Het rapport 'No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness' |
|
Alisha Müller (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente rapport van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) getiteld «No fuel, no fight: the Dutch fuel industry and European military readiness»?1
Hoe beoordeelt u de toenemende tekorten aan kerosine en diesel in het licht van de voortdurende afbouw van de nationale productiecapaciteit? In hoeverre deelt u de expliciete zorgen van de onderzoekers over de risico’s die deze trend met zich meebrengt voor de stabiliteit en capaciteit van de Nederlandse kritieke energie-infrastructuur?
Hoe weegt u de strategische waarde van de Nederlandse energie-infrastructuur voor de bredere leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie, zeker gezien de Nederlandse rol als logistiek knooppunt?
Bent u bereid om samen met de Ministeries van I&W, Defensie en EZK in kaart te brengen hoe de toekomstige afhankelijkheden van brandstoffen zich ontwikkelen en wat de concrete gevolgen hiervan zijn voor defensie, de burgerluchtvaart en kritieke energie-infrastructuur?
Wat is uw reactie op de prognose uit het rapport dat de importafhankelijkheid voor brandstoffen in 2040 zal stijgen naar 46% voor Nederland en maar liefst 72% voor de gehele Europese Unie? Welke risico’s ziet u hierin voor onze strategische autonomie?
Hoe reflecteert u op de aanbeveling dat de Nederlandse overheid, in EU-verband, een kritieke ondergrens voor productiecapaciteit moet vaststellen en de noodzakelijke instrumenten moet inzetten om deze capaciteit operationeel te houden voor de vitale brandstofvoorziening?
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland en de EU stevenen op een verhoogde kwetsbaarheid door een groeiende afhankelijkheid van externe brandstofimporten? Welke stappen ziet u om deze trend te keren?
Op welke wijze borgt u het behoud van de kritieke energie-infrastructuur op Nederlands grondgebied? In hoeverre worden hierbij de specifieke vereisten voor militaire mobiliteit en de collectieve Europese verdediging meegewogen?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de huidige Methaanverordening potentieel 90% van de huidige wereldwijde olie-import diskwalificeert en de kosten voor het Europese bedrijfsleven kan laten oplopen tot 80 miljard euro?
Bent u bereid de conclusies uit dit rapport te integreren in de aangekondigde «Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie»? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze visie tegemoet zien?
Bent u, mede in het licht van de bevindingen over de leveringszekerheid, bereid om de extra voorwaarden voor de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) voor de raffinagesector te heroverwegen, aangezien dit momenteel fungeert als een nationale kop op Europese regelgeving?
Hoe kijkt u aan tegen de gereedstelling van de krijgsmacht en de risico’s van brandstoftekorten die kunnen optreden in de toekomst?
Kunt u uiteenzetten hoe hij tegen de conclusie aankijkt dat in geval van een conflict de krijgsmacht voorrang moet krijgen op de beschikbaarheid van brandstoffen?
Welk specifiek beleid voert het Ministerie van Defensie op het hebben van voldoende brandstoffen in het geval van een conflict?
Kunt u ingaan op de conclusies in het rapport in het licht van de huidige brandstofstrategie van Defensie, ook in NAVO en Europees verband?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de conclusies van het rapport?
Kunt u deze vragen 1 voor 1 beantwoorden?
Visa voor Russische staatsburgers |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IND vernedert Buitenlandse Zaken» in de NRC, d.d. 29 april 2026?1
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 aan duizenden Russische zeelieden visa heeft verstrekt? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op de Russische schaduwvloot? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, zoals het schip Sergey Bodrov, dat met de export van nikkel een belangrijke bijdrage levert aan de Russische oorlogskas?
Nederland weigert op grond van de Europese sanctiepakketten de toegang tot havens en sluizen aan Russisch gevlagde schepen, aan EU-gesanctioneerde schepen en aan schepen die gelieerd zijn aan gesanctioneerde personen of entiteiten. Zeevarenden op deze schepen kunnen daarom niet aan- en afmonsteren in Nederlandse havens. Er worden dan ook geen visa uitgegeven voor deze doeleinden. Nederland verstrekt visa conform de geldende Europese regelgeving, waaronder de Europese Visumcode en de Europese richtsnoeren inzake de afgifte van visa met betrekking tot Russische aanvragers. Deze richtsnoeren leggen geen extra beperkingen op voor zeevarenden. Russische zeevarenden kunnen in lijn met EU regelgeving derhalve een Schengenvisum krijgen. Het klopt dat in 2025 een groot aantal visa is verstrekt aan Russische zeevarenden die in Nederland moeten aan- of afmonsteren. Op Nederlands gevlagde schepen werken ook Russische zeevarenden. Het beleid ten aanzien van Russische zeevarenden is op 1 september 2025 echter aangescherpt. Uitsluitend Russische zeevarenden die varen voor bij de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Rederijen (KVNR) aangesloten rederijen mogen gebruikmaken van de versnelde Blue Carpet-procedure. Overige zeevarenden moeten de reguliere procedure doorlopen, waarvoor een beperkt aantal slots beschikbaar is. In alle gevallen is een officiële uitnodiging van de rederij vereist. Uitnodigingen van tussenpersonen/uitzendbureaus worden niet meer geaccepteerd. Sinds 1 september 2025 is de geldigheidsduur beperkt tot negen maanden (multiple entry) met een maximale verblijfsduur van 15 dagen, sindsdien is een dalende trend zichtbaar in het aantal afgegeven visa.
Het is niet bekend hoeveel Russische zeevarenden werkzaam zijn op de Russische schaduwvloot of op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, omdat deze schepen onder een buitenlandse vlag varen of soms zelfs onder een valse vlag.
Hoe rechtvaardigt u dat Russische zeelieden dankzij de visumverlening van Nederland activiteiten kunnen ontplooien die de Russische staatskas spekken, terwijl onafhankelijke Russische journalisten, fotografen en kunstenaars zonder «vestigingsgevaar» de toegang tot Nederland wordt geweigerd?
Russische zeevarenden en Russische journalisten, fotografen en onafhankelijke kunstenaars kunnen gebruikmaken van de reguliere aanvraagprocedures.
Binnen de ruimte die de Europese regelgeving biedt, zet Nederland zich in voor een zorgvuldige en integrale beoordeling van aanvragen van Russische journalisten en mensenrechtenverdedigers mede gelet op het belang dat het kabinet hecht aan persvrijheid, culturele uitwisseling en de bescherming van mensenrechten. Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten maakten op basis van motie Dobbe (kamerstuk: 32 735, nr. 386) eerder aanspraak op multiple entry visa.2
Visumaanvragen worden in alle gevallen conform de Europese Visumcode individueel beoordeeld. Van de voorwaarde dat het voornemen moet bestaan om het grondgebied van de Lidstaten tijdig te verlaten, kan niet worden afgeweken.
Op individuele visumaanvragen kan het kabinet niet ingaan.
Bent u bekend met de motie Dobbe c.s. (Kamerstuk 32 623-346) over het verschaffen van een veilige multi-entry toegang voor mensenrechtenactivisten en journalisten voor het geval zij gevaar lopen in Syrië, die destijds van Minister Veldkamp de appreciatie «oordeel Kamer» kreeg en met een brede meerderheid door de Tweede Kamer is aangenomen?
Ja.
Bent u bereid om, in de geest van deze motie, Russische mensenrechtenactivisten, journalisten en kunstenaars een multi-entry visum te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Als het gaat om Schengenvisa (visa voor kort verblijf) kunnen mensenrechtenverdedigers en journalisten gebruik maken van de reguliere aanvraagprocedure, hierbij wordt getoetst op de voorwaarden zoals vastgelegd in de EU Visumcode, o.a. ten aanzien van tijdige terugkeer.
