UN special rapporteurs |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigend onderzoeksrapport (1) inzake de objectiviteit van UN special rapporteurs?1
Ja.
Wilt u puntsgewijs en gedocumenteerd aangeven in hoeverre u de kritiekpunten uit het rapport herkent en beoordeelt?
Wilt u puntsgewijs en onderbouwd aangeven wat u vindt van alle aanbevelingen van het rapport?
Wat is, gespecificeerd per rapport van de genoemde UN special rapporteurs, uw oordeel over de waarde van elk van die rapporten? Welke reserves heeft u over ieder individueel rapport?
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van het rapport van UNWatch?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om het Nederlandse uitgangspunt ten aanzien van Speciaal Rapporteurs fundamenteel te wijzigen. Nederland zal zich blijven inzetten voor een effectief en onafhankelijk systeem van Speciaal Rapporteurs en zal daarbij het belang van objectiviteit, integriteit en naleving van de gedragscode blijven benadrukken. Indien het kabinet het nodig acht zal het in gesprek gaan met Speciaal Rapporteurs om eventuele zorgen over te brengen.
Het artikel 'In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval»?1
Is het correct dat Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, een lijst met potentiële doelwitten in Europa heeft gepubliceerd?
Is het correct dat op deze lijst ook «dronefabriek Destinus» in Hengelo staat?
Staat deze dronefabriek in Hengelo? Produceert deze fabriek drones voor Oekraïne?
Kan Rusland, bijvoorbeeld met de Oreshnik, deze dronefabriek uitschakelen?
Heeft Nederland de militaire capaciteit om een Oreshnik die wordt afgeschoten vanuit Rusland op deze dronefabriek te onderscheppen?
Is het correct dat de (woon)wijk De Nijverheid, op slechts anderhalve kilometer van deze dronefabriek ligt?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – specifiek in de (woon)wijk De Nijverheid, mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte tijd – en dus de maximale waarschuwingstijd voor bewoners in de omgeving – tussen het moment waarop de Oreshnik wordt gelanceerd en het moment waarop de raket de dronefabriek treft?
Is het, wat u betreft, wenselijk en redelijk, dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de burgers van Hengelo en de bewoners van De Nijverheid in het bijzonder aan deze risico’s worden blootgesteld omdat er een dronefabriek gevestigd is in Hengelo die drones produceert voor een oorlog die, in ieder geval wat Forum voor Democratie betreft, niet onze oorlog is?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn en afzonderlijk beantwoorden?
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
Het bericht 'VS wil meer NAVO-landen kernwapens laten huisvesten, Oost-Europa dringt aan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de VS onderzoekt om meer NAVO-landen Amerikaanse kernwapens te laten stationeren?1
Het kabinet is niet bekend met een concreet Amerikaans voorstel en doet hier dus ook geen verdere uitspraken over.
Wel is het, in het kader van de versterking van de geloofwaardigheid, effectiviteit en veiligheid van de nucleaire en conventionele afschrikking van de NAVO, belangrijk om te benadrukken dat er sinds 2014 wordt gesproken over de versterking van deze afschrikking. Tijdens de NAVO Defence Ministers Meeting (DMM) van 18 juni jl. werd over de nucleaire dimensie gesproken in de zogenoemde Nuclear Planning Group (NPG). Na afloop ging een korte verklaring uit waarin bevestigd wordt dat NAVO blijft werken aan het versterken van de nucleaire afschrikkingsmissie om zijn veiligheidsbelangen te bereiken.2 Nadere details van deze bijeenkomst worden in het openbaar niet gedeeld.
Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Met welke landen is de VS hierover in overleg?
Het kabinet doet geen mededelingen over bilaterale gesprekken van de VS. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat President Trump in zijn eentje kan besluiten tot inzet van deze kernwapens? Zo ja, wat is de reactie van het kabinet daarop?
Besluitvorming over de nucleaire afschrikking van de NAVO vindt plaats in de NPG, de Nuclear Planning Group, en gebeurt op basis van consensus.3
We doen geen uitspraken over de details van besluitvorming over de inzet van nucleaire wapens binnen de NAVO. Dit heeft te maken met veiligheidsoverwegingen.
Kunt u bevestigen dat tactische kernwapens bedoeld zijn voor inzet in Europa? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dat van eventuele offensieve en defensieve inzet in Europa? Zo nee, welk doel hebben deze kernwapens dan?
Het fundamentele doel van de nucleaire capaciteit van de NAVO is om de vrede te bewaren, dwang te voorkomen en agressie af te schrikken. Nucleaire wapens kunnen overal ter wereld worden ingezet. Het afschrikkingsbeleid van de NAVO is erop gericht dat kernwapens nooit hoeven worden ingezet.
In hoeverre is dit in lijn met het Non-Proliferatie Verdrag?
In meer algemene zin, en dus niet verbonden aan deze specifieke vraag, geldt dat de zogeheten nuclear sharing arrangements binnen de NAVO reeds decennia bestaan en volledig in lijn zijn met het Non-proliferatie Verdrag (NPV).4 Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna. Kernwapens op het grondgebied van NAVO-bondgenoten blijven te allen tijde onder de nationale controle van een kernwapenstaat.
Wat is de positie van het kabinet op dit mogelijke voorstel? Hoe verhoudt dit zich tot het nucleaire samenwerkingsprogramma met Frankrijk?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Voor de samenwerking met Frankrijk verwijs ik u naar de brief d.d. 2 maart jl. (Kamerstuk 33 279-40).
Is het stationeren van extra kernwapens in Europese landen een bilaterale aangelegenheid of NAVO-beleid?
Juridisch bindende afspraken over eventuele stationering van kernwapens in een land bestaan uit een combinatie van bilaterale en multilaterale afspraken. Op grond van bondgenootschappelijke afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over eventuele bilaterale of multilaterale overeenkomsten die verband houden met de kernwapentaak van Nederland in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging.
Wat is uw perspectief op het scenario waarin meer Europese landen Amerikaanse kernwapens stationeren, terwijl de ambitie is om militair minder afhankelijk te worden van Amerika?
De Amerikaanse nucleaire paraplu, waar de nuclear sharing arrangements een onderdeel van zijn, is een essentieel en onmisbaar onderdeel van NAVO’s afschrikking en verdediging. Het kabinet is van mening dat de versterking van NAVO’s nucleaire afschrikking essentieel is voor de veiligheid binnen het NAVO verdragsgebied. We doen geen uitspraken over de details van besluitvorming over de inzet van nucleaire wapens binnen de NAVO. Dit heeft te maken met veiligheidsoverwegingen.
Welke tegenmaatregelen verwacht het kabinet vanuit Rusland als de VS hiertoe over gaat? Wat betekent dit voor de veiligheid van Europa?
Zie het antwoord op vraag 1. Het kabinet is niet bekend met een concreet Amerikaans voorstel en doet hier dus ook geen verdere uitspraken over. Het nucleaire beleid van de NAVO is gericht op de afschrikking van Rusland.
Denkt u dat het stationeren van kernwapens dicht bij de Russische grens bijdraagt aan de-escalatie en een diplomatieke oplossing voor de oorlog in Oekraïne? Zo nee, wat gaat u daaraan doen? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen voor de aanstaande NAVO-top? Zo nee, waarom niet?
NAVO’s nucleaire afschrikking stond reeds op de agenda van de Defence Ministers Meeting(DMM) van 18 juni jl. Zie het antwoord op vraag 1.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan Debat over de Europese top op 16 juni?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De mogelijke ontmanteling van oceaninsche monitoringsystemen door de Verenigde Staten en de gevolgen voor het AMOC-onderzoek |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de regering-Trump voornemens is oceanische monitoringssystemen te ontmantelen, waaronder de systemen in de Irminger Zee die van cruciaal belang zijn voor het monitoren van de Atlantische Meridionale Omwentelingsstroming (AMOC)?1
Deelt u de opvatting dat de genoemde monitoringssystemen onmisbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar de AMOC, en dat ontmanteling ervan de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van AMOC-voorspellingen ernstig zou ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de Amerikaanse overheid om deze monitoringssystemen te ontmantelen, en wat zijn de consequenties van het stoppen voor Nederland en Europa?
