De invloed van de negatieve rente op zorg- en onderwijsinstellingen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat verschillende zorginstellingen jaarlijks geld kwijt zijn aan het aanhouden van geld op hun rekeningen?
Ik ben ermee bekend dat zorginstellingen1 te maken kunnen hebben met een negatieve rente over een deel van hun tegoeden bij commerciële banken. Hetzelfde geldt ook voor sommige goededoelenorganisaties (zie antwoord op vraag 9), vermogende consumenten en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel publiek geld jaarlijks wordt onttrokken aan de zorg en het onderwijs door deze negatieve rente?
Er is geen inzicht in de kosten die zorginstellingen in Nederland kwijt zijn aan negatieve rente.2 Dat geldt ook voor onderwijsinstellingen. Onderwijsinstellingen die publieke liquide middelen beheren, hebben zelf de keuze tussen het aanhouden van publieke tegoeden bij het Ministerie van Financiën (middels schatkistbankieren), of bij een commerciële bank. Bij het schatkistbankieren wordt geen negatieve rente gerekend (zie ook antwoord op vraag 11). Van de onderwijsinstellingen is bekend dat zij eind 2019 ongeveer € 3 mld. aan liquide middelen aanhielden bij het Ministerie van Financiën middels schatkistbankieren en ongeveer € 6 mld. op commerciële bankrekeningen hadden staan. Sindsdien is het aantal onderwijsinstellingen dat deelneemt aan schatkistbankieren verdubbeld en de verwachting is dat zij nu aanzienlijk meer middelen in de schatkist aanhouden.
Welke rol heeft het zakelijke karakter van de bankrekeningen op de verplichting om geld af te dragen door de rentestand?
Voor zover bekend rekenen alle Nederlandse banken inmiddels een negatieve rente vanaf een bepaalde depositowaarde. In enkele gevallen rekenen banken dit vanaf een bedrag van € 100.000, maar bij de meeste banken ligt dit bedrag hoger. Voor zover bekend rekent een enkele bank daarbij (vanaf dezelfde drempelwaarde) een ander tarief voor zakelijke klanten dan voor overige klanten.
Snapt u dat het gezien de verplichting om buffers aan te houden wrang is dat onderwijs en zorginstellingen extra achteruit boeren?
Ik kan mij de zorgen over de dalende rente goed voorstellen. Het is wel van belang te noemen dat zorg- en onderwijsinstellingen niet expliciet bij wet verplicht zijn om buffers aan te houden.3 Banken beoordelen wel de kredietwaardigheid en financiële positie van een klant bij het verstrekken van financiering, waaronder de aanwezigheid van voldoende liquide middelen.
Dat banken een negatieve rente rekenen over een deel van hun klantenbestand en tegoeden hangt samen met het huidige renteklimaat. Banken staan door de dalende marktrentes voor een dilemma. Enerzijds willen zij het verschil tussen in- en uitleenrentes (de rentemarge) op peil houden. Dit is van groot belang voor banken die voor hun inkomsten sterk afhankelijk zijn van de rentemarge. Anderzijds zijn banken zich bewust dat het rekenen van een negatieve rente kan leiden tot minder spaarklanten, reputatieschade en verlies aan inkomsten op andere producten.
Een situatie van langdurig lage rentes kan de winstgevendheid van banken onder druk zetten, met potentieel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit.
Welke delen van de zorg en het onderwijs zijn het meest getroffen in termen van financiële afdrachten door het aanhouden van buffers?
Veel zorginstellingen hebben net als bedrijven en vermogende consumenten te maken met negatieve effecten van het lage-renteklimaat, maar ervaren tegelijkertijd ook positieve effecten. Zo hoeft er bijvoorbeeld minder rente over nieuwe leningen betaald te worden. Het is niet vast te stellen hoe de lage rente netto gezien doorwerkt in de financiële positie van specifieke onderwijs- en zorginstellingen. Voor mij staat niettemin buiten kijf dat het aanbod van zorg en onderwijs op peil moet blijven.
In het geval van zorginstellingen zijn zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten verantwoordelijk voor het inkopen van voldoende zorg. De negatieve rente zal daarom naar verwachting geen nadelige gevolgen hebben voor het aanbod van zorg, maar kan tegelijkertijd wel de zorgkosten in sommige gevallen beïnvloeden. Ik moedig zorginstellingen aan de dialoog met gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars aan te gaan waar nodig. Voor wat betreft de onderwijsinstellingen verwijs ik graag naar de mogelijkheid tot het (vrijwillig) schatkistbankieren, omdat daar geen negatieve rente gerekend wordt en ik dus geen negatief effect op het aanbod van onderwijs zie (zie ook het antwoord op vraag 11).
Deelt u de mening dat geld dat wordt uitgegeven aan rente niet ten goede kan komen aan zorg of onderwijs?
Zie antwoord vraag 5.
Wat betekent deze situatie voor het aanbod van zorg en onderwijs?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat deze extra lasten niet mogen leiden tot tekorten waardoor minder zorg en onderwijs geleverd kan worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ermee bekend dat ook goededoelenorganisaties met de negatieve gevolgen van negatieve rentes te maken hebben en deelt u dat dit ongewenst is?
Zoals ik schreef in antwoord op vraag 1 ben ik ermee bekend dat ook een deel van de goededoelenorganisaties te maken kan hebben met een negatieve rente over een deel van hun tegoeden. Ik realiseer me dat het rekenen van negatieve rente over banktegoeden een relatief nieuwe en ongemakkelijke gewaarwording is. De verwachting is immers dat geld bij de bank in de loop van de tijd in waarde groeit of in ieder geval gelijk blijft. Een negatieve rente staat daarmee op gespannen voet. Gelukkig rekenen banken geen negatieve rente door aan alle categorieën rekeningenhouders. Op dit moment rekenen banken over het algemeen aan een klein deel van hun klantbestand een (licht) negatieve rente. Bijvoorbeeld aan klanten met een depositowaarde vanaf € 100.000 of € 500.000.
Bent u bereid om banken ertoe te bewegen een oplossing te vinden zodat publiek geld niet langer afgedragen hoeft te worden?
Vanwege regels ten aanzien van de mededinging en het gegeven dat banken zelf gaan over hun rentetarieven, ben ik terughoudend met het opzetten van gesprekken met banken over hun prijsstelling. Wel wil ik blijven benadrukken dat ik een negatieve rente voor de gewone spaarder ongewenst vind. Hierover schreef ik uw Kamer in december 2019, waarin ik tevens verslag deed van gesprekken met de afzonderlijke (consumenten)grootbanken over de dilemma’s die zij ervaren in het lage-renteklimaat.4 Ik blijf van mening dat gewone spaarders voldoende mogelijkheden dienen te behouden om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Indien deze mogelijkheden significant worden beperkt zal ik het onderwerp opnieuw ter hand nemen, en indien opportuun ook wetgeving overwegen.
Ook wil ik hier benadrukken dat publieke instellingen die publieke liquide middelen beheren terecht kunnen bij het schatkistbankieren (zie ook antwoorden op vragen 2 en 11). Het Ministerie van Financiën rekent hierbij geen negatieve rente. Op dit moment nemen al veel instellingen deel aan het schatkistbankieren.
Bent u bereid om daarbij de optie te onderzoeken of het aanhouden van publieke financiële middelen bij de overheid een optie is?
Zoals genoemd in antwoord op vraag 2 kunnen publieke liquide middelen bij het Ministerie van Financiën worden aangehouden middels het schatkistbankieren. Voor een aantal instellingen, zoals ministeries en decentrale overheden, is dit verplicht, bijvoorbeeld vanwege hun wettelijk taak. Andere instellingen mogen vrijwillig gebruik maken van schatkistbankieren, bijvoorbeeld vanwege een risico-arm beheer van (publieke) middelen. Dit geldt onder andere voor bekostigde onderwijsinstellingen.5 De publieke gelden die zij ontvangen mogen worden aangehouden bij het Ministerie van Financiën. Het Ministerie van Financiën rekent hierover geen negatieve rente.
Het schatkistbankieren zoals in Nederland ingericht is uniek in Europees perspectief. Eind 2017 waren er al meer dan 1000 deelnemers aan het schatkistbankieren6 en hun aantal neemt gestaag toe. Ik blijf constant onderzoeken wat de mogelijkheden zijn binnen de beleidsmatige en juridische kaders om publieke liquide middelen bij de overheid aan te houden. Deelname aan schatkistbankieren is echter niet zonder beperkingen. Niet alle (semi)publieke instellingen kunnen deelnemen. Zo moeten deelnemers publieke liquide middelen in beheer hebben, moet risico-arm beheer van deze middelen wenselijk zijn en moet deelname niet strijdig zijn met de staatssteunregels.
Waar schatkistbankieren voor het overgrote deel van de onderwijsinstellingen mogelijk is, geldt dat niet voor sommige andere (semi)publieke taken waaronder de meeste zorginstellingen. In het huidige zorgstelsel zijn de mogelijkheden om financiële middelen van deze instellingen aan te houden bij de overheid zeer beperkt.
Aanwijzing ex artikel 34, eerste lid, Wet publieke gezondheid |
|
Vera Bergkamp (D66), Antje Diertens (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom heeft u op 25 januari 2021 het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) aangewezen als locatie waar Covid-19-patiënten gedwongen kunnen worden geïsoleerd? Klopt het dat het gaat om de locatie Beatrixoord in Haren? Waarom is deze aanwijzing niet eerder gedaan? Wat was voor u de reden die keuze nu te maken? Waarom is de keuze gevallen op het UMCG? Hoeveel patiënten kan het UMCG maximaal opnemen?
Op basis van artikel 31 van de Wet publieke gezondheid (Wpg) kan door de voorzitter van de veiligheidsregio een beschikking tot verplichte isolatie worden opgelegd aan een persoon waarvan vermoed wordt of is vastgesteld besmet te zijn met een A-ziekte en die niet mee wil werken aan isolatie, in een daarvoor aangewezen (deel van een) ziekenhuis. In artikel 34 Wpg is bepaald dat isolatie plaatsvindt in een gesloten deel van een ziekenhuis dat is aangewezen door de Minister. Voor covid-19 was nog geen ziekenhuis aangewezen. In overleg met het UMCG en RIVM is gekozen voor de locatie Beatrixoord, omdat deze locatie ook al is aangewezen als locatie bij een verplichte isolatie bij tuberculose patiënten. Mijn besluit tot het aanwijzen van het UMCG had eerder plaats moeten vinden, maar is ten onrechte blijven liggen. Met dit besluit wordt alsnog de formele situatie geregeld dat er een ziekenhuis is aangewezen op het moment dat een voorzitter van de veiligheidsregio een verplichte isolatie beschikking oplegt. Met het UMCG is besproken dat het om maximaal vijf patiënten zal gaan.
Hoe vaak is er door de voorzitters van de veiligheidsregio’s tot nu toe gebruik gemaakt van artikel 31 van de Wet publieke gezondheid (Wpg) om een Covid-19 patiënt te isoleren? Hoe vaak is door de officier van justitie een verzoek tot machtiging tot voortzetting van de isolatie gedaan? Hoe heeft de rechter daarover beschikt?
Dergelijke cijfers worden niet centraal geregistreerd. Uit navraag via het Veiligheidsberaad is gebleken dat er door twee regio’s in totaal zes keer een beroep is gedaan op art. 31 van de Wet publieke gezondheid. In vijf gevallen is de beschikking tot isolatie de dag volgend op de beschikking, weer opgeheven. Door het Openbaar Ministerie is er, voor zover bekend, éénmaal een verzoek tot machtiging tot voortzetting van de isolatie ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek is afgewezen door de rechter, hetgeen ook door de Officier van Justitie werd verzocht.
In zijn algemeenheid wil ik opmerken dat het niet aan mij is als Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om in te gaan op individuele gevallen.
Verwacht u dat er in de (nabije) toekomst vaker van deze bevoegdheid gebruik gemaakt zal worden? Zo ja, waarom en wat is uw inschatting over de frequentie waarop van deze maatregel gebruik zal worden gemaakt?
Het is aan de voorzitter van de veiligheidsregio om te besluiten of hij gebruik zal maken van deze bevoegdheid. Ik kan derhalve geen uitspraken doen over de inzet van deze bevoegdheid door de voorzitters van de veiligheidsregio’s. In algemene zin kan ik opmerken dat er voldaan moet worden aan strikte voorwaarden, voordat kan worden overgegaan tot het opleggen van een beschikking tot isolatieverplichting in een ziekenhuis. In artikel 31 Wpg is bepaald dat er sprake moet zijn van ernstig gevaar voor de volksgezondheid door verspreiding van de infectieziekte. Ten tweede kan dit gevaar niet op een andere wijze effectief worden afgewend en tot slot moet de betrokkene niet tot vrijwillige opneming ter isolatie bereid zijn. Voordat een voorzitter een beschikking kan opleggen, zal de GGD positief over de isolatie moeten adviseren. Tevens moet overleg plaatsvinden met het RIVM en het UMCG. De beschikking zal vervolgens ook aan de Officier van Justitie moeten worden voorgelegd en door de rechter moeten worden bekrachtigd.
Hoe verhoudt gedwongen isolatie onder de Wet politiegegevens (Wpg) zich tot de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten?
Ik ga er vanuit dat de verwijzing naar de Wet politiegegevens een verschrijving is en de Wet publieke gezondheid wordt bedoeld. Artikel 31 Wpg geeft de voorzitter van de veiligheidsregio een bevoegdheid om iemand in isolatie op te laten nemen als iemand is geïnfecteerd met een A-infectieziekte. De burgemeester heeft een vergelijkbare bevoegdheid bij een B-ziekte. Het doel is om te voorkomen dat de infectie zich verspreidt.
De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten is gericht op de toepassing van dwang in de zorg bij specifieke doelgroepen: mensen met een psychogeriatrische aandoening/een verstandelijke beperking en onvrijwillige zorg bij mensen met een psychische stoornis (met gedrag dat ernstig nadeel (gevaar) veroorzaakt voor henzelf of voor anderen). Doel van deze wetten is om hun rechten te beschermen en onnodige dwang te voorkomen.
Het doel van de wetten en daarmee ook de omstandigheden waaronder de bevoegdheid kan worden toegepast zijn verschillend.
Brengt de gedwongen isolatie extra werk met zich mee voor het medisch personeel in het UMCG? Zo ja, zijn zij hierop voorbereid? Is er genoeg capaciteit in het ziekenhuis om deze extra werklast te kunnen dragen? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat deze extra taak niet ten koste gaat van de reguliere zorg die het ziekenhuis levert?
Met het UMCG zijn afspraken gemaakt over het voorbereiden van het zorgpersoneel op behandeling van covid-patiënten in gedwongen isolatie. De benodigde extra capaciteit die nodig is voor de behandeling van deze patiënten brengt geen extra werk met zich mee maar is beperkt aangezien maximaal vijf patiënten gedwongen kunnen worden opgenomen.
Hoe gaat de gedwongen isolatie worden gehandhaafd? Zal deze taak bij de politie komen te liggen? Is er genoeg capaciteit voor het handhaven van gedwongen isolatie?
In algemene zin kan ik opmerken dat de gedwongen opname van deze personen plaatsvindt op de gesloten afdeling van het Beatrixoord. Ingevolge de huidige Wpg kan overtreding van de verplichte isolatie slechts strafrechtelijk worden gehandhaafd, waarover de Officier van Justitie beslist. Het opleggen van deze maatregel is overigens met veel waarborgen omgeven en wordt terughoudend toegepast binnen de bestaande handhavingscapaciteit.
Hoe vaak is door voorzitters van de veiligheidsregio’s gebruik gemaakt van de maatregel van quarantaine als bedoeld in artikel 35 van de Wpg? Hoe vaak is door de officier van justitie een verzoek tot machtiging tot voortzetting van de quarantaine gedaan? Hoe heeft de rechter daarover beschikt?
Uit navraag via het Veiligheidsberaad is gebleken dat door geen enkele regio gebruik is gemaakt van art. 35 van de Wet publieke gezondheid. Tevens zijn er voor zover bekend door het Openbaar Ministerie geen verzoeken tot machtiging tot voortzetting van de quarantaine gedaan.
In zijn algemeenheid wil ik opmerken dat het niet aan mij is als Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om in te gaan op individuele gevallen.
Herinnert u zich uw brief van 20 januari 2021, waarin u twee opties uiteenzette over een aangepaste quarantaineregeling?1
Ja.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot deze uitwerking? Op welke wijze voorziet u bij de uitwerking van optie 1 (algemene quarantaineplicht) in individuele rechtsbescherming? Op welke wijze geeft u bij de uitwerking van optie 2 (quarantaineplicht bij beschikking) invulling aan de rechtsbescherming? Hoe waarborgt u dat een eventueel bezwaar en/of beroep niet eerst wordt behandeld, nadat de quarantainetijd al is verstreken?
In de bedoelde brief aan de Tweede Kamer zijn twee opties genoemd, de algemene quarantaineplicht en de quarantaineplicht bij beschikking. Omdat de algemene quarantaineplicht een redelijk zwaar middel is nu veel personen zich houden aan de maatregelen, is besloten om eerst de individuele quarantaineplicht (optie2, als meest proportioneel, voor positief geteste personen uit te werken. U bent hierover geïnformeerd bij brief van 3 februari jl. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 23 februari jl. is nu eerst een quarantaineplicht voor reizigers uit hoog risicolanden aangekondigd. Er wordt momenteel een spoedwetvoorstel voorbereid om de quarantaineverplichting voor reizigers uit hoog risicogebieden mogelijk te maken. We verwachten de Tweede Kamer in de volgende brief meer in detail te kunnen informeren over dit traject en kunnen u dan ook informeren hoe invulling zal worden gegeven aan de rechtsbescherming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Daar heb ik mij voor ingezet, maar dit is helaas niet gelukt.
Fysiotherapie |
|
Wim-Jan Renkema (GL) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Substitutie van zorg. Fysio- en oefentherapie op de juiste plek»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat zorg die goedkoper, effectief en minder invasief is een plek in het basispakket moet hebben? Zo nee, waarom niet?
Ja, er is geen reden om zorg die voldoet aan de pakketcriteria (naast effectiviteit en kosteneffectiviteit zijn dat ook noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid) uit te sluiten van vergoeding uit het basispakket.
Deelt u de mening dat het essentieel is om substitutie van zorg op gang te brengen van de tweede naar de eerste lijn, van het dure ziekenhuis naar de fysiotherapeut, en deze zorg ook wordt vergoed vanuit het basispakket? Zo nee, welke financiële prikkels zijn er volgens u om meer substitutie van zorg te bewerkstelligen?
Ja, substitutie van zorg kan kosteneffectief zijn, mits de zorg in de eerste lijn aantoonbaar effectief is. Als dat het geval is, ben ik ook van mening dat het essentieel is om de zorg uit het basispakket te vergoeden zodat substitutie van zorg tussen eerste lijn en tweede lijn op gang gebracht kan worden. Bij bijvoorbeeld etalagebenen is aangetoond dat fysio- en oefentherapie duurdere vormen van zorg kan substitueren. Bij deze aandoening wordt fysio- en oefentherapie daarom ook vanaf de eerste behandeling uit het basispakket vergoed.
Wat kunt u doen en waartoe bent u bereid om onderzoeken naar de kosteneffectiviteit van fysio- en oefentherapie te stimuleren?
De fysio- en oefentherapie, en paramedische zorg in bredere zin, kan een belangrijke rol spelen bij de beweging naar de juiste zorg op de juiste plek. Dit is ook de basis onder de bestuurlijke afspraken paramedische zorg (2019–2022).
Via de bestuurlijke afspraken wordt de positie van de paramedische zorg versterkt. Binnen de afspraken is € 15 miljoen euro beschikbaar om te werken aan onder andere (effectiviteit)onderzoek, richtlijnontwikkeling en verbetering van kwaliteit, via een ZonMw-programma (€ 10 miljoen). Binnen het ZonMw-programma wordt onderzoek naar (kosten)effectiviteit gestimuleerd. Daarnaast is ook het rapport van «Substitutie van zorg. Fysio- en oefentherapie op de juiste plek» van Ecorys tot stand gekomen met middelen uit de bestuurlijke afspraken.
