De stijging van de immigratiecijfers op het gebied van gezinsmigratie |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de stijging van het aantal verblijfsaanvragen inzake gezinsmigratie bijzonder zorgwekkend is? Zo nee, waarom niet?1
Nee, deze mening berust niet op juiste gronden. Zoals in de Rapportage Vreemdelingenketen over de periode juli tot en met december 20092 is aangegeven, was er in 2009 sprake van een lichte stijging van het aantal ingediende aanvragen voor een MVV (3%) ten opzichte van 2008. Deze stijging is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan een toename in het aantal aanvragen van Somalische vreemdelingen dat is ingediend voor het verblijfsdoel gezinsvorming/gezinshereniging met een houder van een asielvergunning. Somaliërs komen in aanmerking voor een asielvergunning als blijkt dat zij bescherming behoeven. Gezinsleden van deze toegelaten Somalische vreemdelingen kunnen een mvv-aanvraag indienen voor nareis bij de houder van een asielvergunning. Er zijn overigens wel maatregelen getroffen om de aantallen beheersbaar te houden en fraude en misbruik tegen te gaan. Zo is in mei 2009 het categoriaal beschermingsbeleid voor Somalië afgeschaft en is in augustus 2009 het beleid voor Somalische pleegkinderen aangescherpt.
Zet de trend zich nog voort dat er met name een explosieve stijging is van verblijfsaanvragen van Somaliërs? Hoeveel van deze verblijfsaanvragen zijn ingewilligd?
In de laatste vijf maanden van 2009 zijn er per maand gemiddeld ongeveer 1.040 aanvragen om een MVV voor gezinsvorming of gezinshereniging door Somalische vreemdelingen ingediend. In de eerste vijf maanden van 2010 zijn per maand gemiddeld ongeveer 750 aanvragen om een MVV voor gezinsvorming of gezinshereniging door Somalische vreemdelingen ingediend. Er is dus sprake van een daling van deze verblijfsaanvragen. De mvv-aanvragen van Somalische vreemdelingen betreffen in nagenoeg alle gevallen mvv-aanvragen die zijn ingediend voor het verblijfsdoel gezinsvorming/gezinshereniging met een houder van een asielvergunning.
In de eerste vijf maanden van 2010 zijn er ongeveer 1.210 aanvragen om een MVV voor gezinsvorming of gezinshereniging van Somalische vreemdelingen ingewilligd. Hierbij wordt opgemerkt dat de inwilligingen in de maanden januari tot en met mei 2010 ook betrekking hebben op aanvragen die eerder (in 2009) zijn ingediend.
Hoeveel fraudeonderzoeken c.q. adrescontroles hebben er (afgelopen jaar) plaatsgevonden bij de verblijfsaanvragen inzake gezinsmigratie?
In 2009 zijn ruim 400 verzoeken om onderzoek (waaronder adrescontroles) uitgezet bij de Vreemdelingenpolitie naar aanleiding van vermoedens van misbruik of fraude door vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor gezinsvorming of -hereniging.
Hoeveel gezinsmigranten hebben op grond van het gemeenschapsrecht rechtmatig verblijf omdat hun partner/gezinslid onderdaan van de Europese Unie is? Wordt dit als zodanig geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Hoe vaak is in deze gevallen een fraudeonderzoek c.q. adrescontrole uitgevoerd?
Ja, dit wordt geregistreerd. Over de aantallen bent u geïnformeerd bij brief van 18 december 2009 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie3 op basis van het WODC-onderzoek dat zij had laten uitvoeren naar het gebruik van gemeenschapsrecht door gezinsmigranten uit derde landen. Deze brief en het onderzoek zijn met uw Kamer besproken op 19 mei jongstleden. In de brief is ook ingegaan op de pilot Haaglanden die toeziet op het tegengaan van schijnrelaties tussen onderdanen van EU-lidstaten en derdelanders, die op 1 augustus 2009 landelijk is uitgerold. Dit heeft ertoe geleid dat in de periode augustus 2009 tot mei 2010 in ongeveer 180 van de ongeveer 830 aanvragen om toetsing aan EU-recht in het kader van verblijf bij partner, door de Vreemdelingenpolitie en/of de gemeente onderzoek is gestart wegens het vermoeden van een schijnrelatie. Daarnaast heeft de IND in een pilot 20 aanvragen nader onderzocht waarin sprake was van een zogenaamd consulair huwelijk. In alle gevallen is vervolgens een gehoor gepland. Van de onderzochte zaken zijn in 16 gevallen indicaties aanwezig om aan te nemen dat sprake is van een schijnhuwelijk. In het merendeel van deze gevallen is reeds afwijzend beslist.