Bent u bereid deze kwestie expliciet aan de orde te stellen in bilaterale contacten met de Verenigde Staten en daarbij de Nederlandse en Europese zorgen over het mogelijke verlies van onvervangbare wetenschappelijke kennis en meetdata kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de uitspraak van NIOZ-directeur Han Dolman dat de Amerikanen op het gebied van dit soort internationale wetenschappelijke projecten «een onbetrouwbare partner zijn geworden», en deelt u deze kwalificatie? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de wetenschappelijke samenwerking met de VS op het gebied van klimaatonderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of het, in nationaal dan wel Europees verband, mogelijk is financiering beschikbaar te stellen teneinde de continuïteit van deze monitoringssystemen te waarborgen en ontmanteling ervan te voorkomen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat na 2028 nog geen financiering beschikbaar is voor de boeien van het NIOZ, en dat ook in Canada en het Verenigd Koninkrijk onderzoekers naarstig zoeken naar middelen om hun eigen meetnetwerken overeind te houden? Wat doet u om de continuïteit van de Nederlandse bijdrage aan dit mondiale meetnetwerk na 2028 veilig te stellen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en binnen de geldende termijn?
De dood van Henry Nowak als gevolg van etnisch gemotiveerd geweld en institutioneel falen van de Britse politie. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de moord op de 18-jarige Britse student Henry Nowak, die op 3 december 2025 in Southampton vijf keer werd neergestoken met een ceremonieel zwaard en stervend werd geboeid door de politie op basis van de gefabriceerde verklaring van zijn moordenaar?
Ik ben via mediaberichten op de hoogte van de berichtgeving over de dood van de heer Henry Nowak in Southampton.
Hoe oordeelt u over de omstandigheden van de dood van Henry Nowak, waarbij de politie de aanvaller geloofde boven het slachtoffer, mede omdat de aanvaller het slachtoffer beschuldigde van racistische uitlatingen?
Dit betreft een aangelegenheid van de Britse autoriteiten. Het is aan hen om de feiten vast te stellen, de toedracht te onderzoeken en indien nodig maatregelen te treffen.
Heeft u naar aanleiding van de dood van Henry Nowak uw zorgen geuit over het institutionele falen van de Britse politie bij uw Britse ambtsgenoot en kunt u dit antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag drie ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een stervend slachtoffer wordt geboeid en medische hulp wordt onthouden, terwijl de dader – die het slachtoffer vals beschuldigde van racistische uitlatingen – ongemoeid werd gelaten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse media en de politiek nauwelijks aandacht hebben besteed aan de dood van Henry Nowak, terwijl vergelijkbare zaken met andere slachtoffers wel tot uitgebreide politieke en maatschappelijke reacties leidden?
De keuze voor berichtgeving is aan onafhankelijke media zelf. Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen.
Hoe verklaart u dit verschil in politieke, journalistieke en maatschappelijke aandacht?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u het feit dat de laatste woorden van Henry Nowak – «I can't breathe» – identiek zijn aan die van George Floyd, maar geen vergelijkbare politieke of maatschappelijke reactie hebben opgeroepen in Nederland?
Het kabinet doet geen uitspraken over de mate van maatschappelijke of politieke aandacht.
Deelt u de opvatting dat consequent anti-racismebeleid betekent dat geweld en institutioneel falen worden veroordeeld ongeacht de achtergrond van het slachtoffer?
Ja. Gelijke behandeling en nondiscriminatie zijn kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat.
Kunt u het antwoord op vraag negen toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid publiekelijk aandacht te vragen voor de zaak-Nowak en uw medeleven te betuigen aan de familie, zoals ook is gedaan bij vergelijkbare zaken?
Het overlijden van Henry Nowak is een tragische gebeurtenis en mijn medeleven gaat uit naar zijn familie en naasten. Het kabinet is begrijpelijkerwijs terughoudend publiekelijk in te gaan op individuele strafzaken in andere landen.
Het bericht 'De islam neemt de Duitse klaslokalen over' |
|
Geert Wilders (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente Der Spiegel-artikel van 14 mei 2026, waarin een schooldirectrice in Noord-Duitsland beschrijft hoe een kleine groep islamitische leerlingen met groepsdruk, halal-eisen, verplichte hoofdbedekking voor meisjes vanaf groep 7 en afwijzing van muziek en kerst de hele schoolcultuur naar hun hand zet?1, 2
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Erkent u dat de openbare scholen in Nederland in rap tempo islamiseren onder invloed van dezelfde barbaarse ideologie, met almaar hardere eisen over halal-voeding, gebedsruimtes, verplichte bedekkende kleding en aanpassingen van lesstof? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Wettelijk is vastgelegd dat openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. In dat opzicht is het openbaar onderwijs neutraal. Dat betekent onder andere dat het onderwijs niet doorslaat in de richting van één bepaalde religie en dat aan leerlingen geen religieuze leefregels worden opgelegd. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet hierop toe.
Voor gebedsruimtes specifiek geldt dat ze in openbare scholen niet hoeven te bestaan. Het is aan openbare scholen zelf om te beoordelen of ze in een gebedsruimte kunnen en willen voorzien.
Hoelang blijft u willens en wetens werkeloos toekijken terwijl de barbaarse ideologie onze openbare scholen in hoog tempo islamiseert, totdat we net als in Duitsland het punt bereiken waarop leerkrachten volledig de controle kwijt zijn en de schoolcultuur verloren is?
Bij mij zijn geen signalen bekend van wat uw leden de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemen.
Waarom durft u de radicale barbaarse ideologie islam die hierachter zit niet gewoon bij naam te noemen, terwijl zelfs een links blad als Der Spiegel spreekt over ondraaglijke groepsdwang en het einde van een normale schoolcultuur? Hoelang blijft u deze gevaarlijke ideologie nog beschermen tegen kritiek, ten koste van Nederlandse leerkrachten, meisjes en de toekomst van ons openbaar onderwijs?
Het openbaar onderwijs is neutraal. De inspectie ziet hierop toe.
Welke harde maatregelen gaat u nemen, denk aan een duidelijk verbod op islamitische druk op scholen, geen subsidies meer voor extremistische organisaties en strenge handhaving om te voorkomen dat Nederlandse scholen dezelfde kant op gaan als in Duitsland?
Ik zie geen noodzaak om maatregelen te nemen, aangezien bij mij geen signalen bekend zijn van wat u de «islamisering» van het openbaar onderwijs noemt.
Hoe kunt u het nog langer tolereren dat leerkrachten en schoolleiders geïntimideerd en monddood gemaakt worden uit angst voor racismeverwijten, terwijl deze barbaarse ideologie steeds meer terrein wint en onze seculiere scholen dreigt over te nemen?
Een school moet veilig zijn voor alle leerlingen en onderwijspersoneel, zodat bijvoorbeeld over angst voor racismeverwijten op een open manier kan worden gesproken. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet hierop toe. Daarnaast scherp ik met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs de zorgplicht voor de veiligheid aan. Daarmee krijgen scholen scherper zicht op de veiligheid, bieden we betere ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en zorgen we dat het veiligheidsbeleid wordt gecoördineerd en jaarlijks wordt gecoördineerd.
Het bericht ‘Hoe de Waddentop in Esbjerg uitmondde in een deceptie’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het verloop en de uitkomsten van de trilaterale Waddenzeeconferentie in Esbjerg?1
Ik betreur dat het vanwege de op dat moment nog lopende kabinetsformatie in Denemarken onmogelijk was om een politieke ontmoeting met mijn Deense en Duitse collega’s te hebben op de conferentie in Esbjerg. Dit was een onvoorziene samenloop van omstandigheden waar helaas niets aan te doen was. Toch beoordeel ik het verloop en de uitkomsten van de conferentie als geheel positief. Er zijn veel nieuwe connecties gelegd tussen overheden, NGO’s en bedrijfsleven in de drie Waddenzeelanden en er is onder andere een gezamenlijk statement getekend door de drie landen waarin het belang van de bescherming van de Waddenzee opnieuw bevestigd is.2
Hoe beoordeelt u het feit dat er geen gezamenlijke regeringsverklaring tot stand is gekomen tussen Nederland, Duitsland en Denemarken?
In het gezamenlijke statement van de drie landen op de conferentie is uitgesproken dat de drie landen alsnog een regeringsverklaring zullen tekenen zodra de nieuwe Deense regering geïnstalleerd is. Van uitstel komt dus zeker geen afstel.
Deelt u de mening dat voor een goede bescherming van het Werelderfgoed Waddenzee goede internationale afspraken onontbeerlijk zijn?
Ja.
