Het bericht ‘Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?’ |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?»?1
Hoe duidt u het besluit van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) om het Opec-kartel te verlaten in het licht van de structurele instabiliteit op de mondiale energiemarkt en de toenemende prijsvolatiliteit?
In hoeverre is de invloed van de Opec+ op de wereldwijde olieproductie de afgelopen jaren afgenomen ten gunste van producenten buiten dit kartel?
Welke rol speelt de nauwe samenwerking tussen Rusland en Saoedi-Arabië binnen de Opec+ momenteel bij het kunstmatig hooghouden van de olieprijs?
In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat de verzwakking van de Opec – en daarmee de Opec+-alliantie – de effectiviteit van Russische marktmanipulatie inperkt en daarmee direct de financiering van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne bemoeilijkt?
Hoe beoordeelt u de informatie dat het vertrek van de VAE mede is ingegeven door fundamentele onenigheid binnen de Golfregio over de reactie op de oorlog met Iran en de voortdurende blokkade van de Straat van Hormuz?
Wat betekent het vertrek van de VAE uit de OPEC voor de GCC en wat betekent de eenheid binnen de Gulf Cooperation Council (GCC) voor de belangen van de Europese Unie (EU), niet alleen op het gebied van energiezekerheid maar ook voor de regionale veiligheid?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie in de straat van Hormuz een directe bedreiging vormt voor de mondiale leveringszekerheid en de stabiliteit van de wereldeconomie met inbegrip van de voedselzekerheid? Zo ja wat bent u bereid bij te dragen aan de verbetering van die situatie?
Wat verwacht u dat de toenemende rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië als effect heeft voor de regionale veiligheid?
Verwacht u dat het besluit van de VAE om de OPEC te verlaten de onderlinge rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië zal vergroten en daarmee de mogelijkheden voor samenwerking binnen de GCC bemoeilijkt?
Welke rol ziet u voor Nederland en de Europese Unie om bij te dragen aan het behoud van de eenheid van de GCC als strategische partner, juist nu de spanningen tussen de lidstaten over energie- en veiligheidsbeleid toenemen?
Kan de intensivering van de samenwerking tussen Nederland en de VAE op het gebied van energie-infrastructuur en maritieme veiligheid bijdragen aan de algehele stabiliteit in de regio en, zo ja, op welke manier?
Erkent u dat de toenemende volatiliteit op de oliemarkt de vraag naar alternatieve energiebronnen en technologieën, zoals elektrische voertuigen en zonnepanelen, onvermijdelijk versnelt?
Hoe zet het kabinet zich in om te voorkomen dat deze versnelling leidt tot een nieuwe, eenzijdige afhankelijkheid van onvrije staten zoals China voor de levering van kritieke grondstoffen en componenten?
Op welke wijze waarborgt u dat deze nieuwe afhankelijkheden niet opnieuw als geopolitiek wapen kunnen worden ingezet, naar het voorbeeld van de huidige Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz?
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Christine Teunissen (PvdD), Barbara Kathmann (PvdA), Marjolein Moorman (PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sandra Beckerman (SP) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord»?1
Kunt u de Israëlische aanvallen op de flotilla in de meest krachtige termen veroordelen als een schending van het internationaal recht? Zo neen, waarom niet?
Bent u bereid om de onmiddellijke vrijlating van de gegijzelde opvarenden te eisen?
Bent u het ermee eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Heeft u contact gelegd met de flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Op welke wijze staat u de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers bij?
Bent u bereid om sancties te treffen tegen Israël vanwege de illegale entering van de flotilla?
Bent u bereid om deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden?
Het bericht 'Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord' |
|
Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de Israëlische marine die humanitaire schepen van de Global Sumud Flotilla voor de kust van het Griekse eiland Kreta heeft geënterd en opvarenden heeft ontvoerd?1
Bent u ermee bekend dat Nederlandse deelnemers zich aan boord bevonden van de geënterde schepen?
Welke maatregelen neemt u om hun veiligheid en die van de overige Nederlanders te garanderen?
Erkent u dat het enteren en aanvallen van schepen met burgers en hulpgoederen in internationale wateren een ernstige schending van internationaal recht is?
Bent u bereid publiekelijk steun uit te spreken voor het recht van burgers en organisaties om zich vreedzaam in te zetten voor humanitaire doeleinden en solidariteit te tonen met de Palestijnse bevolking, ook als dit betekent dat zij blokkades vreedzaam proberen te doorbreken?
Welke stappen heeft Nederland tot nu toe ondernomen, of is het bereid te nemen, om veilige en ongehinderde toegang van humanitaire hulp tot Gaza te bevorderen?
Hoe verhoudt het optreden tegen humanitaire schepen zich volgens u tot de verplichtingen van staten onder het internationaal recht?
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van humanitaire hulp in strijd kan zijn met de verplichting om levensreddende hulp toe te laten tot een burgerbevolking in nood? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden gezien de noodsituatie?
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
De uitzonderlijk grote natuurbrand door een explosieve militaire oefening op de Veluwe |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws over de uitzonderlijk grote brand in een beschermd natuurgebied op de Veluwe dat wordt gebruikt als militair oefenterrein?1
Ja.
Klopt het dat de brand is ontstaan tijdens de oefening «Geweer- en mitrailleurvuur, kanon en werken met explosieven» op 29 april 2026 die op hetzelfde moment op dat terrein plaatsvond, zoals vermeld op de website van Defensie? Klopt het dat deze oefening plaatsvond terwijl in vrijwel geheel Nederland een verhoogd risico op natuurbranden gold?2
Op het moment van uitbreken van de brand gold natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. De brand is veroorzaakt bij het tot ontploffing brengen van explosieven. Het plan voor het springen van deze munitie was goedgekeurd volgens de juiste procedures, door de relevante autoriteiten van het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde).
Wat is uw reactie op deze brand en de verantwoordelijkheid van Defensie hierin?
Ik betreur de situatie zeer en ik spreek mijn waardering uit naar de samenwerkende nationale en internationale hulpverleners. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht, realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Toch zijn bij oefeningen branden ontstaan op en rond militaire terreinen die een impact hebben op de samenleving en waarvan de natuurschade nog duidelijk moet worden.
Hoeveel oppervlakte natuurgebied is door deze brand verloren gegaan? Kunt u specificeren welke natuurtypen en welke (beschermde) dier- en plantensoorten door de brand zijn getroffen of leefgebied hebben verloren?
