De Eurobarometer |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel: «De Eurobarometer tekent systematisch een te positief beeld van de EU»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de bewering, gedaan in dit artikel, dat, vanwege een sterke oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de (Nederlandse) steekproef van de Eurobarometer en een sterke non-reponse bias de Eurobarometer structureel en systematisch een (veel) te positief beeld van de Europese Unie geeft? Deelt u deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt kwalitatief hoogwaardig opinieonderzoek belangrijk. Het is daarbij van belang dat bij opiniepeilingen verantwoording wordt afgelegd over de methodologie en steekproefselectie. Het Eurobarometer-onderzoek waar het nieuwsbericht naar verwijst (EP Winter 2025 survey), bevat uitleg over de methodologie en technische specificaties over hoe de streekproefselectie tot stand is gekomen.2 Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van dit opinieonderzoek.
Bent u ermee bekend dat zowel de opdrachtgever van de Eurobarometer als het onderzoeksbureau dat het onderzoek in Nederland uitvoert (Verian) door de auteurs van het bovengenoemde stuk zijn benaderd en daarmee dus weliswaar van dit probleem op de hoogte zijn gesteld, maar desalniettemin te kennen gaven dat «continuïteit» voor hen belangrijker was (dan accuraatheid) en daarom weigeren het onderzoek aan te passen? Wat vindt u van deze opstelling? Is, wat opinieonderzoek betreft, voor u continuïteit ook belangrijker dan accuraatheid?
De Eurobarometer is een opinie-instrument dat regelmatig wordt gebruikt in alle EU-lidstaten in opdracht van de Europese Commissie, het Europees Parlement en andere EU-instellingen en agentschappen om inzicht te krijgen in de publieke opinie in de EU-lidstaten. Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van opinieonderzoek.
Bent u bekend met dit artikel van het Max Planck Instituut getiteld «How the Eurobarometer blurs the line between research and propaganda»?2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de conclusie van dit artikel, namelijk dat in de Eurobarometer door middel van selectie en framing van vragen, ongebalanceerde antwoordopties, insinuerende vragen, alsmede het strategisch verwijderen van vragen, systematisch een te rooskleurig beeld wordt gegeven van de publieke opinie met betrekking tot de Europese Unie in het algemeen en het doel van een «ever closer union» in het bijzonder? Deelt u de conclusie van dit (wetenschappelijk) artikel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet? Indien dit wel het geval is, wat gaat u met deze zorgen doen? Bent u bijvoorbeeld bereid de Europese Unie te bevragen over de betrouwbaarheid van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt de Eurobarometer door de rijksoverheid, bijvoorbeeld in beleidsstukken, Kamerbrieven of door instellingen zoals het CBS en SCP, als bron gebruikt? Zou het niet beter zijn hiermee te stoppen, niet alleen omdat de Eurobarometer inmiddels zo omstreden is, maar ook omdat het er sterk op lijkt dat de Eurobarometer niet een neutraal opinieonderzoek maar een propaganda-instrument van de Europese Unie is (geworden)?
In algemene zin gebruikt de Rijksoverheid voor beleidsstukken, Kamerbrieven en andere stukken informatie vanuit verschillende perspectieven en die herleidbaar is naar de bron. Informatie dient zoveel mogelijk onafhankelijk geverifieerd te kunnen worden. Op basis van deze informatie worden ambtelijke adviezen opgesteld waarbij het vervolgens aan de Minister is om een politieke afweging te maken.
Kunt u de bovenstaande zeven vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De economische impact van extra defensie-uitgaven volgens het Centraal Planbureau (CPB). |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel – op basis van onderzoek van het CPB – over de beperkte economische impact van extra defensie-uitgaven?1
Hoe beoordeelt u het CPB-onderzoek dat de meeste defensie-investeringen geen economische groei in Nederland zullen opleveren?
Wat is uw plan om te voorkomen dat extra investeringen slechts zullen leiden tot een budget-stapeling zonder operationele verbetering?
Waarom kiest het kabinet ervoor om Nederlandse investeringsuitgaven grootschalig te besteden in het buitenland?
Bent u bereid een plan te ontwikkelen om de Nederlandse defensie-industrie te versterken zodat er minder Nederlands belastinggeld naar het buitenland lekt?
Hoe voorkomt u een verdere krapte op de arbeidsmarkt doordat defensie extra personeelsleden probeert te werven?
Kunt u uitsluiten dat de extra defensie-uitgaven worden gefinancierd middels lastenverzwaringen die een negatief effect zullen hebben op de Nederlandse economie, zoals het CPB waarschuwt?
Waarom investeert defensie relatief weinig in zogeheten «dual-use» technologie, die dus ook de civiele innovatie versterkt?
Hoe verklaart u dat het kabinet defensie-uitgaven presenteert alsof ze economische groei zouden genereren, terwijl het CPB nu duidelijk laat zien dat dit niet tot nauwelijks het geval is?
Bent u bereid transparanter te zijn over de beperkte impact die extra defensie-investeringen zullen hebben op de Nederlandse economie?
Deelt u de opvatting dat defensie-investeringen – waar mogelijk – zo veel mogelijk ten goede zouden moeten komen aan de Nederlandse economie en de Nederlandse defensie-industrie?
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn voor de arbeidsmarkt wanneer defensie inzet op uitbreiding van het personeelsbestand?
Bent u bereid om de focus veelal te leggen op Nederlandse productie en industrie in plaats van het buitenland?
Kunt u een transparante kosten-effectiviteitsanalyse opstellen waarin duidelijk wordt in hoeverre extra uitgaven zorgen voor daadwerkelijke weerbaarheid en veiligheid van Nederland?
Hoe verhouden de investeringen in materieel, zoals wapensystemen en voertuigen, zich tot de met name digitale bedreiging zou vormen?
Hoe verantwoord u dat Nederlandse belastingmiddelen vooral buitenlandse defensie-industrieën – en daarmee hun weerbaarheid – versterken?
Ziet u mogelijkheden om Nederlandse belastingmiddelen meer in te zetten voor de Nederlandse defensie-industrie en de Nederlandse weerbaarheid?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat defensie-uitgaven maximaal rendabel zijn?
De Nederlandse klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving waaruit blijkt dat Nederland in de rapportage over internationale klimaatfinanciering projecten meerekent die niet primair gericht zijn op klimaatmitigatie of -adaptatie, zoals programma’s op het gebied van gezondheid, cultuur of voedselzekerheid?1
Ja.
Kunt u toelichten welke criteria het kabinet hanteert bij het bepalen of een project of programma meetelt als klimaatfinanciering, en hoe wordt vastgesteld welk deel van een projectbudget wordt toegerekend aan klimaatdoelen?
De klimaatrelevantie van internationale projecten wordt op drie manieren bepaald:
Erkent u dat het toerekenen van delen van bredere ontwikkelingsprojecten aan klimaatfinanciering het risico met zich meebrengt dat de werkelijke omvang van de Nederlandse bijdrage aan klimaatmaatregelen in kwetsbare landen wordt overschat?
Nederland zet zich er voor in een realistische inschatting te maken van klimaatrelevantie van bredere ontwikkelingsprojecten. De Rio-marker systematiek is een internationaal erkende en op dit moment de meest efficiënte methode om deze inschatting te maken. Het kabinet erkent dat het meten van klimaatfinanciering op basis van de Rio-markers op activiteitniveau soms kan leiden tot een wat hogere of lagere schatting van de gerealiseerde klimaatimpact. De gedachte is dat de over- en onderschatting binnen het gehele portfolio elkaar in balans houden en de markers zo op portfolioniveau de best mogelijke weergave geven van de klimaatrelevantie.
Hoeveel publieke middelen heeft Nederland in het meest recente verslagjaar aangemerkt als internationale klimaatfinanciering, uitgesplitst naar mitigatie, adaptatie en gemengde projecten?
Van de publieke klimaatfinanciering in 2024 kwam EUR 659 miljoen (62%) ten goede aan klimaatadaptatie en EUR 352 miljoen (33%) ten goede aan klimaatmitigatie. Van EUR 59 miljoen (5%) is niet gespecificeerd of dit ten goede kwam aan mitigatie of adaptatie (cross-cutting).3
In hoeverre bestaan de Nederlandse bijdragen aan klimaatfinanciering uit schenkingen (giften) dan wel uit leningen of andere financiële instrumenten die moeten worden terugbetaald?
De Nederlandse publieke klimaatfinanciering bestaat bijna volledig uit schenkingen (giften). Een deel van de bijdragen aan de multilaterale ontwikkelingsbanken of bijvoorbeeld de staatsfondsen bij de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO heeft de vorm van een kapitaalaanvulling of een revolverende schenking.
Bij de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering is sprake van meer diversiteit in de financieringsvorm. Van de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering in 2024 (exclusief de financiering vanuit de multilaterale ontwikkelingsbanken) betreft 40% een lening, 25% een garantie, 17% een schenking en 18% is een restcategorie. De gedetailleerde uitsplitsing kunt u vinden op pagina 61 van de Nederlandse private mobilisatie rapportage in 2024.4
Hoe verklaart het kabinet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering aan armere landen, terwijl juist de rijkste landen hiervoor verantwoordelijk zijn?2
Het klopt niet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering. Binnen de EU is Nederland, na Duitsland, Frankrijk en Spanje, in absolute cijfers de vierde donor als het gaat om het verstrekken van publieke klimaatfinanciering.6 Ook het Overseas Development Institute (ODI) constateerde in 2025 dat Nederland zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering levert en plaatst Nederland als 7e op een ranglijst van in totaal 23 landen.7
Welke stappen onderneemt Nederland om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering daadwerkelijk ten goede komt aan de landen en gemeenschappen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering?
Nederland zet zich actief in om de kwetsbaarheid van landen en gemeenschappen voor de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. In 2024 kwam dan ook 62% van de publieke Nederlandse klimaatfinanciering ten goede aan adaptatie. Naar verwachting zal zowel het aandeel als het bedrag voor klimaatadaptatie binnen de Nederlandse publieke klimaatfinanciering verder groeien door groeiende klimaatrelevantie van de inzet op vooral water en voedselzekerheid. Nederland sluit hiermee goed aan op de uitkomst van de 30e Conferentie van Partijen (COP30) bij het Klimaatverdrag, in Belém, Brazilië, waarin wordt opgeroepen tot versterkte inzet op adaptatiefinanciering. Dit past ook bij de bredere aanmoediging van deze COP om gezamenlijk toe te werken naar een verdriedubbeling van de totale financiering voor adaptatie in 2035 binnen de kaders van het afgesproken klimaatfinancieringsdoel.
Uit een onderzoek van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) in de deelstudie «Financiële toezeggingen in transitie» (Nederlandse klimaatfinanciering voor ontwikkeling 2016–2019, Kamerstuk 32 813, nr. 811) blijkt dat 60% van de publieke klimaatfinanciering ten goede komt aan lage inkomenslanden en, met een gedeeltelijke overlap, 25% aan fragiele landen. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat deze percentages sindsdien sterk zijn gewijzigd.
In hoeverre is de door Nederland gerapporteerde klimaatfinanciering additioneel ten opzichte van de reguliere middelen voor ontwikkelingssamenwerking, en hoe wordt deze additionaliteit gecontroleerd en verantwoord?
De discussie over de betekenis van nieuw en additioneel heeft nooit geleid tot een internationaal geaccepteerde definitie. Ontwikkeling die geen rekening houdt met het klimaat is geen bestendige ontwikkeling; en zonder klimaatbeleid wordt ontwikkeling tenietgedaan. De rapportage van de Nederlandse klimaatfinanciering is transparant en volgt zoveel mogelijk de internationaal (in OESO-verband) afgesproken methodes. Doordat de Nederlandse publieke klimaatfinanciering bijna volledig uit giften bestaat en zich voor een groot deel op adaptatie richt, wordt deze over het algemeen positief beoordeeld. De review van het eerste Biennial Transparency Report (BTR) van Nederland onder het Akkoord van Parijs is tijdens COP30 in Bélem succesvol afgesloten. De transparantie van de rapportage laat de ruimte aan ontvangende landen om de Nederlandse bijdrage kritisch te beoordelen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen relatief weinig publieke klimaatfinanciering bijdraagt aan ontwikkelingslanden, gemeten naar nationale welvaart en historische uitstoot?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, is deze constatering onjuist. In vergelijking met andere Europese landen levert Nederland relatief veel publieke klimaatfinanciering.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van alle door Nederland als klimaatfinanciering opgevoerde projecten over de afgelopen drie jaar, inclusief de onderliggende motivering voor hun klimaatdoelstelling en de gehanteerde verdeelsleutel per project?
Ik verwijs u graag naar het online klimaatdashboard.8 Deze openbare database geeft inzicht in de Nederlandse publieke klimaatfinanciering en alle onderliggende programma’s in 2024 en de voorgaande jaren (vanaf 2020). Daarbij is zichtbaar gemaakt welke klimaatrelevantie is meegegeven aan de programma’s (inclusief verdeling adaptatie en mitigatie) en kan worden doorgeklikt naar onderliggende documentatie, zoals de beoordeling die aan de goedkeuring van de activiteit ten grondslag heeft gelegen.
De walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de walvisjacht van Fuglafjørður, zoals gedocumenteerd door Sea Shepherd, waarbij 285 grienden van 300–400 dieren werden gedood, wat leidt tot een totaal van 992 gedode walvisachtigen op de Faeröer-eilanden in 2025?1 Wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat walvis- en dolfijnenslachtingen in strijd zijn met de Europese dierenwelzijnsregels en met de internationale overeenkomst on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas (ASCOBANS), waarin de Faeröer eilanden geen partij zijn, maar Denemarken wel? Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Denemarken bij de dolfijnenslachtingen in het licht van deze verdragen?
Bent u bereid Denemarken er op aan te spreken dat deze jachten strijdig zijn met internationale afspraken over de bescherming van walvisachtigen, en te verzoeken dat Denemarken maatregelen neemt om een einde te maken aan de Grindadráp? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om Denemarken aan te spreken op het steunen van de dolfijnen- en walvisslachtingen en de Europese Commissie op te roepen eveneens in actie te komen? Zo nee, waarom niet?
