeenten kennis en ervaringen met elkaar te laten delen?
Naast de leeragenda en de andere activiteiten die in het kader van het programma Participatiewet in balans zijn uitgevoerd met ondersteuning van SZW zijn er verschillende initiatieven waarin wordt gewerkt aan kennisdeling. Op basis van de leeragenda heeft de VNG dit jaar handelingsperspectieven gepubliceerd voor en door gemeenten op het gebied van handhaving, domeinoverstijgend werken en sturen op vakmanschap. Beroepsvereniging SAM werkt samen met hogescholen en private opleiders aan een kwalificerende beroepsopleiding op hbo-niveau. Divosa heeft bovendien een werkatelier voor gemeenten georganiseerd over de maatwerkondersteuning van jongeren. Dit werkatelier organiseerde zij in het verlengde van de handreiking over ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie2. De lessen uit deze handreiking kunnen breder worden ingezet dan enkel voor jongeren.
Wat gaat u doen met het signaal er bij ambtenaren van gemeenten te weinig kennis is over hun handelingsruimte binnen de Participatiewet? Welke mogelijkheden ziet u hier voor digitale kennisoverdracht, zoals bijvoorbeeld een chatbot die alle relevante en actuele SZW-regelgeving en kennisdocumenten kan inlezen en doorzoeken, en ambtenaren van op hun verzoek van eenduidige correcte kennis en advies kan voorzien?
Het kabinet neemt het signaal mee dat kennis over de handelingsruimte binnen de Participatiewet niet overal in gelijke mate aanwezig is. Tegelijkertijd ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het op peil houden van de vakkennis en deskundigheid bij gemeenten als uitvoerders van de Participatiewet. Zij zijn verantwoordelijk voor het opleiden en ondersteunen van hun medewerkers. In hoeverre daarbij gebruik wordt gemaakt van chatbots e.d. is aan gemeenten.
Vanuit de systeemverantwoordelijkheid ondersteunt het Rijk de gemeenten door te zorgen voor duidelijke wet- en regelgeving, handreikingen, toelichtingen en kennisproducten. Daarnaast werken we samen met verschillende partijen zoals de VNG en Divosa om kenniswisseling en de eenduidige uitvoering te bevorderen. Daarnaast wil ik wijzen op meerdere digitale databanken met alle relevante en actuele wet- en regelgeving, inclusief jurisprudentie, die beschikbaar is op nationaal niveau3 4.
Wat gaat u doen met het signaal dat er te weinig tijd en ruimte is om genoeg persoonlijke aandacht te besteden aan de individuele bijstandsaanvrager waardoor maatwerk soms tekortschiet?
Met de recente wetswijzigingen uit Participatiewet in balans komt er meer ruimte voor maatwerk door gemeenten. Ook is het streven om de uitvoering eenvoudiger te maken. Een deel van de maatregelen is geïmplementeerd per januari 2026, de overige maatregelen volgen vanaf januari 2027. Het resultaat van die wetswijzigingen, maar ook van eerdergenoemde handreikingen wordt dus nog zichtbaar. De gemeenten hebben immers tijd nodig om de veranderingen door te voeren. De eerste signalen zullen bij de invoeringstoets in 2028 actief worden opgehaald. In de tussentijd sta ik open voor signalen vanuit de uitvoering en de doelgroep.
Komt u met een kabinetsreactie op het rapport «(On)benutte ruimte in de bijstand» van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin u aangeeft welke stappen u zet op basis van het rapport?
Het kabinet heeft op het rapport gereageerd in de verzamelbrief Participatiewet van 3 juli 20265, waarmee het rapport aan de Kamer is aangeboden. In de beantwoording van de vragen 2 tot en met 7 is al genoemd welke activiteiten momenteel lopen en hoe de uitvoering ondersteund wordt. Een verdere kabinetsreactie is niet voorzien.
Het stijgend aantal mensen dat financieel in de problemen komt |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Nibud: huishoudens zeggen vaker financieel in de knel te komen» van de NOS en het rapport «Geldzaken in de praktijk 2026» van het Nibud, waar dit nieuwsbericht over gaat?1
Ja
Het Nibud-onderzoek laat zien dat, na jaren van een daling van geldzorgen, er voor het eerst een grotere groep is van mensen die moeite hebben om rond te komen: welke verklaringen ziet u hiervoor?
Het Nibud-onderzoek laat zien dat geldzorgen vooral zijn toegenomen bij jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar. Voor verklaringen en maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën onder Nederlandse huishoudens problematisch en ongewenst is?
Het kabinet neemt de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën zeer serieus. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en te ondersteunen. Preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen is daarbij essentieel. Zo zijn er verschillende projecten die gericht zijn op het versterken van de vindbaarheid van inwoners met geldzorgen, zowel binnen als buiten de gemeente, en wordt er gewerkt aan een werkgeversaanpak. Indien er toch problematische schulden ontstaan, is het noodzakelijk dat er een adequate oplossing volgt. Zo worden er verbetermaatregelen getroffen rondom vroegsignalering, en is doorverwijzing door een derde een essentieel onderdeel binnen de basisdienstverlening. Voor de uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Hamstra (CDA) over het Nibud rapport geldzaken in de praktijk 2026.2
In het rapport van Nibud staat dat vooral jongeren steeds meer geldproblemen hebben, het aandeel dat moeite heeft met rondkomen steeg van 40 procent in 2024 naar 54 procent in 2026, welke hoofdoorzaken ziet u hiervoor en wat zijn hun aandelen in de problematiek?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben.
Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.3
Welke oorzaak ziet u in de flinke toename van flexwerk onder jongeren en de inkomensonvoorspelbaarheid die dit meebrengt? In hoeverre vindt u flexibele contracten onder jongeren onwenselijk en welk nieuw beleid zet u in om dit terug te dringen en jongeren meer controle en zekerheid te geven?
Hoewel flexwerk onder de vermelde groep jongeren (tot 30 jaar) niet zodanig is toegenomen, is wel een (lichte) stijging te zien in de onderste helft van deze groep (18 tot 25 jaar). Hoe dan ook is het aantal flexwerkers (waaronder jongeren) in Nederland hoog. Dit is onwenselijk en daarom wordt de wet meer zekerheid flexwerkers (inwerkingtreding per 1 januari 2028) ingevoerd waardoor werknemers meer zekerheid van inkomen krijgen. Met deze wet wordt het nulurencontract afgeschaft en vervangen door het bandbreedtecontract (dat zorgt voor meer zekerheid van inkomen). Ook wordt de ketenregeling aangescherpt om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen en het perspectief op een vast contact te vergroten.
Voor bepaalde jongeren is belangrijk dat deze maatregelen niet gaan gelden. Minderjarigen, scholieren of studenten met een bijbaan (die gemiddeld 16 uur per week werken) kunnen straks bijvoorbeeld nog wel op basis van een nulurencontract blijven werken. Ook zal voor hen de aanscherping in de ketenregeling niet gelden. Dit is wenselijk om de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze groepen niet te beperken; de bijbaan kan dienen als opstap richting de arbeidsmarkt. Bovendien is voor hen niet werk maar scholing de hoofdactiviteit. Jongeren met een contract van gemiddeld meer dan 16 uur per week hebben recht op meer zekerheid en voor hen zullen de nieuwe maatregelen dus wel gelden. Met de wet meer zekerheid flexwerkers zet ik dus in op meer zekerheid van inkomen uit werk voor werknemers met een flexibel contract, ook onder jongeren.
Hoe groot is in uw ogen de bijdrage van toegenomen online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now Pay Later constructies via social media waarvan jongvolwassenen steeds meer gebruik maken en wat tot groeiende geldzorgen en betalingsmoeite leidt? Als dit niet duidelijk is, bent u dan bereid hiernaar een verdiepend onderzoek te laten uitvoeren?
Het Nibud-rapport Geldzaken in de praktijk 2026 laat zien dat financiële zorgen en betalingsproblemen onder jongvolwassenen relatief vaak voorkomen. Het rapport biedt echter geen basis om vast te stellen in welke mate online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now, Pay Later (BNPL)-diensten via sociale media hieraan bijdragen.
Verkoop via social media zou het gebruikers sneller en gemakkelijker maken om een impulsaankoop te doen. Consumenten, waaronder jongvolwassenen, worden via sociale media blootgesteld aan gepersonaliseerde reclame en commerciële prikkels. Hoe groot de bijdrage is van sociale media op de geldzorgen onder jongeren is mij niet bekend. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen tegen onder meer de verslavende ontwerpkeuzes van digitale diensten in het kader van de aankomende Digital Fairness Act.4 Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (CDA) c.s.5
Ook voor de invloed van BNPL geldt dat de precieze bijdrage aan geldzorgen onder jongeren niet is onderzocht. Wel zijn er signalen dat deze factoren van invloed kunnen zijn op financieel gedrag en dat uitgestelde betaalmogelijkheden zoals BNPL de drempel tot aankopen kunnen verlagen. Zo blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat in 2023 via betaalrekeningen op naam van minderjarigen bijna 600.000 iDEAL-transacties zijn verricht die te relateren zijn aan BNPL-aanbieders.6
Deze signalen onderstrepen het belang van consumentenbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet, die momenteel bij uw Kamer voorligt, worden aanbieders van uitstel van betaling en bemiddelaars in uitstel van betaling streng gereguleerd. Aanbieders moeten onder meer beoordelen of een consument het krediet kan dragen. Daarnaast wordt een verbod ingevoerd op het verstrekken van uitstel van betaling aan minderjarigen en worden aanbieders verplicht de leeftijd van consumenten te verifiëren voordat het krediet wordt verstrekt. Gegeven de wijzigingen die met de Implementatiewet zullen worden doorgevoerd, acht ik verdiepend onderzoek op dit moment niet opportuun.
Ervan uitgaande dat huishoudens met een wisselend inkomen en die weinig controle ervaren over hun inkomsten – 80 procent van de huishoudens met weinig controle over hun inkomen heeft moeite met rondkomen – zich volgens Nibud duidelijk vaker in een kwetsbare positie bevinden, in hoeverre wordt het wisselend inkomen veroorzaakt door flexwerk en zzp-schap en betreft het hiermee de groep werkende armen in Nederland? Hoe groot is deze groep volgens u? Welke acties zet u in in om huishoudens meer controle en zekerheid te geven over hun inkomen?
Een wisselend inkomen kan inderdaad veroorzaakt worden door flexwerk en zzp-schap. Als dit inkomen onvoldoende is om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien betreft dit de groep werkenden die in armoede leven. In Nederland leeft 1,7% van de werknemers en 4,4% van de zzp’ers in armoede. Van alle arme werknemers in 2024 werkte ruim de helft in deeltijd onder een flexibel arbeidscontract. 18,5% van de arme werknemers werkte voltijd onder een flexibel contract, 16,8% werkte deeltijd onder een vast contract en 7,5% werkte voltijd onder een vast contract.
Zoals het Nibud al toelicht in het rapport is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen. Het kabinet gaat aan de slag met het vergroten van de inkomenszekerheid en vereenvoudiging, met de ambitie om één kindregeling in te voeren om zekerheid voor gezinnen te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Daarnaast boekt het kabinet voortgang op het arbeidsmarktpakket, met als doel zowel de zekerheid van werkenden als de wendbaarheid van werkgevers te verhogen. Zo zijn de wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief en de wet meer zekerheid flexwerkers recent door uw Kamer aangenomen. De eerste wet zal laagbetaalde zzp’ers beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid en de tweede wet zorgt voor betere bescherming van oproepkrachten, uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk contract. Op deze manier wordt de zekerheid van zzp’ers en werknemers met een flexibel arbeidscontract vergroot.
In het rapport van Nibud staat dat er een groot verschil is tussen de hoeveelheid zorgen en betalingsproblemen tussen huurders en mensen met een koopwoning, vindt u dit zorgelijk? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen om juist bij huurders deze zorgen en betalingsproblemen te verminderen?
