Het artikel ‘Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de Koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel»?1
Ja.
Op welke wijze trekt u in deze casus samen op met andere bondgenoten die mogelijk eveneens gevolgen ondervinden van het Amerikaanse wetsvoorstel MATCH Act (Multilateral Alignment of Technology Controls on Hardware)?
Hoe beoordeelt u inhoud en reikwijdte van de voorgestelde MATCH Act in het licht van bestaande bilaterale en multilaterale afspraken over exportcontrole en economische samenwerking met de Verenigde Staten?
Hoe duidt u de mogelijke extraterritoriale werking van deze Amerikaanse wet, waarbij van bondgenoten wordt verlangd hun exportbeleid aan te passen, en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse en Europese beleidsautonomie?
Welke gevolgen kunnen ontstaan indien de MATCH Act wordt aangenomen en bondgenoten niet overgaan tot aanscherping van hun eigen exportwetgeving?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die van de MATCH Act uitgaat. Dit druist in tegen het uitgangspunt dat Nederland haar eigen exportcontrolebeleid vormgeeft. Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten. Dit zal ook in komende bezoeken aan de VS worden toegelicht.
In hoeverre acht u het risico reëel dat een serviceverbod kan leiden tot juridische claims wegens contractbreuk tegen ASML of Nederlandse toeleveranciers?
Kunt u aangeven of bestaande Nederlandse of Europese instrumenten bedrijven kunnen beschermen tegen eventuele extraterritoriale toepassing van Amerikaanse wetgeving?
In algemene zin zetten derde landen steeds meer unilaterale en extraterritoriale instrumenten in. Zowel Nederland als de EU zijn geen voorstander van dergelijke maatregelen. Europese wetgeving kent verschillende mitigatiemogelijkheden voor extraterritoriale bepalingen van andere landen.
Specifiek in relatie tot de MATCH Act hecht het kabinet eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen. Het kabinet gaat niet speculeren over de inzet van welk instrument dan ook in relatie tot de Act.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de conceptwettekst nadrukkelijk in de VS onder de aandacht brengen op alle niveaus.
Hoe voorkomt u dat legitieme veiligheidszorgen rond China in de praktijk leiden tot onevenredige economische nadelen voor Europese bedrijven?
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik. Overleg in multilaterale exportcontroleregimes draagt bij aan een breed gedeeld gelijkwaardig toetsingskader en aan een gelijk speelveld voor bedrijven. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Welke Chinese tegenmaatregelen acht u realistisch indien de MATCH Act in de huidige vorm wordt aangenomen, en welke gevolgen zouden dergelijke maatregelen kunnen hebben voor Nederlandse bedrijven in de halfgeleidersector?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin geldt dat de halfgeleidersector zeer complexe internationale waardeketens kent die gevoelig zijn voor verstoringen.
Kunt u de Kamer informeren over de gevolgen van een mogelijke Chinese «Malicious Entity List» voor Nederlandse bedrijven?2
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin richt het Countering foreign states» unlawful extraterritorial jurisdiction measuredecreet, dat is uitgevaardigd door de Chinese overheid, zich op extraterritoriale maatregelen van landen die volgens de Chinese overheid in strijd zijn met het internationale recht en basisnormen van internationale relaties die volgens China de soevereiniteit, veiligheid en ontwikkeling en de legitieme rechten en belangen van Chinese burgers en organisaties raken.
Dit decreet biedt China de mogelijkheid om tegenmaatregelen te treffen tegen extraterritoriale wetgeving. Die tegenmaatregelen kunnen op haar plaats ook weer extraterritoriaal zijn. Hierbij is onder andere aangekondigd dat China een entiteitenlijst opstelt van buitenlandse organisaties en individuen die meewerken aan de implementatie van buitenlandse extraterritoriale wetgeving.
Aanhoudende zorgen over buitenproportionele eisen voor de vrijwillige scheepsvaart. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rondvaartbedrijf Amersfoortse grachten wil uitzondering op Europees schippersdiploma»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe reflecteert u op signalen dat vrijwilligers bij vele organisaties en stichtingen vrezen dat zij hun activiteiten in de toekomst niet kunnen voortzetten vanwege de aangescherpte kwalificatie-eisen? Kunt u aangeven van welke organisaties zorgen hierover bij u bekend zijn?
Vanuit het ministerie en het CBR is op verschillende momenten contact geweest met bedrijven, organisaties en stichtingen in de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Zo zijn bezoeken afgelegd in Zutphen, Leiden, Giethoorn, de Keukenhof, Kinderdijk, Bunnik en Leeuwarden. Daarbij zijn de zorgen die bij organisaties en stichtingen leven duidelijk geworden. Bij de opstelling van de eisen aan het certificaat is daarom zoveel mogelijk rekening gehouden met deze zorgen, door de aan het nieuwe kwalificatiecertificaat gestelde eisen op de kenmerken van deze sector af te stemmen. Een van de geuite zorgen was bijvoorbeeld, dat de vaak oudere vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. Mede daarom ligt het accent voor het behalen van het certificaat op het aantonen van voldoende praktijkkennis. Ook is getracht de kosten zo laag mogelijk te houden en is er een overgangsregeling voor bestaande schippers, die kunnen aantonen over voldoende ervaring te beschikken.
Kunt u reflecteren op de kosten die gepaard gaan met de aangescherpte kwalificatie-eisen, specifiek de scholingskosten en de tweejaarlijkse medische keuring? Acht u die draagbaar en redelijk voor dergelijke, van vrijwilligers afhankelijke, organisaties?
De totale kosten voor het behalen van het certificaat bij het CBR liggen rond de € 450,–. Met het CBR kan worden afgesproken dat er meerdere personen op dezelfde dag het praktijkexamen doen, wat voordeliger kan zijn.
Voor wat betreft het opleidingsplan is het voor organisaties, bedrijven en instellingen mogelijk om zelf een opleidingsplan in te dienen en te laten goedkeuren bij het CBR. De jaarlijkse kosten hiervoor liggen op gemiddeld € 175,–. Wanneer het bedrijf of de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen de kosten voor het behalen van het certificaat ongeveer € 300,– per kandidaat hoger. Daarbij komen de kosten voor een medische keuring. Het maximale tarief voor een medische keuring in de binnenvaart is vastgesteld in de Regeling tarieven transportsectoren en is op dit moment € 175,–. In de praktijk worden deze keuringen aangeboden vanaf € 80,–. De tweejaarlijkse keuring is verplicht vanaf 70 jaar. De kosten liggen dus aanzienlijk lager dan gesteld in genoemd artikel.2
Met het ontwikkelde kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is volgens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een goede en redelijke balans gevonden tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en een voldoende garantie van de veiligheid voor de passagiers, die aan boord stappen.
Kunt u toelichten waarom bij de vrijstellingsmogelijkheid voor open rondvaartboten, die met lage snelheden varen in beperkte en afgesloten vaargebieden, is gekozen voor een certificaat met verzwaarde kwalificatie-eisen, in plaats van een daadwerkelijke vrijstelling waarin voor deze groep vastgehouden wordt aan de bestaande situatie met het klein vaarbewijs? Kunt u hierbij ook reflecteren op de situatie in Amersfoort waar sprake is van een beperkt en afgesloten vaargebied met ondiepe wateren, waar met lage snelheid wordt gevaren en geen ander gemotoriseerd vaarverkeer en geen verkeerstekens aanwezig zijn en de bestuurders over praktijkervaring beschikken?
Ook een vaargebied als in Amersfoort valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn. De Richtlijn stelt de eis dat, wanneer er een vrijstelling verleend wordt en er een ander certificaat wordt afgegeven, dit certificaat een afdoende veiligheidsniveau moet bieden. Het Klein Vaarbewijs, dat te behalen is met het uitsluitend afleggen van een theoretisch examen, biedt voor het bedrijfsmatig vervoeren van meer dan 12 personen dit vereiste veiligheidsniveau niet. Daarom is voor deze schippers gebruik gemaakt van genoemde vrijstellingsmogelijkheid, door het ontwikkelen van het speciaal op deze sector afgestemde certificaat. Bij dit certificaat ligt de nadruk op het kennen van de veiligheidsvoorschriften en of de schipper in het eigen vaargebied het schip onder controle heeft. Daarnaast wordt getoetst of een schipper juist weet te handelen als bijvoorbeeld een passagier overboord slaat. Ook in een vaargebied als in Amersfoort, waar beperkt ander vaarverkeer is, is het van belang dat de schipper kan aantonen over deze vaardigheden te beschikken. Het praktijkexamen, dat onder toezicht van het CBR dient te worden afgelegd, mag plaatsvinden in het eigen vaargebied. Met het ontwikkelen van dit certificaat is dus al zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt.
Kunt u toelichten hoe u het begrip afdoende veiligheidsniveau bij de implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/2397 (hierna: de Richtlijn) heeft geïnterpreteerd?
Voor het voldoen aan de eis van een afdoende veiligheidsniveau is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector, waarin ook veel vrijwilligers werken, gevraagd kan worden en het belang van de passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft dit ook in verschillende rapporten naar aanleiding van ongevallen met passagiersvaart benoemd. Met het ontwikkelde certificaat wordt dit afdoende veiligheidsniveau bereikt.
Kunt u bevestigen dat de Richtlijn niet voorschrijft dat uitsluitend een praktijkexamen kan bijdragen aan een afdoende veiligheidsniveau, maar ruimte laat voor andere vormen van veiligheidsborging? Hoe is deze ruimte door Nederland geïnterpreteerd?
In de Richtlijn is zeer gericht voor het behalen van het Kwalificatiecertificaat schipper een verplicht praktijkexamen geïntroduceerd. De bijdrage van dit praktijkexamen aan het bereiken van een afdoende veiligheidsniveau wordt hier als essentieel beschouwd. De Richtlijn schrijft bij een vervangend certificaat inderdaad niet voor, dat er een praktijkexamen dient plaats te vinden. Echter, ook bij het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten acht het ministerie het vooral van belang dat er in de praktijk wordt getoetst of het vereiste veiligheidsniveau door de schipper bereikt is. Daarnaast is er door verschillende organisaties op gewezen, dat de meeste vrijwilligers in deze sector niet terug willen naar de schoolbanken. De voor bestaande schippers opgenomen overgangsregeling, waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden om op basis van aantoonbare ervaring direct het door het CBR af te nemen praktijkexamen te doen, komt hier maximaal aan tegemoet. Deze schippers hoeven dan geen opleidingstraject te doorlopen.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de implementatie van de Richtlijn rekening is gehouden met het proportionaliteitsbeginsel, mede gelet op het feit dat de aangescherpte kwalificatie-eisen met name negatieve gevolgen hebben voor vrijwilligers en kleine stichtingen?
Bij de implementatie van de Richtlijn voor deze sector is gezocht naar een balans tussen wat van deze sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd is. Het gaat bij deze passagiers bijvoorbeeld ook om kwetsbare groepen zoals kinderen of ouderen. Hiertoe is gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt en zoveel mogelijk rekening gehouden met de kenmerken van de sector. Met het nieuwe certificaat blijven de lasten voor de sector zoveel als mogelijk beperkt, terwijl toch een afdoende veiligheidsniveau voor de passagiers bereikt wordt.
