Het bericht 'Seksueel wangedrag op school: 'Ik denk dat we niet half weten hoeveel het voorkomt'' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Seksueel wangedrag op school: «Ik denk dat we niet half weten hoeveel het voorkomt»»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal meldingen bij de vertrouwensinspecteurs over seksueel grensoverschrijdend gedrag al meerdere jaren toeneemt?
Al langer zien we een stijging in het aantal dossiers bij de vertrouwensinspecteurs.2 Ook in het schooljaar 2024–2025 nam het aantal dossiers over seksueel misbruik en seksuele intimidatie toe. Het is niet bekend of de toename van het aantal dossiers één op één veroorzaakt wordt doordat het aantal incidenten toeneemt. Mogelijke andere verklaringen voor de toename in het aantal meldingen zijn dat melders de vertrouwensinspecteurs beter weten te vinden, dat er een groter vertrouwen is om te melden, dat seksueel grensoverschrijdend gedrag meer aandacht krijgt of dat de meld- overleg- en aangifteplicht bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling meer bekendheid krijgt. Los van de precieze verklaring van de stijging neemt het kabinet het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag uiteraard zeer serieus.
Kunt u de betreffende cijfers over de afgelopen vijf jaar verstrekken, uitgesplitst naar primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo en kunt u daarbij tevens aangeven hoeveel meldingen betrekking hebben op het gedrag van (a) leerlingen onderling en (b) medewerkers richting leerlingen?
In de onderstaande tabel is een overzicht te vinden van het aantal dossiers bij de vertrouwensinspecteurs met tussen haakjes (x) het aantal dossiers waarbij het ging om een met taken belast persoon.3 De cijfers zijn per sector (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, gespecialiseerd onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs) uitgesplitst naar schooljaar en het soort grensoverschrijdend gedrag.4, 5
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
Seksueel misbruik
Seksuele intimidatie
25 (17)
87 (33)
50 (40)
72 (49)
9 (5)
7 (4)
4 (3)
8 (6)
39 (22)
69 (33)
79 (47)
140 (99)
9 (1)
27 (12)
10 (7)
23 (20)
52 (31)
113 (45)
72 (41)
150 (104)
14 (10)
33 (13)
8 (5)
15 (13)
31 (21)
134 (52)
42 (28)
111 (80)
12 (4)
24 (11)
5 (5)
15 (10)
51 (36)
157 (56)
99 (52)
113 (77)
14 (4)
31 (17)
9 (6)
13 (12)
Bent u het ermee eens dat het zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat jongeren die te maken krijgen met seksueel overschrijdend gedrag geen melding doen omdat ze denken dat het niet erg genoeg was, zich schamen, of geen vertrouwen hebben in de opvolging van de melding?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Het is al afschuwelijk dat jongeren te maken krijgen met seksueel grensoverschrijdend gedrag en nog erger als ze daar vervolgens geen melding van durven te doen. Deze jongeren moeten de juiste ondersteuning krijgen en er op kunnen vertrouwen dat meldingen zorgvuldig worden opgevolgd.
Hoe beoordeelt u het functioneren van het huidige meld- en opvolgingssysteem?
Het huidige meld- en opvolgingssysteem functioneert onvoldoende. Uit eerdere onderzoeken in opdracht van het Ministerie van OCW uit 2020 en 2023 bleek dat het aandeel leerlingen dat géén melding maakte van seksueel grensoverschrijdend gedrag daalde. Toch maken veel leerlingen nog steeds geen melding wanneer zij seksueel grensoverschrijdend gedrag ervaren. 20% van de leerlingen in het primair onderwijs dat aangaf seksueel grensoverschrijdend gedrag te ervaren, meldde dit niet. In het voortgezet onderwijs betrof dit 38% van de leerlingen.6 Daarbij gaf 61% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs die een melding hadden gemaakt, aan dat daar niets mee was gedaan. 15% van de studenten in het mbo dat aangaf het slachtoffer te zijn geweest van seksuele intimidatie, maakte een melding. In de helft van deze gevallen heeft de mbo-instelling iets met de melding gedaan, melden de slachtoffers. Uit deze onderzoeken kwam ook naar voren dat seksualiteit vaak nog een beladen onderwerp is op school en leerlingen en studenten zich niet altijd bewust zijn van de grens tussen geaccepteerd en grensoverschrijdend gedrag.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de meldbereidheid onder jongeren te vergroten en het vertrouwen in opvolging te versterken en kunt u daarbij aangeven op welke termijn deze maatregelen effect moeten hebben?
Het kabinet zich met een breed pakket van maatregelen in om seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs te voorkomen en aan te pakken. Dit gebeurt op verschillende niveaus.
Allereerst zet het kabinet in op preventie. De VO-raad werkt vanuit de Alliantie tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag aan een doorvertaling van de handreiking «Cultuurverandering op de werkvloer» van regeringscommissaris Hamer.7 Daarmee wordt ingezet op het ondersteunen van scholen bij het beleid tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en het werken aan een veilige cultuur. Ook versterken we het bewustzijn over grenzen en seksueel grensoverschrijdend gedrag met de nieuwe conceptkerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs. Daarin is aandacht voor het bespreekbaar maken van wensen en grenzen, voor relationele en seksuele ontwikkeling en het stimuleren van veilige sociale omgang, weerbaarheid, samenwerking en conflicthantering. In het voortgezet onderwijs is daarbij in het bijzonder ook aandacht voor het belang van consent, respect voor wensen en grenzen van zichzelf en de ander en wat te doen bij grensoverschrijding, geweld en misbruik.
Ten tweede versterkt het kabinet het zicht dat scholen hebben op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden scholen in het funderend onderwijs verplicht seksueel grensoverschrijdend gedrag te registreren en in het voortgezet (speciaal) onderwijs te monitoren. Deze signalen moet de school betrekken in de evaluatie van het veiligheidsbeleid.8 Ook moet elke school een interne en externe vertrouwenspersoon hebben, die leerlingen ondersteunen bij het maken van een melding. Ten slotte wordt de reeds bestaande meld- en overlegplicht bij seksuele misdrijven voor het hele onderwijs uitgebreid naar seksuele intimidatie en naar meerderjarige leerlingen en studenten. Daarmee zorgen we ervoor dat scholen sneller zicht krijgen op seksueel grensoverschrijdend gedrag en signalen daarvan opvolgen. In het vervolgonderwijs wordt gewerkt aan een soortgelijk wetsvoorstel, dat de plicht om te zorgen voor een veilige omgeving voor iedereen die studeert, onderzoekt of werkt op een Nederlandse onderwijsinstelling wettelijk verankert en expliciteert. Naast deze wettelijke plichten kunnen scholen nu ook al gebruik maken van het vlaggensysteem van Movisie dat bijdraagt aan het voorkomen en terugdringen van seksueel grensoverschrijdend gedrag onder leerlingen. Stichting School & Veiligheid werkt met Movisie aan een doorvertaling van dit systeem om signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag van onderwijspersoneel richting leerlingen of studenten eerder te duiden en op te pakken. Deze ondersteuning is beschikbaar voor het funderend onderwijs en het mbo.
Ten slotte zet regeringscommissaris Hamer zich samen met de MBO Raad, VO-raad en PO-Raad in voor een doorlopende en samenhangende aanpak om bestuurders in het funderend onderwijs en mbo bewuster te maken van de ervaringen van hun leerlingen en studenten met seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Herkent u het beeld dat jongeren niet goed herkennen wat seksueel grensoverschrijdend gedrag is en daardoor geen melding doen terwijl er mogelijk wel sprake is van seksueel overschrijdend gedrag?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om maatregelen te nemen, zowel voor leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als het mbo, om ervoor te zorgen dat de bewustwording bij jongeren over seksueel overschrijdend gedrag wordt vergroot? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u voor beide groepen nemen?
Zie antwoord vraag 6.
Herkent u signalen dat scholen in sommige gevallen terughoudend zijn met het melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij de vertrouwensinspecteur?
Ja, wij herkennen dat dit een lastig en ingewikkeld onderwerp is en dat scholen soms terughoudend zijn om in overleg te treden met de vertrouwensinspecteurs.
Tegelijkertijd mag van onderwijspersoneel als professionals die werken met leerlingen en studenten in een afhankelijkheidssituatie, verwacht worden dat zij altijd melding doen wanneer zij kennis of vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben. Het is van het grootste belang dat leerkrachten, schoolleiders en schoolbesturenverantwoordelijkheid nemen en niet wegkijken. In dat kader wordt de meld- en overlegplicht seksuele misdrijven uitgebreid naar seksuele intimidatie en meerderjarige leerlingen en studenten. Het is de taak van schoolleiders en schoolbesturen om zorg te dragen voor een omgeving waarbinnen leerkrachten een dergelijke melding ook veilig kúnnen doen.
Bij de implementatie van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs zal door Stichting School & Veiligheid ondersteuning geboden worden aan scholen om seksueel grensoverschrijdend gedrag te herkennen, te bespreken en daar adequaat op te reageren.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.
De naleving van de verplichting tot het registreren van nevenfuncties van hoogleraren |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Leiden noemt niet-gemeld nevenwerk van hoogleraar Kinneging voor pro-Orbán denktanks «uit hoofde van zijn functie»»?1
Ja.
Bent u van mening dat alle nevenfuncties, waaronder activiteiten voor denktanks in Hongarije, een docentschap in Polen en een voorzitterschap van een ANBI-stichting, opgenomen hadden moeten worden in het register voor nevenfuncties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse Universiteiten beschrijft welke nevenwerkzaamheden meldingsplichtig zijn.2 Daarin staat dat hoogleraren transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en hun betaalde nevenfuncties en daarnaast onbetaalde nevenfuncties waarbij sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Deze regeling nevenwerkzaamheden maakt deel uit van de cao Nederlandse Universiteiten als zelfstandige bijlage. De verantwoordelijkheid ligt dus primair bij de werknemers én werkgevers en ik verwacht dan ook dat zij zich aan deze regeling houden. Het is belangrijk dat het register nevenfuncties volledig, kloppend, vindbaar en actueel is.
Wat vindt u van de uitspraak van de rector magnificus van de Universiteit Leiden dat de nevenfuncties bij denktanks en als docent «uit hoofde van zijn functie zijn» en derhalve niet in het register hoeven te worden opgenomen? Wordt deze route om het register te omzeilen vaker genomen?
Werkzaamheden die behoren bij de functie van een wetenschapper worden binnen universiteiten bepaald op basis van de indeling in het functieprofiel van het Universitair Functie-Ordeningsysteem (UFO), het takenpakket zoals opgesteld door de universiteit en/of andere gemaakte afspraken. Het is dus aan de instelling om te beoordelen of werkzaamheden tot het reguliere takenpakket van de universiteit behoren. Omdat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de werkgever ligt, doe ik geen inhoudelijke uitspraken over een specifieke casus.
Signalen dat het register via deze route omzeild wordt, zijn bij mij niet bekend.
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen aandacht gevraagd voor casussen waarin nevenfuncties niet of onvolledig werden geregistreerd, welke stappen zijn gezet om uitvoering te geven aan de aangenomen motie Heite c.s.?2
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in december jl. geïnformeerd over deze stappen.4 UNL geeft aan dat zij de actuele registratie van nevenfuncties in november jl. heeft besproken met de HR-directeuren van de universiteiten en in januari jl. met de dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel te houden. In deze gesprekken werd het belang van een zorgvuldige registratie van nevenfuncties benadrukt. Ook geeft UNL aan dat er in 2025 aanvullende afspraken zijn gemaakt met de universiteiten. Dat waren de volgende afspraken: de universiteiten publiceren vier keer per jaar een bijgewerkt overzicht van nevenwerkzaamheden hoogleraren; de nevenwerkzaamheden van hoogleraren in het medische domein worden ook gepubliceerd; de universiteiten blijven inzetten op verbetering van het register nevenwerkzaamheden, en zullen ten minste één keer per jaar daarvoor samenkomen.
Daarnaast verwacht ik eind 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit waarbij mijn voorganger extra aandacht heeft gevraagd voor transparantie, onafhankelijkheid en het vermelden van het register nevenfuncties.
Heeft de toegezegde agendering door Universiteiten van Nederland (UNL) van een actuele registratie van nevenfuncties tijdens het jaarlijkse evaluatiemoment reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hebben de toegezegde gesprekken door UNL met alle HR-directeuren van universiteiten over de actuele registratie van nevenfuncties reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er cijfers te noemen hoe vaak overtredingen de afgelopen jaren zijn geconstateerd en hoe vaak zijn er maatregelen genomen in navolging van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024, waarin is opgenomen dat bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, het aan de universiteit is wetenschappers hierop aan te spreken.