Er is ongeveer 427 hectare afgebrand. Het getroffen gebied betreft een half open landschap met heideterreinen, vergraste heideterreinen en naaldbossen bestaande uit grove den. De heideterreinen die zijn afgebrand, zijn de terreinen waar de schade voor de natuur het grootst is. Met name de naaldbossen zijn vooral eenvormig en hebben daardoor een lagere natuurwaarde. De overige heideterreinen betreffen vooral vergraste en zogenaamde droge struikheide terreinen met een lagere natuurwaarde. Een klein deel van het getroffen gebied bestaat uit semi-vochtige heide. De vegetatie, waarvoor dit deel een hogere natuurwaarde heeft, is in deze tijd van het jaar nog nauwelijks aanwezig.
Schade aan de fauna in het totale gebied betreft vooral insecten, reptielen en broedende vogels en hun nesten voor zover deze zich bevonden op de bodem of in struiken. Er zijn observaties ten tijde van de brand waaruit blijkt dat grotere fauna voor het vuur konden wegkomen. Er zijn geen resten van grotere fauna gevonden in de dagen na de brand.
In het verbrande deel nestelt sinds vier jaar een visarend met jaarlijks broedsucces. Het terrein rondom het nest is verbrand. Direct na de brand bleken beide oudervogels nog op het nest te zitten en vertonen op dit moment natuurlijk broedgedrag.
Welke gevolgen heeft deze brand voor de biodiversiteit en ecologische kwaliteit van het getroffen gebied op de korte en lange termijn?
Voor al het bodemleven geldt dat een groot deel de brand kan hebben overleefd; het vuur is erg snel over het gebied gegaan en de humuslaag is maar enkele millimeters ingebrand. Enkele dagen na de brand zijn veel vlinders en insecten waargenomen, evenals actieve rode bosmieren en er zijn op de zwarte bodem veel zandspoortjes aanwezig van insecten die weer uit de bodem naar boven zijn gekomen.
In opdracht van Defensie is het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) direct na de brand gestart met herstelmaatregelen. Het beheer is gericht op het tegengaan van vergrassing en herstel van de structuur van bodem en vegetatie. In de delen van het terrein waar de vergraste heide is afgebrand, is gestart om de regeneratie van gras te hinderen, zodat de hei kan uitlopen en de natuurwaarde in dit deel van het terrein zal profiteren. Tevens zijn stobben in het gebied gelegd om reptielen en insecten schuilgelegenheid te bieden. Een afgebrand deel van het terrein herbergt grote aantallen grauwe klauwwier. Het broedseizoen van deze trekvogel is nog niet begonnen. Om deze soort te helpen, zijn takkenhopen van grove den aangebracht, omdat de grauwe klauwier een voorkeur heeft om in omgewaaide grove dennen nesten te bouwen. Deze natuurbeheer maatregel heeft het RVB de afgelopen jaren ook als regulier beheer voor deze Natura2000 soort toegepast.
In de bossen wordt geen beheer uitgevoerd. Het is de verwachting dat de komende jaren de aangetaste bossen zullen verloofen. Het getroffen naaldbos zal versneld worden omgevormd naar meer ecologisch waardevol loofbos door komende winter loofhout aan te planten. Hierdoor zal de natuurwaarde stijgen, ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.
Bovenstaande betekent dat er schade is aan het terrein, maar dat op lange termijn de ecologische kwaliteit kan worden versterkt.
Welke risicoanalyses zijn voorafgaand aan deze oefening uitgevoerd met betrekking tot droogte, hitte en natuurbrandgevaar? Welke preventieve maatregelen zijn voorafgaand aan de oefening wel en niet getroffen?
Bij het uitbreken van de brand gold de door de veiligheidsregio afgekondigde natuurbrandrisico fase 2. Voor elke oefening worden risico-inventarisaties uitgevoerd. Hierin worden alle mogelijke aspecten meegenomen, waaronder zaken gerelateerd aan de omgeving zoals omgang met droogte. De preventieve maatregelen zoals vermeld in ons protocol zijn genomen, zoals de aanwezigheid van brandbestrijdingscapaciteit. Voor het Artillerieschietkamp gelden tevens afspraken over extra mitigerende maatregelen ten aanzien van brandbestrijding en risicobeperking. Deze afspraken zijn vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Beschikt Defensie over een specifiek droogteprotocol voor oefeningen met vuurwapens, explosieven of andere pyrotechnische middelen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid een dergelijk protocol alsnog op te stellen?
Ja. Het interne Defensieprotocol sluit wat betreft droogte aan bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. In beide documenten wordt onderscheid gemaakt in twee fasen: fase 1 waarin nog geen extra maatregelen worden getroffen maar wel voorzichtigheid wordt geadviseerd en fase 2 in tijden van langere droogte. In fase 2 wordt ook publiekelijk een oproep gedaan om extra alert te zijn en in sommige natuurgebieden is open vuur verboden.
Welke criteria worden momenteel gehanteerd bij de beslissing om oefeningen met pyrotechnische middelen wel of niet door te laten gaan tijdens periodes van droogte of verhoogd natuurbrandrisico? Is er een verschil in criteria tussen oefeningen op beschermd en onbeschermd natuurgebied als het gaat om oefeningen met pyrotechnische middelen?
De veiligheidsregio kondigt de natuurbrandrisicofase af. Op basis van de actieve fase staat in het protocol welke maatregelen noodzakelijk zijn. Er is geen onderscheid tussen soorten terreinen. Bij alle activiteiten, waaronder oefeningen, worden risico-inventarisaties gedaan. Hierin worden, zoals gezegd, zowel de activiteiten als de specifieke omgeving meegewogen. Bij natuurbrandrisicofase 2 hanteert Defensie een protocol dat beperkingen oplegt aan de toegestane activiteiten en verplichtingen oplegt voor aanvullende risicobeperkende maatregelen. Voor het Artillerieschietkamp houdt Defensie zich ook aan de extra mitigerende maatregelen uit het convenant met Defensie en de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Herinnert u zich dat, na de brand op de Ginkelse heide vorig jaar april, Defensie aankondigde dat oefeningen niet zouden worden stilgelegd, maar dat soldaten extra alert zouden worden gemaakt op bestaande procedures? Bent u van mening dat soldaten nu extra alert zijn gemaakt? Op welke wijze is dit gebeurd?3
Na de brand op de Ginkelse Heide in april vorig jaar is specifiek aandacht gevraagd voor het bestaande protocol, zowel in de operationele lijn naar commandanten van eenheden als naar terreinopzichters en veiligheidsfunctionarissen. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol nogmaals te bespreken.
Bent u bereid dit soort explosieve oefeningen tijdelijk op te schorten zolang sprake is van aanhoudende droogte en verhoogd natuurbrandgevaar in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In grote delen van Nederland zijn we terug naar natuurbrandrisico fase 1 waarin geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen, maar we gebruiken tot 18 mei geen lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen. In het geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, oefenmunitie en pyrotechnische, spring- en onstekingsmiddelen op oefenterreinen tijdelijk stilgelegd, totdat de eventuele aanpassingen aan het protocol helder zijn. Voor de grote schietterreinen ISK en ASK geldt dat een risico analyse moet uitwijzen wat ten tijde van een oefening de beperkende maatregelen zijn omdat op deze locaties een brandweerorganisatie aanwezig is.