Bent u het ermee eens dat artikel 7 van de Richtlijn ruimte laat voor een functionele beoordeling van veiligheid, waarbij niet uitsluitend gekeken hoeft te worden naar de inhoud of zwaarte van een diploma, maar ook naar de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart?
Artikel 7 biedt de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen en dan een certificaat af te geven dat een afdoende veiligheidsniveau dient te bieden. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aard van de exploitatie en de feitelijke risico’s van de vaart. Bij de ontwikkeling van het kwalificatiecertificaat voor open rondvaartboten is dat dan ook gedaan. Zo is de gevraagde theoretische kennis tot een minimum beperkt, is zoveel mogelijk vrijheid gegeven aan organisaties om zelf hun opleiding te ontwikkelen en mogen de praktijkexamens, waarvan alleen de laatste onder toezicht van het CBR hoeft plaats te vinden, in het eigen vaargebied worden afgenomen.
Kunt u toelichten waarom Nederland ervoor gekozen heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 van de Richtlijn beperkt toe te passen, terwijl deze bepaling juist bedoeld lijkt om maatwerk mogelijk te maken voor minder complexe of lokaal begrensde vormen van binnenvaart?
Het ministerie heeft de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 7 zo ruim als mogelijk toegepast en er is juist zoveel mogelijk maatwerk geboden voor deze sector. Daarbij is gezocht naar een redelijke en goede balans tussen van wat van deze gevarieerde sector gevraagd kan worden en het belang van passagiers, die er op moeten kunnen rekenen dat hun veiligheid voldoende gewaarborgd wordt.
Klopt de constatering dat u, gezien de beantwoording van eerdere Kamervragen op dit onderwerp, geen ruimte ziet om tegemoet te komen aan de in de artikelen geschetste zorgen van onder andere de traditionele scheepsvaartsector – zoals de Berkelse en de Enterse Zompen – en de vrijwillige rondvaartsector?2, 3
Uit het artikel in Schuttevaer en ook uit andere artikelen is mij gebleken, dat er in deze sector het misverstand lijkt te blijven bestaan, dat aan alle eisen van de Richtlijn dient te worden voldaan en er geen gebruik is gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid, die de Richtlijn biedt. Zo wordt in genoemd artikel gesteld dat er een Europees MBO-3 diploma behaald zou moeten worden en worden de kosten te hoog ingeschat. Ook wordt gesteld dat alle vrijwilligers omgeschoold zouden moeten worden. Zoals hiervoor aangegeven hoeven bestaande vrijwilligers geen opleiding te volgen, maar kunnen zij tijdens een overgangsperiode na het aantonen van voldoende vaarervaring direct het praktijkexamen bij het CBR afleggen.
Niet alle zorgen, die nog in de sector leven, lijken terecht te zijn. En voor zover mogelijk, is aan de zorgen van de sector al tegemoet gekomen binnen de grenzen die een veilig vervoer van passagiers vereisen.
Bent u bereid, met inachtneming van de bovengenoemde zorgen, in overleg met de Commissie te treden over de Nederlandse implementatie van de Richtlijn?
Naar mijn mening biedt de Richtlijn voldoende ruimte om een juiste balans te vinden tussen de kenmerken van deze sector en het belang van passagiers, dat een voldoende veiligheidsniveau gegarandeerd wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding om met de Europese Commissie in overleg te treden.
Bent u bereid, indien uit overleg met de Commissie blijkt dat een ruimere interpretatie van de Richtlijn mogelijk is, met een nieuw voorstel voor de implementatie van de kwalificatie-eisen te komen?
Ik ben ervan overtuigd met het nieuwe certificaat voor open rondvaartboten een goede balans te hebben gevonden tussen het belang van deze sector en het belang van passagiers dat een voldoende veiligheidsniveau geboden wordt. Ik zie dan ook geen aanleiding de nu al zo veel als mogelijk op deze sector aangepaste eisen aan te passen.
Het bericht 'Gaza-flotilla: vloot weer tegengehouden door Israël, nu ter hoogte van Cyprus' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Sumud Flotilla opnieuw is onderschept door Israël?1
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden
Klopt het dat onder de bemanning van de Flotilla zich zes Nederlanders bevinden?
Het kabinet is ermee bekend dat zich zes Nederlanders onder de opvarenden van de Flotilla bevonden.
Klopt het dat Europese burgers, waaronder Nederlanders, gevangen zijn genomen zonder aanleiding of aanklacht?
Het klopt dat Europese burgers, waaronder Nederlanders, zijn aangehouden door de Israëlische autoriteiten. Het kabinet heeft van de Israëlische autoriteiten geen informatie over een aanklacht jegens de Nederlandse Flotilladeelnemers ontvangen.
Kunt u onderschrijven dat Europees eigendom wordt vernietigd door een bondgenoot?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de vermeende vernietiging van Europees eigendom rondom de onderschepping van de Flotilla.
Kunt u inzage krijgen in de precieze gebeurtenissen rondom de onderschepping van 18 mei? Mocht u daar geen feitenrelaas over hebben, bent u bereid deze op te vragen bij onze Israëlische bondgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een juridische onderbouwing van de onderschepping. Deze is tot dusverre niet ontvangen. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet verder de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden.
Wat is uw reactie op dat de Israëlische regering operaties uitvoert in internationale wateren? Deelt u de mening dat dit een schending is van het internationaal recht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat humanitaire hulpverlening niet belemmerd mag worden? Wat is uw reactie dat dit nu, weer en nog steeds, gebeurt?
Het kabinet deelt de zorgen van de initiatiefnemers van de Global Sumud Flotilla over de catastrofale humanitaire situatie in Gaza. Er is dringend meer humanitaire hulp nodig. Tegelijkertijd is de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla af hoopte te leveren voornamelijk symbolisch van aard en niet voldoende om de hoge noden in Gaza werkelijk te verlichten. In oktober 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Israël als bezettende macht verplicht is essentiële humanitaire hulp door onpartijdige (VN-)organisaties toe te staan, wanneer de lokale bevolking onvoldoende voorzien is van dergelijke hulpgoederen. Professionele en gemandateerde humanitaire organisaties dienen veilige, ongehinderde, en onvoorwaardelijke toegang te krijgen tot Gaza. Nederland roept de Israëlische autoriteiten op om de toegang van desbetreffende humanitaire organisaties te verbeteren en meer humanitaire hulp toe te laten, zowel bilateraal als in multilateraal-verband.
Bent u van plan een internationaal onafhankelijk onderzoek te eisen naar de gewelddadige interventies door Israël tegen de Flotilla, mogelijk met andere betrokken landen? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., aan de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader in contact blijven met landen die hierover ook duidelijkheid willen, ook in Europees verband.
Bent u bereid de bescherming van bemanningsleden van deze en toekomstige Flotilla’s in internationale wateren te waarborgen tijdens humanitaire missies? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin ligt de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder.
Deelt u de mening dat de kans op mishandeling van de opvarenden significant is, gezien ervaringen in het verleden en dat Nederland alles moet doen om de veiligheid van deze Nederlanders te beschermen? Zo ja, hoe gaat u de veiligheid van de bemanningsleden prioriteren? Zo nee, waarom niet?2
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Bent u bereid om hulp en bijstand te leveren en alles op alles te zetten om de deelnemers van de Sumud Flotilla veilig te stellen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders. Zie ook het antwoord op vraag 5, 6 en 10.
Onderschrijft u de constatering van zeerechtenexpert Fred Soons, dat het ingrijpen van de Israëlische marine op internationale wateren in strijd is met het internationaal recht? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waarom niet?3
Zie het antwoord op vraag 1, 5 en 6.
De illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla en het gevangennemen van opvarenden door Israël op internationale wateren |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u bekend met de berichten eerder deze week over de onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren voor de kust van Cyprus?2 Zo ja, hoe beoordeelt u deze illegale actie?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten ter zake om opheldering verzocht. Deze is tot dusverre niet ontvangen, zoals weergegeven in het antwoord op vragen 8 en 10. Voorts heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Klopt het dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren? Hoe beoordeelt u dit in het licht van het internationaal zeerecht?
Het klopt dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren. Zie overigens het antwoord op vraag 2.
Welke informatie had het kabinet vooraf over de geplande onderschepping van de Flotilla en de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord?
Naast de berichtgeving in de media heeft het kabinet voorafgaand aan de onderschepping geen informatie ontvangen over de planning van de onderschepping. Verder was het kabinet bekend met de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord vanwege de berichtgeving daarover. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Bent u op de hoogte dat bij de entering op 19 mei 2026 er ook Nederlandse journalisten van De Marker (BNNVARA) op internationale wateren zijn gevangengenomen?3 Zo ja, wat vindt het kabinet dat Israël op internationale wateren Nederlandse journalisten gevangenneemt?
Ja. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Zie overigens het antwoord op vraag 2. Verder benadrukt het kabinet dat journalisten altijd ongehinderd en veilig hun werk moeten kunnen doen.
Welke consulaire bijstand is sinds de onderschepping verleend aan de Nederlandse opvarenden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Verder heeft het kabinet rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Welke concrete stappen zet het kabinet om ervoor te zorgen dat de Nederlandse opvarenden onmiddellijk en ongedeerd kunnen terugkeren naar Nederland?
Zie het antwoord op vraag 6 en 8.
Hoe beoordeelt u de berichten dat opvarenden tijdens en na de onderschepping zijn mishandeld, gemarteld en vernederd?4
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Bent u bereid om in internationaal verband aan te dringen op onafhankelijk onderzoek naar de gewelddadige onderschepping van de Flotilla, de mogelijke marteling van opvarenden en de rol van betrokken staten? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader ook in contact blijven met landen die ook duidelijkheid willen over de behandeling van Flotilla-opvarenden, ook in Europees verband.
Klopt het dat het kabinet na een eerdere Israëlische onderschepping van een Flotilla in oktober 2025 vragen heeft gesteld aan Israël over de rechtsbasis voor het ingrijpen?5 Zo ja, heeft Israël daarop inmiddels inhoudelijk gereageerd en bent u bereid die reactie met de Kamer te delen?
Zoals onder meer aangegeven in de beantwoording van Kamervragen van Dassen (Volt), Teunissen (PvdD), Dobbe (SP), Piri en Hirsch (beiden GroenLinks- PvdA) op 15 december 2025, heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten naar aanleiding van de onderschepping in oktober 2025 verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen rondom de onderschepping van de schepen. Het kabinet heeft, ondanks herhaald verzoek, geen reactie ontvangen van de Israëlische autoriteiten.
Kunt u deze vragen binnen 48 uur beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht dat Algerije alle protestantste kerken gesloten heeft |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Reformatorisch Dagblad (9 mei 2026) waarin gesteld wordt dat de autoriteiten van Algerije sinds 2017 alle protestantse kerken in het land gesloten hebben?1
Ja.
Deelt u de belangrijkste conclusies uit het onderliggende rapport van het European Centre for Law and Justice (ECLJ)?2 Wat is uw bredere reflectie op de in het rapport beschreven positie van christenen in Algerije?
