De acute situatie rond Selibon |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wat heeft het Rijk ondernomen naar aanleiding van de recente gebeurtenissen op Bonaire?1
Op 20 november heeft de Staatssecretaris van BZK met het Bestuurscollege van Bonaire de bestuursovereenkomst «Samenwerking Aanpak Selibon Lagun» gesloten. Deze bestuursovereenkomst is toegevoegd aan het Bestuursakkoord Bonaire 2024–2027. Monitoring van de voortgang vindt plaats tijdens de periodieke «Stuurgroep Bestuursakkoord Bonaire» met deelneming van het Bestuurscollege, vertegenwoordigers van BZK en waar relevant betrokken departementen.
In de bestuursovereenkomst zijn korte termijn maatregelen opgenomen die mede door BZK gefinancierd worden en die de omstandigheden voor de omwonenden van de stortplaats op korte termijn zichtbaar en merkbaar zullen verbeteren. Daarnaast ziet de bestuursovereenkomst op een langetermijnperspectief voor afvalverwerking, inclusief sluiting van de stortplaats op uiterlijk 31 december 2028.
Naar aanleiding van de recente gebeurtenissen is geconstateerd dat een aantal maatregelen rond het stortplaatsbeheer moeten worden geherprioriteerd. Hierover is de Staatssecretaris van BZK momenteel in gesprek met het bestuurscollege.
Hoe is de brand ontstaan?
Op basis van de momenteel beschikbare informatie kan nog geen uitspraak worden gedaan over de wijze waarop de brand van 17 tot en met 19 januari jl. is ontstaan. Selibon heeft inmiddels conform het bedrijfsnoodplan een onderzoeksteam ingesteld die mogelijke oorzaken in beeld zal brengen waarbij zoveel mogelijk aspecten in het onderzoek zullen worden meegenomen waaronder een reconstructie van de gebeurtenissen en mogelijk forensisch onderzoek. Een onderzoeksteam is inmiddels gestart en zal naar verwachting medio februari 2026 met conclusies en aanbevelingen komen.
Welke acties heeft het kabinet ondernomen naar aanleiding van de aangenomen motie Ceder c.s. over het structureel oplossen van de problematiek rondom Selibon (Kamerstuk 22 343, nr. 422) waarin werd verzocht om het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de noodzakelijke coördinerende rol te laten nemen in het oplossen van de problemen? Voert het ministerie inmiddels de regie? Zo nee, waarom niet? Heeft u vertrouwen in de aansturing van lokale overheid?
De regie voor afvalbeheer ligt primair bij het Openbaar Lichaam Bonaire, afvalbeheer is immers een eilandelijke taak. BZK en IenW ondersteunen en faciliteren het bestuurscollege daarbij. In de door de Staatssecretaris op van BZK op 20 november 2025 gesloten bestuursovereenkomst is opgenomen dat partijen gezamenlijk streven naar sluiting van Selibon Lagun uiterlijk op 31 december 2028. Het Bestuurscollege besluit uiterlijk 1 juli 2026 over een alternatieve locatie voor afvalverwerking. In de bestuursovereenkomst is verder opgenomen dat de uitwerking van aanvullende afspraken over de uitvoering en governance ook voor 1 juli 2026 gezamenlijk door BZK, IenW en LVVN uitgewerkt moeten zijn.
Wat is er in de tussentijd geprobeerd om de problemen structureel op te lossen en de ramp die er nu plaatsvindt te voorkomen?
In de periode voorafgaand aan het incident zijn binnen de reguliere bedrijfsvoering van Selibon maatregelen genomen die gericht zijn op toezicht, signalering en beheersing van operationele risico’s op de stortplaats. Deze maatregelen hebben voornamelijk een beheersmatig karakter. Voor het structureel oplossen van het afvalvraagstuk op Bonaire is meer nodig. In de bestuursovereenkomst is opgenomen dat het Bestuurscollege, BZK, IenW en LVVN onder regie van het Bestuurscollege gezamenlijk voor 1 juli 2026 met een plan van aanpak voor structurele oplossing zullen komen.
Wat doet het ministerie nu om de acute situatie op te lossen en de lokale autoriteiten te helpen?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 1. In de bestuursovereenkomst zijn onder andere korte termijn maatregelen en financiering opgenomen die op korte termijn tot merkbare en zichtbare verbeteringen moeten leiden.
Is er, als gevolg van de recente branden, sprake van gezondheidsrisico’s voor bewoners?
Het is niet bekend of er sprake is gezondheidsrisico’s als gevolg van de brand van 17 januari 2026. Er zijn tijdens de brand geen (lucht)metingen verricht.
Wel is bekend dat er 55 meldingen waren van omwonenden vanwege onder andere rookoverlast en deze omwonenden elders zijn onder gebracht in hotels.
Bent u in gesprek met de stichting Pro Lagun? Bent u bereid structureel in gesprek te gaan en te blijven over de ontwikkelingen?
Ja, ik ben in gesprek met de stichting Pro Lagun. Tijdens mijn bezoek in oktober 2025 heb ik uitgebreid met hen gesproken, wat mede heeft geleid tot de bestuursovereenkomst die ik in november heb ondertekend.
Ik vind het van belang dat omwonenden een structurele plek krijgen bij deze hersteloperatie. Hierover hebben Bonaire, BZK en ProLagun nadere werkafspraken gemaakt. Daarbij ben ik in gesprek met de stichting Pro Lagun over de manier waarop ik hen kan ondersteunen.
Past de huidige manier van afvalstorten binnen de geldende veiligheidsvoorschriften? Zo nee, kan het kabinet zo specifiek mogelijk zijn op welke onderdelen in strijd met geldende wet- en regelgeving wordt gehandeld?
Tijdens de inspectie in augustus 2024 constateerde de ILT bij Selibon dat sprake was van een zorgwekkende, complexe en urgente situatie. De stortplaats heeft momenteel nog geen vergunning, wel is een vergunningsaanvraag ingediend en heeft het OLB een gedoogverklaring afgegeven.
Hoe staat het kabinet tegenover afvalscheiding aan de bron waarbij groente-, fruit- en tuinafval en bouwpuin apart worden verwerkt, waardoor een deel lokaal kan worden hergebruikt en minder afval hoeft te worden afgevoerd?
Het aan de bron scheiden van deze twee grote stromen is een zeer positieve ontwikkeling waarvoor het OLB inmiddels al de nodige initiatieven heeft genomen.
Wat vindt het kabinet van de uitspraak van Pro Lagun dat doorgaan met storten op termijn alleen maar leidt tot hogere kosten door branden, gezondheidsrisico’s en milieuschade?
Om te voorkomen dat verdere milieuschade kan ontstaan streven partijen er gezamenlijk naar Selibon Lagun uiterlijk op 31 december 2028 te sluiten. Het storten van afval op Lagun zal per die datum worden gestopt.
Acht het kabinet het plan van het college om over 2 jaar over te gaan naar een nieuw systeem een verantwoord plan en kan het kabinet instaan voor de veiligheid en gezondheid van omwonenden? Zo ja, bent u bereid om hier extern onderzoek naar te laten doen?
Het besluit over een alternatieve locatie voor afvalverwerking en de daaraan verbonden maatregelen zal uiterlijk 1 juli 2026 door het Bestuurscollege genomen worden om uiterlijk op 31 december 2028 de stortplaats te kunnen sluiten. Partijen zullen de voortgang en uitvoering periodiek monitoren in bestuurlijke overleggen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over een extern en onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren (Kamerstuk 22 343, nr. 423) naar het ontstaan en verloop van de situatie rondom Selibon?
Ik vind het van belang om nu prioriteit te geven aan de uitvoering van de korte termijn maatregelen. Zodra er besluitvorming heeft plaatsgevonden over de structurele oplossing, ben ik voornemens een onderzoek uit te laten voeren naar het ontstaan van de situatie.
Kunt u toelichten hoe de motie Ceder/Van der Burg over voor 1 juli 2026 een gedragen (financieel) plan voor een structurele oplossing van Selibon Lagun (Kamerstuk 36 800 IV, nr. 38) wordt uitgevoerd?
Onder regie van het Bestuurscollege en met ondersteuning van BZK, IenW en LVVN, wordt gewerkt aan de uitwerking van structurele scenario’s. Daarbij wordt tevens bezien of het bestaande juridische instrumentarium toereikend is, of dat aanvullende wettelijke regels noodzakelijk zijn om uitvoering en naleving te borgen.
De Kamer zal vóór de zomer van 2026 worden geïnformeerd over de voortgang en de contouren van deze structurele aanpak.
Is het kabinet bereid om deze vragen, gezien de acute situatie, zo snel mogelijk maar uiterlijk voor 23 januari 2026 beantwoorden?
Voor de afstemming van de antwoorden was enige tijd nodig, ik heb de antwoorden zo spoedig mogelijk als mogelijk was aan u toegezonden.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Felix Klos (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Nee, nog niet. Dit is pas zinvol als de plannen verder zijn uitgewerkt. Net als bij elk project zal ook hier voldaan moeten worden aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
Zie het antwoord op vraag 1.
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
De verdere uitwerking van de plannen moet voldoen aan de eisen die de KRW stelt, net als aan andere regelgeving omtrent milieu en natuur. Toetsing hieraan gebeurt tijdens het uitwerken van de plannen, bijvoorbeeld bij de ontwerpeisen en tijdens de Plan-MER, en later in detail tijdens concrete vergunningstrajecten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Ja.
De stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huishouden dupe extra kosten stroomnet» en met de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangekondigde voorbereiding van een invoedingstarief voor grote elektriciteitsproducenten?1
Ja.
Erkent u de nadelen van een invoedingstarief die in het artikel genoemd worden?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten. Niettemin herkent het kabinet de in het artikel geschetste nadelen als mogelijke gevolgen van de invoering van een invoedingstarief.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en vroegtijdige uitgebruikname van bestaande productielocaties. Het speelveld voor Nederlandse producenten kan verslechteren en de import van elektriciteit kan daardoor relatief aantrekkelijk worden. De afhankelijkheid van buitenlandse productie kan daardoor groter worden. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve gevolgen zijn mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en ingroeipad, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze, negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten.
Klopt het een invoedingstarief de afhankelijkheid van buitenlandse productie kan vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat nieuwe projecten om elektriciteit op te wekken hierdoor lastiger worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusies uit de studies van Aurora Energy, SiRM en CE Delft dat de energierekening voor afnemers waarschijnlijk stijgt?
Het netto-effect op de energierekening van afnemers is moeilijk vooraf in te schatten en hangt in grote mate af van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en ingroeipad van een eventueel invoedingstarief. Daarnaast zijn er eventuele, flankerende maatregelen die kunnen worden genomen om de nadelige effecten van een invoedingstarief te beperken. Daarnaast zal het effect ook verschillen, afhankelijk van het type aansluiting en het verbruiksprofiel van elke afnemer.
Uit de doorrekeningen van onderzoeksbureau Aurora (in opdracht van Energie Nederland) en CE Delft (in opdracht van de ACM) blijkt dat het invoedingstarief zich vertaalt in een hogere elektriciteitsprijs. Dit wordt ook bevestigd door een onafhankelijke studie van TenneT. De stijging van de (basislast) elektriciteitsprijs is echter lager dan de hoogte van het invoedingstarief. Zonder aanvullend beleid is de verwachting op basis van voorgenoemde studies dat hierdoor ca. 20 tot 50% procent van het invoedingstarief terugkomt in een hogere basislast elektriciteitsprijs. Ook is het de verwachting in deze studies dat de invoer van elektriciteit gaat toenemen. Het invoedingstarief kan daardoor het effect hebben dat producenten in Nederland minder investeren in nieuwe centrales en in het verlengen van de levensduur van bestaande centrales.
De bijdrage van producenten aan de netkosten zorgen ervoor dat de nettarieven voor afnemers op het elektriciteitsnet in beginsel lager vastgesteld kunnen worden. Op deze manier is het mogelijk dat afnemers erop vooruitgaan.
De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Deze verslechtering van de concurrentiepositie zou beperkt blijven wanneer de invoering van het invoedingstarief meer gekoppeld zou worden aan Europese ontwikkelingen of de situatie in onze buurlanden. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Welke gevolgen heeft een invoedingstarief voor de leveringszekerheid van elektriciteit?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Kunt u uiteenzetten wat de ACM onder het voorgenomen invoedingstarief verstaat, welke definitie van «grote producenten» wordt gehanteerd en worden er uitzonderingen overwogen?
Een invoedingstarief is een tarief dat aangeslotenen moeten betalen om elektriciteit in te voeden op het net. Voor de infrastructuurgerelateerde kosten van het elektriciteitsnet geldt een Europees-wettelijk vastgelegd maximumtarief voor invoeders. Voor de systeemkosten (kosten voor inkoop congestie- en balanceringsdiensten en netverliezen) geldt geen Europese begrenzing.
De ACM is voornemens om het invoedingstarief op dit moment alleen uit te werken voor grootverbruikers. Dit zijn gebruikers met een aansluiting met een aansluitcapaciteit van meer dan 3 keer 80 Ampère, hier vallen onder andere onder wind op zee, kerncentrales, gascentrales, windparken en zonneparken. Voor kleinverbruikers wordt momenteel een nieuwe nettariefstructuur uitgewerkt en de ACM wil dit proces niet doorkruisen. Voor kleinschalige zon op dak, bijvoorbeeld op een woonhuis, gaat het invoedingstarief dus niet gelden.
De ACM heeft nog geen definitieve keuzes gemaakt over uitzonderingen. Het consultatiedocument van de ACM bespreekt de mogelijkheid van een uitzondering voor producenten op zee en voor bi-directionele gebruikers (waaronder batterij-opslag). De ACM heeft hier nog geen besluit over genomen.
Op basis van welke wettelijke grondslag en (tarief)codes heeft de ACM volgens u de bevoegdheid om een invoedingstarief in te voeren, en welke formele rol heeft u de daarbij (welke interventies zijn wél/niet mogelijk)?
De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. In het Nederlands recht is dit geïmplementeerd in de Energiewet. De bevoegdheid voor de ACM om de tarieven en tariefreguleringsmethode vast te stellen is vastgelegd in artikel 3.106, eerste lid, in combinatie met artikel 3.107 van de Energiewet. Voorts moeten op grond van artikel 3.107, vierde lid van de Energiewet tariefstructuren worden opgesteld die ingevolge artikel 3.119 in combinatie met de artikelen 3.120 en 3.121 van de Energiewet die goedkeuring moeten hebben van de ACM en de ACM kan daarvoor ook zelf voorstellen indienen als zij dat nodig acht. De Minister heeft hierbij geen rol en kan ook geen instructies geven aan de ACM gelet op de onafhankelijkheid van de ACM, zoals onder meer volgt uit de artikelen 9 en 10 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.
Klopt het dat u bij brief van 25 april 2025 (p. 13) waarschuwt dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten leidt tot een hogere onrendabele top en daarmee meer subsidie? Kunt u de onderliggende berekeningen aan de Kamer sturen?2
De kwalitatieve aanname dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten resulteert in een hogere onrendabele top klopt. Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel dat dit tarief niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, welke het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren.
Zonder een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief is het niet mogelijk om de effecten en extra subsidiebehoefte goed uit te rekenen.
Kunt u uitsluiten dat huishoudens, het midden- en kleinbedrijf en de industrie per saldo meer gaan betalen door invoering van een invoedingstarief? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen? En hoe hoog is de stijging?
Zoals hierboven aangegeven is geen duidelijkheid over de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode voor het invoedingstarief. De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Het kabinet kan op dit moment daarom niet uitsluiten of bevestigen dat aangeslotenen per saldo meer gaan betalen door de invoering van een invoedingstarief. Noch kan het kabinet vooruitlopen op eventuele compenserende maatregelen of een betrouwbare inschatting geven van de hoogte van een eventuele stijging.
Heeft u er kennis van genomen dat in de aangeleverde informatie wordt gesteld dat Nederlandse (gas)centrales efficiënter zijn maar door het invoedingstarief «na» Duitse centrales in de merit order kunnen komen? Herkent u dit mechanisme en wat betekent dit voor prijsniveau en de systeemkosten?
Dit is inderdaad een mogelijk gevolg van de invoering van een invoedingstarief, afhankelijk van de vormgeving van het tarief en ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. De Duitse en Nederlandse elektriciteitsmarkten zijn goed met elkaar geïntegreerd en een vervanging van Nederlandse door Duitse producenten in de merit order is mogelijk bij een voldoende hoog, Nederlands invoedingstarief. Indien Nederland een relatief hoog invoedingstarief zou invoeren en Duitsland niet, ontstaat er een ongelijk(er) speelveld tussen Nederlandse en Duitse elektriciteitsproducenten.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 is het uiteindelijke effect op het prijsniveau en de systeemkosten zeer moeilijk in te schatten en afhankelijk van eventueel flankerend beleid en ontwikkelingen in het buitenland.
Klopt het dat Duitsland, de grootste handelspartner van Nederland, geen vergelijkbaar invoedingstarief kent? Hoe is dit geregeld in de overige landen waarmee Nederland via interconnecties op het elektriciteitsnet is aangesloten (België, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken)? En welke inzet pleegt u om te voorkomen dat Nederland zich uit de markt prijst of eenzijdig nadeel creëert?
Elk land heeft een eigen stelsel voor de nettarieven, in de EU-lidstaten gebaseerd op gezamenlijke Europese principes zoals «de gebruiker betaalt». De vormgeving en hoogte van de nettarieven is divers, niet altijd direct vergelijkbaar en bovendien in beweging. Op basis van een relatief recente studie van de Europese toezichthouder ACER naar de nettarieven in Europa en een onderzoek van Sia Partners, uitgevoerd in opdracht van de Belgische transmissiesysteembeheerder Elia uit 2023 is niettemin enige informatie beschikbaar over het invoedingstarief in de met Nederland verbonden lidstaten en derde landen.3
Sia heeft het «gewogen gemiddelde invoedingstarief» in kaart gebracht. Dit omvat uitsluitend gereguleerde nettariefcomponenten voor invoeding van elektriciteit.
Land
Gewogen gemiddeld invoedingstarief 2022 (€/MWh)
Nederland
0,02
Duitsland
0,00
België
0,62
Verenigd Koninkrijk
18,99
Noorwegen
2,50
Denemarken
0,55
Bij deze cijfers wordt het volgende opgemerkt:
Zoals uitgewerkt in de antwoorden op vraag 8 heeft het kabinet geen formele rol bij het vormgeven van de tariefregulering. In gesprek met de ACM heeft het kabinet de nadelige gevolgen die een invoedingstarief kan hebben op de energiemarkt benadrukt en haar verzocht daar zo veel mogelijk rekening mee te houden.
Als u erkent dat de maatschappelijke en budgettaire gevolgen groot kunnen zijn, bent u dan bereid het wettelijk kader zo aan te passen dat dit type tariefwijziging niet kan worden doorgezet?
Zoals blijkt uit het antwoord op vragen 8 en 12 staat het nationale wettelijk kader dit niet toe. Het Europese wettelijk kader biedt daar ook geen ruimte voor. De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. Daarbij mag de onafhankelijke nationale regulerende instantie geen instructies verlangen of ontvangen van regeringen of andere publieke of private partijen, waaronder ook de nationale wetgever. Dat heeft het Europese Hof van Justitie in een aantal uitspraken in 2020 en 2021 nog eens bevestigd.
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
De datacentra in kwestie hebben informatie aangeleverd zoals aan hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Op grond van de Europese Energie Efficiëntie Richtlijn (EED)2 en het nationale Besluit van 26 april 20243 zijn datacentra verplicht om informatie aan te leveren, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de in te vullen formulieren, heeft de Nederlandse overheid gecommuniceerd dat bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet hoefden te worden aangeleverd.
In de loop van 2024 is de Europese regelgeving aangescherpt en van kracht geworden, middels een gedelegeerde verordening4. In de gedelegeerde verordening staat dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt, maar dat welalle informatie aangeleverd dient te worden. Deze wijziging wordt meegenomen met de implementatie van de richtlijn. Aanvankelijk werd gewacht met de aanpassing van de communicatie en het loket tot de implementatie van de richtlijn gereed zou zijn, maar na verloop van tijd is alsnog gekozen om hier niet op te wachten en de communicatie en het loket aan te passen, gezien ook de rechtstreekse werking van de gedelegeerde verordening.