Ook het overgangstraject systeemadvies fysio- en oefentherapie dat uitgevoerd wordt door het Zorginstituut richt zich op de vraag of fysio- en oefentherapie (kosten)effectief is. Dit traject is bedoeld om te kunnen beoordelen of een open aanspraak voor de fysiotherapie in de toekomst tot de mogelijkheden behoort. Uit dit traject is reeds gebleken dat fysio- en oefentherapie bij artrose aan heup en knie, COPD en etalagebenen voldoet aan de pakketcriteria. Om deze reden is deze zorg reeds vanaf de eerste zitting opgenomen in het basispakket. Uit onderzoek van het Zorginstituut blijkt dat de pakketopname van fysio- en oefentherapie bij etalagebenen in de praktijk ook daadwerkelijk leidt tot substitutie-effecten.
Kunt u uiteenzetten waarom de onderzoekers van dit rapport bij een aantal vormen van fysio- en oefentherapie tot de conclusie komen dat deze kosteneffectief zijn, maar het Zorginstituut Nederland (ZIN) niet? Wat beoordeelt het ZIN anders?
In 2016 heeft Zorginstituut Nederland een systeemadvies uitgebracht waarin een toekomstvisie is geschetst voor de fysio- en oefentherapie van een gesloten naar een open systeem binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw). Volgens de Zvw kan alleen zorg toegelaten worden tot het basispakket als deze bewezen effectief is en voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.
Om de haalbaarheid te onderzoeken voor een open aanspraak zijn in 2016–2018 voor drie indicatiegebieden (claudicatio intermittens/perifeer arterieel vaatlijden, artrose van knie of heup en COPD (chronic obstructive pulmonary disease) pakketadviezen uitgebracht om deze zorg toe te laten tot de basisverzekering. Echter voor andere aandoeningen (reumatoïde artritis, spondylitis ankylopoëtica, lumbale discus hernia, aspecifieke lage rugklachten) was het niet mogelijk om in duidingsprojecten vast te stellen of fysio- of oefentherapie effectief is conform het wettelijke beoordelingskader, dat voor alle zorg geldt.
Het recente onderzoek van Ecorys is in opdracht van de beroepsgroepen in de fysio- en oefentherapie uitgevoerd en is gefinancierd door het Ministerie van VWS in het kader van de bestuurlijke afspraken paramedische zorg. De onderzoekers beschrijven hierin voor een lijst van (chronische) aandoeningen in welke mate er (enig) bewijs voor effectiviteit van fysio- en oefentherapie beschikbaar is. Uit het rapport van Ecorys blijkt dat er weinig wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is naar kosteneffectiviteit (slechts bij vijf aandoeningen zijn er aanwijzingen voor kosteneffectiviteit van fysio- en oefentherapie). Gebrek aan geschikte data of beperkte inzage in (alternatieve) zorgkosten speelt volgens de onderzoekers daarbij mogelijk een rol.
De manier waarop Ecorys het bestaande onderzoek heeft beoordeeld wijkt in een aantal opzichten af van de manier waarop het Zorginstituut dat doet. Zo heeft Ecorys gekeken naar wetenschappelijk significante effecten van interventies, terwijl het Zorginstituut naar klinisch relevante effecten kijkt. Als een gevonden verschil in effect tussen twee interventies statistisch gezien significant is, betekent dit niet dat het verschil ook klinisch relevant is. Alleen bij klinisch relevante verschillen tussen twee interventies is het aangewezen om een wijziging in het behandelbeleid aan te brengen, omdat slechts dan een voor de patiënt wezenlijke verbetering is te verwachten. Het Zorginstituut heeft geconstateerd dat voor een groot aantal indicaties de gevonden positieve effecten niet de klinische relevantiegrens zouden overschrijden.
In hoeverre de door Ecorys gevonden effecten voldoende zijn voor een duidingstraject laat ik ter beoordeling aan het Zorginstituut. Het onderzoek laat zien dat er mogelijk nog enkele «kansrijke interventies» zijn waarnaar voldoende (kwalitatief goed) onderzoek is gedaan. Het Zorginstituut is altijd bereid om te onderzoeken of nieuwe studies aanleiding geven tot een nieuwe duiding van de effectiviteit.
In het voorjaar van 2021 ontvang ik een voortgangsbrief van het Zorginstituut met betrekking tot het overgangstraject systeemadvies fysio- en oefentherapie. Vanzelfsprekend zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid om het ZIN opnieuw om advies te vragen over de vormen van fysio- en oefentherapie die volgens de onderzoekers kosteneffectief zijn?
Zie antwoord vraag 5.
De onderbetaling van medewerkers bij de coronacallcenters |
|
Paul Smeulders (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «FNV vindt «onderbetaling» medewerkers coronacallcenters «oneerlijk en gênant»«?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Waarom is opnieuw gekozen voor Teleperformance? Welke eisen zijn gesteld bij de aanbesteding en vielen fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en het opbouwen van pensioen ook onder die eisen? Zo nee, waarom niet?
Binnen een zeer korte tijd moest er een partij worden gevonden die een callcenter kon opzetten om burgers te woord te staan m.b.t. vaccinaties. GGD GHOR Nederland heeft voor Teleperformance gekozen omdat geen andere partij was die een callcenter voor vaccinatie tijdig operationeel kon krijgen. De enige oplossing was om medewerkers die al werkzaam waren bij het callcenter over testen in te zetten voor het nieuw op te zetten callcenter dat zich bezig ging houden met vaccineren.
De volgende eisen zijn gesteld door VWS aan GGD GHOR bij het opzetten van het callcenter:
Bij de aanbesteding, vanwege dwingende spoed een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging (ofwel, een onderhandse aanbesteding), is als eis gesteld dat de opdrachtnemer op de hoogte dient te zijn van én de diensten dient te verrichten in overeenstemming met arbeidsrechtelijke kaders die bij of krachtens de wet van toepassing zijn.
Vindt u ook dat het feit dat deze medewerkers geen pensioen opbouwen in strijd is met de ambitie om het aantal mensen zonder pensioen terug te dringen?
Door diverse onderdelen van de rijksoverheid wordt personeel ingehuurd. Wanneer dit gebeurt is het betreffende onderdeel van de rijksoverheid formeel geen werkgever van deze gedetacheerden en heeft in die zin geen directe invloed op de arbeidsvoorwaarden. Ook bij de callcenters van Teleperformance doet zich deze situatie voor. Wel is in artikel 27 van de Algemene Rijksvoorwaarden voor Diensten (ARVODI) bepaald dat de partij die die de opdracht aanneemt en daarmee de formele werkgever is, zich als goed werkgever dient te gedragen en zich te houden heeft aan alle relevante wet- en regelgeving op het gebied van de inhuur van personeel evenals de eventueel geldende cao. Overigens zijn cao-partijen, waaronder FNV en CNV, in de cao voor de call-centra geen pensioenregeling overeengekomen. Wel hebben zij afgesproken een onderzoek te doen naar de wenselijkheid om een pensioenregeling voor alle medewerkers in de cao op te nemen.
Vindt u ook dat de overheid ten minste het goede voorbeeld zou moeten geven om ervoor te zorgen dat elke werknemer pensioen opbouwt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is de overheid geen formeel werkgever en heeft daardoor geen directe invloed op de arbeidsvoorwaarden. Teleperformance wordt geacht zich aan de geldende wet-en regelgeving te houden en een eventueel geldende cao toe te passen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Teleperformance om betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover mij bekend zijn er geen signalen dat Teleperformance niet voldoet aan de geldende wet-en regelgeving en een eventueel geldende cao niet toepast. Daarnaast is het maken van afspraken over arbeidsvoorwaarden een zaak van werkgevers en werknemers waar de overheid zich in beginsel niet in mengt. Ik zie daarom geen aanleiding tot een gesprek.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat arbeidsvoorwaarden nauwelijks een rol spelen bij grote aanbestedingen zoals deze?
Zoals aangegeven in bovenstaande beantwoording is de overheid formeel geen werkgever waardoor er geen directe invloed is op de arbeidsvoorwaarden. Opdrachtnemers worden geacht zich aan de geldende wet-en regelgeving te houden en een eventueel geldende cao toe te passen. Betrokken partijen die menen dat de geldende wet-en regelgeving of een geldende cao niet is nagekomen, kunnen via de rechtbank een civiele procedure starten dan wel de Inspectie SZW verzoeken om een onderzoek te doen. Ook is er de mogelijkheid om via civiele ketenaansprakelijkheid zoals geregeld in artikel 7:616a BW e.v. het geldende (cao) loon te vorderen.
Het bericht ‘Onverwacht zwanger door nieuw koperspiraaltje' |
|
Corinne Ellemeet (GL), Nevin Özütok (GL), Kirsten van den Hul (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onverwacht zwanger door nieuw koperspiraaltje»?1
Ja.
Klopt het dat bij het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het afgelopen jaar 24 meldingen zijn binnengekomen over Ballerine?
Er zijn diverse kanalen waar klachten en bijwerkingen gemeld kunnen worden. Meldingen van zorgverleners en patiënten over bijwerkingen komen terecht bij het MEBI. Tussen 24 januari 2020 (datum eerste melding) en 19 januari 2021 zijn 33 meldingen ontvangen over de Ballerine spiraal. 31 meldingen kwamen van zorgverleners en 2 van patiënten. De meldingen gaan vooral over (gedeeltelijke) uitstoting van het spiraaltje of onverwachte zwangerschap. Patiënten met klachten kunnen zich ook melden bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Voor de uitzending heeft zich daar één patiënt gemeld in verband met een onverwachte zwangerschap. Distributeur Titus Health Care geeft aan 258 klachten uit Nederland aan de fabrikant te hebben doorgegeven over voornamelijk het uitstoten van het spiraaltje door het lichaam, maar ook perforaties en onverwachte zwangerschappen. Van de fabrikant (OCON) ontving de IGJ in 2020 vervolgens 5 meldingen over de Ballerine spiraal. Het gaat concreet om 5 perforaties, waarvan 4 tot een onverwachte zwangerschap hebben geleid.
Kunt u aangeven waar de meldingen over expulsies van de Ballerine terecht komen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten welke stappen u onderneemt om de risico’s van de Ballerine in kaart te brengen?
De IGJ werkt momenteel aan een duiding van alle informatie. Deze informatie halen zij uit het lopende onderzoek van de betrokken Franse notified body naar de Ballerine spiraal, de antwoorden van de Franse notified body en Franse bevoegde autoriteit op de vragen die de IGJ hun heeft gesteld en analyses naar aanleiding van de binnengekomen meldingen.
IGJ zal een samenvatting van de uitkomsten van de gedane duiding publiceren op haar website. Indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven zal de IGJ in samenspraak met de Franse toezichthouder passende maatregelen treffen.
Daarnaast was op basis van de ingekomen meldingen bij het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) al een attendering in voorbereiding. Een dergelijke waarschuwing is bedoeld om (kennis over) al eerder geïdentificeerde risico’s bij het gebruik van implantaten in de dagelijkse praktijk te verspreiden onder zorgverleners en patiënten.
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van vrouwen die kiezen voor een koperspiraaltje goed wordt gewaarborgd?
Per 26 mei 2021 is de Europese Medical Device Regulation (MDR) van toepassing, die nog strengere eisen zal stellen aan het op de markt komen en blijven van medische hulpmiddelen. Er zullen bijvoorbeeld strengere eisen gesteld worden aan het leveren van klinisch bewijs en het actief volgen van de medische hulpmiddelen die al op de markt zijn. Daarnaast zullen gemelde problemen met medische hulpmiddelen, ook vanuit andere Europese landen, openbaar inzichtelijk worden via een grotendeels openbare Europese database (EUDAMED). Ik ben ervan overtuigd dat de MDR de patiëntveiligheid ten goede zal komen. Verder roep ik zorgverleners, fabrikanten en patiënten op hun klachten en bijwerkingen met betrekking tot medische hulpmiddelen te blijven melden via de beschikbare kanalen, zodat problematiek snel aan het licht zal komen en er actie kan worden ondernomen indien nodig. De attendering die het MEBI binnenkort zal uitbrengen is alvast een concrete actie die voortvloeit uit het aantal gedane meldingen.
Deelt u de opvatting van arts en epidemioloog Bijl dat het bij een aantal aspecten aan de wet- en regelgeving van medische hulpmiddelen rammelt? Zo ja, welke specifieke aspecten?
Onder de huidige wet- en regelgeving is inderdaad ruimte voor verbetering. Dit was ook de aanleiding tot de voornoemde nieuwe regelgeving, de MDR. Onder de MDR zullen strengere eisen gesteld worden aan de notified body’s om een gelijke, hoge kwaliteit van aangemelde instanties in de EU te bevorderen en te waarborgen. Er zullen ook scherpe eisen worden gesteld aan klinisch bewijs, met name voor hoog-risico-producten zoals implantaten. Verder komt er een striktere controle voor hoog-risico-producten nog voordat zij op de markt komen. Zo zal meestal klinisch onderzoek door de fabrikant nodig zijn, waaruit de veiligheid en effectiviteit blijkt. Daarnaast kan een extra controle door onafhankelijke experts plaatsvinden. De traceerbaarheid van medische hulpmiddelen zal worden verbeterd, waardoor patiënten eerder geïnformeerd zullen worden bij problemen met hun implantaat. Verder verplicht de verordening fabrikanten om actief de veiligheid en prestaties van hun medische hulpmiddelen te monitoren (post-market surveillance) om op die manier kwaliteit en veiligheid te kunnen borgen.
Fabrikanten dienen periodiek veiligheidsverslagen per medisch hulpmiddel te publiceren in EUDAMED. Een belangrijke doelstelling van EUDAMED is het vergroten van algehele transparantie, onder andere via betere toegang tot informatie voor zorgverleners en patiënten. Ook maatregelen die opgelegd zijn door Europese inspecties zullen openbaar worden. Lidstaten kunnen straks makkelijker informatie over incidenten, calamiteiten en corrigerende maatregelen uitwisselen. Ik ben ervan overtuigd dat de aanstaande verbeteringen in de wet- en regelgeving de patiëntveiligheid zeker ten goede zullen komen.
Kunt u toelichten hoe u ervoor gaat zorgen dat de gebruikers van medische hulpmiddelen zoals de Ballerine goed op de hoogte worden gebracht van eventuele voor- en nadelen?
Allereerst zie ik hierin een belangrijke taak voor zorgverleners. Patiënten moeten door artsen zorgvuldig en met nadruk geïnformeerd worden over het doel van een behandeling, de te verwachten gevolgen, de risico’s voor de gezondheid, de alternatieve onderzoeks- of behandelingsmethoden en de vooruitzichten met betrekking tot de gezondheid. Dit is wettelijk verankerd in de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO). Patiënten wil ik oproepen om de drie goede vragen van Samen Beslissen aan hun behandelend arts te stellen: «Wat zijn de mogelijkheden?» «Wat zijn de voor- en nadelen van die mogelijkheden?» «Wat betekent dat in mijn situatie?»
Ook fabrikanten hebben een rol in het goed informeren van zorgverleners over hun medische hulpmiddelen en hen te trainen op de veilige toepassing daarvan. Daarnaast speelt het MEBI een aanzienlijke rol in het verzamelen van bijwerkingen en het vervolgens uitbrengen van attenderingen daarover aan zorgverleners en patiënten. De Europese database EUDAMED zal ervoor gaan zorgen dat er meer transparantie komt over de beschikbaarheid van de verschillende medische hulpmiddelen inclusief relevante informatie over klinische bewijs en klachten.
Ik verwacht dat al deze middelen een bijdrage leveren aan het inzicht in de voor- en nadelen van een specifiek implantaat, zodat een patiënt samen met de behandelend arts een goede afweging kan maken.
Klopt het dat «notified bodies» (aangemelde instanties) beoordelen of een medisch hulpmiddel op de markt mag komen en dat deze «notified bodies» vrijwel altijd akkoord gaan met deze markttoelating gebaseerd op onderzoek aangeleverd door een fabrikant?
Vooruitlopend op de MDR worden al veel strengere eisen aan notified body’s gesteld dan voorheen het geval was. Een Europees team beoordeelt of de notified body voldoet aan de eisen uit de MDR. Dit team bestaat uit de lidstaat waar de instantie gevestigd is, experts uit twee andere lidstaten en de Europese Commissie. Deze gezamenlijke beoordeling is ingesteld om een gelijke, hoge kwaliteit van notified body’s in de EU te bevorderen en te waarborgen.
Na aanwijzing door de bevoegde autoriteit staan notified body’s, die gevestigd zijn in Nederland, onder toezicht van de IGJ. Het is de verantwoordelijkheid van de notified body om na een intensieve procedure te beoordelen of hoog-risico-producten, zoals de Ballerine spiraal, op de Europese markt mogen worden toegelaten. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door onafhankelijke (klinische) experts uit verschillende lidstaten die aantoonbaar kennis en ervaring hebben met dergelijke hulpmiddelen. Bij deze beoordeling wordt onder andere grondig nagegaan of de klinische onderbouwing voldoende is, welke klinische onderzoeken eventueel zijn uitgevoerd én of deze klinische onderzoeken de veiligheid en prestaties van het desbetreffende hulpmiddel voldoende ondersteunen. Indien deze experts concluderen dat de ondersteuning voor veiligheid en prestaties onvoldoende is, zal een notified body toegang tot de Europese markt weigeren.
Deelt u de opvatting dat de controle op medische hulpmiddelen en implantaten gebrekkig is en dat ernstige bijwerkingen vaak lang onopgemerkt blijven?
Patiënten moeten kunnen vertrouwen op de veiligheid van medische hulpmiddelen en die van implantaten in het bijzonder. De beschikbaarheid van veilige implantaten is voor veel patiënten van wezenlijk belang. Helaas zijn er in het verleden inderdaad incidenten geweest met verschillende implantaten. Mijn ambtsvoorganger heeft daarom eerder al diverse verbeteracties in gang zet. Vanaf 26 mei 2021 zal de MDR en het daarbij behorende EUDAMED van toepassing zijn, waarmee ik zonder twijfel een aanzienlijke vooruitgang verwacht qua patiëntveiligheid, controle en transparantie. Zie mijn antwoorden op vraag 5 en 6. Het melden van bijwerkingen, incidenten en calamiteiten via de bekende kanalen uit mijn antwoord op vragen 2 en 3 blijft van grote betekenis om eventuele problematiek snel aan het licht te brengen. Hiervoor zal ik aandacht blijven vragen. Daarnaast zal ik kwaliteitsregisters van de medisch specialistische beroepsgroepen actief blijven stimuleren in het kader van verbeteren van de kwaliteit van zorg rondom implantaten. Verder zet de IGJ in 2021 een extra thematisch onderzoek op implantaten in, waarmee ik een intensivering verwacht van het toezicht op implantaten.
Kunt u aangeven hoe u het huidige beleid inzake medische hulpmiddelen en implantaten gaat verbeteren?
Zie antwoord vraag 9.
De gang van zaken rond het naar buiten brengen van het besluit over de opening van kinderopvang en basisscholen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom heeft het kabinet bij monde van de Minister van Financiën al naar buiten gebracht dat de basisscholen zo goed als zeker worden heropend, voordat het Outbreak Management Team (OMT)-advies er lag?
In afwachting van het OMT-advies was er binnen het kabinet, net als bij veel mensen in het land, de hoop dat het primair onderwijs zo snel mogelijk weer op een verantwoorde manier open zou kunnen. Fysiek onderwijs is sociaal-maatschappelijk en voor het welzijn van kinderen enorm belangrijk.
Waarom adviseert het OMT, dat bestaat uit leden met een medische achtergrond, ook op grond van maatschappelijke redenen in plaats van puur op basis van medisch wetenschappelijk onderzoek?