De bevindingen in het rapport van de ECLJ komen overeen met bevindingen van de VN en INGO’s; namelijk dat religieuze minderheden, waaronder christenen, beperkingen ervaren in het praktiseren van hun geloof in Algerije.
Bent u bereid om de categorische sluiting van protestantse kerken en andere schendingen van godsdienstvrijheid officieel te veroordelen?
In Algerije spreekt Nederland met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar opportuun deelt Nederland zijn visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin. Ook wordt gesproken over de positie van christenen. Nederland blijft voor zover mogelijk geëngageerd op dit thema, in gesprek met relevante actoren.
In algemene zin brengt Nederland waar mogelijk in contacten met relevante autoriteiten en partners het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin consequent onder de aandacht. Daarbij vraagt Nederland ook aandacht voor de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, evenals zorgen over de sluiting van kerken en andere religieuze instellingen. Nederland zet zich actief en zichtbaar in door deze onderwerpen structureel te agenderen in bilaterale contacten en multilaterale fora, te investeren in religieuze geletterdheid binnen de diplomatieke dienst en intensief samen te werken met religieuze en maatschappelijke actoren wereldwijd.
Bent u bereid om de Algerijnse ambassadeur te ontbieden? Zo nee, welke diplomatieke druk acht u gepast?
De Nederlandse overheid staat voor het recht op vrijheid van religie. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Wanneer het kabinet constateert dat mensen mogelijk in die vrijheid worden beperkt, wordt dit meegenomen in gesprekken met landen waar dit speelt. Nederland onderhoudt een open en gelijkwaardige dialoog met Algerije, waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen.
Kunt u aangeven op welk niveau er in de Europese Unie (EU) afstemming is over christenvervolging in Algerije?
Binnen de Europese Unie wordt in verschillende gremia gesproken over de mensenrechtensituatie in Noord-Afrikaanse landen, waaronder de positie van christenen en andere (religieuze) minderheden. Waar mogelijk wordt dit thema ook besproken met de relevante autoriteiten.
Kunt u verzekeren dat deze kwestie hoge prioriteit heeft voor Mairead McGuinness, de recent aangestelde Europese gezant voor godsdienstvrijheid? Bent u bereid de strafrechtelijke vervolging van christenen, de opsluiting van religieuze leiders en de sluiting van kerken actief onder haar aandacht te brengen en in EU-verband te bezien welke effectieve drukmiddelen kunnen worden ingezet?
Het kabinet verwelkomt de benoeming van Mairead McGuinness tot EU-gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging. De prioriteiten van de gezant worden vastgesteld door de Europese Commissie en de gezant zelf. Nederland acht deze functie van groot belang voor een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. Nederland zal daarbij aandacht blijven vragen voor de positie van religieuze minderheden en zorgen over onder andere de sluiting van kerken in Algerije waar mogelijk onder de aandacht brengen in contacten met de gezant. Momenteel verkent het kabinet tevens hoe de nieuwe EU-gezant praktisch kan worden ondersteund, bijvoorbeeld via een mogelijke detachering. Daarnaast zet Nederland zich in voor een complementaire nationale inzet, bijvoorbeeld door verdere opvolging van EU-bezoeken via de Nederlandse Speciaal Gezant in landen waar christenen, en andere religieuze minderheden, onder druk staan.
Op welke wijze heeft Nederland zich eerder richting de Algerijnse autoriteiten ingezet ten aanzien van de positie van christenen en godsdienstvrijheid? Welke rol speelt de Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging hierin?
De Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging (SGRL) zet zich wereldwijd in voor de positie van religieuze minderheden. De gezant draagt bij aan de agendering van dit thema, waaronder de situatie in Algerije, in bilaterale en multilaterale contacten en aan de opbouw en versterking van internationale coalities. Daarnaast onderhoudt de SGRL actief contact met religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen, maatschappelijke organisaties en diasporagroepen, zowel in Nederland als internationaal.
Daarnaast spreekt de Nederlandse ambassade in Algiers met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen in Algerije en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar mogelijk deelt de ambassade de Nederlandse visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en/of mensenrechten in brede zin. Ook wordt dan gesproken over de positie van christenen. Hierbij is het van belang de religieuze minderheden niet in een kwetsbare positie te brengen. Om te voorkomen dat de Nederlandse inspanningen een tegengesteld effect hebben, is juist het opzoeken van de dialoog van belang.
Het rapport 'No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness' |
|
Peter de Groot (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Derk Boswijk (CDA), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente rapport van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) getiteld «No fuel, no fight: the Dutch fuel industry and European military readiness»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de toenemende tekorten aan kerosine en diesel in het licht van de voortdurende afbouw van de nationale productiecapaciteit? In hoeverre deelt u de expliciete zorgen van de onderzoekers over de risico’s die deze trend met zich meebrengt voor de stabiliteit en capaciteit van de Nederlandse kritieke energie-infrastructuur?
Op de korte termijn zijn er binnen Nederland geen signalen voor tekorten aan kerosine en diesel. Nederland monitort de prijzen en voorraden van olie en zorgt voor strategische olievoorraden.
Als gevolg van de energietransitie neemt de fossiele raffinagecapaciteit in Europa af. Dit wordt daarnaast gedreven door toenemende mondiale concurrentie en stijgende operationele kosten in Europa. Belangrijk hierbij is dat de afbouw van deze capaciteit in Europa in lijn is met de opbouw van hernieuwbare alternatieven.
Fossiele raffinaderijen hebben een rol tijdens de transitie naar duurzame energie. Zolang de wereldeconomie nog in belangrijke mate op fossiele brandstoffen draait, vormt het behoud van stabiele, regionale raffinagecapaciteit een belangrijke pijler voor de leveringszekerheid. Een grotere en structurele leveringszekerheid wordt op de langere termijn bereikt door de transitie naar een hernieuwbare energievoorziening, waarbij bronnen zoals wind, zon en duurzame grondstoffen binnen Europa zelf benut respectievelijk gewonnen kunnen worden.
Hoe weegt u de strategische waarde van de Nederlandse energie-infrastructuur voor de bredere leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie, zeker gezien de Nederlandse rol als logistiek knooppunt?
Nederland speelt een belangrijke rol als toegangspoort voor olie en (duurzame) brandstoffen en huisvest een van de grootste raffinageclusters van Europa. Nederland is bovendien de grootste Europese exporteur van kerosine. De Nederlandse brandstof- en chemiegrondstoffen (BCP)-sector maakt deel uit van het ARRRA-cluster, een netwerk van raffinaderijen, krakers en chemiebedrijven tussen Antwerpen, Rotterdam en het Duitse Rijn-Ruhrgebied, verbonden via pijpleidingen, waterwegen, spoor en wegen.
De kracht van de Nederlandse raffinaderijen berust mede op hun positie in de aan-, door- en uitvoer van aardolieproducten en de nabijheid van liquid bulk zeehavens, die ook fungeren als bunkering hubs. Behoud van de bestaande energie-infrastructuur – pijpleidingen, waterwegen, terminals, opslag en logistieke verbindingen – is van belang, zodat een deel kan worden gebruikt voor productie van hernieuwbare brandstoffen en de levering van fossiele producten die in de transitiefase nog nodig zijn.
Bent u bereid om samen met de Ministeries van I&W, Defensie en EZK in kaart te brengen hoe de toekomstige afhankelijkheden van brandstoffen zich ontwikkelen en wat de concrete gevolgen hiervan zijn voor defensie, de burgerluchtvaart en kritieke energie-infrastructuur?
I&W, Defensie en EZK werken intensief samen op het gebied van weerbaarheid en energiezekerheid. Dit krijgt onder meer vorm binnen de aanpak weerbaarheid en militaire paraatheid tegen hybride en militaire dreigingen, de Toekomstvisie op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie, het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers (AADK), de Visie Verduurzaming Bunkerbrandstoffen en de Roadmap Energiezekerheid voor Defensie.
Binnen deze trajecten is er structureel aandacht voor het vergroten van de strategische autonomie door fossiele grondstoffen te vervangen door hernieuwbare alternatieven, met name daar waar elektrificatie niet mogelijk is. Tegelijkertijd richten de ministeries zich op de rol van de bestaande raffinagesector tijdens de transitiefase, bijvoorbeeld voor sectoren als Defensie die de komende jaren voorlopig sterk afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen.
Wat is uw reactie op de prognose uit het rapport dat de importafhankelijkheid voor brandstoffen in 2040 zal stijgen naar 46% voor Nederland en maar liefst 72% voor de gehele Europese Unie? Welke risico’s ziet u hierin voor onze strategische autonomie?
Nederland is op dit moment al in hoge mate afhankelijk van import van ruwe olie voor de productie van kritieke brandstoffen. Voor de strategische autonomie van Nederland is een betrouwbare en ononderbroken brandstofvoorziening een basisvoorwaarde. De afnemende fossiele raffinagecapaciteit moet daarom gepaard gaan met het ontwikkelen van kansen op import- en productiediversificatie via de productie van biodiesel en SAF. Binnen deze ontwikkelingen spant het kabinet zich in om economische robuustheid, maatschappelijke weerbaarheid, militaire paraatheid en energiezekerheid te waarborgen (zie ook antwoord 4).
Hoe reflecteert u op de aanbeveling dat de Nederlandse overheid, in EU-verband, een kritieke ondergrens voor productiecapaciteit moet vaststellen en de noodzakelijke instrumenten moet inzetten om deze capaciteit operationeel te houden voor de vitale brandstofvoorziening?
Het kabinet wil een tekort aan olie kunnen voorkomen en de gevolgen van hoge prijzen beperken. Daarom worden strategische olievoorraden aangehouden en ligt er een landelijk crisisplan olie (LCP-O). Het LCP-O beschrijft hoe publieke en private actoren in verschillende fases van een (dreigende) oliecrisis kunnen samenwerken om vitale brandstofvoorziening te garanderen.
Uit het oogpunt van leveringszekerheid acht ik het wenselijk dat in elk geval een deel van de productie van (hernieuwbare) brandstoffen in Nederland en Europa plaatsvindt. Hiervoor zijn de opbouw van productie van hernieuwbare brandstoffen en verduurzaming van bestaande raffinaderijen noodzakelijk. Dit komt aan de orde in de Toekomstvisie op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie en het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers (AADK), die na de zomer aan uw Kamer worden verzonden.
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland en de EU stevenen op een verhoogde kwetsbaarheid door een groeiende afhankelijkheid van externe brandstofimporten? Welke stappen ziet u om deze trend te keren?
De kwetsbaarheid van Nederland en de EU hangt samen met risico’s in de aanvoer van kerosine en diesel. Deze importafhankelijkheid vraagt om gericht beleid om leveringszekerheid te borgen. Het kabinet erkent de risico’s voor economie, veiligheid en energiezekerheid, mede zichtbaar in de situatie rond de Straat van Hormuz. Daarom wordt actief ingezet op maatregelen om de vraag te verlagen door te elektrificeren waar dat kan, de toeleveringsketens te versterken, waaronder diversificatie van import, uitbreiding van infrastructuur en versterking van opslag- en productiefaciliteiten (zie ook antwoord 4).
Op welke wijze borgt u het behoud van de kritieke energie-infrastructuur op Nederlands grondgebied? In hoeverre worden hierbij de specifieke vereisten voor militaire mobiliteit en de collectieve Europese verdediging meegewogen?
