De staatsbegrafenis voor oorlogsmisdadiger Ratko Mladić in Servië |
|
Tom van der Lee (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Klopt het dat oorlogsmisdadiger Ratko Mladić in Servië wordt begraven met de hoogste militaire en staatseer zoals Minister Nenad Vujić heeft gezegd?
De uitvaart van Ratko Mladić in Belgrado werd gekenmerkt door militair eerbetoon en aanwezigheid van regeringsleden. Het kabinet vindt het gegeven eerbetoon zeer ongepast en bijzonder kwetsend voor de slachtoffers en nabestaanden, waaronder van de Srebrenica-genocide. Dit past niet bij wat wij van een EU kandidaat-lidstaat verwachten en druist sterk in tegen de gemeenschappelijke Europese waarden.
Wat vindt u van het feit dat de oorlogsmisdadiger die verantwoordelijk was voor de grootste massamoord in Europa na de Tweede Wereldoorlog een begrafenis met bijzondere eer krijgt in Servië?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid in contact met de Servische regering over te brengen dat de eer die aan oorlogsmisdadiger Mladić wordt toegedicht volstrekt ongepast en kwetsend is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dit doen?
Ja. Ik heb, al voor de overbrenging van het lichaam van Mladić aan Servië, duidelijk aan mijn Servische ambtgenoot laten weten elke vorm van staats- of militair eerbetoon volstrekt onaanvaardbaar te vinden. Nederland heeft dit signaal ook in andere contacten met de Servische autoriteiten ondubbelzinnig overgebracht en heeft tevens middels een publiek statement kenbaar gemaakt dat het door de Servische regering gegeven eerbetoon onverenigbaar is met Europese waarden en bovendien uitermate kwetsend is voor de slachtoffers en hun nabestaanden.
Wat zegt de verheerlijking van oorlogsmisdadiger Mladić wat u betreft over gemeenschappelijke Europese waarden die Servië al dan niet met de EU deelt?
Het gegeven eerbetoon past niet bij wat wij van een EU kandidaat-lidstaat verwachten en druist sterk in tegen de gemeenschappelijke Europese waarden, zoals respect voor de rechtsstaat, erkenning van uitspraken van internationale tribunalen en inzet voor verzoening en verwerking van het verleden.
Moet het verheerlijken van Mladić op staatsniveau wat u betreft consequenties hebben voor het Servische toetredingsproces? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Zie het antwoord op vraag 4. Servië heeft hiermee zijn eigen toetredingsperspectief geen dienst bewezen.
Het bericht ‘Voor sommigen lange vakantie in thuisland'; Migrerende werklozen krijgen straks 3 maanden extra WW mee’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken in het besluitvormingsproces in de Europese Unie (EU) over de herziening van de Verordening 883/2004 inzake de export van Werkloosheidswet (WW-)uitkeringen?1
Zoals ik heb beschreven in mijn brief van 10 juni jl.2 heeft een grote meerderheid van lidstaten in de Coreper-vergadering van 29 april jl. aangegeven het voorlopig akkoord over de herziening van Verordening 883/2004 te kunnen steunen. Nederland heeft vanwege de uitbreiding van de export van werkloosheidsuitkeringen in die Coreper-vergadering tegen het voorlopig akkoord gestemd.
Op 7 juli jl. heeft het Europees Parlement met ruime meerderheid ingestemd met het voorlopig akkoord. De verwachting is dat het voorlopig akkoord op de Raad Landbouw en Visserij van 28 tot 29 september formeel wordt aangenomen. Nederland zal ook tegenstemmen in de Raad.
Zoals beschreven in mijn brief van 10 juni jl. wordt vervolgens wordt de wijzigingsverordening waarmee de bestaande Verordening 883/2004 wordt gewijzigd (hierna: wijzigingsverordening) gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU. De wijzigingsverordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na de datum van publicatie. Naar verwachting zal de wijzigingsverordening in het najaar van 2026 in werking treden. De datum van toepassing van de meeste bepalingen uit de wijzigingsverordening is twee jaar na inwerkingtreding. Verreweg de meeste wijzigingen zullen daarom naar verwachting in het najaar van 2028 van toepassing zijn.
Welke beleidsruimte heeft Nederland binnen de voorgestelde EU-verordening om zelf invulling te geven aan de uitvoering van de nieuwe regels voor de export van WW-uitkeringen?
Verordening 883/2004 werkt rechtstreeks en laat in principe geen ruimte aan de uitvoeringsinstanties van de lidstaten om zelf invulling te geven aan de uitvoering van de (nieuwe) regels voor de export van werkloosheidsuitkeringen. Een uitzondering hierop geldt voor een verlenging van de exporttermijn van zes maanden tot aan de maximale uitkeringsduur wanneer een werkloze in een andere lidstaat naar werk zoekt. In het antwoord op vraag 4 wordt de beleidsruimte van de uitvoeringsinstantie op dit punt verder toegelicht.
Kunt u aangeven op welke termijn de beoogde verlenging van de maximale exportduur van de WW-uitkering van drie naar zes maanden zal ingaan?
De verlenging van de exportduur van werkloosheidsuitkeringen gaat in twee jaar na inwerkingtreding van de wijzigingsverordening. Dit zal naar verwachting in het najaar van 2028 zijn.
In de EU-verordening staat dat: «Under the amended text, an unemployed person will retain their entitlement to benefits for a period of six months from the date on which they ceased to be available to the employment services of the Member State they left, provided that the total period for which benefits are paid does not exceed the total period of benefits to which they are entitled under the legislation of that Member State. This period may be extended by the competent services or institutions until the expiry of the unemployed person's entitlement to benefits»; kunt u bevestigen dat lidstaten zelf mogen bepalen of de geëxporteerde WW-uitkering langer uitbetaald mag worden dan zes maanden? Indien dit het geval is, heeft u de intentie om dit te doen en zijn hier voorwaarden aan verbonden?
Het is juist dat lidstaten mogen bepalen of de geëxporteerde WW-uitkering langer wordt uitbetaald dan zes maanden wanneer iemand in een andere lidstaat naar werk zoekt. Het gaat om een bevoegdheid, niet om een verplichting. Bij het uitoefenen van die bevoegdheid dient UWV wel het vrij verkeer van werknemers te respecteren.
Ik acht een verlenging van de exporttermijn niet wenselijk. UWV zal daarom, net als onder de huidige regels, alleen bij wijze van uitzondering gebruik maken van de bevoegdheid om te verlengen. Ik licht dit hieronder verder toe.
Het is nu beperkt mogelijk om met behoud van WW in het buitenland te verblijven om daar naar werk te zoeken, namelijk drie maanden. De uitvoeringsinstanties mogen deze «exporttermijn» van drie maanden verlengen naar zes maanden. Dit is een bevoegdheid, geen verplichting. UWV maakt in principe geen gebruik van de bevoegdheid om te verlengen en verlengt de exportuitkering alleen bij uitzondering. Het moet dan gaan om situaties waarin het weigeren van een verzoek tot verlenging van de exportuitkering onredelijk is, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een concreet en aantoonbaar uitzicht op werkhervatting. In 2024 heeft UWV in minder dan vijf gevallen goedkeuring verleend voor verlenging.3 Het beleid van UWV is goedgekeurd door het Hof van Justitie (EU) in de zaak Klein-Schiphorst (C-551/16).
Voor volledig werkloze grenswerkers gelden bijzondere regels. Zij kunnen de werkloosheidsuitkering onder de huidige regels niet exporteren vanuit het werkland, omdat zij aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering uit het woonland.
De in de wijzigingsverordening voorziene uitbreiding van de mogelijkheid om met behoud van WW in het buitenland te verblijven manifesteert zich op twee manieren:
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het misbruik van WW-export beperkt blijft?
Controle en handhaving zijn ingewikkelder als de uitkeringsgerechtigde niet in Nederland maar met behoud van WW in een andere EU-lidstaat verblijft. In Nederland is er – vooral door een koppeling van systemen – meer inzicht in de situatie van de WW-gerechtigde. Een dergelijke automatische koppeling bestaat niet met andere lidstaten. Ook heeft UWV niet dezelfde controlebevoegdheden in het buitenland. UWV is meer afhankelijk van andere lidstaten als een uitkeringsgerechtigde in het buitenland verblijft.
Meer specifiek geldt het volgende:
Er bestaan al structuren voor gegevensuitwisseling tussen de lidstaten (zie ook het antwoord op vraag4. Zoals ik heb beschreven in mijn brief van 10 juni jl. zijn de inspanningen van Nederland in de onderhandelingen over de wijzigingsverordening voor het verkrijgen van een betere informatiepositie van UWV bij de export van werkloosheidsuitkeringen beloond. Zo moet de lidstaat waar naar werk wordt gezocht de lidstaat die de uitkering betaalt, voortaan maandelijks informeren of de WW-gerechtigde zich houdt aan de controle- en arbeidsbemiddelingsprocedures in die lidstaat. Daarnaast moet de lidstaat waar de WW-gerechtigde woont, de lidstaat die de uitkering betaalt informeren over omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. Deze verplichting bestond al maar is aangescherpt. Op aandringen van Nederland en gelijkgestemde lidstaten heeft de Europese Commissie (EC) daarnaast een verklaring afgelegd waarin ze aangeeft te zullen onderzoeken hoe de samenwerking tussen lidstaten op het terrein van controle en arbeidsbemiddeling verder kan worden versterkt. De EC heeft ook aangekondigd om nog voor de datum van toepassing van de bepalingen uit het werkloosheidshoofdstuk voorstellen te zullen doen voor verbeteringen van gegevensuitwisseling binnen het Electronic Exchange of Social Security Information System (EESSI). Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 10 juni jl. zal ik mij blijven inzetten voor een verdere verbetering van de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten.
Vindt u het wenselijk dat werknemers na een relatief korte arbeidsperiode in Nederland een WW-uitkering kunnen exporteren naar het buitenland? Bent u bereid om de reeds bestaande wekeneis voor de WW voor export van de WW-uitkering te verlengen om onrechtmatig gebruik te beperken?
Zoals uiteengezet in mijn brief van 10 juni jl. heeft Nederland zich tegen de uitbreiding van de export van werkloosheidsuitkeringen verzet en tegen het voorlopig akkoord gestemd in de Coreper-vergadering van 29 april jl. Nederland zal ook tegenstemmen in de Raad van Ministers.
Verlenging van de bestaande wekeneis voor de export van de WW-uitkering is niet mogelijk. Een aanscherping van de wekeneis alleen voor WW-gerechtigden die de uitkering willen exporteren, levert inbreuk op het vrij verkeer van werknemers op en is in strijd met het beginsel van gelijke behandeling.
In de wijzigingsverordening wordt echter wel geborgd dat de werkloze gedurende een bepaalde periode premie heeft betaald in het werkland, voordat daar een uitkering wordt aangevraagd. Zo heeft door de introductie van de «affiliatieperiode» de werkloze die tijdens zijn of haar werk in Nederland in een andere lidstaat woonde pas recht op een WW-uitkering, als diegene een ononderbroken periode van 22 weken in Nederland heeft gewerkt. Een dergelijke affiliatieperiode bestaat op dit moment niet. De introductie van de affiliatieperiode is een positief element uit de wijzigingsverordening. Nederland heeft zich ingezet voor een substantiële affiliatietermijn van minimaal zes maanden. De termijn van 22 weken (circa vijf maanden) komt daarbij in de buurt.
Is er een mogelijkheid om bij export van de WW-uitkering een landencorrectiefactor toe te passen, zodat de hoogte van de uitkering beter aansluit bij de kosten van levensonderhoud van het land van verblijf? Indien dit het geval is, bent u bereid deze optie nader uit te werken?
Nee, het is juridisch niet mogelijk om bij de export van de WW-uitkering een landencorrectiefactor toe te passen. Dit volgt uit een uitspraak van het Hof van Justitie (EU) in de zaak Europese Commissie tegen Republiek Oostenrijk_. Het EU-Hof bepaalde dat het aanpassen van de hoogte van gezinsbijslagen naar het prijspeil in de woonstaat van het kind niet is toegestaan, omdat het indirecte discriminatie op grond van nationaliteit oplevert.
In 2025 keerde het UWV 13,8 miljoen euro aan WW-uitkeringen in het buitenland; hoe kan het dan dat u verwacht 14 miljoen euro per jaar kwijt te zijn als de regels in werking treden, terwijl de looptijd van de geëxporteerde WW-uitkering dubbel zo lang wordt? Kunt u aangeven waarop het bedrag van 14 miljoen gebaseerd is?
De ingeschatte € 14 miljoen per jaar gaat specifiek over extra kosten ten opzichte van de huidige situatie, de € 13,8 miljoen in 2025 waar u naar verwijst. De geraamde € 14 miljoen aan extra kosten hebben alleen betrekking op de extra WW-uitgaven. Het bedrag is exclusief eventuele kosten of besparingen voor de uitvoering door UWV en de SVB. Tijdens de verdere implementatie zullen UWV en SVB een uitvoeringstoets doen om inzicht te krijgen in het effect van de wijzigingsverordening op de uitvoering.
Voor de raming is gebruik gemaakt van een rapport van de Europese Commissie over het huidige aantal aanvragen met arbeidsverleden in het buitenland, een rapport van de Algemene Rekenkamer en realisaties van UWV over de huidige kosten van export van WW-uitkeringen.
Het grootste deel van de extra WW-uitgaven wordt veroorzaakt door de wijziging van de regels voor grenswerkers en andere migrerende werkers (zie voor een uitleg het antwoord op vraag5. Nederland zal onder de nieuwe regels vaker verantwoordelijk worden voor de uitbetaling van een WW-uitkering (met name aan grenswerkers) dan onder de huidige regels. De verlenging van de exporttermijn van drie naar zes maanden leidt niet tot een verdubbeling van de WW-uitgaven. Dit komt doordat de exporttermijn gemaximeerd is op het opgebouwde WW-recht. Doordat het opgebouwde WW-recht vaak korter is dan de exporttermijn van zes maanden wordt de duur van de WW-uitkering niet automatisch voor iedereen verdubbeld.
Kunt u aangeven welk deel van de 14 miljoen euro naar uitkeringen gaat en welk deel naar de uitvoering van de nieuwe regeling?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u uitleggen hoe het UWV effectief toezicht kan houden op de rechtmatigheid van een geëxporteerde WW-uitkering wanneer het in de andere lidstaten niet over dezelfde controlebevoegdheden en controlemogelijkheden beschikt als in Nederland? Welk budget is gemoeid met toezicht?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 wordt de controle en de ondersteuning bij het vinden naar werk uitgevoerd door de lidstaat waar naar werk wordt gezocht, zodra de werkzoekende staat ingeschreven in die lidstaat. UWV betaalt de werkloosheidsuitkering pas uit nadat de buitenlandse uitkeringsinstantie heeft aangegeven dat de werkloze zich heeft ingeschreven als werkzoekende en UWV een inkomstenopgave van de uitkeringsgerechtigde heeft ontvangen. UWV verzoekt maandelijks om een bewijs van blijvende inschrijving als werkzoekende en van medewerking aan de georganiseerde controleprocedures. Verordening 883/2004 verplicht de lidstaat waar naar werk wordt gezocht om UWV te informeren wanneer de WW-gerechtigde zich niet houdt aan de controlevoorschriften van die lidstaat. UWV beoordeelt vervolgens of dit gevolgen heeft voor de werkloosheidsuitkering. Ik blijf mij inzetten voor een verdere verbetering van de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten.
In de uitvoering van de WW door UWV is geen specifiek bedrag gereserveerd voor toezicht op de export van WW-uitkeringen. Het budget maakt onderdeel uit van het budget voor de reguliere dienstverlening.
EU delegated cooperation |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie Klink/Amhaouch waarin verzocht werd meer EU-gelden door middel van delegated cooperation (EU-DC) aan te wenden?1
Ja.
Klopt het dat het bedrag dat Nederland in 2025 aan EU-DC gemobiliseerd heeft € 243 miljoen bedraagt, terwijl de doelstelling conform de aangenomen motie Kamminga zou moeten zijn dat dit bedrag de komende jaren vergroot moet worden naar ten minste 1 miljard euro?2 3
Het totaal dat Nederland aan EU-DC mobiliseert bestaat uit bedragen voor projecten die worden toegekend aan Nederlandse partijen en uit garanties die de Europese Commissie aan Nederlandse partijen alloceert. Het bedrag dat Nederland tot januari 2026 middels EU-DC heeft gemobiliseerd voor projecten is EUR 243 miljoen. Inmiddels is dit bedrag opgelopen tot EUR 318 miljoen. Daarnaast werd door Nederland voor circa 1,8 miljard euro aan garanties gemobiliseerd. Garanties worden net als bijdragen gerealiseerd door EU-DC. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting bij de begroting van 2026 wil het kabinet het instrument van Delegated Cooperation in toenemende mate toepassen.
Kunt u de huidige stand van zaken geven van EU delegated cooperation (EU-DC) en de ambitie voor de komende jaren, inclusief een concrete streefwaarde en tijdpad in relatie tot de hiervoor genoemde moties?
Zie beantwoording vraag 2 voor de huidige stand van zaken.
Aangezien Nederland bij de toepassing van EU-DC afhankelijk is van de (procedures en besluitvorming van de) EC en omdat het budget onder het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 nog niet bekend is, is het in deze fase niet mogelijk een realistische inschatting van een tijdspad met concrete streefwaarden per jaar te geven. Ik kan u verzekeren dat het kabinet vol inzet op toepassing van EU-DC.
Kunt u hierbij ook ingaan op hoe Nederlandse organisaties actiever ondersteund kunnen worden bij het verkrijgen van EU-DC-middelen (zoals voorlichting, capaciteitsopbouw, en hulp bij contractvorming met de Europese Commissie)?
Momenteel worden Nederlandse organisaties op verschillende manieren ondersteund om beter gebruik te kunnen maken van EU-DC-middelen. Zowel in Brussel als in de partnerlanden zet het kabinet zich in contacten met de Europese Commissie (waaronder DG INTPA, NEAR en MENA) in voor goede en transparante toegang van Nederlandse bedrijven, NGOs en kennisinstellingen tot relevante EU-programmering en instrumenten. Daarnaast informeert het Ministerie van Buitenlandse Zaken via voorlichting en bijeenkomsten over relevante beleidsontwikkelingen en mogelijkheden om aan te sluiten bij EU-programma’s.
Ook is binnen het ministerie een EU Support Facility ingericht die organisaties ondersteunt bij contractvorming wanneer gebruik wordt gemaakt van de DGIS-accreditatie; de capaciteit hiervan is recent uitgebreid.
Tegelijkertijd blijven er uitdagingen bij de totstandkoming van EU-DC-projecten, zowel in Brussel als aan de Nederlandse kant. Het vergt inzet op verschillende terreinen om toegang te krijgen tot EU-DC-middelen, waarbij in iedere fase moet worden bezien wat mogelijk is, ook binnen de geldende juridische en procedurele kaders. Het ministerie gaat graag verder in gesprek met de Nederlandse sector om samen te bezien hoe de toegang structureel kan worden verbeterd. Het kabinet ziet dit nadrukkelijk als een gezamenlijke opgave van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Kunt u een overzicht geven van de besteding van de € 243 miljoen aan EU-DC in 2025: door welke organisaties, in welke landen, op welke thema's, en welk deel al besteed is versus nog openstaat als lopende verplichting?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 is het tot op heden vastgelegde bedrag van de EU inmiddels opgelopen naar EUR 318 miljoen. Hiervan is ongeveer 40% reeds ontvangen van de EU. Projecten hebben verschillende looptijden en worden medegefinancierd door de Nederlandse overheid en andere EU-lidstaten. Het betreft projecten in Afrika, Latijns Amerika en Oost Europa op de sectoren: Landbouw, Voedselzekerheid, Agro-logistiek, Jeugdwerkgelegenheid, Goed bestuur, Water, Justitie, Migratie, Veiligheid, Cyber, Gezondheid, Energie en Kritieke Grondstoffen. Aangezien een deel van de projecten thematisch en/of regionaal is, kan geen uitsplitsing per land worden gegeven.
Klopt het dat Nederland, anders dan Duitsland (Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit(GIZ), en de KfW) en Frankrijk (Agence Française de Développement (AFD), en Expertise France), geen grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking?
Het klopt dat Nederland in tegenstelling tot de meeste EU lidstaten niet één grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking.
Zo ja, maakt dit het voor Nederland volgens u moeilijker om EU-DC-middelen te verkrijgen (minder capaciteit, trackrecord of programmeringsinvloed)?
Het klopt dat er nadelen kunnen zitten aan het ontbreken van één grote uitvoeringsorganisatie, zoals bijvoorbeeld in Duitsland en Frankrijk, op een of meerdere van de door u genoemde aspecten.