UNL geeft aan dat deze specifieke cijfers over overtredingen of maatregelen niet bekend zijn. Mocht er een (vermeende) schending zijn van wetenschappelijke integriteit, dan is het aan de instelling om de wetenschapper hierop aan te spreken. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten maatregelen genomen worden door de werkgever. Dit artikel verplicht werknemers om nevenwerkzaamheden te melden bij de werkgever.
Welke extra aandachtspunten aangaande de registratie van nevenfuncties worden opgenomen in de dit jaar te verschijnen nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)?
De NGWI is een code die wordt opgesteld en onderschreven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenshappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek (TO2-federatie), de Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH). Mijn ambtsvoorganger heeft de schrijfcommissie verzocht om bij de herziening van de vernieuwde NGWI extra aandacht te besteden aan de principes transparantie en onafhankelijkheid en hierbij ook het register nevenfuncties te vermelden. Op basis van de internetconsultatie, in 2025, over de NGWI door genoemde partijen heb ik vernomen dat de schrijfcommissie het voornemen heeft om dit ook te doen.
Transparantie en onafhankelijkheid zijn cruciaal voor de wetenschap, herkent u dat het het vertrouwen in de wetenschap kan schaden wanneer nevenfuncties onvermeld blijven?
Ja, ik vind het belangrijk dat hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en onafhankelijk hun werk kunnen doen, omdat deze transparantie bijdraagt aan het vertrouwen van de samenleving in de wetenschap.
Acht u het nodig dat de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 moet worden aangescherpt en kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet nodig. De regeling biedt in combinatie met de NGWI als toetsingskader voldoende handvatten voor de instellingen om onder andere de principes onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschappelijk integer handelen te waarborgen.
Het gebrek aan passende leermiddelen in het speciaal onderwijs |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat leerlingen in het speciaal onderwijs les krijgen uit schoolboeken die niet geschikt voor hen zijn, omdat commerciële uitgevers van schoolboeken het financieel niet interessant genoeg vinden passende schoolboeken uit te geven?1
Ja.
Deelt u de mening dat commercialisering er nooit toe mag leiden dat leerlingen afhankelijk zijn van lesmateriaal dat niet geschikt voor hen is en zelfs averechtse gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en zelfbeeld? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat iedere leerling toegang heeft tot kwalitatief goed en toegankelijk lesmateriaal dat aansluit bij zijn of haar ontwikkelbehoefte.
Ziet u dit als een voorbeeld van het falen van marktwerking in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het gespecialiseerd onderwijs kent een heel diverse populatie aan leerlingen, met specifieke behoeften. Daardoor zijn leermiddelen vaak alleen geschikt voor een kleine groep en is soms tot op leerlingniveau maatwerk nodig. Ik zie dat marktpartijen niet altijd in staat zijn om oplossingen te bieden die aansluiten bij wat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs nodig hebben. Daarom zet ik voor deze groepen extra stappen om het bieden van maatwerk te ondersteunen.
Ik ondersteun bijvoorbeeld Dedicon, die schoolboeken voor blinde en slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voor leerlingen met dyslexie.
Via het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal (IOL) realiseer ik met vele partners een brede kwaliteitsimpuls in het hele funderend onderwijs voor het effectief gebruiken van open leermiddelen. Het voordeel van open leermateriaal is dat leraren dit zelf kunnen aanpassen aan de behoeften van hun leerlingen, om zo meer maatwerk mogelijk te maken, maar het niet helemaal zelf te hoeven doen.
Het project GOpen wordt binnen het programma Impuls Open Leermateriaal ondersteund met als doel om open leermiddelen voor het gespecialiseerd onderwijs te verbeteren en toegankelijk te maken. Leraren kunnen dit materiaal hierdoor eenvoudig vinden, hergebruiken en aanpassen aan de specifieke onderwijsbehoeften van hun leerlingen. Het combineren en arrangeren met open en methodisch materiaal kan leiden tot kwalitatief goed en passend materiaal, juist ook voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Hierover vinden verkennende gesprekken plaats, onder andere tussen IOL, de sectorraad GO en Neon. Ik volg deze ontwikkeling om te zien of dit nu voldoende impact heeft.
Daarnaast vind ik het belangrijk om structurele verbeteringen in de toegankelijkheid van leermiddelen voor alle leerlingen met diverse ondersteuningsbehoeften te realiseren. Daarom onderzoekt OCW via een nulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen wat er nog meer nodig is om leermiddelen voor alle leerlingen toegankelijk te maken. Zoals verzocht in de motie Ceder (ChristenUnie)2, wordt daarbij ook gekeken naar het oplossen van één van de bestaande knelpunten: het ontbreken van standaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen.
Wat vindt u ervan dat docenten nu in hun vrije tijd zelf geschikt lesmateriaal maken om alsnog te zorgen dat deze leerlingen op een passende manier les kunnen krijgen?
Ik waardeer alle inzet van leraren in het gespecialiseerd onderwijs die er veel tijd en energie in steken om hun leerlingen het beste en meest passende te bieden. Tegelijkertijd vind ik het niet wenselijk als het passend maken van lesmateriaal structureel in de vrije tijd van leraren plaatsvindt. Daarom is GOpen een belangrijk initiatief. Dit geeft scholen en leraren de mogelijkheid om gezamenlijk lesmateriaal te ontwikkelen op een professionele manier. Krachten worden gebundeld en leraren houden regie over hun eigen leermateriaal, wat tijd kan besparen en de kwaliteit kan verhogen.
Bent u in gesprek gegaan met het onderwijsveld om na te gaan hoeveel docenten dergelijke taken bovenop hun functie uitvoeren? Zo nee, waar wordt de uitspraak dat dit geen structureel probleem is op gebaseerd en bent u bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?
Ik ben in gesprek met de sectorraad GO. Uit onderzoek van de sectorraad GO blijkt dat leraren veelal materiaal aanpassen of ontwikkelen voor hun eigen leerlingen. Leraren geven aan structureel bezig zijn met lesmateriaal geschikt maken voor hun lessen. Exacte aantallen ontbreken. Ook is onbekend of leraren dat als een structureel probleem ervaren3. Uit de meest recente Monitor Digitalisering Onderwijs (MDO) blijkt dat het aandeel leraren dat zelf materiaal ontwikkelt gelijk is aan leraren in het po. Ook blijkt uit de MDO dat de tevredenheid over de leermiddelenmarkt in het gespecialiseerd onderwijs hoger is dan in het vo.4
Deelt u de mening dat structurele problemen om een structurele oplossing vragen?
Ik vind het belangrijk om problemen te helpen oplossen.
Deelt u de mening dat een tijdelijke subsidie van nog onbekende hoogte onvoldoende en te onzeker is om het initiatief van scholen voor een eigen landelijk platform met passend lesmateriaal goed te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Het programma Impuls Open Leermateriaal en het project GOpen zijn ingericht om een kwaliteitsimpuls te geven aan open leermateriaal via bestaande initiatieven en organisaties. Er is voldoende budget beschikbaar om de beoogde kwaliteitsimpuls te realiseren, aanvullend op bestaande middelen van initiatieven en organisaties. Het is in eerste instantie aan deze partijen zelf om te voorzien in borging van de kwaliteitsimpuls na afloop van het programma. Recent heeft de Minister van EZK aangekondigd € 38 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het programma Impuls Open Leermateriaal t/m 2030. Dat biedt meerjarig financiële zekerheid. Het programma werkt momenteel aan een verdere concretisering van de plannen. Dat betekent dat ook GOpen kan rekenen op voortgezette ondersteuning binnen deze programmaperiode, mits passend binnen de programmadoelen.
Heeft u contact gehad met de sectorraad GO om te kijken wat zij nodig hebben om een dergelijk platform structureel te kunnen laten voortbestaan? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
Het programma Impuls Open Leermateriaal en de sectorraad GO zijn in constructief overleg over de plannen voor GOpen tot en met 2030. Omdat het programma als een tijdelijke kwaliteitsimpuls is ingericht, is daarbij ook aandacht voor de borging van de opbrengsten na afloop van deze periode.
Wat is de hoogte van het subsidiebedrag dat de sectorraad GO kan verwachten of, indien dit nog niet bekend is, wanneer kan de sectorraad GO hier meer informatie over verwachten?
De plannen en bijbehorende budgetten worden uitgewerkt in het gesprek tussen Impuls Open Leermateriaal en GOpen. In de loop van 2026 zal daar meer over bekend worden.
Deelt u de mening dat een subsidie voor een kwaliteitsimpuls voor een structureel en wezenlijk onderdeel van het speciaal onderwijs de werkdruk voor de desbetreffende docenten die de leermiddelen ontwikkelen niet vermindert en te weinig is om een structurele tekortkoming op te lossen?
Nee, zoals hierboven toegelicht deel ik deze mening niet.
Wordt in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat doen naar marktwerking rondom leermiddelen ook specifiek gekeken naar het aanbod van leermiddelen voor het speciaal onderwijs? Zo nee, kan dit nog meegenomen worden?
Ja, in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat uitvoeren, wordt ook het gespecialiseerd onderwijs meegenomen. De onderzoekers van Dialogic, Oberon en eConomics zijn gevraagd om de marktwerking van het gehele funderend onderwijs, inclusief gespecialiseerd onderwijs, in beeld te brengen.
Wat gaat u naast de subsidie voor een kwaliteitsimpuls doen om te garanderen dat elke leerling op het speciaal onderwijs in de toekomst les kan krijgen op basis van voor hen geschikte leermiddelen?
Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuze van hun leermiddelen. Het is daarmee in eerste instantie aan leraren en scholen om te voorzien in passende leermiddelen. Schoolbesturen ontvangen hiervoor een bekostiging waarmee zij het onderwijs kunnen organiseren. Hier valt ook de aanschaf van leermiddelen onder. In het antwoord op vraag 3 is toegelicht op welke wijze ik het onderwijs ondersteun om leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van passende leermiddelen te voorzien.
Het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale studieschuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over dat aan het begin van het studiejaar 2024–2025 de totale studieschuld in Nederland € 29 miljard bedroeg?1
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van deze schuld naar verwachting uiteindelijk kwijtgescholden zal worden? Graag uitgesplitst naar de volgende categorieën: overlijden van de schuldenaar, medische gronden en kwijtschelding na afloop van de 35-jarige aflossingsperiode.
Het bedrag aan studieleningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijk van verschillende factoren. Denk daarbij aan leengedrag van de student, de economische omstandigheden en de rentestanden, die allemaal over een langere periode variëren. Een accurate raming van het bedrag dat wordt kwijtgescholden is voor de lange termijn daarom niet te geven, zeker niet wanneer de kwijtscheldingen verder in de toekomst liggen. Daarom wordt voor de lange termijn uitgegaan van het percentage dat het CPB bij de invoering van het leenstelsel heeft becijferd, 13,6% van de studieleningen wordt kwijtgescholden.2
Voor de beantwoording van deze vraag kijken we primair naar de kwijtscheldingen binnen de begrotingshorizon. Binnen de begrotingshorizon wordt zo nauwkeurig mogelijk geraamd op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
In navolgende tabel is de hoogte van de belangrijkste kwijtscheldingen weergegeven. Bij deze tabel zijn de volgende kanttekeningen van belang.
Aanvullende beurs
26,4
29,0
31,0
33,0
36,0
36,0
36,0
Overlijden
14,2
15,0
15,0
15,0
15,0
16,0
16,0
Kwijtschelding einde 15jaarstermijn
54,9
55,0
68,0
85,0
105,0
125,0
142,0
Nieuwe aanspraak
10,5
12,5
11,0
9,5
8,0
8,0
8,0
Hoe worden deze kwijtscheldingen administratief verwerkt? Wordt hiervoor een specifiek budget gereserveerd, of worden deze kosten verwerkt binnen de algemene begroting? Kunt u dit toelichten?
De meeste kwijtscheldingen worden in het financiële systeem van DUO apart geboekt, verantwoord en gemonitord. In het Departementaal Jaarverslag van OCW worden deze kwijtscheldingen vervolgens verantwoord onder de inkomensoverdracht Overig uitgaven (R) op het studiefinancieringsartikel (artikel 11). Naast kwijtscheldingen vinden op de Overige uitgaven (R) ook technische bijstellingen plaats.
Jaarlijks wordt in het voorjaar de studiefinancieringsraming bijgesteld. De kwijtscheldingen worden dan allemaal zo nauwkeurig mogelijk geraamd voor de jaren binnen de begrotingshorizon. Dit gebeurt op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en het studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 wordt de kwijtschelding op basis van medische gronden niet afzonderlijk geraamd en verantwoord. DUO rekent de kosten die voortvloeien uit deze kwijtschelding toe aan de verschillende studiefinancieringsproducten waar de kwijtschelding betrekking op heeft (hoofdzakelijk de rentedragende lening).
Kunt u een overzicht geven van de spreiding van studieschulden onder studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000? Hierbij het verzoek om per categorie het aantal studenten én de totale schuld in euro’s vermelden.