Bent u bereid om dit soort explosieve militaire oefeningen met pyrotechnische middelen te verbieden in beschermd natuurgebied, zodat niet mogelijk nog meer beschermde natuur verloren gaat? Zo nee, waarom niet?
Nee, we zullen dergelijke oefeningen niet verbieden op onze schiet- en oefenterreinen. Oefeningen zijn essentieel voor de gereedheid van onze krijgsmacht. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving om deze situaties zoveel mogelijk te voorkomen. Het Artillerieschietkamp is ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en nadrukkelijk ook -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie ook bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden.
Welke gezondheidsgevolgen kan deze grote brand hebben voor omwonenden, hulpverleners, dieren en de natuur, onder andere vanwege rook, fijnstof en mogelijke uitstoot van schadelijke stoffen?
De veiligheidsregio maakt een inschatting van de eventuele gezondheidsgevolgen en kan, via een NL Alert, de omgeving bijvoorbeeld adviseren om ramen en deuren gesloten te houden. Dit om eventuele gezondheidsgevolgen voor omwonenden te beperken. Bij de natuurbrand op het terrein van het ASK is dit middel ook ingezet.
Leiden de uitbreidingsplannen van Defensie mogelijk tot extra gezondheids- en brandrisico’s voor Nederlanders en Nederlandse natuur?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s. De noodzakelijke uitbreidingsplannen van Defensie leiden daarom niet per definitie tot extra gezondheids- en brandrisico’s.
Op welke wijze gaat u zich inzetten voor herstel van de getroffen natuur? Welke concrete herstelmaatregelen worden overwogen of uitgevoerd?
Zie de beantwoording op vraag 5.
Worden militaire oefeningen in het getroffen gebied tijdelijk stilgelegd totdat op zijn minst de natuur voldoende is hersteld? Zo nee, waarom niet?
Direct na de brand zijn de geplande militaire activiteiten op het Artillerieschietkamp tijdelijk stilgelegd om de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen de natuurbrand te bestrijden. Het bestaande protocol blijft gelden, waarbij Defensie rekening houdt met de herstellende natuur. Dit betekent onder andere dat het rustgebied voor fauna wordt gerespecteerd en dat beschermde habitattypen worden behouden.
Bent u bereid de bestaande procedures rond militaire oefeningen in natuurgebieden aan te scherpen om herhaling van dergelijke branden te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
We gaan de uitzonderingsprocedures zoals benoemd in het huidige protocol voor oefeningen in droge periodes opnieuw bekijken. Er zijn momenteel uitzonderingen mogelijk op het verbod om gebruik te maken van bijvoorbeeld spring- en ontstekingsmiddelen. Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Aanvullend op het huidige protocol is besloten om het gebruik van lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen tot 18 mei 2026 niet toe te staan. We zijn in gesprek met o.a. de veiligheidsregio’s om ons protocol, de processen en procedures tegen het licht te houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) heeft Defensie verzocht om het veiligheidsbeleid (voorschriften en protocollen) rondom oefeningen te evalueren en uiterlijk 1 juli 2026 de uitkomsten te rapporteren aan IL&T. Defensie gaat dit uitvoeren.
De Kamer zal worden geïnformeerd over deze evaluatie en de eventuele aanpassingen van het veiligheidsbeleid.
Bent u het ermee eens dat dit soort risicovolle explosieve oefeningen in tijden van droogte in beschermd natuurgebied buiten de reikwijdte vallen van de geldende natuur- en milieuwetgeving en daarmee strijdig zijn met de door de Kamer aangenomen motie over opereren binnen de natuur- en milieuwetgeving (Kamerstuk 36 592, nr. 50)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Defensie houdt zich aan de geldende wet- en regelgeving, ook als zij op een militair oefenterrein aan oefenen is.
Bent u bereid om in de toekomst zo veel mogelijk te kiezen voor ander militair oefenterrein dan natuur?
Nee. Militaire oefenterreinen worden zo ingericht en beheerd dat militairen veilig en natuurgetrouw kunnen oefenen. Dat is het primaire doel van de terreinen. Daarnaast wordt op de terreinen veel inzet gepleegd om de natuurwaarden te optimaliseren, waardoor op meerdere terreinen een positieve dynamiek is ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Hierover is de Kamer in 2023 geïnformeerd.4
Veel Defensieterreinen liggen vanwege de benodigde ruimte en inrichting in of naast natuurgebieden. Defensie en natuur gaan over het algemeen goed samen, zoals onder andere blijkt uit het rapport dat naar uw Kamer is verzonden in juni 2023. Het is ook om die reden dat ik het betreur dat branden zijn ontstaan op onze terreinen waardoor natuurschade is opgetreden. Ik heb er alle vertrouwen in dat door de genomen herstelmaatregelen de natuur zal herstellen en mogelijk zal verbeteren.
Bent u het eens dat provincies, als medeverantwoordelijken voor natuurbescherming en -herstel, bij extreme droogte zouden moeten kunnen ingrijpen op explosieve militaire oefeningen in en bij natuur?
Het convenant brandveiligheidsplan van het Artillerieschietkamp is in gezamenlijkheid met de Veiligheidsregio en de betreffende gemeenten opgesteld.
Kunt u deze vragen, gezien de aanhoudende droogte en de vooralsnog continuerende oefeningen van Defensie, één voor één spoedig beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Qatar de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) zou hebben omgekocht |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Wall Street Journal waarin ernstige beschuldigingen tegen Karim Khan, de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC), als ook de regering van Qatar besproken worden?1
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over een getuigenverklaring en audio-opnames waarin wordt gesuggereerd dat Qatar steun en bescherming zou hebben aangeboden aan Khan, in relatie tot de uitgevaardigde arrestatiebevelen tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant?
Beschikt het kabinet over eigen informatie die deze berichtgeving bevestigt of ontkracht? Zo nee, ziet u aanleiding om deze signalen via diplomatieke of internationale kanalen te (laten) verifiëren?
Welke gevolgen kan de recente berichtgeving, in samenhang met eerdere onthullingen door The Guardian2, hebben voor de geloofwaardigheid en het functioneren van het ICC in het algemeen en voor de positie van de hoofdaanklager in het bijzonder? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
Hoe wordt binnen het ICC gewaarborgd dat de plaatsvervangende aanklagers onafhankelijk opereren en niet vatbaar zijn voor externe beïnvloeding vanuit Qatar en elders? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
Recente berichtgeving over Palantir |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money waarin wordt gesteld dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over een contract met Palantir?1
Erkent u dat het antwoord dat in augustus 2025 is gegeven door de Minister van Justitie en Veiligheid op de vraag of er buiten de bekende voorbeelden binnen Justitie en Veiligheid gebruik is of wordt gemaakt van software van Palantir onjuist of op zijn minst onvolledig was? En erkent u dat de Kamer onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd?
