'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
De wanordelijkheden rond de wedstrijd Go Ahead Eagles – PEC Zwolle |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de wanordelijkheden rond Go Ahead Eagles – PEC Zwolle, waaronder het bericht dat uiteindelijk moest worden ingegrepen door de ME?1 Wat is uw reactie op het verloop van deze gebeurtenissen?
Ja.
Hoe kan het dat, ondanks vooraf aangekondigde strengere controles en overleg met supporters, toch wanordelijkheden zijn ontstaan? Waar is het volgens u concreet misgegaan?
Voordat ik deze vragen beantwoord, wil ik schetsen hoe de beslisstructuur op het gebied van veilig en gastvrij voetbal plaatsvindt. De wedstrijdvoorbereiding is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek, bestaande uit de burgemeester, het Openbaar Ministerie, de politie en de betaald voetbal organisatie (BVO). Hier ben ik niet bij betrokken en hier hoor ik ook niet bij betrokken te zijn. De landelijke overheid neemt wel deel aan de Regiegroep Voetbal en Veiligheid.2 Binnen de Regiegroep worden afspraken gemaakt en adviezen gegeven om de veiligheid en gastvrijheid in en rond Nederlandse voetbalstadions te verbeteren en de samenwerking tussen de deelnemende partners te bevorderen. De Regiegroep treedt echter niet in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van decentrale overheden. Tegen deze achtergrond beperk ik mij tot een toelichting op algemene beleidslijnen en ga ik niet in op de concrete omstandigheden van deze situatie. De burgemeester van Deventer legt daarover desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad.
In de wedstrijdvoorbereiding op decentraal niveau worden er heldere afspraken gemaakt over de voorwaarden voor de toelating van het maximaal aantal supporters in het gastenvak. Het verdient waardering dat op decentraal niveau vooraf in goede onderlinge afstemming alles in het werk is gesteld om een gastvrije en veilige ontvangst van supporters te waarborgen. Helaas hebben deze voorwaarden in dit geval niet het beoogde effect gehad op het gedrag van een deel van de uitsupporters. De evaluatie van de wedstrijd is nog niet afgerond. Op dit moment valt daarom niet aan te geven waarom deze groep supporters de gemaakte afspraken en regels heeft genegeerd.
Zoals aangegeven is de wedstrijdvoorbereiding een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek waar ik vanuit mijn rol niet betrokken bij ben. Van de voetbalvierhoeken van Deventer en Zwolle heb ik overigens begrepen dat zij voorafgaand aan deze wedstrijd nauw met elkaar samen hebben gewerkt om de derbywedstrijd veilig en gastvrij te laten verlopen. De lokale vierhoeken zien deze derby namelijk al jaren als een hoog-risicowedstrijd.
Welke risico-inschatting is vooraf gemaakt ten aanzien van deze wedstrijd, en in hoeverre is daarbij rekening gehouden met de specifieke spanningen rond deze derby?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het advies van de politie gespeeld in de voorbereiding, en in hoeverre zijn deze adviezen overgenomen door de gemeente mede in het licht van het latere besluit om zonder uitpubliek te spelen?
In het algemeen kan ik aangeven dat de politie deel uitmaakt van de lokale vierhoek en dat hun adviezen bij de wedstrijdvoorbereiding worden meegenomen en direct invloed hebben op de besluitvorming over de voorwaarden waaronder een wedstrijd gespeeld wordt.
Kunt u toelichten hoe de voorbereiding en afstemming tussen burgemeester, politie, Openbaar Ministerie, clubs en de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is verlopen, en of er op enig moment daarin is bijgestuurd?
Zoals hierboven aangegeven heb ik inhoudelijk geen bemoeienis met de wedstrijdvoorbereidingen van de verschillende wedstrijden. Dat betekent dat ik niet beschik over de bevoegdheid om in dit proces bij te sturen en dat ik niet kan ingaan op de wijze waarop de afstemming in dit specifieke geval is verlopen.
Hoe beoordeelt u het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het uiteindelijk spelen zonder uitpubliek? Had dit besluit, gelet op de beschikbare informatie en risico-inschattingen, eerder genomen kunnen dan wel moeten worden?
De wedstrijdvoorbereiding en het besluitvormingsproces is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek. Het past niet dat ik daar een oordeel over geef. Het is aan de gemeenteraad van Deventer en/of Zwolle om hier desgewenst een oordeel over te vellen. Wel vind ik het lovenswaardig dat de vierhoeken hier nauw hebben samengewerkt.
Waren de getroffen maatregelen, waaronder toegangscontroles, supportersscheiding en inzet van stewards en politie, naar uw oordeel voldoende en proportioneel gezien het risicoprofiel? Zo nee, waar schoot dit tekort?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete lessen trekt u uit dit incident voor de voorbereiding en besluitvorming rond risicowedstrijden, en hoe worden deze vertaald naar structurele verbeteringen en betere verankering van risicobeperking?
Op dit moment is de gemeente Deventer de casus aan het evalueren. De burgemeester van Deventer zal hierover, indien door de gemeenteraad gewenst, verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
De gemeenten met een BVO overleggen na iedere speelronde gezamenlijk over incidenten, en komen daarnaast tweemaal per jaar bij de KNVB bijeen en onderhouden onderling goed contact. De geleerde lessen na incidenten worden doorgaans onderling gedeeld en meegenomen bij wedstrijdvoorbereidingen. Binnen dit proces heeft mijn departement via de Regiegroep enkel een ondersteunende rol.
Kunt u verklaren hoe vuurwerk en rookbommen ondanks een dubbele fouillering het stadion zijn binnengekomen? Zijn er aanvullende maatregelen of best practices bekend om deze producten nog beter te kunnen weren?
In het algemeen kan ik aangeven dat het fouilleren bij de toegangscontrole tot een (voetbal)stadion wettelijk is beperkt tot een oppervlakkige controle van kleding en controle van tassen en jassen. Ontkleding en het fouilleren van intieme zones is niet toegestaan. De ervaring leert dat compact vuurwerk daardoor lastig is op te sporen. In hoeverre dit in dit geval een rol heeft gespeeld, zal mogelijk uit de evaluatie blijken.
Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief veilig en gastvrij betaald voetbal van 19 december 2025 voert het Auditteam Voetbal en Veiligheid3 momenteel een onderzoek uit naar de impact van het illegaal gebruik van vuurwerk bij voetbal.4 Tevens heeft mijn ministerie verzocht om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar de samenstelling van vuurwerk en de mogelijke effecten op de gezondheid van stadionbezoekers en medewerkers. De resultaten zullen in samenhang worden bezien met het onderzoek van het Auditteam, zodat beide trajecten elkaar kunnen versterken en kunnen worden meegenomen bij het nieuwe plan van aanpak. De uitkomsten van deze onderzoeken worden naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens worden hierbij de inzichten van de nieuwe, landelijk geldende KNVB-richtlijnen met betrekking tot het gebruik van vuurwerk in stadions meegenomen.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025 explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending» van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel (minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige) plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel3, in lijn met een aanbeveling van GRETA4, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet, er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden kunnen toepassen?
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.5 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en 6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd? Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van Heuni6 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Het in behandeling nemen van aangiften door de politie |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Is er over de afgelopen tien jaar een verband waar te nemen tussen het sluiten van politiebureaus en het aantal aangiften dat wordt gedaan?
Is er een verband tussen het capaciteitsprobleem bij de politie en het opnemen van aangiften?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als mensen aangifte willen doen en dat de mogelijkheid tot het doen van aangifte dagen op zich laat wachten?
Hoeveel politiecapaciteit is er beschikbaar om fysieke aangiften op te nemen, in vergelijking met de voorgaande vijf jaren?
In welk opzicht komt een fysieke of online gedane aangifte overeen en wat zijn de verschillen?
Kunt u een overzicht geven van aangiften opgesplitst naar fysiek en online en daarbij opnemen of zij in behandeling zijn genomen of geseponeerd?