Het RIVM roept het OMT bij elkaar bij een uitbraak van een infectieziekte. Specialisten en experts met verschillende achtergronden en kennis over de desbetreffende ziekte, worden daarvoor uitgenodigd. Zij bespreken op basis van actuele informatie, hun vakkennis en beschikbare wetenschappelijke literatuur hoe de uitbraak bestreden kan worden. Ook gaan ze in op de risico’s en onzekerheden van maatregelen. Het OMT levert een advies op aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het BAO toetst het inhoudelijke advies op bestuurlijke haalbaarheid en uitvoerbaarheid.
In meerderheid erkent het OMT dat er op grond van diverse maatschappelijke afwegingen dringend ruimte gewenst is voor perspectief en enige versoepeling, ondanks de risico’s die dat met zich meebrengt op verspreiding van het virus, mits deze uiteraard niet te groot zijn. Het OMT stemt dan ook in met een advies om nu als eerste het primair onderwijs en de kinderopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar al wel te heropenen.
Ik ben van mening dat het erkennen van de maatschappelijke afwegingen niet hetzelfde is als adviseren op basis van maatschappelijke redenen. In de advisering van het OMT spelen vanzelfsprekend ook andere aspecten dan strikt epidemiologisch een rol, zoals de te verwachten compliance en de impact van maatregelen op de gezondheid. Strikt epidemiologisch zou het immers het beste zijn als iedereen de hele dag thuis bleef. Een mate van haalbaarheid wordt in de afweging betrokken. Tot slot is het aan het OMT om te bepalen waar zij in hun advisering al dan niet aandacht aan besteden.
Welke wetenschappelijke onderzoeken ten aanzien van de mate van besmettelijkheid en verspreiding onder kinderen van die leeftijd bij de verschillende virusmutaties liggen ten grondslag aan het besluit tot openen van kinderopvang en basisscholen? Welke wetenschappelijke achtergrond heeft het OMT gebruikt bij het tot stand komen van het advies?
De experts van het OMT adviseren op basis van actuele informatie, vakkennis, nationaal en internationaal onderzoek en beschikbare wetenschappelijke literatuur. Bij het advies t.a.v. de scholen is ook gebruik gemaakt van de uitkomsten van het onderzoek in Lansingerland en van informatie over de stand van zaken in het VK en Ierland.
Wat is in de afgelopen twee weken precies veranderd ten aanzien van het aantal besmettingen, aantal ziekenhuis- en IC-opnames en de risicokaart? In hoeverre zijn de grenswaarden voor versoepelingen bereikt? In welke regio’s geldt het niveau «zeer ernstig» niet meer?
Op zowel de website van het RIVM, als op het coronadashboard kunt u zien wat er de afgelopen twee weken precies veranderd is ten aanzien van het aantal besmettingen, aantal ziekenhuis- en IC-opnames. Dit wordt ook meestal nader toegelicht in de technische briefing aan uw Kamer van de heer Van Dissel.
Hoe was de verhouding binnen het OMT voor/tegen het nu al heropenen van de kinderopvang en basisscholen, afgezien van de unanieme wens om tot heropening over te gaan?
Om een open gedachtewisseling in het OMT mogelijk te maken, worden geen uitspraken gedaan over deze gedachtewisseling en blijft de bespreking vertrouwelijk.
Het advies van het OMT wordt wel openbaar gemaakt. Indien het OMT niet unaniem is, wordt uiteengezet hoe de verhouding ligt. In het advies is daarover opgenomen: «Een aantal OMT-leden geeft aan dat zij de risico’s op dit moment te groot achten om überhaupt over een versoepeling, zoals heropenen van de scholen, positief te willen adviseren. Zij zouden de situatie liefst eerst nog een aantal weken willen volgen, onder voortzetting van de huidige maatregelen».
In hoeverre neemt u op basis van het gegeven dat kinderen meestal niet ernstig ziek worden na een coronabesmetting, bewust het risico op een toename van het aantal besmettingen, toenemende druk op de zorg en een kans op het langer moeten laten voortduren van andere coronamaatregelen? Hoe is dit te rijmen met de strategie van maximaal indammen? Wat wordt verstaan onder «geen bijzonder risico» voor kinderen?
Het besluit om het primair onderwijs en de kinderopvang weer te openen, heeft inderdaad twee aspecten in zich. Aan de ene kant lopen de kinderen zelf geen bijzondere risico’s door deze nieuwe variant. Kinderen worden ook van deze variant over het algemeen niet ernstig ziek. Dat kinderen naar school kunnen, dient een groot maatschappelijk belang. Dat belang is afgewogen tegen het risico op toename van het aantal besmettingen. Om het risico daarop te verkleinen, worden er bij het openen van de scholen extra maatregelen genomen.
Welke wetenschappelijke studies zijn er die aantonen dat hybride onderwijs tot schadelijke effecten bij kinderen leidt, anders dan leerachterstanden bij sommige groepen leerlingen, die met extra inspanningen voor deze groep zouden kunnen worden opgevangen?
Zoals de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media in een brief1 in november 2020 aan uw Kamer heeft geschreven, heeft onderzoek van Oxford University2 laten zien dat Nederlandse basisschoolleerlingen in de maanden van de sluiting van de scholen weinig tot geen progressie hebben geboekt. Onderzoek van Cito3 bevestigt dat de leergroei bij leerlingen tijdens het afstandsonderwijs minder was dan andere jaren. Daarnaast hebben meerdere maatschappelijke organisaties recentelijk de noodklok geluid dat de sluiting van de scholen ook grote effecten heeft op het sociaal-emotionele welbevinden van kinderen. Zij wijzen hierbij op onderzoek van het NRC. Onderzoeken bevestigen verder dat jongeren en jongvolwassenen, meer dan andere leeftijdsgroepen, door de coronamaatregelen mentale gezondheidsproblemen ervaren, zoals eenzaamheid, somberheid en angst.4 Tot slot waarschuwt een onderzoek uit 2016 (Haluppa5) voor de negatieve impact van online leren op o.a. de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen.
Welke maatregelen moeten deze week nog genomen worden om scholen veilig te kunnen openen? Wat is het draaiboek, op hoeveel scholen moeten welke maatregelen nog worden genomen?
Op basis van het 98e OMT-advies zijn de volgende maatregelen genomen om scholen veilig te kunnen heropenen:
Het bron- en contactonderzoek wordt stevig aangescherpt. Als een kind positief wordt getest, gaat in principe de hele klas in thuisquarantaine.
We zetten in op sneller en vaker testen. Op dit moment hebben onderwijsmedewerkers al voorrang bij de teststraten. In aanvulling daarop starten we met sneltesten van personeel in het primair onderwijs.
Op basis van het generiek kader van het RIVM worden aanvullende maatregelen genomen om het risico op verspreiding van het virus te beperken. Voorbeelden hiervan zijn gespreide begin- en eindtijden, of gespreide pauzes.
De aanvullende maatregelen zijn in overleg met de vertegenwoordigers in het onderwijsveld verwerkt in een servicedocument om de scholen te ondersteunen in het uitvoeren van de landelijke maatregelen. Tot slot blijven uiteraard de algemene maatregelen van kracht, zoals het wassen van handen en het thuisblijven bij klachten. Zo waarborgen we gezamenlijk de veiligheid van de leerlingen en het personeel in de scholen.
Wordt bij besluit tot heropening van scholen nu wel rekening gehouden met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)-richtlijn, die zegt dat als anderhalve meter niet kan, de school niet veilig open kan? Is duidelijk welke scholen open kunnen volgens deze richtlijn en welke (nog) niet?
Het OMT geeft op basis van alle beschikbare informatie, waaronder richtlijnen van de WHO, wetenschappelijke kennis, nationale data en de situatie in Nederland, advies. Uit het laatste advies van het OMT blijkt dat het verantwoord is om de basisscholen en de kinderopvang weer volledig te openen, waarbij het volgen van de maatregelen uit het generiek kader van het RIVM als voorwaarde geldt. In dit kader, dat door het OMT is bekrachtigd, is opgenomen dat de anderhalve meter afstand in het primair onderwijs niet geldt voor leerlingen onderling en tussen leerlingen en onderwijspersoneel. Uiteraard houden leerkrachten en andere onderwijsmedewerkers deze veilige afstand onderling wel. Dit advies heeft het kabinet overgenomen. In samenwerking met de vertegenwoordigers van het onderwijsveld worden aanvullende maatregelen op basis van het generiek kader uitgewerkt om gezamenlijk de veiligheid van leerlingen en het personeel in de scholen te waarborgen.
Hoe zeker is het dat aan alle voorwaarden voor het openen van kinderopvang en basisscholen kan worden voldaan?
Zie antwoord op vraag 9.
Hoe wordt zeker gesteld dat de GGD meer testen aankan? Is er voldoende voorraad van alles, is op alle scholen duidelijk wie er wanneer getest wordt en kan dat dan ook meteen geregeld worden?
De GGD’en zijn verantwoordelijk voor het testen in spoor 1 (de basistestinfrastructuur, gericht op de opsporing en bestrijding van het virus). Tot dit spoor behoort ook het testen op onderwijsinstellingen wanneer er sprake is van een uitbraak van het COVID-19-virus. In die situaties kunnen de GGD'en snel testcapaciteit beschikbaar stellen om zo nodig risicogericht grootschalig te testen.
Hoe is het gegeven dat kinderen meestal geen klachten hebben, te rijmen met uw stelling dat «het heel belangrijk is dat kinderen met klachten (conform de recent aangepaste handreikingen voor kinderen tot en met twaalf jaar) niet naar school gaan en zich laten testen»? Hoe kan zo zeker worden gezegd dat zo wordt voorkomen dat de besmettingen worden verspreid en te vaak hele klassen in quarantaine moeten?
Het hebben van klachten die passen bij corona, is een belangrijke voorspeller van besmetting en besmettelijkheid. Het dringende advies is daarom om kinderen met klachten thuis te houden en te laten testen. Zo beperken we introducties door kinderen met klachten op scholen en zo ook dat de klasgenoten van deze kinderen naar huis gestuurd moeten worden. Mocht er toch sprake zijn van een introductie, dan gaat de klas inclusief de leraar in principe in thuisquarantaine om verdere verspreiding – ook door kinderen die (nog) geen klachten hebben – zoveel mogelijk te voorkomen.
Hoe wordt zeker gesteld dat de GGD bron-en contactonderzoek (bco), voorwaarde voor heropening, aankan? Hoe kan het bco plaatsvinden terwijl er nog zulke hoge besmettingscijfers zijn, terwijl de hoge besmettingscijfers nu net de reden waren dat bco werd gestopt?
De GGD’en zijn nooit gestopt met het uitvoeren van bron- en contactonderzoek (BCO). Wanneer de aantallen besmettingen hoog oplopen, gaan de GGD'en over van regulier BCO op risicogestuurd BCO. Risicogestuurd BCO kan worden uitgevoerd in verschillende fasen. In zijn reguliere vorm kunnen dagelijks 4.400 BCO's plaatsvinden; bij risicogestuurd BCO kan dat aantal stijgen tot dagelijks 28.000 BCO’s. Het fasemodel heeft tot doel dat in ieder geval iedere dag álle mensen met een positieve testuitslag worden gebeld en van instructies worden voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóórafgaand aan het plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus van 4 februari aanstaande?
Het is niet gelukt deze vragen voor 3 februari 2021 te beantwoorden.
Het artikel 'If poor countries go unvaccinated, a study says, rich ones will pay' |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «If poor countries go unvaccinated, a study says, rich ones will pay»1 en de bijbehorende studie, uitgevoerd in opdracht van de internationale Kamer van Koophandel?
Ja.
Hoe beoordeelt u de daarin genoemde analyse en schatting dat de schade aan de wereldeconomie, mede als gevolg van ongelijke verdeling en distributie van COVID-19-vaccins tussen rijke landen en ontwikkelingslanden, tussen de 1,8 biljoen en 9 biljoen dollar zal bedragen?
Een eerlijke wereldwijde verdeling van vaccins is zowel vanuit gezondheidsperspectief als om economische redenen van groot belang. De WHO roept op om wereldwijd in ieder geval de meest kwetsbare 20% van de bevolking in te enten om de pandemie in te kunnen dammen. De sociaaleconomische kosten van het achterblijven van lage en lage-middeninkomenslanden bij vaccinaties zijn groot. Daarom is het ook voor Nederland belangrijk in te zetten op een eerlijke wereldwijde verdeling van vaccins. Nederland heeft zich daarom, net als de Europese Commissie en andere EU lidstaten, aangesloten bij de COVAX facility en heeft 85 mln EUR bijgedragen aan de Access to Covid Accelarator (ACT-A), het mondiale coördinatiemechanisme om lage en middeninkomenslanden (LMICs) te voorzien van vaccins, beschermende middelen, diagnostische tests en geneesmiddelen.
Deelt u de mening dat het mede mogelijk maken van vaccinatie van mensen in ontwikkelingslanden niet alleen een kwestie is van medemenselijkheid, maar dat een meer evenwichtige verdeling van vaccins ook economisch van groot belang is, bij uitstek voor open handelslanden zoals Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waardeert u in dat licht het feit dat Europa en de Verenigde Staten voldoende vaccins hebben gekocht om twee tot drie keer hun bevolking te vaccineren, terwijl op basis van het meest optimistische COVAX-scenario maximaal 20% van de mensen in lage inkomenslanden eind 2021 gevaccineerd zullen zijn?
Kritiek op het feit dat de rijkste 15% van landen nu al meer dan 50% van de te verwachten wereldwijde vaccinproductie hebben opgekocht, is begrijpelijk. De gezamenlijke inkoop van vaccins ten behoeve van de EU is echter niet alleen belangrijk voor onze eigen nationale vaccinvoorziening maar geeft ook een belangrijke impuls aan de ontwikkeling van producten en opschaling van productiecapaciteit in Europa. Het kabinet heeft omwille van de snelheid ingezet op gezamenlijke inkoop in Europees verband. Het kabinet is ervan overtuigd dat met de directe bijdrages o.a. aan COVAX, maar ook met de politieke steun aan bijdrages van de EU en de Wereldbank, Nederland een belangrijke bijdrage levert aan het internationale debat over, en de inzet op, internationale solidariteit. Ik verwijs u naar mijn eerdere brief van 18 december 2020 aan uw Kamer over solidaire verdeling van vaccins.
Welke keuzes liggen aan deze ongelijkheid ten grondslag, zowel van westerse overheden als van overheden in ontwikkelingslanden?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er maatregelen die overheden in Europa en de Verenigde Staten, waaronder Nederland, kunnen nemen, of overwegen te nemen, om niet alleen zorg te dragen voor het vaccineren van de eigen burgerbevolking maar tevens oog te hebben voor de noodzaak van voldoende vaccins in ontwikkelingslanden?
Om zorg te dragen voor eerlijke en wereldwijde toegang tot COVID-vaccins, geneesmiddelen en diagnostica is de Access to COVID Tools-accelerator (ACT-A) opgezet. Dit initiatief wordt gecoördineerd door WHO en uitgevoerd in nauwe samenwerking met vele verschillende organisaties. ACT-A heeft 3 technische pijlers (vaccins, diagnostica en geneesmiddelen) en een 4e pilaar die zich richt op versterken van gezondheidssystemen. De vaccin-pijler van ACT-A, de COVAXis erop gericht landen te voorzien van betaalbare COVID-19 vaccins voor 20% van hun bevolking. 92 lage en lage-middeninkomenslanden kunnen gebruik maken van een speciale voorziening (COVAX AMC). COVAX heeft inmiddels 2 miljard vaccins zeker gesteld, waarvan 1,3 miljard voor 92 lage en lage-middeninkomenslanden en begin deze maand met vaccineren.
Nederland heeft zich net als de Europese Commissie en andere EU lidstaten aangesloten bij de COVAX facility en heeft 85 mln. EUR bijgedragen aan ACT-A.
Hoe beoordeelt u de bewering dat de 27 miljard dollar voor ACT-A, bovenop de reeds toegezegde 11 miljard dollar, een fractie is van de economische schade die het gevolg kan zijn van het voortduren van de COVID-19-crisis in andere delen van de wereld?
In de brandbrief die de WHO samen met andere internationale partners in december 2020 stuurde over het financieringstekort voor ACT-A werd aangegeven dat de totale financieringsbehoefte van ACT-A minder dan 1% is van hetgeen G20 landen reeds gecommitteerd hebben voor economische stimuleringspakketten. Dekking van het financieringstekort van ACT-A vergt een brede aanpak die verder gaat dan financiering uit ODA-middelen.
Welke gevolgen heeft de langdurige verstoring van mondiale handelsketens, als gevolg van het doorwoekeren van COVID-19 bij een gebrekkige mondiale distributie van vaccins, voor de Nederlandse economie?
Exacte gevolgen zijn op dit moment niet te voorspellen. In zijn algemeenheid zijn verstoringen van mondiale waardenketens nadelig voor de Nederlandse economie. Op 28 januari 2021 is de Kamer per brief geïnformeerd over de kwetsbaarheden van het Nederlandse bedrijfsleven voor verstoringen van mondiale waardenketens.
In hoeverre en op welke wijze is het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, ook in het licht van de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie, betrokken bij de besluitvorming over de Nederlandse bijdrage aan het wereldwijd beteugelen van COVID-19?
De besluitvorming voor de Nederlandse inbreng in de internationale gremia wordt voorbereid via de reguliere interdepartementale afstemmingskanalen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is aangesloten op de voorbereidende standpuntbepaling over COVID-19 gerelateerde onderwerpen die in EU-verband aan de orde komen, zoals reizen, testen en vaccinatie (in de EU en wereldwijd). Het gaat dan bijvoorbeeld om afstemming van kabinetsreacties, instructies en beoordeling van nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiches). Aspecten waar de specifieke aandacht van het Ministerie van EZK naar uitgaat zijn onder meer de sociaaleconomische impact van voorstellen, innovatie- en (farma)industriebeleid en de gevolgen voor de interne markt en het vrije verkeer.
Bent u bereid om de in het artikel aangehaalde scenario’s inzake de schade aan de wereldeconomie op lange termijn te betrekken bij toekomstige besluiten over de Nederlandse inzet tegen COVID-19 wereldwijd en bij de binnenlandse exit-strategie?
Het kabinet betrekt bij toekomstige besluiten met betrekking tot de inzet tegen COVID 19 een veelheid aan informatie en mogelijke scenario’s.
Het rapport ‘The Sobering Truth: Incentivizing Alcohol Death and Disability’ |
|
Mahir Alkaya , Henk van Gerven (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van Vital Strategies met de titel «The Sobering Truth: Incentivizing Alcohol Death and Disability»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de strekking van dit rapport, namelijk dat onder meer financiële steun aan projecten in ontwikkelingslanden waar alcoholproducenten bij betrokken zijn, bijdraagt aan de toename van de alcoholproblematiek in de betreffende landen en daarmee in strijd is met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) van de Verenigde Naties, waarin landen zich hebben gecommitteerd aan het versterken van de preventie en de behandeling van schadelijk alcoholgebruik (SDG 3.5), dit zowel op nationaal als internationaal niveau?
Het rapport baseert zich wat Nederland betreft op steun aan NGO’s, gericht op het verbeteren van de voedsel- en inkomenszekerheid van boeren in Afrika. Deze boeren leveren gewassen aan de voedselmarkt, met onder meer bierproducenten als afnemers. Wat bierproducenten voorheen moesten importeren, kunnen ze nu lokaal inkopen; reden voor hun financiële bijdrage aan het project. Hierbij gaat het niet om verhoging van de productie, maar om lokalisering van de inkoop, wat de lokale economie ten goede komt. Deze projecten dragen daarmee bij aan SDG 2 en SDG 8 zonder af te doen aan de inspanningen op SDG 3.5.
Herinnert u zich het antwoord op Kamervragen dat er tussen 2007 en begin 2018 € 6,5 miljoen subsidie in het kader van ontwikkelingssamenwerking is verleend aan projecten in Afrikaanse landen waarbij Heineken betrokken was? Is er sinds begin 2018 door de Nederlandse overheid nog (direct of indirect) subsidie verleend aan ontwikkelingsprojecten, in Afrika en andere ontwikkelingslanden, waarbij Heineken of andere Nederlandse alcoholproducenten betrokken waren? Zo ja, kunt u een overzicht geven van die subsidies?2
In 2018 is EUR 300.000 toegekend aan het CREATE project. Ook Heineken investeert in dit project, dat is uitgevoerd door NGO’s. Het betreft een optopping van de bestaande subsidiebeschikking uit 2013. De lopende projecten zijn inmiddels afgerond en er zijn geen nieuwe subsidies verstrekt.
