Het bericht ‘Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: «Mensen smeken erom dood te mogen gaan»»?1
Ja.
Hoeveel zorgbehoevende ouderen wonen er op dit moment nog in De Steeg?
Voor zover bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bekend, verblijven er op dit moment nog zes ouderen in De Steeg.
Vindt u het verantwoord dat zorgbehoevende ouderen daar op dit moment nog verblijven? Hoe garandeert u de veiligheid van en goede zorg aan deze bewoners?
Derman woonzorg is verantwoordelijk om de wet- en regelgeving na te leven en bewoners goed te verzorgen. Momenteel doen twee toezichthouders onderzoek, ik wacht de conclusies van de IGJ af voordat ik verdere maatregelen neem. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en de Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede en veilige zorg.
Hoe kan het dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nooit is ingegrepen? Is hier sprake van incidenteel falen of van systeemfalen? Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rol van alle betrokken instanties en de uitkomsten met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer leveren de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hun onderzoek op?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Het rapport van het laatste toezichtbezoek zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd.
Onderzoeken de Arbeidsinspectie en de IGJ ook alle andere activiteiten van Derman Zorg? Zo nee, bent u bereid hen een aanwijzing te geven tot diepgaand onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht van de IGJ en de Arbeidsinspectie beslaat tezamen alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg van deze zorgaanbieder. Ik zie daarom geen aanleiding om een aanwijzing te geven.
Bent u bereid in te zetten op verscherpt toezicht op zorginstellingen en zorgorganisaties met een verhoogd risico op een zwijgcultuur? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De beslissing om in deze casus al dan niet verscherpt toezicht in te zetten is aan de IGJ als onafhankelijke toezichthouder. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Een verscherpt toezicht behoort daarbij tot de mogelijkheden. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid
Bent u bereid aan te sturen op het direct sluiten van die verpleeghuis en het elders onderbrengen van de zorgbehoevende ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg. Zij doen onderzoek naar Derman woonzorg en zetten op basis daarvan passende toezichtsmaatregelen in. Het rapport van het laatste toezichtbezoek door de IGJ zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd. Ik wacht de conclusies van de IGJ af.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
Vrijwillige inzet |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de passage uit het coalitieakkoord die spreekt over de onbetaalbare inzet van vrijwilligers waar een zorgzame samenleving niet zonder kan?
Ja.
Klopt het dat er in het coalitieakkoord geen concrete voorstellen staan om vrijwillige inzet te versterken?
Ja, dat klopt. Het kabinet zet in op vrijwilligerswerk via bestaande aanpakken en inzet van reeds beschikbare middelen
Kent u de signalen van maatschappelijke organisaties dat zij een meerjarig perspectief missen om hun activiteiten rond vrijwillige inzet vorm te geven, maar in plaats daarvan vrijwel jaarlijks bezig zijn om middelen te vinden voor hun activiteiten?
Ja, ik ben met de signalen van maatschappelijke organisaties bekend dat zij een meerjarig perspectief missen om hun activiteiten rond vrijwillige inzet vorm te geven. Daarom verstrekt het Ministerie van VWS onder andere meerjarige subsidies aan organisaties in het maatschappelijk veld zodat zij hun inzet duurzaam kunnen versterken, zoals aan het programma Samen Ouder Worden van Vereniging VrijwilligerswerkNL.
Deelt u de mening dat vrijwillige inzet de weerbaarheid van de samenleving versterkt en dat dit met het oog op internationale dreigingen harder nodig is dan ooit? Kunt u toelichten op welke manieren u ziet dat vrijwillige inzet de weerbaarheid van de samenleving versterkt?
Ja, die mening deel ik. Vrijwillige inzet draagt in belangrijke mate bij aan de weerbaarheid van de samenleving. Vrijwilligers versterken de onderlinge verbondenheid tussen mensen en vergroten het sociaal netwerk in buurten en gemeenschappen. Dit stelt samenlevingen beter in staat om met crises om te gaan.
Daarnaast leveren vrijwilligers een praktische bijdrage aan maatschappelijke voorzieningen, bijvoorbeeld in de zorg, bij hulpdiensten en in buurtinitiatieven. Daarmee vergroten zij de capaciteit en flexibiliteit van organisaties wanneer extra inzet nodig is. Tot slot bevordert vrijwillige inzet de zelfredzaamheid en betrokkenheid van burgers. Mensen ontwikkelen vaardigheden en voelen zich mede verantwoordelijk voor hun omgeving. Dit draagt bij aan een weerbare samenleving die beter kan omgaan met internationale dreigingen.
Welke verantwoordelijkheid heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om vrijwillige inzet in de hele samenleving te versterken?
Het Ministerie van VWS heeft een rol in het stimuleren en faciliteren van vrijwillige inzet. Samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties wordt er gewerkt aan het creëren van goede randvoorwaarden voor vrijwilligers om bij te kunnen dragen aan een sterkere en verbonden samenleving. Dit gebeurt onder andere door het ondersteunen van vrijwilligersorganisaties en het wegnemen van ervaren belemmeringen.
Zo wordt er onder andere ingezet op het verminderen van regeldruk voor vrijwilligersorganisaties, zodat vrijwilligers meer ruimte krijgen om zich te richten op hun kerntaken. Daarnaast ontvangt de Erasmus Universiteit Rotterdam een subsidie van het Ministerie van VWS voor de ontwikkeling van een post-experience programma vrijwilligersmanagement. Dit programma is gericht op het versterken van de organisatorische en bestuurlijke vaardigheden van vrijwillige bestuurders. Tot slot verstrekt het Ministerie van VWS subsidies aan maatschappelijke organisaties om vrijwillige inzet te versterken. Zo ontvangt onder andere het Oranje Fonds subsidie om financiële toekenningen te bieden aan vrijwilligersorganisaties, zodat zij op eigen wijze kunnen werken aan de duurzame versterking van hun organisatie en ontvangt het Nederlands Rode Kruis een subsidie om hun vrijwilligersbestand te versterken in tijden van noodsituaties en crises.
Welk beleid is er momenteel om vrijwillige inzet duurzaam te versterken, niet alleen in de zorg maar in de hele samenleving?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier geeft u invulling aan de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 36 200 XVI, nr. 78) die verzoekt in de begrotingen van het Ministerie van VWS een post «ondersteunen en bevorderen vrijwilligerswerk» op te nemen?
Het kabinet deelt volledig de gedachte achter de motie om vrijwilligers te ondersteunen en bevorderen. Daarom trekken we jaarlijks 66 miljoen euro uit, oplopend tot 93 miljoen.
Binnen diverse beleidsartikelen is direct of indirect sprake van «ondersteunen en bevorderen van vrijwilligerswerk». Zo wordt de samenwerking tussen formele en informele zorg versterkt, onder meer doordat een extra bedrag oplopend tot structureel € 17 miljoen beschikbaar is voor de coördinatie van inzet en opleiding van vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg. Daarnaast zijn de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) verwerkt in de begroting van het Ministerie van VWS. Het AZWA richt zich onder andere op het versterken van de positie van vrijwilligers (als onderdeel van netwerksamenwerking) en het versterken van burgerinitiatieven. Dit is gekoppeld aan de afspraak over inloopvoorzieningen sociaal en gezond. In 2027 is hiervoor € 40 miljoen beschikbaar. Dit loopt op tot € 67 miljoen in 2030. Daarnaast wordt jaarlijks in totaal € 6 miljoen uitgetrokken voor het aanleveren van gratis VOG’s voor vrijwilligers en zijn er voor 3 miljoen aan subsidies voor het versterken en ondersteunen van vrijwilligers in Nederland en specifiek in de palliatieve zorg. Hierdoor wordt er ondanks dat er geen centrale post is voor vrijwillige inzet, op verschillende manieren geïnvesteerd in het ondersteunen en bevorderen van vrijwilligers. De reden dat het Ministerie van VWS deze post niet heeft opgenomen is omdat de begroting en de administratie op een ander en algemener/thematisch niveau is ingericht.
Deelt u de mening dat serieuze ondersteuning en versterking van vrijwillige inzet vraagt om beleid dat in nauwe samenwerking met het maatschappelijke veld wordt ontwikkeld, en dat meerjarige kaders biedt waarbinnen vrijwilligersorganisaties hun inzet duurzaam kunnen versterken?
Ik deel deze mening. Het Ministerie van VWS werkt daarom nauw samen met het maatschappelijk veld om vrijwilligersbeleid te ontwikkelen. Voorbeelden hiervan zijn de Coalitie Duurzame Vrijwillige Inzet en het verminderen van regeldruk bij vrijwilligersorganisaties. Daarnaast verstrekt, zoals aangegeven bij vraag 3, het Ministerie van VWS een aantal subsidies aan organisaties in het maatschappelijk veld zodat zij hun inzet duurzaam kunnen versterken.
Op welke manier wordt de Coalitie Duurzame Vrijwillige Inzet, waarvan het Ministerie van VWS deel uitmaakt, benut en gefaciliteerd, ook met passende middelen, om te komen tot een duurzaam en breed gedragen beleid, en een gezamenlijke aanpak, samen met het veld, ter versterking van vrijwillige inzet?
De Coalitie Duurzame Vrijwillige Inzet brengt maatschappelijke organisaties, fondsen en departementen samen om gezamenlijk een visie en aanpak voor de verduurzaming van vrijwillige inzet te ontwikkelen. De verschillende invalshoeken en expertises van deze coalitie worden hiervoor benut. De coalitie wordt hierbij gefaciliteerd door bureau Common Eye. De ontwikkelde visie en aanpak vormt een leidraad voor het versterken en verduurzamen van vrijwillige inzet. Binnen de samenwerking wordt onderzocht hoe gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen om vrijwillige inzet te versterken.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 18 maart 2026?
De beantwoording van de vragen vergde afstemming met verschillende domeinen, waardoor het niet haalbaar was om vóór 18 maart de vragen te beantwoorden.
Veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Bertram , van Bruggen |
|
|
|
|
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Zoals eerder is geantwoord op de Kamervragen van Kamerlid Vermeer (BBB) van 12 november 2025, kunnen windturbines door de Onderzoeksraad worden onderzocht. De Onderzoeksraad kan hiertoe vanuit zijn bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan beslissen. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar de veiligheidsrisico’s van windturbines op land. In de 4e kwartaalrapportage luchtvaart3 van 2021 heeft de Onderzoeksraad het onderwerp windturbines genoemd. De resultaten waren geen aanleiding voor een verder onderzoek.
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
De Rijkswet op de Onderzoeksraad voor Veiligheid garandeert de onafhankelijke positie van de Onderzoeksraad. Voor enkele typen voorvallen geldt een onderzoeksverplichting. Voorvallen met windturbines vallen daar niet onder. De Onderzoeksraad heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid om uit de veelheid van voorvallen en veiligheidsthema’s, onafhankelijk te kiezen welke hij wil onderzoeken. Iedereen kan een verzoek doen aan de Onderzoeksraad tot het starten van een onderzoek en dat gebeurt ook regelmatig. Ook dan maakt de Onderzoeksraad zijn eigen afweging. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad onvoldoende aanleiding gezien om voorvallen met windturbines te onderzoeken.
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van overheid, bedrijven en instellingen?
De veiligheidsperimeters staan op de Aandachtskaart-Windturbines4, die brandweer handvatten biedt bij de bestrijding van incidenten rondom windturbines. De Aandachtskaart is ontwikkeld door het NIPV samen met deskundigen van de brancheorganisatie Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, nu bekend onder de naam NedZero) en deskundigen uit de diverse veiligheidsregio's. De Aandachtskaart is vastgesteld door de landelijke Vakraad Incidentbestrijding en gecommuniceerd met de 25 veiligheidsregio’s, waar de brandweer onderdeel van is. De veiligheidsregio’s zijn zelf verantwoordelijk voor verdere verspreiding over lokale korpsen.
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het opruimen van brokstukken, gesmolten materiaal en brandresten na afloop van een incident. De Omgevingsdiensten adviseren en controleren of de opruimwerkzaamheden correct worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een standaard straal van verspreiding, omdat dit onder andere afhankelijk is van de locatie van de brand en de windrichting. Het gebied wordt bepaald in samenwerking met de brandweer, gespecialiseerde schoonmaakbedrijven en de omgevingsdiensten.
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
De vergunningverlenende partij stelt hiervoor geen specifieke eisen in het vergunningstraject. Wel is de exploitant vanuit de zorgplicht (artikel 2.11 Besluit Activiteiten Leefomgeving) verplicht alle passende maatregelen te treffen tegen de nadelige gevolgen van een incident. Als vanuit de zorgplicht aanvullende communicatie noodzakelijk is, dan wordt hierbij samengewerkt met de veiligheidsregio. De veiligheidsregio’s hebben onder andere de taak en verantwoordelijkheid om omwonenden te informeren over risico’s op het moment dat er risico’s ontstaan bij eventuele incidenten.
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines zijn te berekenen met de rekenmethodiek van het RIVM5. De rekenmethodiek wordt vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en aangewezen in de Omgevingsregeling (Artikel 4.11 lid b). In 2021 heeft de laatste herziening van de rekenmethodiek6 plaatsgevonden op basis van incidentencasuïstiek tot die tijd.
Het incident zoals in Nieuwleusen heeft na 2021 plaatsgevonden en wordt ondervangen in de huidige rekenmethodiek. In de huidige rekenmethodiek neemt het RIVM diverse risicoscenario’s mee op basis van casuïstiek en wetenschappelijke literatuur. Een van die scenario’s is brand op hoogte. Gevolg daarvan is dat delen van de windturbine zich kunnen verspreiden in de omgeving en het is mogelijk dat daardoor personen en gebouwen getroffen kunnen worden. De veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die volgt uit de rekenmethode, en de inzet vanuit de veiligheidsregio, zorgen dat een voldoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd.
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Voor windturbines geldt de zorgplicht onder artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarnaast is de veroorzaker op grond van de Wet milieubeheer (artikel 17.13) verantwoordelijk voor het beperken en herstellen van de milieugevolgen van de brand. De verantwoordelijkheid voor het herstellen van milieuschade door een incident met windturbines en bijbehorende kosten, ligt bij de exploitant. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat verzekeraars de schade zullen vergoeden die onder de dekking van de bij hun afgesloten polis valt.