Hoe ziet u de rol van Nederland in het internationaal bevorderen van de bescherming van walvisachtigen, bijvoorbeeld via de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) en binnen de Verenigde Naties, in het licht van deze recente gebeurtenissen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het volgende overleg met Denemarken en/of binnen de EU over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk optreden tegen de walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden, bijvoorbeeld door de kwestie te agenderen bij de Raad Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Een gat in de steun aan Oekraïne |
|
Eric van der Burg (VVD), Fatimazhra Belhirch (D66), Kati Piri (PvdA), Maes van Lanschot (CDA), Laurens Dassen (Volt), Don Ceder (CU), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie van het lid Boswijk c.s. waarin de regering verzocht werd zich ervoor in te blijven spannen dat er geen ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een deel van het budget voor militaire steun aan Oekraïne van 2026 naar het jaar 2025 vooruit is geschoven?
Ja, het kabinet heeft tijdens voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de militaire steun te continueren met € 3,1 miljard op de defensiebegroting voor 2026 (binnen het totaal van € 3,5 miljard steun voor Oekraïne). De militaire en geopolitieke ontwikkelingen rondom Oekraïne hebben er toe geleid dat het kabinet heeft besloten een deel hiervan versneld in 2025 te realiseren.
Klopt het dat daarmee vaststaat dat de militaire steun aan Oekraïne in 2026 flink lager zal zijn dan in dit jaar? Zo ja, wat is het verschil?
De totale militaire steun aan Oekraïne blijft hetzelfde als bij de voorjaarsbesluitvorming is besloten. Een deel van deze steun is versneld in 2025 tot kasuitgaven gekomen. Als direct gevolg van het besluit is een gedeelte van de middelen die oorspronkelijk voor 2026 bestemd waren, reeds dit kalenderjaar uitgegeven. Het totale begrote bedrag aan kasuitgaven zal daardoor ca. € 4,3 miljard voor 2025 bedragen op de defensiebegroting. De momenteel begrote militaire steun op de defensiebegroting aan kasuitgaven voor 2026 bedraagt vooralsnog € 2,1 miljard. Voor 2027 zijn reeds kasuitgaven voor een totaal van € 750 miljoen gereserveerd op de defensiebegroting, mede omdat dit Nederland in staat stelt meerjarige uitgavenverplichtingen aan te gaan (bijvoorbeeld mbt de productie van drones en F16-gerelateerde verplichtingen).
Daarnaast is er in 2025, 2026 en 2027 nog respectievelijk ca. € 0,7 miljard, ca. € 0,5 miljard en ca. € 0,4 miljard beschikbaar op het defensiematerieelfonds voor de eigen krijgsmacht ter vervanging van eerder geleverd materieel.
Voorziet u dat in 2026 de voortzetting van de Oekraïense defensie-industrie in het geding komt? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet onderstreept het belang van het investeren in de Oekraïense defensie-industrie en heeft daartoe reeds meer dan € 1 miljard direct bij bedrijven in Oekraïne verworven. Een deel van deze investeringen zal in 2026 tot daadwerkelijke leveringen aan Oekraïne leiden. Ook in 2026 zal Nederland blijven investeren in de Oekraïense defensie-industrie.
Nederland investeert relatief veel in de Oekraïense defensie-industrie, onder andere via het Drone Line Initiative. Om voortzetting van de productie van de Oekraïense defensie-industrie in 2026 te waarborgen roept dit kabinet ook andere landen op om meer te investeren in de Oekraïense defensie-industrie. Hierbij biedt Nederland ook aan om gebruik te maken van onze contracten, ervaringen en opgedane lessen.
Bent u het ermee eens dat de Oekraïense strijdkrachten onverminderde steun verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland blijft Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd steunen in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw, zo lang als nodig is. Daarom is de lijn van het kabinet dat de internationale steun opgevoerd moet worden om Oekraïne in de sterkst mogelijke positie te brengen, waardoor Oekraïne ruimte krijgt bij mogelijke onderhandelingen en Oekraïne zich ook tegen toekomstige Russische agressie kan blijven verdedigen. Het onverminderd ondersteunen van de Oekraïense strijdkrachten met militaire steun is daar uiteraard onderdeel van.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat er ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?
Defensie richt zich op het waarborgen van een doorlopende en betrouwbare militaire steun aan Oekraïne. Tegelijkertijd is ook enige ruimte voor flexibiliteit nodig om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden, zowel in Oekraïne als in de internationale steunverlening. Nederland zorgt ervoor dat de samenstelling van de militaire steun nauw aansluit op de behoeften van het Oekraïense Ministerie van Defensie en dat toezeggingen aan Oekraïne ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naast de eigen inspanningen spoort Nederland ook andere bondgenoten aan om meer steun aan Oekraïne te leveren. Daarmee zet het kabinet in op meerburden sharing. Daarbij wordt ook gekeken naar de inzet van Russische bevroren tegoeden.
De opname van scope 3 uitstoot in Nederlandse milieueffectbeoordelingen naar aanleiding van de recente Noorse rechtszaak hieromtrent |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de rechtszaak tegen de Noorse staat die Greenpeace en Natur og Ungdom op vrijdag 14 november 2025 hebben gewonnen waarin het gerechtshof Borgarting mede op grond van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) d.d. 28 oktober 2025 heeft bevestigd dat de vergunningen voor drie olievelden door de rechtbank ongeldig zijn omdat de scope 3-uitstoot niet in de milieueffectbeoordeling beoordeeld was?1, 2
Ja, deze rechtszaak is bekend.
Bent u op de hoogte van het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) van 21 mei 2025, waarin het Hof stelt dat in het kader van richtlijn 2011/92/EU de milieueffectbeoordeling voor een project om gas of olie te winnen, ook de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de verbranding van de gewonnen olie en gas die vervolgens aan een derde partij zijn doorverkocht (scope 3 uitstoot) als effect mee in beschouwing moet nemen?3
Ja, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) is bekend.
Wat vindt u van de conclusie van de Noorse rechter d.d. 17 november 2025, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie d.d. 21 mei 2025 en het EHRM dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling?
Het kabinet kan de redenatie van het EHRM en het EVA-hof volgen en begrijpt uit de uitspraak van het EHRM, waarin ook de eerdere uitspraak van het EVA-hof is betrokken, dat bij de beoordeling van het wel of niet toestaan van de winning eveneens de scope 3 emissies moeten worden betrokken. Op dit moment wordt de uitspraak van het EHRM nader bestudeerd om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening. Om die reden kunnen niet alle vragen die het lid van Oosterhout stelt nu al worden beantwoord. Uiterlijk einde eerste kwartaal 2026 zullen de uitkomsten van de nadere analyse met de Kamer worden gedeeld.
Onderschrijft u de conclusie van de gerechtshoven in deze verschillende rechtszaken dat in het licht van richtlijn 2011/92/EU de opname van scope 3 juist voor het informeren van burgers van belang is?
Op dit moment wordt de uitspraak bestudeerd. U wordt hierover uiterlijk eind eerste kwartaal van 2026 nader over geïnformeerd.
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke rechtszaken internationaal steeds vaker voorkomen en leiden tot de conclusie dat scope 3 meegenomen moet worden in een milieueffectbeoordeling voor nieuwe olie- of gaswinningsprojecten, zoals bijvoorbeeld in 20 juni 2024 in het Verenigd Koninkrijk4 en recent op 13 november 2025 in Denemarken?5
Ja, daar is het kabinet zich van bewust.
Welke risico’s ziet u voor de vergunningsverlening door de overheden in Nederland, gegeven dat voornoemde uitspraken gebaseerd zijn op een ook in Nederland geldende richtlijn en in het licht van eerdere veroordelingen van de Nederlandse staat omwille van falend klimaatbeleid?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarom is het nog niet mogelijk om conclusies te trekken over de risico’s voor de vergunningverlening.
Klopt het dat scope 3 op dit moment nog niet systematisch meegenomen wordt in milieueffectbeoordelingen bij vergunningverleningen voor nieuwe olie en gas velden?
Ja, dat klopt. Op dit moment worden de scope 3-emissies niet meegenomen bij het verlenen van vergunningen voor nieuwe olie- of gaswinning.
Welk gewicht geeft u momenteel aan scope 3-uitstoot in beslissingen voor vergunningen?
Op dit moment worden scope 3 emissies niet betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor het winnen van aardgas of aardolie.
In welke mate is de Staat kwetsbaar in reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen, waarbij scope 3 niet is meegenomen in de milieueffectbeoordeling, bijvoorbeeld in de aanvraag van de NAM om onder de Waddenzee aardgas te winnen vanuit Ternaard?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarbij wordt ook gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen. Het verzoek tot instemming met het winningsplan voor Ternaard wordt ingetrokken. Hierover is de Kamer op 28 november jl. geïnformeerd.6
Onderschrijft u dat het risico op dergelijke rechtszaken meegenomen zou moeten worden in de afweging om nieuwe vergunningen te verlenen voor nieuwe gasboringen in Nederland en dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling? Zo ja, hoe neemt u dit mee in uw afweging? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 9 aangegeven vindt op dit moment nadere bestudering plaats van de gevolgen van de uitspraak van het EVRM voor de vergunningverlening waarbij ook wordt gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen.
Gaat u naar aanleiding van deze rechtszaken aanvullende eisen stellen aan de vergunningverlening voor fossiele winning als het gaat om scope 3-uitstoot? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat zijn de gevolgen van deze uitspraken voor mogelijke vergunningverlening specifiek voor gaswinning in het Waddengebied?
Op basis van de Mijnbouwwet kan geen nieuwe gaswinning meer worden toegestaan in het Natura 2000-gebied Waddenzee. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft dan ook geen gevolgen specifiek voor gaswinning in het Waddengebied.
Gezien deze zoveelste klap voor fossiele energiebronnen die de noodzaak voor een versnelde transitie naar hernieuwbare energie nog maar eens onderschrijft, welk bijkomend beleid stelt u voor om die transitie verder te versnellen?
Dit kabinet heeft stevige klimaatambities die in lijn zijn met de afspraken zoals vastgelegd in het Parijsakkoord. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Een streefdoel van 55% reductie in 2030 is ook verankerd in de nationale Klimaatwet. Het belang van aardgas zal in lijn met de klimaatambities structureel en zo snel als mogelijk moeten afnemen maar ook dan zal er nog geruime tijd een zekere behoefte aan gas in de energievoorziening blijven bestaan. De energietransitie is namelijk niet van de ene op de andere dag geregeld. Om ervoor te zorgen dat Nederland haar klimaatdoelstelling bereikt, stuurt het kabinet reeds op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen. Hierbij wordt ingezet op energiebesparing en de opwek van hernieuwbare energie via onder meer zon en wind. Ook wordt er volop ingezet op de ontwikkeling van kernenergie. Zolang Nederland nog aardgas nodig heeft, gaat de voorkeur uit naar gas gewonnen uit eigen bodem, in plaats van import van aardgas in de vorm van LNG. Eigen geproduceerd gas heeft een lagere CO2-voetafdruk en het maakt Nederland minder afhankelijk van andere landen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voorafgaand aan het commissiedebat Gasmarkt en leveringszekerheid op 10 december 2025?
Ja.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , van Marum , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.
Het bericht ‘Nederland is een ontbossingsland’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland is een ontbossingsland»?1
Ja.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat Nederland via de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen in aanzienlijke mate bijdraagt aan wereldwijde ontbossing?
Het artikel wijst op de rol die de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen kunnen hebben in activiteiten met een verhoogd risico op ontbossing. Daar waar het gaat om de financiële sector wordt er geen directe causale relatie gelegd tussen investeringen en ontbossing zelf, maar bevestigt het artikel dat er een mogelijkheid is dat financiële instellingen betrokken zijn bij projecten waarin ontbossingsrisico’s aanwezig zijn.
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse financiële instellingen, waaronder banken en pensioenfondsen, nog steeds investeren in bedrijven of projecten met een aantoonbaar ontbossingsrisico?
Ontbossing is een internationaal vraagstuk dat ook Nederland raakt via handel, financiële instellingen en onze havens. Het is van belang dat Nederlandse bedrijven voldoen aan Europese regelgeving en internationale afspraken.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Deze standaarden schrijven voor dat risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, worden onderkend en aangepakt. Afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij eventuele schade moet een financiële instelling bijdragen aan herstel of haar invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken.
Hoe een financiële instelling invulling geeft aan de naleving van deze internationale richtlijnen, en welke keuzes zij maakt ten aanzien van investeringen of het aangaan van gesprekken met bedrijven, is de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Dit geldt ook voor een eventuele beslissing om bedrijven uit te sluiten.
Bent u bekend met het rapport Banking on Biodiversity Collapse 2025, waarin de Rabobank op de achtste plaats wereldwijd wordt genoemd onder financiële instellingen met de hoogste ontbossingsrisico’s? Kunt u toelichten wat uw oordeel is over de bevindingen van dit rapport?
Het rapport geeft een beeld van de internationale positie van financiële instellingen, waaronder de Rabobank, in relatie tot ontbossingsrisico’s en biodiversiteitsverlies. Ik heb kennis genomen van de bevindingen. Voor mij staat voorop dat financiële instellingen zich houden aan de geldende Europese en internationale kaders. Het is aan de instellingen zelf om hun beleid en risicobeheersing hierop in te richten.
Acht u de huidige beleidsinstrumenten en wettelijke verplichtingen voor Nederlandse financiële instellingen om investeringen met ontbossings- of biodiversiteitsrisico’s te vermijden toereikend?
Er is reeds een aanzienlijk aantal EU-vereisten voor financiële instellingen ten aanzien van het beheersen van ontbossings- of andere biodiversiteitsrisico’s.
Voorbeelden zijn de richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (Corporate Sustainability Reporting Directive, afgekort CSRD) en bijbehorende European Sustainable Reporting Standards (ESRS). De onder deze regelgeving vallende ondernemingen, waaronder financiële instellingen, rapporteren over de impact (inclusief afhankelijkheden, risico’s en kansen) van hun bedrijfsstrategie en het gevoerde beleid op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ook vereist de ESRS transparantie over biodiversiteitsdoelen en inzicht in de eenheden die gebruikt worden om voortgang ten aanzien van de gestelde doelen te meten.