Deze aanscherping is in de communicatie naar datacentra recentelijk aangepast voor de aanlevering van gegevens in 2026, in lijn met de gedelegeerde verordening. Datacentra wordt gevraagd alle gegevens aan te leveren, en aan te geven of er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens.
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Om goed beleid voor energie-infrastructuur te kunnen maken, werken overheden veel samen met netbeheerders. Netbeheerders hebben namelijk data over en inzicht in het energieverbruik van hun klanten. Daarbij is ook geaggregeerde data beschikbaar. De samenwerking met netbeheerders en de geaggregeerde data bieden op dit moment voldoende inzicht voor beleidsvorming voor energie-infrastructuur.
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Overheden werken, zoals hierboven aangegeven, samen met netbeheerders voor inzicht te krijgen in het energieverbruik van datacenters om de beleidsvorming rondom digitalisering vorm te geven.
Daarbij zijn de verbruiksgegevens van elektriciteit van alle bedrijven bedrijfsvertrouwelijk en worden deze alleen verstrekt aan de toezichthouders ten behoeve van toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht.
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
In zowel de EED5 als de gedelegeerde verordening6 is opgenomen dat informatie van datacentra die onder het nationaalrecht ter bescherming van bedrijfsgeheimen en vertrouwelijkheid valt, niet openbaar wordt gemaakt.
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
In het kader van de EED zijn datacentra aanvankelijk gevraagd om informatie aan te leveren met de mogelijkheid om bedrijfsvertrouwelijke gegevens weg te laten. Inmiddels worden zij gevraagd om alle gegevens aan te leveren, maar aan te geven welke daarvan bedrijfsvertrouwelijk zijn. Wanneer een leeg formulier wordt ingeleverd, zal dit worden gezien als niet voldoen aan de EED-rapportage voor datacentra. In beide situaties worden de bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet openbaar gemaakt.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
De datacentra in kwestie hebben aangeleverd wat de Nederlandse overheid aan hen heeft gevraagd. De communicatie vanuit de Nederlandse overheid, via de RVO website en de in te vullen formulieren, over de verplichting tot het rapporteren van informatie is in lijn gebracht met de gedelegeerde verordening7. Dit betekent dat vanaf 2026 datacentra worden geacht alle informatie aan te leveren. Hierbij geldt dat bedrijfsvertrouwelijke informatie wordt aangeleverd, maar niet openbaar gemaakt zal worden. Mochten datacentra hier niet aan voldoen, dan wordt een waarschuwingsbrief verzonden met een termijn om alsnog alle informatie te rapporteren. Bij het niet voldoen aan die termijn volgt een voornemen tot last onder dwangsom.
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Het kabinet ziet, gelet op de hierboven geschetste aanpassing van de regelgeving en de aangepaste communicatie naar datacentra, op dit moment geen noodzaak om aanvullende strengere nationale eisen te stellen.
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Ja.
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Datacentra hebben gedaan wat van hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Daarbij komt dat de Europese Commissie de rapporten voor 2024 en 2025 al heeft vormgegeven. Tevens is de communicatie naar datacentra aangepast en zullen alle gegevens vanaf 2026 worden aangeleverd. Het kabinet is daarom niet voornemens om deze gegevens alsnog op te eisen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
De datacentra in kwestie hebben informatie aangeleverd zoals aan hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Op grond van de Europese Energie Efficiëntie Richtlijn (EED)2 en het nationale Besluit van 26 april 20243 zijn datacentra verplicht om informatie aan te leveren, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de in te vullen formulieren, heeft de Nederlandse overheid gecommuniceerd dat bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet hoefden te worden aangeleverd.
In de loop van 2024 is de Europese regelgeving aangescherpt en van kracht geworden, middels een gedelegeerde verordening4. In de gedelegeerde verordening staat dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt, maar wel dat alle informatie aangeleverd dient te worden. Deze wijziging wordt meegenomen met de implementatie van de richtlijn. Aanvankelijk werd gewacht met de aanpassing van de communicatie en het loket tot de implementatie van de richtlijn gereed zou zijn, maar na verloop van tijd is alsnog gekozen om hier niet op te wachten en de communicatie en het loket aan te passen, gezien ook de rechtstreekse werking van de gedelegeerde verordening.
Deze aanscherping is in de communicatie naar datacentra recentelijk aangepast voor de aanlevering van gegevens in 2026, in lijn met de gedelegeerde verordening. Datacentra wordt gevraagd alle gegevens aan te leveren, en aan te geven of er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens.
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Ja.
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Netbeheerders hebben data over, en inzicht in, het energiegebruik van hun klanten, waaronder (individuele) datacentra. Overheden werken daarom veel samen met netbeheerders om goed beleid voor energie-infrastructuur te kunnen maken. Deze gegevens kunnen niet openbaar worden gemaakt, omdat deze worden gezien als bedrijfsgevoelige gegevens en alleen ten behoeve van toezicht en handhaving voor de energiebesparingsplicht worden verstrekt aan de toezichthouders.
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
De ontwikkeling van datacentra is een langjarig proces en wordt momenteel ingeperkt door netcongestie, stikstofproblematiek en scherper vestigingsbeleid vanuit overheden. Daardoor is er in de huidige situatie weinig ruimte voor substantiële uitbreiding. Recent aangekondigde projecten zijn veelal jaren geleden in gang gezet. Ook sluit dit beeld niet goed aan bij de ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik van de datacentra in de afgelopen jaren (zie ook de cijfers van het CBS5). Datacentra geven daarnaast aan dat een dergelijke prognose van de groei van het elektriciteitsverbruik niet realistisch is en niet aansluit bij de ontwikkeling uit de praktijk.
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Het kabinet erkent de zorgen rondom netcongestie en datacentra. Deze zorgen nemen wij serieus. Tegelijkertijd vormen datacentra de ruggengraat van onze digitale infrastructuur en faciliteren zij essentiële diensten waar Nederlandse huishoudens dagelijks van profiteren. Denk aan online bankieren, digitale zorg, thuiswerken en onderwijs op afstand. Om de beschikbaarheid van een onderscheidende digitale infrastructuur te borgen, is een zorgvuldige bestuurlijke afweging nodig. Daarvoor moet, samen met betrokkenen en gekoppeld aan lopende beleidsvorming op economisch, ruimtelijk, en duurzaamheidsvlak, en met oog voor de maatschappelijke meerwaarde, bezien worden wat nodig en mogelijk is en welke voorwaarden daarvoor gelden.
Toegang tot transportcapaciteit van elektriciteit wordt non-discriminatoir uitgegeven. Er wordt daarbij dus niet gekeken naar wat er met de uitgegeven transportcapaciteit voor elektriciteit gedaan wordt. Netcongestie vormt echter een grote uitdaging. Op veel plekken in Nederland is geen ruimte meer voor nieuwe aanvragen van grootverbruikers van elektriciteit, zoals datacentra. Deze komen dan ook op de wachtrij. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft met het prioriteringskader op basis van criteria sectoren aangewezen die maatschappelijk van groot belang zijn, zoals scholen of ziekenhuizen. Grootverbruikers uit deze sectoren krijgen voorrang op de wachtrij bij het verkrijgen van transportcapaciteit wanneer deze beschikbaar is. Datacentra zijn niet opgenomen in dit kader en krijgen dan ook geen voorrang.
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
De digitale infrastructuur, die bestaat onder andere uit telecombedrijven, internetknooppunten, datacentra en cloudaanbieders, levert een substantiële directe én indirecte bijdrage aan de Nederlandse economie6. Het is onlosmakelijk verbonden met ons dagelijks leven, denk aan video vergaderen, online bankieren en mobiel betalen, onze overheidszaken regelen en met veel gemak onze inkopen doen. In het onderwijs en de zorg is digitalisering niet meer weg te denken. Bedrijven kunnen opbloeien dankzij die hoogwaardige digitale infrastructuur. De meerwaarde van datacentra is dat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van de digitale infrastructuur, die een randvoorwaarde is voor toekomstige groei. In de veranderende mondiale context wordt het steeds belangrijker dat Nederland en de EU geopolitiek gezien op eigen benen kunnen staan. Het belang van (open strategische) autonomie neemt steeds verder toe.
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Het kabinet is van mening dat een technologie en het gebruik van technologie, zoals AI, een middel is of kan zijn in het bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Daarbij zal technologie en het gebruik hiervan zelf doelen, waarden en machtsverhoudingen vormen en doen verschuiven, waardoor middel en doel onvermijdelijk in elkaar ingrijpen. Voor AI is dit niet anders.
Veel AI-oplossingen, die ook relevant kunnen zijn voor productiviteit en maatschappelijk uitdagingen, worden door bedrijven ontwikkeld en aangeboden. Dit is van belang voor het verdienvermogen als onderdeel van het industriebeleid en de uitwerking van de Nationale Technologiestrategie. De implementatie van de Europese AI-verordening draagt er onder meer aan bij dat AI-oplossingen door bedrijven op een verantwoorde manier worden ontwikkeld en toegepast.
Om innovaties te versnellen en kennis publiek-privaat te ontwikkelen en toe te passen zet de overheid specifieke instrumenten in. Een voorbeeld is het AiNed programma van het Nationaal Groeifonds met een groot aantal labomgevingen voor de ontwikkeling van innovatieve AI-toepassingen. Een ander voorbeeld is de realisatie van een AI-fabriek in Groningen. Deze initiatieven moeten maatschappelijke en economische kansen van AI verzilveren, en de publieke belangen bij AI borgen.
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Er wordt momenteel op verschillende plekken data verzameld over AI, het gebruik ervan en de impact op de arbeidsmarkt. De AI monitor van het CBS ontwikkelt statistieken over bedrijven die AI produceren, bedrijven die AI gebruiken, AI-opleidingen inclusief de overgang naar de arbeidsmarkt, en de vraag naar arbeidskrachten met AI-vaardigheden7. In de arbeidsmarktenquêtes van TNO8 worden ook enkele vragen over inzet van AI op werk toegevoegd. Dialogic publiceert daarnaast in opdracht van EZK een overzicht van kengetallen over de onderwijs- en arbeidsmarktstromen van AI en data science. Verder zijn binnen de Nederlandse Skills Survey vragen gesteld over het gebruik van AI op het werk, en de digitale vaardigheden van werkenden. Tot slot zijn er internationale organisaties, zoals de OECD, die onder andere onderzoek hebben gedaan naar de «blootstelling» van bepaalde beroepen aan AI9.
AI kan grote gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt, maar deze gevolgen zijn op dit moment lastig te voorspellen. Om potentiële negatieve gevolgen voor de arbeidsmarkt te kunnen mitigeren, is het in de eerste plaats belangrijk mensen te ondersteunen om mee te kunnen in veranderingen van hun werk als gevolg van AI. Werkgevers hebben hierin een wettelijke én initiërende verantwoordelijkheid. Werkgevers, brancheorganisaties en sociale partners zetten al stevig in op leven lang ontwikkelen. Het kabinet heeft oog voor deze veranderingen. De snelle veranderingen van de economie en arbeidsmarkt (o.a. door AI) maakt dat de onzekerheid over werk en inkomen voor mensen toeneemt, terwijl werkgevers ook te maken hebben met grote personeelstekorten en zien dat cruciale vacatures open blijven staan. Talent komt te vaak niet op juiste plek terecht waar het meeste waarde toevoegt.
Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is daarbij een prioriteit van het kabinet met een ambitieuze opdracht waaraan € 100 mln. aan structurele middelen is gekoppeld vanaf 2028. Het kabinet hecht belang aan LLO om het hoofd te kunnen bieden aan grote economische en maatschappelijke opgaven. Het huidige LLO-beleid van SZW, OCW en EZK is samengevat in de recente Kamerbrief Voortgang Leven Lang Ontwikkelen.10
De bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater |
|
André Flach (SGP) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Binnen de Emissieregistratie worden emissies toegerekend aan de verschillende sectoren, zoals landbouw, industrie en verkeer. Daarvoor is het nodig vast te stellen welke bronnen aan de sectoren worden toegerekend. In de toerekening van bronnen aan sectoren worden ook de minder goed beïnvloedbare bronnen meegerekend, omdat ook deze bronnen een bijdrage leveren aan de totale nutriëntenopgave. Het is echter niet zo dat extern inlaatwater aan de sector landbouw wordt toegerekend.
Voor de sector landbouw is uitgegaan van de uit- en afspoeling van landbouwgronden, direct meemesten van sloten, lozingen vanuit de glastuinbouw en erfemissies. In de uit- en afspoeling van landbouwgronden zit ook de bijdrage van kwel en bodemprocessen zoals de mineralisatie van veengrond. De kennisinstellingen achter Emissieregistratie beargumenteren dat kwel en mineralisatie van veen deels een gevolg zijn van keuzes in het waterbeheer ten behoeve van agrarisch gebruik.Deze bronnen die in de uit- en afspoeling van landbouwgronden zijn opgenomen, worden dus niet volledig aan landbouw toegeschreven. Anderzijds wordt bij de bronnen voor de verontreiniging van oppervlaktewater de post «depositie op open water» apart onderscheiden. Deze post bestaat voor stikstof gemiddeld voor de helft uit stikstof afkomstig van landbouw.
De Emissieregistratie maakt een pragmatische keuze om deze bronnen toe te delen aan sectoren. Deze registratie is vooral bedoeld om trendmatige ontwikkelingen weer te geven en niet om op basis van deze toedelingen beleidsmatige keuzes voor afzonderlijke sectoren te maken. Bij de bronnenanalyse (zie het antwoord op de vragen 7 en 8) was wel het doel om beleidsmatige keuzes te maken. Daarom zijn daarin aanvullende uitgangspunten gekozen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie het antwoord op vraag 2. De instituten die gezamenlijk aan de Emissieregistratie werken (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderling overleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd en toegerekend. Ik ga er van uit dat deze kennisinstellingen op een eerlijke en betrouwbare wijze inzicht geven in de bijdrage van de verschillende sectoren. Ik ga uw verzoek wel overbrengen aan de kennisinstellingen. Het is vervolgens aan hen om te wegen welke informatie betrouwbaar genoeg is om weer te geven. De instituten hebben naar aanleiding van de gerezen vragen, zoals onder andere door Agrifacts zijn gesteld, reeds de omschrijving van de bron landbouwgronden op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) verduidelijkt.
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
In de Nitraatrapportage wordt gebruik gemaakt van verschillende meetnetten om te rapporteren over de waterkwaliteit in Nederland. In de monitoring van de waterkwaliteit is het niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende bronnen die bijdragen aan de nutriëntenbelasting.
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is ontwikkeld om het effect van het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten van de actieprogramma’s in beeld worden gebracht (zie Hoofdstuk 2 in Nitraatrapportage 2024). In het LMM wordt zo dicht mogelijk bij de bron gemeten, namelijk op de landbouwpercelen zelf en in de aangrenzende sloten.
Voor de rapportage van het grondwater dieper dan 5 meter onder het maaiveld wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Voor dit meetnet wordt in de monitoringsgegevens een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen van landgebruik (voor de Nitraatrapportage wordt voor het LMG onderscheid gemaakt in de categorieën landbouw, natuur en overig). Indien dit het geval is, wordt dit duidelijk aangegeven in de begeleidende tekst.
Bij de meetnetten voor het oppervlaktewater is het niet altijd mogelijk dit onderscheid te maken vanwege de specifieke opzet van deze meetnetten, zoals het geval is bij de KRW-monitoringslocaties. Aan het begin van hoofdstuk 6 (zie Figuur 6.1–6.4) van de Nitraatrapportage (over oppervlaktewater) wordt ingegaan op de verschillende bronnen van nutriënten in het oppervlaktewater waarbij onder andere een onderscheid wordt gemaakt tussen uit- en afspoeling vanuit natuurgronden en uit- en afspoeling vanuit landbouwbronnen. Daarnaast worden de monitoringsgegevens over de nutriëntenbelasting en (deels ook voor) eutrofiëring van het oppervlaktewater afzonderlijk getoond voor landbouwspecifieke oppervlaktewateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren. Hierbij wordt opgemerkt dat de invloed van belasting vanuit de landbouw op deze wateren afneemt in de volgorde van landbouwsloten, landbouwspecifieke wateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren.
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?
Ja. De Europese Commissie (EC) is op 14 juli 2025 geïnformeerd over de Landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research (WEnR).
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC? Zo ja, welke?
De EC heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie een eigen analyse opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit4. De EC heeft zich voor de analyse van de waterkwaliteit in Nederland gebaseerd op monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Nitraatrapportage van de periode 2020–2023 en monitoringsgegevens vanuit het LMM5. Voor wat betreft het aandeel van de verschillende bronnen in de nutriëntenbelasting van het Nederlandse oppervlaktewater wordt in de Nitraatrapportage verwezen naar de Emissieregistratie 2024. Daarnaast wordt in de bijlage bij de brief van Eurocommissaris Roswall ook verwezen naar monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Kaderrichtlijn Water.
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Regionale overheden mogen bij het afleiden van doelen voor nutriënten rekening houden met natuurlijke processen. Daarvoor zijn handreikingen opgesteld. Zo kan rekening worden gehouden met de zogenaamde «natuurlijke achtergrondbelasting». Daarbij hebben de waterbeheerders regionale kennis van de verschillende bronnen gebruikt en is er rekening gehouden met de specifieke gebiedskenmerken. De KRW-normstelling is een doelwaarde die past bij wat ecologisch nodig is voor het KRW-waterlichaam. Er bestaat dus geen aparte «norm voor landbouw» en een «norm voor kwel». Bronnenanalyses helpen bij het bepalen waar de belasting vandaan komt en welke maatregelen nodig zijn. Alle waterschappen werken daarbij op basis van een handreikingen die door het Rijk is opgesteld.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Zie antwoord vraag 7.
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie verrekend in de nutriëntennormen?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8. Als er meer recente en betere informatie beschikbaar is, dan zijn en worden de nutriëntennormen daarop aangepast. Ook kan in bepaalde gevallen gebruik worden gemaakt van legitieme uitzonderingen, als KRW-normen niet tijdig worden behaald. Zie daarvoor de informatie die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat naar uw Kamer is gestuurd, zoals (Kamerstuk 27625, nr. 716).
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 is aangegeven is er enerzijds sprake van een uniforme werkwijze die in de handreiking is beschreven, en anderzijds kan dit worden ingevuld met gebiedsspecifieke kenmerken. Het is bekend dat er verschillen kunnen optreden in de manier waarop door waterschappen natuurlijke omstandigheden (zoals kwel, bodemtype en hydromorfologie) worden meegewogen in de onderbouwing van KRW-doelen. Dat hangt samen met verschillen in gebiedskenmerken. In het Wetgevingsoverleg Water van 2 februari jl. is door de Minister van IenW aan het lid Van der Plas (BBB) toegezegd om de Kamer te informeren over het gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water (BO KRW) over het verwerken van natuurlijke achtergrondconcentraties in de KRW-doelen.
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
De Emissieregistratie inventariseert veel gegevens van verschillende bronnen. Dat gaat ook verder dan alleen de bronnen voor water. Deze informatie wordt in veel beleidstrajecten toegepast.
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Voor het opstellen van de landelijke bronnenanalyse door WEnR is samengewerkt met de waterschappen en is gebruikgemaakt van de data en kennis van de waterschappen en de regionale bronnenanalyses van de waterschappen, indien deze beschikbaar waren. Voor de landelijke bronnenanalyse is op een landelijk geharmoniseerde wijze een methodiek gevolgd voor de toewijzing van alle bronnen. De regionale analyses worden uitgevoerd voor een afgebakende regio, met keuzes die bij die regio passen. De regionale analyses verschillen onderling, bijvoorbeeld de wijze waarop wordt omgegaan met het ingelaten water vanuit het hoofdwatersysteem.
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. Conform artikel 3, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing.
De motie Flach en Grinwis6 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. Lidstaten zijn verplicht op grond van criteria genoemd in bijlage I van de Nitraatrichtlijn vast te stellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed en welke wateren zouden kunnen worden beïnvloed indien maatregelen achterwege zouden blijven. In de beantwoording op Kamervragen van het lid De Vos (Fvd) is reeds aangegeven dat ik in lijn met de motie Flach en Grinwis en conform het Hoofdlijnenakkoord aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heb gevraagd om hierover te adviseren7. Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet8. Op 26 januari 2026 is aan uw Kamer de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma aan uw Kamer toegestuurd. Hierbij is ook het voornoemde advies van de CDM gevoegd. Ik laat de besluitvorming naar aanleiding van dit advies over aan het volgende kabinet.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Henk Jumelet (CDA), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het bericht ‘Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes»?1
Vanuit de berichtgeving begrijp ik het volgende: twee ondergrondse warmtebuffers met heet water zijn kort na elkaar ingestort in Nagele en Wernhout. Gemeente Noordoostpolder waarschuwt andere gemeenten met een soortgelijke warmtebuffer voor veiligheidsrisico’s van zulke installaties. Er is onderzoek gedaan, maar dit is nog niet openbaar. Wel deelt de onderzoeker dat blijkt dat de constructies materialen bevatten die niet goed bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan heet water, wat kan leiden tot verzakkingen.