Zijn de projecten, waarvan u eerder aangaf dat er in 2018 in zes Afrikaanse landen partnerschappen waren waarin Heineken partner of afnemer was, inmiddels tegen het licht gehouden naar aanleiding van de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo ja, wat was de uitkomst?
Er was geen indicatie van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de projecten en deze zijn dan ook niet tegen het licht gehouden. Wel zijn de subsidiebepalingen verder aangescherpt. Ik ben tevens in gesprek gegaan met Heineken over al hun activiteiten in relatie tot IMVO, inclusief seksueel grensoverschrijdend gedrag.
De berichtgeving uit 2018 over seksueel grensoverschrijdend gedrag bij brandpromoters heeft bij Heineken een substantiële verandering teweeg gebracht in het creëren van een veilige werkomgeving. In een brief aan de Tweede Kamer van 8 februari 2019 in aanloop naar het AO SEAH heeft Heineken deze aanpak verder toegelicht. Heineken laat daarin weten in samenwerking met de brandpromoters, NGO’s, externe onderzoeksbureaus en andere bedrijven het beleid op het garanderen van een veilige werkomgeving te hebben aangescherpt. Hieronder vallen ook de genoemde projecten. De implementatie van dit beleid is in 2019 extern geëvalueerd en hierover is gerapporteerd op de website van Heineken.
Klopt het het, zoals de auteur van het artikel «Heiniken in Afrika: de hulp blijft achter op de handel» uit maart 2019 beweert, dat Heineken het programma dat ertoe moest leiden dat Afrikaanse brouwerijen meer lokale grondstoffen gebruiken «off track» (buiten werking) is, omdat de doelstelling van 60% lokale productie naar verwachting in 2020 bij lange na niet zou worden gehaald? Hoe beoordeelt u deze situatie?3
Ik ben op de hoogte van de doelstelling om in 2020 60% van de grondstoffen in Afrika lokaal in te kopen en dat Heineken verschillende activiteiten onderneemt om lokale gewassenproductie te verbeteren. Navraag leert dat deze doelstelling in zicht is; knelpunt betreft nog het mouten van gerst.
Voor het kabinet is het belang van lokaal inkopen door Heineken ondergeschikt aan het belang van de lokale boeren om hun inkomens-en voedselzekerheid te verhogen. Deze doelstelling was dan ook geen onderdeel van de gezamenlijke projecten.
Deelt u de mening dat de projecten waarbij Heineken betrokken was geen subsidie hadden mogen ontvangen, omdat de regering alleen subsidie mag verlenen als het een bedrijf betreft dat daartoe zelf de middelen niet heeft? Wat is uw reactie op het feit dat Heineken in het programma Zembla heeft toegegeven dat het bedrijf de ontwikkelingsprojecten waaraan subsidie is verstrekt ook zonder overheidssteun zou hebben uitgevoerd? Deelt u de mening dat de financiële steun aan deze projecten daarmee onterecht is geweest?
Deze mening deel ik niet. Additionaliteit van de overheidsbijdrage is een voorwaarde voor een partnerschap met het bedrijfsleven. Dat is geen mathematische toets, maar afhankelijk van de marktomstandigheden. Het uitgangspunt voor de overheid daarbij is hoe op de meest efficiënte en effectieve manier zoveel mogelijk boeren in staat gesteld kunnen worden hun productie op duurzame wijze te verbeteren.
Er is bekeken of Heineken zonder Nederlandse subsidie op dezelfde schaal en met gelijke snelheid dezelfde kwalitatief hoogwaardige en blijvende ontwikkelingsimpact had kunnen realiseren in de nog onderontwikkelde markten in de betrokken landen. De samenwerking met de Nederlandse overheid en NGO’s stelde Heineken in staat meer boeren te bereiken en de productieketen duurzamer in te richten. Uit de jaarlijkse rapportage blijkt dat de samenwerking het bedrijf toegang heeft gegeven tot een uitgebreid netwerk met relevante expertise en ervaring, waardoor op een grotere schaal betere resultaten ten gunste van de betrokken boeren behaald hebben kunnen worden. De Nederlandse bijdrage heeft geleid tot een structurele verhoging en verbetering van productie door boeren die tot dan toe nauwelijks in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Zo is de inkomenspositie van meer dan 40.000 Ethiopische boeren versterkt en is hun gerstopbrengst meer dan verdubbeld van 2.4 ton/ha naar 5.2 ton/ha. Er is daarmee aan de voorwaarde van additionaliteit voldaan.
Bent u bereid voortaan geen steun meer te verlenen aan projecten in ontwikkelingslanden waar Nederlandse alcoholproducenten bij betrokken zijn, maar te investeren in projecten gericht op het verminderen van de mede door producenten als Heineken veroorzaakte alcoholproblematiek in deze landen, opdat wordt bijgedragen aan het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen?
De private sector vervult een sleutelrol bij het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen, ook in ontwikkelingslanden. De Nederlandse overheid werkt daarom samen met bedrijven aan de prioriteiten van het ontwikkelingsbeleid, binnen de kaders van het IMVO-beleid. Het kabinet sluit geen potentiële partnerschappen uit die hier binnen passen.
Kunt u aangeven hoe u, in het kader van uw handelsbeleid, de wereldwijde bedrijvigheid van Heineken ondersteunt, vooral op groeimarkten op het Afrikaanse continent en in Azië? Deelt u de opvatting dat dergelijke steun, zeker ook in het kader van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen, ongepast is vanwege de zeer substantiële sterfte- en ziektelast ten gevolge van alcoholconsumptie?
Ambassades en RVO leveren Heineken het standaardpakket aan ondersteuning voor internationaal ondernemen. Deze dienstverlening bestaat onder andere uit advies over zaken als exportregels, vinden van zakenpartners, ondernemersklimaat, in en uitgaande handelsmissies en subsidies en financieringsregelingen gericht op het verkleinen van risico’s voor ondernemers.
Bij aanvragen voor ondersteuning uit het buitenlandinstrumentarium wordt getoetst in hoeverre bedrijven aan IMVO-richtlijnen, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, voldoen. Dit houdt onder meer in dat er geen aanvragen ondersteund worden die verband houden met sterke drank.
Alternatieve zorg tijdens de lockdown |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de petitie «Houd alternatieve zorg open tijdens lockdown» d.d. 28 januari 2021 ruim 20.000 keer is ondertekend?1
Ja, ik ben ermee bekend dat de petitie «Houd alternatieve zorg open tijdens lockdown» meer dan 20.000 keer is ondertekend.
Bent u op de hoogte dat volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in 2019 circa 740.000 mensen (4,3% van de bevolking) minstens een keer contact hebben gehad met een alternatieve genezer?2
Ja, ik ben op de hoogte van het rapport van het CBS «Gezondheid, leefstijl, zorggebruik en -aanbod, doodsoorzaken; vanaf 1900».
Deelt u de mening dat het sluiten van alternatieve zorg vanwege de coronacrisis bij veel patiënten tot gezondheidsschade leidt, omdat reguliere zorg voor hen niet afdoende is? Hoe weegt u deze gezondheidsschade ten opzichte van de gezondheidswinst die wordt geboekt door de lockdown?
Het tijdelijke verbod op het uitoefenen van contactberoepen hield ook een verbod op het verlenen van alternatieve zorg in. Ik realiseer me dat dit besluit veel impact heeft op mensen die hiervan gebruik willen maken. Het epidemiologisch beeld half december vorig jaar was evenwel dusdanig ernstig dat het kabinet genoodzaakt was om een heftig en ingrijpend besluit te nemen door maatregelen af te kondigen die de volle breedte van de samenleving treffen en die feitelijk neerkomen op een lockdown. Het beleid was gericht op het beperken van contactmomenten en reisbewegingen, zonder de noodzakelijke medische zorg te verhinderen. Dit is de zorg die bekostigd wordt uit publieke middelen en wettelijk wordt gereguleerd.
Sinds 3 maart is het verbod op contactberoepen opgeheven. In mijn brief van 23 februari licht ik toe dat dit onder meer vanuit het oogpunt van welzijn is gedaan. Hierbij gelden wel een aantal aanvullende maatregelen. Namelijk dat klantgegevens geregistreerd dienen te worden ten behoeve van het bron- en contactonderzoek, klanten dienen te reserveren, dat er een gezondheidscheck uitgevoerd dient te worden en dat er een mondkapje gedragen moet worden.
Bent u bereid om in de geest van de aangenomen motie over een oplossing voor mensen die niet terechtkunnen bij hun chiropractor of osteopaat ook tot een oplossing te komen voor andere alternatieve geneeswijzen, zoals voor de mensen die gebruikmaken van zorg van een haptotherapeut?3
Inmiddels is de uitoefening van contactberoepen weer toegestaan, waardoor ook contactberoepen in de alternatieve geneeswijzen weer uitgeoefend kunnen worden.
Kent u de oproep van de Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen om de toegang tot lactatiekundige zorg te waarborgen?
Ja, ik ben bekend met de oproep van de Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen om de toegang tot lactatiekundige zorg te waarborgen.
Onderschrijft u het belang van borstvoeding voor een goed werkend immuunsysteem en lactatiekundige zorg als onderdeel van «de eerste 1.000 dagen» en «kansrijke start»?
Ja, ik onderschrijf het belang van lactatiekundige zorg voor borstvoeding.
Hoe kan het dat lactatiekundige zorg niet toegankelijk is en jeugdzorg wel, terwijl lactatiekundige zorg onderdeel is van de jeugdgezondheidszorg?4
Lactatiekundigen zijn zelfstandige beroepsbeoefenaars. De zorg van de lactatiekundige valt niet onder de jeugdgezondheidszorg en ook niet onder de zorg die verleend wordt op grond van de zorgwetten. Zodoende viel dit beroep niet onder de niet noodzakelijke contactberoepen en zijn zij tijdelijk niet toegankelijk geweest.
Bent u bereid het Outbreak Management Team (OMT) om advies te vragen over het openen van deze vormen van zorg?
Aangezien het verbod op de uitoefening van contactberoepen is losgelaten zie ik geen aanleiding een OMT-advies aan vragen hierover.
Deelt u de mening dat het toevoegen van alternatieve zorgverleners en lactatiekundigen aan de lijst van medische contactberoepen die hun beroep mogen uitoefenen urgentie heeft in de exitstrategie, zodat ernstige en blijvende gezondheidsschade zoveel mogelijk wordt voorkomen? In welke fase in de exitstrategie bent u bereid deze zorgverleners hun beroep te laten uitoefenen?
Inmiddels is het uitoefenen van contactberoepen weer toegestaan. De alternatieve zorg is weer opgestart en lactatiekundigen kunnen hun beroep uitoefenen. Het opheffen van het verbod op het uitoefenen van contactberoepen maakte onderdeel uit van de eerste versoepelingen van de lock-down.
Het bericht “Rivierenbuurt kampt met rattenplaag: ‘Sprongen zelfs uit de wc’” in Het Parool. |
|
Gerard van den Anker (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rivierenbuurt kampt met rattenplaag: «Sprongen zelfs uit de wc»»?1
Ja.
Wat heeft de rijksoverheid de afgelopen jaren ondernomen om op planmatige wijze en samenhangend plaagdieren te voorkomen of te bestrijden?
Voor inwoners en bedrijven zijn gemeenten het eerste aanspreekpunt wanneer er overlast is van plaagdieren. De rijksoverheid stelt de kaders waarbinnen de bestrijding mag plaatsvinden, bijvoorbeeld voor wat betreft het gebruik van chemische middelen. Hierbij is preventie het uitgangspunt, en dit wordt uitgewerkt in de geïntegreerde knaagdierbeheersing (of: IPM, Integrated Pest Management), waarbij het voorkómen van knaagdieroverlast voorop staat. Als er na toepassing van preventieve maatregelen toch overlast ontstaat, dan is de volgende stap de inzet van niet-chemische bestrijdingsmethoden zoals klapvallen. Pas als deze onvoldoende werken, kan als laatste stap een chemisch bestrijdingsmiddel worden ingezet.
Om IPM knaagdierbeheersing te verbeteren heeft het RIVM in 2018 en 2019 onderzoek gedaan naar de ervaren knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen van deze aanpak2. Zoals ik, samen met mijn collega’s van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV); Medische Zorg en Sport (MZS) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), in de beleidsreactie op het rapport van dit verkennend onderzoek3 heb aangegeven wordt nu samen met betrokken partijen, in de in het voorjaar van 2020 ingestelde werkgroep IPM knaagdierbeheersing, verder gewerkt aan deze knelpunten en oplossingsrichtingen. Hierbij wordt ook gekeken hoe nadere invulling kan worden gegeven aan ondersteuning van gemeenten bij kennisuitwisseling en voorlichting over de IPM-aanpak bij knaagdierbeheersing. Onlangs is daartoe een verkenningsstudie onder gemeenten, waaronder Amsterdam, uitgevoerd4. Het vervolg hierop zal worden besproken in de genoemde werkgroep IPM-knaagdierbeheersing.
Wat vindt u van de uitspraak van de heer Schmit in dit artikel over dat er te vaak gebruik gemaakt wordt van «ad-hoc oplossingen» en dat het tijd is voor een structurele aanpak?
Ik herken het beeld en ben het eens met het belang van meer structurele oplossingen zoals ook in het artikel geschetst. Voorlichting door en kennisuitwisseling tussen gemeenten kan hierbij een goede rol spelen. Zie voor de structurele aanpak het antwoord op vraag 2.
Bent u ermee bekend dat in een artikel uit 2019 van RTL Nieuws te lezen is dat de overheid erg actief bezig was om het aantal stalbranden als gevolg van knaagdieren omlaag te krijgen? Kunt u aangeven welke activiteiten de rijksoverheid ondernomen heeft om stalbranden als gevolg van knaagdieren terug te dringen en of die effect hebben gehad op de wijze van bestrijden van knaagdieren?2
Voor de aanpak van stalbranden door het Ministerie van LNV verwijs ik naar de Kamerbrief van 24 maart6. Het klopt dat de aanwezigheid van knaagdieren bij veestallen kan leiden tot knaagschade aan bijvoorbeeld elektriciteitskabels en infectieziektes kan overbrengen. De Onderzoeksraad voor Veiligheid geeft overigens aan dat het aan concrete bewijzen ontbreekt dat knaagschade aan electriciteitskabels daadwerkelijk tot stalbranden heeft geleid7.
Het is voor veehouders, mede ter voorkoming van genoemde effecten, van belang in te zetten op de preventie van knaagdieren in stallen. Preventie is een centraal onderwerp in de eerder genoemde werkgroep IPM-knaagdierbeheersing.
De ministeries van VWS, LNV, I&W en BZK werken samen, ieder vanuit eigen verantwoordelijkheid, aan knaagdierbeheersing. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 20 november 20218 faciliteert de Minister van LNV samen met mij momenteel het proces om tot een meer sectorgerichte, laagdrempelige IPM-cursus te komen, zodat deze toegankelijker wordt voor veehouders.
Daarnaast voert het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) momenteel op verzoek van de Minister van LNV-plaagdierrisico-inventarisaties uit op veehouderijen om inzicht te krijgen in de aanwezigheid en de risico’s van ratten en muizen op pluimvee-, varkens-, melkvee- en vleesveebedrijven. Het onderzoek biedt inzicht in de meest effectieve maatregelen ter monitoring, preventie en beheersing van knaagdieren. Dit onderzoek zal meer inzicht geven in de mate van knaagschade bij bijvoorbeeld elektriciteitskabels.
Hoe gaat de rijksoverheid beter toezien op de taak die gemeenten hebben volgens de Wet publieke gezondheid (Wpg) om bij dierplagen (in het kader van algemene infectieziektenbestrijding) op te treden als de volksgezondheid in gevaar is en het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied?
Gemeenten zijn in principe op grond van artikel 47 van de Wet publieke gezondheid (Wpg) verantwoordelijk voor infectieziektebestrijding. Als er een uitbraak van een infectieziekte dreigt, ook infectieziektes die via plaagdieren zoals ratten worden verspreid, moet de gemeente maatregelen nemen. Het Rijk faciliteert de gemeenten om deze taak zo goed als mogelijk uit te voeren. Indien de gemeente haar taak niet naar behoren uitvoert, is het in de eerste plaats aan de gemeenteraad om te controleren op de uitvoering van gemeentelijke taken, waaronder die van plaagdierbestrijding. Vanuit het Rijk wordt er echter terughoudend omgegaan met interbestuurlijk toezicht, maar er is interbestuurlijk toezicht (volgens de interventieladder) mogelijk indien de taken nauw omschreven zijn en het bij taakverwaarlozing redelijk onmiskenbaar is dat de decentrale overheid in gebreke blijft. Dat geldt ook voor de Wet publieke gezondheid als het gaat om de toepassing van het interbestuurlijk toezicht op grond van de Gemeentewet (bijlage ex 124b, eerste lid). Het ministerie neemt dus niet de gemeentelijke taken over, maar stimuleert vooral om de taakuitoefening naar behoren uit te voeren. Er zijn geen signalen, zoals een toename van het aantal gevallen van ratten overdraagbare ziektes, dat er sprake is van een gevaar voor de volksgezondheid.
Voor de preventieve aanpak vanuit het Rijk verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Welke risico’s ziet u op het gebied van voedselveiligheid en volksgezondheid? Welke extra maatregelen en instrumenten kunnen worden genomen of ingezet om deze risico’s in te dammen? Wat kan de gemeente Amsterdam op dit vlak verwachten van de rijksoverheid?
Ongedierte in de keuken tast de hygiëne van levensmiddelen direct aan. Ratten en/of hun uitwerpsels of urine kunnen zowel direct als via gereedschap of oppervlakten waar levensmiddelen worden bereid (kruiscontaminatie) levensmiddelen verontreinigen. Dit kan leiden tot de aanwezigheid van diverse ziekteverwekkers die voedselinfecties kunnen veroorzaken, denk bijvoorbeeld aan Salmonella of Campylobacter, met mogelijke symptomen zoals buikpijn, misselijkheid, braken, diarree en koorts. Daarnaast kan in de keuken en ergens anders in de woning, depositie plaatsvinden van andere ziekteverwekkers die door direct contact met de mens bepaalde ziektes kunnen overdragen zoals Hantavirus en Leptospirose (Ziekte van Weil).
Ten aanzien van de maatregelen om de risico’s van voedsel te beheersen wordt het nemen van specifieke antiplaagmaatregelen in de keuken aangeraden. Ook is het aan te bevelen om extra aandacht te hebben voor het hygiënisch omgaan met (de bereiding van) levensmiddelen. Het Voedingscentrum geeft voorlichting aan de consument voor het voorkomen van voedselinfecties en ook ongediertebestrijding in de thuissituatie (https://www.voedingscentrum.nl/nl/veilig-eten-voedselinfectie-voorkomen.aspx).
Daarnaast omvat de Warenwet onder andere de hygiëne-eisen voor de voedselverwerkende industrie, handelaren en horeca. De NVWA houdt namens de overheid toezicht op de veilige voedselproductie en -verkoop. Indien bron van de ongedierte-overlast echter in de openbare ruimte is gelegen dan kan er een verantwoordelijkheid bij de gemeente liggen. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven zal in de genoemde werkgroep IPM knaagdierbeheersing het vervolg op de verkenningsstudie onder gemeenten, waaronder ook Amsterdam, worden besproken. Mogelijk komen daar extra activiteiten uit voort.
Vindt u het niet vreemd dat de gemaakte afspraak uit 1998 ineens wordt doorkruist door de beslissing om de voorlichtingstaak nu onder te brengen bij Milieu Centraal, terwijl het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) juist geprivatiseerd is met dit specifieke doel en daar ook de kennis en expertise over plaagdieren ligt? Wat gaat u doen om deze situatie te herstellen?
