De brief van meer dan honderd economen over de economische doelmatigheid van de maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de open brief van meer dan honderd economen, waaronder ruim tachtig hoogleraren, gepubliceerd op ESB.nu, waarin zij de economische doelmatigheid en effectiviteit van de voorgestelde maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland ter discussie stellen?1 Hoe beoordeelt u de daarin geuite kritiek?
Herinnert uw zich uw antwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt dat een maatwerkafspraak de snelste weg is om klimaatwinst en gezondheidswinst voor omwonenden te behalen? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u aangeven waar de economen volgens u dan verkeerd redeneren?
Herinnert u zich uw anwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt geen aanleiding te zien de intentieverklaring te beëindigen en de onderhandelingen voort te zetten, onder meer omdat uitstel of afstel zou leiden tot het later of niet optreden van klimaatwinst en gezondheidswinst? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u gemotiveerd toelichten waarom?
Erkent u dat Tata Steel Nederland over de periode 2023–2025 gemiddeld circa 157 miljoen euro per jaar operationeel verlies heeft geleden en daarmee structureel onvoldoende winstgevend is? Zo nee, op basis van welke cijfers of analyses komt u tot een andere beoordeling?
Hoe beoordeelt u het risico dat de voorgestelde eenmalige bijdrage van twee miljard euro zich ontwikkelt tot een open-eindverplichting, gezien de structureel zwakke financiële positie van Tata Steel Nederland?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat een Europese aanbesteding voor waterstofstaal economisch efficiënter is dan een nationale steunoperatie? Hoe kijkt u kabinet tegen een dergelijk Europees aanbestedingsproces, en bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat Tata Steel Nederland, gelet op het feit dat negentig procent van de staalproductie wordt geëxporteerd, geen wezenlijk verschil maakt voor de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie en daarmee geen cruciale schakel vormt in een innovatief ecosysteem? Zo nee, op welke onderbouwing baseert u een ander oordeel?
Hoe beoordeelt u de juridische kwetsbaarheid van de maatwerkafspraken, zowel wat betreft de staatssteunrechtelijke verdedigbaarheid als de lopende juridische procedures rondom gezondheidsschade voor omwonenden, en kunt u daarbij ingaan op de stelling van de economen dat publieke middelen worden ingezet zonder het onderliggende gezondheidsprobleem op te lossen?
Hoe ziet u de voorgestelde maatwerkafspraken in het licht van het rapport van de Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) dat stelt dat Nederland onvoldoende ruimte heeft om de huidige omvang van de energie-intensieve industrie in stand te houden, en het rapport-Wennink dat het kabinet oproept tot het maken van scherpe keuzes?
Gezien EU-ETS Tata Steel al tot CO2-neutraliteit vóór 2040 verplicht en de maatwerkafspraken sturen op 2045, kunt u aantonen dat de subsidie van twee miljard euro een transitie ondersteunt die aantoonbaar sneller of verder gaat dan waartoe Tata Steel al wettelijk verplicht is? Zo nee, hoe houdt deze staatssteun juridisch stand?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat de schaarse middelen die worden voorgesteld voor Tata Steel, waaronder technisch geschoolde arbeid, netcapaciteit, duurzame energie en stikstofruimte, doelmatiger kunnen worden ingezet voor innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens. Deelt u deze analyse? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit per punt uiteenzetten?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat strategische autonomie behoud van staalproductie in Europa vereist, maar niet specifiek in Nederland? Deelt u deze redenering? Zo nee, op welke gronden meent u dat staalproductie specifiek in Nederland noodzakelijk is voor onze strategische autonomie?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat afzien van steun aan structureel verliesgevende bedrijven in een economie met schaarste geen politieke keuze maar een economische noodzaak is? Deelt u deze kwalificatie? Zo nee, op welke analyse baseert het de conclusie dat steun aan Tata Steel per saldo welvaartswinst oplevert?
Deelt u de mening dat een nationale steunoperatie Europese coördinatie op basis van comparatief voordeel doorkruist? Zo ja, waarom kiest u hier toch voor in plaats van in te zetten op een Europese aanbesteding?
Gezien de nationale steunoperatie voor Tata Steel bijdraagt aan een Europese subsidierace waarbij lidstaten elkaar overbieden met publieke middelen, zoals Duitsland illustreert met zijn energieprijsplafond, erkent u dat deze wedloop per saldo duurder uitvalt voor Nederland dan wanneer het zou inzetten op Europese samenwerking en coördinatie?
Gezien de schaarse middelen die Nederland tot haar beschikking heeft en het essentiële belang van het steunen van de Nederlandse maakindustrie, erkent het kabinet dan dat de middelen die voor de maatwerkafspraken met Tata Steel worden gebruikt doelmatiger kunnen worden ingezet? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het debat over de maatwerkafspraken en/of binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het bericht dat Koningin Máxima aanwezig is bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Koningin Máxima op 31 maart 2026 aanwezig zal zijn bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib in Den Haag?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Oxfam Novib Israël, een bondgenoot van Nederland, beschuldigt van «genocide», «apartheid» en een «bezettingsregime», en oproept tot een verbod op handel en investeringen?
Het kabinet is bekend met het standpunt van Oxfam Novib. Ngo’s maken zelfstandig keuzes over hun standpunten en publieke communicatie. Die ruimte is een fundamenteel onderdeel van hun onafhankelijkheid en valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het is een democratische verworvenheid dat maatschappelijke organisaties zich kritisch mogen uitlaten over dergelijke kwesties, ook wanneer dat niet in lijn is met het standpunt van het kabinet.
Deelt u de mening dat deze ongefundeerde aantijgingen één-op-één Hamas-propaganda zijn en neerkomen op het delegitimeren van de Joodse staat?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met recente berichtgeving, waar eerder ook schriftelijke vragen over zijn gesteld2, waaruit blijkt dat de terroristische organisatie Hamas een «flinke vinger in de pap heeft» bij organisaties als Oxfam Novib?3
Ja, het kabinet is bekend met deze berichtgeving. Echter, er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van deze berichtgeving of het rapport van NGO Monitor waarin deze aantijgingen worden gedaan, steunt. Partnerorganisaties waar Nederland mee werkt zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen, die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat het Koninklijk Huis een jubileum bijwoont van een organisatie die antisemitische propaganda verspreidt, een bondgenoot delegitimeert en aan het koordje van Hamas loopt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3, maken ngo’s zelfstandig keuzes over hun standpunten en communicatie. Het kabinet heeft daarbij vertrouwen in de betrouwbaarheid en professionaliteit van onze partnerorganisaties. Dit geldt ook voor Oxfam Novib.
Hoe is het bezoek aan deze organisatie te rijmen met de toespraak van de Koning, die zich in 2024 rechtstreeks tot Joodse Nederlanders richtte met de woorden «blijf, wij horen samen», terwijl deze organisatie actief bijdraagt aan een klimaat waarin Joden ons land worden uitgejaagd?4
Dit bezoek staat volledig los van hetgeen Zijne Majesteit de Koning heeft gezegd in 2024. Die oproep geldt overigens nog steeds.
Bent u bereid met het Koninklijk Huis in gesprek te gaan om te voorkomen dat deze aanwezigheid bij het jubileum van Oxfam Novib doorgang vindt?
Het kabinet ziet hier geen enkele reden toe.
Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Ja.
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel. Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan, die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen. Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis, maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner. Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd. Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus. Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd. Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen. Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet terugbetaald te worden.7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft. De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000. Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag. Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van 24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering zoveel mogelijk te voorkomen.
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de berichtgeving van GeenStijl waaruit blijkt dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül een centrale rol speelt binnen de Islamitische Stichting Nederland (ISN), terwijl ISN stelt een zelfstandige en onafhankelijke organisatie te zijn?
Ik heb kennis genomen van deze berichtgeving.
Kunt u bevestigen dat de heer Özgül, als officieel religieus attaché van de Turkse ambassade, regelmatig aanwezig is in het pand van ISN en ook meereist met ISN-delegaties naar het buitenland, waaronder naar Ankara?
Nee. Het kabinet heeft geen inzicht in de agenda van diplomaten van andere landen.
Hoe verhoudt de aanwezigheid van een Turkse diplomaat als feitelijk leidinggevende binnen ISN zich tot de belofte die ISN in 2020 aan de Kamer deed om de Turkse diplomatieke invloed uit de organisatie te weren?
Met het bestuur van ISN is in 2020 de afspraak gemaakt dat in de nieuwe organisatiestructuur de attaché Religieuze Zaken, of een andere vertegenwoordiger met diplomatieke of consulaire status, geen rol meer zal vervullen in het bestuur. Dit omdat deze structuur op zijn minst de schijn wekt van een ongewenste vermenging van politiek en religie. In het huidige bestuur van ISN zitten dan ook geen diplomatieke of consulaire functionarissen.
Waarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via het Kennisplatform Inclusief Samenleven samengewerkt met en subsidie verstrekt aan een stichting die zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Turkse staat?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft geen subsidie verstrekt aan ISN.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen.
Bent u het eens dat financiering van onderzoek door een stichting die onder invloed staat van een buitenlandse mogendheid de objectiviteit en betrouwbaarheid van dat onderzoek ernstig ondermijnt?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In het geval van het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van KIS is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie zijn in het verleden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken afspraken gemaakt met de Turkse autoriteiten. Deze afspraken zijn door het Ministerie van SZW overgebracht aan en besproken met ISN.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden en te waarborgen. De Minister van Werk en Participatie heeft eerder aangegeven de samenwerking met ISN in deze context geen verstandige keuze te vinden.1 Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Welke due diligence heeft u uitgevoerd alvorens samen te werken met ISN, en waarom is de bekende voorgeschiedenis van Turkse inmenging daarin niet meegewogen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid alle subsidierelaties met ISN en de ISN Academie per direct op te schorten totdat volledige helderheid bestaat over de mate van Turkse staatsinvloed binnen deze organisatie?
Zie het antwoord op vraag 4.
In zijn algemeenheid: het nieuwe kabinet werkt – zoals de Minister van Werk en Participatie eerder heeft aangegeven in de beantwoording op schriftelijke vragen over dit onderwerp – aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners.2
Bent u bereid de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) te vragen een actueel dreigingsbeeld op te stellen over de rol van de Turkse Diyanet en daaraan gelieerde organisaties in Nederland, en de Kamer daarover te informeren?
Daar zie ik geen aanleiding toe. De AIVD, MIVD en de NCTV hebben reeds in 2025 het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren gepubliceerd.
Bent u bereid de diplomatieke status van de heer Özgül opnieuw te beoordelen in het licht van zijn activiteiten buiten de ambassade, en zo nodig stappen te ondernemen richting de Turkse ambassade?
Het staat Turkije vrij om een diasporabeleid richting de Turkse diasporagemeenschappen in Nederland te voeren, en in dit kader relaties te onderhouden met de Islamitische Stichting Nederland, mits dit binnen de grenzen van de Nederlandse rechtstaat blijft en het de participatie van individuen in onze samenleving niet in de weg staat. Het kabinet blijft alert op signalen van diasporabeleid vanuit derde landen dat de grenzen van de gestelde kaders overschrijdt. Mochten deze signalen er zijn, dan neemt het kabinet verdere stappen. Het kabinet heeft op dit moment geen indicatie dat de activiteiten van de religieus attaché deze kaders te buiten gaan.
Het artikel 'Von der Leyen: ‘Europese afbouw kernenergie was strategische fout’' |
|
Henk Jumelet (CDA), Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het krantenartikel «Von der Leyen: «Europese afbouw kernenergie was strategische fout»»?1 Deelt u de mening van Von der Leyen dat het een strategische fout is geweest van Europese landen om kernenergie de rug toe te keren omdat het Europa kwetsbaarder heeft gemaakt voor hoge energieprijzen en afhankelijkheid van energie-import?