Kunt u precies uiteenzetten wanneer het contract tussen de Koninklijke Marechaussee (KMar) en Palantir is afgesloten, welke onderdelen van Defensie hierbij betrokken zijn en waarom de Kamer hier niet (volledig) vooraf over is geïnformeerd?
Heeft u kennisgenomen van het 22-punten manifesto van Palantir dat zij op hun sociale media hebben gezet?2 Hoe beoordeelt u dat manifesto? Deelt u de mening dat dit manifesto direct ingaat tegen de normen en waarden van de Nederlandse overheid en dat er mede op basis daarvan geen samenwerking kan plaatsvinden tussen Palantir en de Nederlandse overheid?
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle samenwerkingen die er hebben plaatsgevonden of plaatsvinden tussen de Nederlandse overheid en Palantir sinds de oprichting in 2003? Mochten er nog lopende samenwerkingen zijn, liggen er exitstrategieën om als Defensie zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de betreffende software?
De materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u op hoofdlijnen aangeven in welke capaciteitsdomeinen Defensie structureel afhankelijk is van leveranciers buiten de Europese Unie?
Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid te nemen voor onze veiligheid. Het Kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken over afhankelijkheden van andere landen.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald wapensysteem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert, zowel voor de initiële levering, voor de levering van de bijbehorende munitie, als voor de instandhouding zoals door de levering van reservedelen. Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van (inzet)voorraden munitie en reservedelen, de aanschaf van onderhoudsdocumentatie en het onderhoud (deels) in eigen beheer te nemen. Voor elk project worden daarin afgewogen keuzes gemaakt, die per project kunnen verschillen.
In de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (Kamerstuk 31 125, nr. 143) wordt onder meer onderzocht op welke capaciteitsgebieden in Nederland en Europa afhankelijkheden kunnen worden gemitigeerd.
In welke van deze capaciteitsdomeinen is sprake van een single source-situatie, waarbij op korte of middellange termijn geen volwaardig Europees alternatief voorhanden is?
Zie antwoord vraag 1.
Welke aspecten van operationele soevereiniteit vormen volgens u de meest kwetsbare afhankelijkheden, en welke hiervan acht u het meest urgent om te mitigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per capaciteitsdomein duiden of er sprake is van een volwassen Europees alternatief, een Europees alternatief in ontwikkeling, of het geheel ontbreken van een Europees alternatief?
Zie antwoord vraag 1.
Welke afwegingscriteria hanteert u bij de keuze tussen een Europese en een niet-Europese leverancier en welk gewicht krijgt strategische autonomie in die afweging ten opzichte van prijs, levertijd en interoperabiliteit?
De geopolitieke ontwikkelingen vragen dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid en meer rekening houdt met strategische autonomie en leveringszekerheid. Dat vraagt om een vitale defensie-industrie die beter kan bijdragen aan de behoefte van de krijgsmacht (Beleidsbrief Defensie april 2026 – Kamerstuk 36 800, nr. 78). Defensie laat om deze reden herkomst – binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht – steeds zwaarder meewegen in de keuzes voor materieel, naast kwaliteit, prijs en levertijd (Actieagenda Productie- en Leveringszekerheid – Kamerstuk 36 410, nr. 93 – en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie – Kamerstuk 31 125, nr. 125). Defensie kijkt daarom naar Nederlandse en Europese leveranciers voor de levering van militair materieel en munitie, voor zover de operationele gereedheid en de veiligheid van onze mensen dit toelaten. Daarnaast wordt bij de afweging gekeken naar risico’s in de leveringsketen, afhankelijkheden van derde landen en de mate waarin interoperabiliteit binnen NAVO- en EU-verband is geborgd.
Bent u bereid om bij verwervingsbeslissingen expliciet mee te wegen dat een Europese leverancier, ondanks bijvoorbeeld een eventueel hogere prijs of latere leverdatum op dit moment, bijdraagt aan het structureel opbouwen van Europese industriële capaciteit?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid ook de herkomst van het materieel meewegen voor zover dit binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving mogelijk is. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Orders zijn een belangrijke factor in de mogelijkheid van defensiegerelateerde bedrijven om op te kunnen schalen en nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft Defensie in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie aandacht voor «industrieversterkend inkopen». Defensie beziet per casus waar dit instrument kan worden toegepast, conform de ambities die het kabinet in het coalitieakkoord heeft opgenomen. Hierbij houdt Defensie oog voor de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de veiligheid van onze militairen. Indien Europese of Nederlandse leveranciers niet (tijdig) kunnen voorzien in de behoefte van de krijgsmacht, beziet Defensie parallel hoe soortgelijke capaciteiten kunnen worden opgebouwd in samenwerking met internationale partners.
Kunt u reflecteren op de balans tussen kwaliteit en kwantiteit in het Nederlandse materieelbeleid en toelichten in hoeverre de lessen uit Oekraïne, waar voorraaddiepte, verliestolerantie en industriële opschaalbaarheid cruciaal zijn gebleken, aanleiding geven om die balans te herijken?
Vanwege de geopolitieke situatie ligt de focus van Defensie op versterking en vernieuwing van de krijgsmacht, op versneld toewerken naar militaire paraatheid en innovatie, en op het scheppen van de voorwaarden om het gevecht langere tijd te kunnen volhouden. Defensie is volop bezig om binnen de vastgestelde kaders de plannen en maatregelen hiervoor uit te werken. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten die moderne oorlogsvoering aan de krijgsmacht stelt. Hierover wordt uw Kamer in de Defensienota 2026 nader geïnformeerd. Duidelijk is dat in het materieel- en industriebeleid de balans moet worden gevonden tussen vervanging en vernieuwing van bestaande capaciteiten evenals ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en toepassing van innovatieve technologieën. Defensie zet zich in om de productiemogelijkheden van militair materieel in Nederland en Europa op te schalen. Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen, zet Defensie ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen hoort daarbij. Het gaat naast afwegingen van kwaliteit en kwantiteit ook om aspecten zoals tijdige beschikbaarheid en herkomst van materieel, en de wijze waarop Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zo goed mogelijk worden betrokken.
In welke Europese instrumenten en programma’s participeert Nederland gericht op het afbouwen van niet-Europese afhankelijkheden en in welke projecten vervult Nederland een leidende of substantieel meedragende rol?