Bent u van mening dat aangiften gedaan op politiebureaus doorgaans gemakkelijker in behandeling kunnen worden genomen, dan dat zij online worden gedaan? Wordt er nog navraag gedaan naar de aangiften die online worden gedaan, omdat zij mogelijk bepaalde informatie missen?
Op basis waarvan beslist de politie of een zaak prioriteit krijgt?
Worden bepaalde soorten misdrijven structureel minder opgepakt?
Is er inzicht voor burgers waarom een zaak wel of niet opgepakt wordt?
Waarom wordt men aangeraden bij het onderwerp «Ik ben slachtoffer van huiselijk geweld, wat moet ik doen?» vermeld op de website van de politie, om contact op te nemen met Veilig Thuis, de Kindertelefoon of de huisarts en niet de politie? Waarom wordt hier niet vermeld dat men aangifte kan doen? Deelt u de mening dat dit slachtoffers ontmoedigt om aangifte te doen van huiselijk geweld?
Hoeveel mensen die kunnen beschikken over een DigiD hebben een DigiD?
Klopt het dat toeristen geen online aangifte kunnen doen, nu zij niet beschikken over een DigiD?
Welke eisen worden aan de medewerker van de politie gesteld welke bevoegd is aangiften op te nemen? En wordt de politie gecontroleerd op het opnemen van aangiften?
Het artikel 'Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar»?1
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke taak volgens u prioriteit heeft?
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende zijn opgevolgd?2
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor komt dit?
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van strafbare feiten?
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke criteria gebeurt dit?
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren, zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers, doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen reactie is ontvangen vanuit het OM?
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals opgenomen in de landelijke afspraken?
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg, en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt dit ook bij aan personeelstekorten?
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd aangifte te doen?
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de politie hier voldoende bekend mee?
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en in de aanpak van personeelstekorten?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig voelen om hun werk te blijven doen?
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Door de politie georganiseerde iftarbijeenkomsten |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten en op sociale media verspreide video’s waaruit blijkt dat op verschillende locaties iftarbijeenkomsten zijn georganiseerd of gefaciliteerd door de politie, onder meer in of bij politiebureaus, waarbij ook de islamitische gebedsoproep (azan) te horen is?
Klopt het dat er op of bij meerdere politiebureaus iftarbijeenkomsten hebben plaatsgevonden die door of met medewerking van de politie zijn georganiseerd of gefaciliteerd? Zo ja, om welke locaties, data en gelegenheden ging het?
Klopt het dat in het in de video getoonde geval sprake was van een iftarbijeenkomst waarbij de azan werd voorgedragen in aanwezigheid van politieagenten in uniform? Zo ja, wie was verantwoordelijk voor de organisatie en op basis van welke overwegingen is besloten deze bijeenkomst te houden?
Acht u het passend dat in of bij politiebureaus expliciete religieuze uitingen of rituelen plaatsvinden die behoren tot één specifieke godsdienst, terwijl de politie een neutrale vertegenwoordiger van de rechtsstaat behoort te zijn?
Zijn er binnen de politie richtlijnen of protocollen voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarmaaltijden, gebedsmomenten of andere religieuze activiteiten, in politiegebouwen of tijdens politiegerelateerde evenementen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Worden bij dergelijke bijeenkomsten politiecapaciteit, werktijd, faciliteiten of andere publieke middelen ingezet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de aard en omvang van deze inzet?
Zijn er ook voorbeelden bekend waarbij andere religieuze tradities – zoals christelijke, joodse of andere religieuze bijeenkomsten of rituelen – op vergelijkbare wijze door of met medewerking van de politie in politiegebouwen zijn georganiseerd of gefaciliteerd?
Hoe verhoudt het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten zich volgens u tot de vereiste neutraliteit van de politie als overheidsinstelling?
Deelt u de zorg dat het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten door de politie het beeld kan wekken dat de politie zich met een specifieke religie identificeert, en dat dit het vertrouwen in de neutraliteit en onpartijdigheid van de politie bij delen van de samenleving kan ondermijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het wenselijk dat politieagenten in uniform aanwezig zijn bij of deelnemen aan religieuze rituelen of oproepen, zoals het voordragen van de azan, in de context van een door of met medewerking van de politie georganiseerde bijeenkomst?
Bent u bereid te bezien of nadere richtlijnen nodig zijn om te waarborgen dat politiegebouwen en politieactiviteiten een levensbeschouwelijk neutraal karakter behouden?
Is er bekend in hoeverre er onder politieagenten draagvlak bestaat voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, in of bij politiebureaus? Zo ja, wat zijn de uitkomsten daarvan?
Hoe wordt binnen de politie omgegaan met politieagenten die zich levensbeschouwelijk neutraal willen opstellen en daarom niet willen deelnemen aan religieuze bijeenkomsten of rituelen, zoals iftarbijeenkomsten of het bijwonen van religieuze oproepen? Wordt het weigeren van deelname formeel en informeel volledig geaccepteerd?
Kunt u aangeven of er binnen de politie signalen, meldingen of klachten bekend zijn van politieagenten die zich onder druk gezet, ongemakkelijk of bezwaard hebben gevoeld door het organiseren van religieuze bijeenkomsten in of bij politiebureaus?
Zijn er binnen de politie interne discussies, spanningen, ergernissen of vormen van weerstand bekend onder medewerkers met betrekking tot het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, door of met medewerking van de politie?
De geweldsgolf in Lelystad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Lelystad opnieuw wordt geteisterd door een reeks explosies bij woningen, waarbij zeer jonge daders worden ingezet en bewoners in grote angst leven?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het geweld in Lelystad al langere tijd speelt en dat er ondanks eerdere arrestaties en maatregelen opnieuw een reeks aanslagen plaatsvindt? Erkent u dat dit voor bewoners het beeld oproept dat de overheid de grip op de situatie dreigt te verliezen?
Het is begrijpelijk dat deze reeks aanslagen bij een deel van de bewoners zorgt voor onrust en mogelijk het beeld oproept dat er onvoldoende grip is op de situatie. De burgemeester, in samenspraak met de lokale driehoek, is verantwoordelijk voor de lokale handhaving van de openbare orde. Op d.d. 5 maart heeft de burgemeester van Lelystad tijdens een interpellatiedebat in de gemeenteraad een uitgebreide toelichting gegeven op raadsvragen naar aanleiding van recente explosies in de stad. Tijdens deze raadsvergadering is benadrukt dat de aanpak van de explosies hoge prioriteit heeft bij politie, OM en gemeente.
Landelijk zien we dat aanslagen met explosieven een hardnekkig en complex fenomeen zijn. Daarom is eind 2024 het Offensief tegen Explosies opgericht. Binnen dit Offensief werken publieke en private partners samen om te komen tot een duurzame afname van het aantal aanslagen met explosieven. In 2025 was landelijk sprake van een lichte daling, maar het aantal is nog steeds te hoog. Samen met het Offensief tegen Explosies blijf ik mij daarom onverminderd inzetten om het aantal aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen terug te dringen.
Hoe kan het dat een vermeende leider van een criminele groep, die in verband wordt gebracht met meerdere geweldsincidenten, met een enkelband en gebiedsverbod tijdelijk de straat op mocht om zijn rijbewijs te halen, terwijl de stad tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van explosies en geweld? Hoe legt u dit uit aan bewoners die zich inmiddels onveilig voelen in hun eigen wijk?
Gedetineerden kunnen, in het kader van resocialisatie, verlof krijgen en bij voorlopige hechtenis kan hiervoor schorsing worden verleend. Bij de beoordeling hiervan wordt een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij onder meer het recidiverisico en de veiligheid voor de samenleving worden meegewogen. Aan het verlof of de schorsing kunnen voorwaarden worden verbonden die met een enkelband kunnen worden gemonitord, zoals een gebiedsverbod. Over individuele gevallen kan ik geen uitspraken doen.