Het is bekend dat actieve brandbestrijding in windturbines niet mogelijk is in verband met toegangsbeperkingen. Daarom focust de sector op preventie, passieve bewaking, en schadebeperking, om veiligheid van mensen te beschermen, ondersteund door regelmatig onderhoud en verplichte jaarlijkse inspecties.
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Voor projecten met 3 of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet en worden eisen gesteld op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor 1 of 2 windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conform deze gebruiksregels dient bijvoorbeeld een jaarlijkse inspectie plaats te vinden bij de windturbine ten behoeve van de externe veiligheid (artikel 4.428 Bal) en geldt een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Aanvullend wordt afstand gehouden rondom windturbines bij ruimtelijke ontwikkelingen van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties op basis van risicocontouren (artikel 5.7 lid 1 en artikel 5.8 lid 1c Bkl).
Voor windturbines zijn ook veiligheidsnormen vastgelegd in de NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 en Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 8400. De provincie of gemeente (in sommige gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan deze eisen. Hierop kunnen zij de veiligheidsregio vragen om advies. Zie ook de Kennisbundel Windturbines7 van het NIPV voor een nadere toelichting op regelgeving rondom windturbines.
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
In de Aandachtskaart-Windturbines8 is een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter opgenomen in geval van het mogelijk afbreken van vallende delen en wordt tot nu toe als handvat gebruikt. Op dit moment wordt deze afstand nog als actueel gezien op basis van de huidige turbinehoogtes.
Op welke turbinehoogte is de brandweeraandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename in turbinehoogtes?
Het voorkomen en herkennen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meerdere aangiftes van seksueel wangedrag op zorgboerderij?»1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoeveel klachten zijn er sinds 2025 ontvangen door klachtenfunctionarisseren, uitgesplitst per zorgaanbieder, over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Er zijn geen cijfers bekend over het aantal klachten dat in 2025 is ontvangen door klachtenfunctionarissen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Seksueel overschrijdend gedrag moet door de zorgaanbieder wel altijd gemeld worden bij de IGJ. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 ontvangen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Sinds 2025 heeft de IGJ circa 100 meldingen ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Hoeveel meldingen hebben geleid tot een aangifte is bij de IGJ niet bekend.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan door cliënten en zorgpersoneel van grensoverschrijdend gedrag in de hele zorgsector, uitgesplitst per sector en uitgesplitst per vorm waarin de zorg wordt geleverd?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de meldingen die de IGJ heeft ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag per 2025, uitgesplitst naar zorgsector en afgerond op tientallen. Een nadere uitsplitsing per zorgvorm is niet beschikbaar.
Eerstelijnszorg
50
Geestelijke Gezondheidszorg (dit jaar inclusief Zorg aan Justitiabelen)
80
Gehandicaptenzorg
100
Jeugd
70
Medisch Specialistische Zorg
10
Publieke gezondheidszorg
<5
Verpleging en Verzorging
30
Hoeveel zorgaanbieders hanteren momenteel een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners?
Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moeten op grond van het Uitvoeringsbesluit wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van de zorgverleners die zorg verlenen aan hun cliënten. Die VOG-verplichting geldt binnen de Wlz ook voor andere personen die beroepsmatig in contact kunnen komen met de cliënten. Het voorgaande geldt ook voor zorgaanbieders die geestelijke gezondheidszorg verlenen met de mogelijkheid tot verblijf. Voor andere zorgaanbieders geldt dat het afhankelijk is van de individuele zorgaanbieder of een VOG wordt verlangd van zorgverleners. Een VOG verlangen is mogelijk, maar is geen wettelijke verplichting.
Wat zijn de kosten van invoering van een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners? Welke gevolgen heeft een dergelijke algemene verplichting voor de administratieve lasten?
De totale kosten van een zorgbrede VOG-verplichting voor alle zorgverleners zouden aanzienlijk zijn, gezien het grote aantal zorgverleners in de sector. Naast financiële kosten zijn ook de uitvoeringsconsequenties van belang, met name voor screeningsautoriteit Justis en zorgaanbieders. De uiteindelijke kosten hangen bovendien sterk af van de invoering, bijvoorbeeld of de verplichting geldt voor nieuwe en/of zittende medewerkers en of deze eenmalig of periodiek wordt uitgevoerd. De financiële kosten en administratieve lasten van een uitbreiding van de VOG-verplichting moeten natuurlijk in verhouding staan tot het beoogde doel: het verkleinen van veiligheidsrisico's en het waarborgen van de integriteit binnen organisaties.
Hoeveel cliënten in de gehandicaptenzorg ontvangen momenteel zorg vanuit een persoonsgebonden budget (pgb) en hoeveel cliënten ontvangen zorg in natura?
Er zijn circa 133.000 cliënten met een zorgprofiel behorend bij de gehandicaptenzorg met gebruik van naturazorg, pgb of een combinatie van naturazorg en pgb (gemeten op peilmoment, 2024). Daarvan hadden er 105.300 naturazorg, 41.500 pgb en 13.800 een combinatie van naturazorg en pgb2.
Hoeveel pgb-gefinancierde wooninitiatieven zijn er in de gehandicaptenzorg? Wanneer kan het transparantieregister van pgb-wooninitiatieven verwacht worden?
Het exacte aantal pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg is niet bekend. Wel is bekend dat medio 2025 6.170 pgb-houders met een zorg-profiel in de gehandicaptenzorg een wooninitiatieventoeslag ontvingen3. Als wordt uitgegaan van gemiddeld 12 bewoners per wooninitiatief komt dit neer op circa 500 pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg. Samen met de IGJ, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het CIBG werk ik aan de ontwikkeling van een transparantieregister voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Het is de bedoeling dat het register automatisch wordt samengesteld door gebruik te maken van de vragenlijsten van Meldplicht, Vergunningplicht en Openbare Jaarverant-woording. Hiervoor moeten deze vragenlijsten worden aangepast, zodat hieruit eenduidig kan worden afgeleid wanneer er bij een zorgaanbieder sprake is van een wooninitiatief. Deze informatie wordt verder aangevuld met gegevens van zorgkantoren.
Om dit alles te realiseren zijn zowel technische als juridische aanpassingen nodig. Met name het aanpassen van regelingen en het creëren van een vereiste grondslag voor gegevensuitwisseling kost tijd. Ik streef ernaar het register zo spoedig als mogelijk operationeel te hebben. Daarbij wordt verkend of het een optie is het register in fasen te vullen en beschikbaar te stellen, waarbij een steeds completer beeld ontstaat. Als blijkt dat dit mogelijk is, kan een eerste versie wellicht eind dit jaar beschikbaar zijn.
Wat is de stand van zaken van het door zorgaanbieders «beter in staat zijn van het herkennen en signaleren van seksueel grensoverschrijdend gedrag»? Op welke wijze worden zorgaanbieders gestimuleerd om te werken aan deze bewustwording en preventie, in het bijzonder als het gaat om cliënten met moeilijk verstaanbaar gedrag of die niet verbaal kunnen aangeven wat zij ervaren? Zijn er concrete veranderingen te zien?2
De inspectie ziet dat zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg zich blijvend inspannen om het beleid verder te verbeteren. De inspectie ziet daarnaast een positieve ontwikkeling als het gaat om doorontwikkeling van het beleid. Zo is het bij veel zorgaanbieders aantoonbaar beleid om het thema gezonde seksuele ontwikkeling (vriendschap, relaties, intimiteit en seksualiteit) onderdeel te laten zijn van de methodische begeleiding van cliënten, als dat mogelijk is. Ook hebben veel zorgaanbieders de pijlers van de Veilige Zorgrelatie ingevoerd of werken zij daaraan.
De regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld heeft samen met de gehele zorgsector, waaronder het domein gehandicaptenzorg, in juni 2025 een zorgmanifest gepresenteerd op een zorgbreed congres tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit manifest is inmiddels door 40 branche- en beroepsverenigingen ondertekend.
Ter opvolging van dit manifest heeft de regeringscommissaris op 17 december 2025 een bestuurlijk overleg georganiseerd ten behoeve van bestuurlijke inzet op het ontwikkelen van ideeën tot concrete plannen van aanpak. Op 28 mei a.s. wordt er een bestuurlijk vervolg op georganiseerd. De plannen van aanpak per zorgdomein zijn dan verder uitgewerkt en de eerste ideeën in gang gezet.
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland heeft daarnaast een handreiking «Sturen op aanpak seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving, bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting cliënten.
Over hoeveel inspecteurs beschikt de IGJ momenteel? Hoeveel bezoeken heeft de IGJ sinds 2025 afgelegd aan pgb-gefinancierde wooninitiatieven, zoals zorgboerderijen?
Er werken 470 inspecteurs bij de IGJ. Hiermee houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de gehele gezondheidszorg, jeugdhulp, farmaceutische producten en medische hulpmiddelen. Binnen de afdeling gehandicaptenzorg werken 28 inspecteurs.
De IGJ heeft vanaf 2025 229 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Daaronder zijn ook pgb-gefinancierde wooninitiatieven. De financieringsvorm maakt echter geen deel uit van de risico informatie voorafgaand aan een bezoek. Daarom is geen exact antwoord te geven op de vraag hoeveel van de bezochte zorgaanbieders pgb-gefinancierd zijn. In haar toezicht en de ingezette toetsingskaders maakt de inspectie evenwel geen onderscheid tussen pgb- zorg en zorg in natura.
Verder ziet de IGJ veel mengvormen: aanbieders die zowel pgb-gefinancierd zijn, als zorg in natura leveren en ook door de Wmo gefinancierd zijn. Deze aanbieders bieden vaak zorg aan cliënten met uiteenlopende zorgvragen (gehandicaptenzorg, ggz, jeugd, ouderenzorg).
Beschikt de IGJ inmiddels over gespecialiseerde inspecteurs voor intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel inspecteurs zijn er inmiddels? Zo nee, waarom niet?3
Ja, de inspectie beschikt over inspecteurs die toezichthouden op aanbieders voor intramurale gehandicaptenzorg, waaronder pgb-wooninitiatieven. Binnen de afdeling Gehandicaptenzorg (GHZ) werken momenteel 28 inspecteurs.
Naar aanleiding van de bovengenoemde motie-Westerveld en de Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» (Toekomstagenda) is de capaciteit van de afdeling GHZ tijdelijk uitgebreid met 8 fte waarvan 6 inspecteurs. De huidige bezetting van 28 fte is inclusief die 6 inspecteurs.
Zijn er inmiddels gespecialiseerde vertrouwenspersonen voor de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel vertrouwenspersonen zijn er? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen zicht op het type vertrouwenspersonen werkzaam in de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, noch heb ik zicht op het aantal vertrouwenspersonen werkzaam in de sector.
Mijn ambtsvoorganger is in 2024 in gesprek gegaan met de sector over cliënt-vertrouwenspersonen Wet zorg en dwang (Wzd). Hierover is aan uw kamer gerapporteerd in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda in 20246.
Welke concrete stappen zijn er sinds de antwoorden van uw ambtsvoorganger uit 2024 gezet om zicht te krijgen op de omvang van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg en om een gerichte aanpak in te zetten?
Met middelen uit de Toekomstagenda is de capaciteit van de IGJ fors uitgebreid (26%) met zes extra inspecteurs specifiek voor de gehandicaptenzorg.
Voor de inspectie heeft het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag zowel in 2025 als 2026 in de gehandicaptenzorg aandacht in het toezicht. De inspectie beoordeelt of zorgaanbieders voldoende doen om (toekomstige) cliënten te beschermen tegen (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit doet zij in zowel het risico-gestuurde toezicht als in het incidententoezicht. Zorgaanbieders worden daarnaast gestimuleerd om zelf hun beleid te beoordelen. De inspectie beoogt hiermee het bewustzijn binnen de sector te vergroten7.
Om beter zicht te krijgen op pgb-gefinancierde wooninitiatieven is er een transparantieregister in ontwikkeling. Ten slotte rapporteer ik hierover in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda die uw Kamer op korte termijn ontvangt.
Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD), Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
Het bericht 'Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door' |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door»?1
Ja.
Klopt het dat de gemeente Midden-Groningen in het verleden kwetsbare personen heeft doorverwezen naar dit hotel als tijdelijke opvanglocatie? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat een particulier initiatief dat jarenlang feitelijk een publieke taak heeft vervuld, nu geconfronteerd wordt met handhaving en hoge dwangsommen?
Uit het bericht volgt dat in het verleden kwetsbare personen (tijdelijk) in het betreffende hotel verbleven en dat er contacten zijn geweest met de gemeente over deze situatie. Na contact met de gemeente blijkt echter dat geen sprake was van opvang, maar uitsluitend van huisvesting door een commerciële verhuurder. Het hotel heeft daarmee geen publieke opvangtaak vervuld. Eventuele doorverwijzing naar deze locatie vond slechts plaats in de context van het wijzen op beschikbare particuliere huisvestingsmogelijkheden, vergelijkbaar met verwijzingen naar andere verhuurders die in situaties van acute huisvestingsnood onderdak kunnen bieden. Daarbij geldt ook dat het hotel niet uitsluitend door kwetsbare personen wordt bewoond, maar dat sprake is van een bredere groep huurders.
Het is primair aan de gemeente om te bepalen op welke wijze zij invulling geeft aan haar verantwoordelijkheden op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en opvang. De gemeente Midden-Groningen zet daarbij actief in op lokale initiatieven om aan deze publieke taak te voldoen, in samenwerking met onder andere woningcorporaties en zorgaanbieders. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen publieke opvang en particuliere huisvesting, waarbij belangrijk is dat er duidelijkheid is bij alle partijen of er sprake is van opvang of particuliere huisvesting. Gemeenten dienen bij dergelijke situaties een zorgvuldige afweging te maken, waarbij zowel de geldende regelgeving als de belangen van de betrokken bewoners worden meegewogen.
Deelt u de opvatting dat het primair de verantwoordelijkheid van de overheid en gemeenten is om te zorgen voor structurele, passende huisvesting van kwetsbare personen, en dat het onwenselijk is wanneer deze verantwoordelijkheid in de praktijk verschuift naar particuliere ondernemers, zonder duidelijke contractuele basis of een langetermijnvisie?