Het kabinet deelt de analyse over het belang van een robuuste, betaalbare en onafhankelijke energievoorziening in Europa. Deze vermindert onze kwetsbaarheid voor prijsvolatiliteit en geopolitieke risico’s. Keuzes omtrent energie – en daarmee de keuze voor kernenergie in de energiemix – zijn een nationale bevoegdheid. Het kabinet verwelkomt dan ook het stevige signaal van Commissievoorzitter Von der Leyen dat de grotere rol erkent die kernenergie in de toekomst zal spelen in de energiemix, in Europese lidstaten waaronder Nederland, om zo een bijdrage te leveren aan het behalen van Europese strategische doelstellingen.
Heeft u er kennis van genomen dat de Europese Commissie (EC) heeft aangekondigd voor 200 miljoen euro aan garanties beschikbaar te stellen voor investeringen in innovatieve kerntechnologieën, waaronder small modular reactors (SMR’s)? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en projecten maximaal gebruik kunnen maken van deze middelen?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 16 juni 20252, werkt het kabinet aan het versterken van het nucleaire ecosysteem via kennisopbouw, netwerkontwikkeling en concrete activiteiten op drie samenhangende terreinen:
Op deze manier zorgt het kabinet ervoor dat kennis- en onderzoeksorganisaties, onderwijsinstellingen en bedrijven kunnen aansluiten bij de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland (inclusief SMR’s) en waar mogelijk internationale mogelijkheden kunnen benutten, waaronder een rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten.
Ook de Europese Commissie is bezig met het vormgeven van de ondersteuning van innovatieve kerntechnologieën. Een voorbeeld hiervan is de genoemde € 200 miljoen aan garanties voor innovatieve nucleaire technologieën die onlangs door de Europese Commissie is aangekondigd en wordt toegevoegd aan het Europese InvestEU-fonds. Projecten kunnen hierop aanspraak maken via de Europese Investeringsbank; kleinere projecten in Nederland kunnen hierop via InvestNL aanspraak maken. Als onderdeel van het MMIP Kernenergie ondersteunt RVO Nederlandse partijen die SMR's willen ontwikkelen hierbij, zoals dat ook gebeurt bij het EU Innovatiefonds en andere EU-programma's.
Voor de zomer zal de Kamer nader per brief over de nationale aanpak voor de versterking van het nucleaire ecosysteem worden geïnformeerd.
Heeft u er kennis van genomen dat de EC de regels tevens wil versimpelen zodat nieuwe nucleaire technologieën sneller getest en opgeschaald kunnen worden? Welke nationale regels en/of procedures vormen momenteel de grootste belemmeringen in Nederland?
Nederland heeft een zorgvuldig doordacht kader voor de bouw en inpassing van kerncentrales. Dit kader is gericht op veiligheid, participatie en het waarborgen van een goede ruimtelijke inpassing en biedt ruimte voor innovatieve technologieën. De handreiking voor het Veilig Ontwerp en veilig Bedrijven van Kernreactoren (VOBK) is afgelopen jaar door de ANVS geactualiseerd, met als voornaamste stappen het beter harmoniseren met internationale richtlijnen en het toepasbaar maken op meer innovatieve technieken. Dit is behulpzaam voor SMR’s en internationale techniekleveranciers.
Het kabinet verwelkomt daarnaast de aanpassingen van het EU staatssteunkader3 dat lidstaten meer ruimte geeft om nationale industrieën financieel te ondersteunen bij energie- en duurzaamheidsinvesteringen.
Hoe verlopen de gesprekken met bedrijven die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling of bouw van SMR’s in Nederland? Hoe kan de rol van de overheid bij het faciliteren van deze projecten worden versterkt?
Het kabinet is in contact met ontwikkelaars en partijen die geïnteresseerd zijn in de bouw van SMR's en heeft eerder in kaart gebracht wat zij nodig hebben voor verdere ontwikkeling. Naar aanleiding van deze gesprekken is het kabinet tot de conclusie gekomen dat ondersteuning op dit moment vooral gewenst is voor vroege haalbaarheidsstudies of vergunbaarheidsanalyses. Het kabinet zal met de SMR-strategie tot € 20 miljoen beschikbaar maken voor concrete initiatieven om hiermee de haalbaarheidsstudies en vergunbaarheidsanalyses te ondersteunen. Het kabinet is blijvend in gesprek met bedrijven en zal een marktconsultatie starten om inzicht te krijgen in de huidige status van initiatieven in Nederland om hiermee het financieringsinstrument (voor de genoemde € 20 miljoen) in te kunnen richten. Aanvullend verkent de marktconsultatie financieringsmogelijkheden voor latere fasen van private SMR-projecten, zoals bouw en exploitatie.
Wat kan het kabinet doen om de realisatie van nieuwe kerncentrales in Nederland verder te versnellen?
Het kabinet heeft voortdurend de mogelijkheden voor versnelling voor ogen, uiteraard met inachtneming van de risico's en kosten die hiermee gemoeid zijn. In de voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie van mei en oktober4 jl. is ingegaan op versnellingsopties. Het kabinet zal u voor de zomer een volgende voortgangsbrief sturen.
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen maximaal kunnen profiteren van de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland, bijvoorbeeld via betrokkenheid in de toeleveringsketen en kennisontwikkeling?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bereidt het kabinet Nederland voor op een mogelijke rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat Nederland zich in Europees verband inzetten om de ontwikkeling van kernenergie en innovatieve nucleaire technologieën verder te versnellen, zodat Europa minder afhankelijk wordt van fossiele energie-importen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de ontwikkeling van kernenergie en SMR's binnen de Europese Unie. Nederland heeft een actieve rol binnen de Nucleaire Alliantie en binnen de SMR Industriële Alliantie. Daarnaast heeft het kabinet bilateraal contact met verschillende landen in Europa om synergiën op te zoeken. Het kabinet blijft zich binnen en buiten de genoemde gremia inzetten voor het ondersteunen en versnellen van de uitrol van kernenergie.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Ik neem deze zorgen serieus en ik ben hierover in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders. Uiteraard onderschrijf ik daarbij het belang van voorzieningszekerheid en is het van het grootste belang dat Nederland genoeg gas en olie heeft om in de behoefte van onze huishoudens en bedrijven te voorzien, ook aangezien tijdens de transitie deze nog geruime tijd essentieel zijn.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
De methaanverordening bevat geen importbeperking, maar het valt niet uit te sluiten dat de gestelde rapportage- en onderzoeksverplichtingen een beperkend effect kunnen hebben. Dit risico wordt op Europees niveau aangekaart, aangezien de eisen die volgen uit de verordening en een eventuele oplossing dus ook op dat niveau gezocht moet worden.
Overigens kent de verordening een clausule die het risico op een aanbodtekort reeds zou kunnen mitigeren. De verordening bepaalt namelijk dat bevoegde instanties bepaalde sancties alleen kunnen opleggen bij overtreding van bepaalde artikelen, waaronder deze importverplichtingen, als die de energievoorzieningszekerheid niet in gevaar brengen.2
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
De verordening kent een clausule die het risico op een aanbodtekort kan mitigeren, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven.
De verordening erkent verder dat de naleving van de verplichtingen uit deze verordening waarschijnlijk investeringen vereist. De verordening bepaalt echter ook dat de noodzakelijke kosten hiervoor geen disproportionele financiële last voor eindgebruikers en consumenten mogen meebrengen.3
De kosten van de verordening moeten daarbij worden afgewogen tegen de baten. Het recent gepubliceerde rapport, waar in vraag 1 naar wordt verwezen, laat de potentiële klimaatwinst zien die behaald kan worden door de inzet op methaanreductie wereldwijd, zolang de vraag naar olie, aardgas en steenkolen nodig blijft in de transitie naar schone energie. Methaan is één van de krachtigste broeikasgassen. De methaanverordening is één van de maatregelen van het Fit for 55-wetgevingspakket om de Europese reductiedoelstellingen van broeikasgasemissies in de energiesector tot stand te brengen.
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
De eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs volgen rechtstreeks uit de Europese verordening. Aanpassing van deze eisen is op nationaal niveau niet mogelijk. Voor het volledige antwoord op deze vraag verwijs ik verder naar het antwoord op vraag 6.
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Ik zet mij hier reeds voor in. De eisen zijn zoals hiervoor aangegeven opgenomen in de Europese methaanverordening en daar moet ook de oplossing in worden gezocht. Uw Kamer is op 18 februari jl. door mijn voorganger over de implementatie van de verordening en de aandachtspunten hierbij geïnformeerd4. Deze aandachtspunten zien ook op de monitoring-, rapportage- en verificatiemaatregelen die per 1 januari 2027 ingaan. Nederland wijst in de gesprekken met de Europese Commissie voortdurend op knelpunten die worden ervaren bij de uitvoering van de verordening en zoekt daarbij samen met de Commissie ook naar praktische oplossingen. Een brede groep landen deelt deze zorgen. Het kabinet is hierover eveneens in gesprek met het bedrijfsleven en toezichthouders.
Eventuele aanpassing van de regelgeving is niet aan een lidstaat en dus ook niet aan het kabinet. Daarover moet de Europese Commissie zich een oordeel over vormen. Gezien de huidige situatie in het Midden-Oosten zijn de knelpunten die zich voordoen bij de implementatie van de methaanverordening nog urgenter geworden. Ik breng deze knelpunten daarom opnieuw onder de aandacht van de Commissie met de vraag om een oplossing die rekening houdt met de geuite zorgen en de recente ontwikkelingen.
De brief van 117 economen betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend de brief van 117 economen, waaronder 80 hoogleraren, betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt en dat zonder structurele winstgevendheid Tata Steel opnieuw om publieke steun zal vragen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Het doel van de maatwerkafspraak met Tata Steel is juist ook, naast de versnelde realisatie van schonere en groenere staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren. Er moet zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij is bij de maatwerkaanpak sprake van een wederkerig traject: het gaat om een grote investering van Tata Steel Nederland (TSN) en moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL) zelf in de verduurzaming en het schoner maken van de productie, ondersteund vanuit de staat. Het bedrijf en moederbedrijf zullen niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel.
De businesscase van het bedrijf doorlopend uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de Europese Commissie (EC).2 Naast de beleidsmatige toets of het verantwoord is om steun te verlenen aan een specifiek bedrijf zijn er ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Zo geldt op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier op. Verder biedt de maatwerkafspraak ook de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, wat bij de huidige uitwerking van de maatwerkafspraak de aandacht heeft.
Deelt u de mening van de 117 economen dat wanneer het geld in Tata Steel wordt gestoken, er een reel risico is dat dit publieke geld verloren zal gaan omdat Tata Steel onvoldoende winstgevendheid heeft? Zo nee, kunt u toegelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangeven, wordt de businesscase uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de EC. Uitgangspunt hierbij is dat er zicht moet zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij zijn het bedrijf en moederbedrijf zelf ook voornemens een grote investering te doen. Dit geeft vertrouwen dat er ook na de transitie een winstgevende onderneming bestaat.
Het kabinet erkent dat er aan elke grote investering risico’s verbonden zijn. Als de investering risicovrij zou zijn, was steun vanuit de staat waarschijnlijk niet nodig geweest. Risico’s en onzekerheden zijn inherent aan de transitie. De maatwerkafspraak biedt de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, bijvoorbeeld door afspraken te maken over financiële garanties en clawback-mechanismen.
Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat het scenario waarin de staat niks doet ook grote nadelige gevolgen kent. De huidige situatie is niet houdbaar en onwenselijk gezien de impact van de staalproductie op het klimaat en de gezondheid van omwonenden. Op basis van de adviezen van externe adviseurs Wijers en Blom3, de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep)4 en de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI)5 is besloten om in te (blijven) zetten op een maatwerkafspraak met TSN omdat dit de snelste en effectiefste route is naar verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving.
Er wordt op dit moment nog nergens in de wereld op grote schaal groen staal geproduceerd. Zolang wij als samenleving staal blijven gebruiken, hebben we ook een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het verduurzamen van de productie daarvan. Als we dit niet doen, zal dit betekenen dat we nog langdurig gebruik maken van grijs staal. De maatwerkafspraak met TSN maakt het mogelijk om in Nederland groen staal te kunnen produceren; dit zal een economische en strategische meerwaarde hebben voor Nederland en Europa. Tot slot draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de afhankelijkheid van landen buiten Europa.
Deelt de Minister de mening van de 117 economen dat de investeringen in Tata Steel investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten verdringen omdat we te maken hebben met schaarse arbeid, energie en ruimte? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De onderliggende suggestie uit de vraag dat de schaarse arbeid, energie en ruimte vraagt om het maken van keuzes, deel ik. De aanname dat al deze productiemiddelen zonder enige frictie elders in de economie ingezet kunnen worden, is echter een te simpele weergave van de werkelijkheid. Daarbij leren eerdere ervaringen, bijvoorbeeld uit Limburg, ons dat het verdwijnen van grote industrie nog decennialang kan doorwerken in de sociaaleconomische structuur.
Het kabinet heeft de keuze gemaakt om in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN en daarmee het realiseren van groenere, schonere en meer circulaire staalproductie in de IJmond.
Het kabinet heeft oog voor de maatschappelijke opbrengsten van verschillende industrieën. Onderdeel van deze maatschappelijke opbrengsten zijn ook weerbaarheid en zelfvoorzienendheid, zelf staal kunnen produceren draagt hieraan bij. Deze publieke waarden zijn de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden in de nationale en vooral ook Europese context als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen die kwetsbare schakels in mondiale aanvoerlijnen hebben blootgelegd. Daarbij is staal extra relevant (maar ook brandstoffen en chemieproducten), omdat dit product deel uitmaakt van defensie-gerelateerde productieketens. Uit het onderzoek van Wijers en Blom is gebleken dat TSN binnen Europa een gunstige uitgangspositie heeft voor verduurzaming.
Basisindustrie is inherent energie-intensief, overal ter wereld. Zolang we deze producten gebruiken acht het kabinet het niet verstandig om voor onze consumptie (volledig) te leunen op productie in andere landen. Bovendien zou dat voorlopig neerkomen op weglek van productie, waarschijnlijk naar plekken waar staalproductie gepaard gaat met een relatief grotere klimaat- en milieu-impact dan in Nederland.6 Met de maatwerkafspraak met TSN kunnen we belangrijke stappen zetten op verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Zoals ook in het vorige antwoord aangegeven draagt een groenere, schonere staalindustrie ook bij aan het concurrentievermogen en onze weerbaarheid.
Bent u bereid een plan B te onderzoeken voor het gebied, de ontwikkeling van maakindustrie, huizen, energieopwek (windmolens) en natuur?
Zoals ook in het antwoord op vergelijkbare vragen is aangegeven, is het kabinet hier niet toe bereid, omdat eerder al uitvoerig naar alternatieven gekeken is.7 In een eerder stadium zijn diverse scenario’s, waaronder een scenario waarin TSN sluit, door Wijers en Blom onderzocht en door het kabinet gewogen.8 Het is de prioriteit van dit kabinet om TSN te verduurzamen en om de gezondheidssituatie voor omwonenden in de IJmond zo snel mogelijk te verbeteren. Dat doet het kabinet door in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN: dat is de snelste en effectiefste manier om, met de beschikbare middelen, de gezondheidsrisico's (flink) te verminderen en tot verduurzaming te komen. Daarbij draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de strategische importafhankelijkheid van Europa. Daarom is het niet opportuun om nu opnieuw onderzoek te doen naar (de potentie van) deze alternatieve denkrichtingen.
In het rapport van Wijers en Blom werd de sluitingsroute als ongunstig beoordeeld, met zeer hoge financiële (juist ook voor de staat) en uitvoeringsrisico’s. Het kabinet kiest, mede gelet op de economische en strategische waarde, voor behoud van staalproductie in de IJmond. Om die reden wordt de sluitingsroute niet verder uitgewerkt.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de maatwerkafspraken met Tata Steel de markt verstoren en staatsteunrechtelijk kwetsbaar zijn, aangezien de plannen om volledig te verduurzamen (2045) niet verder gaan dan huidige Europese wetgeving (EU ETS die afloopt in 2040)? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. De Nederlandse staat mag alleen staatssteun verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden van het toepasselijke Europese staatssteunkader, in dit geval de Guidelines on State aid for Climate, Environmental Protection and Energy (CEEAG). De EC toetst hierbij onder meer of de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen, alleen steun verstrekt die geschikt, proportioneel en niet marktverstorend is en geen steun verleent aan een onderneming die in financiële moeilijkheden verkeert. De beoogde steunmaatregel wordt zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan. Hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van het CEEAG kader. De steun mag niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij wordt opgemerkt dat het kabinet met verduurzamingssubsidies, zoals de maatwerksubsidies en ook de SDE++, juist beoogt om gedrag van bedrijven bij te sturen, in het publieke belang van een verduurzaming van de industrie en hele economie. De subsidie moet daarom worden afgezet tegen andere verduurzamingssubsidies, en niet tegen andersoortig beleid met andere doelstellingen.
Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039. Daarbij is het ETS alleen onvoldoende om tot investeringen in verduurzaming te leiden, zoals te zien is in de populariteit van de SDE++ en steunmaatregelen voor de industrie die buurlanden nemen. Ook andere Europese landen, waaronder België, Duitsland en Frankrijk, geven steun om hun staalproducenten te helpen met verduurzamen. Zoals door de AMVI geconcludeerd is het beoogde steunbedrag voor de verduurzaming van TSN laag ten opzichte van de steun die andere landen aan hun staalindustrie geven en ook zeer kosteneffectief.9
Deelt u de mening van de 117 economen dat medewerkers van Tata Steel waardevolle technische ervaring hebben die, met gerichte omscholing, inzetbaar kunnen zijn in sectoren met acute tekorten voor bijvoorbeeld de installaties van warmtepompen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De waardevolle technische kennis en ervaring van de medewerkers van TSN en het belang hiervan voor de energietransitie, onderschrijf ik. De medewerkers van TSN zijn een van de drijfveren van deze transitie: het plan is vroeg op tafel gelegd door de vakbonden en de werknemers zijn hard nodig om het project uiteindelijk uit te voeren. Mede dankzij het technisch geschoolde personeel kan TSN een belangrijke bijdrage leveren aan de innovatiekracht van Nederland en behoort TSN tot de Top 30 R&D bedrijven in Nederland.10 TSN draagt met haar eigen MBO opleiding ook bij aan het opleiden van technisch geschoold personeel.11
Gelet op het aantal vacatures in de techniek zal een deel van de werknemers bij een eventuele sluiting van het bedrijf elders werk kunnen vinden. Desalniettemin zal de impact op de regio groot zijn. Daarnaast is het omscholen van werknemers minder eenvoudig dan het met een macro-economische bril lijkt. Ook uit gesprekken die het kabinet voert met regionale belanghebbenden, waaronder werkgever- en werknemersorganisaties zoals de FNV, blijkt dat het lastig is om personeel in de regio naar ander werk te begeleiden met een vergelijkbaar inkomens- en kennisniveau.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de gezondheid van omwonenden onvoldoende wordt geborgd en hierdoor staatsteun economisch onverdedigbaar is en juridisch kwetsbaar? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Om de impact van het bedrijf op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden zo snel en ver mogelijk te reduceren zijn de meest kosteneffectieve maatregelen geselecteerd, waarmee de grootste reductie kan worden bereikt met de beschikbare middelen. Deze maatregelen leiden tot een forse reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen en dragen daarmee bij aan de vermindering van de impact op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De juridische borging van het behalen van de gezondheidsdoelen wordt nu uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat betreft de economische verdedigbaarheid en juridische kwetsbaarheid van de staatssteun, geldt dat de steun binnen een Europees steunkader moet passen en dat alleen maatregelen die verder gaan dan Unienormen in aanmerking komen voor steun. De staat en de EC zien hier streng op toe. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar en dus bovenwettelijk zijn.12 Deze juridische analyse is samen met de JLoI met de Kamer gedeeld. De maatwerkafspraken zijn naar de overtuiging van het kabinet de snelste weg om tot verbetering te komen van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden.
In het licht van de opmerking in de brief over de kooksgasfabrieken (KGF's) is het nog relevant op te merken dat de maatwerkaanpak alleen ziet op bovenwettelijke maatregelen. Op 19 december 2024 is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) een aanzeggingsbesluit genomen en openbaar gemaakt. Vanwege de handhavingsstappen van de OD NZKG is dit onderdeel in het wettelijke traject terecht gekomen en kan op dit moment daarom geen steun worden verleend voor vervroegde sluiting van KGF2. De maatwerksteun is voor de bouw van de nieuwe groenere en schonere installaties.
Deelt u de mening van de 117 economen dat Tata Steel geen cruciale schakel is in Nederlands hoogwaardige maakindustrie? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De economen stellen dat TSN geen cruciale schakel is in de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie omdat TSN veel staal exporteert. Dat TSN veel staal exporteert is juist een teken van concurrentiekracht. De Nederlandse industrie is grotendeels gericht op export en opereert in grote mate in een Europese context. TSN exporteert twee derde van de productie binnen Europa en draagt daarmee bij aan het verkleinen van de strategische importafhankelijkheid van Europa voor verschillende sectoren, waaronder de maakindustrie, zoals de automotive- en batterijensector. Zoals de economen terecht betogen, moet strategische autonomie altijd in een Europese context worden bezien. De activiteiten van TSN zorgen daarnaast voor veel omliggende bedrijvigheid in de regio en bij ketenpartners in verschillende sectoren13. De verduurzaming van TSN is een groot innovatief project en biedt ook kansen voor de regio en de Nederlandse economie.14
Deelt u de mening van de 117 economen dat strategische autonomie vereist dat we staalproductie in Europa hebben, maar dat in Nederland staal blijven produceren economisch juist irrationeel is? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Op dit moment is er in Europa voldoende staalproductie. Maar, zoals in het antwoord op vraag 3 ook aangegeven wordt voorlopig nog nergens in de wereld op commerciële schaal groen staal geproduceerd, onder meer door gebrek aan productie van (betaalbare) groene waterstof. In de Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050 geeft PBL aan dat dit betekent dat import van onder andere groen staal naar Nederland voor 2050 niet erg waarschijnlijk is.15 Het opbouwen van nieuwe groene productiecapaciteit kost tijd en geld. Wijers en Blom16 gaven al aan dat het inderdaad zo is dat zon- en windenergie elders in Europa goedkoper kunnen zijn, maar er zijn ook studies die aangeven dat deze verschillen nog erg onzeker zijn17 en in de toekomst ook weer kleiner kunnen worden.18 Ook hebben zij in beeld gebracht dat Nederland juist een relatief logische plek is binnen Europa voor een staalfabriek. Daarnaast lopen ook nieuwe projecten, bijvoorbeeld in Zweden en Spanje, tegen vertraging en problemen aan, bijvoorbeeld met draagvlak voor de nieuwe fabrieken vanwege impact op de omgeving, de versterking van het elektriciteitsnet, infrastructuur, beschikbaarheid van water en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van groene waterstof, zoals een aantal andere economen in reactie op het ESB artikel ook beschreven.19, 20, 21 Daarbij is TSN gunstig gelegen ten opzichte van hernieuwbare energiebronnen (groene stroom uit wind op zee) en kan TSN gebruik maken van bestaande logistieke infrastructuur en de ligging aan zee, wat een concurrentievoordeel oplevert ten opzichte van de geheel nieuwe productielocaties.22
Vóór 2050 zal er naar verwachting geen substantiële groene staalproductie elders in Europa zijn die de productie van TSN kan vervangen. Het kabinet kiest ervoor om daar niet op te wachten en onze verantwoordelijkheid te nemen door in te zetten op een maatwerkafspraak om in Nederland groener en schonere staal te kunnen produceren.