Erkent u dat Europese richtlijnen en verdragen de noodzakelijke verscherping van toelatingseisen bij gezinsmigratie in de weg staan en dat hier iets aan gedaan moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie onderneemt u op grond hiervan?
Met de lidstaten van de Unie zijn afspraken gemaakt over harmonisatie van het gezinsmigratiebeleid in Europa. Dit heeft ertoe geleid dat de regels die in Europees verband gelden, in onder meer de richtlijn gezinshereniging zijn neergelegd. Bij een volgende fase in de harmonisatie van het Europese gezinsmigratiebeleid kunnen de lidstaten bewerkstelligen dat de huidige eisen aan gezinsmigratie anders worden ingevuld. De inspanningen van Nederland op dit punt zijn erop gericht om bij een volgende fase van Europese harmonisatie van het gezinsmigratiebeleid draagvlak te krijgen voor het Nederlandse standpunt inzake de leeftijdseis, de inkomenseis en bijzondere voorwaarden die kunnen worden gesteld aan referenten (hoofdpersonen) van gezinsmigranten.
Bent u bereid een immigratiestop in te stellen voor mensen uit moslimlanden teneinde de islamisering van onze samenleving tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bevoegd en niet bereid tot het afkondigen van een immigratiestop in het algemeen en ook niet specifiek voor moslimlanden. Het weren van immigranten op basis van religie is in strijd met de beginselen van onze rechtsstaat. Het verdedigen van de rechtsstaat begint met het vasthouden aan de beginselen daarvan. Tevens zou een immigratiestop strijd opleveren met internationale bepalingen, waaronder die van de Europese richtlijnen op het gebied van reguliere migratie alsook de verplichtingen op grond van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Het weren van immigranten uit moslimlanden door middel van een immigratiestop is derhalve evenzeer onmogelijk, als onwenselijk.
Het feit dat gemeenten hun noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers willen heropenen |
|
Rita Verdonk (Verdonk) |
|
|
|
|
Is het waar dat een groot aantal gemeenten overweegt hun noodopvang voor uitgeprocedeerde en afgewezen asielzoekers te heropenen?1 Zo ja, hoeveel om hoeveel gemeenten en welke aantallen asielzoekers gaat het hier?
Uit contacten met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is naar voren gekomen dat bij de VNG niet meent dat gemeenten zouden overwegen noodopvang te heropenen. Gemeenten en Rijk spannen zich in om, conform de afspraken in het bestuursakkoord tussen de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en de VNG op 25 mei 2007, de noodopvang te beëindigen. Ik verwijs voorts naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 29 maart jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 994, nr. 32), waarin ik ben ingegaan op de stand van zaken betreffende de beëindiging van de noodopvang.
Is het waar dat een dergelijke opvang verboden is door de overeenkomst tussen het Rijk en de gemeenten over het Generaal Pardon?
In bovengenoemd bestuursakkoord is afgesproken dat gemeenten noch direct noch indirect meewerken aan de opvang van onrechtmatig in ons land verblijvende vreemdelingen en de bestaande noodopvang beëindigen. Voorts is afgesproken de gemeentelijke (financiering van) noodopvang van uitgeprocedeerde asielzoekers in samenhang met de uitvoering van de Regeling uiterlijk eind 2009 wordt beëindigd.
Welke bevoegdheden heeft u om naleving van dit akkoord af te dwingen?