De voorlichtingsorganisatie Milieu Centraal is in 1998 op initiatief van het toenmalige Ministerie van VROM van start gegaan, met als doel een onafhankelijke, betrouwbare en praktische voorlichting op het terrein van duurzaamheid.
Het KAD is in 1998 voortgekomen uit de (private) Stichting Vakopleiding Ongediertebestrijding en is één van de organisaties met veel kennis en expertise over plaagdieren. Voor zover mij bekend heeft het ministerie in 1998 geen afspraak gemaakt dat de voorlichtingstaak bij het KAD zou worden ondergebracht.
Inmiddels is op 25 mei een motie aangenomen9. Daarin wordt de regering verzocht, de informatie- en voorlichtingspositie van de aanpak van knaagdierbeheersing onder te brengen bij het KAD. In een aparte brief zal ik aangeven hoe ik gevolg zal geven aan deze motie.
Op welke wijze gaat u er alsnog voor zorgen dat er een efficiënt meldpunt voor overlast en advies bij gemeenten wordt ingesteld?
Bij een deel van de gemeenten is een meldpunt ingericht. Het is aan de gemeenten zelf om hier keuzes in te maken. Vanuit de rijksoverheid kan desgewenst gekeken worden naar ondersteuning. Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Op welke wijze gaat u of de rijksoverheid ervoor zorgen dat de landelijke monitoring van rattenpopulaties verder wordt verbeterd?
Eind 2019 is de Rattenmonitor opgeleverd, een interactieve website waarop plaagdierbeheersers de locaties van rattenoverlast kunnen melden. In 2020 is de Rattenmonitor gepromoot onder plaagdierbeheersers. Echter, met de huidige aantallen deelnemers en hoeveelheid meldingen kunnen er nog geen trends worden gedetecteerd. Als onderdeel van de uitwerking van het plan zoals beschreven bij het antwoord op vraag 2 is het de bedoeling dat in 2021 brancheverenigingen de Rattenmonitor daarom nog actiever onder de aandacht zullen brengen bij hun leden. Eind 2021 wordt de deelname geëvalueerd.
Bent u of de rijksoverheid bereid om voor een noodsituatie samen met het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en andere betrokken partijen een verdergaand protocol te maken in aanvulling op het Integrated Pest Management (IPM) dat op dit moment de gouden standaard is bij het tegengaan van rattenoverlast?
Hierover vindt reeds afstemming plaats. Er is een Handboek10 waarin is vastgelegd hoe de bestrijding van ratten volgens IPM plaatsvindt. In dit Handboek is ook een clausule over het gebruik van chemische middelen bij een noodsituatie opgenomen. Het Handboek is, met subsidie van mij, herzien om aan de situatie in 2023 te gaan voldoen. Die nieuwe situatie houdt in dat een bedrijf voor knaagdierbeheersing op grond van de voorschriften van het Ctgb voor het gebruik van rodenticiden zowel buiten als binnen en voor zowel ratten als muizen IPM gecertificeerd moet zijn. Hierbij geldt dat bestrijding maatwerk is. Een professionele plaagdierbeheerser maakt een plan van aanpak om de overlast te beheersen.
Bij deze herziening is ook beschreven wanneer sprake is van een noodsituatie en hoe dan te handelen. Deze afstemming vindt plaats in het Centraal College van Deskundigen knaagdierbeheersing, waarin onder andere plaagdierbeheersers, overheden, handhaving, dierenbescherming en de agrarische belangenorganisatie LTO zijn vertegenwoordigd.
Het bericht ‘Commissie neemt belangrijke maatregelen voor een verenigd front tegen COVID-19’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie neemt belangrijke maatregelen voor een verenigd front tegen COVID-19»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat lidstaten dringend meer genoomsequentieanalysen moeten uitvoeren, voor minstens 5% en bij voorkeur 10% van de positieve testresultaten? Waarom wordt dit percentage in Nederland niet gehaald?
Ik begrijp de aanbeveling van de EC. Het RIVM volgt de ECDC-norm voor kiemsurveillance en haalt deze op dit moment ruimschoots. Het ECDC adviseert om minimaal een aselecte steekproef van 500 monsters per week te sequencen om inzicht te krijgen in circulerende varianten (kiemsurveillance). De afgelopen weken voerde het RIVM een oplopend aantal van in het totaal 600–900 sequenties per week uit. ErasmusMC voert 300–400 sequenties per week uit. Bij een COVID-19 incidentie van 25.000–30.000 positieven per week is dat ongeveer 3–5% van het totaal aan positieve monsters (zie voor de meest recente COVID-19 incidentie: https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/actueel). Bij een stijgende COVID-19 incidentie wordt dit percentage lager en bij een dalende COVID-19 incidentie wordt het hoger.
Het behalen van de door de Europese Commissie gestelde doelstelling van een sequentie-analysecapaciteit van ten minste 5% van de positieve testresultaten is geen doel op zich binnen het Nederlands beleid. Het RIVM vaart op wetenschappelijke adviezen van het ECDC en op eigen inhoudelijke kennis en inzichten om het minimaal aantal testen te bepalen, waarmee met voldoende zekerheid en voldoende «aanlooptijd» de circulatie van bepaalde varianten van het virus «SARS-CoV-2» kunnen worden gemonitord. Het RIVM is dan ook bezig op te schalen naar een hogere en duurzame capaciteit. Met 1500 monsters per week wordt het mogelijk om een nieuwe variant twee maanden voordat deze variant dominant wordt in Nederland te detecteren.
Sequencing wordt niet alleen gebruikt voor kiemsurveillance maar ook voor andere doeleinden, zoals bij het testen van reizigers uit risicogebieden, bij uitbraakonderzoeken en BCO. Hiervoor is een sequencecapaciteit nodig van naar schatting 750 monsters per week.
Totaal zou er daarmee een capaciteit van ongeveer 2250 monsters per week nodig zijn (eind april 2021 als streefdatum). De bovengenoemde opschaling zal rekening houden met deze behoefte.
Wat is het concrete plan (logistiek, tijdpad, rapportage) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om een nationale kiemsurveillance te kunnen waarborgen als ondersteuning van de beleidsbesluitvorming ter bestrijding van de pandemie?
Het RIVM schaalt op dit moment haar sequencecapaciteit verder op. Daarnaast is er in Nederland veel expertise beschikbaar op het gebied van sequencing van SARS-CoV-2. Daarom werkt het RIVM samen met de Dienst Testen, ErasmusMC, AmsterdamUMC en andere laboratoria via de relevante NVMM-werkgroepen (WMDI en NWKV). Om de sturing en regie te borgen wordt hiervoor een netwerk ingericht. Daarmee wordt het plan van het RIVM nader ingevuld. Dit plan is eind Q1 gereed. Er worden al veel gegevens gerapporteerd. (zie: https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/virus/varianten, https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/onderzoek/kiemsurveillance en het RIVM-nieuwsbericht, zoals https://www.rivm.nl/nieuws/aantal-meldingen-gelijk-aan-de-week-daarvoor).
Kunt u bevestigen dat er in Nederland tot nu toe slechts 400 sequences per week werden uitgevoerd? Welke plannen liggen klaar om dit aantal substantieel op te schalen?
Nee, zie antwoord 2.
Zie antwoord 3. Het nieuwe netwerk is belangrijk bij de bestrijding van SARS-CoV-2. De regie bij de oprichting van het netwerk wordt gevoerd door een stuurgroep. Hierin zijn het RIVM en Erasmus MC vertegenwoordigd, die beiden WHO- en ECDC-referentielab zijn tijdens de coronacrisis. Ook Amsterdam UMC, Dienst Testen en twee werkgroepen van de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM) sluiten hierbij aan. Deze werkgroepen zijn de Werkgroep Moleculaire Diagnostiek van Infectieziekten (WDMI) en de Nederlandse Werkgroep Klinische Virologie (NWKV). Het RIVM fungeert tevens als voorzitter van deze stuurgroep.
Hoe komt het RIVM aan het doel van 1.200–1.500 monsters per week? Hoe is dit gerelateerd aan de 5–10% van de op COVID-positief geteste resultaten genoemd door de Europese Commissie?
Zie antwoord 2.
Wanneer zal het door de RIVM geformuleerde doel voor COVID kiemsurveillance van 1.200–1.500 monters per week bereikt worden?
Dit wordt eind april 2021 gerealiseerd. Op dit moment schaalt het RIVM de sequencingcapaciteit verder op om te komen tot een hogere en duurzame capaciteit. Zie ook antwoord 2.
Kunt u aangeven waar en door wie het sequencen tot nu toe wordt gedaan?
Op dit moment worden SARS-CoV-2 sequencingactiviteiten in Nederland primair uitgevoerd door de beide COVID-19 referentielaboratoria bij het RIVM en ErasmusMC. Ook andere (vaak academische) centra sequencen SARS-CoV-2 monsters. Er wordt een uitvraag gedaan bij alle laboratoria die betrokken zijn in SARS-CoV-2 diagnostiek wat hun mogelijkheden zijn voor sequencen.
Is er tot nu toe gebruik gemaakt van andere voorzieningen en laboratoria dan die van het Erasmus MC en het RIVM? Zo ja, in welke mate is dit gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 3. Doel is om samen voldoende data te genereren en te delen voor de bestrijding van de pandemie.
Het bericht ‘ISKO Vital B.V. ontvangt als eerste het NEN-keurmerk voor mondkapjes voor publiek gebruik’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ISKO Vital B.V. ontvangt als eerste het NEN-keurmerk voor mondkapjes voor publiek gebruik»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Kunt u aangeven hoeveel leveranciers op dit moment de test doorlopen voor het NEN-keurmerk?
Er zijn momenteel twee certificaten uitgegeven en er zijn momenteel drie aanvragen in behandeling. De NEN houdt op haar website bij welke leveranciers het keurmerk hebben verkregen.
Kunt u aangeven of deze test rekening houdt met mutaties van het coronavirus, bijvoorbeeld op het gebied van filtratie-efficiëntie? Is hier overleg over met het NEN?
Voor de testmethoden maakt het niet uit om welke mutatie van het Coronavirus het gaat. Bij de filtratie-efficiëntie test wordt gewerkt met deeltjes die zo veel mogelijk lijken op (vocht)deeltjes uit neus en mond die virussen bevatten.
Wordt het OMT om een aanvullend advies gevraagd over het dragen van mondkapjes met betrekking tot de virusmutaties die in Nederland zijn aangetroffen, of mogelijk nog worden aangetroffen?
In deel 2 van het 97e advies van 25 januari 2020 concludeert het OMT dat er geen reden is voor stringentere maatregelen met betrekking tot het gebruik van mondneusmaskers in de openbare ruimte. Er is nu geen aanleiding voor een aanvullende adviesaanvraag.
Hoe groot is de capaciteit mondkapjes die het NEN-keurmerk hebben?
Uit navraag door de NEN bij de fabrikanten van de gecertificeerde mondkapjes blijkt dat de leveranciers vrij makkelijk kunnen opschalen. De inschatting is dat indien nodig de productiecapaciteit naar 2 miljoen per dag kan worden gebracht.
Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen een keurmerk voor mondkapjes voor publiek gebruik?
Ik hecht er waarde aan dat mensen een goede keuze kunnen maken bij de aanschaf van een mondkapje. Een keurmerk is een nuttig instrument dat hierbij kan helpen. Ik heb de ontwikkeling van het certificatieschema dat aan het keurmerk ten grondslag ligt, daarom ook ondersteund. Daarnaast hecht ik waarde aan veel communicatie over goed gebruik van mondkapjes.
Het bericht ‘Thuis testen of je besmet bent met corona, nu nog als experiment’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Thuis testen of je besmet bent met corona, nu nog als experiment»?1
Ja. Het onderzoek wordt in nauwe samenwerking met het Ministerie van VWS uitgevoerd.
Kunt u aangeven wanneer de resultaten van het onderzoek bekend zullen worden? Wat zullen de vervolgstappen zijn indien de resultaten positief zijn?
De preprint met de resultaten is op 23 februari gepubliceerd2.
Op dit moment zijn er geen testen met een CE certificering die gebruik als zelftest toestaan. In reactie op het 99e OMT advies heeft het kabinet aangegeven dat verkend wordt welke mogelijkheden er zijn om op een veilig en verantwoorde manier het (versnelde) gebruik van zelftesten mogelijk te maken.
Ik ben daarom een traject gestart om voor fabrikanten van zelftesten een tijdelijke ontheffing te verlenen. Deze mogelijkheid staat open voor fabrikanten die bezig zijn met het traject van CE certificering voor het gebruik van een antigeentest als zelftest. Vanaf 5 maart jl. kunnen fabrikanten een aanvraag indienen. Mijn departement zal de aanvragen snel beoordelen. Vervolgens kunnen fabrikanten de zelftesten op de markt brengen.
Wordt bij de eventuele inzet van thuistesten onderscheid gemaakt tussen wanneer een thuistest voldoende is of wanneer iemand naar een teststraat moet komen voor een testafname? Welke criteria spelen hier een rol?
De betrouwbaarheid van antigeentesten is voor een belangrijk deel afhankelijk van de monsterafname. De antigeentest is bij de zelfafname iets minder betrouwbaar dan bij de professionele afname en bij een zelftest zonder begeleiding is controle op de juiste uitvoering of controle op het überhaupt afnemen van de test niet mogelijk. De zelftest is dan ook niet bedoeld voor mensen met een verhoogd risico op een besmetting, bijvoorbeeld mensen met klachten, reizigers of mensen die in contact zijn geweest met een besmet persoon. Ook kan de zelftest niet gebruikt worden als basis voor het testbewijs ten behoeve van toegang tot een evenement of activiteit.
Zelftesten, al dan niet begeleid, zijn goed te gebruiken voor risicogericht testen op scholen (spoor 1c) of regelmatig preventief testen voor veiliger werken en studeren (spoor 2b/c). Mogelijk kan zelftesten op termijn ook een rol spelen bij het grootschalig risicogericht gebiedstesten. Dit is echter nog niet onderzocht. Voor risicogericht testen op scholen en bij grootschalig testen is het voordeel dat het minder belastend is en daardoor een grotere testbereidheid kan worden bereikt. Voor veiliger werken en studeren wordt de mindere betrouwbaarheid ondervangen door regelmatig te testen. Voor alle gevallen geldt dat door meer en vaker te testen besmettingen sneller worden geïdentificeerd, waardoor meer mensen weten dat ze positief zijn en daarna in zelfisolatie kunnen gaan en via BCO ook contacten opgespoord kunnen worden om verdere verspreiding van het virus te voorkomen.
Is een toezichthoudende rol bij de inzet van thuistesten noodzakelijk? Past thuis testen niet vooral bij het uitsluiten van besmettingen in plaats van bij het opsporen van besmettingen?
De betrouwbaarheid van antigeentesten is voor een belangrijk deel afhankelijk van de monsterafname. De verwachting is dan ook, dat bij zelftesten, de antigeentesten iets minder betrouwbaar zijn dan bij een professionele afname. Daarom is de test vooral geschikt voor mensen die geen verhoogd risico hebben op een besmetting. Bij mensen met symptomen, contacten uit het BCO of bij reizigers heeft de professionele afname daarom de voorkeur.
Indien thuistesten op de markt komen, kunnen mensen deze zonder begeleiding in de thuissituatie uitvoeren. Bij thuistesten zonder begeleiding is er geen sprake van een zorgaanbieder die bij het proces betrokken en is er geen toezicht op correcte toepassing door de IGJ mogelijk. De IGJ adviseert wel over het verlenen van een ontheffing waardoor fabrikanten zelftesten zonder CE-markering op de markt mogen brengen. Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de fabrikanten en verkopers van zelftesten, waarbij onder meer wordt gekeken of testen over een CE-markering beschikken of dat er een tijdelijke ontheffing is verleend.
Vals-negatieve uitslagen bij de thuistest kunnen op basis van de voorlopige resultaten niet worden uitgesloten. Frequent gebruik van de thuistest kan het risico op besmetting daarom wel verkleinen, maar kan een besmetting niet uitsluiten.
Kunt u aangeven of er nagedacht wordt over een wettelijke grondslag voor de inzet van thuistesten en sneltesten die bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden voor toegang tot locaties of evenementen? Zo ja, hoe verhoudt het element «vrijwilligheid» zich tot deze juridische grondslag? Welk verschil zit er in de wettelijke grondslag voor beide soorten testen?
Het kabinet is van mening dat de inzet van het verplichte testbewijs een aanvullende maatregel kan zijn om de samenleving op verantwoorde wijze, stap voor stap, te kunnen openen in de periode dat de vaccinatiegraad nog niet hoog genoeg is. Voor het testbewijs worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. Het verplichte testbewijs zal alleen in een
specifieke situatie worden ingezet om beperkende maatregelen voor bepaalde
voorzieningen of activiteiten te versoepelen of sneller los te laten. Het testbewijs
zal niet worden ingezet als een extra beperkende maatregel. Dit maakt het verplichte testbewijs een tijdelijke maatregel: immers hoe minder beperkende maatregelen hoe minder noodzakelijk een testbewijs is.
Een testbewijs is alleen mogelijk als er controle is op de betrouwbaarheid van de uitvoering, daar wordt bij zelftesten niet in voorzien. Voor de toegangstesten zal er daarom gebruik worden gemaakt van een centrale testlocatie. Om de betrouwbaarheid te borgen worden de testen afgenomen door een professionele testafnemer.
Worden er aan sneltesten op locatie eisen gesteld voor wat betreft de locatie zelf? Zo ja, hoe werkbaar is dat in de praktijk en hoe verhoudt dit zich tot het gebruik van sneltesten thuis?
In het kader van het openen en continueren van de samenleving, zijn de ministeries van VWS, EZK en OCW bezig om toegangstesten vorm te geven. Om dit mogelijk te maken is een wetsvoorstel in voorbereiding voor een testbewijs en wordt in samenwerking met de Stichting Open Nederland een fijnmazig netwerk van teststraten opgezet, waar mensen zonder symptomen zich kunnen laten testen. Voor teststraten buiten de GGD-testlocaties zijn uitgangspunten3 opgesteld door het Ministerie van VWS, in samenwerking met het RIVM, de GGD’en en de IGJ. Een van de uitgangspunten is dat een BIG-geregistreerde arts de eindverantwoordelijkheid draagt voor de testlocatie en toeziet op de juiste omgang met potentieel besmettelijk materiaal. Op basis van de uitgangspunten heeft het RIVM een handreiking4 opgesteld voor testen binnen bedrijven en ondernemingen. Het doel van deze handreiking is om artsen duidelijk te maken aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor het opzetten van een teststraat. Bij het gebruik van sneltesten thuis is er geen arts betrokken en zijn deze uitgangspunten niet van toepassing.
Het bericht 'Ziekenhuizen zuinig met dure darmkankerbehandeling' |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ziekenhuizen zuinig met dure darmkankerbehandeling»?1
Ik heb met interesse kennisgenomen van het artikel.
Wat vindt u van de conclusie van het onderzoek dat er sprake is van onderbehandeling?
Om antwoord te geven op uw vragen heb ik advies gevraagd vanuit de beroepsgroep. De Nederlandse Vereniging van Medische Oncologie (NVMO) heeft een commissie die gaat over de beoordeling van oncologische middelen in de Nederlandse medisch oncologische praktijk (commissie BOM). Deze commissie heeft een belangrijke rol in het beoordelen van nieuwe oncologische middelen. Deze beoordeling is voor zorgverzekeraars belangrijk om te bepalen of deze geneesmiddelen vallen onder de verzekerde zorg. De beroepsgroep gaat uiterst zorgvuldig om met het beoordelen van deze geneesmiddelen.
In 2005 heeft de commissie BOM een positief advies gegeven over de toevoeging van bevacizumab aan de eerstelijns chemotherapie behandeling voor patiënten met uitgezaaide darmkanker. De commissie geeft een positief advies wanneer uit de studieresultaten blijkt dat het middel een toegevoegde waarde heeft in de behandeling.