Deelt u de mening van de 117 economen dat het gezien de feiten die voorliggen, het nu (economisch) verstandiger is om de stekker uit de Joint Letter of Intent te halen dan ermee door te gaan? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Zoals eerder in de beantwoording aangegeven wil het kabinet verantwoordelijkheid nemen en hier groenere en schonere staalproductie realiseren middels een maatwerkafspraak met TSN om zo onder andere bij te dragen aan ons toekomstige verdienvermogen en onze weerbaarheid en zelfvoorzienendheid te versterken, naast de doelen van verduurzaming en verbetering van de leefomgeving.
Kunt u de vragen één voor één en in alle volledigheid beantwoorden?
Ja.
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel?
Ja.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.
De noodkreet van de BES-eilanden over veiligheid |
|
Heera Dijk (D66) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep vanuit de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) tot structurele versterking van de justitieketen in Caribisch Nederland?1
Ja.
Herkent u de situatie zoals deze door de gezaghebbers van Saba, Bonaire en Sint-Eustatius wordt geschetst en wat is uw reactie op de drie concrete oproepen zoals deze zijn opgenomen in het bericht richting de beide Kamers en richting het kabinet?
Wij herkennen de situatie zoals geschetst door de gezaghebbers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vanuit onze eigen verantwoordelijkheden onderhouden wij in verschillende overlegstructuren nauw contact met onze diensten en de bestuurders in Caribisch Nederland (CN).
In de brief wordt aandacht gevraagd voor de personele en materiële tekorten bij de uitvoerende diensten in CN, onder andere bij het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN). In dit kader kan gemeld worden dat de Nationale Politie nauw met KPCN en de andere politiekorpsen in het Caribisch deel van het Koninkrijk samenwerkt. Zo wordt sinds februari 2025 KPCN tijdelijk ondersteund door de Nationale Politie en de KMar om de bezetting van primair de noodhulp op Bonaire te vergroten. Op zijn beurt ondersteunt KPCN de KMar op Saba en Sint Eustatius bij de controles op de aankomsten en afvaarten van de ferries. Onlangs zijn de afspraken hierover verlengd tot begin 2027. Voor een verdere toelichting op de personele bezetting, waaronder die van de overige genoemde diensten, verwijzen wij graag naar vraag 3.
In hun brief vragen de gezaghebbers ook aandacht voor een betere onderlinge samenwerking tussen KMar, KPCN, Douane en Kustwacht. De genoemde diensten werken regelmatig met elkaar samen, op zowel strategisch niveau als operationeel. Dat manifesteert zich bijvoorbeeld in de Multidisciplinaire Maritieme Hub Bonaire (MMHB), waarin ook het Openbaar lichaam Bonaire participeert. De MMHB geeft invulling aan integraal maritiem toezicht rondom Bonaire. In algemene zin zullen wij de algehele samenwerking van onze diensten, onder meer met het oog op een zo goed mogelijke informatiepositie, blijven bevorderen, met inachtneming van hun mogelijkheden en respectievelijke bevoegd- en verantwoordelijkheden. Zowel waar het de onderlinge samenwerking betreft, als die met andere (al dan niet lokale) diensten. Daarnaast wordt de samenwerking verder verdiept door gezamenlijke leertrajecten en kennisdeling, bijvoorbeeld door de start van een gezamenlijke opleiding van aspiranten voor de Kustwacht Caribisch Gebied en KPCN in augustus 2026.
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de personele bezetting van politie-, justitie- en veiligheidspersoneel op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte), bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling?
De personele bezetting van KPCN, KMar, Douane Caribisch Nederland (Douane CN) en de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN), wordt onderstaand uiteengezet uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte). De verhouding tussen bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling wordt daarbij steeds aangegeven. Voor alle onderstaande gegevens is peildatum 31 december 2025 aangehouden.
Voor alle bovengenoemde diensten geldt dat 100% bezetting het streven blijft. Om KPCN in staat te stellen om zijn taken in de afdelingen basispolitiezorg en opsporing conform de beleidsdoelstellingen uit te kunnen voeren, wordt het korps tijdelijk ondersteund met 10 fte van de Nationale Politie en 2 fte van de KMar. Deze ondersteuning loopt minimaal tot Q2 2027. Met de BES-claim wordt de formatie van de KMar in Caribisch Nederland uitgebreid. Dit proces is reeds in gang gezet, afgelopen maand is een nieuwe initiële opleiding voor personeel van de Rijksdienst Caribisch Nederland-collega’s (RCN) gestart. In de komende jaren zal de KMar verder invulling geven aan de personele uitbreiding.
Bij de JICN zat de vacatureruimte in december jl. met name in de beveiliging. De in- en uitstroom van personeel is echter een continu proces. Daarom wordt er actief geworven om openstaande vacatures zo snel als mogelijk op te vullen.
De vacatureruimte bij de Douane CN is op dit moment bijna weer ingevuld. Daarnaast wordt verzocht om uitbreiding van de formatie. De beleidsdoelstellingen uit de Rijksbegroting voor Douane CN richten zich op professionalisering, het versterken van de uitvoeringskwaliteit en het moderniseren van systemen en organisatie. Douane CN sluit hierop aan door actief te investeren in personeelsontwikkeling, risicogericht toezicht en procesverbetering, evenals in de werving van nieuw personeel om de capaciteit te versterken. Daarnaast wordt de samenwerking binnen de keten geoptimaliseerd om toezicht en handhaving efficiënter en meer in lijn met de Nederlandse uitvoeringsstandaarden te organiseren. Deze inzet draagt gezamenlijk bij aan het realiseren van de rijksbrede opgave om de uitvoeringskwaliteit structureel te verbeteren.
Welke concrete stappen heeft het u al gezet of gepland om het structurele personeelstekort bij het Korps Politie Caribisch Nederland en de Douane op de BES-eilanden aan te pakken?
Voor KPCN geldt dat er sinds 2023 intensief gewerkt wordt aan het opleiden van nieuwe politiemensen voor het korps. Daarbij zijn de volgende maatregelen genomen, dan wel zullen de volgende maatregelen genomen worden:
Naast de opleiding van nieuwe collega’s wordt er permanent geworven voor reeds ervaren collega’s uit andere delen van het Koninkrijk. In 2025 stroomden op deze wijze 12 fte in.
De tijdelijke ondersteuning vanuit de Nationale Politie en de KMar, die in de eerste plaats de basispolitiezorg op Bonaire borgt, wordt ook benut om de recent ingestroomde collega’s en aspiranten te begeleiden waarmee hun leerproces in de praktijk wordt gecontinueerd.
Douane CN is in 2025 gestart met een intensief werving- en selectie traject dat voorspoedig verloopt. Medio maart 2026 is de eerste instroom van 12 nieuwe medewerkers voor structurele inzet. De vacatureruimte (zie vraag 3) komt daarmee in april 2026 op 2 fte. Daarnaast komt er per 1 mei 2026 8 fte tijdelijke extra bijstand vanuit Douane Nederland bij. Deze bijstand richt zich op Fysiek Toezicht en Risicomanagement. Momenteel wordt gekeken of en welke aanvullende menskracht nodig is.
Welke informatie heeft u over de omvang en aard van de wapenproblematiek op de BES-eilanden, en welke maatregelen worden overwogen?
De afgelopen tijd zijn meermaals signalen ontvangen dat de problematiek omtrent vuurwapenbezit en -gebruik is toegenomen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Raad voor de Rechtshandhaving wijst in haar rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» naar de meest recent verschenen criminaliteitsbeeldanalyse Caribisch Nederland 2020–2024. Sinds 2024 is er een stijging te zien van vuurwapengeweld op Bonaire. Volgens de Criminaliteitsbeeldanalyse zijn er op Bonaire twee groepen bezitters van vuurwapens te onderscheiden. De eerste groep bestaat uit jonge mannen die een vuurwapen zien als statussymbool, de tweede groep bestaat uit mensen die zich in het criminele milieu begeven.2
Tegen deze achtergrond acht de Douane het essentieel dat de beschermingstaak expliciet wordt betrokken bij de aanpak van de vuurwapenproblematiek. De Douane zet daarom in op het verder versterken van risicogerichte controles op goederenstromen, het intensiveren van informatiegestuurd toezicht en het versterken van de samenwerking met ketenpartners zoals politie, Koninklijke Marechaussee, Kustwacht en het Openbaar Ministerie. Op deze manier wordt beoogd de illegale invoer van vuurwapens en onderdelen daarvan zo effectief mogelijk te voorkomen en te bestrijden.
Recent zijn de politiekorpsen van Aruba, Curaçao, Caribisch Nederland en Sint Maarten samen met de Openbare Ministeries een gezamenlijke actie gestart om illegale vuurwapens vrijwillig te laten inleveren. Personen die in het bezit zijn van een illegaal vuurwapen krijgen de mogelijkheid dit vrijwillig in te leveren zonder strafrechtelijke gevolgen voor overtreding van de wapenwetgeving. Na afloop van de actieperiode zullen gerichte controles en opsporingsacties volgen om illegaal wapenbezit verder aan te pakken.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) financiert ook het RIEC Caribisch Nederland (CN) dat het tegengaan van vuurwapens meeneemt in de bredere ondermijningsaanpak. Samen met de relevante partners wordt binnen het RIEC-verband gewerkt om controles uit te voeren in de havens op Bonaire om een bijdrage te leveren aan het bestrijden van vuurwapensmokkel.
Overwegende dat de gezaghebbers stellen dat de Douane haar inzet momenteel primair op inning van accijnzen en belastingen richt en minder op veiligheidsvraagstukken, kunt u toelichten hoe de taakverdeling en prioriteiten van de Douane worden afgestemd op veiligheidsrisico’s en welke maatregelen nodig zijn om eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding te dichten?
Douane CN zet in op het versterken van de beschermingstaak, onder meer door de inzet van een adviseur Ondermijning en door intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. Hiermee wordt beoogd eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding verder te verkleinen.
Daarbij werkt Douane CN volgens het Handhavingsplan Douane Nederland, waarbij de veiligheidsrisico’s worden meegewogen en een risico-gestuurde aanpak leidend is.
De afgelopen jaren is geïnvesteerd in Douane CN en is de formatie uitgebreid. Tegelijkertijd is de externe opgave toegenomen door onder meer bevolkingsgroei, toenemende logistieke stromen en ontwikkelingen in de veiligheidscontext. Dit vraagt om scherpe prioritering in de inzet van capaciteit. Het kabinet neemt het signaal van de gezaghebbers dat de bezetting van de dienst tegen een ondergrens kan aanlopen serieus. Recent zijn twaalf nieuwe medewerkers ingestroomd. Zij doorlopen momenteel een opleiding en zullen na afronding daarvan volledig inzetbaar zijn.