Onderstaande tabel geeft de spreiding van de definitieve studieschulden (inclusief rente) onder (oud-)studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000 weer. Hierbij is per categorie het aantal studenten en de totale schuld in euro’s opgenomen. De leningen ten aanzien het levenlanglerenkrediet en Caribisch Nederland (WSF BES) zijn buiten beschouwing gelaten. Ook de prestatiebeurzen die nog niet zijn omgezet naar een gift of definitieve lening zijn niet meegenomen.
Deze tabel, evenals de tabellen in de andere antwoorden, geeft de stand per 31 december 2025 weer. Er is gekozen om in de beantwoording de meest actuele stand van de studieschulden te presenteren. Hierdoor sluiten de tabellen niet aan op de stand die het CBS heeft gebruik voor hun publicatie.
736.508
308.111
182.357
121.360
81.527
53.291
34.353
41.495
1.559.002
€ 2.955
€ 4.464
€ 4.494
€ 4.209
€ 3.641
€ 2.910
€ 2.220
€ 3.426
€ 28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat deze de actuele schulden weergeeft. Dit betekent dat een deel van de debiteuren nog studeert en hun schuld dus verder zal oplopen, terwijl een ander deel al is begonnen met aflossen, waardoor hun huidige schuld lager ligt dan aan het begin van de aflossingsfase.
Volgens het bericht bedroeg de totale studieschuld € 29 miljard aan het begin van studiejaar 2024–2025. Kunt u aangeven welk deel van deze schuld valt onder het oude stelsel (SF15) en welk deel valt onder het nieuwe stelsel (SF35)? Hierbij ook het verzoek om aan te geven om hoeveel studenten het in beide gevallen gaat.
Onderstaande tabel geeft het aantal personen en de totale uitstaande schuld weer per terugbetaalregime. Hierbij zijn het terugbetaalregime SF15-oud en SF15-nieuw samengenomen als SF-15. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, geven de tabellen de stand per 31 december 2025.
759.727
12.241
537.888
12.231
219.307
3.847
1.516.922
28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat een persoon onder meerdere terugbetaalregimes van DUO kan vallen. Bijvoorbeeld als een debiteur een studieschuld heeft uit een eerdere studie en daarmee onder SF-15 valt maar inmiddels opnieuw is gaan studeren (onder SF-35). Hierdoor ligt het aantal personen in bovenstaande tabel hoger dan het aantal unieke personen voor alle fases. Het aantal unieke personen voor alle fases betreft 1.417.298.
Daarnaast zijn in de groep «nog studerend» alleen studenten opgenomen die een collegegeldkrediet of een rentedragende lening hebben. Studenten die uitsluitend een voorlopige lening in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen, zijn buiten beschouwing gelaten.
Volgens het CBS zijn er 1,6 miljoen mensen met een studieschuld. Kunt u aangeven hoe deze groep is onderverdeeld in de volgende categorieën: nog studerend, afgestudeerd en in de aanloopfase (nog niet begonnen met aflossen) en bezig met het afbetalen van de studieschuld.
In onderstaande tabel staan de gegevens voor het aantal personen uitgesplitst naar studiefase, aanloopfase en aflosfase.
300.449
246.775
969.698
Een kanttekening bij deze tabel is dat één persoon in meerdere fases kan voorkomen, bijvoorbeeld wanneer iemand die al aan het aflossen is over een eerdere studie en vervolgens opnieuw besluit te gaan studeren.
Kunt u aangeven hoeveel van de personen die zijn begonnen met het aflossen van hun studieschuld daarvan het volledige wettelijke maandbedrag betalen en hoeveel gebruik maken van de draagkrachtregeling en daardoor een lager maandbedrag betalen?
Onderstaande tabel geeft het aantal personen weer dat aan het aflossen is en of zij onder draagkracht vallen. Dit aantal wijkt af van het totaal aantal personen in de aflosfase, omdat in deze tabel alleen debiteuren zijn meegenomen waarvoor in december 2025 door DUO een termijn in rekening is gebracht. Personen die zich in de aanloop- of studiefase bevinden, een schorsing of stopzetting hebben, in een aflossingsperiode zitten of onder de schuldsanering vallen, zijn niet in de tabel opgenomen.
909.748
414.682
495.066
Een kanttekening bij deze tabel is dat voor debiteuren onder het terugbetaalregime SF15-oud niet automatisch een draagkrachtmeting wordt uitgevoerd dat moeten de debiteuren zelf aanvragen. Voor debiteuren uit SF15-oud die zelf geen draagkracht hebben aangevraagd, is daardoor niet bekend of zij in aanmerking zouden zijn gekomen voor een verlaging van hun wettelijke maandbedrag.
Wat is de voornaamste opleidingsrichting van personen met een studieschuld van € 50.000 of meer? Gaat het voornamelijk om alphastudies, betastudies of gammastudies?
Het is niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren, omdat DUO de opleidingsrichting van studenten niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is namelijk niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. Voor de benodigde koppeling tussen gegevensbestanden is daarom geen grondslag in de wet. De overheid moet bij het koppelen van gegevensbestanden zorgvuldig te werk gaan. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen moet daarbij in verhouding staan tot de noodzaak van deze koppeling.
Voorts merk ik op dat er veel verschillende factoren invloed hebben op de hoogte van een studieschuld, waardoor er geen causaal verband kan worden gelegd tussen enkel het type studie dat een debiteur heeft gevolgd en de hoogte van diens studieschuld. Door deze complexiteit van factoren zie ik geen overtuigende reden om deze koppeling van gegevensbestanden te realiseren.
Het bericht ‘Studenten uit Gaza die beurs was beloofd kunnen toch nog niet door met hun studie in Wageningen’ |
|
Annette Raijer (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Wageningen University & Research de juridische procedure van twee in Gaza geboren studenten faciliteert door de proceskosten te vergoeden en kunt u aangeven uit welke middelen deze kosten worden betaald? Zo nee, waarom niet?1
Ik ben bekend met het bericht.
De Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) geeft een instelling ruimte om voorzieningen te treffen voor de financiële ondersteuning van een internationale student die aan de instelling is ingeschreven. Instellingen gaan zelf over de invulling die zij hieraan geven. De Wageningen Universiteit (WUR) verstrekt jaarlijks twee beurzen aan studenten uit conflictgebieden. De WUR heeft mij laten weten dat deze beurzen worden bekostigd uit een fonds dat hiervoor door de instelling is ingericht. Uit hetzelfde fonds worden nu de proceskosten betaald. De WUR geeft aan dat de middelen voor dit fonds uit de inkomsten uit instellingscollegegeld van niet EER-studenten worden gehaald. Het betreft dus geen middelen die vanuit de Rijksoverheid aan de WUR worden verstrekt. Wel is het zo dat instellingscollegegeld wordt geïnd op basis van WHW waarmee deze middelen als publiek zijn aan te merken.
Hogescholen en universiteiten hebben bestedingsvrijheid voor deze middelen, maar zijn hierbij gebonden aan dezelfde kaders die de WHW aan de besteding van de overheidsbijdrage stelt. Het is aan de WUR om te zorgen dat zij hun middelen binnen de kaders van de wet besteden. Zij rapporteren over hun bestedingen in hun jaarverslag.
Kunt u uitsluiten dat voor deze rechtszaak publiek bekostigde onderwijs- en onderzoeksbudgetten van de universiteit worden ingezet en, zo nee, acht u het wenselijk dat universiteitsgeld wordt gebruikt voor juridische procedures tegen de Staat?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek en niet op het voeren of financieren van rechtszaken om buitenlandse en consulaire besluitvorming af te dwingen?
Ik deel met u dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek. Ik heb geen reden om aan te nemen dat universiteiten van deze doelstellingen afwijken.
Kunt u aangeven of en op welke wijze de betreffende studenten vooraf zijn gescreend op veiligheidsrisico’s, waaronder mogelijke banden met extremistische of terroristische organisaties zoals Hamas?
Deze studenten hebben de reguliere procedure doorlopen. Voorafgaand aan de afgifte van een verblijfsvergunning voor studie voert de IND een openbare orde-check uit in nationale en internationale justitiële en politiesystemen, waaronder het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) en het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Aanvragers moeten een antecedentenverklaring invullen en ondertekenen. Deze omvat ook lopende zaken, niet-onherroepelijke veroordelingen en buitenlandse antecedenten. De referent (in dit geval de WUR) ziet hierop toe. Onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot afwijzing.
Als blijkt dat de betrokkene een gevaar voor de openbare orde en/of nationale veiligheid vormt, zal de aanvraag worden geweigerd.
Bent u bereid vast te leggen dat universiteiten geen financiële, juridische of bestuurlijke verplichtingen mogen aangaan richting personen uit conflictgebieden zolang niet vaststaat dat dit noodzakelijk, veilig en volledig getoetst is en dat dit niet leidt tot precedentwerking?
Het staat buitenlandse studenten vrij om een studie aan Nederlandse universiteiten te volgen als zij aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen. Het in mijn vorige antwoord benoemde reguliere proces is hier een onderdeel van voor studenten die niet uit de EER of uit Zwitserland komen. Deze processen zijn in dit geval doorlopen en hiermee zijn de studenten wat mij betreft afdoende getoetst.
Ik zie op dit moment geen reden om de bestaande processen en regelgeving op dit gebied te wijzigen.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Het rapport ‘Gevangen in Vrijheden’ van de Taskforce Antisemitismebestrijding. |
|
René Claassen (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Gevangen in Vrijheden» van de Taskforce Antisemitismebestrijding, waaruit blijkt dat Joodse studenten worden uitgescholden voor «kankerjood», met stokken geslagen, zich voortdurend moeten verantwoorden voor hun Joods-zijn en zich daardoor zeer onveilig voelen op hun eigen campus?1
Ja.
Deelt u de mening dat uit dit rapport en uit de voortdurende toename van antisemitisme steeds duidelijker blijkt dat antizionisme een verkapte vorm is van antisemitisme?
Het kabinet sluit zich aan bij de manier waarop het rapport2 dit uiteenzet, namelijk dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël. Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk afwijst.
Welke middelen wendt u zelf aan en welke middelen stimuleert u bestuurders te gebruiken, om met harde hand op te treden tegen terugkerend antisemitisme? Indien geen, waarom niet?
Er worden, zowel door mij als Minister van OCW als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan een handreiking voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme waarbij ik gebruik maak van de expertise van diverse organisaties uit het veld. Daarnaast hebben mijn voorgangers regelmatig gesprekken gehad met Joodse studenten en medewerkers over hun ervaringen, met instellingsbesturen over deze signalen en met de NCAB over de voortgang van de lopende acties. Die lijn zet ik door.
Deelt u de mening dat de visa ingetrokken moeten worden van buitenlandse studenten die zich schuldig maken aan antisemitisme en dat een visumverbod tot de mogelijkheden moet behoren om dergelijke studenten te weren? Zo nee, waarom niet?
Onderwijsinstellingen moeten voor studenten en medewerkers een veilige plek bieden. Voor antisemitisme is in onze samenleving, en daarmee ook op onze onderwijsinstellingen, geen plaats. Ten aanzien van het intrekken van studentenvisa van studenten die afkomstig zijn van buiten de EU, geldt zowel bij toegang als gedurende het verblijf het volgende: wanneer bij onherroepelijke veroordeling is vast komen te staan dat zij een gevaar zijn voor de openbare orde kan de verblijfsvergunning van deze persoon worden ingetrokken. In deze veroordeling kan strafbaar antisemitisch handelen een rol spelen. Indien een vreemdeling in Nederland is veroordeeld voor een misdrijf ontvangt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hiervan een bericht. De IND beoordeelt of een vergunning kan worden ingetrokken.4 Hierbij toetst de IND aan de zogenoemde «glijdende schaal» (art. 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000) en het evenredigheidsbeginsel. Afhankelijk van de ernst van het delict waarvoor een vreemdeling is veroordeeld, kan de IND de vreemdeling ongewenst verklaren en een inreisverbod opleggen. Het is dus niet aan de Minister van OCW of de Minister van J&V om te oordelen over wanneer visa ingetrokken zouden moeten worden.
Klopt het dat laffe bestuurders uit angst bedreigende spandoeken en haatteksten laten hangen? Zo ja, gaat u eisen dat dergelijke uitingen per direct worden verwijderd en dat daders worden gesanctioneerd?
Ik sluit mij niet aan bij de bewering dat bestuurders «laf» reageren op escalaties en uitwassen bij demonstraties. Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inzetten om de veiligheid voor (Joodse) studenten en medewerkers te borgen. Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en stelt dat het duidelijk is dat de protestacties veel vragen van bestuurders en vele medewerkers om hen heen qua inzet. Ik steun hen in de complexe afweging die zij moeten maken. Ook stelt het rapport dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten5, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek. Daarop aanvullend roept het rapport bestuurders en betrokkenen op om oog te hebben voor de Joodse minderheid, naast hen te gaan staan en duidelijk en zichtbaar voor hen op te komen. Dit onderstreep ik ten zeerste.