In Rusland maken familieleden, mensenrechtenverdedigers en journalisten aanspraak op kort verblijf visa met een langere geldigheidsduur.
Naar de letter van motie Dobbe c.s. (kamerstuk: 32 735, nr. 386) over multiple-entry Schengenvisa aan Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten kan er voor deze groep ook bij een eerste aanvraag een meerjarig visum worden afgegeven. Aan deze motie is het afgelopen jaar in een aantal specifieke gevallen uitvoering gegeven. In het belang van betrokkenen kan over deze gevallen geen publieke informatie worden verstrekt.
Waarom begint de bezwaartermijn bij een visumbesluit al voordat de aanvrager zijn paspoort heeft opgehaald en te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen?
Als een visumaanvraag door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8 van de Awb aan op de dag nadat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Van bekendmaking is sprake indien het besluit aan de aanvrager of zijn gemachtigde is toegezonden of uitgereikt. De bezwaartermijn vangt dus pas aan nadat een aanvrager of zijn gemachtigde te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen. In algemene zin kan worden gesteld dat als de Immigratie- en Naturalisatiedienst in een individuele zaak constateert dat de geregistreerde uitreikingsdatum niet overeenkomt met de daadwerkelijke uitreikingsdatum, aan de hand van de daadwerkelijke uitreikingsdatum wordt beoordeeld of het bezwaar tijdig is ingediend.
Vindt u niet dat het rechtvaardig zou zijn om, wanneer het voor de aanvrager praktisch onmogelijk is om binnen vier weken na het visumbesluit zijn paspoort op te halen, de bezwaartermijn pas na ophalen van het paspoort te laten aanvangen? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 vangt de bezwaartermijn pas aan nadat het besluit bekend is gemaakt. Als de bezwaartermijn wordt overschreden beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst bovendien op grond van artikel 6:11 van de Awb of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval. De aanvrager kan zich ook laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die bevoegd is het visum namens hem of haar op te halen.
Het bericht ‘Excuses, maar geen geld. Waarom Nederland de slachtoffers in Hawija niet compenseert’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Groene Amsterdammer, Investico en BOOS over het gebrek aan compensatie in Hawija?1
Op 14 april 2026 publiceerde BNN-VARA programma BOOS een online aflevering, in samenwerking met onderzoek platform Investico en de Groene Amsterdammer, over de gevolgen van de Nederlandse wapeninzet in Hawija op 2-3 juni 2015. Tijdens het ordedebat van 15 april 2026 verzocht de Kamer om een aanvullende reactie van de regering op de uitzending van BOOS. Op 19 mei heeft het kabinet als reactie hierop de brief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija, april 2026» gestuurd.2 In deze brief wordt ingegaan op de overwegingen ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen inzake de luchtaanval in Hawija en het algemeen beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen.
Welke stappen zijn gezet om te komen tot de gemaakte excuses in Hawija en hoe zijn slachtoffers daarbij betrokken?
Naar aanleiding van de uitkomsten van het rapport van de commissie Sorgdrager bood het kabinet in 2025 excuses aan voor de onbedoelde gevolgen van de Nederlandse luchtaanval in 2015. Toenmalig Minister van Defensie bracht deze excuses ook over aan de burgemeester van Hawija. Op 15 januari 2026 bracht de toenmalig Minister van Defensie een bezoek aan Hawija om in gesprek te gaan met slachtoffers en nabestaanden, de gouverneur van de provincie Kirkuk en de burgemeester van Hawija. Tijdens dit bezoek heeft hij persoonlijk de excuses overgebracht. Daarbij is gesproken met lokale autoriteiten, betrokkenen en inwoners van het getroffen gebied.
Waarom is er geen contact opgenomen met het compensatiekantoor in Kirkuk om informatie te achterhalen over wie de slachtoffers zijn van het bombardement?
Het kabinet heeft in 2020 besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Uw Kamer is de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd over de overwegingen hieromtrent, zoals ook recent uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».3 Gelet op dit besluit, zijn er geen stappen ondernomen om tot concrete vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.
Waarom is er nooit doorgevraagd naar het dossier van PAX, de Universiteit Utrecht en Ashor om informatie te achterhalen wie de slachtoffers zijn van het bombardement?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe kijkt u zelf naar uw uitspraken over dat individuele compensatie van slachtoffers niet mogelijk zou zijn, omdat individueel slachtofferschap en schade niet te achterhalen zouden zijn? Kunt u expliciet maken welke stappen er dan wel zijn gezet om te achterhalen wie de slachtoffers zijn van het bombardement in Hawija?
De vraag wat Defensie voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».4
Waarom stelt u, zonder navraag naar de informatie te hebben gedaan, dat de informatie van PAX, Ashor en de Universiteit Utrecht niet voldoet aan de «juridische lat»? Kunt u dat onderbouwen?
Het kabinet heeft in 2020 besloten niet over te gaan tot vrijwillige compensatie op individueel niveau.
In generieke zin geldt dat bij iedere vorm van compensatie (of die nu vrijwillig is of verplicht) zal moeten worden vastgesteld onder welke voorwaarden en op basis van welk bewijs (c.q. juridische lat) iemand in aanmerking komt voor een vergoeding.
Waar zal de 10 miljoen euro aan compensatie voor de gemeenschap in Hawija aan worden besteed? Wie is betrokken bij het besluit waar dit geld aan zal worden besteed en hoe zijn of worden slachtoffers betrokken?
In het debat over het rapport van de commissie Sorgdrager op 15 mei 2025 heeft Defensie toegezegd circa 10 miljoen euro beschikbaar te maken voor aanvullende projecten. De invulling hiervan wordt op dit moment vormgegeven door het Ministerie van Defensie in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tijdens het bezoek van de voormalig Minister van Defensie aan Hawija in januari jl., heeft hij met verschillende belanghebbenden gesproken over de noden en wensen van de gemeenschap. Deze behoeften zullen in de besteding worden meegenomen.
Deelt u de mening van advocaat Zegveld die stelt dat er geen verschil in slachtofferregeling zou hoeven zijn tussen Mosul en Hawija? Zo niet, kunt u dat beargumenteren?
Zoals uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026» is het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratiabetalingen) het leveren van maatwerk.5 Vrijwillige compensatie kan verschillende vormen aannemen en dient telkens nauwkeurig te worden afgestemd op de aard van de wapeninzet en geleden schade, binnen de context van het desbetreffende conflict. Deze variabelen zijn in elke situatie anders.
Inzake Mosul is de Kamer op 25 maart 2026 geïnformeerd over de hoofdconclusies van het interne onderzoek naar de luchtaanval op 22 maart 2016 te Mosul (Irak). Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van de Nederlandse wapeninzet in Mosul, heeft Defensie besloten de nabestaanden een vrijwillige financiële tegemoetkoming aan te bieden. Er was, met de kennis van nu, geen sprake van een legitiem militair doelwit. Bovendien heeft Defensie de geleden schade met grote waarschijnlijkheid eigenstandig in kaart kunnen brengen. Een tegemoetkoming is daarom gepast en uitvoerbaar.
In Hawija is daarentegen het standpunt van Defensie dat de aanval rechtmatig was. Het kabinet heeft destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau, om de redenen uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».6
Tot slot, wijs ik u op de lopende rechtszaak die slachtoffers en nabestaanden van de wapeninzet in Hawija hebben aangespannen tegen de Nederlandse Staat. In deze zaak buigt de rechtbank zich over de vraag of de gevolgen van de wapeninzet in Hawija te wijten zijn aan onrechtmatig handelen door de Staat. Defensie wacht de uitspraak van de rechtbank af.