Het kabinet onderschrijft dat overheden, en in het bijzonder gemeenten, een belangrijke rol hebben bij het bevorderen van voldoende en passende huisvesting voor aandachtsgroepen. Gemeenten voeren hierin lokaal de regie en maken afspraken met betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en waar relevant ook andere aanbieders, om het aanbod van geschikte woningen te vergroten. Samenwerking met verschillende partijen kan in de praktijk bijdragen aan het realiseren van woningen. Daarbij is het van belang dat verantwoordelijkheden en afspraken zorgvuldig worden vastgelegd en passen binnen een structurele aanpak. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting beoogt het kabinet de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder te versterken en beter te sturen op een toereikend aanbod van passende woningen voor aandachtsgroepen.
Welke landelijke kaders bestaan er om te voorkomen dat tijdelijke noodoplossingen, zoals het onderbrengen van kwetsbare personen in hotels, jarenlang voortduren zonder structurele oplossing, en acht u deze kaders voldoende effectief?
Het kabinet acht het van belang dat voor aandachtsgroepen wordt gewerkt aan structurele en passende huisvesting. Tijdelijke oplossingen kunnen in de praktijk soms nodig zijn om acute situaties op te vangen, maar zijn nadrukkelijk niet bedoeld als langdurige oplossing. Gemeenten maken hierover lokaal afwegingen en werken daarbij samen met onder meer woningcorporaties en andere betrokken partijen.
Op landelijk niveau bestaan verschillende kaders en instrumenten die zijn gericht op het vergroten van het structurele woningaanbod voor aandachtsgroepen. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting wordt de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder versterkt, onder meer door het verplichten van volkshuisvestingsprogramma’s en het versterken van de sturing op woningbouw en de huisvesting van aandachtsgroepen. Het kabinet verwacht dat deze versterkte regie bijdraagt aan het beter realiseren van structurele oplossingen. Tegelijkertijd blijft het van belang dat overheden en betrokken partijen in de praktijk blijven sturen op het voorkomen dat tijdelijke voorzieningen langer duren dan noodzakelijk. Tenslotte wordt er hard gewerkt aan een meer integrale en structurele aanpak van alternatieve huisvesting voor deze spoedzoekers. Dit moet resulteren in een flexibele schil voor deze groep woningzoekenden.
Bent u bereid te onderzoeken hoe het Rijk gemeenten beter kan ondersteunen of aanspreken op hun zorgplicht, zodat kwetsbare bewoners niet van de ene op de andere dag hun woonplek verliezen en particuliere initiatieven die uit maatschappelijke betrokkenheid handelen, niet in een juridisch vacuüm terechtkomen?
Het kabinet vindt het van belang dat aandachtsgroepen kunnen beschikken over passende en zo stabiel mogelijke huisvesting. Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vormgeven van het lokale woonbeleid en bij het maken van afspraken met betrokken partijen over de huisvesting van deze groepen. Daarbij is het van belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met de positie van bewoners en dat betrokken partijen duidelijkheid hebben over rollen, verantwoordelijkheden en gemaakte afspraken.
Het kabinet zet er op in om gemeenten hierbij beter te ondersteunen en de regie op de volkshuisvesting te versterken. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting worden gemeenten onder meer verplicht om volkshuisvestingsprogramma’s op te stellen en worden de mogelijkheden voor sturing op de huisvesting van aandachtsgroepen versterkt. Het kabinet verwacht dat dit bijdraagt aan meer duidelijkheid en een meer structurele aanpak. Tegelijkertijd blijft het kabinet in gesprek met gemeenten en andere betrokken partijen over de knelpunten die zich in de praktijk voordoen.
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Het dwingen tot het dragen van een mondkapje |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Mogen verpleeghuizen, gelet op ontvangen signalen dat bijvoorbeeld de Clariane Group dit beleid in Nederland al heeft ingevoerd of wil gaan invoeren, verplegers dwingen een mondkapje te dragen tijdens hun werk?
Er is op dit moment geen wettelijke verplichting voor het dragen van mondkapjes. Voor het gebruik van mondneusmaskers in de zorg zijn professionele richtlijnen opgesteld. Werkgevers hebben volgens de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor het gezond en veilig werken van hun werknemers en dienen op basis van een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie beleid te formuleren dat is afgestemd op de lokale omstandigheden.
Vanuit de STOP-strategie1 (zie art. 3 lid 1 onder b Arbowet) kan het ter beschikking stellen van een persoonlijk beschermingsmiddel aan werknemers, zoals een mondkapje, een laatste redmiddel zijn. De werkgever mag vanuit de zorgplicht en op basis van het instructierecht een mondkapjesplicht invoeren, om een veilige en gezonde werkomgeving te garanderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
EU-subsidies voor abortus in andere lidstaten |
|
Alexander Kops (PVV), Sebastiaan Stöteler (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU-subsidie mag voortaan gebruikt worden om abortus uit te voeren»?1
Ja.
Hoe reageert u op het besluit van de Europese Commissie dat subsidies uit het Europees Sociaal Fonds gebruikt mogen worden voor het uitvoeren van abortus in een andere EU-lidstaat (met een ruimer abortusbeleid dan het herkomstland)?
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft op 26 februari jl., in reactie op een burgerinitiatief, geduid dat de financiering van abortuszorg voor vrouwen die genoodzaakt zijn hiervoor naar een ander EU-land af te reizen, mag worden bekostigd vanuit het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+). Er zijn echter geen aanvullende middelen beschikbaar gesteld vanuit het ESF+. Het is dus een keuze van lidstaten zelf of ze het reeds toegewezen geld hiervoor willen gebruiken.
Het ESF+ is in Nederland belegd bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ESF+ middelen zijn op dit moment ook al belegd voor andere doelen. Het kabinet informeert de Kamer dit voorjaar uitgebreider over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie.
Kunt u bevestigen dat medisch-ethische kwesties nationale bevoegdheden zijn en de Europese Commissie er dus niets mee te maken heeft hoe EU-lidstaten hun abortusbeleid en -zorg vormgegeven? Deelt u de conclusie dat het verstrekken van EU-subsidies voor het uitvoeren en daarmee het faciliteren van abortus hiermee in strijd is? Hoe gaat u dit tegen?
Ja, medisch-ethische kwesties zijn een nationale bevoegdheid. De mededeling van de Commissie treedt hier ook niet in. Zoals ik eerder met uw Kamer heb gedeeld in reactie op de Kamervragen van het lid van Dijk (SGP)2, is er geen discussie over de verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).3 Dit verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun beleid voor gezondheidszorg in te richten.4 De EU kan het optreden van de lidstaten wel ondersteunen, coördineren en aanvullen.5 De EU mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.6 EU-lidstaten zijn hiermee, in beginsel, zelf bevoegd besluiten te nemen met betrekking tot hun nationale abortuswetgeving.
In specifieke situaties kan abortus binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie abortus aangemerkt als een dienst7 en kunnen de lidstaten dus gebonden zijn aan de Unie-rechtelijke vrij-verkeersregels, waardoor vrouwen uit andere EU-lidstaten van dergelijke zorg gebruik kunnen maken in landen waar dat wordt aangeboden.
Het burgerinitiatief My Voice, My Choice heeft de Commissie opgeroepen lidstaten financieel te steunen bij abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige, of legale toegang toe hebben. Als reactie op dit burgerinitiatief heeft de Commissie verduidelijkt dat lidstaten uit het al bestaande ESF+ kunnen putten om de toegang tot abortuszorg voor vrouwen in kwetsbare situaties te verbeteren.
Dit is in principe niets nieuws. Een van de doelstellingen van dit fonds is namelijk het verbeteren van de toegang tot en de betaalbaarheid van diensten, met inbegrip van gezondheidsdiensten.
De Commissie concludeert in haar mededeling dat de financiering van abortuszorg voor vrouwen uit een ander land past bij dit doel van het ESF+. De Commissie legt in haar mededeling tevens uit dat het benutten van het ESF+ fonds voor abortuszorg aan buitenlandse vrouwen past binnen het rechtskader van de EU. Het gaat dan overigens nadrukkelijk om de zorgkosten.
Dit alles doet niet af aan het feit dat het aan lidstaten zelf is om hun wet- en regelgeving rond abortus te bepalen.
Deelt u de mening dat de Europese Commissie EU-lidstaten die terughoudend zijn ten aanzien van abortus ondergraaft? Deelt u daarnaast de vrees dat de zorg van EU-lidstaten met een ruimer abortusbeleid overvraagd kan worden?
Nee, het blijft primair aan lidstaten zelf om te bepalen of zij abortus in hun land toestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. Het enige dat de Commissie met haar mededeling verduidelijkt is dat ESF+ middelen mogen worden gebruikt voor de financiering van abortuszorg voor vrouwen uit andere landen.
Als gezegd informeert het kabinet de Kamer dit voorjaar nog uitgebreider over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie. Dan zal ook worden ingegaan op de mogelijke gevolgen van de mededeling.
Hoeveel vrouwen uit andere EU-lidstaten zijn de afgelopen tien jaar naar Nederland gekomen voor het ondergaan van abortus? Kunt u een overzicht verstrekken met cijfers per jaar en herkomstland?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd rapporteert jaarlijks over de abortuscijfers.8 Tussen 2015 en 2024 ondergingen in totaal 33.095 buitenlandse vrouwen9 een zwangerschapsafbreking in Nederland. De bijlage bij de rapportage bevat een uitsplitsing naar vrouwen uit België, Duitsland, Frankrijk, Ierland en Polen.10 Vrouwen uit andere landen zijn samengevat in de categorie «overige landen». Daarin zitten zowel vrouwen uit andere EU-lidstaten, als vrouwen van buiten de EU. Het is daarom niet mogelijk een volledig overzicht te geven van het aantal vrouwen dat specifiek uit EU-lidstaten naar Nederland is gekomen voor een abortus.
Verwacht u dat er méér vrouwen naar Nederland zullen komen voor het ondergaan van abortus? Hoe gaat u dit voorkomen?
Het kabinet informeert de Kamer dit voorjaar uitgebreider schriftelijk over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie. Dan zal het kabinet ook ingaan op de mogelijke gevolgen.
Deelt u de mening dat – ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven – primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en abortussen?
Voor het kabinet staan niet de aantallen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor dit kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen terug te dringen. Vrouwen in Nederland kunnen in vrijheid beslissen over hun zwangerschap en hebben toegang tot abortuszorg van hoge kwaliteit. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van deze goede en toegankelijke abortuszorg en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. De activiteiten om de regie van mensen op hun kinderwens te versterken staan in de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.11
De aanpak heeft een nationaal karakter en richt zich dus op vrouwen binnen Nederland.
PTSS-erkenning voor de brandweer en de regeling voor een compromis |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u deze aanvullende schriftelijke vragen betrekken bij de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen over dit onderwerp1?
Ja.
Hoe wordt voorkomen dat verschillen ontstaan in toepassing en vergoedingspraktijk tussen regio’s?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat een uniforme werkwijze en uitvoering wordt beoogd door landelijke coördinatie en overleg tussen uitvoeringsprofessionals. Hiermee wordt voorzien dat de regeling binnen elke veiligheidsregio op dezelfde wijze wordt uitgevoerd, toegepast en uitgelegd. De uniforme uitvoering van de Regeling PTSS wordt daarbij jaarlijks geëvalueerd door de veiligheidsregio’s.
Klopt het dat vergoedingen op grond van de PTSS-regeling in mindering worden gebracht op eventuele latere schadevergoedingen bij aansprakelijkheid? Hoe verhoudt dit zich tot het ontbreken van een volledige schadevergoeding binnen de regeling zelf?
Er zijn veel factoren die bij individuele situaties van invloed zijn op de relatie tussen de PTSS-regeling en eventuele latere schadevergoedingen. De veiligheidsregio’s geven aan dat regeling PTSS primair voorziet in loonderving. Mocht daarnaast sprake zijn van restschade, dan komt dat boven op de vergoeding verstrekt conform de regeling PTSS.
Een eventuele aanspraak op smartengeld behoort juridisch tot het aansprakelijkheidsrecht en maakt daarom geen onderdeel uit van de regeling.
Hoe wordt in de praktijk omgegaan met vrijwilligers met meerdere inkomensbronnen? Kan de samenloopbeperking ertoe leiden dat feitelijke schade niet volledig wordt gecompenseerd?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat in de regeling is opgenomen dat samenloop van meerdere inkomensbronnen is begrensd tot éénmaal een voltijdsdienstbetrekking en het maximumdagloon.
Hierbij wordt aangegeven dat indien het inkomen méér is dan het maximumdagloon of een voltijdsdienstbetrekking de feitelijke schade méér kan zijn dan wordt gecompenseerd conform de regeling PTSS. De veiligheidsregio’s geven hierbij aan dat (individuele) aansprakelijkheidsstelling in een dergelijke situatie separaat mogelijk is.
Is onderzocht of het proces van het aannemelijk maken van incidenten en gebeurtenissen die PTSS veroorzaakten, kan leiden tot hertraumatisering of verergering van klachten? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij als werkgever belangrijke stappen zetten om medewerkers en vrijwilligers beter te ondersteunen, zo ook bij het proces en begeleiding rondom de regeling. Uit de aangekondigde evaluatie en signalen uit de praktijk zal ook naar voren moeten komen of het proces doelmatig verloopt en hoe dit door betrokkenen wordt ervaren.
Acht u het passend om bij een chronische, behandelingsresistente aandoening als C-PTSS toekomstige zorgkosten af te kopen? Hoe wordt voorkomen dat betrokkenen op latere leeftijd financieel tekortkomen?
Dit is onderwerp van gesprek tussen betrokken overlegpartners. Ik breng deze vragen over aan de betrokken partijen.
Waarom is geen spoedregeling of noodvoorziening opgenomen voor acute of ernstige situaties?
Het akkoord op deze regeling en de inhoud is een aangelegenheid tussen de werkgevers en de betrokken bonden als vertegenwoordigers van de werknemers. Indien ik signalen ontvang over acute en ernstige situaties zal ik dit direct onder de aandacht brengen in mijn contact met betrokken partijen.
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij allen bezig zijn met het proces rondom medewerkers met PTSS-achtige klachten en deze begeleiding goed in te richten. Breder beschouwd wordt dit door de regio’s beoogd middels het goed inrichten van hulp na incidenten met behulp van Teams Collegiale Ondersteuning (hierna: TCO). Vanuit TCO worden medewerkers en vrijwilligers gevolgd en begeleid, al dan niet met professionele hulp. Daarbij beogen de veiligheidsregio’s bij de uitvoering van de regeling met de aanname van extra HR capaciteit de bereikbaarheid voor en begeleiding van medewerkers en vrijwilligers zo goed mogelijk te ondersteunen.