In de afgelopen jaren zijn, naar aanleiding van het bestuursakkoord, door het kabinet maatregelen genomen om de problematiek van het op straat terecht komen van afgewezen asielzoekers tot een minimum te beperken. Dit om het probleem weg te nemen dat door gemeenten werd genoemd als grond om noodopvang te verlenen. Tevens is, in het kader van een projectmatige aanpak, door het Rijk en gemeenten intensief en met succes samengewerkt om tot beëindiging van de bestaande noodopvang te komen. Op deze manier is een maximaal sluitende aanpak gecreëerd om te voorkomen dat uitgeprocedeerde asielzoekers op straat belanden. Een volledig sluitende aanpak is, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor zijn vertrek, niet mogelijk. Niet uit te sluiten valt dat ook in de toekomst uitgeprocedeerde asielzoekers zich zullen melden bij gemeenten, kerken of vormen van incidentele opvang. Met gemeenten is afgesproken dat in zulke gevallen contact wordt opgenomen met het Rijk (i.c. de DT&V) om te kijken naar mogelijke maatregelen. De overlegstructuur zoals ontstaan met de werkwijze voor de afbouw van de gemeentelijke noodopvang (het casusoverleg op lokaal niveau) zal ook voor de toekomst behouden blijven en voor dergelijke situaties van nut zijn. Door deze combinatie van maatregelen en aanvullende afspraken heeft het bestuursakkoord zodanig invulling gekregen dat bestaande, structurele noodopvang kon worden gesloten en voor gemeenten geen aanleiding hoeft te zijn om opnieuw dergelijke structurele voorzieningen te bieden.
Bent u daadwerkelijk van plan de naleving van dit akkoord af te dwingen en het verbod op dit soort noodopvang voor afgewezen asielzoekers te handhaven? Zo nee, wat is hiervan de oorzaak?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van plan om illegaal verblijf in Nederland op korte termijn strafbaar te stellen?
Nee.
Deelt u de mening dat ondanks de bepalingen van het Schengenakkoord een eigen verscherpte grensbewaking wenselijk is zolang de Europese buitengrenzen niet voldoende dicht zijn?
Nee. Het is wel van het grootste belang dat er een goede controle van de gezamenlijke buitengrenzen plaatsvindt. Het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (Frontex) speelt daar een belangrijke rol in. Momenteel wordt in Brussel gesproken over herziening van de Frontex-verordening, met als doel de versterking van de operationele slagkracht en flexibiliteit van het agentschap.
Kunt u garanderen dat deze gang van zaken voorkomen dan wel beëindigd zal worden om een volgend generaal pardon te voorkomen?
Zie antwoord op vragen 3 en 4.
De noodzaak van gemeenten om de noodopvang voor asielzoekers weer te openen |
|
Krista van Velzen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de noodkreet van gemeenten dat zij de noodopvang weer zullen moeten openen nu de regering er onvoldoende in slaagt om asielzoekers vanuit de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel terug te begeleiden naar het land van herkomst?1
Er is geen reële aanleiding om tot heropening van noodopvangvoorzieningen over te gaan. Dit kabinet heeft een groot aantal structurele maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat uitgeprocedeerde asielzoekers niet op straat terecht hoeven te komen. Deze zijn: het creëren van opvang voor medische aanvragers, het opleggen van een vrijheidsbeperkende-maatregel in de VBL na afloop van de vertrektermijn van 28 dagen, extra mogelijkheden voor ondersteuning bij zelfstandig vertrek en op de langere termijn de nieuwe asielprocedure in het kader waarvan opvang wordt verleend na afwijzing in het AC. De overheid spant zich aldus maximaal in om vanuit een situatie van opvang of verblijf in de VBL het zelfstandig vertrek te realiseren, zodat uitgeprocedeerde asielzoekers niet op straat terechtkomen. In gevallen waarbij blijkt dat betrokkenen buiten hun schuld niet kunnen vertrekken, voorziet het buitenschuldbeleid in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning. Een tot op het laatste denkbare geval sluitende aanpak is echter, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor zijn vertrek, niet mogelijk. Indien uitgeprocedeerde asielzoekers niet zelfstandig willen vertrekken, wordt ingezet op gedwongen terugkeer. Het kan voorkomen dat ook het gedwongen vertrek bij gebrek aan (vervangende) reisdocumenten niet kan worden gerealiseerd. Het in dergelijke gevallen op enig moment beëindigen van het verblijf in de VBL vloeit voort uit het uitgangspunt van het terugkeerbeleid dat de vreemdeling zelf verantwoordelijkheid draagt voor het vertrek en draagt bij aan de boodschap dat verblijf in Nederland geen optie (meer) is. Het vervolgens verlenen van vormen van noodopvang acht ik een verkeerd signaal.