Nederland neemt deel aan verschillende EU-programma’s die zich richten op versterking van de Europese defensie-industrie. Momenteel neemt Nederland en de Nederlandse industrie bijvoorbeeld deel aan het Europees Defensiefonds, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast is Nederland voornemens om ook deel te nemen aan het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP).
Welke instrumenten zet u in om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen te positioneren in die Europese ontwikkelingsprogramma’s en acht u deze instrumenten afdoende?
Defensie heeft instrumenten waarmee Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen worden ondersteund bij het deelnemen aan Europese programma’s als het Europees Defensiefonds (EDF) en het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP). Zo heeft Defensie budgetten beschikbaar waarmee de deelname van industrie en instituten aan het EDF wordt gefinancierd. Ook heeft Defensie budget beschikbaar om bedrijven en instituten in staat te stellen om deel te nemen aan ontwikkelingsactiviteiten van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Tenslotte financiert Defensie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om Nederlandse bedrijven te ondersteunen die willen deelnemen aan Europese ontwikkelingsprogramma’s. Aangezien de defensiegerelateerde ontwikkelprogramma’s in het volgende Meerjarig Financieel Kader van de EU in aantal en omvang zullen toenemen, is het te verwachten dat de instrumenten van Defensie op termijn moeten worden opgeschaald. De exacte omvang van die opschaling is nu nog niet goed in te schatten.
Op welke termijn en met welke concrete mijlpalen verwacht u de meest kritische niet-Europese afhankelijkheden afgebouwd of gemitigeerd te hebben?
Zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4.
Kunt u deze vragen ruimschoots voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
De snel verslechterende situatie in het oosten van Congo |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente signalen vanuit het maatschappelijk middenveld dat de situatie in het oosten van Congo in hoog tempo verslechtert, onder meer door het massaal terugtrekken van donoren als gevolg van sancties en afnemende financiering?1 Hoe beoordeelt u de acute humanitaire en economische gevolgen hiervan?
Deelt u de zorg dat de bevolking in het oosten van Congo zich in de steek gelaten voelt door zowel hun nationale overheid als de internationale gemeenschap? Welke concrete stappen zet Nederland om de bevolking in het oosten van Congo te ondersteunen?
Hoe beoordeelt u berichten dat de economie in delen van het oosten van Congo vrijwel tot stilstand komt en dat lokale organisaties en maatschappelijke initiatieven op omvallen staan? Wat betekent dit voor de stabiliteit in de regio op korte en middellange termijn?
Kunt u ingaan op signalen dat het gezondheidssysteem in het oosten van Congo dreigt te bezwijken, onder meer door belemmerde import van medische goederen en het wegvallen van leveringen van essentiële medicijnen en vaccins vanuit Kinshasa? In hoeverre acht u deze berichten betrouwbaar en wat is de Nederlandse inzet om verdere instorting te voorkomen?
Hoe beoordeelt u de sterke toename van seksueel en gender gerelateerd geweld (SGBV) en de aanhoudende mensenrechtenschendingen in de regio, mede in het licht van berichten dat communicatie hierover actief wordt onderdrukt? Op welke wijze zet Nederland zich in voor bescherming van burgers en het documenteren en adresseren van deze schendingen?
Klopt het dat Nederland inzet op een afbouw van activiteiten in de Grote Meren regio in Afrika? Zo ja, hoe verhoudt deze strategie zich tot de snel verslechterende situatie ter plaatse en bent u bereid deze inzet te heroverwegen en te bezien welke rol Nederland nu en in de toekomst kan en moet spelen in het oosten van Congo?
Kunt u toezeggen, overwegende dat ondanks een eerdere Kamerbrief over de breed gesteunde motie-Bamenga c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 32) die verzoekt tot continuering van het Grote Meren Programma er nog altijd geen duidelijkheid is over de wijze waarop deze continuering met Nederlands ontwikkelingsgeld in deze regio wordt vormgegeven, om succesvolle programma’s binnen het Grote Meren Programma te continueren en zo snel mogelijk met een brief te komen over de exacte uitvoering van de motie-Bamenga c.s.?
Hoe kijkt u naar het bericht dat er een akkoord gesloten zou zijn tussen de rebellen en de Congoleze overheid over het leveren van humanitaire hulp?2 Wat betekent dit concreet voor de Nederlandse inzet in de regio?
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Het werkbezoek aan Marokko |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?[1]
Ja.
Heeft u bij uw werkbezoek aan Marokko bij uw ambtsgenoot aangedrongen te stoppen met de spionage en intimidatie van Marokkaanse Nederlanders in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid is alert op ongewenste buitenlandse inmenging van andere landen in Nederland. Wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van statelijke inmenging, worden landen hier consequent op aangesproken. Het staat andere landen, ook Marokko, vrij om banden te onderhouden met mensen met de Marokkaanse nationaliteit die in Nederland wonen. Voor alle landen geldt: mits dit geschiedt op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van onze rechtsstaat. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Ook in de goede en open relatie met Marokko.
Heeft u uw ambtsgenoot aangesproken op de arrestatie van meer dan vijfduizend mensen die vorig jaar demonstreerden tegen corruptie en de staat van de gezondheidszorg in Marokko? Zo nee, waarom niet?
Ik heb tijdens mijn bezoek een breed scala aan onderwerpen besproken met mijn ambtsgenoot. De demonstraties en arrestaties waar u naar verwijst zijn bij dit eerste bezoek niet aan bod gekomen. Recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed, en worden ook in gesprekken met Marokkaanse autoriteiten besproken.
Heeft u gepoogd om het mensenrechtenvraagstuk expliciet in de gezamenlijke verklaring op te nemen? Zo nee, waarom niet?
We hebben met Marokko een open en gelijkwaardige dialoog waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen. Tijdens het bezoek van Minister Bourita aan Nederland in december 2025 is daarnaast afgesproken een informele bilaterale mensenrechtendialoog op te zetten. Dit voornemen is expliciet opgenomen in de gezamenlijke verklaring van het bezoek van december jl. Opnieuw vastleggen was daarom niet nodig in onze optiek. Met Marokko werken we aan het laten plaatsvinden van de informele bilaterale mensenrechtendialoog in Nederland later dit jaar.
Heeft u bij dit werkbezoek, in lijn met de breed aangenomen motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407), de druk op de Marokkaanse regering opgevoerd om Nasser Zefzafi en andere politieke gevangenen vrij te laten? Zo ja, op welke manier heeft u dat tijdens dit werkbezoek gedaan? Zo nee, waarom niet? Op welke manier bent u dan wel voornemens om de motie uit te voeren?