Ik deel uw zorgen. Het percentage huishoudens met een huurwoning dat zich regelmatig tot altijd zorgen maakt over hun financiële situatie is 43%. Bij huishoudens met een koopwoning ligt dit percentage op 24%. Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor noodzakelijke uitgaven, mits ze: de uren werken waar ze toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar ze recht op hebben, goed met geld omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben.7 Niet alle huishoudens weten waar ze recht op hebben, waardoor ze bijvoorbeeld huurtoeslag laten liggen. Om dit tegen te gaan, wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor proactieve dienstverlening door Dienst Toeslagen. Dit geeft een wettelijke basis om inwoners actief te benaderen die recht hebben op huurtoeslag. Zo wordt niet-gebruik voorkomen.8
Nibud stelt dat een derde van de Nederlanders slechts 2.500 euro op de spaarrekening heeft staan, een groot deel hiervan heeft minder dan 1000: welke maatregelen treft het kabinet om ervoor te zorgen dat deze mensen bij een onverwachte uitgave niet in de schulden belanden?
Het hebben van een voorspelbaar inkomen door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen is noodzakelijk om te voorkomen dat inwoners in de schulden belanden. Deze zomer heeft het kabinet de voortgangsbrief van Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning 2026 met uw Kamer gedeeld. Hierin staat onder andere dat het Kabinet werkt aan hervorming van het terugvordering en nabetalingen beleid, het vorderingenbeleid te moderniseren (waaronder een recht op nabetalingen bij overheidsfouten), en keteneffecten te verminderen.
Daarnaast verbetert het de dienstverlening via proactieve aanpak, automatische toekenning van toeslagen, en harmonisatie van betaalmomenten. Ook werkt het aan preventie door duidelijke rechten en plichten te formuleren en veelvoorkomende fouten te onderzoeken.9
Hoe ziet u dit rapport in combinatie met de geplande bezuinigingen op sociale zekerheid en de zorg, die groepen extra raken die al moeite hebben met rondkomen en zich meer zorgen maken over hun financiële toekomst?
Het kabinet stelt maatregelen voor om de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. Meer dan één miljoen mensen maken op dit mensen gebruik van de sociale zekerheid, op tien miljoen werkenden. Het systeem loopt vast, het is versnipperd en zorgt er onvoldoende voor dat mensen weer mee gaan doen. Een eenvoudiger, beter werkende sociale zekerheid moet juist in staat zijn om mensen zekerheid te blijven bieden.
Het kabinet vindt het ook belangrijk om armoede en schuldenproblematiek aan te pakken. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om de kwetsbare groepen te helpen. De maatregelen vindt u terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.10
De mediane koopkrachtcijfers voor 2026 zijn licht positief en in de loop van het jaar verbeterd, hoe verklaart u dat onder veel groepen de geldzorgen en betalingsmoeite toch zijn gestegen? Het Nibud rapporteert dat op vrijwel alle uitgavenposten het aandeel mensen dat moeite heeft met betalen is toegenomen ten opzichte van 2 jaar daarvoor. In hoeverre missen de koopkrachtcijfers de daadwerkelijke, feitelijke kosten van gewone mensen?
Het Nibud-onderzoekt hoeveel mensen moeilijk kunnen rondkomen. Dit wordt beïnvloed door verschillende ontwikkelingen, niet alleen of iemands koopkracht is verbeterd of verslechterd. Koopkrachtverlies is voor minder huishoudens dan in 2024 een reden voor moeilijk rondkomen, terwijl schulden en te makkelijk uitgeven van geld zijn toegenomen als reden voor moeilijk rondkomen.
Koopkrachtplaatjes geven goed inzicht in de verdelingseffecten van beleid en macro-economische ontwikkelingen, maar zijn niet bedoeld om een voorspelling te geven voor de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het kabinet en het CPB gaan uit van «statische» koopkracht, waarin de huishoudsituatie gelijk blijft ten opzichte van het voorgaande jaar. In de werkelijkheid zijn levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding of baanverlies bepalend voor hoe het inkomen van huishoudens ontwikkelt. Het CBS brengt de ontwikkeling van deze «dynamische» koopkracht na afloop van het jaar in kaart.11
Daarnaast noemt het Nibud dat meespeelt dat mensen dagelijks geconfronteerd worden met prijzen die structureel hoger zijn komen te liggen door de hogere inflatiecijfers sinds 2022. Dit sluit aan bij de constatering van het CBS dat de gevoelsinflatie aanzienlijk hoger ligt dan de gemeten inflatie.12
De positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) |
|
André Flach (SGP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2023 over de uitleg van het begrip arbeidsinkomen voor de toepassing van de AKW+1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025 over de toepassing van de inkomenseis bij paren waarvan één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is?2
Ja, ik ben bekend met beide uitspraken van de Centrale Raad voor Beroep (hierna: CRvB) over de AKW+.
Wat vindt u van het feit dat ouders als gevolg van de uitspraak uit 2023 onverwacht geconfronteerd werden met het wegvallen van een aanzienlijk bedrag aan extra kinderbijslag?
De uitspraak van de CRvB in 2023 leidde tot een andere uitvoering van de AKW+. Voor een groep ouders heeft de uitspraak een gunstig effect gehad en voor een deel van de ouders heeft de uitspraak een negatief effect gehad. Als gevolg van de uitspraak waren er ouders die recht kregen op het extra bedrag, dat één keer per jaar wordt betaald, of dit recht eventueel verloren. Door de uitspraak werd de wet op de juiste manier toegepast waardoor duidelijkheid gegeven kon worden aan ouders over de toepassing van de inkomenseis.
Hoe beoordeelt u de inconsistentie dat partners met een uitkering als gevolg van de uitspraak uit 2023 in beginsel geen recht meer hebben op AKW+, terwijl alleenstaande ouders met een uitkering dat recht behouden, en dat de Centrale Raad van Beroep voor bepaalde IVA-gevallen inmiddels een uitzondering noodzakelijk heeft geacht? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Er zijn verschillende groepen ouders voor wie de uitspraak uit 2023 gevolgen had. Alleenverdieners met een periodieke uitkering zoals een WIA-uitkering, WW-uitkering of Wajong-uitkering hadden vanwege de uitleg van het begrip «arbeidsinkomen» door de CRvB vóór de uitspraak wel recht en na de uitspraak geen recht meer op de AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders tegemoet te komen die voor hun kind met intensieve zorgbehoefte zorgen en daardoor niet beiden kunnen werken. Hierdoor lopen zij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK) mis. De IACK is bedoeld om ouders met jonge kinderen te stimuleren te blijven werken, en arbeid en zorg te combineren. De AKW+ compenseert het verlies van dit bedrag wanneer deze groep ouders voldoen aan de inkomenseis (inkomen uit tegenwoordige arbeid). Voor alleenstaande ouders geldt deze inkomenseis niet. De gedachte hierbij is dat een alleenstaande ouder die zorgt voor een kind met intensieve zorgbehoefte, dat mag doen met een uitkering omdat de zorg niet gedeeld kan worden met een partner. Als gevolg van de uitspraak van de CRvB uit 2025 wordt een uitzondering gemaakt voor partners waarbij één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; dan geldt de inkomenseis niet.
Wat was de exacte uitvoeringspraktijk tot aan de genoemde rechterlijke uitspraken ten aanzien van uitkering van AKW+ aan alleenverdieners met een bijstands-, WIA-, WW- of Wajong-uitkering? Welke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk hebben plaatsgevonden naar aanleiding van genoemde uitspraken, en per wanneer zijn deze ingegaan? Aan welke ouders keert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de AKW+ momenteel wel uit en aan welke niet?
Tot aan de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 interpreteerde de SVB de inkomenseis zo dat slechts het inkomen van één van beide partners meetelde. Dit gold wanneer het inkomen van één van beide partners in het alleenverdienershuishouden niet hoger was dan het bedrag dat wordt genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (in het peiljaar 2023 was dat bedrag € 5.547,00). De SVB keek dus niet naar het inkomen van beide partners. Als inkomen telde de SVB mee:
Tot en met 30 november 2023, de sluitingsdatum voor aanvragen over het peiljaar 2022, beoordeelde de SVB of werd voldaan aan de inkomenseis op de manier zoals zij dat sinds 2015 had gedaan. Door de uitspraak van 28 juni 2023 was de SVB verplicht de inkomenseis op een andere manier te beoordelen. De nieuwe beoordeling heeft de SVB toegepast vanaf het peiljaar 2023. Dat betekent dat ook ouders die na de datum van de uitspraak AKW+ voor het peiljaar 2022 aanvroegen, nog werden beoordeeld aan de hand van de sinds 2015 gehanteerde werkwijze. Op deze wijze zijn ouders die bijvoorbeeld in januari 2023 een aanvraag voor AKW+ hebben ingediend voor het peiljaar 2022 gelijk behandeld met ouders die na de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2023 voor ditzelfde jaar AKW+ hebben aangevraagd. Op grond van de uitspraak van 28 juni 2023 is vanaf het peiljaar 2023 het inkomen van beide partners relevant. Eén van de partners moet een arbeidsinkomen hebben boven het grensbedrag en de andere partner heeft geen arbeidsinkomen of een arbeidsinkomen van ten hoogste het grensbedrag. Periodieke uitkeringen vormen inkomen uit vroegere arbeid en vallen daardoor niet langer onder het inkomensbegrip van artikel 7a AKW. Onder inkomen wordt verstaan:
Onderstaand is schematisch in beeld gebracht wat de uitspraak uit 2023 van de CRvB heeft betekend voor de doelgroepen van de AKW+. Volledigheidshalve wordt hierbij benadrukt dat de uitspraak geen betrekking heeft op alleenstaande ouders, maar alleen op situaties waarbij sprake is van een fiscaal partner.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen (tot ten hoogste het grensbedrag).
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van één partner is boven grensbedrag, andere partner heeft geen inkomen.
Eén partner heeft een arbeidsinkomen boven het grensbedrag. Andere partner heeft een uitkering (inkomen uit vroegere dienstbetrekking).
Geen recht op AKW+. Een uitkering is relevant inkomen, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Recht op AKW+. Het arbeidsinkomen van de ene partner is boven het grensbedrag, de andere partner heeft geen arbeidsinkomen.
Eén partner ontvangt een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW). De andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Een socialezekerheidsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Eén partner is met pensioen en ontvangt AOW plus aanvullend pensioen. Andere partner heeft geen inkomen of een beperkt inkomen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Pensioen en AOW is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Geen van de partners ontvangt inkomen; ze leven van (inkomsten uit) vermogen.
Recht op AKW+. Inkomen van ten minste één partner ligt op of onder het grensbedrag.
Geen recht op AKW+. Inkomen uit vermogen is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een volledige bijstandsuitkering.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is relevant inkomen. Omdat het inkomen (gesplitst over beide partners) van beiden te hoog is, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een bijstandsuitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
Partners ontvangen allebei een periodieke uitkering (bijv. WW/WIA/Anw/AOW/ZW) boven het grensbedrag of een combinatie van uitkeringen.
Geen recht op AKW+. Niet voldaan aan de voorwaarde dat het inkomen van ten minste één partner op of onder het grensbedrag ligt.
Geen recht op AKW+. Een uitkering is geen arbeidsinkomen waardoor niet aan de inkomenseis wordt voldaan.
De uitspraak van de CRvB van 18 april 2025 heeft tot gevolg gehad dat de inkomenseis niet toegepast mag worden als ten minste één van de ouders van een alleenverdienershuishouden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De SVB acht een persoon volledig en duurzaam arbeidsongeschikt indien deze:
De uitkeringen waarbij sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn limitatief. WGA 80–100% valt bijvoorbeeld buiten de reikwijdte van de uitspraak. Als een aanvrager deze uitkering krijgt, is geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
Alleenverdienende ouders die arbeidsongeschikt zijn, hebben mogelijk vanwege de uitspraak van 2023 geen aanvraag ingediend of hebben een afwijzing ontvangen omdat ze niet aan de inkomenseis voldeden. De SVB heeft daarom alle alleenverdieners in september 2025 aangeschreven om hen in de gelegenheid te stellen om alsnog of nogmaals een aanvraag in te dienen, wanneer zij onder de reikwijdte van de uitspraak van 18 april 2025 vallen.
Wat was de betrokkenheid van het ministerie bij de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk, en wie heeft hieraan goedkeuring verleend?
Naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB van 2023 en 2025 zijn door het ministerie samen met de SVB de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk, alsmede de juridische en financiële consequenties, in kaart gebracht. Uw Kamer is over de gevolgen van de uitspraak geïnformeerd in de Stand van de uitvoering van 7 april 2026.3 De toenemende complexiteit voor ouders en de uitvoering onderschrijft de noodzaak om opnieuw te kijken naar de regeling, nu de IACK wordt afgeschaft, en dit goed te analyseren in het kader van de nieuwe kindregeling.
Klopt het dat de gevolgen van de uitspraak uit 2025 in de uitvoering vooralsnog worden beperkt tot situaties waarin sprake is van een IVA-uitkering en dat SVB op haar website3 aangeeft dat IVA-uitkeringsgerechtigden recht hebben op AKW+ en dat dat niet geldt voor WGA-uitkeringsgerechtigden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom hiervoor is gekozen?
De SVB beperkt de gevolgen van de uitspraak van 18 april 2025 niet tot slechts uitkeringsgerechtigden met een IVA-uitkering. In het antwoord op vraag 4 is kenbaar gemaakt welke groepen uitkeringsgerechtigden onder de reikwijdte van de uitspraak vallen. De CRvB heeft in de uitspraak kenbaar gemaakt dat het gaat om mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en waarvoor niet wordt ingezet op re-integratie. Als gevolg van de uitspraak rekent de SVB arbeidsongeschikten met een WGA-uitkering niet tot de doelgroep die valt onder de reikwijdte van de uitspraak. Ten aanzien van WGA-gerechtigden in de categorie 80%–100% staat de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid namelijk nog niet vast. Op grond van artikel 29 en 30 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) bestaan voor WGA-gerechtigden verschillende re-integratieverplichtingen die de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid vergroten. Deze verplichtingen gelden niet voor IVA-gerechtigden vanwege het duurzame (en volledige) karakter van de arbeidsongeschiktheid. Dat maakt ook dat arbeidsparticipatie voor deze groep geen doel is en daarmee zou volgens de CRvB de compensatie van de AKW+ niet achterwege moeten blijven. De SVB heeft hiermee feitelijk uitvoering gegeven aan de uitspraak.
Acht u een onderscheid tussen IVA- en WGA-gerechtigden gerechtvaardigd indien de feitelijke gezins- en zorgsituatie vergelijkbaar is? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan?
De termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn bepalend voor de reikwijdte van de uitspraak van de CRvB van 2025. Voor de groep WGA-gerechtigden (80–100%) geldt dat de arbeidsongeschiktheid niet per definitie duurzaam is en daarmee niet binnen de reikwijdte van de uitspraak valt. Daarnaast geldt voor deze groep een re-integratieverplichting zoals uiteengezet onder het antwoord op vraag 6. De arbeidsparticipatie is bij deze groep dus nog wel een doel. Bij een IVA-gerechtigde wordt niet ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt. De feitelijke gezins- en zorgsituatie is geen onderdeel van het juridisch kader.
Onderschrijft u dat de Centrale Raad van Beroep zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de feitelijke gezins- en zorgsituatie en niet uitsluitend op de omstandigheid dat betrokkene een IVA-uitkering ontving? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft getoetst binnen de wettelijke kaders van de AKW+ in combinatie met gelijke behandelingswetgeving en geoordeeld dat huishoudens met een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouder vergelijkbaar zijn met eenoudergezinnen die wel recht hebben op AKW+ waarbij de inkomenseis niet wordt gesteld. In beide gevallen is immers sprake van één partner die vanwege de intensieve zorg voor het kind geen arbeidsinkomen ontvangt en die de zorg niet of slechts in geringe mate met een partner kan delen. Volgens de CRvB valt niet in te zien dat een huishouden waarin voor de ene partner blijkens de ontvangst van een IVA-uitkering niet meer wordt ingezet op re-integratie op de arbeidsmarkt, en de andere partner de zorg voor het kind draagt, en dus voor beide ouders bevordering van de arbeidsmarktparticipatie niet aan de orde is, de compensatie van de AKW+ achterwege zou moeten blijven. Het oordeel van de CRvB is dus gebaseerd op de gelijke behandeling van de kenmerken van de IVA-gerechtigde in combinatie met het toepassen van de inkomenseis in de AKW+.
Deelt u het standpunt dat op basis van deze uitspraak niet de conclusie kan worden getrokken dat uitsluitend IVA-uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken op AKW+? Zo ja, bent u bereid de uitvoeringspraktijk hierop aan te passen?
Voor de reikwijdte van de uitspraak zijn de termen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en inzet op re-integratie op de arbeidsmarkt bepalend. Zoals in het antwoord op vraag 4 is uiteengezet, is de reikwijdte breder dan IVA-uitkeringsgerechtigden. De uitvoeringspraktijk is hierop aangepast. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen.
Deelt u de mening dat ouders die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de zorg voor een kind met een intensieve zorgvraag grotendeels zelf op zich te nemen, daarvoor niet financieel benadeeld zouden moeten worden? En hoe beoordeelt u het feit dat gezinnen die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de intensieve zorg zelf te organiseren hierdoor juist financieel worden benadeeld?
Ouders met een zorgintensief kind kunnen allereerst aanspraak maken op een verdubbeling van het kinderbijslagbedrag: de dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (DKIZ). Dit is ook één van de voorwaarden om aanspraak te maken op AKW+. Het doel van de AKW+ is ouders te compenseren voor het mislopen van de IACK.5 Er wordt gekeken naar het arbeidsinkomen, omdat dit ook een voorwaarde is om IACK te ontvangen. Inmiddels is besloten dat de IACK gefaseerd wordt afgeschaft vanaf 2027.6 7 8 De recente uitspraken van de CRvB hebben mede geleid tot een toename van de complexiteit in de uitvoering van de regeling en zorgen voor meer handmatig werk, klantcontact, bezwaar- en beroepszaken. De toegenomen complexiteit in de uitvoering en de stapsgewijze afbouw naar nul van de IACK zijn aanleiding om opnieuw te kijken naar de regeling. Naast dat het doel van de AKW+ door de afbouw van de IACK wegvalt, loopt de invulling van de AKW+ uiteen met de werking van de IACK. Via een amendement is de groep alleenstaanden toegevoegd aan de doelgroep van de AKW+, terwijl deze groep wel recht heeft op een IACK en compensatie dus niet aan de orde was. De voorwaarden voor alleenstaanden en voor alleenverdieners zijn niet hetzelfde doordat voor alleenstaanden geen inkomenseis geldt en voor alleenverdieners wel. Het resultaat is dat bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met een hoog inkomen wél recht heeft op AKW+, maar twee partners in de bijstand niet. Dit leidt tot vragen en onbegrip bij burgers en is moeilijk uit te leggen. Daarnaast bestaat het recht op IACK totdat het jongste kind 12 jaar wordt. De AKW+ loopt door tot 18 jaar.
Deelt u de opvatting dat het voor de draagkracht van een gezin weinig verschil maakt of het inkomen afkomstig is uit arbeid of uit een socialezekerheidsuitkering, wanneer dat inkomen het gezinsinkomen vormt en de andere ouder vanwege de intensieve zorg voor een kind geen betaalde arbeid verricht?
Of het gezinsinkomen afkomstig is uit arbeid of een uitkering maakt voor de feitelijke draagkracht nauwelijks verschil, wanneer dat het enige gezinsinkomen vormt. Echter, de AKW+ maakt dat onderscheid wel, omdat er wordt gekeken naar de aard van het inkomen zoals opgenomen in artikel 7a AKW en niet naar de feitelijke draagkracht.
De AKW+ is een instrument om het besteedbaar inkomen van de betreffende huishoudens tot op zekere hoogte te compenseren voor het verlies van de IACK. De overkoepelende gedachte achter de doelstellingen van de AKW+ is dat de wetgever op de algemene beleidsdoelstelling van bevordering van de arbeidsmarktparticipatie een uitzondering heeft willen maken voor een ouder die ervoor kiest zelf voor zijn of haar zorgintensieve kind te zorgen in plaats van inkomensvormende arbeid te verrichten.
Erkent u dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2025 laat zien dat de arbeidsinkomenseis in bepaalde gevallen op gespannen voet kan komen te staan met het doel van de regeling om gezinnen met een zorgintensief kind te ondersteunen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
De regeling is mede door de recente uitspraken complex geworden voor ouders en de uitvoering. De AKW+ is één van de regelingen waarmee binnen het huidige stelsel van de kindregelingen ouders worden ondersteund in bijzondere omstandigheden. Deze gerichte ondersteuning kan tegelijkertijd leiden tot meer complexiteit. Bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling wil ik daarom onderzoeken of en hoe deze doelgroepen op een eenvoudigere manier ondersteund kunnen worden.9
Deelt u de mening dat de regeling ten aanzien van AKW+ primair zou moeten aansluiten bij de zorgbehoefte van het kind en de feitelijke draagkracht van het gezin? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te bezien of de wetgeving op dit punt aanpassing behoeft?
Om te bepalen of en hoe de ondersteuning van deze groep in de toekomst vormgegeven moet worden, wil ik de AKW+ meenemen in onderzoek binnen de uitwerking van een nieuwe kindregeling waar op dit moment aan wordt gewerkt. De beschreven complexiteit en het afschaffen van de IACK zijn belangrijke elementen voor deze herijking.
Kunt u per categorie aangeven hoeveel huishoudens als gevolg van genoemde uitspraken4 het recht op AKW+ verloren,5 voor een aanvraag zijn afgewezen of6 alsnog AKW+ kregen toegekend? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen alleenverdieners en overige huishoudens?
Het recht op AKW+ van alleenverdieners wordt beoordeeld aan de hand van de inkomenseis uit artikel 7a van de AKW. De overige huishoudens zijn de alleenstaande ouders. De inkomenseis wordt niet gesteld aan de alleenstaande ouders. De reden daarvan is dat deze ouders geen zorg kunnen delen. De uitspraken hebben dan ook geen gevolgen voor alleenstaande ouders.
De uitspraak van 28 juni 2023 heeft geleid tot zowel een uitbreiding als een beperking van de doelgroep van de AKW+ (zie ook de tabel onder vraag13. Er zijn op basis van deze uitspraak geen bestaande rechten op AKW+ herzien of anders beoordeeld in het nadeel van de burger. Bestaande rechten over het peiljaar 2022 zijn in stand gebleven en aanvragen over het peiljaar 2022 na de uitspraak zijn beoordeeld tegen het tot dan toe geldende toetsingskader. Het kan wel dat ouders voor de uitspraak nog wel recht hadden op AKW+, maar na de uitspraak niet meer. Die wijziging ging in met ingang van het peiljaar 2023.
De jaarsystematiek van de AKW+ brengt met zich mee dat ieder jaar opnieuw aan de voorwaarden moet worden voldaan. Er kan ook een andere reden zijn dan die uit de uitspraak voortvloeit waarom de AKW+ over het specifieke peiljaar niet aan de alleenverdiener wordt toegekend. Op basis van de gegevens van de SVB kan niet worden vastgesteld hoeveel ouders op grond van deze uitspraak geen recht meer hebben op, of juist wel recht hebben gekregen op het extra bedrag aan kinderbijslag.
De SVB heeft geen zicht op het soort inkomen van de AKW+ aanvragers. De SVB vraagt die informatie niet uit bij de aanvrager en krijgt ook geen inkomenssoorten geleverd van de Belastingdienst bij de inkomenscontrole omdat deze informatie niet van belang is voor de uitvoering van deze regeling. De uitspraak van 18 april 2025 heeft geleid tot een uitbreiding van de kring van gerechtigden. Er zijn dus geen mensen die op basis van deze uitspraak het recht op AKW+ zijn kwijtgeraakt. Het totaal aantal toekenningen AKW+ over 2024 was ongeveer 18.000. Ongeveer 12.000 daarvan betreft alleenstaanden. Voor het overige (ongeveer 6.000) betreft het aanvragers met fiscaal partner (alleenverdieners). Bij ongeveer 1.600 daarvan is sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (bij aanvrager zelf of bij de partner).