Tegelijkertijd biedt het Nederlandse model met een divers landschap van (gespecialiseerde) uitvoerders ook de nodige voordelen, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibiliteit en expertise op een brede waaier van thema’s. De accreditatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt mede ingezet om deze expertise te ontsluiten voor EU-DC projecten.
Gelet op het feit dat het werkterrein van de EC in toenemende mate ook betrekking heeft op sectoren buiten de traditionele ontwikkelingssamenwerking (zoals bijvoorbeeld veiligheid, energie, migratie, kritieke grondstoffen, digitalisering etc.), hebben we als Nederland een goede uitgangspositie om ook in de toekomst goed in te kunnen spelen op nieuwe kansen voor het aantrekken van EU-financiering. Daarbij richten we ons niet alleen op financiering van DG INTPA, maar ook van andere DGs (ENEST, MENA, HOME, ECHO, etc.).
Zijn er naast Buitenlandse Zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) andere Nederlandse organisaties die in aanmerking komen om geaccrediteerd te worden als uitvoeringspartner onder Delegated Cooperation (het zogeheten pillar assessment)? Zo ja, welke stappen onderneemt het kabinet om accreditatie te ondersteunen?
Naast Buitenlandse zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) kunnen organisaties die voldoen aan de eisen van de EU Financial Regulation van de Europese Commissie in principe in aanmerking komen voor accreditatie. De beoordeling hiervan ligt bij de EC. De EC gaat hier momenteel zeer terughoudend mee om, hetgeen de ruimte beperkt voor lidstaten en Nederland.
Met betrekking tot de te ondernemen stappen zal het kabinet daarom alleen accreditatie actief ondersteunen bij een evident publiek belang.
Erkent u dat EU-DC, juist bij dalende Official Development Assistance (ODA)-budgetten, als multiplier kan werken om Europese middelen te mobiliseren ter compensatie van dalende nationale middelen? Hoe wordt dit uitgangspunt concreet in beleid vertaald?
Het kabinet erkent dat EU-DC mogelijkheden biedt om meer Nederlandse kennis en kunde in te zetten ter versterking van Europees beleid en uitvoering en om de impact van de Nederlandse inzet te vergroten. EU-DC kan daarbij echter niet worden gezien als een instrument waarmee dalende ODA-middelen één-op-één kunnen worden gecompenseerd. De beschikbaarheid, omvang en inzet van EU-middelen worden bepaald binnen de programmering en prioriteiten van de EC.
Door intensievere samenwerking met de Europese Commissie op verschillende niveaus zowel in Brussel als in de partnerlanden zet Nederland er op in dat EU-programmering aansluit bij Nederlandse beleidsprioriteiten. Zo kan met Europese middelen onze eigen inzet op thema’s en landen worden geïntensiveerd en versterkt het kabinet met de Nederlandse inzet de Europese positie.
Wordt bij de heroriëntatie van het postennet en de personele taakstelling rekening gehouden met de extra capaciteit die uitvoering van EU-DC-projecten op ambassades vergt?
Ondanks de personele taakstelling van het afgelopen jaar, heeft het Ministerie geïnvesteerd in additionele capaciteit op het ministerie om de ambitie op EU-DC waar te kunnen maken. Posten kunnen een beroep doen op deze extra capaciteit, met name in de ontwikkelfase van EU-DC projecten. Na ondertekening van contracten is het uitgangspunt dat de benodigde capaciteit op ambassades voor de uitvoering van EU-DC projecten vooral wordt gefinancierd uit EU-projectmiddelen.
Bent u bereid om, met de nieuwe verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag 2026, EU-delegated cooperation als apart en meetbaar onderdeel op te nemen met een vaste jaarlijkse streefwaarde?
Het kabinet zet vol in op toepassing van EU-DC, als middel om Europees ontwikkelingsbeleid effectiever te maken met Nederlandse kennis en kunde. Vanuit deze optiek zal hierover ook verantwoording worden afgelegd in het jaarverslag. Het nieuwe EU-financieel kader voor 2028–2034 en de uitwerking hiervan zullen van invloed zijn op de mate waarin Nederlandse kennis en kunde kan worden ingezet. Hier kan ik nog niet op vooruit lopen.
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het commissiedebat over het BHOS-deel van de beleidsbrief buitenlandse zaken op 9 september?
Ja.
Activistische ngo's |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het maatschappelijke middenveld in Nederland voor een substantieel deel van haar inkomsten afhankelijk is van de Nederlandse overheid, waaronder tientallen miljoenen via subsidiekaders zoals Power of Voices?
De afhankelijkheid van overheidsfinanciering is per organisatie verschillend. Dergelijke gegevens zijn over het algemeen te vinden in de financiële jaarverslagen van ngo’s die worden gepubliceerd. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) schatte in 2024 op basis van deze gegevens dat een meerderheid van de Nederlandse ngo’s die subsidie ontvingen uit het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, waaronder het programma Power of Voices, voor minder dan de helft van hun inkomsten afhankelijk was van middelen van BZ.
In het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingssamenwerking, genaamd Focus, beoogt het kabinet de onafhankelijkheid van maatschappelijke organisaties van overheidsfinanciering verder te stimuleren. Zo is er een vereiste dat organisaties minstens 25% van hun totale inkomsten van anderen dan het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) moeten ontvangen. De mate van financiële onafhankelijkheid van BZ bepaalt ook hoeveel middelen organisaties maximaal kunnen ontvangen uit dit kader.
Hoe kijkt u naar de situatie dat de overheid organisaties financiert die diezelfde overheid vervolgens regelmatig voor de rechter dagen en publiekscampagnes tegen bewindspersonen opzetten? Bent u het eens dat het onwenselijk is dat de overheid op deze schaal organisaties financiert die zich tegelijkertijd opstellen als ware zij politieke oppositie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid, ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten. Tegenspraak is een fundamenteel onderdeel van een gezonde democratische samenleving. Zoals ook opgenomen in het coalitieakkoord heeft het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol tussen regering en alle inwoners van Nederland en tussen regering en het bedrijfsleven.1 Binnenkort zal het kabinet in de kabinetsreactie op het rapport van het College voor de Rechten van de Mens over de maatschappelijke ruimte verder ingaan op dit onderwerp.2
Uit de BHOS-middelen wordt de pleitbezorgingsrol van het maatschappelijk middenveld dan ook gefinancierd, ook binnen Nederland, zolang dit ten goede komt van de ontwikkelingsdoelen in lage- en middeninkomenslanden. Een subsidieontvanger mag de subsidie niet gebruiken voor andere activiteiten dan waarvoor de subsidie is verstrekt. Dat betekent dat activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten die door het ministerie worden gefinancierd, moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006.3 Het ministerie heeft geen zeggenschap over activiteiten van organisaties die niet door het ministerie worden gesubsidieerd.
Hoe beoordeelt u het verweer van ngo's dat dergelijke binnenlandse campagnes bekostigd worden uit private middelen?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking onlosmakelijk verbonden is met het gedrag en de profilering van ngo's die deze programma's met overheidsgeld uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
De publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking is van vele factoren afhankelijk. Mogelijk speelt het gedrag van ngo’s hier een rol in, zowel positief als negatief. Uit onderzoek van Ipsos I&O blijkt dat in 2025 50% van de ondervraagde Nederlanders ontwikkelingssamenwerking redelijk tot heel belangrijk vindt.4 Van diezelfde groep gaf 60% aan humanitaire hulp redelijk tot heel belangrijk te vinden. Beide cijfers zijn een stijging ten opzichte van de voorgaande jaren.
Erkent u het risico dat het maatschappelijk draagvlak voor daadwerkelijke armoedebestrijding en humanitaire hulp afneemt, wanneer gesubsidieerde organisaties zich opwerpen als partijdige en activistische spelers in nationale politieke kwesties? Wat betekent dit naar uw mening voor het werk waar zij voor zijn opgericht, zoals het bestrijden van armoede en onrecht in zuidelijke landen?
Zie antwoord op vraag 4. Maatschappelijke organisaties en hun achterban gaan zelf over de doelen die zij nastreven en de manier waarop zij dit doen.
Bent u het eens dat een meer politiek neutrale opstelling van door de overheid gefinancierde organisaties wenselijk is, niet alleen vanuit een democratisch principe, maar juist ook om een bestendig publiek vertrouwen in de ontwikkelingssector en het bijbehorende draagvlak te behouden?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, dient er juist vanuit een democratisch principe, ruimte te zijn voor tegenspraak. Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol in het laten doorklinken van verschillende stemmen in de maatschappij.
Bent u bekend met de manier waarop in andere landen wordt omgegaan met de politieke rol van ngo’s, zoals in de Verenigde Staten waar een wettelijke scheiding is aangebracht tussen apolitiek humanitair werk en gepolitiseerd activisme?
Ja.
Wat vindt u van het Britse model, waarbij een toezichthouder meekijkt naar de politieke neutraliteit van maatschappelijke organisaties, en waarbij belastingvoordelen in het geding kunnen komen indien een organisatie zich richt op partijpolitiek of gepersonaliseerde campagnes?
Zie antwoord op vraag 9.
Ziet u buitenlandse modellen als voorbeeld voor het subsidiëren van Nederlandse ngo’s? Als het antwoord nee is, waarom niet?
Nee, ik zie dergelijke buitenlandse modellen niet als voorbeeld. In Nederland verstrekt BZ subsidies op basis van de Algemene wet bestuursrecht en de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorwaarden worden gesteld aan de te financieren activiteiten, niet aan de te financieren organisaties. Activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten, die door het ministerie worden gefinancierd moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006. Uitgesloten van subsidiering zijn activiteiten die zich (mede) richten op bekeringsdrang en activiteiten waarbij sprake is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van geloofsvervolging of discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar en/of verboden zijn.
Welke mogelijkheden ziet u binnen het nieuwe subsidiekader (2026–2030) om te bevorderen dat organisaties die subsidie krijgen van de Nederlandse overheid zich meer politiek neutraal opstellen, mede om het maatschappelijk draagvlak te beschermen of te vergroten?
Zie antwoord op vraag 9 over de basis waarop subsidies worden verstrekt. Deze voorwaarden zijn ook toegepast op de subsidies die zijn of worden verstrekt binnen het nieuwe beleidskader Focus.
Welke aanvullende instrumenten heeft het kabinet over de volle breedte ter beschikking om te zorgen voor een betere scheiding tussen gesubsidieerd ontwikkelingswerk en binnenlands politiek activisme?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om opties te verkennen om te voorkomen dat organisaties met een door de overheid gesubsidieerd profiel fungeren als partijdig activistisch platform?
Zie antwoord op vraag 2.
Is uw inschatting dat, wanneer de Nederlandse overheid vaker internationale ngo’s zou steunen, het activistische element minder groot zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 2, vindt het kabinet het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid. Dat geldt voor zowel internationale als Nederlandse ngo’s ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en tijdig beantwoorden, voorafgaand aan het debat over de beleidsbrief Buitenlandse Zaken van 9 september?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Heeft u kennisgenomen van recente uitspraken van de Israëlische Minister van Nationale Veiligheid Ben-Gvir, waarin hij stelt dat er «elke nacht 30 tot 40 mensen uitgeschakeld» zouden moeten worden, «niet alleen degenen die een directe bedreiging vormen», en dat bepaalde personen «het leven niet waard zijn»?1
Ja.
Deelt u de analyse van mensenrechtenexperts dat deze uitspraken, in combinatie met eerdere oproepen van Ben-Gvir tot massale deportatie van Palestijnen uit Gaza, moeten worden gezien in een patroon van aanzetten tot geweld en etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir wijzen op een patroon van aanzetten tot geweld en gedwongen verplaatsing.
Deelt u de opvatting dat de uitspraken van Minister Ben-Gvir, als prominent lid van de regering-Netanyahu, niet los gezien kunnen worden van het gevoerde beleid van diezelfde regering, en dat zij daarmee bevestigen dat het doden en verdrijven van Palestijnse burgers geen ongelukkig neveneffect, maar doelbewust regeringsbeleid is? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir zijn verwerpelijk en niet acceptabel. Ik heb dit zelf ook duidelijk gemaakt aan de Israëlische Minister voor Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar. Het kabinet verklaarde eerder deze extremistische Minister Ben-Gvir tot persona non grata. We blijven daarnaast in Europees verband pleiten voor sancties tegen zowel Minister Ben-Gvir als Minister Smotrich. Bij de meest recente informele bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU (Gymnich) heb ik wederom opgeroepen tot het sanctioneren van Minister Ben-Gvir naar aanleiding van deze verwerpelijke uitspraken.
Bent u bereid zich, ondanks het recente mislukken van EU-brede sanctionering van Ben-Gvir, opnieuw en met urgentie in te zetten voor EU-sancties tegen hem en Bezalel Smotrich? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland blijft voorstander van en pleiten voor Europese sancties tegen deze Ministers. Tegelijkertijd stel ik vast dat er vooralsnog in het Europese krachtenveld onvoldoende beweging zit om te verwachten dat hierover op korte termijn overeenstemming wordt bereikt.
Bent u bereid, naar voorbeeld van het reeds bestaande Nederlandse inreisverbod voor Ben-Gvir, ook een nationaal inreisverbod in te stellen voor andere regerings- en Knessetleden van zijn partij Otzma Jehoedit, die zich schuldig maken aan vergelijkbare uitspraken en medeverantwoordelijk zijn voor voorstellen zoals de doodstrafwetgeving voor Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend in uw Kamer besloot het kabinet in juli 2025 zich in te spannen om een aantal maatregelen in te stellen teneinde de regering-Netanyahu van koers te doen veranderen. Hierbij ging het onder meer om maatregelen tegen de Israëlische Minister Ben-Gvir en Minister Smotrich, die uit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking hebben aangewakkerd, voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleit en opgeroepen tot etnische zuivering in Gaza.
In het licht van de ernst van deze uitspraken steunde Nederland de voorstellen voor EU-sanctiemaatregelen jegens beide individuen, echter ontbrak hiervoor draagvlak in de Raad. Het kabinet verklaarde vervolgens Minister Smotrich en Minister Ben-Gvir tot persona non grata op grond van het nationale recht (de Vreemdelingenwet 2000), wegens het gevaar dat zij vormen voor de Nederlandse openbare orde en in het belang van internationale betrekkingen. Beide Ministers zijn in september 2025 als ongewenste vreemdelingen geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. Dit waren uitzonderlijke stappen en de onderliggende motivering gold ten aanzien van de specifieke casus van deze twee Ministers en de omstandigheden destijds. Dat is niet zonder meer het geval ten aanzien van andere gevallen. Het kabinet weegt in elke situatie of deze omstandigheden nopen tot een dusdanig vergaand nationaal besluit, of hiervan impact op de koers van de regering Netanyahu mag worden verwacht, en of daarvoor toereikende juridische gronden bestaan. Bovengenoemde overwegingen leiden op dit moment niet tot een vergelijkbare stap op nationaal niveau tegen andere regerings- en Knessetleden van de partij Otzma Jehoedit. Tegelijkertijd blijft het kabinet zich inspannen voor additionele maatregelen op EU niveau en sluit het, conform de motie Piri/Paternotte2, sancties tegen Israëlische bewindspersonen niet uit.
Vijf jaar Talibanbewind in Afghanistan en de Nederlandse inzet voor de Afghaanse bevolking |
|
Suzanne Kröger (PRO), Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verklaring «Vijf jaar Taliban: Afghanistan mag niet vergeten worden», ondertekend door 17 hulporganisaties zoals Stichting Vluchteling, CARE Nederland, en Cordaid?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat bijna 22 miljoen Afghanen in 2026 afhankelijk zijn van humanitaire hulp, en dat de situatie verslechtert door dalende financiering, economische stagnatie, regionale spanningen en klimaatschokken?
Het kabinet is bezorgd over de humanitaire situatie in Afghanistan. De humanitaire noden in Afghanistan blijven onverminderd hoog, en dat zal naar verwachting door de huidige ontwikkelingen in de regio en in het land niet snel veranderen. Tegelijkertijd staat de financiële steun van de internationale gemeenschap aan Afghanistan steeds verder onder druk. Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan het blijven steunen van de Afghaanse bevolking, met name de Afghaanse vrouwen en meisjes. Daarom maakt Nederland humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibel inzetbare financiering via meerdere kanalen: de VN, de Rode Kruis en Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. Nederland zal dit jaar, naast de reeds toegezegde bijdrage van EUR 6 miljoen2 aan het landenspecifieke noodfonds van de VN (Afghanistan Humanitarian Fund), een additionele bijdrage van EUR 5 miljoen leveren en is daarmee de grootste donor van dit fonds.
Deelt u de opvatting dat humanitaire hulp alleen onvoldoende is en dat ook langjarige investeringen via ontwikkelingssamenwerking nodig zijn in basisvoorzieningen, onderwijs, bestaanszekerheid en klimaatweerbaarheid? Hoe vult Nederland dit in Afghanistan momenteel in en is dit voldoende om de weerbaarheid van de bevolking op lange termijn te versterken?
Humanitaire hulp is hard nodig in Afghanistan. Nederland blijft zich daarom inzetten voor gerichte humanitaire steun, bescherming van de meest kwetsbaren en versterking van de weerbaarheid van de Afghaanse bevolking. Nederland erkent het Taliban-regime niet en daardoor is er geen sprake van reguliere bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Tegelijkertijd oefent Nederland in internationaal verband druk uit op de de facto autoriteiten om mensenrechten en humanitaire principes te respecteren en te garanderen en schendingen te beëindigen en te voorkomen.
Om ervoor te zorgen dat de Afghaanse bevolking alsnog meer dan alleen humanitair ondersteund wordt, ondersteunt het kabinet de lediging van basisnoden in multilateraal verband, o.a. via de EU, het Afghanistan Resilience Trust Fund (ARTF) van de Wereldbank en de Asian Development Bank (AsDB). Deze initiatieven hebben als doel bij te dragen aan de zelfredzaamheid van de Afghaanse bevolking.3
Bent u bereid zich er binnen de Europese Unie voor in te zetten dat Afghanistan, vijf jaar na de machtsovername door de Taliban, hoog op de internationale politieke agenda blijft staan en de Kamer voor de Raad Buitenlandse Zaken waarin Afghanistan aan de orde komt te informeren over de Nederlandse inzet?
Het kabinet blijft zich, waar mogelijk, inzetten voor ondersteuning van de Afghaanse bevolking, met aandacht voor mensenrechten, basisnoden, steun aan het maatschappelijk middenveld, opvang in de regio en humanitaire hulp. Dit gebeurt onder strikte voorwaarden om het Taliban-regime niet te legitimeren, en waar mogelijk in EU-verband. Het kabinet zal uw Kamer zoals gebruikelijk tijdig via de geannoteerde agenda blijven informeren over de Nederlandse inzet voor de Raad Buitenlandse Zaken.
Deelt u de opvatting dat de verdere afname van humanitaire en ontwikkelingsfinanciering in Afghanistan vrouwen en meisjes onevenredig hard treft, juist omdat zij als gevolg van het Talibanbeleid nauwelijks toegang hebben tot onderwijs, werk en andere bestaansmiddelen? Zo ja, hoe weegt u dit mee in de Nederlandse inzet?
De situatie van Afghaanse vrouwen en meisjes is schrijnend. Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan het steunen van de Afghaanse bevolking, met name de Afghaanse vrouwen en meisjes. Nederland doet dit onder andere via steun aan multilaterale organisaties en steunt verschillende lokale organisaties die zich richten op de bevordering van de rechten van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Nederland werkt altijd vanuit de «voor vrouwen, door vrouwen»-benadering, waarbij er in alle programmering speciale aandacht voor vrouwen en meisjes is.
Hoe beoordeelt u de verslechterde positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan, waaronder het feit dat naar schatting 2,2 miljoen meisjes nog altijd geen toegang hebben tot voortgezet onderwijs?
Het is verwerpelijk dat het Taliban-regime vrouwen en meisjes in Afghanistan toegang tot het voortgezet- en universitair onderwijs ontzegt. Nederland blijft zich uitspreken tegen de mensenrechtenschendingen door het Taliban-regime, zowel in EU- als VN-verband. In de minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten brengt Nederland de grote zorgen over de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan nadrukkelijk naar voren.
Welke mogelijkheden ziet Nederland, zowel bilateraal als via de Europese Unie en multilaterale organisaties, om de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en economische participatie van Afghaanse vrouwen en meisjes te blijven ondersteunen zonder het Talibanregime te legitimeren?
Zie het antwoord op vraag 3, 5 en 6.
Bent u bekend met de belemmeringen die de Taliban vrouwelijke hulpverleners oplegt, waardoor vrouwen en meisjes moeilijker toegang krijgen tot hulp en zorg? Wat doet Nederland om veilig werken voor deze hulpverleners te waarborgen?