Daarnaast zijn er verschillende andere instrumenten, zoals de EU-taxonomie voor duurzame investeringen, waarmee financiële instellingen inzicht geven in wanneer een investering in een bepaalde economische activiteit als duurzaam kan worden aangemerkt, en die van financiële instellingen verlangen om te rapporteren in hoeverre hun financiële portefeuille daarmee in lijn is.
De CSDDD, CSRD en Taxonomie worden op dit moment vereenvoudigd. Het doel hiervan is om de administratieve lasten te verlagen en het ondernemingsklimaat te versterken, zonder de kern van transparantie en betrouwbaarheid te verliezen. Het kabinet steunt de inzet om de rapportagelasten te versimpelen en verminderen.
Tot slot houden de ECB en DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de beheersing van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële instellingen, zoals de financiële risico’s die kunnen voortvloeien uit biodiversiteitsverlies en ontbossing. Dit omvat ook reputatierisico’s die zouden kunnen ontstaan als een instelling eigen doelstellingen of beloftes ten aanzien van biodiversiteit niet na blijkt te komen. In 2020 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) toezichtverwachtingen geformuleerd ten aanzien van het beheersen van aan klimaat en biodiversiteit gerelateerde financiële risico’s, waar Europese banken aan moeten voldoen. Voor de toezichtprioriteiten 2025–2027 blijft het volledig naleven van de toezichtverwachtingen ten aanzien van de beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen een prioriteit.2
Acht u het in het artikel vermelde bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility in verhouding tot de omvang van de Nederlandse betrokkenheid bij internationale handelsstromen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing, zoals palmolie, soja en cacao? Overweegt u deze financiële bijdrage te verhogen?
Het bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility dient te worden gezien als een bijdrage aan de opstartkosten van dit fonds, dat momenteel nog niet operationeel is. Een mogelijke investering in het fonds zelf is aan het volgende kabinet. Tegelijkertijd wordt samen met de private sector onderzocht hoe aanvullende middelen kunnen worden aangetrokken om doelstellingen van het fonds te versterken.
Hoe beoordeelt u de stand van zaken rondom de Europese Ontbossingsverordening en de rol die Nederland vervult bij de implementatie daarvan binnen de Europese Unie?
Het kabinet zal het aankomende jaar gebruiken om in nauwe samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten toe te werken naar een zorgvuldige implementatie en daadwerkelijke administratieve lastenverlichting, die non discriminatoir en WTO-conform zijn. Nederland kan deze rol goed vervullen omdat de bevoegde autoriteiten (NVWA en Douane) alsook voor de meeste bedrijven in Nederland klaar zijn om de EUDR toe te passen.
Op welke wijze zal toezicht worden gehouden op de naleving van de Ontbossingsverordening in Nederland, in het bijzonder bij importerende bedrijven die grondstoffen of producten verhandelen uit gebieden met een risico op ontbossing?
Hoewel de NVWA is voorbereid op handhaving van de EUDR per 30 december 2025, wordt op dit moment nog onderhandeld over aanpassingen aan de EUDR en daarmee hoe de werking van de EUDR in de nabije toekomst exact vorm krijgt. Dit wordt pas definitief als na de triloog de aangepaste EUDR wordt gepubliceerd in The Official Journal of the European Union. Hierdoor is er op het moment nog onduidelijkheid voor toezicht en over de verplichtingen voor ondernemingen. Deze onduidelijkheid zal door middel van voorlichting moeten worden weggenomen. Ook in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit van de implementatieregelgeving zal hieraan aandacht moeten worden besteed.
Kunt u toelichten hoe de uitvoering van deze Europese verordening wordt ingebed in het nationale klimaat- en natuurbeleid?
De uitvoering van deze verordening vanuit de overheid bestaat hoofdzakelijk uit toezicht en handhaving door de NVWA en via de reguliere controle van de Douane. Dit wordt ingebed in het bredere werkpakket van de NVWA op het publiek belang van natuur en milieu.
Hoe ondersteunt Nederland via internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking de bescherming van landrechten van inheemse gemeenschappen in tropische bosgebieden?
Het versterken van de rechten en positie van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen (IPLCs) is een voorwaarde voor effectief en duurzaam beheer van tropische bosgebieden en behoud van biodiversiteit. Tijdens de recente VN-Klimaattop (COP30) heeft Nederland daarom de hernieuwde «Forest and Land Tenure Pledge» onderschreven, een internationale verklaring uit 2021 gericht op de ondersteuning van landrechten van IPLCs, evenals de aanverwante «Intergovernmental Land Tenure Commitment» waarmee verschillende tropische bossenlanden zelf hier hun steun aan hebben verbonden.
Via steun aan multilaterale fondsen, zoals de Climate Investment Funds, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, draagt Nederland bij aan de versterking van de rechten en weerbaarheid van IPLCs voor het duurzaam beheer van hun leefgebieden en ecosystemen. Zoals hierboven reeds vermeld kondigde Nederland tijdens COP30 een bijdrage van 5 miljoen dollar aan de opstartkosten van de Tropical Forest Forever Facility, een nieuw investeringsfonds gericht op het behoud van bossen. 20% van de betalingen uit dit fonds dienen rechtstreeks ten goede te komen aan IPLCs.
Op welke wijze stimuleert u bewustwording bij Nederlandse consumenten over de relatie tussen hun koopgedrag en mondiale ontbossing, en welke instrumenten zet u in om duurzaam consumptiegedrag te bevorderen?
Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid kunnen burgers daarbij helpen, door duurzame keuzes haalbaar, aantrekkelijk en acceptabel te maken.
De situatie in Soedan |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Erkent u de rol van goud in het conflict dat via handel de internationale markt op komt? Welke inzet pleegt u om via Dubai eerlijke handel te bevorderen als onderdeel van bredere inspanningen voor vrede en stabiliteit in Soedan en is het kabinet bereid het wapenexportbeleid richting de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) aan te scherpen en diplomatieke druk uit te oefenen gezien hun betrokkenheid bij handel in goud en wapens?
Zoals in veel conflictsituaties speelt de export van waardevolle grondstoffen zoals goud, maar bijvoorbeeld ook Arabische gom, in Soedan een rol bij het in stand houden van het conflict.
Sinds 2021 gelden er verplichtingen voor bedrijven in Nederland die onder de Europese conflictmineralenverordening vallen. Deze voorziet in wettelijke gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen voor Europese importeurs die boven een bepaalde drempelwaarden tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) importeren. Deze Verordening ziet toe op de controle op handel in 3TG met als doel om bij te dragen aan het tegengaan van de financiering van gewapende groepen en van mensenrechtenschendingen. Hoewel de Verordening niet landenspecifiek is bestaat er onder de Verordening wel een lijst van conflict- en hoog risicogebieden, opgesteld door onafhankelijke externe experts. Er zijn 18 Soedanese regio’s opgenomen in de lijst.1 Lidstaten en de Europese Commissie hebben geen directe invloed op de lijst. Desalniettemin heeft het kabinet zorgen over doorvoerlanden besproken met de Commissie. De Commissie gaf aan de intentie te hebben om het element van doorvoerlanden onderdeel te maken van de aanbestedingsprocedure voor actualisatie van de lijst.
In algemene zin verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. Daarbij wordt het bedrijfsleven ondersteund middels een mix van maatregelen.
Wat betreft wapenexport toetst het kabinet alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval en zorgvuldig conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), met onder andere specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Daarbij wordt ook zorgvuldig gekeken naar het eventuele risico op omleiding naar Soedan.
Conform de aangenomen motie van Piri c.s.2 heeft het kabinet tijdens de Raad Buitenlandse Zaken gepleit voor aanvullende EU-sancties tegen actoren die het conflict in stand houden, binnen en buiten Soedan. Nederland spreekt bovendien externe actoren aan op hun verantwoordelijkheid om geen handelingen te verrichten die het conflict voeden en om in te zetten op de-escalatie, naleving van het internationaal humanitair recht en ongehinderde humanitaire toegang.
Wat is uw inzet met betrekking tot Soedan in de aankomende Raad Buitenlandse Zaken (RBZ)? In hoeverre vormt de betrokkenheid van de VAE bij het conflict een obstakel in de voortgang van onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 20 november jl. heeft Nederland opnieuw opgeroepen tot een onmiddellijke wapenstilstand, naleving van het humanitair oorlogsrecht, bescherming van burgers en onbelemmerde humanitaire toegang voor hulporganisaties. Ook heeft Nederland conform de moties van Baarle3 en Piri4 gepleit voor het verder verhogen van de humanitaire hulp vanuit de EU voor Soedan en voor aanvullende sancties, inclusief op het hoogste niveau. Daarnaast pleitte Nederland ook voor engagement vanuit de EU met externe actoren, inclusief in de context van EU-GCC relaties, conform de motie Ceder c.s.5 De Minister van Buitenlandse Zaken heeft sinds de val van El Fasher met alle relevante regionale actoren op ministerieel niveau contact gehad en het belang van een staakt het vuren benadrukt. De EU en lidstaten blijven eensgezind over de ernst van de situatie in Soedan en blijven samenwerken met het samenwerkingsverband van de VS, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte (de Quad), de Afrikaanse Unie, en andere internationale partners om het conflict en het humanitaire leed in het land te beëindigen.
Op 28 mei 2025 zijn de onderhandelingen over een mogelijk handelsverdrag (FTA) tussen de EU en de VAE gestart. De onderhandelingen richten zich op het opheffen van beperkingen op de handel in goederen, diensten en investeringen, evenals samenwerking in strategische sectoren zoals hernieuwbare energie, groene waterstof en kritieke grondstoffen. Conform het betreffende BNC-fiche6 heeft het kabinet een positieve grondhouding ten aanzien van EU-handelsakkoorden, waarbij het uitgangspunt blijft dat ieder akkoord op de eigen merites wordt beoordeeld. Juist nu het wereldwijde handelssysteem onder druk staat, is het belangrijk dat we, conform de motie Hirsch-Ceder7, afspraken blijven maken met internationale partners over moderne en duurzame handelsbetrekkingen, en ons inzetten voor een open en op regels gebaseerd handelssysteem.
In het mandaat voor de onderhandelingen met de VAE wordt verwezen naar de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de EU, waaronder de naleving van het internationaal recht door derde landen. De Raad heeft met dit onderhandelingsmandaat ingestemd. Het is nu aan de Commissie om op basis hiervan tot een onderhandelingsresultaat te komen met de VAE. Het kabinet zal daarover een positie innemen op het moment dat een eventueel onderhandelingsresultaat ter besluitvorming wordt voorgelegd aan de Raad.
Bent u bereid om extra financiering voor voedselzekerheid te overwegen, bijvoorbeeld via de Dutch Relief Alliance, die met hun lokaal personeel nog toegang heeft tot de meest afgesloten regio's in Soedan?
Het kabinet heeft besloten een extra humanitaire bijdrage van EUR 10 miljoen te doen aan het Sudan Humanitarian Fund van de Verenigde Naties. (SHF). Deze bijdrage is reeds aangekondigd in de Tweede suppletoire begroting BHO 2025 (Kamerstuk 36 850 XVII) en verder toegelicht in de Kamerbrief over de extra bijdrage aan Soedan (Kamerstuk 29 237, nr. 237). Het SHF zet in op de hoogste noden, waaronder voedselzekerheid, in de meest getroffen gebieden.
Met flexibele financiering kan vanuit het SHF voortdurend worden ingespeeld op de veranderende noden. Daarbij wordt gekeken naar complementariteit en naar welke organisaties het best in staat zijn om hulp te verlenen. Dit zijn vaak lokale organisaties. Via het SHF worden dan ook de Emergency Response Rooms gefinancierd. Dit zijn kleine vrijwilligersinitiatieven die een cruciale rol spelen in het verlenen van levensreddende hulp, waaronder voedselvoorziening via gaarkeukens, ook op moeilijk bereikbare plaatsen.
Bent u bereid de oproep om toegang tot humanitaire hulp toe te laten, kracht bij te zetten door de Sudan Armed Forces (SAF) en Rapid Support Forces (RSF) aan te sporen tot toelating van humanitaire hulp in alle delen van Soedan en door organisaties te steunen in onderhandelingen over toegang, bijvoorbeeld via alternatieve routes, andere transportmiddelen en veiligheidsmaatregelen?
Via diplomatieke inzet in bilaterale en multilaterale kanalen blijft Nederland zich inzetten voor een staakt-het-vuren en het verbeteren van humanitaire toegang. In diverse statements heeft Nederland samen met de Europese Unie en andere landen de strijdende partijen opgeroepen om de strijd te staken, het humanitair oorlogsrecht te respecteren, burgers te beschermen en hulp ongehinderd toe te laten.
Nederland spreekt bovendien externe actoren aan op hun verantwoordelijkheid om geen handelingen te verrichten die het conflict voeden en om in te zetten op de-escalatie, het humanitair oorlogsrecht na te leven en ongehinderde humanitaire toegang te verlenen. In de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 20 november jl. onderstreepte Nederland het belang van ongehinderde humanitaire hulp en pleitte voor het verder verhogen van de humanitaire hulp vanuit de EU voor Soedan.
Verder is Nederland voortdurend in contact met humanitaire actoren, waaronder de Verenigde Naties, over hoe de coördinatie verloopt en hoe deze verder verbeterd kan worden, bijvoorbeeld op locaties waar de hulp snel opgeschaald moet worden door grote toestroom van vluchtelingen, zoals in Tawila in Darfoer.
Palestina |
|
Sarah Dobbe |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
Voorziet u meer medische evacuaties van kinderen uit Gaza na de vijf kinderen die reeds medisch zijn geëvacueerd naar Nederlandse ziekenhuizen (Kamerstuk 23 432, nr. 616)? Zo niet, is dit omdat de medische capaciteit in Nederland niet beschikbaar is, of zijn er andere redenen? Zo wel, op welke manier is het kabinet daarmee bezig? Kunt u een zo concreet mogelijke uitleg geven?