In onderstaande tabel zijn de totale aantallen toekenningen AKW+ opgenomen. Dit geeft een algemeen beeld van de ontwikkeling van het aantal AKW+-gerechtigden. Deze ontwikkeling is afhankelijk van meerdere factoren. De uitspraak is hier slechts één van.
2017
5.054
2.903
7.957
2018
5.478
2.911
8.389
2019
6.465
3.120
9.585
2020
7.210
3.237
10.447
2021
7.313
3.064
10.377
2022
8.024
3.057
11.081
2023
9.603
4.301
13.904
2024
11.907
6.115
18.022
2025
14.128
7.249
21.377
Bron: SVB, peildatum 23 juli 2026.
Wat zijn de verwachte budgettaire effecten van eventuele uitbreiding van de doelgroep van AKW+ naar andere uitkeringsgerechtigden, uitgesplitst naar WIA, WW, Wajong en Participatiewet?
Het huidige doel van de AKW+ is verbonden aan de IACK. Vanwege de afschaffing van de IACK en het onderzoek naar de AKW+ in het kader van de nieuwe kindregeling zie ik geen aanleiding om de doelgroep van de AKW+ verder te verbreden. Bovendien zou dat leiden tot nog meer complexiteit in de uitvoering, omdat uitkeringsgebruik bij een bredere groep vastgesteld dient te worden.
Ik interpreteer deze vraag zo dat het gaat om een verbreding van de huidige doelgroep van de AKW+ die nu bestaat uit alleenstaande ouders, eenverdienersgezinnen en volledig en duurzaam arbeidsongeschikte ouders (in alle gevallen met een zorgintensief kind). Voor een berekening van budgettaire gevolgen wordt daarbij uitgegaan van een verbreding van de doelgroep met uitkeringsgerechtigden die niet per definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (WGA, WW, Wajong en Participatiewet).
Een eerste grove inschatting is dat de meerkosten van een uitbreiding van de doelgroep naar WGA, WW, Wajong en Participatiewet naar verwachting maximaal circa € 10 miljoen per jaar bedragen. Deze raming is zeer onzeker, omdat voor een aantal relevante criteria, zoals het hebben van een fiscale partner, het hebben van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar en de hoogte van het arbeidsinkomen, momenteel geen openbare gegevens beschikbaar zijn.
De raming is gebaseerd op maximaal circa 3.700 extra huishoudens die recht zouden krijgen op de AKW+, ter hoogte van € 2.713 per jaar. Hierbij is de huidige omvang van de groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten die recht heeft op AKW+ (circa 1.000 gevallen) geschaald met een geschatte potentiële doelgroep onder WGA, WW, Wajong en Participatiewet.
Klopt het dat naar aanleiding van deze uitspraken een verkenning plaatsvindt naar de gevolgen voor de uitvoering en de doelgroep van de regeling en dat die verkenning al geruime tijd loopt? Wat is de stand van zaken van deze verkenning en bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren, met als doel duidelijkheid te bieden aan deze ouders?
Een verkenning naar mogelijke vereenvoudigingsopties van deze regeling is op ambtelijk niveau gestart. Hierbij opgedane inzichten worden meegenomen in het brede onderzoek naar de ondersteuning van specifieke doelgroepen. Dit onderzoek is onderdeel van de vormgeving van de nieuwe kindregeling. Het instrument van de AKW+ wordt in het onderzoek ook meegenomen. De vormgeving van de nieuwe regeling vraagt om een weloverwogen politieke afweging. Ik verwacht in de eerste helft van 2027 uw Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het genoemde onderzoek en de volgende stappen in de uitwerking van de nieuwe kindregeling.
Nu de Centrale Raad van Beroep in zijn beoordeling uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan de feitelijke gezins- en zorgsituatie, bent u bereid expliciet te onderzoeken of ook andere alleenverdienersgezinnen, waaronder alleenverdieners met een WGA-uitkering, in een vergelijkbare feitelijke positie ten onrechte van AKW+ zijn uitgesloten? Zo nee, waarom niet?
De CRvB heeft expliciet gemaakt dat de uitspraak van 2025 geldt voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten. Er is op dit moment geen aanleiding om de uitvoeringspraktijk verder aan te passen. In het onderzoek in het kader van de nieuwe kindregeling zal nader ingegaan worden op deze specifieke groepen.
Wordt in de lopende verkenning expliciet onderzocht of de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ook gevolgen heeft voor andere uitkeringsgerechtigden die zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ wordt meegenomen in een onderzoek binnen de verkenning naar de nieuwe kindregeling. Daarbij wordt ook meegenomen dat de IACK wordt afgebouwd, waardoor het doel van de AKW+, het compenseren van het mislopen van deze korting, wegvalt.
Bent u bereid daarbij ook in te gaan op de gevolgen voor de rechtsgelijkheid tussen verschillende groepen alleenverdieners en de mogelijke noodzaak van aanpassing van wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De AKW+ is een complexe regeling voor ouders én uitvoering. Bij de verkenning naar de nieuwe kindregeling wordt de AKW+ meegenomen en worden de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht in het licht van bovengenoemde uitspraken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord.
Het artikel uit de Volkskrant: ‘Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1050 euro’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Volkskrant: «Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1.050 euro»?1
Ja.
Deelt u de mening dat in Nederland de bestaanszekerheid van mensen niet postcode-afhankelijk mag zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja waarom wel?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat mensen kunnen rondkomen ongeacht hun postcode. In de voortgangsbrief over de hervormingsagenda inkomensondersteuning die op 9 juli jl. aan uw Kamer is aangeboden, is toegelicht dat het kabinet streeft naar een toereikend en toegankelijk stelsel voor het sociaal minimum dat naadloos aansluit op alle andere regelingen in de sociale zekerheid.
De individuele Inkomenstoeslag kan tussen gemeenten honderden euro’s per maand per persoon schelen. Is dit volgens u acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat zou volgens u wel een acceptabel verschil zijn?
Het is een bewuste keuze geweest om gemeenten binnen de kaders van de wet ruimte te geven voor een eigen invulling van hun minimabeleid. Het is daarmee onvermijdelijk dat verschillen optreden tussen gemeenten. Deze verschillen zitten zowel in de verschillende regelingen die gemeenten aanbieden als in de voorwaarden die aan deze regelingen verbonden zijn. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker.
Omdat de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uitmaakt van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid is het niet wenselijk om uitspraken te doen over acceptabele verschillen tussen gemeenten op basis van één regeling, zonder het bredere minimabeleid te kennen waarin de verschillen tot stand zijn gekomen. Zo wordt in het artikel gesproken over de gemeente Amsterdam die een lage Individuele Inkomenstoeslag toekent, maar bijvoorbeeld een uitgebreide Stadspas kent en de gemeente Diemen die een hoge Individuele Inkomenstoeslag verstrekt, maar geen Stadspas heeft.
Bent u het eens met de voorzitter van de Commissie Sociaal Minimum dat minima gelijk behandeld moeten worden, ongeacht hun woonplaats? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals is aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat er een basisniveau komt van aanvullende gemeentelijke regelingen. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn hierbij niet wenselijk. Bij het vormgeven van het basisniveau wil het kabinet wel nadrukkelijk oog houden voor gemeentelijke beleidsvrijheid en de mogelijkheden voor maatwerk op lokaal niveau.
Waarom heeft u sinds het advies van deze Commissie drie jaar geleden, nog geen concrete stappen gezet hierop?
Het kabinet heeft in de afgelopen periode stappen gezet om het gemeentelijk armoedebeleid te verbeteren en te vereenvoudigen, in lijn met de aanbevelingen van de commissie Sociaal Minimum. In de eerste voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die de Minister van SZW op 10 maart jl. aan uw Kamer heeft aangeboden, is beschreven welke stappen in de afgelopen periode zijn gezet om te komen tot beter en eenvoudiger armoedebeleid. Zo heeft Divosa op verzoek van de VNG een verkenning gedaan om te komen tot toegankelijker en effectiever gemeentelijk armoedebeleid, heeft SZW in een ambtelijke exercitie verkend welke regelingen beter landelijk kunnen worden uitgevoerd of worden geharmoniseerd en hebben Nibud en KWIZ een analyse gemaakt van de effectiviteit van het gemeentelijk armoedebeleid. Deze verkenningen worden betrokken bij de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om te komen tot vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Met de VNG wordt gesproken over verbetering en vereenvoudiging van het armoedebeleid, inclusief de lokale basisdienstverlening. De intentie is om hierover bestuurlijke afspraken te maken.
Bent u het met de SP en de onderzoekers van het Instituut voor Publieke Economie eens dat deze inkomenstoeslag landelijk en uniform verstrekt zou moeten worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. Een landelijke en uniforme verstrekking van de individuele inkomenstoeslag past echter op dit moment niet bij de ruimte die gemeenten hebben bij de invulling van hun minimabeleid.
De Individuele Inkomenstoeslag vormt bij uitstek het instrument om op individueel niveau iets te betekenen voor mensen die langdurig niet kunnen werken. Dit zijn vaak mensen zonder of met een beperkt arbeidsvermogen. Zij zijn niet in staat om een inkomen te verdienen waarmee zij onafhankelijk worden van de bijstand en hebben daarmee geen perspectief op een betere situatie.2 Ik ben aan het onderzoeken hoe ik deze groep mensen binnen de kaders van de Participatiewet tegemoet kan komen in de inkomensondersteuning. Ik verken of en op welke wijze de Individuele Inkomenstoeslag daarbij een passende rol kan spelen.
Deelt u ook de mening dat de duur voordat de inkomenstoeslag toegekend wordt, die tevens enorm kan verschillen per gemeente, overal gelijk zou moet zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 6.
Hoe kan het volgens u dat de verschillen tussen gemeenten dermate groot kunnen zijn terwijl de duur en laagte van het inkomensniveau van mensen hetzelfde zijn? Heeft dit volgens u te maken met de onvoldoende middelen en geld die sommige gemeenten hebben om meer of eerder inkomenstoeslag toe te kennen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de eerdere antwoorden ook is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Gemeenten worden niet apart gefinancierd voor de Individuele Inkomenstoeslag. Ze worden via het gemeentefonds gefinancierd voor een breed takenpakket en ze kunnen daarbinnen keuzes maken over hoe ze de beschikbare middelen willen inzetten. Ook kan een gemeente ervoor kiezen om eigen middelen in te zetten voor het beleid dat ze voert.
Bent u het met de SP en de onderzoekers eens dat deze grote verschillen tussen gemeenten het vertrouwen in de overheid schaadt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn niet wenselijk. Ook is het niet wenselijk dat het ondersteunende stelsel erg ingewikkeld is waardoor mensen niet weten waar ze aan toe zijn. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Deelt u de mening dat inwoners van gemeenten die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag, automatisch benaderd moeten worden door de betreffende gemeente dat zij hier recht op hebben? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bij de wetsbehandeling van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans is een amendement van de leden Lahlah en Van Kent aangenomen dat ambtshalve toekenning van de Individuele Inkomenstoeslag mogelijk maakt. Dit onderdeel treedt op 1 januari 2027 in werking. Dit betekent dat gemeenten, als alle benodigde gegevens aanwezig zijn, de toeslag kunnen verstrekken zonder dat er een aanvraag nodig is. Dit helpt om het niet-gebruik van de Individuele Inkomenstoeslag terug te dringen.
Welke concrete maatregelen gaat u binnen de komende drie maanden nemen om de verschillen tussen gemeenten te verkleinen en het recht op inkomensondersteuning voor mensen met een laag inkomen te verbeteren?
In de Kamerbrief over de voortgang van de hervormingsagenda inkomensondersteuning van 9 juli jl. is aangegeven welke stappen het kabinet wil zetten om te komen tot vereenvoudiging van het stelsel van inkomensondersteuning. Hierbij is onder meer het wetsvoorstel proactieve dienstverlening van belang dat bijdraagt aan het tegengaan van niet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen. Het kabinet kijkt uit naar de plenaire behandeling van het wetsvoorstel.