De afnemende veiligheid en toegang van vrouwelijke hulpverleners is zorgwekkend. Het Taliban-regime heeft verschillende beperkingen opgelegd aan hulp aan vrouwen en door vrouwen. In de praktijk is er enige bewegingsruimte om positieve uitkomsten door en voor vrouwen te realiseren. Nederland blijft met (lokale) partnerorganisaties actief in Afghanistan in gesprek over hoe Nederland deze organisaties zo goed mogelijk kan ondersteunen bij hun werkzaamheden. Ook blijft Nederland zich op diplomatiek niveau inzetten in verschillende internationale fora voor de veiligheid van vrouwelijke hulpverleners en toegang tot hulp en zorg voor vrouwen, evenals de onafhankelijkheid en neutraliteit van de hulpverlening.
Hoe ondersteunt Nederland Afghaanse maatschappelijke organisaties, waaronder lokaal en door vrouwen geleide organisaties, en ziet u ruimte deze steun te versterken, bijvoorbeeld via directe, flexibele financiering?
Nederland ondersteunt, onder andere met directe flexibele financiering, verschillende lokale organisaties die zich richten op de bevordering van de rechten van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Vanwege de toenemende restrictieve regels van de de facto autoriteiten blijft deze steun noodzakelijk. Zoals beantwoord op vraag 3, erkent Nederland het Taliban-regime niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking en is hierdoor ook geen reguliere (bilaterale) ontwikkelingssamenwerking mogelijk.
Bent u bekend met het manifest «De rechten van Afghaanse vrouwen zijn niet onderhandelbaar»2 van de Dolle Mina's en het Azadi Collectief, dat oproept tot het niet-normaliseren van de Taliban, centraalstelling van vrouwenrechten, bestrijding van genderapartheid en internationale verantwoording? Hoe beoordeelt u deze drie eisen?
Ja. Het normaliseren van de relatie met het Taliban-regime, zoals beschreven in het manifest, is niet aan de orde. Nederland spreekt zich uit tegen de mensenrechtenschendingen. Het kabinet roept he Taliban-regime op de mensenrechten, en de rechten van vrouwen en meisjes in het bijzonder, te respecteren. Om deze reden heeft Nederland, samen met Australië, Canada en Duitsland, Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Over dit proces kan het kabinet, in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen. De situatie voor vrouwen en meisjes in Afghanistan blijft op de radar van dit kabinet.
Bent u bekend met het EU-landenprofiel van Afghanistan en andere rapporten waaruit blijkt dat voormalige bewakers van buitenlandse troepen een primair Talibandoelwit zijn? Onderschrijft u de bevindingen dat zij worden achtervolgd, mishandeld en dat een aantal van hen is vermoord? Zo nee, waarom niet?
Voor bepaling van de positie van en risico’s die verschillende groepen lopen gaat Nederland af op het algemeen ambtsbericht. Het meest recente algemeen ambtsbericht is in december 2025 gepubliceerd. In de brief5 van het kabinet van 28 mei jl. over het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is op de verschillende groepen ingegaan.
Zo ja, waarom weigert u dan de motie-Piri c.s. (Kamerstuk 36 800-V, nr. 23) uit te voeren om Afghaanse bewakers die voor Nederland werkten en hun gezinnen direct naar Nederland over te brengen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.6 heeft het kabinet besloten om de motie Piri vooralsnog in beraad te houden, hangende de uitspraak van de Hoge Raad in het cassatieberoep van 42 extern ingehuurde Afghaanse ambassadebewakers.
Deelt u de mening dat het ongehoord is dat deze zaak inmiddels bijna vijf jaar voortsleept. Zo ja, wat gaat u eraan doen?
Het kabinet heeft besloten de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten omdat de uitkomst van de rechtszaak sturend is voor het handelingsperspectief van het kabinet. Het kabinet is zich ervan bewust dat dit besluit onzekerheid oplevert voor de betrokken voormalige Afghaanse bewakers en hun gezinnen. Om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen, voor alle betrokkenen, heeft het kabinet ingestemd met een versnelde behandeling van het cassatieberoep.
Bent u bekend dat door afschaffing van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd per 12 juni jl., zonder overgangsrecht, circa 4.600 in 2021 geëvacueerde Afghanen in grote onzekerheid verkeren? Deelt u de mening dat uitzetting voor hen, als doelwit van de Taliban, een doodsvonnis betekent?
Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de asielvergunning voor onbepaalde tijd komen te vervallen. Dat betekent niet dat daarmee geen perspectief op langdurig en stabiel verblijf meer bestaat. Daarvoor blijven er in beginsel verschillende wettelijke verblijfsroutes beschikbaar. Welke route van toepassing is, hangt af van de individuele omstandigheden en het voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden. Een mogelijke route is bijvoorbeeld doorstroom naar de status van EU-langdurig ingezetene. Het afschaffen van de asielvergunning onbepaalde tijd betekent niet dat de hierboven genoemde groep Afghanen moeten terugkeren. Wanneer zij op grond van hun individuele situatie en de situatie in Afghanistan nog steeds gevaar lopen zal bescherming aan de orde zijn en zal de vergunning voor bepaalde tijd worden verlengd.
Bent u bereid alsnog een overgangsregeling te treffen voor deze groep, gezien hun evacuatiegeschiedenis en veelal jarenlange werkrelatie met de Nederlandse overheid?
De asielaanvragen van deze groep zijn met voorrang behandeld vanwege de bijzondere omstandigheden in Afghanistan en hun band met Nederland. Verder geldt dat er sprake is van voldoende verblijfs- en perspectiefmogelijkheden binnen het stelsel. Daarom zien wij geen aanleiding om voor deze groep een uitzonderingspositie te creëren.
Voor de beantwoording van de vragen 14 en 15 wordt verder verwezen naar de antwoorden van het kabinet d.d. 17 augustus jl. op eerdere vragen van uw Kamer (ingezonden 3 juli 2026, 2026Z15703)
Herinnert u zich het Nederlandse verzoek aan de Europese Commissie om in gesprek te gaan met de Taliban over de terugname van Afghaanse asielzoekers, wat de facto betrekkingen normaliseert met een regime dat vrouwen en meisjes onderdrukt? Hoe rijmt u dat met de Nederlandse kabinetsinzet voor vrouwenrechten als centraal punt van het buitenlandbeleid?
Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Voor de beantwoording van de vraag 16 wordt verder verwezen naar de antwoorden van het kabinet d.d. 10 juli jl. op eerdere vragen van uw Kamer (ingezonden 25 juni 2026, 2026Z14586).
Heeft u al voortgang gemaakt met de uitvoering van de motie Piri om te inventariseren onder Afghanistanveteranen en Afghaanse tolken in Nederland hoe zij aankijken tegen het aanhalen van contacten met de Taliban? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de bevindingen delen?
Deze motie wordt momenteel opgevolgd. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp wordt de motie zorgvuldig uitgevoerd.
Zet Nederland zich in, en heeft Nederland zich ingezet, om ervoor te zorgen dat de rechten van vrouwen en meisjes dan in ieder geval een centraal onderdeel zijn van deze Europese dialoog? Op welke wijze?
Het door Israël insluiten van Palestijnen in Gaza met een aarden wal |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u het NRC-artikel «Israël bouwt een aarden wal en omsluit en controleert hiermee de bevolking van Gaza. Dat is in strijd met het internationaal recht» van 6 augustus 2026 en de eerdere berichtgeving van Associated Press, waarin op basis van satellietbeelden wordt beschreven dat Israël langs de zogenoemde Gele Lijn een meer dan 23 kilometer lange aarden wal aanlegt gelezen?1
Ja.
Heeft u gezien dat de Israëlische premier Netanyahu heeft aangegeven «nooit een Palestijnse staat te accepteren in Gaza of de Westelijke Jordaanoever zolang hij premier is» en «niet van plan is het Israëlische Defensieleger terug te trekken uit Gaza totdat Hamas volledig ontwapend is»?2 Wat vindt u van deze uitspraken?
Ik heb hier kennis van genomen. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. De betreffende uitspraak van de Israëlische premier nooit een Palestijnse staat te accepteren gaat daar tegen in en is dan ook zorgwekkend. Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van het vredesplan van president Trump. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803.
Kunt u bevestigen dat deze aarden wal zich inmiddels over tientallen kilometers uitstrekt, Gaza verder opdeelt en de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking nog verder beperkt? Wordt dit door de Nederlandse regering gemonitord? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest dit ter plaatse te bevestigen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza.
Bent u bereid bij uw Israëlische collega en de Israëlische ambassadeur onmiddellijk duidelijk te maken dat deze aarden wal meteen weer moet worden afgebroken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Gaza nauwgezet. Voor de toekomst van Gaza is het noodzakelijk dat resolutie 2803 van de VN-Veiligheidsraad en daarmee het vredesplan van president Trump worden geïmplementeerd. Deze boodschap brengt het kabinet regulier over in diplomatieke contacten met Israël.
Kunt u bevestigen dat de Gele Lijn in oktober 2025 in eerste instantie werd gepresenteerd als een tijdelijke militaire terugtrekkingslijn, in afwachting van verdere Israëlische terugtrekking uit Gaza? Wat vindt u ervan dat Israël helemaal niet van plan is zich terug te trekken?
Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van dit vredesplan. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803. In artikel 16 is opgenomen dat Israël Gaza niet zal bezetten of annexeren.
Hoe beoordeelt u de aanleg van een grootschalige fysieke barrière en bijbehorende militaire infrastructuur langs deze tijdelijke lijn? Vindt u dergelijke (semi-)permanente infrastructuur in bezet gebied verenigbaar met het tijdelijke karakter van een bezetting en met andere relevante regels van internationaal recht? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke rechtsregels worden volgens u geschonden?
In beginsel geeft het humanitair oorlogsrecht ruimte om op basis van overwegingen van militaire noodzaak militaire installaties, zoals een aarden wal, te bouwen. Dat moet echter worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht, zoals het verbod op het vernietigen van goederen als daar geen militaire noodzaak voor is. Tevens zijn er verplichtingen onder het bezettingsrecht ter bescherming van de burgerbevolking waaronder het verbod op gedwongen verplaatsing, zoals ook toegelicht in het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, het verbod op annexatie en de door het IGH vastgestelde plicht van Israël om de onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse Gebieden zo spoedig mogelijk te beëindigen.
Heeft Israël tegenover Nederland of de Europese Unie toegelicht of deze barrière en bijbehorende infrastructuur tijdelijk dan wel permanent bedoeld is? Zo nee, bent u bereid expliciet aan Israël opheldering hierover te vragen en de Kamer daarover te informeren? Hoe verhoudt de aanleg van deze fysieke barrière zich volgens u tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin werd vastgesteld dat Israëls onrechtmatige aanwezigheid in het bezette Palestijnse gebied zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd?
De overwegingen rond de bouw van de wal zijn niet toegelicht door Israël. Wel heeft de IDF aan de media bevestigd dat er een barrière in het gebied van de Gele Lijn wordt gebouwd. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 moet de bouw van een aarden wal worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht. Nederland brengt regelmatig in gesprekken met Israël de onrechtmatigheid van de bezetting van de Palestijnse Gebieden op. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Dergelijke politieke afspraken doen echter geen afbreuk aan de Israëlische verplichtingen onder internationaal recht.
Vindt u de juridische beoordeling van het Internationaal Gerechtshof in zijn Advisory Opinion van 9 juli 2004 over de Muur op de Westelijke Jordaanoever leidend voor de Nederlandse en Europese beoordeling van deze nieuwe fysieke barrière in Gaza? Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 heeft het kabinet onvoldoende informatie over deze mogelijke barrière en kan daarom geen vergelijking maken tussen deze twee zaken. Nederland en andere staten beschouwden de aanleg van de muur op de Westelijke Jordaanoever als onrechtmatig en Israëlische soevereiniteit over de Palestijnse Gebieden is nimmer erkend.
Deelt u de opvatting dat in het advies van 2004 niet alleen de fysieke constructie zelf centraal stond, maar vooral de gevolgen daarvan voor onder meer zelfbestuur (territoriale integriteit), bewegingsvrijheid, toegang tot land en de uitoefening van het Palestijnse recht op zelfbeschikking? Welke betekenis heeft dat volgens u als u het advies van toen toepast op de huidige situatie in Gaza?
Ik deel die opvatting. Zie daarnaast beantwoording op vraag 3 en 6.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de aanleg van deze barrière en infrastructuur voor de uitvoering van de verplichtingen van Nederland zoals geformuleerd door het Internationaal Gerechtshof op 19 juli 2024?
Derde staten, zoals Nederland, zijn verplicht om de situatie die voortvloeit uit de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden niet als rechtmatig te erkennen. Ook mogen zij geen hulp of bijstand verlenen aan het in stand houden van de situatie die is ontstaan door de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden. VN-lidstaten zijn bovendien verplicht om veranderingen in het fysieke karakter, de demografische samenstelling, de institutionele structuur of de status van het door Israël bezette gebied niet te erkennen, tenzij overeengekomen door de partijen door middel van onderhandelingen. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Het kabinet zal zich blijven uitspreken tegen de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband.
Deelt u de enorme zorg dat deze barrière en de bijbehorende militaire zones kunnen bijdragen aan feitelijke annexatie, gedwongen verplaatsing, territoriale fragmentatie, genocide en langdurige opsluiting van de Palestijnse bevolking in een steeds kleiner deel van Gaza? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft benadrukken dat Israël zo spoedig mogelijk de bezetting van de Palestijnse Gebieden moet beëindigen, in lijn met het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024. Als gesteld, is het voor de toekomst van Gaza noodzakelijk het vredesplan van president Trump, als bekrachtigd in VNVR-resolutie 2803, zo snel mogelijk te implementeren.
Welke gevolgen verwacht het kabinet voor de bewegingsvrijheid van Palestijnen, de toegang tot landbouwgrond, de terugkeer naar woonplaatsen, humanitaire hulp en de wederopbouw van Gaza? Klopt het dat Israël inmiddels circa zestig procent van de Gazastrook onder militaire controle heeft en deze controle verder uitbreidt? Welke gegevens en bronnen hanteert het kabinet zelf?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest de situatie in Gaza te beoordelen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza. Uit verschillende bronnen, zoals de Verenigde Naties, humanitaire organisaties en het Israëlische kabinet, blijkt dat Israël inmiddels ruim zestig procent van Gaza onder militaire controle heeft. Daarnaast heeft Netanyahu in mei jl. de opdracht gegeven om zeventig procent van Gaza te bezetten. Het is van belang dat zo snel mogelijk stappen worden gezet om het vredesplan van president Trump te implementeren.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur te ontbieden? Zo nee, waarom niet?
In bilaterale contacten wordt de onrechtmatige bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israël, de humanitaire situatie in Gaza en de noodzaak dat alle partijen zich houden aan het vredesplan regelmatig opgebracht.
Is Nederland bereid extra nationale sancties te nemen om te voorkomen dat Israël deze vorm van territoriale controle, gebiedsverwerving en fragmentatie van Gaza voortzet? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet geeft de voorkeur aan inzet in Europees verband en is nu niet voornemens aanvullende nationale sancties te treffen.
Bent u bereid meer geld vrij te maken voor steun aan de Palestijnse bevolking? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ondersteunt de Palestijnse bevolking onder andere door de ontwikkelingssamenwerking met de Palestijnse Autoriteit, de VN en maatschappelijke organisaties op het gebied van water, private sector-, en rechtsstaatontwikkeling en mensenrechten. Het kabinet beziet continue hoe het op de meest effectieve manier kan bijdragen aan het verbeteren van de situatie voor de Palestijnse bevolking. Zo heeft Nederland in april dit jaar een bijdrage van 5 miljoen euro aangekondigd voor het VN-fonds voor herstel van de Palestijnse Gebieden, en in juli een bijdrage van 5 miljoen euro aan het PEGASE-instrument van de EU ten behoeve van steun voor de Palestijnse Autoriteit. Nederland draagt in 2026 bij aan de humanitaire respons via de ongeoormerkte bijdragen aan belangrijke humanitaire actoren als UNRWA, WFP en UNICEF.3 Daarnaast draagt Nederland 16 miljoen euro bij aan het landen specifieke humanitaire fonds van de VN.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat Nederlandse overheidsinstanties, bedrijven, financiële instellingen of andere Nederlandse actoren bijdragen aan de instandhouding van een mogelijk onrechtmatige territoriale situatie in Gaza?
Staten dienen zich te houden aan internationaal recht. Het kabinet benadrukt het belang van naleving van het internationaal recht en neemt hierin zijn verantwoordelijkheid. In het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 wordt geen uitspraak gedaan over de reikwijdte van de verantwoordelijkheid van derde staten voor de activiteiten van private partijen. Samenwerking van de Nederlandse overheidsinstanties vindt altijd plaats binnen de internationaal erkende grenzen van Israël van voor 1967. Dat wil zeggen dat op geen enkele manier samen wordt gewerkt in de door Israël bezette gebieden. Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid beperkt zich daarbij tot illegale Israëlische nederzettingen in bezet gebied.
Hoe verhoudt het huidige Nederlandse beleid zich tot de verplichtingen van derde staten zoals geformuleerd in de Advisory Opinions van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 en 2024? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de verplichtingen tot niet-erkenning, niet-bijstand en samenwerking om de onrechtmatige situatie te beëindigen? Kunt u uitsluiten dat Nederland, direct of indirect, erkenning, hulp of bijstand verleent aan een situatie waarin een aanzienlijk deel van Gaza blijvend onder Israëlische controle wordt gebracht? Hoe waarborgt het kabinet in dit verband de Nederlandse verplichtingen tot niet-erkenning en niet-bijstand?
Zie de beantwoording op vraag 10. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het AIV advies van 9 december 2024, erkent het kabinet in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Dit is aanvullend op de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie dat uitbreidingen van nederzettingen, vernielingen of uithuisplaatsingen in de bezette gebieden in strijd zijn met internationaal recht. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband. Het kabinet zal zich hierover blijven uitspreken. Nederland geeft daarnaast via het actieve ontmoedigingsbeleid, nationale maatregelen die moeten voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht, en zijn inzet in EU-verband voor handelsmaatregelen, invulling aan de juridische verplichtingen die voortvloeien uit het advies. In het geval van Gaza blijft het noodzakelijk dat er stappen worden gezet ten aanzien van het vredesplan van president Trump, waarbij de afspraken over het staakt-het-vuren volledig worden nageleefd. Het kabinet zet zich naar vermogen in om de situatie ter plaatse te verbeteren, bijvoorbeeld door het leveren van humanitaire hulp, en bij te dragen aan de uitvoering van het vredesplan.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering, samen met talloze wetenschappers, humanitaire organisaties en de VN, expliciet uit te spreken dat Israël genocide pleegt op de Palestijnen in Gaza? Zo ja, wanneer en hoe maakt u dit kenbaar aan de Israëlische regering en kunt u hier de Kamer over informeren? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Nederland is in de regel terughoudend met het kwalificeren van situaties als genocide.
Tegelijkertijd moet de terughoudendheid om zaken te kwalificeren als genocide zeker niet worden gezien als ontkenning van de ernst van de situatie in Gaza. In de Kamerbrief van 21 januari 20254 en van 18 juni 20255 is de Nederlandse visie over het kwalificeren van genocide in Gaza in meer detail uiteengezet.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering om, in het actuele belang van de territoriale soevereiniteit van de Palestijnen, samen met al zo’n 150 landen wereldwijd (o.a. Frankrijk, Spanje, België, Noorwegen, Canada, Oekraïne, Ierland en Zweden), de Palestijnse staat te erkennen? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Erkenning van de Palestijnse staat moet voor het kabinet dienstbaar zijn aan het politieke proces, waarbij beide partijen onderhandelen over hoe te komen tot een veilig Israël en een levensvatbare Palestijnse staat.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Russia-linked accounts spread far-right narrative online during Ceuta migration crisis, analysis finds»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat dergelijke desinformatiecampagnes rondom migratie in Europa steeds sneller en gecoördineerder verlopen (in zeven talen, honderdduizenden views in enkele uren), zoals ook onderzoekers van Alliance4Europe en 411 stellen? Herkent u dat dit specifiek is te herleiden tot aan Rusland gelieerde netwerken, waaronder het Telegram-kanaal Rybar en het daaraan gekoppelde Pravda-netwerk?
Het kabinet is bekend met de algemene trend dat FIMI-campagnes in toenemende mate worden ingezet door (statelijke) actoren om strategische doelstellingen te bevorderen. FIMI staat voor Foreign Information Manipulation and Interference, buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging. De opkomst van artificiële intelligentie (AI) geeft deze actoren meer geavanceerde mogelijkheden om dergelijke acties te ondernemen. Grootschalige incidenten bij buurlanden en bondgenoten onderstrepen dat deze dreiging reëel is.