Acht u intensievere samenwerking tussen de Waddenzeelanden noodzakelijk gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van de Waddenzee als ecologische eenheid en UNESCO Werelderfgoed?
Ja. De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking tussen de drie landen Denemarken, Duitsland en Nederland.3 De wens om intensiever samen te werken zal dus ook door de andere twee landen gedeeld moeten worden om gerealiseerd te kunnen worden. Nederland zal als voorzitter deze wens met Duitsland en Denemarken bespreken.
Welke concrete resultaten zijn volgens u, ondanks het uitblijven van een regeringsverklaring, wel bereikt tijdens de conferentie in Esbjerg?
Het belang van de bescherming van de Waddenzee is op de conferentie opnieuw bevestigd door de drie deelnemende landen in een gezamenlijk statement. Ook is het voorzitterschap van de trilaterale samenwerking overgegaan van Denemarken naar Nederland. Luzette Kroon, Dijkgraaf van het Wetterskip Fryslân, zal deze rol de komende vier jaar namens Nederland vervullen. De brede deelname van overheden, NGO’s en bedrijfsleven aan de conferentie heeft daarnaast geleid tot meer wederzijds begrip.
Welke prioriteiten stelt Nederland tijdens het aankomende voorzitterschap van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking?
Zodra de nieuwe Deense regering is aangetreden, leggen we de gezamenlijke inzet voor de samenwerking in de komende vier jaar vast in de Verklaring van Esbjerg. Zodra het zover is, zal ik deze ook met uw Kamer delen. Uit de Verklaring van Esbjerg zullen ook de prioriteiten en doelen van het Nederlandse voorzitterschap volgen. Deze prioriteiten en doelen worden de komende tijd uitgewerkt in samenspraak met overheden, NGO’s en stakeholders in het gebied. Hierbij zal de Waddengovernance worden betrokken. Ook zal er afstemming plaatsvinden met Duitsland en Denemarken. Inzet van Nederland is om het Werelderfgoed en de natuur beter te beschermen, met tegelijk oog voor de mensen die in het Waddengebied wonen en werken.
Welke concrete doelen wil Nederland tijdens het voorzitterschap bereiken op het gebied van natuurherstel, klimaatadaptatie en ecologische bescherming van de Waddenzee?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke stappen gaat Nederland als voorzitter zetten om te komen tot meer gezamenlijke en bindende afspraken tussen de drie Waddenzeelanden?
De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking. Deze vrijwillige samenwerking komt voort uit de grote verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie verschillende landen. Nederland zal als voorzitter de wens om tot meer gezamenlijke en bindende afspraken te komen met Duitsland en Denemarken bespreken. Mocht deze wens door de andere twee landen gedeeld worden, dan zal er hiertoe gedurende het Nederlandse voorzitterschap een voorstel gedaan worden aan de andere twee landen.
Hoe gaat Nederland zich tijdens het voorzitterschap inzetten voor betere afstemming over grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de aanleg van stroomkabels door het Waddengebied?
In trilateraal verband werken Nederland, Denemarken en Duitsland aan het LANICE-project.4 Dit project heeft als doelstelling om de EU-doelstellingen voor de aansluiting van hernieuwbare energie te ondersteunen met behoud van de unieke (ecologische) waarden van de Waddenzee. Nederland, Denemarken en Duitsland werken binnen LANICE aan het ontwikkelen van maatregelen om de milieu-impact effectief te verminderen. Dit wordt gedaan door milieueffecten -en conflicten te onderzoeken en de mogelijkheden voor mitigatie en versnelling van projecten voor de energie-infrastructuur in de Waddenzee in kaart te brengen.
Nederland heeft in het Programma Aansluiting Wind op Zee – Eemshaven onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor energie-infrastructuur in het Nederlandse deel van de Waddenzee. In PAWOZ – Eemshaven is uitgebreid gekeken naar de effecten van de aanleg van energie-infrastructuur en mitigerende maatregelen. Vanuit de opgedane kennis, ervaring en expertise van PAWOZ – Eemshaven zal Nederland in haar rol als voorzitter actief blijven bijdragen aan de verdere ontwikkeling van LANICE. Uiteraard in samenwerking met de andere Waddenzee-landen en de betrokken stakeholders, zoals de Waddengovernance en het Omgevingsberaad Waddengebied, alsmede met natuur -en milieuorganisaties.
Hoe gaat Nederland tijdens het voorzitterschap voorkomen dat nationale verschillen blijven leiden tot versnipperde besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking?
De verschillen in besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking komen voort uit de verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie landen. Dit is inherent aan het feit dat de Waddenzee zich binnen de grenzen van drie landen bevindt. Met de aanwijzing in 2009 tot Werelderfgoed is het wel minder vrijblijvend geworden: Unesco spreekt de Waddenzeelanden gezamenlijk aan. Nederland zal zich als voorzitter inzetten voor goede afstemming van de besluitvorming binnen de trilaterale Wadden Sea Board, die minimaal twee keer per jaar vergaderd.5
Wanneer is de eerstvolgende geplande bestuurlijke bijeenkomst in het kader van de trilaterale Waddenzee-samenwerking?
De trilaterale Wadden Sea Board vergadert minimaal twee keer per jaar, de eerstvolgende keer in november 2026. Hierin zijn de drie samenwerkende landen op ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De eerstvolgende reguliere bestuurlijke bijeenkomst van de trilaterale Waddenzee samenwerking is gepland medio 2030, op de volgende regeringsconferentie in Nederland. Omdat de Waddenzee daarop niet kan wachten, zal ik – in overleg met mijn Deense collega – mijn collegaministers uitnodigen in Nederland om de Verklaring van Esbjerg te tekenen, zodra de nieuwe Deense regering daartoe in staat is. Ook is het mijn streven om in 2028, wanneer de trilaterale samenwerking 50 jaar bestaat, een extra trilaterale bestuurlijke bijeenkomst en conferentie te organiseren, in het Nederlandse Waddengebied.
Het UNRWA-terror-network |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van UN-Watch inzake de verwevenheid van UNRWA met terroristische organisaties?1
Is het u bekend dat in de VS een verdergaand onderzoek gaande is gericht op ca. 1.500 UNRWA medewerkers en dat wordt onderzocht/overwogen om UNRWA aan te wijzen als terroristische organisatie?2
Deelt u de mening dat deze informatie over verwevenheid van een VN-organisatie (waar Nederland veel geld in steekt) met terroristen buitengewoon verontrustend is?
Blijft u nog steeds op uw handen zitten of gaat u actie ondernemen? Zo ja, wat gaat u doen?
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over de situatie van christelijke gemeenschappen in het district Kanker in de Indiase deelstaat Chhattisgarh, maar kan deze berichten in dit specifieke district niet verifiëren. Dat laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet berichten over het mogelijk ontzeggen van toegang tot water, banen en andere bestaansmiddelen aan christelijke families zorgwekkend acht.
In algemene zin geldt dat de oorzaken van geweld tegen religieuze minderheden in India zich niet altijd eenduidig vast laten stellen. Er zijn grote verschillen in de dynamiek op nationaal niveau en op niveau van de verschillende deelstaten. Voorts is niet steeds mogelijk om helder te differentiëren of er sprake is van conflict van religieuze of etnische aard, gerelateerd aan sociale klasse, aan economisch conflict (bijvoorbeeld conflict over land of grondstoffen), of aan een combinatie van dergelijke factoren. Dit geldt zeker voor een deelstaat als Chhattisgarh die reeds decennialang geteisterd wordt door conflict.
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Meldingen van sociale uitsluiting, discriminatie of druk in verband met religieuze identiteit zijn zorgelijk. De beschreven situatie zou passen binnen bredere spanningen rond religieuze bekeringen en de positie van religieuze minderheden waarover regelmatig gerapporteerd wordt door religieuze organisaties en mensenrechtenorganisaties. De Nederlandse ambassade in New Delhi volgt deze situatie nauwgezet. Zoals hierboven evenwel uiteengezet beschikt het kabinet momenteel niet over onafhankelijk geverifieerde informatie over de in het artikel beschreven situatie.
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als samen met EU-partners, in om zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, bij de Indiase autoriteiten aan de orde te stellen. In EU-verband gebeurt dit onder meer via de jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en andere relevante politieke contacten, waar aandacht wordt gevraagd voor bescherming van kwetsbare groepen en hun toegang tot basisvoorzieningen en bestaansmiddelen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid. Een van de prioriteiten van het kabinet in het mensenrechtenbeleid is vrijheid van religie en geloofsovertuiging. Nederland maakt gebruik van bilaterale en multilaterale kanalen om zorgen over vrijheid van religie en levensovertuiging over te brengen, in lijn met de inzet zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026.