Is het waar dat vijftig procent van de mensen vanuit de VBL niet terugkeert naar het land van herkomst en dat zij vervolgens weer op straat belanden? Zo ja, wat zijn de werkelijke aantallen? Zo nee, om hoeveel mensen gaat het dan die weer op straat belanden?
Nee, dit is niet waar. In 2009 hebben ongeveer 560 vreemdelingen de VBL verlaten. Ongeveer 10% van hen heeft, tegelijk met de beëindiging van de vrijheidsbeperkende maatregel, een aanzegging gekregen om Nederland te verlaten. Een deel van de vreemdelingen heeft ervoor gekozen om zelfstandig, op eigen initiatief de VBL te verlaten.
De overige vreemdelingen hebben Nederland aantoonbaar verlaten, zijn in vreemdelingenbewaring gesteld of zijn uitgestroomd om overige redenen (ingediende verblijfsaanvraag, verleende vergunning etc.).
Hoeveel gezinnen zijn er sinds 1 januari 2010 op straat gezet vanuit de VBL?
In de periode tussen 1 januari 2010 en 1 april 2010 heeft één gezin bestaande uit twee vreemdelingen, tegelijk met de beëindiging van de vrijheidsbeperkende maatregel, een aanzegging gekregen om Nederland te verlaten.
Bent u van mening dat alle vreemdelingen die weer op straat belanden dit zonder uitzondering aan zichzelf te wijten hebben omdat zij niet meewerken aan terugkeer? Zo ja, waarop baseert u uw mening? Zo nee, wat is dan uw oplossing als het niet terug kunnen keren niet aan de vreemdeling te wijten is?
Ja. Voor alle vreemdelingen op wie een vertrekplicht rust, geldt in beginsel dat het mogelijk is om terug te keren naar het land van herkomst. Er zijn mij in dit kader geen landen bekend die hun eigen onderdanen niet terugnemen indien zij zelfstandig willen terugkeren.
Mocht gedurende het vertrektraject blijken dat een vreemdeling buiten zijn/haar schuld niet kan vertrekken, dan zal in beginsel een vergunning op grond van het buitenschuldbeleid worden verleend.
Kunt u de opvatting van de gemeenten onderschrijven dat zij een zorgplicht hebben en geen gezinnen, zieken en ouderen op straat mogen laten zwerven? Zo ja, bent u bereid de noodopvangen toe te staan? Zo nee, gaat u ingrijpen bij gemeenten die noodgedwongen de noodopvang weer openen en welke maatregelen gaat u nemen?
Nee. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 1, zijn in de afgelopen jaren door het kabinet maatregelen genomen om de problematiek van het op straat terechtkomen van uitgeprocedeerde asielzoekers tot een minimum te beperken. Daarmee is het probleem weggenomen dat door gemeenten werd genoemd als grond om noodopvang te verlenen. Tevens is, in het kader van een projectmatige aanpak, door het Rijk en gemeenten intensief en met succes samengewerkt om tot beëindiging van de bestaande noodopvang te komen, omdat niet uit te sluiten valt dat ook in de toekomst uitgeprocedeerde asielzoekers zich zullen melden bij gemeenten, kerken of vormen van incidentele opvang is met de gemeenten afgesproken dat in zulke gevallen contact wordt opgenomen met het Ministerie van Justitie (i.c. de DT&V) om te kijken naar mogelijke maatregelen. De overlegstructuur zoals ontstaan met de werkwijze voor de afbouw van de gemeentelijke noodopvang (het casusoverleg op lokaal niveau) zal ook voor de toekomst behouden blijven en voor dergelijke situaties van nut zijn. Door deze combinatie van maatregelen en aanvullende afspraken is het bestuursakkoord dat de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en de VNG op 25 mei 2007 hebben gesloten, zodanig ingevuld dat bestaande structurele noodopvang kon worden gesloten en er voor gemeenten geen aanleiding is om opnieuw dergelijke structurele voorzieningen te bieden.