Het is betreurenswaardig dat de toepassingen van deze eerste generatie innovatieve warmteopslagsystemen in Nagele en Wernhout niet succesvol zijn gebleken in het verduurzamen van de lokale warmtevraag en daarbij schade aan de omgeving hebben toegebracht. Vooral voor de getroffen bewoners is dit erg vervelend. Het is bij materiële schade gebleven en er wordt nu onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaak en eventuele risico’s voor andere locaties.
Innovaties brengen risico’s met zich mee. Het gaat hier om de toepassing van een eerste generatie experimentele warmtebuffersysteem. Deze innovaties zijn als onderdeel van de Proeftuin Aardgasvrije Wijken door het Rijk gesteund. Destijds was het doel om te onderzoeken of een dergelijk innovatief systeem de warmtetransitie in de wijk verder kan brengen. Doel is mede leren van de ervaringen van zo’n systeem en vervolgens lessen trekken waar de energietransitie verder mee geholpen wordt.
Welke regels bestaan er voor handhaving en toezicht voor de bouw en installatie van dit soort ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies? Zijn er instanties die controleren of de juiste bouwmaterialen en methoden worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet (destijds Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, oftewel Wabo) en zijn vergunningplichtig. Dit betekent dat voor dergelijke constructies een vergunningaanvraag moet worden gedaan bij de desbetreffende gemeente. In de aanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan de minimale eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gesteld worden ten aanzien van onder andere de constructieve veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van vergunningsaanvragen en het toezien op de naleving van de verleende vergunning voor vergunningplichtige bouwwerken. Dit geldt dus ook voor dit soort ondergrondse warmtebuffers. In algemene zin geldt dat gemeenten zelf bepalen op welke manier bouwplannen getoetst worden aan de regels van het Bbl en of het aannemelijk is dat hieraan voldaan wordt. Daarbij kunnen gemeenten op basis van eigen risico-inschattingen bepalen welke onderdelen van de toetsing prioriteit hebben en welke informatie aangeleverd dient te worden voor de vergunningsbeoordeling. De gemeente is tevens het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht bij dergelijke vergunningplichtige bouwwerken.
In hoeverre is de Inspectie Leefomgeving en Transport betrokken bij de handhaving en toezicht op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de bevoegdheid om toezicht te houden op de uitvoering van de Europese verordening bouwproducten, de basis voor het aanbrengen van CE-markering op bouwproducten. Ook ziet de ILT toe op de aanleg van bodemenergiesystemen waarbij warmte en koude uit de bodem worden gebruikt voor verwarming en koeling van gebouwen. Er is echter geen rol voor de ILT bij toezicht en handhaving op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten.
Bent u bereid samen met de gemeente Noordoostpolder en andere gemeenten met ondergrondse warmtebuffers in gesprek te gaan om preventieve maatregelen op te stellen om soortgelijke ongevallen in andere delen van het land te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en welke maatregelen gaat u wel nemen om soortgelijke ongevallen te voorkomen?
De gemeente Noordoostpolder heeft vanuit haar verantwoordelijkheid over de verleende vergunning het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geïnformeerd over de ontstane situatie en heeft uit voorzorg diverse andere gemeenten met vergelijkbare projecten een brief gestuurd met informatie over de casus Nagele en een onderzoeksrapport in verband met de verzakking2. Daarmee kan elke gemeente een eigen risicoafweging maken. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op de veiligheid van constructies zoals dit soort ondergrondse warmtebuffers ligt bij de gemeente als bevoegd gezag. Vanuit het kabinet is het Ministerie van VRO het eerste aanspreekpunt indien nodig.
Welke consequenties zijn er voor bouwbedrijf HoCoSto voor de schade aan de buitenruimte in Nagele? Welke boetes en straffen zijn er voor de veroorzakers van dit soort incidenten?
De mate waarin een bedrijf aansprakelijk is voor directe of zelfs indirecte schade is een privaatrechtelijk vraagstuk en is afhankelijk van de contractuele afspraken die zijn gemaakt tussen in dit geval HoCoSto B.V. en Energiek Nagele.
Het bedrijf dat het project in Nagele heeft gerealiseerd is echter in 2023 failliet gegaan. Hoewel met behulp van een externe financier de bedrijfsactiviteiten een doorstart hebben kunnen realiseren in een nieuwe entiteit, HoCoSto Renewables B.V., is dit gebeurd zonder overname van de aansprakelijkheden van de oorspronkelijke entiteit.
Is dit incident een milieudelict? Zo ja, welke maatregelen gaan uw ministerie, de NVWA en mogelijk het OM nemen?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of een concreet geval is aan te merken als een eventueel milieudelict. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet over te gaan tot vervolging. Als het OM overgaat tot vervolging en beslist een verdachte te dagvaarden is het uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of sprake is van een milieudelict of niet.
In hoeverre betaalt HoCoSto mee aan herstel van de warmtebuffers en de buitenruimte? Deelt u de mening dat vervuilers mee moeten betalen aan de schade die zij verrichten? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf HoCoSto B.V. was verantwoordelijk voor de realisatie van het project in Nagele en is in 2023 failliet gegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. De nieuwe entiteit die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen is niet aansprakelijk en zal daarom niet betalen aan het herstel.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het project in Nagele deel van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). In de eerste ronde (2018), waar Energiek Nagele onderdeel van is, ontving de gemeente een decentralisatie-uitkering. De gemeente had daardoor veel ruimte om zelf invulling te geven aan de besteding van de middelen. Binnen dit project zijn nog PAW-middelen beschikbaar die de gemeente nu inzet voor het ontmantelen, verwijderen en afvoeren van de installatie, evenals voor aanvullend onderzoek.
Deelt u de mening dat private belangen als winst een belangrijke fase als de energietransitie kunnen belemmeren, doordat bedrijven bijvoorbeeld de aanleg van warmtenetten zo goedkoop mogelijk willen doen waardoor de kans op fouten en ongelukken vergroot? Zo ja, bent u dan bereid stappen te nemen om een publiek energiebedrijf in nationale handen op te richten? Zo nee, waarom deelt u de mening niet en waarom bent u niet bereid energie in volledig publieke handen te nemen?
Het kabinet deelt deze mening niet. We zien dat ook private bedrijven zich inzetten op het versnellen van de energietransitie. Sturing op publieke belangen is geregeld in de recent aangenomen Wet collectieve warmte, waar een verplicht publiek meerderheidsaandeel in bestaande en nieuwe warmte-infrastructuur het uitgangspunt is en is in de oprichting van een nationale deelneming warmte voorzien. Zo wordt de publieke regie versterkt en zal de warmtesector op termijn voor de levering en het transport van warmte voor de meerderheid in publieke handen vallen. Daarmee wordt gewaarborgd dat publieke belangen verankerd worden in de besluitvorming van de warmtebedrijven en de opschaling van investeringen in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Momenteel worden op veel plekken in het land initiatieven genomen voor de oprichting van publieke warmtebedrijven. Daarnaast voert het kabinet verkennende gesprekken over de overname van de private warmtebedrijven. De oprichting van een nationaal energiebedrijf acht het kabinet in dit licht niet nodig, en staat bovendien op gespannen voet met de wenselijkheid van lokaal of provinciaal aandeelhouderschap gelet op regionaal draagvlak en betrokkenheid.
Het meenemen van klimaatrisico’s bij ruimtelijke besluiten |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer , Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dutch Climate Risk Portal?1
Ja ik ben hiermee bekend. Dit portaal is in opdracht van het Ministerie van IenW ontwikkeld door Stichting Climate Adaptation Services (CAS).
Hoe wordt dit portaal concreet gebruikt in beleidsvoorbereiding?
Het wordt niet concreet gebruikt bij de beleidsvoorbereiding, maar ingezet als instrument om beter en duidelijker te communiceren over overstromings- en klimaatrisico’s. Het portaal is specifiek bedoeld voor de veelal internationaal opererende financiële sector die inschattingen maken over de fysieke risico’s die zij (mogelijk) lopen. Er wordt daarbij aangesloten bij de internationale financiële kaders. De data die erin staat is niet nieuw, en was al beschikbaar op de landelijke klimaateffectatlas en andere openbare bronnen. Deze bestaande data wordt al gebruikt bij beleidsontwikkeling en voorbereiding.
Klopt het dat grote delen van de informatie op de Dutch Climate Risk Portal uitsluitend in het Engels beschikbaar zijn en vooral lijken te zijn gericht op (internationale) investeerders en de financiële sector? Acht u dit wenselijk?
Dat klopt. Voor Nederlandse partijen is er de klimaateffectatlas, die juist gericht is op Nederlandse overheden en organisaties. Het Dutch Climate Risk Portal (DCRP) is specifiek ontwikkeld voor de veelal internationaal opererende financiële sector omdat er veel behoefte is naar de data en informatie die op verschillende plekken staat, maar niet altijd makkelijk toegankelijk of begrijpelijk was voor deze partijen.
De financiële sector heeft te maken met toezicht- en rapportageverplichtingen waarbij de fysieke risico’s moeten worden geanalyseerd. In de afgelopen jaren zijn er voorbeelden langsgekomen waarbij internationale investeerders of kredietbeoordelaars conclusies trokken op basis van verkeerde (of verkeerde gebruikte) data en onderliggende aannames. Om onder- en overwaardering van risico’s te voorkomen is het belangrijk om samen met de financiële sector op te trekken om er voor te zorgen dat Nederland een aantrekkelijk land blijft om in te investeren, (toekomstige) schade beperkt blijft en de lange termijn verzekerbaarheid niet onder druk komt te staan. Om de behoefte goed af te stemmen is het DCRP samen met de financiële sector en andere experts ontwikkeld. Als er nieuwe informatie beschikbaar komt wordt het ook op dit portaal ontsloten.
Op welke wijze en door wie worden de risico-indicatoren en gegevens van de Dutch Climate Risk Portal gebruikt? Wat is de doelgroep?
De doelgroep van het DCRP zijn partijen uit de financiële sector, denk aan verzekeraars, banken, kredietbeoordelaars, investeerders of andere bedrijven die in deze sector actief zijn. De data kan gebruikt worden voor het maken van risico analyses voor bestaande bezittingen, of mogelijke nieuwe investeringen. De fysieke risico’s zijn in lijn gebracht met de EU taxonomie, zodat rapportage en analyses voor dergelijke partijen ook goed aansluit bij deze terminologie die voor hen van toepassing is.
Op welke manier worden andere overheidsinstanties, zoals gemeenten en provincies hierbij betrokken?
De doelgroep van het DCRP zijn niet mede overheden, hiervoor is de klimaateffectatlas ontwikkeld. Bij de ontwikkeling en het beheer van de klimaateffectatlas zijn overheidsinstanties betrokken.
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de informatie op Dutch Climate Risk Portal voor inwoners zonder technische of beleidsmatige achtergrond? En hoe zorgt u ervoor dat deze inwoners en lokale partijen minstens even goed en begrijpelijk worden geïnformeerd over klimaatrisico’s in hun eigen leefomgeving?
Het DCRP is ontwikkeld met als doelgroep de financiële sector, waar veel expertise op risicoanalyses aanwezig is. Tijdens de ontwikkeling is dit ook veelvuldig met de toekomstige gebruikers afgestemd. Daarom is de data ook technisch aangeleverd, dit sluit aan bij de behoeftes van de gebruikers. Voor geïnteresseerden zonder technische of beleidsmatige achtergrond is de klimaateffectatlas een betere manier om kennis te nemen van de klimaatrisico’s. Het DCPR en de klimaateffectatlas zijn gebaseerd op dezelfde gegevens. Verder wordt er vanuit het Ministerie van IenW ook gewerkt aan de ontwikkeling van de Waterwijzer gebouwen gericht op inwoners en ondernemers, zie antwoord vraag 14.
In hoeverre worden klimaatrisico’s expliciet betrokken bij rijksbesluiten over ruimtelijke ordering, bijvoorbeeld bij de Nota Ruimte en NOVEX-gebieden?
Klimaatrisico’s worden expliciet betrokken bij het maken van ruimtelijke keuzes. In de Ontwerp-Nota Ruimte is de keuze gemaakt dat bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving, systematisch rekening gehouden moet worden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. Dit wordt onder andere concreet gemaakt in de keuzes om: nieuwe bebouwing in de uiterwaarden die vallen onder de Beleidslijn Grote Rivieren niet langer toe te staan met het oog op overstromingsrisico’s en in de keuze om voor het IJsselmeergebied binnendijks te bouwen wat binnendijks kan, met het oog op het behoud van de zoetwatervoorziening. Het doel is om de negatieve maatschappelijke gevolgen te beperken en een goede kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen. Ook in de Ontwikkelperspectieven van de NOVEX-gebieden en de verdere uitwerking daarvan in uitvoeringsagenda’s en Regionale Investeringsagenda’s (RIA) wordt rekening gehouden met klimaatrisico’s. De decentrale overheden en Rijkspartners werken intensief samen bij de uitwerking in concrete acties en projecten. De komende periode ga ik, op basis van het coalitieakkoord en de binnengekomen zienswijzen, samen met mijn collega's bezien of en zo ja, waar eventuele aanscherping in de keuzes richting de definitieve Nota Ruimte nodig en gewenst is.
Hoe wordt voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waaronder woningbouw en voorzieningen in de zorg, onderwijs, mobiliteit plaatsvinden op plekken met verhoogde risico’s (op wateroverlast, funderingsschade, overstroming, droogte) met schade tot gevolg?
De Ministeries van IenW en VRO hebben gezamenlijk twee instrumenten ontwikkeld die partijen (medeoverheden, bouwende partijen en ontwikkelaars) helpen bij het maken van klimaatbestendige keuzes bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen:
Verder is in de Ontwerp-Nota Ruimte de keuze gemaakt dat vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen, bij voorkeur op plekken worden gepland die minder kwetsbaar zijn voor wateroverlast en bodemdaling en zo min mogelijk overstromingsrisico’s kennen. Ook houden we in Rijksprogramma’s met een ruimtelijke impact rekening met het water- en bodemsysteem. Op deze manier wordt getracht zo goed mogelijk invulling te geven aan de keuze om bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving systematisch rekening te houden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering.
Herkent u dat veel inwoners onvoldoende zicht hebben op klimaatrisico’s in hun wijk?
Ja, dat herken ik. Dit is ook een van de uitkomsten van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater. In het antwoord op vraag 13 ga ik verder in op de lokale impact voor inwoners.
Hoe past het introduceren van een publiek toegankelijk klimaatrisicolabel of waterlabel voor gebieden of woningen, vergelijkbaar met het energielabel, hierin?
Een van de aanbevelingen van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater is om een waterlabel te onderzoeken. Een publiek toegankelijk instrument kan een laagdrempelige manier zijn om inwoners en ondernemers te informeren over de gevolgen van klimaatverandering en wat inwoners en ondernemers kunnen doen om de gevolgen te verminderen.
Heeft u de mogelijkheden van zo’n label al eens onderzocht? Wat waren de resultaten daarvan?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft onderzoek laten uitvoeren naar de invoering van een waterlabel en in welke vorm. Een eerste rapport is online beschikbaar2. De Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de verdere opvolging van het advies van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater over de invoering van de Waterwijzer gebouwen.
Zijn er regio’s in Nederland waar verzekerbaarheid of hypotheekverstrekking onder druk staan of vermoedelijk in de toekomst onder druk komen te staan door toenemende klimaatrisico’s? Welke regio’s zijn dit?
Op dit moment zijn er geen signalen dat verzekerbaarheid en hypotheekverstrekking onder druk staan. Verzekeraars en banken hebben wel al regelmatig aangegeven in de media, position papers en onderlinge samenwerking dat ze het belangrijk vinden dat de overheid blijft inzetten op preventieve- en gevolgbeperkende maatregelen in kwetsbare gebieden. Ook zien verzekeraars en banken bij nieuwbouw graag dat schade zoveel mogelijk wordt voorkomen door het maken van klimaatbestendige keuzes in locatiekeuze en gevolgbeperkende maatregelen.
Zijn er kwetsbare wijken of bevolkingsgroepen die worden geraakt door klimaatrisico’s? Zo ja, welke? En hoe waarborgt u bescherming en voorkomt u schade?
Hoewel heel Nederland en alle bevolkingsgroepen geraakt kunnen worden door klimaatgebeurtenissen, is de impact ervan en het handelingsperspectief niet gelijk voor alle wijken en groepen mensen. Voor beter inzicht de kwetsbaarheid van wijken en de leefomgeving door klimaatrisico’s worden in het kader van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) streststesten uitgevoerd. Op basis van deze stresstesten worden in de werkregio’s risicodialogen gevoerd met belanghebbenden. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met mensen in kwetsbare posities. Daarnaast is ten aanzien van wateroverlast onlangs de aanzet voor de op te stellen nationale aanpak wateroverlast aangeboden aan de Tweede Kamer3. Voor hitte is er in de Hitte Aanpak 2025 specifiek aandacht voor kwetsbare groepen. Ook wordt er momenteel gewerkt aan de herijking van de Nationale Klimaatadapatiestrategie (NAS). Daarin is ook aandacht voor de impact van klimaatverandering op de bestaande gebouwde omgeving.
In hoeverre worden individuele huiseigenaren geïnformeerd over risico’s?
Huiseigenaren en huurders van woningen met een energielabel vanaf 2021 worden met dit energielabel geïnformeerd over het risico op hoge binnentemperaturen. Het energielabel is verplicht bij verkoop, verhuur en oplevering. Oudere nog geldige energielabels vermelden het risico op hoge binnentemperaturen niet. Ook moeten nieuwbouwwoningen vanaf 2021 voldoen aan de zogenaamde TO-juli eis om het risico op oververhitting te beperken. Daarnaast wordt aan individuele huiseigenaren en huurders via milieucentraal.nl, levenmetwater.nl en overstroomik.nl en via waterschappen op een toegankelijke manier informatie en handelingsperspectief geboden over de gevolgen van een heter en droger klimaat met extreme neerslag en overstromingen.
Zou een verplichting om bij verkoop of verhuur van woningen inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s een oplossing kunnen bieden voor de transparantie en duidelijkheid?
Anders dan de energielabels voor woningbouw vanaf 2021, die inzage geven in het risico op hoge binnentemperaturen (zie vraag 14), wordt er vooralsnog niet ingezet op een verplichting om inzicht te geven in lokale klimaatrisico’s ten aanzien van wateroverlast of droogte bij verkoop of verhuur van woningen. Wel wordt er momenteel gewerkt aan de ontwikkeling van een Waterwijzer Gebouwen. Het doel van deze Waterwijzer Gebouwen is inwoners waterweerbaar te maken via het verhogen van bewustwording over risico’s en het bieden van handelingsperspectief.
Er is ook al veel data over klimaatrisico’s beschikbaar via de klimaateffectatlas; als je een woning wilt aankopen is op deze site specifieke informatie te vinden in het buurtdashbord. Tenslotte heeft het Rijk bijgedragen aan de ontwikkeling van het Framework for Climate Adaptive Buildings (FCAB), ontwikkeld met een breed consortium door de Dutch Green Building Council. Het betreft een methode waarmee gebouweigenaren kunnen bepalen wat de klimaatrisico’s voor hun panden zijn en waar de grootste risico’s in hun vastgoedportefeuille zitten. Dit helpt eigenaren om de juiste maatregelen te kunnen treffen om hun vastgoed klimaatbestendig te maken. Veel marktpartijen gebruiken het instrument al. We stimuleren ook dat woningcorporaties deze methodiek gebruiken. De eerste circa 50 woningcorporaties zijn er al mee gestart en de intentie is dit verder uit te breiden.
Bent u bereid om wettelijke of procedurele verplichtingen te versterken waarmee waterschappen tijdig betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en samen kunnen werken met gemeenten en provincies, zodat risico’s eerder aan het licht komen?