Waarom was het bij andere oorlogen met burgerslachtoffers wel mogelijk om individuele schadevergoedingen uit te keren, en bij de slachtoffers van Hawija niet? Kunt u in uw antwoord ingaan op de voorbeelden die genoemd worden in het artikel van de Groene Amsterdammer, Investico en BOOS?
Zie het antwoord op de bovenstaande vraag. In het specifieke geval van Afghanistan heeft Nederland, net als meerdere partnerlanden, in de periode 2002–2021 vrijwillige betalingen uitgekeerd.7 De aard van de inzet in Afghanistan was een andere dan die in Irak tegen ISIS. In Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijding van ISIS. Dit verschil in karakter van de missie is van invloed op de overwegingen ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen.
Het is tevens voorgekomen dat na een rechterlijke uitspraak Nederland alsnog individuele schadevergoedingen heeft toegekend, zoals eerder is gedaan naar aanleiding van rechtszaken die zijn aangespannen door slachtoffers en/of nabestaanden uit Srebrenica (Bosnië) en Chora (Afghanistan).
Bent u bereid om alsnog te onderzoeken op welke manier individuele compensatie van slachtoffers van het bombardement in Hawija uitgekeerd kan worden met de beschikbare informatie over slachtoffers van het bombardement die tot nu toe nog niet is betrokken?
Nee. Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u deze vragen in ieder geval beantwoorden voor het plenaire debat over het addendum op het rapport van de Commissie onderzoek wapeninzet Hawija?
Ja.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het bericht 'Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking ‘propaganda’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in The Guardian getiteld «Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking «propaganda»»?1
Ja.
Zijn er Nederlandse militairen aanwezig geweest bij deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom waren ze bij deze gesprekken? Wat brachten ze (eventueel) in namens Nederland?
Dergelijke gesprekken worden onder andere gevoerd met hooggeplaatste functionarissen binnen de NAVO, van wie een deel de Nederlandse nationaliteit kan hebben. Deze functionarissen schuiven aan vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en inhoudelijke expertise, en spreken niet namens Nederland.
Wat was het doel van deze gesprekken? Waarom heeft de NAVO deze gesprekken georganiseerd?
Om berichtgeving over de NAVO zo actueel mogelijk te houden, is het voor televisie- en filmproducenten interessant om meer te weten te komen over wat de NAVO doet en hoe de besluitvorming binnen de NAVO werkt.
Wie waren aanwezig bij deze gesprekken? Kan de Kamer de deelnemerslijst ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van de deelnemerslijst aangezien dit een NAVO-aangelegenheid betreft.
Kunnen de gespreksverslagen van deze bijeenkomst naar de Kamer worden gestuurd? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van gespreksverslagen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
In het artikel wordt gesteld dat deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten zouden hebben geresulteerd in «drie afzonderlijke projecten», kan de Kamer een beschrijving van deze drie projecten ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van een beschrijving van de drie projecten. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Vindt u het wenselijk, gepast en logisch voor de NAVO om zich bezig te houden met het werk van televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom?
Het kabinet steunt de NAVO volmondig bij het publiekelijk communiceren over de doelstellingen en activiteiten van het bondgenootschap. Het kabinet acht het waardevol dat de NAVO zich binnen de daarvoor geldende kaders zo open en transparant mogelijk opstelt naar het publiek, de media en andere actoren in het publieke domein. De NAVO beschermt al sinds de oprichting de vrije en democratische samenleving, door de vrede en veiligheid binnen het gehele bondgenootschap te bewaken. In die vrije samenleving staat het geïnteresseerden vrij om met de NAVO in gesprek te gaan over de belangrijke uitdagingen die voor ons liggen, en staat het televisie- en filmproducenten vrij om de door de NAVO verschafte informatie naar eigen inzicht te gebruiken.
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
De artikelen 'Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af' en 'Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af»1 en «Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de opstelling van de directeur van de Biënnale die stelt dat de Biënnale boven geopolitieke conflicten staat en dat kunst de dialoog op gang brengt?
Het kabinet gaat niet in op uitspraken van de directeur van een autonome culturele instelling. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de aanwezigheid van Rusland ten zeerste veroordeeld, net als vele andere Europese Ministers. Tegelijkertijd is het evenement benut om steun te betuigen aan Oekraïne.
Is over de aanwezigheid van het Koninklijk paar bij de opening een bewust besluit genomen waar u als Minister van Buitenlandse Zaken bij betrokken was? Zo ja, is kunt u toelichten wat uw afweging was om hiermee in te stemmen?
Er is afstemming geweest binnen het kabinet over de aanwezigheid van het Koninklijk Paar en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening van het Nederlandse paviljoen voorafgaand aan de opening, gezien het zestigste jubileum van de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale. Er was geen Nederlandse delegatie aanwezig bij de algemene opening van de Biënnale.
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne. Zo hebben het Koninklijk Paar en de Minister een ontmoeting gehad met de Oekraïense Minister van cultuur.
Tegelijkertijd is de Biënnale één van de belangrijkste evenementen op de internationale culturele agenda. De Biënnale is in essentie het platform van kunstenaars, waarbij artistieke vrijheid belangrijk is. Die vrijheid moeten we beschermen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is er ook geweest om dat te benadrukken.
Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen en tegelijkertijd te blijven benadrukken dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren.
Deelt u de zorg dat de aanwezigheid van het staatshoofd bij de opening van een evenement waar tegelijkertijd officiële, door het Kremlin gefinancierde kunst te zien is, onbedoeld een signaal van legitimering of normalisering van de Russische aanwezigheid kan afgeven?
Zoals eerder benoemd is deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen voor Nederland onaanvaardbaar. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, samen met 21 andere Europese cultuurministers en in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een protestbrief gestuurd aan de organisatoren van de Biënnale en een verklaring ondertekend vanuit Oekraïne tegen de deelname van Rusland. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne.
Er zijn daarnaast verschillende maatregelen genomen om interactie met Rusland te voorkomen in overeenstemming met bestaand beleid. Uiteraard waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending vanzelfsprekend niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl. Ook heeft Nederland niet deel genomen aan de algemene opening van de Biënnale op 9 mei jl. Daarnaast heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in haar openingsspeech van het Nederlands paviljoen ook nog expliciet aangegeven dat de Russische deelname aan de Biënnale voor Nederland onacceptabel is.
Hoe rijmt u de aanwezigheid van het staatshoofd met het Nederlandse beleid om Rusland internationaal zoveel mogelijk te isoleren zolang de agressieoorlog in Oekraïne voortduurt?
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen, Oekraïne te ondersteunen en tegelijkertijd aan te geven dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren. Ook werd elk contact vermeden met de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending. Tevens waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl.
Als de Biënnale boven geopolitieke conflicten gaat, hoe rijmt u dat dan met de opstelling van de jury om geen prijzen toe te kennen aan landen die door het Internationaal Strafhof worden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de deelname van Rusland aan de Biënnale, een land dat een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, sinds 2022 om die reden is uitgesloten van deelname en nu deelneemt met een volledig door de Russische regering gefinancierde delegatie kunstenaars?
Zoals eerder benoemd is deelname vanuit Rusland aan internationale culturele evenementen onaanvaardbaar. Hierover heeft Nederland zich uitgesproken, zie hiervoor vraag 4.