De medische evacuatie van de vijf kinderen maakt deel uit van het kabinetsbeleid om de bevolking uit Gaza toegang te bieden tot medische hulp. Het kabinet wil blijven bezien hoe een bijdrage kan worden geleverd aan de tekorten voor de complexe en hoog-specialistische zorg in de regio. De voorkeur van het kabinet gaat uit naar het versterken van de medische capaciteit in de regio, aangezien daar het grootste verschil gemaakt kan worden.
Tijdens het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 11 december jl. heeft de Minister van Buitenlandse Zaken toegezegd om, samen met de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, een nieuwe inventarisatie te maken van de stand van zaken van de medische capaciteit in Gaza en de regio.
Deelt u de mening dat er nog steeds een tekort is aan beschikbare hoogspecialistische zorg in de regio en dat de behoefte aan medische evacuaties voor kinderen uit Gaza hoog blijft?
Het kabinet spant zich in om, samen met internationale en regionale partners, bij te dragen aan een versterking van de medische capaciteit in Gaza en omliggende landen. Zo ondersteunen humanitaire partners met behulp van Nederlandse financiering zowel (specialistische) medische behandelingen en revalidatiediensten, als structurele ondersteuning in de vorm van het versterken van ziekenhuizen en het herstel van water- en sanitaire voorzieningen.
U heeft aangekondigd dat Nederland medeorganisator is van een conferentie over de wederopbouw van Gaza: wat zijn de doelen van deze conferentie, wat zal daar worden besproken en met wie?1
Nu resolutie 2803 (2025) in de VNVR is aangenomen, is de verwachting dat op korte termijn een datum voor de conferentie zal worden vastgesteld. De agenda en deelnemers van de conferentie zijn nog niet bekend.
Wordt het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht als uitgangspunt genomen bij deze conferentie en op welke manier? Kunt u hier een toelichting op geven? Zo niet, hoe waardeert u het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk?
Het Palestijnse volk heeft recht op zelfbeschikking, daarom zet het kabinet in op een duurzame en vreedzame oplossing waarbij het uitgangspunt de tweestatenoplossing blijft. Naar mening van het kabinet dient de Palestijnse Autoriteit betrokken te worden bij de wederopbouwconferentie. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Hoe verhoudt wat op deze conferentie zal worden besproken zich tot het Trump Investment Plan zoals onderdeel is van het staakt-het-vuren akkoord, en in hoeverre liggen bepaalde onderdelen of kaders van een wederopbouwplan al vast? Welke onderdelen en kaders zijn dit?
Regionale partners, waaronder Egypte, zijn nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het 20-puntenplan van president Trump. Niet alle punten van het plan zijn even ver uitgewerkt, zoals onder andere het element van wederopbouw. De genoemde conferentie kan worden gezien als een forum dat bijdraagt aan de inzet voor de wederopbouw van Gaza.
Wat is uw reactie op het nieuws dat een gebrek aan financiering de hulpverlening en dienstverlening van UNRWA in de Palestijnse gebieden in gevaar brengt?2
De financiële tekorten waar UNRWA mee kampt hebben gevolgen voor de hulp- en dienstverlening van de organisatie in alle werkvelden waar UNRWA actief is (Palestijnse Gebieden, Syrië, Libanon en Jordanië).
Nederland ondersteunt UNRWA met financiële middelen volgens het aangenomen amendement (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). Daarnaast hecht het kabinet aan diversificatie van humanitaire hulp voor de Gazastrook. Nederland zet daar op in door ook middelen beschikbaar te stellen voor organisaties als de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en het World Food Programme.
Deelt u de mening dat UNRWA nog steeds een cruciale rol speelt in hulpverlening en dienstverlening aan Palestijnen, en hun werk op dit moment niet door andere organisaties op de schaal die nodig is kan worden overgenomen? Kunt u hierop een toelichting geven?
Het Internationaal Gerechtshof heeft in zijn advies van 22 oktober 2025 geoordeeld dat er momenteel geen realistisch alternatief voor UNRWA bestaat om adequaat diensten en ondersteuning te verlenen aan Palestijnse vluchtelingen. De kabinetsreactie op dit advies is uw Kamer toegekomen op 21 november jl.3
Zoals reeds aangegeven zet het kabinet in op verdere diversificatie van de humanitaire hulpverlening voor de Gazastrook. Daarnaast blijft bij het kabinet een aantal zorgen bestaan, bijvoorbeeld over de neutraliteit van het gebruikte onderwijsmateriaal. Daarom blijft het kabinet toezien op de implementatie van de aanbevelingen komende uit het Colonna rapport.
Herkent en erkent u de desinformatie campagne over UNRWA die Philippe Lazzarini beschrijft? Wat heeft u gedaan en gaat u doen om schadelijke desinformatie tegen te gaan?
Het kabinet is bekend met de uitingen vanuit UNRWA over mis- en desinformatie over de organisatie. Om neutraliteit en integriteit te waarborgen moet UNRWA blijven werken aan de aanbevelingen uit het Colonna rapport, zoals ook aangegeven in de beantwoording op vraag 7. Het kabinet pakt desinformatie in den brede aan middels de Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie via twee sporen: 1) het versterken van het vrije en open publieke debat en 2) het verminderen van de invloed van desinformatie.
Gezien de enorme behoefte aan humanitaire hulp en basisvoorzieningen, zoals onderwijs en mentale zorg voor kinderen, bent u bereid om in 2025 extra middelen beschikbaar te stellen voor UNRWA en steun voor UNRWA voor 2026 onverminderd door te zetten? Zo niet, hoe verwacht u dan dat voldoende capaciteit, op hetzelfde niveau als UNRWA dat kan, voor humanitaire hulp en basisvoorzieningen zoals onderwijs en mentale zorg voor kinderen gerealiseerd kan worden?
Uw Kamer nam een amendement aan om financiering aan UNRWA voor de komende jaren af te bouwen (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). Hier houdt het kabinet zich aan. De vrijgevallen middelen zullen ten goede komen aan humanitaire hulp via andere organisaties, zoals de VN en de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging.
Wat is uw reactie op het bericht dat het Israëlische leger het staakt-het-vuren al zeker 282 keer heeft geschonden in de afgelopen 30 dagen?3
Beide kanten beschuldigen elkaar van het schenden van het staakt-het-vuren. Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Klopt het dat verschillende grensovergangen, waaronder die tussen Rafah en Egypte, nog steeds gesloten zijn voor humanitaire hulp of dat humanitaire hulp nog steeds maar beperkt wordt toegelaten?
Tot op heden is de grensovergang Rafah gesloten. De grensovergangen Kerem Shalom, Zikim, en Kissufim zijn (gedeeltelijk) operationeel. Israël heeft aangekondigd de Allenby overgang tussen de Westelijke Jordaanoever en Jordanië op 17 december te zullen heropenen voor (humanitair) goederenverkeer.
Wat is uw reactie op het bericht dat cruciale noodhulp Gaza niet bereikt omdat Israël specifieke hulporganisaties weert vanwege hun vermeend anti-Israëlische standpunten en daardoor organisaties als Oxfam, Save the Children en de Norwegian Refugee Council al maanden geen toestemming krijgen van Israël om noodhulp aan Palestijnen te verstrekken?4
Het kabinet heeft, conform motie Ceder6 en motie Dobbe7, formeel protest aangetekend bij de Israëlische regering ten aanzien van de NGO-registratiewetgeving en zal zich blijven inspannen voor de ongehinderde, volledige en veilige toegang voor professionele, gemandateerde hulporganisaties tot de Palestijnse gebieden.
Bent u bereid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat humanitaire organisaties wel noodhulp aan Palestijnen kunnen geven? Kunt u hierop een toelichting geven?
Nederland blijft zich inspannen voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor professionele, gemandateerde hulporganisaties, zoals de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s. Zie ook het antwoord op vraag 12. Het is van belang dat deze organisaties alle mensen in nood in de gehele Gazastrook kunnen bereiken, evenals voor activiteiten op het gebied van herstel en wederopbouw, zodra de situatie in de Gazastrook zich hiervoor leent. Dit heeft de Minister van Buitenlandse Zaken recent benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in de gesprekken met de Israëlische president en Minister van Buitenlandse Zaken.
Wat heeft de Nederlandse regering sinds het staakt-het-vuren gedaan om de Israëlische regering ertoe te bewegen humanitaire hulp onbelemmerd toe te laten tot Gaza? Indien niets, waarom niet? Indien wel, welke sancties of maatregelen heeft u genomen en welke sancties of maatregelen overweegt u te nemen?
Het kabinet spreekt Israël continue aan op diens verplichtingen om humanitaire hulp ongehinderd toe te laten, ook sinds het ingaan van het staakt-het-vuren op 10 oktober jl., zie ook het antwoord op vraag 13.
Betekent het besluit van het kabinet met betrekking to de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen, zoals geschreven in de Kamerbrief van 14 november (Documentnummer 2025D46598), dat Nederland de komende 6 maanden geen F-35-onderdelen richting Israël zal exporteren of doorvoeren? Kunt u hierop een toelichting geven?
Op grond van de gedane herbeoordeling is besloten om de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de relevante algemene vergunning AV009 te handhaven.
Tegelijkertijd is er, gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas en de verdere uitwerking van het vredesplan, sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 3 oktober jl. sprake van een nieuwe situatie op de grond. Gezien de veranderlijke situatie heeft het kabinet besloten tot een nieuwe herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Tot een herbeoordeling blijft het eerdere besluit tot handhaving van de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de relevante algemene vergunning, van kracht.
Hoe wordt getoetst of F-35-onderdelen via derde landen, zoals de VS, alsnog in Israël terechtkomen na door Nederland te zijn uit- of doorgevoerd? Kan gegarandeerd worden dat dit niet gebeurt? Kunt u hierop een toelichting geven?
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar de VS, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk aan wie de toestellen waarin de onderdelen worden geïntegreerd door de VS zullen worden geleverd. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel vanuit de VS daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd.
Wat is het huidige beleid met betrekking tot de export en doorvoer van wapens, onderdelen van wapens of dual-use goederen met eindbestemming Israël?
Het kabinet toetst aanvragen voor de export van militaire- of dual-use goederen zorgvuldig en per transactie. Voor dual-use goederen geldt dat de export niet wordt toegestaan als een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik. Dit is in lijn is met de Europese exportcontroleregels.
Ook op het vlak van controle op de uitvoer van militaire goederen gaat het kabinet gedegen en zorgvuldig te werk. Vergunningaanvragen worden per geval getoetst aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Daar waar een duidelijk risico bestaat dat militaire goederen gebruikt worden bij het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Sinds 7 oktober 2023 zijn er elf aanvragen voor uitvoer militaire goederen met eindgebruik in Israël afgewezen. Daarnaast zijn er drie eerder afgegeven vergunningen met de Israëlische krijgsmacht als eindgebruiker, ingetrokken vanwege een verhoogd risico op ongewenst eindgebruik.8
Sinds januari 2025 zijn er twee uitvoervergunningen toegewezen met de Israëlische krijgsmacht als eindgebruiker van de uit te voeren goederen. Deze betreffen de uitvoer van onderdelen ten behoeve van het Iron Dome-luchtafweersysteem in Israël die het kabinet blijft toestaan.
Daarnaast zijn er sinds januari 2025 meerdere vergunningen afgegeven voor uitvoer van goederen naar Israël aan derden die niet door de Israëlische krijgsmacht worden gebruikt. Het betrof hier (tijdelijke) uitvoer ten behoeve van verdere productontwikkeling of reparatie- en/of onderhoudsdoeleinden in Israël. Het ging bijvoorbeeld om (onderdelen voor) militaire communicatiesystemen, onderdelen voor robotvoertuigen, camerasystemen, onderdelen voor robotvoertuigen, en onderdelen voor de vleugels van gevechtsvliegtuigen. Deze goederen worden na verdere productie, reparatie en/of onderhoud in Israël weer uitgevoerd naar een ander land, waaronder Nederland met als eindgebruiker de Nederlandse krijgsmacht.
De Staat handelt met het bovenstaande beleid zorgvuldig en voldoet aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen ten aanzien van wapenexportcontrole. Dat is onlangs nog bevestigd door het Gerechtshof Den Haag (d.d. 6 november).9
Heeft Nederland sinds januari 2025 wapens of onderdelen van wapens uit- of doorgevoerd met eindbestemming Israël? Kunt u zo specifiek mogelijk toelichten wat het huidige Nederlandse beleid hier op is, met daarin in ieder geval uitgesplitst om welke voorwaarden, welke aantallen, welke onderdelen of systemen het gaat? Graag antwoord op deze vraag die gezien de actualiteit niet kan wachten tot de jaarlijkse rapportage inzake wapenexport.
Zie antwoord vraag 17.
Wat is de voortgang van het verbieden van de import uit illegale nederzettingen in bezet Palestina?
Het kabinet gaat onverminderd door met de voorbereiding van een nationale maatregel om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren, en doet dit zoals toegezegd zo snel mogelijk.
Wat is de stand van zaken van de sancties die door de VS zijn opgelegd aan het Internationaal Strafhof?
Sinds februari 2025 zijn er door de VS sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ISH). In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, zes rechters een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Wat is de impact van de sancties die zijn opgelegd aan het Internationaal Strafhof en op welke manier wordt het werk van het Strafhof belemmerd?
Het Hof is vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo zijn de strafzaken in eerste aanleg tegen verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek en Soedan afgerond en in september heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony. Wel is het zo dat de sancties de gesanctioneerden (in hun persoonlijk leven) treffen, bijvoorbeeld doordat Amerikaanse bedrijven hun dienstverlening aan hen hebben beëindigd. Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties zorgvuldig in de gaten. Met steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd.
Op welke manier steunt de Nederlandse regering momenteel het Internationaal Strafhof om haar werk onbelemmerd te kunnen doen?
Nederland is zowel gastland van het ISH, als één van de 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is Nederland in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, waarin ook de Nederlandse inzet voor de jaarlijkse bijeenkomst van Verdragspartijen staat beschreven.10
Zijn er additionele verzoeken gedaan voor steun door het Strafhof waar de Nederlandse regering (nog) niet aan heeft voldaan en zo ja, welke?
Het kabinet verwijst hier eveneens graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025. Er zijn geen additionele verzoeken gedaan voor steun door het Strafhof waar de Nederlandse regering (nog) niet aan heeft voldaan.