Daarnaast gaat het kabinet, mede op basis van de eerdergenoemde verkenningen, in gesprek met VNG en Divosa om invulling te geven aan het voornemen uit het coalitieakkoord om te komen tot een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Inzet is om te komen tot bestuurlijke afspraken over het vereenvoudigen en verbeteren van het gemeentelijk armoedebeleid. In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden (eind 2026) zal het kabinet nader ingaan op de stand van zaken.
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Ja, ik ben daarvan op de hoogte.
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Het kabinet werkt aan het realiseren van aanvullende huisvesting buiten de sociale voorraad. Gezien de urgentie van het vraagstuk, zet het kabinet daarnaast in op woningdelen binnen de sociale woningvoorraad. Dit is vaak sneller realiseerbaar. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert.
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Via de regeling Doorstroomlocaties (DSL) is het niet mogelijk om statushouders te huisvesten in reguliere sociale huurwoningen. Woningdelen in bestaande sociale huurwoningen is wel mogelijk via de Doelgroepflexibele regeling (DFR), die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Deze regeling biedt gemeenten en woningcorporaties de mogelijkheid en financiële kaders om onzelfstandige woonruimte in te zetten en te realiseren, waardoor meerdere alleenstaande statushouders efficiënter gebruik kunnen maken van een bestaande woning. Op deze manier zijn er minder afzonderlijke woningen nodig voor deze doelgroep en blijven er meer woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Het kabinet zet, conform het coalitieakkoord, in op aanvullende huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. De opgave is echter groot: er moeten jaarlijks circa 30.000 statushouders gehuisvest worden, met een achterstand van ongeveer 10.000 statushouders. Om de druk op de asielopvang, kosten en vertraging in inburgering te beperken, is snelle uitstroom noodzakelijk. Nieuwe woonvormen alleen bieden op korte termijn onvoldoende oplossing. Daarom zet het kabinet aanvullend in op het beter benutten van de bestaande voorraad, bijvoorbeeld via woningdelen.
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In de Kamerbrief van 3 juli heb ik de bouwstenen voor een bestuurlijk akkoord met gemeenten en woningcorporaties geschetst. Daarbij zet het kabinet nadrukkelijk in op aanvullende vormen van huisvesting buiten de bestaande sociale woningvoorraad.
Het gaat hierbij onder andere om onzelfstandige flexwoningen, transformatie van bestaand vastgoed en vormen van woningdelen buiten de reguliere sociale huurvoorraad. Met deze inzet beoogt het kabinet zowel de druk op de asielopvang te verlagen, als de druk op de sociale huurmarkt niet verder te vergroten.
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan. Het kabinet doet hier wat aan doen langs drie routes: minder instroom, meer nieuwbouw en aanvullende vormen van huisvesting. Daarmee kunnen we de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Het kabinet zet in op het realiseren van aanvullende vormen van huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. Deze vormen van huisvesting dienen te voldoen aan de geldende kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende huisvesting kan tijdelijk en eenvoudiger van aard zijn, maar moet veilig en passend zijn en met oog voor leefbaarheid. Het moet bewoners een basis bieden om mee te doen in de samenleving en voorspoedig in te burgeren.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Gemeenten en woningcorporaties hebben binnen de bestaande kaders ruimte om de voorraad tijdelijk flexibel in te zetten, bijvoorbeeld om acute druk op de opvang te verlichten. Het inzetten van een sociale huurwoning voor woningdelen, kan op dit moment een oplossing bieden om minder druk op de sociale woningvoorraad te leggen. Er zijn hierdoor namelijk minder afzonderlijke woningen nodig. Ik ben daarom niet voornemens dergelijke maatregelen te nemen.
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
De mogelijkheden voor inspraak van omwonenden bij een doorstroomlocatie hangen af van de concrete situatie. Als voor een locatie een ruimtelijke procedure nodig is, bijvoorbeeld bij functiewijziging of verbouwing, gelden de gebruikelijke regels voor participatie en inspraak. Zorgvuldige communicatie met omwonenden is altijd belangrijk.
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ging in 2023 bijna 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met één of meerdere statushouders. Dat zijn ruim 13 duizend woningen, iets meer dan een jaar eerder (7 procent). Huishoudens met een of meer statushouders waren vaker starters op de woningmarkt, dan huishoudens zonder statushouders. 20 procent van alle starters die in corporatiewoning ging wonen was een huishouden met een statushouder. Dit komt neer op ongeveer 8.200 huishoudens. Dit zijn de meest recente cijfers van het CBS.
Het effect dat de plannen zullen hebben op deze toewijzingspercentage is moeilijk te voorspellen. Met name omdat andere factoren zoals de totale asielinstroom en huishoudsamenstelling van statushouders hier ook een effect op hebben.
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 20 maart werkt het kabinet momenteel aan een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders. In dezelfde brief staat dat het kabinet conform coalitieakkoord met gemeenten en andere maatschappelijke partners afspraken maakt over het snel ontwikkelen van aanvullende huisvesting waar statushouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben samen terechtkunnen, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Ook woningdelen wordt hierbij als oplossing genoemd. Vanwege de snelheid waarmee aanvullende huisvesting kan worden gerealiseerd.
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Deze plekken zijn niet volledig voor het zomerreces gerealiseerd. Momenteel zijn er 51 doorstroomlocaties operationeel, waarmee het aantal gerealiseerde plekken is gestegen naar 1.925 voor statushouders. Dit is minder dan eerder aangegeven. De vertraging wordt onder andere veroorzaakt door langere doorlooptijden bij bouw, vergunningverlening en bezwaarprocedures. De verwachting is dat het aantal operationele locaties tot 1 januari 2027 verder stijgt naar circa 61 locaties, waarmee de capaciteit oploopt naar ongeveer 2.436 plekken voor statushouders.
Deze cijfers betreffen specifiek doorstroomlocaties die zijn gerealiseerd met de regeling doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties) of de doelgroepflexibele regeling (Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten). Andere typen voorzieningen die worden ingezet voor de doorstroom van statushouders zijn hier geen onderdeel van, omdat hier geen exacte cijfers van bekend zijn.
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Het is de verwachting dat dit wetsvoorstel voor het kerstreces in internetconsultatie wordt gebracht. Uw Kamer zal hierover voorafgaand worden geïnformeerd.
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Het belonen van gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van aanvullende vormen van huisvesting, neem ik mee in de bestuurlijke afspraken die ik maak met gemeenten, provincies en woningcorporaties. In de ondersteuning die ik daarvoor inricht (zoals locatiescans, begeleiding en expertise), zullen gemeenten die voortvarend aan de slag gaan beloond worden. Bijvoorbeeld door middel van prioritaire of extra toegang tot deze ondersteuning.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Ja, die mening deel ik.
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Het is niet bekend hoe lang zij gemiddeld moeten wachten op pleegzorg. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van de jeugdige. Daarbij is ook de mogelijkheid om de jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Jeugdzorg Nederland voert al jaren de landelijke wervingscampagne voor nieuwe pleegouders uit, met subsidie vanuit mijn ministerie. Eens per ca. vier jaar wordt een nieuwe campagne ontwikkeld. De huidige campagne heet «Jouw huis een 2e thuis». De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Ja, ik herken dit beeld. Het is van belang dat huidige pleegouders goede ondersteuning en begeleiding ontvangen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders wordt verzorgd door pleegzorgwerkers. Deze begeleiding wordt continu verbeterd door pleegzorgaanbieders. Binnenkort komen zij met een nieuwe verbeteragenda, waar zij de aanbevelingen van het thematisch toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)3 ook in meenemen. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ondanks dat de complexiteit en zorgzwaarte van kinderen die in pleegzorg instromen toeneemt, laten de cijfers ook zien dat pleegzorgorganisaties en pleegouders er nog steeds in slagen om plaatsingen zorgvuldig te begeleiden en stabiliteit te bieden.
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Ja, ik ben bekend met deze signalen en begrijp dat dit voor pleegouders vervelend is. Het Woonplaatsbeginsel Jeugd biedt ook binnen pleegzorg duidelijkheid over welke gemeente verantwoordelijk is voor zorg en financiering. Als pleegouders er desondanks tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen, kunnen zij terecht bij de Helpdesk van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) of Jeugdstem. Deze partijen worden vanuit mijn ministerie gefinancierd en er zijn korte lijnen onderling, waardoor signalen ook met mijn ministerie gedeeld kunnen worden als gemeenten hier van de wet afwijken. Ondertussen zet ik mij ervoor in om de samenwerking tussen gemeenten in het kader van het Woonplaatsbeginsel te bevorderen, zodat pleegkinderen (en daarmee pleegouders) tijdig de juiste hulp ontvangen.
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Gedeeld opvoederschap tussen pleegouders en biologische ouders is onderdeel van de pleegzorgbegeleiding. Pleegouders worden hierin toegerust vanuit de pleegzorgorganisatie. Gedeeld opvoederschap vraagt vaak om meer, en complexere begeleiding en regelmatig ook tot meer spanningen. Ouders dienen hier ook in begeleid te worden en zelf voldoende hulp te krijgen. Eigenlijk kan pleegzorg niet bestaan zonder ook (ambulante) hulp aan hen. Dit is nog niet altijd vanzelfsprekend.
Gedeeld opvoederschap is ook onderdeel van Lerende Beweging Pleegzorg, uitgevoerd door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), NVP en Jeugdzorg Nederland onder de vlag van Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Bij jeugdbeschermingszaken is een belangrijke rol weggelegd voor de gezinsvoogd. We versterken de samenwerking tussen GI’s en pleegzorg door een herijking van de handreiking samenwerkingsafspraken. Planning is dat deze begin volgend jaar gereed is.
Reiskostenvergoeding voor pleegouders kan als onderdeel van pleegvergoeding of bijzondere kosten. Dit is aan de betreffende gemeente en pleegzorgaanbieder. Gemeenten kunnen daarnaast reiskosten voor biologische ouders financieren, maar zijn hier niet toe verplicht.
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Het recht op bijzondere kostenvergoeding is vastgelegd in de wet. Met de wijziging van de regeling Jeugdwet is dit recht per 1 januari van dit jaar ook uitgebreid naar pleegzorg in het vrijwillig kader. De Handreiking tarifering en inkoop (2023) biedt uitvoering aan de motie. Ik herken dat gemeenten en aanbieders hier niet uniform uitvoering aan geven, wat in het decentraal stelsel ook hun recht is. Daarom ben ik met gemeenten, aanbieders en vertegenwoordiging van pleegouders in gesprek over de uitvoering en ondersteuning van pleegouders op dit terrein, om de uitvoering te verbeteren.
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Ja.
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang van hun pleegkinderen. De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering en is daarmee niet geoormerkt. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland en de vertegenwoordiging van pleegouders in de NVP. Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders. Jeugdzorg Nederland en VNG hebben in afstemming met elkaar richting hun achterban gecommuniceerd om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Het uitgangspunt om broertjes en zusjes bij een uithuisplaatsing samen te plaatsen wordt geregeld met het wetsvoorstel «Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming», dat nu bij de Raad van State voorligt. De geplande inwerkingtreding is – voor zover nu in te schatten – per 2028. Het wetsvoorstel voorziet niet in extra ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders. Gemeenten kunnen bijbeschikken richting pleegouders of gezinshuizen om (financiële) ruimte.
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Pleegouders krijgen onkostenvergoeding, de pleegvergoeding, deze voorziet in het levensonderhoud. Wanneer pleegouders structurele meerkosten maken vanwege de beperking van het pleegkind, hebben zij recht op een extra toeslag. Aanvullend kunnen pleegouders aanspraak maken op de bijzondere kostenvergoeding voor kosten die noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind waar geen ander potje in voorziet, bijvoorbeeld om aanpassingen aan een huis te maken. De pleegzorgaanbieder besluit hierover, vaak in overleg met de gemeente. Vanaf 1 januari van dit jaar hebben pleegouders ook in het vrijwillig kader recht op bijzondere kostenvergoeding. Deze rechten gelden ook voor deeltijdpleegzorg, al worden die minder snel noodzakelijk geacht voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind.