Wat zegt u dit over hoe Italië kijkt naar de Russische oorlog in Oekraïne, aangezien ook bij de paralympics in Milaan opeens Russische sporters weer onder Russische vlag mochten deelnemen? Is dit onderwerp van gesprek met uw Italiaanse counterpart?
Italië is gastland van de Biënnale en afgelopen jaar van de Paralympics. Beide events worden georganiseerd door onafhankelijke organisaties, namelijk het bestuur van de Biënnale en het Internationaal Paralympisch Comité (IPC). De internationale sport en cultuursector opereren autonoom. Besluiten van internationale sportfederaties of cultuurinstellingen over deelname aan internationale evenementen zijn in beginsel aan hen, en die autonomie hebben wij te respecteren.
Italië heeft ook haar onvrede uitgesproken over deelname van Rusland aan de Biënnale en de paralympics en heeft het bestuur van de Biënnale en het IPC opgeroepen het besluit te herzien, in overeenstemming met andere landen en de Europese Commissie. Verder heeft zij ook aangegeven als gastland in gesprek te zijn met beide organisaties en na te gaan in hoeverre zij druk kunnen uitoefenen om tot herziening van besluit te komen. Over beide evenementen heeft Nederland in nauw contact gestaan met Europese partners inclusief Italië.
Deelt u de analyse dat in het huidige autocratische Rusland kunst en cultuur nooit losstaan van de staat, maar juist door het Kremlin worden ingezet als instrument voor (binnenlandse) propaganda en het normaliseren van een paria-status?
Het kabinet deelt de analyse dat het Kremlin kunst en cultuur actief inzet als instrument van de staat. Onder president Poetin is de ruimte voor onafhankelijke kunst en cultuur sterk ingeperkt en worden grote, door de staat gesteunde instellingen en projecten nadrukkelijk gebruikt voor binnenlandse propaganda, imperiale beeldvorming en het legitimeren van het huidige beleid.
Tegelijk is het belangrijk te onderstrepen dat niet alle Russische kunstenaars en culturele instellingen met het regime vereenzelvigd kunnen worden. Er zijn nog altijd onafhankelijke en kritische stemmen, zowel binnen Rusland als in de ballingschap. Onder grote druk en risico’s blijven zij hun werk voortzetten.
Deelt u de mening dat het toestaan van een officiële Russische delegatie ontmoedigend is voor de Oekraïense bevolking die vecht voor hun en onze vrijheid, omdat Rusland hiermee als een gelijkwaardige partner wordt behandeld?
Oekraïne heeft delegaties van andere landen actief verzocht om aanwezig te zijn bij de Biënnale, om een tegengeluid te geven aan de Russische deelname. Nederland heeft mede daarom ervoor gekozen om aanwezig te zijn en Oekraïne in hun oproep te steunen.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het opschorten van Europese subsidies aan de Biënnale zolang een officiële Russische delegatie wordt toegelaten, in lijn met de eerdere waarschuwing van de Europese Commissie?
De Commissie heeft in de Raad Buitenlandse Zaken van april aangegeven dat het besloten heeft om de EU-financiering aan de Biënnale stop te zetten. Zoals eerder benoemd betreurt Nederland de deelname van Rusland aan de Biënnale. Nederland heeft het bestuur van de Biënnale in EU-verband opgeroepen het besluit om Rusland toe te laten te herzien.
Het bericht ‘Zelenskyy threatens Israelis with sanctions over stolen grain’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Israëlische autoriteiten om tot tweemaal toe door de Europese Unie (EU) gesanctioneerde schepen uit de Russische schaduwvloot aan te laten meren en hen toe te staan graan uit door Rusland bezette delen van Oekraïne te exporteren?1
Heeft u signalen dat Israël de afgelopen jaren vaker graan uit door Rusland bezette gebieden heeft geïmporteerd?
Hoe beoordeelt u deze stappen van de Israëlische regering en welk effect hebben die op de handhaving van sancties jegens Rusland?
Hoe beoordeelt u het financieren van de Russische oorlogskas in relatie tot het associatieakkoord tussen de EU en Israël, in het bijzonder artikel 2?
Bent u het ermee eens dat het aankopen van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne bijdraagt aan de financiering van de Russische agressieoorlog op het Europese continent, en daarmee indruist tegen zowel Europese veiligheidsbelangen als het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen overweegt u richting de Israëlische regering om de import van dergelijk illegaal verkregen graan te stoppen?
Bent u bereid om, in navolging van Oekraïne, te streven naar aanvullende sancties tegen de bedrijven, entiteiten en functionarissen die op deze wijze bijdragen aan export uit bezet gebied? Zo ja, maakt u dit een inzet bij het 21ste sanctiepakket? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, een voor een, beantwoorden?
Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Het bericht: 'Sweden Drops Use of the Term Islamophobia' |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sweden Drops Use of the Term «Islamophobia»»?1
Ja.
Klopt het dat Zweden niet langer de term Islamofobie gebruikt?
De Zweedse regering heeft in december 2024 een actieplan tegen racisme en haatmisdrijven aangenomen. Uit dat actieplan wordt duidelijk dat het begrip antimoslimracisme het begrip islamofobie vervangt in alle officiële communicatie.
Zoals de Zweedse Minister van Buitenlandse Zaken op 24 april jl. aan het Zweeds parlement heeft toegelicht, zijn de redenen daarvoor dat het woord «fobie» doet denken aan irrationele angsten van individuele personen, in plaats van aan discriminatie, uitsluiting en racisme. Bovendien kan het begrip de indruk wekken dat het uitsluitend gaat om de opvatting over de islam als religie en niet om de opvatting over moslims.
Klopt het dat Zweden ook binnen de verschillende gremia van de EU nu aandringt om deze term niet langer te gebruiken?
Ook binnen de EU heeft de verandering van «islamofobie» naar «anti-moslim discriminatie» of «anti-moslim-haat» al plaatsgevonden en gebruik van deze aanduidingen is inderdaad staand EU beleid.
Indien dat het geval is kunt u ons toezeggen dat de Nederlandse regering dat verzoek van Zweden steunt? Zo nee waarom niet?
Nederland steunt een breed gedragen uniforme omschrijving binnen de Europese Unie voor de beschrijving van discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. Deze benadering richt zich niet op het beschermen van religies als zodanig, maar op het beschermen van individuen en hun fundamentele rechten. De Zweedse benadering sluit aan bij de bestaande Nederlandse en Europese praktijk.
Los van dit nieuwsbericht over Zweden, is het Nederlandse kabinet bereid de term Islamofobie te schrappen en juist ruimte te geven aan de vrijheid van meningsuiting en religie kritiek? Zo nee waarom niet?
Binnen de Europese Unie is het reeds staande praktijk om de term «anti-moslimhaat» te gebruiken voor discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. In internationale context is dat eveneens de term die Nederland hanteert. In binnenlandse context hanteert Nederland de term «moslimdiscriminatie». Moslimdiscriminatie is wanneer iemand negatief bejegend, uitgesloten of achtergesteld wordt vanwege het feit dat diegene (vermeend) moslim is.2 Voor Nederland is het essentieel dat het tegengaan van haat en discriminatie hand in hand gaat met het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het bericht ‘Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?’ |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?»?1
Hoe duidt u het besluit van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) om het Opec-kartel te verlaten in het licht van de structurele instabiliteit op de mondiale energiemarkt en de toenemende prijsvolatiliteit?
In hoeverre is de invloed van de Opec+ op de wereldwijde olieproductie de afgelopen jaren afgenomen ten gunste van producenten buiten dit kartel?