In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265) informeerde ik u over de manier waarop uitvoering is gegeven aan de motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407). De Nederlandse zorg over politieke gevangenen, zoals de heer Zefzafi, is op hoogambtelijk niveau uitgesproken. Nederland zal zich hier sterk voor blijven maken.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden? [1] EW Magazine, 25 maart 2026, «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland» (https://www.ewmagazine.nl/buitenland/article/2026/03/lange-arm-marokko-intimidatie-activisten-nederland-109409w/)
Ja.
De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Maes van Lanschot (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan. Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier een voorbeeld van.
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie. Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe Grondwet die Syrië opstelt.
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie, op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde. De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners in Syrië.
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie, erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit, inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten binnen lopende programma’s.
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de wederopbouwopgave.
De veiligheid van supporters op het WK-voetbal in de Verenigde Staten, Mexico en Canada |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe weegt u de waarschuwing van Amnesty International dat het WK 2026 ernstige mensenrechtenrisico’s met zich meebrengt?1
Hoe kijkt u tegen het gegeven aan dat de FIFA en de Amerikaanse autoriteiten nog geen enkele garantie hebben geboden dat fans veilig zullen zijn voor etnisch profileren, willekeurige invallen of onwettige detentie en uitzetting?
Wat is uw inschatting ten aanzien van de risico’s voor Nederlandse voetbalsupporters in de Verenigde Staten, gezien vraag 2?
Baart het u zorgen dat de waarnemend directeur van de US Immigration and Customs Enforcement (ICE) heeft gesteld dat ICE een «key part» gaat spelen bij het veiligheidsapparaat rondom het WK?2 Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters geborgd gezien de willekeurige arrestaties, etnisch profileren door o.a. ICE en de onwettige detenties en uitzetting?
Ziet u ook een rol voor uzelf weggelegd om de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters te borgen? Zo ja, op welke wijze?
Heeft u contact met Amerikaanse autoriteiten over de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters tijdens het WK 2026? Zo ja, wat komt er uit die gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het aflopen van de consultatieperiode voor de voorgestelde wijziging van de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning, waardoor reizigers o.a. worden verplicht hun sociale mediaprofielen te registreren?3
Wat is het resultaat van deze consultatie geweest? Wordt de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning aangescherpt?
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is dat er een inreisverbod voor burgers uit 19 landen is ingesteld waaronder de vier deelnemende landen Haïti, Iran, Ivoorkust en Senegal, en dat bezoekers uit Algerije, Kaapverdië en Tunesië tot 15.000 dollar moeten betalen om een reisvergunning te krijgen?
Wilt u zich inzetten om de toegang tot het WK 2026 voor alle supporters, inclusief die uit andere landen, zo goed mogelijk te waarborgen, ook in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB)?
Deelt u de mening dat het eerlijk zou zijn als voetbalsupporters gecompenseerd worden door de Amerikaanse autoriteiten als zij om vage en ongegronde redenen ofwel door kritiek op de regering-Trump worden geweigerd bij de grens, terwijl ze al veel geld hebben uitgegeven voor het bezoeken van het WK? Zo ja, op welke wijze gaat u hier tractie aan geven? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen het hoge geweldsniveau in Mexico aan, in het bijzonder in en rondom speelstad Guadalajara?
Hoe schat u de veiligheidsrisico’s voor voetbalsupporters in Mexico in? Bent u in gesprek met Mexicaanse autoriteiten om de veiligheid van supporters te waarborgen?
Wat wordt de precieze rol van de Taskforce WK 2026?
Op welke wijze gaat de Taskforce WK 2026 de veiligheid van Nederlandse supporters waarborgen?
Het bericht 'Privacy toezichthouders vragen Europese Commissie Israëlische registratieplicht voor hulpverleners te toetsen' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Autoriteit Persoonsgegevens over de problemen met de Israëlische registratieplicht voor hulpverleners?1
Deelt u de mening van de Autoriteit Persoonsgegevens over de gevaren van Israëlische registratieplicht voor hulpverleners? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, als Nederland danwel multilateraal, aan te dringen bij de Europese Commissie om zich hier over te buigen en over uit te spreken?
Op welke juridische gronden is deze registratieplicht gebouwd, gezien de hulporganisaties al geregistreerd zijn bij de Palestijnse Autoriteit, waar ook het werk zich centreert?
Wat is het standpunt van het kabinet met betrekking tot het vraagstuk of de Israëlische registratieplicht valt binnen de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit?
Deelt u de mening van de vraagstellers en het rapport van AIV & CAVV dat humanitaire hulp in conflictgebieden beschermd moet worden door zowel stille diplomatie als openlijke uitspraken? Zo ja, hoe gaat u hier aan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Is de conclusie terecht dat hulporganisaties zich in een onmogelijke spagaat bevinden, waarin ze enerzijds zich moeten houden aan Europese privacyregels, maar anderzijds zich niet kunnen veroorloven om mensen die afhankelijke zijn humanitaire hulp in de steek te laten? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Welke humanitaire consequenties voorziet u als deze organisaties hun werk daadwerkelijk moeten stopzetten in bezet Palestijns Gebied?
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Etkin Armut (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Het bericht 'Israëlische aanval treft journalisten in Libanon: vermiste verslaggever dood onder het puin gevonden' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger in Libanon, zoals het AD meldt?1
De gevolgen van het geweld in Libanon baren het kabinet ernstige zorgen, specifiek ook de slachtoffers die vallen onder hulpverleners en journalisten. Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd.
Herinnert u zich het AIV en CAVV rapport over geweld tegen hulpverleners? Zo ja, passen deze aanvallen in het patroon van afbraak van het humanitair recht?
Het kabinet heeft het rapport van AIV en CAVV over geweld tegen hulpverleners meteen bij ontvangst verwelkomd. Het is cruciaal dat manieren worden gevonden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het rapport deelt het kabinet de analyse van de AIV en CAVV dat er wereldwijd sprake is van afnemend respect voor humanitair oorlogsrecht en mede als gevolg daarvan toenemend geweld tegen hulpverleners. Zoals de VN Emergency Relief Coordinator, Tom Fletcher, het begin april verwoordde in de VN Veiligheidsraad is de toename aan gedode hulpverleners geen toeval, maar de teloorgang van het humanitaire uitgangspunt van bescherming.2 Helaas is sinds de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah ook in Libanon sprake van dergelijk toenemend geweld.
Herinnert u zich uw uitspraak «door stilte sterft de norm» als reactie op het rapport van de AIV en CAVV en hoe gaat u indachtig deze uitspraak reageren op deze aanvallen op journalisten en hulpverleners door het Israëlische leger?
Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd. Het kabinet staat pal voor respect voor het HOR, zoals kortgeleden benadrukt in de kabinetsreactie op het rapport van de AIV en CAVV. Wereldwijd zien we dat in Oekraïne, Soedan, Gaza, Libanon of de Democratische Republiek Congo steeds meer lokale en internationale hulpverleners omkomen door een gebrek aan respect voor het HOR. Dit niet adresseren leidt tot normerosie en het kabinet zet zich daarom in om deze tegen te gaan en het werk van hulporganisaties in woord en daad te steunen.
Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting, met in ruimere zin veiligheid van journalisten, is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten worden beschermd onder het humanitair oorlogsrecht en moeten hun belangrijke werk in conflictgebieden in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt doelbewuste aanvallen op journalisten overal ter wereld, ook in het Midden-Oosten. Vermeende internationale misdrijven vragen in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek, ook waar het journalisten betreft. Nederland vraagt ook al geruime tijd om meer internationale aandacht voor de toenemende straffeloosheid voor geweld tegen journalisten wereldwijd – onder andere in de context van de Media Freedom Coalition. Vanuit het Mensenrechtenfonds heeft Nederland het Safety for Voices-programma dat ziet op fysieke, digitale, juridische en psychosociale veiligheid van journalisten en mensenrechtenverdedigers (EUR 40 miljoen voor periode 2023–2027), waarmee ook journalisten in het Midden-Oosten worden geholpen. Nederland blijft het belang van persvrijheid en veiligheid van journalisten consistent onderstrepen tegenover Israël, zowel publiek als achter de schermen, mede met het oog op het tegengaan van straffeloosheid voor dit soort misdrijven.
Deelt u de mening dat aanvallen van hulpverleners en journalisten nooit de norm mogen worden en dat hier dus actie op is vereist om het internationaal recht als norm te herstellen?
Geweld tegen hulpverleners en journalisten mag inderdaad nooit de norm worden, net zo min als straffeloosheid bij dergelijk geweld. Om straffeloosheid tegen te gaan, is bewijsmateriaal nodig op grond waarvan vervolgens doortastend gehandeld moet worden. In principe is het in eerste instantie aan de nationale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke misdrijven. De internationale gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op te treden. Het kabinet roept daarom op tot transparant en onafhankelijk onderzoek naar de diverse gevallen waarbij de afgelopen tijd door het geweld tussen Israël en Hezbollah in Libanon hulpverleners en journalisten omkwamen of gewond raakten. Zie ook antwoord 7.
Deelt u de mening dat deze aanvallen door het Israëlische leger een schending zijn van het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon? Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren overeind blijft?
Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, de bemiddelende rol van de VS hierin, en roept alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de wederzijdse aanvallen te stoppen. Deze boodschap onderstreept het kabinet onverkort, zowel in samenspraak met gelijkgezinden als bilateraal. Het is van groot belang dat de onderhandelingen tussen Israël en Libanon worden voortgezet om te komen tot een duurzame diplomatieke oplossing.
Bent u bereid om deze aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger publiekelijk te veroordelen?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, inclusief journalisten en hulpverleners.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat dat er onafhankelijk onderzoek komt naar deze en andere aanvallen op hulpverleners en journalisten in Libanon, en zo ja, op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ook in deze context dringt Nederland aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke schendingen. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden om de Libanese autoriteiten hierin te ondersteunen en steunt Nederland het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Libanon met een bedrag van USD 1,5 mln. over de jaren 2025–2026.
Bent u bereid om de Israëlische ambassadeur te ontbieden naar aanleiding van deze aanvallen, of welke andere actie gaat u ondernemen om druk te zetten op de Israëlische regering om deze aanvallen op journalisten, hulpverleners of burgers te stoppen?
Het kabinet beziet steeds hoe het op een effectieve wijze kan bijdragen aan verbetering van de situatie ter plaatse en blijft dit consistent onderstrepen in bilaterale gesprekken met Israëli en in multilateraal verband. Dat doet het kabinet soms publiekelijk en soms achter de schermen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden en gezien de actualiteit met spoed te beantwoorden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht van Omroep Gelderland «Minister Yeşilgöz informeerde de Kamer verkeerd over incident tracker op marineschip»?1
Ja.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland nog aan boord was van de Zr.Ms. Evertsen terwijl het schip toen al klaar was met een oefening waarbij het verzenden van een AIS-signaal verplicht was?
Ja. Zoals gemeld aan uw Kamer (referentie 2026Z08829) op 23 april jl., is het schip vertrokken voor een oefening nadat de tracker, via post aan boord was gekomen bij het havenbezoek. Het automatic identification system (AIS) heeft gedurende de gehele oefening aangestaan, waardoor het schip te volgen was via openbare trackingwebsites. Het AIS is aan het einde van de oefening uitgezet, waarna het schip koers zette naar het operatiegebied. Het schip is vervolgens een korte periode zichtbaar geweest door de tracker terwijl het AIS was uitgeschakeld. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Klopt het dat de tracker van Omroep Gelderland op zaterdagochtend 28 maart, toen het schip in de buurt van Cyprus was, nog niet was uitgeschakeld?
Zie antwoord vraag 2.
Had de Zr.Ms. Evertsen op zaterdagochtend 28 maart haar missie al hervat?
Zie antwoord vraag 2. Op 27 maart is de tracker via de militaire post aan boord gekomen. Op 28 maart heeft de bemanning de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt, voordat het schip haar missie hervatte.
Kunt u ons heel precies informeren wat de feiten zijn met betrekking tot de aanwezigheid van de tracker op het schip en hoe zich dit verhoudt tot de feiten gemeld door Omroep Gelderland op 21 april? Als u de Kamer onvolledig heeft geïnformeerd, of verkeerde informatie heeft gegeven, waarom is dat gebeurd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Zoals ik uw Kamer meldde tijdens de plenaire afronding, was het operationele risico beperkt, mede doordat het AIS was ingeschakeld tijdens de oefening. Naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., heb ik dit verduidelijkt in de brief die uw Kamer op 23 april jl. ontving.
Wanneer was u ervan op de hoogte dat verstrekte informatie niet klopte en waarom heeft u toen de Tweede Kamer niet geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 5. Ik heb de Kamer proactief op de hoogte gebracht tijdens de plenaire afronding van 16 april jl. Om onduidelijkheid te voorkomen heb ik naar aanleiding van het artikel van Omroep Gelderland van 21 april jl., en op verzoek van het lid Piri, op 23 april jl. uw Kamer opnieuw geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u uw uitspraken dat de aanwezigheid van de tracker aan boord van het schip geen risico vormde voor het schip? Hoe verhoudt zich deze uitspraak met de aanwezigheid van de tracker op het moment dat het schip mogelijk haar werkelijke missie al had hervat?
Zie antwoord vraag 2 en vraag 4. Voordat het schip in het operatiegebied was, is de tracker aangetroffen en onbruikbaar gemaakt. Er is derhalve geen operationeel risico geweest.