Overwegende dat de gezaghebbers aangeven dat het gewenste en acceptabele niveau van rechtsbescherming in Caribisch Nederland onder druk staat, Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om de rechtsbescherming en toegang tot rechtspraak voor inwoners van de BES-eilanden te garanderen op een niveau dat gelijkwaardig is aan Europees Nederland?
Toegang tot het recht, waarvan toegang tot rechtspraak onderdeel is, is een basisvoorwaarde voor een goed functionerende rechtsstaat. Dat uitgangspunt geldt onverminderd voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Een significante en concrete stap in het verbeteren van de toegang tot het recht voor burgers in Caribisch Nederland is de introductie van het Lokèt Hurídiko /Legal Desk. Hiertoe is in oktober 2025 door JenV en BZK de Stichting voor rechtshulp en gelijke behandeling BES opgericht. Deze stichting zal, vergelijkbaar met het Juridisch Loket in het Europese deel van Nederland, burgers op Bonaire (Lokèt Hurídiko) en Sint Eustatius en Saba (Legal Desk) voorzien van gratis en laagdrempelig toegankelijke eerstelijns rechtshulp. Daarnaast is de dienstverlening van de stichting ook specifiek gericht op hulp en ondersteuning bij discriminatie en kwesties die te maken hebben met gelijke behandeling. De stichting werkt momenteel aan de inrichting van de voorzieningen op de drie eilanden. Verwacht wordt dat de dienstverlening in de loop van 2026 op gang zal komen.
Vanaf 1 januari 2026 is de Wet bescherming tegen discriminatie op de BES in werking getreden. Hierdoor is de gelijkebehandelingswetgeving zoals we die kennen in het Europese deel van Nederland ook van toepassing op inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Als onderdeel van deze wet krijgt het College voor Rechten van de Mens ook een oordelende taak in Caribisch Nederland. Dit houdt concreet in dat inwoners van de BES-eilanden het College voor Rechten van de Mens kunnen verzoeken om te beoordelen of er in juridische zin in een specifieke situatie sprake is geweest van discriminatie. Lokèt Hurídiko/Legal Desk kan burgers bijstaan bij een dergelijke procedure.
Naast bovenstaande is er ook aandacht voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. De afgelopen tijd zijn in samenwerking met de Raad voor Rechtsbijstand de eerste maatregelen genomen om voor mensen met minder draagkracht de toegang tot (tweedelijns) rechtsbijstand te verbeteren. Zo is de inkomensnorm die geldt voor de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES (Wkrb) beleidsmatig aangepast. Momenteel wordt gekeken naar de verbetering van de vergoedingen voor advocaten die burgers op basis van de Wkrb. bijstaan. Voor de langere termijn zal aandacht zijn voor verdere versterkingen van het systeem en onderhoud aan de bestaande wetgeving, waarbij bijvoorbeeld ook aandacht zal zijn voor mediation. In dit kader is recent subsidie verstrekt om de bestaande pilot mediation in strafzaken op beperkte schaal uit te breiden naar civiele zaken.
Welke opvolging is er tot op heden gegeven aan het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» van de Raad voor de Rechtshandhaving?
Vanuit het Ministerie van JenV is er de afgelopen tijd gewerkt aan de beleidsagenda voor Caribisch Nederland 2026–2030 (beleidsagenda). In deze beleidsagenda worden nadrukkelijk de aanbevelingen van de Raad voor de Rechtshandhaving zoals benoemd in het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» (Staat 2024) meegenomen. De beleidsagenda is op 31 maart jongstleden met uw Kamer gedeeld.
Het bericht dat AI-gegenereerde stemhulpen kiezers misleiden. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met verschillende berichten dat AI-gegenereerde stemwijzers onjuiste informatie verstrekken en kiezers misleiden, zoals in Gouda, Leiden en De Ronde Venen?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de grote zorg dat hier stemadviezen worden gegeven op basis van tal van onjuistheden en zelfs met niet bestaande partijen?
Ik deel uw zorgen over de stemadviezen die door AI-gegenereerde stemhulpen (verder: AI-stemhulpen) worden verstrekt. Het is van belang dat de adviezen die kiezers van stemhulpen krijgen betrouwbaar, begrijpelijk en transparant zijn. Met de komst van AI-stemhulpen zie ik dat deze uitgangspunten onder druk komen te staan. AI-stemhulpen zijn namelijk stemhulpen die gebouwd zijn op basis van Large Language Models (LLM’s), bijvoorbeeld keus.nl4 dat claude.ai als basis heeft. Dit soort LLM’s produceert antwoorden door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, niet door deskundig gevalideerde verkiezingsinformatie of lokale programma’s. Daardoor geven ze antwoorden die op het eerste gezicht vaak goed lijken, maar die niet feitelijk juist, of neutraal zijn. Zelfs met zeer strikte instructies aan het algoritme, blijven de antwoorden onbetrouwbaar.
Eerder hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) daarom het gebruik van AI-stemhulpen sterk afgeraden.
De ontwikkeling van stemhulpen maakt onderdeel uit van het publieke debat rondom verkiezingen. Vanwege de neutrale positie die de overheid dient in te nemen in het debat rond verkiezingen, heeft de overheid tot nu toe geen rol ingenomen met betrekking tot stemhulpen, noch invloed uitgeoefend op stemhulpen. Dat geldt ook voor door AI gemaakte stemhulpen. Door het toenemende gebruik van AI-stemhulpen komen uitgangspunten betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie onder druk te staan. Daarom onderzoek ik of de overheid in de borging van deze uitgangspunten een rol kan en moet vervullen en zo ja, binnen welke kaders dat kan. Ik ben voornemens u bij de evaluatie van de Gemeenteraadsverkiezingen die ik voor de zomer aan de Tweede Kamer zal sturen hier nader over te informeren.
Welke gevolgen heeft onjuiste informatieverstrekking voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen en welke aansprakelijkheid geldt er bij het onjuist of onvolledig verstrekken van informatie?
Zie antwoord op vraag 2.
Al eerder werd door de Autoriteit Persoonsgegevens gewaarschuwd voor de uitkomsten van AI-gegenereerde chatbots, die meer dan de helft van de tijd PVV en GroenLinks-PvdA op de eerst plek adviseerden, wat is er met deze bevindingen gedaan? Vindt u dit voldoende, zo ja waarom?
Mede naar aanleiding van dit rapport ben ik in gesprek gegaan met bedrijven die LLM’s als dienst aanbieden over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 noem, onderzoek ik of het wenselijk is of de overheid een rol gaat nemen bij de borging van uitgangspunten van betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie bij de ontwikkeling van stemhulpen. In de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezing zal ik u hier verder over informeren.
Hoe vaak zijn de in de nieuwsartikelen genoemde «stemhulpen» in de afgelopen dagen geraadpleegd? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal kiesgerechtigden?
Ik heb daar geen zicht op. Ik verwijs u voor deze cijfers naar de betreffende websites. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat de website keus.nl door de initiatiefnemer zelf inmiddels offline is gehaald.
Gaat u na welke initiatiefnemers er achter deze zogenaamde stemhulpen schuil gaan en met welk oogmerk zij actief zijn? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, wie is daar wel voor verantwoordelijk?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de grote zorg dat de democratie actief wordt ondermijnd door desinformatie en dat kwaadwillenden zelfs verder kunnen gaan dan onjuist en onzorgvuldig informeren, en zelfs manipuleren? Zo ja, kunt en gaat u handhaven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen over de ondermijning van de democratie door desinformatie. De aanpak hiervan is voor mij en het kabinet prioriteit. In het rondetafelgesprek over sociale media en inmenging met de Commissie Digitale Zaken op 4 maart jl. werd er ook op gewezen dat desinformatie ingezet kan worden om LLM’s te beïnvloeden. Naast de onbetrouwbare beantwoording van LLM’s door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, vormt de desinformatie dus ook een serieus risico voor de betrouwbaarheid van de informatie die AI stemhulpen geven. Bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen laten we met verschillende pilots onderzoeken hoe detectie van buitenlandse desinformatie kan plaatsvinden. Over de uitkomsten van deze pilots wordt uw Kamer na de gemeenteraadsverkiezingen nader geïnformeerd.
Waar het gaat om de inzet van AI wordt gewerkt aan een wettelijk kader voor het toezicht in Nederland op de Europese AI-verordening. Bedrijven die diensten leveren die gebruik maken van LLM’s (zoals chatbots) vallen onder de AI-verordening. Binnen deze verordening gelden AI-systemen die worden ingezet voor het beïnvloeden van «natuurlijke personen bij de uitoefening van hun stemrecht bij de verkiezingen of referenda» als hoog risico. AI-toepassingen die een hoog risico vormen, worden aan strengere regels gebonden. De uitvoeringswetgeving is op dit moment nog in ontwikkeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoeringswet die binnenkort in openbare internetconsultatie zal gaan. Tegelijkertijd hebben ook de aanbieders van de LLM’s zelf een verantwoordelijkheid om bias en vertekening te voorkomen en systeemrisico’s te mitigeren; daarop wordt al toegezien door het Europese AI Bureau.
Omdat de huidige nationale wetgeving nog onvoldoende handvatten biedt om het gebruik van de overige AI-chatbots als stemhulp te reguleren, zet het Ministerie van BZK ook in op een dialoog met de aanbieders van AI-chatbots en op bewustwording bij kiezers. Vanwege het internationale karakter van de aanbieders van AI chatbots betrek ik deze casuïstiek ook bij de gesprekken die ik voer met de Europese Commissie.
Kunt u deze stemhulpen aansprakelijk stellen, laten aanpassen of zonodig beëindigen? Zo ja, bent u bereid dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe voorkomt u dat deze aanbieders of anderen hiermee doorgaan?
Zie antwoord op vraag 2.
Op welke wijze raadt u kiezers aan zich te informeren, en hoe waarschuwt de regering burgers voor misleiding en AI-advies waarmee ze knollen voor citroenen aangesmeerd krijgen?
In mijn communicatie inzake de aanstaande gemeenteraadsverkiezing besteed ik aandacht aan de beperkingen van AI-stemhulpen. Ik benadruk hierin dat een stemhulp slechts één van de hulpmiddelen is om informatie over de verkiezing en deelnemende kandidaten te vergaren. Ik adviseer kiezers om daarnaast ook nog andere middelen hiervoor te gebruiken, zoals het volgen van debatten, het lezen van partijprogramma’s en het met anderen in gesprek gaan. Daarnaast adviseer ik politieke partijen als zij fouten aantreffen in een stemhulp om zelf contact op te nemen met de aanbieder van de stemhulp.
Bent u in overleg met lokale overheden om burgers actief te informeren over online stemwijzers die misinformatie verspreiden, over aanpassing van deze sites of zonodig sanctioneren?
In de nieuwsbrief van de Kiesraad zijn gemeenten gevraagd om hun inwoners te informeren over de risico’s van AI-gegeneerde stemhulpen.
Voor wat betreft het aanpassen van deze websites en zo nodig het sanctioneren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Wie is in Nederland verantwoordelijk voor opsporing en handhaving in deze? Kunt u inzicht geven welke omvang of de regelgeving voldoende instrumenten geeft om met snelheid te acteren en of er voldoende capaciteit is?
Op dit moment is er in Nederland geen instantie die bevoegd is om tegen AI stemhulpen op te treden wanneer die niet aan de uitgangspunten van betrouwbare, transparante en begrijpelijke informatievoorziening voldoen.