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Ik begrijp dat het voor pleegouders geen recht doet aan de relatie met hun pleegkind, als zij op deze manier geen positie meer hebben ten opzichte van hun voormalig pleegkind. Het declareren van deze kosten is echter alleen mogelijk als de gemeente hier nog een beschikking of andere mogelijkheid tot declaratie heeft gegeven.
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Binnen pleegzorg is het voor een jongere mogelijk om met verlengde jeugdhulp t/m 23 jaar in een pleeggezin te blijven wonen, met behoud van vergoedingen voor pleegouders. Voor gezinshuizen is 21 de bovengrens. Als pleegkinderen of gezinshuiskinderen de maximumleeftijd bereiken, stromen zij uit de jeugdzorg. De betreffende gemeente kan op basis van maatwerk bezien of het mogelijk is dat de jongere wel blijft wonen op dezelfde plek, maar met financiering vanuit andere wet- en regelgeving.
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Op grond van de Jeugdwet zijn vrijheidsbeperkende maatregelen alleen toegestaan in accommodaties die zijn geregistreerd voor gesloten jeugdhulp en als een rechterlijke machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend. Dergelijke maatregelen zijn dus nooit toegestaan binnen de open residentiële jeugdhulp, ook niet in gezinshuizen. Ik herken de signalen dat gezinshuisouders aanlopen tegen dilemma’s over het verschil tussen pedagogische maatregelen en vrijheidsbeperking. Om meer handvatten te geven in het omgaan met deze dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de jeugdhulp is het NJi gevraagd om een handreiking op te stellen. Aan de hand van gesprekken met jeugdigen, professionals en deskundigen is de handreiking opgesteld en in 2024 gepubliceerd. De handreiking is bedoeld om professionals, zoals gezinshuisouders, een houvast te bieden bij afwegingen. Het NJi heeft opvolging gegeven aan de handreiking door het organiseren van leeractiviteiten. Een voorbeeld hiervan is een dag georganiseerd specifiek gericht op gezinshuisouders, samen met beroepsvereniging Present 24x7 en het landelijk overleg aanbieders gezinshuizen (LOAG).
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Ja.
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Gezinshuisouders kunnen zich melden bij het NJi en beroepsvereniging Present24x7.
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Desondanks, zie ik dat begeleiding en ondersteuning van pleegouders verder versterkt kan worden. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Ja, ik herken de daarin geschetste problematiek en laat hier daarom extra
onderzoek naar doen.
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Het aantal kinderen dat aangewezen is op het (voortgezet) speciaal onderwijs2 en (langdurig) niet naar school gaat3 is de afgelopen jaren toegenomen. In schooljaar 2017–2018 waren er 414 leerlingen met absoluut verzuim waarbij het laatst genoten onderwijs het (voortgezet) speciaal onderwijs was, in schooljaar 2024–2025 waren dit 790 leerlingen. Daarnaast waren in schooljaar 2017–2018 244 leerlingen langdurig ongeoorloofd afwezig en is dit aantal in schooljaar 2024–2025 gestegen naar 417 leerlingen. De stijging van het aantal kinderen die langdurig geen onderwijs volgen kent vaak complexe en uiteenlopende oorzaken. In de praktijk spelen vaak meerdere oorzaken een rol en is er sprake van een wisselwerking tussen factoren en multiproblematiek. In onderzoek worden de volgende factoren genoemd: i. individuele (kindgebonden) factoren, zoals faalangst of chronische vermoeidheid, ii. factoren in de directe omgeving van het kind, zoals een conflictueuze echtscheiding of financiële problemen, iii. factoren in het schoolsysteem, zoals pesten, uitsluiting en een onveilig schoolklimaat of iv. externe factoren, zoals nieuwkomers of administratieve ruis4.
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Aantal ingeschreven leerlingen
2024
2025
SO
30.228
30.517
VSO
38.553
38.728
(V)SO
17–18
18–19
19–20
20–21
21–22
22–23
23–24
24–25
Aantal absoluut verzuim1
414
524
574
552
454
673
690
790
Aantal langdurig relatief verzuim2
244
503
253
293
272
311
375
417
Van absoluut verzuim is sprake als kinderen en jongeren die leer- of kwalificatieplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben.
Van langdurig relatief verzuim is sprake als ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn.
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
We hebben geen cijfers van het aantal kleuters dat op een wachtlijst staat om (direct) geplaatst te worden in het speciaal onderwijs (so).
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Hier zijn geen duidelijke cijfers van. Eind 2026 wordt u geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs. Verder vind ik het belangrijk om te noemen dat het bij voorbaat weigeren van kleuters in het regulier onderwijs ongewenst is.
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Een basisschool kan een kind weigeren wanneer de school vol is, de ouders aangeven niet achter de godsdienst of levensbeschouwing van de school staan, het kind nog niet zindelijk is of als er in de gemeente afspraken zijn over de verdeling van kinderen over scholen. Een basisschool mag een kind niet weigeren wanneer het kind extra ondersteuning of hulp nodig heeft. Als de school de ondersteuning zelf niet kan bieden moet de school het kind een zo passend mogelijke plek op een andere school aanbieden. Wanneer ouders het niet eens zijn met de beslissing van een school om een kind te weigeren kunnen zij binnen 6 weken nadat de school schriftelijk heeft laten weten dat er geen plek is voor het kind via brief of e-mail bezwaar maken. De school moet dan binnen vier weken op het bezwaar reageren. Als school en ouders het oneens blijven kunnen zij naar de rechter5.
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Nee, het is niet bekend hoe groot deze groep kinderen is.
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Met de zorgplicht passend onderwijs zijn schoolbesturen verplicht om kinderen en jongeren een passende plek in het onderwijs te bieden. Bij aanmelding van een leerling moet de school onderzoeken of zij de leerling de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dit niet het geval is, dan is de school verplicht om een passende plek op een andere school te zoeken voor de leerling. Dit kan met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs, dat een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen moet realiseren. In de tussentijd moet de school zo passend mogelijk onderwijs bieden aan de leerling.
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Helaas komt het in de praktijk voor dat scholen de zorgplicht niet goed naleven, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning aan de leerling kan bieden of door de aanmelding van een leerling niet in behandeling te nemen en leerlingen direct weg te sturen. Dergelijke voorbeelden zijn te zien in de uitzending van Argos. Dit is zeer onwenselijk. De zorgplicht is er niet voor niets, maar om bij te dragen aan goed onderwijs voor ieder kind moeten scholen de zorgplicht wel naleven. Daarom neem ik maatregelen om de zorgplicht aan te scherpen, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei 20266.
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Ja, in het onderzoek wordt ook gekeken naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs (so).
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht deze resultaten in eind 2026 met uw Kamer te delen. zonder-school
Het tekort aan voogden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie? Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg ook kinderen zonder voogd?
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar. Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn, niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten (en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet, bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het belang van het kind genomen moeten worden?
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders) bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s, is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties ««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
De hersteloperatie van de toeslagenaffaire en de brievenadministratie inzake het massale uitvraagproces |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe het herstel van het Toeslagenschandaal ontspoorde: zeker 20.000 ouders ontvingen ten onrechte compensatie»1 uit NRC Handelsblad van 15 juni 2026?
Ja
Kunt u een uitgebreide inhoudelijke reactie geven op dit artikel, waaronder in ieder geval ten aanzien van het genoemde aantal van 20.000 personen, die ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt en gecompenseerd in het kader van de toeslagenaffaire?
Ik herken mij niet in het beeld dat «zeker 20.000 ouders ten onrechte compensatie hebben ontvangen», zoals in het artikel wordt gesteld. De in het artikel geschetste weergave is naar mijn oordeel onjuist dan wel onvolledig. Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20262 geeft de verzend- en ontvangst administratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Mede naar aanleiding van verzoeken vanuit uw Kamer is onderzocht of een nauwkeurigere inschatting mogelijk is. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Waarom werd, zoals in het artikel wordt vermeld, binnen UHT verondersteld dat het versturen van de uitvraag- en rappelbrieven aan ouders niet te bewijzen was, aangezien zowel de administratie van deze grootscheepse operatie als het boven water krijgen ervan als onderdeel van de hersteloperatie van cruciaal belang waren?
Voor de zomer van 2024 was het beeld dat van oudere perioden van het massale uitvraagproces geen volledige administratie van verzonden vraag- en rappelbrieven beschikbaar was. Daarom werd ervan uitgegaan dat verzending in veel gevallen niet of slechts beperkt kon worden gereconstrueerd. Daarnaast was het ouderverhaal leidend binnen de hersteloperatie. Indien een ouder verklaarde geen brieven te hebben ontvangen, werd daarvan uitgegaan, omdat UHT destijds evenmin over deze brieven beschikte.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen dat mogelijk toch een administratie beschikbaar was. Dat signaal is opgepakt en heeft ertoe geleid dat ik de ADR gevraagd heb onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
Is er eerder onderzoek gedaan naar de verzendadministratie? Zo ja, wat waren de resultaten hiervan en kunt u deze met de Kamer delen?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld3. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Wat was in de beginfase van de UHT de werkwijze met betrekking tot het boven water krijgen van de benodigde informatie en correspondentie van Toeslagen voor een beoordeling door UHT? Welke afdelingen waren hierbij betrokken, wat kunt u over dit proces vertellen en hoe heeft zich dit vervolgens in de loop der jaren ontwikkeld?
In de beginfase van de hersteloperatie werd informatie verzameld uit de verschillende beschikbare systemen, archieven en administraties van Toeslagen en de Belastingdienst. Daarbij waren meerdere organisatieonderdelen betrokken, waaronder Toeslagen, UHT en onderdelen die verantwoordelijk waren voor informatiebeheer.
Hoeveel ouders hebben vanaf 2007 per toeslagjaar een uitvraagbrief ontvangen, hoeveel een rappelbrief en hoeveel een stopbrief (tweede rappelbrief)?
De cijfers die beschikbaar zijn gaan over de periode 2007 tot en met 2018. In die periode gaat het om:
Uitvraagbrief (2007–2018): circa 193.000 gemiddeld per jaar
Rappelbrief (2007–20174): circa 61.000 gemiddeld per jaar
De uitvraagbrieven en rappelbrieven worden verstuurd vanuit een massaal proces, de stopbrieven worden verzonden vanuit een kantoorproces. Op dit moment weet ik niet of de cijfers van het kantoorproces zijn bijgehouden.
Deelt u de analyse dat wanneer in het proces van het versturen van uitvraag-, rappel- en stopbrieven een volgende brief niet is verstuurd, dit inhoudt dat de betrokken persoon óf op de vorige brief gereageerd heeft óf uit het proces is gehaald? Zo nee, waarom niet?
Ja, in algemene zin deel ik die analyse. Daarbij merk ik wel op dat uitzonderingssituaties kunnen hebben bestaan. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat de feitelijke gang van zaken in individuele dossiers hiervan afweek.
Deelt u tevens de analyse dat indien een persoon een stopbrief heeft ontvangen, dat dit in ieder geval inhoudt dat er geen reactie is binnengekomen op de uitvraag- en de rappelbrief? Zo nee, waarom niet?
Ja. In algemene zin betekent het verzenden van een stopbrief dat er op dat moment geen reactie was geregistreerd naar aanleiding van de eerdere uitvraag- en rappelbrief.
Wel konden zich uitzonderingssituaties voordoen, bijvoorbeeld wanneer een ouder pas reageerde nadat de stopbrief al was verzonden. Ook kunnen ouders gereageerd hebben zonder gebruik te maken van het meegezonden retourformulier, informatie fysiek aanboden op een kantoor van de Belastingdienst of reageerden nadat het toeslagjaar administratief was afgesloten. Verder zijn voorbeelden bekend van ouders die met hun brieven aan de balies hebben gestaan en deze brieven handmatig hebben laten registreren, wat niet altijd goed is gegaan
De enkele aanwezigheid van een stopbrief betekent daarom niet zonder meer dat een ouder uiteindelijk helemaal niet heeft gereageerd.
Hoeveel procent van de ouders heeft over de jaren heen (vanaf 2007) gereageerd op een uitvraag- of rappelbrief, waardoor vervolgens dus niet de fase van de stopbrief is bereikt?
In de periode 2007 tot en met 2018 was het gemiddelde reactiepercentage op het massale proces (uitvraagbrief en rappelbrief) 87%.