Hoe wordt de onafhankelijkheid van de landelijke Adviescommissie PTSS geborgd, gezien de betrokkenheid van veiligheidsregio’s bij de uitvoering? Worden commissieleden volledig extern benoemd?
De veiligheidsregio’s geven mij aan dat commissieleden worden benoemd door de secretaris van het Landelijk Overleg Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio’s (hierna: LOAV). Dat geschiedt op verzoek van en met instemming van de sociale partners.
Bent u bereid een tussentijdse evaluatie vóór het verstrijken van drie jaar te overwegen? Wordt bij de evaluatie expliciet gekeken naar de rol van organisatiecultuur en nazorg in het verleden? Wordt onderzocht of structurele tekortkomingen hebben bijgedragen aan het ontstaan of verergeren van PTSS?
De regeling zal als geheel na drie jaar worden geëvalueerd, of indien nodig eerder, zoals overeengekomen is tussen vakbonden en werkgevers. Dit is in dit geval niet aan mij, maar aan de sociale partners.
Ik acht doorontwikkeling en lerend vermogen van groot belang als stelselverantwoordelijke. Onder meer het NIPV onderzoekt in Nederland diverse thema’s rondom de brandweer, zo is onderzoek gepubliceerd op het gebied van het welzijn van brandweermensen, de organisatiecultuur bij de brandweer en verwerking van ingrijpende incidenten. Onderzoek naar de uitvoering van nazorg en beleid hierop is ook een aangelegenheid van de werkgevers. In contact met betrokken partijen zal ik bezien of en hoe dit het beste vorm kan worden gegeven kijkend naar de toekomst.
Ook moedig ik betrokken partijen aan te kijken naar andere beroepsgroepen daar waar dit kan. Dit in het kader van rolvastheid, doorontwikkeling, lerend vermogen van betrokken partijen en bovenal het welzijn van brandweerlieden in Nederland.
De stand van zaken van de Modernisering Wet op de lijkbezorging. |
|
Renilde Huizenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de laatste stand van zaken met betrekking tot de modernisering van de Wet op de lijkbezorging (Wblo)?
Inmiddels zijn de consultatiereacties vrijwel geheel verwerkt in het wetsvoorstel. De indiening ervan bij de Raad van State is vertraagd omdat de financiële dekking van het wetsvoorstel nog niet rond is. Een ordentelijk dekking voor het wetsvoorstel is uiteraard een harde voorwaarde voordat het voorstel aan de Raad van State kan worden voorgelegd. Hierover ben ik in gesprek met mijn collega’s van VWS en JenV. Ik streef ernaar om de dekking voor het wetsvoorstel uiterlijk bij de ontwerpbegroting in september te verwerken.
Waarom heeft de aanbieding van het wetsvoorstel Wblo aan de Kamer tot op heden niet plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de ingekomen reacties op de internetconsultatie?
Er zijn veel uiteenlopende en ook uitgebreide reacties binnengekomen tijdens de consultatie. Deze reacties zijn vrijwel geheel verwerkt. Ik wil hier nu niet op vooruit lopen. Op het moment dat het wetsvoorstel wordt aangeboden aan de Raad van State wordt het wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting weer openbaar. In deze toelichting wordt uitgebreid gereflecteerd op de ontvangen reacties en wordt toegelicht tot welke aanpassingen dit eventueel heeft geleid. Tevens zal er een verslag worden gepubliceerd van de consultatiereacties.
Bent u nog steeds voornemens de Wblo in het eerste kwartaal van 2026 aan de Raad van State ter advisering voor te leggen?
Kunt u een beoogd tijdpad uiteenzetten voor de verdere behandeling van de Wblo?
Welke stappen gaat u ondernemen om dit tijdpad daadwerkelijk te realiseren? Hoe gaat u voorkomen dat de wetsbehandeling wederom vertraging oploopt?
In hoeverre ziet u mogelijkheden om vooruitlopend op de afronding van de wetsbehandeling een gedoogbeleid ten aanzien van de Wblo te hanteren?
Ik begrijp dat er een maatschappelijke wens is om resomeren zo snel als mogelijk toe te staan. Ik zie echter geen ruimte voor een gedoogbeleid. Het wetgevingsproces en het primaat van de wetgever vormen een noodzakelijke waarborg voor een zorgvuldige en respectvolle omgang met de lichamen van overledenen waarop het wetsvoorstel betrekking heeft.
De beoordeling van de toelaatbaarheid van deze nieuwe techniek in het kader van het wetsvoorstel ter modernisering van de Wlb vereist een zorgvuldig democratisch proces, waarin uiteenlopende politieke, maatschappelijke en ethische belangen expliciet worden afgewogen.
Het hanteren van een gedoogbeleid vooruitlopend op parlementaire besluitvorming zou afbreuk doen aan deze systematiek en aan het primaat van de wetgever. Juist waar het gaat om ingrijpende beslissingen rond lijkbezorging, een onderwerp dat raakt aan de menselijke waardigheid, de grafrust en de nagedachtenis van de overledene, is een duidelijke en expliciete wettelijke grondslag vereist. Het is aan de regering én het parlement als formele wetgever om ter zake de noodzakelijke waarborgen, voorwaarden en grenzen vast te stellen. Het past niet om via bestuurlijk gedogen een materiële uitbreiding van bevoegdheden te realiseren waarvoor de wet thans geen toereikende basis biedt. Rechtszekerheid en democratische legitimatie vergen hier terughoudendheid van het bestuur.
De continuïteit van jeugdhulp in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoolbesturen bezorgd over Lelystadse jeugdzorg» van 24 februari 20261, waarin schoolbesturen waarschuwen dat door het wegvallen van jeugd-GGZ-aanbieders per 1 juli kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere aanbieders hebben aangekondigd te stoppen met het aanbieden van jeugd-GGZ in Lelystad, en welke gevolgen heeft dit volgens u voor de continuïteit van de zorg en de bestaande wachtlijsten?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten de jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Nu de schoolbesturen hun zorgen hebben geuit via een brief aan onder meer de gemeenteraad van Lelystad is het in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
De huidige twee aanbieders van jeugd-GGZ hebben er voor gekozen om niet in te schrijven op de aanbesteding voor jeugd-GGZ per 1 juli 2026. Dit aanbestedingsproces is afgerond en de gemeente Lelystad heeft zeven nieuwe aanbieders gecontracteerd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Deelt u de zorg dat het wegvallen van specialistische jeugdhulp directe gevolgen heeft voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk en welke concrete acties onderneemt u om verdere escalatie te voorkomen?
Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas en hebben samen met het samenwerkingsverband een zorgplicht. Vanuit deze rol kunnen zij o.a. extra ondersteuning en specialisten inzetten, zoals een orthopedagoog, psycholoog en gedragsspecialist. Deze extra ondersteuning of inzet van specialisten moet gericht zijn om succesvol onderwijs te kunnen volgen en moet bijdragen aan onderwijsdoelen. Daarbij dient uiteraard goede afstemming te zijn met gemeenten over de inzet en beschikbaarheid van jeugdhulp. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad van Lelystad om te zorgen dat er goed uitvoering wordt gegeven aan de Jeugdwet. Zij zijn verantwoordelijk dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp ontvangen en dat er ook een goede afstemming is met aanpalende domeinen, zoals het onderwijs.
Op welke wijze waarborgt u dat gemeenten hun regierol daadwerkelijk kunnen invullen wanneer contractonderhandelingen met jeugdhulpaanbieders vastlopen?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te voorzien in een passend jeugdhulpaanbod voor de kinderen en gezinnen woonachtig in hun gemeente. Gemeenten moeten hierover afspraken maken met jeugdhulpaanbieders. In de gemeente Lelystad is geen sprake van vastgelopen contractonderhandelingen, maar van een wijziging van contractering van aanbieders. Lelystad heeft zeven nieuwe zorgaanbieders gecontracteerd voor de jeugd-GGZ per 1 juli 2026. De NZa wil meer zicht krijgen op wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Lelystad om te voorkomen dat kinderen die op een wachtlijst staan zonder tijdige passende hulp komen te zitten?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Dit is ook primair aan de gemeente. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg.
Het artikel ‘GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim» over de oproep van de GGD tot een verbod op ziekmakend isolatieschuim?1
Ja.
Wat is uw reactie op de oproep van de GGD om het gebruik van UF-isolatieschuim per direct te verbieden?
Naar aanleiding van het rapport van de desktopstudie door de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving «Gezondheidsrisico’s van na-isolatie met UR-schuim» raden GGD’en gebruik af totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. De GGD’en adviseren huiseigenaren en woningcorporaties om voorlopig te kiezen voor een alternatief materiaal om de spouwmuur te isoleren. Ik volg de GGD’en in dit advies.
Welke concrete gezondheidsrisico’s zijn volgens het RIVM vastgesteld bij blootstelling aan formaldehyde uit UF-schuim?
Blootstelling aan formaldehyde kan irritatie van ogen, neus en luchtwegen veroorzaken, maar ook klachten als hoofdpijn en misselijkheid. Langdurige blootstelling aan formaldehyde verhoogt het risico op neuskanker en kanker aan de nasofarynx. Daarnaast kan formaldehyde mogelijk myeoloïde leukemie veroorzaken.
Klopt het dat formaldehyde is aangemerkt als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS)? Hoe verhoudt het gebruik van een bouwmateriaal dat formaldehyde kan uitstoten zich tot het nationale ZZS-beleid en het uitgangspunt van minimalisatie van blootstelling?
Formaldehyde is aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS). ZZS’en zijn de meest risicovolle stoffen voor mens en milieu. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Deze inzet is in lijn met het EU-doel voor 2050 in de zero pollution strategy en de verplichtingen in de Richtlijn Industriële Emissies.
Een minimalisatieplicht voor ZZS volgt uit de specifieke zorgplicht in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en geldt voor activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal. Het isoleren van een pand is geen milieubelastende activiteit die wordt aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal en de minimalisatieplicht van het Bal is daarom in deze situatie niet van toepassing.
Wel geldt vanuit de Arboregelgeving een minimalisatieplicht (voor zover technisch mogelijk) voor de blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende stoffen als formaldehyde.
Hoe kan het dat een stof die is aangemerkt als ZZS op zo’n grote schaal wordt toegepast in woningen? Welke wettelijke kaders maken dit mogelijk, en acht u dat wenselijk?
UF-schuim is (nog) niet verboden. Niet in alle gevallen heeft de toepassing van UF-schuim tot klachten geleid. Artikel 6.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt een eis aan de maximale concentratie van formaldehyde in voor personen toegankelijke binnenruimtes. Deze norm moet uiteraard in alle gevallen, dus ook bij bouw- of isolatieactiviteiten, in acht worden genomen.
In Europees verband kunnen via de REACH-verordening beperkingen worden gesteld aan het op de markt brengen van chemische stoffen. Op dit moment zijn er beperkingen vanuit REACH met betrekking tot voorwerpen met formaldehyde, maar (nog) niet voor het gebruik van UF-schuim. Ik onderzoek momenteel de mogelijkheden die er zijn voor adequate regelgeving voor deze situaties.
Hoeveel woningen in Nederland bevatten UF-isolatieschuim in de spouwmuren of elders en hoeveel meldingen van gezondheidsklachten zijn hierover bekend?
In de jaren ’70 en ’80 is UF-schuim veel gebruikt voor isolatie van spouwmuren en daarna weer vanaf ongeveer 2014, vooral door woningcorporaties. Het is de laatste jaren bij tienduizenden woningen toegepast. De GGD’en hebben mede naar aanleiding van de recente berichtgeving inmiddels honderden meldingen over UF-schuim in relatie tot gezondheid binnengekregen. Deze meldingen variëren sterk: van algemene vragen zonder dat er gezondheidsklachten zijn tot meldingen van gezondheidsklachten na isolatie met UF-schuim.
Moeten deze woningen worden gesaneerd?
Wanneer bewoners gezondheidsklachten hebben gerelateerd aan de aanwezigheid van UF-isolatieschuim of het formaldehydegehalte van de binnenlucht te hoog is, dan moeten maatregelen genomen worden. Het is echter nog onvoldoende bekend welke kenmerken van een gebouw en welke omgevingsfactoren cruciaal zijn in het veroorzaken van de verhoogde formaldehydeconcentraties binnenshuis bij na-isolatie met UF-schuim en vervolgens ook welke interventies, anders dan tijdverloop en ventileren, effectief zijn om concentraties weer onder gezondheidskundige grenswaarden te krijgen.
Sanering, dat wil zeggen het verwijderen van het schuim uit de spouw, is technisch mogelijk maar lijkt niet altijd noodzakelijk of nuttig. Bijvoorbeeld wanneer er geen gezondheidsklachten zijn en/of wanneer het schuim langer dan 1 jaar geleden is aangebracht. In een enkel geval namen concentraties formaldehyde in een woning zelfs toe na het verwijderen van UF-schuim.
Klopt het dat bewoners in sommige gevallen het advies hebben gekregen hun woning per direct te verlaten? Zo ja, in hoeveel gevallen is dat gebeurd?
Ja, dat klopt. De GGD’en hebben geen totaaloverzicht van het aantal keren dat het advies is gegeven om de woning te verlaten, maar naar schatting gaat het om enkele tientallen woningen.
Acht u het verantwoord dat dit isolatiemateriaal nog steeds wordt toegepast terwijl er zorgen zijn over ernstige gezondheidsrisico’s?
Ik steun het advies van de GGD’en om UF-schuim niet toe te passen totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. Ook branche- vereniging VENIN-Isolerend Nederland heeft haar leden opgeroepen om de toepassing van UF-schuim tijdelijk te pauzeren, totdat aanvullend onafhankelijk onderzoek is afgerond, helderheid bestaat over gezondheidskundige risico’s en – indien nodig – aangepaste certificeringseisen en verwerkingsrichtlijnen zijn vastgesteld.
Bent u bereid het gebruik van UF-schuim tijdelijk te verbieden totdat onafhankelijk onderzoek duidelijkheid geeft over de veiligheid?