Bent u bereid deze vragen een voor een en gezien de urgentie binnen uiterlijk twee weken te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het slopen van de privacybescherming in de nieuwe Europese Omnibus-wetgeving |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Commission internal draft would wreck core principles of the GDPR» en de brandbrief van 127 organisaties over de Digitale Omnibus?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bovenstaande bericht en de brandbrief? Kunt u ingaan op de inhoudelijke bezwaren en zorgen die hierin worden geuit?
Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren en zorgen en nemen deze opmerkingen serieus. De bezwaren en zorgen waren evenwel gericht op een nog niet gepubliceerde versie van de zevende omnibus verordening. Alhoewel het kabinet bij de gepubliceerde voorstellen veel aanpassingen binnen de Omnibus AI en Omnibus Digitaal kan steunen omdat deze in lijn zijn met de Nederlandse inzet, heeft het kabinet vooral bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) serieuze zorgen, omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Via een versnelde Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-route is uw Kamer op 12 december met een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet op de Omnibus Digitaal. In het antwoord op vraag 3 wordt hierop nader ingegaan.
Wat is uw zienswijze op de Digitale Omnibus, die ook aanpassingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de voorgestelde e-Privacyverordening bevat?
In navolging van een vierde Omnibuspakket, waarin ook sprake was van een aantal gerichte vereenvoudigingen voor de AVG heeft de Europese Commissie (EC) op 19 november 2025 het zevende Omnibuspakket (ook wel het «Digitale Pakket») gepubliceerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de omnibussen erop inzet digitale wetgeving te vereenvoudigen en stroomlijnen. Dit past binnen de bredere doelstelling van het kabinet om de regeldruk terug te dringen. Het kabinet ziet dat het pakket mogelijk ook kansen biedt voor de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties en de vereenvoudiging van de uitvoering van beleid. Het kabinet zet erop in dat deze omnibussen zich focussen op versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG geven wel aanleiding tot zorgen, omdat deze kunnen leiden tot een wezenlijke vermindering van het niveau van gegevensbescherming, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.
Zal de Digitale Omnibus de privacybescherming van burgers verzwakken? Kunt u antwoorden met een heldere ja of nee, en dit vervolgens onderbouwen?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. Het ontbreken van een impact assessment maakt het moeilijk om deze vraag met een helder ja of nee te beantwoorden. Het kabinet zal opheldering vragen bij de Commissie en de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en bescherming van grondrechten verder in kaart brengen, voordat het tot een definitief oordeel komt op deze onderdelen. Het kabinet hecht er dan ook aan dat er in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming en grondrechten gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt daarnaast dat het nog te verschijnen advies van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) moet worden betrokken bij de bespreking van dit voorstel.
Deel u de mening dat «simplificatie» van wetgeving nooit mag leiden tot deregulering en een feitelijke verzwakking van de privacybescherming?
Met betrekking tot de Omnibus Digitaal en Omnibus AI zet het kabinet erop in dat de omnibussen digitale wetgeving versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
Het kabinet steunt het doel van simplificatie van digitale wetgeving en zal zich hier proactief voor inzetten in het kader van de omnibus, maar in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming hecht het kabinet er als gezegd aan dat er gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van privacy een kernwaarde is van de Europese Unie, een uitvloeisel is van een gezamenlijk wereldbeeld én de lessen getrokken uit de Tweede Wereldoorlog, en dat dit onder geen enkele voorwaarde geweld mag worden aangedaan?
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (het «recht op privacy»), daaronder begrepen het recht op gegevensbescherming, is een grondrecht dat onder meer is neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is het recht op gegevensbescherming in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een op zichzelf staand grondrecht, expliciet ontkoppeld van het recht op privacy. In artikel 7 Handvest Grondrechten EU staat het recht op eerbiediging van het privéleven, in artikel 8 het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Unierechtelijke uitwerking is gedaan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding (overweging 4 AVG). Zo kan het recht bij wet worden ingeperkt, mits voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de inperkingen voldoende voorspelbaar en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Dat onder geen enkele voorwaarde inbreuk mag worden gemaakt op dit grondrecht, onderschrijven wij derhalve niet.
Op welke manieren en op welke momenten heeft Nederland haar zienswijze over de Digitale Omnibus gedeeld met de Europese Commissie? Kunt u deze contactmomenten uiteenzetten?
Het versimpelen van (onderdelen van de) digitale wetgeving is onderwerp geweest van diverse Raadsbesprekingen waar de Europese Commissie aan deelnam en besprekingen in EU-verband. Potentiële wijzigingen aan de AVG waren daarbij niet altijd onderwerp van gesprek. Versimpeling van de AI-verordening is besproken tijdens meetings van de AI-Board en versimpeling van de Dataverordening, Datagovernanceverordening en de Free Flow of Dataverordening is onderwerp geweest van de Raadswerkgroep Telecom. Het kabinet heeft het non-paper regeldruk en digitale wetgeving onder de aandacht gebracht bij de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober en in hoogambtelijke besprekingen met de Commissie.
Kunt u alle relevante documenten, die betrokken zijn bij het bepalen van de Nederlandse inzet delen met de Kamer? Heeft u ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij betrokken?
Het kabinet heeft u via een versnelde BNC-route geïnformeerd over de inzet ten aanzien van de Omnibuswetgeving. Vanwege de snelle doorlooptijd van het omnibusvoorstel en brede betrokkenheid van meerdere departementen is er geen overzicht van alle input die is ontvangen en betrokken. Het kabinet krijgt soms van stakeholders, zoals belangenorganisaties, proactief input toegestuurd. Daarnaast neemt het kabinet ook input in beschouwing die hem via de media bereikt, zoals de brandbrief waar u in vraag 1 naar verwijst. Het kabinet betrekt ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij.
Acht u het verantwoord en acceptabel dat AI-bedrijven, waaronder Amerikaanse techgiganten als Google en Meta, meer mogelijkheden krijgen om gegevens van Europese burgers te gebruiken om AI-modellen te trainen?
In het voorstel van de Commissie wordt een artikel 88c aan de AVG toegevoegd, waarin het expliciet de grondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6 lid 1 onder f) wordt aangewezen als de grondslag voor – kort gezegd – het ontwikkelen en toepassen van AI-modellen. Om de gevolgen van deze voorgestelde wijziging goed te overzien, is meer duidelijkheid daarover nodig en Nederland heeft op dat punt vragen gesteld aan de Commissie. De mogelijkheid om persoonsgegevens te gebruiken voor het trainen van AI-modellen bestaat overigens ook nu al. De EDPB, waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft hierover op 18 december 2024 een advies aangenomen.2 Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6, eerste lid, onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. Ook moet elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te verkleinen. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke vorm van verwerking rechtmatig is. Of deze mogelijkheden verder moeten worden verruimd, vergt nadere beoordeling. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn als de gevolgen voor fundamentele rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Deelt u de mening dat bescherming van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en gezondheidsdata, geen geweld mag worden aangedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 hanteert het kabinet in het kader van de omnibus het uitgangspunt dat de omnibus moet focussen op verduidelijking, versimpeling en het vergroten van consistentie van digitale wetgeving. De inzet is dat daarbij de doelen van de wetgeving niet worden afgezwakt. Onder de AVG is de verwerking van deze bijzondere categorieën van persoonsgegevens verboden, vanwege de impact die dit kan hebben. Verwerking kan alleen plaatsvinden, als er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaat. Met het voorstel worden twee nieuwe uitzonderingsgronden opgenomen in de AVG. Deze worden op dit moment nog beoordeeld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met het BNC-fiche.
Welk signaal geeft het verzwakken van de AVG en de e-Privacyverordening af aan het Nederlandse en Europese midden- en kleinbedrijf dat volop inzet op het ontwikkelen van verantwoorde en privacyvriendelijke AI conform deze regelgeving?
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG en de e-Privacyverordening zijn nog onderwerp van onderhandeling. Deze wetten zijn dus nog niet gewijzigd. Het kabinet heeft het streven om de regeldruk terug te dringen. Regeldruk zet een rem op de productiviteitsgroei van bedrijven en dus ook op het concurrentievermogen van onze economie. Dit kan op den duur ook de financiering van publieke taken onder druk zetten. Het kabinet zet zich daarom constructief in voor het versimpelen van digitale wetgeving, waarbij één van de uitgangspunten is dat de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijft. Dit betekent dat het kabinet kritisch beziet of de voorstellen het doel van verlaagde regeldruk daadwerkelijk dienen en welke gevolgen dit heeft voor het niveau van gegevensbescherming. Het kabinet hecht waarde aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, hecht het kabinet aan een impact assessment zodat het kabinet kan beoordelen of voorgestelde wijzigingen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn en de gevolgen voorspelbaar en voorzienbaar.
Deelt u de mening dat het verduidelijken van wet- en regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf niet ten koste hoeft te gaan van privacybescherming? Is dit ook uw uitgangspunt?
Ja. Het is al langere tijd een doel van het kabinet om regeldruk terug te dringen en daartoe zijn ook al oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan praktische hulpmiddelen, zoals sjablonen en praktische richtsnoeren van de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), om naleving van de wet- en regelgeving voor kleinere organisaties te vereenvoudigen. Ook kunnen lijsten van verwerkingsactiviteiten met een laag risico die door toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, meer duidelijkheid verschaffen en kan de ontwikkeling en het gebruik van gedragscodes en certificering worden gestimuleerd. Ten aanzien van het gebruik van gedragscodes en certificering, overweeg ik om hier nader onderzoek naar te laten doen. Het uitgangspunt van het kabinet bij de Omnibus Digitaal is dat bij het versimpelen van de wetgeving de doelen, inclusief de bescherming van grondrechten, van de wetgeving niet worden afgezwakt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met onafhankelijke experts, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en burgerrechtenorganisaties op het gebied van privacy, om de Digitale Omnibus te beoordelen en in kaart te brengen of deze in de praktijk zal leiden tot een verzwakking van de privacybescherming?
Het is vanzelfsprekend dat het kabinet goede contacten onderhoudt met het veld, met inbegrip van burgerrechtenorganisaties, maar ook met partijen zoals VNO-NCW. Ten aanzien van de omnibus betrekken wij in elk geval de informatie van deze organisaties die zij publiceren bij de zelfstandige oordeelsvorming, en is er contact met de AP. Waar het om gegevensbescherming gaat kijken wij uit naar het gezamenlijke advies van de EDPB/EDPS.
Bent u bereid om een voorbehoud te maken op het steunen van de Digitale Omnibus, zolang niet is uitgesloten dat deze de privacybescherming verzwakt?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. In beginsel steunt Nederland voorstellen om digitale wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk ervan te verlagen. Daarbij is het wel belangrijk dat de doelen, met inbegrip van het niveau van gegevensbescherming, van de wetgeving overeind blijven en er gelegenheid is om de voorstellen, en de gevolgen daarvan voor onder andere de bescherming van grondrechten, gedegen te analyseren, de impact ervan te kunnen doorgronden, en goed inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt het in het algemeen van belang dat bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, een impact assessment wordt gedaan. Ook is het van belang om bij wijzigingen die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, het advies van Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) te betrekken bij de verdere analyse en bespreking, om te voorkomen dat de bescherming van grondrechten, waaronder gegevensbescherming, wordt verlaagd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden, en toezeggen om geen definitief standpunt in te nemen over de Digitale Omnibus zolang de Kamer zich hierover niet heeft uitgesproken?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en separaat beantwoord. Het kabinet bestudeert momenteel het gepubliceerde voorstel van de EC en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal.
De toenemende spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela |
|
Kati Piri (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur d.d. 13 november 2025 over de zorgen in het Caribisch gebied ten aanzien van de toenemende spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela?1
Ja.
Deelt u de zorgen die leven op Curaçao, maar ook op Aruba en Bonaire over de Amerikaanse acties tegen vermeende drugsboten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet staat in nauw contact met de overheden van Aruba, Curaçao en Bonaire. Het is begrijpelijk dat de Amerikaanse acties tegen vermeende drugsboten in de Caribische regio zorgen met zich meebrengen. Op dit moment is er geen acute dreiging voor het Koninkrijk: de acties vinden plaats buiten de territoriale wateren van het Koninkrijk en er is geen indicatie dat Aruba, Bonaire of Curaçao betrokken raakt in een eventueel conflict. Aruba, Curaçao en Bonaire bereiden zich wel voor op verschillende mogelijke gevolgen van eventueel oplopende spanningen. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor de bijstand en ondersteuning.
Wat is de reactie van de regering – en daarmee van de Koninkrijksregering – op de Amerikaanse aanvallen op de vermeende drugsboten in de Caribische zee? Deelt de Koninkrijksregering het standpunt van onder andere de Verenigde Naties en Frankrijk dat de Amerikaanse aanvallen in strijd zijn met het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Kunt u hierbij met verwijzing naar het internationaal recht uw reactie onderbouwen?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS. De VS heeft tevens nationaal een aantal drugskartels aangewezen als terroristische organisatie.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse en Caribische landen.
Overweegt het Koninkrijk der Nederlanden net zoals het Verenigd Koninkrijk en Canada tijdelijk te stoppen met het delen van inlichtingen? Zo nee, waarom niet?
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor JIATF-S (Joint Interagency Task Force South) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere (inlichtingen-)diensten.
Kunt u garanderen dat via de kustwachtsamenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten, waarbij onder andere het vliegveld van Curaçao wordt gebruikt, er op geen enkele manier wordt bijgedragen aan de Amerikaanse acties die in strijd zijn met het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
De inzet van de Kustwacht Caribisch Gebied beperkt zich tot het verantwoordelijkheidsgebied van het Koninkrijk (territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone). Daarover vindt normaliter geen afstemming met internationale partners plaats en dat is ook bij de huidige nationale aangestuurde operatie van de VS niet aan de orde.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in een verdrag2 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming aan de VS voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten.
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Op welke manier wordt er door het kabinet samengewerkt met de regeringen van Curaçao en Aruba en met het lokale bestuur op Bonaire om de zorgen die op de eilanden leven weg te nemen?
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. Zij kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen. Dit was ook onderwerp van gesprek tijdens de week van de crisisbeheersing op Curaçao van 24–28 november jl. waar alle Caribische delen van het Koninkrijk aan deelnamen.