In 2008 heeft de commissie BOM echter in een herbeoordeling gesteld dat: «Toevoeging van bevacizumab aan oxaliplatinebevattende chemotherapie bij de eerstelijnsbehandeling van patiënten met een gemetastaseerd colorectaalcarcinoom leidt tot een beperkte verlenging van de progressievrije overleving, zonder toename van responskans of overleving» 2
Deze herbeoordeling is gebaseerd op nieuwe studieresultaten waarin de toegevoegde waarde van bevacizumab minder bleek te zijn dan uit de eerdere studieresultaten naar voren kwam.
Deze herbeoordeling zal zeker hebben geleid tot wisselend gebruik van bevacizumab binnen de beroepsgroep omdat de toegevoegde waarde beperkter is dan voorheen gedacht werd. Tevens was (en is) het gebruik afhankelijk van de keuze voor eerstelijns chemotherapie.
De studie waarop het artikel in Medisch Contact is gebaseerd bekijkt de behandelingen van uitgezaaide darmkanker over een periode van 7 jaar. In 2008, het begin van het onderzoek, werd anti-EGFR gerichte therapie vooral in derdelijnsbehandelingen gegeven. Een deel van de patiënten (zeker ouderen met comorbiditeit) is niet in staat derdelijns chemotherapie te ondergaan. In die situaties wordt diagnostiek naar mutaties aan de tumor, om te bepalen of een patiënt in aanmerking komt voor anti-EGFR therapie, niet uitgevoerd. Dit wordt alleen gedaan als een patiënt ook daadwerkelijk de therapie voorgeschreven zou kunnen krijgen. Deze diagnostiek verrichten voor iedere patiënt leidt namelijk tot een inefficiënte inzet van zorg.
Ik vind het belangrijk te vertrouwen in de beoordeling van een geneesmiddel door de beroepsgroep en de expertise van de voorschrijver. Het onderzoek in het artikel laat verschillen zien over het voorschrijven in den brede. Op basis van deze cijfers kan ik echter niet beoordelen of hier sprake is van ongewenste variatie. Artsen schrijven deze therapieën niet standaard voor, we vragen immers ook van hen om zinnige en gepaste zorg te verlenen.
Hoe kan het dat er zulke grote verschillen in voorschrijfgedrag zijn tussen individuele ziekenhuizen? Deelt u de mening dat dit meer is dan enkel «gewenste praktijkvariatie» en dat het onwenselijk is? Waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat een groot gedeelte van de patiënten zonder comorbiditeit niet wordt behandeld met doelgerichte therapie, hetgeen doet vermoeden dat financiële overwegingen een rol spelen bij het afwijken van de richtlijn? Hoe kan het dat financiële argumenten ervoor zorgen dat van de richtlijn wordt afgeweken?
Vanuit het antwoord op vraag 2 en 3 is te verklaren dat een deel van de patiënten deze therapie niet standaard krijgt. Het is immers niet aannemelijk dat iedere patiënt deze therapie krijgt terwijl vanuit de beroepsgroep wordt aangegeven dat er slechts een beperkte meerwaarde is. Het toevoegen van bevacizumab bleek namelijk niet te zorgen voor verlenging van het leven van de patiënten.
In het artikel schrijven de auteurs dat «het onderzoek geen inzicht geeft in de reden voor de geconstateerde praktijkvariatie» maar nemen, zonder dat onderzocht te hebben, aan dat financiële factoren een rol zullen spelen. Het is vanuit dit onderzoek niet te concluderen dat financiële overwegingen meespelen in het voorschrijven van een therapie en dergelijke signalen zijn mij ook niet bekend.
Overigens bestaat voor de genoemde producten, zowel bij individuele verstrekking, als in combinatie, voor zover ik kan overzien een zogenaamd Add-on (bekostigingstitel). Dit betekent dat ziekenhuizen de prijs van deze producten volledig vergoed kunnen krijgen. In dat geval zou er redelijkerwijs geen financiële belemmering voor het richtlijnconform voorschrijven van deze producten zijn.
Zijn de resultaten van dit onderzoek niet in strijd met Kamerbreed aangenomen motie die postcodegeneeskunde in Nederland afwijst? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen?2
De beschikbaarheid van geneesmiddelen mag niet afhankelijk zijn van de woonplaats van een patiënt («postcodegeneeskunde»). Mijn voorganger heeft de NZa eerder verzocht om in de volgende monitor specifiek aandacht te besteden aan toegankelijkheid en dat is ook gebeurd in de monitor van mei 2020. Hieruit bleek dat er geen sprake was van postcodegeneeskunde.
De uitkomsten uit dit onderzoek zijn mijns inziens goed te verklaren door de plaatsbepaling van het geneesmiddel die is afgegeven door de beroepsgroep.
Wat vindt u ervan dat vanwege het patent de behandeling 25.000 euro per patiënt kost? Deelt u de mening dat dit veel te duur is?
Het artikel in Medisch Contact maakt niet duidelijk welk product € 25.000 per patiënt zou kosten. Ik kan dan ook niet oordelen over de aanvaardbaarheid van het bedrag. Fabrikanten die investeren in de ontwikkeling en productie van nieuwe geneesmiddelen, hebben onder meer recht op patentbescherming. Dit moet het mogelijk maken om een verantwoorde beloning voor de innovatie en de gemaakte kosten te kunnen ontvangen. Ik vind dat bedrijven naar redelijkheid beloond mogen worden voor hun inspanningen, maar zij hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid om aanvaardbare prijzen voor hun producten te rekenen.
Worden patiënten voldoende geïnformeerd over het afwijken van de richtlijn?
De WGBO (Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst) bepaalt dat patiënten het recht hebben op informatie over het voorgenomen medisch onderzoek en de voorgestelde behandeling. De patiënt komt samen met de zorgprofessional tot een besluit over het behandel- en/of onderzoekstraject en de patiënt geeft hiervoor toestemming. Wanneer de zorgprofessional wil afwijken van de geldende richtlijnmoet dit worden besproken met de patiënt. Het is toegestaan om af te wijken van richtlijnen of protocollen, mits dit deugdelijk wordt gemotiveerd en wordt vastgelegd in het medisch dossier. In de WGBO is daarnaast opgenomen dat patiënten het recht hebben hun eigen dossier in te zien. In het veld wordt hier ook veel aandacht aan besteed, bijvoorbeeld met het instrument «samen beslissen». Beroepsgroepen hebben daarbij handreikingen opgesteld zodat artsen beter het gesprek met patiënten kunnen aangaan over de keuzes die gemaakt kunnen worden in het behandelproces.
Wat betekenen de bevindingen van dit onderzoek voor het alsmaar grotere beslag dat de kosten van dure geneesmiddelen leggen op het budget van ziekenhuizen?
Alle partijen4 die samenwerken in het landelijk overleg dure geneesmiddelen (LODG) hebben continue aandacht voor de groeiende kosten van de geneesmiddelencomponent binnen het budget van de ziekenhuizen. Om de betaalbaarheid en toegankelijkheid te borgen hebben zij een integraal pakket aan maatregelen (IPAM) afgesproken5. De actielijnen van het IPAM zijn opgesteld om onder andere een beheerste instroom van nieuwe intramurale geneesmiddelen te bewerkstelligen, de inkoopkracht van partijen te versterken en gepast gebruik van bestaande en nieuwe geneesmiddelen te bevorderen. In die zin onderschrijft het onderzoek in het artikel de noodzaak van de reeds bestaande aanpak. Sinds de zomer van 2019 werken de partijen binnen het LODG aan de uitvoering van de actielijnen. Over de laatste stand van zaken van de actielijnen heb ik u in mijn recente brief over het geneesmiddelenbeleid een update toegezonden6.
De NZa monitort jaarlijks of de ingezette maatregelen voldoende zijn om de betaalbaarheid en toegankelijkheid te borgen.
Hoe beoordeelt u bijgevoegde casus waarbij zorgverzekeraar VGZ weigert een bepaald kankermedicijn in te kopen voor een patiënt in een perifeer ziekenhuis, ondanks het oordeel van de commissie Beoordeling Oncologische Middelen (BOM) van de Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO) en de beoordeling van een academisch medisch centrum?3 Gaat dit niet ten koste van de keuzevrijheid van de patiënt en de toegang tot een adequate behandeling in een levensbedreigende situatie? Gaat hiermee de verzekeraar niet ten onrechte op de stoel van de arts zitten?
Na registratie van een geneesmiddel bij het Europees Medicijn Agentschap (EMA) vraagt de commissie Beoordeling Add-on Geneesmiddelen (cieBAG) van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) aan de beroepsgroep of het nieuwe middel, of bestaande middel bij een nieuwe indicatie voldoet aan de stand der wetenschap en praktijk alvorens wordt besloten om het middel te vergoeden. Deze processtap is ingebouwd om er zeker van te zijn dat alleen zinnige zorg wordt vergoed binnen de basisverzekering. Vanaf de datum waarop de beroepsgroep een positief advies geeft wordt het geneesmiddel vergoed.
De CieBAG heeft voor deze indicatie aan de zorgverzekeraars een positief inkoopadvies afgegeven. Hierbij is geadviseerd om encorafenib in combinatie met cetuximab bij gemetastaseerd colorectaal carcinoom in te kopen bij het cluster van ziekenhuizen dat voldoet aan de SONCOS norm voor de behandeling van colorectaal carcinoom. Dit betreft 69 van de totaal 78 instellingen. Het is dus geen zeer gecentraliseerde zorg maar het kan wel zijn dat het ziekenhuis uit deze casus hier niet onder valt. Daarnaast staat het de individuele zorgverzekeraars vrij om dit inkoopadvies op te volgen of niet.
Aangezien ik de individuele casus niet ken kan ik niet oordelen of hier de keuzevrijheid van de patiënt en toegankelijkheid in het geding was. Er kunnen immers nog meer factoren zijn die een rol spelen. Ik heb contact gehad met zorgverzekeraar VGZ. Zij hebben mij laten weten het advies van de CieBAG te volgen. Daarnaast hebben zij aangegeven dat de ontvangen machtigingsaanvragen voor patiënten voor de vergoeding van deze combinatiebehandeling voor deze indicatie allen zijn goedgekeurd vanaf de datum van de publieke beschikbaarheid van het advies van de beroepsgroep (de CieBOM) voor deze combinatiebehandeling.
De vaccinatie van bewoners en personeel in de langdurige zorg |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Voorlopig geen prik voor 50.000 «thuiswonende» verpleeghuisbewoners»?1
Ja.
Waarom worden bewoners van verpleeghuizen zonder Wlz-indicatie of met Wlz-indicatie zonder behandeling, niet of op een andere wijze meegenomen in de vaccinatierondes die plaatsvinden in hun eigen verpleeghuis?
Deze groepen worden zoveel mogelijk in een vaccinatieronde binnen hun eigen verpleeghuis gevaccineerd. Bij het vaccineren wordt aangesloten bij wie de medisch behandelaar is: de specialist ouderengeneeskunde of de huisarts. Tegelijkertijd wordt bij de uitvoering van het COVID-19 vaccinatieprogramma rekening gehouden met de logistieke kenmerken van de verschillende vaccins. Cliënten met Wlz-indicatie die in behandeling zijn bij hun eigen huisarts worden door de huisartsenpost gevaccineerd. Door te kiezen voor vaccinatie door de huisartsenpost in plaats van de eigen huisarts voorkom ik dat cliënten lang moeten wachten op hun vaccinatie. Als het merendeel van de cliënten onder de medische verantwoordelijkheid van de specialist ouderengeneeskunde valt, kan de specialist ouderengeneeskunde in goed overleg met de huisarts besluiten om het aantal cliënten dat onder de medische verantwoordelijkheid van de huisarts valt mee te vaccineren uit de spillage. Instellingen kunnen besluiten om bewoners zonder Wlz-indicatie tegelijkertijd met één van de andere groepen te laten vaccineren. Op deze wijze kunnen alle bewoners worden meegenomen in één van de vaccinatierondes die plaatsvinden in hun eigen verpleeghuis.
Kunt u een uitputtend overzicht geven van alle mogelijke groepen waar kwetsbare mensen (ouderen, mensen met een beperking) onder kunnen vallen binnen de vaccinatiestrategie en of zij al dan niet voorrang krijgen bij de vaccinatie? Kunt u daarbij aangeven welke factoren het verschil maken tot welke groep zij behoren (en daarbij de verbinding maken met de verschillende groepen op de roadmap)?
De Gezondheidsraad heeft in zijn advies van 19 november jl. aangegeven dat, om zoveel mogelijk (ernstige) ziekte en sterfte te voorkomen, verschillende groepen met voorrang gevaccineerd moeten worden tegen het coronavirus. In dit advies, en de daaropvolgende adviezen over de inzet van vaccins van BioNTech/Pfizer (24 december jl.), Moderna (11 januari jl.), en AstraZeneca (4 februari jl.), benadrukt de Gezondheidsraad dat met name de mRNA vaccins primair ingezet moeten worden bij 60-plussers, te beginnen bij de oudste ouderen.
Op basis van de adviezen zijn verschillende groepen kwetsbare mensen te onderscheiden. Hieronder is aangegeven om welke groepen het gaat en wanneer zij volgens de laatste planning zullen worden uitgenodigd voor hun COVID-19 vaccinatie:
Op 18 januari is een start gemaakt met het vaccineren van deze groep »Bewoners verpleeghuizen en mensen met een verstandelijke beperking in een instelling»;
Bewoners kleinschalige woonvormen en mensen met een verstandelijke beperking in een instelling die onder de verantwoordelijkheid van de huisarts vallen. Zij worden gevaccineerd door mobiele teams die vanuit huisartsenposten worden ingezet. De eerste mensen in deze groep zijn op 25 januari gevaccineerd;
Thuiswonende 60-plussers, waarbij in de uitvoering onderscheid wordt gemaakt tussen mobiele en niet-mobiele 60-plussers. Deze mensen worden per leeftijdcohort uitgenodigd voor vaccinatie. Inmiddels hebben 80-plussers een uitnodiging ontvangen voor vaccinatie bij de GGD. De eerste 60 tot en met 64-jarigen worden sinds maandag 15 februari uitgenodigd voor vaccinatie met het AstraZeneca-vaccin, bij de huisarts, te beginnen met de 64-jarigen. Ouderen die in staat zijn om naar een GGD-vaccinatielocatie toe te gaan, al dan niet met hulp, worden beschouwd als «mobiel». Patiënten die liggend vervoerd moeten worden, worden niet mobiel geacht en kunnen daarom niet via de GGD hun vaccinatie krijgen. Deze mensen worden thuis gevaccineerd door de huisarts;
Intramurale GGZ-cliënten, die worden sinds de week van 22 februari gevaccineerd;
Mensen met een medische indicatie. In het advies van de Gezondheidsraad van 19 november jl. zijn de volgende groepen benoemd:
Patiënten met afwijkingen en functiestoornissen van de luchtwegen en longen;
Patiënten met een chronische stoornis van de hartfunctie;
Patiënten met diabetes mellitus;
Patiënten met chronische nierinsufficiëntie (dialyse en niertransplantatie-patiënten);
Patiënten met een afweerstoornis of behandeld met immuunsuppressiva leidend tot verminderde weerstand tegen luchtweginfecties;
Mensen met een verstandelijke beperking wonend in instellingen, en;
Verpleeghuisbewoners (de laatste twee groepen worden inmiddels gevaccineerd).
Dit zijn groepen die voor een groot deel overeenkomen met de groepen die ook worden uitgenodigd voor de jaarlijkse griepvaccinatie. Op advies van de Gezondheidsraad is besloten om in de groep 60-plussers geen onderscheid meer te maken op basis van een medische indicatie, tenzij er sprake is van een sterk verhoogd risico en zij worden uitgenodigd door de medisch specialist. De Gezondheidsraad heeft in het advies van 4 februari jl. benoemd dat er binnen de groep mensen met een medische indicatie enkele patiëntengroepen zijn met een sterk verhoogd risico op een gecompliceerd beloop van COVID-19. Het gaat, zoals ik in eerdergenoemde brief heb toegelicht, om vier patiëntengroepen die met voorrang met een mRNA-vaccin gevaccineerd zouden moeten worden, en drie groepen die vanwege het risico dat zij lopen versneld in aanmerking komen voor het AstraZeneca-vaccin. Sinds 15 februari wordt van deze groep de mensen met syndroom van down en mensen met morbide obesitas (BMI>40) gevaccineerd. Momenteel werk ik samen met het RIVM en de betrokken partijen uit op welke manier de overige groepen zo snel mogelijk een uitnodiging voor vaccinatie kunnen ontvangen. Daarbij ben ik echter ook afhankelijk van de leveringen van de verschillende vaccins.
Kunt u daarbij tevens een uitleg geven per groep wat de toegevoegde waarde is om onderscheid te maken tussen verschillende groepen in de vaccinatiestrategie?
Zoals geadviseerd door de Gezondheidsraad op 19 november, maar ook in hun adviezen van 24 december jl., 11 januari jl. en 4 februari jl., en door mij toegelicht in verschillende Kamerbrieven, waaronder die van 2 februari jl., worden als eerste de groepen gevaccineerd waar het meeste gezondheidswinst te behalen valt. Zodoende is besloten om onder andere te starten met het vaccineren van de verpleeghuisbewoners en mensen met een verstandelijke beperking die wonen in een instelling. Inmiddels worden ook 80-plussers uitgenodigd voor een vaccinatie bij de GGD’en. Er wordt van «oud naar jong» gevaccineerd, omdat sterfte en ziektelast toenemen met leeftijd. Zoals ik ook in mijn brief van 5 februari jl. heb aangegeven is het risico voor 60-jarigen 2,5 tot 5 maal hoger, voor 70-jarigen 6 tot 9 maal hoger en voor 80-jarigen en ouder 11 tot 21 maal hoger, ten opzichte van mensen jonger dan 60 jaar.
Er is ook sprake van verschillende groepen vanwege de beperkte hoeveelheid beschikbare vaccins. Daarnaast spelen ook de logistieke kenmerken van de vaccins een rol bij de inzet, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Bent u bekend met signalen van bewoners en personeel van ouder- en/of familie-initiatieven in de langdurige zorg dat zij niet weten onder welke groep zij vallen binnen de vaccinatiestrategie en niet weten wanneer zij door wie gevaccineerd gaan worden?
Ik ben bekend met de signalen. Voor de Wlz-cliënten die in een kleinschalige woonvoorziening wonen, waaronder ook pgb-initiatieven, die vallen onder de medische verantwoordelijkheid van de huisarts is er op 25 januari jl. gestart met vaccineren via mobiele teams vanuit de huisartsenposten (HAP). De cliënten worden op locatie gevaccineerd. Het is van belang dat de woonvoorzieningen in overleg gaan met de eigen huisarts om te bepalen welke cliënten in aanmerking komen voor vaccinatie. De huisarts moet namelijk beoordelen of er contra-indicaties zijn waardoor vaccinatie met het desbetreffende vaccin uitgesloten is. Daarnaast moet de woonvoorziening zorgen dat de cliënten die gevaccineerd gaan worden, dan wel hun wettelijk vertegenwoordiger, toestemming hebben gegeven voor vaccinatie. De HAP dient deze toestemming te controleren op het moment dat de cliënt gevaccineerd wordt. In samenwerking met de betreffende HAP’s zullen er vaccins besteld worden en wordt de afspraak gepland wanneer de mobiele teams op locatie langskomen om de cliënten te kunnen vaccineren. Waar een bewoner met een pgb budget dat niet uit de Wlz komt in een woonvoorziening woont waar voornamelijk bewoners met Wlz-indicatie wonen, kan deze bewoner ook meegenomen worden in de bovenvermelde vaccinatieronde. Mensen zonder Wlz-indicatie die wonen in een kleinschalige woonvoorziening zonder medebewoners met Wlz-indicatie, worden gezien als thuiswonend en zij worden uitgenodigd door de GGD als ze op basis van hun leeftijd aan de beurt zijn.