Het kabinet borgt de kritieke energie-infrastructuur door deze expliciet te beschermen, te onderhouden en waar nodig te versterken via ruimtelijke inpassing, regulering en investeringen in netverzwaring, waterstof- en brandstofinfrastructuur en strategische opslagcapaciteit.
Bij besluitvorming wordt leveringszekerheid structureel meegewogen, inclusief risico’s op verstoringen en de weerbaarheid tegen sabotage of uitval.
De eisen voor militaire mobiliteit maken hier integraal onderdeel van uit: energie-infrastructuur moet geschikt blijven voor snelle verplaatsing en inzet van bondgenoten in het kader van Host Nation Support en voor de krijgsmacht, inclusief gegarandeerde beschikbaarheid van brandstoffen. Ook in EU-verband wordt afgestemd op de vereisten voor collectieve verdediging, zodat infrastructuur aansluit op gezamenlijke defensieplanning en crisisrespons.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de huidige Methaanverordening potentieel 90% van de huidige wereldwijde olie-import diskwalificeert en de kosten voor het Europese bedrijfsleven kan laten oplopen tot 80 miljard euro?
Nederland acht de methaanverordening belangrijk om de klimaatdoelen te halen. Ik neem hierbij de zorgen over de uitvoerbaarheid serieus en heb daar op verschillende manieren aandacht voor gevraagd bij de Europese Commissie. Ik steun de flexibiliteit die de Europese Commissie heeft aangekondigd voor importeurs bij de uitvoering van de verordening en kijk uit naar het concrete voorstel. Tegelijkertijd blijf ik in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders over de implementatie van de verordening en de zorgen die daarbij spelen.
Bent u bereid de conclusies uit dit rapport te integreren in de aangekondigde «Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie»? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze visie tegemoet zien?
In de Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie, die naar verwachting in het najaar naar de Kamer wordt verzonden, worden scenario’s voor de opbouw van hernieuwbare brandstoffen en de afbouw van fossiele brandstof- en chemiegrondstofproductie gewogen op een aantal publieke belangen. Een van deze belangen is strategische autonomie, in het bijzonder leveringszekerheid. Daarbij zal ik ook de inzichten van het rapport betrekken.
Bent u, mede in het licht van de bevindingen over de leveringszekerheid, bereid om de extra voorwaarden voor de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) voor de raffinagesector te heroverwegen, aangezien dit momenteel fungeert als een nationale kop op Europese regelgeving?
Op dit moment komen raffinaderijen die brandstoffen produceren met meer dan 50% fossiele herkomst niet in aanmerking voor de IKC-ETS. Dit onderwerp is momenteel onderdeel van de bredere lopende gesprekken rondom de verlaging van de elektriciteitskosten. Op Prinsjesdag zal hierover meer duidelijkheid komen.
Hoe kijkt u aan tegen de gereedstelling van de krijgsmacht en de risico’s van brandstoftekorten die kunnen optreden in de toekomst?
Voor de krijgsmacht is energie mission critical: een essentiële voorwaarde voor gevechtskracht. Brandstoffen zijn nodig voor varen, vliegen en rijden en daarmee voor de gereedstelling met inbegrip van oefenen en trainen van de krijgsmacht. Defensie heeft eigen opslagcapaciteit en contracten met civiele leveranciers die momenteel worden herzien en waar nodig aangevuld om voldoende capaciteit nu en in de toekomst zeker te stellen. Voor de lange termijn richt Defensie zich ook op het beperken van de energiebehoefte en het versterken van energiezekerheid door diversificatie van energiebronnen zoals alternatieve brandstoffen, energie-efficiency en elektrificatie van materieel.
Kunt u uiteenzetten hoe hij tegen de conclusie aankijkt dat in geval van een conflict de krijgsmacht voorrang moet krijgen op de beschikbaarheid van brandstoffen?
In geval van een gewapend conflict of nationale noodtoestand zal de energiebehoefte voor uitvoering van defensietaken sterk toenemen en kan het daarom noodzakelijk zijn dat vitale middelen, waaronder brandstoffen, prioritair beschikbaar worden gesteld aan de krijgsmacht en andere essentiële diensten. In het LCP-O is uitgewerkt hoe voorrang wordt verleend in het geval van dreigende tekorten als gevolg van crisis of conflict. Defensie is als onderdeel van de vitale infrastructuur opgenomen als prioritaire gebruiker. Daarbij geldt verder dat in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden op basis van noodrecht maatregelen kunnen worden getroffen om de taakuitvoering door de krijgsmacht te waarborgen. Daarbij blijft het uitgangspunt dat maatregelen proportioneel worden ingezet en maatschappelijke ontwrichting zoveel mogelijk wordt beperkt. Voor het verlenen van voorrang op brandstof aan Defensie is een kabinetsbesluit vereist.
Welk specifiek beleid voert het Ministerie van Defensie op het hebben van voldoende brandstoffen in het geval van een conflict?
Defensie neemt verantwoordelijkheid voor haar energiezekerheid en richt zich op het in lijn met NAVO-afspraken aanhouden van eigen voorraden aan kerosine, diesel en scheepsdiesel. Deze opslagcapaciteit is verspreid over meerdere locaties van Defensie, waaronder militaire vliegvelden. Daarnaast heeft Defensie meerjarige raamcontracten voor de levering en het op peil houden van de brandstofvoorraden. Ook is Defensie verantwoordelijk voor het innemen, transporteren, (tijdelijk) opslaan en afleveren van vliegtuigbrandstof en voor de instandhouding van het kerosine transportsysteem van Central Europe Pipeline System (CEPS) in Nederland. Defensie kan in geval van crisis of conflict een beroep doen op brandstof via het CEPS. Indien de eigen voorraden van Defensie niet afdoende zijn, kan het noodzakelijk zijn dat in geval van een militair conflict of noodtoestand brandstof bestemd voor de civiele markt beschikbaar wordt gesteld aan de krijgsmacht. Daarom is de algemene leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie ook voor Defensie van belang.
Kunt u ingaan op de conclusies in het rapport in het licht van de huidige brandstofstrategie van Defensie, ook in NAVO en Europees verband?
Er wordt onder meer geconcludeerd dat de groeiende import afhankelijkheid tot strategische kwetsbaarheid leidt en dat alternatieve brandstoffen de brandstofzekerheid kunnen vergroten mits de aanvoerketens weerbaar zijn. Deze conclusies worden gebruikt om de brandstofstrategie verder te ontwikkelen en aan te scherpen op zowel nationaal niveau als in NAVO-verband.
Zoals in de kamerbrief Uitvoeringsagenda energie en duurzaamheid2 is aangekondigd, ontwikkelt Defensie dit jaar een roadmap voor energiezekerheid. Deze roadmap is gericht op het borgen van energiezekerheid voor Defensie in de volle breedte. Hiermee wil Defensie zowel de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen beperken als de energiezekerheid van defensieobjecten zoals kazernes en kampementen vergroten.
NAVO is in 2026 gestart met een groot vernieuwingsprogramma om de brandstof- en energievoorziening van het bondgenootschap toekomstbestendig te maken. Hierin wordt gekeken naar leveringszekerheid en interoperabiliteit tijdens en na de energietransitie. Onderdelen van het programma zijn: de herziening van de NAVO single fuel policy (gebruik van één standaard brandstof om de logistiek te vereenvoudigen) en bijbehorende doctrine; de integratie en toetsing van het gebruik van alternatieve (drop-in) brandstoffen; de versterking van de brandstofketen en logistieke infrastructuur (Nato Pipeline System); de verbetering van energiezekerheid, weerbaarheid en crisismanagement en de ontwikkeling van een nieuwe operationele energie-strategie en concepten.
Sinds de inval van Rusland in Oekraïne in 2022, werkt de Europese Unie aan het afbouwen van fossiele afhankelijkheid van Rusland. Met initiatieven als RePowerEU zijn EU-breed afspraken gemaakt over het stoppen van Russische olie- en gasimport per 2027. Andere Europese plannen zoals het EU Grids Package en Accelerate EU, focussen op het stimuleren van Europese energie opwek. Door afhankelijkheden af te bouwen en eigen energieproductie op te schalen, werkt ook Europa aan haar onafhankelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de conclusies van het rapport?
Het rapport onderstreept de urgentie om de militaire gereedheid van Nederland mee te wegen bij interventies vanuit de overheid gericht op energie- en leveringszekerheid. In lopende en nog te starten trajecten op dit terrein zal daarom de samenwerking met Defensie, EZK en I&W onverminderd de aandacht krijgen. Militaire paraatheid zal worden meegenomen in de weging.
Kunt u deze vragen 1 voor 1 beantwoorden?
Ja.
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
De repatriëring van stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen uit Noord-Korea |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen (onder wie sergeant Cornelis van der Snepscheut, soldaten Johannes Moonen, Johannes Knaap, Tijs Deegmulder en Franciscus Lamberti)?
Het kabinet zet zich doorlopend in voor de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen van het Nederlandse Detachement Verenigde Naties (NDVN). De regering onderhoudt hierover contact met zowel relevante Zuid-Koreaanse als Amerikaanse overheden en leverde DNA profielen en historische en medische gegevens aan. Dat heeft tot op heden echter, geen resultaat opgeleverd. Het kabinet blijft vasthouden aan deze inzet.
Heeft de Nederlandse regering sinds 2018 nieuwe diplomatieke stappen ondernomen richting Noord-Korea, de Verenigde Staten, Zuid-Korea of het United Nations Command om deze zaak te bevorderen?
Ja, op 7 december 2020 is er een Memorandum of Understanding (MoU) afgesloten tussen de Zuid-Koreaanse en Nederlandse Ministeries van Defensie met specifiek dit doel, namelijk het bevorderen van de samenwerking op de identificatie van vermiste personen van de Korea Oorlog.
Op basis van dit MoU heeft Nederland aan het Zuid-Koreaanse Ministry of Defense Agency for KIA Recovery and Identification (MAKRI) digitale DNA-profielen van nazaten van de vermiste Nederlandse militairen aangeleverd, alsook vijf met zorg door het Ministerie van Defensie samengestelde data packages met historische en medische gegevens. MAKRI organiseert nog jaarlijks zoek- en bergingsmissies in Zuid-Korea. Naar schatting worden er nog meer dan 133.000 militairen van het United Nations Command (UNC) vermist.
Omdat het NDVN tijdens de Koreaanse Oorlog was ingedeeld bij het Amerikaanse leger, onderhoudt de regering ook contact met het agentschap van het Amerikaanse Ministerie van Defensie dat identificatieonderzoek doet van stoffelijke resten (Defense Prisoner of War / Missing in Action Accounting Agency – DPAA). Dezelfde gegevens zijn ook daar aangeleverd. Dit heeft echter in beide gevallen nog niet tot een DNA-match geleid.
Nederland is volwaardig lid van het United Nations Command (UNC), de organisatie die toeziet op de naleving van de wapenstilstand tussen Noord- en Zuid-Korea. UNC speelt echter geen leidende rol bij het lokaliseren, bergen en identificeren van stoffelijke resten.