Ik deel de observatie dat door vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap risico’s eerder aan het licht kunnen komen. Hierdoor kan ook vertraging later in het proces worden voorkomen. Het vroegtijdig betrekken gaat vaak goed, maar niet altijd. Op de Woontop van eind 2024 zijn daarom afspraken gemaakt met onder andere waterschappen en gemeenten. Deze houden in dat waterschappen vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming van het bevoegd gezag, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de weging van het waterbelang, zoals dat ook is verankerd in de Omgevingswet. Waterschappen en gemeenten werken in opvolging daarvan aan een convenant waarin zij deze vroegtijdige samenwerking formaliseren. Uiteindelijk blijft het aan de daarvoor bevoegde gezagen (veelal gemeenten) om waterschappen vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen en daarmee invulling te geven aan de weging van het waterbelang, zo is dat ook afgesproken onder de Omgevingswet.
Hoe garandeert u dat de uitgangspunten uit de Nationale Adaptatiestrategie (NAS)2 en het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie3 niet vrijblijvend zijn, maar daadwerkelijk doorwerken in rijksprogramma’s voor woningbouw en gebiedsontwikkeling breed?
Naar verwachting wordt in 2026 een geactualiseerde Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) opgeleverd. Ook zal dit jaar de herijking van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie gereedkomen. De keuzes uit de NAS en het DPRA gaan voor een groot deel doorwerken in het op te stellen Nationaal Waterprogramma, dat voor 2028 vastgesteld zal worden. Tevens zijn de uitgangspunten van deze twee programma’s al meegenomen bij de totstandkoming van de Ontwerp-Nota Ruimte, waarbij ze ook in integrale samenhang zijn bezien met keuzes voor woningbouw en gebiedsontwikkeling. Na vaststelling van de definitieve versie zal de Nota Ruimte kaderstellend werken voor alle nationale programma’s. Via deze wijze borgen we dat nadere ruimtelijke keuzes voor woningbouw, gebiedsontwikkeling en klimaatadaptatie in nationale programma’s op een integrale wijze worden gemaakt.
Hoe ziet u de rol van het Rijk in het ontwikkelen van standaarden voor klimaatbestendig bouwen, zodat alle stakeholders rondom gebiedsontwikkeling weten waar zij aan toe zijn?
Het Rijk informeert partijen die betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling over klimaatbestendige bouw door middel van de hierboven genoemde instrumenten: het ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en de landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Dit zijn ondersteunende instrumenten, daardoor blijft er ruimte voor lokaal maatwerk en voor innovatieve oplossingen. Zoals hierboven benoemd kan normering door de Rijksoverheid op specifieke thema’s van meerwaarde zijn. In het antwoord op vraag 22 ga ik hier nader op in.
Acht u het wenselijk dat er een landelijke, uniforme klimaatrisicotoets wordt opgenomen in ruimtelijke besluiten voor grootschalige woningbouwlocaties, zodat procedures voorspelbaar worden en vertraging door discussies achteraf wordt voorkomen?
Zoals ik hierboven bij vraag 18 heb aangegeven informeert het Rijk partijen die betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling zoals grootschalige woningbouwlocaties door middel van het afwegingskader en de maatlat. Hiermee stelt het Rijk partijen die werken aan gebiedsontwikkeling in staat om maatwerk te leveren en daarmee een afweging te maken die het beste past bij de lokale situatie. Daarnaast werken gemeenten en waterschappen in het kader van de Woontop afspraak 10.b6 aan een convenant om de onderlinge samenwerking te stroomlijnen. Met dit convenant worden afspraken gemaakt over de expertise en betrokkenheid van waterschappen en gemeenten bij woningbouwprojecten. Dit verbetert de onderlinge samenwerking in deze projecten, draagt bij aan voorspelbare procedures en voorkomt vertraging verderop in het proces.
Wordt er een impactanalyse gemaakt van klimaatrisico’s op de haalbaarheid en fasering van de nationale woningbouwopgave, zoals in het Deltaprogramma 2026 wordt gesuggereerd? Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit leidt tot slimmer bouwen?
Een nationale impactanalyse zoals in de vraag omschreven, wordt niet gemaakt. De Ontwerp-Nota Ruimte houdt bij alle keuzes rekening met water en bodem (zie vraag 7 en 8). Daarnaast zal de NAS ’26 verdere invulling geven aan de opgave klimaatbestendige nieuwbouw. Gemeenten zijn echter zelf verantwoordelijk voor de locatiekeuze (waar) en invulling (hoe) van de woningbouwopgave. Het Rijk heeft het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving en Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen om invulling te geven aan respectievelijk waar te bouwen en hoe te bouwen.
Bent u bereid het adviesrecht van waterschappen bij gebiedsontwikkeling te versterken zodat zij niet alleen reactief adviseren maar actief mee kunnen doen bij ontwikkelingen?4
Zie beantwoording van vraag 16.
Hoe borgt u dat toekomstige woningbouwplannen niet vertragen of stoppen maar worden aangepast waar nodig, door een waterrobuuste en adaptieve inrichting?
Op de Woontop van 2024 heb ik hierover afspraken gemaakt met marktpartijen en medeoverheden. Uitgangspunt is dat dat op veel plekken de woningbouwopgave groot is, maar daar tegelijkertijd maatregelen nodig zijn ten aanzien van water en bodem om verantwoord te kunnen bouwen. Met deze afspraak dragen wij bij aan toekomstbestendigheid, eenduidigheid en spreken we het commitment uit dat bouwen in gebieden met een opgave ten aanzien van water en bodem mogelijk is, maar wel extra aandacht vraagt.
Onderdeel van deze afspraken is dat we werken aan uniforme kaders voor onder andere wateroverlast en bodemdaling. Dit maakt voor alle partijen aan de voorkant duidelijk waar zij rekening mee moeten houden. Daarnaast werk ik met het College van Rijksbouwmeesters en Rijksadviseurs aan ontwerpend onderzoek dat gericht is op een handelingsperspectief voor deze locaties. Dit levert bewezen toepasbare en schaalbare ontwerpoplossingen op voor verschillende water- en bodemtypen, met als doel woningbouwprojecten in deze gebieden vooruit te helpen. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 21, werken gemeenten en waterschappen daarnaast aan een verbetering van de onderlinge samenwerking, zodat in een vroeg stadium duidelijk is wat op een specifieke locatie nodig is om verantwoord te kunnen bouwen.
Op welke manier wordt gezorgd dat klimaatrisico’s beter in kaart worden gebracht en dat bewoners begrijpelijk en toegankelijk inzicht krijgen in klimaatrisico’s van hun woongebied (zoals hitte, wateroverlast, overstromingsrisico en droogte)?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) actualiseert momenteel de klimaatrisicoanalyse. De uitkomsten zullen naar verwachting in maart 2026 worden gepubliceerd. Daarnaast ontsluiten wij alle actuele kennis over gebiedsspecifieke klimaatrisico’s via de Klimaateffectatlas, waaronder die van hitte, wateroverlast, overstromingsrisico’s en droogte.
In het «Buurtdashboard» in de Klimaateffectatlas kunnen bewoners dit soort informatie vinden over hun eigen buurt. Verdere toelichting is te vinden bij de antwoorden op vraag 14 en 15.
Het rapport Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van het referentiegebied Rottum – Tussenrapportage 18 jaar na sluiting (situatie tot en met 2023)»?1
Ja.
Deelt u de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op soortenrijkdom, dichtheid, diversiteit of gelijkmatigheid van de bodemdiergemeenschap?
Ik deel de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op de genoemde natuurwaarden. Ik betreur dat het lang heeft geduurd om te beseffen dat de oorspronkelijke opzet van het onderzoek niet voldoende resultaat kan opleveren. Daarom laat ik een evaluatie uitvoeren. Ik zal dat betrekken bij de opzet van de monitoring voor de opgaven die voortvloeien uit Natuurherstelverordening.
Het lijkt erop dat de opzet van het onderzoek deels de oorzaak is dat er tot op heden geen significante verschillen in natuurontwikkeling worden gevonden. Afgelopen jaar is een eerste stap in het verbeteren van de onderzoeksopzet gezet door wijzingen aan te brengen in de bemonsteringmethoden met behoud van de bestaande monitoringreeksen. Hierdoor wordt naar verwachting naast een betere vergelijking tussen de geulen binnen het onderzoeksgebied ook een betere vergelijking mogelijk met de natuurlijke ontwikkeling in de westelijke Waddenzee.
Deelt u de conclusie uit het rapport dat de natuurlijke variatie binnen geulen veel groter is dan de verschillen tussen geulen onderling en dat verschillen tussen geulen waarschijnlijk beter worden verklaard door abiotische factoren, zoals waterdiepte, bodemtype en afstand tot het zeegat, dan door de gebiedssluiting?
Op basis van de opzet van het onderzoek kan deze conclusie getrokken worden.
Deelt u de conclusie dat dit onderzoek erop wijst dat het effect van garnalenvisserij op de bodemdiergemeenschap zeer beperkt moet zijn, aangezien zelfs na 18 jaar sluiting geen significante verschillen zijn gevonden tussen open en gesloten gebieden?
Er kunnen vanuit dit onderzoek geen conclusies worden getrokken over het effect van de garnalenvisserij. Dit was niet het doel van het onderzoek en de proefopzet is voor de beantwoording van die vraag ook niet geschikt. Bovendien is het gesloten gebied bij Rottum niet representatief voor de hele Waddenzee.
Het rapport vermeldt dat met de huidige meetopzet alleen grote verschillen (een factor 2) statistisch aantoonbaar zijn en dat het aantonen van kleinere verschillen een onrealistisch groot aantal monsters vereist. Acht u de huidige monitoringsopzet nog geschikt voor beleidsdoeleinden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid de monitoringsstrategie te herzien, conform de aanbevelingen in het rapport?
Op basis van de aanbevelingen van het rapport is de monitoringsstrategie in 2025 aangepast.
Kunt u aangeven hoe de resultaten uit het Nederlandse referentiegebied zich verhouden tot die uit referentiegebieden in Duitsland en Denemarken? Zijn daar wél ecologische effecten vastgesteld na langdurige sluiting en zo ja, hoe verklaart u deze verschillen?
Er is Duits-Deens onderzoek gepubliceerd (CRANIMPACT) waar men de effecten van uitsluiting garnalenvisserij heeft onderzocht in 5 referentiegebieden die sinds 1977 zijn gesloten. Hier werden significante verschillen gevonden als gevolg van visserijintensiteit en slibgehalte. Kleine bodemdieren namen toe en grotere predatoren namen juist af. De verschillen worden zichtbaar vanaf een visserijdruk van 1.5x per jaar. Soortelijke conclusies werden ook gevonden in een wetenschappelijk artikel «The relative effects of bottom trawling, organic enrichment, and natural environmental factors on coastal seabed communities» van december 2024.
De verschillen met het Nederlandse onderzoek kunnen verklaard worden doordat het doel en de proefopzet in het Nederlandse referentiegebied niet geschikt zijn om het effect van garnalenvisserij te onderzoeken. Om effecten van garnalenvisserij beter inzichtelijk te kunnen maken zijn meer representatieve referentiegebieden van voldoende omvang en met langdurige sluiting voor bodemberoerende visserij nodig.
Bent u bekend met de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat met deze methodiek de kwaliteit van bodemhabitats (H1110A) in de Waddenzee wordt beoordeeld aan de hand van theoretisch bepaalde referentiewaarden?
Ja, deze werkwijze is uitvoerig beschreven in rapport «Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene habitattypen voor Natura 2000», (Escaravage et al., 2024) Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene habitattypen voor Natura 2000 – Wageningen University & Research.
Bent u bekend met het feit dat hierbij wordt uitgegaan van maximumdichtheden die in sommige gevallen zijn verdubbeld of verhoogd met de standaarddeviatie?
Zie antwoord vraag 9.
Leidt deze werkwijze er volgens u niet toe dat automatisch zeer lage BISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is?
Deze werkwijze leidt er naar verwachting niet toe dat er automatisch zeer lage BISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is.
Waarom wordt deze methode toegepast terwijl de BISI-score die hoort bij een goede staat van instandhouding nog niet is vastgesteld?
Nederland is verplicht onder de Europese Habitatrichtlijn (Artikel 17) om elke 6 jaar te rapporteren over de landelijke staat van instandhouding van habitattypen. Een habitattype is een bepaald type ecosysteem op het land of in het water met kenmerkende eigenschappen. De landelijke staat van instandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op basis van 4 parameters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functie inclusief typische soorten, toekomstperspectief). Voor het bepalen van de parameter structuur en functie wordt daarbij, voor alle mariene habitattypen gebruik gemaakt van de BISI, zoals beschreven in het eerder genoemde rapport van Wijnhoven (2025). Er is een maatlat ontwikkeld waarmee aan de hand van de BISI een score kan worden gegenereerd voor structuur en functie van mariene habitattypen (Escaravage et al., 2024)2. Deze score is gebruikt om samen met de scores van de 3 andere hierboven genoemde parameters de landelijke staat van instandhouding te beoordelen. De BISI-score is daarin dus niet doorslaggevend maar slechts één van de gebruikte parameters. Over de meest recente beoordeling heb ik u recentelijk over geïnformeerd3.
Waarom is voor de Waddenzee gekozen voor een theoretische referentie, terwijl in de Waddenzee een referentiegebied is ingesteld waaruit feitelijke referentiewaarden kunnen worden afgeleid?
Het ingestelde referentiegebied is niet representatief voor de variatie aan omstandigheden die voorkomen in de Waddenzee.
Bent u bereid om de BISI-score voor het referentiegebied vast te laten stellen en deze te vergelijken met de score voor habitat H1110A in de doeluitwerking Waddenzee?
Nee, het referentiegebied in de Waddenzee is hiervoor niet representatief. Het onderzoek in het referentiegebied is enkel opgezet om de ongestoorde ontwikkeling van de natuur in de Waddenzee te kunnen volgen. Daarnaast is het gebied en het aantal monsternames te klein voor een betrouwbare BISI-score. Daarom zie ik geen aanleiding om de BISI-score vast te laten stellen voor het referentiegebied.
Is het, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, ook uw verwachting dat de BISI-scores binnen en buiten het referentiegebied vrijwel identiek zullen zijn?
De verwachting is dat er op basis van de BISI-scores berekend met de gegevens die zijn verzameld met de huidige onderzoeksopzet nauwelijks verschillen te vinden zijn tussen het gesloten gebied en omliggende gebieden. Daarom wordt de onderzoeksopzet verbeterd.
Betekent dit dat de staat van instandhouding van habitat H1110A binnen het referentiegebied eveneens als slecht wordt beoordeeld en zo ja, hoe verklaart u dat?
De staat van instandhouding wordt alleen op landelijk niveau beoordeeld, niet voor afzonderlijke gebieden.
Bent u, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, bereid de BISI-methodiek nader tegen het licht te houden en deze voorlopig niet langer te gebruiken als onderbouwing voor gebiedssluitingen?
Nee. De BISI-methodiek is, in combinatie met het gebruik van andere parameters, zeer nuttig gebleken om de kwaliteitsontwikkeling van de natuur te volgen, of maatregelen effectief zijn en om habitats en/of gebieden te vergelijken. De BISI-methodiek is daarbij wel afhankelijk van de kwaliteit van de gegevens die in de berekening worden gebruikt. Gebiedssluiting wordt nooit alleen op basis van de kwaliteitstoestand (die onder andere kan worden bepaald met een indicator zoals de BISI) ingesteld. Er worden nog vele andere aspecten meegewogen, zoals relevante wetenschappelijke informatie, de sociaaleconomische impact en de handhaafbaarheid van de beoogde beheermaatregel.
De financiële dekking van fossiele subsidies en mogelijke klimaatrechtszaken uit het Klimaatfonds |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Argos-fragment van 6 december 2025 en het Argos-artikel van 24 oktober 2025 over het aanwenden van het Klimaatfonds voor fossiele subsidies en mogelijke dwangsommen uit klimaatzaken?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u naar de juridische afdwingbaarheid van het klimaatdoel in 2030? Voorziet u mogelijke rechtszaken?
Het nationale 2030-doel van de Klimaatwet is niet rechtstreeks juridisch afdwingbaar. De Klimaatwet waarborgt politieke controle op de voortgang van het klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet zich moet inspannen om de doelen uit de Klimaatwet te halen en het parlement het kabinet daarop kan aanspreken.
Op grond van rechtsbronnen, zoals het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gelden klimaatverplichtingen waarover een rechter uitspraken kan doen. Dit gebeurde onder meer in het Urgenda-arrest.
In hoeverre worden noodmaatregelen in kaart gebracht en overwogen, voor het geval dat de rechterlijke macht oordeelt dat het huidige maatregelenpakket niet voldoende is om de klimaatdoelen te bereiken? Als dit het geval is, kunt u deze analyses met de Kamer delen?
In het recent verschenen rapport «Routes naar Realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» zijn opties in kaart gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstelling in 2030, die variëren in mate van impact. Dit rapport is op 2 december 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.3
In hoeverre is overwogen om middelen uit het Klimaatfonds aan te wenden voor het betalen van dwangsommen die volgen uit mogelijke klimaatzaken?
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om middelen uit het Klimaat- en energiefonds4 in te zetten voor het betalen van dwangsommen. De middelen uit het Klimaat- en energiefonds zijn op grond van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds bestemd voor maatregelen die bijdragen aan emissiereductie en aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening en samenleving. Het betalen van dwangsommen valt niet binnen dit doel. Bovendien zijn de middelen binnen het Klimaatfonds op dit moment vrijwel volledig bestemd voor klimaatmaatregelen via reserveringen en toekenningen onder voorwaarden, waardoor betaling van dwangsommen uit het Klimaatfonds ten koste zou gaan van emissiereductie die door deze maatregelen in 2030 zou worden gerealiseerd. Ten aanzien van toekomstige besteding uit het Klimaat- en energiefonds geldt in algemene zin dat deze aan een volgend kabinet is en dit kabinet geen toezegging kan doen over hoe zij deze middelen inzetten.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor het betalen van de dwangsommen wegens onvoldoende klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen en bedragen er momenteel gereserveerd zijn in het Klimaatfonds voor fossiele subsidies?
Conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds dienen middelen uit het fonds uitgegeven te worden aan additionele maatregelen die bijdragen aan het behalen van de reductiedoelstellingen in de Klimaatwet, de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving en een rechtvaardige klimaattransitie. Dit is ook het uitgangspunt voor het huidige kabinet.
De middelen uit het fonds zijn bedoeld voor maatregelen binnen het klimaat- en energiedomein, waarbij de scope breder is dan puur CO2-reductie. Dit betekent dat niet enkel middelen worden ingezet op emissiereductie, maar ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. Het is belangrijk dat er draagvlak blijft voor klimaat- en energiebeleid en dat burgers en bedrijven niet worden geconfronteerd met (te) hoge energiekosten. Dit remt niet alleen de verduurzaming, bijvoorbeeld middels elektrificatie, maar draagt ook niet bij aan de ervaren rechtvaardigheid van de transitie. Om die reden heeft het kabinet in het voorjaar van 2025 ook middelen uit het Klimaat- en energiefonds beschikbaar gesteld die de energierekening voor huishoudens en bedrijven verlagen en tegelijkertijd een prikkel geven voor elektrificatie. Voor een exact verloop van de toevoegingen, onttrekkingen en uitgaven van het fonds verwijs ik u naar Hoofdstuk 2 van de Meerjarenprogramma’s Klimaatfonds van de afgelopen jaren.
Wat vindt u ervan dat er middelen uit het Klimaatfonds worden besteed aan activiteiten die de energietransitie en daarmee de maatregelen tegen klimaatverandering vertragen of zelfs tenietdoen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is om middelen uit het Klimaatfonds, die zijn bedoeld om broeikasgassen te reduceren en de klimaatdoelen te halen, in te zetten voor het tegenovergestelde (namelijk mogelijke dwangsommen voor het niet halen van de klimaatdoelen en het verstrekken van fossiele subsidies)?
Zie ook de antwoorden op vragen 4 & 5 en 6 & 7.
Het kabinet wil het Klimaat- en energiefonds, conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds, inzetten ten behoeve van de klimaat- en energietransitie.
Zoals ook in eerdere antwoorden aangegeven kijkt het kabinet bij de besteding van middelen uit het fonds niet enkel naar directe reductie van broeikasgasemissie, maar laat het ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. In dit verband wordt ook ingezet op maatregelen die bijdragen aan draagvlak en rechtvaardigheid van het klimaat- en energiebeleid. Het gebruik van middelen uit het Klimaat- een energiefonds die hierop toezien acht het kabinet dan ook gerechtvaardigd. Het kabinet is niet voornemens deze maatregelen te herzien.