Gezien het advies van de GGD’en en de oproep van branchevereniging VENIN aan isoleerders zie ik geen noodzaak tot een (tijdelijk) verbod op UF-schuim op korte termijn. Ik ga ervan uit dat het hierdoor vooralsnog niet meer wordt toegepast. Ik breng het advies van de GGD’en zoveel mogelijk onder de aandacht van de partijen die betrokken zijn bij het isoleren van gebouwen. Het is aan certificerende instanties om de beoordelings- en uitvoeringsrichtlijnen aan te passen en de veiligheid te garanderen als isoleerders dit product weer willen gaan gebruiken. Het toepassen van UF-schuim waardoor de grenswaarde van 120 microgram formaldehyde per m3 binnenlucht wordt overschreden is al verboden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. RIVM herziet momenteel de grenswaarden voor formaldehyde. Daarnaast ben ik voornemens om op korte termijn tijdelijk te stoppen met het subsidiëren van isolatiemaatregelen waarbij UF-schuim wordt gebruikt, totdat duidelijk is dat het veilig is te gebruiken.
Waar kunnen mensen terecht die vragen hebben of een onderzoek aan hun woning of de lucht in hun huis willen?
Wanneer mensen gezondheidsklachten ervaren die passen bij formaldehyde en hun huis is (kortgeleden) geïsoleerd met UF-schuim, dan kunnen zij zich voor advies wenden tot hun verhuurder, huisarts of de GGD, of informatie vinden op ggdleefomgeving.nl of rijksoverheid.nl. Ook Vereniging Eigen Huis, VNG en Aedes informeren hun leden. Ureumformaldehydeschuim is onder diverse merknamen op de markt gebracht, zoals onder meer Aminotherm, Hurefoam, FoamConnect+, Enverifoam en Aminofoam, maar ook vele andere, vandaar dat partijen niet altijd beseffen dat dit schuim is gebruikt.
Een luchtmeting van formaldehyde is mogelijk maar momenteel nogal kostbaar. Het Rijk werkt met RIVM, GGD en meetbedrijven aan een eenvoudigere maar betrouwbare manier van meten.
Welke mogelijkheden hebben bewoners om schade te verhalen wanneer hun woning onbewoonbaar wordt verklaard door dit isolatiemateriaal?
Aansprakelijkheid voor schade is een civielrechtelijke kwestie, waarbij diverse aspecten een rol kunnen spelen om te bepalen of een partij aansprakelijk kan worden gehouden. Mogelijk komen verschillende juridische grondslagen voor aansprakelijkheid in beeld, zoals aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (artikel 6:175 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) of productaansprakelijkheid (artikel 6:185 BW). Iedere grondslag kent zijn eigen specifieke criteria waaraan getoetst moet worden voordat aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Verder kunnen ook verjaringsregels een rol spelen. Ik kan om die reden geen uitspraken doen over de vraag welke concrete mogelijkheden bewoners hebben om schade te verhalen.
Op welke wijze worden bewoners ondersteund bij tijdelijke huisvesting en compensatie van kosten?
Wanneer bewoners een woning huren en zij moeten vanwege formaldehyde de woning (tijdelijk) verlaten, dan kunnen zij zich wenden tot hun verhuurder. Eigenaar-bewoners zullen hun eigen voorzieningen moeten treffen. Voor het verhaal van de kosten daarvan verwijs ik naar het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn te informeren over de omvang van het probleem en de maatregelen die u gaat nemen?
Dit heb ik hierbij gedaan.
Het burgerinitiatief ‘My Voice, My Choice’ |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op 26 februari de Europese Commissie zal spreken over het burgerinitiatief «My Voice, My Choice», gericht op het instellen van een financieel mechanisme waarmee iedereen in de Europese Unie (EU) toegang krijgt tot abortuszorg? Bent u ook bekend met het feit dat negen Europese lidstaten (Estland, Oostenrijk, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden) de Europese Commissie (EC) hebben aangeschreven om hun steun te betuigen voor het initiatief?
Ja, het kabinet is bekend met het feit dat de Europese Commissie het voornemen heeft om op 26 februari een reactie te geven op het burgerinitiatief «My Voice, My Choice». Daarnaast is het bekend met de steunbetuiging van een aantal Europese lidstaten middels een door Spanje opgestelde brief aan de Europese Commissie.
Bent u het eens dat iedereen binnen de EU recht zou moeten hebben op toegang tot veilige, goede abortuszorg?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Steunt u het burgerinitiatief «My Voice, My Choice» en de oproep die daarin gedaan wordt voor toegang tot abortuszorg binnen de gehele EU? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om net als de negen andere lidstaten die dat al gedaan hebben, de EC aan te schrijven voor 26 februari a.s. en in deze brief uw steun te uiten voor het initiatief?
Het initiatief roept op om lidstaten financieel te ondersteunen bij het aanbieden van abortuszorg aan vrouwen die in hun eigen land geen toegang hebben tot abortus. Zo zouden bijvoorbeeld vrouwen die vanuit een ander EU-land naar Nederland komen voor een abortus, de behandeling vergoed kunnen krijgen. Het kabinet heeft waardering voor de inspanningen van de initiatiefnemers en lidstaten om de toegang tot veilige abortus in de EU te verbeteren.
Voordat het kabinet steun kan uitspreken voor een dergelijk initiatief, is het belangrijk dat de mogelijke implicaties van veranderend beleid in beeld zijn. Aangezien de EC nog niet heeft gereageerd op het burgerinitiatief is het op dit moment nog niet duidelijk wat de (financiële) impact van het voorstel zou kunnen zijn voor Nederland.
Op 26 februari maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen. Naar aanleiding hiervan zal het kabinet het Nederlandse standpunt, indien nodig, interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer wordt hier sowieso nader over geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 25 februari voor 17.00 uur beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Verpleeghuisbewoners opsluiten mag niet meer: ook mensen met dementie zijn bovenal vrije burgers' |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? zo ja wat vindt u hiervan?1
Ja. Het bericht geeft een juiste weergave van de bedoeling van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) met betrekking tot het openen van deuren en het inzetten van vormen van gedwongen zorg. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel (ultimum remedium) worden verleend als er sprake is van ernstig nadeel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Daarbij geeft het artikel de emotie weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt. Tegelijkertijd hebben cliënten het recht op de vrijheid om te gaan en staan waar zij willen. Ik zie ook dat cliënten en hun familie en naasten steeds vaker aangeven dat risico’s bij het leven horen en het volledig proberen risico’s uit te sluiten (bijvoorbeeld door deuren gesloten te houden) niet bijdraagt aan de kwaliteit van leven van de cliënt. En iemand insluiten raakt cliënten, maar óók zorgverleners. Daarom moeten de zorgprofessionals altijd onderzoeken of er vrijwillige of minder ingrijpende oplossingen zijn. Indien er écht geen andere oplossing is dan de deur sluiten, dan moet dit zo kort mogelijk, zorgvuldig en in nabijheid van een zorgprofessional plaatsvinden. En altijd op basis van een wettelijke grondslag, in dit geval de Wzd. Het is belangrijk dat zorgprofessionals goed in gesprek blijven met cliënten, familie en naasten over dit onderwerp en de afwegingen die daarbij worden gemaakt delen.
Kunt u een actueel beeld geven van het aantal verpleeghuizen dat sinds 2020 met een opendeurenbeleid werkt en het aantal verpleeghuizen waar dat nog niet het geval is?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd open deurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wzd.
Kunt u de geest van de beweging achter het opendeurenbeleid schetsen en welke verandering vraagt dit van bestuurlijk Nederland in de langdurige zorg?
Ieder mens heeft het recht om in vrijheid te leven en eigen keuzes te maken: zelf beslissen hoe je de dag doorbrengt en waar je woont. Dit recht geldt ook voor mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening, zoals dementie, die (langdurige) zorg ontvangen. Van zorgorganisaties mag worden verwacht dat zij zich maximaal inzetten om mensen in staat te stellen het leven naar eigen inzicht in te richten. Het gedeelde beeld2 is dat een duidelijke focus op het openen van deuren zal helpen in het vergroten van eigen regie en vrijheid. De ervaring is dat wanneer de cliënt zijn of haar leven zoveel mogelijk naar eigen inzicht kan inrichten en daarbij wordt aangesloten bij de behoeften en (vroegere) gewoonten van de cliënt er meer vrijheid wordt ervaren. Het nauw betrekken van familie en naasten is hierbij van groot belang. Het streven naar meer vrijheid is een van de pijlers van de Wzd. Steeds meer zorgaanbieders zijn daarom al aan de slag om deuren te openen. Het meer openen van deuren is één van de manieren om vrijheid te vergroten.
Tegelijkertijd wordt ook niet gevraagd van zorgorganisaties om alle deuren zonder meer te openen. Als er bij mensen met dementie ernstig nadeel optreedt als zij de veilige setting van een afdeling of locatie verlaten, mag deze deur gesloten blijven. De Wzd vraagt om een zorgvuldige en individuele afweging.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023) afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»3 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025.
Welke factoren helpen volgens u om de invoering van het opendeurenbeleid te versnellen, en waar liggen nog kansen voor ondersteuning van de VVT-sector en het voeren van de maatschappelijke dialoog hierover?
Vilans heeft met het programma «Een deur kan op veel manier open» zorgorganisaties geholpen bij het openen van deuren, inclusief de daarbij horende afwegingen. Ook heeft Vilans in 2025 de week van de passende vrijheid georganiseerd. In deze week stond het verminderen van gedwongen zorg door teamleren, praktijkvoorbeelden en het openen van deuren centraal. Het programma heeft een belangrijke stimulans gegeven aan het bieden van vrijheid door het openen van afdelingen en aan meer persoonsgerichte zorg. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans4.
Welke goede voorbeelden zijn er die laten zien hoe de Wet zorg en dwang nageleefd kan worden in de context van VVT-organisaties en het niet hebben van de gesloten afdeling?
Vanuit de praktijk zijn in de afgelopen jaren diverse methodieken en kennisproducten ontwikkeld die zorgverleners helpen bij het zoeken naar alternatieven voor gedwongen zorg. Zo zijn er goede voorbeelden van aanbieders die de komst van de Wzd hebben aangegrepen om te starten met «opendeurenbeleid», waardoor bewoners met dementie meer vrijheid hebben gekregen om naar buiten te gaan voor een wandeling. Een goed voorbeeld hiervan is De Vijverhof5, maar ook zorgaanbieder Aafje heeft een stappenplan ontwikkeld om het opendeurenbeleid in de dagelijkse praktijk te laten werken6. Op de website van Vilans zijn meer goede voorbeelden te vinden7.
Hoe zet de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) haar toezicht momenteel in om instellingen te helpen tempo te maken, en welke lessen komen daaruit naar voren?
In 2024 zag de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat het insluiten van cliënten of patiënten in alle zorgsectoren nog vaak voorkomt. Het aantal registraties van afgesloten deuren stijgt elk jaar8. De IGJ maakt zich zorgen over deze ontwikkeling en besloot thematisch toezicht9 uit te voeren op de gesloten deuren. In 2025 bezocht de IGJ ruim 100 instellingen in de gehandicaptenzorg, verpleeghuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en jeugdhulp. De inspecteurs zijn zonder aankondiging bij instellingen langsgegaan, om te kijken of zij de deuren hebben geopend. En als de deuren toch dicht zijn of de besluitvorming en uitvoering wel zorgvuldig verlopen. Eind maart 2026 publiceert de IGJ vanuit het thematisch toezicht een Infographic met de succesfactoren en knelpunten voor het openen van de deuren. Daarnaast organiseert de IGJ eind maart drie webinars om de bevindingen vanuit de bezoeken te delen met zorgaanbieders. Ook vertellen enkele zorgaanbieders tijdens deze webinars over hun ervaringen met het openen van de deuren.
Is bekend hoe mensen met dementie, familieleden en medewerkers het opendeurenbeleid na verloop van tijd ervaren?
Vanuit het Ministerie van VWS wordt veelvuldig gesproken met cliëntenorganisaties, cliëntenvertegenwoordigers, ervaringsdeskundigen, naasten en de organisatie voor cliëntenvertrouwenspersonen (Stemgever) over gedwongen zorg. Het is bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en soms ook in situaties terechtkomen waarin zij regelmatig dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Het is van belang dat zorgprofessionals in overleg met de familie en naasten van een cliënt een goede afweging maken. Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking10 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Hoe verhoudt de beweging in de langdurige zorg zich tot de geest van de Wet zorg en dwang in de context van het ziekenhuis (en de geslotenheid van bijvoorbeeld geriatrieafdelingen)?
Het uitgangspunt van de Wzd is dat gedwongen zorg alleen wordt toegepast als uiterste middel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Dit uitgangspunt geldt ook in het ziekenhuis.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen met een zorgplan waarin gedwongen zorg, zoals bepaald in de Wzd, is opgenomen, dan mag het ziekenhuis de in het zorgplan opgenomen gedwongen zorg verlenen. De zorgverlening vindt dan plaats op basis van dat plan dat een andere zorgaanbieder dan het ziekenhuis heeft gemaakt.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen zonder een zorgplan met gedwongen zorg, maar er toch gedwongen zorg moet worden verleend, kan worden teruggevallen op de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo). Een voorbeeld is het beperken van de bewegingsvrijheid, waarbij de cliënt de afdeling niet mag verlaten. Het gaat in deze situaties namelijk altijd om een korte opname in een ziekenhuis, gericht op geneeskundige behandeling. Een arts in het ziekenhuis en een cliënt die wordt opgenomen, sluiten – juridisch gezien – een «behandelingsovereenkomst.» Een oudere cliënt met bijvoorbeeld dementie kan veelal zelf geen toestemming geven voor verrichtingen ter uitvoering van die behandelingsovereenkomst, ook niet als zijn bewegingsvrijheid moet worden beperkt. De zorgverlener heeft dan toestemming nodig van de vertegenwoordiger van de cliënt, tenzij onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt te voorkomen.
Hoe kunt u vanuit de systeemverantwoordelijkheid ruimte creëren richting zorgorganisaties om meer te kijken naar de individuele levenskwaliteit? En wat is de rol van het zorgkantoor in het faciliteren en toetsen hiervan?