Voor de stand van zaken omtrent het juridisch instrumentarium in deze verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 7.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval laten weten op welke wijze handhavend wordt opgetreden?
Ja.
Het bericht dat omwonenden van azc Lochem 1000 euro krijgen om hun eigen veiligheid te regelen. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat omwonenden van het asielzoekerscentrum (azc) in Lochem maximaal 1.000 euro per huishouden krijgen van de gemeente om zelf «preventieve maatregelen» te nemen voor hun veiligheid, zoals camera’s en hekken, vanwege de onrust en onveiligheid veroorzaakt door asielzoekers?1
Erkent u dat dit het keiharde bewijs is dat asielzoekers structureel zorgen voor overlast, intimidatie, bedreigingen en onveiligheid in Nederland, en dat omwonenden nu letterlijk met hun eigen portemonnee (via belastinggeld) hun bescherming moeten regelen tegen deze asielwaanzin? Zo nee, waarom ontkent u de verschrikkelijke realiteit die talloze Nederlanders dagelijks ervaren?
Kunt u exact uiteenzetten hoeveel incidenten van geweld, diefstal, bedreigingen, aanrandingen en andere overlast door asielzoekers in en rond het azc Lochem zijn gemeld bij de politie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en hoeveel van deze meldingen zijn verzwegen of niet serieus zijn genomen?
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd en schandalig is dat belastinggeld wordt verspild om omwonenden te «compenseren» voor de onveiligheid die dit kabinet veroorzaakt door overlastgevers niet uit te zetten, de Spreidingswet te handhaven en geen asielstop in te voeren?
Bent u het ermee eens dat de enige oplossing het sluiten van het azc is? Zo nee, hoeveel slachtoffers van intimidatie, diefstal of geweld moeten er nog bijkomen?
Bent u bereid om alsnog de Spreidingswet per direct in te trekken en een volledige asielstop in te stellen? Zo nee, waarom prioriteert u asielzoekers boven de veiligheid van de eigen bevolking?
De Algemene Bestuursdienst (ABD) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Was de Algemene Bestuursdienst (ABD) ervan op de hoogte dat het cv van Nathalie van Berkel niet correct was? Zo nee, waarom niet?
Voor werving & selectieprocedures volgt de Algemene Bestuursdienst de NVP1-sollicitatiecode. Gegevens die een sollicitant in een sollicitatieproces verstrekt zijn vertrouwelijk. Daarom kan ik verder geen uitspraken doen over deze procedure.
Overigens gaat het in deze situatie niet om een ABD-functie maar om dienstverlening door de ABD samen met een extern werving & selectie bureau aan een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO).
Worden de cv’s van ambtenaren die vallen onder de ABD gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Voor ABD-vacatures kent de ABD een uitgebreid werving- en selectieproces waarin een kandidaat op verschillende momenten getoetst wordt op zijn ervaring, vaardigheden en kwaliteiten. Voorafgaand aan publicatie van een functie worden de functie-eisen vastgesteld in samenspraak met de vacaturehouder. Dit kan een specifieke opleidingseis zijn, maar vaker wordt een wo-werk- en -denkniveau gevraagd in combinatie met relevante werkervaring. In de selectiegesprekken wordt getoetst of een kandidaat over de juiste kwaliteiten en vaardigheden beschikt voor de functie.
Na afloop van de selectiegesprekken vindt voor de voorkeurskandidaat een referentiecheck plaats om eerdere werkervaring te toetsen. Daarnaast kan een assessment deel uitmaken van het selectieproces. Dit gebeurt altijd voor kandidaten die van buiten de Rijksoverheid solliciteren en voor kandidaten die niet eerder een functie op hetzelfde niveau hebben vervuld.
De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit volgt uit de Gedragscode Integriteit Rijk. Daarin is beschreven dat integriteit al iets is om rekening mee te houden voordat je in dienst treedt als rijksambtenaar. Zo moet een persoon eerlijk zijn in de informatie die hij of zij bij de sollicitatie verstrekt en geen relevante informatie achterhouden. Bij het afleggen van de ambtseed zweert of verklaart een rijksambtenaar dat hij of zij correcte informatie heeft gegeven en niets heeft verzwegen wat voor het ambt van belang kan zijn. Uiteraard onderschrijft ik deze uitgangspunten volledig.
Is het, wat u betreft, acceptabel dat ambtenaren, die onderdeel uitmaken van de ABD, hun cv hebben «opgepoetst» met onwaarheden? Of is dit onverenigbaar met de integriteit van het openbaar bestuur?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2. De primaire verantwoordelijkheid voor het verstrekken van correcte informatie ligt bij de sollicitant. Dit is ook opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en in de ambtseed.
Bent u bereid de cv’s van ambtenaren die onderdeel uitmaken van de ABD – of op zijn minst de ambtenaren die behoren tot de Topmanagementgroep van de ABD – door een extern bureau te laten controleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven kent de ABD een zorgvuldig werving- selectieproces waarbij werkervaring en vaardigheden op verschillende momenten getoetst worden. Daarnaast heeft iedere kandidaat zelf primair de verantwoordelijkheid om correcte informatie bij een sollicitatie te verstrekken en om geen relevante informatie achterhouden, zoals ook is opgenomen in de Gedragscode Integriteit Rijk en de ambtseed. Het inschakelen van een extern bureau voor het toetsen van cv’s van de huidige groep topambtenaren vind ik niet proportioneel. Wel vind ik het van belang om de waarde die de overheid hecht aan integriteit te onderstrepen bij sollicitaties voor topambtelijke functies. Eerder is aangegeven dat zal worden bezien of de aandacht voor integriteit in het bestaande aannamebeleid voor rijksambtenaren vergroot moet worden.2 Daarbij zal voor topambtenaren, naast de huidige checks in de werving- en selectie procedure, voor de eindkandidaat een extra opleidingsverificatie plaatsvinden.
Het bericht 'Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit) opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht. Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald? Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is er sprake van een vier-ogen principe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd meer dan twee mensen.
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven, en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog. De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
De onrust onder inwoners van Moerdijk. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moerdijk leeft tussen hoop en vrees: «Ik heb hier huilende mensen gehad»» op Omroep Brabant?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat langdurige bestuurlijke onzekerheid over het voortbestaan van een dorp diep ingrijpt in het dagelijks leven van inwoners en dat het Rijk hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft, nu het mede-initiatiefnemer is van de gebiedsontwikkeling?
Binnen het kabinet is de Staatssecretaris van KGG coördinerend bewindspersoon als het gaat om Moerdijk. Ikzelf heb mij met de collega’s van IenW en KGG, die verantwoordelijk zijn voor de beleidsterreinen die leiden tot deze ingrijpende ruimtelijke inpassing, ook laten informeren over de situatie en ontwikkelingen in dit gebied. Ik begrijp de behoefte van inwoners en ondernemers in Moerdijk aan duidelijkheid goed. Het is belangrijk dat die duidelijkheid zo snel mogelijk wordt geboden. Ik zal mij ervoor inzetten om samen met het kabinet de benodigde keuzes te maken en vervolgens, in overleg met de gemeenten en de provincie – die hierin een belangrijke rol spelen – tot overeenstemming komen. De duidelijkheid waar bewoners behoefte aan hebben, vraagt om een robuuste en toekomstbestendige keuze die standhoudt. De Staatssecretaris van KGG heeft in dat kader onlangs een werkbezoek gebracht aan Moerdijk.
Vanuit het Rijk, de provincie en gemeente, willen wij duidelijkheid bieden over de voorkeursrichting, de bijbehorende toekomst van het dorp en de te volgen procedure. Het is ons voornemen om in juni van dit jaar samen met provincie en gemeenten de voorkeursrichting voor de uitbreidingsactiviteiten van de haven en de noodzakelijke energie-infrastructuur te bepalen. Het is begrijpelijk dat er in de tussentijd vragen blijven bestaan. Wij blijven daarom uiteraard via de dorpstafel in gesprek met de inwoners van Moerdijk.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de inwoners van Moerdijk als gevolg van het handelen van de Rijksoverheid nog langer in onzekerheid blijven?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen onderneemt u, vooruitlopend op een principebesluit, om de spanning en onzekerheid van de inwoners van Moerdijk te verzachten en rechtszekerheid en duidelijkheid voor inwoners te vergroten om verdere sociale ontwrichting te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten welke uitgangspunten het kabinet hanteert bij de beoordeling of het opheffen van een dorp proportioneel en subsidiair is, en hoe deze toets zich verhoudt tot het uitgangspunt van een leefbare woonomgeving in de Nota Ruimte?
Het energie-intensieve industriecluster Moerdijk is, samen met andere energie-intensieve industrieclusters, in de Ontwerp-Nota Ruimte aangewezen als van nationaal belang. In het coalitieakkoord is daarnaast vastgelegd dat voor deze clusters een nationale ruimtelijkeconomische strategie wordt ontwikkeld. Deze clusters zijn van groot belang vanwege hun rol in het nationale energiesysteem en hun bijdrage aan een toekomstbestendige economie en strategische autonomie. Rondom het haven- en industriecluster Moerdijk komen een aantal belangrijke energieprojecten van nationaal belang samen, die noodzakelijk zijn voor de duurzame energievoorziening van Nederland. Deze projecten zorgen voor duurzame energie voor woningbouw, ziekenhuizen, scholen, bedrijven en andere belangrijke voorzieningen in de regio en de rest van Nederland. Zonder deze projecten kunnen deze voorzieningen niet voorzien worden van stroom en andere energiebronnen. Tegelijkertijd nemen we, in bredere zin voor heel Nederland, de kwaliteit van de leefomgeving als uitgangspunt bij alle keuzes die we maken. Maar bij keuzes betekent dat soms ook dat er effecten kunnen optreden die niet voorkomen kunnen worden, gemitigeerd of – indien onvermijdelijk – geaccepteerd moeten worden. De impact op de omgeving wordt nadrukkelijk meegewogen in de besluitvorming over de strategische uitbreiding van de energie-intensieve industrieclusters.
Hoe ziet het verplaatsen van het dorp Moerdijk eruit zowel als het gaat om het administratieve proces als de ruimtelijke kaders?
Dit is nog niet besloten. Nadat een voorkeursrichting is bepaald kan dit nader worden uitgewerkt op basis van de uitgangspunten die daarbij vastgesteld worden.
Bent u bekend met het aangenomen voorstel van de gemeenteraad van Moerdijk (19 november 2025) dat een voorkeur voor de variant Oost uitspreekt omdat deze het minst schadelijk is voor de gemeente als geheel? Zo ja, wat is uw visie over de inhoud?
De inhoud van het raadsbesluit is bekend en past bij de uitkomsten van onderzoeken zoals verwoord in het besluit van het bestuurlijk overleg op 1 december 2025. «De analyses ten aanzien van verschillende perspectieven laten zien dat de oostelijke richting de meest logische kenmerken heeft voor een uitbreiding van het haven- en industrieterrein van Moerdijk en voor een toekomstbestendig werkend systeem van haven en infrastructuur. Deze onderzoeken laten tevens zien dat de zuidoostelijke richting minder aansluit bij de behoefte aan multimodale ontsluiting en een aantal belangrijke infrastructurele werken en projecten doorkruist, waaronder buisleidingen, spoorlijnen en snelwegen. Bij de zuidoostelijke richting wordt de leefbaarheid van meerdere omliggende dorpskernen en voor meer inwoners aangetast en deze belemmert de ontwikkeling van de gemeente aan deze zijden. Het dorp Moerdijk raakt ingeklemd door de ontwikkelingen vanuit industrie en energie, waardoor overlast toeneemt en een leefbaar perspectief onzeker is. Daarbij blijft de kans bestaan dat de discussie over de houdbaarheid van het dorp op een later moment opnieuw terugkomt.»