Verder is het niet aan de Minister van J&V of aan mij om aan te geven wanneer en hoe een onderwijsinstelling moet ingrijpen bij (uitingen van) protesten en demonstraties. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van studenten en medewerkers. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid waar mogelijk zoveel mogelijk lokaal worden genomen door de instellingsbestuurders, in nauwe samenspraak met de lokale veiligheidsdriehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Bent u bereid maatregelen te nemen tegen docenten en bestuurders die een bepalende rol spelen in het creëren of laten voortbestaan van een onveilige sfeer voor Joodse studenten, door het niet nemen van adequate maatregelen dan wel door zelf bij te dragen aan een antisemitische cultuur? Zo ja, hoever bent u bereid te gaan? Heeft u de hoofdverantwoordelijken inmiddels in kaart gebracht?
Zoals hiervoor aangegeven zijn instellingsbesturen verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving. Daar spannen zij zich elke dag opnieuw weer voor in. Verwacht mag worden dat in het onderwijs, onderzoek en bij de verschillende overige activiteiten op instellingen, docenten en bestuurders zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Pas wanneer er voor de Inspectie van het Onderwijs aanleiding is geweest om een onderzoek uit te voeren naar de sociale veiligheid op de instelling, en zij na dit gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is (geweest) van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW als ultimum remedium de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen.
Deelt u de mening dat de tijd van praten voorbij is en dat er per direct concrete resultaten geboekt moeten worden om antisemitisme in de kiem te smoren? Zo ja, neemt u de aanbevelingen uit het rapport over?
Het kabinet deelt de mening dat antisemitisme aangepakt dient te worden. Er is geen ruimte voor antisemitisme in onze samenleving en op onze onderwijsinstellingen. De aanbevelingen uit het rapport zijn van grote waarde voor de instellingbesturen en mijn ministerie. In het voorjaar zal vanuit betrokken ministeries een uitgebreide beleidsreactie op het rapport naar de Tweede Kamer worden verzonden, samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.
Statushouders die worden geschoold om voor de klas te staan |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het programma Wereldburgers voor de Klas in Leiden, waarin statushouders met een buitenlandse onderwijsachtergrond versneld richting een functie in het Nederlandse onderwijs worden begeleid?1
Ja.
Welke concrete, onafhankelijke en toetsbare criteria hanteert u om te bepalen dat onderwijsbevoegdheden uit landen met fundamenteel andere onderwijssystemen, didactiek en waardenkaders gelijkwaardig zouden zijn aan Nederlandse lerarenopleidingen en wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer deze aannames ten koste gaan van onderwijskwaliteit en leerlingontwikkeling?
Als een persoon met een buitenlandse onderwijsbevoegdheid les wil geven in Nederland moet deze een erkenning van de buitenlandse onderwijsbevoegdheid aanvragen. Er zijn verschillende voorwaarden die gesteld worden aan de erkenning van een buitenlandse bevoegdheid. Hierbij moet onder andere de aanvrager een lerarenopleiding hebben gevolgd, moet dat diploma een lesbevoegdheid geven in land van diplomering, moet het diploma eenzelfde lesbevoegdheid geven als de aangevraagde lesbevoegdheid, moet de gevolgde opleiding gericht zijn op de aangevraagde bevoegdheid en moet de opleiding minstens hetzelfde niveau zijn als het Nederlandse niveau van hoger onderwijs.
De erkenning van beroepskwalificaties (diploma’s) voor Nederlandse onderwijsberoepen op basis van diploma’s behaald in de EU en buiten de EU gebeurt door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO beoordeelt de diploma’s/kwalificaties voor het verkrijgen van een onderwijsbevoegdheid. De Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs (NUFFIC) adviseert DUO in de beoordelingsprocedure van het buitenlandse diploma ten opzichte van Nederlandse diploma’s. De NUFFIC is het nationale expertisecentrum voor onderwijsvergelijking en voert waardering van de diploma’s uit.
Waarom ontbreekt een expliciete, afdwingbare eis dat deelnemers aan dit programma volledig voldoen aan Nederlandse kernwaarden waaronder gelijkwaardigheid van man en vrouw, vrijheid van meningsuiting en strikte scheiding van religie en onderwijs en waarom accepteert u daarmee een bewust risico voor de neutraliteit van het openbaar onderwijs?
Scholen hebben de wettelijke opdracht om actief burgerschap bij te brengen en sociale cohesie te bevorderen. Binnen deze wettelijke opdracht hebben scholen de verantwoordelijkheid om bevoegde en bekwame onderwijzers aan te nemen die de Nederlandse kernwaarden bijbrengen aan leerlingen. De inspectie houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke eis.
Hoe verklaart u dat programma’s als Wereldburgers voor de Klas, uitgevoerd door onder meer Stichting Wereldburger en DZB Leiden, onder de vlag van «lerarentekort» functioneren als integratie- en participatietrajecten, zonder overtuigend en openbaar bewijs dat zij leiden tot structurele kwaliteitsverbetering in het onderwijs?
Het doel van programma’s als Wereldburgers voor de Klas is om bevoegde leraren die in het land van herkomst werkzaam waren in het onderwijs voor te bereiden op een (onderwijsgevende) functie in het Nederlands onderwijs of ter voorbereiding op een lerarenopleiding. Veel van de deelnemers hebben al een in Nederland erkende lesbevoegdheid en een sterke gedrevenheid om het beroep opnieuw uit te oefenen. Het programma draagt bij aan de instroom van leraren en daarmee aan het tegengaan van het lerarentekort en aan de kwaliteit van het onderwijs. Het stimuleren van dergelijke programma’s is een onderdeel van de bredere aanpak van het lerarentekort, waarbij mensen met een onderwijsachtergrond uit het buitenland gefaseerd worden voorbereid op inzet in het Nederlandse onderwijs.
De inzet op taalontwikkeling, praktijkervaring en begeleiding is gericht op het borgen van onderwijskwaliteit en continuïteit. Op dit moment zien we positieve effecten op instroom, inzetbaarheid en behoud van personeel. Daarmee worden deze programma’s beschouwd als een aanvullend instrument binnen het overkoepelende lerarenbeleid en niet als vervanging van reguliere lerarenopleidingen.
Waarom blijft u vasthouden aan het inzetten van statushouders in het onderwijs als beleidsinstrument, terwijl dit geen structurele oplossing biedt voor het lerarentekort, falend beleid maskeert en ouders en leerlingen opzadelt met kwaliteitsverlies, communicatieproblemen, instabiliteit in de klas en onzekerheid over normen en neutraliteit in het onderwijs?
Zoals in het vorige antwoord aangegeven zien we positieve effecten op instroom, inzetbaarheid en behoud van personeel met dank aan dit soort programma’s. De inzet van statushouders en/of Oekraïense ontheemden is onderdeel van de bredere aanpak van het lerarentekort. In het jaar 2025 hebben scholen 237 aanvragen ingediend om statushouders en Oekraïense ontheemden met potentie om voor de klas te staan te begeleiden naar een functie in het Nederlands onderwijs. Inzet vindt plaats binnen bestaande kwaliteits- en bevoegdheidseisen, met aandacht voor taalvaardigheid en begeleiding, en is bedoeld om verantwoord om te gaan met schaarste in het onderwijs. Daarnaast is er een breed scala aan maatregelen vanuit dit kabinet om het lerarentekort aan te pakken.
Welke stappen zet u om per direct te stoppen met het faciliteren van onderwijsprogramma’s die statushouders richting structurele arbeid en langdurig verblijf leiden en hoe gaat u borgen dat het onderwijs niet langer wordt ingezet als verlengstuk van migratiebeleid maar zich weer richt op kwaliteit, veiligheid en Nederlandse belangen?
Er wordt ingezet op goed onderwijs voor alle leerlingen, met voldoende en goed opgeleide leraren. De aanpak van het lerarentekort vraagt dat we alle geschikte en bevoegde kandidaten benutten die aan de geldende kwaliteitseisen voldoen. Onderwijsprogramma’s worden ingezet vanuit onderwijskundige en arbeidsmarktmatige overwegingen en niet als migratiebeleid. Kwaliteit, veiligheid en professionaliteit in de klas staan daarbij altijd voorop.
Het bericht ‘Geef hbo’ers beurs om naar universiteit te gaan’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geef hbo’ers beurs om naar de universiteit te gaan»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de reden is dat studenten die na een hbo-bachelor een wo-master willen doen geen extra jaar basisbeurs krijgen, maar die wel krijgen voor een hbo-master? Hoe volgt dit uit de onderwijswetgeving?
De reden hiervoor is dat prestatiebeursrechten bedoeld zijn voor initiële opleidingen. Een hbo-masteropleiding die volgt op een hbo-bacheloropleiding geldt als een initiële opleiding. Een wo-masteropleiding volgend op een hbo-bacheloropleiding geldt niet als een initiële opleiding en daarom krijgt een student in dat geval geen extra jaar prestatiebeurs. Deze studenten kunnen wel lenen om te voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud. In navolging van de motie van het lid Straatman c.s.2 voer ik een verkenning uit naar dit vraagstuk.
Kunt u hierbij ook ingaan op de in het artikel aangehaalde rechterlijke uitspraak en de overwegingen daarin?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven voer ik een verkenning uit naar dit vraagstuk. Ik betrek de uitspraken van de rechtbank en Centrale Raad van Beroep hierbij. Op basis van de verkenning voer ik graag het gesprek met uw Kamer over eventuele beleidswijzigingen. Ik zal uw Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van de verkenning.
Kunt u specifiek ingaan op de overweging van de rechter dat «niet duidelijk is waarom in artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 bij de combinatie hbo-bachelor en hbo-master de lengte van de prestatiebeurs wél wordt vermeerderd en bij een wo-master niet. Ook is niet duidelijk of en waarom dit de bedoeling van de wetgever is geweest»?2
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2 en 3.
Is bekend hoeveel hbo-bachelors door deze situatie afzien van een wo-master terwijl ze dat misschien wel zouden willen?
Nee, dit is niet bekend.
Klopt het dat iemand met een wo-bachelor die daarna een hbo-master gaat doen wel een jaar extra basisbeurs krijgt en hoe komt dat?
Ja, dit klopt. Hier bestaat geen sluitende verklaring voor, in die zin dat een hbo-master niet wordt gezien als onderdeel of verlenging van een initiële wo-opleiding. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. In de eerdergenoemde verkenning zal ik dan ook ingaan op dit verschil.
Vindt u deze situatie gerechtvaardigd, aangezien een kernwaarde van het onderwijs juist is om studenten te stimuleren die verder willen leren en zich willen ontwikkelen?
Ik betrek dit vraagstuk in de toegezegde verkenning en wil op basis daarvan het debat met de Kamer voeren om te bepalen of we dit moeten heroverwegen.
Deelt u de mening dat deze situatie het hoger beroepsonderwijs onaantrekkelijker maakt omdat studenten in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt worden?
Ik kan niet zeggen of deze situatie het hoger beroepsonderwijs als geheel onaantrekkelijker maakt, omdat daar geen onderzoek naar gedaan is.
Wat zou ervoor nodig zijn om ervoor te zorgen dat studenten die na een hbo-bachelor een wo-master willen doen wel recht hebben op een extra jaar basisbeurs? En welke (financiële) consequenties heeft dit?
Ik kan deze vraag nu niet beantwoorden. Dat is precies waarom een nadere verkenning nodig is, zoals de motie Straatman ook vraagt. Ik kom daar voor het einde van het jaar op terug. Wat betreft de financiële consequenties is in 2025 in antwoorden op vragen bij de Voorjaarsnota4 geantwoord dat de extra kosten op ongeveer € 47 miljoen structureel worden geschat, gebaseerd op het prijspeil van 2025. Ik wil benadrukken dat dit een grove inschatting is. Mogelijke gedragseffecten, zoals een aanzuigende werking, en uitvoeringskosten zijn hierin niet meegenomen.
In de verkenning zal ik dan ook op de financiële gevolgen in gaan.
Welke stappen wilt u nemen om masteropleidingen in het algemeen toegankelijker te maken voor hbo-studenten?
In februari 2025 constateerde de Inspectie van het onderwijs (hierna: inspectie) in haar onderzoeksrapport «hbo’ers gelijkgeschakeld?» dat bijna een kwart van de masteropleidingen niet toegankelijk is voor hbo-bachelorgediplomeerden. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief «Toegankelijkheid en doorstroom»5 uiteengezet hoe de huidige wet- en regelgeving met betrekking tot toelating tot het masteronderwijs is ingericht; in het hoger onderwijsstelsel geeft een bachelordiploma in principe toegang tot het masteronderwijs. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een hbo-bachelor en een wo-bachelor. Hbo-bachelorgediplomeerden mogen daarom niet bij voorbaat generiek worden uitgesloten van een wo-masteropleiding. Steeds moet op individuele basis worden beoordeeld of een student voldoet aan de kwalitatieve toelatingseisen die voor een masteropleiding gelden. De inspectie heeft de wettelijke kaders over toelating tot het masteronderwijs nogmaals onder de aandacht gebracht bij de onderwijsinstellingen naar aanleiding van haar onderzoeksrapport. Ik ben daarom niet voornemens om extra stappen te zetten wat betreft toelating tot het masteronderwijs.