Op welke manier wordt de lokale bevolking op Curaçao, Aruba en Bonaire zo goed mogelijk geïnformeerd over de situatie? Hoe wordt voorkomen dat de staatkundige structuur en bevoegdheidsverdeling binnen het Koninkrijk, waarbij Den Haag verantwoordelijk is voor het buitenland- en defensiebeleid van het gehele Koninkrijk, onnodig voor verwarrende, vertraagde of onvolledige informatievoorziening zorgt?
De regeringen van Aruba en Curaçao en de overheid van Bonaire zorgen zelf voor de communicatie richting de bevolking. Om hen hiertoe in staat te stellen informeert de Minister van Buitenlandse Zaken hen regelmatig en nauwgezet over de geopolitieke actualiteit.
Kunt u deze vragen één voor één binnen een week beantwoorden?
Zoals gewenst zijn de vragen één op één beantwoord. Ik heb getracht de vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'De stille kalifaatlobby in Nederland: alle omstreden organisaties op een rij' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De stille kalifaatlobby in Nederland: alle omstreden organisaties op een rij»?1
Bent u bekend met het recente verbod op de islamitische organisatie Muslim Interaktiv in Duitsland wegens anti-democratische activiteiten?
Hoe beoordeelt u het Duitse besluit om deze organisatie te ontbinden en haar bezitten in beslag te nemen?
Acht u het in algemene zin wenselijk om, net als Duitsland, organisaties te verbieden die oproepen tot een kalifaat en westerse waarden verwerpen?
De beweging Hizb ut-Tharir streeft naar de heroprichting van een wereldwijd kalifaat en beschouwt democratie als «een menselijk en zondig systeem», acht u deze ideologie verenigbaar met de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, bent u bereid om de mogelijkheden in kaart te brengen om deze organisatie in Nederland te verbieden, zoals in Duitsland?
Welke concrete maatregelen zijn tot nu toe genomen tegen Hizb ut-Tahrir Nederland?
Op basis van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek heeft het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om de rechter te verzoeken rechtspersonen te verbieden als de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde; bent u bereid met het Openbaar Ministerie in gesprek te gaan zodat zij gebruikmaken van deze bevoegdheid?
Mocht het Openbaar Ministerie hier niet toe bereid zijn, bent u dan bereid een juridische verkenning te starten waarbij dit in de toekomst toch mogelijk wordt?
Bent u van mening dat Nederland over voldoende juridische instrumenten beschikt om organisaties te verbieden die de grondwettelijke orde ondermijnen, ook als zij geen geweld gebruiken? Zo ja, waarom? Zo nee, wat kan Nederland hieraan aanscherpen?
Naast activistische groepen zijn er ook salafistische organisaties met een vergelijkbare ideologische lijn, zoals de As-Soennah-moskee in Den Haag, die jarenlang geleid werd door imam Fawaz Jneid en herhaaldelijk in verband is gebracht met haatprediking en antiwesterse denkbeelden; bent u van mening dat u voldoende juridische instrumenten heeft om dit soort religieuze instellingen onder toezicht te plaatsen, of te sluiten? Zo ja, waarom? Zo nee, wat kan Nederland hieraan aanscherpen?
Plannen van de Europese Commissie voor een eigen inlichtingendienst |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Europese Commissie werkt aan eigen inlichtingenorgaan» (NOS, 11 november 2025)?1
Ja.
Deelt u de zorg dat de Europese Commissie met de oprichting van een eigen inlichtingenstructuur opnieuw een stap zet richting een Europese superstaat, waarbij nationale bevoegdheden worden weggedelegeerd?
Er is op dit moment geen voorstel van de Europese Commissie gedeeld met de lidstaten voor een dergelijke inlichtingenunit. De details omtrent internationale samenwerking van de diensten zijn staatsgeheim, ik kan daar in het openbaar geen uitspraken over doen. Indien er een voorstel vanuit de Europese Commissie gepubliceerd wordt, zal uw Kamer zoals gebruikelijk hierover geïnformeerd worden door middel van een kabinetsreactie.
Klopt het dat de Commissie hiermee taken naar zich toe trekt die normaliter onder de nationale veiligheidsdiensten (zoals AIVD en MIVD) vallen?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt dit voorstel zich tot het subsidiariteitsbeginsel en de uitsluitende verantwoordelijkheid van lidstaten voor nationale veiligheid, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie?
Nederland is voorstander van het intensiveren van inlichtingensamenwerking op Europees niveau. Het SIAC, de Single Intelligence Analysis Capacity,1 is voor het kabinet de centrale toegangspoort voor strategische inlichtingenbijdragen voor de Europese Unie. Het versterken van SIAC, zoals afgesproken in het EU Strategisch Kompas, is daarbij een belangrijke doelstelling.
1 SIAC betreft een inlichtingenstructuur, die inlichtingen analyseert, verwerkt en verspreidt. Het EU Intelligence and Situation Centre (INTCEN) en het Intelligence Directorate of the European Military Staff (EUMS INT), beide EU External Action Services structuren (EEAS), zijn twee intergouvernementele functionele entiteiten die inlichtingenanalyses en situationeel bewustzijn faciliteren aan de EU besluitvormende instanties. Deze beide entiteiten faciliteren inlichtingenanalyses op basis van inlichtingen die vrijwillig ter beschikking zijn gesteld door de inlichtingendiensten van de EU lidstaten. INTCEN en EUMS INT zijn afzonderlijk gestructureerd, maar werken samen onder het SIAC. Voor meer informatie zie: Impetus #28 | EEAS
Het beschermen van de nationale veiligheid is een taak van de lidstaten. Het delen van inlichtingen met SIAC gebeurt daarom op vrijwillige basis. Het delen van inlichtingen vindt plaats in het inlichtingendomein. De diensten maken daar een eigenstandige afweging in, binnen de daartoe vastgestelde (wettelijke) kaders. Het kabinet zal een eventueel voorstel van de Europese Commissie langs bovenstaande lijnen beoordelen.
Vindt u dat de Europese Commissie überhaupt een rol zou moeten hebben op het terrein van inlichtingen, en zo ja: waarom?
Zoals aangegeven in antwoord 4 is Nederland voorstander van het intensiveren van inlichtingensamenwerking op Europees niveau. Het SIAC geldt daarbij als de centrale toegangspoort voor strategische inlichtingenbijdragen voor de Europese Unie.
Deelt u de mening dat het delen van gevoelige informatie met een Brusselse structuur veiligheidsrisico’s oplevert, onder andere door verschillen in toezicht, databescherming en omgang met staatsgeheimen?
Het delen van inlichtingen vindt plaats in het inlichtingendomein. Onze diensten maken daar een eigenstandige afweging in, binnen de daartoe vastgestelde (wettelijke) kaders.
Hoe beoordeelt u de opmerking uit het artikel dat lidstaten «niet staan te springen» om hun inlichtingen te delen met de Commissie, mede vanwege wantrouwen over vertrouwelijkheid?
Dat is het oordeel van de auteur.
Is Nederland betrokken bij de voorbereidende gesprekken over deze Europese inlichtingendienst? Zo ja, welke inzet hanteert Nederland daar?
De details omtrent internationale samenwerking van de diensten zijn staatsgeheim, ik kan daar in het openbaar geen uitspraken over doen.
Kunt u garanderen dat Nederland geen bevoegdheden, inlichtingen of capaciteit zal afstaan aan een Europese inlichtingendienst?
Uit de berichtgeving blijkt geen sprake van een Europese inlichtingendienst. Er is op dit moment geen voorstel van de Europese Commissie gedeeld met de lidstaten voor een dergelijke inlichtingen unit. Een eventueel voorstel zal het kabinet beoordelen langs de lijnen geschetst in antwoord 4
Deelt u de mening dat versterking van nationale diensten en bilaterale samenwerking tussen lidstaten effectiever en veiliger is dan een gecentraliseerde Brusselse inlichtingendienst?
In het algemeen geldt dat de diensten grote waarde hechten aan de samenwerking met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De vertrouwensrelaties die de afgelopen jaren met partnerdiensten zijn opgebouwd, leiden ertoe dat inlichtingen steeds effectiever en doelmatiger onderling gedeeld kunnen worden. De diensten zullen waar mogelijk deze samenwerking intensiveren. Uit de berichtgeving blijkt geen sprake van een gecentraliseerde Brusselse inlichtingendienst. Er is op dit moment geen voorstel van de Europese Commissie gedeeld met de lidstaten voor een dergelijke inlichtingen unit. Een eventueel voorstel zal het kabinet beoordelen langs de lijnen geschetst in antwoord 4.
Bent u bereid in Europees verband actief bezwaar te maken tegen de oprichting van een Europees inlichtingenorgaan en dit ook publiekelijk uit te spreken?
Het kabinet waakt voor parallelle (quasi-)inlichtingenstructuren en draagt al geregeld in Europees verband uit dat SIAC voor het kabinet de enige toegangspoort voor strategische inlichtingenbijdragen voor de Europese Unie is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Europese ontwikkelingen rondom chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat er vandaag, op 12 november 2025, besproken wordt door de Law Enforcement Working Party inzake de regulering om online misbruik te voorkomen (CSAM-verordening)?1
Tijdens de Radenwerkgroep, de Law Enforcement Working Party (LEWP), van 12 november jl. is het meest recente voorstel inzake de EU-Verordening ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik (de CSAM-verordening) besproken.
Bent u bekend met de inhoud van het compromisvoorstel?2 Kunt u toelichten op welke punten deze wezenlijk anders is dan het meest recente Poolse voorstel, waarin expliciet stond dat chatcontrole nooit bevolen kan worden?
Ja, ik ben bekend met de inhoud van het compromisvoorstel. Het voorzitterschap doet hierin voorstel om het detectiebevel volledig te verwijderen uit de tekst. In plaats daarvan beoogt het voorstel vrijwillige detectie permanent mogelijk te maken door de afwijking van bepaalde bepalingen van de ePrivacyrichtlijn, zoals opgenomen in Verordening (EU) 2021/1232, permanent te maken. Dit zou betekenen dat de huidige praktijk – waarin het aan diensten zelf wordt gelaten of zij willen detecteren of niet (vrijwillige detectie) – wordt voortgezet en dat die mogelijkheid permanent wordt, in plaats van tijdelijk. Onder het Poolse voorzitterschap werd in januari jl. een vergelijkbaar voorstel gepresenteerd. Alhoewel het Poolse voorstel technisch anders was vorm gegeven, zagen beide voorstel op het schrappen van het verplichte detectiebevel en het permanent maken van vrijwillige detectie.
Op verzoek van Nederland is, vanwege het Nederlandse kabinetsstandpunt inzake verplichte detectie en de zorgen die Nederland daarbij heeft, aan het voorstel een extra overweging toegevoegd die onderstreept dat niets in deze verordening mag leiden tot of mag worden opgevat als het opleggen van detectieverplichtingen aan aanbieders.
Is in het nieuwe compromisvoorstel volledig uitgesloten dat chatcontrole in Europa wordt ingevoerd? Waaruit blijkt dat deze absolute garantie bestaat, zodat het compromisvoorstel nooit kan leiden tot het omzeilen van end-to-end encryptie?
Als met «chatcontrole» wordt gedoeld op verplichte detectie, dan is dit uitgesloten ten gevolge van het volledig verwijderen van detectie uit de scope van de CSAM-Verordening. Als met «chatcontrole» wordt gedoeld op de mogelijkheid tot scannen, dan blijft dit mogelijk als een bedrijf ervoor kiest om dit vrijwillig te doen als maatregel tegen de verspreiding van materiaal van seksueel kindermisbruik. Dat is een continuering van de huidige praktijk, waarin het aan diensten zelf wordt gelaten of zij willen detecteren of niet (vrijwillige detectie), en welke mogelijkheid door de CSAM-Verordening wordt voortgezet en permanent wordt, in plaats van tijdelijk. Met dit voorstel verandert voor gebruikers van diensten in de praktijk dus niets ten opzichte van nu: de mogelijkheid van vrijwillige detectie blijft bestaan, en bedrijven kunnen er nog steeds voor kiezen dit te doen. Aanbieders die vrijwillig detecteren, moeten de gebruikers op duidelijke, expliciete en begrijpelijke wijze inlichten over het feit dat de diensten dit doen.
Welke zekerheid kunt u bieden dat vrijwillige detectie van materiaal door techbedrijven nooit verplicht wordt? Vindt u het onwenselijk als dit wel het geval zou zijn?
Zoals eerder vermeld in vraag 2, is op verzoek van Nederland een aanvullende overweging opgenomen in de verordening die expliciet stelt dat niets in het voorstel mag worden opgevat als het opleggen van verplichte detectie. De wenselijkheid van deze extra waarborg is door de Juridische Dienst van de Raad bevestigd.
In het laatste voorstel van de verordening is wel een reviewclausule opgenomen waarin is opgenomen dat over 3 jaar zal worden gekeken naar de noodzaak en haalbaarheid van het opnemen van detectieverplichtingen in het toepassingsgebied van deze verordening. Hierbij zal ook worden gekeken naar de geschiktheid van de technologieën op dat moment voor het detecteren van materiaal met betrekking tot seksueel misbruik van kinderen en het benaderen van kinderen. Het kabinet heeft eerder erkend dat technologische ontwikkelingen voortdurend veranderen. Nieuwe technologieën of relevante inzichten kunnen aanleiding geven om bestaande standpunten te heroverwegen. Mocht dit het geval zijn, dan is het belangrijk om deze ontwikkelingen te onderzoeken en te toetsen.
Bij een reviewclausule in de EU-wetgeving moet, na evaluatie van de wet of het beleid, altijd nog een regulier wetgevingsproces worden doorlopen. Dit houdt in dat eventuele wijzigingen pas doorgevoerd kunnen worden nadat ze zijn goedgekeurd door zowel de Raad als het Europees Parlement. Nederland kan zich in dat proces opnieuw uitspreken over het standpunt. Bovendien staan het huidige kabinetsstandpunt en de aangenomen moties vanuit uw Kamer niet toe dat Nederland zich op dit moment positief opstelt tegenover enige vorm van verplichte detectie.