Welke rol speelt de nauwe samenwerking tussen Rusland en Saoedi-Arabië binnen de Opec+ momenteel bij het kunstmatig hooghouden van de olieprijs?
In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat de verzwakking van de Opec – en daarmee de Opec+-alliantie – de effectiviteit van Russische marktmanipulatie inperkt en daarmee direct de financiering van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne bemoeilijkt?
Hoe beoordeelt u de informatie dat het vertrek van de VAE mede is ingegeven door fundamentele onenigheid binnen de Golfregio over de reactie op de oorlog met Iran en de voortdurende blokkade van de Straat van Hormuz?
Wat betekent het vertrek van de VAE uit de OPEC voor de GCC en wat betekent de eenheid binnen de Gulf Cooperation Council (GCC) voor de belangen van de Europese Unie (EU), niet alleen op het gebied van energiezekerheid maar ook voor de regionale veiligheid?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie in de straat van Hormuz een directe bedreiging vormt voor de mondiale leveringszekerheid en de stabiliteit van de wereldeconomie met inbegrip van de voedselzekerheid? Zo ja wat bent u bereid bij te dragen aan de verbetering van die situatie?
Wat verwacht u dat de toenemende rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië als effect heeft voor de regionale veiligheid?
Verwacht u dat het besluit van de VAE om de OPEC te verlaten de onderlinge rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië zal vergroten en daarmee de mogelijkheden voor samenwerking binnen de GCC bemoeilijkt?
Welke rol ziet u voor Nederland en de Europese Unie om bij te dragen aan het behoud van de eenheid van de GCC als strategische partner, juist nu de spanningen tussen de lidstaten over energie- en veiligheidsbeleid toenemen?
Kan de intensivering van de samenwerking tussen Nederland en de VAE op het gebied van energie-infrastructuur en maritieme veiligheid bijdragen aan de algehele stabiliteit in de regio en, zo ja, op welke manier?
Erkent u dat de toenemende volatiliteit op de oliemarkt de vraag naar alternatieve energiebronnen en technologieën, zoals elektrische voertuigen en zonnepanelen, onvermijdelijk versnelt?
Hoe zet het kabinet zich in om te voorkomen dat deze versnelling leidt tot een nieuwe, eenzijdige afhankelijkheid van onvrije staten zoals China voor de levering van kritieke grondstoffen en componenten?
Op welke wijze waarborgt u dat deze nieuwe afhankelijkheden niet opnieuw als geopolitiek wapen kunnen worden ingezet, naar het voorbeeld van de huidige Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz?
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Het zerotolerancebeleid zoals we dat bij Defensie kennen ten aanzien van drugs is niet onverkort van toepassing op aspirant-militairen. Wel wordt sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling.
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Er is sprake van een beoordeling op een algeheel beeld van een sollicitant, waarbij specifiek ten aanzien van drugs de frequentie, recentheid, context van drugsgebruik, het soort drugs en de leeftijd worden meegenomen bij de afweging. Daarnaast is de reden van het gebruik en het eventuele disfunctionele gedrag als gevolg hiervan ook van belang. Dit geldt zowel voor de psychologische selectie als de medische keuring. In dit laatste geval wordt vooral gekeken naar middelenafhankelijkheid, -misbruik en functioneren.
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Uit een eerdere inventarisatie is gebleken dat in de afgelopen vijf jaar jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag is verleend onder toepassing van het drugsbeleid. Omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van ontslagen wegens drugsgebruik, kan ik met u op dit moment geen gegevens delen van langer geleden.
Over cijfers van het aantal sollicitanten dat is afgewezen vanwege drugsgebruik beschik ik niet, aangezien niet wordt geregistreerd dat een sollicitant specifiek op basis van drugsgebruik wordt afgewezen. Bij de psychologische selectie valt drugsgebruik onder diverse beoordelingspunten, bijvoorbeeld discipline en psychische belastbaarheid of morele verantwoordelijkheid en algemene stabiliteit. Bij de medische keuring kan middelenafhankelijkheid of verslaving betrekking hebben op meerdere bijzondere functie-eisen van de militair, waaronder emotionele piekbelasting en waakzaam kunnen zijn.
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Het gezamenlijk kabinetsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel, mede gezien de taakstelling. Defensie hecht aan het huidige zerotolerancebeleid, omdat de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen vooropstaan. In een cultuur waarin het onderling vertrouwen in elkaars capaciteiten en waakzaamheid voorop staat, is het essentieel dat het belang hiervan niet alleen wordt uitgesproken, maar ook wordt gehandhaafd. Het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen wordt niet getolereerd. Het drugsbeleid bij Defensie heeft daarmee een zekere afschrikwekkende functie, die met voorgaande redenen wordt gerechtvaardigd.
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 13 april 2026 op vragen van het lid Van den Brink (CDA) (2026Z02311) schreef, hanteert Defensie in de kern een zerotolerancebeleid op het gebied van drugs. Het gebruik of bezit van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd en hierop volgt in de regel ontslag. De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd, zonder relatie tot de dienst. In dat geval kan worden volstaan met een waarschuwing.
Ik realiseer me dat een ontslag voor de betrokken militair en diens naasten grote persoonlijke gevolgen kan hebben. Daarom vind ik het belangrijk dat in die gevallen waarin de onverkorte toepassing van het beleid tot onevenredige uitkomsten voor de militair leidt, er de ruimte is om met inachtneming van de specifieke omstandigheden tot een afgewogen besluit te komen waarin het organisatiebelang en het persoonlijk belang op een zorgvuldige manier tegen elkaar zijn afgewogen.
Defensie onderzoekt of en op welke wijze die ruimte kan worden vormgegeven zonder dat dit een negatieve weerslag heeft op de helderheid en houdbaarheid van het onderliggende drugsbeleid. Het in een dergelijk geval kunnen bieden van een tweede kans heeft als secundair effect dat de uitstroom wordt beperkt. Daarnaast is er een Defensiebreed programma ontwikkeld gericht op bewustwording, voorlichting en preventie van alcohol- en drugsgebruik, hetgeen in de loop van dit jaar stapsgewijs binnen de organisatie wordt uitgerold.
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
De risico’s van alcohol- en drugsgebruik zijn niet altijd direct vergelijkbaar en hangen sterk af van de context en specifieke situatie. Zo geldt tijdens uitzendingen en missies in principe een strikt alcoholverbod, waarbij alleen de Commandant der Strijdkrachten op basis van het type missie kan besluiten tot een uitzondering. Defensie erkent dat alcoholgebruik net als drugsgebruik schadelijke effecten kan hebben op inzetbaarheid, veiligheid en groepsdynamiek. Daarom is er blijvende aandacht voor bewustwording, voorlichting en preventie van alcoholgebruik. Dit beleid wordt momenteel verder versterkt door gerichte campagnes en interventies, gericht op het voorkomen van risicovol gedrag en het bevorderen van verantwoord gebruik binnen de organisatie. Hiermee streeft Defensie ernaar een veilige, professionele en goed functionerende krijgsmacht te waarborgen.
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Binnen Defensie wordt drankgebruik niet compleet geaccepteerd. Zie ook vraag 8.
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Het risico dat militairen de organisatie verlaten door een streng drugsbeleid is reëel, vooral in een periode waarin Defensie kampt met personeelstekorten. Het zerotolerancebeleid is echter primair gericht op het waarborgen van veiligheid, inzetbaarheid en discipline binnen de krijgsmacht. Defensie weegt deze uitgangspunten zorgvuldig af tegen de personele uitdagingen. Tegelijkertijd wordt actief geïnvesteerd in werving, behoud en preventie, onder andere door bewustwordingscampagnes en ondersteuning van militairen bij verantwoord gedrag. Op deze manier probeert Defensie het verlies van ervaren personeel zoveel mogelijk te beperken, terwijl het sanctieregime gehandhaafd blijft om de operationele gereedheid en het vertrouwen binnen de organisatie te beschermen.