Nederland heeft slechts minimaal contact met Noord-Korea en heeft geen ambassade in Pyongyang. De Nederlandse ambassadeur is Seoel is tevens de Nederlandse vertegenwoordiger naar Noord-Korea, maar is door Pyongyang nog niet uitgenodigd om zijn geloofsbrieven te overhandigen. Onder de huidige politieke omstandigheden blijft de kans op samenwerking met Noord-Korea op dit onderwerp bijzonder klein.
Wordt er momenteel nog altijd samengewerkt met Zuid-Koreaanse instanties of het United Nations Command voor mogelijke zoekacties of DNA-onderzoek, en zo ja, wat zijn de concrete resultaten hiervan tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2.
Zijn er de afgelopen jaren contacten geweest met Noord-Koreaanse autoriteiten, direct of via tussenpersonen, over de overdracht van stoffelijke resten van VN-militairen, en is daarbij specifiek aandacht gevraagd voor Nederlandse gevallen?
Zie beantwoording vraag 2. Wel zijn er contacten geweest via de VS. Na een ontmoeting tussen de Amerikaanse president Trump en de Noord-Koreaanse president Kim Yong-un heeft Noord-Korea in juli 2018 55 kisten met de vermoedelijke stoffelijke resten van gesneuvelde Amerikaanse militairen uit de Koreaanse Oorlog overgedragen aan de Verenigde Staten. Zoals eerder opgemerkt, staat Nederland in contact met het Amerikaanse DPAA, dat het identificatieonderzoek van de stoffelijke resten uitvoert.
Bent u bereid om, in lijn met eerdere toezeggingen, de kwestie opnieuw diplomatiek aan te kaarten, bijvoorbeeld in multilateraal verband of via bondgenoten, gezien het feit dat er al meer dan 70 jaar verstreken is?
Ja, het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van deze vijf Nederlandse militairen. Hiervoor wordt reeds samengewerkt met de Verenigde Staten en Zuid-Korea. Nederland zal dit onderwerp blijven opbrengen in contacten met deze landen.
Visa voor Russische staatsburgers |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IND vernedert Buitenlandse Zaken» in de NRC, d.d. 29 april 2026?1
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 aan duizenden Russische zeelieden visa heeft verstrekt? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op de Russische schaduwvloot? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, zoals het schip Sergey Bodrov, dat met de export van nikkel een belangrijke bijdrage levert aan de Russische oorlogskas?
Nederland weigert op grond van de Europese sanctiepakketten de toegang tot havens en sluizen aan Russisch gevlagde schepen, aan EU-gesanctioneerde schepen en aan schepen die gelieerd zijn aan gesanctioneerde personen of entiteiten. Zeevarenden op deze schepen kunnen daarom niet aan- en afmonsteren in Nederlandse havens. Er worden dan ook geen visa uitgegeven voor deze doeleinden. Nederland verstrekt visa conform de geldende Europese regelgeving, waaronder de Europese Visumcode en de Europese richtsnoeren inzake de afgifte van visa met betrekking tot Russische aanvragers. Deze richtsnoeren leggen geen extra beperkingen op voor zeevarenden. Russische zeevarenden kunnen in lijn met EU regelgeving derhalve een Schengenvisum krijgen. Het klopt dat in 2025 een groot aantal visa is verstrekt aan Russische zeevarenden die in Nederland moeten aan- of afmonsteren. Op Nederlands gevlagde schepen werken ook Russische zeevarenden. Het beleid ten aanzien van Russische zeevarenden is op 1 september 2025 echter aangescherpt. Uitsluitend Russische zeevarenden die varen voor bij de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Rederijen (KVNR) aangesloten rederijen mogen gebruikmaken van de versnelde Blue Carpet-procedure. Overige zeevarenden moeten de reguliere procedure doorlopen, waarvoor een beperkt aantal slots beschikbaar is. In alle gevallen is een officiële uitnodiging van de rederij vereist. Uitnodigingen van tussenpersonen/uitzendbureaus worden niet meer geaccepteerd. Sinds 1 september 2025 is de geldigheidsduur beperkt tot negen maanden (multiple entry) met een maximale verblijfsduur van 15 dagen, sindsdien is een dalende trend zichtbaar in het aantal afgegeven visa.
Het is niet bekend hoeveel Russische zeevarenden werkzaam zijn op de Russische schaduwvloot of op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, omdat deze schepen onder een buitenlandse vlag varen of soms zelfs onder een valse vlag.
Hoe rechtvaardigt u dat Russische zeelieden dankzij de visumverlening van Nederland activiteiten kunnen ontplooien die de Russische staatskas spekken, terwijl onafhankelijke Russische journalisten, fotografen en kunstenaars zonder «vestigingsgevaar» de toegang tot Nederland wordt geweigerd?
Russische zeevarenden en Russische journalisten, fotografen en onafhankelijke kunstenaars kunnen gebruikmaken van de reguliere aanvraagprocedures.
Binnen de ruimte die de Europese regelgeving biedt, zet Nederland zich in voor een zorgvuldige en integrale beoordeling van aanvragen van Russische journalisten en mensenrechtenverdedigers mede gelet op het belang dat het kabinet hecht aan persvrijheid, culturele uitwisseling en de bescherming van mensenrechten. Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten maakten op basis van motie Dobbe (kamerstuk: 32 735, nr. 386) eerder aanspraak op multiple entry visa.2
Visumaanvragen worden in alle gevallen conform de Europese Visumcode individueel beoordeeld. Van de voorwaarde dat het voornemen moet bestaan om het grondgebied van de Lidstaten tijdig te verlaten, kan niet worden afgeweken.
Op individuele visumaanvragen kan het kabinet niet ingaan.
Bent u bekend met de motie Dobbe c.s. (Kamerstuk 32 623-346) over het verschaffen van een veilige multi-entry toegang voor mensenrechtenactivisten en journalisten voor het geval zij gevaar lopen in Syrië, die destijds van Minister Veldkamp de appreciatie «oordeel Kamer» kreeg en met een brede meerderheid door de Tweede Kamer is aangenomen?
Ja.
Bent u bereid om, in de geest van deze motie, Russische mensenrechtenactivisten, journalisten en kunstenaars een multi-entry visum te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Als het gaat om Schengenvisa (visa voor kort verblijf) kunnen mensenrechtenverdedigers en journalisten gebruik maken van de reguliere aanvraagprocedure, hierbij wordt getoetst op de voorwaarden zoals vastgelegd in de EU Visumcode, o.a. ten aanzien van tijdige terugkeer.
In Rusland maken familieleden, mensenrechtenverdedigers en journalisten aanspraak op kort verblijf visa met een langere geldigheidsduur.
Naar de letter van motie Dobbe c.s. (kamerstuk: 32 735, nr. 386) over multiple-entry Schengenvisa aan Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten kan er voor deze groep ook bij een eerste aanvraag een meerjarig visum worden afgegeven. Aan deze motie is het afgelopen jaar in een aantal specifieke gevallen uitvoering gegeven. In het belang van betrokkenen kan over deze gevallen geen publieke informatie worden verstrekt.
Waarom begint de bezwaartermijn bij een visumbesluit al voordat de aanvrager zijn paspoort heeft opgehaald en te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen?
Als een visumaanvraag door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8 van de Awb aan op de dag nadat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Van bekendmaking is sprake indien het besluit aan de aanvrager of zijn gemachtigde is toegezonden of uitgereikt. De bezwaartermijn vangt dus pas aan nadat een aanvrager of zijn gemachtigde te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen. In algemene zin kan worden gesteld dat als de Immigratie- en Naturalisatiedienst in een individuele zaak constateert dat de geregistreerde uitreikingsdatum niet overeenkomt met de daadwerkelijke uitreikingsdatum, aan de hand van de daadwerkelijke uitreikingsdatum wordt beoordeeld of het bezwaar tijdig is ingediend.
Vindt u niet dat het rechtvaardig zou zijn om, wanneer het voor de aanvrager praktisch onmogelijk is om binnen vier weken na het visumbesluit zijn paspoort op te halen, de bezwaartermijn pas na ophalen van het paspoort te laten aanvangen? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 vangt de bezwaartermijn pas aan nadat het besluit bekend is gemaakt. Als de bezwaartermijn wordt overschreden beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst bovendien op grond van artikel 6:11 van de Awb of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval. De aanvrager kan zich ook laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die bevoegd is het visum namens hem of haar op te halen.
Het bericht ‘Excuses, maar geen geld. Waarom Nederland de slachtoffers in Hawija niet compenseert’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Groene Amsterdammer, Investico en BOOS over het gebrek aan compensatie in Hawija?1
Op 14 april 2026 publiceerde BNN-VARA programma BOOS een online aflevering, in samenwerking met onderzoek platform Investico en de Groene Amsterdammer, over de gevolgen van de Nederlandse wapeninzet in Hawija op 2-3 juni 2015. Tijdens het ordedebat van 15 april 2026 verzocht de Kamer om een aanvullende reactie van de regering op de uitzending van BOOS. Op 19 mei heeft het kabinet als reactie hierop de brief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija, april 2026» gestuurd.2 In deze brief wordt ingegaan op de overwegingen ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen inzake de luchtaanval in Hawija en het algemeen beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen.
Welke stappen zijn gezet om te komen tot de gemaakte excuses in Hawija en hoe zijn slachtoffers daarbij betrokken?
Naar aanleiding van de uitkomsten van het rapport van de commissie Sorgdrager bood het kabinet in 2025 excuses aan voor de onbedoelde gevolgen van de Nederlandse luchtaanval in 2015. Toenmalig Minister van Defensie bracht deze excuses ook over aan de burgemeester van Hawija. Op 15 januari 2026 bracht de toenmalig Minister van Defensie een bezoek aan Hawija om in gesprek te gaan met slachtoffers en nabestaanden, de gouverneur van de provincie Kirkuk en de burgemeester van Hawija. Tijdens dit bezoek heeft hij persoonlijk de excuses overgebracht. Daarbij is gesproken met lokale autoriteiten, betrokkenen en inwoners van het getroffen gebied.
Waarom is er geen contact opgenomen met het compensatiekantoor in Kirkuk om informatie te achterhalen over wie de slachtoffers zijn van het bombardement?
Het kabinet heeft in 2020 besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Uw Kamer is de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd over de overwegingen hieromtrent, zoals ook recent uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».3 Gelet op dit besluit, zijn er geen stappen ondernomen om tot concrete vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.
Waarom is er nooit doorgevraagd naar het dossier van PAX, de Universiteit Utrecht en Ashor om informatie te achterhalen wie de slachtoffers zijn van het bombardement?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe kijkt u zelf naar uw uitspraken over dat individuele compensatie van slachtoffers niet mogelijk zou zijn, omdat individueel slachtofferschap en schade niet te achterhalen zouden zijn? Kunt u expliciet maken welke stappen er dan wel zijn gezet om te achterhalen wie de slachtoffers zijn van het bombardement in Hawija?
De vraag wat Defensie voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».4
Waarom stelt u, zonder navraag naar de informatie te hebben gedaan, dat de informatie van PAX, Ashor en de Universiteit Utrecht niet voldoet aan de «juridische lat»? Kunt u dat onderbouwen?
Het kabinet heeft in 2020 besloten niet over te gaan tot vrijwillige compensatie op individueel niveau.
