Het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025 explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending» van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel (minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige) plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel3, in lijn met een aanbeveling van GRETA4, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet, er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden kunnen toepassen?
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.5 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en 6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd? Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van Heuni6 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Het in behandeling nemen van aangiften door de politie |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Is er over de afgelopen tien jaar een verband waar te nemen tussen het sluiten van politiebureaus en het aantal aangiften dat wordt gedaan?
Is er een verband tussen het capaciteitsprobleem bij de politie en het opnemen van aangiften?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als mensen aangifte willen doen en dat de mogelijkheid tot het doen van aangifte dagen op zich laat wachten?
Hoeveel politiecapaciteit is er beschikbaar om fysieke aangiften op te nemen, in vergelijking met de voorgaande vijf jaren?
In welk opzicht komt een fysieke of online gedane aangifte overeen en wat zijn de verschillen?
Kunt u een overzicht geven van aangiften opgesplitst naar fysiek en online en daarbij opnemen of zij in behandeling zijn genomen of geseponeerd?
Bent u van mening dat aangiften gedaan op politiebureaus doorgaans gemakkelijker in behandeling kunnen worden genomen, dan dat zij online worden gedaan? Wordt er nog navraag gedaan naar de aangiften die online worden gedaan, omdat zij mogelijk bepaalde informatie missen?
Op basis waarvan beslist de politie of een zaak prioriteit krijgt?
Worden bepaalde soorten misdrijven structureel minder opgepakt?
Is er inzicht voor burgers waarom een zaak wel of niet opgepakt wordt?
Waarom wordt men aangeraden bij het onderwerp «Ik ben slachtoffer van huiselijk geweld, wat moet ik doen?» vermeld op de website van de politie, om contact op te nemen met Veilig Thuis, de Kindertelefoon of de huisarts en niet de politie? Waarom wordt hier niet vermeld dat men aangifte kan doen? Deelt u de mening dat dit slachtoffers ontmoedigt om aangifte te doen van huiselijk geweld?
Hoeveel mensen die kunnen beschikken over een DigiD hebben een DigiD?
Klopt het dat toeristen geen online aangifte kunnen doen, nu zij niet beschikken over een DigiD?
Welke eisen worden aan de medewerker van de politie gesteld welke bevoegd is aangiften op te nemen? En wordt de politie gecontroleerd op het opnemen van aangiften?
Het artikel 'Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar»?1
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke taak volgens u prioriteit heeft?
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende zijn opgevolgd?2
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor komt dit?
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van strafbare feiten?
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke criteria gebeurt dit?
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren, zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers, doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen reactie is ontvangen vanuit het OM?
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals opgenomen in de landelijke afspraken?
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg, en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt dit ook bij aan personeelstekorten?
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd aangifte te doen?
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de politie hier voldoende bekend mee?
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en in de aanpak van personeelstekorten?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig voelen om hun werk te blijven doen?
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Door de politie georganiseerde iftarbijeenkomsten |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten en op sociale media verspreide video’s waaruit blijkt dat op verschillende locaties iftarbijeenkomsten zijn georganiseerd of gefaciliteerd door de politie, onder meer in of bij politiebureaus, waarbij ook de islamitische gebedsoproep (azan) te horen is?
Klopt het dat er op of bij meerdere politiebureaus iftarbijeenkomsten hebben plaatsgevonden die door of met medewerking van de politie zijn georganiseerd of gefaciliteerd? Zo ja, om welke locaties, data en gelegenheden ging het?
Klopt het dat in het in de video getoonde geval sprake was van een iftarbijeenkomst waarbij de azan werd voorgedragen in aanwezigheid van politieagenten in uniform? Zo ja, wie was verantwoordelijk voor de organisatie en op basis van welke overwegingen is besloten deze bijeenkomst te houden?
Acht u het passend dat in of bij politiebureaus expliciete religieuze uitingen of rituelen plaatsvinden die behoren tot één specifieke godsdienst, terwijl de politie een neutrale vertegenwoordiger van de rechtsstaat behoort te zijn?
Zijn er binnen de politie richtlijnen of protocollen voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarmaaltijden, gebedsmomenten of andere religieuze activiteiten, in politiegebouwen of tijdens politiegerelateerde evenementen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Worden bij dergelijke bijeenkomsten politiecapaciteit, werktijd, faciliteiten of andere publieke middelen ingezet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de aard en omvang van deze inzet?
Zijn er ook voorbeelden bekend waarbij andere religieuze tradities – zoals christelijke, joodse of andere religieuze bijeenkomsten of rituelen – op vergelijkbare wijze door of met medewerking van de politie in politiegebouwen zijn georganiseerd of gefaciliteerd?
Hoe verhoudt het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten zich volgens u tot de vereiste neutraliteit van de politie als overheidsinstelling?
Deelt u de zorg dat het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten door de politie het beeld kan wekken dat de politie zich met een specifieke religie identificeert, en dat dit het vertrouwen in de neutraliteit en onpartijdigheid van de politie bij delen van de samenleving kan ondermijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het wenselijk dat politieagenten in uniform aanwezig zijn bij of deelnemen aan religieuze rituelen of oproepen, zoals het voordragen van de azan, in de context van een door of met medewerking van de politie georganiseerde bijeenkomst?
Bent u bereid te bezien of nadere richtlijnen nodig zijn om te waarborgen dat politiegebouwen en politieactiviteiten een levensbeschouwelijk neutraal karakter behouden?
Is er bekend in hoeverre er onder politieagenten draagvlak bestaat voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, in of bij politiebureaus? Zo ja, wat zijn de uitkomsten daarvan?
Hoe wordt binnen de politie omgegaan met politieagenten die zich levensbeschouwelijk neutraal willen opstellen en daarom niet willen deelnemen aan religieuze bijeenkomsten of rituelen, zoals iftarbijeenkomsten of het bijwonen van religieuze oproepen? Wordt het weigeren van deelname formeel en informeel volledig geaccepteerd?
Kunt u aangeven of er binnen de politie signalen, meldingen of klachten bekend zijn van politieagenten die zich onder druk gezet, ongemakkelijk of bezwaard hebben gevoeld door het organiseren van religieuze bijeenkomsten in of bij politiebureaus?
Zijn er binnen de politie interne discussies, spanningen, ergernissen of vormen van weerstand bekend onder medewerkers met betrekking tot het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, door of met medewerking van de politie?
De geweldsgolf in Lelystad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Lelystad opnieuw wordt geteisterd door een reeks explosies bij woningen, waarbij zeer jonge daders worden ingezet en bewoners in grote angst leven?1
Hoe verklaart u dat het geweld in Lelystad al langere tijd speelt en dat er ondanks eerdere arrestaties en maatregelen opnieuw een reeks aanslagen plaatsvindt? Erkent u dat dit voor bewoners het beeld oproept dat de overheid de grip op de situatie dreigt te verliezen?
Hoe kan het dat een vermeende leider van een criminele groep, die in verband wordt gebracht met meerdere geweldsincidenten, met een enkelband en gebiedsverbod tijdelijk de straat op mocht om zijn rijbewijs te halen, terwijl de stad tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van explosies en geweld? Hoe legt u dit uit aan bewoners die zich inmiddels onveilig voelen in hun eigen wijk?
Deelt u de mening dat het ronselen en inzetten van minderjarigen voor zware criminaliteit een bijzonder laffe en verwerpelijke praktijk is en bent u met ons van mening dat hier aanzienlijk zwaardere straffen voor moeten gelden?
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment genomen om de betrokken criminele netwerken achter deze explosies op te rollen en welke verdere concrete maatregelen bent u van plan te gaan nemen?
Bent u bereid om, onder andere, extra politiecapaciteit, opsporingsmiddelen en bestuurlijke maatregelen in te zetten om deze geweldsgolf zo snel mogelijk te stoppen en de veiligheid van bewoners te herstellen?
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel medewerkers zijn momenteel werkzaam bij het Politiedienstencentrum? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar vaste medewerkers en ingehuurde krachten?
Wat bedragen de bestuurskosten van de korpsleiding van de Nationale Politie? Kunt u deze kosten per jaar uitsplitsen over de periode 2020 tot en met heden?
Hoe hebben de bestuurskosten van de korpsleiding zich ontwikkeld sinds 2020 en wat zijn de belangrijkste oorzaken van eventuele stijgingen of dalingen?
Wat wordt binnen de Nationale Politie verstaan onder de begrippen «operationele sterkte» en «operationele slagkracht»? Kunt u toelichten hoe deze begrippen binnen de organisatie worden gehanteerd en gebruikt in de sturing van de politieorganisatie?
Hoeveel personen worden momenteel door de Nationale Politie ingehuurd? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar functiecategorieën of typen werkzaamheden?
Hoeveel geld heeft de Nationale Politie in de jaren 2020 tot en met heden per jaar uitgegeven aan externe inhuur? Kunt u deze bedragen per jaar specificeren?
Met welke externe bureaus of organisaties doet de Nationale Politie momenteel zaken in het kader van externe inhuur?
Wat is de langst aaneengesloten periode waarvoor een externe kracht door de Nationale Politie is ingehuurd en wat is de gemiddelde duur van externe inhuurcontracten?
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van het programma «Politie voor Iedereen» sinds de start van dit programma? En wilt u deze kosten per jaar uitsplitsen en aangeven welk budget hiervoor de komende jaren is gereserveerd?
Kunt u een specificatie geven van de uitgaven binnen het programma «Politie voor Iedereen», zoals kosten voor personeel, trainingen, communicatiecampagnes, onderzoek, evenementen en overige activiteiten?
In hoeverre worden binnen het programma «Politie voor Iedereen» externe bureaus, consultants of trainers ingehuurd? Kunt u aangeven welke organisaties hierbij betrokken zijn en welke bedragen hiermee gemoeid zijn geweest, uitgesplitst per jaar?
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van alle politie-iftars – incusief het uitsplitsen van de kosten per georganiseerde iftar? En kunt u deze kosten ook doen toekomen van voorgaande jaren en welk budget voor aankomende jaren hiervoor gereserveerd is?
Herkent u of de korpsleiding signalen uit de organisatie dat er feitelijk sprake is van bezuinigingen op eenheidsniveau, bijvoorbeeld doordat voertuigen met schade niet worden gerepareerd of doordat bureaus keuzes moeten maken tussen functies vanwege budgettaire beperkingen? Hoe duidt u deze signalen?
Hoeveel medewerkers van de Nationale Politie zitten momenteel thuis met een diagnose van posttraumatische stressstoornis (PTSS) dan wel andere psychische klachten?
Herkent u of de korpsleiding signalen dat verzuimmeldingen, in het bijzonder bij PTSS, niet altijd adequaat worden opgevolgd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke maatregelen worden genomen om dit te verbeteren?
Klopt het dat politiemedewerkers in de eenheid Midden-Nederland, met name in Utrecht, arrestanten regelmatig moeten vervoeren naar cellencomplexen in andere plaatsen in de regio, zoals Amersfoort, Houten of andere locaties, omdat in Utrecht zelf onvoldoende capaciteit beschikbaar is voor insluiting?
Deelt u de zorg dat het vervoeren van arrestanten over langere afstanden politiecapaciteit kost, doordat agenten tijd kwijt zijn aan het heen- en terugbrengen van arrestanten, en dat dit ten koste kan gaan van de inzetbaarheid van politie op straat? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen of te beperken?
Hoe vaak is het in de afgelopen drie jaar voorgekomen dat arrestanten vanuit Utrecht naar een andere plaats in de regio moesten worden vervoerd wegens gebrek aan beschikbare cellencapaciteit en hoeveel politiecapaciteit (bijvoorbeeld in uren of inzet van medewerkers) is hiermee gemoeid geweest?
Krijgen de 1.700 agenten die een niet-verzonden brief hebben gekregen, een aantekening in hun personeelsdossier of blijft dit op een ander manier zichtbaar en daarmee kleven aan de betreffende dienders?
Hoeveel politiemedewerkers beschikken momenteel over gehoorbescherming en hoeveel medewerkers beschikken daar nog niet over?
Welke kosten zijn gemoeid met het verstrekken van gehoorbescherming aan politiemedewerkers en welk budget is hiervoor gereserveerd?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over politie van 25 maart 2026?
Het bericht 'Zo’n 1700 politiemedewerkers keken in dossier over Lisa: ‘Onacceptabel’' |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat circa 1.700 politiemedewerkers hebben gekeken in het dossier inzake het onderzoek naar de dood van Lisa, zonder dat daarbij sprake was van een aantoonbare functionele noodzaak?1
Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u bevestigen hoeveel medewerkers daadwerkelijk inzage hebben gehad in het betreffende dossier, over welke periode deze inzage heeft plaatsgevonden en om welke categorieën gegevens het daarbij ging? Was het gehele dossier inzichtelijk?
Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» of in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging. De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Waarom was deze zaak niet enkel toegankelijk voor personen met noodzaak daartoe? Welke tekortkomingen in toegangsbeheer of controle ziet u, zeker ten aanzien van zaken met een grote maatschappelijke impact zoals deze?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep (autorisatiebeleid en opleiding). Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Deelt u de opvatting dat aandacht en bewustwording alleen niet kan voorkomen dat politiemedewerkers meekijken en structurele technische waarborgen dan ook noodzakelijk zijn om privacy te beschermen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Is het (technisch) mogelijk dergelijke zaken af te sluiten en enkel toegankelijk te maken voor een noodzakelijk aantal personen? Welke mogelijkheden ziet u voor strengere autorisaties of verplichte motivering bij inzage in gevoelige dossiers?
Per systeem is de afweging gemaakt over de mate van afscherming. Indien nodig kunnen binnen systemen ook dossiers geheel worden afgeschermd. Veel systemen zijn juist bedoeld om politiemensen te informeren, bijvoorbeeld vanwege hun eigen veiligheid, maar ook om de heterdaadkracht direct na de melding te vergroten. In de praktijk blijkt iedere dag hoe effectief dat is en dat moet behouden blijven. Inzage in een geheel onderzoek-dossier vergt een aparte autorisatie in het informatiesysteem van de recherche en is per zaak voorbehouden aan een selecte groep medewerkers.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Hoe wordt momenteel gemonitord wie welke dossiers raadpleegt? Is daarbij ook sprake van actieve controle of slechts van controle achteraf zoals bij dit dossier naar aanleiding van een melding?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt dit incident zich tot eerdere signalen of onderzoeken over ongeoorloofde inzage binnen de politie? Is hier sprake van een incident of van een herhaling?
De politie heeft doorlopend aandacht voor ongeoorloofde inzage in de politiesystemen en rapporteert hierover in haar jaarverslag. De korpsleiding heeft mij geïnformeerd dat er in dit geval een onderzoek gestart is omdat er zeer concrete signalen waren over onterechte bevragingen en omdat er vertrouwelijke informatie over het onderzoek in de media is beland.
Kunt u de vragen individueel beantwoorden en deze antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over politie de Kamer doen toekomen?
Ja.
Het bericht dat 1.700 agenten in het dossier van vermoorde Lisa uit Abcoude te neuzen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat maar liefst 1.700 politieagenten het dossier van de vermoorde Lisa uit Abcoude hebben ingezien? Zo ja, klopt dit bericht? Over welke periode heeft deze inzage plaatsgevonden? En in welke systemen vonden deze inzagen plaats? Is hier uit te splitsen naar inzagen in het dossier met onder meer verhoren, aangiftes, sporen en/of in de melding en de daarop volgende updates van de ontwikkeling van de melding, het signalement van de verdachte en andere info die tot de opsporing en aanhouding van de verdachte kon leiden?
Ik ben bekend met het bericht. Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» en in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging.De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
In hoeveel van deze inzagen was sprake van een functionele noodzaak?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat een dergelijk groot aantal politiefunctionarissen ongeoorloofde toegang heeft kunnen krijgen tot dit dossier? Welke autorisatiestructuur en toegangsbeperkingen waren van toepassing op dit dossier? Is sprake geweest van systeemfouten, tekortschietend toezicht of cultuurproblemen binnen de organisatie?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Op welk moment is intern geconstateerd dat sprake was van ongeoorloofde inzage? Wie heeft dit vastgesteld en welke directe maatregelen zijn toen genomen? Waarom is dit niet eerder gesignaleerd of voorkomen?
Begin september 2025 kwamen er concrete signalen over onterechte bevragingen binnen. Dat leidde uiteindelijk tot een landelijk oriënterend onderzoek.
Het past bij een professionele organisatie om, als daar aanleiding toe is, ook bereid te zijn zichzelf te onderzoeken. Daarom geeft de politie nu opvolging aan het onderzoek.
Welke sancties worden ondernomen tegen politiefunctionarissen die zonder functionele noodzaak inzage hebben gehad in dit dossier? Kunt u aangeven welke sancties in vergelijkbare gevallen eerder zijn opgelegd?
Wanneer er onterechte bevragingen zijn, zal dit op de binnen de politie gebruikelijke wijze worden opgepakt. Het is aan het bevoegd gezag om passende maatregelen te treffen als uit de te voeren gesprekken met politiemedewerkers blijkt dat er geen sprake was van een functionele noodzaak.
Kunt u aangeven wat de impact van dit gedrag van deze politiefunctionarissen is geweest voor de nabestaanden van Lisa? Heeft u ze gesproken? Heeft de politieleiding ze gesproken?
Het spijt mij heel erg dat de nabestaanden van Lisa geconfronteerd zijn geweest met de grote hoeveelheden berichtgeving van de afgelopen tijd. De politie en ikzelf staan met de nabestaanden in contact via hun advocaat. Er staat een gesprek met hen gepland.
Welke maatregelen kent de politie in de praktijk om ongeoorloofde inzage te voorkomen? Vindt u deze beperkingen effectief? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet? Wilt u dat onderbouwen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Zijn er in de afgelopen vijf jaar eerder signalen geweest van ongeoorloofde wijze van inzagen in dossiers? Zo ja, om hoeveel gevallen ging het? Hoe is tot op heden met deze meldingen omgegaan? Waarom is niet eerder actie ondernomen door de politieleiding?
In het jaarverslag van de politie is terug te vinden hoeveel disciplinaire maatregelen er zijn opgelegd die te relateren zijn aan de verkeerde omgang met informatie; 183 in 20242.
Welke aanvullende maatregelen neemt u zich thans voor om de informatiebeveiliging te optimaliseren zodat herhaling wordt voorkomen?
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging. Ik blijf hierover met de politie in gesprek.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het interne onderzoek en eventuele vervolgstappen?
Zoals ook met u gedeeld in mijn brief van 20 maart jl., heeft de korpschef mij gemeld dat er vanuit de korpsleiding een persoonlijke herstelbrief komt voor de medewerkers die eerder een brief ontvingen in het kader van het raadplegen van de systemen. Daarnaast worden er laagdrempelige bijeenkomsten georganiseerd waar politiemedewerkers worden uitgenodigd om met de korpsleiding in gesprek te gaan. Vakbonden en medezeggenschap worden hierbij uitgenodigd. Deze gesprekken zijn gericht op het herstel van vertrouwen. Zoals ook aangekondigd in mijn brief van 9 maart, worden ook de gesprekken tussen leidinggevenden en betrokken politiemedewerkers gevoerd. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Het artikel ‘Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen»?1
Ja.
Op basis van welke wettelijke grondslag werd dit predictive-policing-systeem toegepast en kunt u aangeven welke specifieke bevoegdheden hierdoor feitelijk werden uitgebreid?
Het Criminaliteits Anticipatie Systeem (hierna: CAS) vergaarde zelf geen gegevens. De gegevens waren afkomstig van eerder gedane aangiften van burgers en ondernemers. Daarnaast werd tot en met 2022 gebruik gemaakt van omgevingsvariabelen2 van het CBS. De omgevingsvariabelen van het CBS waren geaggregeerd op wijkniveau en bevatten geen persoonsgegevens.
De wettelijke basis voor het verkrijgen van aangiftegegevens door de politie is vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 161 Sv geeft iedere burger de bevoegdheid om aangifte te doen van een begaan strafbaar feit. Artikel 163 Sv verplicht de politie om de aangifte van een burger in ontvangst te nemen. De politie verkrijgt de gegevens dus op basis van deze wettelijke ontvangstplicht.
Artikel 8 van de Wet politiegegevens vormde de grondslag voor de verwerking van bovenstaande gegevens met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Er is daarom geen sprake geweest van uitbreiding van bevoegdheden.
In hoeveel gevallen zijn burgers gecontroleerd of benaderd zonder concrete verdenking maar uitsluitend vanwege een verhoogd risicogebied of risicoscore?
De uitkomsten van het CAS gaven een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
Bovendien vereisen individuele controles een eigen wettelijke grondslag en kunnen deze niet op alleen een risicoscore worden gebaseerd. Er was dus altijd een concrete aanleiding, op basis van aanvullende en actuele informatie en een menselijk oordeel nodig, voordat dit leidde tot concrete inzet van de politie.
Klopt het dat bij het criminaliteitsanticipatiesysteem (CAS) geen eenduidige doelen, meetbare succescriteria en formele kwaliteitsstandaarden waren vastgesteld? Zo ja, waarom is het systeem, en daarmee predictive policing als methode, desondanks langdurig gebruikt om de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit in bepaalde buurten te verbeteren?
In het algemeen geldt dat het moeilijk is om de resultaten van preventieve maatregelen te meten. CAS is destijds ingezet vanuit de verwachting dat de beschikbare politiecapaciteit gerichter kon worden ingezet als er meer informatie beschikbaar was over veelvoorkomende criminaliteit in een bepaalde woonwijk. CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan geleverd. Er was echter onduidelijkheid over de exacte operationele meerwaarde van CAS.
Anderhalf jaar geleden is de politie gestart met de verdere professionalisering van haar AI-Governance, waaronder de doorlopende toetsing van de kwaliteit (juridisch, technisch en ethisch) van haar algoritmes en AI-systemen. Na zorgvuldige afweging en volgens de genoemde professionaliseringsslagen binnen de politie is gebleken dat de voor CAS geformuleerde criteria niet meer voldeden aan de normen die tegenwoordig worden gehanteerd. Er is daarom geconcludeerd dat de benodigde inspanningen voor het oplossen van de tekortkomingen niet opwegen tegen de baten. In de laatste alinea van mijn antwoord op vraag 10 geef meer uitleg over deze professionaliseringsslag.
Zijn er vanuit betrokken partijen, zoals bijvoorbeeld mensenrechtenorganisaties of burgers, bij de inzet van het CAS signalen gekomen dat dit systeem discriminatie in de hand werkt? Zo ja, welke signalen waren dat?
De politie heeft geen signalen ontvangen dat er daadwerkelijk sprake was van discriminatie. Er zijn wel zorgen geuit. Zo waarschuwde Amnesty International er voor dat CAS bestaande vooroordelen in de maatschappij zou kunnen overnemen en versterken. Ook vond Amnesty dat het onduidelijk was hoe het systeem tot bepaalde voorspellingen kwam, dat het koppelen van grote hoeveelheden data uit verschillende bronnen een vorm van onrechtmatige massasurveillance is en dat het onduidelijk was wat deze vorm van «predictive policing» daadwerkelijk bijdroeg aan de veiligheid.
In hoeverre kunt u uitsluiten dat in bepaalde wijken waarbij een relatief hoog percentage bewoners met migratieachtergrond woont vaker onderwerp zijn geweest van toezicht door dit systeem?
CAS was geen toezichtsysteem maar ondersteunde de basisteams bij het in kaart brengen van criminaliteit in hun werkgebied. Het is wel mogelijk dat de uitkomst van de analyses van CAS aanleiding heeft gegeven voor intensiever toezicht in een bepaalde woonwijk. Het aantal aangiften van strafbare feiten en het soort strafbare feiten vormden de basis voor de waarschijnlijkheidsindicatie op een bepaald criminaliteitsthema in die wijk.
Bent u ervan op de hoogte dat mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, al geruime tijd ernstige zorgen uiten over de discriminatoire en mensenrechtelijke risico’s van predictive policing-systemen? Zo ja, waarom is er desondanks voor gekozen om dit systeem gedurende tien jaar in stand te houden?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Er is voor gekozen het CAS te gebruiken om gerichtere inzet tegen veelvoorkomende criminaliteit mogelijk te maken. Het CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan gegeven door de informatiepositie rondom de inzet van mensen en middelen te versterken. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 gaven de uitkomsten van het CAS een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
In die periode van 10 jaar is, mede naar aanleiding van die geuite zorgen, het algoritme meerdere malen aangepast. In mijn antwoord op vraag 4 omschrijf ik uitgebreider wat de overwegingen van de politie waren om te stoppen met CAS.
Deelt u de opvatting dat predictive-policing-systemen die racisme of discriminatie in de hand werken, uitgesloten moeten zijn binnen de Nederlandse politie?
Ja.
Kunt u garanderen dat dergelijke algoritmische systemen die leiden tot etnisch profileren of indirecte discriminatie niet worden ingezet?
Etnisch profileren is verboden. De inzet van systemen die (in)directe discriminatie veroorzaken is niet toegestaan. Toepassing van algoritmische systemen vereist aantoonbare rechtmatigheid en noodzakelijkheid, voorafgaande risicoanalyses, toetsing op vooringenomenheid en strikte waarborgen. Mocht in de praktijk blijken dat een bepaald algoritme toch tot vertekende, oneerlijke of zelfs discriminerende uitkomsten leidt, dan is de verwerking onrechtmatig.
Bent u bereid maatregelen te nemen om het gebruik van dergelijke systemen te beperken of te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De Europese AI-verordening (2024) biedt een specifiek en duidelijk wettelijk kader als het gaat om AI-systemen. Ik zie op dit moment geen noodzaak om aanvullend op dit wettelijk kader maatregelen te nemen. De AI-verordening kent een risicogebaseerde aanpak waarbij AI-systemen worden onderverdeeld in een aantal categorieën, onder andere de «hoog risico» categorie en de «onaanvaardbaar risico» categorie. Toepassingen die in de laatstgenoemde categorie vallen zijn op basis van de AI-verordening verboden.
De inzet van systemen voor risicobeoordelingen van natuurlijke personen met het oog op het plegen van strafbare feiten, uitsluitend op basis van profilering van de persoon of op basis van een beoordeling van persoonlijkheidseigenschappen en kenmerken, valt in de «onaanvaardbaar risico» categorie. De politie mag zo’n systeem dus niet gebruiken.
Systemen die bedoeld zijn om het plegen van een strafbaar feit of recidive te voorspellen, vallen in de hoog risico categorie. Aan systemen in deze categorie worden extra, zeer strenge eisen gesteld en de inzet van zo’n systeem moet omkleed worden met waarborgen. Hierbij valt te denken aan eisen met betrekking tot risicobeheer, kwaliteit en relevantie van datasets, technische documentatie en registratie, transparantie, menselijk toezicht, nauwkeurigheid en beveiliging.
De politie toetst de kwaliteit van haar algoritmes en AI-systemen via een intern kwaliteits- en risicoproces. Hiermee verkrijgt zij inzicht in eventuele risico’s en de maatregelen die hierop te treffen zijn. De politie voert dit proces uit op al haar algoritmes en AI-systemen die (hoog) risicovol zijn. Dit voert de politie ook getrapt uit voor oudere algoritmes en AI-systemen. De trajecten waarin dit al heeft plaatsgevonden en die openbaar kunnen worden, staan gepubliceerd in het Algoritmeregister.
Het bericht 'Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer maar regeling voelt als mager compromis' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer, maar regeling voelt als mager compromis»?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Kunt u toelichten hoe dit bericht zich verhoudt tot het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen, dat beoogt te komen tot een gelijkwaardige en uniforme landelijke ondersteuning en regeling voor brandweerlieden met PTSS, waarvoor 1,75 miljoen euro is vrijgemaakt?2
Kunt u gespecificeerd uiteenzetten wat er met deze middelen is gebeurd? Waaraan zijn ze concreet besteed?
Welke PTSS-regeling is voorts per 1 januari 2026 ingevoerd? Kunt u de kernonderdelen van deze regeling beschrijven? Is deze regeling zowel voor brandweerlieden als voor vrijwilligers begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk?
Klopt het dat in tegenstelling tot regelingen voor politie en defensie, in de PTSS-regeling voor brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen en dat de hoogte van eventuele vergoeding afhankelijk blijft van de specifieke veiligheidsregio (25 regio’s)? Zo ja, waarom is hiervan afgeweken en welke overwegingen hebben tot deze keuze geleid? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat hierdoor rechtsongelijkheid kan ontstaan? Zo ja, welke maatregelen treft u om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is de financiering zoals voorzien in het amendement-Mutluer/Van Nispen, toereikend voor de daadwerkelijke uitvoering van een landelijke regeling? Welke signalen ontvangt u van veiligheidsregio’s over uitvoerbaarheid en kosten? Wat is er (financieel) nodig om te komen tot een regeling die daadwerkelijk uniform en gelijkwaardig is, inclusief een vorm van immateriële schadevergoeding?
Welke activiteiten onderneemt u om ervoor te zorgen dat ook vrijwilligers binnen de veiligheidsregio’s op gelijke wijze kunnen profiteren van de regeling en dat eventuele praktische belemmeringen bij hun toegang tot ondersteuning worden weggenomen?
Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
De positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De wet schiet tekort voor de kinderen van femicideslachtoffers» in de Volkskrant?1
Ja.
Wat vindt u van het onderzoek van de Femicide Monitor van de Universiteit Leiden waaruit blijkt dat 62 procent van de slachtoffers van femicide kinderen had en dat 76 procent van deze kinderen minderjarig was, waarvan velen getuige waren van het geweld?2
Met de Femicide Monitor wordt onder meer in beeld gebracht hoeveel kinderen hun moeder hebben verloren door femicide. Geen enkel kind hoort dit mee te maken. Toch laat de Femicide Monitor zien dat dit jaarlijks voor gemiddeld 25 kinderen de realiteit is. De impact van het verlies van een moeder door femicide op een kind is enorm. Bovendien zijn kinderen vanwege hun jonge leeftijd extra kwetsbaar. Wij vinden het daarom zeer belangrijk dat er aandacht is en blijft voor deze groep kinderen.
Kunt u nader toelichten welke wettelijke kaders er momenteel gelden voor kinderen en de zorg voor hen na femicide? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden deze kaders in de praktijk nageleefd?
Voor kinderen en de zorg voor hen na femicide gelden de reguliere voogdij- en gezagsbepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is per 1 januari 2018 de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding in werking getreden. Dit wettelijk kader regelt onder meer dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) om een voorlopige voogdijregeling kan verzoeken, om zo meteen na partnerdoding de onmiddellijke zorg voor het kind te waarborgen. Het ouderlijk gezag van de verdachte/dader-ouder is dan geschorst en de voorlopige voogdij wordt doorgaans belegd bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is dan als voogd bevoegd om beslissingen over het kind te nemen. Ook zijn er binnen het bijbehorende Handelingsprotocol omgang na partnerdoding (hierna: het protocol) samenwerkingsafspraken gemaakt over wie welke taken op zich neemt en welke expertise op welk moment ingeschakeld kan worden.
De RvdK doet op basis van dit protocol onderzoek naar de wenselijkheid van contact of omgang tussen het kind en de verdachte/dader-ouder. Op basis van dit onderzoek dient de RvdK binnen drie maanden een verzoek bij de kinderrechter in tot vaststelling van een contact- of omgangsregeling of tot ontzegging van contact of omgang.
In 2023 is de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding geëvalueerd door het WODC.3 Uit deze evaluatie volgt dat in vrijwel alle gevallen de wet wordt nageleefd.4
Klopt het dat na femicide vaak direct een voogd, veelal een voogdijinstelling, wordt benoemd die volledige zeggenschap krijgt over besluiten met betrekking tot het verblijf, de schoolkeuze, de therapie en de omgang van de betrokken kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het zeer traumatiserend kan zijn voor kinderen, van wie de moeder om het leven is gekomen wegens femicide, om herhaaldelijk overgeplaatst te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat dit gebeurt?
Het verliezen van de ene ouder door het toedoen van de andere ouder is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van een kind. De (over)plaatsing van een kind moet, net als een contact- of omgangsregeling met (familie van) de overblijvende ouder, altijd in het belang van het kind zijn. Dat is een afweging die door de kinder- of familierechter wordt gemaakt en waarbij alle omstandigheden omtrent het kind worden betrokken.
Uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep volgen verschillende aanbevelingen die onder meer zien op de verblijfplaats van het kind en het contact tussen de daderouder en het kind enerzijds en het contact tussen de familie van de moeder en het kind anderzijds. Daarnaast volgt uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk geweld en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen, gezag en omgang. De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is daarom eind 2025 een verbetertraject gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. De rechtspraak, maar ook andere organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee aan dit verbetertraject. Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen en nabestaanden betrokken in dit traject. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van Justitie en Veiligheid voor de zomer een bredere reactie op het aanpakplan aan de Tweede Kamer toesturen, wanneer uw Kamer ook wordt geïnformeerd over het genoemde verbetertraject.
Deelt u de zorg dat verplicht contact met (de familie van) de dader en het wegvallen van contact met de familie van de vermoorde moeder kan leiden tot traumaverdieping en onveiligheid voor deze kinderen? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ook bereid om toe te werken naar het ontwikkelen en inzetten van kennis om samen met het kind te ontdekken wat hier de beste oplossing is?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat de Nederlandse wet momenteel geen geschillenregeling kent voor conflicten over de uitoefening van de voogdij bij femicide, waardoor kinderen en nabestaanden beslissingen van de voogd niet aan de rechter kunnen voorleggen, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad?3 Hoe beoordeelt u deze lacune in de wet?
Het klopt dat de Nederlandse wet op dit moment geen regeling kent voor geschillen over de uitvoering van voogdij indien de voogdij wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling (hierna: GI). In die situatie ligt de dagelijkse zorg voor de minderjarige niet bij de GI maar bij een ander, bijvoorbeeld een nabestaande, en kan een verschil van inzicht ontstaan over de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang van de minderjarige is.
Met het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt voorgesteld een geschillenregeling te introduceren voor geschillen die de uitvoering van de voogdij door de GI betreffen. Deze mogelijkheid wordt opengesteld voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (bijvoorbeeld nabestaanden), de RvdK, de GI en de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp waar de minderjarige is geplaatst. Ook geldt voor minderjarigen die jonger zijn dan twaalf jaar een informele rechtsingang, zodat ook zij zich tot de rechter kunnen wenden als sprake is van een geschil over de uitoefening van de voogdij. Op basis van deze regeling krijgen dus ook kinderen van femicideslachtoffers en nabestaanden die hen opvoeden en verzorgen toegang tot de rechter bij geschillen over de uitoefening van de voogdij door de GI. Het bereik van de geschillenregeling is beperkt tot de genoemde groep om te voorkomen dat minderjarigen onderwerp kunnen worden van extra juridische procedures begonnen door personen die geen directe verantwoordelijkheid hebben voor de verzorging of opvoeding van het kind.
Wat betreft andere mogelijkheden voor toegang tot de rechter biedt de wet op dit moment al de mogelijkheid aan nabestaanden om de rechter te verzoeken de voogdij van een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een andere nabestaande) of een GI te beëindigen als zij – kort gezegd – menen dat de voogdij niet op een verantwoorde wijze wordt uitgeoefend en de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (artikel 1:329, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:327 en 1:328 BW). Deze mogelijkheid staat open voor bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad. Daaronder vallen onder andere grootouders, ooms en tantes en meerderjarige broers en zussen. Zij kunnen de rechter ook verzoeken om hen daarna met de voogdij te belasten (artikel 1:334, lid 1 en 2, BW). Nabestaanden kunnen daarnaast, indien zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot de minderjarige, een verzoek tot vaststelling, wijziging of ontzegging van het recht op omgang indienen bij de rechtbank (artikel 1:377a en 1:377e BW).
De wet schrijft voor dat de kinderrechter die een beslissing neemt over een minderjarige van twaalf jaar of ouder (zoals een beslissing over de voogdij), die minderjarige eerst in de gelegenheid stelt om zijn mening te geven, bijvoorbeeld tijdens een kindgesprek (artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt, in aansluiting op de huidige rechtspraktijk, voorgesteld om deze wettelijke leeftijdsgrens te verlagen naar acht jaar. Indien daar aanleiding voor is kan de rechter overigens ook minderjarigen die jonger zijn dan acht jaar in de gelegenheid stellen hun mening kenbaar te maken.
Welke mogelijkheden ziet u om de regels dan wel de wet te wijzigen zodat kinderen en nabestaanden van femicideslachtoffers toegang krijgen tot de rechter bij geschillen over voogdij en expliciet kunnen verzoeken om (op termijn) met de voogdij te worden belast? Hoe zou hierbij de de stem en inspraak van kinderen geborgd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke mogelijkheden zijn er om te borgen dat in gevallen waarin kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld en in het bijzonder van partnerdoding of een poging daartoe, het Openbaar Ministerie ook vervolgt wegens kindermishandeling?
De beleidsregels van het Openbaar Ministerie zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in onder meer de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna: Aanwijzing). In algemene zin gaat de Aanwijzing uit van de bescherming van kwetsbaren, waaronder kinderen, en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de veiligheid binnen het gezin. Op dit moment is niet in een beleidsregel van het Openbaar Ministerie expliciet opgenomen dat getuige zijn van huiselijk geweld en/of (een poging tot) partnerdoding leidt tot strafrechtelijke vervolging wegens kindermishandeling. De in de vraag benoemde waarborging ligt in het in de Aanwijzing opgenomen uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie in een concrete zaak kan vervolgen wegens kindermishandeling in voornoemde gevallen, afhankelijk van de feiten, omstandigheden en de bewijsbaarheid. Het Openbaar Ministerie kan overigens ook ambtshalve vervolgen, behoudens in het geval van klachtdelicten.
Hoe beoordeelt u de wens uit de praktijk om te komen tot een protocol waarin wordt vastgelegd waar kinderen van femicideslachtoffers verblijven en waarin tevens een verplichting wordt opgenomen voor de Raad voor de Kinderbescherming om, indien dit in het belang van het kind is, het contact met de familie van de vermoorde moeder in stand te houden en zich daar actief voor in te zetten?
In het kader van de aanbevelingen uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» wordt gekeken naar de werking en mogelijke verbetering van het bestaande Handelingsprotocol omgang na partnerdoding. Daarin nemen wij deze wens uit de praktijk mee. Zoals in de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 is aangegeven, zal de Minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer voor de zomer een bredere reactie op dit aanpakplan toesturen.
In hoeverre acht u het van belang dat rechters die oordelen over zaken waarin sprake is van (ernstig) huiselijk geweld, dwingende controle, intieme terreur of femicide, beschikken over aantoonbare en specialistische kennis op dit terrein? Hoe verhoudt dit belang zich tot de constatering in het recente rapport van de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence, dat voor rechters en officieren van justitie geen verplichte scholing bestaat op dit onderwerp?4 Op welke wijze sluit het voornemen van de Raad voor de rechtspraak, zoals opgenomen in het jaarplan 2026, om te investeren in kennis over femicide en intieme terreur hierbij aan?5
Wij achten het van belang dat de rechters die oordelen over zaken waarin vormen van (ernstig) huiselijk geweld spelen, beschikken over de juiste kennis hierover. Uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» door het Verwey-Jonker Instituut volgt dat kennis over huiselijk geweld en geweldspatronen tot de algemene basiskennis van (familie)rechters zou moeten behoren. Dit is onderdeel van het verbeterplan waar in de vraag naar wordt verwezen, dat onder meer ziet op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter. Daarnaast ziet het verbeterplan ook op deskundigheidsbevordering binnen alle rechtsgebieden van de rechtspraak en van officieren van justitie. Hierover worden momenteel gesprekken gevoerd met de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. De scholing van rechters en officieren van justitie is ook onderdeel van deze gesprekken. De Rechtspraak is momenteel in samenwerking met SSR, het opleidingsinstituut van zowel de rechtspraak als het Openbaar Ministerie, het cursusaanbod over huiselijk geweld aanzienlijk aan het uitbreiden.
Zoals hiervoor aangegeven, wordt de Tweede Kamer voor de zomer nader geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Bent u voornemens deze bijscholing verplicht te stellen en, zo ja, op welke termijn? En zo nee: hoe voorkomt u dat scholing vrijblijvend blijft en vooral wordt gevolgd door rechters die hier al affiniteit mee hebben?
Zie antwoord vraag 12.
Het buiten beeld blijven van bijtincidenten door politiehonden bij het Landelijk Meldpunt tegen hondenbeten. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten? Wat is uw reactie op deze beelden?1
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) als doel heeft gesteld om het aantal hondenbeten te verminderen, omdat deze «heftig» zijn en «grote gevolgen hebben voor zowel het slachtoffer als betrokkenen»?2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat hondenbeten door politiehonden tot dusverre niet worden geregistreerd, ondanks de grote gevolgen voor betrokkenen?3
Ja, daarbij merk ik wel op dat iedere geweldsaanwending door de politie wordt geregistreerd, vastgelegd en beoordeeld op rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Ook de inzet van een politiehond als geweldsmiddel wordt geregistreerd en beoordeeld. Leren van geweld is een belangrijk doel van deze procedure van melden en beoordelen van geweld. Jaarlijks publiceert de politie een rapportage met verschillende cijfers over geweldsaanwendingen. Ook zijn in deze rapportage cijfers opgenomen over het aantal keren dat een diensthond als geweldsmiddel is ingezet.4 De jaarrapportages dragen eraan bij dat de politie op een transparant en verantwoordelijke manier omgaat met het geweldsmonopolie.
Specifiek over politiehonden, houdt de politie dus wel cijfers bij over het aantal keer dat een politiehond wordt ingezet als geweldsmiddel. De politie registreert echter geen cijfers over het aantal politiemedewerkers, arrestanten of omstanders die gewond raken door een inzet van politiehonden.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van LVVN graag inzicht wil krijgen in de omvang van het probleem van hondenbeten en daarom vorige week een landelijk meldpunt heeft gelanceerd?
Ja.
Kunt u aangeven of het aantal hondenbeten door politiehonden expliciet wordt meegenomen in dit landelijke meldpunt tegen hondenbeten? Indien dit niet het geval is, bent u dan bereid om de politie op te roepen om deze gegevens alsnog bij te houden en te delen? Zo nee, waarom niet?
Het aantal hondenbeten door politiehonden wordt niet expliciet meegenomen in het landelijk meldpunt. Hoewel alle incidenten gemeld kunnen worden, is het landelijk meldpunt primair gericht op bijtincidenten die plaatsvinden door honden van burgers en niet op beten door politiehonden wanneer zij worden ingezet als geweldsmiddel door de politie. Het doel van het meldpunt is inzicht krijgen in de aard en de omvang van bijtproblematiek in Nederland, om beleid te maken dat goed aansluit op de praktijk. Aanvullende informatie over de inzet van politiehonden als geweldsmiddel en eventuele beten die plaatsvinden in die context is niet noodzakelijk om dit doel te bereiken. Ik zie dan ook geen reden om de politie op te roepen om in dit kader deze gegevens bij te houden en te delen.
Erkent u dat politiehonden tijdens hun inzet geregeld worden geconfronteerd met stressvolle en gevaarlijke situaties, waarbij het niet te voorkomen is dat geweld tegen de honden wordt gebruikt, ze gewond raken, pijn lijden of zelfs komen te overlijden?
In het domein politiehonden van de politie staat dierenwelzijn voorop tijdens de training en de verzorging van de honden. Tijdens operationele inzetten wordt zo veilig mogelijk gewerkt. Indien de inzet van de politiehond niet verantwoord is, worden andere tactische keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan dierenleed nooit volledig worden uitgesloten. Net als politiemedewerkers, lopen politiehonden en hun begeleiders bij een inzet het risico om blootgesteld te worden aan geweld.
Kunt u bevestigen dat het voorzien van een comfortabele en veilige omgeving voor dieren, het zorgen voor een goede gezondheid en het voorkomen van pijn een belangrijk onderdeel is van de Wet dieren?
Ja. De Wet dieren voorziet in regels ter bescherming van het welzijn van dieren.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Vanuit de Koers Politiehonden5 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Een politieagent die werd aangevallen door een politiehond. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Kunt u bevestigen dat het vanuit de Arbeidsomstandighedenwet belangrijk is om werknemers en derden te beschermen tegen gevaren?
Ja, Artikel 3 van de Arbowet schrijft voor dat de werkgever zorgt voor veilige en gezonde werkomstandigheden voor alle werknemers. Als het werk ook gevaar kan opleveren voor anderen in of rond het bedrijf, neemt de werkgever maatregelen om dat te voorkomen (art. 10 Arbowet).
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden een zeer zwaar geweldsmiddel is, zoals ook aangegeven door de politie, en tevens een onvoorspelbaar geweldsmiddel is, gezien de incidenten?2 Zo nee, waarom niet?
Politiehonden worden breed ingezet in het politiewerk, zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Een hond is een levend wezen en dat brengt onvoorspelbaarheid met zich mee. Die onvoorspelbaarheid wordt zoveel mogelijk beperkt door selectie, intensieve opleiding, certificering, voortdurende training van de hond en de geleider, en operationele regie.
Het inzetten van politiehonden om te bijten, is een zwaar geweldsmiddel. Voor de inzet van een politiehond als geweldsmiddel gelden dan ook strenge regels. Ten behoeve van de uniformiteit en voorspelbaarheid, zijn er bovendien landelijke professionele standaarden vastgesteld voor die gevallen waarin een politiehond daadwerkelijk wordt ingezet om te bijten. Deze standaarden vormen de basis voor het onderwijs aan hondengeleiders. Van hondengeleiders wordt verwacht dat zij in alle gevallen een zorgvuldige afweging maken, alvorens de politiehond in te zetten als geweldsmiddel.
Kunt u bevestigen dat de Arbeidsomstandighedenwet voorschrijft dat de werkgever de arbeid zodanig moet organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1a)?
Ja, de werkgever moet zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden. Hij dient het werk zo aan te passen dat het geen schade toebrengt aan de veiligheid of gezondheid van werknemers.
Kunt u bevestigen dat de gevaren en risico’s zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of beperkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1b)?
Ja, de werkgever heeft een zorgplicht naar zijn werknemers. Dit betekent dat hij de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers dient te beschermen. Als dit niet mogelijk is, dient de werkgever andere doeltreffende maatregelen te treffen. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming. Collectieve bescherming heeft tot doel alle werknemers in een bepaalde omgeving of situatie te beschermen, zonder dat individuele maatregelen nodig zijn. Individuele bescherming heeft tot doel een individuele werknemer te beschermen tegen specifieke risico’s, wanneer collectieve maatregelen onvoldoende zijn of niet mogelijk zijn. In de Arbowetgeving (art. 4.4 Arbobesluit) is dit aangeduid als de arbeidshygiënische strategie.
Kunt u aangeven of en hoe de politie (periodiek) evalueert of en in welke mate de inzet van politiehonden gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening noodzakelijk is, ondanks de nadelige invloed op de veiligheid van de werknemers?
Vanuit de Koers Politiehonden3 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Daarnaast wordt er momenteel een brede evaluatie uitgevoerd over alle geweldsmiddelen waarover politiemedewerkers in de basispolitiezorg beschikken. In dat kader worden verschillende aspecten van elk geweldsmiddel onderzocht. Ook de politiehond als geweldsmiddel maakt onderdeel uit van de evaluatie, waaronder de veiligheid van een politiemedewerker bij de inzet van een hond.
Bent u ermee bekend dat op eerdere Kamervragen over een politiehond die werd neergeschoten nadat die zich tegen het eigen arrestatieteam keerde, de Minister van Justitie en Veiligheid aangaf dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Indien een politieambtenaar onbedoeld door een hond wordt gebeten, wordt dit geregistreerd als een dienstongeval. Het aantal dienstongevallen wordt door de politie geregistreerd. Daarbij wordt ook de aard van het ongeval vermeld. Als een ongeval is veroorzaakt bij de inzet van een diensthond, wordt de betreffende ongevalsmelding voorzien van het label «diensthond». Daarmee voldoet de politie aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 9, lid 1 en 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Niet alle details van een concreet voorval worden echter nader gespecificeerd, of als zodanig geregistreerd. Uit het systeem is dan ook niet af te leiden of in een concreet dienstongeval een bijtincident betrof of een ander incident is waarbij de diensthond betrokken is geweest. Denk aan het oplopen van vingerletsel door de hondenriem of lichamelijke klachten door onverwachte bewegingen van de hond. Daardoor is het niet mogelijk om op basis van de geregistreerde arbeidsongevallen waarbij een diensthond betrokken was, aan te geven hoeveel bijtincidenten er hebben plaatsgevonden.
Hoe verhoudt dit zich tot artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet, die voorschrijft dat een werkgever een lijst moet bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat werkgevers onder de Arbeidsomstandighedenwet verplicht zijn om risico’s vooraf goed in kaart te brengen en een plan op te stellen om ongelukken en schade waar mogelijk te voorkomen?4
Ja. Werkgevers zijn op basis van artikel 5 van de Arbowet verplicht een Risico Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) op te stellen waarin ze de arbeidsrisico’s in kaart brengen en in het plan van aanpak maatregelen opschrijven en uitvoeren om deze risico’s te minimaliseren.
Kunt u aangeven of er een plan is opgesteld om politieagenten die in aanraking komen met politiehonden te beschermen tegen mogelijke schade en in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit de Arbeidsomstandighedenwet?
De politie is volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een RI&E op te stellen waarin alle operationele arbeidsrisico’s zijn opgenomen waar politiemedewerkers mee in aanraking kunnen komen binnen de taakstelling van de functie. Dit geldt ook voor de operationele arbeidsrisico’s omtrent politiehonden.
De politie traint politiemedewerkers die gaan samenwerken met de politiehondengeleiders tijdens de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) en Operationele Begeleiding en Training (OBT). Daarbij is er ook aandacht voor de risico’s van het werken met politiehonden. Daarnaast heeft een Team Surveillancehonden (TSH) van de politie aanvullende trainingsdagen. Wanneer er onverhoopt een bijtincident plaatsvindt bij een politiemedewerker, is de benodigde behandeling afhankelijk van de verwonding. Indien nodig verricht de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een ongevalsonderzoek naar aanleiding van een melding.
De politie heeft waar andere politiemedewerkers (zoals de Mobiele Eenheid) in directe samenwerking optreden met politiehonden(geleiders) aandachtspunten opgenomen in de betreffende RI&E’s. Ook geven hondengeleiders aan dat sommige situaties onvermijdelijk zijn, gezien het werken met dieren en de onverwachte situaties waarin politiemedewerkers terecht in kunnen komen. Dit is een door de politieorganisatie aanvaard risico.
De RI&E’s binnen de politie zijn opgesteld en getoetst door arbokerndeskundigen conform de eisen van de Arbeidsomstandighedenwet.
Kunt u aangeven of de politie een Risico Inventarisatie en Evaluatie heeft opgesteld waarin expliciet is opgenomen hoe alle agenten die in aanraking komen met politiehonden worden beschermd tegen bijtincidenten? Kunt u aangeven in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit Arbeidsomstandighedenwet?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid om met de Minister van J&V en de politie in overleg te treden om te kijken hoe politieagenten en derden beter kunnen worden beschermd tegen (ernstige) verwondingen door beten van politiehonden? Zo nee, waarom niet?
Het politiehondendomein is volop in ontwikkeling. Er is veel aandacht voor het dierenwelzijn in de Koers Politiehonden. Zo heeft de richtlijn «aangelijnd werken» sinds 2023 geleid tot het terugdringen van ongewilde bijtincidenten. Ook is er tijdens de training en opleiding veel aandacht voor intervisie en het uitwisselen van ervaringen om de inzet van politiehonden te verbeteren. Daarnaast worden er verkenningen uitgevoerd met een muilkorf die op afstand kan worden afgeworpen met een afstandsbediening waarover de hondengeleider beschikt. Dit zou in de toekomst kunnen leiden tot een verdere daling van het aantal ongewilde bijtincidenten. Op dit moment is er geen aanleiding om hierover in overleg te treden.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zoals hierboven is aangegeven wordt er vanuit de Koers Politiehonden samengewerkt met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
In verband met de leesbaarheid zijn sommige vragen samengevoegd. Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Ernstige verwondingen, ontbrekende registratie en risico’s bij de inzet van politiehonden. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Heeft u er kennis van genomen dat een student van de Radboud Universiteit, nadat deze door een politiehond werd gebeten, twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen, vijf keer is geopereerd, vijf maanden heeft moeten herstellen, en levenslang is misvormd?2 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik betreur dat deze persoon deze mate van letsel heeft opgelopen.
Kunt u bevestigen dat het vooraf nooit met zekerheid is in te schatten hoe een hond in een hoogstressvolle situatie reageert, wie wordt gebeten, en welke verwondingen daarbij worden toegebracht?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren herhaaldelijk is gebleken dat politiehonden in stressvolle situaties onvoorspelbaar gedrag vertonen, wat leidt tot onbedoelde bijtincidenten en (ernstige) verwondingen?
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden daarmee kan worden aangemerkt als een zeer zwaar en onvoorspelbaar geweldsmiddel? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord om een geweldsmiddel in te zetten waarbij er een hoge onzekerheid is hoeveel schade er wordt aangericht en aan wie? Zo ja, waarom?
Herinnert u zich dat u in eerdere in antwoorden op Kamervragen hebt aangegeven dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers, arrestanten of omstanders gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Ik hecht eraan om het proces van melden, registreren en beoordelen van geweld nader toe te lichten.
Iedere politieambtenaar die geweld heeft gebruikt maakt daarvan een registratie in het systeem Basisvoorziening Handhaving (BVH). Behalve de aard en de gevolgen van het gebruikte geweld, wordt ook vastgelegd van welk geweldsmiddel eventueel gebruik is gemaakt. Naast deze schriftelijke vastlegging, wordt de geweldsaanwending door de betreffende politiemedewerker ook mondeling gemeld bij de hulpofficier van justitie, waarbij ook de feiten en de omstandigheden van het geval worden besproken. Dit vindt plaats binnen de betreffende politie-eenheid.
Vervolgens beoordeelt de hulpofficier van justitie of er aanleiding bestaat om nader te laten onderzoeken of de geweldsaanwending voldeed aan het toetsingskader. Als hij geen aanleiding ziet voor nader onderzoek, dan maakt de hulpofficier van justitie een «geweldsmutatie» op. Indien de geweldsaanwending naar het oordeel van de hulpofficier van justitie wél nader moet worden onderzocht, dan maakt hij of zij een «geweldsregistratie» op. Van bepaalde geweldsaanwendingen moet altijd een geweldsregistratie worden opgemaakt, bijvoorbeeld na vuurwapengebruik of na ernstig letsel. Iedere geweldsregistratie wordt vervolgens in het beoordelingsproces gebracht. In de kern houdt dat in dat de politiechef, na een advies van het sectorhoofd en een onafhankelijke commissie, beoordeelt of het gebruikte geweld voldeed aan de eisen van professionaliteit.
Uit het voorgaande volgt dat iedere geweldsaanwending door de politie wordt geregistreerd, vastgelegd en beoordeeld op rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Dat geldt dus ook voor een geweldsaanwending waarbij een politiehond is betrokken. Leren van geweld is een belangrijk doel van deze procedure van melden en beoordelen van geweld.
Jaarlijks publiceert de politie een rapportage met verschillende cijfers over geweldsaanwendingen.4 De jaarrapportages dragen eraan bij dat de politie op een transparant en verantwoordelijke manier omgaat met het geweldsmonopolie. Ook zijn in de rapportage cijfers opgenomen over het aantal keren dat een diensthond als geweldsmiddel is ingezet. Deze cijfers worden gebaseerd op het aantal BVH-registraties dat is opgemaakt van inzetten van een politiehond als geweldsmiddel. Hoewel de BVH-geregistreerde cijfers op zichzelf niet direct inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn geweest van de inzet van een politiehond als geweldsmiddel in een concreet geval, zijn deze gevolgen en andere relevante informatie wel degelijk opgenomen bij de BVH-registratie. En ook bij de beoordeling van een geweldsaanwending waarbij een politiehond is ingezet, worden relevante feiten en de gevolgen van het geweldgebruik uiteraard betrokken.
Kunt u bevestigen dat werkgevers op basis van artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet een lijst moeten bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, ziekenhuisopname of verzuim van meer van drie werkdagen? Kunt u bevestigen dat deze verplichting ook voor de politie geldt?
Ja.
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht verschaffen van de bijtincidenten met politiehonden in de afgelopen vijf jaar die hebben geleid tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover het gaat over het aantal keer inzetten van een politiehond als geweldsmiddel en gevolgen van burgers daarvan, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Indien een hond onbedoeld een politieambtenaar bijt, vindt registratie plaats van een dienstongeval. Het aantal dienstongevallen worden, net als ongewilde schoten, door de politie geregistreerd. De registratie vermeldt ook de aard van het ongeval. Als een ongeval is veroorzaakt bij de inzet van een diensthond, wordt de betreffende ongevalsmelding voorzien van het label «diensthond». Daarmee voldoet de politie aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 9, lid 1 en 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Niet alle details van een concreet voorval zijn echter nader te specificeren, of als zodanig te registreren. Uit het systeem is dan ook niet af te leiden of in een concreet dienstongeval een bijtincident betrof of een ander incident is waarbij de diensthond betrokken is geweest. Denk aan het oplopen van vingerletsel door de hondenriem of lichamelijke klachten door onverwachte bewegingen van de hond. Daardoor is het niet mogelijk om op basis van de geregistreerde arbeidsongevallen waarbij een diensthond betrokken was, aan te geven hoeveel daarvan bijtincidenten betreffen met (ernstig) letsel tot gevolg.
Bent u ermee bekend dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onlangs een landelijk meldpunt tegen hondenbeten heeft gelanceerd, met als doel inzicht te krijgen in hoeveel en wat voor bijtincidenten per jaar plaatsvinden?
Ja.
Deelt u de mening dat inzicht in het totale aantal bijtincidenten door politiehonden relevant is om een volledig beeld te krijgen van hondenbeten en om de proportionaliteit van de inzet van politiehonden te kunnen beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om de politie te verzoeken om deze gegevens voortaan structureel te registreren? Bent u bereid om deze gegevens periodiek met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u zich ervan bewust dat de inzet van politiehonden daarnaast ook nog eens grote welzijnsrisico’s voor de honden zelf met zich meebrengt, zoals extreme stress en verwondingen die zelfs kunnen leiden tot de dood?4
In het domein politiehonden van de politie staat dierenwelzijn voorop tijdens de training en de verzorging van de honden. Tijdens operationele inzetten wordt zo veilig mogelijk gewerkt. Indien de inzet van de politiehond niet verantwoord is, worden andere tactische keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan dierenleed nooit volledig worden uitgesloten. Net als politiemedewerkers, lopen politiehonden en hun begeleiders bij een inzet het risico om blootgesteld te worden aan geweld.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Vanuit de Koers Politiehonden6 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
In verband met de leesbaarheid zijn sommige vragen samengevoegd. Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Het Dienstencentrum van de politie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Dienstencentrum van de politie en de rol die dit centrum vervult bij facilitaire dienstverlening, waaronder catering en inkoop?
Ja, ik ben bekend met het politiedienstencentrum (PDC). Bij het PDC komen alle takken van de bedrijfsvoering samen, zoals HRM, Communicatie, ICT, Verwerving, Facility Management en Financiën.
Kunt u een volledig en actueel overzicht geven van alle leveranciers waarmee het Dienstencentrum van de politie momenteel samenwerkt?
Een volledig en actueel overzicht van alle leveranciers waarmee het PDC
samenwerkt kent juridische en praktische beperkingen en brengt bovendien veiligheidsrisico’s met zich mee. Op onderdelen gaat het om gevoelige informatie. Openbaarmaking kan de kans op beveiligingsincidenten vergroten en strategische keuzes van politie ondermijnen. Dit geldt eveneens voor een volledig en actueel overzicht van alle lopende contracten die door het politiedienstencentrum zijn afgesloten.
Verwerving van producten, diensten en werken vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders, waarbij rekening moet worden gehouden met de deels vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten. Dit brengt wettelijke belemmeringen met zich mee bij het samenstellen van een volledig overzicht. Daar waar geen sprake is van vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten, zijn de leveranciers waar politie mee samenwerkt publiekelijk te vinden via het aanbestedingsplatform TenderNed.
Kunt u per leverancier aangeven:
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle lopende contracten die door of via het Dienstencentrum van de politie zijn afgesloten, inclusief einddata en eventuele verlengingsopties?
Zie antwoord op vraag 2. Een overzicht van alle lopende contracten is vanwege meerdere redenen niet deelbaar. Veel informatie is echter wel publiekelijk beschikbaar. Aangezien de vervolgvragen zich voornamelijk toespitsen op catering, ga ik daar nader op in. Wat betreft catering bij operationele inzet is een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Voor de bedrijfsrestaurants en banqueting is ook een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Wat betreft de onbemande catering is een raamovereenkomst met één partij gesloten. Tevens is er een landelijk contract voor warme dranken automaten. Op alle politielocaties is gratis koffie, thee en gekoeld water beschikbaar.
De raamovereenkomsten voor eten en drinken hebben doorgaans een contractduur van 4 jaar. Per 1 februari 2026 zijn de nieuwe raamovereenkomsten voor operationele catering ingegaan. De nieuwe overeenkomsten voor bedrijfsrestaurants en banqueting gaan in na definitieve gunning, in afwachting van de bezwaartermijn.1
Welke aanbestedingen zijn op dit moment lopende of recent afgerond door het Dienstencentrum van de politie, en welke financiële omvang vertegenwoordigen deze aanbestedingen?
De politie publiceert haar lopende en recent afgeronde aanbestedingen via TenderNed, daar waar het geen gevoelige informatie betreft. Via TenderNed wordt gecommuniceerd over de verschillende aanbestedingen en de fase van de betreffende aanbesteding. Ook geeft politie jaarlijks inzicht in het verwervingsportfolio, om bedrijven de gelegenheid te geven te anticiperen op verwachte aanbestedingen door de Politie, zo ook voor 2026.2 Momenteel lopende aanbestedingen zijn bijvoorbeeld bodycams en toebehoren, voertuig-ICT, tolkdiensten op afstand, motorlaarzen en de basispolitievoertuig personenbussen.
In het laatste kwartaal van 2025 heeft politie onder andere aanbestedingen afgerond op het gebied van levering vliegtuigbrandstoffen Texel (maximale waarde: € 750.000), catering operationele inzet (maximale waarde per perceel: € 5.900.000), sportmedisch onderzoek (maximale waarde: € 1.080.000) en interieurbeplanting (maximale waarde: € 4.800.000).
Op basis van welke criteria (prijs, kwaliteit, duurzaamheid, sociale voorwaarden) worden deze aanbestedingen beoordeeld?
De Aanbestedingswet-2012 kent drie gunningscriteria: de beste prijs-kwaliteitsverhouding, de laagste prijs en de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit. De beoordelingscriteria verschillen per aanbesteding, afhankelijk van de aspecten waarop opdrachtnemers zich van elkaar kunnen onderscheiden. In iedere aanbesteding wordt het beoordelingskader, inclusief de (onderlinge) weging van de verschillende criteria, vooraf met geïnteresseerde opdrachtnemers gedeeld.
Voor de sector Facilitaire Services – waar de categorie eten en drinken deel van uitmaakt – hanteert politie criteria als doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid.
Klopt het dat politieagenten op politielocaties momenteel circa € 3,00 betalen voor een flesje spa/blauw en circa € 15,00 voor een lunchpakket? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze prijzen tot stand zijn gekomen en welke contractuele afspraken hieraan ten grondslag liggen? Zo nee, hoe ziet dit er dan uit?
De genoemde bedragen zijn niet correct. Bij operationele inzet zijn lunchpakketten en flesjes water voor rekening van de werkgever. Hierbij gaat het om het standaard lunchpakket à € 5,57 of de luxe variant à € 7,81. Deze kosten worden niet doorbelast aan de medewerkers. Tijdens reguliere diensten hebben medewerkers de mogelijkheid om zelf een lunch mee te nemen. Hiervoor zijn koel- en opwarmmogelijkheden aanwezig.
Ook kan een medewerker gebruik maken van de bedrijfsrestaurants. In het bedrijfsrestaurant worden gevarieerde keuzes aangeboden, inclusief vegetarische en warme opties. Een lunchdeal van € 3,50 voor een volledige lunch is contractueel vastgelegd om betaalbaarheid voor medewerkers te garanderen. De prijs voor een flesje mineraalwater bedraagt € 1,30 in het bedrijfsrestaurant. Deze is ook beschikbaar in een vendingautomaat voor € 1,35. Zoals aangegeven bij vraag 4 is er tevens gratis gekoeld water beschikbaar.
Welke overwegingen hebben geleid tot het afsluiten van contracten met cateraars waarbij dergelijke prijzen worden gehanteerd voor basale consumpties?
Dergelijke prijzen zijn niet aan de orde. Bij het afsluiten van de cateringcontracten is rekening gehouden met prijs, kwaliteit en de gunningscriteria genoemd bij het antwoord op vraag 6 conform het vooraf gedeelde beoordelingskader. De contracten zijn gesloten als gevolg van een aanbestedingsprocedure binnen het geldende wettelijk kader.
Acht u deze prijsstelling passend voor medewerkers van de politie, gezien hun publieke taak en onregelmatige diensten?
De prijsstelling wordt door politie als passend beoordeeld, omdat de medewerkers gebruik kunnen maken van zelf meegenomen lunch, gebruik van het bedrijfsrestaurant, gebruik van de vendingautomaten en door de werkgever verstrekte lunch bij operationele inzet. De prijsstelling past binnen de kaders van de gevolgde aanbesteding. Bij de eisen en wensen in de aanbesteding is rekening gehouden met verschillende aspecten van goed werkgeverschap, zoals betaalbaarheid van producten voor politiemedewerkers en maatschappelijke doelen als duurzaamheid, circulariteit en het tegengaan van voedselverspilling.
In hoeverre is bij het afsluiten van deze contracten rekening gehouden met het principe van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel?
De principes van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel vormen de basis van de aanbesteding. Deze principes zijn tot uiting gebracht door te beoordelen op doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid. Goed om hierbij te vermelden is dat de gebruikerstevredenheid in 2025 een hoger cijfer heeft gehaald dan de contractueel vastgelegde doelstelling.
Zijn er binnen de huidige contracten mogelijkheden om andere prijsafspraken te maken, bijvoorbeeld door:
Door raamovereenkomsten te sluiten behaalt te politie volumekortingen, verduurzaming, ruimte voor innovatie en overige schaalvoordelen. In de bijbehorende aanbestedingen bestaat de ruimte om maximumprijzen te hanteren. Bij het sluiten van de overeenkomsten zijn door politie prijsafspraken gemaakt, waaronder de contractueel vastgelegde lunchdeal à € 3,50.
Ziet u mogelijkheden om efficiency-slagen te maken binnen de facilitaire dienstverlening van de politie, specifiek op het gebied van catering en inkoop? Zo nee, waarom niet?
Efficiëntie blijkt voor de facilitaire dienstverlening uit een zo optimaal mogelijke prijs-kwaliteit verhouding. Politie is doorlopend alert op het naleven van afspraken binnen de raamovereenkomst(en) of het – waar nodig – herijken van de raamovereenkomst(en).
Heeft het Dienstencentrum van de politie inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van cateringvoorzieningen voor de politieorganisatie?
Ja, het PDC heeft inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van de cateringvoorzieningen. Deze kosten vallen onder de dienst Facility Management, sector facilitaire services binnen het PDC, en zijn opgebouwd uit exploitatiekosten, materiaalverbruik, verstrekkingen van koffie, thee en water en overige kosten.
Hoe verhouden deze kosten zich tot vergelijkbare overheidsorganisaties of andere grote werkgevers binnen de (semi)publieke sector?
De politie geeft aan dat de aanbestedingscriteria vergelijkbaar zijn met die van andere overheidsorganisaties.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige contracten leiden tot onnodig hoge kosten voor politiepersoneel en of heronderhandeling of aanpassing wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. De huidige contracten zijn gesloten conform wettelijke kaders en richtlijnen. Politie heeft zelfstandig de van toepassing verklaarde eisen, wensen en beoordelingscriteria gesteld. Ik ben van mening dat de prijsstelling in de huidige contracten niet leidt tot onnodig hoge kosten. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 12 blijft politie doorlopend alert op efficiënte inkoop. Een heronderhandeling is niet aan de orde.
Deelt u de opvatting dat het rekenen van hoge prijzen voor basisvoorzieningen, zoals eten en drinken tijdens diensttijd, moeilijk te rijmen is met goed werkgeverschap?
Goed werkgeverschap, waaronder betaalbaarheid van producten op politielocaties, is integraal meegenomen in de contracten en daarmee prijsstelling van cateringdienstverlening. Politie acht het belangrijk dat er keuzemogelijkheden zijn voor medewerkers. Daarbij gaat het om het zelf kunnen meenemen van lunch, gratis voorzieningen bij operationele inzet, de keuze voor een lunch in het bedrijfsrestaurant tegen een gereduceerd tarief of het gebruik van een vendingautomaat.
Hoe kijkt u, in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever, aan tegen de huidige situatie en welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf als Minister?
De politie handelt verantwoordelijk in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever. Goed werkgeverschap is integraal onderdeel van de contracten in de categorie eten en drinken. Ik heb vertrouwen in de wijze waarop de politie dit aanpakt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele maatregelen die u wilt nemen om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten te verbeteren?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. Binnen de contracten in de categorie eten en drinken is het verbeteren van betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten een continu proces. Het PDC gebruikt klankbordgroepen en herijking van contracten om te zorgen dat zij steeds passende faciliteiten aanbiedt.
Aangezien de prijsstelling in de huidige contracten niet tot onnodig hoge kosten leidt, zie ik geen noodzaak om aanvullende maatregelen te treffen. Informatie over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen in algemene zin past binnen het reeds bestaande proces van begroting en jaarverantwoording.
Kunt u toezeggen dat bij toekomstige aanbestedingen explicieter wordt gestuurd op betaalbaarheid voor medewerkers en op doelmatige besteding van publieke middelen?
De betaalbaarheid is reeds onderdeel van de beoordeling bij aanbestedingen in de categorie eten en drinken. Een nog explicietere sturing op betaalbaarheid voor medewerkers is niet noodzakelijk. Doelmatige besteding van publieke middelen wordt integraal meegenomen bij alle aanbestedingen van politie.
Heeft u voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal overleg gevoerd met burgemeesters en/of de lokale driehoeken over de reële kans op ongeregeldheden en geweldplegingen? Zo ja, welke concrete risico’s zijn daarbij benoemd en welke maatregelen zijn afgesproken om de openbare orde te waarborgen?1
Nee, de maatregelen die worden getroffen voor de handhaving van de openbare orde zijn aan het lokaal gezag in de gemeente. De afweging welke maatregelen op welk moment verstandig zijn dienen in de lokale driehoek gemaakt te worden.
Is er op landelijk niveau een risicobeeld opgesteld voor deze wedstrijd, mede op basis van eerdere ervaringen met rellen na wedstrijden van Marokko? Kunt u uiteenzetten welke dreigingen daarin zijn meegenomen?
De lokale driehoek maakt op basis van de beschikbare informatie een risico-inschatting betreffende de mogelijkheid op openbare orde verstoringen.
Wordt er actief gemonitord op sociale media en berichtenapps op oproepen tot rellen, geweld of verstoring van de openbare orde in relatie tot deze wedstrijd? Zo ja, hoe worden deze signalen in de praktijk benut?
De politie heeft mogelijkheden om zowel fysiek als online, binnen de kaders van artikel 3 van de Politiewet, voorafgaand of tijdens een evenement informatie te verzamelen om een risico-inschatting te maken of, waar en wanneer er een mogelijke openbare orde verstoring kan plaatsvinden. Op basis van het informatiebeeld wordt het lokaal gezag geïnformeerd en wordt in de lokale driehoek bepaald welke inzet en maatregelen nodig zijn.
Is de beschikbare politiecapaciteit rondom de wedstrijd Marokko-Senegal voldoende om bij eventuele grootschalige ongeregeldheden snel en hard op te treden? Hoeveel extra agenten zijn landelijk extra stand-by gezet voor deze avond?
Ja, er is voldoende politiecapaciteit om, ook in het geval van eventuele grote ongeregeldheden, op te treden. De politie bepaalt lokaal op basis van het informatiebeeld rondom onder andere voetbalwedstrijden, wat de benodigde inzet is om in te kunnen spelen op diverse scenario’s die zich zouden kunnen voordoen. De politie heeft mij geïnformeerd dat daar waar nodig in de preparatie was opgeschaald. Voor deze voetbalwedstrijd was de inzet toereikend.
Is er voldoende arrestanten- en celcapaciteit beschikbaar om bij escalatie massaal te kunnen aanhouden en vasthouden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb van de politie vernomen dat het algehele beeld in het land rustig was. Op twee locaties hebben ongeregeldheden plaatsgevonden: in Amsterdam en Den Haag. Er zijn in totaal zeventien aanhoudingen verricht (negen in Amsterdam en acht in Den Haag) naar aanleiding van onder andere het afsteken van vuurwerk en belediging. Beschikbare capaciteit van politiecellen om arrestanten vast te zetten speelde geen rol bij de keuze om over te gaan tot aanhoudingen.
Kunt u aangeven wat het Openbaar Ministerie (OM), als er sprake is van grootschalige escalatie, doet met vervolgingen? Kunt u garanderen dat dit adequaat en naar behoren wordt opgepakt? Kunt u hier dan ook een terugkoppeling van geven?
De keuzes betreffende vervolging worden gemaakt door het Openbaar Ministerie, ook in het geval van grootschalige escalatie. Bij de vervolgingsbeslissing houdt de officier van justitie er onder meer rekening mee of het feit bewezen kan worden en vervolging opportuun is.
Welke specifieke preventieve en repressieve maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het voor of na de wedstrijd opnieuw uit de hand loopt, zoals bij eerdere gelegenheden? Betreft dit onder meer gebiedsverboden, noodbevelen, inzet van Mobile Eenheid, cameratoezicht, fouilleeracties en het afsluiten van stadscentra?
De gemeenten Den Haag en Amsterdam hebben mij geïnformeerd dat ter voorbereiding op de voetbalwedstrijd Marokko-Senegal een aantal preventieve maatregelen zijn getroffen. Dit is in nauwe samenwerking geweest met maatschappelijke partners, ondernemers en bewoners. Op basis van de risico-inschatting zijn extra tijdelijke «openbare orde camera’s» en aanvullende verlichting geplaatst op aangewezen locaties. Ook is de politie-inzet tijdelijk opgeschaald. Ter ondersteuning van de openbare orde is in Den Haag door de politie een verkeerscirculatieplan opgesteld, dat is uitgevoerd met de inzet van verkeersregelaars. Tevens zijn er tijdens de wedstrijd extra buurthuizen opengesteld om bewoners een alternatief te bieden om gezamenlijk de voetbalwedstrijd te kijken en de druk op de openbare ruimte te verminderen. Na afloop van de wedstrijd zijn er in beide gemeenten buurtvrijwilligers herkenbaar de straat op gegaan om medebewoners aan te spreken op eventueel onwenselijk gedrag en de-escalerend te handelen waar nodig.
Kunt u in het geval van ongeregeldheden de Kamer volledig te informeren over het aantal incidenten, aanhoudingen, geweldsdelicten en de schade aan openbare eigendommen?
De politie heeft mij geïnformeerd dat één vuilcontainer in brand is gestoken in Amsterdam. Hier is ook iemand voor aangehouden. Zie verder ook het antwoord bij vraag 5.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal beantwoorden, zodat duidelijk is of Nederland daadwerkelijk voorbereid is op mogelijke ordeverstoringen?
De beantwoording in de verzochte termijn is helaas niet gelukt.
Groene boa’s |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat er diverse groene buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) geen verlenging krijgen voor het gebruik van het dienstpistool omdat dienst Justis stelt dat er een aparte aanwijzing nodig zou zijn door de provincie?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onverantwoordelijk is om een groene boa op pad te sturen zonder dienstwapen, ook gezien het oordeel van de rechter dat het aannemelijk is dat op het moment dat je belast bent met handhaving van onder andere wildstroperij het aannemelijk is dat je met vuurwapens geconfronteerd kunt worden?1
Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa, zoals vastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning van geweldsmiddelen, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak. Boa’s uit Domein II, waaronder de groene boa’s, kunnen ook de beschikking krijgen over een vuurwapen. Om aanspraak te maken op een vuurwapen dient te worden vastgesteld dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt te verkeren dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de handhaving van gewapende stroperij op basis van de Omgevingswet. In dat geval dient de boa door gedeputeerde staten van de betreffende provincie, als bestuursorgaan belast met de handhaving van stroperij, te zijn aangewezen. De provincies zijn dus aan zet om de boa’s aan te wijzen. Ik heb, vanwege het belang dat uw Kamer en ik hieraan hechten, zoals ook blijkt uit de motie van de leden Michon-Derkzen en Boswijk2, de provincies hier expliciet op gewezen en zij zijn hier actief mee aan de slag gegaan. Zo zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies van het Interprovinciaal Overleg (IPO) geïnformeerd. Het IPO heeft mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is.
Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behoren en kan de boa niet op basis van deze feiten aanspraak maken op een vuurwapen. De boa is in dat geval niet bevoegd en dient zich terug te trekken uit de situatie en de politie in te schakelen.
Kunt u uitleg geven waarom groene boa's niet meer bevoegd zijn voor de handhaving van natuurwetgeving, conform de Omgevingswet, nu de uitvoeringsinstantie van het ministerie, de dienst Justis, stelt dat een aparte aanwijzing noodzakelijk is?
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de boa’s die voor het handhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om de boa’s aan te wijzen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, heb ik de provincies hier expliciet op gewezen en zijn zij hier actief mee aan de slag gegaan.
Waarom laat u deze bevoegdheid bij de provincies, zoals geschetst in de Kamerbrief, en neemt hij niet zelf, mogelijk in samenspraak met de Minister van Natuur en Stikstof, een aanwijzing Rijksbesluit conform artikel 18.6 Omgevingswet, waardoor alle groene Boa's bevoegd zijn?
Op basis van de Omgevingswet kan enkel gedeputeerde staten deze aanwijzing geven. De provincies zijn de regisseurs van het groene domein. Zij bepalen vanuit die verantwoordelijkheid hoe en door wie er handhavend dient te worden. Indien zij het noodzakelijk achten dat er handhavend wordt opgetreden tegen gewapende stroperij kunnen zij een boa een aanwijzing geven. Zoals hierboven ook aangegeven heb ik de provincies hier expliciet op gewezen, zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies van het IPO geïnformeerd en heeft het IPO mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is.
Hoelang duurt het voor dat u maatregelen gaat nemen voor dit urgente probleem, nu er diverse beroepszaken lopen waarbij groene boa's geen dienstpistool krijgen toegekend en anderen onbevoegd zouden zijn?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 2, werk ik momenteel aan het aanpassen van de Beleidsregels boa om ervoor te zorgen dat de criteria voor de toekenning van geweldsmiddelen worden verduidelijkt en er minder discussie ontstaat. De nieuwe criteria zien op de in de akte vastgelegde rol en taak op basis van de bevoegdheden van de boa in plaats van op vastgelegde incidenten en eventuele situaties waarbij bewapening wenselijk was (de zogenaamde kan-bepaling). Niet het aantal processen-verbaal, maar de rol en taak van de boa zullen leidend zijn in de afweging voor toekenning van geweldsmiddelen. Ik ben voornemens de aangepaste beleidsregels begin 2026 te publiceren en in te laten gaan.
De aanhouding van de moeder van Jalal Oba |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de moeder van Jalal Oba, een oudere vrouw, door de politie is aangehouden onder omstandigheden die volgens haar familie onnodig hard en disproportioneel waren?1
Ja.
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba door de politie is aangehouden? Zo ja, kunt u bevestigen wanneer, waar, en onder welke omstandigheden deze aanhouding heeft plaatsgevonden?
Klopt het dat deze aanhouding heeft plaatsgevonden zonder duidelijke aanleiding en dat er sprake lijkt te zijn geweest van een buitenproportionele inzet van politiecapaciteit? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Wat was de concrete aanleiding tot de aanhouding? Kunt u aangeven of er sprake was van een verdenking? Zo ja, op grond van welk wetsartikel?
Kunt u uitsluiten dat bij deze aanhouding sprake was van etnisch profileren, bewuste targeting of een vooringenomen houding tegenover mensen met een migratieachtergrond?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. Ik heb vertrouwen in de manier waarop politiemedewerkers hun taken uitvoeren. Zij doen hun werk op zorgvuldige en professionele wijze zonder daarbij onderscheid te maken tussen iemands afkomst, geloof of levensovertuiging. De Grondwet geldt hierbij als uitgangspunt en vormt het fundament voor de beroepsidentiteit van alle medewerkers. Ik zie geen reden om hieraan te twijfelen.
Klopt het dat de aanhouding op indringende wijze heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt u toelichten waarom dat noodzakelijk werd geacht?
Op basis van welke informatie of verdenking meende de politie te moeten overgaan tot arrestatie van een oudere vrouw? Kunt u de exacte juridische grondslag van het optreden toelichten?
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba bij de aanhouding in een situatie terechtkwam die mogelijk een gevaar opleverde voor haar gezondheid en veiligheid? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren en hoe wordt dit onderzocht?
Is de politie bij deze aanhouding afgeweken van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals voorgeschreven in de Ambtsinstructie? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. De politie is bevoegd om geweld te gebruiken als dat nodig is om haar doel te bereiken. Geweld is het ultimum remedium en wordt, indien mogelijk, pas aangewend als de-escalatie en waarschuwen niet afdoende zijn voor het bereiken van het beoogde doel. Daarbij is de politie gehouden aan de geweldsinstructie, vastgelegd in de Politiewet en de Ambtsinstructie, waarin ook de verplichting is opgenomen om iedere geweldsaanwending ter toetsing te melden. Bij elk optreden is het uitgangspunt dat de politie probeert een situatie zonder gebruik van geweld tot een goed einde te brengen (de-escalatie). De politie past alleen geweld toe in situaties waarin zij daartoe genoodzaakt is, als laatste redmiddel. Er gelden strenge regels voor het gebruik van geweld. Zo mag de politie bij het aanwenden van geweld niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken.
De wet- en regelgeving voorziet in verschillende procedures voor een onafhankelijk en onpartijdige beoordeling van een concrete geweldsaanwending door de politie. In de afgelopen maanden zijn deze procedures meermaals onder de parlementaire aandacht gebracht, met name in een aantal sets Kamervragen. Voor een uitgebreider overzicht van de in Nederland geldende procedures na politiegeweld, de specifieke kenmerken ervan en de kwaliteitswaarborgen die daarvoor gelden, verwijs ik u naar de beantwoording van betreffende Kamervragen.2
Is de moeder van Jalal Oba na de aanhouding gehoord en/of heengezonden zonder verdere maatregelen? Kunt u toelichten wat de uitkomst van de procedure was?
Zijn er klachten ingediend over de wijze van optreden van de politie in deze zaak? Zo ja, hoe worden deze momenteel onderzocht?
Bent u bereid een onafhankelijk extern onderzoek te laten verrichten naar de rechtmatigheid én de proportionaliteit van het politieoptreden in deze zaak? Zo nee, waarom weigert u onafhankelijk toezicht?
Wat doet u om te voorkomen dat mensen, en zeker ouderen, opnieuw slachtoffer worden van mogelijk onrechtmatig politiegeweld of discriminerend politieoptreden?
De regels waaraan de politie zich op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving moet houden, in het bijzonder met betrekking tot de geweldsbevoegdheid, bieden reeds diverse waarborgen om onrechtmatig of onwenselijk handelen door de politie zoveel mogelijk te voorkomen.
Zo geldt op grond van de geweldsinstructie dat de politie gehouden is om bij iedere aanwending van geweld de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid in acht te nemen alsmede de inzetcriteria die de Ambtsinstructie verbindt aan de geweldmiddelen waarmee de politie is uitgerust. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de rechtsregels, maar ook de omstandigheden van het geval. In de afweging of het toe te passen geweld zal voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit houdt een politieambtenaar met alle feiten en omstandigheden rekening. Daaronder hoort ook de mate van kwetsbaarheid van een persoon. Daarmee wordt zoveel mogelijk rekening gehouden, passend binnen de eis dat geweld redelijk en gematigd is.
Tot slot geldt in het algemeen dat er in de politieorganisatie en bij politieambtenaren continu aandacht is voor het leren van het gebruik van geweld. Dit hoort bij het verantwoord omgaan met de bij wet toegekende geweldsbevoegdheid. De uitwerking hiervan is onder meer vastgelegd in de Stelselherziening Geweldsaanwending Opsporingsambtenaar.
Het bericht 'Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: ’Het is imagobuilding’' |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: «Het is imagobuilding»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de banner waarop de politie in uniforme dienstkleding wordt aangekondigd als «PARTNERSHIP ANNOUNCEMENT», geplaatst in een ontwerp dat duidelijk is vormgegeven in de kleuren en iconografie van de watermeloen, internationaal gebruikt als pro-Gaza-symbool?
Ik heb kennisgenomen van de online gedeelde uitingen waarin de politie in verband wordt gebracht met het Halal Village Festival en zodanig als partner wordt aangekondigd, waaronder uitingen met de door u geduide symboliek. De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en tevens onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo is de uiting met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Klopt het dat de politie een grote, officieel ingerichte wervingsstand had op het Halal Village Festival, inclusief politiebanner met agenten, geplaatst te midden van uitgesproken activistische symboliek zoals watermeloenen (veelal gebruikt als signaal van anti-Israëlisch protest), en direct naast de omstreden organisatie Islamic Relief?
De plaatsing van de politiestand naast de stand van Islamic Relief is dit jaar toeval geweest. Hiervan was de politie niet op de hoogte gesteld en ook had zij hier zelf geen hand in.
In uitingen op sociale media is de neutraliteit van de politie door de organisatie van het Halal village festival in diskrediet gebracht door een politiefoto te omlijsten met de kleuren van de Palestijnse vlag en watermeloenen. Voor het gebruik van politie-uitingen zoals het gebruik van het logo of het beeldmerk van de politie gelden regels. Voor de aankondiging met de betreffende foto was door de politie geen toestemming gegeven en deze werd op verzoek van de politie direct verwijderd.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement en weegt hierbij de neutraliteit van de politie zwaar mee. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Is deze vormgeving vooraf afgestemd, goedgekeurd of besproken met de politieleiding? Zo ja, welke overwegingen zijn gemaakt om dit beeldmateriaal te accorderen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat deze afbeelding waarin de politie wordt gepresenteerd als activist voor de anti-Israëlbeweging de de neutraliteit en geloofwaardigheid van de politie schaadt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Aangezien de politie stelt dat de afbeelding waarmee het evenement de politie als «partner» aankondigde, zonder toestemming van de politie is bewerkt; kunt u toelichten op welk moment dit de politie bekend werd, en welke acties zijn ondernomen richting de organisatoren van het Halal Village Festival?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat Islamic Relief Nederland een prominente partner was van het Halal Village Festival, en dat deze organisatie in Duitsland is aangemerkt als verlengstuk van de Moslimbroederschap, en in de Verenigde Arabische Emiraten zelfs op de terreurlijst staat?
Islamic Relief Nederland staat vermeld als partner op de pagina van het Halal Village Festival. Dit is echter niet dezelfde organisatie als Islamic Relief Worldwide.
De Islamic relief die op de beurs stond heeft in Nederland een ANBI status, wat betekent dat zij erkend wordt door de Belastingdienst en dus transparant en controleerbaar is. Voor wat betreft Islamic Relief Worldwide en Islamic Relief Deutschland heeft de Duitse Bondsregering in een officiële beantwoording aan de Bondsdag vermeld dat deze organisaties volgens haar kennis beschikken over «significante persoonlijke relaties» met de Moslimbroederschap of daarmee verbonden organisaties. De Verenigde Arabische Emiraten heeft in 2014 bericht dat Islamic Relief op een door de VAE gepubliceerde terrorisme sanctielijst is geplaatst, hetgeen door de organisatie werd betwist.
Herinnert u zich dat toenmalig Minister Kaag in 2021, na overleg met de veiligheidsdiensten, de subsidierelatie met Islamic Relief heeft beëindigd vanwege zorgen over banden met extremistische netwerken? Acht u het dan gepast dat de politie zich op een evenement presenteert pal naast deze organisatie?
In 2021 is door toenmalige Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief. Daarbij is informatie ingewonnen bij onder meer andere donoren van Islamic Relief Worldwide.
Deelt u de zorg dat de politie met haar aanwezigheid op deze beurs de indruk wekt indirect legitimiteit te verlenen aan Islamic Relief, een organisatie waar het kabinet eerder bewust afstand van nam? Zo nee, waarom niet?
Het aangaan en onderhouden van relaties en samenwerken met burgers, sleutelfiguren en maatschappelijke partners uit alle groepen in de samenleving is essentieel voor goed politiewerk. De werving op deze, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving. Het is belangrijk dat dit gebeurt op een manier die geen afbreuk doet aan de neutrale en seculiere houding van de politie.
Vindt u het wenselijk dat politiemedewerkers, zichtbaar in uniform en met het politielogo, deelnemen aan een beurs waar een organisatie staat die door diverse landen en veiligheidsinstanties in verband is gebracht met de Moslimbroederschap? Past dat volgens u binnen het integriteits- en neutraliteitskader van de politie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe beoordeelt u al het bovenstaande in het licht van de aangenomen motie Michon-Derkzen c.s. waarin de regering wordt verzocht ervoor te zorgen dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit (Kamerstuk 29 628, nr. 1284) in alle facetten wordt nageleefd?
De motie Michon-Derkzen c.s. vraagt de regering erop toe te zien dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit wordt nageleefd. Daaronder valt ook dat de politie alert is op contexten en communicatievormen die de schijn van partijdigheid kunnen wekken. De beroeps- en gedragscode vormt hierbij het uitgangspunt. Deze schrijft voor dat politiemedewerkers bij hun optreden in uniform geen uiting geven aan persoonlijke overtuigingen, religie of levensstijl. De korpsleiding ziet daarbij toe op de neutraliteit en op de juiste interpretatie en uitvoering van de beroeps- en gedragscode.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement. En weegt de neutraliteit van de politie hierbij zwaar mee. Ik zal de korpschef verzoeken te bezien of de interne toetsing- en of afwegingskaders rond publieke (wervings)optredens op evenementen voldoende houvast bieden om dit soort situaties te voorkomen. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Hoe beoordeelt u het werven van politiepersoneel op basis van religie, namelijk op een beurs met religieus oogmerk? Ziet u zelf ook het verschil tussen doelgroepwerving en werving op religieuze gronden?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze beurs, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving.
Wat vindt u ervan dat een journalist die vragen stelde over de neutraliteit van de politie binnen enkele minuten werd geconfronteerd met leden van de organisatie, beveiliging en een verzoek om de zaal te verlaten? Ziet u het risico dat de politie door haar aanwezigheid op zo’n evenement wordt betrokken in situaties waarin kritische journalistiek feitelijk wordt verhinderd?2
Het is aan de organisatie van het betreffende evenement om zorg te dragen voor de veiligheid van haar bezoekers en zo nodig maatregelen te treffen als deze in het geding komt.
Kan u toezeggen dat de politie nooit meer aanwezig zal zijn op deze beurs?
Het is aan de politie om te bepalen op welke beurs zij staan om nieuwe medewerkers te werven. De politie weegt hierin mee of de neutraliteit van de politie kan worden behouden. De politie vindt het belangrijk om verschillende doelgroepen te bereiken voor de werving van nieuw personeel en de verbinding met de samenleving.
De korpschef heeft aangegeven deze casus te evalueren en waar nodig de afwegingskaders aan te scherpen, zodat deelname aan evenementen niet kan leiden tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. Uit dit voorval is in ieder geval gebleken dat politie aan de voorkant betere afspraken moet maken met de organisatie over het gebruik van het politiebeeldmateriaal. Hieruit heeft zij lessen getrokken.