Hoe aannemelijk acht u het dat van een ouder alle schriftelijke reacties op uitvragen, rappels etcetera in het kader van het massale uitvraagproces op verschillende momenten in de tijd zijn kwijtgeraakt? Hoe aannemelijk acht u het dat dit op grote schaal is gebeurd?
Het kwijtraken van stukken voortkomend uit het massale uitvraagproces wordt niet aannemelijk geacht. Voor de verwerking van binnengekomen reacties waren verschillende registraties, controles en archiveringsprocessen ingericht. Dit sluit aan bij de bevindingen van het ADR-onderzoek naar de waarborgen rondom de verzend- en ontvangstadministratie, waarover uw Kamer op 6 februari 20265 is geïnformeerd. Ook zijn er geen aanwijzingen dat reacties van ouders op grote schaal verloren zijn gegaan.
Klopt het dat er geen enkele aanwijzing is dat stukken bij de verwerking door CAP in het kader van het massale uitvraagproces bewust zijn kwijtgemaakt? Zo nee, welke aanwijzingen bestaan daarvan?
Er zijn geen aanwijzingen dat stukken bij de verwerking door CAP bewust zijn kwijtgeraakt of verwijderd. Binnen het massale uitvraagproces waren verschillende controlemaatregelen ingericht voor zowel de verzending van post als de monitoring van de tijdige ontvangst daarvan. Ook werd de kwaliteit van het verzendproces gecontroleerd.
Hoe verhoudt het risico van het kwijtraken van stukken die als zogeheten «ongestructureerde post» binnenkomen (dus niet via de standaardroute) in het kader van het massale uitvraagproces zich tot het risico op het kwijtraken van ongestructureerde post bij andere overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst? Welke (schattingen van) percentages zijn er bekend met betrekking tot het kwijtraken van ongestructureerde post door overheidsdiensten?
De Belastingdienst houdt geen cijfers bij over het risico van kwijtraken van post in verhouding tot andere overheidsorganisaties. Er wordt post verwerkt voor de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Wat door de Belastingdienst aan binnenkomende post wordt ontvangen wordt gedigitaliseerd (gescand), voorzien van metadata en digitaal afgeleverd in systemen van het behandelend organisatieonderdeel.
Kunt u nauwgezet uiteenzetten op welke gronden ouders voor het massale uitvraagproces in aanmerking komen? Welke selectiecriteria worden hierbij gehanteerd?
In de fase van het definitief toekennen van de kinderopvangtoeslag wordt er in het massale proces een vraagbrief naar een ouder gestuurd als Toeslagen van de kinderopvangorganisatie geen jaaropgave ontvangt voor die ouder of als de jaaropgave significant afwijkt van de aanvraag van die ouder. Dat kan gaan om het aantal uren opvang dat is afgenomen of dat de gegevens over het aantal afgenomen uren niet compleet zijn. Dat is zowel in de situatie waarin de ouder meer kinderopvangtoeslag aanvraagt als in de situatie dat een ouder minder kinderopvangtoeslag aanvraagt in vergelijking met de jaaropgave van de kinderopvangorganisatie. Met de vraagbrief ontvangt de ouder tevens een retourformulier dat ingevuld met bijbehorende bijlagen teruggestuurd dient te worden. Op basis van de teruggestuurde gegevens zal de kinderopvangtoeslag door Toeslagen definitief worden vastgesteld.
Hoeveel procent van de binnengekomen post in reactie op uitvragen en rappels werd in de jaren sinds 2007 door de scanner verwerkt?
Dit wordt niet bijgehouden.
Hoe en door welk team werden de stukken die niet door de scanner kwamen beoordeeld en zijn er aanwijzingen dat bij deze fysieke beoordelingen te strikt is opgetreden? Zo ja, welke aanwijzingen?
Stukken die niet door de scanner komen worden door medewerkers van de Belastingdienst gelezen om te beoordelen bij welk dienstonderdeel het thuis hoort. Daarna wordt het betreffende stuk opgestuurd naar het behandelend dienstonderdeel. Mij zijn geen algemene bevindingen bekend waaruit volgt dat hierbij structureel te strikt is gehandeld.
Zijn er inmiddels -sinds het ADR-onderzoek- wijzigingen aangebracht in bovengenoemde werkwijze bij het verwerken van binnenkomende stukken in het kader van het massale uitvraagproces? Zo ja, welke? Zo nee, welke andere conclusie is daaruit te trekken anders dan dat dit proces ook destijds goed verliep?
De in het ADR-rapport beschreven verwerking van de reacties per antwoordbrief is ongewijzigd gebleven en de vraag- en rappelbrieven worden volgens de standaardprocessen voor inkomende reacties afgehandeld. Ook de beschreven werkwijze bij het reageren in een andere vorm dan via het antwoordformulier en de antwoordenvelop is niet gewijzigd. De werkwijze onbestelbaar retour ontvangen post is ongewijzigd gebleven. Voor het onderzochte massale uitvraagproces zijn door de ADR aanwijzingen gevonden dat het proces gestandaardiseerd was, waarborgen bevatte en dat de onderzochte administratieve vastleggingen consistent zijn.
Indien de compensatiegrond wegens vooringenomen handelen wegvalt door het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie, welke compensatiegronden blijven dan nog wel van kracht voor de betreffende jaren?
De vraag veronderstelt dat het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie ertoe leidt dat de grond voor vooringenomen handelen wegvalt. Dat kan niet zonder meer worden geconcludeerd.
«Onterechte non-respons» is namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Daarnaast kan een ouder gedupeerd zijn op grond van de hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Welke grond of gronden van toepassing zijn, hangt af van de integrale beoordeling van het betreffende toeslagjaar en dossier.
Klopt het dat niet per toeslagjaar is vastgelegd wat de verschillende compensatiegronden zijn geweest en hoe de verhoudingen qua aantallen zijn? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd, aangezien inzicht in compensatiegronden van groot belang is om de achtergronden van (de afhandeling van) de toeslagenaffaire inzichtelijk te maken? Zo nee, kan de Kamer alle beschikbare gegevens hierover ontvangen?
Dat is juist. Er is niet per toeslagjaar systematisch vastgelegd welke specifieke onderliggende omstandigheden hebben geleid tot de conclusie dat sprake was van vooringenomenheid of hardheid. Aan het begin van de hersteloperatie was de noodzaak om alle onderliggende oorzaken en omstandigheden afzonderlijk vast te leggen niet voorzien. De nadruk lag destijds op het zo snel mogelijk beoordelen van dossiers en het bieden van herstel aan gedupeerde ouders.
Wel kan inzicht worden gegeven in de hoofdgrond waarop een ouder is beoordeeld. Zo zijn circa 34.000 ouders in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen.
Had de ADR in haar onderzoek de ruimte om naar aanleiding van haar bevindingen ten aanzien van de administratieve vastleggingen tevens conclusies te trekken over de implicaties hiervan voor de mate waarin ouders terecht zijn gecompenseerd op grond van vooringenomen handelen? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd? Zo nee, zijn dergelijke conclusies wel getrokken in eerdere, niet-definitieve versies van het onderzoek? Indien dit het geval is: hoe luidden deze?
De ADR is gevraagd onderzoek te doen naar de opzet en de werking van de waarborgen gericht op de juistheid en volledigheid van de administratie. Ook is de ADR gevraagd om voor 130 als gedupeerd aangemerkte ouders vanwege vooringenomenheid voor een geselecteerd toeslagjaar (2007 tot en met 2019) na te gaan welke informatie over verzonden brieven en ontvangen reacties in de database aanwezig is.
Uit het ADR-onderzoek volgt niet dat kan worden vastgesteld dat ouders ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt. Het viel niet binnen de reikwijdte van het ADR-onderzoek om conclusies te trekken over de juistheid van de kwalificatie als gedupeerde ouder. Daarnaast is het ook niet mogelijk om op basis van deze onderzoeksresultaten conclusies te trekken of de gedupeerdheid van een ouder al dan niet terecht is. Zoals ik eerder al heb uitgelegd is «onterechte non-respons» namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Deelt u de analyse dat over het algemeen te stellen is dat nieuwe beschikbare informatie in zaken waarin puur is uitgegaan van het ouderverhaal twee zaken kan aantonen, namelijk dat de verstrekte compensatie terecht was of dat er ten onrechte (of te veel) is gecompenseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet zonder meer. Nieuwe informatie kan bijdragen aan een vollediger beeld van een dossier, maar kan niet op zichzelf aantonen dat compensatie terecht of onterecht is verstrekt. De beoordeling van gedupeerdheid berust op een integrale afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, waarbij het verhaal van de ouder leidend is.
Zijn er aanwijzingen dat er -los van de digitale datakluis- nog andere informatie (in welke vorm dan ook) beschikbaar is die nog niet betrokken is bij het beoordelen van dossiers en die mogelijk relevant was geweest bij het vaststellen van de vraag of personen al dan niet gedupeerd zijn? Zo ja, welke aanwijzingen en welke informatie?
Naar aanleiding van regulier archiefbeheer worden momenteel fysieke dozen met FIOD dossiers beoordeeld om te bepalen of ze voor vernietiging in aanmerking komen. Er wordt nog nader onderzocht of deze FIOD dossiers gebruikt mogen worden en relevantie hebben.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het alleen achterlaten van een 1-jarig kind in een kinderopvang in Schiedam |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Letschert , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een eenjarig jongetje na sluitingstijd slapend alleen is achtergelaten in een kinderopvang in Schiedam?1
Ja.
Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Welke veiligheids- en sluitprotocollen gelden hiervoor en is bekend of deze in dit geval zijn nageleefd?
Laat ik vooropstellen dat ik het incident ten zeerste betreur. Ik kan mij voorstellen dat alle betrokkenen, in het bijzonder de ouders, erg geschrokken zijn van deze gebeurtenis.
Voor het sluiten van een kinderopvanglocatie zijn geen landelijke richtlijnen of protocollen. Wel gelden er andere strikte regels om de veiligheid van kinderen te waarborgen. Elke houder is verplicht om de veiligheid en gezondheid te waarborgen en hier beleid voor te hebben. Hierin staat welke veiligheidsrisico’s houders en de pedagogisch professionals zien voor de kinderen en hoe zij deze risico’s ondervangen. Organisaties kunnen bij het veiligheidsbeleid gebruik maken van verschillende protocollen en richtlijnen, zoals het Protocol Veilig Slapen. De inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid is de verantwoordelijkheid van de houder en wordt afgestemd op de specifieke locatiekenmerken. De toezichthouder controleert de naleving van deze verplichtingen.
Is de Inspectie van het Onderwijs op de hoogte van dit incident en is inmiddels een onderzoek gestart? Zo ja, wanneer verwacht u de uitkomsten met de Kamer te kunnen delen?
Op de kwaliteit en veiligheid in de kinderopvang wordt toezicht gehouden door de GGD’en. Zij doen dit in opdracht van gemeenten. Kinderopvanglocaties worden door de GGD minimaal jaarlijks geïnspecteerd en vaker als hiertoe aanleiding is. De Inspectie van het Onderwijs houdt interbestuurlijk toezicht op de gemeentelijke taken toezicht en handhaving in de kinderopvang.
Is bekend of personeelstekorten, werkdruk of organisatorische tekortkomingen hebben bijgedragen aan dit incident? Zo nee, wordt dit onderdeel van het onderzoek?
GGD Rotterdam-Rijnmond, de toezichthouder voor de desbetreffende locatie in Schiedam, heeft in opdracht van de gemeente onderzoek naar het incident gedaan. Daarbij is onder meer gekeken naar de personeelsbezetting, de werkwijze voor het aan- en afmelden, en het afsluiten van groepen. Na afronding van het onderzoek zijn de uitkomsten openbaar gemaakt in de vorm van een inspectierapport. Het rapport is te vinden in het Landelijk Register Kinderopvang.
Uit het rapport volgt dat de organisatie voldoet aan de kwaliteitseisen voor personeelsinzet. De geconstateerde tekortkoming ziet op het veiligheids- en gezondheidsbeleid.