In generieke zin geldt dat bij iedere vorm van compensatie (of die nu vrijwillig is of verplicht) zal moeten worden vastgesteld onder welke voorwaarden en op basis van welk bewijs (c.q. juridische lat) iemand in aanmerking komt voor een vergoeding.
Waar zal de 10 miljoen euro aan compensatie voor de gemeenschap in Hawija aan worden besteed? Wie is betrokken bij het besluit waar dit geld aan zal worden besteed en hoe zijn of worden slachtoffers betrokken?
In het debat over het rapport van de commissie Sorgdrager op 15 mei 2025 heeft Defensie toegezegd circa 10 miljoen euro beschikbaar te maken voor aanvullende projecten. De invulling hiervan wordt op dit moment vormgegeven door het Ministerie van Defensie in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tijdens het bezoek van de voormalig Minister van Defensie aan Hawija in januari jl., heeft hij met verschillende belanghebbenden gesproken over de noden en wensen van de gemeenschap. Deze behoeften zullen in de besteding worden meegenomen.
Deelt u de mening van advocaat Zegveld die stelt dat er geen verschil in slachtofferregeling zou hoeven zijn tussen Mosul en Hawija? Zo niet, kunt u dat beargumenteren?
Zoals uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026» is het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratiabetalingen) het leveren van maatwerk.5 Vrijwillige compensatie kan verschillende vormen aannemen en dient telkens nauwkeurig te worden afgestemd op de aard van de wapeninzet en geleden schade, binnen de context van het desbetreffende conflict. Deze variabelen zijn in elke situatie anders.
Inzake Mosul is de Kamer op 25 maart 2026 geïnformeerd over de hoofdconclusies van het interne onderzoek naar de luchtaanval op 22 maart 2016 te Mosul (Irak). Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van de Nederlandse wapeninzet in Mosul, heeft Defensie besloten de nabestaanden een vrijwillige financiële tegemoetkoming aan te bieden. Er was, met de kennis van nu, geen sprake van een legitiem militair doelwit. Bovendien heeft Defensie de geleden schade met grote waarschijnlijkheid eigenstandig in kaart kunnen brengen. Een tegemoetkoming is daarom gepast en uitvoerbaar.
In Hawija is daarentegen het standpunt van Defensie dat de aanval rechtmatig was. Het kabinet heeft destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau, om de redenen uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija, april 2026».6
Tot slot, wijs ik u op de lopende rechtszaak die slachtoffers en nabestaanden van de wapeninzet in Hawija hebben aangespannen tegen de Nederlandse Staat. In deze zaak buigt de rechtbank zich over de vraag of de gevolgen van de wapeninzet in Hawija te wijten zijn aan onrechtmatig handelen door de Staat. Defensie wacht de uitspraak van de rechtbank af.
Waarom was het bij andere oorlogen met burgerslachtoffers wel mogelijk om individuele schadevergoedingen uit te keren, en bij de slachtoffers van Hawija niet? Kunt u in uw antwoord ingaan op de voorbeelden die genoemd worden in het artikel van de Groene Amsterdammer, Investico en BOOS?
Zie het antwoord op de bovenstaande vraag. In het specifieke geval van Afghanistan heeft Nederland, net als meerdere partnerlanden, in de periode 2002–2021 vrijwillige betalingen uitgekeerd.7 De aard van de inzet in Afghanistan was een andere dan die in Irak tegen ISIS. In Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijding van ISIS. Dit verschil in karakter van de missie is van invloed op de overwegingen ten aanzien van vrijwillige tegemoetkomingen.
Het is tevens voorgekomen dat na een rechterlijke uitspraak Nederland alsnog individuele schadevergoedingen heeft toegekend, zoals eerder is gedaan naar aanleiding van rechtszaken die zijn aangespannen door slachtoffers en/of nabestaanden uit Srebrenica (Bosnië) en Chora (Afghanistan).
Bent u bereid om alsnog te onderzoeken op welke manier individuele compensatie van slachtoffers van het bombardement in Hawija uitgekeerd kan worden met de beschikbare informatie over slachtoffers van het bombardement die tot nu toe nog niet is betrokken?
Nee. Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u deze vragen in ieder geval beantwoorden voor het plenaire debat over het addendum op het rapport van de Commissie onderzoek wapeninzet Hawija?
Ja.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Ja
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Ja
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Voor racisme en discriminatie is binnen Defensie geen plek. Ik betreur het feit dat deze militairen het gevoel hebben dat hun meldingen onvoldoende zijn opgepakt. Om beeld te krijgen bij de ervaringen, ben ik recentelijk in gesprek geweest met het Multicultureel Netwerk Defensie.
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
Elke medewerker moet zich veilig, gerespecteerd en gelijkwaardig kunnen voelen. Ik neem deze signalen dan ook heel serieus. Ik wil benadrukken dat racisme, discriminatie niet getolereerd worden binnen Defensie. Daarnaast is hierbij ook sprake van een wettelijk verbod, zoals opgenomen in onze Grondwet.
Ik herken en erken dat het voor komt voor dat medewerkers het lastig vinden om ongewenst gedrag te melden. Uit onderzoek blijkt dat medewerkers het lastig vinden om ongewenst gedrag te melden, vanwege angst op mogelijke gevolgen voor de eigen loopbaan of die van anderen als ook de twijfels over de wijze waarop een melding wordt behandeld.
Om deze twijfels of angst zo snel mogelijk bespreekbaar te maken en weg te nemen bij melders, beschikt Defensie over een uitgebreid netwerk van gekwalificeerde vertrouwenspersonen. Deze vertrouwenspersonen zijn voor alle defensiemedewerkers laagdrempelig en vrijblijvend benaderbaar en ondersteunen melders gedurende het gehele meldproces. Onze vertrouwenspersonen zijn opgeleid om melders een luisterend oor te bieden, kunnen het verloop van het meldproces toelichten en hen adviseren over hoe zij met de situatie willen omgaan. Hiernaast werkt Defensie aan het verder vereenvoudigen van het meldproces en het verzorgen van duidelijke communicatie hierover. Dit om twijfels over het verloop van het meldproces zoveel mogelijk weg te nemen en de drempel om te melden zo laag mogelijk te houden. Daarnaast is er een onafhankelijk meldpunt voor Defensie, het Meldpunt Integriteit Defensie (MID). Bij het MID kunnen alle defensiemedewerkers een melding doen, onafhankelijk van de lijn. Ook heeft Defensie een Commissie Ongewenst Gedrag (COG). De commissie bestaat uit onafhankelijke onderzoekers die verder verwijderd staan van de eenheid of afdeling waar het onderzoek plaatsvindt
We zetten specifiek in het licht van voorgaande specifiek in op het verhogen van culturele sensitiviteit bij medewerkers werkzaam in het meldproces en faciliteren een inclusief netwerk van vertrouwenspersonen. DO’n zorgen voor een zo divers mogelijke groep vertrouwenspersonen, waarbij in het bijzonder aandacht is voor ondervertegenwoordigde groepen zoals medewerkers met een bi culturele
achtergrond.
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
Van al het personeel, maar zeker leidinggevenden wordt verwacht dat zij optreden tegen dit soort gedrag. Zij zijn immers verantwoordelijk voor de sociale veiligheid op de werkvloer. Defensie tolereert geen normvervaging en glijdende schaal in gedragingen en of uitingen. Leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor een s veilige werkomgeving op de werkvloer en dienen mensen aan te spreken, het gesprek te faciliteren en zorgdragen voor een veilige werkomgeving en worden hierop beoordeeld in de beoordelingscyclus. Bij het niet naleven en oppakken van zwaarwegende signalen rondom sociale veiligheid, kan een leidinggevende aangesproken worden en worden in voorkomend geval verdere maatregelen getroffen. U kunt hier denken aan hantering tuchtrecht en integriteitsmeldingen.
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
In het integriteitsbeleid is beschreven wat de taak, rol en verantwoordelijkheid is van leidinggevenden op integriteit en sociale veiligheid, waaronder het bevorderen van een veilige werkomgeving. Het bespreken van hoe zij hier invulling aan geven werkt daarmee door in de functionerings- en beoordelingsgesprekken die gevoerd worden met leidinggevenden binnen Defensie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250 nr. 422).
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Elke defensiemedewerker kan bij de eigen leidinggevende terecht om een melding te doen. De medewerker kan zich hierbij laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. De leidinggevende zet de melding door aan de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID). In het geval iemand geen melding wil of kan doen bij de eigen leidinggevende is het altijd mogelijk om een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID). Het MID is een extern meldpunt, bemenst door medewerkers van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP). Het MID staat melders te woord, registreert de melding en zet deze, na toestemming van de melder, door aan de COID. Een integriteitsadviseur van de COID adviseert de melder en het bevoegd gezag over de verdere behandeling van de melding. Alle meldingen die via het MID of leidinggevenden binnenkomen worden geregistreerd in het registratiesysteem van de COID.
In de afgelopen vijf jaar heeft de COID 82 meldingen geregistreerd over mogelijke racistische incidenten binnen Defensie of uitingen op social media door Defensie medewerkers. Iedere melding wordt behandeld via de daarvoor geldende procedure; wanneer de telastlegging aannemelijk is, kunnen maatregelen variëren van berispingen, opgelegde functioneringstrajecten, ontslag of een cultuuronderzoek.
De meest toegepaste maatregel, op basis van een melding over racisme, is het voeren van één of meerdere bewustwordingsgesprekken. Tijdens een bewustwordingsgesprek wordt de betrokken medewerker geconfronteerd met de eigen gedragingen en de effecten die dit heeft op anderen en de beeldvorming over Defensie. Als de melder openstaat voor een gesprek met de beschuldigde kan dit onderdeel zijn van een bewustwordingsgesprek. Met deze maatregel probeert Defensie zoveel mogelijk rekening te houden met de belangen van alle betrokkenen, medewerkers verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun eigen gedrag, hiervan te leren en situaties op een zorgvuldige en rechtvaardige manier op te lossen.
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
Leidinggevenden vervullen hier een belangrijke rol en zijn een voorbeeldfunctie voor de medewerkers. Zoals in mijn antwoord op vraag 6 aangegeven zijn zij verantwoordelijk voor het zorgdragen voor een veilige werkomgeving. In onze Gedragsregels is vastgelegd dat wij elkaar aanspreken bij ongewenst gedrag. Wij spreken elkaar aan op ongewenst gedrag en medewerkers die hiervoor tevens de verantwoordelijkheid dragen, onder meer door het voeren van bewustwordingsgesprekken of het nemen van rechtspositionele maatregelen.
Elke defensiemedewerker die een melding doet heeft recht op bescherming tegen benadeling. Wanneer een melder toch benadeling ervaart kan dit kenbaar gemaakt worden in de lijn of bij een vertrouwenspersoon. In eerste instantie wordt de situatie dan met betrokkenen besproken en de leidinggevende, met als doel de situatie op te lossen en te de-escaleren. Indien nodig kan de leidinggevende maatregelen nemen om de benadeling te beëindigen en eventueel sancties te nemen.