Bent u bereid dergelijke maatregelen uit het Klimaatfonds te herzien, met mogelijk als gevolg het schrappen hiervan, om ruimte te maken voor maatregelen ten behoeve van het doel van het Klimaatfonds?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor beleid dat geen CO2 reduceert maar fossiel gebruik juist stimuleert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de KGG-begroting begin februari 2026?
Ja.
De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2025 aangaande de zout- en gaswinning onder de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Rummenie , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op op de hoogte van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland waarin de rechter vaststelt dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) de mogelijke nadelige gevolgen van mijnbouwactiviteiten op de Waddenzee onvoldoende in overweging had genomen, onder andere door informatie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) over klimaatverandering en zeespiegelstijging rond de Waddenzee niet mee in zijn beoordeling op te nemen?1
Ja.
Wat betekent deze uitspraak voor huidige en nieuwe mijnbouw in de Wadden?
De uitspraak heeft geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee. Op 10 februari 2023 heeft het Ministerie van LVVN een handhavingsverzoek over de natuurvergunning voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee afgewezen. De Waddenvereniging is hiertegen in bezwaar gegaan. De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland gaat over dit bezwaar. Het handhavingsverzoek had, volgens de rechtbank, moeten worden gezien als een verzoek om de natuurvergunning te wijzigingen. In de afwijzing is volgens de rechtbank niet voldoende rekening gehouden met de laatste inzichten van het KNMI. De rechtbank heeft het betreffende besluit over het afwijzen van het handhavingsverzoek daarom vernietigd.
Sinds het besluit over het afwijzen van het handhavingsverzoek (10 februari 2023) zijn nieuwe gebruiksruimtebesluiten gepubliceerd (meest recent op 25 april 2024). Mijnbouwprojecten in de Waddenzee moeten aan die gebruiksruimte voldoen. Voor elk nieuw gebruiksruimtebesluit wordt advies gevraagd aan experts, waaronder het KNMI, over de zeespiegelstijging. Daarbij worden de nieuwste inzichten betrokken. Het gebruiksruimtebesluit geeft daarmee een actueel beeld weer van de ruimte die er met het oog op de te beschermen natuurwaarden van de Waddenzee is voor gas- en zoutwinning. De uitspraak van de rechter is daarmee inmiddels achterhaald; in het thans geldende gebruiksruimtebesluit, waarbinnen de (bestaande) mijnbouwactiviteiten moeten opereren, is de informatie van het KNMI meegenomen.
Wat betekent de uitspraak specifiek voor bestaande zoutwinning onder de Wadden? Hoeveel zoutwinningsprojecten zijn momenteel actief onder de Waddenzee? Hoe wordt gemonitord dat deze aan de voorwaarden van de milieuvergunningen blijven voldoen, ook wanneer er nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar komt over de mogelijke negatieve gevolgen van die zoutwinning?
Zoals in het antwoord van vraag 2 wordt aangegeven heeft de uitspraak geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee, dus ook niet voor de huidige zoutwinning. Op dit moment wordt onder de Waddenzee alleen zout gewonnen in het zogenaamde Havenmond gebied, nabij Harlingen. Delfstoffenwinning onder de Waddenzee vindt plaats via het «hand aan de kraan» principe. In dit kader moeten vergunninghouders jaarlijks rapporteren over de bodemdaling, de gebruiksruimte en de ecologische monitoring. Deze rapportages worden beoordeeld door de Auditcommissie gaswinning onder de Waddenzee of de Auditcommissie zoutwinning onder de Waddenzee. Het advies van deze Auditcommissies wordt jaarlijks met de Tweede Kamer gedeeld. De Kamer heeft op 18 december 2025 de meest recente adviezen ontvangen2. De Auditcommissies geven in hun adviezen aan dat de winning binnen de vastgestelde gebruiksruimte blijft en dat er geen aantasting van de natuur in en rondom de Waddenzee is geconstateerd. Hierbij wordt verwezen naar het gebruiksruimtebesluit 2024 waarbij de nieuwste informatie van het KNMI is meegenomen. Het gebruiksruimtebesluit wordt elke 5 jaar herzien met de nieuwste inzichten over de zeespiegelstijging. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn dan kan het kabinet deze eerder aanpassen. Ook biedt het «hand aan de kraan»-principe – met de systematiek van voortdurende monitoring van natuurwaarden, bodemdaling en zeespiegelstijging – inzicht in de ontwikkelingen in het gebied waardoor tijdig ingegrepen kan worden als dit nodig is.
Wat betekent de uitspraak voor de bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) lopende vergunningsaanvraag van het Duitse bedrijf ESCO voor extra zoutwinning onder de Waddenzee, gezien de mogelijkheid van een bodemdaling van anderhalve meter onder het Wad en meer bodemdaling dan verwacht onder de zeedijk in Noord-West Friesland?
De uitspraak heeft geen invloed op de aanvraag van Frisia. Zoals bij vraag 2 aangegeven is ondertussen een nieuw gebruiksruimtebesluit vastgesteld. De aanvraag van Frisia moet aan dit gebruiksruimtebesluit voldoen.
Kan deze uitspraak volgens u als basis dienen om geen nieuwe vergunningen te leveren voor zoutwinning onder de Waddenzee? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals al opgemerkt onder 2 heeft de uitspraak van de rechtbank betrekking op een eerder gebruiksruimtebesluit. Het thans geldende gebruiksruimtebesluit is van 25 april 2024. Dit besluit is genomen op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten, inclusief de informatie van het KNMI. Mijnbouwprojecten moeten aan dit gebruiksruimtebesluit voldoen. Nieuwe winning van delfstoffen is met de aanpassing van de Mijnbouwwet in mei 2024 niet meer mogelijk onder de Waddenzee, tenzij een aanvraag voor 1 mei 2024 was ingediend.
Heeft het Ministerie van KGG of het Ministerie van LVVN momenteel weet van andere bestaande aanvragen of potentiële aanvragen die door marktpartijen voorbereid worden voor zoutwinning onder de Waddenzee?
Nee, er zijn geen andere aanvragen of potentiële aanvragen voor zoutwinning onder de Waddenzee bekend anders dan de aanvraag van Frisia die voor de aanpassing van de Mijnbouwwet is ingediend.
Hoe beoordeelt u het geldende Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden in het licht van deze uitspraak?
Zoals al opgemerkt onder 2 heeft de uitspraak van de rechtbank betrekking op een eerder gebruiksruimtebesluit. Het thans geldende gebruiksruimtebesluit is vastgesteld op 25 april 2024. Dit besluit is genomen op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. De uitspraak heeft daarom geen gevolgen voor het thans geldende gebruiksruimtebesluit.
In welke mate werden specifiek de in de uitspraak aangehaalde scenario's van het KNMI meegenomen in het geldende Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden?
De in de uitspraak aangehaalde scenario's van het KNMI zijn meegenomen in het thans geldende gebruiksruimtebesluit van 25 april 2024. Dit besluit is gebaseerd op het advies van experts (van het KNMI, Deltares, NIOZ, TU Delft, TNO-Geologische dienst en de Universiteit Utrecht) van 31 januari 2024 over zeespiegelstijgingsscenario’s voor de Waddenzee. Dit advies volgde op de publicatie van de klimaatscenario's van het KNMI (9 oktober 2023).
Hoe schat u op basis van deze uitspraak de toegenomen waarschijnlijkheid in dat de Raad van State in 2026 zal oordelen dat de gebruiksruimte zou moeten worden herzien?
Tegen het huidige gebruiksruimtebesluit van 25 april 2024 is een aantal beroepen ingesteld. Naar verwachting zullen deze beroepen in 2026 door de Afdeling bestuursrechtspraak ter zitting worden behandeld. Het is uiteraard niet aan het kabinet om iets te zeggen over hoe de Afdeling uiteindelijk zal oordelen.
Aangezien u in uw antwoord van 5 december 2025 op vraag 20 van mijn schriftelijke vragen heeft geantwoord dat in geval van een dergelijke uitspraak van de Raad van State het kabinet de gebruiksruimte zou herzien, deelt u de mening dat het in het licht van deze uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland wijselijk is een dergelijke wijzing reeds voor te bereiden om een strikte natuurbescherming van de Wadden te garanderen?2 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals in het antwoord van vraag 2 wordt aangegeven heeft de uitspraak geen effect op de huidige mijnbouw onder de Waddenzee. In het thans geldende gebruiksruimtebesluit zijn de meest recente inzichten over de zeespiegelstijging, die in de uitspraak worden aangehaald, meegenomen. Daarmee geeft het thans geldende gebruiksruimtebesluit een actueel beeld weer van de ruimte die er met het oog op de te beschermen natuurwaarden van de Waddenzee is voor gas- en zoutwinning. Het kabinet ziet daarom vooralsnog geen aanleiding om een wijziging van het gebruiksruimtebesluit voor te bereiden.
Gezien uw antwoord van 5 december 2025 op vraag 21 van mijn schriftelijke vragen dat de modellen van het KNMI te beperkt zouden zijn of niet toegespitst zouden zijn op de Nederlandse situatie, maar dat de rechtbank Noord-Nederland tegelijk aangeeft dat de informatie van het KNMI wel degelijk relevant is in de context van zoutwinning, bent u bereid uw eerdere antwoord te herzien en aan het KNMI alsnog te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging en indien nodig de modellen meer toe te spitsen op de Nederlandse situatie?3 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vraag 21 ging niet over nieuwe inzichten van het KNMI maar over generieke nieuwe wetenschappelijke inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging. De laatste publicatie van het KNMI over klimaatscenario’s is van 9 oktober 2023. Deze publicatie is meegenomen in het advies door experts van 31 januari 2024. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het KNMI een van deze experts. Het is de verwachting dat in het geval het KNMI nieuwe klimaatscenario’s publiceert, deze dan weer zullen worden meegenomen in een nieuw advies door experts en een nieuw gebruiksruimtebesluit. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat nieuwe wetenschappelijke inzichten niet altijd direct toepasbaar zijn op de Nederlandse situatie. Hiervoor is vaak een vertaling of aanvullend onderzoek nodig.
Wat is uw inzet in het overleg met de provinciale en lokale overheden in de noordelijke provincies rond zoutwinning en de schade als gevolg daarvan? Wat bent u van plan met de vragen en bezwaren van deze lokale overheden over dit onderwerp?
Er is regelmatig contact met de provinciale en lokale overheden in de noordelijke provincies rond zoutwinning en de gevolgen daarvan. De vragen en bezwaren van de decentrale overheden worden in elke procedure bekeken en meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.
Het Rapport Wennink |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens Netbeheer Nederland het aantal unieke verzoeken op de wachtlijst midden- en laagspanning in 2025 is opgelopen tot 14.044 en het wachtlijstvermogen tot 9,1GW?1
Ja. Volgens de laatste cijfers van Netbeheer Nederland (stand op 1 juli 2025) en zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief Aanpak Netcongestie van oktober jl. staan er 14.044 verzoeken van grootverbruikers in de wachtrij voor midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders, voor afname van in totaal 9,1 GW. Daarnaast staan er 8.539 verzoeken van grootverbruikers voor invoeding op midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders op de wachtrij, met een totaal vermogen van 4,6 GW.2 In maart 2026 zal Netbeheer Nederland met een update van deze cijfers komen.
Hoeveel aanvragen op wachtlijsten betreffen (a) MKB, (b) grootverbruik/industrie, (c) maatschappelijke instellingen, en wat zijn de mediane wachttijden per categorie en regio?
Informatie over hoeveel partijen er van verschillende categorieën op de wachtlijst staan is niet beschikbaar. In de meest recente voortgangsrapportage netcongestie3 is wel aangegeven dat er 362 partijen in de prioriteitscategorie nationale veiligheid en 295 partijen in de prioriteitscategorie basisbehoeften op de wachtrij staan. Dit zijn met name (maatschappelijke) instellingen, maar kunnen ook bedrijven zijn die vallen onder een van deze categorieën uit het prioriteringskader. De netbeheerders werken aan het verbeteren van het inzicht in de categorieën van bedrijven op de wachtrij. De mediane wachttijd van partijen op de wachtrij is niet beschikbaar. De capaciteitskaart van Netbeheer Nederland4 laat wel zien wanneer de belangrijkste knelpunten per gebied zijn opgelost en geven daarmee een indicatie van de wachttijd per gebied.
Deelt u de analyse dat netcongestie zowel schaalvergroting als verduurzaming vertraagt en dat in regionale industrie bijna driekwart van verduurzamingsplannen niet tijdig kan doorgaan door tekort aan energie-infrastructuur?
Netcongestie zit inderdaad zowel uitbreiding als verduurzaming van bedrijven in de weg. In de cluster energiestrategie (CES) van cluster 6, waar de regionale industrie gevestigd is, is inderdaad opgenomen dat 73% van de verduurzamingsplannen niet voor 2030 kan doorgaan door het ontbreken van energie-infrastructuur (publicatie januari 2025). De grootste knelpunten die in het rapport worden genoemd zijn, naast netcongestie, de lange afstand tot de hoofdinfrastructuur, het uitblijven van tijdige infrastructuur voor waterstof en CO2, en onvoldoende beschikbaarheid van bio/groen gas en warmte.
Welke concrete stabiliteits- en veiligheidsmarges leiden er volgens u toe dat netten gemiddeld slechts 30% benut worden, en welke ruimte ziet u voor risicogebaseerde herijking zonder leveringszekerheid te schaden?2
Stabiliteits- en veiligheidsmarges hebben betrekking op het aanhouden van reservecapaciteit. TenneT is wettelijk verplicht om voor het hoogspanningsnet extra componenten aan te leggen (de zogenaamde «vluchtstrook» of reservecapaciteit) zodat stroom beschikbaar blijft tijdens onderhoud of een storing. Uitval op het TenneT-net kan namelijk uitval voor een hele provincie betekenen. Door de grote uitbreidingsopgave van het net zal de gereserveerde ruimte voor onderhoud ook de komende jaren hard nodig zijn. Het Ministerie van KGG onderzoekt samen met de ACM en de netbeheerders de mogelijkheden om het elektriciteitsnet zwaarder te belasten. Hierbij wordt ook geanalyseerd hoeveel procent van het net momenteel gebruikt wordt. Het onderzoek verkent ook de mogelijkheden rondom het nemen van meer risico en mogelijke beleidsopties rondom het zwaarder belasten van het net. Het onderzoek zal eind maart bij de komende voortgangsrapportage worden gedeeld met de Kamer. Hierbij wordt ook gekeken naar de daadwerkelijke gemiddelde benutting van het net. Of dit daadwerkelijk 30% is, is nog niet bekend. Een gemiddelde benutting zegt overigens weinig over de daadwerkelijke benutting in een specifiek gebied. Dit is immers sterk afhankelijk van de specifieke situatie, veiligheidseisen en bijvoorbeeld hoe groot de verwachte groei achter de meter is tot het moment van uitbreiding.
Veiligheidsmarges hebben ook betrekking op de wijze waarop netbeheerders omgaan met de verwachte elektriciteitsvraag. Deze prognoses zijn van belang bij het bepalen of er netcongestie kan optreden. Dit betreft bijvoorbeeld de verwachte toename van de elektriciteitsvraag bij bestaande aansluitingen. Daarbij zijn de voorspellingen en onzekerheden rondom deze groei cruciaal. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Het verbeteren van de prognoses maakt hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Hoeveel «Zeeland-achtige» flexibiliteitsdeals (zoals TenneT-Air Liquide) zijn sinds 2024 gesloten, en welke juridische/financiële/ACM-belemmeringen remmen opschaling?
TenneT heeft nog één andere vergelijkbare afspraak gesloten.6 In beide gevallen werd (een deel van) reeds toegekende vaste («firm») capaciteit omgezet naar een tijdsduurgebonden contract (TDTR). Hierbij kan TenneT het transportrecht maximaal 15% van het aantal uren in het jaar beperken en krijgt het bedrijf een korting op de nettarieven. In beide gevallen was er sprake van specifieke omstandigheden: het bedrijf was bereid reeds toegekende firm capaciteit om te zetten naar flexibele capaciteit en er was genoeg capaciteit beschikbaar op de rustige momenten om de aanvraag in te kunnen passen. De vrijgekomen transportcapaciteit kon vervolgens worden uitgegeven aan partijen op de wachtrij. Deze nieuwe contractvorm is mogelijk sinds 2024.
Naast deze twee zijn er sindsdien nog negentien andere TDTR-contracten gesloten. Dit betreft partijen op de wachtrij die met dit contract (flexibel) konden worden aangesloten, zonder effect op andere partijen op de wachtrij. Flexibiliteit via alternatieve transportrechten zoals de TDTR is vooral aantrekkelijk voor een bedrijf als oplossing om, ondanks de wachtrij, toch (flexibele) transportcapaciteit te kunnen krijgen.
Ruimte voor nieuwe of zwaardere aansluitingen wordt wel gerealiseerd met congestiemanagementproducten (capaciteitssturingscontract en redispatch). Hierbij passen bestaande grote netgebruikers, tegen vergoeding, hun elektriciteitsbehoefte aan wanneer het net overbelast dreigt te raken. Dit maakt het voor de netbeheerder mogelijk om extra aan te sluiten. Bij de volgende voortgangsrapportage in maart wordt het aantal in 2025 afgesloten congestiemanagementcontracten bij de landelijke en regionale netbeheerders gepubliceerd.
In de laatste brief over de voortgang aanpak netcongestie7 zijn de knelpunten benoemd die grootschalige uitrol van alternatieve transportcontracten in de weg staan. Netbeheerders moeten ervaring opdoen met het aan de man brengen van deze nieuwe producten. Zij moeten daarvoor meer transparantie bieden in waar welke flexibiliteit nodig is. Marktpartijen moeten worden bewogen om flexibeler met gebruik en invoeding van elektriciteit om te gaan. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Oplossingen om deze knelpunten te doorbreken maken hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Erkent u dat regionale afstemming over locaties voor energieprojecten tot 10 jaar kan duren en dat dit samenhangt met te weinig ruimtelijke regie op elektriciteitsinfrastructuur? Welke maximale doorlooptijden gaat u hanteren voor locatiekeuze en vergunningen voor netprojecten?3
Het kabinet herkent de duur van 10 jaar voor het gehele realisatieproces van energie-infrastructuurprojecten. Dit omvat meer dan alleen afstemming over locaties. Hierin zit ook technische verkenning, milieu-effectonderzoeken, vergunningverlening volgend op het locatiebesluit, bezwaar- en beroepsprocedures, en de bouw van het project. Het kabinet werkt aan het verkorten van deze totale doorlooptijd, zoals aangegeven in de Kamerbrief «sneller uitbreiden elektriciteitsnet» van 25 april 20259. Onderdeel hiervan is het wetgevingsprogramma netcongestie. Per 1 januari 2026 geldt bijvoorbeeld een standaard gedoogplicht voor onderzoekswerkzaamheden waardoor de voorbereidingen tot locatiekeuze minder vertraging kunnen oplopen.
Het uitgangspunt blijft een zorgvuldig doorlopen proces. Voor vergunningverlening en bezwaar- en beroepsprocedures bestaan vrij scherpe maximale termijnen. Daarom wordt onderzocht hoe processtappen simultaan kunnen verlopen en zo efficiënt mogelijk ingericht om de doorlooptijd te minimaliseren. Met de wettelijke maatregel «Versnelde beroepsprocedure voor elektriciteitsprojecten vanaf 21kV» die uiterlijk begin 2027 in werking treedt, worden stappen in de beroepsprocedure overgeslagen met mogelijk 1,5 jaar verkorting van doorlooptijden. Uiteindelijke inwerkingtreding is afhankelijk van de grondslag in de Wet Regie Volkshuisvesting die momenteel voor behandeling in de Eerste Kamer ligt.
Het kabinet werkt ook aan versnelling van de locatiekeuze binnen de projectprocedure. Een groot deel van deze procedure is door (Europese) wetgeving verplicht, het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om binnen deze kaders te versnellen. De doorlooptijd van dit proces kan één of meerdere jaren duren. In verband met de complexiteit en beslag op de ruimte kan dit proces sneller bij 110/150kV projecten dan 220/380kV. Het kabinet werkt aan versnelling met afspraken over het trechteren van locaties. Met steun van gemeenten en provincies kaderen we het afwegen van alternatieve locaties en de inrichting van een zo snel mogelijke én zorgvuldige procedure. Om de ruimtelijke regie verder te versterken wordt er aan de hand van de projectenaanpak ook gewerkt aan het sneller aanwijzen van bevoegd gezag. KGG faciliteert deze snellere aanwijzing door in een vroeg stadium gesprekken te organiseren tussen TenneT en decentrale overheden. Met deze beleidsmatige en wettelijke stappen voorkomen we te lange procedures, versnelt tussentijdse besluitvorming en kan het Rijk ingrijpen bij impasses.