Wat betreft het zorgpersoneel in de kleinschalige woonvoorzieningen geldt dat zorgmedewerkers van kleinschalige woonvormen voor verpleeghuiszorg zijn meegenomen in de eerste ronde van de vaccinatie van zorgmedewerkers verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen die is gestart op 6 januari met het BioNTech/Pfizer vaccin. De zorgmedewerkers in verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen voor verpleeghuiszorg die nog niet zijn gevaccineerd in de eerste ronde worden vanaf 12 februari gevaccineerd met het AstraZeneca-vaccin. Achtereenvolgens worden de zorgmedewerkers in de gehandicaptenzorg, inclusief kleinschalige woonvormen, sinds 16 februari uitgenodigd en gevaccineerd met het AstraZeneca-vaccin. Overigens geldt dat alleen zorgmedewerkers met direct cliëntcontact én die zorg verlenen in aanmerking komen voor een prik.
Kunt u een uitputtend overzicht geven welke groepen te onderscheiden zijn tussen de bewoners en personeel van ouder- en/of familie-initiatieven en welke routes binnen de vaccinatiestrategie daarbij passen, rekening houdend met de grote diversiteit tussen deze ouder- en/of familie-initiatieven?
Zie antwoord vraag 5.
Worden in alle mogelijke gevallen de bewoners en het personeel van ouder- en/of familie-initiatieven met voorrang gevaccineerd?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt in contact treden met de Landelijke Vereniging van Ouderinitiatieven (LVOI) om duidelijkheid te scheppen over de vaccinatiestrategie voor al deze instellingen?
Ja, ik ben bereid om met LVOI in gesprek te gaan.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Ja.
Het bericht dat ziekenhuizen het bezoek van predikanten beperken. |
|
Carla Dik-Faber (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Zeker twintig ziekenhuizen beperken bezoek predikanten»1 en «Heeft patiënt recht op eigen predikant aan het ziekenhuisbed?»2?
Ja.
Bent u bekend met de afspraken die ActiZ en Verenso zelf hebben gemaakt in de ouderenzorg met betrekking tot pastoraal bezoek?
Ik ben bekend met de «Handreiking bezoek en sociaal contact (corona in verpleeghuizen)» zoals opgesteld door ActiZ, Alzheimer Nederland, LOC, NIP, Verenso, V&VN en Zorgthuisnl.
Geestelijke verzorging wordt als integraal onderdeel van de zorgverlening in verpleeghuizen gezien en hoort bij het welzijn van bewoners, zoals beoogd met het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg. Verpleeghuizen hebben daarom geestelijk verzorgers in dienst en bieden ook ruimte voor contact en afspraken met andere pastoraal werkers die mensen bijstaan. Hierover kunnen per cliënt (en afhankelijk van de situatie in de zorginstelling) afspraken gemaakt worden, conform deze handreiking.
Bent u van mening dat een predikant en andere geestelijk verzorgers meer dan regulier bezoek zijn, maar dat het gaat om professionals die aan geestelijke begeleiding doen en anderszins vanuit hun expertise proberen van betekenis te zijn voor de patiënt en de naasten?
Momenteel kunnen zorginstellingen bezoek beperken indien dit noodzakelijk is om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. De zorginstelling moet dan minimaal één familielid of naaste toelaten, (behoudens in geval van uitzonderlijke omstandigheden). Dit is dus een minimum en geen regel. Het is aan de zorginstelling om een afweging te maken, waarbij naast het belang van de individuele patiënt de veiligheid van alle patiënten en personeel meetelt. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten bezoekers.
Bovendien is er in de coronatijd aandacht voor maatwerk met betrekking tot bezoek, bijvoorbeeld in de palliatieve terminale fase van mensen. Geestelijke verzorging kan daar van belang zijn. Externe geestelijken kunnen hierover afstemmen met familie, naasten en de zorginstelling of kiezen voor andere vormen van contact, zoals bellen en videobellen.
In de reguliere situatie zijn zorginstellingen waar men langer dan 24 uur verblijft, verplicht om te voorzien in geestelijke verzorging. Meestal is die aanwezig in de vorm van een intramuraal team, medewerkers van dit team vallen niet onder de bezoekersregeling. Mocht dit team geen passende ondersteuning kunnen bieden aan de patiënt, dan maakt het doorgaans in overleg met externe geestelijk verzorgers specifieke afspraken voor de patiënt.
Deelt u de opvatting dat als een patiënt in zijn zorgplan zegt dat regelmatig bezoek van zijn eigen ouderling of predikant bij zijn geloofsbeleving hoort, hij daar recht op heeft?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zienswijze dat toegang tot geestelijke verzorging in beginsel altijd mogelijk moet zijn bovenop regulier bezoek?3
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat de ziekenhuizen uit bovengenoemd onderzoek niet handelen in lijn met de gemaakte afspraken en de hierbij relevante wetsbepalingen? Zo ja, wat gaat u doen om ziekenhuizen zich hier bewust van te maken?
Nee, die opvatting deel ik niet. Maar ik zal de ziekenhuiskoepels attenderen op het voorbeeld van de «Handreiking bezoek en sociaal contact (corona in verpleeghuizen)» zoals opgesteld door ActiZ, Alzheimer Nederland, LOC, NIP, Verenso, V&VN en Zorgthuisnl.
Bent u bereid een uitzondering voor pastoraal bezoekers te maken buiten de bezoekuren om met inachtneming van het feit dat pastoraal bezoekers ook na het ingaan van de avondklok de mogelijkheid hebben patiënten te bezoeken?
Nee, het is namelijk al mogelijk om een uitzondering te maken voor hulpverlening aan een hulpbehoevend persoon als er sprake is van een dringende noodzakelijkheid.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het eerstvolgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus beantwoorden?
De beschikbaarheid van hulpmiddelen en basismateriaal bij de levering ten behoeve van, en uitvoering van de vaccinatiestrategie |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of Pfizer overgaat tot een aanpassing van de output van flacons, nu blijkt dat Pfizer uitgaat van zes doses per flacon, zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het 96e OMT-advies (deel 2)?1 Zo ja, hoe zal deze aanpassing er uitzien? Zal dit een labelaanpassing zijn, of zal het een hogere output in flacons zijn?
De productinformatie over Comirnaty, het vaccin van Pfizer, is aangepast naar 6 doses per flacon.2 Pfizer zal de leveringen ook gaan baseren op zes doses per flacon.
Kunt u aangeven waarom de contracten met de vaccinproducenten afgesloten zijn op basis van doses en niet op basis van flacons vaccin? Geldt dit voor alle contracten?
Het inkopen vaccins en het plannen op basis van doses is een gangbare eenheid. Dit is namelijk de eenheid die voor de individu geschikt is en daardoor een eenvoudig mee te rekenen eenheid. Ook de andere vaccincontracten rondom COVID-19 vaccins zijn gebaseerd op doses.
En voor de volledigheid: Niet alleen door de EU is ingekocht op basis van doses, ook andere landen hebben ingekocht op basis van doses.
Op welke manier worden de vaccins door de producenten geleverd voordat ze gedistribueerd worden over de EU-lidstaten? Gebeurt dit afgevuld in flacons? Zo nee, waar vindt de afvulling plaats?
Alle firma’s leveren de vaccins afgevuld in flacons, dit is voor alle vaccins ook de geregistreerde verpakkingseenheid. Deze flacons worden dan vanuit de firma naar de EU-lidstaten gedistribueerd.
Kunt u aangeven hoelang de levertijd op dit moment is voor basismaterialen bij het afvulproces van vaccins zoals flacons, stops en caps? Voorziet u hier problemen voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen of vaccins?
Ik heb inzicht in de leverschema’s van de vaccins in flacons, zoals ik ook met uw Kamer deel. Het is de verantwoordelijkheid van de firma’s, zoals contractueel is afgesproken, om het geregistreerde vaccin aan te leveren. Ik heb geen inzicht in levertijden van basismaterialen bij het afvulproces.
Schaarste aan deze basismaterialen lijkt niet de beperkende factor voor de farmaceuten voor de beschikbaarheid van vaccins. Tegelijk is er momenteel wereldwijd natuurlijk wel een gigantische vraag naar vaccins.
Kunt aangeven wat Nederland en de EU op dit moment doen in het beschikbaar hebben van basismaterialen, die nodig zijn bij het leverings- en uitvoeringsproces van de Covid-19 vaccins?
De basismaterialen worden mondiaal geproduceerd en ingekocht. Dit is een wereldwijde markt die privaat is geregeld. Goede handelsmogelijkheden en het openhouden van distributielijnen voor dit soort essentiële materialen is daarom van belang. Tegelijk zien we dat over de hele wereld overheden ook inzetten op handelsinstrumenten die de export van vaccins of de materialen die daarvoor nodig zijn, kunnen beperken. Daarnaast is het ook aan farmaceutische firma’s om flexibel om te gaan met de inkoop van hun basismaterialen. Als de ene leverancier niet kan leveren, dan kan mogelijk een andere leverancier het wel leveren. In het registratiedossier van een geneesmiddel is een aantal kwaliteitsaspecten van basismaterialen vastgelegd, maar niet de leverancier. Hier zit flexibiliteit voor de firma.
Kloppen de berichten dat de VS strategische benodigdheden (vulzakken, mengzakken et cetera) voor eigen markt behoudt waardoor producenten in de EU zonder deze materialen zitten? Kan dit tot problemen leiden voor alle andere non-covid medicatie die uiteraard ook gewoon doorgang dient te vinden? Zo ja, wat kan Nederland en/of de EU hier aan doen?
De beschikbaarheid van vaccins is politiek zo belangrijk geworden, dat verschillende landen in de wereld gebruik maken van handelspolitieke instrumenten, om de beschikbaarheid aan vaccins en hulpmiddelen te garanderen of te reguleren. Ook de EU doet dit. Tegelijk moeten we beseffen dat we elkaar nodig hebben en dat acties ook tegenreacties oproepen. Schaarste, of die nu gecreëerd is door productieproblemen, tekort aan personeel of waar u nu specifiek in uw vraag op ingaat handelsbarrières bij basismaterialen, kan tot tekorten leiden. Ik heb signalen ontvangen dat dit tot hick-ups in het productieproces kan leiden, maar dat die veelal op te lossen zijn door basismaterialen bij een andere leverancier in te kopen.
Is er een tekort aan basismaterialen bij farmaceutische bedrijven? Zo ja, kunnen we hier in Nederland of in de EU iets aan bijdragen? Klopt het daarbij dat voorraden basismaterialen tegengehouden worden door sommige landen?
Dat er zorgen zijn over schaarste van basismaterialen, heb ik ook vernomen. Maar ik heb geen concrete aanwijzingen dat dit nu tot problemen zorgt die private partijen niet zelf kunnen oplossen. In mijn antwoord op vraag 5 ga ik hier ook op in.
Kunt u aangeven of het mogelijk is om producenten te motiveren met EU-bedrijven samen te werken door hiervoor een extra vergoeding te bieden boven op de huidige inkoopprijs?
Als gezegd, schaarste aan basismaterialen lijkt op dit moment nog geen beperkende factor in de leveringen van vaccins. Wij spreken de betrokken vaccinproducenten op regelmatige basis. Als daarbij zou blijken dat zij behoefte hebben aan hulp van de overheid bij het realiseren van bepaalde vormen van samenwerking met andere bedrijven, ten einde problemen rond de beschikbaarheid van vaccins te voorkomen, dan zal ik daar uiteraard naar kijken.
Wat kan de overheid nu doen om het «Nederlandse» vaccin van Johnson & Johnson (Janssen Nederland) in Leiden na goedkeuring door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) succesvol en snel beschikbaar te stellen? Wordt hierbij ook onderzocht of er nog aanvullende productiecapaciteit te creëren is in Nederland?
We speken veelvuldig met Janssen. Het is uiteraard primair aan Janssen Vaccins om te bepalen hoe zij de productie van hun vaccins vormgeeft. Janssen Vaccins heeft plannen voor uitbreiding van productiecapaciteit in Leiden, maar dat zal pas op langere termijn effecten hebben op de productiecapaciteit. Daar waar binnen de regels gefaciliteerd kan worden om hier zaken in te versnellen, zal ik dit doen. Deze boodschap heb ik al vanaf het begin van de crisis aan bedrijven afgegeven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en uiterlijk vóór het volgende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom ht coronavirus?
Dat is helaas niet gelukt.
Sneltestpilots in het PO en VO |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de informatie «Onderbouwing grootschalig testen van personen zonder klachten» van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?1
Ja.
Is dit de meest recente onderbouwing van grootschalig testen?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Sneltesten in onderwijs van start»?2
Ja.
Welk type sneltesten worden gebruikt bij de pilot?
In de studie wordt gebruik gemaakt van antigeen(snel)tests. Deze tests kunnen binnen 15 minuten een uitslag geven, waardoor ze het mogelijk maken om mensen met een positieve testuitslag snel te vinden.
Hoeveel testen zullen er naar schatting per dag afgenomen worden?
Voor de pilotfase, die op ongeveer 35 middelbare scholen plaatsvond, is vooraf ingeschat dat ongeveer 440–550 testen per dag zouden worden afgenomen. Die inschatting is gemaakt op basis van de situatie zoals die was voorafgaand aan de lockdown eind 2020 en de gemiddelde besmettingsgraad september-december 2020.
Kunt u meer details geven over hoe de pilot is ingericht en wordt uitgevoerd?
De pilot is op 18 januari jl. van start gegaan en heeft op zo’n 35 middelbare scholen in de regio Rotterdam en in Gelderland gelopen tot en met 23 april jl., onder leiding van Patricia Bruijning van UMC Utrecht. Wanneer een school een melding kreeg van een positief geteste leerling of personeelslid, deed de school een inventarisatie van de schoolcontacten van deze persoon. Hierbij zijn alle leerlingen en personeelsleden die in de potentieel besmettelijke periode ten minste 1 lesuur in dezelfde ruimte zijn verbleven met de index case geïdentificeerd als (niet-nauwe) contacten. De personen die werden geïdentificeerd als nauwe contacten moesten uit voorzorg in quarantaine. De niet-nauwe contacten werden uitgenodigd voor een sneltest die op school werd afgenomen en uitgelezen door een daartoe gekwalificeerd persoon van een testaanbieder. Bij een positieve uitslag werd de leerling of leraar naar huis gestuurd met instructies voor isolatie en werd de GGD geïnformeerd. Bij een negatieve uitslag kon het normale schoolprogramma worden vervolgd. Na 3–5 dagen (afhankelijk van weekenddagen) volgde een tweede testronde voor alle niet-nauwe contacten. Leverde dit geen nieuwe positieve personen op, dan werd er niet verder getest. Werden opnieuw één of meerdere personen positief getest, dan startte de procedure opnieuw. Meedoen aan de pilot was vrijwillig.
Op advies van het deskundigenpanel onder leiding van prof. dr. Van der Zande, toenmalig voorzitter van de LCT, heeft het kabinet besloten om de werkwijze in de pilots vanwege problemen met de werkbaarheid en schaalbaarheid niet voort te zetten, maar om zelftesten voor het funderend onderwijs vanaf medio april beschikbaar te maken. Leerkrachten kunnen zich daarmee twee keer week thuis preventief testen. Voor leerlingen in het voorgezet onderwijs zijn zelftesten beschikbaar gemaakt om, in overleg met de GGD, risicogericht te testen bij een besmetting in de klas. Zij kunnen zich daarmee op school zo snel mogelijk testen. In de tweede helft van mei zijn zelftesten beschikbaar gesteld waarmee ook alle leerlingen uit het VO zich tweemaal per week thuis preventief kunnen testen.
Voor het zelftesten geldt dat deelname geheel vrijwillig is en niet bepalend is voor de mate waarin leerkrachten en leerlingen fysiek op de onderwijsinstelling aanwezig mogen zijn.
Deelt u de mening van het RIVM dat de PCR-test op dit moment de «gouden standaard» is met een technische/analytische sensitiviteit van 96–99,5%?
Ja, de PCR-test is de meest sensitieve testmethode. Bij het valideren van nieuwe testmethoden worden deze methoden altijd met de PCR-test vergeleken. Dit betekent overigens niet dat de PCR-test in elke setting de meest ideale testmethode is. De PCR-test vraagt een geavanceerde labomgeving en het kost relatief veel tijd om de analyse uit te voeren. In het onderwijs wordt de voorkeur aan sneltesten gegeven omdat die de continuïteit van het onderwijs zo min mogelijk verstoren, een zelftest eenvoudig op de schoollocatie of thuis uit te voeren is en de testmethode snel een uitslag geeft waardoor besmettelijke mensen in de klas snel geïdentificeerd kunnen worden.
Wat is de technische/analytische sensitiviteit van de te gebruiken sneltesten?
In vraag 4 is toegelicht dat gebruik gemaakt wordt van antigeentesten. Over het algemeen geldt voor antigeentesten dat de specificiteit nabij de 100% ligt. Dit betekent dat het zelden gebeurt dat een monster positief is in de antigeentest, maar negatief is in de PCR. De sensitiviteit is afhankelijk van de populatie die getest wordt. In zijn algemeenheid geldt dat antigeentesten minder gevoelig zijn dan PCR-testen, en dat antigeentesten daardoor minder goed in staat zijn om besmettingen te detecteren in mensen die weinig virusdeeltjes in de luchtwegen hebben. Het voordeel van antigeentesten is wel dat ze goed in staat zijn om heel snel (binnen 30 minuten) mensen te vinden die veel virusdeeltjes in de luchtwegen hebben en daarmee waarschijnlijk ook het meest besmettelijk voor anderen zijn. Binnen de pilots is onderzocht of herhaald testen met antigeensneltests een effectieve aanpak is om verspreiding van het virus bij een besmetting binnen een school in te dammen. De onderzoeksuitkomsten worden in juni verwacht en zullen aan uw Kamer worden toegezonden. Voor een overzicht van de sensitiviteit van verschillende antigeentesten in verschillende doelgroepen verwijs ik naar het document Status validatie SARS-CoV-2 antigeen sneltesten dat door het RIVM wordt bijgehouden (Gebruik en veiligheid van doping en sportvoedingssupplementen (rivm.nl)).
Hoeveel vals-positieve en vals-negatieve testuitslagen worden verwacht bij deze pilot, uitgaand van de technische/analytische sensitiviteit van de sneltesten en het geplande aantal af te nemen testen per dag?
De sensitiviteit van antigeensneltesten is doorgaan 80–90%. Dit betekent dat 10–20% van de positieven uit de PCR-test met de antigeensneltest niet positief testen met de sneltest. Hierbij moet wel de kanttekening geplaatst worden dat de antigeen-sneltest zeer gevoelig is bij mensen met een hoge virale load, de mensen die waarschijnlijk ook het meest besmettelijk zijn. De mensen die met de antigeen-sneltest gemist worden zijn dus vooral mensen die op het moment van testen niet besmettelijk zijn. Hiertussen kunnen wel mensen zitten die nog besmettelijk kunnen worden. Daarom is het van belang om bij het sneltesten de test na een aantal dagen te herhalen. Vals-positieve uitslagen zijn zeldzaam, het komt zelden voor dat iemand negatief test met een PCR-test en positief test met een antigeen-sneltest. Wanneer als gouden standaard hierbij een negatieve PCR test wordt gehanteerd is het percentage vals-positieve antigeentesten in diverse studies < 1%.
Hoe wordt voorkomen dat bij vals-positieve uitslagen leerlingen ten onrechte worden uitgesloten, aangezien het RIVM schrijft: «nadelen zijn ook het relatief hoge percentage foutpositieven dat bij brede screening gevonden zal worden, zelfs bij de testen met de hoogste specificiteit' en: «bij grootschalig gebruik van antigeensneltesten kan zelfs een relatief minimale fractie foutnegatieve testen tot aanzienlijke aantallen uitgroeien»? Welke concrete maatregelen worden genomen om fysieke besmetting als gevolg van vals-negatieve uitslagen te voorkomen?
De kans op vals-positieven is erg klein (< 1%). Bij een positieve uitslag op een zelftest, is het advies in de bijsluiter een confirmatietest te doen bij de GGD, zodat een mogelijke onterechte quarantaine zo kort mogelijk zal zijn.