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Antibekeringswetgeving bestaat in verschillende Indiase deelstaten en is gericht op het voorkomen van bekeringen die volgens de wetgever tot stand komen door dwang, fraude of misleiding. De nieuwe wet in Chhattisgarh bevat onder meer bepalingen die personen die van religie willen veranderen verplichten dit vooraf te melden bij de autoriteiten. Daarnaast voorziet de wet in zware straffen voor bekeringen die volgens de wet door verboden middelen tot stand zijn gekomen.
De gevolgen van dergelijke wetgeving voor de vrijheid van religie en levensovertuiging baren het kabinet zorgen. Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) erkennen het recht om van religie of overtuiging te veranderen als onderdeel van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Wetgeving die religieuze bekeringen onderwerpt aan voorafgaande meldings- of toestemmingsvereisten staat daarmee op gespannen voet met deze internationale mensenrechtenstandaarden. Zie overigens het antwoord op vraag 3.
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Naast christenen worden ook andere groepen zoals moslims in toenemende mate geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkende maatregelen. Dit past in een breder patroon van druk op religieuze minderheden in meerdere Indiase deelstaten. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader dat zich richt op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, ongeacht geloofsovertuiging. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026 heeft het kabinet bevestigd dat bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen, een prioriteit is.
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
De situatie van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van de bredere Nederlandse inzet op mensenrechten in India. Nederland volgt de situatie van religieuze minderheden in India nauwgezet, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband. De Nederlandse ambassade in New Delhi onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om zicht te houden op ontwikkelingen rondom vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook spreekt de ambassade, samen met andere EU-lidstaten, regelmatig met vertegenwoordigers van religieuze minderheden over de situatie ter plaatse. Daarnaast wordt de positie van religieuze minderheden, inclusief die van christenen, geadresseerd in de EU-India mensenrechtendialoog.
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet handelt conform de motie-Bikker/Stoffer en betrekt vrijheid van religie en levensovertuiging structureel bij contacten met landen waar dit aan de orde is. Over de specifieke inhoud van diplomatieke gesprekken met Minister-President Modi doet het kabinet in het openbaar geen mededelingen. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van de Nederlandse inzet in contacten met India. De inzet op dit thema is in lijn met de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder.
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, samen met EU-partners, in voor de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Onder meer middels de EU-mensenrechtendialoog met India en in relevante bilaterale contacten.
Daarnaast wordt via de Nederlandse ambassade in New Delhi en de EU-delegatie nauw contact onderhouden met mensenrechtenverdedigers, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van religieuze en andere kwetsbare gemeenschappen in India, om ontwikkelingen te volgen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid, waarin vrijheid van religie en levensovertuiging een prioriteit is. Nederland is actief lid van de International Freedom of Religion or Belief Alliance en zet zich daarbinnen in voor de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. In VN-verband steunt Nederland resoluties die vrijheid van religie bevorderen en spreekt het landen aan op schendingen. De diplomatieke inzet wordt ondersteund door programmatische instrumenten, waaronder het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen), actief in landen waar religieuze gemeenschappen aantoonbaar onder druk staan. De inzet richt zich naast concrete schendingen ook op onderliggende oorzaken zoals conflict, sociaaleconomische ongelijkheid en zwak bestuur, met als doel duurzame verbetering van de positie van religieuze minderheden.
De deelnemerslijst van een NAVO-aangelegenheid |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording die u op 26 mei 2026 naar de Kamer heeft gestuurd?1
Ja.
Waarom bent u, hiernaar gevraagd, blijkbaar niet in staat de Kamer met zekerheid te laten weten of er Nederlandse militairen wel of niet (ja of nee dus) bij de bewuste gesprekken tussen de NAVO en de televisie- en filmproducenten aanwezig waren? Dit kunt u toch vrij simpel (via de NAVO bijvoorbeeld) met zekerheid verifiëren? Gaat u dit alsnog doen? Zo nee, waarom niet?
De betrokken medewerkers zijn in dienst van de NAVO en spreken niet namens hun land maar namens het bondgenootschap. De nationaliteit van de medewerkers doet daarom niet ter zake bij de publieke activiteiten van de NAVO. Binnen de NAVO werken duizenden mensen, van wie een deel met de Nederlandse nationaliteit. Het kabinet steunt het belangrijke werk dat zij doen voor onze gemeenschappelijke veiligheid vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en expertise.
Waarom schrijft u in uw beantwoording aan de Kamer dat Nederland niet in het bezit is van de deelnemerslijst, aangezien dit een NAVO-aangelegenheid betreft, in plaats van die deelnemerslijst op verzoek van de Kamer gelijk op te vragen bij de NAVO, waar Nederland zoals u ongetwijfeld weet lid van is en dus als lid ook informatie zou moeten kunnen opvragen? Waarom is ditzelfde (blijkbaar) niet gebeurd voor de gespreksverslagen waar ook naar is gevraagd? Waarom is dit idem dito niet gebeurd voor de beschrijving van de «drie afzonderlijke projecten» waar ook om is verzocht?
De verklaring van de NAVO over de totstandkoming en doelstellingen van de gesprekken is glashelder. Het is niet gebruikelijk, noodzakelijk of functioneel dat de NAVO deelnemerslijsten van alle overleggen, intern of met externe gesprekspartners, openbaar maakt. Het kabinet hecht grote waarde aan de bescherming van persoonsgegevens en de veiligheid van betrokken medewerkers en ziet dan ook geen reden om deze gegevens bij de NAVO op te vragen en openbaar te maken. De grote uitdagingen waar het bondgenootschap voor staat, versterken de urgentie voor de NAVO om het gesprek aan te gaan met geïnteresseerden, waaronder televisie- en filmproducenten. Onder bondgenoten is er steun voor het vergroten van de maatschappelijke kennis over de NAVO. Het kabinet steunt daarom deze publieke activiteiten van de NAVO.
Bent u bereid dit alles alsnog zo snel mogelijk te doen en de door Nederland dus bij de NAVO opgevraagde deelnemerslijst, gespreksverslagen en omschrijving van de drie genoemde projecten zo spoedig mogelijk naar de Kamer door te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen uiterlijk drie weken beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord»?1
Het kabinet veroordeelt dergelijke gewelddadige aanvallen in Oost-Congo ten zeerste en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, waaronder veel christenen.
Hoe taxeert u momenteel de conflictsituatie in Oost-Congo? Wat is de inzet van Nederland, zowel bilateraal als in EU-verband, voor duurzame vrede in de regio? Welke stappen worden de komende tijd gezet?
De veiligheidssituatie in Oost-Congo blijft uitermate zorgwekkend. In de regio zijn verschillende gewapende groeperingen actief, waaronder de Allied Democratic Forces (ADF). Er is in het gebied sprake van ernstige mensenrechtenschendingen, ontheemding en een fragiele humanitaire situatie.
De internationale gemeenschap spant zich middels lopende vredesprocessen in om tot een politieke oplossing van het conflict te komen. Ook draagt Nederland via de EU en de Internationale Contactgroep voor de Grote Meren bij aan het uitoefenen van diplomatieke druk op de strijdende partijen, om gemaakte afspraken in de vredesprocessen na te komen. Ook de EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren draagt deze boodschap uit in de gesprekken die hij voert met de verschillende partijen. Onlangs bracht de Speciaal Vertegenwoordiger een bezoek aan Den Haag om te spreken over de ontwikkelingen in de regio en de Europese inzet. Ook verkent de EU mogelijkheden om het vredesproces onder leiding van de Afrikaanse Unie te ondersteunen. Tot slot blijft Nederland zich samen met de EU uitspreken tegen mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal recht.
Heeft u aanwijzingen dat burgers gericht werden aangevallen vanwege het feit dat ze christen zijn? Zo ja, wat betekent dit voor de inzet van het kabinet?
Ja. Op basis van recente rapportages, onder meer van de VN en van maatschappelijke organisaties, zijn er aanwijzingen dat gewapende groeperingen in Oost-Congo christelijke gemeenschappen selectief aanvallen. Onafhankelijke verificatie is echter vaak moeilijk vanwege de complexe veiligheidssituatie.