De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Er is in onze samenleving, en zeker ook op onze onderwijsinstellingen, geen plek voor antisemitisme. Ik vind het dan ook onacceptabel dat Joodse studenten en medewerkers antisemitisme ervaren en zich niet altijd veilig voelen op hun onderwijsinstelling. Ik blijf mij daarom samen met onderwijsinstellingen inzetten om antisemitisme te bestrijden en de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers te verbeteren.
Om na te gaan welke maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op universiteiten en hogescholen te verbeteren heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding (hierna: Taskforce) ingesteld. Deze Taskforce heeft begin februari 2026 haar eindverslag gepubliceerd.2 Het kabinet zal uw Kamer in het voorjaar een beleidsreactie op dit eindverslag sturen en aangeven op welke wijze we antisemitisme op universiteiten en hogescholen bestrijden.
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Ja, ik ben van mening dat onderwijsinstellingen zich continue inzetten om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren. Ook zetten zij zich dagelijks in om klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren. Het kabinet heeft eind 2024, grofweg gelijktijdig met publicatie van het door u aangehaalde onderzoek, de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme gepubliceerd.4 Als onderdeel van deze strategie is in juli 2025, in opdracht van het Ministerie van OCW, een verkenning naar de ervaringen van Joodse studenten en medewerkers met klacht- en meldvoorzieningen uitgevoerd, als onderdeel van een breed onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen.5 Uit het onderzoek blijkt dat (Joodse) studenten en medewerkers een gebrek aan opvolging bij klachten ervaren en dat zij bij ongelijke machtsverhoudingen afhoudend zijn bij het doen van meldingen over een docent of collega. De onderzoekers concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij functionarissen van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkers die met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek voor Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren. Voor een uitgebreide reactie op dit onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen, verwijs ik u naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen.6
Om, in lijn met de aanbevelingen uit de verkenning, de kennis over antisemitisme bij functionarissen en medewerkers van klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Ook hebben instellingen in reactie op de verkenning aangegeven, dat zij nagaan hoe de infrastructuur in den brede beter kan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten en medewerkers.
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
Ik herken het beeld dat Joodse studenten en medewerkers zich niet (altijd) veilig voelen op de instelling en dat zij daar ernstige gevolgen van ondervinden. Zoals in mijn beantwoording van vraag 2 aangegeven heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding ingesteld, voor de duur van één jaar. De Taskforce heeft gewerkt aan voorstellen om de veiligheid van Joden te bevorderen, in het bijzonder de veiligheid van Joodse studenten op universiteiten, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins op ov-stations. De Taskforce heeft onlangs haar eindverslag opgeleverd.7
De Taskforce concludeert dat, ondanks inspanningen van instellingen, Joodse studenten en medewerkers (sociale) onveiligheid ervaren op onderwijsinstellingen. De Taskforce constateert daarbij ook dat Joodse studenten en medewerkers hier ernstige gevolgen van ondervinden, zoals het zich genoodzaakt voelen om de identiteit te verbergen, het mijden van de campus of het stoppen met de opleiding aan de instelling. Ik vind dit onacceptabel. Studenten en medewerkers moeten zich veilig weten op hun onderwijsinstelling.
Er wordt niet gemonitord hoe vaak studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen wegens (ervaren) antisemitisme of onveiligheid. Universiteiten en hogescholen registreren de geloofsovertuigingen van studenten en medewerkers niet. Het is daarom niet bekend hoe vaak en waarom Joodse studenten en medewerkers stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen. Ik vind het van groot belang dat Joodse studenten en medewerkers zich veilig voelen op hun instelling. In de kabinetsreactie op het advies van de Taskforce zal ik hier nader op ingaan.
Het kabinet stuurt uw Kamer in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding.
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Zie antwoord vraag 4.
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Er worden, zowel door mij als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.8 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook zijn er gesprekken met de veiligheidsdiensten om effectief te kunnen handelen als protesten uit de hand lopen. Ik werk aan een handreiking voor vertrouwenspersonen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Daarnaast bespreek ik het onderwerp en alle lopende acties regelmatig met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en met Joodse studenten en medewerkers.
Zoals aangegeven ontvangt uw Kamer nog een uitgebreide kabinetsreactie op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding. In deze reactie gaat het kabinet ook in op de aanbevelingen uit het eindverslag.
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inspannen om de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers op de instelling te borgen. Ook zie ik dat er veel acties worden en zijn verricht op dit vlak (zie ook mijn antwoord op vraag 7). Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en geeft aan dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten9, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek.
De Taskforce geeft ook aan dat er nog verbeteringen mogelijk zijn en doet verschillende aanbevelingen. Zoals aangegeven in beantwoording op voorgaande vragen ontvangt u in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3, 4, 5
Het spreekt voor zich dat ik het verheerlijken van en het uitspreken van steun aan terreurorganisaties van de hand wijs. Het is verder niet aan mij als Minister van OCW om uitspraken te doen over individuele casuïstiek. Instellingen hebben aangegeven dat zij altijd aangifte doen bij vermoedens van strafbare feiten, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde docent?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving, ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen. Het is aan een instellingsbestuur om, als werkgever, zo nodig maatregelen te nemen richting haar medewerkers. Het is dan ook niet aan mij als Minister van OCW om het handelen van een instellingsbestuur in een van haar arbeidsrelaties te beoordelen. Ik vind dat in het onderwijs, onderzoek en bij verschillende activiteiten die op instellingen georganiseerd worden van docenten mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Zie mijn antwoord op vraag 10. Daarbij heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.13 In deze brief gaat mijn ambtsvoorganger onder andere in op het gezamenlijk leren van instellingen in de vorm van kennisdeling tussen instellingen, wat bijdraagt aan een gedeelde kennispositie en harmonisering van advisering aan besturen. Daarbij geeft hij aan dat de managers Integrale Veiligheid van de universiteiten wekelijks bij elkaar komen om een gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuele situatie te bespreken en ervaringen, kennis en good practices uit te wisselen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name tussen instellingen die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen instellingen van vergelijkbaar karakter, tussen (vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke Platform Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en efficiënt omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Zie mijn antwoord op vraag 13 voor een algemene toelichting.
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen. Het geven van een aanwijzing is het ultimum remedium en dient daarom, net als de inhoud, proportioneel te zijn. Eerst moet worden geprobeerd om het doel van de aanwijzing met een minder zwaar middel te bereiken. In welke gevallen en op welk moment ik overga tot het geven van een aanwijzing moet ik per casus en binnen de context daarvan bezien.
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
De Taskforce Antisemitismebestrijding gaat in haar aanbevelingen ook in op de kennis over antisemitisme bij (vertrouwenspersonen van) instellingen. Zoals aangegeven zal het kabinet aan het eind van het voorjaar uitgebreid reageren op het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Ja.
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd. Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025 in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen al.
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving, de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie. Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen. Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt. Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten (o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking «Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven. Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings. Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel 26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW, SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23 van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum; (2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen. Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas. Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei 2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie (2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering (over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling, gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods leven in Europa worden versterkt.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme. In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport – al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen, aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie) van deze veiligheidsmaatregelen.
Antisemitisme en politieke indoctrinatie door een docente van het ROC |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een docente van het ROC Nijmegen minderjarige leerlingen in de klas heeft geronseld voor pro-Palestina-demonstraties en hen heeft blootgesteld aan eenzijdige, activistische en antisemitische propaganda?1
Ja, ik ben bekend met het bericht uit de Telegraaf.2In de betreffende les verzorgde een gastspreker een bijdrage vanuit haar persoonlijke ervaringen en werd een deel van een documentaire getoond over het leven in de Palestijnse Gebieden. Aansluitend vond een klassengesprek plaats waarin studenten vragen stelden en met elkaar in gesprek gingen over het onderwerp.
Deelt u de mening dat het ronselen van leerlingen voor demonstraties, het verspreiden van boycotapps tegen Israëlische producten wat kan worden gezien als een antisemitische boycot en het tonen van activistische en antisemitische propaganda in een klaslokaal niets met onderwijs te maken heeft en een vorm is van politieke en ideologische indoctrinatie?
Het onderwijs is bedoeld om studenten de mogelijkheid te bieden kritisch na te denken over complexe en soms polariserende onderwerpen en om een eigen mening te vormen. Het is niet de rol van docenten om studenten actief te sturen naar politieke acties of specifieke campagnes.
In de klas moet ruimte zijn om verschillende perspectieven te belichten en om dit te doen in een veilig leerklimaat. Het bevoegd gezag en de instelling zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van deze veilige en pluriforme leeromgeving. In dit specifieke geval geeft ROC Nijmegen aan dat dit beter had gekund. Ik heb er vertrouwen in dat ROC Nijmegen de situatie goed oppakt en op basis van de evaluatie die de komende periode plaatsvindt, zal waarborgen dat bij volgende burgerschapslessen verschillende perspectieven worden belicht.
Deelt u de mening dat het door een docent in het onderwijs suggereren dat «Joden» of «pro-Joden» genocide zouden steunen en het vals framen van Israël als een «genocidale staat» antisemitisch is en rechtstreeks bijdraagt aan een onveilig en intimiderend klimaat voor Joodse leerlingen op school en bovendien olie op het vuur gooit van Jodenhaat in Nederland?
Het is onacceptabel wanneer in het onderwijs uitingen worden gedaan die kunnen leiden tot stigmatisering van groepen of die bijdragen aan een onveilig leerklimaat voor studenten. Antisemitisme hoort nergens thuis, in welke vorm dan ook, en zeker ook niet in het onderwijs.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze docente actief is binnen Extinction Rebellion (XR) en «Docenten voor Palestina» en haar antisemitische activisme zichtbaar verweeft met haar onderwijs aan minderjarige studenten, en acht u dit verenigbaar met de vereiste politieke en ideologische neutraliteit van het onderwijs?
Het staat docenten vrij om in hun eigen tijd activisme te bedrijven, binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Dat is vrijheid van meningsuiting.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om antisemitisme in het onderwijs hard aan te pakken en Joodse leerlingen te beschermen, en bent u bereid landelijk en afdwingbaar vast te leggen dat docenten zich tijdens lestijd strikt neutraal moeten opstellen en het verboden is om leerlingen op te roepen tot politieke acties, demonstraties en boycots, met daaraan verbonden duidelijke sancties bij overtreding?
Het kabinet deelt de opvatting dat antisemitisme aangepakt dient te worden. Er is geen ruimte voor antisemitisme in onze samenleving en op onze onderwijsinstellingen. De aanbevelingen uit het rapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding zijn van grote waarde voor de instellingbesturen en mijn ministerie.3 In het voorjaar zal vanuit betrokken ministeries een uitgebreide beleidsreactie op het rapport naar de Tweede Kamer worden verzonden, samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.»4
Het ministerie brengt tevens leermiddelen en trainingen gericht op het herkennen en ingrijpen bij antisemitisme en andere vormen van discriminatie actief onder de aandacht bij onderwijsinstellingen. Zo is de handreiking «omgaan met anti semitische incidenten»5 gepubliceerd. Het aanbod wordt onder meer via nieuwsbrieven, het Expertisepunt Burgerschap, Stichting School en Veiligheid en campagnes verspreid onder de instellingen. In het onderwijs moeten maatschappelijke en soms polariserende onderwerpen besproken kunnen worden; het oproepen tot politieke acties tijdens lestijd past daar niet bij.
Daarnaast dienen instellingen actief zorg te dragen voor (sociale) veiligheid, onder meer door duidelijke afspraken te maken over het professioneel handelen van docenten, door signalen serieus te nemen en waar nodig in te grijpen. Het is daarbij aan instellingen om, in het kader van goed werkgeverschap, passende maatregelen te treffen wanneer grenzen worden overschreden. Veiligheidsincidenten kunnen ook gemeld worden bij de Inspectie van het Onderwijs. Het College van Bestuur kan bij het vermoeden van een strafbaar feit aangifte doen bij de politie.
De verantwoordelijkheid voor sociale veiligheid volgt uit bestaande wet- en regelgeving. Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om deze zorgplicht voor sociale veiligheid van instellingen in het vervolgonderwijs en onderzoek te verduidelijken en expliciteren, onder meer door randvoorwaarden te stellen aan het te voeren veiligheidsbeleid.