Bent u in het kader van het aangenomen Moerdijkse raadsvoorstel «Ophalen toestemming voor besluit Powerport 1 december 2025» ermee bekend dat bij het oorspronkelijke raadsvoorstel meerdere amendementen zijn aangenomen ten behoeve van de leefbaarheid na de realisatie van Powerport, zoals de verbreding van de A16 bij de Moerdijkbrug?
De amendementen zijn bekend. Het principe in de amendementen om bij een te nemen besluit over een voorkeursrichting ook een besluit te nemen over rechtvaardige condities en randvoorwaarden ondersteunt het Rijk. Het pakket wordt nog nader uitgewerkt, waardoor op dit moment nog niet gezegd kan worden of en welke amendementen onderdeel zullen zijn van de aanpak en of en hoe de verschillende condities kunnen worden ingevuld.
Deelt u de visie zoals neergelegd door de Moerdijkse gemeenteraad, of heeft u een andere visie?
Zie antwoord vraag 8.
Waaraan denkt het kabinet als het gaat om «redelijke compensatie»?
Dat we goed moeten zorgen voor de inwoners en ondernemers in het dorp is voor alle betrokken overheden een van de belangrijkste uitgangspunten bij het nemen van een beslissing over de toekomst van het dorp Moerdijk. Hier kunnen we op dit moment nog geen uitspraken over doen.
Wordt er een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld waarin ook psychosociale effecten, verlies van erfgoed, waardedaling van omliggende dorpen en effecten op vertrouwen in de overheid worden meegewogen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze? Zo nee, waarom wordt deze niet opgesteld?
Vooralsnog is geen aparte MBKA voorzien, dit is mogelijk een onderdeel van de bredere merprocedure. Deze zal openbaar zijn. Planning afronding van de procedure is eind 2028.
Wat is uw huidige inschatting van de totale publieke kosten van de verschillende varianten (Oost en Zuid-Oost), inclusief verwerving, compensatie, herhuisvesting, infrastructuur, leefbaarheidsmaatregelen en eventuele planschade?
Dit is afhankelijk van veel factoren waarover nog besloten moet worden. Op dit moment is het daarom niet mogelijk over de individuele posten en het totaal aan publieke kosten al uitspraken te doen.
Hoe worden deze kosten verdeeld tussen Rijk, provincie, gemeente, havenbedrijf en netbeheerders, en welke middelen zijn reeds gereserveerd op de Rijksbegroting?
Er zijn momenteel geen middelen gereserveerd op de Rijksbegroting voor de strategische uitbreiding en de mogelijke financiële consequenties. De mogelijke verdeling tussen Rijk en de regionale overheden is onderdeel van de besluitvorming in juni 2026. Het is op dit moment niet zeker op welke termijn middelen beschikbaar zijn voor deze gebiedsontwikkeling.
Wat is de termijn waarop deze middelen beschikbaar kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 13.
Hoeveel extra milieubelasting (geluid, stikstof, verkeersbewegingen, veiligheidsrisico’s) ondervinden omliggende kernen zoals Zevenbergen, Langeweg en Zevenbergschen Hoek in beide varianten, en hoe weegt u deze effecten ruimtelijk en sociaal tegen elkaar af?
De milieueffecten van de ontwikkelrichting oost ten opzichte van zuidoost wordt nader onderzocht in de bredere mer-procedure. Hier is nog geen concreet onderzoek naar gedaan.
Aan welke (lopende) extra onderzoeken werd door de Minister gerefereerd tijdens het persmoment op 1 december 2025 in het gemeentehuis te Zevenbergen?
Voor het Rijk bestond er de behoefte om meer inzicht te hebben in de te doorlopen procedures in de samenwerking en de te verwachten kosten en opbrengsten en mogelijkheden voor dekking vanuit het Rijk. Voor de juridisch/planologische procedures wordt eind april een advies verwacht, welke de basis zal zijn voor besluitvorming over de wijze waarop Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen samen gaan werken.
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over deze onderzoeken?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u specificeren welke onderzoeken tussen december 2025 en juni 2026 worden uitgevoerd (bijvoorbeeld naar alternatieven, brede welvaart, sociaal-maatschappelijke impact, juridische haalbaarheid en milieueffecten), wie deze uitvoert en welke scenario’s daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Hoeveel meer overlast gaan de bewoners van Zevenberg, Langeweg en Zevenberse Hoek ondervinden wanneer het kabinet kiest voor de Zuid-Oost variant en hoe weegt u de kosten van die overlast ten opzichte van de kosten van het verplaatsen van het dorp Moerdijk?
Dat is nog onduidelijk, dit moet meegewogen worden in de bestuurlijke afweging rond het kiezen van de voorkeursrichting en in het planologisch proces dat hierop volgt.
Kunt u concreet aangeven welke typen bedrijvigheid onder de gereserveerde 450 hectare voor de uitbreiding van het haven en industriegebied vallen en op basis van welke ruimtelijke en milieukaders deze selectie plaatsvindt?
Op 11 juni 2025 hebben Rijk en regio afgesproken om een nationaal strategisch profiel op te stellen voor het haven- en industriecluster Moerdijk. Op basis van dit profiel willen we sturen op welke activiteiten, ketens en bedrijvigheid ruimte geboden moet worden op het huidige terrein én de strategische uitbreiding. In de besluitvorming die voorzien is in juni worden ook bestuurlijke afspraken gemaakt over dit strategische profiel. Ik kan daar op dit moment nog niet op vooruitlopen.
Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat deze ruimte uiteindelijk wordt ingevuld met andersoortige, ruimte-intensieve of overlastgevende functies die niet direct samenhangen met de energietransitie of circulaire economie?
De vijf clusters vormen nu belangrijke knooppunten in een internationaal netwerk van corridors voor vervoer van goederen, grondstoffen en energiedragers. Daarnaast zitten hier belangrijke basisindustrieën voor de strategische autonomie en een brede economie in Nederland. We kiezen er in de Ontwerp-Nota Ruimte voor om voor de vijf energie-intensieve clusters een scherpere langetermijnstrategie op te stellen met een sterke regierol van het Rijk, om daarmee te borgen dat de cruciale (nationale) functies tot hun recht komen. Met het kiezen voor clustering van zware industrie in deze gebieden, het intensiever benutten van de bestaande ruimte in deze gebieden en vraag en aanbod in samenhang te optimaliseren zorgen we er ook voor dat deze functies minder spreiden over heel Nederland en we de impact dus beperken. Een van de besluiten die in juni 2025 is genomen is dat er voor Moerdijk een strategisch profiel wordt uitgewerkt om hier specifiek invulling aan te geven. Daar zijn we nu mee bezig. Duidelijk is dat Moerdijk een belangrijke rol in het logistieke systeem heeft, vanuit de zeehavenfunctie, een belangrijke rol in het internationale chemiesysteem en in potentie een belangrijke rol in de grondstoffentransitie en (kritieke) grondstoffen.
Hoe past deze ontwikkeling binnen het rijksbeleid om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte, functiemenging te beperken waar leefbaarheid onder druk staat en verdozing van het landschap tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 21.
Op welke wijze wordt het vertrouwen van inwoners in de overheid actief gemonitord en versterkt in dit proces, en welke lessen trekt u hieruit voor toekomstige grootschalige ruimtelijke ingrepen elders in Nederland?
De gemeente heeft goede contacten met inwoners en ondernemers in het dorp Moerdijk. Daarnaast is de gemeente voornemens om een monitor uit te laten voeren. Op dit moment is nog geen informatie beschikbaar om lessen te trekken voor grootschalige ruimtelijke ingrepen elders.
Kunt u bevestigen dat zonder een uitgewerkt en financieel gedekt pakket voor herhuisvesting, compensatie en behoud van sociale samenhang geen onomkeerbare stappen worden gezet?
Bij besluitvorming in juni 2026 worden nog geen onomkeerbare stappen gezet. Het besluit betreft een voorkeur voor de ontwikkelrichting van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, betrokken gemeenten en waterschap. Daarna wordt een planologische procedure doorlopen met bredere mer-procedure. Pas na doorlopen van de planologische procedure (verwachting eind 2028) worden besluiten onomkeerbaar.
Het bericht ‘Commission wrong to give Hungary €10B, says EU top court adviser’ van Politico. |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commission wrong to give Hungary € 10B, says EU top court adviser?» dat op 12 februari 2026 verscheen op Politico?1
Ja.
Hoe weegt u de claim van Europarlementariërs dat het geld dat in 2023 toch is vrijgegeven aan Hongarije politiek gemotiveerd was en dus onterecht was?
Bent u het eens dat het in ieder geval niet door positieve ontwikkelingen wat betreft de rechtsstaat in Hongarije kwam dat de 10 miljard euro waren vrijgegeven?
Vindt u dat het vrijgeven van Europese Unie (EU)-fondsen op merites gebaseerd moet blijven?
Als het Europees Hof van Justitie het eens is dat het geld onrechtmatig is vrijgegeven, op welke termijn moet Hongarije de 10 miljard euro dan terugbetalen?
Klopt het dat als blijkt dat Hongarije het geld moet terugbetalen, maar ze dit niet doen, er kan worden ingehouden op andere fondsen voor Hongarije?
Is het in dit licht niet ook opzienbarend dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van het Security Action for Europe (SAFE)-instrument van de EU?
Lidstaten konden tot 30 november jl. een verzoek indienen om leningen te ontvangen uit SAFE. Hongarije heeft in dit kader om een lening van EUR 16.2 miljard verzocht, maar heeft de lening nog niet ontvangen. Het is eerst aan de Europese Commissie om het verzoek van Hongarije te beoordelen. Wanneer de Commissie vaststelt dat het verzoek voldoet aan de voorwaarden van de SAFE-verordening, dient zij een voorstel in voor een uitvoeringsbesluit van de Raad. Op dit moment is het kabinet nog in afwachting van dit voorstel voor een uitvoeringsbesluit.
Het kabinet is, in lijn met de motie Erkens c.s.3, kritisch over het verstrekken van een lening onder SAFE aan Hongarije.
Bent u van mening dat het terecht is dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van SAFE?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er mogelijkheden om het aandeel van Hongarije voor SAFE te beperken op basis van rechtsstaatschendingen of anderszins?
De SAFE-verordening zelf bevat geen voorwaarden op het gebied van de rechtsstaat waaraan de Europese Commissie het verzoek van Hongarije om een lening dient te toetsen. Wel bevat de SAFE-verordening andere voorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van de naleving van aanbestedingsregels. Het Financieel Reglement van de EU bevat daarnaast een uitgebreid pakket van juridische, administratieve en operationele waarborgen om misbruik van EU-gelden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Het betreffen maatregelen ter preventie, detectie, correctie en verantwoording.4 Ook is de Meerjarig Financieel Kader (MFK)-rechtsstaatverordening van toepassing op leningen die verstrekt worden de SAFE-verordening. Bij schendingen van de beginselen van de rechtsstaat door de lidstaten die rechtstreekse gevolgen hebben of dreigen te hebben voor de financiële belangen van de Unie of voor goed financieel beheer van de Uniebegroting kunnen passende maatregelen worden genomen tegen een lidstaat op grond van deze MFK-rechtsstaatverordening. Daarbij geldt dat de Commissie in haar beoordeling is gebonden aan de kaders van de verordeningen en het beginsel van proportionaliteit en noodzakelijkheid.