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Ik vind het belangrijk dat elke defensiemedewerker een melding kan indienen, onafhankelijk van de lijn. Hiervoor is in 2020 het MID ingericht, dat extern bemenst wordt door medewerkers van het CAOP. Onderzoeken naar integriteitsschendingen of misstanden vinden ook onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaats. Deze worden door de COID uitgevoerd of, in voorkomend geval, door een externe onderzoekscommissie. De objectiviteit van de COID is gewaarborgd doordat zij buiten de hiërarchische lijn is geplaatst, direct onder de secretaris-generaal (als «Bijzondere Organisatie Eenheid»).
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Ja, die mening deel ik. Dit soort uitspraken zijn verschrikkelijk en volstrekt onacceptabel.
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Ik doe in het openbaar geen inhoudelijke uitspraken over de behandeling en het onderzoeken van individuele meldingen. Het integriteitsbeleid en de meld- en onderzoeksrichtlijnen eisen dat alle betrokkenen open en eerlijk informatie delen, ongeacht eventuele consequenties. Medewerkers die bij een onderzoek betrokken zijn, mogen geen uitspraken doen over mogelijke gevolgen; die liggen bij het bevoegd gezag. De onderzoeker en adviseur registreren de verkregen informatie zorgvuldig en doen een advies aan het bevoegd gezag, dat de uiteindelijke maatregelen neemt en hierover communiceert met de betrokkenen. Voor rechtspositionele beslissingen wordt het bevoegd gezag geadviseerd door de afdeling Rechtspositie.
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Er zijn reeds gesprekken gevoerd met betrokkenen en in één geval de klacht van de betrokkene laten onderzoeken door een Commissie Ongewenst Gedrag. Defensie heeft excuses aangeboden en passende rechtspositionele vervolgacties doorgevoerd. Ook zijn er in goed overleg aanvullende afspraken gemaakt.
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Uw Kamer is hier reeds meermaals over geïnformeerd, daarvoor verwijs ik u naar Kamerstuk 35 000 X, nr. 144; Kamerstuk 2023Z12558; Kamerstuk 2023D32725 en Kamerstuk 35000-X-76.
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Sinds het uitkomen van het artikel in 2023 zijn er op basis van (wetenschappelijk) onderzoek, (beleids-)evaluaties en interne en externe ontwikkelingen maatregelen genomen voor het optimaliseren van het meldproces en de omgang en bescherming van melders.
Zo zijn er maatregelen genomen om het meldlandschap binnen Defensie te vereenvoudigen en te verbeteren. Dit heeft onder andere geleid tot het bijscholen van vertrouwenspersonen in het ondersteunen bij arbeidsconflicten, het trainen van adviseurs en onderzoekers van de COID. Daarnaast worden de mogelijkheden onderzocht om het MID door te ontwikkelen naar een volwaardige externe commissie met meer mandaat en bevoegdheden.
Tevens heeft Defensie de Erasmus Universiteit de opdracht gegeven om de ervaringen binnen Defensie met het meldproces voor integriteitsschendingen te onderzoeken. De resultaten hierover worden binnenkort verwacht en worden gebruikt om de opzet, uitvoering en ondersteuning omtrent het meldproces te verbeteren. Ik zal uw Kamer informeren over de inzichten uit het onderzoek en eventuele maatregelen die wij op basis hiervan nemen.
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
De afgelopen 15 jaar zijn er veel onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie gepubliceerd en verzonden. Een overzicht genereren van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven vergt meer tijd. Om uw vraag goed en duidelijk te beantwoorden beperk ik mij voor nu tot de onderzoeken en Kamerbrieven van de afgelopen 15 jaar, die hebben geleid tot de meest betekenisvolle, Defensiebrede inzichten en verbeteringen.
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Defensie heeft in 2024 het «Beleidskader Diversiteit & Inclusie» uitgebracht. Dit beleidskader is naast wet- en regelgeving gebaseerd op een grote hoeveelheid (wetenschappelijke) inzichten van nationale en internationale organisaties. Hierbij gaat het onder meer om andere Nederlandse Ministeries, buitenlandse krijgsmachten, (inter)nationale universiteiten, TNO en de Sociaal Economische Raad. Tevens is Defensie actief lid van het Interdepartementaal Netwerk Aanpak Racisme (INAR), waar recent de beleids- en effectrapportage over de aanpak van discriminatie en racisme is besproken.
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In het hiervoor genoemde beleidskader Diversiteit & Inclusie zijn concrete maatregelen beschreven om racisme en discriminatie aan te pakken. Zo wordt in het kader van bewustwording jaarlijks de Internationale dag tegen racisme en discriminatie georganiseerd. Ook wordt in opleiden en trainen waar passend aandacht gegeven aan racisme en discriminatie, zowel in reguliere opleidingen als in specifieke trainingen. In het kader van «Breed werven en objectief selecteren» is er een handreiking ontwikkeld en worden pilot trainingen georganiseerd. Het inclusiebelevingsonderzoek van 2025, zorgt ervoor dat het uitvoeringsplan en de activiteiten verder aangescherpt kunnen worden. Hierin wordt mede geadviseerd door de interne Personeelsnetwerken, zoals Multicultureel Netwerk en Vrouw & Defensie. Daarnaast worden de Gedragscode en -regels geactualiseerd. Hierbij wordt onder andere het advies ingewonnen van het Multicultureel Netwerk Defensie. Het voornemen is om in de geactualiseerde Gedragscode (nog) explicieter op te nemen dat er binnen Defensie geen plek is voor discriminatie en racisme. Defensie voert tweejaarlijks een interne peiling uit omtrent de meldingsbereidheid van defensiemedewerkers. De afgelopen jaren hebben deze peilingen een meldingsbereidheid van meer dan 80% laten zien. De laatste peiling dateert uit 2024. In 2026 zal wederom een peiling worden uitgevoerd. Ik laat de uitkomsten opnemen in het Jaarverslag Integriteit Defensie over 2026.
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Er is contact tussen de Staatscommissie en Defensie geweest over het opnemen van de discriminatietoets als tool binnen de uitvoering van het Diversiteit & Inclusie beleid en anti-discriminatieprogramma’s. Defensie onderzoekt hoe de Discriminatietoets binnen Defensie kan worden ingezet.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
Ja. Dit zal ik doen via het Jaarverslag Integriteit Defensie.
Het bericht 'Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking ‘propaganda’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in The Guardian getiteld «Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking «propaganda»»?1
Ja.
Zijn er Nederlandse militairen aanwezig geweest bij deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom waren ze bij deze gesprekken? Wat brachten ze (eventueel) in namens Nederland?
Dergelijke gesprekken worden onder andere gevoerd met hooggeplaatste functionarissen binnen de NAVO, van wie een deel de Nederlandse nationaliteit kan hebben. Deze functionarissen schuiven aan vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en inhoudelijke expertise, en spreken niet namens Nederland.
Wat was het doel van deze gesprekken? Waarom heeft de NAVO deze gesprekken georganiseerd?
Om berichtgeving over de NAVO zo actueel mogelijk te houden, is het voor televisie- en filmproducenten interessant om meer te weten te komen over wat de NAVO doet en hoe de besluitvorming binnen de NAVO werkt.
Wie waren aanwezig bij deze gesprekken? Kan de Kamer de deelnemerslijst ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van de deelnemerslijst aangezien dit een NAVO-aangelegenheid betreft.
Kunnen de gespreksverslagen van deze bijeenkomst naar de Kamer worden gestuurd? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van gespreksverslagen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
In het artikel wordt gesteld dat deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten zouden hebben geresulteerd in «drie afzonderlijke projecten», kan de Kamer een beschrijving van deze drie projecten ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van een beschrijving van de drie projecten. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Vindt u het wenselijk, gepast en logisch voor de NAVO om zich bezig te houden met het werk van televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom?
Het kabinet steunt de NAVO volmondig bij het publiekelijk communiceren over de doelstellingen en activiteiten van het bondgenootschap. Het kabinet acht het waardevol dat de NAVO zich binnen de daarvoor geldende kaders zo open en transparant mogelijk opstelt naar het publiek, de media en andere actoren in het publieke domein. De NAVO beschermt al sinds de oprichting de vrije en democratische samenleving, door de vrede en veiligheid binnen het gehele bondgenootschap te bewaken. In die vrije samenleving staat het geïnteresseerden vrij om met de NAVO in gesprek te gaan over de belangrijke uitdagingen die voor ons liggen, en staat het televisie- en filmproducenten vrij om de door de NAVO verschafte informatie naar eigen inzicht te gebruiken.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de schepen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht.
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Het standpunt van het kabinet is dat de exclusiviteit van rechtsmacht van de vlaggenstaat op volle zee met zich mee brengt dat niet zonder (voorafgaande) toestemming van de vlaggenstaat handhavend kan worden opgetreden tegen vreemde (koopvaardijschepen en daarmee gelijkgestelde) schepen op volle zee. Het internationaal recht erkent enkele uitzonderingen hierop, die volgens het kabinet niet van toepassing waren op de huidige situatie. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Verder heeft het kabinet aan de Griekse en Cypriotische autoriteiten verzocht Nederlandse deelnemers aan de Flotilla in nood desgevraagd bij te staan.
Verder ligt in algemene zin de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Ja. Het kabinet deelt de zorgen over de beperkte humanitaire toegang. In Gaza zijn tekorten aan vrijwel alles, van voedsel en water tot medische zorg en onderdak. Tegelijkertijd zien we dat de grensovergangen slechts zeer beperkt geopend zijn, en dat hulporganisaties zich geconfronteerd zien met restricties die hun operaties ernstig bemoeilijken.
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het kabinet zet zich in om de situatie in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever te verbeteren, en doet dit door een combinatie van druk en dialoog in zowel bilateraal als multilateraal verband. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van februari 2026 onderstreept dat de ontwikkelingen in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israëlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen. In de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd duidelijk dat er voor maatregelen, zoals het (gedeeltelijk) opschorten van het associatieakkoord, vooralsnog niet de benodigde meerderheid bestaat. Op 22 mei jl. heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de Nederlandse inzet op dit vlak nogmaals benadrukt. Diverse moties indachtig blijft het kabinet toewerken naar draagvlak hiervoor.
Op gebied van humanitaire hulp in het bijzonder, blijft het kabinet er bij Israël op aandringen om professionele hulporganisaties, zoals de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s ongehinderde humanitaire toegang te verschaffen. Ook hier oefent Nederland druk uit op alle niveaus, zowel bilateraal als multilateraal. In dit kader blijft het kabinet zich ervoor inspannen dat Israël zijn herregistratieplicht voor internationale ngo’s niet implementeert. Zo heeft de Minister-President zijn gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moet openstellen voor humanitaire hulp. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dit nogmaals benadrukt in het gesprek met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 15 april jl.
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Op 13 mei 2026 is een verzoek op grond van de Wet Open Overheid (WOO) van gelijke strekking ingediend. Bij dit verzoek is er om openbaarmaking van dezelfde documenten verzocht. Naar verwachting zal het besluit op dit WOO-verzoek in de zomer volgen, waarmee de informatie waar mogelijk openbaar zal zijn. Ik zal het besluit op het WOO-verzoek met uw Kamer delen.