Ook het formatierapport «Routes naar realisatie: keuzes voor het klimaat en de energietransitie»10 gaat in op knelpunten t.a.v. de lange doorlooptijden van energieprojecten en brengt beleidsopties in kaart, zoals proactieve ruimtelijke sturing via actief grondbeleid.
Kunt u bevestigen dat elektriciteitskosten in Nederland 20–50% hoger liggen dan buurlanden en dat industriële elektriciteitsprijzen tot de helft hoger kunnen zijn? Welke maatregelen neemt u om prijspariteit met België en Duitsland te bereiken en op welke termijn?4
In 2024 en 2025 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de elektriciteitskosten in Nederland ten opzichte van buurlanden. Hieruit blijkt inderdaad dat de elektriciteitskosten voor industriële grootverbruikers in Nederland fors hoger liggen. In de Kamerbrieven van 25 april 202512 en 16 september 202513 is de Kamer over verschillende maatregelen geïnformeerd die het kabinet op nationaal niveau neemt om de energierekening voor bedrijven en consumenten te verlagen. Zo is de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlengd tot en met 2028 en werkt het kabinet opties uit om de nettarieven te verlagen, gericht op besluitvorming door een nieuw kabinet.
Deelt u de inschatting dat nettarieven richting 2040 meer dan verdubbelen bij ~5% groei per jaar? Hoeveel komt hiervan neer bij huishoudens, MKB en industrie, en welke dempingsopties onderzoekt u?5
De elektriciteitsnettarieven kunnen bij ongewijzigd beleid inderdaad meer dan verdubbelen. Het kabinet heeft dit in de kabinetsreactie op het IBO-rapport Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur eveneens aangegeven.15 De geraamde stijging richting 2040 is echter met aanzienlijke onzekerheden omgeven. In de kabinetsreactie op het IBO heeft het kabinet meerdere opties geschetst om de kosten van netbeheerders, en daarmee de tarieven van aangeslotenen, te dempen. Deze opties zijn onder meer energiebesparing, het flexibiliseren van het netgebruik door aangeslotenen, het beter benutten en zwaarder belasten van de netten, locatiesturing en het maken van andere keuzes voor het toekomstig energiesysteem. Zie in onderstaande figuur de verdeling van de groei van de netkosten per categorie aangeslotenen.
Ook het anders verdelen van de kosten in de tijd in de vorm van een zogenoemde amortisatierekening is onderzocht. Hierbij wordt een deel van de kosten doorgeschoven naar toekomstige gebruikers. Op Prinsjesdag heeft het kabinet moeten concluderen dat de rationale en juridische mogelijkheid hiervoor ontbreekt.16 In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat ook een eventuele subsidie aan TenneT tot de mogelijkheid behoort om de netkosten te dempen. Een dergelijke maatregel heeft significante en langjarige budgettaire consequenties, zoals ook blijkt uit het formatierapport «Routes naar Realisatie»17. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Bent u bereid de optie uit te werken om de energiebelasting op elektriciteit voor grootverbruik richting het EU-minimum te brengen?
Het kabinet onderschrijft het belang van concurrerende energieprijzen en een gelijk speelveld voor de industrie. Het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit kan hieraan bijdragen, zoals ook beschreven in het in het vorige antwoord genoemde rapport Routes naar Realisatie. Het belang van een dergelijke belastingverlaging voor de industrie zal moeten worden afgewogen tegen de doelstellingen van de energiebelasting, namelijk het genereren van overheidsinkomsten en het stimuleren van energiebesparing. Daarbij is ook relevant dat een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit slechts een beperkt effect zou hebben op de elektriciteitskosten van grote industriële bedrijven, doordat net- en elektriciteitstarieven een groter onderdeel vormen van de energiekosten, en doordat een deel van de industrie al is vrijgesteld van energiebelasting. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Welke nationale koppen bovenop Europees beleid dragen volgens u aantoonbaar bij aan concurrentienadeel, en welke koppen heroverweegt u in het licht van investeringszekerheid en industriebehoud?6
Er zijn diverse factoren die bijdragen aan concurrentienadeel. Dat kunnen nationale koppen zijn, zoals de CO2-heffing voor de industrie, maar ook een hoger tarief in de energiebelasting of het feit dat in Nederland de volumecorrectieregeling (VCR) – conform EU-regels – is afgeschaft terwijl andere landen deze nog steeds hanteren. Een uitgebreid overzicht van factoren die invloed hebben op het concurrentievermogen is te vinden in de Speelveldtoets19. Daaruit blijkt dat de hoge elektriciteitskosten in vergelijking met buurlanden één van de belangrijkste factoren zijn. Het kabinet probeert dit speelveld gelijker te trekken door onder andere de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen. Met het pakket voor Groene Groei20 heeft het kabinet eerder al ingezet op het herstellen van het gelijk speelveld en verbeteren van het concurrentievermogen door het effectief buiten werking stellen van de CO2-heffing en niet invoeren van de plasticsheffing. Tegelijkertijd heeft Nederland relatief veel subsidies voor de industriesector ten opzichte van buurlanden21 en zijn er andere factoren die een positief effect op de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie hebben zoals opgebouwde expertise, logistieke hubs, goede infrastructuur en een hoog opgeleide bevolking.
Deelt u dat netcongestie een belangrijk obstakel is voor AI-proposities en dat hyperscale-datacenters door beleid feitelijk in 340 van 342 gemeenten niet mogelijk zijn?7
Het kabinet erkent dat netcongestie een belangrijk obstakel is. Voldoende datacentercapaciteit is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de Nederlandse AI-ambities. Wachtlijsten voor aansluitingen en bouwstops belemmeren de groei van deze sector. Het recente advies van Peter Wennink benadrukt terecht de urgentie om netcongestie aan te pakken via betere netbenutting, flexibiliteit, prioritering en publiek-private samenwerking.
In 2023 is in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.7.7) een instructieregel opgenomen waaruit volgt dat de bouw van hyperscale datacenters – met een vermogen van meer dan 70 MW en een ruimtebeslag van meer dan 10 hectare – op dit moment inderdaad feitelijk in slechts twee gemeenten mogelijk is. Dit beleid voorziet in landelijke regie op deze zeer grootschalige faciliteiten vanwege hun impact op leefomgeving, energievoorziening en infrastructuur, en is daarmee niet toe te schrijven aan netcongestie. Er bestaan geen landelijke restricties voor vestiging van datacenters onder de drempelwaardes van hyperscale datacenters uit deze AMvB. Grote datacenters kunnen worden gebouwd zolang zij niet tegelijk aan beide criteria voldoen. De besluitvorming hierover is een bevoegdheid van gemeenten en provincies. Zij bepalen of, en onder welke voorwaarden zij datacenters op hun grondgebied toestaan.
Datacenters die onder de criteria van deze AMvB ontwikkeld mogen worden kunnen evengoed een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van AI-capaciteit en digitale infrastructuur.
Gezien het projectvoorstel «AI Gigafabriek» >100.000 GPU’s en 250–750 MW IT-capaciteit noemt, welke harde randvoorwaarden stelt het kabinet aan netinpassing, flexibiliteit en restwarmte zodat dit niet tot extra congestie leidt?
De precieze grootte van de omvang van een AI-gigafabriek staat niet vast en kan verschillen per projectvoorstel. AI-infrastructuur vormt de fundering onder moderne AI-modellen en -toepassingen. Het kabinet verwelkomt daarom AI-infrastructuur initiatieven en investeringen waar zij positief bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van het nationale en Europese AI-ecosysteem.
Dit kunnen volledig private AI-infrastructuur projecten zijn.
Met betrekking tot het specifieke publiek-private Europese AI-gigafabrieken initiatief heeft het kabinet nog geen definitieve besluitvorming afgerond of formele keuze gemaakt om mee te financieren aan een AI-gigafabriek binnen de EuroHPC call voor AI-gigafabrieken die nog opengesteld moet worden.23 De precieze randvoorwaarden voor ondersteuning en co-financiering van een AI-gigafabriek worden op dit moment nog uitgewerkt door de Europese Commissie en zullen bij openstelling van de call bekend zijn. Wel is in de amendering van de EuroHPC-verordening al benadrukt dat voor AI-gigafabrieken energie-efficiëntie en duurzaamheid deel zullen uitmaken van de criteria die de Commissie wil meenemen in het selectieproces.
Het intrekken van een wetenschappelijk stuk na mogelijke betaling door glyfosaatproducent |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel van 3 december 2025, waarin wordt beschreven dat een invloedrijk wetenschappelijk artikel over het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat na 25 jaar is ingetrokken?1
Ja
Kunt u uiteenzetten welke grondslag dit wetenschappelijk artikel heeft of heeft gehad in het beleid dat Nederland, en breder gezien, Europa voert bij het gebruik van glyfosaat?
Het artikel van Williams en anderen2 is een zogenoemd review-artikel waarin gegevens uit meerdere individuele wetenschappelijke studies worden samengevat en geanalyseerd. Bij de beoordeling van een werkzame stof (of gewasbeschermingsmiddel) worden alleen originele studierapporten gebruikt en geen review-studies. De conclusies uit dit review-artikel zijn geen onderdeel van de risicobeoordeling van glyfosaat3 en zijn niet meegenomen in de Europese besluitvorming bij de hernieuwde goedkeuring van de stof in 2023. Het intrekken van dit review-artikel heeft dan ook geen gevolgen voor de goedkeuring van de stof glyfosaat of toelating van middelen op basis van deze werkzame stof.
Bent u verder bekend met wetenschappelijke studies over pesticiden, glyfosaat in het bijzonder, waarbij aanleiding bestaat om te twijfelen aan de legitimiteit van het onderzoek, wat de invloed was van dergelijke onderzoeken was en hoe zowel positieve als negatieve uitkomsten van deze onderzoeken gewogen en getoetst worden aan bronnen en belangen?
Nee, ik ben verder niet op hoogte van dergelijke onderzoeken.
In hoeverre acht u deze berichtgeving, over rectificatie van wetenschappelijke onderzoeken en mogelijke inmenging van de fabrikant om gevaren en risico’s van het bestrijdingsmiddel te bagatelliseren, als een belangrijk moment voor herziening van onze omgangsnormen met betrekking tot glyfosaat, variërend van bijvoorbeeld toelatingsprocedures tot aan subsidies?
Ik vind het belangrijk dat besluitvorming over werkzame stoffen wordt gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke wetenschappelijke informatie. Het intrekken van het review-artikel geeft geen aanleiding om te twijfelen aan eerdere besluitvorming over glyfosaat.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren uit de certificering en besluitvorming en daaropvolgende onderzoeken te herzien als deze op dergelijke onderzoeken zijn gebaseerd?
Er zijn verschillende waarborgen binnen het proces van de stofbeoordeling ingebouwd om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren. Allereerst baseren de toelatingsautoriteiten zich in eerste instantie op onderzoek dat is uitgevoerd volgens Good Laboratory Practice (GLP)4. Dit is een systeem om de kwaliteit van de experimenten in laboratoria te waarborgen waar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op houdt. De rapporteur lidstaat (RMS) beoordeelt alle studies, inclusief studies uit de wetenschappelijke literatuur, en kijkt hierbij op een gestructureerde wijze naar de betrouwbaarheid, bijvoorbeeld met behulp van de Klimisch criteria5, en de relevantie van de studies. De betrouwbaarheid en relevantie bepalen samen de aanvaardbaarheid van de studie. Alle relevante, betrouwbare wetenschappelijke technische kennis wordt tegen elkaar afgewogen om tot een eindconclusie te komen. Hierbij wegen relevante en betrouwbare studies zwaarder dan minder betrouwbare/relevante studies. Niet-acceptabele studies worden niet meegenomen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) voert samen met alle andere lidstaten een collegiale toetsing (peer review) uit op het beoordelingsrapport van de RMS. Ook vindt er een openbare consultatie plaats. Bovendien moeten aanvragers sinds 2019 op basis van de Algemene Levensmiddelenverordening de autoriteiten al vooraf informeren dat een nieuwe studie begint en moeten ze het melden als de studie is afgerond. Dit om te voorkomen dat bedrijven onderzoeksresultaten achterhouden.
In hoeverre bent u bereid om het Europees vastgestelde toetsingskader ter discussie te stellen nu de legitimiteit van invloedrijke wetenschappelijke onderbouwingen die mogelijk ten grondslag liggen aan onze opvattingen over glyfosaat in twijfel wordt getrokken of zelfs wordt gerectificeerd?
Het intrekken van het betreffende review-artikel heeft geen invloed op de uitkomst van de risicobeoordeling van glyfosaat en deze hoeft daarom niet nationaal of Europees bediscussieerd te worden.
In aanvulling daarop, bent u bereid om bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) aan te dringen op herziening van het toetsingskader voor het gebruik van glyfosaat, wellicht in afwachting van herziening van het Europese toetsingskader?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat Montsano geen gesprekspartner moet zijn van Nederland of via andere manieren de mogelijkheid moet hebben om de sterke lobby voor de gifindustrie voort te zetten? Ziet u dus de wenselijkheid van een lobbyverbod voor de gifindustrie in?
Besluitvorming over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen dient altijd gebaseerd te zijn op onafhankelijke wetenschappelijke beoordelingen. Ik vind het daarom van grote waarde dat het Ctgb, als onafhankelijke toelatingsautoriteit, deze beoordelingen uitvoert zonder inmenging van derden, zoals fabrikanten of politiek. Het Ctgb wijst iedere vorm van ongeoorloofde beïnvloeding van de wetenschappelijke oordeelsvorming categorisch af. Waar het gaat om mijn eigen beleidsvorming praat ik met telers, NGO’s, belangenbehartigers, andere overheden en ook fabrikanten om een goed beeld te hebben van de wensen en ontwikkelingen binnen de samenleving en eventuele gevolgen van (toekomstig) beleid. Ik hecht waarde aan deze dialoog met alle onderdelen van de samenleving.
Is er naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op de Wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een onderzoek ingesteld naar de reikwijdte van de verplichtstelling van alternatieven voor glyfosaat?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het betreffende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en de verdere stappen op dit onderwerp.
Hoe gaat u waarborgen dat dit onderzoek onafhankelijk en zorgvuldig wordt uitgevoerd, waarbij scherp wordt gelet op mogelijke belangenverstrenging of illegitimiteit van aangehaalde onderzoeken, helemaal gelet op recente berichtgevingen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre de effecten van glyfosaat onafhankelijk worden onderzocht en de basis vormen voor het toetsingskader voor de verplichtstelling van alternatieven?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze en eerdere negatieve berichtgeving over de schadelijke effecten van glyfosaat concrete vervolgstappen te geven aan het aanpassen van het glyfosaatbeleid in Nederland?
Glyfosaat is in 2023 opnieuw Europees goedgekeurd op basis van een zeer omvattend wetenschappelijk dossier met meer dan 2400 studies. De onafhankelijke wetenschappelijke adviezen van de hiervoor aangewezen instituten concluderen dat glyfosaat veilig kan worden toegepast. Op basis van deze conclusies zijn momenteel geen aanvullende maatregelen nodig.
Bent u bereid om, indien onderzoeken deze uitkomst aanbevelen, de verplichting tot het gebruik van alternatieven aan te scherpen en voor eenieder te codificeren in de Wijzigingen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State op de beoogde wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en over de verdere stappen op dit onderwerp.
De mogelijkheid niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare zone in het kader van de Nitraatrichtlijn |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen specifieke kwetsbare zones aan te wijzen, maar het gehele grondgebied als kwetsbaar te beschouwen in het kader van de Nitraatrichtlijn?1
In lijn met de Nitraatrichtlijn heeft Nederland de keuze gemaakt om het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (verder 7e actieprogramma) en voorgaande actieprogramma’s van toepassing te laten zijn op het gehele Nederlandse grondgebied. Daarom heeft Nederland geen kwetsbare zones aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zoals vastgelegd in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, enkel van toepassing zijn op kwetsbare zones?2
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. De verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn zijn in Nederland van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Artikel 3, vijfde lid, Nitraatrichtlijn geeft aan dat een lidstaat is ontheven van de verplichting kwetsbare zones aan te wijzen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Nitraatrichtlijn, als het zijn actieprogramma’s op zijn hele grondgebied van toepassing laat zijn.
Kunt u bevestigen dat ook de maximale hoeveelheid uit te rijden mest van 170 kilogram per hectare per jaar, zoals per 1 januari 2026 geldig vanwege de afschaffing van de derogatie, enkel van toepassing is op kwetsbare zones?
De norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar is opgenomen in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn. De verplichtingen opgenomen in bijlage III zijn volgens artikel 5, vierde lid, een verplicht onderdeel van actieprogramma’s. Afhankelijk van de keuze die een lidstaat heeft gemaakt over het grondgebied waarop een actieprogramma ziet, geldt de norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest.
Kunt u bevestigen dat Nederland de lijst van kwetsbare zones kan herzien, zodat niet langer het gehele grondgebied, maar slechts een deel daarvan als kwetsbare zone geldt?3
De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten die een lijst van kwetsbare zones hanteren om die ten minste iedere vier jaar te herzien. Lidstaten die hun actieprogramma’s toepassen op het gehele grondgebied zijn ontheven van deze verplichting. Aangezien in Nederland actieprogramma’s van toepassing zijn op het gehele Nederlandse grondgebied is er geen lijst van kwetsbare zones die herzien kan worden. De motie Flach en Grinwis4 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. In lijn met de motie en conform het Hoofdlijnenakkoord is aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om hierover te adviseren.
Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet. In voornoemde brief is aangegeven dat de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma voor het einde van het kerstreces aan uw Kamer zal worden gestuurd. Hierbij zal ook het voornoemde CDM advies gevoegd worden.
Kunt u bevestigen dat Nederland dit herzieningsbesluit eenzijdig kan nemen, dit enkel aan de Europese Commissie (EC) hoeft te melden en hiervoor dus geen toestemming nodig heeft van de EC?
Het is de bevoegdheid van een lidstaat om kwetsbare zones aan te wijzen of het actieprogramma op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing te laten zijn. In het geval dat Nederland overgaat tot het aanwijzen van kwetsbare zones, zal Nederland dit afdoende moeten onderbouwen en zal de Europese Commissie daarvan in kennis moeten worden gesteld. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn. Dat betekent overigens niet dat de Europese Commissie in die situatie geen rol heeft ten aanzien van een aanwijzing van kwetsbare zones. Indien een lidstaat een aanwijzing van kwetsbare zones onvoldoende kan onderbouwen, heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om vanwege niet naleving van de Nitraatrichtlijn een infractieprocedure te starten bij het Europees Hof van Justitie. In de loop van de tijd heeft het Europese Hof van Justitie in verschillende uitspraken lidstaten in het ongelijk gesteld vanwege het niet adequaat aanwijzen van kwetsbare zones conform de Nitraatrichtlijn. Dit heeft in de betreffende lidstaten geleid tot uitbreiding van het areaal aangewezen kwetsbare zones, dan wel aanwijzing van het gehele grondgebied.5
Kunt u bevestigen dat Nederland dus de mogelijkheid heeft om de strengere mestnormen die per 1 januari 2026 zullen gelden, evenals andere verplichtingen voortvloeiende uit de Nitraatrichtlijn, van toepassing te laten zijn op een kleiner grondgebied dan momenteel het geval is? Deelt u de mening dat dit de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk zou kunnen verlichten?
Het 7e actieprogramma is van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Bij het vaststellen van een volgend actieprogramma kan Nederland de reikwijdte van het actieprogramma opnieuw wegen.
Klopt het dat u over een eventuele wijziging van de Nederlandse lijst met kwetsbare zones advies heeft gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)?
Aan de CDM is advies gevraagd over de mogelijkheid om de actieprogramma’s onder Nitraatrichtlijn niet langer van toepassing te laten op het gehele Nederlandse grondgebied, maar enkel op kwetsbare zones. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u dit advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, indien dit antwoord bevestigend luidt?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid de Nederlandse lijst met kwetsbare zones zo spoedig mogelijk te herzien, om zo de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen?