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Ja, hier zijn we ons van bewust. Ik ga er evenwel vanuit dat sollicitanten naar waarheid verklaren tijdens de sollicitatieprocedure.
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Zoals eerder aangegeven worden sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling. Het roken van een enkele joint in het verleden is op zichzelf geen reden om een sollicitant af te wijzen. Tijdens het selectieproces maken wij op basis van de beschikbare informatie en verschillende selectiecriteria een inschatting van de geschiktheid van een kandidaat. Zie ook beantwoording bij vragen 1, 2 en 3.
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
De reden om binnen Defensie een zerotolerancebeleid voor drugs te hanteren is omdat een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht een scherp drugsbeleid vereist, gezien de negatieve effecten van drugs op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede vanwege de lange periode waarin de werkzame stoffen in het lichaam actief blijven. Daarnaast kan gezamenlijk drugsgebruik leiden tot een groepsbinding die is gebaseerd op negatieve gronden, wat een extra reden vormt om actief op te treden tegen drugs binnen de krijgsmacht. Tot slot zijn er aantoonbare verbanden tussen drugshandel en andere vormen van criminaliteit en wordt het aanzien van het militaire ambt ernstig geschaad wanneer militairen zich op enigerlei wijze inlaten met drugs.
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
Zoals ik eerder heb benadrukt, hecht Defensie aan het huidige zerotolerance beleid, vanwege het grote belang dat wordt gehecht aan de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de discussie over drugsgebruik niet alleen draait om sanctionering, maar ook aspecten als preventiebeleid en het gebruik van alcohol omvat. Daarom is het van belang om het beleid periodiek op compleetheid en effectiviteit te bezien. Momenteel vindt een dergelijk onderzoek plaats, waarbij relevante stakeholders actief worden betrokken.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord»?1
Kunt u de Israëlische aanvallen op de flotilla in de meest krachtige termen veroordelen als een schending van het internationaal recht? Zo neen, waarom niet?
Bent u bereid om de onmiddellijke vrijlating van de gegijzelde opvarenden te eisen?
Bent u het ermee eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Heeft u contact gelegd met de flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Op welke wijze staat u de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers bij?
Bent u bereid om sancties te treffen tegen Israël vanwege de illegale entering van de flotilla?
Bent u bereid om deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden?
Het bericht 'Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord' |
|
Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de Israëlische marine die humanitaire schepen van de Global Sumud Flotilla voor de kust van het Griekse eiland Kreta heeft geënterd en opvarenden heeft ontvoerd?1
Bent u ermee bekend dat Nederlandse deelnemers zich aan boord bevonden van de geënterde schepen?
Welke maatregelen neemt u om hun veiligheid en die van de overige Nederlanders te garanderen?
Erkent u dat het enteren en aanvallen van schepen met burgers en hulpgoederen in internationale wateren een ernstige schending van internationaal recht is?
Bent u bereid publiekelijk steun uit te spreken voor het recht van burgers en organisaties om zich vreedzaam in te zetten voor humanitaire doeleinden en solidariteit te tonen met de Palestijnse bevolking, ook als dit betekent dat zij blokkades vreedzaam proberen te doorbreken?
Welke stappen heeft Nederland tot nu toe ondernomen, of is het bereid te nemen, om veilige en ongehinderde toegang van humanitaire hulp tot Gaza te bevorderen?
Hoe verhoudt het optreden tegen humanitaire schepen zich volgens u tot de verplichtingen van staten onder het internationaal recht?
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van humanitaire hulp in strijd kan zijn met de verplichting om levensreddende hulp toe te laten tot een burgerbevolking in nood? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden gezien de noodsituatie?
De uitzonderlijk grote natuurbrand door een explosieve militaire oefening op de Veluwe |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws over de uitzonderlijk grote brand in een beschermd natuurgebied op de Veluwe dat wordt gebruikt als militair oefenterrein?1
Ja.
Klopt het dat de brand is ontstaan tijdens de oefening «Geweer- en mitrailleurvuur, kanon en werken met explosieven» op 29 april 2026 die op hetzelfde moment op dat terrein plaatsvond, zoals vermeld op de website van Defensie? Klopt het dat deze oefening plaatsvond terwijl in vrijwel geheel Nederland een verhoogd risico op natuurbranden gold?2
Op het moment van uitbreken van de brand gold natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. De brand is veroorzaakt bij het tot ontploffing brengen van explosieven. Het plan voor het springen van deze munitie was goedgekeurd volgens de juiste procedures, door de relevante autoriteiten van het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde).
Wat is uw reactie op deze brand en de verantwoordelijkheid van Defensie hierin?
Ik betreur de situatie zeer en ik spreek mijn waardering uit naar de samenwerkende nationale en internationale hulpverleners. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht, realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Toch zijn bij oefeningen branden ontstaan op en rond militaire terreinen die een impact hebben op de samenleving en waarvan de natuurschade nog duidelijk moet worden.
Hoeveel oppervlakte natuurgebied is door deze brand verloren gegaan? Kunt u specificeren welke natuurtypen en welke (beschermde) dier- en plantensoorten door de brand zijn getroffen of leefgebied hebben verloren?
Er is ongeveer 427 hectare afgebrand. Het getroffen gebied betreft een half open landschap met heideterreinen, vergraste heideterreinen en naaldbossen bestaande uit grove den. De heideterreinen die zijn afgebrand, zijn de terreinen waar de schade voor de natuur het grootst is. Met name de naaldbossen zijn vooral eenvormig en hebben daardoor een lagere natuurwaarde. De overige heideterreinen betreffen vooral vergraste en zogenaamde droge struikheide terreinen met een lagere natuurwaarde. Een klein deel van het getroffen gebied bestaat uit semi-vochtige heide. De vegetatie, waarvoor dit deel een hogere natuurwaarde heeft, is in deze tijd van het jaar nog nauwelijks aanwezig.
Schade aan de fauna in het totale gebied betreft vooral insecten, reptielen en broedende vogels en hun nesten voor zover deze zich bevonden op de bodem of in struiken. Er zijn observaties ten tijde van de brand waaruit blijkt dat grotere fauna voor het vuur konden wegkomen. Er zijn geen resten van grotere fauna gevonden in de dagen na de brand.
In het verbrande deel nestelt sinds vier jaar een visarend met jaarlijks broedsucces. Het terrein rondom het nest is verbrand. Direct na de brand bleken beide oudervogels nog op het nest te zitten en vertonen op dit moment natuurlijk broedgedrag.
Welke gevolgen heeft deze brand voor de biodiversiteit en ecologische kwaliteit van het getroffen gebied op de korte en lange termijn?
Voor al het bodemleven geldt dat een groot deel de brand kan hebben overleefd; het vuur is erg snel over het gebied gegaan en de humuslaag is maar enkele millimeters ingebrand. Enkele dagen na de brand zijn veel vlinders en insecten waargenomen, evenals actieve rode bosmieren en er zijn op de zwarte bodem veel zandspoortjes aanwezig van insecten die weer uit de bodem naar boven zijn gekomen.