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Het gevangeniswezen in Oekraïne betreft, wanneer het over de gevangenispopulatie gaat, een van de grotere systemen in Europa.3
Het gevangeniswezen van Oekraïne staat onder directe druk door de aanhoudende oorlog en de situatie in de door het conflict getroffen en/of risicovolle gebieden: van de 91 bestaande gevangenissen zijn er zeven door Rusland bezet, zijn er twee volledig verwoest en hebben er twaalf aanzienlijke schade opgelopen. Sinds 2022 heeft Oekraïne twaalf gevangenissen en ongeveer 4000 gevangenen moeten verplaatsen. Oekraïne heeft aangegeven dat er een groot tekort is aan materieel binnen het gevangeniswezen, waaronder transportcapaciteit voor gedetineerden. Oekraïne heeft via Europris – de Europese netwerkorganisatie voor het gevangeniswezen – een oproep gedaan om hulp van andere Europese landen op dit gebied. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zag hierop de mogelijkheid om twintig, in Nederland reeds afgeschreven, gedetineerden bussen te schenken. Deze gebruikte bussen helpen om transport van gedetineerden veilig en humaan te organiseren en het schenken daarvan past bij de steun van dit Kabinet aan Oekraïne.
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Ja.
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De bussen zijn overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen voor specifiek gebruik binnen detentie en transport van gedetineerden. Met deze bussen kan Oekraïne zorgdragen voor het veilig en humaan vervoeren van gedetineerden. De bussen zijn hiervoor ontwikkeld en met dit doel heeft Nederland de bussen geschonken. Nadat de bussen zijn overgedragen is Oekraïne de eigenaar geworden van de bussen.
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van vraag 5 aangegeven zijn de bussen overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne specifiek voor de inzet binnen detentie en het transport van gedetineerden zodat dit veilig en humaan kan plaatsvinden. Het Ministerie van Justitie van Oekraïne is daarmee verantwoordelijk voor de wijze waarop deze bussen ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen worden ingezet. De mobilisatie wordt in Oekraïne uitgevoerd door het Ministerie van defensie.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Zie antwoord vraag 6.
De artikelen 'Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af' en 'Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af»1 en «Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de opstelling van de directeur van de Biënnale die stelt dat de Biënnale boven geopolitieke conflicten staat en dat kunst de dialoog op gang brengt?
Het kabinet gaat niet in op uitspraken van de directeur van een autonome culturele instelling. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de aanwezigheid van Rusland ten zeerste veroordeeld, net als vele andere Europese Ministers. Tegelijkertijd is het evenement benut om steun te betuigen aan Oekraïne.
Is over de aanwezigheid van het Koninklijk paar bij de opening een bewust besluit genomen waar u als Minister van Buitenlandse Zaken bij betrokken was? Zo ja, is kunt u toelichten wat uw afweging was om hiermee in te stemmen?
Er is afstemming geweest binnen het kabinet over de aanwezigheid van het Koninklijk Paar en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening van het Nederlandse paviljoen voorafgaand aan de opening, gezien het zestigste jubileum van de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale. Er was geen Nederlandse delegatie aanwezig bij de algemene opening van de Biënnale.
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne. Zo hebben het Koninklijk Paar en de Minister een ontmoeting gehad met de Oekraïense Minister van cultuur.
Tegelijkertijd is de Biënnale één van de belangrijkste evenementen op de internationale culturele agenda. De Biënnale is in essentie het platform van kunstenaars, waarbij artistieke vrijheid belangrijk is. Die vrijheid moeten we beschermen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is er ook geweest om dat te benadrukken.
Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen en tegelijkertijd te blijven benadrukken dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren.
Deelt u de zorg dat de aanwezigheid van het staatshoofd bij de opening van een evenement waar tegelijkertijd officiële, door het Kremlin gefinancierde kunst te zien is, onbedoeld een signaal van legitimering of normalisering van de Russische aanwezigheid kan afgeven?
Zoals eerder benoemd is deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen voor Nederland onaanvaardbaar. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, samen met 21 andere Europese cultuurministers en in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een protestbrief gestuurd aan de organisatoren van de Biënnale en een verklaring ondertekend vanuit Oekraïne tegen de deelname van Rusland. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne.
Er zijn daarnaast verschillende maatregelen genomen om interactie met Rusland te voorkomen in overeenstemming met bestaand beleid. Uiteraard waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending vanzelfsprekend niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl. Ook heeft Nederland niet deel genomen aan de algemene opening van de Biënnale op 9 mei jl. Daarnaast heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in haar openingsspeech van het Nederlands paviljoen ook nog expliciet aangegeven dat de Russische deelname aan de Biënnale voor Nederland onacceptabel is.
Hoe rijmt u de aanwezigheid van het staatshoofd met het Nederlandse beleid om Rusland internationaal zoveel mogelijk te isoleren zolang de agressieoorlog in Oekraïne voortduurt?
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen, Oekraïne te ondersteunen en tegelijkertijd aan te geven dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren. Ook werd elk contact vermeden met de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending. Tevens waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl.
Als de Biënnale boven geopolitieke conflicten gaat, hoe rijmt u dat dan met de opstelling van de jury om geen prijzen toe te kennen aan landen die door het Internationaal Strafhof worden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de deelname van Rusland aan de Biënnale, een land dat een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, sinds 2022 om die reden is uitgesloten van deelname en nu deelneemt met een volledig door de Russische regering gefinancierde delegatie kunstenaars?
Zoals eerder benoemd is deelname vanuit Rusland aan internationale culturele evenementen onaanvaardbaar. Hierover heeft Nederland zich uitgesproken, zie hiervoor vraag 4.
Wat zegt u dit over hoe Italië kijkt naar de Russische oorlog in Oekraïne, aangezien ook bij de paralympics in Milaan opeens Russische sporters weer onder Russische vlag mochten deelnemen? Is dit onderwerp van gesprek met uw Italiaanse counterpart?
Italië is gastland van de Biënnale en afgelopen jaar van de Paralympics. Beide events worden georganiseerd door onafhankelijke organisaties, namelijk het bestuur van de Biënnale en het Internationaal Paralympisch Comité (IPC). De internationale sport en cultuursector opereren autonoom. Besluiten van internationale sportfederaties of cultuurinstellingen over deelname aan internationale evenementen zijn in beginsel aan hen, en die autonomie hebben wij te respecteren.
Italië heeft ook haar onvrede uitgesproken over deelname van Rusland aan de Biënnale en de paralympics en heeft het bestuur van de Biënnale en het IPC opgeroepen het besluit te herzien, in overeenstemming met andere landen en de Europese Commissie. Verder heeft zij ook aangegeven als gastland in gesprek te zijn met beide organisaties en na te gaan in hoeverre zij druk kunnen uitoefenen om tot herziening van besluit te komen. Over beide evenementen heeft Nederland in nauw contact gestaan met Europese partners inclusief Italië.
Deelt u de analyse dat in het huidige autocratische Rusland kunst en cultuur nooit losstaan van de staat, maar juist door het Kremlin worden ingezet als instrument voor (binnenlandse) propaganda en het normaliseren van een paria-status?
Het kabinet deelt de analyse dat het Kremlin kunst en cultuur actief inzet als instrument van de staat. Onder president Poetin is de ruimte voor onafhankelijke kunst en cultuur sterk ingeperkt en worden grote, door de staat gesteunde instellingen en projecten nadrukkelijk gebruikt voor binnenlandse propaganda, imperiale beeldvorming en het legitimeren van het huidige beleid.
Tegelijk is het belangrijk te onderstrepen dat niet alle Russische kunstenaars en culturele instellingen met het regime vereenzelvigd kunnen worden. Er zijn nog altijd onafhankelijke en kritische stemmen, zowel binnen Rusland als in de ballingschap. Onder grote druk en risico’s blijven zij hun werk voortzetten.
Deelt u de mening dat het toestaan van een officiële Russische delegatie ontmoedigend is voor de Oekraïense bevolking die vecht voor hun en onze vrijheid, omdat Rusland hiermee als een gelijkwaardige partner wordt behandeld?
Oekraïne heeft delegaties van andere landen actief verzocht om aanwezig te zijn bij de Biënnale, om een tegengeluid te geven aan de Russische deelname. Nederland heeft mede daarom ervoor gekozen om aanwezig te zijn en Oekraïne in hun oproep te steunen.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het opschorten van Europese subsidies aan de Biënnale zolang een officiële Russische delegatie wordt toegelaten, in lijn met de eerdere waarschuwing van de Europese Commissie?
De Commissie heeft in de Raad Buitenlandse Zaken van april aangegeven dat het besloten heeft om de EU-financiering aan de Biënnale stop te zetten. Zoals eerder benoemd betreurt Nederland de deelname van Rusland aan de Biënnale. Nederland heeft het bestuur van de Biënnale in EU-verband opgeroepen het besluit om Rusland toe te laten te herzien.
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht: 'Sweden Drops Use of the Term Islamophobia' |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sweden Drops Use of the Term «Islamophobia»»?1
Ja.
Klopt het dat Zweden niet langer de term Islamofobie gebruikt?
De Zweedse regering heeft in december 2024 een actieplan tegen racisme en haatmisdrijven aangenomen. Uit dat actieplan wordt duidelijk dat het begrip antimoslimracisme het begrip islamofobie vervangt in alle officiële communicatie.
Zoals de Zweedse Minister van Buitenlandse Zaken op 24 april jl. aan het Zweeds parlement heeft toegelicht, zijn de redenen daarvoor dat het woord «fobie» doet denken aan irrationele angsten van individuele personen, in plaats van aan discriminatie, uitsluiting en racisme. Bovendien kan het begrip de indruk wekken dat het uitsluitend gaat om de opvatting over de islam als religie en niet om de opvatting over moslims.
Klopt het dat Zweden ook binnen de verschillende gremia van de EU nu aandringt om deze term niet langer te gebruiken?
Ook binnen de EU heeft de verandering van «islamofobie» naar «anti-moslim discriminatie» of «anti-moslim-haat» al plaatsgevonden en gebruik van deze aanduidingen is inderdaad staand EU beleid.
Indien dat het geval is kunt u ons toezeggen dat de Nederlandse regering dat verzoek van Zweden steunt? Zo nee waarom niet?
Nederland steunt een breed gedragen uniforme omschrijving binnen de Europese Unie voor de beschrijving van discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. Deze benadering richt zich niet op het beschermen van religies als zodanig, maar op het beschermen van individuen en hun fundamentele rechten. De Zweedse benadering sluit aan bij de bestaande Nederlandse en Europese praktijk.
Los van dit nieuwsbericht over Zweden, is het Nederlandse kabinet bereid de term Islamofobie te schrappen en juist ruimte te geven aan de vrijheid van meningsuiting en religie kritiek? Zo nee waarom niet?
Binnen de Europese Unie is het reeds staande praktijk om de term «anti-moslimhaat» te gebruiken voor discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. In internationale context is dat eveneens de term die Nederland hanteert. In binnenlandse context hanteert Nederland de term «moslimdiscriminatie». Moslimdiscriminatie is wanneer iemand negatief bejegend, uitgesloten of achtergesteld wordt vanwege het feit dat diegene (vermeend) moslim is.2 Voor Nederland is het essentieel dat het tegengaan van haat en discriminatie hand in hand gaat met het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting.
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.