De Wzd gaat juist over beslissingen per individu: de inzet van gedwongen zorg is dan ook per cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. Ook bespreekt de IGJ, als toezichthouder, met een zorgaanbieder of er een individuele afweging gemaakt is en of aantoonbaar is waarom een cliënt op een gesloten afdeling moet verblijven. Mocht blijken dat deze individuele afweging niet is gemaakt en/of niet aantoonbaar in het zorgdossier van de cliënt is vastgelegd, vraagt de IGJ om een verbetermaatregel bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder moet dan binnen een gegeven termijn aantonen dat hierover het gesprek is gevoerd met de cliënt(vertegenwoordiger), alle bij de cliënt betrokken disciplines en deze afweging is vastgelegd in het zorgdossier.
Een zorgkantoor en een zorgverzekeraar hebben een zorgplicht. Dit houdt in dat zij zich moeten inspannen en zoveel mogelijk moeten doen om het recht van de cliënt (de verzekerde) op passende (gedwongen) zorg te realiseren. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van goede en passende zorg aan de cliënt. Dit kan ook, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, een vorm van gedwongen zorg betreffen.
Hoe ziet u de rol van de Specialist Ouderengeneeskunde in deze ontwikkeling en hoe kunnen zij hier nog beter in ondersteunen? En wat kunt u doen om hen hierin te faciliteren?
Ook de beroepsvereniging Verenso heeft de Bestuurlijke Afspraken Uitvoering Wzd ondertekend en zich daarmee gecommitteerd aan de afspraken over het openen van deuren. De kennisproducten en opleidingspagina11 van Vilans bieden ook voor specialisten ouderengeneeskunde handvatten bij het implementeren van het opendeurenbeleid. Specialisten ouderengeneeskunde hebben in het besluitvormingsproces ten aanzien van gedwongen zorg voor een cliënt vaak de rol van deskundige of Wzd-functionaris. Vanuit deze rollen kunnen zij het opendeurenbeleid bij hun zorgorganisatie stimuleren, waarborgen en het belang daarvan uitleggen.
Wat is uw rol als bewindspersoon in het voorkomen dat we terugvallen op het systeem van de gesloten afdeling en/of op zoek gaan naar een nieuwe vorm voor een soortgelijk systeem van collectieve veiligheid boven individuele levenskwaliteit bij toekomstige incidenten?
Terecht wordt gesteld dat voorkomen moet worden dat bij toekomstige incidenten teruggevallen wordt op het systeem van de gesloten afdeling of andere vormen van collectieve veiligheid die een onevenredige inbreuk maken op de individuele levenskwaliteit. Daarmee wil ik niet zeggen dat een gesloten afdeling per definitie verkeerd is, maar dat in alle gevallen sprake moet zijn van een zorgvuldige individuele afweging om ernstig nadeel te voorkomen. Plaatsing op een gesloten afdeling mag nooit een automatisme zijn, de Wzd biedt het wettelijk kader om cliënten hiertegen te beschermen. Ik zie het als mijn rol om deze belangrijke waarborgen te bewaken, ook bij aanpassing van de wetgeving12. Hierbij handel ik conform de Grondwet en de voor Nederland geldende internationale mensenrechtenverdragen. De bescherming van fundamentele rechten, waaronder het recht op persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit, is daarbij leidend.
Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat het wettelijk kader zo is ingericht dat rechtsbescherming en veiligheid duurzaam met elkaar in balans blijven.
Private equity bedrijven die geld verdienen met medische keuringen. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse investeerder verdient aan medische keuringen: «Absurd en frustrerend»»?1
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten de medische keuringen worden verzorgd door een private equity-partij?
Kunt u nader toelichten of er op dit moment richtlijnen bestaan voor de bedragen die gefactureerd worden voor (telefonische) consulten voor bijvoorbeeld het herkeuren voor een gehandicaptenparkeerkaart? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat voor deze diensten een private equity-partij, die primair gericht is op het maken van winst, wordt gecontracteerd? Deelt u de mening dat dit onwenselijke prikkels in de hand werkt?
Deelt u de mening dat dergelijke essentiële diensten primair thuishoren in de publieke of semi-publieke sector en niet in handen zouden moeten zijn van een organisatie die primair winstgedreven is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat deze keuringen in publieke handen komt?
Kunt u ingaan op de wenselijkheid van hoge kosten voor dergelijke keuringen en hoe dit zich verhoudt tot de hogere kosten die mensen met een beperking of chronische ziekte al maken vanwege hun beperking of chronische ziekte?
Hoe verhouden de extra kosten die mensen met een beperking maken, zoals bijvoorbeeld voor de Gehandicaptenparkeerkaart, zich tot het VN-Verdrag voor de Rechten van personen met een handicap? Kunt u inschatten hoeveel extra kosten gemaakt worden door mensen vanwege hun beperking?
Ontvangt u ook signalen van mensen, met een duidelijk zichtbare beperking zoals bijvoorbeeld een amputatie van een been, die desondanks opnieuw gekeurd moeten worden? Bent u bereid de herkeuringen zo in te richten dat alleen mensen van wie het duidelijk en aannemelijk is dat hun fysieke gesteldheid beter kan worden, herkeurd hoeven te worden?
Kunt u nader toelichten op basis waarvan de afweging is gemaakt dat dergelijke keuringen ook uitgevoerd mogen worden door basisartsen, die niet specifiek zijn opgeleid voor het geven van sociaal-medisch advies?
Kunt u aangeven hoeveel personen op jaarbasis de opleiding volgen voor medisch adviseur?
Klopt het dat de verantwoordelijkheid voor investeren in opleiding en professionalisering van artsen voor medisch advies nu bij werkgevers ligt? Zo ja, op welke wijze wordt dan gegarandeerd dat elk van de artsen hetzelfde «basisniveau van deskundigheid heeft?
Het onderzoek “Van Inzicht naar uitvoering van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind. |
|
Marijke Synhaeve (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Ja. Kwaliteitsontwikkeling is versnipperd en er is veel winst te behalen bij de implementatie van kennis en effectieve interventies. De knelpunten bij implementatie kennen organisatorische en inhoudelijke factoren, denk hierbij aan ontbrekende randvoorwaarden zoals tijdsgebrek, hoge werkdruk, gebrek aan personeel en onvoldoende implementatiebegeleiding. Daarom werkt Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) aan de verbetering van de kwaliteit in de jeugdhulp op basis van een Leeragenda1. Onderzoek naar- en implementatie van kennis heeft hierbij nadrukkelijk aandacht. Tevens wordt er in het NWA programma «Doen wat werkt2» manieren van leren op de werkvloer (leerinterventies) voor jeugdzorgprofessionals ontwikkelt en wordt onderzocht hoe deze geborgd kunnen worden binnen teams, organisaties en het jeugdstelsel.
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen? Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering, risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Ja, wij delen de analyse dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is die alleen wanneer dit noodzakelijk en proportioneel is moet worden uitgesproken. Daarbij is de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voornemens het subsidiariteitsvereiste in de rechtsgrond voor de machtiging uithuisplaatsing aan te scherpen in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Tegelijkertijd zien we ook dat het huidige systeem onder druk staat. Hier liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag. Met de veranderstrategie van het Toekomstscenario, die voor de zomer zal worden vastgesteld, werken we samen met de partners aan concrete doorbraakacties die voor de kinderen en gezinnen tot daadwerkelijke en merkbare verbeteringen zullen leiden. Deze doorbraakacties zijn in lijn met de doelen van het toekomstscenario en met de middelen die we hebben. Dat betekent een systeem ingericht aan de hand van de vier pijlers; Eenvoudig, gezinsgericht, rechtsbeschermend en transparant en lerend. Deze beweging zetten we gezamenlijk voort, met onze ketenpartners en medeopdrachtgevers.
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Ja, ik vind het belangrijk dat uithuisplaatsingen en onnodige doorplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen. Als een uithuisplaatsing toch noodzakelijk is, dan dient deze zo kort mogelijk te duren met zo min mogelijk doorplaatsingen. Een uithuisplaatsing is helaas niet altijd te voorkomen. Met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zet ik mij samen met Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in om de zorg voor jeugdigen te verbeteren en uithuisplaatsingen zoveel mogelijk te voorkomen.
In de Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing3 is opgenomen dat voorafgaand aan een uithuisplaatsing samen met het gezin een hulpverleningsplan opgesteld wordt, waarbij de gedeelde verklarende analyse als basis dient. In dit hulpverleningsplan wordt opgenomen op wat ervoor nodig is om het kind te kunnen terugplaatsen, en op welke termijn. Tijdens de uithuisplaatsing moeten de hulp en begeleiding er in de eerste plaats op gericht zijn om het kind zo snel mogelijk weer terug te plaatsen. In de richtlijn is de opgenomen dat een overplaatsing opnieuw een ingrijpende verandering betekent voor het kind, met risico’s op schade. In zo’n situatie moet altijd opnieuw de mogelijkheid om het kind terug te plaatsen in de thuissituatie worden overwogen.
Het aantal onnodige doorplaatsingen moet verder worden teruggedrongen. Daarvoor is het nodig om samen met gemeenten en aanbieders voldoende plekken en beter passende zorg te organiseren. Een goede analyse van problematiek is daarbij heel belangrijk, met een grote rol voor een lokaal team. Daarnaast is samenwerking tussen aanbieders bij complexe cases essentieel, in plaats van doorschuiven naar een ander. Het werk dat we samen verzetten om Hervormingsagenda Jeugd uit te voeren, draagt bij aan terugdringen van onnodige doorplaatsingen, onder meer via het kwaliteitskader brede analyse. Om dit inzichtelijk te maken heb ik samen met het CBS en Jeugdzorg Nederland verkend of een monitor kon worden opgezet voor het aantal doorplaatsingen, maar hierover konden geen betrouwbare uitspraken worden gedaan.
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de rijksoverheid als gemeenten wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke hulp?
Belangrijke pijlers van het Toekomstscenario zijn eenvoudig en gezinsgericht werken. Dat betekent dat een vaste hulpverlener (uit het Lokale Team) zo lang betrokken blijft als nodig bij een gezin. Het lokale team vormt het vaste gezicht voor het gezin en betrekt andere (veiligheids)expertise waar nodig. Professionals in proeftuinen geven aan dat ze daardoor meer inzicht krijgen in de gezinsdynamiek, de juiste hulp tijdig kan worden betrokken zodat escalatie wordt voorkomen en er meer vertrouwen ontstaat van gezinnen in de hulpverlening.
Zoals het rapport van het Verweij Jonker instituut aangeeft, vergt gezinsgerichte samenwerking inspanning en de lange adem van betrokkenen op alle niveaus: op micro niveau (professionals die het hele gezin en achterliggende problemen in oogschouw nemen bij de hulpverlening), meso niveau (organisaties die domeinoverstijgende samenwerking faciliteren met tijd en professionele ruimte) en op macro niveau (landelijke kaders die gezinsgericht werken ondersteunen). In het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de Hervormingagenda Jeugd zetten we in op alle drie deze niveaus, door o.a. een Handelingskader gericht op het breed kijken en analyseren voor professionals, een Convenant Lokale Teams, actieonderzoek van IPW en «Kompas domeinoverstijgende samenwerking» als leidraad voor gemeenten en organisaties op meso niveau.
Tot slot zorgen we ook dat landelijke kaders goed benut kunnen worden; zo gaan we met de Nederlandse GGZ na of de consultatiefunctie ggz goed werkt voor jeugdzorgprofessionals (afspraak AZWA) en hoe gezinsgericht werken kan worden geborgd in de volwassenen-ggz (Actieprogramma Mentale gezondheid en ggz). Ook wordt door het Rijk, in samenwerking met de VNG, gewerkt aan een Sociale Agenda voor Nederland. Dit wordt een structurele en integrale agenda waarin ook huisvesting, leefbaarheid van wijken, gezondheid en zorg, veiligheid, lokale teams en onderwijs worden samengebracht.
Juist omdat gezinsgericht werken een verandering vraagt op al deze niveaus, is die niet van vandaag op morgen gerealiseerd, maar vraagt dit om een lange adem en een blik over de domeinen heen bij alle betrokkenen.
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Dat begrijpen wij. Het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming is er dan ook op gericht om bij volwassenen of kinderen waar veiligheidsvraagstukken spelen met één of twee vaste hulpverleners (uit het lokaal team en indien nodig het veiligheidsteam) betrokken te blijven bij een gezin. Op basis van een brede analyse van wat er speelt in het gezin aan het begin van de hulpverlening, wordt zonodig de verschillende expertise en ondersteuning erbij betrokken. Daarbij is het van belang ook te kijken naar achterliggende oorzaken, bijvoorbeeld slechte huisvesting, GGZ problematiek, of schuldenproblematiek die voor stress zorgen. De vaste gezichten blijven echter altijd het vaste aanspreekpunt. Deze werkwijze wordt uitgewerkt in een handelingskader voor alle professionals die te maken hebben met onveiligheid in thuissituaties.
Proeftuinen van het Toekomstscenario hebben hier goede ervaringen mee opgedaan: door langdurig betrokken te blijven kennen hulpverleners de dynamiek in gezinnen goed, ontstaat wederzijds vertrouwen en kan op tijd de juiste hulp worden ingezet, waardoor ook escalatie van problematiek wordt voorkomen. In de voortgangsbrief Jeugd informeren wij u over het de voortgang van het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet u om dit mogelijk te maken?
Ik ben in gesprek met VNG en collega bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers.
Binnen het Rijk wordt al op verschillende manieren gewerkt aan het stimuleren van domeinoverstijgend werken. Met het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek (Wams) wordt voorgesteld om de taken van het college in de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek te expliciteren. Het college krijgt met dit wetsvoorstel de taak om op verzoek van een cliënt of (een gemotiveerd) verzoek van een al betrokken professional een onderzoek naar de mogelijkheid (of noodzaak) tot een gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek instellen. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, heeft het college de taak om een gecoördineerde aanpak van de gebleken meervoudige problematiek te organiseren. Daartoe wijst het college een persoon als coördinator aan.
Daarnaast regelt het concept Wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet o.a. dat het college verantwoordelijk is voor samenhang en effectieve samenwerking tussen het lokale team en andere domeinen zoals maatschappelijke ondersteuning, participatie, schuldhulpverlening, onderwijs, veiligheid, publieke gezondheidszorg en zorg. Ook wordt met dit conceptwetsvoorstel richting gegeven aan de samenwerking tussen lokale teams en scholen. Het conceptwetsvoorstel is tot 13 april 2026 opgesteld voor internetconsultatie4.