In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangeven dat in Nederland op basis van de Nitraatrichtlijn de keuze is gemaakt om het actieprogramma van toepassing te laten zijn op het hele Nederlandse grondgebied. Er is derhalve geen lijst met kwetsbare zones.
Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de nieuwe mestnormen per 1 januari 2026 ingaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één week beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Zorgen over PFAS-lozingen. |
|
Dion Huidekooper (D66), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf, maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje van de maatschappij»»?2
Ja.
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
We weten de laatste jaren steeds meer over de schadelijkheid van PFAS. Ook weten we dat PFAS wijdverspreid is. Daarom werkt het kabinet op meerdere manieren aan de vermindering van PFAS. PFAS behoren tot de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Daarbij is het uitgangspunt dat emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en, waar dit niet mogelijk is, tot een minimum worden beperkt. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de zogenoemde minimalisatieverplichting binnen het bestaande vergunningen- en toezichtkader.
In algemene zin kan niet worden gesteld dat iedere PFAS-emissie per definitie leidt tot onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. Dit is afhankelijk van factoren zoals de schadelijkheid van een stof, de omvang van de emissie, de ontvangende omgeving en de cumulatie met andere lozingen of bovenstroomse aanvoer. Daarom zal het bevoegd gezag elke vergunningaanvraag individueel beoordelen.
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen van 5 kg PFAS per jaar?
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is bevoegd gezag voor de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS. Bij deze beoordeling wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving voor zeer zorgwekkende stoffen, waaronder de verplichting tot minimalisatie van emissies en de toepassing van de beste beschikbare technieken. Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen lozing binnen de wettelijke kaders kan plaatsvinden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de immissietoets. Op basis van deze toetsing is door de provincie Limburg in het ontwerpbesluit geoordeeld dat binnen de huidige wettelijke kaders een vergunning niet kan worden geweigerd.
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS in het bloed heeft?
De provincie Limburg beoordeelt als bevoegd gezag het risico van een lozing voor de functies van het oppervlaktewater (zoals drinkwater) via de immissietoets. Daarbij wordt getoetst of de verwachte PFAS-concentraties in het oppervlaktewater, binnen de geldende gezondheids- en milieugrenswaarden blijven en of rekening is gehouden met cumulatieve achtergrondbelasting. Deze toets geldt ook voor de drinkwaterinnamepunten, zoals deze bijvoorbeeld aanwezig zijn in het stroomgebied van de Maas.
Indien op basis van deze toetsing door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat aan alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Dit past binnen het ZZS-beleid waarin minimalisatie centraal staat, maar waarbij vergunningverlening mogelijk blijft indien aan alle wettelijke eisen wordt voldaan. Ik ga ervan uit dat het bevoegd gezag de beoordeling van de aanvraag op de juiste manier uitvoert en dat daarbij de signalen van de ILT worden meegenomen.
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap en de waterbedrijven?
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt de invloed op oppervlaktewater en grondwater betrokken via een uitgebreide immissietoets, conform het geldende wettelijke kader en het Handboek Immissietoets.
In deze toets wordt beoordeeld of de verwachte concentraties van stoffen in het ontvangende watersysteem, inclusief de Zuid-Willemsvaart en de doorwerking richting de Maas, verenigbaar is met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Daarbij wordt rekening gehouden met hydrologische omstandigheden, mengzones, cumulatieve achtergrondbelasting en de mogelijke effecten op huidige en potentiële drinkwaterinnamepunten.
De immissietoets is in mei 2024 beoordeeld door Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg. Uit de toets volgt dat er geen sprake is van blijvende achteruitgang van de chemische of ecologische toestand van het oppervlaktewater en dat ook grondwater- en drinkwaterbelangen afdoende zijn beschermd.
Daarnaast zullen de adviezen het waterschap en drinkwaterbedrijf worden betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. In reactie op het ontwerpbesluit hebben verschillende partijen een zienswijze ingediend. De Provincie Limburg heeft gesprekken gevoerd met een groot deel van deze partijen. Het laatste gesprek heeft in de tweede helft van december 2025 plaatsgevonden. Begin januari 2026 is CFS in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de ingediende zienswijzen en de toelichting daarop.
Mede aan de hand van deze informatie zal de Provincie Limburg beoordelen of aan CFS definitief een vergunning kan worden verleend voor het innemen en bewerken van PFAS-houdende afvalstromen en, zo ja, onder welke voorwaarden.
Tot slot heeft het bevoegd gezag aangegeven dat voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit de immissietoets voor deze afweging nogmaals uitvoerig zal worden beoordeeld.
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Het principe dat de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de motie van de leden Kostić en Soepboer.3
Voor waterzuivering is dit verankerd in de zuiveringsheffingen die waterschappen opleggen bij indirecte lozingen (op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, RWZI), en de verontreinigingsheffing die opgelegd wordt bij directe lozingen op het oppervlaktewater. Voor zowel de verontreinigingsheffing als de zuiveringsheffing is het beginsel «de vervuiler betaalt» leidend. De vervuiler betaalt naar rato van de vervuilingswaarde van het afvalwater dat wordt geloosd of afgevoerd. Op het moment dat een waterzuiveraar extra kosten moet maken voor zuivering van het afvalwater van een bedrijf, dan kan een waterzuiveraar de extra kosten in rekening brengen bij dat bedrijf. Los daarvan draaien bedrijven zelf op voor de kosten die ze moeten maken om hun lozingen zoveel als mogelijk te minimaliseren, hetgeen vereist is om voor de (rest)lozingen vergunning te kunnen verkrijgen.
Indien er sprake is van een illegale lozing, en daaruit ontstaat schade, dan kan degene bij wie de schade veroorzaakt wordt, de schade verhalen bij degene die dat veroorzaakt of kan deze eisen dat de schade wordt opgeruimd door de veroorzaker. Gebruikmaking van de daartoe bestaande civielrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er kan nu geen inschatting gemaakt worden of en zo ja welke extra maatschappelijke kosten aan de orde zijn in de situaties zoals geschetst in de vraag.
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Het streven is om ZZS zoals PFAS uit de leefomgeving te weren. De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen regels aan emissies van ZZS die kunnen vrijkomen bij bedrijfsmatige activiteiten. Bedrijven moeten emissies van PFAS zoveel mogelijk voorkomen. Als dat niet mogelijk is, moeten zij deze emissies tot een minimum beperken. Deze verplichting geldt ook voor bedrijven aan het einde van de keten. Het is aan het bevoegd gezag om deze regels toe te passen in een specifieke situatie in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Bedrijven kunnen informatie over de algemene regels vinden via het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en hun omgevingsdienst.
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking te voorkomen?
Vergunningverlening vindt plaats op basis van de geldende wet- en regelgeving en een individuele beoordeling van de specifieke situatie. Een verleende vergunning schept daarmee geen precedent voor toekomstige vergunningaanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk getoetst aan de op dat moment geldende feitelijke situatie, zoals de toestand van het ontvangende waterlichaam, de stoffen of de hoeveelheden.
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid, zwaarder te laten wegen?
De Omgevingswet biedt op zichzelf geen fundamenteel nieuw of ruimer beoordelingskader voor vergunningverlening ten opzichte van het eerdere stelsel, maar brengt de bestaande mogelijkheden voor het integraal afwegen van belangen samen en verduidelijkt deze.
Binnen de geldende wet- en regelgeving kan het bevoegd gezag maatschappelijke belangen, zoals de bescherming van de waterkwaliteit en de gezondheid van mensen, betrekken bij vergunningverlening, waaronder de toepassing van het voorzorgsbeginsel. In de voortgangsbrief Industrie en Omwonenden van april 2025 zijn verschillende concrete sporen benoemd om de bevoegd gezagen hierin te ondersteunen4.
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling van de vergunningaanvraag vindt plaats binnen de strikte grenzen van het geldende wettelijke kader. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, wordt daarbij via de wettelijke toetsingscriteria ook beoordeeld of de bescherming van functies zoals drinkwater voldoende is geborgd. Als uit die toetsing volgt dat aan alle eisen wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Het is aan de rechter om in het kader van een tegen de vergunning ingesteld beroep te beoordelen of deze toetsing op juridisch juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft als onafhankelijk toezichthouder haar bevindingen en aandachtspunten naar voren gebracht. Deze signalen komen voort uit de terechte zorg dat er teveel PFAS in de leefomgeving aanwezig is. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat emissies van PFAS zoveel als mogelijk moeten worden voorkomen en waar dat niet kan tot een minimum moeten worden beperkt.
Het is echter niet aan het ministerie om een inhoudelijk oordeel te vellen over de beoordeling van een individuele vergunning of om te bepalen welk advies doorslaggevend is. De provincie Limburg is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de vergunningverlening en dient daarbij te handelen binnen het geldende wettelijke kader. Op dit moment verloopt dit proces zorgvuldig en binnen dat kader. De provincie betrekt de signalen van de ILT, net als die van andere betrokken partijen, bij de verdere beoordeling en weegt deze mee bij het definitieve besluit.
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu3? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
In de evaluatie van het ZZS-beleid die in 2021–2022 heeft plaatsgevonden, is een aantal problemen in de uitwerking van dit beleid naar voren gekomen6. Mede in reactie hierop is het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023–2026 opgezet7. In dit programma wordt samen met andere overheden en het bedrijfsleven gewerkt aan verduidelijking van bepalingen en verbetering van de uitvoering op verschillende onderwerpen. Concreet werkt men aan de Uitvoeringstafels, waar bevoegde gezagen, Omgevingsdiensten, brancheverenigingen en ILT gezamenlijk aan tafel zitten, en werken aan concrete oplossingen voor knelpunten in de praktijk. Hierbij is dus niet alleen het Ministerie van IenW aan zet, maar ook de andere betrokken partijen zetten zich in voor hun deel van de oplossing. Er zijn onder andere Uitvoeringstafels voor de onderwerpen: «PFAS als ZZS» en de «Vermijdings- en ReductieProgramma’s (VRP’s)», De resultaten worden in 2026 opgeleverd. Sinds de start van dit programma is de Kamer geregeld geïnformeerd over de voortgang van dit programma, meest recent in de brief van 22 september jl.8
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water, milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a. milieu en water om in te grijpen?
De uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving is in dit geval belegd bij de provincie als bevoegd gezag. Dit is conform het uitgangspunt «decentraal, tenzij» dat ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Het is dus niet juist dat de Rijksoverheid als «hogere overheid» eindverantwoordelijk is. Alleen als het met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer noodzakelijk is, kan de Minister van IenW, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, van de Omgevingswet, in het uiterste geval gebruik maken van de instructiebevoegdheid over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer op grond van artikel 2.34 van de Omgevingswet. Dat is echter geen instrument dat lichtvaardig wordt ingezet.
Bij taakverwaarlozing bestaat er op grond van artikel 261 van de Provinciewet ook de mogelijkheid om via interbestuurlijk toezicht in te grijpen door het vernietigen of schorsen van een provinciaal besluit. Dit instrument van interbestuurlijk toezicht is uitdrukkelijk als ultimum remedium bedoeld en kan dus eveneens niet lichtvaardig worden ingezet. Vooralsnog is er geen enkele aanleiding om van deze theoretische wettelijke mogelijkheden gebruik te maken. De reguliere weg om te beoordelen of de vergunning is verleend in overeenstemming met de daaraan gestelde wettelijke vereisten is de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de bestuursrechter.
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal lozingsverbod?
De verantwoordelijkheden in keten zijn al duidelijk belegd, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7. De verschillende bevoegd gezagen dienen de bestaande wettelijke kaders toe te passen in de vergunningverlening. Het is met vergunningverlening juridisch niet mogelijk om vooruit te lopen op wetgeving die er nu nog niet is.
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit precies verwachten?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vorige vragen moet een bevoegd gezag bij een individuele vergunningaanvraag werken binnen de huidige wettelijke kaders. Deze zijn, zoals alle wetgeving, gebaseerd op algemene principes zoals rechtszekerheid en proportionaliteit. De uitkomst in specifieke gevallen geeft niet altijd voor alle partijen een bevredigend resultaat. Daarom is er de mogelijkheid tot bezwaar bij bevoegd gezag en beroep bij de rechter.
De vraag die deze vergunningsaanvraag – en vergelijkbare andere aanvragen – oproept is natuurlijk of het niet mogelijk is de lozing van stoffen zoals PFAS verder te beperken of wellicht te verbieden. Dit vraagt om aanpassing van de regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van juni 20259 is dit niet eenvoudig omdat PFAS alomtegenwoordig in het leefmilieu aanwezig zijn. Een verbod of drastische aanscherping van de normen leidt dan snel tot praktische problemen met mogelijk grote maatschappelijke consequenties. Dit vraagt om zorgvuldig handelen. Zoals toegezegd worden de mogelijkheden van een gedeeltelijk lozingsverbod nader verkend. Hierover wordt u dit voorjaar nader geïnformeerd.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Beantwoording voor het Kerstreces is helaas niet haalbaar gebleken.
Het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024?1
Ja.
Erkent u de conclusie dat de hoogste normoverschrijdingen in het grondwater worden gevonden bij bestrijdingsmiddelen en PFAS? Zo nee, op welke wetenschappelijke consensus baseert u zich dan (graag bronvermelding gebruiken)?
Het Arcadis-rapport geeft informatie over verschillende groepen stoffen. Figuur 0–1 in het rapport geeft o.a. aan dat de hoogste overschrijdingen van de gehanteerde normen of signaleringswaarden worden aangetroffen in de groep «overige verontreinigende stoffen».
Dat neemt niet weg dat de gerapporteerde informatie over de aanwezigheid en normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen én biociden) en PFAS zorgelijk is. Binnen de EU is overeenstemming bereikt over de aanpassing van de Richtlijn prioritaire stoffen, de Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn water (KRW). Afronding van de besluitvorming hierover is rond april dit jaar voorzien. Hiermee ontstaat ook duidelijkheid over de normen die voor dit soort stoffen moeten worden gehanteerd voor het vaststellen van normoverschrijdingen.
Naar aanleiding hiervan zal de Kamer nader geïnformeerd worden over de wijze waarop met provincies, drinkwaterbedrijven en waterschappen op een onderling afgestemde eenduidige wijze gerapporteerd kan worden over kwaliteit van grondwater. Dit is in lijn met acties uit het advies van de Studiegroep grondwater (Kamerstukken 27 625, nr. 594) over monitoring van grondwaterkwaliteit: actie 7A, «stem de bestaande grondwatermeetnetten beter op elkaar af zodat verontreiniging en toestand en trends daarvan eenduidig kunnen worden vastgesteld», actie 7B, «meet in het ondiepe grondwater om snel problemen te signaleren» en actie 7C, «Ontwikkel een indicator voor vergrijzing (mengseltoxiciteit»). Uitvoering van deze 3 acties is momenteel lopende en uitkomsten hiervan worden in de loop van dit jaar besproken met IPO, Unie van Waterschappen, VNG en de Vewin in het Bestuurlijk Overleg Water.
Bij het beoordelen van de gerapporteerde gegevens over gewasbeschermingsmiddelen moet ook in overweging genomen worden dat een aantal genoemde werkzame stoffen waarvan metabolieten/afbraakproducten zijn aangetroffen, niet meer toegelaten is. Er zijn dus al maatregelen getroffen om verdere verontreiniging te voorkomen. In het kader van het Uitvoeringsprogramma van de toekomstvisie gewasbescherming 2030 is met vertegenwoordigers van provincies, drinkwaterbedrijven, LTO, Croplife NL, Ctgb, LVVN en IenW een traject gestart om gezamenlijk de opgaven en oplossingen voor verbetering van grondwaterkwaliteit in beeld te brengen. Daarbij wordt ook vastgesteld welke in grondwater aangetroffen stoffen, of metabolieten daarvan, nog een toelating hebben en in hoeverre het al bestaande beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal leiden tot het terugdringen van normoverschrijdingen. Hierbij wordt ook vastgesteld of in het grondwater aangetroffen stoffen uitsluitend afkomstig zijn van gebruik als gewasbeschermingsmiddel of ook nog een ander gebruik als oorsprong hebben.
Bent u het ermee eens dat het vervuilen van grondwater een ernstige bedreiging vormt voor de drinkwatervoorziening en de natuur? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Vervuiling van grondwater in gebieden waar dat gebruikt wordt voor winning van drinkwater moet zo veel mogelijk voorkomen worden. De gegevens van dit rapport betreffen provinciale meetnetten. Meetpunten van de provincies liggen doorgaans niet in grondwaterbeschermingsgebieden waar grondwater onttrokken wordt voor drinkwaterproductie.
Voor de beoordeling van de bedreiging van drinkwaterbronnen wordt gewezen op het binnenkort te verschijnen rapport over «early warning monitoring» in grondwaterbeschermingsgebieden die vallen binnen het leveringsgebied van het drinkwaterbedrijf Vitens. Dit rapport wordt ook betrokken bij het afwegen van beleid voor bescherming van drinkwaterbronnen en de eventuele uitbreiding van drinkwaterwinningen buiten de nu bestaande grondwaterbeschermingsgebieden. Zie ook het antwoord op vraag 21.
Met betrekking tot het deel van de vraag over natuur: ter uitvoering van het «Verbeterprogramma Vogel- en Habitatrichtlijn» is door de grondwaterbeheerders overleg gestart met de uitvoeringsorganisatie BIJ12 die dit verbeterprogramma uitvoert.
Welke effecten heeft de normoverschrijding, de aanwezigheid en de stapeling van schadelijke stoffen in ons milieu en voedsel mogelijk op de gezondheid van mensen, op korte en lange termijn en vindt u deze effecten verantwoord?
We weten dat PFAS schadelijke effecten kunnen hebben op de gezondheid van mensen. Of PFAS daadwerkelijk gezondheidseffecten geven, hangt onder andere af van hoeveel PFAS mensen binnen krijgen over de tijd. Mensen in Nederland krijgen te veel PFAS binnen via voedsel en drinkwater, heeft eerder onderzoek van het RIVM uitgewezen2. Dit vindt het kabinet een onwenselijke situatie en daarom wordt ingezet op vermindering van PFAS via vier sporen:
Om de gezondheid van mensen te beschermen zijn PFAS en andere chemische stoffen genormeerd in het Drinkwaterbesluit. Voor PFAS is dat een norm van 100 nanogram per liter (ng/l) voor 20 PFAS, die sinds 12 januari 2026 van kracht is in het Drinkwaterbesluit. Binnen de EU is de afweging van een aanscherping van deze norm nog gaande. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) werkt op verzoek van de Europese Commissie aan een advies over de blootstelling aan PFAS. Voor meer informatie zie ook de Kamerbrief over PFAS van 21 juli 20253.
De Europese contaminantenwetgeving4 bepaalt de maximumgehalten aan ongewenste stoffen in levensmiddelen, zoals mycotoxinen, zware metalen, dioxines, PFAS en nitraten, om de volksgezondheid te beschermen.
Kunt u in euro's een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die deze schadelijke stoffen en normoverschrijdingen veroorzaken? Zo nee, kunt u die zo snel mogelijk in kaart laten brengen?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in juni 2025 het rapport «Actualisering monetaire milieuschade» gepubliceerd»5. In dit rapport heeft het PBL op eigen initiatief berekend dat de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in 2022 voor € 46 miljard schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van mens en natuur in Nederland. Het PBL is in de berekening uitgegaan van een conservatieve schatting. Voor veel milieugevaarlijke stoffen bestaat nog onvoldoende kennis over de omvang van de emissies, de verspreiding door het milieu of de effecten op menselijke gezondheid en ecosystemen om de monetaire milieuschade te kunnen berekenen. Daarnaast is ook de waardering van de milieuschade aan onzekerheid onderhevig. In dit onderzoek concludeert het PBL dat het nog niet mogelijk is om voor bepaalde moeilijk of niet-afbreekbare stoffen, zoals PFAS, milieuschade te berekenen, omdat daarvoor geen milieuprijzen bekend zijn. De broeikasgassen CO2, methaan en N2O zorgen voor iets meer dan de helft van de berekende schade. Luchtverontreinigende stoffen die onder de Europese NEC-richtlijn vallen (NOx, ammoniak, zwaveldioxide, fijnstof en NMVOS) veroorzaken bijna alle overige schade. Andere schadelijke stoffen, waarvan de emissies meestal veel lager liggen, zorgen voor de resterende twee procent van de schade, aldus het PBL. Deze cijfers zijn in lijn met de conclusie van het in 2023 mede door Nederland ingediende voorstel voor een brede Europese PFAS-restrictie waarin is vastgesteld dat de sociaaleconomische lasten van het gebruik van PFAS groter zijn dan de baten.