In algemene zin geldt dat Rusland al jaren een veelheid aan hybride activiteiten inzet, waaronder FIMI campagnes.
Erkent u dat de initiële reacties uit de lidstaten – waaronder Nederland – juist bijdragen aan de Europese verdeeldheid die het Kremlin beoogt te creëren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het kabinet daarmee onbedoeld heeft bijgedragen aan het Kremlin-narratief? Welke lessen trekt u daaruit voor toekomstige crisiscommunicatie?»
Nee, de gebeurtenissen in Ceuta waren zeer zorgelijk, uitzonderlijk en ongekend. De grootschalige irreguliere grensovergang van duizenden mensen naar Ceuta is een schending van de territoriale integriteit van Spanje en daarmee van de Europese Unie. Het snelle optreden van Spanje in samenwerking met Marokko, en de plaatsgevonden EU coördinatie in de Integrated Political Crisis Respone (IPCR) en de extra informele JBZ-raad waren noodzakelijk. Nederland heeft in de brief op 1 augustus jl. aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad gezamenlijk met 21 lidstaten hier toe opgeroepen. In lijn met de oproep in de brief heeft Spanje de grenzen versterkt en de op grote schaal terugkeer bewerkstelligd, en vond er een extra JBZ-Raad plaats.
Deelt u de mening dat social mediabedrijven een rol hebben om dit soort desinformatie-netwerken te identificeren en hun schadelijke desinformatie te mitigeren voordat zij bij een volgend incident weer worden ingezet? Ziet u, gelet op de constatering van 411, dat «That machinery» bij het volgende grensincident aan de Middellandse Zee opnieuw klaarstaat, aanleiding om hier proactief op te anticiperen in plaats van achteraf te reageren? Zo ja, hoe pakt u dit op en met welke mate van spoed?
Het kabinet acht het belangrijk dat sociale mediaplatformen hun verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, niet-authentiek gedrag en FIMI. Onder de Digitaledienstenverordening (DSA) moeten zeer grote onlineplatforms, waaronder Facebook, Instagram, X en TikTok, en zeer grote onlinezoekmachines, waaronder Google, systeemrisico’s identificeren, analyseren en beoordelen. Zij zijn verplicht om tenminste jaarlijks een risicobeoordeling uit te voeren en, waar nodig, maatregelen te nemen om de geïdentificeerde systeemrisico’s te beperken. Factoren zoals opzettelijke manipulatie kunnen deze systeemrisico’s vergroten. Wanneer dat het geval is zijn de bedrijven verplicht maatregelen te nemen om dit tegen te gaan.
Het Kabinet maakt zich al langer zorgen over buitenlandse actoren die, bijvoorbeeld via FIMI-campagnes, proberen onze samenleving en democratie te ondermijnen. Daarom is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in nauwe samenwerking met JenV, BZ en Defensie, bezig met het opzetten van een organisatie die FIMI structureel kan detecteren. In december 2026 zal de Minister van Binnenlandse Zaken de Kamer verder informeren over de stand van zaken van deze organisatie.
Bent u bekend met de signalen die op sociale media circuleren dat op 15 augustus 2026 weer mogelijk een grensoversteek zal plaatsvinden? Zo ja, hoe zet u zich in voor een gezamenlijke solidaire Europese aanpak?
Ja. Zoals inmiddels bekend is een nieuwe grootschalige poging tot grensoversteken uitgebleven. In de Kamerbrief van 3 augustus jl. (nr. 32317–1020) is uiteengezet hoe het kabinet invulling wil geven aan een Europese aanpak in reactie op gebeurtenissen als deze.
Deelt u de zorg dat, na de minstens 72 doden bij de vorige oversteek, mensen opnieuw het risico lopen te worden ingezet als instrument in een desinformatiecampagne? Welke stappen onderneemt het kabinet, al dan niet in EU-verband richting Marokko, om te voorkomen dat kwetsbare mensen zo worden gebruikt?
Het kabinet betreurt het verlies van deze mensenlevens. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten tegen irreguliere migratie en daarmee gepaard gaande levensbedreigende routes, middels een sterk Europees asiel en migratie systeem en samenwerkingsverbanden met derde landen zoals Marokko. Met de inzet tegen irreguliere migratie beoogt het kabinet ook de mogelijkheid tot instrumentalisatie van kwetsbare migranten als ook mensensmokkel tegen te gaan. Van belang is hierbij de volledige implementatie van de Schengengrenscode. Bovendien vormt het beschermen van kwetsbare migranten een belangrijk onderdeel van de intensieve samenwerking met derde landen zoals Marokko, zowel in bilateraal als in Europees verband. Hiertoe hebben ook de 22 lidstaten opgeroepen in de brief van 1 augustus jl. Verder steunt Nederland de aanpak van de Europese Commissie om FIMI tegen te gaan.
Kunt u bovenstaande antwoorden één voor één voor 15 augustus 2026 beantwoorden?
De beantwoording is u zo snel mogelijk toegekomen.
Nieuwe VN-/UNICEF-cijfers over de voedingssituatie in Gaza |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vragen van mevrouw Keijzer en de heer Markuszower d.d. 7 augustus 2026 over de recente IPC-/UNICEF-analyse over acute ondervoeding in Gaza, waarin wordt geconcludeerd dat de gemeten acute ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar aanzienlijk lager ligt dan eerdere prognoses en dat de onderzochte gebieden zijn ingedeeld in de laagste categorie van acute ondervoeding?1 2
Op welke rapportages, datasets en analyses heeft het uw ministerie zich sinds oktober 2023 gebaseerd bij de beoordeling voor de verlening van humanitaire hulp in Gaza?
Kan per belangrijke beleidsbeslissing of aanvullende humanitaire bijdrage ten aanzien van Gaza worden aangegeven welke informatiebronnen daarbij zijn gebruikt, welke indicatoren daarbij doorslaggevend waren en of deze informatie betrekking had op gemeten gegevens of prognoses?
Heeft de recente IPC-/UNICEF-analyse aanleiding gegeven om de Nederlandse humanitaire inzet te herzien? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat in meerdere van u afkomstige Kamerbrieven het woord «hongersnood», «femine» of soortgelijke termen zijn gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze uitspraken naar aanleiding van de recente IPC-/UNICEF-analyse te rectificeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de vele beelden die al langere tijd via sociale media circuleren waarop voedselmarkten, winkels, restaurants en andere voedselvoorzieningen in Gaza zichtbaar zijn en waarop een aanzienlijke beschikbaarheid van voedsel wordt getoond?3 4
Bent u van mening dat deze beelden het beeld tegenspreken dat er sprake zou zijn geweest van een algemene voedselcrisis of grootschalige voedseltekorten in Gaza? Zo nee, waarom niet en hoe beoordeelt u deze beelden in het licht deze aannames?
Hoeveel aanwijzingen zijn er volgens u nog nodig voordat Nederland erkent dat een deel van de humanitaire hulp niet of nauwelijks bij de burgerbevolking terechtkomt, maar in handen valt van Hamas, zoals niet alleen blijkt uit videobeelden5 6 7, maar ook uit verklaringen van de VN8 9 dat Hamas humanitaire hulpgoederen heeft gestolen? En hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de nieuwe VN-/Unicef-cijfers over de voedingssituatie?
Bent u van mening dat, gelet op de financiële druk waaronder veel Nederlandse huishoudens momenteel staan en het feit dat veel Nederlanders hun dagelijkse boodschappen nu al niet meer kunnen betalen, direct met iedere vorm van ontwikkelingshulp gestopt moet worden te beginnen bij humanitaire hulp aan Gaza dat aantoonbaar bij terroristen terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Mogelijk gevaarlijke squishies voor kinderen |
|
Tamara ten Hove (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Populaire squishy ontploft in gezicht jong kind, product blijft te koop in Nederlandse winkels», waarin wordt gemeld dat een 8-jarige jongen tweedegraads brandwonden heeft opgelopen en een huidtransplantatie moet ondergaan nadat een Cool Mix Supergel tijdens het spelen openbarstte?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat speelgoed dat expliciet wordt verkocht voor kinderen vanaf drie jaar mogelijk ernstige brandwonden kan veroorzaken en stoffen kan bevatten die bij blootstelling gezondheidsrisico’s voor kinderen opleveren?
Speelgoed dient te voldoen aan de gestelde veiligheidseisen conform de Europese Speelgoedrichtlijn en veilig te zijn bij redelijkerwijs te verwachten gebruik.
Is de NVWA bekend met het specifieke incident met de Cool Mix Supergel in Frankrijk en wordt dit product meegenomen in het reeds lopende onderzoek naar squishies? Zo nee, bent u bereid dit met spoed alsnog te laten onderzoeken?
Ja, de NVWA is bekend met het specifieke incident. Dit product was niet meegenomen in het huidige onderzoek, waarin via random selectie 30 Squishy toys zijn bemonsterd. De NVWA zal nu alsnog dit product meenemen in het onderzoek naar vluchtige organische stoffen.
De NVWA waarschuwt reeds dat verhitte squishies kunnen openbarsten en ernstige brandwonden kunnen veroorzaken, wordt onderzocht of gevaarlijke verhitting en drukopbouw ook kunnen ontstaan wanneer speelgoed niet bewust wordt verwarmd, maar bijvoorbeeld tijdens een warme zomerdag in de zon, achter glas of in een auto heeft gelegen?
Op dit moment is nog niet duidelijk wat de toedracht is van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen. Als uit het Franse onderzoek blijkt dat het gevaar van verhitting bijvoorbeeld ook kan ontstaan als de squishies in een warme auto liggen, zal de NVWA daar ook actief voor waarschuwen.
Acht u het verantwoord dat de betreffende Cool Mix Supergel gedurende dit onderzoek nog steeds in Nederland aan kinderen wordt verkocht? Zo ja, waarom?
Er is op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
Bent u bereid uit voorzorg te bevorderen dat de verkoop van dit specifieke product wordt gestaakt totdat duidelijk is waardoor het ernstige incident heeft kunnen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven aangegeven is er op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
De NVWA heeft bij het lopende onderzoek naar squishies reeds vluchtige organische stoffen aangetroffen, welke stoffen zijn aangetroffen, in welke concentraties en welke specifieke gezondheidsrisico’s leveren deze stoffen op voor jonge kinderen, mede gelet op hun lagere lichaamsgewicht en de mogelijkheid van langdurig huidcontact?
Dit onderzoek loopt op dit moment nog. In verband met zorgvuldigheid worden geen tussentijdse resultaten gedeeld. Voor meer informatie over dit onderzoek: zie het nieuwsbericht NVWA onderzoekt squishy speelgoed | NVWA. Wanneer de onderzoeksresultaten hiertoe aanleiding geven zal de NVWA hier verder over communiceren.
Wordt bij het onderzoek specifiek gekeken naar xyleen en afgeleiden van benzeen en naftaleen, nu deze volgens het bericht in vergelijkbaar speelgoed zijn aangetroffen, en worden daarbij zowel de risico’s van inademing, huidcontact als inslikken onderzocht?
Er wordt in het aanvullende onderzoek ook gekeken naar xyleen, andere afgeleiden van benzeen en naftaleen. De NVWA kijkt hierbij naar de hoeveelheden en maakt een risicoschatting voor de producten waarbij inademing en huidcontact ook worden meegenomen.
Deelt u de mening dat bij speelgoed voor jonge kinderen het voorzorgsbeginsel zwaar moet wegen wanneer er serieuze aanwijzingen bestaan voor risico’s op brandwonden en blootstelling aan mogelijk schadelijke chemische stoffen, en dat niet eerst gewacht moet worden op nieuwe slachtoffers?
Ja. Het incident in Frankrijk of het eerste onderzoek van de NVWA geven echter op dit moment geen serieuze aanwijzingen in die richting.
Hoe kan speelgoed met een CE-markering in Nederland worden verkocht wanneer kennelijk nog onduidelijkheid bestaat over de chemische samenstelling en het risico op openbarsten na verhitting? Is de NVWA bereid de technische documentatie en veiligheidsbeoordeling van de Cool Mix Supergel te controleren?
Een CE-markering is geen merk van goedkeuring. Met het aanbrengen van de CE-markering verklaart de fabrikant dat het product voldoet aan de toepasselijke Europese wet- en regelgeving. De NVWA zal het genoemde product meenemen in haar onderzoek waarbij ook de technische documentatie wordt beoordeeld.
Waarom kunnen Bol.com en verschillende Belgische winkelketens volgens het bericht uit voorzorg besluiten squishies uit de verkoop te halen, terwijl vergelijkbare producten in Nederlandse fysieke winkels en webshops verkrijgbaar blijven? Waarom grijpt de overheid niet eveneens uit voorzorg in?
Marktdeelnemers kunnen zelf ervoor kiezen de verkoop te staken. De NVWA heeft zoals eerder aangegeven geen aanleiding dit af te dwingen.
Bent u bereid ouders en verzorgers, in afwachting van de definitieve onderzoeksresultaten, actief te waarschuwen voor zowel de mogelijke chemische risico’s als het risico op brandwonden bij squishies en daarbij expliciet te waarschuwen voor speelgoed dat in de zon, achter glas of in een hete auto heeft gelegen?
Zoals in antwoord op vraag 4 al is aangegeven is er op dit moment nog geen duidelijkheid over de toedracht van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien noodzakelijk passende maatregelen nemen; nu is er geen grond voor zo’n waarschuwing.
De IPC-analyse van de voedingssituatie in de Gazastrook |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze IPC-analyse van de acute ondervoedingssituatie in de Gazastrook?1 2
Kunt u bevestigen dat volgens deze analyse alle door de IPC geanalyseerde gouvernementen in de Gazastrook voor de periode van 16 april tot en met 30 juni 2026 zijn geclassificeerd op IPC AMN Fase 1 (Acceptabel) en voor de projectieperiode van 1 juli tot en met 31 december 2026 op IPC AMN Fase 2 (Alert), waarbij Rafah wegens onvoldoende gegevens niet is geanalyseerd? Zo nee, waarom niet en welke classificatie hanteert u dan?
Kunt u bevestigen dat de IPC in deze analyse vaststelt dat sinds het staakt-het-vuren van oktober 2025 grootschalige hulpverlening heeft geleid tot verbeteringen in de voedselzekerheid en voedingsomstandigheden in de Gazastrook, en dat de voedingssituatie sinds begin 2026 aanzienlijk is verbeterd, terwijl de behoeften volgens de IPC hoog blijven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u in de beantwoording van de Kamervragen van 24 september 2025, in antwoord op vraag 20, heeft gesteld dat er sprake was van een hongercrisis in de Gazastrook «vanwege de maandenlange blokkade van humanitaire hulp door Israël» en dat dit «een gevolg van menselijk handelen» was? Kunt u tevens bevestigen dat u in antwoord op vraag 11 heeft gesteld: «De hongercrisis in de Gazastrook is het gevolg van menselijk handelen. Israël heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid.»? Handhaaft het kabinet deze kwalificaties en de daaraan ten grondslag liggende beoordeling in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden en de meest recente IPC-analyses? Zo ja, op welke actuele feiten en bronnen baseert het kabinet deze beoordeling? Zo nee, bent u bereid de eerdere beoordeling expliciet richting de Kamer te actualiseren?3
Kunt u aangeven welke bronnen het kabinet tot dusver heeft gehanteerd voor zijn kwalificaties van de voedselzekerheids- en ondervoedingssituatie in de Gazastrook en in hoeverre het zijn beoordeling bijstelt naar aanleiding van de meest recente IPC-analyses? Bent u tevens bereid deze analyses, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen acute ondervoeding (AMN) en acute voedselonzekerheid (AFI), actief onder de aandacht te brengen bij EU-partners en de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Een wetsvoorstel dat de vrijheid van christelijke organisaties in India verder onder druk zet. |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wetsvoorstel bedreiging voor christelijke organisaties in India»1 waarin wordt gesteld dat het Indiase parlement een wetsvoorstel behandelt dat de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) aanscherpt, waardoor de mogelijkheden van de overheid worden uitgebreid om op te treden tegen maatschappelijke en religieuze organisaties die afhankelijk zijn van buitenlandse financiering?
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van Indiase christelijke organisaties dat deze wetswijziging ertoe kan leiden dat kerken, scholen, ziekenhuizen en andere maatschappelijke instellingen hun werkzaamheden niet langer kunnen voortzetten en zelfs eigendommen kunnen verliezen wanneer hun FCRA-registratie vervalt of wordt ingetrokken?
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen van het maatschappelijk middenveld, inclusief christelijke organisaties, over de impact van de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) en volgt de ontwikkelingen rondom de voorgestelde wijzigingen op de FCRA nauwgezet. Op 12 augustus is de voorgestelde wetswijziging verwezen naar een Joint Parliamentary Committee voor nadere bestudering van de bepalingen en de mogelijke gevolgen daarvan. De voorgestelde aanscherping moet vervolgens nog verder in het Indiase parlement worden behandeld en is daarom mogelijk nog aan verandering onderhevig.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van evangeliserende activiteiten van de religieuze activiteiten waarvoor buitenlandse middelen mogen worden aangewend, op gespannen voet staat met de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, zoals beschermd in Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), waaronder ook de vrijheid om een godsdienst of levensovertuiging individueel of gezamenlijk te belijden en uit te dragen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze opvatting.
Hoe beoordeelt u deze wetswijziging in het licht van de bredere verslechtering van de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India, waaronder meldingen van toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst, geweld en intimidatie?
De Indiase Grondwet definieert het land als seculier en beschermt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Tegelijkertijd zijn er zorgen over toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, intimidatie en geweld tegen religieuze minderheden. Een eventuele aanscherping van de FCRA zou een zorgelijke ontwikkeling zijn, omdat zij de kwetsbare positie van religieuze minderheden, waaronder christenen, verder zou kunnen verzwakken.
Heeft de Nederlandse regering haar zorgen over dit wetsvoorstel of over de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging reeds overgebracht aan de Indiase autoriteiten? Zo ja, op welke wijze en met welke boodschap? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. Nederland, in coördinatie met de andere EU lidstaten, brengt consistent de zorgen over de impact van de FCRA op het in India actieve maatschappelijk middenveld op bij de Indiase autoriteiten. Mede op verzoek van Nederland zijn beide onderwerpen geagendeerd en besproken tijdens de EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni 2026 plaatsvond in New Delhi, India.
Is dit wetsvoorstel of de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India aan de orde gesteld in de politieke dialoog tussen de Europese Unie en India of in andere EU-overleggen met India? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de Europese Unie dit wetsvoorstel en de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst expliciet aan de orde stelt bij de Indiase autoriteiten?
De positie van christenen en andere religieuze minderheden is nadrukkelijk onderdeel van de dialoog tussen de Europese Unie en India. Zo is, mede op verzoek van Nederland, dit onderwerp besproken met de Indiase autoriteiten tijdens de meest recente EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni jl. plaatsvond.
Ook de zorgen over de impact van de FCRA – en eventuele amendementen hierop – zijn meermaals schriftelijk en mondeling onder de aandacht gebracht bij de Indiase autoriteiten. Indien de aanscherping van de FCRA door het Indiase parlement zal worden aangenomen, zullen Nederland en de EU, indien daar aanleiding toe is, de negatieve doorwerking ervan op het maatschappelijk middenveld inclusief christelijke organisaties opnemen met de Indiase autoriteiten. Deze inzet sluit aan bij Nederlandse inzet op de vrijheid van religie en levensovertuiging en bij de EU richtlijnen inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.
Bent u bereid zich zowel bilateraal als in EU-verband actief in te zetten voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India, overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, en daarbij specifiek aandacht te vragen voor de positie van christelijke organisaties die door dit wetsvoorstel worden geraakt? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India en zal dit blijven doen. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader en richt zich op de bescherming van vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen.
Indien aangenomen, zal het Kabinet de implementatie van de aangescherpte FCRA en de impact op het maatschappelijk middenveld, waaronder christelijke organisaties, nauwgezet blijven volgen en adresseren in de contacten met de Indiase overheid.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met gelijkgezinde landen binnen de Europese Unie en daarbuiten, de Indiase autoriteiten aan te spreken op hun verplichtingen uit hoofde van het IVBPR en andere internationale mensenrechtenverdragen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden?
Het kabinet, zowel bilateraal als in EU-verband, spreekt de Indiase autoriteiten aan op hun verplichtingen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden en zal dit blijven doen.
Een marineschip in aanbouw dat verplicht rondjes moest varen in Turkse wateren |
|
Maikel Boon (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een mijnenjager uit het Belgisch-Nederlandse mijnenjagerproject twee maanden rondjes heeft gevaren in Turkse wateren?1
Ja.
Klopt het dat het defensieverdrag tussen Frankrijk en Cyprus de reden is geweest dat de Turken de mijnenjager in aanbouw hebben gegijzeld in de Zwarte Zee?
Nederland is niet betrokken geweest bij het diplomatieke proces tussen Frankrijk en Turkije en kan dus ook niet beoordelen wat de vertraging heeft veroorzaakt. Nederland heeft daarnaast geen verzoek tot bemiddeling ontvangen en voorziet voor toekomstige Nederlandse schepen geen problemen.
Traden België en Nederland gezamenlijk op om aan Turkije duidelijk te maken dat wij niet gediend zijn van dat Turkse optreden dat de voortgang van het gezamenlijk Belgisch-Nederlands project om mijnenjagers te bouwen hinderde? Zo ja, wat heeft u gedaan?
Nee. Nederland is niet betrokken geweest bij het diplomatieke proces met Turkije.
Heeft u gedurende deze periode contact gehad met uw Turkse ambtsgenoot om het schip weer uit de Zwarte Zee te krijgen en op weg naar Frankrijk te helpen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om de Turkse ambassadeur op het matje te roepen en te berispen voor deze absurde gang van zaken die een NAVO-lidstaat onwaardig is? Zo nee waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Wilt u deze kwestie tijdens de aankomende NAVO-bijeenkomst van Ministers van Buitenlandse Zaken aan de orde brengen en Turkije hiervoor snoeihard veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland uitzonderlijke maatregelen neemt vanwege de waterschaarste. |
|
Mona Keijzer |
|
Silvio Erkens (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
Bent u bekend met het besluit van het Hoogheemraadschap van Delfland om per 5 augustus 2026 een volledig verbod in te stellen op het onttrekken van oppervlaktewater voor onder meer de glastuinbouw, landbouw en andere economische functies?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Kunt u uiteenzetten hoe ernstig het watertekort in Delfland daadwerkelijk is en op welke objectieve gegevens dit besluit is gebaseerd? In hoeverre verschilt de huidige situatie van eerdere droge jaren waarin dergelijke ingrijpende maatregelen niet of later zijn genomen?
Het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) heeft te maken met een ernstig watertekort en ziet, als gevolg daarvan, risico’s voor de stabiliteit van keringen binnen het beheergebied toenemen. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte waterkwaliteit. Een watertekort ontstaat geleidelijk en wordt objectief beoordeeld aan de hand van de ontwikkeling in waterstanden, aanvoerdebieten en berekeningen van de watervraag en -verlies door bijvoorbeeld verdamping.
Vergeleken met eerdere droogte jaren is de huidige droogte zeer ernstig. Het huidige neerslagtekort valt in de 5% hoogste ooit gemeten en ook de rivierafvoeren zijn historisch laag. De afvoer van de Rijn is met 553 m3/s lager dan ooit gemeten, de afvoer van de Maas is laag, grondwaterstanden zijn op de meeste plaatsen laag tot extreem laag en ook het waterpeil van het IJsselmeer is onder de zomerse ondergrens gezakt. Bij gebrek aan externe wateraanvoermogelijkheden zijn waterschappen als Delfland genoodzaakt pijnlijke maatregelen te nemen om de watervraag te verminderen; aan de aanbodkant kan immers niet of beperkt gestuurd worden. Zoals in Delfland het geval is, kunnen deze maatregelen onder meer de glastuinbouw, landbouw en natuur, maar ook andere categorie 3 en 4 functies uit de wettelijke verdringingsreeks hard raken. Toch zijn deze maatregelen nodig om de waterveiligheid te borgen en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen (categorie 1 en 2 functies uit de verdringingsreeks).
Kunt u gezien het watertekort het experiment «Haringvlietsluizen op een kier»1 tijdelijk stopzetten, zodat er minder zout water de Haringvliet binnenstroomt?
In het Kierbesluit Haringvlietsluizen is rekening gehouden met situaties van lage Rijnafvoeren en droogte. Dit is vastgelegd in een bedienprotocol. Bij een Rijnafvoer van 1.100 m3/s of lager gaan de Haringvlietsluizen dicht. Daarom zijn de sluizen deze zomer al sinds 25 juni dicht. Er is daardoor geen risico op verzilting van de inlaatpunten voor zoetwater in dit gebied als gevolg van het Kierbesluit.
Is bij u bekend welke economische schade dit verbod kan veroorzaken voor boeren en tuinders in het beheergebied van Delfland, in het bijzonder voor grondgebonden glastuinbouwbedrijven met teelten zoals radijs, sla, chrysanten en alstroemeria?
Op 13 augustus jl zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken. Er is sprake van economische schade, maar de omvang van deze schade is lastig exact in te schatten.
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven in de groente- en bloementeelt. Ongeveer 10% hiervan teelt in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. De omvang van de economische schade voor deze bedrijven is onder meer afhankelijk van het gewas en het aantal teeltcycli. Bij langdurige teelten, zoals alstroemeria, kan de economische schade groter zijn dan bij gewassen met meerdere teeltcycli per jaar. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 11.
Kunt u aangeven welke gevolgen dit onttrekkingsverbod kan hebben voor de productie, werkgelegenheid en bedrijfscontinuïteit van de naar schatting 150 glastuinbouwbedrijven2 ?
Het onttrekkingsverbod zal gevolgen hebben voor een aanzienlijk deel van de glastuinbouwbedrijven in dit gebied. De omvang van de gevolgen is afhankelijk van vele factoren zoals de mate van waterbuffer die de bedrijven hebben kunnen opbouwen vóórafgaand aan het onttrekkingsverbod, de mogelijkheid en kosten van de inzet van alternatieve waterbronnen, de inzet van ondernemers om hun weerbaarheid tegen droogte te versterken (bijv. met investeringen in waterrecirculatie technieken of droogtebestendige gewassen en teeltsystemen), en de uiteindelijke duur van het onttrekkingsverbod. Na afloop van de droogte zal het Rijk de economische schade als gevolg van de huidige droogte landelijk in beeld brengen en evalueren.
Klopt het dat tuinders onvoldoende of zeer laat zijn geïnformeerd over de ernst van de situatie en de mogelijkheid van een volledig onttrekkingsverbod? Zo ja, acht u dit goed bestuur en bent u bereid Delfland hierop aan te spreken?
De droogtesituatie wordt door waterbeheerders dagelijks geëvalueerd en impactvolle besluiten worden zo lang als de situatie dat toelaat uitgesteld om onnodige schade ten gevolge daarvan te voorkomen. Delfland geeft aan dat een onverwacht sterke daling van de Rijnafvoer in combinatie met een uitzonderlijk neerslagtekort ertoe heeft geleid dat het snel moest besluiten tot een onttrekkingsverbod. Betrokken stakeholders zijn daarna zo snel mogelijk geïnformeerd. Daarbij geeft Delfland aan de periode tussen het nemen van het besluit en het ingaan van het onttrekkingsverbod zo lang mogelijk te hebben gemaakt (zo lang als de situatie toeliet) om de sectoren te kunnen informeren. Delfland heeft gehandeld conform de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks die bij de betrokken partijen bekend is. Op dit moment sta ik in nauw contact met Delfland en Glastuinbouw Nederland over de droogtesituatie en ieders handelingspersperspectief.
Klopt het dat in eerdere communicatie van Delfland richting ondernemers de indruk is gewekt dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn? Hoe beoordeelt u in dat licht de communicatie vanuit Delfland richting ondernemers?
Nee, dit klopt niet. Delfland heeft niet gecommuniceerd dat de watervoorziening voorlopig voldoende zou zijn. Via de website, sociale media en de lokale pers is door het waterschap gedurende de droogteperiode uitvoerig gecommuniceerd over de droogtesituatie, de zorgen over de zoetwaterbeschikbaarheid en de reeds genomen en mogelijk nog te nemen maatregelen.
Klopt het dat Delfland vooral vasthoudt aan normen omtrent zoutgehalten in het water en daarom kiest voor een volledig verbod op onttrekking? Zo ja, welke afweging is daarbij gemaakt tussen de risico's van een tijdelijk hoger zoutgehalte enerzijds en het volledig verloren gaan van gewassen anderzijds?
Delfland geeft aan dat bij de afweging die is gemaakt de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks is gehanteerd, waarbij waterveiligheid de hoogste prioriteit heeft. Bij de afweging omtrent een tijdelijk hoger zoutgehalte is meegewogen dat dit leidt tot verdere verzilting van het watersysteem. Dit brengt risico's met zich mee voor verschillende zoetwatervragers, waaronder de landbouw en glastuinbouwsector zelf en de (onderwater)natuur. Daarnaast heeft Delfland afspraken over het doorvoeren van water met een bepaalde hoeveelheid en kwaliteit met het buurwaterschap, waar het water ook meerdere gebruiksfuncties moet kunnen dienen.
Is onderzocht of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, bijvoorbeeld uitsluitend overdag, mogelijk was geweest, zodat in de nacht nog beperkt gebruik van oppervlaktewater kon plaatsvinden?
Ja, Delfland geeft aan een gedeeltelijk onttrekkingsverbod te hebben overwogen. Geconcludeerd is echter dat ál het beschikbare zoetwater nodig is om de waterveiligheid te borgen. Inmiddels zijn al bij verschillende dijken binnen het beheergebied scheuren ontstaan. Het waterschap monitort de dijken nauwlettend en voert waar nodig herstelwerkzaamheden uit.
Is onderzocht of onder gecontroleerde omstandigheden tijdelijk een hoger zoutgehalte kon worden toegestaan om ernstige economische schade aan voedsel- en sierteeltgewassen te voorkomen? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Ja, Delfland geeft aan dat deze mogelijkheid is onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Indien tijdelijke toelating van zouter water onvoldoende hulp zou bieden, is onderzocht of aanvullend gebruik kan worden gemaakt van gezuiverd effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Hoek van Holland of Waterzuivering Harnaschpolder in Den Hoorn voor de bloementuinbouw? Zo nee, waarom niet?
Ja, Delfland en Glastuinbouw Nederland zijn momenteel in goed gesprek over aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren voor de sector. Er liggen meer opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ook ontzilting van brak- of zoutwater.
Kunt u toezeggen om samen met Delfland, de glastuinbouwsector en andere betrokken partijen te onderzoeken of een gedeeltelijk onttrekkingsverbod, een hoger zoutgehalte of een tijdelijke inzet van gezuiverd effluent van de RWZI Hoek van Holland mogelijk kan zijn om acute schade aan gewassen en bedrijven te voorkomen?
Op donderdag 13 augustus jl. zijn Staatssecretaris Silvio Erkens van het Ministerie van LVVN en ik bij Delfland op bezoek geweest, waar we met het waterschap en de sector hebben gesproken over het beschermen van de dijken en de mogelijkheden om schade aan gewassen door de watertekorten te voorkomen. Zo hebben wij bijvoorbeeld gesproken over het gebruik van gezuiverd effluent en het ontzilten van zoutwater. Met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden de verschillende opties uitvoerbaar zijn. Feitelijk wordt momenteel reeds 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke rol speelt de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) bij deze besluitvorming en is binnen die commissie gesproken over alternatieven waarbij bijvoorbeeld tijdelijk meer verzilting wordt geaccepteerd ten gunste van voedselproductie en economische continuïteit? Zo nee, waarom is deze commissie niet meegenomen hierin en welke lessen trekt u hieruit?
De LCW heeft een landelijk coördinerende en adviserende functie, maar de verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor beheermaatregelen ligt bij de betreffende waterbeheerder(s). Bovenregionale afstemming vindt binnen de LCW plaats. In dit geval was dit een maatregel binnen één Regionaal Droogte Overleg (RDO) en was er dus geen afstemming nodig met de LCW.
Hoe verhoudt de droogtesituatie in het beheergebied van Delfland zich tot de situatie in andere delen van Nederland waar eveneens sprake is van aanhoudende droogte en lage rivierafvoeren?
De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s om verschillende redenen. Het neerslagtekort in deze regio is groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoetwater in het gebied is beperkt mogelijk. Door de ligging aan zee is er ook sprake van toenemende zoutindringing, wat een probleem is voor de landbouw vanwege schade aan gewassen. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en liggen er veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied van Delfland.
Zijn er andere waterschappen die momenteel te maken hebben met vergelijkbare omstandigheden, maar waarbij geen volledig verbod op het onttrekken van oppervlaktewater voor de glastuinbouw of landbouw is ingesteld? Zo ja, welke verschillen bestaan er in de gekozen aanpak en belangenafweging?
Ja, ook bij andere waterschappen doen zich vergelijkbare omstandigheden met betrekking tot droogte voor. Echter, door regionale verschillen is de situatie bij elk waterschap anders, zo ook de omvang van de watertekorten en de genomen maatregelen. In het oosten van Nederland, waar de bodem veel zandiger is, staat het oppervlaktewatersysteem in nauwere verbinding met het grondwatersysteem. Meer dan elders zetten waterschappen hier in op grondwatermaatregelen, zoals grondwateronttrekkingsverboden. Deze zijn op verschillende plekken ingesteld om onomkeerbare schade aan Natura 2000-gebieden, eveneens categorie 1 in de verdringingsreeks, te voorkomen. In het noorden van Nederland daarentegen is het neerslagtekort kleiner en is wateraanvoer uit het IJsselmeer tot nu toe mogelijk geweest. De droogteproblematiek is hier dan ook minder kritiek.
Zo maken waterbeheerders binnen hun eigen bevoegdheden en regionale context een eigen afweging over de inzet van maatregelen. Daarbij worden de effectiviteit en proportionaliteit beoordeeld, passend bij de omstandigheden in het eigen beheergebied. Overigens hebben inmiddels de meeste regio’s onttrekkingsverboden ingesteld.
Klopt het dat Glastuinbouw Nederland niet is betrokken bij de totstandkoming van deze maatregelen en dat overleg over alternatieve oplossingen beperkt of zelfs niet heeft plaatsgevonden? Indien dit klopt, hoe beoordeelt u dat?
Delfland heeft het besluit zelfstandig genomen. Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit. Verder geldt dat reeds enkele jaren, ook tijdens eerdere perioden van droogte, regelmatig gesprekken plaatsvinden tussen Delfland en Glastuinbouw Nederland over alternatieve gietwaterbronnen. De huidige droge periode onderstreept het belang van deze gesprekken. Momenteel worden met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zie vraag 12.
Is de gemeente Westland, waar een groot gedeelte tuinders actief zijn, vooraf betrokken door Delfland bij de totstandkoming van deze maatregel en eventuele alternatieven? Zo niet, hoe beoordeelt u dit gebrek aan afstemming door Delfland?
De gemeente Westland is, net als andere stakeholders, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de maatregelen geïnformeerd. Ik herken het beeld niet dat er een gebrek aan afstemming is geweest. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Deelt dit kabinet de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers zwaarwegende publieke belangen zijn die nadrukkelijk moeten worden meegewogen bij besluiten over waterschaarste?
Het kabinet deelt de mening dat voedselzekerheid, tuinbouwproductie en de bescherming van familiebedrijven en ondernemers belangrijk zijn. Daarom zet het kabinet zich ervoor in om met maatregelen de balans tussen watervraag en wateraanbod zo lang mogelijk in stand te houden, waardoor het inzetten van de verdringingsreeks zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Echter in zeer droge perioden zoals nu, is dit niet langer mogelijk en bepaalt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks welke belangen maatschappelijk het zwaarst wegen.
Hoe weegt het kabinet in situaties van waterschaarste, buiten het al bestaande overzicht van verdeling van zoetwater in droge tijden3 , de belangen van voedselproductie, werkgelegenheid en economische continuïteit af tegen andere belangen binnen de verdringingsreeks?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld tussen de volgende vier categorieën (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– Verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Voor de afweging binnen de categorieën van de verdringingsreeks geldt dat Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen treffen die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
Daarbij geldt dat de categorieën 1 en 2 een vaste prioriteitsvolgorde kennen; dat is te zien aan de nummering in bovenstaand schema. Het gaat hierbij met name om maatschappelijke functies, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. Zo wordt prioriteit gegeven aan het voorkomen van schade aan waterkeringen en aan vitale natuur, en ook aan het waarborgen van de leveringszekerheid van energie en drinkwater.
Binnen de categorieën 3 en 4 is er ruimte voor regionaal maatwerk; hier geldt geen vaste prioriteitsvolgorde. Regionaal kan dus door waterbeheerders worden bepaald welke volgorde binnen deze categorieën wordt aangehouden. Deze categorieën betreffen vooral, maar niet uitsluitend, economische functies. De mate waarin verschillende functies worden getroffen, kan daarbij sterk verschillen per regio. Categorie 3 heeft binnen de verdringingsreeks een bijzondere positie. Deze categorie vormt een uitzondering op categorie 4, waaronder onder meer landbouw en industrie vallen. Het uitgangspunt is dat met een relatief kleine hoeveelheid water, gedurende een beperkte periode, een zeer groot maatschappelijk of economisch effect kan worden bereikt, bijvoorbeeld door massale faillissementen of het volledig falen van de oogst te voorkomen. Ook bij categorie 3 blijft echter gelden dat de belangen uit categorie 1 en 2 voorgaan. Dat speelt op dit moment ook in Delfland, waar het borgen van de waterveiligheid zwaarder weegt dan het beschikbaar stellen van water voor functies in de categorieën 3 en 4.
Bent u momenteel in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland, Glastuinbouw Nederland en andere betrokken partijen over de gevolgen van deze maatregel? Zo nee, bent u bereid dit overleg met spoed te initiëren?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid zich actief in te zetten voor een oplossing waarbij ondernemers niet onnodig de dupe worden van bestuurlijke keuzes en waarbij ondernemers die binnen enkele dagen zonder water komen te zitten worden geholpen?
Het kabinet is zich ervan bewust dat waterschaarste ingrijpende gevolgen kan hebben voor ondernemers. Tegelijkertijd, bij ernstige waterschaarste moeten maatregelen worden genomen om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Het kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers niet onnodig worden geraakt en dat binnen de kaders van de verdringingsreeks waar mogelijk naar oplossingen wordt gezocht. Daarom worden nu ook met urgentie tijdelijke oplossingen onderzocht, zoals het ontzilten van water en het hergebruik van effluent. Tevens wordt momenteel 100 m3 water per dag uit het Hollands Diep met tankwagens naar de glastuinbouwbedrijven met de grootste problemen gebracht. Tevens versoepelt Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk op 19, 20 en 21 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie). Tegelijkertijd kunnen ondernemers zichzelf ook weerbaar maken tegen waterschaarste. Het kabinet ondersteunt en stimuleert dit onder andere via het Deltaprogramma Zoetwater (DPZW) en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).
Deelt u de mening dat een overheid betrouwbaar, voorspelbaar en dienstbaar behoort te handelen en dat ingrijpende besluiten die ondernemers direct raken tijdig, zorgvuldig en in overleg met betrokken sectoren moeten worden voorbereid? Is dit volgens u beiden voldoende gebeurd? Zo ja, graag een tijdlijn van overleggen met de daarbij horende gespreksonderwerpen. Zo nee, hoe reflecteert u hierop en welke lessen trekt u hieruit?
Ja, die mening deel ik. Delfland geeft aan dat de situatie snelle besluitvorming vergde. Zij hebben daarbij een brede belangenafweging gemaakt conform de wettelijke verdringingsreeks. Hierbij zijn de belangen van alle stakeholders gewogen. Bijvoorbeeld die van gemeenten, binnenvaart, inwoners, recreatie en ondernemers, én de glastuinbouw. Voor een tijdlijn van overleggen verwijs ik u graag naar Delfland.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Delfland over hun handelwijze, communicatie en belangenafweging rondom dit onttrekkingsverbod, zodat kan worden vastgesteld of hier sprake is geweest van zorgvuldig en proportioneel bestuur?
Ik zie geen aanleiding om met Delfland hierover in gesprek te gaan. Delfland heeft binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks gehandeld. Wel is het zo dat elke droogteperiode door de LCW breed geëvalueerd wordt. Het onttrekkingsverbod van Delfland zal naar alle waarschijnlijkheid onderdeel vormen van deze evaluatie.
Kunt u deze vragen, gezien de acute situatie, de beperkte watervoorraden bij veel tuinders en de dreigende economische schade, uiterlijk 12 augustus 2026 beantwoorden?
Ik heb geprobeerd de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Tot slot, bied ik graag aan om een technische briefing over de Droogte aan de Tweede Kamer te (laten) verzorgen. Graag hoor ik of uw Kamer daar behoefte aan heeft.
Bent u bekend met dit bericht, en met het feit dat uw secretaris-generaal sinds 1 januari 2022 voorzitter is van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, de instelling die hier een institutionele boycot voert tegen Israëlische staatsinstellingen?1 2 3 4 5 6
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat TivoliVredenburg zijn boycot mede rechtvaardigt met de kwalificatie «genocidaal geweld» voor het optreden van Israël in Gaza? Kunt u aangeven of, en zo ja hoe, de Raad van Toezicht, onder voorzitterschap van uw secretaris-generaal, dit standpunt van de instelling heeft goedgekeurd of getoetst? Is deze kwalificatie ook het standpunt van het kabinet? Zo ja, op welke rechterlijke uitspraak is dat standpunt gebaseerd? Zo nee, hoe beoordeelt u dat uw eigen secretaris-generaal als voorzitter toezicht houdt op een instelling die deze kwalificatie wél publiekelijk hanteert?
Ja. Het betreft een besluit dat is genomen door de directie van TivoliVredenburg.
Was u ervan op de hoogte dat deze nevenfunctie werd voortgezet en zelfs bestendigd (herbenoeming tot 1 januari 2030) nadat TivoliVredenburg zijn culturele boycot van Israël publiekelijk had ingesteld? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u dat dit niet eerder bij u bekend was?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn mij bekend. De Minister van Defensie is in 2023 akkoord gegaan met deze nevenfunctie. Alle nevenwerkzaamheden van de Topmanagementgroep (TMG) van de Algemene Bestuursdienst (ABD) zijn te raadplegen op de website van de ABD. De lijst met nevenwerkzaamheden wordt periodiek geactualiseerd.
Is deze nevenfunctie destijds gemeld en getoetst conform de Gedragscode Integriteit Rijk en de regels voor nevenfuncties van topambtenaren? Kunt u de uitkomst van die toetsing met de Kamer delen?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn getoetst en hebben geleid tot een goedkeuring van de nevenfunctie. De nevenfunctie is tijdig en volledig openbaar gemaakt conform de daarvoor geldende procedures van de CAO Rijk.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie, gebonden aan ambtelijke onpartijdigheid en loyaliteit aan het kabinetsbeleid, als voorzitter van de Raad van Toezicht toezichthoudende eindverantwoordelijkheid draagt voor een instelling die eigenstandig en publiekelijk een institutionele boycot voert tegen de staatsinstellingen van een land? Zo nee, waarom niet?
De secretaris-generaal is voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg. De Raad van Toezicht is belast met het toezicht op het algemeen functioneren van de directie, de benoemingen van bestuurders en het toezicht op financieel gebied. De directie heeft dit besluit genomen.
Uw ambtsvoorganger, Minister Brekelmans, heeft in de Tweede Kamer gesteld dat de F-35 essentieel is voor de veiligheid van Nederland en zijn internationale partners, waaronder Israël, en dat eenzijdig loslaten van deze samenwerking Nederland tot een onbetrouwbare partner zou maken en een risico zou vormen voor onze eigen luchtmacht. Onderschrijft u deze analyse van uw ambtsvoorganger? Zo nee, waarom niet?7
Ja, deze analyse onderschrijf ik.
Zo ja op vraag 6: hoe verhoudt de door uw ambtsvoorganger benoemde afhankelijkheid van Israëlische (defensie)technologie zich tot het feit dat uw eigen secretaris-generaal een instelling voorzit die datzelfde land institutioneel boycot?
De secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie is de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, niet de voorzitter van de directie van TivoliVredenburg. De directie van TivoliVredenburg heeft het besluit genomen.
Acht u het verenigbaar met de positie en geloofwaardigheid van het Ministerie van Defensie dat de hoogste ambtenaar van dat ministerie in een nevenfunctie een boycot mede faciliteert tegen een land waarmee Nederland op defensiegebied nauw samenwerkt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke stappen gaat u zetten?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid uw secretaris-generaal te vragen zijn nevenfunctie als voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg neer te leggen, dan wel hem te vragen zich binnen die Raad publiekelijk te distantiëren van de boycot? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie verenigbaar met zijn functie als secretaris-generaal. De secretaris-generaal heeft aangegeven nadere afspraken met de Raad van Toezicht te hebben gemaakt, waardoor hij zich bij eventuele toekomstige besprekingen van dergelijke onderwerpen in de Raad van Toezicht zal onthouden van deelname.
Bent u bereid de Kamer te informeren over alle overige nevenfuncties van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie en de wijze waarop deze zijn getoetst op verenigbaarheid met zijn ambtelijke positie? Zo nee, waarom niet?
De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie zijn volgens de geldende procedures voor de TMG publiekelijk kenbaar gemaakt. De lijst met werkzaamheden is te raadplegen via de website van de ABD.
Bent u bekend met het feit dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg tevens de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie is, en dat deze Raad van Toezicht toeziet op een instelling die een institutionele boycot van Israël voert?
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke dubbelrol, rijksambtenaar aan de top van een ministerie én toezichthouder-voorzitter bij een gesubsidieerde instelling met een eigen institutioneel boycotbeleid tegen Israëlische instellingen, op gespannen voet staat met de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die van de rijksoverheid mag worden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Voor leden van de TMG gelden de rijksbrede integriteitsregels, aangevuld met openbaarmakings- en meldingsplichten om belangenverstrengeling te voorkomen. Om integriteit te waarborgen, zijn alle leden van de TMG verplicht hun nevenactiviteiten te melden aan hun werkgever. Voorafgaand aan de aanstelling worden nevenwerkzaamheden getoetst aan verenigbaarheid in relatie tot de te vervullen functie. Het overzicht van de nevenwerkzaamheden van de TMG is online openbaar te raadplegen.
Onder welke subsidieregeling(en) en voor welk bedrag ontvangt TivoliVredenburg jaarlijks direct of indirect rijkssubsidie, bijvoorbeeld via de Basisinfrastructuur Cultuur (BIS) of via de gemeente Utrecht?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg. Het podium ontvangt een jaarlijkse bijdrage van € 13,4 miljoen van de gemeente Utrecht in het kader van de Utrechtse Cultuurnota 2025–2028. Van het Fonds Podiumkunsten ontvangt TivoliVredenburg € 58.450 per jaar uit de Podiumregeling. Vanuit het Fonds Cultuurparticipatie krijgt het podium € 32.360 uit de regeling Co-creatie instellingen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met TivoliVredenburg over de voorwaarden waaronder subsidie wordt verstrekt, mede in het licht van deze dubbele rol als topambtenaar en toezichthouder, en de selectieve boycot van Israëlische deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg.
Deelt u de opvatting dat het weren van Israëlische studenten een vijandiger klimaat kan creëren voor Joodse en Israëlische bezoekers, artiesten en studenten in Nederland, zeker wanneer een zittend topambtenaar dit beleid als toezichthouder mede draagt? Zo nee, waarom niet?
Culturele instellingen moeten ruimte hebben om artistieke en inhoudelijke keuzes te maken. Die artistieke vrijheid is echter nooit een vrijbrief voor racisme, discriminatie en/of antisemitisme. Instellingen mogen mensen niet uitsluiten op grond van kenmerken die wettelijk beschermd zijn.
De maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta op Aruba |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de Arbodienst van Defensie ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld in de tijdelijke maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta op Aruba, waaronder schimmel, ongedierte en ernstige risico's voor de voedselveiligheid? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, sinds wanneer was u hiervan op de hoogte en waarom hebben mariniers desondanks jarenlang onder deze omstandigheden moeten werken en eten?1
De berichtgeving is bekend en de problematiek heeft de volle aandacht. De voortgang van de renovatie heeft op het moment een hoge prioriteit binnen Defensie. Het bedrijfsrestaurant is in 2022 gesloten ten behoeve van renovatie. Hierbij zou het onderofficiersverblijf fungeren als tijdelijke locatie. De voorbereiding is echter uitgelopen door de complexiteit van de renovatie, alsook capaciteitsproblematiek in de vastgoedketen. Hierdoor is in februari 2025 een tijdelijke voorziening, de zogenoemde Dining Facility, opgeleverd. Na oplevering zijn er echter diverse gebreken geconstateerd waardoor de Dining Facility meermaals gesloten is geweest om deze op te lossen. Gedurende de momenten dat de Dining Facility gesloten was, is wederom in het onderofficiersverblijf gekookt en gegeten. Inmiddels zijn de laatste werkzaamheden aan de Dining Facilty uitgevoerd, waardoor het aanwezige personeel hier weer gebruik van maakt. Op korte termijn zal er ook gebruikt kunnen worden gemaakt van een lokale cateraar om bij nieuwe problemen in de toekomst te allen tijde een passende maaltijdvoorziening te kunnen garanderen.
Hoe kan het dat Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf pas in juni 2026 budget hebben vrijgemaakt voor een nieuw bedrijfsrestaurant, terwijl de problemen volgens de berichtgeving al jarenlang bekend waren? Welke bestuurlijke en organisatorische oorzaken hebben tot deze vertraging geleid?
De renovatie van het bedrijfsrestaurant op de kazerne moet nog worden gerealiseerd. Defensie heeft het door het Rijksvastgoedbedrijf benodigd aanvullend budget hiervoor recent (in juni) beschikbaar gesteld. Het budget dat eerst beschikbaar was gesteld, bleek namelijk ontoereikend. De aanbesteding voor de werkzaamheden is gestart en kent een verkorte procedure, met als planning gunning in Q4 van dit jaar. De oplevering staat gepland op januari 2028.
Welke maatregelen zijn inmiddels genomen om de veiligheid, hygiëne en voedselveiligheid van de tijdelijke maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta te waarborgen en wanneer zal het nieuwe bedrijfsrestaurant daadwerkelijk in gebruik worden genomen?
Er zijn naar aanleiding van een voedselveiligheidsrapport uit 2025 verschillende maatregelen genomen om de voedselveiligheid en de werkomstandigheden binnen de Dining Facility te borgen. Hierbij is gekozen voor maatregelen die op korte termijn effect hadden op de geconstateerde aandachtspunten.
De genomen maatregelen omvatten onder meer:
Op 5 maart 2026 heeft daarnaast een zelfcontrole op voedselveiligheid plaatsgevonden conform de Instructie Voedselveiligheid Defensie (IVD). Hieruit bleek dat het personeel op de juiste wijze werkt, waarmee wordt voldaan aan de IVD voor wat betreft voedselveilig werken. De kritische aandachtspunten op het gebied van voedselveiligheid en hygiëne worden structureel gemonitord en beheerst door organisatorische maatregelen. Dat neemt niet weg dat de noodzaak tot structurele oplossingen – de verbouwing van de vaste keukenfaciliteit – hoog blijft. Ook loopt momenteel een aanbesteding zodat bij nieuwe problemen gebruik kan worden gemaakt van een lokale cateraar om in de toekomst te allen tijde een passende maaltijdvoorziening te kunnen garanderen. De oplevering voor het nieuwe bedrijfsrestaurant staat gepland voor januari 2028.
Zijn er meer Defensielocaties waar de maaltijdvoorziening of andere essentiële voorzieningen niet voldoen aan de geldende eisen op het gebied van veiligheid, hygiëne of arbeidsomstandigheden? Zo ja, welke locaties betreft dit en welke maatregelen worden daar genomen?
De Interne Arbodienst van Defensie heeft geconstateerd dat meerdere locaties niet geheel voldoen aan de vereisten van voedselveiligheid. Bij deze locaties wordt ingegrepen om deze problematiek zo snel mogelijk op te lossen. Voeding is een essentieel onderdeel van de gereedstelling van Defensie zowel nu als in de toekomst en hierbij is voedselveiligheid cruciaal. De aanpak is locatieafhankelijk en betreft zowel vastgoed gerelateerde als organisatorische maatregelen. Maatregelen die nu al bij specifieke locaties worden genomen zijn: een grootschalige renovatie bij het Meeuwennest in de Nieuwe Haven in Den helder, het vernieuwen van koel- en vriescellen op de KMA in Breda en het Air Operations Control Station in Nieuw Milligen en de uitfasering van het koudemiddel, dat dient voor koeling, op alle luchtmacht locaties. Bovendien loopt er een meerjarig programma voor alle locaties met een maaltijdvoorziening om te voldoen aan (toekomstige) wet- en regelgeving en de eisen die worden gesteld aan hygiëne en voedselveiligheid.
Deelt u de opvatting dat militairen die bereid zijn hun leven te riskeren voor Nederland beter verdienen dan schimmel, ongedierte en een onveilige maaltijdvoorziening?
Het is essentieel dat alle collega’s onder goede omstandigheden hun werk kunnen doen en hierbij een passende maaltijdvoorziening hebben. De problematiek heeft de volle aandacht. Daarom wordt hard gewerkt aan het realiseren van een structurele oplossing op alle locaties.
Kunt u toezeggen dat Defensie haar mensen voortaan de waardering én de voorzieningen geeft die zij verdienen, zodat onze militairen niet langer als oud vuil worden behandeld?
Zie antwoord op vraag 5.
Aanvullende berichtgeving over de situatie in Ceuta. |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veel migranten verlaten Ceuta, maar duizenden willen Europese droom niet opgeven: winkels op slot en boten richting Spanje gestopt»?1
Ja.
Welke informatie heeft het kabinet ontvangen van de Spaanse autoriteiten over het aantal migranten dat Ceuta daadwerkelijk heeft verlaten en hoeveel personen zich op dit moment nog in de Spaanse exclave bevinden?
Tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. gaf Spanje aan dat er rond de 72.000 irreguliere grensoverschrijdingen zijn geweest om via Ceuta de grens met Spanje over te steken waarvan zij, in samenwerking met Marokko, rond de 70.000 irreguliere migranten naar Marokko heeft laten terug keren.
Het is helder dat er grootschalig irreguliere aankomsten zijn geweest en dat deze irreguliere migranten ook op grote schaal zijn vertrokken. De irreguliere migranten zijn, door de chaotische situatie op 30 en 31 juli jl., niet geregistreerd bij binnenkomst van Ceuta. Ook is het niet mogelijk geweest om de terugkeer van al deze irreguliere migranten te registeren. Er bestaat daarom onduidelijkheid over het precieze aantal resterende irreguliere migranten dat zich nog in Ceuta bevindt. Het is daarom van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom, samen met andere gelijkgezinden lidstaten, hierop blijven aandringen.
Op welke wijze verifieert Nederland de juistheid van informatie die door de Spaanse autoriteiten wordt verstrekt over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten en de beveiliging van de buitengrens van de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met signalen dat de feitelijke situatie in Ceuta mogelijk afwijkt van de officiële lezing van de Spaanse autoriteiten? Zo ja, welke signalen zijn dat en welke conclusies verbindt het kabinet daaraan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien zou blijken dat de Spaanse autoriteiten bewust een ander beeld hebben geschetst van de situatie in Ceuta of onjuiste informatie hebben verstrekt over het aantal teruggekeerde migranten, welke gevolgen zou dat volgens u moeten hebben voor de samenwerking met Spanje binnen de Europese Unie?
Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de Spaanse autoriteiten onjuiste informatie hebben verstrekt. Het kabinet heeft tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. Frontex opgeroepen om de situatie aan de grens, het aantal irreguliere migranten in Ceuta en eventuele bewegingen nauw te blijven monitoren en hierover te rapporteren.
Deelt u de opvatting dat betrouwbare en controleerbare informatie van lidstaten essentieel is voor een goed functionerend Europees migratiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Wanneer zou voor u de grens bereikt zijn waarop geconcludeerd moet worden dat Spanje onvoldoende invulling geeft aan zijn verplichtingen als bewaker van de Europese buitengrens?
Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente toepassing en naleving van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. In dat kader is een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoedster van de Verdragen onmisbaar. Via Schengenevaluaties wordt getoetst of lidstaten voldoen aan het Schengen acquis. Op basis van deze evaluaties worden aanbevelingen geformuleerd die lidstaten moeten uitvoeren. Daarnaast rapporteert de Commissie over de integriteit van het Schengengebied via de Schengen barometer en het Staat van Schengenrapport. Het is, meer dan voorheen, extra van belang dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenvaluaties opvolgen om adequate toepassing en naleving van de Schengenregels te waarborgen. Het kabinet pleit er daarom voor dat tekortkomingen in de toepassing voor alle lidstaten inzichtelijk worden en politiek besproken worden tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Acht u Spanje, gelet op de huidige ontwikkelingen, nog steeds een volledig betrouwbare partner bij de uitvoering van het Europese migratiebeleid? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Het kabinet acht Spanje nog steeds een betrouwbare partner bij de uitvoering van het Europese migratiebeleid. Spanje heeft, mede op aandringen van Nederland, stappen genomen om de buitengrens verder te versterken en op korte termijn grootschalige terugkeeroperaties gestart, wat ertoe heeft geleid dat een groot aantal van de irreguliere migranten reeds zijn teruggekeerd. Het kabinet spreekt erkenning uit voor de snelle acties van Spanje. Ook ten aanzien van de uitvoering van het Pact werkt Nederland goed met Spanje samen. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Bent u bereid binnen de Raad van de Europese Unie aan te dringen op een onafhankelijke verificatie van de feiten rondom de gebeurtenissen in Ceuta, zodat lidstaten kunnen beschikken over objectieve informatie over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten en de daadwerkelijke grensbewaking? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat heeft het kabinet tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus j.l. gedaan.
Indien zou blijken dat Spanje de Europese asiel- en terugkeerregels structureel onjuist toepast of onvoldoende handhaaft, bent u dan bereid de Europese Commissie te verzoeken een inbreukprocedure tegen Spanje te starten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet er stelselmatig op in dat lidstaten het asielacquis en terugkeeracquis naleven. De Commissie ziet hierop toe, als hoedster van de verdragen. Het kabinet ziet geen reden om aan te nemen dat Spanje de verplichtingen die voortvloeien uit het asiel- en terugkeer acquis niet nakomt.
Ten aanzien van de verantwoordelijkheidsregels als bedoeld in artikel 60, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351 geldt dat de Nederlandse ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert. Ook de Europese Commissie heeft op op 15 juli 2026 een mededeling gepubliceerd over eventuele structurele tekortkomingen in lidstaten. Daarin concludeert de Commissie, in lijn met de Nederlandse ervaring, dat er ten aanzien van Spanje geen signalen zijn voor structurele tekortkomingen bij de uitvoering van de overdrachten onder AMbV
Bent u bereid de Europese Commissie te verzoeken onderzoek te doen naar mogelijke systematische tekortkomingen in de toepassing van de verantwoordelijkheidsregels door Spanje als bedoeld in Artikel 60, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de opvatting dat, indien de Europese Commissie dergelijke systematische tekortkomingen vaststelt, andere lidstaten niet gehouden zouden moeten zijn solidariteitsbijdragen – waaronder herplaatsingen of financiële bijdragen – aan Spanje te leveren? Bent u bereid dit standpunt in Europees verband uit te dragen?
Indien de Europese Commissie systemische tekortkomingen vaststelt bij een lidstaat die solidariteit ontvangt bij het uitvoeren van de AMbV overdrachten, dan zijn de andere lidstaten niet meer verplicht om solidariteit aan deze lidstaat te geven. Op basis van de laatste evaluatie van de Commissie, in lijn met de Nederlandse ervaring, is dit voor Spanje niet aan de orde.
Bent u bereid de Spaanse ambassadeur te ontbieden indien blijkt dat de Spaanse autoriteiten de Europese partners onjuist of onvolledig hebben geïnformeerd over de migratiesituatie in Ceuta? Zo nee, waarom niet en wanneer zou u dit wel aan de orde zijn?
Dit is niet aan de orde. het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de Spaanse autoriteiten onjuiste informatie hebben verstrekt. Spanje heeft snel, proactief en continu informatie gedeeld over de situatie in Ceuta.
Welke diplomatieke stappen acht u passend indien zou blijken dat Spanje bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over de omvang van de migratiestroom, de terugkeer van migranten of de naleving van Europese verplichtingen?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid, indien Spanje de buitengrens aantoonbaar onvoldoende bewaakt en daardoor een ernstig risico ontstaat voor de openbare orde en de werking van het Schengengebied, tijdelijke maatregelen te treffen ten aanzien van het personenverkeer van en naar Spanje, waaronder intensivering van grenscontroles op lucht- en zeeverbindingen, voor zover het Unierecht daarvoor ruimte biedt? Zo nee, waarom niet?
Omdat het Schengengebied niet geschonden is en het overgrote deel van de irreguliere migranten weer is teruggekeerd is dit nu niet in beeld.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er controles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Heeft u kennisgenomen van maatregelen van andere lidstaten om het personenverkeer met Spanje tijdelijk aan aanvullende controles te onderwerpen naar aanleiding van de huidige migratiesituatie? Zo ja, hoe beoordeelt u deze maatregelen?
Ja. Het is niet aan het kabinet om de maatregelen van andere lidstaten te beoordelen.
Onder welke omstandigheden acht u het gerechtvaardigd om, met een beroep op de Schengengrenscode, tijdelijke grenscontroles ten aanzien van reizigers vanuit Spanje in te voeren indien sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid?