Deelt u de mening dat het ronselen en inzetten van minderjarigen voor zware criminaliteit een bijzonder laffe en verwerpelijke praktijk is en bent u met ons van mening dat hier aanzienlijk zwaardere straffen voor moeten gelden?
Ik deel de mening dat het verwerpelijk en kwalijk is dat minderjarigen worden geronseld voor het plegen van zware criminaliteit. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, lopen een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken van criminele ronselaars. Dit is zorgelijk. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Hier speelt ook de vaak hoge (tijd)druk door criminelen een rol. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken.
Het is aan de rechter om te bepalen over de strafoplegging. Het OM en de politie geven aan dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de officier van justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten.2
Afhankelijk van de omstandigheden zijn daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment genomen om de betrokken criminele netwerken achter deze explosies op te rollen en welke verdere concrete maatregelen bent u van plan te gaan nemen?
Op individuele casuïstiek kan ik niet ingaan. In algemene zin kan ik melden dat vanuit diverse politieteams en afdelingen wordt gewerkt om niet alleen uitvoerders op te sporen en te vervolgen, maar ook om ronselaars (voor uitvoerders) en opdrachtgevers te identificeren en aan te pakken.
Het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen, zoals ronselaars en brokers is één van de prioriteiten voor 2026 vanuit het Offensief tegen Explosies.
Bent u bereid om, onder andere, extra politiecapaciteit, opsporingsmiddelen en bestuurlijke maatregelen in te zetten om deze geweldsgolf zo snel mogelijk te stoppen en de veiligheid van bewoners te herstellen?
De huidige situatie is ernstig en heeft logischerwijs een aanzienlijke impact op het veiligheidsgevoel van bewoners. Het is belangrijk dat deze geweldsgolf snel stopt. In het geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de problematiek in de wijk Kempenaar in Lelystad, is het aan de veiligheidsdriehoek, de burgemeester, de politie en het OM, om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden.
Het gebruik van explosieven om te intimideren is niet enkel beperkt tot Lelystad. Aanslagen met explosieven komen verspreid over het gehele land voor. Met deze aanslagen wordt het veiligheidsgevoel in wijken ernstig aangetast. Dit vind ik onacceptabel. Eén van de punten waar het Offensief tegen Explosies zich op richt is het vergroten van de weerbaarheid van gemeenten. Hiertoe is onder andere een handelingskader ontwikkeld voor gemeenten.3 Deze kunnen gemeenten gebruiken ten behoeve van de lokale aanpak. Daarnaast zet ik met het Offensief in op het tegengaan van de brede beschikbaarheid van zwaar vuurwerk, het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen en het voorkomen van (herhaald) daderschap.
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel medewerkers zijn momenteel werkzaam bij het Politiedienstencentrum? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar vaste medewerkers en ingehuurde krachten?
Voordat ik inga op uw vragen wil ik graag benadrukken dat ik als Minister van Justitie en Veiligheid jaarlijks verantwoording afleg over de begroting van mijn ministerie, waarin het begrotingsartikel 31 Politie is opgenomen. Daarnaast kent de politie een eigen begroting en jaarverantwoording waarin de korpschef verantwoording aflegt over het gevoerde beleid en de uitgaven. Dit is in lijn met andere organisaties binnen de Rijksoverheid. Bij enkele van uw vragen wordt gevraagd naar een dieperliggend detailniveau als het gaat om gevraagde overzichten en uitsplitsingen. In de beantwoording heb ik mij tot het uiterste ingespannen om uw vragen te beantwoorden. Daar waar de gevraagde gegevens niet voorhanden zijn, kan ik deze niet aan u verstrekken.
De bezetting van de totale niet-operationele sterkte beslaat momenteel ruim 13.000 fte. Hier valt de klassieke bedrijfsvoering onder, maar ook bijvoorbeeld de docenten aan de Politieacademie. Van de ruim 13.000 fte werken er bij het Politiedienstencentrum ongeveer 8.000 fte. De overige ongeveer 5.000 fte zijn werkzaam bij andere organisatieonderdelen en eenheden van de politie.
Daar waar de niet-operationele functies overbezet zijn, heb ik met de korpschef afgesproken dat deze overbezetting wordt afgebouwd. Dit is ook nodig om de politiebegroting op orde te krijgen. Ik monitor de afbouw van genoemde overbezetting.
Bij de politie zijn 1256 medewerkers werkzaam (excl. Politieacademie) op basis van externe inhuur, waarvan 911 bij het Politiedienstencentrum (peildatum 01-04-2026). Hiermee kunnen fluctuaties in werkbelasting worden opgevangen en kan specifieke expertise (zoals bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen, IV-specialisme) tijdelijk ingezet worden als deze niet binnen de organisatie voor handen is.
Wat bedragen de bestuurskosten van de korpsleiding van de Nationale Politie? Kunt u deze kosten per jaar uitsplitsen over de periode 2020 tot en met heden?
De bestuurskosten van de korpsleiding van de politie worden maandelijks gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid (Rijksoverheid.nl). Hiermee sluit de politie aan bij de systematiek die wordt gehanteerd bij de openbaarmaking van de bestuurskosten van bewindspersonen en topambtenaren in de sector Rijk. Vanaf april 2026 zullen deze gegevens op open.overheid.nl worden gepubliceerd.
De hoogte van de bestuurskosten zijn redelijk stabiel, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021. Dit had te maken met de toen geldende COVID-maatregelen.
Zie hieronder het overzicht van bestuurskosten van de korpsleiding sinds 2020:
Jaar bedrag
2020 17.240,27 euro
2021 23.501,46 euro
2022 26.705,73 euro
2023 32.856,33 euro
2024 28.850,05 euro
2025 30.986,34 euro
Hoe hebben de bestuurskosten van de korpsleiding zich ontwikkeld sinds 2020 en wat zijn de belangrijkste oorzaken van eventuele stijgingen of dalingen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat wordt binnen de Nationale Politie verstaan onder de begrippen «operationele sterkte» en «operationele slagkracht»? Kunt u toelichten hoe deze begrippen binnen de organisatie worden gehanteerd en gebruikt in de sturing van de politieorganisatie?
Het begrip «operationele sterkte» is vastgelegd in regelgeving (Art. 1 besluit verdeling sterkte en middelen), heeft betrekking op de operationele formatie en bezetting en is verdeeld in de werksoorten gebiedsgebonden politie (GGP), opsporing, informatiefunctie, intake & service en meldkamer, beveiliging, overige operationele functies, en leiding. De formatie is de door mij gefinancierde politiesterkte (in fte’s). Deze wordt ieder jaar vastgesteld als bijlage bij het begrotings- en beheerplan. De bezetting is het personeel dat daadwerkelijk in dienst is bij de politie, oftewel de mate waarin de formatie gevuld is.
Het begrip «operationele slagkracht» is niet vastgelegd in regelgeving. Ik versta hieronder de mate waarin de politie operationeel effectief is.
Hoeveel personen worden momenteel door de Nationale Politie ingehuurd? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar functiecategorieën of typen werkzaamheden?
Momenteel worden er door de politie ongeveer 1250 personen extern ingehuurd. Een uitsplitsing naar functiecategorieën of typen werkzaamheden is niet beschikbaar. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, werkt een groot deel van deze externe krachten bij het Politiedienstencentrum, bijvoorbeeld bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen en IV-specialisten.
De gemiddelde duur van een extern inhuurcontract is 2,2 jaar. Er zijn personen die langer worden ingehuurd. Eén persoon wordt sinds de vorming van de nationale politie ingehuurd voor meerdere opdrachten op verschillende plekken binnen de politieorganisatie. Deze persoon heeft gereageerd op meerdere opdrachten. Bij een nieuwe opdracht wordt er een nieuwe aanbesteding in de markt gezet, waarop een kandidaat kan reageren. Hierbij is er geen bijzondere aandacht voor het gegeven of iemand al werkzaam is binnen de organisatie. Dit kan er in de praktijk toe leiden dat de aaneengesloten periode waarin iemand werkzaam is op inhuurbasis in sommige gevallen langer uit kan pakken.