Ook stelt het wetsvoorstel Uitwerking burgerschapsopdracht WEB een helder kader: het bevoegd gezag moet zorgdragen voor een instellingscultuur die in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. In een dergelijke cultuur hebben antisemitisme en alle andere vormen van discriminatie geen plek.
Ik zie geen aanleiding om aanvullend landelijk vast te leggen dat docenten zich tijdens lestijd strikt neutraal moeten opstellen of om landelijke sancties in te voeren.
Het artikel 'Ouders die schreeuwen of duwen: leraren geconfronteerd met onaanvaardbaar gedrag' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente bericht van RTL Nieuws over grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat zeker 300 basisscholen de afgelopen vijf jaar te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?
Het is onacceptabel dat sommige ouders grensoverschrijdend gedrag vertonen richting onderwijspersoneel. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid en de school hoort een veilige plek te zijn voor medewerkers. Scholen hebben daarnaast een taak om te investeren in een goede relatie tussen school en ouders.
Bovenal roep ik ouders op om respectvol met onderwijspersoneel om te gaan. Het is volkomen begrijpelijk dat je als ouder soms zorgen hebt, en die moet je te allen tijde kunnen bespreken met de school. Maar dat is nooit een reden voor grensoverschrijdend gedrag. Bij ernstige incidenten kan de school ouders de toegang tot de school ontzeggen en overgaan tot aangifte.
Is er structureel onderzoek gedaan naar de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders richting docenten? Of wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gebruikt de Landelijke Veiligheidsmonitor2 om de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te meten en zicht te hebben op de (sociale) veiligheid op scholen. Momenteel wordt gewerkt aan de herziening en wettelijke verankering van de Landelijke Veiligheidsmonitor. Het wetsvoorstel wordt in het eerste kwartaal van dit jaar aan uw Kamer aan geboden. De eerstvolgende editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor wordt naar verwachting in het schooljaar 2027–2028 uitgevoerd.
Uit de laatste editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor blijkt dat er in de periode 2021–2022 een lichte toename in het aantal geweldsincidenten onder leerlingen en personeel was, waarbij verbaal geweld het vaakst voorkwam. Hierbij geeft 17% van personeel primair onderwijs (po) en 28% personeel voortgezet onderwijs (vo) aan eenmaal per maand soms of vaker geconfronteerd te worden met een incident. Dit percentage was bij zowel po- als vo-personeel zes procentpunt gestegen ten opzichte van 2020–2021.3
Bovendien is bekend dat bij zowel po- als vo-personeel, als zij slachtoffer worden van grensoverschrijdend gedrag, de dader van het incident in iets minder dan twintig procent van de gevallen een familielid van een leerling was. Er was een significante stijging van het aantal vo-docenten dat gepest werd door familieleden van leerlingen zichtbaar: van 10 procent in 2021 naar 23 procent in 2022. In het po waren geen significante verschillen hierin te zien.4
Herkent u het beeld dat het gedrag van ouders zorgt voor minder werkplezier en een toename van de werkdruk voor docenten?
In 2023 is onderzoek gedaan naar de vertrekredenen van leraren in het po, vo en mbo. Ongewenst gedrag van ouders werd niet genoemd als reden om te stoppen met het werken in het onderwijs.5
Is u bekend of dit gedrag een van de redenen is dat docenten stoppen met werken in het onderwijs? Zo ja, hoe groot is deze groep docenten die vanwege grensoverschrijdend gedrag van ouders stopt?
Zie antwoord vraag 4.
Is de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders meer zichtbaar in het primair onderwijs of in het voortgezet onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 3.
Is bekend of docenten zich voldoende gesteund voelen door schoolbesturen en schoolleiders in situaties van grensoverschrijdend gedrag door ouders? Welke ruimte ziet u om docenten te ondersteunen bij het omgaan met agressief of grensoverschrijdend gedrag van ouders?
Schoolbesturen en schoolleiders moeten achter hun medewerkers gaan staan als er grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt. Daarnaast roept het kabinet scholen altijd op om aangifte te doen als er een vermoeden is van een strafbaar feit. Hierbij ondersteunt het ministerie de PO-Raad en de VO-raad met een projectsubsidie om te investeren in de relatie tussen ouders en school. Daarnaast is Stichting School & Veiligheid er om scholen te ondersteunen bij het bevorderen van een sociaal veilig schoolklimaat.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden de eisen aan het veiligheidsbeleid van scholen versterkt. Daarmee wordt onder meer geregeld dat er interne en externe vertrouwenspersonen op scholen komen, veiligheidsincidenten worden geregistreerd en dat er een jaarlijkse evaluatieverplichting van het veiligheidsbeleid moet plaatsvinden. Ook moeten scholen een veiligheidscoördinator aanstellen die het veiligheidsbeleid coördineert. Hiermee wordt gezorgd voor beter zicht op de veiligheid, betere ondersteuning en begeleiding en goede evaluatie.
De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is opgeschoven naar 1 augustus 2027. De eerder beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026 is niet langer haalbaar. Het moment van plenaire behandeling, in combinatie met de tijd die scholen nodig hebben om de wet zorgvuldig te implementeren en de onderlinge samenhang tussen de verschillende maatregelen, maakt dat een implementatie op z’n vroegst per 1 augustus 2027 mogelijk is. Het schooljaar 2026–2027 benutten we daarom om scholen goed voor te bereiden op de komst van de wet. Ik roep scholen dan ook op om niet te wachten met het aan de slag gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel.
Is bekend hoeveel scholen een protocol hebben opgesteld gericht op het omgaan met grensoverschrijdend gedrag van ouders? Hoe beoordeelt u het feit dat scholen protocollen voor de omgang met dit gedrag hebben?
Het opstellen van zulke protocollen zou eigenlijk niet nodig hoeven zijn, maar het kan desondanks goed zijn om met elkaar regels af te spreken om zo te weten wat je van elkaar verwacht. Dit helpt de relatie tussen ouders en leraren. In 2022 gaf ongeveer 90% van de schoolleiders aan dat de school een veiligheidsplan had. Personeelsleden die aangaven dat er expliciete gedragsregels voor personeel zijn, gaven onder andere aan dat omgang met ouders/verzorgers van leerlingen (po: 65%, vo: 64%) een onderwerp is waarover gedragsregels zijn opgesteld.6
Spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
De contacten voor deze gesprekken zijn gelegd. De inzet is om hier dit voorjaar met elkaar afspraken over te maken, zoals eerder toegezegd in de antwoorden op de vragen van uw Kamer van augustus jl.2 Voor de zomer zullen de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik uw Kamer informeren over de opbrengst van deze gesprekken.
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Zeker, het is heel belangrijk om bij de gesprekken in het voorjaar het perspectief van ervaringsdeskundigen – bijvoorbeeld via Dovenschap en Fodok – mee te nemen. Zij brengen ervaringskennis in van de gebruikers van spraakherkenningshulpmiddelen.
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang is?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, gaan de Ministeries van VWS en OCW samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik bekijken wat er eventueel nodig en mogelijk is om in die behoeften te voorzien.
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs, terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen (namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige voorzieningen logisch en uitlegbaar?
UWV kan inderdaad geen hulpmiddelen verstrekken die onder de Regeling zorgverzekering vallen. Vanuit UWV kunnen spraakherkenningshulpmiddelen alleen worden aangeboden aan mensen die een voorziening aanvragen voor werk. Spraakherkenningshulpmiddelen worden in het onderwijs wel vergoed door zorgverzekeraars, als deze onderdeel zijn van de volledige hooroplossing. Vergoeding is afhankelijk van de individuele situatie en de beoordeling daarvan.
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik vinden het belangrijk dat kinderen en jongeren met een gehoorbeperking ook goed kunnen meedoen in het onderwijs. De Ministeries van VWS en OCW gaan dit voorjaar samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in kaart brengen welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijs. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken wordt bekeken wat er nodig is en mogelijk is om in die behoeften te voorzien.
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Het is vooral belangrijk dat hulpmiddelen aansluiten bij wat een leerling of student nodig heeft om deel te nemen aan het onderwijs. Niet iedere situatie in het onderwijs leent zich even goed voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen en niet voor ieder persoon is een dergelijk hulpmiddel passend. Het vinden van een passend hulpmiddel is en blijft maatwerk, waardoor versimpelen van regelgeving niet altijd eenvoudig is. Deze nuance nemen we mee in de gesprekken.
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Spraakherkenningshulpmiddelen kunnen een passende oplossing zijn, maar dit is afhankelijk van de persoon en situatie. Een passende oplossing is maatwerk. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn het met u eens dat het zeer vervelend is wanneer er geen tolk beschikbaar is en dat spraak-naar-teksthulpmiddelen in dat geval een aanvullende rol zou kunnen vervullen in het onderwijs.
Om de kans op een tolk te vergroten is er sprake van een (al bestaande) hardheidsclausule met betrekking tot de reiskosten. Hierdoor kunnen extra kilometers worden vergoed, bovenop de reguliere maximaal te declareren kilometers aan de tolk, als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden. Er is in het persoonlijk netwerk geen tolk gevonden, er een bemiddelingsopdracht bij Tolkcontact3 is uitgezet en er geen tolk is gevonden. Daarnaast is door Berengroep in opdracht van UWV en de Ministeries van OCW, SZW en VWS per 1 april de «achterwacht»-functie op vernieuwde wijze ingevuld. Hierdoor is er meer zekerheid dat er een tolk ingezet kan worden bij calamiteiten in het onderwijs-, werk- of leefdomein. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik nemen deze context mee in de gesprekken met betrokken partijen.
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja, kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel te monitoren?
Op dit moment zijn hier geen precieze cijfers over bekend. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie gaat in gesprek met de sector voor meer inzicht hierover.
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht2 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten? Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Er zijn bij de Ministeries van VWS en OCW geen signalen bekend over het stoppen van het opleidingen van tolken. Wanneer hogescholen en universiteiten een opleiding willen beëindigen, dienen zij dit aan DUO, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW, door te geven. Informatie over de ontwikkelingen van het aantal opleidingen en het aantal studenten is beschikbaar op de website OCW in cijfers.5 Het Ministerie van OCW verschaft deze gegevens op stelselniveau.
Het onderwijs is altijd in beweging. Dit betekent dat er voortdurend opleidingen starten en stoppen. Het stoppen van een opleiding betekent echter niet per definitie dat het onderwijs ook verdwijnt. Onderwijs kan in vele vormen worden aangeboden door hogescholen en universiteiten. Door dalende studentaantallen kunnen niet altijd alle opleidingen blijven bestaan. Dit vraagt om strategische en gecoördineerde keuzes. De onderwijsinstellingen spreken hier al regelmatig met elkaar over. Het Ministerie van OCW wil deze manier van werken bestendigen en verder mogelijk maken, zodat hogescholen en universiteiten collectief de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor een dekkend onderwijsaanbod dat aansluit bij maatschappelijke behoeften.
Hogescholen en universiteiten zijn daarnaast zelf verantwoordelijk voor de voorlichting en werving van studenten voor hun opleidingen. Het Ministerie van OCW vindt het belangrijk dat studenten een studie kiezen die past bij hun talenten. Een gericht instroombeleid past daar niet bij.
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn3 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn bekend met deze oproep en we begrijpen de zorgen. In de gesprekken gaan we op zoek naar mogelijke geschikte oplossingen voor studenten in situaties dat er geen schrijftolken beschikbaar zijn die Engels kunnen tolken.
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Zoals toegezegd wordt een gesprek met betrokken partijen gepland en daarin zal dit aspect worden meegenomen.
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door»?1
Ja.
Vindt u het redelijk dat tentamens voor studenten gewoon doorgaan wanneer Rijkswaterstaat en de NS adviseren het reizen uit te stellen en het openbaar vervoer in de regio rond instellingen niet rijdt?
Omdat de lokale weeromstandigheden en bereikbaarheid als gevolg hiervan enorm kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van instellingen. Het uitgangspunt is dat het onderwijs zoveel mogelijk wordt gecontinueerd. Dit is ook in het belang van studenten. Daarom zijn de onderwijsinstellingen aan zet om zelf een afgewogen besluit te nemen over de wijze waarop het onderwijs en de tentaminering zijn georganiseerd en daarbij rekening te houden met de lokale omstandigheden.
Welke verplichtingen rusten op instellingen om te voorkomen dat studenten met studievertraging en extra kosten te maken krijgen vanwege dit soort situaties van overmacht?
In het geval dat een instelling besluit een tentamen op te schorten vanwege weersomstandigheden, hebben instellingen de plicht om studenten een ander examenmoment aan te bieden.
In de Onderwijs- en examenregeling wordt onder meer het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens opgenomen alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden. Ook mogelijkheden tot herkansing worden hierin opgenomen. Op deze wijze wordt rekening gehouden met (persoonlijke) omstandigheden die het deelnemen aan een tentamen in de weg staan. Het is hierbij goed om op te merken dat het missen van een tentamen niet per definitie leidt tot studievertraging en extra kosten. Vaak zijn er mogelijkheden om binnen de nominale studieduur te herkansen.