Bent u het met de indiener eens dat Nederland niet in kan stemmen met een compromisvoorstel, zolang chatcontrole niet 100% is uitgesloten conform de aangenomen motie-Kathmann c.s.3, zowel nu als in de toekomst?
Naar aanleiding van de in vraag benoemde motie, heeft het kabinet per Kamerbrief op 29 november 2024 gecommuniceerd dat het in lijn met die motie geen voorstellen zal ondersteunen die verplichte detectie in de privécommunicatie van alle burgers inhouden.4 Het meest recente compromisvoorstel betreft geen verplichte detectie meer, maar zet in op de voortzetting van de huidige Nederlandse (en internationale) praktijk, die is gebaseerd op vrijwillige detectie door diensten. De in vraag 3 toegelichte extra overweging in het voorstel waarborgt dat niets in deze verordening mag leiden tot of mag worden opgevat als het opleggen van detectieverplichtingen aan aanbieders. Toch zijn de zorgen van Nederland met betrekking tot de grondrechten en de digitale weerbaarheid onvoldoende weggenomen. Hierover is op 18 november jl. een brief aan uw Kamer verzonden.5
Wat is de inzet van Nederland in de besprekingen van het compromisvoorstel? Kunt u voorbereidende notities, waarin de overwegingen van het kabinet over dit voorstel worden beschreven, aan de Kamer doen toekomen?
In de Kamerbrief die het kabinet op 18 november jl. aan uw Kamer heeft toegezonden, licht het kabinet zijn positie ten aanzien van het meest recente voorstel toe. Met het permanent maken van de vrijwillige detectie verdwijnt de periodieke heroverweging van de balans tussen het doel van de detectie en privacy- en veiligheidsoverwegingen. Dat vindt het kabinet een groot risico. Het verwijderen van verplichte detectie is een grote stap geweest richting de positie van Nederland. Het kabinet is het voorzitterschap hiervoor erkentelijk. Helaas zijn niet alle zorgen van Nederland, zoals toegelicht in de hierboven genoemde brieven, weggenomen.
Dit resulteert erin dat Nederland zich zal onthouden. Tijdens de Coreper-vergadering van 26 november zal het voorstel als hamerstuk worden behandeld. Hiertoe heeft het Voorzitterschap besloten, omdat naar verwachting voldoende steun bestaat voor het voorstel (QMV). Hoewel het ongebruikelijk is om bij een hamerstuk een verklaring af te leggen, kiest Nederland er vanwege de aanhoudende zorgen toch voor om zich te onthouden en een verklaring in te brengen waarin deze zorgen worden uiteengezet.
De instructies (voorbereidende notities) maken deel uit van het diplomatieke verkeer. Om de Nederlandse onderhandelingspositie en de diplomatieke betrekkingen te beschermen kan ik deze niet met de Kamer delen.
Op welk niveau is de inzet van Nederland in deze bespreking bepaald? Kunt u duidelijk maken welke departementen en instanties inspraak hebben gehad over het nationale standpunt? Welke adviezen heeft u betrokken bij de standpuntbepaling?
Zoals hierboven in vraag 6 geschetst, is de Nederlandse inzet tijdens de besprekingen in lijn met het huidige kabinetsstandpunt, zoals opgenomen in de Kamerbrief van 18 november jl. De actief betrokken departementen bij dit voorstel zijn de ministeries van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken en Buitenlandse Zaken.
Heeft u, net als bij het Poolse voorstel in 2024, advies ingewonnen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) over de mogelijke veiligheidsgevolgen van het Deense compromisvoorstel? Zo ja, kunt u deze – indien noodzakelijk op hoofdlijnen – met spoed aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, kunt u dit alsnog doen voordat er een definitief standpunt wordt bepaald?
Er is advies ingewonnen en dat houdt op hoofdlijnen in dat bij vrijwillige detectie de AIVD de risico's voor de digitale weerbaarheid als zeer hoog inschat. Dit is in lijn met het voorstel onder Pools voorzitterschap.
Kunt u toezeggen dat u vasthoudt aan de duidelijke tegen-stelling die zij, op verzoek van een brede meerderheid in de Kamer, heeft ingenomen ten opzichte van de CSAM-verordening? Kunt u eveneens toezeggen dat u geen verdere stappen zal zetten op dit dossier totdat dit zowel in de ministerraad is besproken, als door de Tweede Kamer is bekrachtigd, gezien de demissionaire staat van het kabinet?
Nederland heeft in Brussel de bekende rode lijnen herhaald en duidelijk gemaakt dat Nederland onder geen beding kan instemmen met verplichte detectie, conform de kaders geschetst door uw Kamer.
Inzake het nieuwe voorstel zijn de betrokken Ministers gezamenlijk tot een standpuntbepaling gekomen. Uw Kamer is hierover inmiddels op 18 november jl. geïnformeerd. Nederland zal zich onthouden van stemming tijdens de Coreper-vergadering van 26 november. Aanstaande maandag vindt ook een commissiedebat plaats, waarin ik met uw Kamer verder hierover zal spreken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en op zeer korte termijn beantwoorden, en tot die tijd geen onomkeerbare stappen zetten of toezeggingen doen in het kader van de CSAM-verordening?
Ja.
De Amerikaanse overname van het Nederlandse cloudbedrijf Solvinity |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Onrust bij overheden over verkoop cloudbedrijf aan Amerikaanse IT-gigant»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Wat is uw reactie op de overname van het cloudbedrijf Solvinity door het Amerikaanse techbedrijf Kyndryl?
Het waarborgen van onze digitale autonomie is een belangrijke ambitie van het kabinet, zoals ook is beschreven in de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. Voor onze digitale autonomie is het van belang dat we een sterkere Nederlandse (en Europese) techsector opbouwen. Voor een klein handelsland als Nederland zijn een open economie en toegang tot internationale kapitaalmarkten hiervoor essentieel. Dat zorgt ervoor dat Nederlandse bedrijven internationaal innovatief en concurrerend kunnen zijn. Tegelijkertijd betekent dit dat bedrijven overgenomen kunnen worden door buitenlandse partijen. Waar investeringen in Nederlandse marktpartijen impact hebben op onze nationale veiligheid, hebben we instrumenten tot onze beschikking om die impact te toetsen en – indien noodzakelijk – ons hiertegen te beschermen, zoals de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT).
Was u vooraf op de hoogte van de overname van Solvinity? Zo ja, sinds wanneer wist u dat het bedrijf door een Amerikaanse onderneming zou worden overgenomen?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Heeft u voorafgaand aan de overname van Solvinity gepoogd om het bedrijf in Nederlandse handen te houden? Heeft Solvinity hierover gesprekken gehad met de Nederlandse overheid?
Het in Nederlandse handen houden van alle bedrijven is op zichzelf geen doel van het kabinet. Nederland hanteert een stelsel van investeringstoetsingen gericht op het mitigeren van risico’s voor de nationale veiligheid. Mocht de beoogde overname onder het bereik van de investeringstoetsing vallen zal het reguliere, zorgvuldige proces daartoe gevolgd worden.
Het management van Solvinity en het management van Kyndryl voeren, na de openbare aankondiging, met verschillende contracthouders gesprekken over de voorgenomen overname.
Welke diensten neemt de rijksoverheid momenteel van Solvinity af? In welke kritieke processen spelen de clouddiensten van Solvinity momenteel een aanzienlijke rol?
Bekend is dat Solvinity diensten levert aan meerdere departementen, waaronder BZK (Logius), JenV, SZW, VWS, Financiën. Momenteel wordt geïnventariseerd of er kritieke processen afhankelijk zijn van de dienstverlening door Solvinity. Door deze inventarisatie wordt inzicht in het totale risicobeeld verkregen. Op basis hiervan kunnen afwegingen gemaakt worden ten aanzien van het handelingsperspectief. De verwachting is dat de inventarisatie in de komende twee weken wordt afgerond.
Levert Solvinity momenteel diensten gebaseerd op Amerikaanse Platform-as-a-Service (PaaS) producten zoals Azure? Bestaat er in de huidige situatie al een mogelijk weglekken van overheidsinformatie naar Amerikaanse partijen? Kunt u onderbouwen dat dit (niet) het geval is?
Voor enkele departementen levert Solvinity toegang tot de genoemde PaaS diensten op Microsoft Azure. Bij gebruik van dit soort cloud diensten is er vrijwel altijd een risico dat data mogelijk wordt opgevraagd door Amerikaanse autoriteiten. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld in reactie op de Initiatiefnota «Wolken aan de horizon», is op basis van onderzoek vastgesteld dat de kans laag is dat gegevens van Europese burgers op basis van de CLOUD Act verstrekt zullen worden aan de Amerikaanse overheid3. De mogelijke overname van Solvinity door Kyndryl maakt geen verschil met betrekking tot dit risico.
Is voor de overheidsdiensten die nu geleverd worden door Solvinity een exitstrategie opgesteld? Zo ja, treedt deze in werking nu er een Amerikaanse overname dreigt? Zo nee, waarom is er geen exitstrategie opgesteld / treedt deze niet in werking?
Het rijksbreed cloudbeleid vereist dat er een exitstrategie opgesteld wordt bij het gebruik van clouddiensten. Organisaties stellen risicoanalyses op ten aanzien van de afgenomen dienstverlening, hierin worden onder meer de gevoeligheid van de data en de toepassing meegenomen.
Logius heeft eisen gesteld aan de retransitie4 en een retransitieplan opgesteld dat gevolgd moeten worden als het contract met Solvinity wordt beëindigd. Dit ziet niet specifiek op overnames. Verder heeft Logius, in lijn met de NDS, begin 2025 een nieuwe visie voor infrastructuur opgesteld. Daarbij heeft Logius de voorkeur uitgesproken om haar infrastructuurdienstverlening af te nemen bij een andere overheidsorganisatie en in uiterste geval – indien de Overheidscloud niet tijdig beschikbaar is – het beheer van de dienstverlening die door Solvinity wordt geleverd opnieuw Europees aan te besteden.
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Welke gevolgen heeft de overname van Solvinity door een Amerikaans bedrijf voor de vertrouwelijkheid en veiligheid van overheidsinformatie die bij dit bedrijf worden ondergebracht, en het bedrijf vermoedelijk onder Amerikaanse wetgeving zoals de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA)2 en Executive Order 12333 komt te vallen?
Er zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen.
De drie genoemde wettelijke instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
Vindt u het acceptabel dat, met de Amerikaanse overname van Solvinity, nog meer overheids-ict onder Amerikaanse surveillancewetgeving komt te vallen?
Door toenemende digitalisering en oplopende geopolitieke spanningen moeten we alert zijn op de weerbaarheid van overheidsorganisaties. In dit kader is het bovendien belangrijk om het bredere belang van digitale autonomie te benadrukken. Overheidsorganisaties zijn sterk afhankelijk van digitale infrastructuur en technologieën, die vaak buiten Europa worden ontwikkeld of beheerd. Het versterken van digitale autonomie vergt daarom een Europese aanpak.
Geeft de recente Amerikaanse overname van Zivver en Solvinity aanleiding om meer kerntaken van de digitale overheid, zoals het beheren van burgerinformatie, in publiek beheer te brengen?
De Rijksoverheid streeft naar vermindering van de afhankelijkheid van techgiganten, binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt verkend hoe een soevereine overheidscloud eruit kan zien. Een voorbeeld hiervan is de casus omtrent de migratie van SSC-ICT, waar documenten en mail in de eigen datacenters zijn blijven staan.
Bent u bereid om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat kritieke processen, zoals Logius, DigiD en de dienstverlening aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder Amerikaanse surveillancewetgeving gaan vallen?
Ik ben bereid passende maatregelen te treffen op basis van een zorgvuldige risico-gebaseerde aanpak. Zodra de kritieke processen geduid worden als een «te beschermen belang» is aanvullende regelgeving van kracht.
Is in de lopende contracten met Solvinity een ontbindende voorwaarde opgenomen in het geval het bedrijf wordt overgenomen door een bedrijf dat onder niet-Europese surveillancewetgeving valt?
Op dit moment worden verschillende contracten beoordeeld door de Landsadvocaat.
Zijn er andere mogelijkheden om de contracten met Solvinity te ontbinden, als inderdaad blijkt dat door de Amerikaanse overname de vertrouwelijkheid en veiligheid van kritieke overheidsinformatie in het geding komt?
Indien de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2022 (ARBIT-2022)6 van toepassing verklaard is op de overeenkomst is er een ontbindingsgrond als er sprake is van een ingrijpende wijziging in de zeggenschap (wat het geval kan zijn bij fusies en overnames) met betrekking tot de onderneming van de wederpartij/opdrachtnemer. Door de landsadvocaat wordt momenteel onderzocht in hoeverre dit het geval is.
Indien door de overname de nakoming van de verwerkersovereenkomst en de naleving van de AVG wordt bemoeilijkt of zelfs onmogelijk wordt, kan dit een grond vormen om de dienstverleningsovereenkomst respectievelijk de verwerkersovereenkomst te ontbinden.
Dit laat overigens onverlet de mogelijkheid om in een concreet geval een overeenkomst op basis van de Algemene Rijksvoorwaarden op te kunnen zeggen.
Indien de overname door een niet-Europese partij geen ontbindende voorwaarde is, bent u dan bereid om dit voortaan altijd als voorwaarde op te nemen in contracten met Europese cloudleveranciers?
Een bepaling in het contract opnemen m.b.t. «change of control» door een niet-Europese partij is een aanvullende optie en moet worden onderzocht. Per aanbesteding wordt bekeken of dit proportioneel is, gelet op de inhoud van de opdracht.
In de Verzamelbrief Aanbesteden7 is aangegeven dat de voorkeur ligt bij de gerichte inzet van kwalitatieve eisen om de vraag naar producten van EU-bedrijven te bevorderen in strategische sectoren. Doelstelling in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is het zorgen voor een overheidsbrede samenwerking waarmee mogelijkheden ontstaan om (soevereine) overheids ICT diensten overheidsbreed te kunnen gebruiken en elkaar te helpen bij de implementatie hiervan. Hiervoor is een visie in ontwikkeling.