Religieus gemotiveerd geweld en discriminatie op grond van religie of levensovertuiging zijn voor het kabinet onacceptabel. In de bilaterale contacten met de DRC benadrukt Nederland daarom stelselmatig het belang van bescherming van burgers, en het respecteren van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Daarnaast zet Nederland zich in voor het tegengaan van straffeloosheid door te pleiten voor onderzoek naar en vervolging van daders van religieus gemotiveerd geweld, onder meer via VN-mechanismen en, waar van toepassing, nationale of internationale gerechtelijke instanties.
Welke mogelijkheden komen uit het onderzoek om de Allied Democratic Forces (ADF) op de Europese terrorisme-sanctielijst te plaatsen?2
Nederland heeft de ADF, ook wel IS Centraal-Afrikaanse Provincie genoemd, voorgedragen voor plaatsing op de EU IS/Al-Qaida sanctielijst. Deze listing is op 24 november 2025 aangenomen door de Raad van de Europese Unie. Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken heeft de Minister van Justitie uw Kamer hier eerder per brief van 19 maart 20263 over geïnformeerd.
Wat is de inzet van het kabinet, juist gezien de ebola-uitbraak in de regio, om bij te dragen aan zo goed mogelijke toegang tot medische zorg?
Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en maakt zich zorgen over de ontwikkelingen rondom ebola. Het kabinet draagt 3 miljoen euro bij ter ondersteuning van de door de WHO gecoördineerde ebolarespons in de Democratische Republiek Congo (DRC), Oeganda en de regio. De WHO werkt hierin samen met het Afrikaanse centrum voor ziektebestrijding en -preventie (CDC) en nationale overheden en versterkt onderzoek, kennisuitwisseling en laboratoriumcapaciteit.
Bij de bepaling van de omvang van deze bijdrage houdt het kabinet rekening met het feit dat Nederland via bestaande programma’s en flexibele financiering al een forse bijdrage levert aan de huidige hulpverlening. Het gaat hierbij om kernbijdragen aan VN-organisaties zoals de WHO, UNICEF, UNOCHA, maar ook aan de Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI) en het Global Fund ter bestrijding van aids, malaria en tuberculose (GFATM). Met deze flexibele bijdragen kunnen partners direct reageren op de meest acute noden.
Ook hebben onder meer het VN-noodhulpfonds Central Emergency Response Fund (CERF) en de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen, waaraan Nederland financieel bijdraagt, respectievelijk 10 miljoen euro en meer dan EUR 2,5 miljoen toegewezen voor de respons op de ebola-uitbraak.
Daarnaast stelt Nederland via RVO een waterexpert en mentale gezondheidsexpert beschikbaar, die naar Democratische Republiek Congo (DRC) afreizen om UNICEF en WHO te ondersteunen.
Voor meer informatie over de ebola-uitbraak en de inspanningen van het kabinet verwijs ik naar de Kamerbrief over de actuele situatie rondom de recente ebola-uitbraak in de DRC en Oeganda4, d.d. 12 juni 2026.
De eis van president Zelensky tot volledig EU-lidmaatschap van Oekraïne. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de eis van president Zelensky dat Oekraïne volledig lidmaatschap van de Europese Unie (EU) wenst, inclusief stemrecht en vetorecht, en dat hij een tijdelijke tussenvorm, zoals voorgesteld door bondskanselier, Merz afwijst?
Ik heb kennisgenomen van publieke uitingen door president Zelensky waarin hij het belang van volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne benadrukt.
Wat is uw oordeel over deze eis van president Zelensky?
Het kabinet ondersteunt Oekraïne op het onomkeerbare pad richting toekomstig EU-lidmaatschap, zonder daarbij afbreuk te doen aan de voorwaarden voor EU-toetreding. Het kabinet is voorstander van het vaart maken in het reguliere, op verdiensten gebaseerde, toetredingsproces. De Kamerbrief EU-uitbreiding, waarborgen en de Toekomst van Europa die uw Kamer 9 juni jl. ontving, bevat nadere informatie over de kabinetsinzet.1
Deelt u de opvatting dat volwaardig EU-lidmaatschap voor een land, dat zich in een actief gewapend conflict bevindt, onwenselijk is?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u het verlenen van volledig lidmaatschap – inclusief stemrecht en vetorecht – aan een land in een gewapend conflict verantwoord acht?
Erkent u dat een land in een actief gewapend conflict met stemrecht en vetorecht in de Raad van de Europese Unie besluiten kan beïnvloeden, die direct raken aan het eigen conflict?
Acht u dit wenselijk voor de integriteit van de Europese besluitvorming?
Kunt u toelichten welke van de criteria van Kopenhagen Oekraïne op dit moment aantoonbaar vervult en welke nog niet?
De kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket 2025 van de Europese Commissie bevat een overzicht van de voortgang die Oekraïne heeft gemaakt met hervormingen, alsook de aandachtspunten.2 Zoals gebruikelijk, zal Uw Kamer ook dit jaar een appreciatie ontvangen van de Commissie mededeling over EU-uitbreiding, inclusief het landenrapport over Oekraïne.
Erkent u dat een volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne vergaande budgettaire gevolgen heeft voor de Nederlandse afdracht aan de EU?
Bij EU-uitbreiding kan het Meerjarig Financieel Kader (MFK) tussentijds worden herzien. Er zal dan opnieuw gekeken worden naar de EU-begroting en de afdrachten van lidstaten daaraan. Het effect op de EU-begroting als gevolg van toetreding is van veel factoren afhankelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor het moment van toetreding, de mate van infasering en ingroeipaden in het MFK.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u een raming geven van de verwachte meerkosten voor Nederland op korte en middellange termijn?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de mogelijkheden en voorwaarden waaronder Nederland zijn EU-lidmaatschap kan herzien of beëindigen, mede in het licht van de voorgenomen uitbreiding met Oekraïne?
Voor terugtrekking uit de EU bestaat een procedure, opgenomen in artikel 50 van het EU-Verdrag.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de Kamer deze informatie ontzegt?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe beoordeelt u het voorstel om Oekraïne volwaardig lidmaatschap te verlenen in ruil voor het omzetten van de Nederlandse associatiestatus naar een tijdelijke tussenvorm met behoud van handelsprivileges?
Er is geen sprake van bovengenoemd voorstel.
Het bericht 'Emiraten blijken Colombiaanse huurlingen naar oorlog in Soedan te sturen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betrokken zouden zijn bij het rekruteren, trainen en doorsturen van Colombiaanse huurlingen naar de Rapid Support Forces (RSF) in Soedan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport «From Bogotá to El Fasher»2 van Human Rights Watch, waarin wordt gesteld dat Colombiaanse huurlingen zijn getraind op militaire locaties in de VAE voordat zij naar Soedan werden uitgezonden?
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Een reactie op het rapport vindt u in de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.
Deelt u de opvatting dat iedere vorm van militaire, logistieke of financiële steun aan de RSF volstrekt onacceptabel is, gezien de ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdrijven, genocidaal geweld en grootschalige wreedheden tegen burgers in Darfur en elders in Soedan?
Het conflict in Soedan gaat gepaard met veelvuldig en ernstig geweld tegen burgers, waarbij het grootschalige, etnische en seksuele geweld in de nasleep van de val van El Fasher als een dieptepunt wordt gezien. Militaire, logistieke en/of financiële steun aan betrokken partijen draagt bij aan het voortduren van dit geweld. Er geldt bovendien een VN wapenembargo voor Darfoer. In diverse verklaringen hebben de EU en Nederland dan ook opgeroepen tot het stoppen van wapenstromen door externe partijen. Voorbeelden van de Nederlandse diplomatieke inzet vormen de ministeriële verklaring van de Soedan Kerngroep in de mensenrechtenraad van 26 februari jl. en de EU-verklaring van 21 april jl. Ook heeft het kabinet meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder binnen de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Bent u bereid de VAE bilateraal in de strengst mogelijke termen aan te spreken op deze berichtgeving en volledige opheldering te eisen over mogelijke betrokkenheid van Emiratische autoriteiten en bedrijven, zoals de Global Security Services Group (GSSG), bij het trainen, financieren of doorsturen van huurlingen naar Soedan?
Nederland spreekt met alle relevante landen in de regio, waaronder ook de VAE, over Soedan, waarbij wij zorgen uiten over de humanitaire- en mensenrechtensituatie en het belang bepleiten van het beëindigen van het conflict en het stoppen van wapenleveranties aan de strijdende partijen.