Zie antwoorden hierboven. Op dit moment is er geen additioneel risico voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid geconstateerd, mede vanwege het feit dat er tot op heden geen secundaire bewegingen naar het Europese vasteland zijn geconstateerd. Het kabinet blijft de situatie nauw monitoren. Mocht de situatie wijzingen en additionele maatregelen nodig blijken zal het kabinet uw Kamer daarover informeren.
Bent u bekend met de Spaanse wetgeving op grond waarvan de Spaanse regering alleenstaande minderjarige migranten die illegaal Ceuta zijn binnengekomen niet zal terugsturen, maar deze minderjarige migranten in de procedure zal opnemen en eventueel naar andere autonome regio’s binnen Spanje zal sturen? Zo ja, kunt u aangeven of er informatie bekend is dat deze illegaal binnengekomen amv’ers reeds in de procedure zijn opgenomen dan wel verplaatst zijn naar andere autonome regio’s in Spanje?
Het kabinet heeft geen geverifieerde informatie waaruit blijkt dat de amv’ers al zijn opgenomen in een procedure dan wel zijn overgeplaatst naar andere autonome regio’s.
Op welke juridische grondslag baseert Spanje dit beleid en acht u dit in overeenstemming met de het Europese migratiebeleid?
Het is niet aan het kabinet om te beoordelen of het handelen van Spanje in lijn is met de Europese wetgeving. Het is aan de Europese Commissie als hoeder van de verdragen om hier op toe te zien.
Deelt u de opvatting dat het vooruitzicht op opvang en herverdeling binnen Europa een aanzuigende werking kan hebben op alleenstaande minderjarige migranten en mensensmokkelaars? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft duidelijk gemaakt, onder andere tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus, dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen.
In algemene zin is het, om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, van belang dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Migranten die geen recht hebben om asiel moeten snel afgewezen worden, en de terugkeer geeffectueerd. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie van het Asiel- en Migratiepact en de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhub.
Bestaat het risico dat deze minderjarigen zich, nadat zij binnen Spanje zijn verdeeld, vrij binnen het Schengengebied kunnen verplaatsen en uiteindelijk ook Nederland bereiken? Hoe beoordeelt u dit risico?
Voor de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die asiel hebben aangevraagd in Spanje geldt conform EU-regelgeving dat de lidstaat van eerste aanvraag, in dit geval Spanje, verantwoordelijk is voor de beoordeling van het asielverzoek. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Hoe beoordeelt u het Spaanse beleid in het licht van de noodzaak om irreguliere migratie en mensensmokkel tegen te gaan?
Het is niet aan het kabinet om het beleid van Spanje te beoordelen. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met Spanje te onderzoeken. Hen is gevraagd hierin in ieder geval de oorzaken, inclusief de rol van mensensmokkelaars en tekortkomingen aan de Spaanse buitengrens, mee te nemen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bereid binnen de Raad van de Europese Unie aan te dringen op een eenduidig Europees beleid waarbij ook voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen dat erop ziet dat ook zij, bij illegale grensoverschrijding, direct teruggestuurd worden?
Indien een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) zonder verblijfsvergunning op het grondgebied van een lidstaat verkeert, kan een lidstaat een terugkeerbesluit nemen en is de amv daarmee vertrekplichtig. Hier zijn wel voorwaardes aan verbonden om de amv te beschermen en niet zonder adequate opvang naar het land van herkomst te sturen. De amv heeft ook, net zoals iedereen, het recht om asiel aan te vragen. Zodra de asielprocedure loopt heeft de amv, net zoals ieder ander, het recht om deze af te wachten op het territorium van de lidstaat waar de asielprocedure is aangevraagd.
Het beleid en de bijzondere waarborgen en uitzonderingen inzake de procedure en beoordeling van asielverzoeken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen is op Europees niveau vastgelegd in onder andere de Asielprocedureverordening. Daarmee is er reeds eenduidig Europees beleid.
Bent u het eens met de uitspraak van de Minister-President op X waarin hij stelt dat de invasie te wijten is aan mensensmokkelaars?2
Het is een gegeven dat mensensmokkelaars een kwalijke rol spelen in de migratieroutes tussen Noord-Afrika en Europa. Het kabinet heeft de rol van mensensmokkelaars, het misbruik dat zij maken van kwetsbare personen en de rol die zij hebben gespeeld in dit incident veroordeeld. Het kabinet vindt het van belang dat het wrede verdienmodel van mensensmokkelaars doorbroken wordt.
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, kunt u onderbouwen op basis van welke concrete informatie de Minister-President stelt dat de gebeurtenissen in Ceuta zijn veroorzaakt door mensensmokkelaars? Beschikt het kabinet over bevestigde inlichtingen of strafrechtelijke onderzoeken waaruit dit blijkt, of betreft dit een aanname? Indien die onderbouwing ontbreekt, waarom presenteert de Minister-President deze lezing, welke u volgt, dan als een vaststaand feit, terwijl er ook andere verklaringen voor de massale grensbestorming worden genoemd?
Zoals hierboven aangegeven veroordeelt het kabinet de rol die mensensmokkelaars hebben gespeeld. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen is het van belang dat er verder onderzoek wordt gedaan naar de totstandkoming van dit incident, het samenspel tussen de verschillende factoren waaronder mogelijke tekortkomingen aan de buitengrens en de rol van mensensmokkelaars is hierbij van belang. Nederland heeft hiertoe tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus jl. opgeroepen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bekend met het bericht «Online werd massale overtocht naar Ceuta wekenlang voorbereid en gepromoot»?3 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. Het is op dit moment is moeilijk te kwantificeren welke factoren allemaal een rol hebben gespeeld en in welke omvang. Het kabinet loopt niet vooruit op de uitkomsten van het eerdergenoemde onderzoek.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de Spaanse inlichtingendiensten, volgens de Spaanse krant ABC, op de hoogte waren van de dreiging van de invasie in Ceuta? En hoe beoordeelt u het optreden van de Spaanse inlichtingendienst?
Het is niet aan het kabinet om het optreden van de Spaanse inlichtingdiensten te beoordelen.
Bent u bekend met de aanwijzingen dat Marokkaanse autoriteiten onvoldoende hebben opgetreden tegen mensensmokkel, georganiseerde migratiestromen of online oproepen om de oversteek naar Ceuta te maken? Zo ja, hoe beoordeelt u deze?
Het kabinet gaat nu niet in op dit soort analyses over het ontstaan van de situatie. Het kabinet is van mening dat het – met het oog op het voorkomen van een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst- nodig is om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met in Spanje te onderzoeken. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
In hoeverre deelt u de zorgen van de Spaanse autoriteiten dat migratie opnieuw als politiek drukmiddel zou kunnen worden ingezet? En welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat dit gaat gebeuren?
De Raad heeft in 2024 een Verordening vastgesteld met maatregelen in geval van instrumentalisering van migratie. Daarnaast is een gezamenlijke inzet op de versterking van buitengrenzen en de andere maatregelen zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 7 essentieel.
Welke rol speelt de samenwerking tussen de Europese Unie en Marokko bij grensbewaking en het tegengaan van illegale migratie, en voldoet Marokko volgens u momenteel aan de gemaakte afspraken?
Zowel de Europese Unie als EU-lidstaten onderhouden nauwe betrekkingen met Marokko op het gebied van migratie en werken samen op verschillende terreinen, waaronder grensmanagement en het verbeteren van terugkeersamenwerking. Marokko heeft voorts constructief meegewerkt aan terugkeer van vertrek-plichtige vreemdelingen en in nauwe samenwerking met Spanje ondersteund bij het tegengaan van verdere irreguliere bewegingen.
De massale bestorming van de Spaanse exclaves Ceuta en Melilla en de gevolgen daarvan voor Nederland |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat volgens schattingen van het Spaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 24 uur tijd circa 49.000 migranten vanuit Marokko de Spaanse exclave Ceuta zijn binnengedrongen, zowel over land als via zee?1 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat de grens van Ceuta geen louter Spaanse aangelegenheid is, maar een gemeenschappelijke buitengrens van de Europese Unie en het Schengengebied, waarvan het bezwijken directe gevolgen heeft voor Nederland?
Met de eerder toegelichte inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden en zijn er dus geen directe gevolgen voor Nederland geconstateerd.
De situatie in Ceuta benadrukt opnieuw dat het beschermen en handhaven van de buitengrens van Europa van groot belang is. Nederland heeft in de extra JBZ-Raad van 4 februari onderstreept dat dit een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Nederland blijft daarom ook steun toezeggen aan lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken. De EU moet in onderlinge solidariteit blijven investeren in het versterken van de buitengrenzen, het tegengaan van irreguliere migratie en de terugkeer van vertrekplichtige migranten. Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente implementatie van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. Een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoeder van de Verdragen, is daarbij onmisbaar. Tegelijkertijd vraagt het ook, meer dan voorheen, dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenevaluaties opvolgen om hun implementatie te versterken. Ook pleit het kabinet onverminderd voor het transparant maken en open bespreken van de tekortkomingen en het bespreken hiervan tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Erkent u dat migranten Ceuta beschouwen als toegangspoort tot de Europese Unie en dat een aanzienlijk deel van hen zal trachten door te reizen naar Noordwest-Europese lidstaten, waaronder Nederland?
Zie antwoord hierboven. Doordat doorreizen vanuit Ceuta enkel gecontroleerd kan, is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. De situatie in Ceuta benadrukt opnieuw dat het beschermen en handhaven van de buitengrens van Europa en het tegengaan van irreguliere migratie van groot belang is. Nederland blijft daarom ook steun toezeggen aan lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken.
Welke lessen heeft de Europese Unie volgens u getrokken uit de bestorming van de Spaanse exclave Melilla in juni 2022 en Ceuta in mei 2021, waarbij eveneens duizenden migranten binnenkwamen?3
De situatie bij Ceuta van vorige week is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk. Dit incident was van een compleet andere ordegrootte dan de situaties waar de vraagsteller naar verwijst, waarbij het respectievelijk ging om 2000 en 8000 migranten. Tijdens de extra informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. gaf Spanje aan dat er rond de 72.000 irreguliere grensoverschrijdingen zijn geweest om via Ceuta de grens met Spanje over te steken. De Spaanse autoriteiten hebben voor het overgroote deel van deze migranten de terug naar Marokkaans grondgebied bewerkstelligd.
In de afgelopen jaren heeft de EU geïnvesteerd in het verder versterken van het Europese asiel- en migratiesysteem, alsook het versterken van de buitengrenzen. In het algemeen zijn daardoor de irreguliere grensoverschrijdingen in de EU de afgelopen jaren aanzienlijk gedaald. Ook lijkt het erop dat het Spanje met het huidige instrumentarium is gelukt om te zorgen dat het Schengengebied niet is geschonden.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat Marokkaanse grenswachters kort voor de massale oversteek plotseling van hun posten verdwenen?4 5
Het kabinet heeft gepleit om oorzaken nader te onderzoeken en loopt hier niet op vooruit. Wel ziet het kabinet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. Er is op dit moment daarom geen aanleiding voor maatregelen, des te meer omdat Marokko constructief heeft meegewerkt aan terugkeer van vertrek-plichtige vreemdelingen en in nauwe samenwerking met Spanje ondersteund bij het tegengaan van verdere irreguliere migratie.
Verder is het kabinet van mening dat het – met het oog op het voorkomen van een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst- nodig is om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met in Spanje te onderzoeken. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Deelt u de analyse dat Marokko migratie doelbewust inzet als diplomatiek drukmiddel jegens Spanje en de Europese Unie?6
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om, bilateraal dan wel in EU-verband, consequenties te verbinden aan dit Marokkaanse handelen, bijvoorbeeld op het terrein van visumverlening, handelspreferenties of ontwikkelingssamenwerking?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof van begin juli 2026, waarin is geoordeeld dat migranten die zwemmend of per boot Ceuta bereiken niet zonder procedure mogen worden teruggestuurd?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat volgens de Spaanse regering mensensmokkelbendes van deze uitspraak misbruik maken om de huidige massale oversteek te organiseren?
Nederland heeft, onder andere tijdens de informele JBZ-raad van 4 augustus, de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen opgeroepen om samen met Spanje te onderzoeken hoe dit tot stand heeft kunnen komen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Erkent u dat hiermee opnieuw is aangetoond dat juridische waarborgen die uitzetting zonder procedure onmogelijk maken, een aanzuigende werking op illegale migratie hebben?
Nee. Juridische waarborgen zijn de basis van een goed werkende rechtsstaat. Wel is het van belang om dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen te onderzoeken hoe de situatie bij Ceuta tot stand is gekomen. Nederland heeft daarom in de iJBZ-raad van 4 augustus, gevraagd om een onderzoek naar de oorzaken en de tekortkomingen uitgevoerd door de Europese Commissie en de relevant EU-agentschappen, in samenwerking met Spanje, om hierover meer helderheid te krijgen. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u bekend met het arrest N.D. en N.T. tegen Spanje, waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat Spanje migranten die massaal het grenshek bij Melilla bestormden direct mocht terugleiden, zonder daarmee het verbod op collectieve uitzetting te schenden?7
Ja, ik ben bekend met de uitspraak van het EHRM.
Bent u bereid om in Europees verband te bepleiten dat de ruimte die dit arrest biedt voor het direct terugleiden van migranten die de buitengrens massaal bestormen, door de lidstaten maximaal wordt benut?
Op 15 mei jl. heeft de Raad van Europa, mede op aandringen van Nederland, de Chisinau-verklaring aangenomen. Hierin wordt verwezen naar een situatie van massale aankomsten. De verklaring bevestigt de soevereiniteit van lidstaten in het beschermen van nationale grenzen en het besluiten over wie op het grondgebied mag verblijven, in overeenstemming met de verplichtingen onder het EVRM. Het kabinet heeft, samen met andere lidstaten, opgeroepen tot de snelle en effectieve implementatie van de Chisinau-verklaring. Het EHRM oordeelde overigens in genoemde zaak dat er geen schending was van het verbod op collectieve uitzetting omdat de verzoekers geen gebruik hadden gemaakt van bestaande juridische procedures om legaal toegang te krijgen tot Spaans grondgebied.
Bent u bekend met de buitengewone regularisatieregeling van de regering-Sánchez, op grond waarvan illegaal in Spanje verblijvende migranten tussen 16 april en 30 juni 2026 een verblijfs- en werkvergunning konden aanvragen, en waarvoor blijkens mededelingen van de Spaanse regering ruim één miljoen aanvragen zijn ingediend?8 9
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u tevens bekend met het door premier Sánchez op 30 juni 2026 gepresenteerde «Plan voor Integratie en Burgerschap 2026–2030», waarin deze massale regularisatie uitdrukkelijk wordt gepresenteerd als eerste stap op weg naar volwaardig burgerschap?
Het kabinet is bekend met het Spaanse «Plan voor Integratie en Burgerschap 2026–2030»
Wat zegt de huidige explosieve toestroom richting Ceuta, die kort volgt op de afronding van de Spaanse regularisatieronde en de presentatie van het genoemde plan, volgens u over de aanzuigende werking van dergelijke versoepelingen?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere EU-lidstaten aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welk effect de afronding van de regularisatie precies heeft gehad is moeilijk te kwantificeren. Het kabinet heeft daarom in de informele JBZ-raad de Europese Commissie opgeroepen om samen met Spanje de oorzaken van de gebeurtenissen te onderzoek. Daarop gaan we niet vooruitlopen.
Indien u van oordeel bent dat er geen verband bestaat tussen het Spaanse regularisatiebeleid en de huidige toestroom, kunt u die opvatting dan onderbouwen met een alternatieve verklaring voor het feit dat juist nu tienduizenden Marokkanen de oversteek naar Spaans grondgebied wagen?
Zie antwoord vraag 15.
Erkent u dat een door Spanje afgegeven verblijfsvergunning de houder het recht geeft om vrij door het Schengengebied, en dus ook door Nederland, te reizen?
De door Spanje afgegeven vergunning geeft recht op verblijf en werk in Spanje. Op grond van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst mag de houder van een dergelijke vergunning maximaal 90 dagen in andere Schengenlanden verblijven, voor zover aan de toepasselijke voorwaarden voor binnenkomst wordt voldaan. Iemand met een dergelijke vergunning heeft geen recht om zich in Nederland te vestigen. Uiteraard houdt Nederland in nauw contact met Spanje de situatie in de gaten.
Erkent u dat geregulariseerde migranten na vijf jaar legaal verblijf in Spanje de status van langdurig ingezetene kunnen verkrijgen, die hun onder voorwaarden het recht geeft zich in andere lidstaten, waaronder Nederland, te vestigen?
Op grond van de Richtlijn Langdurig Ingezeten (richtlijn 2003/109/EG) kunnen onderdanen uit derde landen de status van langdurig ingezetene krijgen wanneer zij legaal en ononderbroken vijf jaar op het grondgebied van een lidstaat verblijven en voldoen aan bepaalde voorwaarden. Deze status geeft hen onder voorwaarden het recht om langer dan drie maanden in een andere lidstaat te verblijven. In die andere lidstaat moet dan wel een verblijfsvergunning worden aangevraagd, waarbij getoetst wordt op onder meer een gevaar voor openbare orde en het middelenvereiste. Komt de langdurig ingezetene derdelander voor arbeid naar Nederland, dan geldt in Nederland in het eerste jaar een arbeidsmarkttoets.
Deelt u dan ook de conclusie dat het Spaanse regularisatie- en naturalisatiebeleid daarmee de facto mede Nederlands migratiebeleid is, zonder dat de Staten-Generaal of de Nederlandse kiezer daarover enige zeggenschap heeft gehad?
Nee, de richtlijn langdurig ingezetenen heeft geen betrekking op naturalisatie. Daarover gaan de lidstaten zelf.
Bent u bekend met het bericht dat Italië ermee heeft gedreigd Spanje tijdelijk uit het Schengengebied te weren vanwege deze crisis, en deelt u de daaraan ten grondslag liggende zorg dat via Spanje toegelaten migranten zich vervolgens ongehinderd over het Schengengebied kunnen verspreiden?
Ja, ik ben bekend met het bericht. Die zorg deelt het kabinet niet, want doorreizen vanuit Ceuta kan enkel gecontroleerd. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied.
Bent u bereid om in het licht van deze crisis de controles aan de Nederlandse landsgrens te intensiveren?
Het is evident de Nederland haar eigen binnengrenzen bewaakt. In Nederland voert de Koninklijke Marechaussee (KMar) in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid – en op dit moment in het kader van de tijdelijke herinvoering van de binnengrenscontroles op grond van artikel 25 Schengengrenscode – informatie- en risicogestuurde controles uit op inkomende intra-Schengenvluchten en treinen en op wegen en vaarwegen in de binnengrensstreek met België en Duitsland. De inzet van deze controles gebeurt op basis van informatie ten aanzien van risico’s op illegale migratie en mensensmokkel. Indien informatie voortkomend uit de situatie in Spanje hier aanleiding toe geeft, zal de KMar de inzet in het kader van het binnengrenstoezicht hierop richten. De situatie zoals in bovenstaande antwoorden is toegelicht geeft geen aanleiding om de tijdelijke maatregel van binnengrenscontroles te verlengen.
Kunt u uitsluiten dat Nederland op grond van het solidariteitsmechanisme van de per 12 juni 2026 van toepassing geworden Asiel- en Migratiebeheerverordening zal worden verplicht om naar aanleiding van deze crisis asielzoekers uit Spanje over te nemen dan wel financiële solidariteitsbijdragen te leveren?10
De berekening van welke lidstaten solidariteit ontvangen onder het solidariteitsmechanisme is gebaseerd op verschillende factoren waaronder de bevolkingsomvang, BBP en de irreguliere asielaankomsten en asielprocedures, van de afgelopen vijf jaar. Vervolgens is het aan de Europese Commissie om tot een voorstel te komen van de verdeling en daarmee hoeveel solidariteit lidstaten ontvangen. Hier moet overeenstemming over bereikt worden binnen de EU. Het kabinet kan daar geen berekening van maken.
Indien het antwoord op vraag 22 ontkennend luidt, kunt u dan aangeven met de overname van hoeveel asielzoekers of met welke financiële bijdragen Nederland in het uiterste geval rekening moet houden?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de opvatting dat de inzet van slechts zestig Spaanse militairen tegenover een toestroom van tienduizenden migranten volstrekt ontoereikend is om deze buitengrens van de Europese Unie te verdedigen?
Het kabinet is van mening dat het – met het oog op het voorkomen van een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst- nodig is om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan daar moeten ook een analyse bij zitten over de mogelijke tekortkomingen aan de Spaanse buitengrens bij Ceuta. Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met in Spanje te onderzoeken. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Daarbij is het cruciaal dat Spanje, in samenwerking met Marokko en ondersteund door de Europese Commissie, beziet hoe de buitengrens bij Ceuta versterkt kan worden en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. De Commissie moet, als hoeder van de verdragen, hierin een leidende rol hebben en rapporteren aan de lidstaten over de uitkomsten van deze evaluatie.