Zoals gebruikelijk heeft de kinderopvangorganisatie gereageerd op het rapport en gaat zij met de verbeterpunten aan de slag.
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een kind na sluitingstijd alleen is achtergelaten in een kinderopvanglocatie en welke maatregelen zijn naar aanleiding van dergelijke incidenten genomen?
Hiervan zijn geen cijfers bekend, omdat deze niet landelijk worden bijgehouden.
Het nemen van maatregelen om risico’s tegen te gaan, bijvoorbeeld die zijn gebleken naar aanleiding van een incident, is onderdeel van het verplichte veiligheids- en gezondheidsbeleid van kinderopvangorganisaties. Indien er bij een GGD-onderzoek niet-naleving is geconstateerd, worden er door de kinderopvangorganisatie maatregelen geformuleerd voor herstel. Deze worden bij een volgende inspectie heronderzocht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een kind alleen achterblijft in een kinderopvang en bent u bereid te bezien of landelijke, verplichte eindcontroles bij het afsluiten van een locatie noodzakelijk zijn om herhaling te voorkomen?
De veiligheid van kinderen in de kinderopvang wordt zo veel als mogelijk geborgd in bestaande wet- en regelgeving. Kinderopvangorganisaties zijn gebonden aan strenge waarborgen voor de veiligheid van kinderen. De GGD’en houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen. Wanneer een incident plaatsvindt, is het aan de organisatie om dit te evalueren en haar werkwijze waar nodig aan te passen. Ik blijf in gesprek met de sector om te bevorderen dat bestaande verplichtingen zorgvuldig worden uitgevoerd om de veiligheid van kinderen te borgen.
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Ja
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben. Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.2
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Voorkomen is beter dan genezen. Ik streef naar preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen. In 100 gemeenten worden lokale netwerken rond vindplaatsen ontwikkeld of verstevigd. Doel is om geldzorgen te signaleren en door te verwijzen naar laagdrempelige hulp. De pilot Gezond met geld van SchuldHulpmaatje ondersteunt de doorverwijzing van huisarts naar vrijwillige schuldhulp. Ook wordt in samenwerking met andere departementen gewerkt aan overheidsbrede dienstverlening en een landelijk dekkend netwerk van sociaaljuridische en laagdrempelige financiële dienstverlening.4
Ook richt ik mij op de groeiende groep werkenden met geldzorgen. Via een gerichte werkgeversaanpak streef ik naar vroege bereikbaarheid en passende ondersteuning. Ik creëer bewustzijn bij werkgevers over hun signaleringsrol en bij werknemers over financiële fitheid. Een voorbeeld hiervan is de pilot bij de Rijksschoonmaakorganisatie waarbij werkenden met geldzorgen naar de juiste hulp worden verwezen en het niet-gebruik van regelingen wordt tegengegaan.5
Bij (problematische) schulden waar mensen niet uit eigen kracht uitkomen, moet adequate en snelle hulpverlening beschikbaar zijn. Ik neem maatregelen om mensen met schulden eerder bij de hulpverlening in beeld te brengen. Zo zet ik mij in om vroegsignalering doeltreffender te maken door diverse verbetermaatregelen door te voeren met als doel om het bereik van vroegsignalering te verdubbelen en het aantal onterechte signalen te halveren. Ik verwacht hierover op korte termijn bestuurlijke afspraken te kunnen maken met betrokken partijen, waaronder de VNG, NVVK en vastelastenpartijen.
Ook binnen de basisdienstverlening schuldhulpverlening is er aandacht voor doorverwijzing door een derde, zoals vrijwilligers en hulpverleners naar de gemeentelijke schuldhulpverlening. We brengen in kaart welke privacy-belemmeringen door potentiële verwijzers worden ervaren en hoe deze kunnen worden opgelost. Dit wordt opgenomen in het actieplan van de basisdienstverlening.6 Ook wordt een landelijke pauzeknop met centraal aanmeldpunt voor de schuldhulpverlening ontwikkeld. Deze moedigt mensen met schulden aan eerder hulp te zoeken. Door het versturen van de kennisgeving worden schuldeisers verzocht om de schulden te pauzeren.
In de komende voortgangsrapportage bij het Nationaal programma Armoede en schulden zal ik ingaan op de aangenomen motie Hamstra c.s. over de mogelijkheden voor banken om klanten door te verwijzen.7
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Ik heb een onderzoek laten uitvoeren naar de praktische mogelijkheden om betaalmomenten in de inkomensondersteuning samen te voegen tot één betaaldag, met aansluiting op incasso’s van vaste lasten. Dit vergroot de grip op het inkomen voor mensen. Momenteel ben ik in gesprek met relevante ketenpartners om de voor- en nadelen van deze maatregel op een rij te zetten. Kort na het zomerreces ontvangt u de uitkomsten van dit onderzoek, voorzien van een kabinetsreactie waarin ik de vervolgstappen uiteenzet.
Naast een veelheid aan betaalmomenten, kan ook de hoogte van het inkomen voor mensen onvoorspelbaar zijn. Samen met de Staatssecretaris van Financiën werk ik aan meer inkomenszekerheid vanuit de inkomensondersteuning. In het zesde spoor van de Voortgangsbrief Routekaart Hervormingsagenda8 ga ik in op hoe we de voorspelbaarheid van het inkomen kunnen vergroten, door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen. Recent heeft ook de Staatssecretaris van Financiën in een verkenning uiteengezet hoe het kabinet werkt aan een zeker en actueel toeslagenstelsel.9
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Ik deel het belang van het terugdringen van het niet-gebruik van inkomensondersteuning. De Wet proactieve dienstverlening kan hieraan bijdragen en zal waarschijnlijk ook helpen bij de bestaande mogelijkheden voor ambtshalve toekenning, bijvoorbeeld bij de recent door de Kamer aangenomen wijziging van de Participatiewet om de individuele inkomenstoeslag automatisch toe te kennen (het gewijzigde artikel 36 van de Participatiewet).
Zoals aangegeven in de routekaart voor de hervormingsagenda inkomensondersteuning is het kabinet bereid om op middellange termijn te verkennen waar automatische toekenning mogelijk en wenselijk is en zal hierbij de aanvaarde motie Hamstra over het in kaart brengen wat er precies nodig is voor het automatisch uitkeren van inkomensondersteuning betrekken.10 Het is van belang om hierbij te realiseren dat niet alle uitkeringen en voorzieningen zich lenen voor automatische toekenning, omdat bij uitkeringen ook verplichtingen kunnen horen (zoals de verplichting om te solliciteren en participeren).
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Ik onderschrijf het belang dat mensen, ook als zij geldzorgen hebben, kunnen deelnemen aan het sociale leven. Veel gemeenten bieden voor mensen met een laag inkomen via het lokale minimabeleid voorzieningen aan (bijvoorbeeld in de vorm van een stadspas) die bijdragen aan maatschappelijke participatie. Veel gemeenten bieden ook dergelijke ondersteuning, al dan niet in natura, voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen. In aanvulling hierop geeft het kabinet als onderdeel van het Nationaal Programma Armoede en Schulden financiële ondersteuning aan het samenwerkingsverband «Sam& voor alle kinderen» die voorzieningen verstrekken waardoor kinderen kunnen meedoen met onder andere schoolactiviteiten, de sportvereniging of muziekles ondanks de financiële situatie van het gezin.
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Koop-nu-betaal-later-diensten en creditcards worden gereguleerd met de implementatiewet herziening richtlijn consumentenkrediet, zoals op 2 april jl. aangeboden aan uw Kamer.11 Onderdeel van het wetsvoorstel is de verplichting om voorafgaand aan elke vorm van kredietovereenkomst de kredietwaardigheid te beoordelen, onder meer door het raadplegen van het Bureau Krediet Registratie (BKR).
Als een aanbieder van krediet problemen signaleert, zal hij op basis van de voorschriften uit de implementatiewet in het geval van financiële problemen bij de consument ook actie moeten ondernemen om verdere problemen te voorkomen, door bijvoorbeeld contact op te nemen met de consument en/of respijtmaatregelen aan te bieden. Zo verplicht de implementatiewet de aanbieder om de consument bij terugbetalingsproblemen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten, zoals de gemeentelijke schuldhulpverlening. In de praktijk betekent dit dat de aanbieder contact opneemt met de consument en de consument doorverwijst naar de gemeente waarin de consument woont. Het is daarna aan de consument om al dan niet contact op te nemen met de schuldhulpverlening voor hulp. Daarnaast dient de aanbieder in het geval van achterstallige betaling een redelijke mate van respijt te bieden aan de consument, bijvoorbeeld een met een gehele of gedeeltelijke herfinanciering van de kredietovereenkomst, een wijziging van de bestaande voorwaarden van de kredietovereenkomst of uitstel van betaling voor de volledige of een deel van de aflossing van krediettermijnen gedurende een bepaalde periode.
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het Nibud rapport doet onderzoek naar hoe mensen hun financiële situatie ervaren. Hoe mensen hun financiële situatie ervaren hangt samen met verschillende ontwikkelingen en dus niet alleen of iemands koopkracht op papier is verbeterd of verslechterd. Het Nibud geeft in het rapport zelf aan dat meer mensen zich zorgen maken over hun financiële situatie door maatschappelijke ontwikkelingen en geopolitieke spanningen. Daarnaast is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen.
Het interview van vicepremier Yeşilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Dit kabinet wil zich tot het uiterste inspannen om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD) blijft de basis voor de aanpak van dit kabinet, waarbij wordt ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst. Uit de tussentijdse evaluatie2 blijkt echter dat we in het huidige tempo de doelstelling om in 2030 dakloosheid te beëindigen, niet gaan halen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig en daarvoor geven de onderzoekers een aantal adviezen, waar dit kabinet opvolging aan zal geven. Voor het debat over de aanpak van dakloosheid in november zal ik u daar nader over informeren.
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
De inzet op het terugdringen van dakloosheid is niet afhankelijk van het coalitieakkoord. Tijdens het debat over het eindverslag van de informateur heeft de Minister-President al erkend dat het een omissie is dat er niets over dakloosheid in het coalitieakkoord staat. Als er één thema is waar we elkaar van links tot recht op kunnen vinden, is het de aanpak van dak- en thuisloosheid. Niemand zou dakloosheid mee hoeven maken. Het kabinet gaat daarom met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
In 2024 heeft het kabinet een aantal gerichte, aanvullende acties uitgewerkt om jongerendakloosheid te voorkomen, wat heeft geresulteerd in de Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar).3 Het kabinet zet zich onverminderd in om deze maatregelen uit te voeren. Daarnaast wordt binnen het NAD ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst en richten deze generieke maatregelen zich óók op jongeren. Begin juni van dit jaar is door Housing First Nederland en woningcorporatie Portaal met steun van de rijksoverheid de Startmotor Wonen Eerst Jongeren gelanceerd. Hierbij spreken (bestuurders van) vijf Nederlandse steden de gezamenlijke
ambitie uit om (dreigend) dakloze jongeren versneld aan een eigen, stabiele woonplek te helpen. Het doel is om Wonen Eerst uit te laten groeien tot de landelijke norm.
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
In het coalitieakkoord zijn verschillende passages opgenomen over het belang van preventie, bestaanszekerheid, wonen en mentale gezondheid. Daarnaast zet het kabinet zich in om, zoals beschreven in het akkoord, de capaciteit voor complexe ggz casuïstiek te vergroten. Voor de specifieke aanpak van dakloosheid vormt het NAD de basis. Daarin staat preventie centraal en wordt ingezet op het voorkomen van dakloosheid, het tijdig signaleren van risico's en het bieden van passende ondersteuning.
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Op dit moment zijn geen aanvullende budgettaire besluiten genomen specifiek voor het NAD. Aanvullende maatregelen zullen worden uitgevoerd binnen de huidige structurele middelen.
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Het Rijk ondersteunt gemeenten door o.a. de Startmotor Wonen Eerst Jongeren, die gericht is op het realiseren van meer woningen voor dakloze jongeren, mede mogelijk te maken. Als er in de toekomst andere kansrijke initiatieven/plannen zijn, ben ik bereid om daarnaar te kijken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders – worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd, rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld aan gewerkt.5
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp. Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.