Heeft GSSG, voor zover bij u bekend, het VN-wapenembargo voor Darfur geschonden door Colombiaanse huurlingen te trainen en in te zetten voor de Rapid Support Forces in Soedan?
Het VN-wapenembargo verplicht alle staten om de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat wapens en aanverwant materieel van welke aard dan ook alsmede technische training en bijstand, worden geleverd aan actoren die actief zijn in Darfoer. De verplichting voor de handhaving van het embargo is daarmee gericht aan staten, niet aan bedrijven of individuen. Als de VN veiligheidsraad vaststelt dat individuen of entiteiten de stabiliteit in Darfoer bedreigen kan de veiligheidsraad overgaan tot sancties.
Bent u bereid in Verenigde Naties (VN)- en Europese Unie (EU)-verband te pleiten voor sancties tegen GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi, nu blijkt dat zij betrokken waren bij steun aan de RSF of schending van het VN-wapenembargo voor Darfur?
Nederland pleit reeds in EU-verband voor aanvullende sancties tegen de oorlogseconomie en tegen individuen en eniteiten verantwoordelijk voor het conflict en mensenrechtenschendingen in Soedan. Wegens de vertrouwelijke aard van het sanctie-instrument, kan niet meer informatie gegeven worden over status van individuele sancties.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de rol van externe actoren en bedrijven, waaronder de VAE en in de VAE gevestigde bedrijven, bij het in stand houden van de oorlog en mensenrechtenschendingen in Soedan?
Door diverse organisaties, waaronder de onafhankelijke internationale Fact Finding Mission, het Panel of Experts on the Sudan van de VN veiligheidsraad, het Internationaal Strafhof, en diverse NGO’s en mediaorganisaties wordt reeds onderzoek gedaan naar het conflict in Soedan, inclusief de rol van externe actoren en bedrijven daarbij. Nederland spant zich in om te zorgen dat er gedegen onderzoek naar het conflict in Soedan kan plaatsvinden. Het kabinet pleit bijvoorbeeld in de Soedan kerngroep in de Mensenrechtenraad in voor de verlenging van het mandaat van de Fact Finding Missie en Nederland doet een financiële bijdrage aan het landenkantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten in Soedan.
Wat is, als lid van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan, de Nederlandse inzet om wapenleveranties, huurlingenstromen en andere militaire steun aan strijdende partijen in Soedan via de Verenigde Arabische Emiraten te stoppen, en welke aanvullende stappen is het kabinet bereid te nemen om te voorkomen dat steun via de VAE de Rapid Support Forces bereikt?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent het omleidingsrisico van militaire goederen naar Soedan. Alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik per geval en zorgvuldig aan de Europese wapenexportcriteria en de criteria van het VN-Wapenhandelsverdrag. Daarbij is er specifiek aandacht voor het omleidingsrisico naar Soedan. Als er een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. De inzet en activiteiten van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan richten zich onder andere op de coördinatie van bewijsvergaring van mensenrechtenschendingen, gezamenlijke statements en sanctioneren van daders en actoren die het conflict in standhouden.
Opnieuw een verdrijving van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat de Israëlische Minister van Financiën heeft aangekondigd de inwoners van een Palestijns dorp in het E1-gebied, Khan Al-Ammar, uit hun huis te zetten uit wraak voor een mogelijk arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof?1
Ja.
Klopt het dat het E1-gebied de tweestatenoplossing onmogelijk maakt en altijd een rode lijn is geweest voor de Europese Unie (EU) en voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het standpunt van Nederland en de EU ten aanzien van het nederzettingenbeleid is bekend: dit is tegen internationaal recht. De plannen voor nederzettingen in E1-gebied bestaan al lange tijd en zijn omstreden omdat de bouw ervan de Westelijke Jordaanoever zou opsplitsen en een tweestatenoplossing ernstig zou bemoeilijken. Nederland heeft het besluit tot de ontwikkeling van Israëlische nederzettingen in E1-gebied, die bij implementatie neerkomen op verdere annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever, dan ook veroordeeld. Ook tekende Nederland op 22 mei jl. een door het Verenigd Koninkrijk geïnitieerde leidersverklaring waarin Israël wordt opgeroepen dit plan een halt toe te roepen en waarin bedrijven worden opgeroepen niet mee te dingen bij de aanbesteding voor de bouw van E1.
Veroordeelt u de aangekondigde verdrijving van Palestijnen uit Khan Al-Ammar? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt deze aangekondigde verdrijving.
Kunt u, net als de Duitse regering, de Israëlische regering waarschuwen dat er absoluut geen huisuitzettingen mogen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?2
Nederland veroordeelt het Israëlische nederzettingenbeleid, waaronder huisuitzettingen, en acht de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig. Dit draagt Nederland zowel voor- als achter de schermen consistent uit. Zie ook het antwoord op vraag 2. Nederland tekende op 22 mei jl. een door het Verenigd Koninkrijk geïnitieerde leidersverklaring, waaronder met Duitsland, waarmee hiertoe wordt opgeroepen.
Bent u bereid om openlijk te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei jl. heeft het kabinet onderstreept dat Israël van koers moet veranderen en dat de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, middelen tot dat doel zijn, en geen doel op zichzelf. Op dit moment ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten voor de door de Commissie voorgestelde maatregelen. Het kabinet zal zich in lijn met relevante moties en toezeggingen aan het parlement blijven inzetten voor het vergroten van dit draagvlak, ook in bilaterale contacten met EU-lidstaten. In dat kader heeft het kabinet tijdens de Raad het belang benadrukt van een voortzetting van de discussie over het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Tot dusverre ontbreekt het aan het benodigde draagvlak voor bovengenoemde maatregelen.
Bent u bereid om in de EU initiatief te nemen voor een EU-breed verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen, dan wel een algemeen verbod op economisch verkeer met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juni jl. aangegeven, mede in het kader van de eigen verplichtingen onder internationaal recht, te werken aan nationale maatregelen tegen producten uit illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Hierbij onderstreepte Nederland wederom dat EU-maatregelen effectiever zijn en daarom de voorkeur hebben. Nederland verzocht om een analyse van de naleving van het beleid met betrekking tot de export van goederen uit illegale nederzettingen uit de Bezette Gebieden. Tevens verzocht Nederland de Commissie om opties voor mogelijke maatregelen, waaronder maatregelen om de invoer van goederen uit illegale nederzettingen, te voorkomen. Dit verzoek van Nederland kreeg steun van een grote groep van lidstaten. HV Kallas heeft daarop toegezegd in aanloop naar de volgende Raad Buitenlandse Zaken van 13 juli de Commissie te vragen opties voor mogelijke maatregelen, waaronder maatregelen om de invoer van goederen uit illegale nederzettingen te voorkomen, en een beoordeling van de reikwijdte van kwesties die verband houden met de oorsprongsregels te presenteren.
Welke consequenties hebben de verdrijvingen voor de bilaterale relatie tussen Nederland en Israël?
Deze berichten passen in een bredere trend van ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden waar het kabinet zich zorgen over maakt. Het kabinet gebruikt combinatie van druk en dialoog om gedragsverandering bij Israël te bewerkstelligen. Door dialoog te behouden, kunnen kritische boodschappen worden overgebracht. Zie daarnaast de antwoorden op vragen 2, 5 en 6.
Bent u bereid om extra nationale maatregelen te nemen als in de EU de opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord uitblijft? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich in voor het creëren van draagvlak voor een voortzetting van de discussie over het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Op dit moment ontbreekt dit draagvlak. Daarnaast pleit het kabinet voor handelspolitieke EU-maatregelen tegen de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden.
Op nationaal niveau richt het kabinet zich op een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de nationale maatregelen tegen handel in goederen uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden die het kabinet op 22 mei jl. aanhangig heeft doen maken voor spoedadvies bij de Raad van State. Het ontwerpbesluit met het voorstel voor nationale maatregelen ziet alleen toe op goederen; niet op diensten en investeringen. Voor nationale maatregelen tegen goederen is een duidelijke grondslag beschikbaar in het Unierecht, maar voor diensten en investeringen heeft het kabinet een dergelijke evidente grondslag (nog) niet gevonden. Een dergelijke grondslag is noodzakelijk in verband met de exclusieve bevoegdheid van de EU op het gebied van handelspolitiek. Om recht te doen aan de urgentie van de situatie en de oproep vanuit uw Kamer om de nationale maatregel zo spoedig mogelijk tot stand te laten komen, is niet verder gewacht bij het opstellen van de nationale maatregel jegens goederen. Het kabinet zal doorgaan met het onderzoeken van de verdere (juridische) mogelijkheden ten aanzien van diensten en investeringen.