In opdracht van Defensie is het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) direct na de brand gestart met herstelmaatregelen. Het beheer is gericht op het tegengaan van vergrassing en herstel van de structuur van bodem en vegetatie. In de delen van het terrein waar de vergraste heide is afgebrand, is gestart om de regeneratie van gras te hinderen, zodat de hei kan uitlopen en de natuurwaarde in dit deel van het terrein zal profiteren. Tevens zijn stobben in het gebied gelegd om reptielen en insecten schuilgelegenheid te bieden. Een afgebrand deel van het terrein herbergt grote aantallen grauwe klauwwier. Het broedseizoen van deze trekvogel is nog niet begonnen. Om deze soort te helpen, zijn takkenhopen van grove den aangebracht, omdat de grauwe klauwier een voorkeur heeft om in omgewaaide grove dennen nesten te bouwen. Deze natuurbeheer maatregel heeft het RVB de afgelopen jaren ook als regulier beheer voor deze Natura2000 soort toegepast.
In de bossen wordt geen beheer uitgevoerd. Het is de verwachting dat de komende jaren de aangetaste bossen zullen verloofen. Het getroffen naaldbos zal versneld worden omgevormd naar meer ecologisch waardevol loofbos door komende winter loofhout aan te planten. Hierdoor zal de natuurwaarde stijgen, ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.
Bovenstaande betekent dat er schade is aan het terrein, maar dat op lange termijn de ecologische kwaliteit kan worden versterkt.
Welke risicoanalyses zijn voorafgaand aan deze oefening uitgevoerd met betrekking tot droogte, hitte en natuurbrandgevaar? Welke preventieve maatregelen zijn voorafgaand aan de oefening wel en niet getroffen?
Bij het uitbreken van de brand gold de door de veiligheidsregio afgekondigde natuurbrandrisico fase 2. Voor elke oefening worden risico-inventarisaties uitgevoerd. Hierin worden alle mogelijke aspecten meegenomen, waaronder zaken gerelateerd aan de omgeving zoals omgang met droogte. De preventieve maatregelen zoals vermeld in ons protocol zijn genomen, zoals de aanwezigheid van brandbestrijdingscapaciteit. Voor het Artillerieschietkamp gelden tevens afspraken over extra mitigerende maatregelen ten aanzien van brandbestrijding en risicobeperking. Deze afspraken zijn vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Beschikt Defensie over een specifiek droogteprotocol voor oefeningen met vuurwapens, explosieven of andere pyrotechnische middelen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid een dergelijk protocol alsnog op te stellen?
Ja. Het interne Defensieprotocol sluit wat betreft droogte aan bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. In beide documenten wordt onderscheid gemaakt in twee fasen: fase 1 waarin nog geen extra maatregelen worden getroffen maar wel voorzichtigheid wordt geadviseerd en fase 2 in tijden van langere droogte. In fase 2 wordt ook publiekelijk een oproep gedaan om extra alert te zijn en in sommige natuurgebieden is open vuur verboden.
Welke criteria worden momenteel gehanteerd bij de beslissing om oefeningen met pyrotechnische middelen wel of niet door te laten gaan tijdens periodes van droogte of verhoogd natuurbrandrisico? Is er een verschil in criteria tussen oefeningen op beschermd en onbeschermd natuurgebied als het gaat om oefeningen met pyrotechnische middelen?
De veiligheidsregio kondigt de natuurbrandrisicofase af. Op basis van de actieve fase staat in het protocol welke maatregelen noodzakelijk zijn. Er is geen onderscheid tussen soorten terreinen. Bij alle activiteiten, waaronder oefeningen, worden risico-inventarisaties gedaan. Hierin worden, zoals gezegd, zowel de activiteiten als de specifieke omgeving meegewogen. Bij natuurbrandrisicofase 2 hanteert Defensie een protocol dat beperkingen oplegt aan de toegestane activiteiten en verplichtingen oplegt voor aanvullende risicobeperkende maatregelen. Voor het Artillerieschietkamp houdt Defensie zich ook aan de extra mitigerende maatregelen uit het convenant met Defensie en de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Herinnert u zich dat, na de brand op de Ginkelse heide vorig jaar april, Defensie aankondigde dat oefeningen niet zouden worden stilgelegd, maar dat soldaten extra alert zouden worden gemaakt op bestaande procedures? Bent u van mening dat soldaten nu extra alert zijn gemaakt? Op welke wijze is dit gebeurd?3
Na de brand op de Ginkelse Heide in april vorig jaar is specifiek aandacht gevraagd voor het bestaande protocol, zowel in de operationele lijn naar commandanten van eenheden als naar terreinopzichters en veiligheidsfunctionarissen. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol nogmaals te bespreken.
Bent u bereid dit soort explosieve oefeningen tijdelijk op te schorten zolang sprake is van aanhoudende droogte en verhoogd natuurbrandgevaar in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In grote delen van Nederland zijn we terug naar natuurbrandrisico fase 1 waarin geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen, maar we gebruiken tot 18 mei geen lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen. In het geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, oefenmunitie en pyrotechnische, spring- en onstekingsmiddelen op oefenterreinen tijdelijk stilgelegd, totdat de eventuele aanpassingen aan het protocol helder zijn. Voor de grote schietterreinen ISK en ASK geldt dat een risico analyse moet uitwijzen wat ten tijde van een oefening de beperkende maatregelen zijn omdat op deze locaties een brandweerorganisatie aanwezig is.
Bent u bereid om dit soort explosieve militaire oefeningen met pyrotechnische middelen te verbieden in beschermd natuurgebied, zodat niet mogelijk nog meer beschermde natuur verloren gaat? Zo nee, waarom niet?
Nee, we zullen dergelijke oefeningen niet verbieden op onze schiet- en oefenterreinen. Oefeningen zijn essentieel voor de gereedheid van onze krijgsmacht. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving om deze situaties zoveel mogelijk te voorkomen. Het Artillerieschietkamp is ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en nadrukkelijk ook -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie ook bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden.
Welke gezondheidsgevolgen kan deze grote brand hebben voor omwonenden, hulpverleners, dieren en de natuur, onder andere vanwege rook, fijnstof en mogelijke uitstoot van schadelijke stoffen?
De veiligheidsregio maakt een inschatting van de eventuele gezondheidsgevolgen en kan, via een NL Alert, de omgeving bijvoorbeeld adviseren om ramen en deuren gesloten te houden. Dit om eventuele gezondheidsgevolgen voor omwonenden te beperken. Bij de natuurbrand op het terrein van het ASK is dit middel ook ingezet.
Leiden de uitbreidingsplannen van Defensie mogelijk tot extra gezondheids- en brandrisico’s voor Nederlanders en Nederlandse natuur?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s. De noodzakelijke uitbreidingsplannen van Defensie leiden daarom niet per definitie tot extra gezondheids- en brandrisico’s.
Op welke wijze gaat u zich inzetten voor herstel van de getroffen natuur? Welke concrete herstelmaatregelen worden overwogen of uitgevoerd?
Zie de beantwoording op vraag 5.
Worden militaire oefeningen in het getroffen gebied tijdelijk stilgelegd totdat op zijn minst de natuur voldoende is hersteld? Zo nee, waarom niet?
Direct na de brand zijn de geplande militaire activiteiten op het Artillerieschietkamp tijdelijk stilgelegd om de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen de natuurbrand te bestrijden. Het bestaande protocol blijft gelden, waarbij Defensie rekening houdt met de herstellende natuur. Dit betekent onder andere dat het rustgebied voor fauna wordt gerespecteerd en dat beschermde habitattypen worden behouden.