Vindt u het wenselijk dat in dit soort situaties landelijk grote verschillen tussen instellingen ontstaan terwijl de omstandigheden voor alle studenten hetzelfde zijn?
Onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor een goede organisatie van hun onderwijs. Begin januari hebben de weersomstandigheden ertoe geleid dat onderwijsinstellingen minder goed bereikbaar waren. Hierbij waren er op lokaal niveau grote verschillen. In sommige regio’s gold dat er geen regionaal vervoer meer beschikbaar was; in andere regio’s reed het regionale of lokale vervoer gewoon (al dan niet met een aangepaste dienstregeling). Daarom vind ik het van belang dat onderwijsinstellingen zelf een afgewogen besluit nemen over de organisatie van het onderwijs gebaseerd op de lokale omstandigheden.
Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met de koepelorganisaties?
Omdat de weersomstandigheden en bereikbaarheid per regio kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van de onderwijsinstelling. Wel zal ik steeds blijven uitdragen dat ik het van belang vind dat het onderwijs zoveel mogelijk doorgang blijft vinden en wanneer de omstandigheden dat niet toe laten dat instellingen – conform hun bestaande verantwoordelijkheid – studenten op de hoogte te stellen van mogelijkheden voor het inhalen van onderwijs of het herkansen van tentamens of examens.
Nederlandse rol in Europese onderhandelingen over Nieuwe Genomische Technieken (NGT) en uitvoering van motie Kostic en motie Akerboom |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente artikel van IFOAM Organics Europe van 4 december 2025, waarin wordt gesteld dat het voorlopige politiek akkoord over de Europese regelgeving voor Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s) «een groot risico vormt voor Europese voedselsoevereiniteit» en dat het akkoord belangrijke waarborgen voor patenten, traceerbaarheid en etikettering heeft uitgehold, waardoor boeren, veredelaars, consumenten en milieu onvoldoende worden beschermd?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel van IFOAM.
Bent u bekend met de Argos uitzending waaruit op basis van interne documenten is gebleken dat de Nederlandse regering zich niet heeft ingezet voor keuzevrijheid, transparantie, bescherming van kleine zaadveredelaars en het inperken van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering?2
Ja, ik ben bekend met de uitzending van Argos over het NGT-voorstel.
Bent u bekend met het artikel uit De Groene van 9 september jongstleden waaruit blijkt dat de nieuwe Europese regelgeving «grote zaadconcerns nog meer macht zal geven en kleine veredelaars in de problemen zal brengen» en dat Nederlandse ministeries «een sleutelrol bij de lobby voor de versoepeling van gentech-regels» speelden?3
Ja, ik ben bekend met dit artikel uit de Groene.
Hoe heeft u de laatste voorstellen voor de nieuwe regelgeving onafhankelijk wetenschappelijk laten toetsen aan de eis van de Kamer uit 2023 middels de motie-Akerboom (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1590) om a) keuzevrijheid van eindconsumenten te garanderen, b) de biologische sector gentechvrij te houden en c) de macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegen te gaan? Kunt u wetenschappelijke bronnen en bijbehorende conclusies meesturen?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Kamerfractie van de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat4. Wat het kabinet betreft moet keuzevrijheid worden geborgd door middel van transparante en objectieve informatievoorziening richting de consument. Echter, hoeft dit niet persé door een fysiek etiket op het levensmiddel. Ook voor (producten van) planten uit conventionele veredeling is er geen etiketteringsplicht, daarom zou verplichte etikettering van (producten van) categorie 1 NGT-planten die vergelijkbaar zijn aan (producten van) planten uit conventionele veredeling niet proportioneel zijn. Daarnaast zou het problematisch zijn voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject volgens het BNC-fiche5 ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven de wens van de biologische sector te respecteren om vrij van NGT producten te blijven, het kabinet heeft recent een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen6. Ook heeft het kabinet in het BNC-fiche aangegeven dat het NGT voorstel een goede manier is om deze technieken toegankelijk te maken voor een brede groep veredelaars, juist ook voor het MKB.
Kunt u heel precies beschrijven op welke manier Nederland zich tijdens het hele proces voor de volgende onderdelen heeft ingezet in Europa, a) keuzevrijheid voor consumenten garanderen (inclusief consumentenlabeling), b) biologische sector gentechvrij houden, c) macht van gentech-bedrijven en monopolisering tegengaan en wat het resultaat daarvan is, en kunt u daar schriftelijke bewijsstukken van meesturen?
Ik heb mij tijdens het Raadsproces niet ingezet voor fysieke etikettering voor eindconsumenten, in het BNC-fiche is aangegeven dat het kabinet het voorstel van de Commissie voor een online openbare database voor categorie 1 NGT-planten steunt. Het kabinet heeft zich tijdens het raadstraject ingezet voor een duidelijke en bruikbare openbare EU-database die voldoende transparant is voor consumenten en gebruikers. Daarnaast is in het BNC-fiche aangegeven dat het kabinet de biologische sector vrij van NGTs wil houden. Het kabinet heeft respect voor de wens van de biologische sector om geen gebruik te maken van NGTs. Voor het kabinet is het van belang dat het landbouw- en voedselsysteem werkbaar moet blijven voor zowel de biologische sector als voor sectoren die wel gebruik willen maken van NGT-planten. Een professionele en particuliere gebruiker zou vrij moeten zijn om wel of niet te kiezen voor NGT-planten. Het kabinet is daarom tevreden met de genoemde maatregelen, zoals het etiketteren van uitgangsmateriaal, om voor in de keten de keuzevrijheid van de gebruiker, waaronder ook de biologische gebruiker, te garanderen. Met betrekking tot octrooien heb ik mij in de Raad ingezet conform de Kamerbrief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot7 en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat8. Ik heb mij in de Raad ingezet om meer transparantie te bieden in het octrooilandschap van de plantenveredeling en om te voorkomen dat octrooirechten een blokkade vormen voor toegang tot genetische eigenschappen voor veredelaars. De technische onderhandelingen in de Raad en in de trilogen zijn vertrouwelijk, hier kan ik geen stukken over delen. Het resultaat is de compromistekst die nu voorligt. Dit compromis strookt met de inzet van het Nederlandse kabinet.
Kunt u een lijst geven van bedrijven (of hun belangenbehartigers) die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken en een volledige opsomming geven van de input die u daaruit heeft overgenomen?
Op 14 oktober 2022 is een open stakeholder consultatie gehouden voor iedereen die geïnteresseerd was in de inzet van het kabinet op het door de Commissie aangekondigde NGT-voorstel. Hier waren vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen, vertegenwoordigers van de biologische sector en milieuorganisaties bij aanwezig. Op 7 juli 2023 heb ik een stakeholderbijeenkomst georganiseerd ten behoeve van het BNC fiche, hierbij was de biologische sector vertegenwoordigd. Daarnaast sta ik altijd open om met iedereen in gesprek te gaan over het NGT dossier. Op deze wijze is gesproken met vertegenwoordigers van de biologische sector, en met vertegenwoordigers van de veredelingssector en biotechnologiesector. Het kabinet heeft van geen enkele partij input overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Kunt u een lijst geven van maatschappelijke organisaties, biologische sector en consumentenorganisaties die u tijdens het hele traject van onderhandelingen over NGT’s heeft gesproken? Waarom heeft u fundamentele punten van hun zienswijzen niet overgenomen in het BCN fiche, maar wel vooral die van de biotechindustrie?
Het kabinet heeft gesproken met IUCN-NL, Natuur en Milieu, Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland, Bionext, de Biowinkel vereniging, Biohuis en Demeter, Corporate Observatory Europe, NAJK, en MVO. Het kabinet heeft van geen enkele partij zienswijzen overgenomen, wel heeft het kabinet alle belangen meegewogen bij de appreciatie van het NGT-voorstel in het BNC-fiche.
Gezien de zorgen van burgers over de nieuwe wet, bent u bereid eerst te waarborgen dat het onmogelijk wordt dat bedrijven straks patenten kunnen vastleggen op planten die bewerkt zijn met nieuwe gentechnieken en op bepaalde essentiële eigenschappen van planten? Zo nee, waarom negeert u de wensen van burgers?4
Zoals beschreven in de brief over de uitvoering van de motie van de leden Hertzberger en Meulenkamp en de motie van het lid De Groot en mijn kamerbrief met de beantwoording van de vragen van de Eerste Kamerfractie van de PvdD over het Raadsmandaat, zijn de voorwaarden waar een octrooi op kan worden verkregen (en waarop niet) vastgelegd in het Europees Octrooi Verdrag (EOV). Het is niet mogelijk om de octrooieerbaarheid van planten of planteigenschappen via een EU-verordening te wijzigen, daarvoor is aanpassing van het EOV noodzakelijk. Het EOV is een internationaal verdrag dat alleen met instemming van alle 39 deelnemende landen kan worden gewijzigd. Dat wil niet zeggen dat het kabinet de zorgen van burgers over octrooien in de plantenveredeling niet serieus neemt. Ik heb mij in de Raad ingezet voor maatregelen die transparantie in het octrooilandschap binnen de veredeling vergroten voor veredelaars. Voor zover de regering met deze vraag wordt verzocht om octrooirechten op plantaardig materiaal te beperken, merk ik nogmaals op dat Europees Octrooibureau (EOB) sinds 1 juli 2017 al geen octrooien meer verleend voor planten of dieren die uitsluitend via een wezenlijk biologische werkwijze zijn verkregen. Bovendien geldt dat als een technisch kenmerk ook via traditionele veredeling kan worden verkregen, het octrooi enkel geldt voor de plant die via het beschermde technische proces is verkregen. Het EOB vereist hiervoor een disclaimer om de bescherming te beperken tot het technisch geproduceerde product en ziet hier streng op toe10.
Bent u bekend met het onderzoek uit Environmental Sciences Europe waarin wordt geconcludeerd dat het Europese voorstel ertoe leidt dat veel gewassen die genetisch bewerkt zijn niet langer hoeven te worden onderzocht op risico’s voordat ze geteeld en mogen worden verkocht, wat ingaat tegen het voorzorgsprincipe en gevaren met zich meebrengt?5
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Met het NGT-voorstel heeft de Europese Commissie twee categorieën van NGT-planten voorgesteld: categorie 1- NGT (NGT-1) en categorie 2- NGT (NGT-2). NGT-1 planten kunnen ook met conventionele veredeling of in de natuur tot stand komen, daarom is het risicoprofiel vergelijkbaar met dat van conventioneel veredelde planten. Het kabinet steunt de inzet dat NGT-1 planten daarom op dezelfde manier behandeld worden als conventioneel veredelde planten. Om de NGT-1 status te verkrijgen worden een NGT-plant door de bevoegde autoriteit beoordeeld op de equivalentie met conventioneel veredelde planten, daarmee wordt voldaan aan het voorzorgprincipe.
Waarom is er niet geluisterd naar zulke onafhankelijke onderzoeken en waarom is toegelaten dat de grens tussen NGT1 en NGT2 gewassen willekeurig en zonder een wetenschappelijke basis is gekozen? Bent u bereid om alsnog eerst zulke onderzoeken mee te nemen voordat u definitief besluit? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven in de beantwoording van de Eerste Kamervragen van de PvdD fractie en SP fractie over het Raadsmandaat12 zijn de equivalentiecriteria gebaseerd op wetenschappelijke literatuuranalyses van de Europese Commissie ondersteund door de wetenschappelijke opinie van de EFSA en wetenschappelijk werk van het Joint Research Centre. Daarnaast heeft de Nederlandse Commissie Genetische Modificatie (COGEM) in haar adviezen13 aangegeven dat planten verkregen met behulp van NGT-1 (cisgenese en mutagenese) qua veiligheid vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde gewassen.
Bent u bereid om alsnog eerst te waarborgen dat op het voedseletiket wordt vermeld of in een product ingrediënten zitten die met nieuwe gentechnologie bewerkt zijn? Zo nee, waarom negeert u de wens van de Kamer en burgers om transparantie naar consumenten toe te waarborgen?
In het BNC-fiche staat het standpunt van het kabinet beschreven. De inzet van het kabinet is gericht op het kunnen maken van onderscheid tussen planten die wel, en planten die niet vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten. Het uitgangspunt is dat categorie 1 NGT planten vergelijkbaar zijn met conventioneel veredelde planten, met dezelfde risico’s voor mens en milieu. Daarom acht kabinet het proportioneel om deze planten ook zoveel mogelijk op dezelfde manier te behandelen. Categorie 2 NGT producten blijven wel onder de etiketteringsregels voor GGO’s vallen. Dit standpunt gaat niet in tegen een wens van de Kamer. De motie Akerboom waar u in vraag 4 naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Welke waarborgen zijn er dat biologische boeren en andere producenten die gentechvrij willen werken niet zelf verantwoordelijk worden gemaakt om vermenging te vermijden, maar bedrijven die gentech gebruiken?