Bent u bereid om op korte termijn de Kamer te informeren over de mogelijkheden voor de verbreding van het aangekondigde verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen naar het een verbod op economisch verkeer van diensten en investeringen met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met het feit dat op 7 mei 2026 twee vermoedelijk Oekraïense drones het Letse luchtruim hebben geschonden, waarvan één neerstortte op een brandstofdepot nabij de stad Rēzekne en een andere het Letse grondgebied raakte, hetgeen uiteindelijk leidde tot het aftreden van zowel de Letse Minister van Defensie als Minister-President Siliņa?1, 2
Deelt u de opvatting dat het herhaaldelijk betreden van het luchtruim van NAVO-lidstaten door Oekraïense drones een ernstig veiligheidsprobleem vormt, ook voor Nederland als lid van de NAVO?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de herhaalde schending van NAVO-luchtruim door Oekraïense drones niet als een ernstig veiligheidsprobleem beschouwt?
Bent u het met ons eens dat het ernaar uitziet dat het Letse luchtruim beschikbaar is gesteld voor Oekraïense aanvallen op Russisch grondgebied?
Kunt u toelichten hoe u het voorgaande beoordeelt in het licht van het Nederlandse lidmaatschap van de NAVO?
Kunt u uiteenzetten welke juridische en militaire implicaties het heeft voor Nederland, indien blijkt dat wapensystemen of drones die Nederland heeft geleverd of gefinancierd, schade hebben veroorzaakt op het grondgebied van een NAVO-bondgenoot?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat Nederland in een dergelijk scenario geen juridische of militaire verantwoordelijkheid draagt?
De beantwoording op 24 april van schriftelijke vragen over het bericht ‘Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen om, ondanks de complexe situatie waar u naar verwijst in uw beantwoording op 24 april, te verifiëren of de berichtgeving van Left Laser1, 2 klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen? Kunt u specifiek aangeven wat u hebt gedaan en wanneer u dat heeft gedaan om te achterhalen of de berichtgeving klopt?
Bent u bereid om nader te onderzoeken of de berichtgeving van Left Laser klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen of nog steeds komen? Graag een toelichting.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de berichtgeving van Left Laser niet zou kloppen? Zo ja, hoe weerlegt u de bewijsvoering binnen die berichtgeving van Left Laser dat Nederlandse wapens in handen komen van in ieder geval een Russische extreemrechtse militie? Graag een toelichting.
Op basis van de berichtgeving en geleverde bewijzen door Left Laser, deelt u de mening dat er in ieder geval een risico bestaat dat Nederlandse wapens terechtkomen bij het Russische Vrijwilligerskorps? Zo niet, kunt u dat onderbouwen? Zo wel, deelt u de mening dat er geen risico mag bestaan dat Nederlandse wapens in handen komen van extreemrechtse milities? Hoe verhoudt zich dit blootgelegde risico tot de Nederlandse wapenexportcriteria?
Indien u de berichtgeving van Left Laser niet kunt ontkrachten, waarom schrijft u dan in de antwoorden van 24 april: «het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt», aangezien dit impliceert dat u over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat Oekraïne de voorwaarden niet schendt? Op basis van welke informatie baseert u dit?
Kunt u inzage geven in de toetsing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), zoals deze is opgenomen in de uitvoervergunning, van de leveringen die mogelijk in handen zijn gevallen van het Russische Vrijwilligerscorps?
Hoe verhoudt zich het gebruik van Nederlandse wapens door het Russische Vrijwilligerskorps tot de eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten?
Hoe wordt het gebruik van Nederlandse wapens die worden geleverd aan Oekraïne überhaupt door Nederland gecontroleerd?
Hoe onderzoekt en controleert u signalen van oneigenlijk gebruik van geleverde Nederlandse militaire goederen aan Oekraïne?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Aangezien u als antwoord aan Left Laser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?» Kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?» Kunt u deze vragen alsnog expliciet beantwoorden?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het mogelijk bewapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne met Nederlandse wapens?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het ontwapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne?
Deelt u de mening van Lars Gerdes, vicedirecteur van Frontex, dat er «grote kans» is op wapensmokkel en dat dit een veiligheidsprobleem voor Europa en de rest van de wereld kan worden3? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Wat doet u om te borgen dat door Nederland geleverde wapens niet terecht komen in wapensmokkelnetwerken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Het bericht 'Dubai trainde Colombiaanse huurlingen voor inzet in oorlog Afrika: vastgoed en goud voeden netwerk rond leger Soedan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat, uit het rapport van Human Rights Watch, blijkt dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) Colombiaanse huurlingen heeft ingezet in de oorlog in Soedan?1
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Bevindingen van Human Rights Watch en andere gerenommeerde mensenrechtenorganisaties nemen wij serieus. Het is in algemene zin van belang om wapentoevoer en financiële stromen richting de strijdende partijen in te dammen, met als doel een eind te maken aan het geweld.
Was u op de hoogte van de trainingskampen en het economische netwerk in de Emiraten, zoals aangegeven in het rapport?
Het rapport van Human Rights Watch sluit aan bij eerdere rapporten over Colombiaanse huurlingen die actief waren in Soedan. Tegelijkertijd presenteert het rapport ook nieuwe bevindingen over de inhuur en inzet in Soedan.
Onderschrijft u, zoals in het rapport gesteld wordt, dat de VAE betrokken is en zelfs een actieve rol speelt in de oorlog in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex en kent een veelheid van Soedanese, en niet-Soedanese betrokken actoren.
Bent u bereid om deze betrokkenheid openlijk te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt binnen de brede bilaterale relatie met de VAE ook over de situatie in Soedan, zowel op politiek als hoogambtelijk niveau. In deze gesprekken wordt de bredere Nederlandse inzet ten aanzien van het conflict in Soedan uitgedragen. De VAE is een relevante speler met invloed om tot een einde aan het conflict en een vredesovereenkomst te komen. In bilaterale gesprekken worden zorgen uitgesproken over de humanitaire situatie in Soedan en de negatieve consequenties van het voortduren van de oorlog voor zowel Soedan, de regio als de EU. Ook zijn de zorgen over wapenleveranties van derde partijen aan de strijdende partijen in Soedan overgebracht. Het kabinet spreekt met een brede groep landen over het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan. Het kabinet spant zich in om te zorgen dat deze gesprekken op alle mogelijke plekken en met relevante gesprekspartners op een effectieve manier worden gevoerd.
Bent u bereid druk te zetten op de VAE, middels het handelsakkoord met de Europese Unie (EU) bijvoorbeeld, om zich terug te trekken uit het conflict? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de lopende onderhandelingen met de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) heeft Nederland de Commissie opgeroepen om de onderhandelingen met de VAE ook te gebruiken om andere zorgen te adresseren, zoals de rol van de VAE in de oorlog in Soedan, conform de motie Van Baarle c.s.2
Sluit u zich aan bij de oproep van Human Rights Watch om ervoor te zorgen dat er een eind komt aan militaire samenwerking en wapenexport vanuit de VAE naar de Rapid Support Forces (RSF)? Zo nee, hoe is dat in lijn met het internationaal recht?
Op de dag van de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd een EU-verklaring uitgebracht, waarin de EU de strijdende partijen opriep tot een staakt-het-vuren en externe actoren te stoppen met hun steun voor het conflict. Conform motie Dobbe c.s.3 blijft het kabinet zich verder inzetten voor maatregelen om wapenstromen richting strijdende partijen in Soedan te stoppen. Nederland heeft meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Waar ligt wat u betreft de rode lijn? Wanneer is de betrokkenheid van een bondgenoot in een conflict zo evident, dat de internationale gemeenschap zich hierover moet uitspreken?
De EU heeft zich reeds uitgesproken over de betrokkenheid van externe partijen bij het conflict in Soedan, via onder andere de bovengenoemde EU-verklaring van 21 april jl. Nederland heeft ten aanzien van Soedan een aanjagende rol binnen de EU en zal zich in die rol blijven inspannen voor actief EU-engagement richting de strijdende partijen en de externe actoren die betrokken zijn bij het conflict.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 4 juni?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De interne controverse binnen de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) betreffende het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de interne controverse binnen de OPCW over de rapportage van het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië in 2018, waarbij inspecteur Ian Henderson een afwijkend rapport indiende over de ballistische analyse van de aangetroffen chloorgas-canisters?