Voor wat betreft de flexibilisering van budgetten geldt dat het grootste deel van de middelen voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning in de algemene uitkering van het gemeentefonds zitten. De middelen hierin zijn vrij besteedbaar en kunnen dus flexibel worden ingezet. Met ingang van 1 januari jl. is verder de Wet domeinoverstijgende samenwerking in werking getreden. Hiermee hebben zorgkantoren meer financiële ruimte gekregen om afspraken over de zorgdomeinen heen te maken.
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen betekenis van school als stabiele factor?
De school is voor jeugdigen en hun ouders een vertrouwde plek is: ze komen er dagelijks en worden er gezien. De school is bij uitstek de plek om signalen op te vangen en jeugdigen te ondersteunen vanuit de voor hen vertrouwde pedagogische basis. Het onderwijs is daarmee al een vaste partner in de vroegsignalering en ondersteuning, door o.a. de inzet van de jeugdgezondheidszorg en jongerenwerkers op school.
Deze samenwerking en afstemming wordt verder versterkt en geborgd in het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet dat half februari in internetconsultatie is gegaan. Met dit wetsvoorstel wordt mede beoogd de samenwerking tussen het onderwijs en lokale teams te versterken, zodat scholen het lokale team kunnen betrekken bij vragen en ondersteuning. Met als doel kinderen in de eigen omgeving op te laten groeien en naar school te laten gaan. Ook is dit onderdeel van de afspraken in het convenant stevige lokale teams. Hieraan werk ik samen met de VNG, mijn collega de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en relevante andere partijen, zoals aanbieders en client- en beroepsorganisaties. Dit convenant is inmiddels afgesloten. Tot slot werk ik samen met mijn collega de van OCW aan inclusief onderwijs. Met als doel dat kinderen thuis nabij onderwijs kunnen volgen en zich kunnen ontwikkelen in een passende leeromgeving, waar indien nodig op school ondersteuning op maat geboden wordt.
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Ja, wij delen de opvatting van de onderzoekers dat pilots en projecten alleen echt waarde hebben als de lessen daaruit structureel worden verankerd in beleid, financiering en uitvoering. Het rapport is daar duidelijk over: duurzame verandering ontstaat niet door losse projecten, maar vraagt om een breed gedragen visie, langetermijnstrategie en structurele samenwerking op alle niveaus.
Dit sluit goed aan bij de fase waarin we zitten met het Toekomstscenario. Waar de afgelopen jaren vooral in het teken stonden van verkennen, beproeven en leren in proeftuinen binnen de huidige wettelijke kaders, ligt de opgave nu in het duurzaam verankeren van werkzame elementen in de praktijk. Daarmee verschuift de focus van experimenteren naar transitie: het gericht veranderen van cultuur, werkwijze en structuur, zodat de beoogde manier van werken niet naast het bestaande stelsel blijft bestaan, maar er stap voor stap onderdeel van wordt.
Concreet betekent dit dat we nu zijn aangekomen om wat beproefd is te verbreden, verdiepen en op te schalen naar landelijke dekking. Dit zal worden verwerkt in de veranderstrategie van het Toekomstscenario die voor de zomer zal worden vastgesteld.
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Een goede vraagverheldering samen met het gezin is cruciaal voor het kunnen inzetten van passende hulp, zoals ook opgenomen in de richtlijn «Samen beslissen over hulp5». Bepaalde situaties vragen om een (gedeelde) Verklarende Analyse, zoals een (overwogen) uithuisplaatsing. Ik zie ook dat jeugdregio’s en zorgaanbieders dit belang erkennen. Zo hebben in Noord-Holland hebben jeugdregio’s en zorgaanbieders dit ook afgesproken binnen een Thuis van Noortje. Namelijk dat wanneer een uithuisplaatsing overwogen wordt, er altijd recent een verklarende analyse gemaakt moet zijn die als basis dient voor de vervolgstappen. Ook bij plaatsing in de gesloten jeugdhulp is het belangrijk dat er een actuele verklarende analyse is. Dit is onderdeel van de bestuurlijke afspraken die medio 2024 zijn gemaakt tussen Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland. In de richtlijn «beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing» staat: bij de afweging over uithuisplaatsing is een gedeelde verklarende analyse noodzakelijk. Aangezien professionals volgens de wet moet handelen met de voor die hulpverlener geldende professionele standaard (artikel 4.1.1. lid 3), is het belangrijk dat dit in de richtlijnen is opgenomen.
Een (gedeelde) verklarende analyse is daarmee een randvoorwaarde vóór uithuisplaatsing, maar we weten vanuit de praktijk dat dit niet overal gebeurt, en dat het ook niet altijd goed gebeurt. Zodoende wordt er gewerkt aan verbetering en implementatie van verklarend analyseren via KBL. KBL heeft in hun Leeragenda een leerlijn «Verklarend analyseren» geprioriteerd. Deze wordt dit jaar uitgevoerd. Deze leerlijn versterkt de beweging om een gedeelde verklarende analyse beter toe te passen en verder te verbeteren als basis voor jeugdhulp.
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Ja, wij delen de opvatting dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming rond uithuisplaatsingen. Het rapport stelt expliciet dat de kwaliteit van besluitvorming en het eerder inzetten van passende hulp staat of valt met het vakmanschap van professionals. Daarbij gaat het niet alleen om opleiding en kennis, maar ook om luisteren, reflecteren, durven vertragen, multidisciplinair toetsen en werken met intervisie, supervisie en steun van gedragswetenschappers en collega’s. Deze elementen worden momenteel verder uitgewerkt in het Toekomstscenario, specifiek in het handelingskader dat geschreven wordt voor en door professionals, maar ook in de proeftuinen wordt gekeken wat dit dan in de praktijk behelst.
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren? Op welke andere manier kunt u «schotten doorbreken», zoals het advies luidt?
Zeker ben ik bereid om met mijn collega’s van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken in gesprek te gaan, maar ook met onderzoekers, hulpverleners, kinderen en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren. Ik ben in gesprek met VNG en collega-bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers. Daarnaast zijn er al veel initiatieven. In Tilburg wordt een actieonderzoek voorbereid in samenwerking met IPW rond een bureaucratievrij kindcentrum. Hier wordt onder andere in kaart gebracht hoe de financiering vanuit gemeente en Rijk vereenvoudigd kan worden. Naar verwachting worden de eerste onderzoeksresultaten eind dit jaar bekend
Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Kraamverzorgers bevinden zich in een unieke positie waarin zij voor een periode dagelijks aanwezig zijn bij een gezin. Zij krijgen zicht op de thuissituatie dat andere professionals vaak niet hebben. Dat maakt hen een belangrijke schakel in de (vroeg)signalering van mogelijke problemen in een gezin waaronder huiselijk geweld en kindermishandeling.
Beide beroepsgroepen vallen onder de wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling2. Dat betekent dat zij bij signalen een zorgvuldige afweging moeten maken, de stappen van de meldcode doorlopen en zo nodig advies vragen of een melding doen.
Uit het aantal meldingen vanuit de kraamverzorgers en verloskundigen kan niet geconcludeerd worden dat deze professionals niets doen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Deze cijfers gaan over formele meldingen en moeten worden bezien in het licht dat veel signalen in eerste instantie intern worden besproken en opgepakt of er wordt advies gevraagd bij Veilig Thuis zonder dat dit direct leidt tot een formele melding.
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Ja, de kraamtijd kan naast een doorgaans heel vreugdevolle periode ook een kwetsbare fase zijn. In een korte tijd vinden ingrijpende veranderingen plaats binnen een gezin. Soms kan door bijkomende stress onveiligheid ontstaan. Vroegsignalering is daarom van groot belang. Het versterken van deze signaleringsfunctie vraagt om blijvende aandacht voor het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor de juiste toepassing van de meldcode. Daarnaast is het van belang de samenwerking tussen betrokken professionals te versterken, bijvoorbeeld voor een warme overdracht tussen verloskundigen, kraamzorg en consultatiebureau, zodat geen signalen verloren gaan. Ik ga samen met de beroepsgroepen in gesprek over wat nodig is rondom het versterken van de meldcode en de signaleringsfunctie.
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Angst voor represailles kan een rol spelen bij de terughoudendheid om een melding te doen. Kraamverzorgers en verloskundigen werken in een persoonlijke en kwetsbare setting en bouwen in een korte tijd een vertrouwensrelatie op met het gezin. De vrees om deze relatie te schaden en hierdoor geen zorg meer te kunnen leveren of om geconfronteerd te worden met negatieve reacties of represailles kan drempelverhogend werken.
Het is belangrijk om deze zorgen serieus te nemen, zonder dat dit afdoet aan de verantwoordelijkheid om te handelen bij signalen van onveiligheid. Het onderwerp neem ik mee in de gesprekken met de beroepsgroep, zodat eventuele zorgen of ervaringen uit de praktijk beter in beeld komen. De meldcode helpt professionals om de juiste stappen te zetten waar ook zorgen om hun eigen veiligheid besproken kunnen worden. Zo wordt er in stap 2 van de meldcode bijvoorbeeld geadviseerd om advies in te winnen bij Veilig Thuis, dit kan anoniem. Er wordt niet geregistreerd op naam van degene waarover de zorgen zijn. Daar kan dan ook besproken worden hoe de professional met zorgen over eigen veiligheid om kan gaan. Ook bij verdere stappen van de meldcode kan Veilig Thuis met de professional meedenken. Daarnaast zijn er verschillende trainingen over de meldcode en de dilemma’s waar tegenaan wordt gelopen die professionals kunnen gebruiken om onderling hun zorgen bespreekbaar te maken3.
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Er is geen landelijk overzicht van het aantal gevallen waarbij melders na contact met Veilig Thuis te maken hebben gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld. Veilig Thuis houdt bij de behandeling van een melding rekening met de mogelijke veiligheidsrisico’s voor zowel betrokkenen als professionals.
Indien sprake is van bedreiging of geweld, kan aangifte worden gedaan en kan de werkgever maatregelen nemen. Zorgverleners vallen onder het programma «Veilige Publieke dienstverlening», hierin is aandacht voor het creëren van een veilige werkomgeving, het doen van aangifte en goede begeleiding na een incident4.
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Het niet anoniem kunnen doen van een formele melding bij Veilig Thuis kan bijdragen aan terughoudendheid aan de kant van zorgverleners. De meldcode biedt handvatten om zorgvuldig te handelen en waar mogelijk transparant te zijn richting betrokkenen, wat in de praktijk vaak helpend is in het verlenen van zorg en het opbouwen van een vertrouwensrelatie.
In uitzonderingssituaties is het mogelijk om een verzoek bij Veilig Thuis te doen om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit is mogelijk als sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen5.
Het is altijd mogelijk om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis zonder direct een melding te doen. Deze adviesfunctie is juist bedoeld om professionals te ondersteunen bij twijfel en handelingsverlegenheid te verminderen.
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf het uitgangspunt van Veilig Thuis dat anoniem melden door zorgprofessionals in beginsel niet wenselijk is binnen het professioneel handelen van een zorgverlener. Op het moment dat een hulpverlener zich zorgen maakt, is het belangrijk dat deze hulpverlener, het liefst met advies van Veilig Thuis, de zorgen bespreekbaar maakt. Als leden in een gezin open staan voor hulp, en de professional kan dit leveren is het niet altijd nodig om een melding te doen. Bij acuut of structureel gevaar is het de professionele norm om altijd een melding te doen. Een formele melding bij Veilig Thuis vormt het startpunt van een onderzoek naar de veiligheidssituatie.
Om een zorgvuldige veiligheidsbeoordeling te kunnen maken, is het van belang dat informatie herleidbaar is en dat Veilig Thuis zo nodig kan doorvragen of terugkoppelen. Ook moet Veilig Thuis voor het onderzoek aan het gezin kunnen uitleggen waar de zorgen uit bestaan en wat de aanleiding is voor betrokkenheid van Veilig Thuis. Bij een anonieme melding is dat niet mogelijk, wat de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek kan beperken en de kansen voor effectieve vervolghulp.
In uitzonderlijke situaties is het echter mogelijk dat de melder een verzoek doet bij Veilig Thuis om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit kan als er sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen6. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
De mogelijkheid om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis is een waardevol instrument. Het stelt professionals in staat om twijfels en signalen te bespreken, hun observaties te toetsen en handelingsperspectief te krijgen zonder direct een melding te doen. Juist wanneer een drempel wordt ervaren, kan anoniem advies vragen een belangrijke eerste stap zijn.
Uit cijfers blijkt dat het aantal adviesvragen jaarlijks toeneemt7. Veilig Thuis werkt actief aan het versterken van de adviesfunctie. Daarnaast wordt verkend wat de meerwaarde is van het verplicht stellen van het vragen van advies bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling8. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gesproken met professionals over hun ervaringen met de adviesfunctie.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
In Nederland is bewust gekozen voor een meldcode in plaats van een meldplicht. Uitgangspunt is dat niets doen bij signalen geen optie is maar dat professionals ruimte hebben om een zorgvuldige afweging te maken in het belang van het kind en gezin. Het uitgangspunt is en blijft dat professionals eerst zelf zorgen bespreekbaar maken. Verder geldt vanuit de meldcode dat bij signalen van acuut of structureel geweld, de norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis.
Het is van belang dat deze afweging zorgvuldig en goed onderbouwd plaatsvindt. Daarom wordt verkend wat de toegevoegde waarde kan zijn van het verplicht stellen van het vragen van advies. Dit kan professionals ondersteunen en sterken in het handelen. Daarnaast blijft het belang dat er binnen de organisaties duidelijke afwegingskaders aanwezig zijn, dat medewerkers structureel worden geschoold in het herkennen van signalen en in het toepassen van de meldcode.
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
De personeelstekorten en werkdruk kunnen invloed hebben op de werkomstandigheden van kraamverzorgenden en het proces van (vroeg)signalering en afstemming mogelijk bemoeilijken. Het is daarom van belang dat binnen organisaties ruimte is voor intervisie, overleg en reflectie.
Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. In de Kamerbrief over de kraamzorg9 heeft het kabinet de Kamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk10 geïnformeerd over de maatregelen. Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg te verbeteren. Hieraan werken zij samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde daarvan is er een transformatieplan11 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.