Welke stappen hebt u ondernomen om te voorkomen dat kwaadwillenden de locatie van militaire schepen, landvoertuigen of militair materieel of personeel op missie kunnen achterhalen?
Zoals gemeld heeft Defensie haar richtlijnen aangepast om dergelijke post eerder te onderscheppen.
Bent u ervan op de hoogte dat Defensie meer informatie deelt over bijvoorbeeld het versturen van post aan defensiemedewerkers op marineschepen dan andere landen, bijvoorbeeld Duitsland, dat doen? Waarom kiest Nederland hiervoor en ziet u aanleiding om vanuit veiligheidsoverwegingen dit te wijzigen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8. Defensie hecht er aan dat het personeel op een veilige en verantwoorde wijze post kan ontvangen van het thuisfront. Het thuisfront is een essentiële steun voor onze militairen die vaak lang van huis zijn.
Waarom heeft u geen artikel 100-brief gestuurd met betrekking tot de missie van de Zr.Ms. De Ruyter?
Op 17 februari 2026 is uw Kamer door mij en de Minister van Buitenlandse Zaken middels een Kamerbrief geïnformeerd over de beoogde maritieme presentie van Zr.Ms. De Ruyter in de Indo-Pacific (Kenmerk 29 521, nr. 504).
Gedurende de reis levert Zr.Ms. De Ruyter associated support aan een aantal operaties wanneer het door de betreffende operatiegebieden vaart. Dit betekent dat het schip waarnemingen deelt met deze operaties, maar niet onder de bevelsstructuur valt.
Hoe verschilt de missie van de Zr.Ms. De Ruyter van de missie van de Zr.Ms. Karel Doorman begin 2024 waarbij associated support wel genoeg reden gaf voor een artikel 100-brief?
Onderweg naar de Indo-Pacific passeert Zr.Ms. De Ruyter de Rode Zee. Gedurende deze doorvaart zal het schip associated support leveren aan de EU-operatie Aspides.
In 2024 is Zr.Ms. Karel Doorman ingezet binnen Aspides. Het schip heeft destijds voor een periode van vier maanden gezorgd voor logistieke ondersteuning en medische capaciteit in direct support van de operatie. Daarnaast heeft het schip gefungeerd als vlaggenschip van de operatie. Gelijktijdig heeft het schip associated support geboden aan de VS-geleide Operatie Prosperity Guardian. Omdat Zr.Ms. Karel Doorman middels direct support voor een langere periode heeft bijgedragen aan Aspides is de Kamer destijds conform het artikel 100 Toetsingskader 2014 geïnformeerd.
Bent u bereid om heel zorgvuldig te kijken naar missies van Defensie en als er twijfel is of een missie in aanmerking komt voor een artikel 100-procedure, deze procedure wel te volgen in plaats van dit niet te doen?
Het kabinet hecht eraan de Kamer zorgvuldig en tijdig te informeren over de inzet van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde conform artikel 100 van de Grondwet. Het Toetsingskader 2014 wordt daarbij toegepast en is nadrukkelijk bedoeld voor de besluitvorming van de regering en het overleg daarover met het parlement als het gaat om uitzending van militaire eenheden die in de uitoefening van hun taak wellicht ook wapengeweld moeten toepassen of het risico lopen daaraan te worden blootgesteld. Indien dat het geval is wordt de Kamer conform het toetsingskader geïnformeerd.
Het bericht 'Pieter (61) gaat per boot naar Gaza: ‘Ik ga ervan uit dat wij ook worden gekidnapt’' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Global Sumud Flotilla woensdag 15 april is uitgevaren richting Gaza met als doel het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza door Israël en het brengen van humanitaire goederen?
Bent u ervan op de hoogte dat er in ieder geval één Nederlandse burger aan boord is van deze vloot?1
Deelt u de mening dat het doel van deze actie, namelijk het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza en het brengen van humanitaire hulp naar de bevolking van Gaza, legitiem is en niet mag worden gehinderd? Zo ja, hoe gaat u hieraan bijdragen en bent u bereid steun uit te spreken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat Israëls handelen tegen de vorige Flotilla actie, namelijk het enteren en gevangennemen, met fysiek geweld tot gevolg, van de opvarenden van de Freedom Flotilla op internationale wateren illegaal was? Zo ja, wat gaat u doen om dit deze keer te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan de Israëlische regering te waarschuwen geen Nederlandse staatsburgers gevangen te nemen bij het brengen van humanitaire hulp aan Gaza, dat de opvarenden veilig blijven en met respect voor mensenrechten en het internationaal recht behandeld worden? Zo ja, op welke manieren? Zo nee, waarom niet?
Op welke manieren levert u (consulaire) bijstand aan de Nederlandse opvarenden van de Freedom Flotilla? Als er geen sprake is van consulaire hulpverzoeken voorafgaand aan de Flotilla, bent u bereid actief contact te zoeken met de Nederlandse staatsburgers en ze bij te staan gezien de precaire situatie?
Bent u in contact met andere landen waarvan de burgers opvarenden van de Freedom Flotilla zijn? Zo ja, bent u bereid gezamenlijk op te trekken tegen de Israëlische regering om te zorgen dat internationaal recht en toegang van humanitaire hulp wordt geborgd? Zo nee, waarom niet?
Als er opnieuw illegale kidnappings en mishandelingen plaatsvinden, is het kabinet dan bereid om eindelijk actie te ondernemen richting het Israëlische kabinet? Welke maatregelen mogen we verwachten?
Bent u bereid om voor deze missie bescherming te bieden aan de (Nederlandse) opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid contact te houden met de Global Sumud Flotilla om te zorgen dat de (Nederlandse) opvarenden veilig zijn en op bijstand kunnen rekenen? Zo ja, op welke manier bent u van plan dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de toevoer van deze humanitaire hulp door de Flotilla niet voldoende zullen is om de humanitaire noden in Gaza op te lossen? Zo ja, hoe gaat u hier dan aan concreet aan bijdragen?
Bent u het eens met het laatste AIV- en CAVV-advies over bescherming van hulpverleners, waarin zij stellen dat stille diplomatie niet voldoende is als het gaat om het tegengaan van geweld tegen hulpverleners? Welke consequenties verbindt u daaraan indien geweld tegen de hulpverleners van de Flotilla plaatsvindt?
Welke maatregelen bent u bereid om te nemen tegen de Israëlische regering om de genocide in Gaza te stoppen? Wanneer bent u bereid om de Palestijnse staat te erkennen, om de Israëlische ambassadeur te ontbieden, om de leden van de regering Netanyahu op een sanctielijst te zetten, om een handelsembargo in te stellen, of om een wapenembargo in te stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?