Het uitgangspunt blijft dat de persoon die het beste past op de opdracht, de opdracht gegund krijgt.
De kosten voor externe inhuur zijn te vinden in de jaarverantwoordingen van de politie voor de desbetreffende jaren. In 20241 betroffen de kosten voor externe inhuur € 184 mln. op de totale personeelskosten van € 6 miljard. Het per jaar aan externe inhuur bestede bedrag is ongeveer 3% van de totale personeelskosten van de politie. Dat is ruimschoots minder dan de Roemernorm van 10%, die voor overheidsorganisaties geldt.
Bij de externe inhuur van de politie zijn verschillende partijen betrokken. Zo wordt er een partij ingezet voor de inhuur van uitzendkrachten tot en met mbo niveau (exclusief IV-functies), twee partijen voor inhuurprofessionals vanaf hbo niveau en alle IV-functies en zijn er specialistische raamcontracten.
Hoeveel geld heeft de Nationale Politie in de jaren 2020 tot en met heden per jaar uitgegeven aan externe inhuur? Kunt u deze bedragen per jaar specificeren?
Zie antwoord vraag 5.
Met welke externe bureaus of organisaties doet de Nationale Politie momenteel zaken in het kader van externe inhuur?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de langst aaneengesloten periode waarvoor een externe kracht door de Nationale Politie is ingehuurd en wat is de gemiddelde duur van externe inhuurcontracten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van het programma «Politie voor Iedereen» sinds de start van dit programma? En wilt u deze kosten per jaar uitsplitsen en aangeven welk budget hiervoor de komende jaren is gereserveerd?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. In de jaarverantwoording politie legt de korpschef verantwoording af over het gevoerde beleid van de organisatie en haar uitgaven. De politie heeft geen apart overzicht van alle (zowel interne als externe middels inhuur en dergelijke) inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
In de begroting en beheerplan politie 2025–2029 is opgenomen hoe het korps inzet op diversiteit en inclusie. Voor de opgave Politie voor Iedereen wordt jaarlijks tussen de 3 en 5,5 miljoen euro begroot. Alle eenheden en diensten krijgen een budget voor het realiseren van die wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt.
Kunt u een specificatie geven van de uitgaven binnen het programma «Politie voor Iedereen», zoals kosten voor personeel, trainingen, communicatiecampagnes, onderzoek, evenementen en overige activiteiten?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre worden binnen het programma «Politie voor Iedereen» externe bureaus, consultants of trainers ingehuurd? Kunt u aangeven welke organisaties hierbij betrokken zijn en welke bedragen hiermee gemoeid zijn geweest, uitgesplitst per jaar?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven wat de totale kosten zijn van alle politie-iftars – incusief het uitsplitsen van de kosten per georganiseerde iftar? En kunt u deze kosten ook doen toekomen van voorgaande jaren en welk budget voor aankomende jaren hiervoor gereserveerd is?
Zie antwoord vraag 9.
Herkent u of de korpsleiding signalen uit de organisatie dat er feitelijk sprake is van bezuinigingen op eenheidsniveau, bijvoorbeeld doordat voertuigen met schade niet worden gerepareerd of doordat bureaus keuzes moeten maken tussen functies vanwege budgettaire beperkingen? Hoe duidt u deze signalen?
In de door mijn voorganger verstuurde Kamerbrief van 21 januari 2026 over de financiële situatie bij de politie, heb ik u geïnformeerd dat de eenheden binnen de politie zelf sturen binnen het per eenheid beschikbare budget.
Voor 2026 zullen daarbij de basisteams (de gebiedsgebonden politie en de opsporing in de basisteams) helemaal buiten beschouwing worden gelaten. Hiermee wordt geborgd dat de aanwezigheid van de politie in buurt, wijk, stad en gemeente en de opsporing in de basisteams niet geraakt worden. Met andere woorden: blauw op straat blijft dus buiten beschouwing. Daarnaast zullen in 2026 de bijzondere bijdragen (zoals voor de Dienst Specialistische Interventies en ondermijning) ongemoeid blijven. Er wordt in 2026 ook niet getornd aan de instroom van aspiranten en er worden geen mensen ontslagen.
Hoeveel medewerkers van de Nationale Politie zitten momenteel thuis met een diagnose van posttraumatische stressstoornis (PTSS) dan wel andere psychische klachten?
De korpsleiding herkent dit signaal niet. Vanaf 1 april 2025 is het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten in werking getreden. Nieuwe meldingen van politiemedewerkers met beroepsgerelateerde klachten vallen onder dit nieuwe stelsel. Zodra een politiemedewerker zich meldt met gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, ontvangt de politiemedewerker direct de benodigde begeleiding, zorg en gerichte vergoedingen. Dat geldt bij alle gezondheidsklachten. In dit stelsel staat aandacht en zorg voor de politiemedewerker voorop. Politiemedewerkers kunnen makkelijker en sneller aanspraak maken op voorzieningen uit de rechtspositie, omdat er wordt gewerkt vanuit vertrouwen in plaats van een juridische erkenningsprocedure.
Voor het maken van aanspraak op de voorzieningen in het nieuwe stelsel is de medische diagnose niet relevant. Hierdoor zijn er geen aantallen beschikbaar van politiemedewerkers met een diagnose van PTSS of andere psychische klachten. In 2025 zijn er 1804 meldingen geregistreerd die vallen onder het nieuwe stelsel met een toekenning van 1% beroepsgerelateerde gezondheidsklachten. Of deze politiemedewerkers thuis zitten of (gedeeltelijk) aan het werk zijn is afhankelijk van de individuele casuïstiek. Hierover kan ik geen uitspraken doen.
Het nieuwe stelsel wordt continue gemonitord en na drie en vijf jaar geëvalueerd. De eerste monitor van het nieuwe stelsel is positief, waaronder op de gemiddelde doorlooptijden van een melding, het advies op de melding en het besluit daarover.
Herkent u of de korpsleiding signalen dat verzuimmeldingen, in het bijzonder bij PTSS, niet altijd adequaat worden opgevolgd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke maatregelen worden genomen om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 14.
Klopt het dat politiemedewerkers in de eenheid Midden-Nederland, met name in Utrecht, arrestanten regelmatig moeten vervoeren naar cellencomplexen in andere plaatsen in de regio, zoals Amersfoort, Houten of andere locaties, omdat in Utrecht zelf onvoldoende capaciteit beschikbaar is voor insluiting?
Het vervoeren van arrestanten door de politie is onderdeel van de taakuitvoering van de politie. De politie geeft het vervoer van arrestanten zo efficiënt als mogelijk vorm en houdt hierbij rekening met de inzetbaarheid van de agenten op straat. Zij doen dit bijvoorbeeld door meerdere arrestanten tegelijk te vervoeren door de inzet van arrestantenbussen bemenst met medewerkers van de Teams Arrestantentaken in elke regionale eenheid. Daarbij komt het enkele keren voor dat er niet direct een arrestantenbus kan rijden door gebrek aan capaciteit. Binnen de portefeuille arrestantenzaken wordt doorlopend gereflecteerd op hoe het proces efficiënter kan worden ingericht.
Het overbrengen van arrestanten naar het Politie Cellencomplex (PCC) in Houten is de standaardprocedure van de politie in de eenheid Midden-Nederland en is al sinds langere tijd van kracht. De bureaus in Utrecht, ook het bureau in Utrecht Centrum (Kroonstraat), beschikken niet over cellen, wel over ophoudruimten. In die ruimten kunnen en mogen arrestanten slechts korte tijd opgehouden worden. Overnachten kan en mag alleen in een Politie Cellencomplex, zoals in Houten. Arrestanten worden daarom in principe altijd naar de cellencomplexen vervoerd. District Utrecht beschikt over een eigen ophoudgebied waar arrestanten in de piekmomenten ondergebracht kunnen worden. Daarmee is een zorgvuldige afweging over wanneer het efficiënter is om met arrestanten naar Houten te rijden of wanneer het efficiënter is om politiecapaciteit vrij te maken om de arrestanten in het ophoudgebied te laten verblijven. Zo wordt er geen kostbare politiecapaciteit vastgezet in het ophoudgebied op de momenten dat daar (vrijwel) geen arrestanten zitten. Vanuit Houten worden de arrestanten, indien van toepassing, zoals overeengekomen met de Dienst Vervoer en Ondersteuning en van de Dienst Justitiële Inrichtingen, overgebracht naar een locatie van het gevangeniswezen.
De inzet voor het vervoer van arrestanten naar de PCC’s in de eenheid vindt plaats volgens een op basis van ervaring vastgesteld roosterschema. De bussen doen vanuit efficiëntie meerdere bureaus in de eenheid Midden-Nederland aan. Een registratie van het aantal uren per inzet per politiemedewerker zou een onevenredige administratiedruk op de politie betekenen en is daarom ook niet opgelegd.
Deelt u de zorg dat het vervoeren van arrestanten over langere afstanden politiecapaciteit kost, doordat agenten tijd kwijt zijn aan het heen- en terugbrengen van arrestanten, en dat dit ten koste kan gaan van de inzetbaarheid van politie op straat? Zo ja, welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen of te beperken?
Zie antwoord vraag 16.
Hoe vaak is het in de afgelopen drie jaar voorgekomen dat arrestanten vanuit Utrecht naar een andere plaats in de regio moesten worden vervoerd wegens gebrek aan beschikbare cellencapaciteit en hoeveel politiecapaciteit (bijvoorbeeld in uren of inzet van medewerkers) is hiermee gemoeid geweest?
Zie antwoord vraag 16.
Krijgen de 1.700 agenten die een niet-verzonden brief hebben gekregen, een aantekening in hun personeelsdossier of blijft dit op een ander manier zichtbaar en daarmee kleven aan de betreffende dienders?
Zoals met uw Kamer gedeeld, zijn de eerder uitgereikte brieven ingetrokken.3 Indien de brieven in het personeelsdossier waren opgenomen, worden deze verwijderd.
Hoeveel politiemedewerkers beschikken momenteel over gehoorbescherming en hoeveel medewerkers beschikken daar nog niet over?
Alle politiemedewerkers die op straat werken en voor wie dat nodig is, beschikken over gehoorbeschermingen. De politie heeft in 2026 een budget beschikbaar voor de gehoorbescherming van 2,2 miljoen euro.
Welke kosten zijn gemoeid met het verstrekken van gehoorbescherming aan politiemedewerkers en welk budget is hiervoor gereserveerd?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over politie van 25 maart 2026?
Het bericht 'Zo’n 1700 politiemedewerkers keken in dossier over Lisa: ‘Onacceptabel’' |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat circa 1.700 politiemedewerkers hebben gekeken in het dossier inzake het onderzoek naar de dood van Lisa, zonder dat daarbij sprake was van een aantoonbare functionele noodzaak?1
Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u bevestigen hoeveel medewerkers daadwerkelijk inzage hebben gehad in het betreffende dossier, over welke periode deze inzage heeft plaatsgevonden en om welke categorieën gegevens het daarbij ging? Was het gehele dossier inzichtelijk?
Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» of in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging. De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Waarom was deze zaak niet enkel toegankelijk voor personen met noodzaak daartoe? Welke tekortkomingen in toegangsbeheer of controle ziet u, zeker ten aanzien van zaken met een grote maatschappelijke impact zoals deze?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep (autorisatiebeleid en opleiding). Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Deelt u de opvatting dat aandacht en bewustwording alleen niet kan voorkomen dat politiemedewerkers meekijken en structurele technische waarborgen dan ook noodzakelijk zijn om privacy te beschermen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Is het (technisch) mogelijk dergelijke zaken af te sluiten en enkel toegankelijk te maken voor een noodzakelijk aantal personen? Welke mogelijkheden ziet u voor strengere autorisaties of verplichte motivering bij inzage in gevoelige dossiers?
Per systeem is de afweging gemaakt over de mate van afscherming. Indien nodig kunnen binnen systemen ook dossiers geheel worden afgeschermd. Veel systemen zijn juist bedoeld om politiemensen te informeren, bijvoorbeeld vanwege hun eigen veiligheid, maar ook om de heterdaadkracht direct na de melding te vergroten. In de praktijk blijkt iedere dag hoe effectief dat is en dat moet behouden blijven. Inzage in een geheel onderzoek-dossier vergt een aparte autorisatie in het informatiesysteem van de recherche en is per zaak voorbehouden aan een selecte groep medewerkers.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Hoe wordt momenteel gemonitord wie welke dossiers raadpleegt? Is daarbij ook sprake van actieve controle of slechts van controle achteraf zoals bij dit dossier naar aanleiding van een melding?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt dit incident zich tot eerdere signalen of onderzoeken over ongeoorloofde inzage binnen de politie? Is hier sprake van een incident of van een herhaling?
De politie heeft doorlopend aandacht voor ongeoorloofde inzage in de politiesystemen en rapporteert hierover in haar jaarverslag. De korpsleiding heeft mij geïnformeerd dat er in dit geval een onderzoek gestart is omdat er zeer concrete signalen waren over onterechte bevragingen en omdat er vertrouwelijke informatie over het onderzoek in de media is beland.
Kunt u de vragen individueel beantwoorden en deze antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over politie de Kamer doen toekomen?
Ja.
Het bericht dat 1.700 agenten in het dossier van vermoorde Lisa uit Abcoude te neuzen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat maar liefst 1.700 politieagenten het dossier van de vermoorde Lisa uit Abcoude hebben ingezien? Zo ja, klopt dit bericht? Over welke periode heeft deze inzage plaatsgevonden? En in welke systemen vonden deze inzagen plaats? Is hier uit te splitsen naar inzagen in het dossier met onder meer verhoren, aangiftes, sporen en/of in de melding en de daarop volgende updates van de ontwikkeling van de melding, het signalement van de verdachte en andere info die tot de opsporing en aanhouding van de verdachte kon leiden?
Ik ben bekend met het bericht. Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» en in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging.De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
In hoeveel van deze inzagen was sprake van een functionele noodzaak?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat een dergelijk groot aantal politiefunctionarissen ongeoorloofde toegang heeft kunnen krijgen tot dit dossier? Welke autorisatiestructuur en toegangsbeperkingen waren van toepassing op dit dossier? Is sprake geweest van systeemfouten, tekortschietend toezicht of cultuurproblemen binnen de organisatie?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Op welk moment is intern geconstateerd dat sprake was van ongeoorloofde inzage? Wie heeft dit vastgesteld en welke directe maatregelen zijn toen genomen? Waarom is dit niet eerder gesignaleerd of voorkomen?
Begin september 2025 kwamen er concrete signalen over onterechte bevragingen binnen. Dat leidde uiteindelijk tot een landelijk oriënterend onderzoek.
Het past bij een professionele organisatie om, als daar aanleiding toe is, ook bereid te zijn zichzelf te onderzoeken. Daarom geeft de politie nu opvolging aan het onderzoek.
Welke sancties worden ondernomen tegen politiefunctionarissen die zonder functionele noodzaak inzage hebben gehad in dit dossier? Kunt u aangeven welke sancties in vergelijkbare gevallen eerder zijn opgelegd?
Wanneer er onterechte bevragingen zijn, zal dit op de binnen de politie gebruikelijke wijze worden opgepakt. Het is aan het bevoegd gezag om passende maatregelen te treffen als uit de te voeren gesprekken met politiemedewerkers blijkt dat er geen sprake was van een functionele noodzaak.
Kunt u aangeven wat de impact van dit gedrag van deze politiefunctionarissen is geweest voor de nabestaanden van Lisa? Heeft u ze gesproken? Heeft de politieleiding ze gesproken?
Het spijt mij heel erg dat de nabestaanden van Lisa geconfronteerd zijn geweest met de grote hoeveelheden berichtgeving van de afgelopen tijd. De politie en ikzelf staan met de nabestaanden in contact via hun advocaat. Er staat een gesprek met hen gepland.
Welke maatregelen kent de politie in de praktijk om ongeoorloofde inzage te voorkomen? Vindt u deze beperkingen effectief? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet? Wilt u dat onderbouwen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Zijn er in de afgelopen vijf jaar eerder signalen geweest van ongeoorloofde wijze van inzagen in dossiers? Zo ja, om hoeveel gevallen ging het? Hoe is tot op heden met deze meldingen omgegaan? Waarom is niet eerder actie ondernomen door de politieleiding?
In het jaarverslag van de politie is terug te vinden hoeveel disciplinaire maatregelen er zijn opgelegd die te relateren zijn aan de verkeerde omgang met informatie; 183 in 20242.
Welke aanvullende maatregelen neemt u zich thans voor om de informatiebeveiliging te optimaliseren zodat herhaling wordt voorkomen?
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging. Ik blijf hierover met de politie in gesprek.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het interne onderzoek en eventuele vervolgstappen?
Zoals ook met u gedeeld in mijn brief van 20 maart jl., heeft de korpschef mij gemeld dat er vanuit de korpsleiding een persoonlijke herstelbrief komt voor de medewerkers die eerder een brief ontvingen in het kader van het raadplegen van de systemen. Daarnaast worden er laagdrempelige bijeenkomsten georganiseerd waar politiemedewerkers worden uitgenodigd om met de korpsleiding in gesprek te gaan. Vakbonden en medezeggenschap worden hierbij uitgenodigd. Deze gesprekken zijn gericht op het herstel van vertrouwen. Zoals ook aangekondigd in mijn brief van 9 maart, worden ook de gesprekken tussen leidinggevenden en betrokken politiemedewerkers gevoerd. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Het artikel ‘Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen»?1
Ja.
Op basis van welke wettelijke grondslag werd dit predictive-policing-systeem toegepast en kunt u aangeven welke specifieke bevoegdheden hierdoor feitelijk werden uitgebreid?
Het Criminaliteits Anticipatie Systeem (hierna: CAS) vergaarde zelf geen gegevens. De gegevens waren afkomstig van eerder gedane aangiften van burgers en ondernemers. Daarnaast werd tot en met 2022 gebruik gemaakt van omgevingsvariabelen2 van het CBS. De omgevingsvariabelen van het CBS waren geaggregeerd op wijkniveau en bevatten geen persoonsgegevens.
De wettelijke basis voor het verkrijgen van aangiftegegevens door de politie is vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 161 Sv geeft iedere burger de bevoegdheid om aangifte te doen van een begaan strafbaar feit. Artikel 163 Sv verplicht de politie om de aangifte van een burger in ontvangst te nemen. De politie verkrijgt de gegevens dus op basis van deze wettelijke ontvangstplicht.
Artikel 8 van de Wet politiegegevens vormde de grondslag voor de verwerking van bovenstaande gegevens met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Er is daarom geen sprake geweest van uitbreiding van bevoegdheden.
In hoeveel gevallen zijn burgers gecontroleerd of benaderd zonder concrete verdenking maar uitsluitend vanwege een verhoogd risicogebied of risicoscore?
De uitkomsten van het CAS gaven een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
Bovendien vereisen individuele controles een eigen wettelijke grondslag en kunnen deze niet op alleen een risicoscore worden gebaseerd. Er was dus altijd een concrete aanleiding, op basis van aanvullende en actuele informatie en een menselijk oordeel nodig, voordat dit leidde tot concrete inzet van de politie.
Klopt het dat bij het criminaliteitsanticipatiesysteem (CAS) geen eenduidige doelen, meetbare succescriteria en formele kwaliteitsstandaarden waren vastgesteld? Zo ja, waarom is het systeem, en daarmee predictive policing als methode, desondanks langdurig gebruikt om de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit in bepaalde buurten te verbeteren?
In het algemeen geldt dat het moeilijk is om de resultaten van preventieve maatregelen te meten. CAS is destijds ingezet vanuit de verwachting dat de beschikbare politiecapaciteit gerichter kon worden ingezet als er meer informatie beschikbaar was over veelvoorkomende criminaliteit in een bepaalde woonwijk. CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan geleverd. Er was echter onduidelijkheid over de exacte operationele meerwaarde van CAS.
Anderhalf jaar geleden is de politie gestart met de verdere professionalisering van haar AI-Governance, waaronder de doorlopende toetsing van de kwaliteit (juridisch, technisch en ethisch) van haar algoritmes en AI-systemen. Na zorgvuldige afweging en volgens de genoemde professionaliseringsslagen binnen de politie is gebleken dat de voor CAS geformuleerde criteria niet meer voldeden aan de normen die tegenwoordig worden gehanteerd. Er is daarom geconcludeerd dat de benodigde inspanningen voor het oplossen van de tekortkomingen niet opwegen tegen de baten. In de laatste alinea van mijn antwoord op vraag 10 geef meer uitleg over deze professionaliseringsslag.
Zijn er vanuit betrokken partijen, zoals bijvoorbeeld mensenrechtenorganisaties of burgers, bij de inzet van het CAS signalen gekomen dat dit systeem discriminatie in de hand werkt? Zo ja, welke signalen waren dat?
De politie heeft geen signalen ontvangen dat er daadwerkelijk sprake was van discriminatie. Er zijn wel zorgen geuit. Zo waarschuwde Amnesty International er voor dat CAS bestaande vooroordelen in de maatschappij zou kunnen overnemen en versterken. Ook vond Amnesty dat het onduidelijk was hoe het systeem tot bepaalde voorspellingen kwam, dat het koppelen van grote hoeveelheden data uit verschillende bronnen een vorm van onrechtmatige massasurveillance is en dat het onduidelijk was wat deze vorm van «predictive policing» daadwerkelijk bijdroeg aan de veiligheid.
In hoeverre kunt u uitsluiten dat in bepaalde wijken waarbij een relatief hoog percentage bewoners met migratieachtergrond woont vaker onderwerp zijn geweest van toezicht door dit systeem?
CAS was geen toezichtsysteem maar ondersteunde de basisteams bij het in kaart brengen van criminaliteit in hun werkgebied. Het is wel mogelijk dat de uitkomst van de analyses van CAS aanleiding heeft gegeven voor intensiever toezicht in een bepaalde woonwijk. Het aantal aangiften van strafbare feiten en het soort strafbare feiten vormden de basis voor de waarschijnlijkheidsindicatie op een bepaald criminaliteitsthema in die wijk.
Bent u ervan op de hoogte dat mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, al geruime tijd ernstige zorgen uiten over de discriminatoire en mensenrechtelijke risico’s van predictive policing-systemen? Zo ja, waarom is er desondanks voor gekozen om dit systeem gedurende tien jaar in stand te houden?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Er is voor gekozen het CAS te gebruiken om gerichtere inzet tegen veelvoorkomende criminaliteit mogelijk te maken. Het CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan gegeven door de informatiepositie rondom de inzet van mensen en middelen te versterken. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 gaven de uitkomsten van het CAS een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
In die periode van 10 jaar is, mede naar aanleiding van die geuite zorgen, het algoritme meerdere malen aangepast. In mijn antwoord op vraag 4 omschrijf ik uitgebreider wat de overwegingen van de politie waren om te stoppen met CAS.
Deelt u de opvatting dat predictive-policing-systemen die racisme of discriminatie in de hand werken, uitgesloten moeten zijn binnen de Nederlandse politie?
Ja.
Kunt u garanderen dat dergelijke algoritmische systemen die leiden tot etnisch profileren of indirecte discriminatie niet worden ingezet?
Etnisch profileren is verboden. De inzet van systemen die (in)directe discriminatie veroorzaken is niet toegestaan. Toepassing van algoritmische systemen vereist aantoonbare rechtmatigheid en noodzakelijkheid, voorafgaande risicoanalyses, toetsing op vooringenomenheid en strikte waarborgen. Mocht in de praktijk blijken dat een bepaald algoritme toch tot vertekende, oneerlijke of zelfs discriminerende uitkomsten leidt, dan is de verwerking onrechtmatig.
Bent u bereid maatregelen te nemen om het gebruik van dergelijke systemen te beperken of te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De Europese AI-verordening (2024) biedt een specifiek en duidelijk wettelijk kader als het gaat om AI-systemen. Ik zie op dit moment geen noodzaak om aanvullend op dit wettelijk kader maatregelen te nemen. De AI-verordening kent een risicogebaseerde aanpak waarbij AI-systemen worden onderverdeeld in een aantal categorieën, onder andere de «hoog risico» categorie en de «onaanvaardbaar risico» categorie. Toepassingen die in de laatstgenoemde categorie vallen zijn op basis van de AI-verordening verboden.
De inzet van systemen voor risicobeoordelingen van natuurlijke personen met het oog op het plegen van strafbare feiten, uitsluitend op basis van profilering van de persoon of op basis van een beoordeling van persoonlijkheidseigenschappen en kenmerken, valt in de «onaanvaardbaar risico» categorie. De politie mag zo’n systeem dus niet gebruiken.
Systemen die bedoeld zijn om het plegen van een strafbaar feit of recidive te voorspellen, vallen in de hoog risico categorie. Aan systemen in deze categorie worden extra, zeer strenge eisen gesteld en de inzet van zo’n systeem moet omkleed worden met waarborgen. Hierbij valt te denken aan eisen met betrekking tot risicobeheer, kwaliteit en relevantie van datasets, technische documentatie en registratie, transparantie, menselijk toezicht, nauwkeurigheid en beveiliging.
De politie toetst de kwaliteit van haar algoritmes en AI-systemen via een intern kwaliteits- en risicoproces. Hiermee verkrijgt zij inzicht in eventuele risico’s en de maatregelen die hierop te treffen zijn. De politie voert dit proces uit op al haar algoritmes en AI-systemen die (hoog) risicovol zijn. Dit voert de politie ook getrapt uit voor oudere algoritmes en AI-systemen. De trajecten waarin dit al heeft plaatsgevonden en die openbaar kunnen worden, staan gepubliceerd in het Algoritmeregister.
Het bericht 'Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer maar regeling voelt als mager compromis' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer, maar regeling voelt als mager compromis»?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het akkoord op deze regeling en de inhoud is een aangelegenheid tussen de werkgevers en de betrokken bonden als vertegenwoordigers van de werknemers. Het is dan ook niet aan mij om dit bericht te opiniëren.
Kunt u toelichten hoe dit bericht zich verhoudt tot het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen, dat beoogt te komen tot een gelijkwaardige en uniforme landelijke ondersteuning en regeling voor brandweerlieden met PTSS, waarvoor 1,75 miljoen euro is vrijgemaakt?2
Deze middelen zijn toegekend aan de regio’s om uniforme landelijke ondersteuning mogelijk te maken. Hiermee is er uitvoering gegeven aan dit amendement.
Kunt u gespecificeerd uiteenzetten wat er met deze middelen is gebeurd? Waaraan zijn ze concreet besteed?
De veiligheidsregio’s geven aan dat er jaarlijks € 48.102,52 per veiligheidsregio beschikbaar is voor de uitvoering van de landelijke regeling PTSS. Dit budget is volgens de regio’s specifiek bedoeld om binnen regio’s extra (HR) capaciteit vrij te maken ter ondersteuning van medewerkers (0,5 fte).
Jaarlijks gaat een bedrag van € 561.273,- richting het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (hierna: NIPV) voor de coördinatie van de landelijke uitvoering de van de regeling PTSS. De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij deze middelen als volgt besteden:
Welke PTSS-regeling is voorts per 1 januari 2026 ingevoerd? Kunt u de kernonderdelen van deze regeling beschrijven? Is deze regeling zowel voor brandweerlieden als voor vrijwilligers begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk?
De 25 veiligheidsregio’s, als werkgevers van de brandweer, zijn recent gekomen tot éen gemeenschappelijke aanpak voor ondersteuning en begeleiding bij mentale klachten als PTSS. Een belangrijk onderdeel van deze aanpak is de «Regeling erkenning en aanspraken PTSS als beroepsziekte» die per 1 februari 2026 is ingevoerd.
De veiligheidsregio’s hebben aangegeven dat deze regeling niet op zichzelf staat, maar onderdeel uitmaakt van een breder pakket aan maatregelen waarbij vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap de focus op preventie ligt. Mocht desondanks sprake zijn van beroepsgerelateerde PTSS, dan liggen aanspraken nu vast in één regeling. Volgens de veiligheidsregio’s is met de regeling PTSS het stroomlijnen, uniformeren en professionaliseren van het proces geregeld wanneer een medewerker of vrijwilliger zich met PTSS-klachten meldt bij de veiligheidsregio. Dit om te komen tot gelijkwaardige aanspraken voor zowel (beroeps)medewerkers als brandweervrijwilligers bij alle veiligheidsregio’s.
Onderdeel hiervan zijn aanvullende afspraken met betrekking tot loondoorbetaling en aanvulling op het loon bij arbeidsongeschiktheid, óók voor vrijwilligers. Voor wat betreft de aanvulling op de WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst is voor vrijwilligers eenzelfde aanspraak in de regeling PTSS opgenomen.
Indien een medewerker de dienst verlaat met PTSS, kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van medische kosten. Voorafgaand aan de AOW-gerechtigde leeftijd wordt een afspraak vastgelegd over finale kwijting. Dit voorkomt een openeinderegeling en onnodige regeldruk voor zowel medewerker als werkgever. Ook is in de regeling een gemaximeerde vergoeding van andere dan medische kosten (zoals huishoudelijke hulp, kinderopvang, vervoer) opgenomen voor medewerkers en vrijwilligers.
Bij de totstandkoming van de regeling PTSS is nagedacht over een vorm van terugwerkende kracht. Een aanvraag voor aanspraken op grond van de regeling PTSS kan, als in de vijf jaren voor de inwerkingtreding sprake is geweest van kosten. Dit om medewerkers die afgelopen jaren met klachten hebben rondgelopen tegemoet te treden.
Overlegpartners spraken af de regeling PTSS te evalueren. Daarbij wordt ook bezien in hoeverre de regeling in de praktijk begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk is. Evaluatie volgt drie jaar na inwerkingtreding of zoveel eerder dan nodig.
Tot slot verwijs ik u voor de volledige regeling graag naar de website3 van de Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio’s (hierna: WVSV).
Klopt het dat in tegenstelling tot regelingen voor politie en defensie, in de PTSS-regeling voor brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen en dat de hoogte van eventuele vergoeding afhankelijk blijft van de specifieke veiligheidsregio (25 regio’s)? Zo ja, waarom is hiervan afgeweken en welke overwegingen hebben tot deze keuze geleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat er in de PTSS-regeling voor het brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen. De betrokken overlegpartners, te weten de werkgevers- de 25 veiligheidsregio’s- en de bonden als vertegenwoordiging van deze werknemers zijn hiertoe gezamenlijk gekomen.
In het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten van politie staat zorg, het herstel en de re-integratie van de medewerker centraal. Zodra een politiemedewerker zich meldt met beroepsgerelateerde gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, ontvangt de politiemedewerker direct de benodigde begeleiding, zorg en gerichte vergoedingen. Bij het bereiken van de medische eindsituatie start het proces van de afhandeling van resterende schade (immateriële vergoeding). Hierbij geldt een drempel dat de klachten 51% of meer beroepsgerelateerd moeten zijn.
De veiligheidsregio’s geven aan dat de regeling voor veiligheidsregio’s is opgezet als een werkgeversvoorziening vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap, niet als een aansprakelijkheids- of schadevergoedingsregeling. De regeling beoogt de zorg voor medewerkers met een beroepsgerelateerde PTSS collectief te regelen en bevat uitsluitend materiële aanspraken.