De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk. Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiseren van passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken dat passende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraamzorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvoldoende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet de komende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.
Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgonderzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen en mogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieel om te kunnen sturen op passende kraamzorg.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
Om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in de eerste levensfase onopgemerkt blijven, wordt onder andere ingezet op verdere versterking van de adviesfunctie bij Veilig Thuis. Zo is een digitaal platform gerealiseerd, wordt de chatfunctie uitgebreid naar een 24/7 bereikbaarheid voor advies en ondersteuning en zet Veilig Thuis in de regio ook in op bekendheid van wat Veilig Thuis aan advies en ondersteuning kan bieden. Daarnaast blijft het van belang dat de meldcode door organisaties in de praktijk goed wordt geïmplementeerd en toegepast, zodat signalen tijdig worden herkend en opgepakt. Dat zal worden meegenomen in de gesprekken met de sector. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.
Verder wordt ingezet op het landelijke programma Kansrijke Start, dat zich richt op de eerste 1.000 dagen van een kind. Binnen dit programma speelt vroegsignalering van risicofactoren voor huiselijk geweld en kindermishandeling een belangrijke rol. Evenals het versterken van de samenwerking tussen het medische en sociale domein en het tijdig ondersteunen van kwetsbare gezinnen12. Er wordt op dit moment in opdracht van VWS een multidisciplinaire scholing Eerste 1000 Dagen ontwikkeld. De scholing beoogt bij te dragen aan het verspreiden en verdiepen van vakkennis over de eerste 1.000 dagen en (toekomstige) ouders in kwetsbare omstandigheden voor alle professionals die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het belang van vroegsignalering en het versterken van de samenwerking tussen professionals uit het sociaal, medisch en informeel domein. De scholing is o.a. bedoeld voor verloskundigen en kraamzorgprofessionals. Daarnaast worden dit jaar factsheets Kansrijke Start ontwikkeld voor verschillende beroepsgroepen die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen, waaronder de kraamzorg en verloskundigen, waarin ook het belang van vroegsignalering en tijdig handelen naar voren komt.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: ’Gezondheid patiënten staat op het spel’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Erkent u de uitkomsten van het onderzoek door het SIR instituut en de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) dat jaarlijks circa vier miljoen patiënten worden geconfronteerd met medicijntekorten en dat in meer dan zeventig procent van de gevallen het gaat om preferent aangewezen medicijnen die niet leverbaar zijn?1
Het kabinet is bekend met het onderzoek. In het onderzoek van het SIR instituut en LEF wordt geconstateerd dat 56,7% van de geregistreerde tekorten plaatsvond in een groep van geneesmiddelen waarop preferentiebeleid wordt gevoerd2. Het verbaast mij niet dat een groot deel van de in de «meldweek» gemelde tekorten en leveringsproblemen gaat om preferente geneesmiddelen. Het aandeel van de geneesmiddelenmarkt waarover preferentiebeleid wordt gevoerd is namelijk groot: in 2023 werd op 86% van de extramuraal geleverde geneesmiddelen preferentiebeleid gevoerd3. Het percentage uit het onderzoek van het SIR instituut en LEF zegt niets over een eventueel oorzakelijk verband tussen het voeren van het preferentiebeleid en het ontstaan van geneesmiddelentekorten of andere leveringsproblemen.
Het kabinet deelt met mevrouw Coenradie dat, ondanks dat de tekorten teruglopen, nog steeds te veel patiënten geraakt worden door geneesmiddelentekorten. Dit vindt het kabinet onwenselijk. Het kabinet zet zich dan ook onverminderd in om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid te verbeteren. Nog dit voorjaar informeert het kabinet de Kamer, zoals gebruikelijk, over de voortgang van de ingezette maatregelen en over de verdere plannen om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat voor het welzijn van al deze patiënten slechts één relevante definitie bestaat: een tekort is een tekort zodra de apotheek het medicijn niet kan leveren, ongeacht wat er administratief wordt geregistreerd?
Het kabinet deelt deze opvatting grotendeels. Uiteraard is ook voor dit kabinet het belangrijkst dat de patiënt over diens geneesmiddel kan beschikken. Maar op meer plekken in de keten kunnen problemen ontstaan met de beschikbaarheid van geneesmiddelen, waar de patiënt niets van hoeft te merken. Bijvoorbeeld bij de producent of groothandel. Ook op die plekken wil het kabinet de beschikbaarheid van geneesmiddelen verbeteren. Om ervoor te zorgen dat álle partijen in de keten sneller en duidelijker kunnen communiceren, handelen en monitoren, en zo uiteindelijke tekorten voor patiënten te voorkomen, is binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om uniforme definities van geneesmiddelentekorten op te stellen.
Het kabinet deels overigens niet de stelling uit het Telegraaf-artikel dat er sprake is van een tekort als er een bepaald merk van een geneesmiddel niet beschikbaar is, terwijl andere merken van hetzelfde geneesmiddelen wel beschikbaar zijn. In verreweg de meeste gevallen kan een patiënt overstappen naar een ander merk van hetzelfde geneesmiddel zonder dat dat gevolgen heeft voor diens gezondheid.4
Deelt u de signalen uit de apotheekpraktijk dat apothekers met de rug tegen de muur worden gezet: het preferente middel is er niet, een alternatief ligt wel op de plank, maar als de apotheker dat alternatief verstrekt riskeert hij een boete van de zorgverzekeraar?
Het kabinet kent de signalen dat apothekers zich in dergelijke situaties soms klemgezet kunnen voelen en dat dit (financiële) onzekerheid voor hen creëert. Daarom neemt het kabinet deze signalen mee in gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid.
Deze onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt doordat de aanduiding van deze situatie in informatiesystemen niet gestandaardiseerd is en anders wordt beoordeeld door zorgverzekeraars. Een andere oorzaak ligt in de snelheid waarmee informatiesystemen aangepast kunnen worden. Om te zorgen voor een betere en snellere aansluiting tussen leverbaarheid en vergoedingsstatus is in het AZWA afgesproken dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gaan zorgen voor snelle aanpassing van de vergoedingsstatus door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is. Ook werken zij aan meer frequente updates van de informatie hierover in informatiesystemen. Zodra zij dit gerealiseerd hebben is het voor apothekers veel sneller dan nu duidelijk welk alternatief zij binnen het preferentiebeleid kunnen afleveren. Ook neemt hierdoor de administratieve last voor apothekers af doordat hun ICT-systemen sneller actueel zijn. Het kabinet is blij dat de KNMP en ZN dit oppakken en spoort hen aan hier voortvarend mee aan de slag te gaan.
Het is van belang dat er heldere, realistische en eenduidige afspraken zijn over de situaties waarin een preferent aangewezen merk van een geneesmiddel niet voorradig is. Uiteindelijk is het aan de zorgverzekeraars en apotheken zelf om hier in de inkoopgesprekken afspraken over te maken, voor zover dat niet al gebeurt. Het kabinet vraagt daar bij beide partijen aandacht voor.
Vind u deze situatie verdedigbaar en zo ja, hoe legt u dat uit aan de patiënt die met lege handen naar huis moet?
Het komt zelden voor dat patiënten zonder behandeling komen te staan als een preferent aangewezen middel niet voorradig is. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.5
Bent u bereid om per direct, zonder te wachten op lopend onderzoek, een noodmaatregel in te voeren waarbij apothekers geen boetes van zorgverzekeraars krijgen wanneer zij in dringende situaties een beschikbaar alternatief verstrekken, aangezien wat op papier beschikbaar is in de praktijk niet aan de balie bestaat? Zo nee, wat is dan uw alternatieve oplossing voor de patiënt die morgen zijn hartmedicatie nodig heeft maar niet gaat krijgen?
Nee, het kabinet ziet geen noodzaak tot het instellen van een noodmaatregel. Contractuele afspraken over de omgang met dit soort situaties zijn een zaak tussen apothekers en zorgverzekeraars. Het kabinet begrijpt dat er onzekerheid ontstaat bij apotheken doordat niet alle zorgverzekeraars op dezelfde manier met deze situaties omgaan. Het kabinet gaat hiervoor aandacht vragen bij de koepels van apotheken en zorgverzekeraars.
Kunt u uitleggen waarom een patiënt in het huidige systeem niet mag bijbetalen voor een vertrouwd medicijn, maar wel de volledige kosten zelf moet betalen als hij dat middel wil blijven gebruiken?
Een systeem waarin patiënten kunnen bijbetalen voor niet-preferent aangewezen middelen creëert ongelijke toegang tot zorg en verhoogt de totale zorgkosten. Dat wordt hieronder nader toegelicht.
In het huidige systeem vergoedt de zorgverzekeraar per groep geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof in ieder geval één variant volledig. Op deze variant krijgt de zorgverzekeraar korting van de leverancier. Het preferentiebeleid is nu zo vormgegeven dat bijbetaling binnen zo’n groep niet toegestaan is. Dit houdt de uitvoering eenvoudig en de zorgkosten beheersbaar. Een niet-preferent geneesmiddel valt buiten de basisdekking, dus de verzekerde betaalt het hele bedrag zelf.
Dit kan oneerlijk lijken omdat een bekend, maar duurder geneesmiddel niet vergoed wordt. Ook niet voor een deel. Het huidige systeem is juist solidair en rechtvaardig omdat iedere verzekerde met dezelfde aandoening dezelfde behandeling volledig vergoed krijgt, ongeacht inkomen. Bijbetaling zou ongelijke toegang tot zorg creëren, omdat niet iedereen uit eigen portemonnee kan bijbetalen. En het zou de totale zorgkosten verhogen door voorkeur voor varianten waarop de zorgverzekeraar geen korting krijgt.
Ook zou vaker kiezen voor duurdere geneesmiddelen waarop de zorgverzekeraar geen korting ontvangt de totale zorgkosten verhogen, waardoor premies voor iedereen stijgen. Daarnaast zou deze mogelijkheid betekenen dat de zorgverzekeraar zich niet aan haar afspraken met de leverancier kan houden. De zorgverzekeraar krijgt namelijk korting van de leverancier omdat eerstgenoemde garandeert dat het betreffende merk van het geneesmiddel voor al diens verzekerden het preferent aangewezen middel is. Dat is niet meer het geval als een verzekerde door bijbetaling een ander geneesmiddel kan krijgen. Dit zou de onderhandelingspositie van zorgverzekeraars ten opzichte van leveranciers verslechteren, opnieuw met hogere zorgkosten als gevolg.
Waarom acht u deze situatie rechtvaardiger dan een systeem waarbij iemand alleen het prijsverschil bijbetaalt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het pleidooi van de apothekersbranches voor een systeem van «laagste prijs + bandbreedte», waarbij meerdere merken van een medicijn volledig worden vergoed en waarvoor geen jarenlang onderzoek maar een beleidsbesluit nodig is? Bent u bereid om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 met zorgverzekeraars concrete afspraken te maken over de implementatie van dit model? Zo nee, wat is uw bezwaar tegen een systeem dat leveringszekerheid vergroot zonder afbreuk te doen aan kostenbeheersing?
Ja, het kabinet is bekend met het pleidooi voor een «laagste prijs + bandbreedte»-model. De stellingname die de schrijvers van het pleidooi doen dat dit model de leveringszekerheid vergroot zonder kostenstijging vraagt om meer onderbouwing. Doorgaans brengen bredere vergoedingen hogere zorguitgaven met zich mee.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om afspraken te maken over de implementatie van dit model. Het kabinet werkt op dit moment aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet verwacht u in lijn met de motie eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie. Het lijkt mij zinvol om deze evaluatie af te wachten. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan, kan dan overwogen worden alternatieven zoals dit model nader te verkennen.
Kunt u, aangezien zorgverzekeraars rapporteren over de besparingen van het preferentiebeleid, ook inzichtelijk maken wat de totale maatschappelijke kosten zijn: extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames door medicatiewisselingen, uitvoeringslasten voor apothekers, en de menselijke tol van patiënten die zonder medicatie zitten?
Ja, de evaluatie van het preferentiebeleid die op verzoek van de Kamer wordt uitgevoerd beoogt naast de besparingen ook de maatschappelijke kosten en baten van het preferentiebeleid in beeld te brengen. Het kabinet verwacht u eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
Erkent u dat «goedkoop op papier» niet hetzelfde is als «doelmatig in de praktijk»?
Als het lid Coenradie bedoelt dat aan het preferentiebeleid behalve baten ook kosten verbonden kunnen zijn, dan deelt het kabinet dat. Zoals hierboven aangegeven is het doel van de evaluatie van het preferentiebeleid om de totale kosten en baten inzichtelijk te maken. Dit omvat niet alleen de directe besparingen op papier, maar ook effecten op de administratieve lasten voor apothekers, op de beschikbaarheid van geneesmiddelen en op de patiëntenzorg.6
Bent u bereid om uiterlijk eind februari 2026 een spoedoverleg te beleggen met zorgverzekeraars, apothekersbranches en patiëntenvertegenwoordigers, met als concrete opdracht: het vaststellen van afspraken die per 1 april 2026 operationeel zijn, zodat patiënten niet langer met lege handen naar huis gaan terwijl alternatieven op de plank liggen?
Het kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het inlassen van een spoedoverleg. Er vindt namelijk al regelmatig overleg met hen plaats. Specifiek werkt het kabinet bijvoorbeeld met de zorgverzekeraars, apothekersbranches en andere relevante partijen aan verbeteringen van het inkoop- en preferentiebeleid. En werkt het kabinet met veldpartijen (met vertegenwoordigers van patiënten, leveranciers, groothandels, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, voorschrijvers, apothekers en de overheid) voortvarend aan de structurele verbetering van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Zo wordt in het kader van het AZWA gewerkt aan snelle aanpassing van de vergoeding door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is én aan een frequente update van de informatie hierover in informatiesystemen zoals de G-standaard. Alle veldpartijen zijn zich bewust van de urgentie en dragen naar vermogen bij aan het oplossen van de beschikbaarheidsproblematiek.
Hoe verklaart u aan miljoenen Nederlanders dat, als zij in een levensbedreigende situatie terechtkomen, ze niet geholpen mogen worden vanwege beleid, terwijl een alternatief medicijn beschikbaar is?
Deze vraag wekt de suggestie dat miljoenen Nederlanders, als zij in een levensbedreigende situatie terecht komen, niet geholpen mogen worden. Dat is onjuist. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of met een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.7