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Uit het bericht komt naar voren dat het afgelopen jaar het aantal meldingen en verzoeken om een oordeel over leeftijdsdiscriminatie is toegenomen bij het College van de Rechten van de Mens (CRM). Leeftijdsdiscriminatie betekent dat iemand wordt benadeeld vanwege zijn leeftijd, bijvoorbeeld jongeren of ouderen. De meldingen hadden daarnaast vooral betrekking op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie. Het uitsluiten van mensen op basis van leeftijd is niet toegestaan en onacceptabel. Ik vind het van belang dat mensen bij werving en selectie objectief worden beoordeeld. Leeftijd mag daarbij geen rol spelen.
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Het is helaas bekend dat ondanks een wettelijk verbod op discriminatie, discriminatie op diverse gronden waaronder ook leeftijd, nog steeds voorkomt. Er worden veel inspanningen verricht door de rijksoverheid om discriminatie te voorkomen en aan te pakken. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het nieuwe kabinet actief aan de slag gaat met het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Van werkgevers vragen we dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Ik ga hierover zo snel mogelijk in gesprek met de Kamer.2 Momenteel worden werkgevers gestimuleerd en ondersteund om gelijke kansen te bieden bij het wervings- en selectiebeleid via het Offensief Gelijke Kansen. Hierbij worden werkgevers ondersteund via diverse hulpmiddelen om discriminatie bij werving en selectie tegen te gaan. Het is bekend dat veel discriminatie onbewust plaatsvindt. Met het Offensief Gelijke Kansen worden werkgevers hiervan bewust gemaakt en krijgen zij handvatten om onbewuste aannames en vooroordelen tegen te gaan.3
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Het meten van discriminatie is moeilijk, onder meer omdat het gaat om persoonlijke ervaringen van slachtoffers, mensen discriminatie niet altijd als zodanig herkennen en mensen niet altijd overgaan tot het doen van een melding. Gemiddeld meldt 1 op de 10 mensen een incident van discriminatie.4 Het aantal meldingen van discriminatie bij officiële instanties zoals de politie en het CRM kan een beeld geven van discriminatie in Nederland. In de monitor Discriminatiezaken 2025 komt een duidelijke toename naar voren ten aanzien van leeftijdsdiscriminatie, met name bij werving en selectie. Mensen weten dus steeds beter hoe en waar ze een discriminatie-incident moeten melden en dit draagt bij aan de verdere aanpak van discriminatie.
Dit zou indirect kunnen zorgen voor een toename van de meldingsbereidheid en daarmee een verhoging van het aantal meldingen. Tegelijkertijd is het moeilijk vast te stellen of meldingsbereidheid meespeelt bij de toename van het aantal meldingen of leeftijdsdiscriminatie in het algemeen. Het kabinet blijft zich inzetten om de drempels voor het melden van discriminatie te verlagen. De Minister van BZK werkt aan een landelijke publiekscommunicatie, die hieraan actief bijdraagt. De lancering van de campagne is beoogd voor de tweede helft van 2026.
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Het is mij niet bekend of er onderzoek gedaan wordt naar leeftijdsdiscriminatie in specifieke sectoren. Wel weten we dat veel meldingen van discriminatie bij officiële instanties vaak betrekking hebben op arbeidsmarktdiscriminatie, specifiek bij werving en selectie en dat leeftijdsdiscriminatie daarbij relatief veel voorkomt. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2024 gaf 11% van de werknemers aan zich in de afgelopen twaalf maanden gediscrimineerd te hebben gevoeld op het werk. Discriminatie vanwege afkomst, huidskleur of nationaliteit (3,4%) en vanwege leeftijd (2,9%) kwamen het meest voor, gevolgd door discriminatie vanwege geslacht (2,1%).5
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Iedere melding van discriminatie die bij een officiële meldinstantie binnenkomt wordt serieus genomen, geregistreerd en opgevolgd. Een goede afhandeling van meldingen is van groot belang. Op dit moment kunnen mensen die discriminatie ervaren dit melden bij onder andere de politie en het CRM. Wel blijft het moeilijk om discriminatie objectief vast te stellen. Het gaat om persoonlijke ervaringen van mensen die niet altijd goed met feiten onderbouwd en aangetoond kunnen worden. Een oordeel van het CRM kan vervolgens gebruikt worden voor civielrechtelijke stappen. De antidiscriminatievoorzieningen (ADV) in Nederland bieden laagdrempelig toegang tot hun meldpunten en ondersteunen melders bij de afhandeling van hun klacht, geven hen advies en beantwoorden vragen over discriminatie. Het kabinet werkt aan het verder versterken van de ADV’s. Zo werkt de Minister van BZK aan een wetsvoorstel waarmee de huidige ADV’s twee nieuwe taken krijgen, namelijk het werken aan preventie van discriminatie en het actief doorgeleden van mensen ten behoeve van nazorg.
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
In het Offensief Gelijke kansen wordt samen met AWVN, SER-Diversiteit in Bedrijf en branche- en sectororganisaties gewerkt aan de opschaling van evidence-based methodes voor objectieve werving en selectie van werknemers bij met name het midden- en kleinbedrijf. Veel van deze methodes komen voort uit de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA). En samen met werkgevers wordt er gewerkt aan de (door)ontwikkeling van effectieve interventies in de in- en doorstroom en de talentontwikkeling van werknemers, de actieve ondersteuning van bedrijven en het uitdragen van de opgedane inzichten op het gebied van objectieve werving en selectie. Dit draagt bij aan het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder ouderen of jongeren.
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Naast het Offensief Gelijke Kansen wil het kabinet met behulp van actieve ondersteuning en begeleiding op maat de arbeidsmarktkansen van alle werkzoekenden vergroten, dus ook die van 55-plussers. UWV, gemeenten, werkgevers, werkenden en werkzoekenden werken hier elke dag hard aan. Daarom richten wij ons op dit moment op de versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur. Dit omvat de verdere ontwikkeling van de Werkcentra waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers ondersteuning krijgen bij hun werk- en ontwikkelvragen, en de versterking van het van-werk-naar-werk-stelsel, waarin sociale partners gerichte inspanningen leveren.
Daarnaast wordt onder coördinatie van de Minister van Binnenlandse Zaken gewerkt aan de brede aanpak van discriminatie. Deze aanpak werkt ook op de bewustwording rondom discriminatie en kan hierdoor tevens bijdragen aan de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Zo kunnen ouderen die in een sollicitatieprocedure leeftijdsdiscriminatie ervaren dit melden bij een ADV of bij het CRM. Daarnaast ziet de nieuwe preventieve taak voor ADV’s ook op het voorkomen van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Een oordeel van het CRM is openbaar en als beoordeeld is dat er sprake is van discriminatie, kan dit o.a. leiden tot imago- en reputatieschade van een werkgever. Vaak is dit al genoeg voor een organisatie om passende maatregelen te nemen. Een oordeel van het CRM kan daarnaast ook gebruikt worden in een rechtszaak. Een rechter kan vervolgens civielrechtelijke sancties opleggen zoals een schadevergoeding of nietigverklaring, als er bijvoorbeeld sprake is van ontslag op basis van discriminatie.
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Mijn ambtsvoorganger in het kabinet Rutte IV heeft zich met de Seniorenkansenvisie ingezet om een algemene herwaardering van 55-plussers op de arbeidsmarkt te realiseren. Het Verweij Jonker Instituut heeft als belangrijk onderdeel van de Seniorenkansenvisie afgelopen jaar onderzocht of een assessment de beeldvorming van werkgevers kan veranderen en of het assessment de werkzoekende meer inzicht geeft in de eigen vaardigheden, zodat de baankansen worden vergroot.7 Het onderzoek geeft aan dat een baan vinden niet voor iedereen gemakkelijk is en dat de redenen daarvoor divers zijn. De seniorenkansenvisie bevestigt dat ouderenbeleid maar in beperkte mate effectief is gebleken. Het geven van een loonkostenvoordeel voor ouderen heeft bijvoorbeeld maar in beperkte mate geleid tot een hogere arbeidsparticipatie van ouderen. Met de oplevering van dit onderzoek is de Seniorenkansenvisie afgerond. UWV blijft inzetten op maatwerk in het kader van de menselijke maat voor alle werkzoekenden (incl. ouderen). De aanpak van leeftijdsdiscriminatie zal meegenomen worden in de algemene aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie.
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Ja, ik ben regelmatig in gesprek met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Het gaat dan om de aanpak op alle discriminatiegronden, waaronder ook leeftijd. Veel acties gericht op het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie, zoals de inzet van objectieve werving en selectie, dragen bij aan de diversiteit van het personeelsbestand. Binnen het Offensief Gelijke Kansen proberen we goede voorbeelden rondom diversiteit en inclusie op te halen en verder te verspreiden onder werkgevers. Dit draagt hopelijk bij aan een betere beeldvorming rondom de arbeidsparticipatie van ouderen.
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Het doel van de verkenning is om te komen tot één of meer technisch haalbare ontwerpen voor een leerrekening die doelmatig en doeltreffend is. Daarbij onderzoeken we voor welke doelgroepen een leerrekening het meeste effect kan hebben, in het bijzonder groepen die nu minder vaak deelnemen aan leven lang ontwikkelen (LLO), zoals 55-plussers.
Vaak gaat het bij het stimuleren van deelname aan bij- en omscholing om een combinatie van factoren. Daarom sturen we niet uitsluitend op leeftijd, maar nemen we 55-plussers wel degelijk mee als relevante doelgroep binnen de bredere analyse. Onderzoek laat zien dat in 2024 44 procent van 16- tot 39-jarigen aangeeft in de afgelopen twee jaar een training gevolgd te hebben; terwijl dit voor 55-plussers maar 28 procent is.8 In de scenario’s die worden uitgewerkt, kijken we onder andere naar kenmerken zoals leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsverhouding. Op die manier kunnen we beter inzicht krijgen in welke groepen mensen binnen de beroepsbevolking het meest gebaat zijn met een eigen budget voor bij- en omscholing.
Het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese?1
Ja.
Vindt u haar opmerking dat Israël de «gemeenschappelijke vijand van de mensheid is» ook onacceptabel en buitengewoon onsmakelijk? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de recente discussie over uitspraken van Speciaal Rapporteur Albanese. Na bestudering van de videoregistratie van de bijdrage aan het Al Jazeera Forum blijkt dat mevrouw Albanese deze uitspraak niet zo heeft gedaan. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Ziet u ook dat haar recente uitspraken geen incident zijn, maar onderdeel vormen van een bredere activistische haatcampagne tegen Israël en het Joodse volk? Zo nee, waarom niet?
Het is bekend dat Nederland bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese uit het verleden afkeurt. De zorgen over deze uitlatingen zijn aan haar overgebracht in meerdere gesprekken. Indien nodig zal het kabinet zorgen over de impact van bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese opnieuw onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om zich achter Frankrijk te scharen en bij de VN-mensenrechtenraad onomwonden te pleiten voor het ontslag van Albanese? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. De recente uitspraken van mevrouw Albanese zijn wat het kabinet betreft geen reden om op te roepen tot haar aftreden. In de Mensenrechtenraad heeft Frankrijk overigens niet opgeroepen tot het ontslag van mevrouw Albanese, maar in algemene termen opgeroepen tot «terughoudendheid en discretie» door alle VN Speciaal Rapporteurs in het uitvoeren van hun mandaat.
Wilt u deze vragen vóór de eerstvolgende sessie van de VN-mensenrechtenraad beantwoorden?
Het kabinet heeft de vragen zo snel mogelijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoord.