Het bericht ‘Opmars illegaleaanbieders bedreigt Nederlands gokbeleid’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opmars illegale aanbiedersbedreigt Nederlands gokbeleid»1 en zo ja, wat is uw eerste reactie op deze stijging?
Ik ben bekend met het bericht «Opmars illegale aanbieders bedreigt Nederlands gokbeleid». De groei van de illegale markt voor online kansspelen vind ik zorgelijk.2 Een van de doelstellingen van het kansspelbeleid is het verhinderen van deelname aan illegaal gokken en bestrijding van illegaal aanbod om zo kansspelgerelateerde schade en criminaliteit te voorkomen. De stijging van de uitgaven bij aanbieders van online kansspelen zonder vergunning kan duiden op een hoger risico op schade voor mensen die daar gokken en een hoger risico op kansspelgerelateerde criminaliteit en fraude. Dat is wat ik juist wil voorkomen en daar is mijn beleid op gericht.
Hoe verklaart u dat ondanks regulering en strengere regels voor legale aanbieders de omzet naar illegale aanbieders stijgt, juist op het moment dat de legale sector het zwaar heeft?
Maatregelen binnen het vergunde aanbod kunnen ervoor zorgen dat voor een deel van de gokkers het legaal aanbod niet meer aantrekkelijk genoeg is. Voorbeelden zijn speellimieten, interventies vanuit zorgplicht of belastingen. Een deel van de spelers kijkt hoe (financieel) aantrekkelijk een spel is en wijkt dan uit naar illegaal aanbod. De Ksa ziet in dit kader dat momenteel een beperkt percentage van de spelers bij illegale aanbieders speelt, maar daar wel veel geld verliest.3 Dit onderstreept de noodzaak om naast het reguleren van het vergunde aanbod ook effectiever de illegale aanbieders te bestrijden.
Deelt u de mening dat websites waarop geadverteerd wordt met teksten als «Beste casino’s zonder Cruks», direct offline moeten worden gehaald?
Om illegaal aanbod effectief bestrijden kijkt de Ksa enerzijds naar het aanpakken van de aanbieders zelf en anderzijds naar derde partijen die illegaal gokken faciliteren en/of bevorderen, zoals betaaldienstverleners, internetserviceproviders en marketingpartijen. Het (laten) verwijderen van de websites waar in bovenstaande vragen aan wordt gerefereerd hoort hier bij. De Ksa spant zich hier binnen het huidige instrumentarium voor in, onder andere met de in 2025 opgerichte Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen.4 Als het gaat om websites met een «.nl» adres zijn er mogelijkheden. Zo kan Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) domeinnamen ontkoppelen als websites in strijd met haar reglementen handelen. Daarvan is sprake wanneer een website Nederlandse wet- en regelgeving overtreedt. Hiervoor geldt dat SIDN de overtreding zelfstandig moet kunnen vaststellen. In de praktijk betreft dit vooral affiliatewebsites. Voor websites met een andere extensie dan.nl is het moeilijker om effectief op te treden.
Hoe kunt u, in samenwerking met de Kansspelautoriteit (Ksa), strenger handhaven op illegale casino’s die gebruik maken van het omkatten van een oude website naar een plek voor verwijzingen naar illegaal gokken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat een wetsvoorstel in voorbereiding is om de Ksa de bevoegdheid te geven om illegaal materiaal binnen een dag te verwijderen en zo ja, wanneer kan de Kamer de contouren hiervan verwachten?
In het eerste kwartaal van dit jaar informeer ik uw Kamer over de contouren van de beoogde wetswijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand en de nieuwe visie op kansspelen, zoals aangekondigd in de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 14 februari 2025.5 Verbeteringen op het gebied van handhaving op illegaal aanbod zijn hier een onderdeel van. Zoals vermeld in mijn antwoord op vragen 3 en 4 zijn de mogelijkheden om illegale websites uit de lucht te halen momenteel beperkt effectief. Ik onderzoek daarom hoe de Ksa effectiever kan ingrijpen om illegale websites ontoegankelijk te maken voor mensen in Nederland. Het doel is om dit snel en efficiënt te maken, zodat de Ksa veel websites in een korte tijd aan kan pakken.
Zijn er in de tussentijd, voordat het wetsvoorstel klaar is, maatregelen die genomen kunnen worden om illegale goksites zo snel mogelijk offline te halen en de Ksa hier een grote rol in te laten spelen?
Het ontoegankelijk maken van websites door de Ksa vergt in de meeste gevallen een nadere wettelijke basis dus hier kan niet mee gestart worden voordat een eventuele nieuwe wet in werking is getreden. Ondertussen blijft de Ksa inzetten op bestrijding van het illegaal aanbod met haar huidige instrumentarium. Zie hiervoor mijn antwoord op vragen 3 en 4.
Is de daling van het brutospelresultaat (BSR) bij legale aanbieders (met name in 2025) volgens u een teken van effectiviteit van het beleid, of juist van verdringing naar illegaal aanbod?
Op basis van alleen een daling of stijging van het brutospelresultaat kunnen geen conclusies worden getrokken over de effectiviteit van beleid. De afname van het brutospelresultaat in de legale markt komt onder meer door de positieve effecten van maatregelen die in oktober 2024 zijn ingevoerd om spelers te beschermen. Ik verwijs hierbij naar de monitoringsrapoprtage van de Ksa die ik 13 oktober 2025 met uw Kamer heb gedeeld.6 Zo is het verlies per maand van de gemiddelde speler sinds de invoering van de beschermende maatregelen substantieel gedaald. In zoverre beoordeel ik het beleid als effectief. Wel is het zorgelijk dat het brutospelresultaat op de illegale markt is toegenomen.
Deelt u de inschatting van de Ksa dat met name «zware gokkers» weglopen naar het illegale aanbod? En zo ja, wat is het beleid om deze groep te bereiken en te beschermen?
Ik deel de inschatting van de Ksa dat het veelal spelers die met hoge bedragen spelen zijn, die naar het illegaal aanbod overstappen. Mijn beleid is erop gericht om mensen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen. Naast het tegengaan van illegaal aanbod is het verbeteren van de bescherming binnen het vergunde aanbod belangrijk.
Daarnaast is het van belang om in te zetten op preventie en doorgeleiding naar passende hulp en ondersteuning bij gokproblematiek. Bijvoorbeeld door (potentiële) spelers te informeren over de extra grote risico’s op schade bij het spelen bij illegaal aanbod. In dat kader werk ik aan een strategische meerjarenagenda, samen met de Ksa en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik zal uw Kamer hierover in het eerste kwartaal van dit jaar nader informeren.
Hoe garandeert u dat de handhaving tegen illegale aanbieders effectief is, gezien de vaak complexe buitenlandse constructies en de geringe inning van boetes zoals regelmatig door de Ksa wordt gemeld?
Complexe buitenlandse constructies en het feit dat buitenlandse organisaties doorgaans niet reageren op Nederlandse bestuursrechtelijke maatregelen maken de aanpak inderdaad complex en weerbarstig.7 Daarom kijk ik niet alleen naar de traditionele instrumenten in de bestuursrechtelijke aanpak, zoals het opleggen van boetes, maar vooral ook naar instrumenten om het netwerk aan faciliteerders en bevorderaars rondom illegaal aanbod te verstoren.
Hoe waarborgt u dat minderjarigen en kwetsbare groepen niet (meer) terechtkomen bij illegale gokaanbieders, gegeven de onderzoeksuitkomsten dat dergelijke sites nauwelijks identiteits- of leeftijdscontroles kennen?
Ik wil zo veel mogelijk voorkomen dat minderjarige en kwetsbare groepen terechtkomen bij illegale aanbieders. Daarom is mijn doel om dit aanbod en de toegang daartoe zoveel als mogelijk te beperken.8
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke en publieke gezondheidsrisico’s van de groei van illegaal gokken, onder andere wat betreft gokverslaving, fraude, datamisbruik en ontmoediging van verantwoord spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om, al dan niet Europees, regels te versterken om de toegang tot illegale aanbieders structureel te voorkomen?
Ik ben daartoe bereid en onderzoek nu ook de mogelijkheden daartoe. Zie ook mijn beantwoording van Kamervragen van het lid Boswijk van 4 september 2025.9
Het nieuws dat er een deal is gesloten tussen het kabinet en de NAM over de gaswinning bij Ternaard |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de overeenkomst tussen u en de NAM tot stand zijn gekomen?
Welke afspraken heeft u wanneer met wie gehad om tot deze deal te komen en wat is daar besproken?
Kunt u de voorbereiding en verslagen van deze onderhandelingen delen? Zo nee, waarom niet?
Hoe zijn de bedragen waarmee deze overeenkomst gepaard gaan berekend en welke gegevens en berekeningen heeft u gebruikt om te beoordelen of dit bedrag gerechtvaardigd is? Kunt u een toelichting geven op het rekenmodel dat u hiervoor heeft gebruikt?
Om tot een marktconforme waardering te komen is een nauwkeurig proces doorlopen. Hierbij zijn de potentiële baten van toekomstige gaswinning in Ternaard als basis genomen. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat een deel van de opbrengsten van gaswinning via EBN en via belastingafdrachten van NAM en EMPN terug zouden vloeien naar de staat. Hiertoe is een rekenmodel opgesteld. Dit rekenmodel gaat uit van onderbouwde aannames voor het winningsprofiel, de gasprijs, discontovoet, de kapitaalinvesteringen en de operationele kosten in de periode 2026–2037. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er grote onzekerheden zijn, waardoor een aanpassing in aannames tot grote veranderingen in de uitkomst kan leiden. In de berekening zijn de kosten en baten met elkaar verrekend en de geldende afdrachtensystematiek toegepast. Dit resulteert in een jaarlijkse vrije kasstroom. Deze toekomstige kasstroom is vervolgens tot één bedrag in het heden verdisconteerd. Het resultaat is de netto contante waarde van het Ternaard gasveld.
Wat waren de hoogste en laagste mogelijke waarden die uit de scenario’s van KPMG en TNO kwamen?
TNO heeft zich geconcentreerd op het beoordelen van de mogelijk winbare volumes. Hierbij hebben zij gegeven de huidige gebruiksruimte per winningsprofiel (laag/midden/hoog) bepaald hoeveel gas er binnen de gebruiksruimte gewonnen kan worden. Daarnaast is er per profiel gerekend met een «open» en een «gesloten» breukscenario, waarbij er veel dan wel weinig gas tussen de breukblokken stroomt. Het resultaat van drie profielen met elk twee variaties levert zes verschillende waardes op in de bandbreedte 0,7 t/m 2,1 bcm. KGG heeft deze zes waardes teruggebracht tot een gewogen gemiddelde van 1,67 bcm.
KPMG heeft deze 1,67 bcm als gegeven aangenomen. KPMG heeft opgemerkt dat, vergeleken met de volumescenario’s uit het winningsplan, dit volume aan de lage kant is. KPMG heeft in haar doorrekeningen geen verschillende scenario’s gepresenteerd die tot een heldere bandbreedte leiden. Wel heeft KPMG voor een aantal elementen een gevoeligheidsanalyse gemaakt. Het meest van invloed is de gehanteerde discontovoet. Een discontovoet van 10% leidt tot een netto contante waarde (NCW) voor NAM van 55,8 mln. Een discontovoet van 15% leidt tot een NCW voor NAM van 40,5 mln. Deze laatste discontovoet is in de uiteindelijke waardering gehanteerd.
Gezien u stelt dat NAM en EMPN vinden dat de commerciële waarde «veel hoger» ligt dan de huidige compensatie van 163 miljoen, heeft u deze hogere waardering gezien? Zo ja, kan dit met de Kamer worden gedeeld?
In één van de ambtelijke gesprekken is door NAM mondeling een indicatie gegeven van de commerciële waarde die NAM aan het project toe kent. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Waarom is gekozen voor een bedrag dat volledig de door het kabinet ingeschatte winst compenseert, terwijl het commerciële risico normaal geheel bij de onderneming ligt?
In de waardering is bij voorbaat al uitgegaan van een hoog commercieel risicoprofiel. Dit heeft een significante neerwaartse druk gegeven op het totaalbedrag. Dit zit hem in de gehanteerde (hoge) discontovoet van 15% waarmee als het ware reeds een afslag is gemaakt voor het commerciële risico van deze operatie. Het commerciële risico zit dus verwerkt in de waardering.
Waarom is het eerdere plan voor het Gebiedsfonds volledig komen te vervallen, en is overwogen alsnog een vorm van natuurinvestering te koppelen aan de beëindiging van de gaswinning?
De afspraken rondom batendeling waren gekoppeld aan daadwerkelijke winning. Wel heeft NAM aangegeven de dwangsom (€ 75.000) (die de Staat NAM nog verschuldigd was in verband met het niet tijdig nakomen van de laatste uitspraak van de Raad van State) te verdubbelen en (wederom) aan het gebied ter beschikking te zullen stellen.
Hoe verhoudt deze deal zich tot andere gesprekken en procedures tussen u en de NAM?
De overeenkomst over Ternaard staat geheel los van de andere gesprekken en procedures met NAM en/of haar aandeelhouders.
Heeft u het in de onderhandelingen voor deze overeenkomst enkel gehad over Ternaard of is het ook gegaan over andere activiteiten van de NAM?
Bij het sluiten van deze overeenkomst is enkel Ternaard besproken.
Welke wederzijdse belangen zijn besproken en welke (financiële) verzoeken zijn in die bredere gesprekken door NAM, Shell of ExxonMobil op tafel gelegd, gezien u schrijft dat de gesprekken eerder deel uitmaakten van een bredere onderhandeling over onder meer Groningen?
In het voorjaar van 2025 zijn verkennende gesprekken gevoerd met Shell en ExxonMobil in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hierbij is gesproken over het schadeherstel en de versterkingsoperatie in Groningen, de inzet van de gasopslagen en de gaswinning in Ternaard. Die verkennende gesprekken hebben niet geleid tot onderhandelingen, zie het antwoord op vragen 1 tot en met 3.
Vanaf de zomer van 2025 is door het Ministerie van Klimaat en Groene Groei separaat doorgesproken met Shell en ExxonMobil over de gasopslagen en Ternaard. Hierna is met Shell en ExxonMobil afgesproken dat over Ternaard afzonderlijk zou worden verder gesproken tussen de staat en NAM. Daar is de huidige overeenkomst uit voortgekomen. Deze staat dus geheel los van de overige dossiers.
Kunt u uitsluiten dat deze deal effecten heeft gehad op andere lopende dossiers, zoals de schadeafhandeling in Groningen?
Ja. Het dossier Ternaard is geheel in isolatie behandeld. Dit blijkt ook uit de vaststellingsovereenkomst: deze gaat over Ternaard en niet over enig ander onderwerp.
Hoe voorkomt u dat deze deal als precedent gebruikt wordt door andere vergunninghouders die in (ecologisch) gevoelige gebieden actief zijn en straks eveneens compensatie zullen eisen om van winning af te zien?
De overeenkomst betreft een in de ogen van de staat marktconforme transactie en geen compensatie. Op die manier kan er dus geen precedentwerking werking zijn voor compensatie voor andere vergunninghouders.
Kunt u garanderen dat voor andere bestaande aanvragen of winningsplannen geen vergelijkbare financiële compensatieregelingen zullen worden overeengekomen? Zo nee, waarom niet?
De gesprekken en uiteindelijke overeenkomst tussen de staat en NAM zijn tot stand gekomen omdat het kabinet op grond van de wet en de weging van de ontvangen adviezen instemming met het winningsplan niet kon weigeren en er tegelijk politiek en maatschappelijk geen draagvlak is voor instemming. Daarbij weegt mee dat de gaswinning plaats zou vinden onder een wereldwijd uniek getijdengebied dat bovendien Unesco werelderfgoed is. Het kabinet is tegen gaswinning onder de Waddenzee, maar staat ook voor een betrouwbare overheid die geen onrechtmatige besluiten neemt. Om dit dilemma op te lossen is het kabinet met NAM in gesprek gegaan, hetgeen een intensief proces is geweest. Zoals ook in het antwoord op vraag 13 gemeld, betreft het in de ogen van de staat een marktconforme transactie en geen compensatie.
Heeft u juridisch advies ingewonnen over de houdbaarheid van deze deal? Zo ja, kunt u dit advies delen? Zo nee, waarom niet?
De landsadvocaat heeft in mijn opdracht de conceptovereenkomst opgesteld, was bij alle gesprekken met NAM over de vaststellingsovereenkomst aanwezig en heeft naar aanleiding van de gesprekken de definitieve overeenkomst opgesteld. Op specifieke elementen heeft de landsadvocaat schriftelijk geadviseerd. Deze procesadviezen van de landsadvocaat worden niet openbaar in verband met de procespositie van de staat.
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere gas- en zoutwinningprojecten onder de Wadden en in de Noordzeekustzone bij de Waddeneilanden?
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere mijnbouwactiviteiten op de Noordzee?
Wat zijn de gevolgen van deze overeenkomst voor andere mijnbouwactiviteiten op land?
Betekent deze overeenkomst dat u geen gaswinning en andere vormen van mijnbouw, zoals zoutwinning, zal gaan vergunnen?
Bent u bereid op korte termijn het Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden te herzien?
Het gebruiksruimtebesluit is op 25 april 2024 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 vastgesteld op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze geldt tot 1 januari 2029. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn, kan het kabinet deze eerder aanpassen. Deltares heeft een studie uitgevoerd naar het meegroeivermogen van de kombergingen gerelateerd aan de kritische zeespiegelstijgingssnelheid voor verdrinking in de Nederlandse Waddenzee. Tevens heeft TNO een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van een zuiver probabilistische gebruiksruimtetoets. U bent hier eerder over geïnformeerd in de Kamerbrief «Stand van zaken gebruik diepe ondergrond Waddenzee»2. De huidige «hand-aan-de-kraan»- methode is op deze punten conservatiever (veiliger) dan eerder gedacht. Het is aan een volgend kabinet hoe om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde »hand-aan-de-kraan»-beleid. Daarbij worden de adviezen van SodM en TNO vanzelfsprekend betrokken.
Daarnaast wordt verwacht dat in 2026 de Raad van State zitting zal plaatsvinden voor het huidige gebruiksruimtebesluit, omdat meerdere partijen tegen dit besluit in beroep zijn gegaan. Als de Raad van State aangeeft dat de gebruiksruimte (tussentijds) moet worden herzien dan zal het kabinet dat natuurlijk doen.
Bent u bereid aan het KNMI te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging?
Zie antwoord op vraag 20. Een actualisatie van het zeespiegelstijgingsadvies zal, naar verwachting, niet leiden tot een significant andere gebruiksruimte omdat de nieuw beschikbare data en modellen beperkt zijn of niet toegespitst op de Nederlandse situatie.
Gelden de uitgangspunten van het huidige Gebruiksruimtebesluit Waddenzee nog wel nadat op de COP30 duidelijk werd dat het doel van het Parijsakkoord (opwarming van de aarde beperken tot 1,5 graad) uit zicht raakt, doordat klimaatverandering sneller gaat dan verwacht en de zeespiegel sneller stijgt?
In het advies onderliggend aan het gebruiksruimtebesluit geven de wetenschappers aan dat ze uitgegaan zijn van een scenario waarbij de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 2,7 graden in 2100. Het uitgangspunt voor het gebruiksruimtebesluit is daarmee hoger dan de 1,5 graden die hierboven wordt genoemd.
Wanneer komt de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer?
Het demissionair kabinet werkt aan de herziening van de Mijnbouwwet. Het doel van deze herziening is onder andere een herijkt wettelijk kader voor veilig en financieel, maatschappelijk en ruimtelijk verantwoord gebruik van de diepe ondergrond, met meer regie bij de overheid, dat past bij afwegingen met betrekking tot de schaarse ruimte, de veranderde rol van de diepe ondergrond en het maatschappelijk perspectief op het gebruik ervan. Er wordt hard gewerkt aan de inhoudelijke uitwerking van de verschillende beleidsthema’s en de afstemming van concept-wetteksten met alle betrokken partijen en adviseurs. Daarna zal nog tijd nodig zijn voor het voldoen aan de verschillende verplichtingen (bv. regeldruk en notificatie) en om de formele stappen te doorlopen. Het doel is om in Q2 van 2026 het wetsvoorstel open te stellen voor internetconsultatie. Het demissionair kabinet heeft als streven dat de herziening van de Mijnbouwwet medio 2027 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. De precieze timing en het moment van indienen van de herziene Mijnbouwwet is aan een nieuw kabinet.
Kunt u deze vragen ruim voor de behandeling van de suppletoire begroting beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
Er zijn diverse verklaringen voor waarom het aandeel arbeidsongeschikten per land verschillend is. Voor een deel zitten de verschillen bijvoorbeeld al in de definitie van arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden om recht te krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. En in welke soorten uitkeringen in de statistieken meetellen als arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een van de verklaringen voor de internationale verschillen die ook in één van de in de vraag aangehaalde krantenartikelen staat, is dat in Nederland wordt beoordeeld in hoeverre iemand nog wel kan werken naast een arbeidsbeperking. Dat is niet in alle andere landen zo. Hierdoor zijn er weliswaar in verhouding meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar een relatief groot deel van die mensen werkt ook naast de uitkering. Daarnaast spelen de relatief hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Nederland mogelijk een rol. Ook heeft Nederland relatief veel mensen die werken in een tijdelijke arbeidsovereenkomst en blijft de re-integratie van deze groep werknemers achter.5 Verschillen tussen socialezekerheidsstelsels en statistieken daarover daarvan moeten altijd met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral na problemen met de hoge instroom in de toenmalige WAO, zijn verschillende prikkels ingevoerd om re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te bevorderen en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te beheersen. Die prikkels zitten door het hele stelsel, vanaf de periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in de uitkeringshoogte en premiebetaling voor de ZW en de WIA. Voor werkgevers zijn de belangrijkste prikkels de wettelijke verplichting om gedurende de eerste twee jaar van ziekte 70% van het loon door te betalen en zich in te spannen voor re-integratie. De wettelijke loondoorbetaling van 70% geeft de werknemer ook een financiële prikkel om zo snel mogelijk het werk te hervatten, hoewel werkgevers en werknemers in CAO’s vaak bovenwettelijke aanvullingen afspreken tot 100% loondoorbetaling waarmee deze prikkel vermindert of verdwijnt. Ook heeft de werknemer in deze periode de verplichting om mee te werken aan re-integratie.
Als de werknemer na die twee jaar recht krijgt op een WIA-uitkering, dan betaalt de (oud-) werkgever nog maximaal 10 jaar mee aan de uitkering van deze werknemer. Als de werknemer instroomt in de WIA en nog arbeidsvermogen heeft, bestaan de belangrijkste prikkels voor de werknemer uit:
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Een deel van het verzuim in Nederland kan door macrotrends en ontwikkelingen in de samenleving en op arbeidsmarkt worden verklaard.
Uit de tweejaarlijkse Arbobalans6 van TNO, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, volgt dat van het totale ziekteverzuim in Nederland ongeveer 8% komt door psychische klachten. Na griep, verkoudheid en virusinfecties zijn psychische klachten hiermee de tweede reden die werknemers voor 2024 opgeven voor verzuim.7
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meer mensen psychische problemen ervaren en vaker verzuimen op het werk. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) concludeert in een recent rapport dat onze «hypernerveuze samenleving» de mentale gezondheid onder druk zet.8 De toename van uitval door psychische klachten komt voort uit een samenspel van maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren. De toename van psychische aandoeningen in de WIA-instroom is geen uniek Nederlands verschijnsel en is ook niet inherent verbonden aan ons stelsel. Het past in een bredere, internationale, trend.9
Afgaande op de laatste vier metingen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden over 2021–2024 lijkt er geen toename te zijn qua werkdruk, maar juist een afname. Wel blijft werkdruk als voornaamste reden van verzuim veroorzaakt door het werk in de periode 2022–2024 vrij stabiel rond de 27%.10 Eveneens blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden dat in de periode 2021–2024 het aandeel werknemers met burn-outklachten niet verder is gestegen.11, 12, 13, 14
Met betrekking tot het huidige en toekomstige verzuimniveau speelt een rol dat werknemers steeds langer doorwerken en dat het aandeel oudere werknemers is toegenomen. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met chronische klachten en het daaraan gerelateerde verzuim toe.
De toegenomen instroom in de WIA kan voor een deel worden verklaard door de dubbele vergrijzing. Ongeveer de helft van de stijging tussen 2006 en 2024 is toe te schrijven aan het langer doorwerken van oudere werknemers. Dit is het gevolg van het afbouwen van vroegpensioenregelingen en de beleidsmatige verhoging van de AOW-leeftijd.15
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
De (belangrijkste) knelpunten binnen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel zijn recent in het kader van onder meer de probleemanalyse en het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)16, 17.
Mijn voorgangster heeft OCTAS verzocht om deze knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen en daarover een advies uit te brengen. De probleemanalyse van deze commissie geeft de belangrijkste knelpunten weer en in het eindrapport wordt verder ingegaan op de mogelijke oplosrichtingen. Beide documenten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden.18
Het nieuwe kabinet kan keuzes maken op basis van deze gesignaleerde actuele knelpunten en gepresenteerde oplossingsrichtingen en aanbevelingen.
Daarnaast zijn we altijd in gesprek met sociale partners over knelpunten die zij ervaren in het huidige stelsel. Mede op basis van die input en aanbevelingen wordt als onderdeel van arbeidsmarktpakket gewerkt aan een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid gaat geven over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers.
Ook werken we aan een wetsvoorstel om per 2028 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
In Nederland zijn werkgevers verplicht ervoor te zorgen dat hun werknemers veilig en gezond kunnen werken. De mate van bescherming die zij moeten bieden, is door de overheid vastgelegd in de Arbowet. Hiertoe dient elk bedrijf arbobeleid te voeren. Een goed arbobeleid leidt tot duurzame inzetbaarheid en verhoogde productiviteit. Het arbobeleid beperkt de gezondheidsrisico’s, vermindert het ziekteverzuim en bevordert de re-integratie.
In de Arbovisie 2040 presenteerde het kabinet de missie van nul doden door werk («zero death») en zo min mogelijk ongevallen en zieken door werk. Daarbij is focus op preventie essentieel. Met de Arbovisie 2040 is een traject ingezet om te komen tot een toekomstbestendig arbostelsel. Structurele verbeteringen zijn alleen te realiseren door een stevig commitment en goede samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid en door inspanning van alle betrokkenen. Het realiseren van een trendbreuk van «zero-death» vraagt om een meerjarige, gefaseerde aanpak, die door het kabinet uiteen is gezet in de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie».19
Daarnaast voert het kabinet een gezondheidsbeleid om te voorkomen dat mensen ziek worden en moeten verzuimen. Er zijn bijvoorbeeld landelijke afspraken en samenwerkingen voor een gezonde leefstijl, zoals het Preventieakkoord20, het Integraal Zorgakkoord21 en aanvullend zorg- en welzijnsakkoord22. Om te bevorderen dat zieke werkenden tijdens hun behandeling (deels) aan het werk kunnen blijven of na behandeling sneller weer aan het werk kunnen is samenwerking tussen arbeidsgerelateerde zorg en curatieve zorg essentieel.
Initiatieven vanuit de beroepsgroepen van bedrijfsartsen en medisch specialisten dragen hier inmiddels aan bij, met ondersteuning van het Ministerie van SZW.23
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
De regering beschikt niet over cijfers die inzichtelijk maken of en in welke mate er door werknemers misbruik zou worden gemaakt van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon. Bij eventuele twijfel over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer kan de werkgever de bedrijfsarts vragen daar op basis van diens medische expertise een inschatting van te laten maken. Ik zie in centrale registratie van deze cijfers, als die überhaupt mogelijk zou zijn, onvoldoende toegevoegde waarde. Daarnaast zou dit voor werkgevers aanzienlijke extra administratieve lasten en kosten met zich meebrengen.
Ook over eventueel misbruik van WIA-voorschotten zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.24 Hierop ga ik verder in bij het antwoord op vraag 13. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Voor wat betreft uw vraag over de aanwezigheid van eventueel misbruik van ziekmeldingen en het recht op loondoorbetaling verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
In veel situaties zal er bij de werkgever geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de ziekmelding van de werknemer. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 uiteen heb gezet, heeft een werkgever, in het geval er toch aanleiding voor twijfel is over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer, de mogelijkheid de bedrijfsarts te vragen op basis van diens medische expertise een inschatting te maken.
Een ziekmelding is voor de werknemer overigens niet vrijblijvend. Voor zowel de werkgever als werknemer gelden na een ziekmelding verplichtingen om te werken aan spoedige en duurzame re-integratie van de werknemer terug naar arbeid. Bij het (verwijtbaar) niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen heeft de werkgever mogelijkheden om over te gaan tot, waarschuwen, loonopschorting, loonstop of – in ernstige gevallen – ontslag (zie ook mijn antwoord op vraag25.
Ik kan mij enerzijds voorstellen dat het advies van de bedrijfsarts, en in sommige gevallen beperkt inzicht in de toestand van de werknemer, soms tot onduidelijkheid en vragen leidt bij werkgevers en daarmee dus ook extra complexiteit met zich meebrengt. Anderzijds is het voor een zorgvuldige inschatting in het belang van zowel de werkgever als de werknemer noodzakelijk dat juist een deskundig en onafhankelijk arts die inschatting maakt. Daarbij geldt dat van de bedrijfsarts verwacht mag worden dat hij een duidelijke inschatting maakt van wat de werkgever, bij medische beperkingen van de werknemer, wel en niet mag verwachten in het kader van het re-integratietraject. Dat moet de werkgever voldoende duidelijkheid en houvast geven om goede afspraken met de werknemer te maken over een passend re-integratietraject.
Waar het stelsel enerzijds effectief is gebleken waar het gaat om het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid26 begrijp ik anderzijds dat werkgevers, en zeker kleine, werkgevers dit als zwaar en complex kunnen ervaren. We werken dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers bij de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten:
Tot slot is het ook aan het nieuwe kabinet om keuzes te maken naar aanleiding van de aanbevelingen en adviezen van de OCTAS en het IBO-WIA, gericht op een beter uitlegbaar, betaalbaar en uitvoerbaar stelsel voor ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ook voor werkgevers. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Wanneer een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan de re-integratie en daarmee (verwijtbaar) geen gevolg geeft aan diens wettelijke verplichtingen, heeft de werkgever verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Denk daarbij aan het, na een (schriftelijke) waarschuwing, eventueel opschorten van het loon, een loonstop, of -in ernstige gevallen- ontslag wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Voor de onderbouwing van een dusdanig ontslagverzoek bij de kantonrechter is in ieder geval een deskundigenoordeel van UWV nodig. Over in hoeveel situaties gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheden zijn geen cijfers.
Verschillende door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken geven inzicht in voorbeelden maar kunnen niet als indicatie gebruik worden voor het daadwerkelijk aantal gevallen. In het door werkgevers laten registreren van dit soort cijfers zie ik overigens onvoldoende meerwaarde, temeer omdat dit voor werkgevers extra administratieve lasten en (regeldruk)kosten met zich mee zou brengen.
Een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie) kan alleen door UWV opgelegd worden aan een werkgever. Wel kan UWV bij de conclusie dat de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een maatregel opleggen zoals een korting op de WIA-uitkering.
Wanneer een werknemer onvoldoende re-integratieverplichtingen verricht kan dit een rol spelen bij het opleggen van een loonsanctie. Uit cijfers van UWV blijkt dat loonsancties die (mede) door verwijtbaar handelen van de werknemer aan de werkgever worden opgelegd nauwelijks voorkomen (0,6% van de loonsancties in de periode 2022–2024). Daarbij is van belang op te merken dat een loonsanctie in deze situaties alleen opgelegd kan worden indien de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer tot medewerking te bewegen. Wanneer de werkgever aan diens verplichtingen heeft voldaan, waaronder in voldoende mate heeft gepoogd de werknemer te activeren, maar de werknemer niet, dan is dat geen aanleiding voor het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.
Ik acht het met u van groot belang dat een werkgever geen loonsanctie opgelegd krijgt indien hij in het kader van de re-integratie van de werknemer heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. In dat kader wordt zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 6, onder meer gewerkt aan het wetsvoorstel dat bij de RIV-toets van UWV het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend maakt, dit wetsvoorstel geeft de werkgever vooraf (vóór de RIV-toets van UWV) meer zekerheid over wat van hem in het kader van de re-integratie verwacht mag worden.
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden werkdruk als verzuimreden veroorzaakt door het werk, voor werknemers in de afgelopen drie jaar stabiel rond de 27% gebleven. Uit de Arbobalans 2024 blijkt voor werknemers dat 75% van de psychische klachten als verzuimreden, hoofdzakelijk of deels, werkgerelateerd is.
Daarvan uitgaande kan worden verondersteld dat de overige 25% wordt veroorzaakt door privéomstandigheden en/of maatschappelijke oorzaken.
Op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat psychische klachten, overspannenheid en burn-out als verzuimreden voor zelfstandigen in de periode 2021–2025 is gezakt van 6,4% naar 4,5%.27, 28, 29
Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat verzuim hoofdzakelijk of deels veroorzaakt door werk is gezakt van 30% naar 19%. Hierin is een te hoge werkdruk als belangrijkste reden van verzuim gezakt van 26% naar ongeveer 20%.
Zoals beschreven zijn psychische klachten door het werk een groot deel van de totale verzuimkosten zijn. Het is daarom van belang om in de aanpak van werkstress en werkdruk te blijven investeren.30 Niet alleen is het vervelend als een werknemer zijn beroep niet kan uitoefenen of dat een werkgever zijn arbeidskracht moet missen. Ook brengt een (langdurig) uitvallende werknemer de nodige maatschappelijke kosten met zich mee.
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Een aanzienlijk deel van het ziekteverzuim (ongeveer 8%) heeft betrekking op psychosociale klachten.31 Wat voor medische behandeling eventueel wordt toegepast bij mentale problematiek hangt af van de diagnose en de aard van de aandoening en klachten. Vaak zal de behandelaar (of behandelend arts) op basis van de huidige kennis over de specifieke problematiek een eventuele behandeling voorschrijven.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een richtlijn voor het handelen bij werkenden met psychische problemen.32 De bedrijfsarts zal bij (potentieel) langdurig verzuim op basis van de medische klachten een probleemanalyse opstellen die ook ingaat op de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts wordt uiterlijk in de achtste ziekteweek een plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer. In dat plan van aanpak worden afspraken gemaakt over de re-integratie-inspanningen die nodig zijn om weer te komen tot een duurzame en (waar mogelijk) spoedige terugkeer van de werknemer naar werk. De werkgever heeft daarbij inspraak en een belangrijke rol bij de totstandkoming van het plan van aanpak (en dus ook het re-integratietraject) alsmede bij de regelmatige evaluatie en, waar nodig, aanpassing daarvan.
Deze bovenstaande aanpak is onderdeel van de Wet verbetering poortwachter. De Wet verbetering poortwachter is vanaf de invoering effectief gebleken in het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.33 Tegelijkertijd vraagt het veel van werkgevers en werken we dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers op dit vlak te ontlasten. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3 en vraag 7.
Voor mensen met mentale problematiek stelt UWV voor de UWV- en gemeentelijke doelgroep het instrument IPS (Individuele Plaatsing en Steun) ter beschikking.
IPS is wetenschappelijk onderbouwd en is dé methode om mensen met een ernstige psychische aandoening te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk. GGZ-instellingen die voldoen aan het door kenniscentrum Phrenos opgestelde kwaliteitskader voor de implementatie van IPS kunnen dit instrument in overleg met een cliënt aanvragen. De uitvoering van dit instrument gebeurt door mensen die door Phrenos zijn opgeleid als IPS-begeleider. Naast IPS voor mensen met ernstige psychische aandoeningen wordt ook geëxperimenteerd met IPS voor lichtere psychische aandoeningen (IPS-CMD). Naast IPS biedt UWV aan mensen met mentale problematiek en een UWV uitkering persoonlijke ondersteuning bij hun re-integratie, waarbij UWV ook de mogelijkheid heeft om re-integratie trajecten en of scholing in te kopen.
UWV heeft daarnaast via de werkgeversdienstverlening ook aandacht voor werkgevers rond dit thema. Zo biedt de divisie Werkbedrijf proactief kennis aan, bijvoorbeeld middels kennissessies over een mentaal gezonde werkvloer. Maar ook door middel van gerichte begeleidingstrajecten worden werkgevers ondersteund.
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
De aanwezigheid van mentale klachten leidt niet per definitie tot de conclusie dat de betreffende werknemer niet of in het geheel niet in staat is diens of andere passende werkzaamheden te verrichten, noch leidt dit per definitie tot de conclusie dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Indien een werknemer zich ziekmeldt ten gevolge van mentale klachten kan de werkgever de bedrijfsarts om advies vragen vanuit diens medische expertise over in welke mate die klachten de werknemer beperken om diens werkzaamheden uit te oefenen.
Indien de klachten geen medische oorzaak blijken te hebben maar bijvoorbeeld voortkomen uit een conflict (denk aan zogenaamde «situatieve arbeidsongeschiktheid» bij een conflict), dan gaat het niet om uitval door ziekte maar zijn er andere redenen voor de werkgever en werknemer om samen om de tafel te gaan zitten. Daarbij komt aan de werkgever als een van de twee partijen in de arbeidsrelatie uiteraard een essentiële rol toe.
Het is aan diegene met medische expertise om te kunnen beoordelen of er sprake is van arbeidsuitval door ziekte of niet. Daarvoor zijn in ons stelsel de bedrijfsarts en verzekeringsarts de aangewezen deskundigen.
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Gegevens over zieke werknemers zijn bijzondere, zeer privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor gelden strenge regels. Het vastleggen en delen (verwerken) van bijzondere persoonsgegevens over zieke werknemers door de werkgever is verboden. Dit betekent dat bij een ziekmelding de werkgever alleen voor hem noodzakelijke gegevens mag registreren, bijvoorbeeld of ziekte verband houdt met een arbeidsongeval. Elke werkgever in Nederland moet een basiscontract hebben afgesloten met een gecertificeerde arbodienst of BIG-geregistreerde bedrijfsarts. Zij ondersteunen de werkgever bij preventieve taken en verzuimbegeleiding. Bij langdurig verzuim is het aan de arbodienst of bedrijfsarts om de werkgever te informeren over de verwachte duur van de ziekte en te adviseren over de belastbaarheid van de werknemer in geval van herstel en re-integratie. De bedrijfsarts dient die informatie ook inzichtelijk te maken in de, uiterlijk in de zesde week van ziekte op te stellen, probleemanalyse. Inzicht in de belastbaarheid van de werknemer is voor de werkgever van belang om samen met de werknemer een effectief en verantwoord re-integratietraject tot stand te kunnen brengen zonder dat daarmee medische gegevens gedeeld hoeven te worden. De probleemanalyse van de bedrijfsarts biedt de werkgever en werknemer dan ook een belangrijke basis voor het opstellen van het plan van aanpak waarin onderlinge afspraken worden gemaakt over de re-integratie van de werknemer.
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Uiterlijk in de zesde week van het ziekteverzuim dient een gesprek met de bedrijfsarts plaats te vinden waarna deze (de bedrijfsarts of de arbodienst) een probleemanalyse opstelt. In die probleemanalyse wordt onder meer inzicht gegeven in welke belastbaarheid de werknemer heeft.
Uiterlijk in de achtste week van het ziekteverzuim dienen werkgever en werknemer het plan van aanpak op te stellen. Daarbij heeft het UWV geen rol maar gaat het dus om de afspraken die werkgever en werknemer onderling maken over het te volgen re-integratietraject. Zij gebruiken daarbij wel de probleemanalyse van de bedrijfsarts en zo nodig kunnen andere deskundigen adviseren (zoals een arbeidsdeskundige).
Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat er toe moet leiden dat de inschatting van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend is bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers, o.a. bij het vormgeven van het plan van aanpak, blijven uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en hoeven zij zich geen zorgen te maken over de vraag of de verzekeringsarts van UWV, na twee jaar, mogelijk een andere inschatting over de belastbaarheid maakt. Daarmee neemt voor de werkgever het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.34 Op dit moment is dat beleid tegenwettelijk en daarom was het beleid altijd tijdelijk. Vanwege de verwachting dat het beleid langer nodig is, zijn afgelopen voorjaar middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten structureel te maken.35 Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit beleid. Het wetsvoorstel hiertoe wordt naar verwachting voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.
Bent u van mening dat het toezicht voldoende is, gezien het feit dat er jaarlijks vele klachten over hygiëne- en gezondheidsregels die niet worden nageleefd bij geboekte overnachtingen in bijvoorbeeld hotels, hostels en campings zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Het toezicht op hygiëne- en gezondheidsrisico’s in de horeca wordt voldoende geacht.
In uw vraag verwijst u naar een nieuwsartikel waarin wordt gemeld dat de plaagdierensector een toename van het aantal meldingen van bedwantsen in Nederland signaleert. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) houden geen centrale cijfers bij over het aantal meldingen van bedwantsen in Nederland.
Het overheidstoezicht op hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca is risicogericht. Het richt zich op aspecten, zoals voedselveiligheid en infectieziektebestrijding, die een risico zijn voor de volksgezondheid. Bedwantsen vormen, hoe buitengewoon hinderlijk ook, geen risico waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft. Om die reden houden toezichthouders hier geen specifiek toezicht op.
Dat neemt niet weg dat ondernemers een grote verantwoordelijkheid dragen om hygiëneregels en voorschriften in brede zin na te leven en overlast en onwenselijke situaties voor consumenten te voorkomen. Wanneer consumenten onhygiënische omstandigheden ervaren, kunnen zij dit in eerste instantie melden bij de ondernemer en, waar van toepassing, bij de gemeente of branchevereniging.
Erkent u dat het voor consumenten nu vaak niet duidelijk is waar ze zich bij de overheid kunnen melden met klachten die een gevaar zijn voor de gezondheid zoals plaagdieren of schimmels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij klachten over voedselbereiding in horecagelegenheden kunnen consumenten een melding kunnen doen bij de NVWA. Bij het vermoeden van risico’s voor infectieziekten kunnen consumenten een melding maken bij de GGD. Consumenten kunnen klachten over de naleving van algemene hygiëne- en gezondheidsregels kenbaar maken bij de betreffende ondernemer en branchevereniging. Gelet op de verdeling van verantwoordelijkheden is het voorstelbaar dat consumenten het melden van specifieke klachten bij de juiste overheidsinstantie als complex ervaren. Indien consumenten een klacht indienen die niet binnen de werkzaamheden van de betreffende overheidsinstantie valt, wordt de melding doorgezet naar de juiste instantie of wordt toegelicht bij welke instantie de melding het best kan worden gedaan.
Erkent u dat problemen met voedselbereiding in de horeca worden gecontroleerd, maar dat het erop lijkt dat controle op hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel minder aandacht krijgt?
De NVWA houdt toezicht op voedselbereiding in de horeca. Hygiënische omstandigheden in slaapvertrekken en badkamers vallen niet onder dit toezicht. Dit is primair de verantwoordelijkheid van de ondernemer.
Deelt u voorts de mening dat problemen met voedselbereiding in de horeca eenvoudig kunnen worden gemeld door consumenten bij de NVWA maar dat het melden van problemen met hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel ingewikkelder is? Herkent u het beeld dat melders soms van de ene naar de andere toezichthouder worden verwezen zonder dat hun klacht wordt opgepakt?
De risico’s op het gebied van voedselveiligheid in de horeca vallen onder het toezicht van de NVWA. Consumenten kunnen dit soort problemen daarom eenvoudig melden. Wanneer het klachten over algemene hygiëne- en gezondheidsregels betreft, kunnen consumenten dit kenbaar maken bij de betreffende ondernemer en branchevereniging. Deze aspecten vallen niet onder het overheidstoezicht.
Bent u van mening dat toezichthouders voldoende zijn toegerust om bij overnachtingshoreca voldoende toezicht te houden op hygiëne- en gezondheidsregels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, toezichthouders zijn voldoende toegerust om toezicht bij overnachtingshoreca te houden op die risico’s waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft.
Erkent u dat het niet altijd duidelijk is welke toezichthouder verantwoordelijk is voor welk hygiëne- en gezondheidsprobleem in overnachtingshoreca? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is begrijpelijk dat betrokkenen niet altijd direct weten bij welke instantie een melding kan worden gedaan, zeker omdat voor een aantal hindergevende plaagdieren geen toezichthouder is aangewezen. Voor plaagdieren die, gelet op het risico voor de volksgezondheid, wel een rol voor de overheid vereisen, is hiervan echter geen sprake, aangezien voor deze gevallen specifieke toezichthouders zijn aangewezen.
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij verschillende soorten overnachtingshoreca?
Hieronder is het aantal voedselveiligheidsinspecties van de NVWA bij overnachtingshoreca opgenomen (voor 2025 tot en met november). Het gaat hierbij om controles op voedselbereiding en niet om inspecties van slaapgelegenheden.
Jaar
Inspecties bij overnachtinghoreca
2021
153
2022
330
2023
301
2024
335
2025
371
De ILT houdt toezicht op legionellapreventie bij eigenaren van collectieve drinkwaterinstallaties die onder de reikwijdte van artikel 35 van het Drinkwaterbesluit vallen, zoals hotels, campings en bungalowparken.
De ILT heeft hiervoor een samenwerkingsovereenkomst (de Inspectierichtlijn) met de 10 Nederlandse drinkwaterbedrijven. Zij voeren controles uit in het kader van de naleving van maatregelen voor legionellapreventie. Hoge risico gevallen worden vervolgens voor handhaving gemeld bij de ILT. Jaarlijks worden er door de ILT gemiddeld 165 controles gedaan bij B&B’s en 875 controles bij logies accommodaties (hotels/groepsaccommodaties/bungalowparken).
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij sauna’s?
GGD’en doen inspecties bij sauna’s als zij daarvoor een opdracht hebben van de colleges van burgemeester en wethouders in hun regio of als zij, via bron- en contactonderzoek, reden hebben om aan te nemen dat een bepaalde sauna een rol speelt in de verspreiding van een infectieziekte.
Hieronder is het aantal voedselveiligheidsinspecties van de NVWA bij sauna’s opgenomen (voor 2025 tot en met november). Het gaat hierbij om controles op voedselbereiding en niet om inspecties van andere onderdelen van sauna’s.
Jaar
Inspecties bij sauna's
2021
5
2022
9
2023
12
2024
13
2025
12
In het kader van legionellapreventie worden sauna’s periodiek door de ILT geïnspecteerd. Sinds 1 juni 2024 vallen ook de gebouwen die zijn ingericht als sauna zonder zwembad (bassin) onder deze periodieke inspecties.
De ILT heeft een samenwerkingsovereenkomst (de Inspectierichtlijn) met de 10 Nederlandse drinkwaterbedrijven. Zij voeren controles uit in het kader van de naleving van maatregelen voor legionellapreventie. Hoogrisicogevallen worden vervolgens voor handhaving gemeld bij de ILT. Jaarlijks worden er gemiddeld 35 controles uitgevoerd bij sauna’s. Sinds 1 juni 2024 vallen ook de gebouwen die zijn ingericht als sauna zonder zwembad (bassin) onder deze periodieke inspecties.
Waarom grijpen het RIVM en de GGD niet in wanneer er signalen zijn dat er bedwantsen zijn in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Het RIVM en de GGD zijn geen toezichthouders voor bedwantsen of andere plaagdieren. Als er een risico is voor infectieziekten kan de GGD maatregelen treffen op basis van de Wet publieke gezondheid. De GGD’en adviseren inwoners van hun regio wel over maatregelen die zij kunnen treffen om de overlast van plaagdieren te beperken. Op www.ggdleefomgeving.nl zijn bijvoorbeeld adviezen te vinden over bedwantsen, muizen en ratten.
Klopt het dat er geen beeld is van hoe vaak bedwantsen in Nederland voorkomen omdat er geen meldplicht is?
Het RIVM maakt elke twee jaar een overzicht en analyse van meldingen die bij de GGD’en binnenkomen, waardoor we kunnen zien of er sterke veranderingen zijn in het aantal meldingen. Dat geeft echter geen inzicht in hoe vaak bedwantsen in Nederland voorkomen. Bedwantsen vormen geen direct risico voor de volksgezondheid, ze zijn lastig, vies en kunnen als vervelend ervaren worden maar zijn geen risico waar er een rol voor de overheid is. De verantwoordelijkheid voor het voorkomen en bestrijden van bedwantsen ligt primair bij de consument en ondernemer.
Erkent u dat er, ondanks het ontbreken van een meldplicht, signalen zijn, bijvoorbeeld van Platform Plaagdierbeheersing Nederland, dat de bedwants in Nederland in opmars is? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Er zijn signalen uit de branche over een toename van sommige plaagdieren, maar hierover zijn geen cijfers beschikbaar.
Bent u bereid een meldplicht in te stellen voor bedwantsen in Nederlandse overnachtingshoreca?
De bestrijding van bedwantsen is geen primaire verantwoordelijkheid van de overheid. Er wordt geen meerwaarde gezien in het instellen van een dergelijke meldplicht.
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van bedwantsen?
Bij de NVWA zijn geen meldingen van bedwantsen in het kader van voedselbereiding voor derden bekend.
Deelt u onze mening dat het voorkomen van bedwantsenplagen beter is dan het verhelpen en er daarom vroegtijdig moet worden ingegrepen wanneer bedwantsen worden geconstateerd?
Het is in het belang van consumenten en ondernemers om bedwantsenplagen zoveel mogelijk te voorkomen. De verantwoordelijkheid voor preventie en het tijdig nemen van maatregelen ligt bij ondernemers zelf en, waar van toepassing, bij brancheverenigingen.
Erkent u dat hetzelfde geldt voor kakkerlakken die toeristen aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken? Erkent u dat het onduidelijk is waar mensen zich bij de overheid kunnen melden wanneer ze kakkerlakken aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Kakkerlakken, hoe vervelend ook, zijn geen risico waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft. Dat laat de verantwoordelijkheid van ondernemers en brancheverenigingen onverlet.
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van kakkerlakken?
Van de genoemde toezichthouders houdt alleen de NVWA cijfers bij van meldingen van kakkerlakken. Hieronder staat het aantal voedselveiligheidsinspecties van de NVWA naar aanleiding van meldingen van kakkerlakken bij horecagelegenheden (voor 2025 tot en met november). Het gaat hierbij uitsluitend om controles op plekken waar voedsel wordt bereid.
Jaar
Inspecties n.a.v. melding kakkerlakken
2021
12
2022
17
2023
15
2024
33
2025
19
Hoe vaak is er na melding bij de GGD niet ingegrepen wanneer er plaagdieren werden geconstateerd in hostels, hotels of andere overnachtingshoreca?
De GGD heeft geen handhavende taak voor plaagdieren, tenzij er risico’s zijn voor infectieziekten.
Is het toezicht op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op orde, gezien het feit dat het aantal bed and breakfasts (B&B’s) in Nederland groeit? Is er voldoende capaciteit bij toezichthouders om te voldoen aan de groei?
Toezichthouders moeten altijd keuzes maken over waar de beschikbare capaciteit het meest effectief zal zijn. Toezichthouders werken risicogericht bij het prioriteren van werkzaamheden en moeten dus altijd keuzes maken over waar de beschikbare capaciteit het meest effectief zal zijn. Prioriteiten worden bijgesteld als daar aanleiding voor is.
Hoe vaak is er de afgelopen jaren bij hoeveel B&B’s toezicht gehouden op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels? Welk percentage van de B&B’s is het afgelopen jaar bezocht door toezichthouders? Welk percentage van de B&B’s is de afgelopen vijf jaar bezocht door toezichthouders?
De NVWA verzamelt geen aparte data over B&B’s. De NVWA registreert de bedrijven op basis van de Standaard bedrijfsindeling (SBI)-codes van de KVK. B&B’s vallen onder de SBI-code voor hotels en indien er een inspectie heeft plaatsgevonden wordt deze hieronder geregistreerd.
Erkent u dat schimmels in kamers en badkamers een gezondheidsprobleem kunnen zijn ook in overnachtingshoreca?
Ja. Schimmels in kamers en badkamers kunnen gezondheidsklachten veroorzaken, ook in de overnachtingshoreca, maar met name bij langdurige blootstelling of bij kwetsbare groepen.
Wordt er gericht toezicht gehouden op het voorkomen van schimmels in overnachtingshoreca? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de bevindingen met de Kamer delen?
Schimmels vormen geen risico waarvoor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid een rol heeft. Er wordt dus niet gericht toezicht gehouden op het voorkomen van schimmels in overnachtingshoreca. Ondernemers zijn primair verantwoordelijk voor het naleven van algemene hygiëneregels en voorschriften in overnachtingshoreca en voor het voorkomen van schimmelvorming.
Het RIVM heeft een hygiënerichtlijn voor kampeergelegenheden, jachthavens en groepsaccommodaties, hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd?
In lijn met eerdere antwoorden is hygiëne bij kampeergelegenheden, jachthavens en groepsaccommodaties in brede zin, niet primair onderdeel van overheidstoezicht. De richtlijn vanuit het RIVM betreft uitsluitend informatievoorziening, wat op zichzelf geen handhaafbare regels betreffen. De richtlijn helpt ondernemers wel om algemene hygiëne- en gezondheidsregels te waarborgen.
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels op campings maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met betrekking tot legionellapreventie zijn campings onderdeel van het risico- gestuurde toezicht van de ILT en inspecties hierop zijn niet «zeer beperkt». In lijn met de antwoorden op vragen 7 en 8, vinden er via dezelfde samenwerkingsvorm met de drinkwaterbedrijven jaarlijks gemiddeld 465 controles plaats bij campings.
Voor overige hygiëne- en gezondheidsregels geldt dat dit een private aangelegenheid is. De verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij ondernemers en brancheverenigingen. Er is hier, tenzij er sprake is van voedselbereiding van derden, geen rol voor overig overheidstoezicht.
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op campings en bijvoorbeeld plaagdieren zoals ratten aantreffen?
In vervolg op het antwoord van vraag 23, kunnen consumenten klachten over de naleving van algemene hygiëne- en gezondheidsregels bij campings kenbaar maken bij de ondernemer en branchevereniging.
Wanneer het klachten bij de voedselbereiding betreft, kunnen consumenten een melding maken bij de NVWA. Bij het vermoeden van risico’s voor infectieziekten kunnen consumenten een melding maken bij de GGD.
Hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd, gezien het feit dat het RIVM een hygiënerichtlijn heeft voor sauna's, wellnesscomplexen en zwembaden?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 22, is de richtlijn van het RIVM uitsluitend informatievoorziening voor ondernemers en betreft dit geen handhaafbare wet- en regelgeving.
Er wordt geconstateerd dat certificerende instanties deze richtlijnen gebruiken om algemene hygiëne- en gezondheidsregels in de sector te waarborgen.
Wanneer er sprake is van een risico op overdracht van infectieziekten, bijvoorbeeld voortkomend uit bron- en contactopsporing, kan de GGD deze richtlijn gebruiken om advies te geven voor een verbetering van desbetreffende locatie.
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit klopt niet. Met betrekking tot voedselbereiding in sauna’s houdt de NVWA risicogericht toezicht. Daarnaast worden sauna’s risicogestuurd geïnspecteerd op legionellapreventie door de ILT (zie hiervoor ook de antwoorden op vragen 7, 8 en 23).
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s?
Voor consumentenactiviteiten waarbij risico’s op infectieziekten kunnen optreden, zoals sauna’s en tatoeagestudio’s, ligt de advies- en toezichtsverantwoordelijkheid bij het college van burgemeester en wethouders, dat hiervoor een opdracht geeft aan de GGD.
Deelt u de mening dat het toezicht op verschillende aspecten betreffende hygiëne- en gezondheidsregels is versnipperd?
Het toezicht op specifieke risico’s voor de volksgezondheid, zoals voedselveiligheid en infectieziektebestrijding die het gevolg kunnen zijn van onhygiënische situaties, is belegd bij verschillende overheden, ieder vanuit een eigen wettelijke verantwoordelijkheid en expertise. De NVWA houdt primair toezicht op voedsel en voedselbereiding voor derden. De ILT houdt toezicht op legionellapreventie. Het RIVM en de GGD verzorgen daarnaast informatievoorziening voor consumenten en ondernemers over gezondheidsrisico’s.
Werken verschillende inspectiediensten en overheidsdiensten voldoende samen om altijd effectief toezicht te houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Overheidsdiensten en toezichthouders werken, afhankelijk van het onderwerp, met elkaar samen om risicogericht effectief toezicht te houden. Een voorbeeld daarvan is het toezicht op de kwaliteit bij en van collectieve drinkwaterinstallaties. Daarvoor heeft de ILT een samenwerkingsovereenkomst met Vewin (drinkwaterbedrijven). Samenwerking met andere toezichthouders is er, indien nodig (bijvoorbeeld met Omgevingsdiensten en de NVWA).
Is er bij alle betrokken toezichthouders voldoende capaciteit om effectief toezicht te houden?
Hiervoor wordt verwezen naar het antwoord op vraag 18.
Bent u bereid te komen tot één duidelijke plek waar mensen zich bij de overheid kunnen melden waanneer ze aanwijzingen hebben dat de inspectie moet handelen wanneer hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca in het gedrang lijken te zijn? Wilt u tevens zorgen dat melders ook een terugkoppeling krijgen van wat er met hun melding is gedaan?
Hierbij wordt geen rol gezien voor de overheid, dit gaat immers niet over de volksgezondheid maar over de kwaliteit. Klachten over hygiëne moeten bij de ondernemer gemeld worden. Als er geen respons is van de ondernemer kan er vaak gebruik gemaakt worden van een klachtenprocedure vanuit de branchevereniging.
Als er een rol is weggelegd voor een inspectie of toezichthouder, kan de melding bij de desbetreffende instantie worden gedaan. Als er bij de inspectie of toezichthouder aanwijzingen zijn dat er risico’s zijn voor de volksgezondheid dan zal deze zelf actie ondernemen. Er bestaat dan ook geen bereidheid om een nieuwe plek in te richten voor alle hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca.
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Nee, dat is helaas niet gelukt als gevolg van de benodigde afstemming.
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Tieman , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
DCI heeft begin dit jaar de Raad van Accreditatie verzocht om de accreditatie voor het keuren van pleziervaartuigen en scheepsuitrustingen in te trekken. Per 1 september 2025 is deze accreditatie ingetrokken en is DCI geen erkende instelling (Notified Body – NoBo) meer. DCI heeft echter ten tijde van het laten intrekken van de accreditatie niet de technische dossiers overgedragen aan een andere NoBo of aan de markttoezichthouder, zoals voorgeschreven in de wet. Dit resulteerde in de situatie dat DCI, zonder te beschikken over de juiste accreditatie, nog in het bezit was van de technische dossiers. Het ministerie heeft geen berichten ontvangen dat deze situatie tot nadelige gevolgen voor jachtbouwers heeft geleid. Het ministerie en de markttoezichthouder (ILT) achtten het onwenselijk dat technische dossiers in het bezit waren van een organisatie waarvan de accreditatie – op eigen verzoek – was ingetrokken. De markttoezichthouder is dan ook een procedure gestart om de overdracht van de technische dossiers mogelijk te maken. Op 8 december jl. heeft de markttoezichthouder alle fysieke en digitale technische dossiers overgedragen gekregen. De dossiers met betrekking tot pleziervaartuigen zijn overgedragen aan een andere Nederlandse NoBo. De dossiers met betrekking tot scheepsuitrustingen zijn momenteel in het bezit van de markttoezichthouder. Deze dossiers staan ter beschikking van de betreffende eigenaren c.q. fabrikanten van deze dossiers. De fabrikanten zullen een nieuwe NoBo moeten vinden die beschikt over de juiste erkenning voor wat betreft scheepsuitrustingen. Binnen de EU zijn voldoende instellingen aanwezig die deze taak over kunnen nemen.
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Nederland kent op dit moment één NoBo voor de richtlijn pleziervaartuigen. Voor de richtlijn scheepsuitrustingen kent Nederland op dit moment vier NoBo’s, maar geen van deze instellingen beschikt over de accreditatie scope «reddingsmiddelen», waar het in dit geval om gaat.
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
De in antwoord 3 genoemde NoBo’s zijn in Nederlandse handen.
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
In antwoord op vragen d.d. 25 november 2020 over het bericht «Keuringsinstantie DCI Joure (NKIP) in Chinese handen» heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, aangegeven dat het kabinet in de overname van dit instituut dat toeziet op de kwaliteit van plezierjachten geen risico’s ziet voor de nationale veiligheid. Dit antwoord is nog steeds van toepassing op deze overname.
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Investeringstoetsing wetgeving is in Nederland ingevoerd om risico's voor de nationale veiligheid te beheersen. Private keuringsinstituten vallen buiten het toepassingsbereik van de nationale investeringstoetsing wetgeving.
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
Het wordt niet opportuun geacht om in Europees verband een verbod te bedingen op buitenlandse overname van NoBo’s. Voor wat betreft scheepsuitrusting is deze casus voorgelegd aan de Europese Commissie, de lidstaten en de branche organisaties. Hierbij is afgesproken dat de komende revisie van de Richtlijn Scheepsuitrusting in 2026 extra aandacht zal besteden aan het handelingsperspectief van lidstaten voor die gevallen waarbij keuringsinstanties regels niet nakomen.
De toe-eigening door Aegon van € 2,5 miljard uit Optas, bestemd voor indexatie van pensioenaanspraken van havenwerkers en andere Optas-verzekerden |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Is u bekend dat het Pensioenfonds voor Vervoer- en Havenbedrijven (PVH) vanaf 1965 indexatie toepaste en dat de aanspraken van havenwerkers in de periode vanaf 1 januari 1985 tot 1998 met circa 28% zijn geïndexeerd, maar sindsdien niet meer, met enorm koopkrachtverlies tot gevolg?
Is u bekend dat Optas bij de oprichting in 1990 bewust een niet-commercieel karakter kreeg, vrijstelling van vennootschapsbelasting genoot, en statutair en fiscaal (in verband met de vrijstelling vennootschapsbelasting) verplicht was om de winsten uitsluitend ten bate van de verzekerden aan te wenden, onder meer voor indexatie? En is u bekend dat de winsten van Optas statutair en fiscaal niet ten goede konden komen van de aandeelhouder(s) van Optas?1
Is u bekend dat bij de overgang van PVH naar Optas (1990/1996) expliciet is afgesproken dat de winsten aan de verzekerden ten goede komen om de pensioenen waardevast te houden, en dat hierover garanties zijn gegeven, onder meer in de Pensioenkrant van PVH van december 1996 en in de nieuwsbrieven van de vakbonden van december 1996 voorafgaand aan het referendum onder hun leden over de wijzigingen bij PVH en de overgang van PVH naar Optas?
Begrijpt u dat havenwerkers en andere deelnemers van PVH er op basis van deze afspraken en garanties en het niet commerciële karakter van Optas op hebben vertrouwd dat de winsten van Optas aan hen ten goede zouden komen en voor indexatie zouden worden gebruikt?
Realiseert u zich dat deelnemers van een pensioenuitvoerder volgens de nog steeds geldende jurisprudentie van de Hoge Raad op grond van wettelijke bepalingen, statuten, afspraken, garanties, en/of de redelijkheid en billijkheid recht kunnen hebben op de overschotten van de pensioenuitvoerder2 en deze situatie bij Optas van toepassing is?
Is u bekend dat Aegon, als aandeelhouder en feitelijk bestuurder van Optas, ondanks de statutaire en fiscale verplichtingen van Optas om de winst aan te wenden ten bate van de verzekerden, indexatie van de pensioenaanspraken van de Optas-verzekerden vanaf 2007 heeft geblokkeerd en de winsten binnen Optas heeft opgepot?
Bent u op de hoogte van het Fusie Memo uit 2018 van Aegon, waaruit blijkt dat Aegon met Optas wilde fuseren om zich de binnen Optas opgepotte winst van € 2,5 miljard toe te eigenen en Aegon wist dat dit bedrag op grond van de statuten van Optas en de fiscale eisen niet aan Aegon ten goede kon komen?
Is u bekend dat Aegon de Optas-verzekerden voorafgaand aan de fusie – met instemming van De Nederlandsche Bank (DNB) – in strijd met de waarheid heeft medegedeeld dat er door de fusie niets verandert, waardoor de Optas-verzekerden volgens de rechter geen reële mogelijkheid hebben gehad om zich tegen de voorgenomen fusie te verzetten en de rechter het instemmingsbesluit van DNB met de fusie, wegens schending van dit verzetrecht en het geheim houden van stukken door DNB, in 2023 heeft herroepen?3
Realiseert u zich dat de fusie en toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard onrechtmatig is door het ontbreken van de wettelijk vereiste instemming van DNB (nu het instemmingsbesluit is herroepen)?
Hoe beoordeelt u de handelwijze van Aegon, dat zij ondanks de statutaire en fiscale verplichtingen van Optas indexatie blokkeerde en de winsten binnen Optas oppotte, en zich in 2019 middels de fusie met Optas de winst van € 2,5 miljard heeft toegeëigend, terwijl dit bedrag statutair en op grond van de fiscale regels niet aan Aegon ten goede kan komen?
Hoe beoordeelt u dat DNB heeft ingestemd met de onjuiste mededeling van Aegon aan de verzekerden dat er door de fusie niets verandert, en ondanks waarschuwingen heeft ingestemd met de fusie en de toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard, en (op verzoek van Aegon) het Fusie Memo en andere essentiële stukken in strijd met haar wettelijke verplichting geheim heeft gehouden?
Realiseert u zich dat deze gang van zaken – de toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard, het uitblijven van indexatie, de onrechtmatige instemming van DNB en het feit dat de € 2,5 miljard (ondanks herroeping van de instemming) nog steeds in de kas van Aegon zit – tot grote publieke verontwaardiging en aantasting van vertrouwen in het pensioenstelsel leidt, en met name de (oud)havenwerkers geboren voor 1950 spoedeisend belang hebben bij beëindiging van deze misstand?
Bent u gelet op uw toezichtstaak op DNB en het maatschappelijke belang bereid om DNB op te dragen om ervoor te zorgen dat het vermogen van € 2,5 miljard (en de aangroei daarvan) alsnog voor de (voormalige) Optas-verzekerden wordt veiliggesteld en spoedig wordt aangewend voor indexatie en verbetering van hun pensioenaanspraken, en DNB zo nodig op te dragen om Aegon een daartoe strekkende aanwijzing te geven4? Mede gezien uw opmerking bij de beantwoording van de vragen van Joseph en Omtzigt van mei 2025 «dat pensioenvermogen haar pensioenbestemming dient te behouden»5.
Welke andere juridische of beleidsmatige instrumenten ziet u om te zorgen dat de € 2,5 miljard (en aangroei) zijn pensioenbestemming behoudt en alsnog ten goede komt van de rechthebbenden?
Wilt u in uw beantwoording ingaan op de omissie dat eerdere Kamerstukken en uw antwoorden van juni 2025 geen rekening hielden met de feiten en omstandigheden die in deze vragen zijn opgesomd, en er rekening mee houden dat de uitspraken van het Hof Den Haag en de Rechtbank Den Haag uit 2024 door de Optas-verzekerden in rechte worden bestreden, de conclusie van de advocaat-generaal in de cassatieprocedure tegen de uitspraak van het Hof door eisers in cassatie is weerlegd, en de uitspraken uit 2009/2011 in de jaarrekeningenprocedure tegen Optas/Aegon geen bindende kracht hebben voor de Optas-verzekerden en onder andere op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden door hen worden bestreden.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Hierbij treft u de antwoorden aan. Vanwege de aard van de vragen zijn deze in samenhang met elkaar beantwoord.
De herbeoordeling van F-35-export Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of de herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël is gedaan aan de hand van de acht criteria die in het EU Gemeenschappelijk Standpunt zijn opgenomen? Zo nee, waarom niet?1
Conform het arrest van de Hoge Raad (d.d. 3 oktober 2025) is de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar Israël opnieuw beoordeeld aan de hand van de geldende kaders voor wapenexportcontrole. Daarbij is de reguliere toets aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport toegepast.
Kunt u per criterium de Kamer informeren hoe u tot het oordeel bent gekomen de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de algemene vergunning AV009 te handhaven? Kunt u, kortom, de exporttoets zelf met de Kamer delen, niet enkel de uitkomst ervan, zodat de Kamer haar controlerende taak kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is transparant over de resultaten van het wapenexportbeleid. Over zowel toegewezen als afgewezen vergunningaanvragen wordt openbaar gerapporteerd via rijksoverheid.nl. In aanvulling daarop wordt de Tweede Kamer conform de motie El Fassed c.s. (Kamerstuk 2010–2011, 22 054, nr. 165 en Kamerstuk 2011–2012, 22 054, nr. 181) versneld (binnen twee weken na afgifte van vergunning) per brief geïnformeerd over afgegeven nieuwe vergunningen (niet zijnde een verlenging of vervanging) voor de definitieve uitvoer van volledige wapensystemen met een waarde van meer dan EUR 2 miljoen indien het land van eindbestemming geen EU/NAVO-land of een daaraan gelijk gesteld land (Japan, Zwitserland, Nieuw-Zeeland en Australië) betreft. De herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël voldoet niet aan die voorwaarden. Daarnaast omvat de herbeoordeling gevoelige informatie die schadelijk kan zijn voor bilaterale relaties van Nederland. Gelet op bovenstaande is het kabinet niet voornemens af te wijken van de staande praktijk inzake informatievoorziening over de resultaten van het wapenexportbeleid.
Waarom heeft u besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden?
Gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren en de verdere uitwerking van het vredesplan, is er sprake van een situatie die voortdurend in ontwikkeling is. Het kabinet heeft daarom besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Dat het kabinet over de mogelijkheid beschikt om naar eigen inzicht over te gaan tot een herbeoordeling wordt ook bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025.
Waarom schrijft u dat het staakt-het-vuren standhoudt? Bent u ermee bekend dat Israël vrijwel dagelijks het staakt-het-vuren schendt en talloze aanvallen op Gaza zijn uitgevoerd, waarbij honderden Palestijnen zijn gedood sinds 10 oktober, waaronder veel burgers?
Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Erkent het kabinet dat ook in de nieuwe situatie op de grond die het kabinet beschrijft in de Kamerbrief het lijden van Palestijnse burgers in Gaza onverminderd doorgaat als gevolg van de totale verwoesting, ontheemding, en tekorten aan levensreddende goederen?
Het leed van Palestijnen in de Gazastrook gaat niet aan het kabinet voorbij. Daarom is het van belang dat implementatie van het vredesplan voor de Gazastrook, waar een groot deel van de wereld zich achter geschaard heeft, en VN Veiligheidsraadsresolutie 2803 (2025) slagen. Daar is de inzet van het kabinet op gericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Israël momenteel ongeveer de helft van Gaza bezet houdt?
Het standpunt van Nederland is onverminderd dat Israël de bezettende macht is in de Palestijnse gebieden, inclusief de Gazastrook, en daarom verplichtingen heeft op basis van het bezettingsrecht. Nederland veroordeelt unilaterale stappen die zouden neerkomen op annexatie van de Gazastrook door Israël en staat achter het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk.
Het is voor het kabinet essentieel dat de Palestijnse Autoriteit in de toekomst verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van de Palestijnse Gebieden, mede omdat de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas de wapens dient neer te leggen en geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Het vredesplan van president Trump biedt hier aanknopingspunten voor. Het is van belang dat dit plan wordt geïmplementeerd in overeenstemming met het internationaal recht en de onderhandelingen over de tweede fase spoedig worden voortgezet.
Deelt u de opvatting dat export van onderdelen van de F-35 naar Israël uitgesloten dient te blijven zolang de dreiging blijft bestaan dat dit wapensysteem ingezet wordt voor mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdaden in Gaza (of elders in de regio) en Israël de kuststrook deels bezet? Zo nee, waarom niet?
De internationaalrechtelijke verplichtingen in het kader van wapenexportcontrole van Nederland (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag) zijn leidend bij besluitvorming over wapenexport. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest van 3 oktober 2025. Op grond van die verplichtingen geldt dat het kabinet geen vergunningen verleent voor de uitvoer van militaire goederen, indien een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen kunnen worden gebruikt bij het begaan of faciliteren van ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.
Bent u, nu u tot het oordeel komt dat de levering van F-35-onderdelen aan Israël voorlopig niet plaats mag vinden, eveneens van mening dat landen die dergelijke onderdelen van of via Nederland geleverd krijgen, deze onderdelen ook niet zouden moeten doorleveren aan Israël? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het bevel van de Hoge Raad en in het verlengde daarvan de uitgevoerde herbeoordeling ziet niet op de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar andere landen.
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar andere F-35 partnerlanden, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk welke onderdelen uiteindelijk bij welke F-35 gebruiker terechtkomen. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland aan het andere F-35 partnerland, en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel door het andere F-35 partnerland daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd. Voor dergelijke projecten met EU-, NAVO-, en daaraan gelijkgestelde landen (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en Zwitserland) geldt binnen de Nederlandse exportcontrole bij de uitvoer van componenten naar producenten al langere tijd het ontvangende land als land waaraan getoetst wordt, als op het moment van uitvoer geen eindgebruiker bekend is.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat op 11 december over de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december?
Ja.
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Rijkaart , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.
De overname van Solvinity door Kyndryl |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat buitenlandse mogendheden met de overname van Solvinity door Kyndryl toegang krijgen tot vertrouwelijke en gevoelige informatie van Nederlandse staatsburgers, constaterende dat DigiD en MijnOverheid beheerd worden door de servers van Solvinity en overwegende dat de Verenigde Staten via de ClOUD Act, data bij Amerikaanse bedrijven kan vorderen, ook als deze in het buitenland zijn opgeslagen? Zo ja, kunt u uitleggen hoe u tot dit antwoord gekomen bent? Zo nee, ziet u dit als een probleem?
Onder meer de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming met moedermaatschappij in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met Solvinity en Kyndryl over het treffen van maatregelen die er, mede, op zijn gericht om het risico op toegang door een buitenlandse autoriteit tot de gegevens die Solvinity verwerkt ten behoeve van de Nederlandse overheid zoveel mogelijk te mitigeren. Over de resultaten van deze gesprekken verwacht ik te kunnen berichten nadat deze gesprekken zijn afgerond. Op dit moment valt nog niet in te schatten wanneer dat zal zijn.
Had u deze overname aan kunnen zien komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u er niet tijdig voor gezorgd om gevoelige overheidsprojecten onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Bent u alsnog in staat om op korte termijn gevoelige overheidsprojecten die thans in beheer zijn van Solvinity onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
Met Solvinity worden gesprekken gevoerd over verschillende maatregelen om de veiligheid van gegevens en applicaties te bewerkstelligen.
Het op korte termijn onderbrengen van gevoelige overheidsprojecten bij andere partijen vraagt het doorlopen van aanzienlijke procedures, juridisch, technisch en financieel.
Hebben u of uw ambtenaren op enige wijze betrokkenheid gehad in de onderhandelingen omtrent de overname, aangezien het Ministerie van Economische Zaken een grote opdrachtgever van Solvinity is?
Nee. Daarnaast heeft het Ministerie van EZ geen contracten met Solvinity en/of Kyndryl.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, hierbij zijn uw vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig beantwoord.
De aanhoudende ICT-problematiek bij het Openbaar Ministerie (OM) |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 11 november 2025 aan het College van Procureurs-Generaal (het College), kent u de reactie van het College op die brief1 en kent u de brandbrief van 20 november 2025 uit naam van 2.850 OM-medewerkers van het «Comité OM onder druk» aan het College?2 En kent u de eerdere frustraties van OM-medewerkers over de hardnekkige ICT-problemen (toespraak voorzitter van het College van 13 mei 2024)3
Ja.
Herinnert u zich de eerdere berichten «Misdaadregistratie loopt vast door gammele ICT bij OM»4, het bericht «Openbaar Ministerie heeft problemen op zittingen door «ernstige computerstoring»»5 en het bericht «Een op de vier werknemers van OM kan niet werken door ICT-problemen»?6
Ja.
Herinnert u zich de mondelinge vragen van het lid Lahlah over ICT-problemen bij het OM (mondeling vragenuur 23 april 2024) en andere antwoorden op vragen vanuit de Tweede Kamer over eerdere ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) waaronder uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mutluer over de blijvende ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie?7
Ja.
Deelt u de mening dat uit bovenstaande berichten blijkt dat er bij het OM al veel te lang sprake is van structurele problemen met de ICT waardoor het werk door OM-medewerkers ook al te lang belemmerd wordt en tot frustratie en gevoelens van onbegrip leidt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind dat de medewerkers van het OM in hun werk al te lang worden gehinderd door slecht functionerende ICT en betreur dit zeer.
Deelt u de mening dat er ondanks de al jaren durende problemen met de ICT bij het OM geen of nauwelijks verbetering is opgetreden? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan het tegendeel? En zo nee, hoe komt het dan dat de laatste maanden er sprake is van snel groeiende ontevredenheid bij OM-medewerkers en ze uitgeput en gefrustreerd raken omdat concrete maatregelen om de ICT duurzaam op orde te krijgen uitblijven en de werkdruk onverminderd hoog blijft?
Ja, ik deel de mening dat er voor de medewerkers in ieder geval niet genoeg zichtbare verbetering heeft plaatsgevonden. De ICT-inbreuk in juli 20258 heeft de problemen – in ieder geval tijdelijk – nog eens vergroot. De snel gegroeide ontevredenheid is daarmee goed verklaarbaar en terecht.
Schrikt u ook als u moet lezen dat een zeer groot en representatief deel van de OM-medewerkers constateert dat zij niet langer op een verantwoorde wijze hun werk kan doen en dat de staat van de rechtsstaat in het geding is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de ICT-problemen bij mij bekend zijn, vind ik het erg vervelend en betreur ik dat zo veel medewerkers hier zo veel hinder van ondervinden.
Wat is er gebeurd na uw toezegging om het OM te vragen om voor het zomerreces van 2024 te komen met een plan met concrete maatregelen om de werkdruk bij het OM te verminderen, zowel door investeringen in het personeel als door het bieden van technologische oplossingen die specifiek gericht zijn op het stroomlijnen van werkprocessen?
De implementatie van het nieuwe wetboek vraagt inderdaad aanpassingen van de ICT. De ICT-opgave van het OM is in relatie tot het nieuwe wetboek groot. Op dit moment wordt door alle ketenorganisaties uitgegaan van inwerkingtreding van het nieuwe wetboek op 1 april 2029. Ook de planning van het OM is daarop gericht. Het OM kan op dit moment voor de ICT echter geen garanties geven ten aanzien van de haalbaarheid van deze planning. Het OM inventariseert momenteel de effecten van de recente ICT-problemen. Verwacht wordt dat de eventuele effecten daarvan, waaronder die met betrekking tot de implementatie van het nieuwe wetboek, in het voorjaar van 2026 bekend zijn.
Erkent u dat de stress en druk bij het OM-personeel leidt tot achterstanden en onvolkomenheden in dossiers? Zo ja, kunt u concreet beschrijven hoe dit de problematiek het functioneren van de strafrechtketen aantast? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde brieven van de NVvR en het Comité OM onder druk?
De dagelijkse ICT-problemen hinderen het werk en leiden daarmee tot een hogere werkdruk. Dit zou, hoewel dit niet in kwantitatief opzicht inzichtelijk is te maken, een negatief effect kunnen hebben op de prestaties van het OM. De ICT-inbreuk heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe voorraden en zal daarmee waarschijnlijk een tijdelijk negatief effect hebben op de doorlooptijden. De mate waarin de kwantitatieve ketendoelstellingen hierdoor worden beïnvloed is nog niet bekend. Het College van procureurs-generaal herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, het Comité, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek.
Kunt u inzichtelijk maken welke primaire processen momenteel niet naar behoren functioneren binnen het OM als gevolg van de door medewerkers aangekaarte problematiek? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag nadrukkelijk ook informatie vanuit OM-medewerkers betrekken die dagelijks geconfronteerd worden met de ICT-problemen?
Op dit moment hebben de OM-medewerkers in alle (primaire) processen geregeld te maken met ICT-verstoringen. Er zijn inmiddels verschillende concrete maatregelen genomen die moeten helpen de werkdruk bij het OM te verlichten en het werkplezier te vergroten. Het College is hierover in gesprek met de Ondernemingsraad en met de leiding van de OM-onderdelen. Er is uitgebreidere monitoring ingericht om de prestaties van de systemen nauwlettend in de gaten te houden. Verdere vernieuwing en verzwaring van de onderliggende infrastructuur is gepland. Vanuit het College en de ICT-organisatie zijn bezoeken gebracht aan alle OM-onderdelen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de directe en urgente ICT-problematiek en de specifieke behoeften van de collega’s op de OM-onderdelen. Op basis daarvan zijn diverse verbeteracties doorgevoerd die de werkprocessen ten goede komen.
Tegelijkertijd blijven zich in de bestaande, verouderde ICT-omgeving van het OM met enige regelmaat nieuwe ICT-incidenten aandienen. Daarom zet het OM naast genoemde kortetermijnmaatregelen ook heel stevig in op structurele oplossingen die weliswaar veel minder snel zijn te realiseren, maar voor het functioneren van de informatievoorziening (IV) en de werkprocessen bij het OM uiteindelijk van fundamenteel belang zijn. Daartoe is een meerjarenplanning in voorbereiding, die als basis zal dienen voor de onderbouwing van de meerjarige financieringsbehoefte van het OM vanwege de noodzakelijke investeringen in de ICT.
Bent u bereid om met de NVvR in overleg te treden om te horen welke gevolgen de ICT-problemen voor de dagelijkse praktijk van het OM, waaronder Officieren van Justitie, hebben? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
De NVvR heeft haar brief aan het College van procureurs-generaal gericht en hierop heeft het College gereageerd. Het College en de NVVR zijn regelmatig met elkaar in gesprek en het is ook in de eerste plaats aan het College om dat gesprek te voeren.
In hoeveel zaken is er sprake van vertraging of veroudering als gevolg van de aanhoudende problematiek? Kunt u dit uiteenzetten per type zaak?
De mate waarin vertraging optreedt in zaken wordt gemeten in doorlooptijden. De ontwikkeling van de doorlooptijden wordt duidelijk bij de publicatie van de cijfers over 2025. Er kan geen causaal verband worden gelegd tussen de doorlooptijd van zaken en de algemene ICT-problematiek. Wel zal de impact van de ICT-verstoring die deze zomer plaatsvond en de nasleep daarvan waarschijnlijk zichtbaar worden in deze cijfers. Als gevolg van de ICT-verstoring en het offline gaan van de OM-systemen, konden nieuwe zaken in de periode van 17 juli tot eind augustus niet vanuit de opsporingsdiensten naar het OM worden overgedragen. Dit had vooral impact op de eenvoudige zaken. Tijdens de ICT-verstoring zijn zwaardere onderzoeks- en ondermijningsmisdrijven handmatig verwerkt en zijn vertragingen in de behandeling van deze zwaardere misdrijven beperkt gebleven.
Kunt u nader uiteenzetten of er afdelingen binnen het OM onevenredig hard worden geraakt door de problematiek en welke dat zijn? Heeft dit als gevolg dat sommige soorten zaken meer vertraging en veroudering oplopen dan andere soort zaken?
Zoals hiervoor aangegeven hebben alle medewerkers te maken gehad met de ICT-problematiek. De ICT-inbreuk heeft effect gehad op de voorraden en doorlooptijden. Uit het landelijk zaakvolgsysteem blijkt dat de omvang van de voorraden («voorraadbak intake OM») vanaf de datum van de ICT-inbreuk sterk is toegenomen. Deze voorraden zijn in het vierde kwartaal van 2025 aangepakt; het OM verwacht dat deze extra voorraad in het eerste kwartaal van 2026 is weggewerkt.
In hoeverre komt de door het College zelf opgelegde taakstelling om de benodigde ICT-investeringen te kunnen doen ten koste van andere taken van het OM en het welzijn de OM-medewerkers?
Om de ICT structureel te verbeteren, zijn de komende jaren investeringen nodig. Daarnaast nemen de instroom en productie af, lopen tijdelijk beschikbaar gestelde middelen af en nemen structurele kosten van het OM toe. Kortom: het OM staat voor de opgave om de financiële positie structureel te versterken.
Alle OM-onderdelen moeten dus in hun begroting voor 2026 rekening houden met minder geld. Hen is door het College daarom gevraagd aan te geven welke maatregelen nodig zijn en welke consequenties dit heeft. Voor 2026 ligt de nadruk op bewuster, slimmer en efficiënt omgaan met middelen, zowel financieel als in de verdeling van het werk. Samen met de OM-onderdelen is gezocht naar effectieve aanpak om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Het is aan de leiding van de OM-onderdelen om binnen die financiële kaders voor 2026 verstandige keuzes te maken: wat wel kan worden gedaan en wat niet. Intussen blijf het College in goed in contact met de OM-onderdelen en wordt het welzijn van de OM-medewerkers goed in de gaten gehouden.
Deelt u de mening dat deze taakstelling niet zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk bij het OM of het beter functioneren van het OM als organisatie? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dan zorgen voor meer financiële armslag voor het OM? Zo nee, waarom niet?
Het College heeft geoordeeld dat het noodzakelijk en verantwoord is om de taakstelling op te leggen. Het College heeft samen met de leiding van de OM-onderdelen gezocht naar manieren om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Hiermee maakt het OM financiële middelen vrij om zelf bij te dragen aan de noodzakelijke investeringen in het versterken van de ICT. Beter functionerende IV zal op langere termijn onder andere een positief effect hebben op de werkdruk. Het College blijft in goed contact staan met de OM-onderdelen. Waar de OM-onderdelen vastlopen, zal het College bezien of er financiële ruimte kan worden vrijgemaakt gedurende het jaar. Voor wat betreft de ICT-problematiek maakt het College inzichtelijk welke investeringen de komende jaren nodig zijn. Hierover ga ik het gesprek aan met het OM. Ik kan nog niet vooruitlopen op mogelijke oplossingsrichtingen.
Zorgen de ICT problemen er voor dat slachtofferrechten bij strafzaken in geding komen? Kunt u onderbouwen, en kan het OM bevestigen, dat deze rechten momenteel niet in het geding zijn? Kunnen het OM en u waarborgen dat alle slachtoffers van strafzaken hun bestaande rechten ten volle kunnen uitoefenen? Zo nee, kunt u in overleg met het OM specifieke verbeteringen doorvoeren zodat hier zo spoedig mogelijk wél sprake van is?
Zoals hiervoor aangegeven heeft de offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM geleid tot vertragingen en werken het OM en partners in en rondom de strafrechtketen hard om deze in te lopen. Er is momenteel sprake van een verhoogde werkvoorraad, waardoor het uitsturen van het wensen- en het schadevergoedingsformulier aan slachtoffers langer op zich laat wachten. Er zijn op dit moment echter geen signalen bij het OM bekend dat de slachtofferrechten in het geding komen. Zo wel dan zal het OM hier voortvarend mee aan de slag gaan.
Ondervinden het OM-personeel of andere partners in de strafrechtketen op dit moment nog de gevolgen van de in de afgelopen zomer ontstane verstoring van het ICT-systeem van het OM? Zo ja, welke concrete gevolgen betreft dit?
Zie mijn antwoorden op de voorgaande vragen; er zijn door de ICT-inbreuk onder meer voorraden ontstaan die deels nog moeten worden weggewerkt.
Deelt u de mening dat de overgang en implementatie van het nieuwe wetboek van Strafvordering ook aanpassingen van de ICT systeem van het OM vergt? Acht u het OM in staat om tijdig voor een goed functionerende overgang en implementatie te zorgen? Zo ja, welke stappen zijn en worden daarvoor gezet en hoe is de voortgang daarvan? Zo nee, waarom niet en wat is er dan nog meer nodig?
Hoe gaat u de «vinger aan de pols» van het OM houden8 en wat gaat u doen op het moment dat u moet constateren dat de ICT-problemen nog altijd niet afdoende en tijdig worden opgelost?
Ik bespreek de ICT-problematiek zeer regelmatig met onder meer het College van procureurs-generaal en ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen. Ik laat mij niet uit over eventuele in de toekomst door mij te nemen maatregelen.
Bent u nog steeds van mening u geen rol zou hebben bij het oplossen van de problemen bij het OM?9 Zo ja, waarom en waaruit leidt u af dat dat de OM leiding nu wel zelf in staat zou zijn om de langdurige structurele ICT problemen op te lossen? Zo nee, welke rol gaat u dan wel spelen? En zo nee, bent u bereid daar desnoods uw algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens het OM voor te gebruiken?10
Het is in de eerste plaats aan het College van procureurs-generaal om de problemen met de ICT op te lossen. Uiteraard word ik van de voortgang op de hoogte gebracht en wordt er vanuit mijn departement meegedacht en ondersteuning geleverd. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en laat mij niet uit over eventuele in de toekomst te nemen maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘3000 medewerkers Openbaar Ministerie sturen brandbrief over ICT-problemen’ |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe dit probleem rondom de ICT zo uit de hand heeft kunnen lopen? Waar heeft men het de afgelopen jaren laten liggen?1
Zoals mijn ambtsvoorganger al eerder aan uw Kamer heeft toegelicht,2 kampt het OM met verouderde systemen. Hiernaast heeft het OM onder meer te maken gehad met de ICT-inbreuk3 in juli 2025 en slecht functionerende kantoorautomatisering. De combinatie van onder meer deze factoren heeft geleid tot de huidige situatie.
Heeft het Openbaar Ministerie (OM) inzichtelijk hoeveel procent van de tijd medewerkers van het OM bezig zijn met ICT-gerelateerde zaken in plaats van het werk waarvoor zij eigenlijk zijn ingehuurd? Zo ja, kunt u dit met ons delen?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Op welke wijze werkt het OM aan het herstellen en verbeteren van de ICT-infrastructuur?
Door het OM wordt onafgebroken gewerkt aan het herstellen en verbeteren van de ICT-infrastructuur. Dit is een meerjarig traject, ingestoken langs de lijn van vijf thema’s: betrouwbare IV-dienstverlening, digitale weerbaarheid, modern en flexibel IT-landschap, toegankelijke en betekenisvolle informatie, volwassen IV-organisatie.
Het herstel van de ICT-infrastructuur naar aanleiding van de ICT-inbreuk is in een afrondende fase. Het herstel van de thuiswerkfunctionaliteit en de mobiele toegang tot mail en agenda zijn afgerond en de meeste medewerkers zijn inmiddels in staat om thuis te werken. In het kader van het verder verbeteren van de bestaande IV-dienstverlening aan de medewerkers volgt het OM twee sporen. Namelijk het spoor voor de korte termijn, waarbij beschikbaarheid en continuïteit de hoogste prioriteit heeft. Het tweede spoor ziet op meerjarige fundamentele verbeteringen. De komende jaren wil het OM een forse inhaalslag maken op onder meer de kantoorautomatisering en de infrastructuur voor de IV. Het OM maakt inzichtelijk welke financiële structurele middelen hiervoor nodig zijn.
Hoe verhoudt dit zich tot de brandbrief waarin gesteld wordt dat er investeringen nodig zijn voor de ICT-infrastructuur?
Het College van procureurs-generaal maakt inzichtelijk welke investeringen nodig zijn om de ICT op orde te brengen. Zoals de Staatssecretaris van JenV tijdens het vragenuur op 25 november 2025 heeft toegezegd wordt u hiervan voor de behandeling van de begroting van JenV op de hoogte gebracht.
Deelt u de mening van de indieners van de brandbrief dat er investeringen nodig zijn in de ICT-infrastructuur? Zo ja, welke investeringen zijn er nodig om op zo kort mogelijke termijn de ICT-infrastructuur op orde te krijgen en hoe valt dit te rijmen met de eerder gealloceerde middelen?
Voorgaande kabinetten hebben al de nodige middelen aan het OM verstrekt ten behoeve van investeringen in de ICT. Het OM maakt nog inzichtelijk welke investeringen op termijn nodig zijn en u wordt hierover nog schriftelijk geïnformeerd.
Heeft de verhoogde werkdruk binnen het OM ook effect op de verzuimcijfers? Zo ja, hoe ziet deze ontwikkeling eruit? En wat doet het OM concreet om dit te mitigeren?
Het verzuimcijfer van het OM was in de jaren 2020–2024 stabiel op circa 5%. In 2025 is het verzuimcijfer bij het OM opgelopen, met name in de maanden van de ICT-inbreuk. Het is aannemelijk dat dat komt door de verhoogde werkdruk als gevolg van de ICT-verstoringen, mede omdat de verzuimcijfers van de maanden juli tot oktober 2025 hoger zijn dan dezelfde periode uit voorgaande jaren. Kanttekening hierbij is dat het algemene verzuimcijfer in Nederland volgens CBS-analyses ook een lichte verhoging laat zien in 2025. Het voortschrijdend inzicht laat zien dat het verzuim in 2025 hoger gaat uitkomen dan de eerdergenoemde 5%. De verzuimcijfers laten nu een verwacht gemiddeld verzuim zien van rond de 6%.
In hoeverre hebben de problemen rondom de ICT consequenties voor de strafbeschikkingen die bij het OM lopen?
De problemen met de ICT hebben geen consequenties voor de toepassing van de strafbeschikking.
Welke maatregelen worden er getroffen om fouten te voorkomen? En in hoeverre wordt er gekeken naar extra maatregelen om het risico op fouten zoveel mogelijk in te dammen? Zo ja, welke?
Het OM werkt op alle niveaus en in alle geledingen doelbewust en doelgericht aan verbeteringen in de betrouwbaarheid van de processen en systemen. Er zijn verschillende programma’s, projecten en initiatieven die daar een directe of indirecte bijdrage aan leveren. Soms is de verandering direct heel zichtbaar, door een aanpassing in de organisatiestructuur, een andere werkwijze in het werkproces of de vervanging van een systeem. Ook worden er bijvoorbeeld maatregelen genomen om de werkdruk te verminderen en wordt gewerkt aan maatregelen die het risico op fouten moet doen verminderen op het niveau van de IT-infrastructuur (zie ook het antwoord op de vraag 3).
Hoe kijkt u aan tegen het verwijt van de indieners van de brandbrief dat er een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» ontbreekt vanuit de top van het OM?
De brandbrief van de medewerkers is gericht aan het College van procureurs-generaal. Het College herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek. Het is aan het College om hierop te reageren. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en zal het College daar waar nodig bij ondersteunen.
Ziet u voor zichzelf een rol om een «krachtig geluid» en «zichtbaar leiderschap» te laten horen richting de medewerkers van het OM? Zo ja, hoe wilt u dit invullen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil vooropstellen dat ik het ontzettend vervelend vind dat de medewerkers van het OM in hun werk gehinderd worden door slecht functionerende ICT. Het is echter primair aan het College om de zorgen van de medewerkers te adresseren. Het College is daarover met de Ondernemingsraad, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek. Ik zie op dit moment geen aanleiding om dit zelf te doen, mede omdat ik het College voldoende in staat acht om de problemen op te lossen.
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.
Het bericht '56 procent van Nederlanders draait verwarming niet open vanwege te hoge energiekosten: ’Kiezen tussen warm blijven of eten op tafel' |
|
Jimmy Dijk |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Telegraaf dat steeds meer Nederlanders besluiten de verwarming dicht te draaien vanwege te hoge energiekosten?1
Ik heb kennis genomen van het bericht van de Telegraaf.
Kunt u kenbaar maken of deze cijfers in overeenstemming zijn met de gegevens van het ministerie? Zo ja, kunt u deze inzichtelijk maken en specificeren per gezinssituatie en onderverdelen in kinderen, volwassenen en senioren?
Voor cijfermatige inzichten in de ontwikkeling van energiearmoede maakt het kabinet gebruik van de jaarlijkse rapportages van CBS en TNO over dit onderwerp. Binnen deze rapportages is ook aandacht voor de onderconsumptie van energie, wat door TNO omschreven wordt als «verborgen energiearmoede». Het gaat hierbij om huishoudens met een laag inkomen en een woning van lage energetische kwaliteit die minder energie verbruiken dan verwacht.
De cijfers uit het artikel zijn niet in overeenstemming met de door TNO gepubliceerde inzichten. Het rapport waar de Telegraaf zich op baseert is tot stand gekomen op basis van een enquête. De resultaten uit deze enquête geven een belangrijk signaal af over de mate waarin huishoudens zich zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening. Het kabinet houdt voor wetenschappelijke inzichten en het observeren van trends vast aan de data die TNO hierover publiceert.
In de meest recente rapportage wordt ingeschat dat het aantal huishoudens dat kampt met verborgen energiearmoede in 2024 ongeveer 119.000 bedraagt, ongeveer 1.4% van alle huishoudens.2 Dit aantal fluctueert de afgelopen jaren tussen de 1% en 1,5% van alle huishoudens in Nederland. TNO heeft in haar rapportage geen nadere uitsplitsing gemaakt van deze groep, een verdeling naar gezinssituatie is hiermee niet voorhanden.
Hoe verklaart u deze trend van verhoogde energiearmoede en een van de hoogste gasprijzen van Europa? Waarom is het als kabinet niet gelukt deze trend te keren?
Volgens de voorlopige inschatting in de Monitor Energiearmoede van TNO en CBS leven in 2024 510.000 huishoudens in energiearmoede. Dit is bijna 180.000 huishoudens meer dan in 2023. Het rapport vindt de verklaring hiervoor in het energieprijsniveau en het aflopen van de financiële steunmaatregelen die waren ingesteld ten tijde van de energiecrisis, meer specifiek de energietoeslag en het prijsplafond.
Daarnaast geeft het onderzoek aan dat het aantal energiearme huishoudens lager ligt dan in 2019, voor de energiecrisis. Dit komt onder andere door de getroffen verduurzamingsmaatregelen, gedragsverandering van consumenten en een stijging van het besteedbaar inkomen. Het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en een laag inkomen daalt door verduurzaming van woningen.
De inkoopprijs van gas op de groothandelsmarkt (TTF) is over het afgelopen jaar bezien gedaald en gestabiliseerd. De gasprijs lag in december 2025 op het laagste niveau sinds 2 jaar tijd, met 26,55 EUR/MWH. De month-aheadprijs ligt op dit moment van schrijven op 36,88 EUR/MWH, en de day-aheadprijs van elektriciteit is gemiddeld 17% lager ten opzichte van vorig jaar.2 Deze lagere prijzen vormen de basis van de prijzen voor consumenten in nieuwe contracten. De ACM rapporteert dat ten opzichte van de piek in februari de tarieven nu 14% lager liggen voor langlopende vaste contracten, 8% lager voor één jaarcontracten en 7% lager voor variabele contracten. De gemiddelde consument betaalt bij een nieuw contract 130 euro minder per jaar.3
Klopt het dat het kabinet zich nog steeds heeft gecommitteerd aan het niet laten toenemen van armoede en het tegengaan van de langetermijngevolgen van armoede?
Zoals in het Regeerprogramma aangegeven streeft het kabinet er naar om de (kinder-) armoedecijfers niet uit te laten komen boven het referentiejaar 2024. Hoe het kabinet dit aanpakt is uitgewerkt in het Nationaal Programma Armoede en Schulden. Ik verwacht u dit kwartaal de eerste voortgangsrapportage te kunnen sturen.
Hoe verantwoordt u dan de oplopende energiearmoede en het feit dat nu één op de twaalf kinderen opgroeit in energiearmoede?2
Het kabinet vindt het belangrijk om huishoudens in energiearmoede te helpen met het betalen van de energierekening en om in te zetten op maatregelen die structureel de energierekening verlagen.
De toename van het aantal huishoudens in energiearmoede tussen 2023 en 2024 is, zoals aangegeven bij vraag 2, voornamelijk het gevolg van het weggevallen van de steunmaatregelen. Deze maatregelen waren in de crisissituatie nodig om huishoudens te beschermen tegen sterk gestegen prijzen. Tegelijkertijd waren het prijsplafond en de energietoeslag relatief ongericht. Inmiddels zijn de energieprijzen gestabiliseerd en ervaart een meerderheid van de consumenten de energierekening als betaalbaar5.
Tegelijkertijd weten we dat er nog steeds een groep kwetsbare huishoudens moeite heeft met het betalen van de energierekening. Om die reden heeft het kabinet afgelopen drie jaar ook een subsidie verstrekt aan de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Het effect van deze financiële tegemoetkoming is overigens niet meegenomen in de genoemde monitor. Daarnaast komen de effecten van diverse verduurzamingsmaatregelen die na 2023 zijn genomen en die ook van belang zijn voor huishoudens met (risico op) energiearmoede, zoals de inzet van SPUK Aanpak Energiearmoede, het verder uitfaseren van EFG-huurwoningen, niet in de voorlopige inschatting voor 2024 tot uiting.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld middels de prestatieafspraken met corporaties om woningen met slechte energielabels uit te faseren. Voor alle verhuurders gaat normering op dit punt gelden vanaf 2029. Ook heeft het kabinet recent de bevindingen van TNO in het kader van de motie Postma naar de Kamer gestuurd.6 Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede.
Welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan en onmiddellijke verlichting voor gezinnen te bieden, nu het publieke energiefonds nog een jaar op zich laat wachten?
Het kabinet werkt op diverse manieren aan het betaalbaar houden van de energiekosten voor gezinnen met weinig geld. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van het Ministerie van KGG (stelselverantwoordelijkheid energiesysteem), het Ministerie van VRO (energetische kwaliteit van woningen) en het Ministerie van SZW (armoedebestrijding).
Via een Decentrale Uitkering (DU) heeft het kabinet in 2025 € 10 miljoen toegevoegd aan het Gemeentefonds. In 2026 komt hier nog eens € 20 miljoen bij. De financiële dekking voor deze impuls komt van de SZW-begroting (€ 10 miljoen) en het amendement Grinwis (€ 20 miljoen). De middelen worden via een Decentrale Uitkering verstrekt aan gemeenten en zijn daarmee breed inzetbaar. Deze middelen vormen geen vervanging van het Tijdelijk Noodfonds Energie, dat directe inkomenssteun verleende aan inwoners. Gemeenten kunnen deze middelen inzetten om de bestaande dienstverlening binnen de lokale aanpak van energiearmoede te versterken. Binnen die aanpak zijn er verschillende manieren waarop de middelen kunnen worden benut. Ik ben met de VNG tot deze brede formulering gekomen, omdat huishoudens in energiearmoede zowel mogelijk financiële problematiek als bij het verduurzamen van het huis hulp kunnen gebruiken. Daarbij weten gemeenten vaak het beste hoe ze hun inwoners verder kunnen helpen.
Daarnaast heb ik in de Kamerbrief van 7 november geschetst welke inspanningen ik heb gepleegd om te bezien of er opnieuw een Tijdelijk Noodfonds Energie kon komen deze winter en waarom dit niet mogelijk is.
Met de impuls van € 30 miljoen voor de lokale energiearmoedeaanpak en het benutten van de data van 151.000 huishoudens van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie kunnen gemeenten aanvullende en gerichtere hulp aanbieden.
Deelt u de mening van de Stichting Consumer Justice (CJF) dat de grote energieleveranciers misbruik maken van de prijswijzigingsclausules en daarmee het consumentenrecht en mededingingsrecht hebben overtreden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
De zaak waarover Stichting Consumer Justice spreekt, wordt momenteel in cassatie behandeld voor een individuele klant. Daarnaast is Stichting Consumer Justice een procedure gestart voor een massaclaim voor klanten die een soortgelijke situatie hebben meegemaakt. Het proces wordt door het Kabinet met aandacht gevolgd, maar het kabinet laat zich niet inhoudelijk uit over een zaak die zich nu nog onder de rechter bevindt. Er moeten diverse stappen doorlopen worden voordat duidelijk is wat de uitkomst zal zijn en of en zo ja voor welke groep consumenten deze uitspraak gevolgen kan hebben.
Bent u bereid een einde te maken aan telefonische werving, zoals de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorstelt? Zo nee, waarom niet?
Er komen helaas veel gegronde klachten binnen van consumenten over telefonische werving. Dit probleem blijft niet onopgemerkt, want er wordt op allerlei manieren gewerkt aan maatregelen om klachten ten aanzien van telefonische werving aan te pakken vanuit zowel het Ministerie van Economische zaken als het gaat om consumentenbeleid in den brede -als het Ministerie van Klimaat en Groene Groei indien het specifiek de energiesector betreft. Een totaalverbod op telefonische werving is momenteel niet mogelijk, gezien de Europese kaders die daarvoor gelden. Wel wordt telemarketing op grond van de klantrelatie in 2026 verboden. Op dit moment mogen consumenten alleen worden gebeld als zij de beller daarvoor toestemming hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest). Consumenten mogen straks alleen worden gebeld als zij de beller daar vooraf expliciet toestemming voor hebben gegeven.
Daarnaast zit in de nieuwe Energiewet, die op 1 januari 2026 van kracht is geworden, een nieuwe grondslag die ruimte beidt aan de ACM om de vergunning van een energieleverancier in te trekken die zich meermaals schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, zoals misleiding bij telefonische verkoop. Ook als namens een vergunning houdende energieleverancier geworven wordt, kan deze nieuwe stevige bepaling ingezet worden door de ACM.
Bent u bekend met het concept van de prijzenwaakhond in Zwitserland? Kunnen we soortgelijke bevoegdheden geven aan de ACM zodat zij de prijzen kunnen reguleren, controleren en, indien nodig, blokkeren? Zo ja, wanneer wilt u dit gaan invoeren? Zo nee, waarom niet?
In Zwitserland is de energiemarkt anders ingericht dan in Nederland, want de energiemarkt is daar niet volledig geliberaliseerd. Ook gelden de Europese kaders ten aanzien van de inrichting van de gas- en elektriciteitsmarkt niet in Zwitserland. De ACM kan geen prijzen reguleren of blokkeren, dat gaat in tegen de Europese regels over vrije prijsvorming. Wel mag de ACM prijzen controleren. Het is in beginsel aan energieleveranciers zelf om hun prijzen te bepalen en aan consumenten om een afweging te maken tussen de producten en prijzen van verschillende aanbieders. Een vergunning houdende energieleverancier moet energie leveren tegen transparante en redelijke prijzen. Een prijs is niet redelijk als deze onevenredig hoog is gezien de kosten van de leverancier of niet concurrerend is. De ACM houdt hierop toezicht en kan een bestuurlijke boete opleggen indien hieraan niet voldaan wordt.
Zou het volgens u helpen om de energie betaalbaar te maken door deze publiek te organiseren en zeggenschap te geven aan bijvoorbeeld omwoners zoals we steeds meer zien gebeuren door het land heen? Zo ja, hoe bent u van plan dit nationaal te stimuleren? Zo nee, waarom niet?3
Het publiek organiseren an sich helpt niet om energie betaalbaarder te maken, mede omdat een gevarieerd aanbod en concurrentie tussen energieleveranciers op de energiemarkt financieel voordeliger zijn voor de consument. Als omwonenden een energieproductiefaciliteit in eigendom hebben, vaak via een lokale energiecoöperatie, kan dit bijdragen aan de betaalbaarheid van energie als de coöperatief opgewekte energie tegen kostprijs aan de omgeving wordt geleverd.
Energiecoöperaties zijn echter ook kwetsbaar vanwege een beperkt portfolio waardoor risico’s onvoldoende gespreid kunnen worden.8 In de Kamerbrief over energiegemeenschappen van 29 september jl. is toegelicht hoe het kabinet de ontwikkeling van lokale energie-initiatieven stimuleert.9
Een belangrijke voorwaarde voor, en aandachtspunt bij, een goed werkende concurrerende energiemarkt is en blijft transparantie ten aanzien van prijzen en contractvoorwaarden. Dit is een consumentenrecht en wordt in de nieuwe Energiewet op verschillende punten aangescherpt. Zo hebben consumenten recht op een kosteloos en onafhankelijk vergelijkingsinstrument waarin energiecontracten vergeleken kunnen worden. Ook is verankerd dat een energieleverancier zijn prijzen en voorwaarden presenteert op een dusdanige wijze dat eindafnemers in staat zijn prijzen en voorwaarden van verschillende energieleveranciers te vergelijken. Voor lokaal opgewekte energie wordt gewerkt aan een transparante prijsvorming via een kostprijs-plus model dat voor alle energiegemeenschappen gelijk is. Zo zijn energiegemeenschappen een nieuw – niet commerciële speler op de energiemarkt en een alternatieve keuze voor consumenten om in hun energie te voorzien.
Erkent u dat het idee van de SP dat het reguleren van de prijzen van basisproducten, zoals energie en boodschappen, ervoor zorgt dat de (energie)armoede afneemt en gezinnen meer ruimte over houden in hun portemonnee? Zo ja, bent u bereid om deze maatregel te nemen? Zo nee, waarom niet?
Aan het reguleren van de prijzen kleven in de praktijk flinke nadelen aan. De Minister van Economische Zaken is dieper op prijsregulering ingegaan in de Kabinetsreactie op Initiatiefnota «Minder inflatie, meer bestaanszekerheid» van NSC en PVV. Maximumprijzen kunnen leiden tot schaarste en verminderde toegankelijkheid van producten en diensten. Daardoor kunnen goedbedoelde maatregelen verkeerd uitpakken, en zijn consumenten uiteindelijk slechter af. Het kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat energieleveranciers geen nieuwe energiecontracten meer willen afsluiten, of dat bepaalde boodschappen niet meer beschikbaar zijn. Prijsregulering kan worden gebruikt in markten waarin een structureel marktfalen leidt tot gebrekkige concurrentie en verslechterde consumentenbescherming. In Nederland beoordeelt de ACM of er sprake is van misbruik van marktmacht en of er gebrekkige concurrentie is. Zo heeft de ACM in september aangekondigd onderzoek te doen naar prijzen van boodschappen en mogelijke marktproblemen die leiden tot hogere prijzen. De ACM maakt als onafhankelijke toezichthouder op basis van deskundigheid zelf een beslissing over het opstarten van een onderzoek.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
Het bericht ‘Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers’ |
|
Harmen Krul (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksondernemers en instanties zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Douane meer illegale handel in sigaretten zien? Wat zijn hierover de meest recente cijfers?
De laatste bekende cijfers over de illegale markt in sigaretten zijn afkomstig uit het pakjesraaponderzoek uit 2024 (Empty Pack Survey, EPS), in juni met uw Kamer gedeeld.2 Bij dit pakjesraaponderzoek in Nederland is een bepaalde hoeveelheid sigarettenverpakkingen op straat geraapt in tien grote steden en 20 gemeenten aan de grens. Het aandeel nagemaakte sigarettenverpakkingen en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden, omdat ze niet geregistreerd staan in de EU-database (illicit whites) was in 2024 gezamenlijk 11,1%. Daarnaast is in 2024 30,1% van de geraapte pakjes in het buitenland veraccijnsd. Uit dit onderzoek valt niet op te maken of deze pakjes voor eigen gebruik zijn meegenomen uit het buitenland of dat ze in Nederland verder illegaal verhandeld zijn.
Kunt u, voor zover bekend, aangeven in hoeverre de productie van illegale sigaretten in Nederland plaatsvindt? Hoe verhoudt de illegale productie in Nederland zich cijfermatig met illegale handel per luchtvracht, via de Rotterdamse haven of door import uit andere Europese landen? Ziet u een toename van illegale productie in Nederland?
Ik verwijs graag naar de jaarrapportage 2024 van de Douane die in juni 2025 aan uw Kamer is aangeboden3, waarin staat dat illegale productie van sigaretten ook in Nederland plaatsvindt.
In 2024 zijn in Nederland twee illegale sigarettenfabrieken opgerold in Bunnik en Bladel. Verder is één fabriek in opbouw aangetroffen in Hulst en zijn in samenwerking met België twee trailers met tabaksmachines inbeslaggenomen.
Daarnaast is één illegale productielocatie voor waterpijptabak opgerold in Aalten. Ter vergelijking: in 2023 werden tien illegale fabrieken/productielocaties opgerold. Ook in 2025 zijn enkele illegale fabrieken opgerold; exacte cijfers over 2025 volgen in het eerste kwartaal van 2026.
Ik heb van de Douane begrepen dat in 2024 68% van de grotere inbeslagnames van sigaretten aan de maritieme buitengrens van de EU hebben plaatsgevonden. Slechts 1% van de inbeslagnames vond plaats per luchtvracht en 31% van de inbeslagnames vond plaats in het binnenland (illegale productie en opslag).
Welke effecten ziet u van de uitgebreidere bevoegdheden en extra middelen voor toezichthouders en opsporingsdiensten om te handhaven op illegale handel in sigaretten en vapes? Is dit voldoende om een vuist te maken tegen illegale handel en zo nee, wat zou er nog meer nodig zijn?
De Douane is de toezichthouder als het gaat over illegale handel in accijnsgoederen zoals sigaretten en tabak. Vapes (e-sigaretten) zijn op dit moment geen accijnsgoederen. De NVWA is de toezichthouder voor vapes.
De Douane draagt ook bij aan het verstoren van criminele werkprocessen en er worden barrières opgeworpen tegen crimineel handelen. Eén van die barrières is de ingevoerde vergunningplicht voor tabaksmachines. Omdat de EU-regelgeving met betrekking tot een vergunningplicht voor tabaksmachines op zich laat wachten, heeft Nederland in 2023 als eerste land in de EU zelfstandig deze vergunningplicht ingevoerd. Illegale sigarettenfabrieken kunnen hierdoor ook in de opbouw- en afbouwfase worden aangepakt. Deze aanpak lijkt inmiddels vruchten af te werpen, zoals ook blijkt in het antwoord op vraag 3. Ten aanzien van de illegale fabrieken wordt nog opgemerkt dat interventies leiden tot volledige ontmanteling en verlies van de productielijn(en). Aanwezige machines ten gunste van de fabricage worden in beslag genomen en vernietigd.
Voor het kerstreces zal ik een factsheet delen met uw Kamer waarin wordt beschreven hoe het toezicht door de NVWA op het verbod op smaakjes van vapes4 is verlopen tussen juli 2024 en juli 2025. Daarbij wordt ook ingegaan op de nieuwe bevoegdheid tot inbeslagname in artikel 13e van de Tabaks- en rookwarenwet (vanaf 1 januari 2025). In de praktijk is het bij het toezicht op de naleving van het smaakjesverbod voor de NVWA niet altijd gemakkelijk om aan te tonen dat een e-sigaret met een smaak anders dan tabak in de handel wordt gebracht. Om deze reden werk ik aan een wetsvoorstel dat het in voorraad hebben van producten die niet voldoen aan de product- en verpakkingseisen van de Tabaks- en rookwarenwet verbiedt. Hierbij is gelet op het Europees recht een uitzondering opgenomen voor doorvoer. Dit wetsvoorstel zal binnenkort in internetconsultatie komen. Ik verwacht dat de NVWA hierdoor efficiënter en effectiever kan handhaven. Verbeterd toezicht is echter maar een deel van de oplossing om de illegale handel te stoppen. Er moet ook worden ingezet op het verminderen van de vraag naar deze producten. Ik werk daarom parallel aan het uitrollen van de preventieve maatregelen die genoemd zijn in het Actieplan tegen Vapen5 en de Samenhangende preventiestrategie.6
Zijn er op dit moment praktische problemen in het opsporen en handhaven van illegale tabakssmokkel? Zo ja, hoe kan de opsporing efficiënter worden ingericht?
De Douane heeft, op basis van de Wet op de Accijns en het Douanewetboek van de Unie, voldoende handvatten om handhaving uit te voeren op illegale tabakssmokkel. De Douane werkt op dit gebied ook samen met de FIOD in het combi-team SMOKE.
Daarnaast is de Douane aangewezen als toezichthouder voor een aantal artikelen in de Tabaks- en rookwarenwet. De voorziene implementatie van het bijbehorende boeteproces vindt naar verwachting plaats in 2026 en hiermee wordt handhaving nog efficiënter.
Er ligt inmiddels ook een voorstel van de Europese Commissie om in de gehele Europese Unie enkele maatregelen in te voeren die onder meer te maken hebben met de strijd tegen fraude en belastingontduiking. Onderhandelingen over dit voorstel zijn inmiddels gestart.
Bent u van mening dat de handhaving van illegale online webshops waarop sigaretten worden verkocht, goed genoeg verloopt? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren?
De handhaving van het verbod op de online verkoop is belegd bij de NVWA. Na de invoering van het verbod op verkoop op afstand zijn veel reguliere webshops gestopt met de verkoop van rookwaren zoals sigaretten en vapes. Een ander, kleiner deel van de webshops heeft de verkoop voortgezet. Dit betreft veelal bewuste overtreders. De NVWA blijft hier toezicht op houden, waarbij de afgelopen periode de focus met name op de verkoop op afstand van vapes lag. Om handhaving en maatregelen van de NVWA te ontlopen, voeren deze winkels veelal anoniem hun werkzaamheden uit of vestigen zij zich in het buitenland. In die gevallen is niet altijd te achterhalen wie er achter de website zit, waardoor geen boete kan worden opgelegd. Indien de website in het buitenland gevestigd is, maar de verkoop daarop zich richt op Nederland, dan handhaaft de NVWA ook. In de praktijk blijken niet alle buitenlandse bedrijven op de opgelegde maatregelen te reageren. Er wordt daarbij dan gevraagd om bijstand vanuit andere EU-lidstaten. Ook wanneer testaankopen door de NVWA worden gedaan, valt niet altijd te achterhalen wie er verantwoordelijk is voor de niet-toegestane verkoop op afstand. De NVWA gaat doorlopend na hoe dit toezicht kan worden doorontwikkeld om deze verkopers aan te pakken.
Hoeveel websites waarop illegale sigaretten worden aangeboden en verkocht zijn de afgelopen maanden offline gehaald?
In het kader van het toezicht op de naleving op de regels over de online verkoop door de NVWA, met name gericht op websites met vapes, zijn er in 2025 131 online webshops geïnspecteerd. Daarbij is 25 keer opgetreden (12 officiële waarschuwingen en 13 boetes). Dit betreffen de webshops waarbij de eigenaar kon worden achterhaald. Daarnaast zijn er ook nog 35 webshops geïnspecteerd waar de eigenaar niet te achterhalen viel. Vanwege het ontbreken van gegevens over de eigenaar, konden deze controles niet in het inspectieregistratiesysteem van de NVWA worden geregistreerd. Hiervoor is recentelijk een oplossing gevonden en deze bedrijven zullen vanaf volgend jaar ook kwantitatief meegeteld worden.
Websites gevestigd in het buitenland, maar gericht op verkoop in Nederland, worden ook door de NVWA geïnspecteerd. Contact leggen met deze webshops is heel moeilijk. Er wordt in dat kader dan ook vaak gevraagd om bijstand van andere EU-lidstaten.
Het offline halen van een website is complex en zeer tijdrovend. In het verleden is gebleken dat een website die offline was gehaald, zeer snel weer online was. Daarbij was de naam van de website slechts minimaal aangepast. In dat geval moet weer opnieuw het traject gestart worden om de website offline te halen. De afgelopen maanden zijn geen websites offline gehaald.
Welke maatregelen gaat u nemen om illegale handel in sigaretten op groepspagina’s en marketing gericht op jongeren tegen te gaan?
Het online verkopen van sigaretten en aanverwante producten is, afhankelijk van het product, sinds juni 2023/januari 2024 verboden. Op dit moment is een besluit in voorbereiding waarbij ook het online aanbieden van tabaksproducten en aanverwante producten verboden wordt, omdat dit de handhaving vergemakkelijkt. De NVWA hoeft dan niet meer aan te tonen dat er daadwerkelijk online wordt verkocht, het enkel aanbieden is al een overtreding. De NVWA controleert of bedrijven zich aan de regels houden. Bij een overtreding wordt een waarschuwing of boete gegeven of een andere maatregel opgelegd. In het kader van het toezicht zoekt de NVWA naar posts waarin deze producten worden gepromoot (marketing) of aangeboden vanuit of specifiek gericht op Nederland en laat deze posts door de platformen verwijderen. Sporadisch is te achterhalen wie er achter deze posts zit. In dat geval wordt dit doorgegeven aan de Douane en kan indien mogelijk een controle plaatsvinden en opgetreden worden met een maatregel als de wet wordt overtreden. Daarnaast heeft de NVWA gesprekken gevoerd met verschillende platforms of zij zelf geautomatiseerd kunnen scannen op posts met aanbod van deze producten en of zij deze posts snel en effectief zelf kunnen verwijderen. Zo kan worden voorkomen dat op de publieke functies van de platforms gehandeld wordt in vapes en sigaretten.
Deelt u de mening dat accijnsverhogingen ondanks een toename in illegale handel en smokkel nog steeds een effectief middel zijn om roken te ontmoedigen?
Accijnsverhoging wordt internationaal gezien als de meest effectieve manier om het aantal rokers terug te dringen.7 Na de laatste accijnsverhoging in 2024 heeft het RIVM onderzoek gedaan naar het effect van deze verhoging op het rookgedrag van ondervraagde rokers, waaronder stoppen met roken, minder roken en het doen van aankopen over de grens.8 Ook de Douane heeft met het eerder genoemde pakjesraaponderzoek (EPS) onderzoek gedaan naar de herkomst van in Nederland gerookte sigaretten.9
Het RIVM-rapport wijst uit dat de accijnsverhoging in 2024 gedragsveranderingen bij rokers teweeg heeft gebracht en een rol heeft gespeeld bij het stoppen of minderen met roken. Tegelijkertijd benoemt het rapport dat het aantal stoppers kleiner is dan bij de accijnsverhoging van 2023 en dat het belangrijkste gedragseffect van de accijnsverhoging in 2024 is dat een aanmerkelijk grotere groep rokers in het buitenland rookwaren is gaan kopen. De bevindingen uit het EPS van 2024 tonen ten aanzien van het kopen van rookwaren in het buitenland een vergelijkbaar beeld en laten zien dat sinds de vorige meting een toename heeft plaatsgevonden in het aantal niet in Nederland veraccijnsde pakjes. Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven, is een gedeelte daarvan illegaal. Dat zijn namaakpakjes en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden. Het grootste gedeelte van de niet in Nederland veraccijnsde pakjes is in een andere lidstaat legaal aangekocht.
Het RIVM geeft aan dat het lijkt dat in de Nederlandse context, van altijd nabije grenzen, het accijnsbeleid op tabak tegen zijn grenzen is aangelopen. Daarom streeft Nederland in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Hiernaast zet Nederland zich ook in voor strengere regels over de hoeveelheid rookwaar die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen.
Het is aan het volgende kabinet om te besluiten over te gaan tot wijzigingen ten aanzien van de accijns.
Deelt u de mening dat een automatische stapsgewijze verhoging van de accijns veel beter is dan schoksgewijze verhogingen, omdat het een effectieve maatregel is om roken te ontmoedigen en ook meer duidelijkheid aan ondernemers geeft? Zo ja, bent u bereid dit te overwegen?
Vanuit de wetenschap wordt advies gegeven over hoe tabaksaccijns het beste ingezet kan worden om roken te ontmoedigen. Deze aanbevelingen zijn volgens het Trimbos-instituut als volgt samen te vatten:10
Daarnaast streeft Nederland, zoals genoemd in mijn beantwoording bij vraag 9, in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Het kabinet is ook voorstander van een driejaarlijkse indexatie van de minimumaccijnstarieven, zoals voorgesteld door de Commissie.
Het is, tot slot, niet aan dit demissionaire kabinet om nieuwe toezeggingen te doen met betrekkingen tot de accijns op tabaksproducten.
Wat doet u om in Europa samen met andere lidstaten te werken aan tabaksontmoedigingsbeleid, waarvan accijnsverhogingen onderdeel zijn?
Om het Nederlandse gezondheids- en tabaksontmoedigingsbeleid en de strijd tegen illegale handel en productie te versterken heeft Nederland, samen met andere lidstaten, de Europese Commissie opgeroepen de Richtlijn tabaksaccijns te moderniseren.11
Nederland is dan ook blij met de publicatie van het herzieningsvoorstel voor de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) van 16 juli 2025. Zoals al genoemd in mijn beantwoording bij de vragen 9 en 10 streeft Nederland naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven en strengere regels over de hoeveelheid rookwaren die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen. Hiernaast is Nederland ook groot voorstander van de door de Commissie voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de Richtlijn tabaksaccijns naar andere tabaks- en tabakgerelateerde producten, zoals bijvoorbeeld vapes (e-sigaretten). U kunt meer lezen over de Nederlandse inzet ten aanzien van de herziening van de richtlijn in de bijlage «Beoordeling richtlijn tabaksaccijns» bij de Kamerbrief «informatievoorziening over nieuwe commissievoorstellen» die op 19 september 2025 aan uw Kamer is gestuurd.12
Ook streeft Nederland naar een spoedige herziening van de tabaksproductenrichtlijn (TPD) en de richtlijn inzake tabaksreclame (TAD). Nederland heeft als trekker in maart 2025 namens 11 andere lidstaten een gezamenlijke brief opgesteld en hier bij de Commissie op aangedrongen.13
Wat doet u specifiek om onze buurlanden Duitsland, Luxemburg en België te bewegen ook tabaksproducten duurder te maken, om smokkel en illegale handel tegen te gaan en een gelijk speelveld te bevorderen?
Nederland heeft goed contact met België over het tabaksontmoedigingsbeleid. België kent, net als Nederland, relatief hoge tabaksaccijns, in tegenstelling tot Duitsland en Luxemburg. In de context van de Benelux heeft Nederland ook contact over verwachte wijzigingen in het accijnsbeleid. Uiteraard kan Nederland geen directe invloed uitoefenen op de politieke keuzes die in onze buurlanden worden gemaakt. De herziening van de Richtlijn tabaksaccijns is daarvoor wel een geschikt instrument.
Het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat heeft aangegeven geen compenserende maatregelen te willen treffen voor de Nederlandse varkenssector, welke getroffen is door antidumpingsheffingen, ingesteld door China?
Ja. Tijdens het debat heeft het kabinet aangegeven dat het de instelling van antidumping heffingen tegen de Europese en dus ook Nederlandse varkenssector door China betreurt. Het kabinet is zich ervan bewust dat deze heffingen de sector zwaar treffen, en zet zich er daarom samen met de Europese Commissie voor in om de situatie te verbeteren. Dit laat onverlet dat het kabinet niet overgaat tot compenserende maatregelen voor deze of andere sectoren die te maken krijgen met antidumping of antisubsidie heffingen.
Herinnert u zich dat u daarbij heeft gesteld dat compenserende maatregelen «in andere sectoren ook niet worden toegepast»?
Ja.
Kunt u voor deze bewering een volledige en concrete lijst verstrekken van sectoren waarop u doelde? Per sector: welke antidumpingheffing, welk percentage per lidstaat, welke schade, en welk besluit om geen compensatie te verstrekken was daarbij aan de orde?
De Europese Commissie publiceert jaarlijks een volledige overzicht van alle antidumpingheffingen, antisubsidieheffingen en vrijwaringsmaatregelen die tegen de Europese Unie en haar lidstaten zijn genomen.1 Eind 2024 waren er 167 dergelijke maatregelen in werking, waarvan er ongeveer één-derde direct op Nederlandse exporten van toepassing waren. Het betreft exporten uit de agrofood sector, de staalindustrie, de textielindustrie en de chemische industrie. Voor geen van de bovengenoemde maatregelen gericht op exporten uit de Europese Unie is door de Europese Commissie of door de Nederlandse overheid een compensatie verstrekt.
In hoeveel van deze door u genoemde sectoren bij vraag 3 gold, net zoals in de varkenssector, dat de betrokken bedrijven geen enkele verantwoordelijkheid droegen voor de buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen, maar desalniettemin substantiële economische schade ondervonden?
Het kabinet speculeert niet over de motivatie van derde landen voor heffingen of maatregelen op producten vanuit de Europese Unie. Noch doet het kabinet uitspraken over de verantwoordelijkheid van bedrijven voor buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen die hen zijn opgelegd.
Wel toetst de Europese Commissie of de (voorlopige) tarieven, en daaraan voorafgaande onderzoek, conform zijn aan WTO-regels. Wanneer de Commissie acht dat WTO-regels niet gevolgd worden, kan de Commissie namens de EU een zaak starten bij de WTO, naast het uitoefenen van druk in de bilaterale contacten met het derde land. Middels het WTO proces kan definitief worden vastgesteld of een buitenlands heffing al dan niet gerechtvaardigd is en op de juiste wijze is opgelegd. Nederland kan aanvullend hierop in de eigen bilaterale relatie met het betreffende land de inspanningen van de Europese Commissie ondersteunen, zoals het ook doet in deze casus.
Erkent u dat in gevallen waarin Europese bedrijven schuldeloos door externe handelsmaatregelen worden geraakt, welke per bedrijf en/of lidstaat verschillen, het uitblijven van compensatie het level playing field binnen de interne markt kan verstoren?
Het is gebruikelijk dat bij het instellen van antidumping- of antisubsidieheffingen tarieven van verschillende hoogte worden ingesteld, variërend van bedrijf tot bedrijf. De grondslag hiervoor zijn de resultaten van een uitgevoerd antisubsidie- of antidumpingonderzoek. Hieruit kan naar voren komen dat er verschillen zijn tussen het (vermeende) oneigenlijke concurrentievoordeel dat verschillende bedrijven hebben ontvangen. De heffingen hebben tot doel dit (vermeende) oneigenlijke concurrentievoordeel van de betreffende bedrijven als gevolg van dumping of overheidssubsidies zo accuraat mogelijk te compenseren.
Wanneer derde landen antisubsidie- of antidumpingmaatregelen opleggen aan bedrijven die zijn gevestigd in de Europese Unie kan daarbij dus niet alleen gedifferentieerd worden tussen bedrijven gevestigd in verschillende lidstaten van de Europese Unie maar ook tussen bedrijven gevestigd in dezelfde lidstaat. Omgekeerd legt ook de Europese Unie op bedrijfsniveau gedifferentieerde antidumping en antisubsidie heffingen op aan exporterende bedrijven uit derde landen.
Heffingen van derde landen – al dan niet terecht – kunnen leiden tot minder goede markttoegang voor Europese en Nederlandse exporteurs tot deze derde landen. Daaruit volgt echter niet dat het gelijke speelveld binnen de interne markt wordt verstoord: de werking van de interne markt wordt immers niet aangetast door heffingen van derde landen.
Indien dit niet het geval is, op welke wijze waarborgt de EU volgens u dan wél gelijke concurrentieverhoudingen?
Binnen de Europese Unie geldt in beginsel vrij verkeer van goederen. Daarnaast gelden er gemeenschappelijke regels voor onder andere staatssteun, mededinging en productiestandaarden. Dit geheel van EU wet- en regelgeving waarborgt het gelijke speelveld op de interne markt.
Voor wat betreft handel met derde landen geldt dat de Europese Unie zich actief inzet voor het waarborgen van een gelijk speelveld, onder andere door het aangaan van nieuwe handelsverdragen en door gebruik te maken van het handelsinstrumentarium waaronder het handelsdefensieve instrumentarium. Hieronder vallen bijvoorbeeld vrijwaringsmaatregelen, antisubsidie- en antidumping maatregelen, maar ook nieuwere instrumenten zoals de Verordening Buitenlandse Subsidies en het Internationaal Aanbestedingsinstrument.
Bent u bereid, gelet op de structurele en eenzijdige risico’s voor de Europese varkenssector, uw eerdere positie te heroverwegen en zich in Brussel in te zetten voor tijdelijke compenserende of mitigatiemaatregelen, zolang de Chinese antidumpingsheffingen gelden?
Het kabinet deelt de zorgen over de gevolgen van de voorlopige Chinese antidumping heffingen op de Europese varkenssector, en heeft deze recent nog opgebracht tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 24 november jl. Het kabinet heeft de Commissie tijdens deze Raad opgeroepen al het mogelijke te doen om deze maatregelen in de handelsrelatie met China te adresseren en zal dat blijven doen. Daarnaast heeft de Minister voor LVVN tijdens de Landbouwraad op 17 november jl. benadrukt dat het belangrijk blijft om de markteffecten als gevolg van zowel de voorlopige heffingen op varkensvlees als het onderzoek naar de zuivelsubsidies nauw te blijven monitoren. Nederland zal uiteraard deze zaak zelf ook blijven opbrengen in de relatie met China.
Tegelijk blijft het kabinet bij het standpunt dat compensatie aan betrokken bedrijven niet aan de orde is. Nederland zet zich in voor zo goed mogelijke markttoegang voor Nederlandse exporteurs, maar het is niet aan de overheid om afzetmarkten buiten de Europese Unie te garanderen of te voorzien in compensatie wanneer de toegang tot bestaande afzetmarkten verslechtert.
Indien het antwoord nee is, hoe beoordeelt u dan het risico dat Europese producenten blijvend worden benadeeld door geopolitiek gemotiveerde maatregelen waar zij zelf geen invloed op hebben?
Het kabinet deelt de zorg dat handelsbeleid in toenemende mate wordt ingezet vanuit (geo)politieke overwegingen. De Europese Unie heeft instrumenten om dergelijke zorgen te adresseren, zoals hierboven uiteen gezet. De Europese Unie heeft in de afgelopen jaren het instrumentarium uitgebreid om beter in te kunnen spelen op handelsmaatregelen die genomen worden door derde landen en al dan niet geopolitiek gemotiveerd zijn. Het kabinet zet zich ervoor in dat Europese producenten zo min mogelijk benadeeld worden door geopolitiek ingegeven handelsmaatregelen van andere landen.
Hoe verhoudt bovenstaande antwoord zich tot de kwesties aangaande het concurrentievermogen en verdienvermogen van zowel Nederland en de EU?
Zoals ook in de Beleidsagenda Buitenlandse Handel2 en de kabinetsvisie op EU-concurrentievermogen3 beschreven vormt het versterken van het Europees concurrentievermogen een belangrijk onderdeel van het Europese antwoord op de geopolitieke ontwikkelingen waarbij derde landen handelspolitiek inzetten als politiek drukmiddel.
Is dit in lijn met de conclusies en aanbevelingen van het rapport Draghi?
Ja.
Kunt u deze vragen individueel en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gelet op het feit dat deze vragen onvoldoende duidelijk werden beantwoord in het commissiedebat?
De vragen zijn individueel en binnen de geldende termijn beantwoord.
De verkoop van het cloudbedrijf van DigiD en MijnOverheid en de dreiging voor onze digitale autonomie |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het Financieele Dagblad van 12 november jongstleden over de verkoop van het Nederlandse cloudbedrijf Solvinity aan Kyndryl, een Amerikaanse partij, en de daaruit voortvloeiende onrust bij overheden die afhankelijk zijn van de diensten van Solvinity, zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de zorg dat door deze overname essentiële overheidsdiensten, waaronder DigiD en MijnOverheid, feitelijk in buitenlandse handen komen, met alle risico’s van dien, bijvoorbeeld op het gebied van digitale soevereiniteit en (data)veiligheid?
Ik heb begrip voor de zorgen van de Tweede Kamer over de voorgenomen overname van het bedrijf Solvinity door een Amerikaans bedrijf. Solvinity is betrokken bij belangrijke diensten van de overheid zoals bijvoorbeeld DigiD.
Het is belangrijk dat de veiligheid van vertrouwelijke gegevens van en de dienstverlening aan burgers niet in het gedrang komen door deze overname. Daarom wordt momenteel, naast de onderzoeken van de wettelijke toezichthouders, onder mijn regie onderzoek gedaan naar de operationele, juridische en contractuele gevolgen van de voorgenomen overname. Als het onderzoek naar de gevolgen van de beoogde overname een onacceptabel risico laat zien, worden passende maatregelen genomen. De veiligheid en bescherming van essentiële gegevens van Nederlandse burgers staan voorop.
Welke juridische en bestuurlijke instrumenten staan u ter beschikking om dergelijke overnames van strategisch vitale ICT-dienstverleners te reguleren of te keren? Zijn er mogelijkheden om een overname te verbieden of voorwaarden te stellen?
Het waarborgen van onze digitale autonomie is een belangrijke ambitie van het kabinet, zoals ook is beschreven in de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. Voor onze digitale autonomie is het van belang dat we een sterkere Nederlandse (en Europese) techsector opbouwen. Voor een klein handelsland als Nederland zijn een open economie en toegang tot internationale kapitaalmarkten hiervoor essentieel. Dat zorgt ervoor dat Nederlandse bedrijven internationaal innovatief en concurrerend kunnen zijn. Tegelijkertijd betekent dit dat bedrijven overgenomen kunnen worden door buitenlandse partijen. Waar investeringen in Nederlandse marktpartijen impact hebben op onze nationale veiligheid, hebben we instrumenten tot onze beschikking om die impact te toetsen en – indien noodzakelijk – ons hiertegen te beschermen, zoals de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT).
Bent u vooraf betrokken geweest bij de overnamebesprekingen, en is er door de departementen gemonitord wat de gevolgen zijn van de overname specifiek voor overheidsklanten zoals DigiD, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en andere kritieke publieke diensten?
Nee, ik ben niet betrokken geweest bij overnamebesprekingen. Voor de zomer van 2025 heeft Solvinity bij Logius aangegeven dat een overname op handen was zonder details van de overnamekandidaat te delen. Onder regie van BZK wordt op dit moment het totale risicobeeld bij overheidsorganisaties geïnventariseerd.
Hoe beoordeelt u de kans dat door deze overname buitenlandse entiteiten inzage of controle zouden kunnen krijgen in kritische overheidsdata, bijvoorbeeld op grond van buitenlandse wetgeving zoals de Cloud Act of andere wet- en regelgeving?
Ten tijde van het afsluiten van de contracten zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen.
De wettelijke Amerikaanse instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
Wat is op dit moment de eigendomsstructuur van de IT-diensten achter DigiD, MijnOverheid en Digipoort? Welke onderdelen zijn in handen van Solvinity, en wat betekent de overname praktisch voor de eigendom en exploitatie van deze cruciale infrastructuur?
Voorzieningen zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort zijn specifieke applicaties ontwikkeld door en voor Logius. De applicaties DigiD en MijnOverheid draaien op het door Solvinity beheerde ICT-infrastructuurplatform «PICARD». Op dit platform kunnen de gebruikersrechten en het beheer per laag (infrastructuur, applicatie, netwerk) verschillen en/of door verschillende partijen worden uitgevoerd.
Het uitgangspunt is dat de Staat der Nederlanden eigenaarsrechten van de software en data van voorzieningen als DigiD, MijnOverheid en Digipoort bezit. Leveranciers hebben, afhankelijk van de dienstverlening, gebruikersrechten om toegang te krijgen om hun beheertaken te kunnen uitvoeren. Er zijn twee vormen van beheer te onderscheiden: technisch beheer en applicatiebeheer. Het technische beheer (o.a. infrastructuur, servers) van het «PICARD» ICT-platform is uitbesteed aan Solvinity.
Het applicatiebeheer dat zich richt op de werking van de applicatie zelf wordt uitgevoerd door eigen Logius medewerkers, eventueel aangevuld met inhuur of uitbesteed. Dit verschilt per voorziening. Beide vormen van beheer zijn uitvoerende taken en staan los van eigendomsrechten t.a.v. software en data.
Hoe waarborgt u dat andere belangrijke overheidsdiensten, die nu in Nederlandse handen zijn, niet op termijn eveneens kunnen worden overgenomen door buitenlandse partijen? Welke preventieve strategie wordt hierbij door het kabinet gehanteerd?
Het in Nederlandse handen houden van alle bedrijven is op zichzelf geen doel van het kabinet. Nederland hanteert een stelsel van investeringstoetsingen gericht op het mitigeren van risico’s voor de nationale veiligheid. Mocht de beoogde overname onder het bereik van de investeringstoetsing vallen zal het reguliere, zorgvuldige proces daartoe gevolgd worden.
De nieuwe Rijksbrede Strategie IT-sourcing, onderdeel van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), geeft aandacht aan het verkrijgen van een sterkere regie op digitale autonomie, soevereiniteit en veiligheid. Voor situaties waarin leveranciers worden overgenomen door buitenlandse partijen wordt een handreiking ontwikkeld om de afnemers te helpen met het in kaart brengen van de mogelijke risico’s die daarmee gepaard gaan en de mogelijkheden tot mitigatie.
Erkent u de bredere zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders die in het artikel naar voren worden gebracht? In hoeverre heeft het kabinet concrete stappen gezet om te investeren in digitale autonomie, bijvoorbeeld op het gebied van een nationale of «soevereine» overheidscloud?
Het kabinet erkent de zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders. De Rijksoverheid streeft dan ook naar het tot stand komen van een «soevereine overheidscloud» voor kritieke overheidsdienstverlening. Binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt verkend hoe een soevereine overheidscloud eruit kan zien; dit geldt als belangrijke prioriteit. Tevens recent de Visie Digitale Autonomie vastgesteld. Naast het onderstrepen van het belang van digitale autonomie, worden ook de strategische bouwstenen benoemd die nodig zijn om te komen tot een digitale overheid die grip heeft op autonomie, zeggenschap heeft over haar data (soevereiniteit) en cyberveilig en weerbaar is. Deze casus onderstreept het belang van de NDS.
Hoe verhoudt deze overname zich tot het bestaande Rijksbreed Cloudbeleid? Worden er in dat beleid mechanismen opgenomen om toekomstige overnames van (voormalig-) Nederlandse cloudleveranciers door buitenlandse partijen te beperken?
In het Rijksbreed cloudbeleid is een risicoanalyse verplicht. Hierin moeten ook de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging op de dienstverlening op het gebied van vertrouwelijkheid en beschikbaarheid worden meegewogen. Waar nodig moeten die risico’s worden gemitigeerd, dan wel moet een andere leverancier worden gezocht. Deze risico’s gelden niet voor elke overheidsdienst waardoor een risico-gebaseerde aanpak het gehanteerde mechanisme is.
Bent u bereid de Kamer halfjaarlijks te informeren over de risico-inschatting, de maatregelen die worden genomen én de mogelijke vervolgacties in het kader van digitale autonomie over Nederlandse overheidswebsites?
Het Forum Standaardisatie voert periodiek onderzoeken3 uit naar de toepassing van open standaarden, de naleving van de «pas toe of leg uit»-lijst en de informatiebeveiliging bij overheidsorganisaties, waarmee zij inzicht geeft in de interoperabiliteit en digitale weerbaarheid van de Nederlandse overheid om daarmee vendor lock-in te voorkomen en kwetsbaarheden in kaart te brengen.
Daarnaast wordt in de eerste helft van 2026, vanuit het NDS Programma, een verkenning uitgevoerd naar realisatie van een overheidsbrede soevereine cloudvoorziening. Deze cloudvoorziening is een belangrijke prioriteit van het NDS programma. Ik zal de uitkomsten van deze verkenning met uw Kamer delen.
Het bericht ‘Consortium wil wettelijke bezorgtaak van PostNL overnemen’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van het FD dat verschillende partijen de wettelijke bezorgtaak van PostNL willen overnemen?1
Ik waardeer het initiatief van deze postvervoerders, Business Post en Spotta, (hierna «het beoogde consortium»), maar de komende periode staat in het teken van het politieke debat en keuzes over ingrijpende wijzigingen in de voorwaarden van de Universele Postdienst (UPD) en in de Postwet 2009.2 Daarmee verhoudt het zich niet goed om nu besluiten te nemen die de bestaande marktordening fundamenteel zouden veranderen. Een selectieprocedure en intrekking van de UPD-aanwijzing kunnen pas worden overwogen zodra de Kamer zich heeft uitgesproken over de voorgestelde maatregelen en keuzes heeft gemaakt over de toekomstige inrichting van de postmarkt. Pas dan kan worden beoordeeld hoe dit verzoek zich tot die keuzes verhoudt.
Ten overvloede merk ik op dat het beoogde consortium op korte termijn nog niet in staat is om landelijk alle onder de UPD gedefinieerde diensten te leveren. Zo dekt het beoogde consortium momenteel niet alle huishoudens en is er vooralsnog geen definitieve partner voor de pakketbezorging van de UPD. Het beoogde consortium suggereert dat het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD ook een mogelijke vorm van marktordening is maar beleidsmatig vind ik dat onwenselijk. Ik streef naar een systeem met eenvoud en efficiëntie in uitvoering en handhaving. Dat pleit ervoor om de UPD-dienstverlening bij één partij te beleggen. Dit schept tevens duidelijkheid over wie verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het naleven van de wettelijke verplichtingen, zoals bezorgnormen, landelijke dekking en tariefregulering.
Wel zie ik kansen voor verbetering van de huidige samenwerking tussen regionale vervoerders en de huidige UPD-verlener binnen de bestaande kaders, bijvoorbeeld in de vorm van onderaanneming. Dit vergt geen aanpassing van wet- en regelgeving en kunnen deze partijen nu al onderling oppakken.
Kunt u een tijdslijn geven van de gesprekken met PostNL over de bezorgplicht en wanneer Spotta en BusinessPost contact met het ministerie hebben gezocht?
Op 23 september jl. heeft een gesprek plaatsgevonden met Business Post en het ministerie, waarin Business Post heeft aangegeven in een consortium samen met Spotta de UPD te willen uitvoeren. Tijdens dit gesprek heeft Business Post namens het beoogde consortium een verzoek ingediend om de aanwijzing van PostNL in te trekken en een selectieprocedure te starten, waarin het beoogde consortium kan meedingen.
Op 2 oktober jl. heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen PostNL en het ministerie, waarin de ontvangst van haar verzoek tot intrekking van de UPD is bevestigd.
Op 1 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en PostNL over haar verzoek en het verzoek van het beoogde consortium.
Op 9 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en beoogde consortium over hun verzoek.
Op 19 december jl. heb ik de verzoeken van PostNL en het beoogde consortium afgewezen. Het bezwaar van PostNL tegen de afwijzing van haar subsidieverzoek, het verzoek van PostNL om de UPD-aanwijzing in te trekken en het verzoek van het beoogde consortium om een nieuwe selectieprocedure te starten worden daarmee niet gehonoreerd.
Welke risico’s ziet u voor de continuïteit van de postbezorging wanneer de Universele Postdienst (UPD) wordt opgeknipt in meerdere uitvoerders? Kunt u dit per risico – logistiek, kwaliteitscontrole, arbeidsmarkt, aansprakelijkheid – uiteenzetten?
De beantwoording van vraag 3 en 4 zijn samengenomen.
Zijn er juridische of logistieke belemmeringen voor meerdere partijen om gezamenlijk de UPD uit te voeren, bijvoorbeeld rond aansprakelijkheid, foutafhandeling, uniforme tarieven en landelijke dekking?
Ondanks de gevoerde gesprekken ben ik niet overtuigd van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de door het beoogde consortium gepresenteerde alternatieve postvisie.3 Het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD acht ik beleidsmatig onwenselijk. Een dergelijke inrichting leidt waarschijnlijk tot hogere maatschappelijke kosten, een zwaardere belasting voor toezichthouders en overheid en grotere complexiteit in borging van tarieven, kwaliteit en landelijke dekking. In een krimpende markt acht ik het bovendien niet haalbaar om meerdere (regionaal of landelijk) dekkende postnetwerken in stand te houden. Eén landelijk dekkend netwerk bevordert efficiëntie, continuïteit en betaalbaarheid, zoals ook blijkt uit ACM-onderzoek4 en mijn bredere beleidsvisie5 waarin post-, pakket- en andere bezorgnetwerken beter op elkaar aansluiten.
Wanneer meerdere partijen gezamenlijk in het beoogde consortium verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de UPD, ontstaan daarnaast onduidelijkheden rond aansprakelijkheid, kwaliteitsborging, klachtenafhandeling en logistieke afstemming. Onduidelijkheden hierover bemoeilijken effectief toezicht en kunnen ten koste gaan van consumenten, die gebaat zijn bij één duidelijk aanspreekpunt. De voorgestelde «neutrale regierol» roept vragen op over verdeling van verantwoordelijkheden. Ook zijn de effecten op de arbeidsmarkt onzeker: regionale aanbestedingen kunnen leiden tot verschuivingen in volumes en werkgelegenheid, met mogelijk gedwongen ontslagen, terwijl tegelijkertijd extra coördinatiecapaciteit nodig kan zijn. Deze onzekerheden onderstrepen de risico’s van een dergelijke marktinrichting.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat, mochten deze gesprekken toch plaatsvinden, de werknemerspositie van zowel de huidige postbodes als de nieuwe werknemers hetzelfde blijven en waar mogelijk versterkt? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de huidige postbodes hun baan behouden ongeacht welk effect dit heeft voor PostNL?
Ik zet mij in voor realistische kaders voor de UPD, die uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare capaciteit van de markt. Daarmee wil ik bijdragen aan het zoveel mogelijk duurzaam behouden van werkgelegenheid in de sector, met oog voor de realiteit van een krimpende postmarkt. De maatregelen die ik in het Postbesluit6 heb voorgesteld, en die momenteel ter voorhang aan uw Kamer zijn aangeboden, vormen daarbij een belangrijke stap.
Daarnaast dienen werkgevers zich daarbij te houden aan alle relevante wet- en regelgeving, waaronder bepalingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. Vakbonden en werkgevers kunnen onderling afspraken maken over arbeidsvoorwaarden. De naleving van deze regels wordt bewaakt door de toezichthoudende instanties. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de arbeidswetten door werkgevers.
Hoe verantwoordt u concurrentie rondom de UPD als dat een belangrijk onderdeel is van de taken van het Rijk? Bent u bereid de concurrentie tegen te gaan? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het wenselijk dat op bepaalde delen van de postmarkt ruimte blijft voor concurrentie. Concurrentie kan bijdragen aan het borgen van publieke belangen door innovatie te stimuleren en marktpartijen te prikkelen om diensten betaalbaar en van hoge kwaliteit te leveren die aansluiten bij de behoeften van gebruikers. Ik zie er daarbij op toe dat de UPD toegankelijk blijft en voldoet aan de vastgestelde kwaliteitsnormen. Wanneer concurrentie risico’s oplevert voor het borgen van publieke belangen die samenhangen met de UPD, kan de overheid waar nodig ingrijpen via wet- en regelgeving.
Daarnaast verandert de postmarkt snel: het aantal brieven en kaarten neemt af, terwijl de kosten voor postbezorging stijgen. Dit maakt het steeds moeilijker om een haalbaar businessmodel te behouden. Een tweede landelijke postnetwerk is in een krimpende markt niet haalbaar, zo constateert ook de ACM in haar onderzoek.7 Ik streef daarom naar een transitie van een traditionele postmarkt naar een brede bezorgmarkt, waarin post via verschillende netwerken (zoals pakket- en foldernetwerken) kunnen worden bezorgd. Dit stimuleert concurrentie en innovatie, en maakt het mogelijk om efficiënter te werken in een krimpende markt en post toegankelijk te houden voor de gebruiker.
Hoe beschermt u de arbeidsvoorwaarden van werknemers in een markt die alleen maar verder concurreert? Bent u bereid hier stappen in te ondernemen als blijkt dat werknemers de dupe zijn van de concurrentiestrijd?
Er bestaan in Nederland verschillende waarborgen om werknemers te beschermen, ook in markten waar concurrentie een rol speelt. Werkgevers dienen te voldoen aan de geldende arbeidswetgeving, waaronder regels over loon, arbeidstijden, arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling. Daarnaast worden cao-afspraken tussen sociale partners breed toegepast in de sector. Zoals ook op vraag 5 is geantwoord, zien sociale partners toe op de naleving van cao’s en de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door de werkgevers.
Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met betere arbeidsvoorwaarden, met name als postbedrijven concurreren met andere sectoren om arbeidskrachten die passen bij het profiel van de postbezorger. Als er binnen dit segment van de arbeidsmarkt ook sprake is van krapte, heeft deze groep de mogelijkheid om elders beter betaalde of aantrekkelijkere banen te vinden, wat bedrijven in de postsector prikkelt om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren om personeel aan te trekken en te behouden.
Het ontwikkelen van verdere aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt acht ik niet noodzakelijk en bovendien onwenselijk. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Verdere sectorspecifieke regelgeving specifiek voor werknemers in de postmarkt is niet nodig ten opzichte van de reeds bestaande generieke bescherming. Die biedt een solide basis voor alle werknemers, ongeacht de sector waarin zij werkzaam zijn.
Deelt u de analyse dat de voortdurende problemen met PostNL – zoals verlieslatende uitvoering, druk op arbeidsvoorwaarden, teruglopende kwaliteit en het herhaaldelijk vragen om staatsteun – laten zien dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt mislukt is? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Nederland behoort al jaren tot de best presterende landen in de ranglijsten van de Wereldpostunie (Universal Postal Union) en wordt internationaal gezien als een voorbeeld van hoogwaardige en toegankelijke postdienstverlening tegen relatief lage kosten. Deze resultaten wijzen er niet op dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt is mislukt.
Dat neemt niet weg dat de markt substantieel veranderd is door de voortdurende en forse daling van het postvolume. Dit legt druk op de uitvoering van de UPD, de kostendekkendheid en de bedrijfsmodellen van marktpartijen, waaronder PostNL. Deze uitdagingen zijn echter primair het gevolg van structurele marktontwikkelingen, en niet van het principe van liberalisering zelf.
Het blijft daarom van belang dat het wettelijke kader tijdig wordt aangepast aan deze veranderende omstandigheden. Met de beoogde maatregelen die ik met de wijziging van het Postbesluit 2009 en de voorliggende wijziging van de Postwet 2009 voorstel, werk ik aan een toekomstbestendig stelsel dat ruimte biedt voor een duurzame uitvoering van de postdienstverlening.
Bent u het ermee eens dat essentiële en publieke diensten, zoals de postbezorging, geborgd moeten worden door te functioneren zonder winstoogmerk en concurrentie in plaats van afhankelijk te zijn van commerciële belangen die primair gericht zijn op winst in een krimpende markt?
Ik ben het ermee eens dat de postdienstverlening in Nederland moet worden geborgd. Dat gebeurt echter niet door de dienstverlening zonder winstoogmerk te organiseren, maar door duidelijke wet- en regelgeving en toezicht. Hierdoor blijven toegankelijkheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid gewaarborgd, ook in een krimpende markt.
Daarnaast heeft liberalisering van de postmarkt ook belangrijke voordelen opgeleverd. Concurrentie stimuleert efficiëntie, innovatie binnen de sector. Marktpartijen worden geprikkeld om hun dienstverlening te verbeteren, processen te optimaliseren en in te spelen op veranderende behoeften van consumenten en bedrijven. Dit heeft in het verleden geleid tot lagere kosten, snellere bezorging en een breder aanbod van post- en pakkettenservices. Een volledig publieke uitvoering zonder ruimte voor marktwerking zou het risico met zich meebrengen dat innovatie afneemt en de sector minder flexibel kan inspelen op technologische en economische ontwikkelingen. Door publieke belangen wettelijk te verankeren en marktwerking binnen duidelijke kaders toe te staan, ontstaat een evenwicht tussen maatschappelijke waarborgen en economische dynamiek. Op die manier blijft de postvoorziening toekomstbestendig, ook in een snel veranderende communicatiemarkt.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de UPD zou functioneren in publieke handen of als een niet-commerciële organisatievorm, bijvoorbeeld een publiek bedrijf, zodat continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden voorop staan? Zo nee, waarom niet?
Nee, een andere vorm van marktordening is op dit moment niet aan de orde. Het publieke belang dat raakt aan post als communicatiemiddel neemt richting de toekomst af, aangezien steeds minder mensen hiervan gebruikmaken en communicatie in toenemende mate digitaal plaatsvindt. In een krimpende markt met een kleiner wordende relevantie voor het publiek belang is een dergelijke ingrijpende stelselwijziging niet passend.
De borging van de belangen rond de UPD, zoals continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden zijn bovendien al verankerd via het bestaande wettelijke kader en het toezicht daarop. Binnen dit stelsel kunnen eventuele knelpunten effectief worden aangepakt zonder dat een niet-commerciële of volledig publieke organisatievorm noodzakelijk is.
Deelt u de mening dat binnen scherpe marktomstandigheden, zoals op de postmarkt, concurrentie lage prijzen tot gevolg heeft die zullen worden ingelost op arbeid, zoals bijvoorbeeld CNV aangaf bij de intrede van Spotta op de postmarkt?2 Zo ja, wat gaat u hier tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel niet de conclusie dat concurrentie per definitie leidt tot lagere arbeidsvoorwaarden. Concurrentie kan weliswaar druk zetten op kosten, maar in Nederland bestaan er meerdere robuuste borgingsmechanismes die werknemers beschermen, ook in markten met scherpe concurrentie. Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Werkgevers moeten zich altijd houden aan de arbeidswetgeving en ook cao-afspraken tussen sociale partners zijn breed van toepassing. Hierop houden verschillende organisaties toezicht: de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door werkgevers, de sociale partners op cao-naleving.
Het is daarom niet noodzakelijk noch wenselijk om aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt in te voeren ter bescherming van de arbeidsvoorwaarden. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Daarnaast bieden bestaande horizontale regels en het bijbehorende toezicht een solide en generiek beschermingskader voor alle werknemers, ongeacht marktomstandigheden of de mate van concurrentie. Indien er desondanks signalen ontstaan dat werknemers daadwerkelijk worden benadeeld, kunnen deze binnen het huidige kader adequaat worden opgepakt, bijvoorbeeld via interventies van sociale partners of door handhavend optreden van toezichthouders.
Erkent u de waarschuwing van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Raad voor de Rechtspraak dat de postbezorging miljoenen brieven te laat gaat bezorgen door het opheffen van de Postwet en zelfs in strijd is met Europese eisen en rechtsbescherming?3, 4 Zo ja, volgt u de adviezen van de ACM op? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het niet eens met dit geschetste beeld. De postdienstverlening blijft voor burgers toegankelijk en van voldoende kwaliteit. Tegelijkertijd neem ik de signalen en aanbevelingen van de ACM en de Raad voor de Rechtspraak serieus en onderhoud ik nauw contact om hier opvolging aan te geven. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Postbesluit 2009 ga ik nader in op deze punten, waarbij de standpunten van beide partijen worden meegenomen.
Onderschrijft u de negatieve ketteneffecten die het opheffen van de UPD zullen hebben op de betrouwbaarheid van de postbezorging? Zo ja, hoe vangt u deze op? Zo nee, waarom niet?
De effecten die het lid van Dijk omschrijft kan ik niet goed plaatsen. Ook is het opheffen van de UPD momenteel niet aan de orde.
MKB-ondernemers die nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie in Groningen |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
Erkent u dat veel (MKB) ondernemers nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie?
Ja, ik zie dat het versterkingen van gebouwen van mkb-ondernemers complex is en meer aandacht vraagt dan reguliere versterking. In mijn Kamerbrief van 25 juni jl.1 geef ik dan ook aan dat ik zie dat er meer aandacht is voor deze doelgroep vanuit uitvoeringsorganisaties en partijen die ondersteuning bieden.
Erkent u dat er veel vertraging is en plannen steeds wijzigen, bijvoorbeeld rondom het Koopmansplein in Ten Boer, waardoor ondernemers in grote onzekerheid zitten?
Ja, ik zie dat mkb-ondernemers vaker vastlopen vanwege de complexiteit van de dossiers. Mkb-ondernemers hebben daarom mijn speciale aandacht.
Hoeveel MKB-ers wachten nog op versterking? Wat is hiervan de planning?
Op dit moment zijn er 113 mkb-adressen in het mkb-programma van NCG die nog nog niet in de planvormingsfase zitten, bijvoorbeeld omdat het versterkingsadvies nog niet is gedeeld. Voor 243 mkb-adressen geldt dat zij wel in de planvormingsfase zitten. Dit betreft enkel de adressen waarbij de onderneming afhankelijk is van het te versterken pand en om die reden in het mkb-programma zijn opgenomen.
Erkent u dat ook wanneer de versterkingsoperatie al wel zou beginnen en de zaak gesloten is, de werkzaamheden alsnog niet van start gaan? Kent u bijvoorbeeld het bericht «Boze teksten op eetcafé De Brug in Nieuwolda. Eigenaar Peter (55): «De overheid hoort je te helpen»» wat hier een voorbeeld van is?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als bij gedeeltelijke sloop van het gebouw toch duidelijk wordt dat er constructieve gebreken zichtbaar worden die nieuwe berekeningen vragen.
Bij hoeveel ondernemers is de versterking officieel gestart maar liggen de werkzaamheden stil?
NCG heeft persoonlijk contact met alle projecten die versterkt worden. Ik hecht eraan uw Kamer mee te geven dat NCG er alles aan doet om tijdig in kaart te brengen hoe de bedrijfssituatie er uit ziet. Het regelen van tijdelijke huisvesting, mogelijke tijdelijke bedrijfsruimte of tijdelijke sluiting en vergoedingen die daar verband mee houden, komt in samenspraak met de ondernemer tot stand. Uw Kamer kan erop vertrouwen dat ik aandacht voor de voortgang heb, zodat ondernemers altijd weten waar ze aan toe zijn.
Begrijpt u de woorden van ondernemer Peter Wedda die over de overheid zegt: «Zij krijgen keurig betaald van 9 tot 5, met hun Tesla’s en Van Bommel-schoenen. Petra en ik zitten hier zeven dagen per week middenin.»? Erkent u dat de versterkingsoperatie ondernemers veel energie en vaak ook geld kost, en ze vaak het gevoel hebben geen grip te hebben?
Ik begrijp goed dat ondernemers de situatie waarin ze terecht gekomen zijn, als zeer frustrerend ervaren. Deze mensen willen aan de slag met hun bedrijf en niet met de versterking.
Erkent u dat MKB-ers cruciaal zijn voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied? Zo ja, kunt u daarom kiezen voor een aanpak waarbij MKB-ers beter worden ondersteund?
Ja, mkb’ers zijn cruciaal voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied.
NCG is met betrokken partijen in gesprek over hoe zij zo vroeg en volledig mogelijk inzicht kunnen geven in de vergoedingen om schade als gevolg van versterken te vergoeden.
De resultaten van het onderzoek van Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen over het mkb van vorig jaar biedt NCG verdere waardevolle inzichten om de dienstverlening voor het mkb verder te verbeteren. Een aantal aanbevelingen heeft NCG al in gang gezet. Zo is het onderzoek voor NCG mede aanleiding geweest om vaker en eerder met ondernemers in gesprek te gaan.
Daarnaast is er sinds mei dit jaar een provinciale investeringsregeling voor mkb-ondernemers in het aardbevingsgebied. De regeling is bedoeld om de hardst getroffen groep, micro-ondernemers met schade of versterking, te helpen bij het werken aan de toekomst van hun bedrijf. Daarnaast is er ondersteuning vanuit het provinciale mkb-programma en ook kunnen ondernemers bij Stut en Steun terecht.
Steeds vaker worden er signalen ontvangen van zowel MKB-ers als bewoners dat er een schaarste ontstaat aan tijdelijke huisvesting, kunt u dit bevestigen of ontkrachten? Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) heeft eerder (Beoordeling Meerjaren Versterkingsplan) aangegeven dat het gebrek aan tijdelijke huisvesting één van de bottlenecks kan zijn waardoor de versterkingsoperatie kan vertragen, wat is hiermee gedaan?
Ik herken deze signalen niet. NCG past maatwerk toe bij het vinden van passende tijdelijke huisvesting. Daarbij wordt in overleg met de ondernemer vaak gezocht naar mogelijkheden op dezelfde locatie, zodat er niet uitgeweken hoeft te worden naar tijdelijke huisvesting elders. Ook voor bewoners is er afdoende tijdelijke huisvesting.
Bij hoeveel MKB-ers is er een conflict over de verduurzamingssubsidies? Zou u willen kiezen voor een voortvarende aanpak en het ruime bedrag willen toekennen, en gesteggel over voor welke ruimtes wel en niet in aanmerking komen voorkomen?
Het is mij niet bekend om hoeveel adressen dit in totaliteit gaat. Tegelijkertijd heeft het wel doorlopend mijn aandacht. Juist bij ondernemers die wonen- en werken in het zelfde gebouw is het belangrijk om precies te zijn bij het uitkeren van subsidies. Bij subsidies aan bedrijven zijn er duidelijke regels omtrent staatssteun, waarbij ik wil benadrukken dat een te ruimhartige opstelling kan leiden tot het moeten terugvorderen van de subsidie, waarmee de ondernemer niet geholpen is.
Veel MKB-ers zijn huurder en hebben daardoor minder rechten dan eigenaren, erkent u dat dit een probleem kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wilt u hieraan doen? Bent u bereid de regeling voor technische, juridische en financiële steun ook beschikbaar te maken voor huurders waaronder MKB-ondernemers?
Het klopt dat de situatie van een hurende mkb’er anders is dan van een eigenaar. Ook een hurende mkb’er kan ondersteuning krijgen. Voor juridische, planologische, bedrijfskundige of psychologische ondersteuning kunnen gedupeerde ondernemers sinds 29 januari 2024 voor € 10.000 subsidie aanvragen via de deskundigenregeling bij de provincie. Daarnaast heeft de provincie mkb-consulenten in dienst om ondernemers – dus ook mkb-huurders – bij te staan.
In 2024 en 2025 werden drie zeer kritische rapporten gepubliceerd over de situatie van MKB-ers in het gaswinningsgebied, welke lessen heeft u hieruit getrokken?2 3 4
De rapportages vanuit Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen, Gronings Perspectief en Ipsos I&O hebben er mede toe geleid dat ik de toegankelijkheid van regelingen aanhoudend blijf verbeteren. Ik zorg er voor dat ondernemers niet van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Een belangrijke maatregel hiervoor is het beter inzetten van Stut en Steun en mkb-consulenten, die ondernemers kunnen begeleiden. Daarnaast is om gedupeerde ondernemers weer op weg te helpen na afronding van de afhandeling van schade of uitvoering van de versterking de investeringsregeling mkb van de provincie gestart. Zie voor de beantwoording ook het antwoord op vraag 7.
Wat heeft u gedan met de conclusie van Ipsos I&O dat MKB-bedrijven in het aardbevingsgebied slechter presteren, hun omzet minder groeit en het gat met ondernemingen elders waarschijnlijk is toegenomen?5
Ik richt mij op het efficiënter inrichten van procedures en toegankelijker maken van regelingen samen met NCG, IMG en Provincie. Met name de investeringsregeling voor micro-MKB van de Provincie Groningen sluit goed aan bij de conclusies van het Ipsos I&O onderzoek. Daarom heeft het Rijk 30 miljoen voor deze regeling beschikbaar gesteld. Deze regeling zorgt ervoor dat micro-ondernemers die de laatste jaren minder of niet in hun bedrijf hebben kunnen investeren een steun in de rug krijgen.
Wat heeft u gedaan met de conclusie van het kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen dat het bestaande hulpsysteem te complex is?6
Het Kennisplatform benoemt dat mkb-ondernemers vaak last hebben van een stapeling van problemen. Ik heb een verkenning laten uitvoeren naar complexe casuïstiek, waar veel mkb-problematiek in voorkomt. Bij de oplossing voor deze complexe casuïstiek zijn vaak meerdere organisaties betrokken. Ik bekijk hoe alle partijen beter integraal kunnen samenwerken door ze zo vroeg mogelijk in de schadeafhandeling en versterkingsoperatie om tafel te zetten. Dat gezegd hebbende, het moet wel een verbetering zijn, dus dit kost tijd.
Wat heeft u gedaan met hun advies voor maatwerk, betere samenwerking, vaste contactpersonen en lagere drempels voor ondersteuning? Hoe zet u behoeften van ondernemers centraal in plaats van de systeemwerkelijkheid?
Zie hiervoor de antwoorden op vraag 7 en 11.
Erkent u, gezien MKB-ers aangeven nog steeds tegen dezelfde problemen aan te lopen, dat er meer maatregelen nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten? Wat heeft u gedaan met de conclusie van Gronings Perspectief dat ondernemers kampen met omzetverlies door de hersteloperatie, extra personeelskosten en fiscale problemen door waardedaling van bedrijfspanden?7
Nee, er zijn op dit moment al veel mogelijkheden. Ik wil inzetten op optimaliseren van de regelingen en het intensiveren van een persoonlijke begeleiding. De schade die ondernemers hebben, wordt reeds vergoed met verschillende regelingen vanuit IMG en NCG.
Deelt u onze mening dat de conclusie van Gronings Perspectief nog steeds geldt dat de financiële kwetsbaarheid door de versterkingsoperatie zorgt voor stress en frustratie, en daarmee druk op het mentale welzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen wilt u zetten?
Ja. In zijn algemeenheid ervaren sommige inwoners van Groningen stress en frustratie. Voor ondernemers is dit niet anders. Daar komt bij dat de tijd die ondernemers in de aardbevingsproblematiek steken, deze niet in hun onderneming kunnen steken. Dit heeft invloed op hun mentale welzijn. Er zijn veel welzijnsorganisaties actief in het gebied, waarvan er één specifiek gericht op aardbevingsleed: Geestelijke Verzorging Aardbevingsgebied Groningen.
Daarnaast staan naast de begeleiders vanuit NCG en IMG, Stut en Steun en ook de consulenten van het MKB programma klaar om hen te ondersteunen bij hun schade of versterkingstraject.
In mijn antwoord op vraag 7, 10, 11, 13 en 15 ziet u welke (verdere) concrete stappen ik neem.
Kunt u zorgen voor één plek waar alle regelingen voor MKB-ers overzichtelijk gepresenteerd worden?
Hiervoor kunnen mkb-ondernemers terecht bij de mkb-consulenten van de provincie.
Kunt u zorgen dat ondernemers die nu geen gebruik kunnen maken van specifieke regelingen omdat ze nog wachten op de versterking, later alsnog gebruik kunnen maken van die regelingen?
De regelingen van het NCG en IMG zijn beschikbaar zo lang als nodig is voor ondernemers die te maken hebben met schade en/of versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Herstel Groningen?
Ja.
Risico’s op schijnconstructies bij gemeenten via zzp-opdrachten |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat geschetst wordt in het Financieele Dagblad1 dat gemeenten vacatures voor opdrachten aanbieden waarbij geïnteresseerden kunnen kiezen om deze als gedetacheerde in loondienst te doen, of als zelfstandigen zonder personeel (zzp’er)?
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de daarin beschreven voorbeelden. Tot nu toe zijn mij geen signalen bekend in hoeverre dit een wijdverspreid fenomeen is.
In hoeverre deelt u de opvatting van de FNV en CNV dat dit soort hybride constructies schijnzelfstandigheid in de hand werken?
Organisaties, met inbegrip van (decentrale) overheden, beoordelen zelf of een bepaalde functie op grond van wet- en regelgeving kan worden gedaan door een zelfstandige. Het is voorstelbaar dat bepaalde werkzaamheden door een zelfstandige of een werknemer kunnen worden uitgevoerd. Dat is ook bevestigd door de Hoge Raad in antwoord op prejudiciële vragen in de Uber-zaak. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als bepaalde samenwerkingen anders worden ingericht afhankelijk van de arbeidsverhouding die tussen partijen tot stand komt. Dergelijke vacatures werken schijnzelfstandigheid dus niet noodzakelijkerwijs in de hand.
Aan de andere kant herken ik wel het risico dat de vakbonden beschrijven. Als een organisatie een opdracht voor een zelfstandige en een werknemer op exact dezelfde wijze invult, dan vormt dat inderdaad een nadrukkelijk risico op schijnzelfstandigheid. Dat is echter op grond van een vacaturetekst niet te beoordelen. Het is daarom van belang dat de inhurende organisatie goed beoordeelt welke arbeidsverhouding tot stand komt, hoe die in de praktijk vorm krijgt en hoe die zich over tijd ontwikkelt om schijnzelfstandigheid te voorkomen.
Deelt u de opvatting dat de overheid het goede voorbeeld dient te geven aangaande schijnzelfstandigheid, zeker met de opheffing van het handhavingsmoratorium? Zo ja, op welke manier gaat u zorgen dat overheden schijnzelfstandigheid en daaraan grenzende constructies terugdringen? Zo nee, waarom niet?
De overheid moet zich, net als alle andere organisaties, aan de wet houden. Ook moeten alle overheidsorganisaties zich bewust zijn van het risico dat ze lopen als ze een zelfstandige inhuren voor vacatures waarvan het duidelijk is dat die niet door een zelfstandige kan worden uitgevoerd, of daar vraagtekens bij te plaatsen zijn. In de eerstbedoelde situatie is het aan de overheidsorganisatie om deze werkende een arbeidsovereenkomst aan te bieden of de samenwerking te beëindigen. In de laatstbedoelde situatie kunnen (overheids-)organisaties maatregelen nemen om schijnzelfstandigheid te voorkomen, bijvoorbeeld door de samenwerking anders vorm te geven of (vaker) te evalueren of er in de praktijk ook daadwerkelijk als zelfstandige wordt gewerkt.
De opheffing van het handhavingsmoratorium heeft overigens niet geleid tot een wijziging in de wet- en regelgeving ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsrelaties. Ook voor de opheffing van het handhavingsmoratorium dienden (overheids-)organisaties zich aan wet- en regelgeving te houden.
Het kabinet vindt het van groot belang dat de rijksoverheid het goede voorbeeld geeft als het gaat om de aanpak van schijnzelfstandigheid en zorgt voor een snelle afbouw van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen naar nul, uiterlijk per 1 januari 2026. Daarbij vindt het kabinet ook dat het onwenselijk is als overheidsorganisaties zzp’ers categorisch zouden uitsluiten van bepaalde opdrachten zonder dat daarvoor aanleiding is.
Om ook breder organisaties en werkenden bewust te maken van wanneer gewerkt kan worden met of als zelfstandige(n), en wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid, loopt sinds 24 november en tot 21 december het tweede deel van de publiekscampagne «ZZP ja of nee». In deze campagne wordt ook handelingsperspectief geboden wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid. De campagne bestaat onder meer uit advertenties op sociale media, radiospotjes bij radiozenders en podcasts, en het plaatsen van artikelen op nieuwssites. Conform de motie Aartsen (VVD) c.s.2 heeft het kabinet ook aandacht voor wanneer wél als zelfstandige gewerkt kan worden. Ook in gesprekken met de markt, bij voorlichtingsbijeenkomsten en webinars is er vanuit het Ministerie van SZW en de Belastingdienst enerzijds aandacht voor de risico’s van schijnzelfstandigheid en anderzijds voor wat wél kan als zelfstandige, om onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers te voorkomen. Ook na 1 januari 2026 zullen het Ministerie van SZW en de Belastingdienst voorlichting blijven geven. Daarbij kunnen ook praktijkvoorbeelden worden toegevoegd aan hetjuistecontract.nl.
Heeft u een beeld van het aantal gemeenten dat het risico op schijnzelfstandigheid niet op orde heeft? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Decentrale overheden gaan zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Er wordt niet centraal bijgehouden in hoeverre gemeenten het risico op schijnzelfstandigheid op orde hebben. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) houdt dit niet bij.
De VNG ondersteunt gemeenten uiteraard wel bij het tegengaan van schijnzelfstandigheid door voorlichting, onder andere in de vorm van webinars die hebben plaatsgevonden in samenwerking met de Belastingdienst en het Ministerie van SZW.
In hoeverre ziet u gemeentelijke flex-pools als oplossing voor detacherings- en zzp-constructies, en welke rol ziet u voor zichzelf in het realiseren daarvan?
Decentrale overheden gaan zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Het is dus aan gemeenten zelf om te beoordelen of flexpools een oplossing kunnen zijn voor de personeelsvraag waarvoor zij zich gesteld zien. Van verschillende gemeenten is bekend dat zij met een dergelijke flexpool werken. De VNG heeft een «handreiking flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» op haar website geplaatst, waarin voor gemeenten de wetgeving en mogelijkheden op een rij zijn gezet. Het is aan gemeenten zelf om hier keuzes in te maken.
Kunt u het gesprek aan gaan met VNG om tot oplossing te komen?
Er zijn goede contacten met de VNG over het tegengaan van schijnzelfstandigheid. Het kabinet blijft in gesprekken, zoals met de VNG, aandacht besteden aan schijnzelfstandigheid, maar ook aan wat er wél mogelijk is buiten dienstbetrekking. Niettemin gaan decentrale overheden zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Het is van belang dat zij daarbij kennisnemen van de eerdergenoemde «handreiking flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» van de VNG.
Kunt u aangeven of de Belastingdienst in zijn prioriteitstelling ook bij gemeente extra controleert, of naar aanleiding van het eerdergenoemde FD-artikel voornemens is om dit te doen? Waarom wel of niet?
Schijnzelfstandigheid komt in alle sectoren voor. Daarom handhaaft de Belastingdienst risicogericht. De Belastingdienst zal bij het toezicht gebruik maken van alle mogelijke signalen. Risico’s die daaruit voortvloeien, kan de Belastingdienst afhankelijk van de prioritering in behandeling nemen. Overigens heeft het kabinet in diverse Kamerbrieven over het werken met en als zelfstandige(n) aangegeven dat ook de rijksoverheid als opdrachtgever zelf actiever aan de slag moet gaan met de verdere beheersing van de processen rondom het werken met zelfstandigen. Daarom zal de Belastingdienst in 2026 extra aandacht geven aan overheidsorganisaties: goed voorbeeld doet goed volgen. Dit is ook opgenomen in het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 dat binnenkort wordt gepubliceerd op de website van de Belastingdienst.
Overigens brengen we graag onder de aandacht dat het enkel verbeteren van de handhaving niet de oplossing is van het probleem rondom schijnzelfstandigheid. Dit is eerder aangegeven in de Kamerbrief van 24 juni 2022 inzake de Kabinetsreactie rapporten Algemene Rekenkamer (ARK) en Auditdienst Rijk (ADR) en daaropvolgende voortgangsbrieven werken met en als zelfstandige(n). Daarom heeft het kabinet gekozen voor een aanpak langs drie lijnen waarin naast het verbeteren van de handhaving (lijn 3), een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1) en meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) urgent zijn om stappen op te zetten.