Bent u bereid de bestaande procedures rond militaire oefeningen in natuurgebieden aan te scherpen om herhaling van dergelijke branden te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
We gaan de uitzonderingsprocedures zoals benoemd in het huidige protocol voor oefeningen in droge periodes opnieuw bekijken. Er zijn momenteel uitzonderingen mogelijk op het verbod om gebruik te maken van bijvoorbeeld spring- en ontstekingsmiddelen. Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Aanvullend op het huidige protocol is besloten om het gebruik van lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen tot 18 mei 2026 niet toe te staan. We zijn in gesprek met o.a. de veiligheidsregio’s om ons protocol, de processen en procedures tegen het licht te houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) heeft Defensie verzocht om het veiligheidsbeleid (voorschriften en protocollen) rondom oefeningen te evalueren en uiterlijk 1 juli 2026 de uitkomsten te rapporteren aan IL&T. Defensie gaat dit uitvoeren.
De Kamer zal worden geïnformeerd over deze evaluatie en de eventuele aanpassingen van het veiligheidsbeleid.
Bent u het ermee eens dat dit soort risicovolle explosieve oefeningen in tijden van droogte in beschermd natuurgebied buiten de reikwijdte vallen van de geldende natuur- en milieuwetgeving en daarmee strijdig zijn met de door de Kamer aangenomen motie over opereren binnen de natuur- en milieuwetgeving (Kamerstuk 36 592, nr. 50)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Defensie houdt zich aan de geldende wet- en regelgeving, ook als zij op een militair oefenterrein aan oefenen is.
Bent u bereid om in de toekomst zo veel mogelijk te kiezen voor ander militair oefenterrein dan natuur?
Nee. Militaire oefenterreinen worden zo ingericht en beheerd dat militairen veilig en natuurgetrouw kunnen oefenen. Dat is het primaire doel van de terreinen. Daarnaast wordt op de terreinen veel inzet gepleegd om de natuurwaarden te optimaliseren, waardoor op meerdere terreinen een positieve dynamiek is ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Hierover is de Kamer in 2023 geïnformeerd.4
Veel Defensieterreinen liggen vanwege de benodigde ruimte en inrichting in of naast natuurgebieden. Defensie en natuur gaan over het algemeen goed samen, zoals onder andere blijkt uit het rapport dat naar uw Kamer is verzonden in juni 2023. Het is ook om die reden dat ik het betreur dat branden zijn ontstaan op onze terreinen waardoor natuurschade is opgetreden. Ik heb er alle vertrouwen in dat door de genomen herstelmaatregelen de natuur zal herstellen en mogelijk zal verbeteren.
Bent u het eens dat provincies, als medeverantwoordelijken voor natuurbescherming en -herstel, bij extreme droogte zouden moeten kunnen ingrijpen op explosieve militaire oefeningen in en bij natuur?
Het convenant brandveiligheidsplan van het Artillerieschietkamp is in gezamenlijkheid met de Veiligheidsregio en de betreffende gemeenten opgesteld.
Kunt u deze vragen, gezien de aanhoudende droogte en de vooralsnog continuerende oefeningen van Defensie, één voor één spoedig beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Qatar de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) zou hebben omgekocht |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Wall Street Journal waarin ernstige beschuldigingen tegen Karim Khan, de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC), als ook de regering van Qatar besproken worden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over een getuigenverklaring en audio-opnames waarin wordt gesuggereerd dat Qatar steun en bescherming zou hebben aangeboden aan Khan, in relatie tot de uitgevaardigde arrestatiebevelen tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant?
Zoals het betreffende artikel van de Wall Street Journal ook stelt, kunnen de gemaakte beschuldigingen tegen Qatar en aanklager Khan niet zonder nader onderzoek bevestigd worden. Voor wat betreft de relatie met de arrestatiebevelen wijst het kabinet erop dat de arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof (ISH) niet worden uitgevaardigd door de aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel.
Beschikt het kabinet over eigen informatie die deze berichtgeving bevestigt of ontkracht? Zo nee, ziet u aanleiding om deze signalen via diplomatieke of internationale kanalen te (laten) verifiëren?
Het kabinet beschikt niet over eigen informatie die de in de berichtgeving genoemde beschuldigingen bevestigt of ontkracht. Het kabinet neemt kennis van het door Qatar afgegeven statement2, waarin de beschuldigingen categorisch worden ontkend en als ongegrond worden bestempeld. Gelet op de ernst van de aantijgingen en het belang van de onafhankelijkheid en integriteit van het Internationaal Strafhof, blijft het kabinet de berichtgeving nauwlettend volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Welke gevolgen kan de recente berichtgeving, in samenhang met eerdere onthullingen door The Guardian2, hebben voor de geloofwaardigheid en het functioneren van het ICC in het algemeen en voor de positie van de hoofdaanklager in het bijzonder? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
De ambtsdragers van het Hof dienen te worden gehouden aan de hoogste standaarden. Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome.
Het kabinet stelt voorop dat de ambtsdragers van internationale hoven en tribunalen hun mandaat ongehinderd moeten kunnen uitvoeren, zonder enige vorm van bedreiging, intimidatie of beïnvloeding. Het is van belang dat alle 125 verdragspartijen bij het Statuut van Rome de ambtsdragers van het Hof ten volle beschermen en het werk van het ISH in de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven faciliteren. Als gastland heeft Nederland daarbij specifieke verplichtingen onder het Zetelverdrag, onder andere voor wat betreft de fysieke veiligheid. Daarnaast dienen alle staten de onafhankelijkheid van de organen van het ISH te respecteren en zich te onthouden van inmenging in de strafvorderlijke beslissingen van het Hof.
Hoe wordt binnen het ICC gewaarborgd dat de plaatsvervangende aanklagers onafhankelijk opereren en niet vatbaar zijn voor externe beïnvloeding vanuit Qatar en elders? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
Het toepasselijke juridische kader – dat onder andere bestaat uit het Statuut van Rome, de Rules of Procedure and Evidence, relevante administratieve besluiten van het Hof en resoluties van de Vergadering van verdragspartijen – voorziet in gedragscodes voor gekozen ambtsdragers en in de mogelijkheid van disciplinaire en strafrechtelijke procedures. In dit kader kan het interne toezichthoudende orgaan – het Independent Oversight Mechanism (IOM) – onderzoek doen naar vermeend wangedrag van gekozen ambtsdragers en werknemers van het ISH. Dit kan leiden tot disciplinaire maatregelen, en in het geval van ernstig wangedrag en/of ernstig plichtsverzuim, tot ontzetting uit het ambt.
Daarnaast heeft het ISH rechtsmacht over enkele misdrijven gericht tegen de rechtspleging, waaronder «het hinderen, intimideren of door middel van omkoping beïnvloeden van een beambte van het Hof teneinde deze te dwingen of over te halen zijn bediening niet of onjuist te vervullen» en het «als beambte van het Hof in samenhang met zijn bediening vragen om steekpenningen of het aannemen daarvan» (zie artikel 70 van het Statuut van Rome). Het toepasselijke juridische kader voorziet ten aanzien van deze procedures niet in een bijzondere rol voor het gastland van het Hof. Het Strafhof kan alle verdragspartijen, waaronder ook Nederland, verzoeken om ondersteuning bij onderzoeken in geval van eventuele misdrijven tegen de rechtspleging.
Nederland heeft als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag om de organen van het Hof te faciliteren bij het onafhankelijk uitvoeren van hun mandaat. Nederland heeft doorlopend contact met het ISH, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Indien nodig op grond van actuele dreigingsinformatie, treft Nederland de nodige veiligheidsmaatregelen.