Hoe beoordeelt u het feit dat in 96% van het ondiepe grondwater één of meerdere milieuvreemde stoffen worden aangetroffen, waarbij in 85% van de gevallen PFAS, en waarvan 70% de gehanteerde normen (vaak fors) overschrijdt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorgen uit het rapport, wanneer hierin gesproken wordt over «zorgwekkend hoge percentages van normoverschrijdingen in het diepere grondwater» als «een bedreiging voor de bereiding van drinkwater uit grondwater op basis van eenvoudige zuivering»?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wat zegt dit alles volgens u over de effectiviteit van het huidige PFAS-beleid?
Het kabinet zet in op vermindering van PFAS via vier sporen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4. Deze sporen vormen een totaalaanpak die moet leiden tot een sterke vermindering van PFAS in onze leefomgeving. Dat betekent helaas niet dat PFAS per direct een halt toegeroepen kunnen worden. Het zijn persistente stoffen die soms al decennia geleden in ons milieu terecht gekomen zijn en daar niet of nauwelijks afbreken. Een belangrijk deel van de problemen nu wordt veroorzaakt door de historische vervuiling. Ook wordt er op dit moment nog volop PFAS-houdende producten gebruikt. Met het onder vraag 4 genoemde voorstel voor een Europese restrictie willen we dat gebruik zo ver mogelijk terugdringen.
Ziet u voor de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en milieu en voor het blijven garanderen van schoon drinkwater reden voor meer snelheid en actie om PFAS en andere schadelijke stoffen beter aan te pakken? Zo ja, wat gaat u dan concreet doen op korte termijn en welke tijdlijn hoort daarbij? Zo nee, waarom niet?
Het aanpakken van PFAS is een prioriteit van het kabinet, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4, en er worden dan ook volop acties op ingezet. Zo is Nederland een van de initiatiefnemers voor het voorstel voor de Europese restrictie op PFAS en zijn eind 2024 alle PFAS aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stoffen, waarvoor een minimalisatieplicht geldt. Ook worden decentrale overheden ondersteund bij het aanpakken van met PFAS verontreinigde grond via een specifieke uitkering (SPUK Bodem).
Over de voortgang van het onderzoeksprogramma PFAS is de Kamer onlangs geïnformeerd (Kamerstukken 35 334, nr. 421). Op de website https://www.rivm.nl/pfas/onderzoeksprogramma wordt per thema een overzicht gegeven van alle lopende en geplande onderzoeken uit het onderzoeksprogramma. Daarnaast wordt gewezen op de Kamerbrief van 21 juli 2025 met als onderwerp «Problematiek rondom stikstof en PFAS» (Kamerstukken 35 334, nr. 407) die onder punt 5 specifiek in gaat op het onderwerp «PFAS in drinkwater».
Wat gaat u eraan doen om de hoeveelheid schadelijke stoffen minstens terug te brengen onder de normen? Welk tijdpad hoort daarbij?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 5, 8 en 9.
Wat gaat u op korte termijn concreet doen om richting burgers de transparantie te vergroten over deze schadelijke stoffen en de aanwezigheid daarvan in producten/middelen en uiteindelijk onze leefomgeving? Welk tijdpad hoort daarbij?
Het kabinet heeft zich ingezet voor en blijft inzetten op transparante communicatie richting burgers over schadelijke stoffen en de aanwezigheid van deze stoffen in producten/middelen. Dit wordt onder andere gedaan via de website van het RIVM. Hier bevindt zich ook een PFAS «landingspagina», waar algemene informatie wordt gegeven over PFAS, het gebruik ervan, de effecten en de aanwezigheid van PFAS in de mens en het milieu. Ook over andere stoffen is informatie te vinden bij het RIVM, zoals via de website Risico's van stoffen van het RIVM6.
Daarnaast wordt via de website https://waarzitwatin.nl/ informatie gegeven over chemische stoffen, waaronder PFAS, en de aanwezigheid van chemische stoffen in producten en middelen. Dit is een website gericht op consumenten, waarbij per productgroep de mogelijkheid voor de aanwezigheid van (schadelijke) chemische stoffen in het product en de mogelijke risico’s hiervan worden besproken in begrijpelijke taal. Op de website van MilieuCentraal is informatie te vinden over bestrijdingsmiddelen7. Al deze genoemde websites worden regelmatig bijgewerkt wanneer nieuwe relevante informatie beschikbaar is gekomen.
Industriële bedrijven zijn verplicht om de uitstoot van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) naar lucht en water minimaal eenmaal per vijf jaar te rapporteren aan het Bevoegd Gezag. Sinds 1 januari 2025 is het verplicht om deze rapportage te doen via de ZZS-emissiedatabase. De informatie hieruit zal te zijner tijd actief openbaar worden gemaakt na de evaluatie van deze database die gepland staat voor 2026.
Deelt u de zorg dat bestrijdingsmiddelen en PFAS ook in 18% van diepere grondwaterlagen worden teruggevonden, waar drinkwater wordt gewonnen? Welke risico’s ziet u hiervoor op de langere termijn voor de gezondheid, de natuur en het milieu en waar baseert u uw inzichten precies op (graag bronnen vermelden)?
Zie de antwoorden op vragen 3 en 4.
Waarom lukt het ondanks bestaande regelgeving nog steeds niet om normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen terug te dringen? Waar schiet het beleid tekort, wat gaat u precies beter doen en wanneer gaat u dat doen?
Dat de toelating van een aantal eerder als gewasbeschermingsmiddel toegelaten stoffen, veelal herbiciden/onkruidbestrijdingsmiddelen, is ingetrokken duidt erop dat het toelatingsbeleid zijn uitwerking heeft. Zoals in de antwoorden op vraag 2 en 3 is aangegeven wordt momenteel met betrokken partijen in beeld gebracht welke opgaven resteren en of het bestaande beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen naar verwachting ook volstaat om verdere achteruitgang van grondwaterkwaliteit (ook wel vergrijzing genoemd) en normoverschrijdingen te voorkomen. Hierbij wordt ook in beeld gebracht hoe aan de hand van monitoringsresultaten van grondwater eerder kan worden vastgesteld of een herbeoordeling nodig is om normoverschrijdingen te voorkomen.
Kunt u een uitputtende opsomming geven van alle aanbevelingen en conclusies uit onafhankelijke evaluaties die het ministerie in het verleden heeft ontvangen als het gaat om beleid met betrekking tot bestrijdingsmiddelen? Kunt u daarbij per punt aangeven wat u er wel of niet mee heeft gedaan?
Verwezen wordt o.a. naar de Tussenevaluatie van de Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst met de titel «Geïntegreerde gewasbescherming nader beschouwd»8 (Kamerstukken 27 858, nr. 478) en het koepelrapport van de Tussenevaluatie van de KRW (Kamerstukken 27 625, nr. 696).
Daarnaast heeft de Kamer via een brief van de Minister van LVVN en de Staatssecretaris van IenW de evaluatie van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ontvangen (Kamerstukken 35 756, nr. 29).
Met een brief van de Minister van LVVN ontving de Kamer recent de evaluatie van het Nationaal actieplan dat voor implementatie de Richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden is opgesteld (Kamerstukken 27 858, Nr. 741). De duiding van deze evaluaties geeft aan wat er met de aanbevelingen wordt gedaan.
Heeft u ook gelezen dat het rapport ook concludeert dat op grond van de grote verschillen in percentages van normoverschrijdingen tussen enerzijds medische stoffen en anderzijds bestrijdingsmiddelen en PFAS het voor de hand ligt om ter verbetering van de grondwaterkwaliteit het accent te leggen op maatregelen gericht op bestrijdingsmiddelen en PFAS? Erkent u die feiten en welke acties verbindt u aan die conclusie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het, gezien die feiten, duidelijk onwenselijk is dat bestrijdingsmiddelen met PFAS worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wordt verwezen naar de antwoorden van de Minister LVVN op de Kamervragen die het lid Bromet eerder over dit onderwerp heeft gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 203) en naar de appreciatie van de verworpen motie van het lid Bromet om in navolging van Denenmarken PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te verbieden (Kamerstukken 27 585, nr. 725).
Ook is van belang dat het Ctgb op 18 december 2025 publiek heeft gemaakt dat naar aanleiding van het besluit van de Deense toelatingsautoriteit, in Nederland 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS bevatten tussentijds opnieuw beoordeeld zullen worden. Net als Noorwegen en Zweden, die ook voor herbeoordeling kozen, wil het Ctgb daarover uiterlijk op 30 april 2028 alle besluiten nemen9. Het Ctgb heeft per brief de Ministers van LVVN en IenW geïnformeerd over de stappen die volgens artikel 44 van de EU-Verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn om juridisch houdbaar robuuste bescherming van het grondwater te kunnen waarborgen. De Minister van LVVN heeft de Kamer deze brief op 19 januari jl. toegezonden (bijlage bij Kamerstukken 27 858, nr. 739).
Het Ctgb constateert dat de herbeoordeling mogelijk grote gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland en adviseert het Rijk o.a. om een impactanalyse te laten uitvoeren en alternatieven te inventariseren voor middelen die mogelijk wegvallen. De Minister LVVN heeft de WUR gevraagd deze impactanalyse uit te voeren en de uitkomsten daarvan worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Erkent u – tegen de achtergrond dat Nederland in Europa de officiële positie heeft dat we snel een verbod op PFAS willen, juist omdat het onwenselijk is dat het overal in ons milieu en lichaam terecht komt – dat door het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen alsnog PFAS overal in onze bodem, milieu en lichaam terecht kan komen? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Ja. Mede om die reden loopt op dit moment zowel Europees als nationaal een herbeoordeling van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een PFAS als werkzame stof. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Hoe beoordeelt u het risico voor de gezondheid van mens en dier, als PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen steeds in ons voedsel terechtkomen en zo schadelijke stoffen zich in ons lichaam opstapelen, ook gezien het feit dat de meeste Nederlanders nu al te veel PFAS in hun bloed hebben?
Het is bekend dat de blootstelling aan PFAS via voedsel en het drinkwater boven de gezondheidskundige grenswaarde ligt.10 Dat betekent dat effecten van PFAS op het immuunsysteem niet uit te sluiten zijn. Met het PFAS-programma wordt beoogd de blootstelling aan PFAS te verminderen. Naar aanleiding van Deens onderzoek, dat laat zien dat verschillende PFAS stoffen afbreken tot TFA en in het grondwater komen, heeft het Ctgb besloten 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS bevatten tussentijds opnieuw te gaan beoordelen. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Kunt u uitleggen waarom PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen (PFAS-pesticiden) nog altijd op de markt mogen blijven, terwijl bekend is dat PFAS persistent, toxisch en nauwelijks afbreekbaar zijn?
Zie antwoorden op de vragen 16, 17 en 18.
Bent u als eindverantwoordelijke voor gezondheid bereid om ook voor een verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te pleiten, naar voorbeeld van landen als Denemarken? Zo nee, waarom kan Denemarken het wel en waarom beschermt u de gezondheid van onze burgers niet?
Nee. Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 16, 17 en 18 gaat het Ctgb 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS als werkzame stof bevatten tussentijds opnieuw beoordelen. Het Ctgb gebruikt de nieuwe gegevens over de vorming van TFA en het Nederlandse grondwatermodel om te bepalen of de betreffende middelen ook hier leiden tot overschrijding van de grondwaternorm. In dat geval voldoen de middelen niet meer aan de toelatingscriteria en moeten toelatingen worden gewijzigd of worden ingetrokken. PFAS kan in een bestrijdingsmiddel (gewasbeschermingsmiddelen en biociden) zitten als werkzame stof of als hulpstof. De eerste groep is uitgesloten van de brede Europese PFAS restrictie, de tweede groep gaat wel vallen onder deze restrictie.
Bent u bereid het gebruik van bestrijdingsmiddelen waar PFAS in zitten op zijn minst te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden?
Dit wordt verder afgewogen bij de uitvoering van de motie-Tjeerd de Groot (Kamerstukken 27 858, nr. 587) die oproept om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden te stoppen. Aangezien dit rapport aantoont dat in grondwater aangetroffen stoffen vooral onkruidbestrijdingsmiddelen of metabolieten van deze middelen betreffen, behoeft juist de onkruidbestrijding in grondwaterbeschermingsgebieden specifieke aandacht bij de uitvoering van deze motie. De Kamer wordt specifiek geïnformeerd over de uitvoering van deze motie. Hierbij worden zo mogelijk ook de uitkomsten van de in het leveringsgebied van het drinkwaterbedrijf Vitens uitgevoerde early warning monitoring betrokken (zie het antwoord op vraag 3).
Hoe waarborgt u dat Nederland gaat voldoen aan de KRW-doelen, nu Europa hierin naar alle waarschijnlijkheid ook PFAS-grensnormen gaat opnemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Daarnaast wordt er voor de goede orde gewezen op dat het onder de verantwoordelijkheid van de provincies opgestelde rapport het volgende aangeeft: «Dit rapport is geen Kaderrichtlijn water (KRW)-rapportage», maar deze rapportage heeft een «early warning» functie». Zo zal het ook benut worden voor de bestuurlijke dialoog over het behalen van KRW-doelen die o.a. met de provincies in het Bestuurlijk Overleg KRW gevoerd wordt.
Bent u bereid om de monitoring van PFAS en bestrijdingsmiddelen uit te breiden, zoals aanbevolen in het rapport? Zo nee, waarom niet?
De provincies en drinkwaterbedrijven zijn als eerste verantwoordelijk voor monitoring van grondwaterkwaliteit en het is aan hen om hierin een afweging te maken. Dit in afstemming met het ministerie IenW in het kader van de in het antwoord op vraag 2 benoemde uitwerking van de acties 7A, 7B en 7C uit het advies van de Studiegroep grondwater. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om – gezien het feit dat bij meerdere bedrijven is geconstateerd dat ze goochelen met uitstootcijfers en informatie achterhouden (zoals bij CFS) – meer regie te nemen en meer in te zetten op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken, zodat de controle hierop en de toegang tot wat in de omgeving aan stoffen wordt uitgestoten verbeterd wordt en minder afhankelijk is van bedrijven (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)?
Op dit moment is er geen aanleiding voor meer regie op het toezicht op afvalwaterlozingen zoals bij het bedrijf CFS. In het geval van afvalwaterlozingen hebben bedrijven monitoring- en rapportageverplichtingen, en doet het bevoegd gezag onafhankelijke controles hierop.
Bedrijven zijn verplicht hun lozingen te meten, te registreren en te rapporteren conform de vergunningsvoorschriften. Deze gegevens vormen een belangrijk onderdeel van het toezicht, maar staan niet op zichzelf. Waterbeheerders, zoals waterschappen en Rijkswaterstaat, voeren daarnaast eigen metingen uit. Deze metingen vormen, in samenhang met de bedrijfseigen cijfers, de basis voor de controle op de naleving van vergunningen. Deze onafhankelijke controles bieden een noodzakelijke en structurele borging van de juistheid van de emissiedata en verkleinen de afhankelijkheid van bedrijfsrapportages.
Waar signalen daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag aanvullende metingen uitvoeren of specifieke meetverplichtingen opleggen. Ook wordt bij vergunningverlening en actualisatie steeds bezien of de voorgeschreven monitoring passend is bij de risico’s voor de waterkwaliteit, met bijzondere aandacht voor prioritaire en zeer zorgwekkende stoffen. Ik zie daarom op dit moment geen aanleiding voor meer regie in de gekozen systematiek voor afvalwaterlozingen.
Wanneer wordt aan de toezegging voldaan, inclusief de beloofde vervolgstappen, zoals geuit in de Voortgangsbrief Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089, nr. 335) dat eind dit jaar alle onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het rapport en actieagenda Industrie en Omwonenden integraal zouden worden gewogen en gedeeld met de Kamer, samen met een tijdpad van mogelijke
Hier is aan voldaan met de Kamerbrief «Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden» gepubliceerd op 19 december 2025 (Kamerstukken 28 089, nr. 346). De onderzoeksuitkomsten zijn als bijlage bij de genoemde Kamerbrief gevoegd en de vervolgacties worden in de Kamerbrief toegelicht.
acties die hieruit voortvloeien?
Vanwege de benodigde afstemming tussen de ministeries van IenW, VWS en LVVN was het niet mogelijk om deze vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden. De Kamer heeft hierover een uitstelbrief ontvangen.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
Het doodschieten van een wolf. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wat ging er door u heen toen u kennisnam van het bericht van provincie Utrecht dat op de Utrechtse Heuvelrug een wolf is doodgeschoten?1
Van de provincie Utrecht heb ik vernomen dat de houder van de afschotvergunning voor probleemwolf GW3237m de provincie heeft geïnformeerd dat er een wolf is afgeschoten op de Utrechtse Heuvelrug, waarvan werd aangenomen dat het probleemwolf GW3237m was. Ik ben blij dat de provincie en houder van de afschotvergunning adequaat hebben kunnen optreden, omdat er grote zorgen leefden in de omgeving over deze probleemwolf.
Kunt u bevestigen dat de jager op het moment van schieten niet met zekerheid kon vaststellen of het om wolf Bram, het dier waarvoor een afschotvergunning is verleend, ging?
Of het hier de probleemwolf GW3237m betrof moest DNA-onderzoek uitwijzen. Op 12 december jongstleden werd bevestigd dat het hier inderdaad probleemwolf GW3237m betrof.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om een beschermd dier te doden wanneer op het moment van schieten onduidelijk is of voor dat specifieke dier een afschotvergunning is afgegeven? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat beschermde dieren onnodig worden gedood?
Het doden van een wolf is door de wijziging van de beschermingsstatus onder de Habitatrichtlijn in Nederland niet langer vergunningplichtig. Om het doden van een wolf weer vergunningplichtig te maken, is nodig dat het ontwerp-Besluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en goudjakhals van kracht wordt. De behandeling in uw Kamer van het voorgehangen ontwerpbesluit is evenwel nog niet afgerond, nu uw Kamer op 18 juni 2025 heeft verzocht ter zake geen onomkeerbare stappen te zetten (Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 295).
Het doden van een wolf kan in strijd zijn met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan provincies om erop toe te zien en eventueel bij maatwerkvoorschrift te verzekeren dat binnen de kaders van de specifieke zorgplicht wordt gehandeld. Dit betekent dat alle zorgvuldigheid in acht moet worden genomen om te voorkomen dat een wolf wordt gedood waarvoor dat niet gerechtvaardigd is. Voor de volledigheid deel ik u mee dat de afschotvergunning betreffende wolf GW3237m is afgegeven onder het eerdere beschermingsregime voor wolven.
Welke sancties staan op het doden van beschermde wolven, waarvoor geen afschotvergunning is verleend?
Handelen in strijd met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving – dat zijn grondslag vindt in artikel 4.3 van de Omgevingswet – kan een strafbaar feit opleveren op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet economische delicten. Als sprake is van opzettelijk handelen dan geldt het strafbaar feit als een misdrijf en kan een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Is geen sprake van opzet, dan geldt het strafbaar feit als een overtreding waarvoor hechtenis van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Verwezen wordt naar de artikelen 2 en 6 van de Wet economische delicten.
Kunt u bevestigen dat handhavend zal worden opgetreden, omdat op het moment van schieten onduidelijk was of voor de wolf een afschotvergunning is verleend? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hierover navraag gedaan bij de provincie Utrecht. De provincie Utrecht geeft aan dat voor wolf GW3237m een afschotvergunning is verleend. De provincie Utrecht geeft aan dat er op dit moment geen aanleiding is tot handhaving.
Kunt u bevestigen dat tevens handhavend zal worden opgetreden als blijkt dat niet wolf Bram, maar een andere wolf is doodgeschoten? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt dit met de wet?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 5.
Bent u bereid om provincie Gelderland per direct op te roepen om de afschotvergunning voor wolf Hubertus in te trekken om te voorkomen dat meer wolven worden doodgeschoten, terwijl blijkbaar niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om het juiste dier gaat? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid ligt hier bij gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, niet bij mij. Ik kan en ga mij niet mengen in de bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. En ik doe er alles aan om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en om te verzekeren dat – als deze zich toch voordoen – er daadkrachtig kan worden opgetreden. Daar strekt ook het in het antwoord op vraag 3 genoemde ontwerpbesluit toe, dat voor de zomer 2025 bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is voorgehangen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is helaas niet binnen één week gelukt.