Een vals-negatieve uitslag betreft mensen met een zeer lage besmettelijkheid. Door 3 tot 5 dagen erna nogmaals te testen, kunnen deze besmettingen bij toegenomen besmettelijkheid alsnog worden opgespoord. Dit wordt toegepast bij het risicogericht testen, en ook bij het preventief thuis testen, waar het advies is tweemaal per week te testen. Zo worden verdere besmettingen binnen de schoolcontext zo veel mogelijk voorkomen.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'De strijd om het coronavaccin barst nu pas echt los' |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «De strijd om het coronavaccin barst nu pas echt los»?1 Wat heeft u gedaan om een dergelijke strijd te proberen te voorkomen?
Het woord strijd is niet mijn woordkeuze, maar het is duidelijk dat er een scherpe discussie plaatsvindt tussen de Europese Unie en AstraZeneca (AZ). Het is ook niet niets wat er aan de hand is. AZ meldt zonder waarschuwing aan de vooravond van hun markttoelating, dat hun leveringen vooralsnog ruim 60% lager zijn dan eerder aangegeven. De EU wil een goede verklaring voor deze vertraging, duidelijkheid over de vraag waarom er ook geen eerder geproduceerde vaccins klaarliggen (AZ zou immers al in 2020 kunnen starten met was hun eerdere boodschap) en het is van belang te weten van hen waar we de komende maanden aan toe zijn qua leveringen. Dit is een serieuze zaak en daarbij vallen naar mijn idee terecht soms stevige woorden. Maar uiteindelijk moeten we wel met elkaar verder. Ik denk dat de recente bijeenkomsten tussen de EU en AZ, perspectief bieden voor een constructieve samenwerking richting de toekomst.
Kunt u toelichten wat het openbaar register voor de export van vaccins naar landen buiten de EU inhoudt en wat u hiervan vindt? In hoeverre biedt dit soelaas?
De Europese Unie/Commissie heeft op 31 januari een besluit genomen over de inzet van exportlicenties. Dat zorgt ervoor dat een producent van vaccins tegen COVID-19, waarmee de EU een contract heeft, deze producten alleen mogen exporteren na afgifte van een licentie. Lidstaten moeten daarbij steeds de afweging maken of een licentie wordt afgegeven. Hiermee wordt duidelijk of, en zo ja welke, vaccins de EU verlaten. Overwogen wordt ook om dit met terugwerkende kracht te doen, zodat we weten wat er in de afgelopen maanden is gebeurd. Ik denk dat het gezien de algehele gevoeligheid rond de aankoop van vaccins tegen COVID-19, verstandig is om nu deze stap te zetten.
Zijn er signalen bij u bekend dat er vaccins, bedoeld voor Europa, naar het buitenland geëxporteerd worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn nu vooral geruchten. Ik denk daarom dat het in ieders belang is dat dit goed wordt uitgezocht. Daartoe lopen nu verschillende acties. Ik denk dat het verstandig is hier op terug te komen als de feiten op tafel liggen.
Kunt u reageren op de uitspraak van uw Duitse evenknie dat «dit geen kwestie van «Europa eerst» [is], maar van een evenredig deel voor Europa»? Wat vindt u van deze uitspraak in de wetenschap dat er veel landen zijn die überhaupt nog niet zijn begonnen met vaccineren?
De strategie van de EU is om de inkoopmacht van de EU te gebruiken om grote contracten te sluiten. Dit lukt goed. Deze volumes zijn uiteraard bedoeld voor de bevolking van de EU, maar ook voor donatie en doorverkoop aan o.a. COVAX, zodat deze inkoopkracht ook ten goede kan komen aan landen die zelf minder goed in staat zijn vaccins in te kopen. Ik denk dat de gekozen strategie daarom een goede is. Momenteel wordt nader uitgewerkt hoe een systeem voor donatie en doorverkoop het best kan functioneren. Maar laten we niet vergeten dat we momenteel wel grote contracten hebben, maar nog maar weinig leveringen. Dat maakt donaties nu nog lastig.
Wat is de oorzaak van de verminderde levering van het vaccin van AstraZeneca?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, heeft de Europese Unie hier bij AstraZeneca om opheldering over gevraagd.
Wat vindt u van de juridische stappen die de Italiaanse regering richting Pfizer neemt om vergelijkbare redenen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment ben ik niet op de hoogte van de juridische stappen die de Italiaanse overheid neemt richting Pfizer. Ik zal dit nagaan en u hier later over informeren.
Deelt u de mening dat deze ontwikkelingen aantonen dat het van belang is dat patenten worden vrijgegeven en actieve kennisoverdracht plaatsvindt zodat andere fabrikanten de vaccins kunnen produceren en zo de wereldwijde productie kan worden opgeschroefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het systeem van intellectuele eigendom heeft in deze pandemie grootschalig en kostbaar onderzoek naar mogelijke vaccins gestimuleerd. Dat heeft nu geleid tot de eerste positieve resultaten met werkzame vaccins. Dit toont aan dat het systeem van intellectuele eigendom, als stimulans om te investeren en te innoveren, zijn vruchten afwerpt. Ik heb geen indicatie dat octrooien of de opstelling van de industrie een barrière vormen voor het opschalen van de productiecapaciteit. Het «vrijgeven» van octrooien biedt daarom geen oplossing. Snelle beschikbaarheid en het opschalen van productiecapaciteit van vaccins wordt juist vanwege het stelsel van octrooibescherming, licentieverlening en kennisdeling gerealiseerd. We doen uiteraard een beroep op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven, naast de afspraken die we hebben gemaakt in contracten, en roepen hen op het maximale te doen om productiecapaciteit uit te breiden, waaronder het onder redelijke voorwaarden delen van kennis en intellectuele eigendom als daarmee productiecapaciteit kan worden opgeschaald. Gelukkig zien we ook vanuit bedrijven de wil om hieraan mee te werken. Zo hebben BioNTech en Sanofi bijvoorbeeld recent aangegeven samen te werken om productie op te schalen2. Ook andere bedrijven werken samen om de pandemie zo goed mogelijk aan te pakken.
Ik heb ook mijn steun aangeboden wanneer het zou gaan om de inzet van bedrijven in Nederland.
Welke rol zou de COVID-19 Technology Access Pool (C-TAP) van de Wereldgezondheidsorganisatie hierin kunnen spelen?
Nederland steunt het beleid van de WHO om er voor te zorgen dat vaccins en geneesmiddelen beschikbaar komen voor iedereen, en er voor te zorgen dat intellectueel eigendom niet in de weg staat van eerlijke toegang voor armere landen en bevolkingsgroepen. Hiertoe bestonden al verschillende initiatieven, bijvoorbeeld de Medicines Patent Pool (MPP). In aanvulling daarop is de COVID-19 Technology Access Pool (C-TAP) op verzoek van een aantal lidstaten opgericht. Met steun van de WHO en Unitaid heeft de MPP daarop haar mandaat uitgebreid tot alle COVID-19-gerelateerde gezondheidstechnologieën, waaronder vaccins en diagnostiek. De WHO heeft de afgelopen maanden consultaties gehad met de private sector om hen er toe te bewegen kennis en IP in de pool onder te brengen. U bent al eerder geïnformeerd (Kamerbrief «Kabinetsinzet solidaire verdeling COVID-19 vaccins» d.d. 18 december 2020, Kamerstuk 25 295, nr. 902) over het feit dat verschillende intellectuele eigendomsrechten gratis zijn aangeboden. Dit geldt echter niet voor rechten voor vaccins. Het is echter de vraag of dit eerlijke toegang tot vaccins wereldwijd ook daadwerkelijk belemmerd. Immers, uit recente gegevens van COVAX blijkt dat COVAX er in is geslaagd afspraken te maken met bestaande vaccinproducenten. Het kabinet is van mening dat wel voortdurend goed gekeken moet worden naar mogelijke knelpunten op het gebied van intellectuele eigendom die opschaling van productie en betaalbaarheid van COVID-19-vaccins zouden kunnen belemmeren. Nederland steunt daartoe actief de inzet van de Commissie om zorgen hierover serieus te onderzoeken en te bekijken of er op onderdelen pragmatische stappen nodig zijn.
Bent u bereid om in kaart te brengen welke andere fabrikanten de vaccins zouden kunnen produceren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben bereid initiatieven te ondersteunen die leiden tot meer samenwerking, en waardoor het productieproces kan verbeteren. Het is uiteraard aan de producenten om aan te geven waar de grootste obstakels in het productieproces liggen en ook welke bedrijven daarbij een rol kunnen spelen om die op te lossen.
Zijn er fabrieken in de Nederland die dit vaccin zouden kunnen produceren?
Elk vaccin kent zijn eigen technologie en heeft andere grondstoffen nodig en brengt andere productieprocessen met zich mee. Het is dus niet eenvoudig om te antwoorden of en welke fabrieken die in Nederland staan het kunnen produceren.
En of daar überhaupt productiecapaciteit is. En voor de volledigheid: het is nu aan AstraZeneca om met oplossingen te komen voor hun problemen in de vaccinproductie. Echter zijn we wel bereid om te helpen indien nodig, dit in het verlengde van mijn antwoord op vraag 9.
In hoeverre kunnen dwanglicenties daarbij een rol spelen (met betrekking tot de vorige twee vragen)?
Het instrument dwanglicenties is, met toepassing van een zorgvuldig afwegingskader, een optie die het kabinet openhoudt. Een dwanglicentie komt echter pas in beeld als de octrooihouder niet bereid is de licentie onder redelijke voorwaarden vrijwillig te verlenen, andere instrumenten niet helpen, inzet van de dwanglicentie proportioneel is richting octrooihouder en daadwerkelijk kan leiden tot beschikbaarheid van een vaccin. Het kabinet heeft geen indicatie dat een dergelijke situatie zich nu voordoet.
Kan bij Intravacc niet weer een productiefaciliteit worden opgebouwd met het oog op de toekomst?
Intravacc heeft nu geen voorzieningen voor de (grootschalige) productie van vaccins. Dat is op dit moment ook niet hun deskundigheid. Ondernemers die aan alle kwaliteits-, veiligheids- en vergunningseisen kunnen voldoen, kunnen in Nederland nieuwe productiefaciliteiten oprichten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus in de Kamer?
Ja
De betrokkenheid van Defensie bij de bestrijding van de pandemie |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel op Defensie Platform: «Verstandig Bestuur»?1
Ja.
In hoeverre kunt u zich voorstellen dat militairen van Defensie een grotere rol voor zichzelf zien weggelegd in de planning, organisatie en uitvoering van het vaccinatieprogramma en bestrijding van het coronavirus?
In het algemeen zijn veel militairen en burgermedewerkers van Defensie werkzaam bij de bestrijding van de gevolgen van de COVID-19-crisis. Defensie wordt breed ingezet bij, onder andere, het ondersteunen van de zorg, het handhaven van de openbare orde, de grensbewaking en het ondersteunen van de voedselbanken, zowel in Nederland als in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ik spreek mijn waardering uit voor al die militairen en burgers die de maatschappij hebben ondersteund en dat nog steeds doen.
De civiele autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het vaccinactieprogramma. De civiele autoriteiten hebben een beroep op Defensie gedaan om de uitvoering van dit programma te ondersteunen. Defensie doet dat op meerdere manieren: zo ondersteunt Defensie de planning en coördinatie met enkele specialisten en staan 1.000 militairen paraat om de daadwerkelijke vaccinatie te ondersteunen in de vaccinatiestraten. Daarnaast levert de Koninklijke Marechaussee bijstand bij de beveiliging van de centrale opslaglocatie van de vaccins.
Ten aanzien van de bestrijding van het COVID-19-virus in het algemeen en de gevolgen van de pandemie, wordt er breed een beroep op Defensie gedaan. In mijn brief «Inzet defensiepersoneel ter ondersteuning van het zorgpersoneel» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020-2021, nr. 1473, d.d. 28 januari 2021) ga ik hier nader op in.
Een actueel beeld van de ondersteuning van Defensie in Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk vindt u op www.defensie.nl.
Bent u het met de crisisexpert eens dat de krijgsmacht als geen ander weet om te gaan met onzekerheden en gewend is om in scenario's te denken en dat Defensie deze logistieke operatie met militaire precisie kan uitvoeren?2
Defensie is een organisatie die in staat is om met onzekerheden om te gaan en waar scenarioplanning gemeengoed is. Defensie ondersteunt reeds de civiele autoriteiten met plannings- en coördinatiecapaciteit. Mochten de civiele autoriteiten een additioneel beroep doen op Defensie, dan zal Defensie deze verzoeken in behandeling nemen.
Welke aanbiedingen heeft Defensie op welke momenten gedaan om bij te dragen aan de planning en organisatie van de vaccinatie en bij de bestrijding van de corona-crisis in het algemeen?
Specifiek ten aanzien van de planning en organisatie van het vaccinatieprogramma ondersteunt Defensie, op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, al enige maanden met enkele logistieke planners de Dienst Vaccinatie en Preventieprogramma’s van het RIVM. De logistieke planners hebben geholpen de crisisuitvoeringsorganisatie op te zetten in de vorm van het Logistiek Coördinatiecentrum COVID-19 vaccinatie (LCC). Daarnaast neemt Defensie deel in diverse overlegstructuren ten aanzien van het vaccinatieprogramma. Inmiddels heeft Defensie ook logistiek beheerders laten aansluiten in het LCC. Tevens heeft Defensie militairen gereedgesteld en paraat staan om te ondersteunen in de zorg, waaronder de test- en vaccinatiestraten, indien dit noodzakelijk is. Tot slot levert de Koninklijke Marechaussee bijstand bij de beveiliging van de centrale opslaglocatie van de vaccins.
Defensie kan de civiele autoriteiten ondersteunen indien zij zelf niet in staat zijn om hun taken en verantwoordelijkheden uit te voeren. Defensie beoordeelt hiertoe elk verzoek dat via het reguliere proces wordt ingediend. Ik verwijs ook hier naar mijn brief «Inzet defensiepersoneel ter ondersteuning van het zorgpersoneel» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1473, d.d. 28 januari 2021).
In hoeverre is elk aanbod van Defensie door het kabinet aangenomen? Zo niet: waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven waarom slechts 150 van de 1.000 daartoe opgeleide militairen zijn ingezet om te vaccineren?
Defensie heeft 1.000 medewerkers paraat staat om, indien daarom wordt verzocht, de test- en vaccinatiestraten te ondersteunen. Deze medewerkers kunnen diverse functies vervullen bij het testen en vaccineren. Tot nu toe is gebleken dat de civiele instanties grotendeels zelf voorzien in de vraag naar het benodigde personeel. Daardoor is een groep van ongeveer 270 militairen ingezet in de teststraten.
Kunt u aangeven in hoeverre in andere landen (bijv. het VK) Defensie is betrokken bij de bestrijding van de pandemie en hoe dit daar uitwerkt en heeft u contact met andere landen over geleerde lessen met een planning en rol van hun Defensie?
Ik spreek veelvuldig met mijn internationale collega’s over de rol van Defensie bij de bestrijding van de COVID-19-pandemie. In de Kamerbrief «Leerpunten eerste fase COVID-19» (Kamerstuk 35 570 X, nr. 10 d.d. 9 oktober 2020) ga ik nader in op de samenwerking.
Internationaal ondersteunen defensiemedewerkers, net als in Nederland, de civiele autoriteiten. We kunnen veel van elkaar leren. Hiervoor wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het netwerk van liaisonofficieren en militair attachés bij bondgenoten. Geleerde lessen worden meegenomen in de planning en uitvoering van de respons op COVID-19. Zo is bijvoorbeeld de inzet in de teststraten in Nederland mede vormgegeven met de lessen die door het Britse leger zijn opgedaan.
Naast bilaterale contacten worden ook lessen gedeeld in EU- en NAVO-verband en in kleinere multilaterale verbanden zoals het European Intervention Initiative (EI2) en de Northern Group. Dit vindt plaats op alle niveaus: bestuurlijk, militair-strategisch, maar ook op uitvoerend niveau.
Wat is in 2009 bij de Mexicaanse griep zodanig misgegaan waardoor we het vaccineren wel als militaire operatie hebben ingericht en bij de corona-vaccinaties nu niet?3
Zowel in 2009, als in de huidige situatie, ondersteunt Defensie het vaccinatieprogramma dat wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Minister van VWS.
In 2009 in Defensie gevraagd om twee officieren de regie over de operationele uitvoering van de logistiek rondom vaccinaties te laten voeren. Bij de uitvoering van het vaccineren is geen ondersteuning geleverd door Defensie in 2009.
Los van de vraag of er wel of niet een aanvullend beroep op Defensie wordt gedaan, moet opgemerkt worden dat de situatie in 2009 anders was omdat slechts een deel van de bevolking werd gevaccineerd, er slechts sprake was van twee vaccins die in grote hoeveelheden aanwezig waren en er geen anderhalve meter samenleving was. Ik verwijs verder naar de evaluatie uitgevoerd door Berenschot (Kamerstuk 22 894, nr. 297, bijlage).
Herkent u het beeld dat de militaire operatie bij het vaccineren in 2009 ertoe leidde dat we als eerste gevaccineerd waren in Nederland?
Zie antwoord vraag 8.
Waarom werd Defensie bij het verdelen en toewijzen van IC-bedden in maart 2020 wel succesvol betrokken, maar bij de vaccinatiestrategie veel minder?
Defensie is zowel betrokken bij de coördinatie en planning ten aanzien van het spreiden van patiënten die opgenomen zijn op de IC-afdelingen, als bij de logistieke ondersteuning van het vaccinatieprogramma. Daarnaast staat Defensie gereed om op momenten van schaarste met een groot aantal militairen de uitvoering van het vaccineren te ondersteunen.
In hoeverre kan de Defensie afdeling Concept Development & Experimentation (CD&E) een rol spelen door een loket te openen waar ondernemers met innovaties – die door de drukte geen gehoor krijgen bij de Ministeries van VWS en AZ, maar wel een rol kunnen spelen bij het vernietigen van het virus – zich kunnen melden en waar Defensie, in samenwerking met onderzoeksinstituten, vervolgens de kansen waardeert op inzetbaarheid in het beleid, naast het goede werk dat het RIVM doet?
Het is mij bekend dat Nederlandse ondernemers vele innovatieve mogelijkheden zien voor de bestrijding van het COVID-19-virus. Het COVID-gerelateerde hulpaanbod dat de afgelopen maanden bij Defensie is binnengekomen, varieert van medische beschermingsmiddelen, testkits, ontsmettingsmiddelen en noodfaciliteiten, tot meer innovatieve middelen als dashboards, planningsapps en ICT-ondersteuning.
Defensie beschikt niet over de kennis en kunde om te bepalen welk aanbod bruikbaar en nodig is voor de bestrijding van de pandemie. Ook CD&E, dat een experimenteeromgeving voor innovatie biedt, kan dat niet. Het aanbod voor hulp- en beschermingsmiddelen wordt doorgeleid naar het Landelijk Consortium Hulpmiddelen van het Ministerie van VWS.
Om mee te blijven denken en de krachten te blijven bindelen, heeft Defensie vorig jaar in samenwerking met de Stichting Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) een centraal COVID-19-loket geopend. De NIDV fungeert daarvoor als eerste aanspreekpunt. Nederlandse bedrijven uit de defensie- en veiligheidsindustrie kunnen hier terecht als ze door de pandemie bij defensieprojecten tegen uitdagingen aanlopen, maar we hebben ook gezien dat bedrijven hier innovaties melden. Ook hierbij blijft gelden dat wij openstaan voor innovatieve aanbiedingen, maar COVID-10-gerelateerd aanbod doorgeleiden naar de verantwoordelijke ministeries. Defensie kan ook hier de beoordeling over betrouwbaarheid, toepasbaarheid of veiligheid van het COVID-19-gerelateerde aanbod niet overnemen.
Is het u bekend dat veel Nederlandse innovatieve ondernemers apparatuur hebben ontwikkeld dat het coronavirus in ruimtes kan vernietigen/verteren?4 5
Zie antwoord vraag 11.
In hoeverre is het kabinet bereid om (Nederlandse) innovaties (bijv. ionisatie of licht) in te zetten om ruimtes zoals klaslokalen, praktijkruimtes, kleedlokalen, vergaderruimte, kinderdagverblijven te vrijwaren van coronavirus-deeltjes?
Zie antwoord vraag 11.