Heeft de Nederlandse regering Spanje personele of materiële steun aangeboden voor de bewaking van de buitengrens bij Ceuta?
Er is op dit moment geen concrete steun toegezegd of gevraagd door Spanje. In algemene zin zal Nederland lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken waar mogelijk steunen als zij daarom vragen.
Indien het antwoord op vraag 25 ontkennend luidt, bent u dan bereid een dergelijk aanbod, in overleg met de Minister van Defensie, alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 25.
Bent u bereid deze crisis en de grensoverschrijdende gevolgen van het Spaanse regularisatie- en naturalisatiebeleid te agenderen voor de eerstvolgende JBZ-Raad en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere lidstaten aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welke effect deze ontwikkelingen precies hebben gehad is moeilijk te kwantificeren. Het kabinet heeft daarom in de iJBZ-raad de Europese Commissie opgeroepen om samen met Spanje de oorzaken van dit incident te onderzoek. Daarop gaan we niet vooruitlopen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.
Het bericht 'Online werd massale overtocht naar Ceuta wekenlang voorbereid en gepromoot; Spaans wantrouwen over rol Marokko' |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Online werd massale overtocht naar Ceuta wekenlang voorbereid en gepromoot; Spaans wantrouwen over rol Marokko», alsmede met overige berichtgeving over de massale, wekenlang online voorbereide en gepromote overtocht van duizenden illegale grensoverschrijders vanuit Marokko naar de Spaanse exclave Ceuta, en met de berichten over Spaans wantrouwen jegens de rol van Marokko daarbij?1 2 3 4
Ja.
Waren onze diensten op de hoogte van deze voorbereidingen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet doet vanzelfsprekend in de openbaarheid geen uitspraken over de informatiepositie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Deelt u de opvatting dat deze ongecontroleerde massale grensdoorbraak vanuit Marokko naar Spanje niet alleen een gevaar vormt voor de Spaanse nationale veiligheid, maar ook voor die van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment geen aanleiding om de gebeurtenissen in Ceuta te verbinden aan onze nationale veiligheid. In algemene zin is bekend dat de instrumentalisering van (irreguliere) migratiestromen wordt gebruikt door statelijke actoren om sociale en politieke stabiliteit te ondermijnen. Of hier sprake van is bij de gebeurtenissen in Ceuta is op dit moment niet bekend. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de nationale veiligheid in andere lidstaten.
Bent u bereid onze diensten vanaf nu structureel deze dreiging in kaart te laten brengen en u wekelijks te laten informeren over de stand van zaken? Zo nee, waarom niet?
De AIVD mag op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek verrichten met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. De AIVD maakt daarbij zelf de afweging of er aanleiding is tot het starten van onderzoek.
Heeft u kennisgenomen van mijn bericht op X waarin ik voorstel de NAVO de buitengrenzen van de EU te laten bewaken, ter bescherming van ons continent tegen ongecontroleerde massale immigratie die onze cultuur, collectieve veiligheid en welvaart destabiliseert? Zo nee, waarom niet? Bent u, ongeacht het antwoord, bereid dit verzoek bij de NAVO neer te leggen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De NAVO is een politieke en militaire alliantie die middels collectieve verdediging tegen gewapende aanvallen de veiligheid van de bondgenoten waarborgt. De NAVO heeft geen rol in migratiebeheer. Het is de taak van de EU-lidstaten en de EU-agentschappen zoals Frontex om de buitengrenzen van de EU te bewaken tegen, onder andere, irreguliere migratie.
Kloppen de op sociale media circulerende berichten dat een Marokkaanse illegale immigrant in Ceuta tijdens de onlusten aldaar op klaarlichte dag een Spaanse burger in zijn keel heeft gestoken? Zo ja, wat is de conditie van het slachtoffer, is de dader aangehouden en welke straf staat hem te wachten voor deze moordaanslag? Zo nee, kunt u aangeven wat er feitelijk is voorgevallen?5
Het is verder de Spaanse autoriteiten om onderzoek te doen naar incidenten die hebben plaatsgevonden in Ceuta.
Kloppen de berichten dat, in tegenstelling tot de Spaanse verklaringen dat vrijwel iedereen zou zijn vertrokken, in werkelijkheid nog een aanzienlijk aantal illegale grensoverschrijders in Ceuta is achtergebleven? Zo ja, om hoeveel personen gaat het?
Spanje heeft, in samenwerking met Marokko, de terugkeer van het overgrote deel van de irreguliere migranten bewerkstelligd en de nieuwe aankomsten door de grens te versterken voorkomen. Het snelle optreden van Spanje was noodzakelijk. Dat betekent niet dat de EU en Spanje de aandacht nu kan laten verslappen. Het is helder dat er grootschalig irreguliere aankomsten zijn geweest en dat deze irreguliere migranten ook op grote schaal zijn vertrokken. De irreguliere migranten zijn, door de chaotische situatie op 30 en 31 juli jl., niet geregistreerd bij binnenkomst van Ceuta. Ook is het niet mogelijk geweest om de terugkeer van al deze irreguliere migranten te registeren. Er bestaat daardoor onduidelijkheid over hoeveel irreguliere migranten zich nog in Ceuta bevinden. Het is van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daar samen met andere gelijkgezinden lidstaten op blijven aandringen.
Deelt u de opvatting dat, indien Spanje ons hierover onvolledig of onjuist informeert, dit het onderlinge vertrouwen ondermijnt waarop verdragen als Schengen en het EU Migratiepact zijn gebaseerd? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om Nederland te beschermen tegen de gevolgen van Spaanse incompetentie en onjuiste informatievoorziening?
Het snelle optreden van Spanje, in goede samenwerking met Marokko, was noodzakelijk. Zoals aangegeven lijkt met de nu gepleegde inzet de integriteit van het Schengengebied niet geschonden. Dit wordt ook ondersteund door Frontex. Het is van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daar samen met andere gelijkgezinden lidstaten op blijven aandringen.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat illegale grensoverschrijders uit Ceuta via Spanje of andere Schengenlanden Nederland weten te bereiken?
Een massale grensoversteek bij Ceuta |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat is het meest recente bekende aantal illegale migranten dat sinds 30 juli 2026 vanuit Marokko de grens met de Spaanse exclave Ceuta is overgestoken? Hoeveel potentiële illegale migranten zijn nog onderweg? En wat is de meest recente situatie in Melilla?
Tijdens de extra informele JBZ-Raad van 4 augustus jl. schatte Spanje dat er 72.000 mensen op irreguliere wijze bij Ceuta de grens zijn overgestoken en een paar honderd bij Melilla en dat 70.000 personen ook weer zijn vertrokken uit Ceuta. Het is helder dat er grootschalig irreguliere aankomsten zijn geweest en dat deze irreguliere migranten ook op grote schaal zijn vertrokken. De irreguliere migranten zijn, door de chaotische situatie op 30 en 31 juli jl., niet geregistreerd bij binnenkomst in Ceuta. Ook is het niet mogelijk geweest om de terugkeer van al deze irreguliere migranten te registeren. Er bestaat daarom onduidelijkheid over het precieze aantal resterende irreguliere migranten dat zich nog in Ceuta bevindt. Het is daarom van belang dat Frontex de situatie aan de grens, het aantal personen in Ceuta en eventuele bewegingen nauw monitort en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom, samen met andere gelijkgezinden lidstaten, hierop blijven aandringen.
Deelt u de opvatting dat een lidstaat die zijn buitengrens niet effectief bewaakt en die illegale migranten niet tegenhoudt en terugstuurt niet alleen zijn eigen grens opent, maar die van alle lidstaten, Nederland inbegrepen? Welke consequentie verbindt het kabinet daaraan voor de Nederlandse opstelling jegens Spanje?
Spanje heeft, in samenwerking met Marokko, de terugkeer van het overgrote deel van de migranten bewerkstelligd en nieuwe aankomsten voorkomen door de grens te versterken. Daarbij is van belang dat voor de gebieden Ceuta en Melilla speciale Schengenregels gelden (die Spanje heeft uitgevoerd). Er zijn standaard controles tussen Ceuta en Melilla en het vasteland van Spanje (en andere Schengenstaten). Doorreizen vanuit Ceuta naar de rest van Schengen gaat enkel gecontroleerd. Hierdoor is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft tijdens de extra informele JBZ-Raad opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is noodzakelijk dat Spanje haar inzet op het terug laten keren van de resterende irreguliere migranten blijft voortzetten. Spanje heeft tijdens de JBZ-raad bevestigd dat zij dit zal doen. Het kabinet blijft hier aandacht voor vragen.
Nederland heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen verzocht dit samen met Spanje te onderzoeken. Hen is gevraagd hierin in ieder geval de oorzaken, inclusief de rol van mensensmokkelaars en tekortkomingen aan de Spaanse buitengrens, mee te nemen. Hoe sociale media in dit verband zijn gebruikt, is ook een belangrijk aandachtspunt. Het kabinet blijft hierop aandringen en verzoekt de Europese Commissie en de agentschappen te rapporteren in de gebruikelijke gremia; in het bijzonder voor de JBZ-Raad van 1 oktober en Europese Raad van 15-16 oktober aanstaande.
Bent u ermee bekend dat de Italiaanse regering naar aanleiding van deze gebeurtenissen heeft bepleit Spanje tijdelijk uit het Schengengebied te weren? Deelt u de conclusie dat de massale illegale grensoversteek bij de Spaanse exclaves (en eerder al het massale generale pardon voor illegalen) een onaanvaardbaar risico voor andere lidstaten, inclusief Nederland, vormt en bent u bereid de Italianen te steunen in hun inzet? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is bekend met de reactie van Italië. Daarbij verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 2 over de aanvullende Schengenregels en de constatering dat het Schengengebied niet geschonden lijkt.
Het is evident de Nederland haar eigen binnengrenzen bewaakt. In Nederland voert de Koninklijke Marechaussee (KMar) in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid – en op dit moment in het kader van de tijdelijke herinvoering van de binnengrenscontroles op grond van artikel 25 Schengengrenscode – informatie- en risicogestuurde controles uit op inkomende intra-Schengenvluchten en treinen en op wegen en vaarwegen in de binnengrensstreek met België en Duitsland. De inzet van deze controles gebeurt op basis van informatie ten aanzien van risico’s op illegale migratie en mensensmokkel. Indien informatie voortkomend uit de situatie in Spanje hier aanleiding toe geeft, zal de KMar de inzet in het kader van het binnengrenstoezicht hierop richten. De situatie zoals in bovenstaande antwoorden is toegelicht geeft geen aanleiding om de tijdelijke maatregel van binnengrenscontroles te verlengen.
Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), waarmee extra druk op ons asielstelsel door de situatie in Ceuta wordt voorkomen. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert. Indien een lidstaat aan de buitengrens de grens onvoldoende beheert zijn er afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden tot ingrijpen. Dit is nu niet aan de orde.
Welke andere instrumenten staan lidstaten dan ter beschikking wanneer een medelidstaat zijn buitengrens structureel niet effectief bewaakt, en is het kabinet bereid die instrumenten in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is u bekend over de wegkijkende en/of zelfs faciliterende rol van Marokko in deze massale illegale grensoversteek? Welke financiële, diplomatieke, visumgerelateerde consequenties, etc. bepleit en verbindt u hieraan richting Marokko?
Het kabinet heeft gepleit om oorzaken nader te onderzoeken en loopt hier niet op vooruit. Het kabinet ziet voorts dat de samenwerking met Marokko cruciaal is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. Het kabinet spreekt waardering uit voor de samenwerking en optreden met en van Marokko.
Deelt u de opvatting dat een Pact waarvan de verplichte grensprocedure niet werkt voor een groot deel van de groep die nu de buitengrens overschrijdt, zijn belangrijkste belofte niet waarmaakt? Indien u die opvatting niet deelt, waaruit blijkt dan dat het Pact in deze eerste praktijktest wel werkt?
Zie beantwoording op voorgaande vragen. De situatie zoals we vorige week zagen is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk. Tegelijkertijd heeft Spanje, in samenwerking met Marokko, de nodige stappen gezet om de situatie weer onder controle te krijgen en is het grootste deel van deze irreguliere migranten teruggekeerd.
In algemene zin is het, om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, van belang dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie en toepassing van het Asiel- en Migratiepact, dat sinds juni in werking is, de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhubs.
Hoe beoordeelt u de beslissing van het Spaanse Tribunal Supremo dat grensweigering niet mag worden toegepast op migranten die zwemmend Ceuta of Melilla willen bereiken, maar dat die dus niet mogen worden terugoverhandigd aan Marokko en in Spanje in procedure moeten worden genomen?1 Ziet u een verband met de recente toestroom van pogingen van migranten om zwemmend, soms met wetsuit en andere voorwerpen, die enclaves te bereiken?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere EU-lidstaten aan de Europese Commissie, het Voorzitterschap en de Voorzitter van de Europese Raad is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welk effect de afronding van de regularisatie precies heeft gehad is moeilijk te kwantificeren. Het kabinet heeft daarom in de JBZ-raad de Europese Commissie opgeroepen om samen met Spanje de oorzaken van de gebeurtenissen te onderzoek. Daarop gaat het kabinet niet vooruitlopen.
In deze uitspraak wordt verwezen naar de uitspraak van het EVRM-Hof in Straatsburg Hirsi-Jamaa tegen Italië? Deelt u de mening dat dit andermaal aantoont dat deze jurisprudentie moet worden teruggedraaid? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet respecteert de taak van het EHRM om, middels zijn jurisprudentie, erop toe te zien dat Staten die partij zijn bij het EVRM hun verdragsverplichtingen nakomen.
Op 15 mei jl. is door de Raad van Europa, mede op aandringen van Nederland, de Chisinau-verklaring aangenomen. In de Chisinau-verklaring wordt de ruimte van Staten binnen het systeem van de Raad van Europa en het EVRM om hun eigen asiel- en migratiebeleid te voeren, waaronder innovatieve oplossingen, ook benadrukt. Onderdeel van deze ruimte zijn bijvoorbeeld ook de beginselen van subsidiariteit en de beoordelingsruimte die lidstaten hebben. Het kabinet heeft samen met 21 andere EU-lidstaten in een brief aan de Europese Commissie, het Voorzitterschap en de Voorzitter van de Europese Raad opgeroepen tot de snelle en effectieve implementatie van de Chisinau-verklaring.
Deelt u de opvatting dat het onaanvaardbaar is dat de gevolgen van een grens die elders niet wordt bewaakt uiteindelijk neerslaan in Nederlandse gemeenten? Welke concrete en aanvullende instroombeperkende maatregelen neemt het kabinet nog deze zomer om dat te voorkomen?
Zoals in eerdere antwoorden reeds aangegeven, kan doorreizen vanuit Ceuta enkel gecontroleerd. Hierdoor is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Zie ook het antwoord op vraag 3–4 over het informatiegestuurd optreden van de Koninklijke Marechaussee aan de binnengrens van Nederland.
Bent u tevens bereid om, gelet op deze ontwikkelingen in combinatie met de enorme druk op de Nederlandse samenleving en opvangcapaciteit, alsnog over te gaan tot invoering van het noodrecht met betrekking tot asiel? Zo nee, waarom niet?
Nee,het overgrote deel van de irreguliere migranten is teruggekeerd en het Schengengebied lijkt niet geschonden. Het kabinet monitort de situatie nauw. Indien nodig kan het kabinet aanvullende maatregelen nemen in het kader van grensbeheer. Nationale maatregelen op asiel zijn niet aan de orde.
Kunt u bevestigen dat de binnengrenscontroles thans lopen tot uiterlijk 30 september 2026? Bent u bereid deze tenminste te verlengen en te intensiveren zolang de druk op de zuidelijke buitengrens aanhoudt en de Kamer daarover zo snel mogelijk te informeren?
Zoals het kabinet op 8 mei jl. aan uw Kamer heeft gemeld, loopt de tijdelijke herinvoering van de binnengrenscontroles op grond van artikel 25 Schengengrenscode tot eind september. Deze controles worden informatie- en risicogestuurd uitgevoerd. Indien informatie voortkomend uit de situatie in Spanje hier aanleiding toe geeft, zal de Marechaussee de inzet in het kader van het binnengrenstoezicht hierop richten. De situatie zoals in bovenstaande antwoorden is toegelicht geeft geen aanleiding om de tijdelijke maatregel van binnengrenscontroles te verlengen.
Bent u ermee bekend dat UNHCR op zijn publieksvoorlichting voor Spanje, beschikbaar in het Spaans, Arabisch, Engels, Frans en Oekraiens en voorzien van een instructievideo, uitlegt hoe men aan de grensposten van Ceuta en Melilla asiel aanvraagt? Deelt u de conclusie dat dit neerkomt op het stimuleren van illegale migratie?
UNHCR is de VN-organisatie gemandateerd met de bescherming van vluchtelingen en ontheemden, waarbij het waarborgen van het recht op asiel als een kerntaak wordt beschouwd. Onderdeel hiervan is ook het verschaffen van informatie waaronder over asielprocedures in verschillende landen.
Kunt u aangeven welk deel van de Nederlandse bijdrage aan UNHCR in 2025 en 2026 aan voorlichting van dit type is besteed?
Nederland doet geen gerichte bijdrage aan de activiteiten van UNHCR in Spanje. Daarmee wordt er dus ook niet specifiek aan deze voorlichting bijgedragen. Wel doet Nederland jaarlijks een ongeoormerkte bijdrage aan de centrale begroting van UNHCR, zodat de organisatie dit kan besteden, vanuit hun mandaat, op de meest effectieve en (kosten-)efficiënte manier en waar de noden het hoogst zijn. Details worden door UNHCR weergegeven in hun jaarlijkse rapporten2. Het Nederlandse aandeel in deze middelen valt niet volledig te herleiden.
Bent u ermee bekend dat sinds 12 juni 2026 de Europese lijst van veilige landen van herkomst geldt, waarop Marokko is opgenomen? Kunt u bevestigen dat het inwilligingspercentage voor Marokkaanse onderdanen onder de twintig procent ligt, en dat daarmee de verplichte asielgrensprocedure van toepassing is op Marokkaanse verzoekers die na 12 juni 2026 aan de buitengrens een verzoek indienen?
Ja, daar is het kabinet mee bekend. Er is in beginsel een verplichting tot het toepassen van de asielgrensprocedure indien de vreemdeling aan de buitengrens een aanvraag indient en afkomstig is uit een land waarvoor het inwilligingspercentage blijkens de EUROSTAT-gegevens 20% of minder is. Het inwilligingspercentage van aanvragen van Marokkaanse onderdanen was volgens de cijfers van Eurostat 4,5%. De verplichting geldt dus in het geval van Marokkaanse onderdanen, behoudens de algemeen geldende uitzonderingen. Indien de asielgrensprocedure niet van toepassing is, dan vallen deze aanvragen, onder andere omdat Marokko is opgenomen op de Europese lijst van veilige landen van herkomst (Bijlage II van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348), onder een versnelde asielprocedure.
Deelt u de mening dat dergelijke bestormingen vanuit een veilig land als Marokko niet mogen worden «beloond» met een asielprocedure en dat de groep die op deze manier Ceuta heeft bereikt dus direct moet worden teruggestuurd? Zo nee, waarom niet? Is het kabinet bereid dit standpunt over te brengen aan de Spaanse en Marokkaanse overheden?
Het kabinet is van mening dat Spanje en Marokko hun volle inzet moeten richten op de terugkeer van de resterende irreguliere migranten om daarmee secundaire migratie tegen te gaan. Dat standpunt heeft Nederland ook overgebracht tijdens de informele JBZ-Raad van 4 augustus jl.
Op welke manier gaat u voorkomen en monitoren of deze migranten naar Nederland doorreizen?
Zoals in voorgaande antwoorden aangegeven heeft Spanje, in goede samenwerking met Marokko, de terugkeer van het overgrote deel van de migranten bewerkstelligd en nieuwe aankomsten voorkomen door de grens te versterken. Doordat doorreizen vanuit Ceuta enkel gecontroleerd kan, is de kans op ongeregistreerde doorreis nihil. Spanje heeft opnieuw bevestigd, ondersteund door Frontex, dat er tot op heden geen irreguliere migranten zijn doorgereisd vanuit Ceuta naar het vaste land van Spanje of andere lidstaten in het Schengengebied. Met de gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden.
Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, dan worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de Asiel- en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op het asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Wilt u deze vragen één-voor-één en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het kabinet heeft getracht de beantwoording van de vragen zo spoedig mogelijk aan uw Kamer te doen toekomen. Daarbij is rekening gehouden met de laatste relevante ontwikkelingen, zoals de extra informele JBZ-Raad. Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.