Daarnaast moet ermee rekening gehouden worden dat het afbouwen van de huidige ongewenste afhankelijkheden een traject is dat de nodige tijd in beslag zal nemen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en met spoed beantwoorden?
Ja. Op 11 december jl. heb ik uw Kamer bericht over de uitstel van de beantwoording.
Het voorstel van Eurocommissaris Brunner voor het verspreiden van asielzoekers over Europa |
|
Diederik Boomsma (CDA), Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u het voorstel van Eurocommissaris Brunner ontvangen voor de herverdeling van asielzoekers in het kader van de implementatie van dat deel van het Asiel- en Migratiepact?
Ja
Kunt u deze cijfers en het voorstel voor van de Europese Commissie (desnoods geheim) delen met de leden van de Tweede Kamer?
Het stuk is op 26 november aan uw Kamer aangeboden ter vertrouwelijk inzage.
Kunt u tevens aangeven wat de inzet is van het kabinet ten aanzien van dit voorstel en dat op zo kort mogelijke termijn delen?
Uw Kamer heeft de appreciatie van het kabinet en de inzet ten aanzien van het voorstel ontvangen in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ Raad van 7-8 december.
Klopt het dat Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië en Oostenrijk een korting of volledige vrijstelling krijgen, vanwege grote opvangproblemen, zoals de Telegraaf meldt?1
De Commissie heeft vastgesteld dat er sprake is van een significante migratiesituatie in Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië, Oostenrijk en Polen. Deze lidstaten kunnen conform de AMMR bij de Europese Commissie een verzoek doen voor (gehele of gedeeltelijke) vermindering van hun solidariteitsbijdrage, waarover vervolgens de Raad een besluit neemt.
Komt Nederland in aanmerking voor een korting dan wel volledige vrijstelling, en zo nee, waarom niet, gezien de grote opvangproblemen die ook ons land kent? Op grond van welke criteria en argumenten is dit bepaald – en op welke manier is het kabinet in staat geweest daar invloed op uit te oefenen?
Nederland is aangemerkt als een lidstaat waar sprake is van een risico op migratiedruk. Hiermee krijgt Nederland voorrang in de toegang tot de EU Migration Support Toolbox, waar onder andere aanspraak kan worden gemaakt op technische, operationele vanuit de Europese agentschappen en financiële steun.
Voorts heeft Nederland samen met andere lidstaten aandacht gevraagd voor de impact van secundaire migratie. De Commissie heeft daarop in het besluit tevens de mogelijkheid opgenomen om Dublinzaken die niet konden worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat mee te laten tellen voor de solidariteitsbijdrage als daar bilateraal toe wordt overeengekomen.
Welke gegevens heeft het kabinet verstrekt aan de Europese Commissie op basis waarvan die het besluit heeft genomen om ons land wel of geen korting of vrijstelling te geven?
De Commissie beoordeelt of er sprake is van migratiedruk, een risico van migratiedruk of een significante migratiesituatie aan de hand van de informatie zoals opgenomen in artikel 9 in de AMMR. Daarbij maakt de Commissie gebruik van de cijfermatige gegevens die reeds door de lidstaten met het Europees statistiekbureau Eurostat en de agentschappen worden gedeeld. De lidstaten hebben geen aanvullende cijfermatige gegevens hoeven verschaffen.
Kunt u aangeven hoe u de aangenomen motie van het lid Eerdmans (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2062) heeft uitgevoerd?
Zoals aangegeven in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ raad van 7-8 december zal het kabinet solidariteit in de vorm van een financiële bijdrage toezeggen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat op 27 november 2025 over de JBZ-raad op 8 en 9 december 2025 en de gevraagde gegevens zo snel mogelijk ter inzake leggen (indien nodig geheim) zodat de leden van de commissie daar kennis van kunnen nemen voorafgaand aan het commissiedebat?
Ja.
Een op te richten Europese “intelligence unit” |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Kent u het bericht «EU to set up new intelligence unit under Ursula von der Leyen»?1
Ja.
Bent u betrokken bij de plannen om een nieuwe «intelligence unit» op te zetten? Zo ja, wat is uw betrokkenheid of de betrokkenheid van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Is het plan voor de nieuwe intelligence unit gedeeld met de lidstaten van de Europese Unie? Zo ja, wat was de inhoud van de informatie over dat plan? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze moet de nieuwe unit gegevens van de AIVD of MIVD gaan verzamelen en gebruiken?
Past het gebruik van die gegevens binnen de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van deze Nederlandse diensten, inclusief het toezicht daarop? Zo ja, welke juridische grondslag betreft dat? Zo nee, waarom niet?
Gaat Nederland medewerkers van de AIVD of MIVD bij de nieuwe unit detacheren? Zo ja, hoeveel medewerkers betreft dat naar verwachting? Wat is de juridische status waaronder die medewerkers bij de unit gaan werken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het al dan niet beschikbaar stellen van informatie die door de nationale inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt vergaard aan die lidstaten zelf overgelaten moet blijven worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tijdig op de hoogte brengen en blijven houden over de voortgang van de plannen over de nieuw op te richten intelligence unit?
Ja, indien er een voorstel van de Europese Commissie gepubliceerd wordt, zal ik uw Kamer zoals gebruikelijk hierover informeren middels een kabinetsreactie.
De nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «José werd vermoord in India, verdachte loopt nog altijd vrij rond»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, ook al mag u niet interveniëren in een in India lopende rechtszaak, u via diplomatieke kanalen wel bij de desbetreffende Indiase autoriteiten kunt informeren over de stand van zaken betreffende de genoemde rechtszaak en het verdere verloop daarvan? Zo ja, kunt u dan de nabestaanden en de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden heeft u wel om slachtoffers of nabestaanden van slachtoffers van misdrijven in het buitenland te informeren over de voortgang van opsporing, vervolging en berechting?
Over individuele consulaire zaken doet het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen mededelingen omwille van de privacy van betrokkenen. In algemene zin kan worden gesteld dat het ministerie nabestaanden en slachtoffers van misdrijven in het buitenland desgevraagd consulair ondersteunt. Hier is maatwerk op zijn plaats. Het ministerie kan betrokkenen steunen bij het vinden van een lokale advocaat die hen de benodigde juridische bijstand kan verlenen. Zowel de advocaat als de lokale autoriteiten, zoals de politie en het Openbaar Ministerie, beschikken over informatie om nabestaanden op de hoogte te houden van het verloop van een eventueel opsporingsonderzoek of een strafzaak. In voorkomende gevallen kan een Nederlandse post in contact treden met de advocaat van betrokkenen indien de advocaat hierom verzoekt.
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Van Nispen (SP) over de nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India. Deze vragen werden ingezonden op 27 mei 2025 met kenmerk 2025Z08898 en zijn beantwoord op 2 juni 2025.
Kunt u zich voorstellen dat de nabestaanden van de in India vermoorde vrouw op een gerechtelijke uitspraak wachten en het niet acceptabel vinden dat die uitspraak er steeds maar niet komt? Zo ja, waarom en kunt u dan de nabestaanden uitnodigen voor een gesprek om hen rechtstreeks inzicht te geven in wat Nederland wel en niet kan doen om deze zaak te laten bespoedigen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat de langdurige onzekerheid voor nabestaanden erg belastend is. Nabestaanden van slachtoffers van misdrijven in het buitenland kunnen zich wenden tot het ministerie voor consulaire bijstand. Zij krijgen dan een casemanager toegewezen die met hen contact onderhoudt. In sommige gevallen, bijvoorbeeld op verzoek van de familie, worden de nabestaanden uitgenodigd voor een gesprek op het ministerie.
Acht u het mogelijk dat als er gedurende lange tijd geen zicht is op een einde van een rechtszaak tegen een Nederlandse verdachte van een in het buitenland gepleegd ernstig strafbaar feit tegen een Nederlands slachtoffer, dat aanleiding kan zijn om een verzoek tot uitlevering te doen? Zo ja, waarom en op welk moment en op grond van welke criteria kunt u een verzoek tot uitlevering doen? Zo nee, waarom niet en betekent dat dan dat zolang die rechtszaak in het buitenland ook loopt, u ongeacht de duur daarvan geen uitleveringsverzoek zult doen?
Over individuele strafzaken en het contact daarover met buitenlandse autoriteiten, kan ik geen mededelingen doen. In algemene zin kan ik opmerken dat het land waar een feit gepleegd is primair rechtsmacht heeft. Om tot een uitleveringsverzoek te kunnen overgaan, dient Nederland (ook) rechtsmacht te hebben over de feiten. Nederland kan rechtsmacht hebben indien een verdachte of slachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezit en er nog geen vervolging voor het feit heeft plaatsgevonden. Of uitlevering vervolgens daadwerkelijk mogelijk is, hangt altijd af van de exacte feiten, omstandigheden, de juridische basis en nationale regelgeving, procedures en de inzet van een verzoekend land en een aangezocht land. Ook kan meespelen dat een land reeds zelf vervolging heeft ingesteld voor de feiten die onderwerp zijn van het uitleveringsverzoek.
Kan op grond van de Paspoortwet het paspoort van een Nederlander die in het buitenland verdacht wordt van een ernstig strafbaar feit, ingehouden worden of vervallen worden verklaard? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en op grond van welke criteria? Zo nee, waarom niet?
De Paspoortwet en de bijbehorende uitvoeringsregels kennen mogelijkheden om een reisdocument in te houden of vervallen te verklaren. Op grond van artikel 23a van de Paspoortwet kan een paspoort worden geweigerd of ingetrokken indien een bevriende mogendheid het Koninkrijk hierover in kennis stelt dat er het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon zich in dat land zal onttrekken aan een tegen hem ingestelde strafvervolging of tenuitvoerlegging van een hem opgelegde straf of maatregel in verband met gedragingen die naar het recht van een van de landen binnen het Koninkrijk een misdrijf opleveren waarvoor een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd. De exacte toepassing van die maatregel is casus gebonden en cijfers hierover worden niet publiek gemaakt.
Kan het Openbaar Ministerie op die grond bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een verzoek doen om een dergelijke verdachte persoon op te nemen in het Register Paspoortsignaleringen? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie kan bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken een verzoek doen om een persoon op te nemen in het Register Paspoortsignaleringen als er juridische en feitelijke gronden zijn die dat dragen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties neemt een besluit op dat verzoek binnen de wettelijke kaders. Indien uit het besluit volgt dat een persoon wordt opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen, worden aanvragen voor paspoorten geweigerd en kan een bestaand document ongeldig worden verklaard.
Moorden op en ontvoeringen van leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk in de Ethiopische regio Arsi |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van aanvallen gericht tegen leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk, waar in de Addis Standard melding van wordt gemaakt?1
Ja.
Welke informatie heeft u over de moorden die in oktober in Arsi gepleegd zijn?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft bevestigt de vermoedelijk religieuze dimensie van deze aanvallen. Naast religie spelen echter mogelijk ook andere dimensies een rol, waaronder etniciteit, historische binnenlandse spanningen tussen bevolkingsgroepen en een actueel conflict tussen de federale overheid en lokale en regionale milities en rebellengroepen. De aanslagen zijn niet opgeëist en het is vooralsnog niet mogelijk gebleken te achterhalen wie de daders waren en wat hun motief was.
Klopt het volgens uw informatie dat er sinds 2021 al 190 orthodoxe gelovigen in dit gebied zijn vermoord?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft, bevestigt dat er in de afgelopen jaren vele orthodox gelovigen slachtoffer zijn geworden van geweld. Over het precieze aantal heeft het kabinet geen informatie.
Bent u bekend met de moordpartij uit augustus 2024, die ook in de Addis Standard wordt genoemd, waarbij onder de doden ook een priester was?
Ja.
Wat is volgens de informatie over de situatie in Ethiopië waarover u beschikt de reden dat specifiek leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk doelwit zijn geworden van geweld in deze regio?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het kabinet erkent daarnaast de religieuze dimensie in het geweld van de recente aanvallen, waarbij leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk slachtoffer waren. Historisch gezien verschillen de slachtoffers van aanvallen per gebied binnen de Oromia regio, en is het motief niet altijd duidelijk. Het kabinet veroordeelt met klem doelbewuste aanvallen op minderheden, waaronder Ethiopisch orthodoxe christenen.
Hoe duidt u de informatie die de aanval uit augustus 2024 aan het Oromo Liberation Army (OLA) toeschrijft?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft over deze aanval is niet eenduidig. In de praktijk is de Oromo Liberation Army (OLA) geen homogene, centraal-gestuurde groepering. OLA opereert gefragmenteerd en vanuit uiteenlopende motieven. In de regio zijn ook andere gewapende groeperingen actief. Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren.
Hoe duidt u de berichtgeving van de Addis Standard waarin het OLA juist de regering ervan beschuldigt verantwoordelijk te zijn voor de moorden die in oktober gepleegd zijn?2 Wie is er volgens de informatie waar u over beschikt verantwoordelijk voor de moorden op de orthodoxe gelovigen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van Dr. Caleb Ta, gepubliceerd op de website Borkena, dat het gaat om doelgerichte, geplande aanvallen en dat lokale autoriteiten deze aanvallen stilzwijgend goedkeuren of zelfs coördineren? Zo nee, waarom niet?3
Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren. Vrij snel na de aanvallen van eind oktober en begin november werd door diverse nationale actoren in Ethiopië, inclusief door de Ethiopische mensenrechtencommissie en de Ethiopisch Orthodoxe kerk, opgeroepen tot een onafhankelijk en openbaar onderzoek. De Ethiopische regering heeft hierop gereageerd door de Interreligieuze Raad, bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende religieuze denominaties, te verzoeken een onderzoek naar de aanvallen in te stellen.
Bent u bereid de Ethiopische regering ertoe op te roepen orthodoxe gemeenschappen in deze regio te beschermen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Nederland volgt de situatie in Ethiopië nauwlettend. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een vaste prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid, en zorgen over de positie van kwetsbare groepen worden consequent geagendeerd waar dat relevant en nodig is. Zo roept het kabinet in gesprekken met vertegenwoordigers van de overheid de Ethiopische regering consequent op om de eigen burgers beter te beschermen tegen geweld. Ook in EU- en VN-verband roept Nederland op tot bescherming van eigen burgers en met name kwetsbare groepen.