Er is geen sprake van een dergelijke interne controverse. De Fact-Finding Mission in Syria (FFM) van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) heeft onderzoek uitgevoerd naar de aanval met chemische wapens in Douma op 7 april 2018. Op 6 juli 2018 heeft de OPCW een interim-rapport over het Douma-incident gepubliceerd, gevolgd door het definitieve rapport van de FFM op 1 maart 2019, waarin staat vermeld dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt. De FFM heeft het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 transparant en onafhankelijk uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is alle informatie meegenomen om tot een afgewogen oordeel te komen. Er heeft in volledige openheid een uitwisseling van meningen plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
Bent u bekend met de uitkomst van de rechtszaak van dr. Brendan Whelan, waarbij de OPCW voor het eerst heeft erkend dat bevindingen uit het onderzoek zijn gecensureerd, die het officiële narratief over de aanval in Douma ondermijnden?1, 2
De genoemde rechtszaak waarin het International Labour Organization Administrative Tribunal (ILOAT) uitspraak heeft gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen de OPCW en dr. Brendan Whelan is bekend.
Wat is uw oordeel over deze erkenning van censuur door de OPCW, mede gezien het feit dat de OPCW haar hoofdkantoor in Den Haag heeft en Nederland als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de integriteit van deze organisatie?
De conclusies van het definitieve rapport van 1 maart 2019 betreffende de gebeurtenissen in Douma zijn gebaseerd op een diepgaande en objectieve analyse door de FFM van al het verzamelde bewijsmateriaal. Deze conclusies zijn tevens gebaseerd op de gangbare standaarden voor bewijsvoering die worden gehanteerd door internationale onderzoekscommissies binnen het systeem van de Verenigde Naties. Het rapport stelt vast dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 is door de FFM op transparante en onafhankelijke wijze uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is rekening gehouden met alle informatie en is er in volledige openheid een uitwisseling van meningen geweest. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
De rechtszaak waarnaar wordt verwezen betreft zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 disciplinaire maatregelen getroffen tegen dr. Brendan Whelan vanwege het niet-naleven van de strikte regels die de OPCW hanteert ten einde vertrouwelijke informatie te beschermen. Zoals eerder aangegeven, is alle informatie in het onderzoek meegenomen en zijn de opstellers van het rapport tot een afgewogen oordeel gekomen.
In het licht van bovenstaande is er geen enkele reden om te twijfelen aan de integriteit van de OPCW, het verrichte onderzoek of de uitkomsten zoals neergelegd in het rapport.
Kunt u toelichten welke stappen u heeft ondernomen of zal ondernemen om volledige transparantie te bevorderen over de wijze waarop het OPCW-onderzoek naar Douma tot stand is gekomen en intern is besproken?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het censureren van afwijkende wetenschappelijke bevindingen binnen een internationale waakhondorganisatie als de OPCW een ernstige bedreiging vormt voor de geloofwaardigheid van die organisatie en de internationale rechtsorde?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u de integriteit van de OPCW beoordeelt in het licht van de thans erkende censuur?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het, gezien de nu erkende censuur binnen de OPCW, uitgesloten dat het officiële narratief over de aanval in Douma op wezenlijke punten onjuist is?
Gezien het feit dat de bevindingen van het eindrapport van de FFM zijn gebaseerd op een grondige analyse van al het verzamelde bewijsmateriaal, zijn er geen reden om aan te nemen dat het onderzoek onjuistheden bevat. Daarbij staan de conclusies van het definitieve Douma-rapport binnen de organisatie niet ter discussie. Dit blijkt onder meer uit het feit dat geen enkele OPCW-lidstaat heeft betwist dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er in Douma een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te bevorderen naar de totstandkoming van het OPCW-rapport over Douma, teneinde definitief helderheid te verschaffen over wat er in april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden?
In de periode tussen april 2018 en februari 2019 heeft de FFM onafhankelijk onderzoek uitgevoerd dat vaststelt welke tragedie er op 7 april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek bestond onder meer uit het verzamelen van biomedische en milieumonsters en het interviewen van slachtoffers en getuigen. Dit alles heeft geleid tot de bevindingen van het definitieve Douma-rapport op 1 maart 2019. Er zijn geen redenen om aan de inhoud van het rapport te twijfelen en de OPCW te verzoeken het in 2018 verrichte onderzoek nogmaals uit te voeren.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat de huidige stand van kennis over de aanval in Douma voldoende vastgesteld en niet verder onderzoekswaardig is?
Zie antwoord vraag 9.
Het artikel ‘Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
Herbert , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de Koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel»?1
Ja.
Op welke wijze trekt u in deze casus samen op met andere bondgenoten die mogelijk eveneens gevolgen ondervinden van het Amerikaanse wetsvoorstel MATCH Act (Multilateral Alignment of Technology Controls on Hardware)?
Hoe beoordeelt u inhoud en reikwijdte van de voorgestelde MATCH Act in het licht van bestaande bilaterale en multilaterale afspraken over exportcontrole en economische samenwerking met de Verenigde Staten?
Hoe duidt u de mogelijke extraterritoriale werking van deze Amerikaanse wet, waarbij van bondgenoten wordt verlangd hun exportbeleid aan te passen, en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse en Europese beleidsautonomie?
Welke gevolgen kunnen ontstaan indien de MATCH Act wordt aangenomen en bondgenoten niet overgaan tot aanscherping van hun eigen exportwetgeving?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die van de MATCH Act uitgaat. Dit druist in tegen het uitgangspunt dat Nederland haar eigen exportcontrolebeleid vormgeeft. Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten. Dit zal ook in komende bezoeken aan de VS worden toegelicht.
In hoeverre acht u het risico reëel dat een serviceverbod kan leiden tot juridische claims wegens contractbreuk tegen ASML of Nederlandse toeleveranciers?
Kunt u aangeven of bestaande Nederlandse of Europese instrumenten bedrijven kunnen beschermen tegen eventuele extraterritoriale toepassing van Amerikaanse wetgeving?
In algemene zin zetten derde landen steeds meer unilaterale en extraterritoriale instrumenten in. Zowel Nederland als de EU zijn geen voorstander van dergelijke maatregelen. Europese wetgeving kent verschillende mitigatiemogelijkheden voor extraterritoriale bepalingen van andere landen.
Specifiek in relatie tot de MATCH Act hecht het kabinet eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen. Het kabinet gaat niet speculeren over de inzet van welk instrument dan ook in relatie tot de Act.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de conceptwettekst nadrukkelijk in de VS onder de aandacht brengen op alle niveaus.
Hoe voorkomt u dat legitieme veiligheidszorgen rond China in de praktijk leiden tot onevenredige economische nadelen voor Europese bedrijven?
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik. Overleg in multilaterale exportcontroleregimes draagt bij aan een breed gedeeld gelijkwaardig toetsingskader en aan een gelijk speelveld voor bedrijven. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Welke Chinese tegenmaatregelen acht u realistisch indien de MATCH Act in de huidige vorm wordt aangenomen, en welke gevolgen zouden dergelijke maatregelen kunnen hebben voor Nederlandse bedrijven in de halfgeleidersector?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin geldt dat de halfgeleidersector zeer complexe internationale waardeketens kent die gevoelig zijn voor verstoringen.
Kunt u de Kamer informeren over de gevolgen van een mogelijke Chinese «Malicious Entity List» voor Nederlandse bedrijven?2
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin richt het Countering foreign states» unlawful extraterritorial jurisdiction measuredecreet, dat is uitgevaardigd door de Chinese overheid, zich op extraterritoriale maatregelen van landen die volgens de Chinese overheid in strijd zijn met het internationale recht en basisnormen van internationale relaties die volgens China de soevereiniteit, veiligheid en ontwikkeling en de legitieme rechten en belangen van Chinese burgers en organisaties raken.
Dit decreet biedt China de mogelijkheid om tegenmaatregelen te treffen tegen extraterritoriale wetgeving. Die tegenmaatregelen kunnen op haar plaats ook weer extraterritoriaal zijn. Hierbij is onder andere aangekondigd dat China een entiteitenlijst opstelt van buitenlandse organisaties en individuen die meewerken aan de implementatie van buitenlandse extraterritoriale wetgeving.