Voor mijn antwoord verwijs ik u naar mijn beantwoording van de vragen van de fracties van de BBB, de Christen Unie, de PvdD en Groenlinks-PvdA over het BNC-fiche14. Hierin zijn de mogelijkheden om biologische ketens vrij te houden van NGT producten geschetst zoals deze in het NGT-voorstel zijn opgenomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien studies concluderen dat de nieuwe regelgeving tot extra last en kosten voor de biologische sector kan leiden en dit niet rechtvaardig is, hoe gaat u dat precies uitsluiten?
Ik herken deze zorg van de biologische sector, maar het is mij niet duidelijk naar welke studies wordt verwezen. Het kabinet heeft een eerste verkenning laten uitvoeren naar mogelijke vermengingsroutes van NGT gewassen en biologische gewassen waaruit blijkt dat de scheiding tussen gangbaar en biologisch in veruit de meeste gevallen afdoende is om vermenging te voorkomen. Er zal zorgvuldig worden gekeken of en zo ja welke aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk en effectief zijn om producenten te ondersteunen om vermenging van NGT producten en NGT-vrije producten te vermijden. Vanwege de noodzaak om EU-verordeningen tijdig te implementeren en gelet op de terughoudendheid ten aanzien van nationale koppen heeft tijdige implementatie van de NGT-verordening prioriteit.
Aangezien het Europese voorstel duidelijk ten nadele is van de pionier-veredelaars van de duurzame landbouw en keuzevrijheid voor de eindconsument en het tegengaan van de macht van gentech-bedrijven en monopolisering niet is gegarandeerd, bent u bereid om in lijn met de motie-Akerboom nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving, totdat er duidelijke en bindende garanties zijn voor etikettering voor de eindconsument, traceerbaarheid en juridisch solide bescherming tegen ongewenste patentering? Zo nee, waarom niet?
Het huidige voorstel voldoet aan de toezeggingen die gedaan zijn aan de kamer. De motie Akerboom waar u naar verwijst is aangenomen onder de voorwaarde dat deze niet van toepassing is voor de eindconsument. Daarmee is door de Partij voor de Dieren destijds ingestemd tijdens het debat. Dat is na te lezen in de handelingen van de Kamer.
Weet u nog dat de Kamer in maart 2024 de motie-Kostić (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 89) heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht niet in te stemmen met het Europese Commissievoorstel voor NGT's voordat een volledig en onafhankelijk onderzoek naar de impact ervan – onder meer op kleine veredelaars, boeren en consumenten – is afgerond en meegewogen in beleid?
Ja ik ken deze motie en het kabinet heeft de uitvoering van deze motie schriftelijk met de kamer gedeeld15.
Aangezien het onderzoek dat in de motie-Kostić wordt gevraagd niet is uitgevoerd en meegewogen, bent u bereid om bij de aanstaande COREPER-vergadering in lijn met de motie-Kostić nog geen steun te verlenen aan definitieve vaststelling van NGT-wetgeving of zich te onthouden van stemmen, totdat het onderzoek is afgerond en meegewogen? Zo nee, waarom voert u deze belangrijke randvoorwaarde van de Kamer niet uit?
De uitvoering van de motie Kostić is schriftelijk met de kamer gedeeld. Voorafgaand aan de presentatie van het NGT-voorstel is door de Europese Commissie een uitgebreide impactanalyse16 uitgevoerd, waarbij ook de impact op boeren en veredelaars is onderzocht. De conclusie uit de impactanalyse is dat het Commissievoorstel een positief effect zal hebben op boeren en veredelaars.
Bent u op zijn minst bereid om iets meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming, zodat betrokkenen eerst het uiteindelijke compromis tussen Raad en het Europees Parlement goed kunnen bestuderen en zodat er tijd is om zienswijzen van Nederlandse stakeholders (zoals biologische boeren, veredelaars en consumenten) op het compromis goed mee te nemen in het definitieve oordeel van het kabinet? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om eerst met de biologische sector, kleine veredelaars en consumentenvertegenwoordigers in gesprek te gaan over de laatste versie van het Europese voorstel? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de compromistekst bestudeerd en gewogen aan de hand van het BNC-fiche, mijn gecommuniceerde inzet in Kamerbrieven, en de beantwoording van moties over het NGT-voorstel. Naar mijn oordeel ligt er een goed compromis voor dat strookt met de inzet van het kabinet. Ik zie het gebruik van NGTs in de plantenveredeling als een belangrijk gereedschap dat ik de plantaardige sector wil bieden om uitdagingen omtrent ziekten en plagen het hoofd te kunnen bieden. Daarom zie ik geen reden om meer tijd te nemen in de definitieve besluitvorming en aanvullend in gesprek te gaan met stakeholders.
Kunt u de vragen één voor één met spoed beantwoorden, in ieder geval vóór de aanstaande COREPER-vergadering?
Ik heb uw vragen één voor één en met spoed beantwoord. Ik heb mijn uiterste best gedaan om de beantwoording van deze vragen voor de COREPER-vergadering van 19 december 2025 naar de Tweede Kamer te sturen.
De nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een toelichting.
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen? Graag een toelichting.
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet – daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.
Het artikel 'Gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: ‘Genoeg is genoeg’' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: «Genoeg is genoeg»»?1
Ja, dat ben ik.
Deelt u de zorg dat lespakketten over «islamitisch erfgoed» en georganiseerde moskeebezoeken het seculiere karakter van het onderwijs onaanvaardbaar aantasten door deze kwaadaardige ideologie actief de klas binnen te halen en kinderen hieraan bloot te stellen?
Die zorg deel ik niet. Ten eerste is het in het licht van de grondwettelijke onderwijsvrijheid die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet een misverstand dat het onderwijs per definitie «een seculier karakter» heeft. Er zijn in Nederland immers scholen van allerlei religieuze signaturen. Alleen openbare scholen behoren neutraal te zijn (artikel 23, derde lid, van de Grondwet). Dit neutraliteitsvereiste betekent echter niet dat openbare scholen geen aandacht zouden mogen besteden aan religies of levensbeschouwingen. Integendeel: de wettelijke burgerschapsopdracht vereist dat scholen competenties aan hun leerlingen proberen bij te brengen die nodig zijn deel om te nemen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.2 Het bezoeken van gebedshuizen kan in dat kader onderdeel zijn van het onderwijsprogramma, maar het is aan de (openbare) school daar zelf keuzes in te maken. Het onderwijsprogramma van een openbare school mag echter nooit zo zijn ingericht, dat een bepaalde religie of levensbeschouwing wordt «voorgetrokken» ten opzichte van andere; dan zou het immers niet meer neutraal zijn.3 Ik heb geen signalen dat daarvan in dit geval sprake zou zijn.
Kunt u onderzoeken wie deze gevaarlijke lespakketten ontwikkelt en financiert, inclusief mogelijke buitenlandse partijen?
Het betreffende lespakket is aangekondigd in een actieplan van de gemeente Den Haag. Ik vertrouw erop dat de gemeente deze plannen zorgvuldig en op basis van de behoefte van scholen verder uitwerkt.
Wanneer er zorgen zijn over mogelijke ongewenste buitenlandse inmenging, kunnen burgers via verschillende wegen signalen bij de Rijksoverheid onder de aandacht brengen en meldingen doen. Voor een uitgebreidere update over de stand van zaken rond een centraal meldpunt ongewenste buitenlandse inmenging verwijs ik u naar de brief van Minister van Oosten van Justitie en Veiligheid van 12 december jl.4
Bent u bereid dit onzinnige actieplan te verbieden en de islamisering van het onderwijs te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Artikel 23 van de Grondwet beschermt het recht op onderwijsvrijheid en – meer specifiek – de vrije keuze der leermiddelen.5 Dit recht komt alle scholen die zijn gebaseerd op een denominatieve grondslag gelijkelijk toe.6
Bent u tevens bereid alle islamitische scholen te sluiten en kinderen te laten genieten van onderwijs gebaseerd is op vrijheid en gevrijwaard is van de islamitische ideologie van intolerantie, haat en geweld? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet. Zie antwoord 4.
Antisemitische bezetting universiteitsgebouw Utrecht legt onderwijs voor 350 studenten plat |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de antisemitische actiegroep Utrecht Encampment inmiddels een week lang een universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht bezet houdt, waardoor het onderwijs voor meer dan 350 studenten volledig is geschrapt?1, 2
Ik ben bekend met het feit dat de bezetting van het universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht door de actiegroep Utrecht Encampment er toe heeft geleid dat er onderwijs geen doorgang heeft kunnen vinden. Vanwege het belang voor de studenten heeft de Universiteit Utrecht zich ten volle ingezet om onderwijs zo goed mogelijk doorgang te laten vinden.3 Gedurende de bezetting heeft de universiteit in totaal 529 onderwijsactiviteiten verzet naar een andere locatie of omgezet naar online-onderwijs. In totaal hebben er tien onderwijsactiviteiten geen doorgang hebben kunnen vinden. De tien geannuleerde onderwijsactiviteiten troffen in totaal 470 studenten.
Deelt u de opvatting dat de studie van gewone studenten altijd voor moet gaan op de acties van drammende en antisemitische bezetters, en vindt u daarom dat het universiteitsbestuur, in overleg met de lokale driehoek, direct had moeten ingrijpen bij deze bezetting, gelet op de enorme onderwijsverstoring?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke taak om onderwijs en onderzoek doorgang te laten vinden en de veiligheid op de campus te waarborgen. Ik zie dat zij zich hier iedere dag opnieuw voor inzetten. Zo ook de Universiteit Utrecht tijdens deze bezetting, zoals u kunt lezen in mijn antwoord op vraag 1. Ik vind het belangrijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de campussen zoveel mogelijk wordt genomen daar waar deze ligt, in dit geval is dat lokaal. Instellingen werken nauw samen de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Als Minister van OCW heb ik geen bemoeienis met de inzet van de politie en het moment van ingrijpen door hen bij deze bezetting.
Bent u bereid om direct contact op te nemen met het universiteitsbestuur met het verzoek om de bezetting per direct te beëindigen, zodat het onderwijs en de veiligheid op de campus kunnen worden hersteld?
De bezetting is op 14 december jl. beëindigd.
Deelt u de mening dat zodra bezetters de regels en verantwoordelijkheden voor demonstraties van de universiteit overschrijden, er zonder uitstel moet worden ingegrepen om orde en veiligheid te herstellen? Zo ja, bent u bereid deze boodschap actief uit te dragen richting de colleges van bestuur van alle universiteiten?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven ligt het besluit tot ingrijpen lokaal. Daarop aanvullend wil ik u melden dat ik in mijn brief aan uw Kamer d.d. 18 december jl. ben ingegaan op een vergelijkbare vraag. Daar geef ik aan dat instellingen altijd aangifte doen van strafbare feiten wanneer die plaatsvinden tijdens protesten op hun terreinen, zoals bedreiging, vernieling of openlijke geweldpleging, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Zoals mijn ambtsvoorganger in een andere Kamerbrief4 d.d. 19 mei jl. reeds heeft aangegeven, wordt bij vernielingen zo mogelijk de schade verhaald op de dader(s). Tot slot hecht ik er waarde aan te benadrukken dat ik regelmatig in gesprek ben met instellingen. In deze gesprekken is o.a. aandacht voor het belang van ruimte voor demonstraties op de onderwijsinstellingen, waarbij het ook van groot belang is dat deze altijd binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling plaatsvinden.
Kunt u aangeven waarom universiteitsbesturen structureel zo zwak optreden tegen antisemitische bezettingen en protesten op hun campussen? En kunt u uiteenzetten welke concrete maatregelen dit kabinet gaat nemen om het telkens terugkerende antisemitisme op Nederlandse universiteiten eindelijk te elimineren?3, 4, 5, 6, 7, 8
Ik wil benadrukken dat ik zie en weet dat de instellingbesturen zich inzetten om een goede invulling te geven aan hun verantwoordelijkheid voor een sociaal veilige leer- en werkomgeving. Dat doen zij samen met de lokale veiligheidsdriehoek. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het van belang dat die verantwoordelijkheid lokaal wordt ingevuld.
Voorts werk ik samen met universiteiten en hogescholen via verschillende acties aan het bestrijden van antisemitisme. Ik heb u hier onlangs uitgebreid over geïnformeerd per brief d.d. 18 december jl.11 In februari 2026 presenteert de Taskforce Antisemitismebestrijding aanbevelingen voor het verbeteren van de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. Naar aanleiding van deze aanbevelingen zal ik nagaan welke vervolgacties er nodig zijn en uw Kamer hierover informeren. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Op de langere termijn werk ik aan een wettelijke zorgplicht veiligheid, die eveneens voorziet in versterking van het toezicht op het veiligheidsbeleid van instellingen.