Mocht sprake zijn van (immateriële) schade dan is compensatie mogelijk via een aansprakelijkstellingsprocedure. Deze procedure kan parallel lopen aan vergoeding conform de Regeling PTSS. De veiligheidsregio’s wijzen er daarbij op dat de regeling zelf landelijk uniform is; verschillen tussen de 25 veiligheidsregio’s zitten niet in de regeling, maar alleen buiten de regeling (bijvoorbeeld bij civielrechtelijke aansprakelijkstelling).
Bent u het ermee eens dat hierdoor rechtsongelijkheid kan ontstaan? Zo ja, welke maatregelen treft u om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dat er verschillen bestaan in arbeidsvoorwaarden tussen verschillende beroepsgroepen, zoals bijvoorbeeld politie, defensie, brandweer en ambulancezorg die mede tot stand zijn gekomen op basis van verschillen tussen de taken, verantwoordelijkheden en organisatievormen van deze beroepsgroepen. Deze arbeidsvoorwaarden zijn per beroepsgroep tot stand gekomen in overleg tussen de sociale partners.
Ik sta voor goede zorg voor brandweermensen in Nederland. De 25 veiligheidsregio’s als werkgevers van de brandweer zijn recent gekomen tot een gemeenschappelijke aanpak voor ondersteuning en begeleiding bij mentale klachten als PTSS. Dit betekent concreet dat er een einde is gekomen aan een versnipperde aanpak en het niet bestaan van een landelijke regeling. Daar ben ik blij mee.
Het akkoord op deze regeling en de inhoud is een aangelegenheid tussen de werkgevers en de betrokken bonden als vertegenwoordigers van de werknemers. Vanuit de ervaring vanuit mijn verantwoordelijkheid richting politiepersoneel weet ik hoe belangrijk goede afspraken zijn voor het behoud en inzetbaarheid van personeel. Ik moedig betrokken partijen en diverse beroepsgroepen aan om van elkaar te blijven leren daar waar dit kan. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik blijven bezien hoe hier het beste in te ondersteunen.
In hoeverre is de financiering zoals voorzien in het amendement-Mutluer/Van Nispen, toereikend voor de daadwerkelijke uitvoering van een landelijke regeling? Welke signalen ontvangt u van veiligheidsregio’s over uitvoerbaarheid en kosten? Wat is er (financieel) nodig om te komen tot een regeling die daadwerkelijk uniform en gelijkwaardig is, inclusief een vorm van immateriële schadevergoeding?
De regeling is in werking getreden per 1 februari 2026. De regio’s hebben bij mij aangegeven dat het nu nog te vroeg is om iets te kunnen zeggen over de uitvoerbaarheid en de kosten. Er zal periodiek geëvalueerd worden hoe de regeling en de uitvoering hiervan verlopen.
Met deze regeling wordt met name uniformiteit en gelijkwaardigheid beoogd daar waar het gaat om alle 25 veiligheidsregio’s en de uitwerking van deze regeling voor zowel beroeps- als vrijwillige brandweerlieden. Als u hier doelt op andere beroepsgroepen, verwijs ik u graag naar mijn beantwoording hierboven onder vraag 6. Evaluatie van- en afspraken met betrekking tot de regeling, waaronder bijvoorbeeld vormen van vergoedingen, zijn onderdeel van gesprek tussen de overlegpartijen, de werkgevers en de bonden. Vanuit de veiligheidsregio’s wordt jaarlijks een (financiële) verantwoording van de besteding van de bijdrage vanuit het ministerie (c.q. opvolging van het amendement Mutluer/Van Nispen4) opgesteld.
Welke activiteiten onderneemt u om ervoor te zorgen dat ook vrijwilligers binnen de veiligheidsregio’s op gelijke wijze kunnen profiteren van de regeling en dat eventuele praktische belemmeringen bij hun toegang tot ondersteuning worden weggenomen?
Goede zorg voor brandweermensen, zowel beroeps- als vrijwillige brandweerlieden in Nederland, acht ik van groot belang. Ik heb direct naar aanleiding van serieuze signalen in 2024 aandacht gevraagd voor goede zorg voor brandweermensen: zowel voor beroeps- als vrijwilligers. Dit heb ik gedaan in het Veiligheidsberaad, waar alle Algemeen Besturen van de veiligheidsregio’s als de werkgevers van de brandweer door de voorzitter veiligheidsregio’s vertegenwoordigd zijn.
De regeling en de inhoud daarvan is primair een aangelegenheid tussen de werkgevers en de bonden. Bij de totstandkoming en onderhandelingen over de regeling is ook specifieke aandacht geweest voor de vrijwilligers en hier zijn specifieke artikelen over opgenomen in de regeling. De onlangs ingevoerde regeling geldt dan ook voor zowel beroepsmedewerkers als vrijwilligers, waardoor, zo geven de veiligheidsregio’s mij aan, vrijwilligers nu een gelijke behandeling krijgen. Daarbij zal uit de evaluatie naar voren komen of en hoe dit tot uiting komt en of aanvullende stappen nodig zijn. Indien ik signalen ontvang van praktische belemmeringen bij toegang tot ondersteuning van zowel beroeps- als vrijwillige brandweerlieden zal ik dit onder de aandacht brengen in gesprek met de betrokken partijen.
Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Ik ga er van uit dat wordt gedoeld op het Plan van Aanpak van de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie. De focus van de politie ligt op de uitvoering van haar kerntaken. Dit betekent dat zij, in overeenstemming met artikel 3 van de Politiewet 2012, zorgt voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Dit vereist een professionele politieorganisatie waarin leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. De Inspectie stelt in het plan van aanpak: «Uitsluiting, discriminatie en racisme (UDR) binnen de politie vormen een risico voor de kwaliteit van de taakuitvoering. Zo kan UDR het onderlinge vertrouwen tussen agenten aantasten, terwijl dat een randvoorwaarde is voor het veilig uitvoeren van de soms gevaarlijke politietaken. Ook moeten politiemedewerkers op basis van artikel 1 van de Grondwet elkaar en de mensen waarmee zij in contact komen gelijkwaardig behandelen, wie of wat zij ook zijn.»
Uit het plan van aanpak blijkt dat de Inspectie op eigen initiatief in 2025 heeft besloten om een korte oriëntatie uit te voeren naar de uitwerking van de door de politie voorgestelde maatregelen om uitsluiting, discriminatie en racisme binnen de politieorganisatie aan te pakken. De IJenV is onafhankelijk en beslist zelfstandig over haar eigen onderzoeksprogrammering.
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Het betreft een onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid dat nog moet worden uitgevoerd. Zodra het onderzoek door de Inspectie is afgerond zullen de resultaten ervan op de gebruikelijke wijze openbaar worden gemaakt.
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Inspectie Justitie en Veiligheid. De kaders van het onderzoek worden door de Inspectie bepaald.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
In algemene zin ben ik van mening dat agenten met vertrouwen en rugdekking van de leiding hun werk moeten kunnen doen. Politieagenten zetten zich elke dag in voor de veiligheid van onze samenleving, vaak onder veeleisende en moeilijke omstandigheden. Zij verdienen hiervoor onze volle waardering. De basis van alle politietraining blijft vakbekwaamheid en professionaliteit; onder andere middels de Integrale Beroepsvaardigheden Trainingen waarin politieagenten worden ondersteund en getraind in het daadkrachtig en rechtmatig optreden op straat. Handelend optreden, handhaven, geweldsbeheersing, en juridische kennis staan hierbij centraal. Ook wordt juridische ondersteuning laagdrempelig beschikbaar gesteld. In de opleidingen wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan professioneel en daadkrachtig optreden binnen de wettelijke kaders. Medewerkers worden hierbij ondersteund door hun leidinggevende. Leidinggevenden moeten oog houden voor de continuïteit en professionaliteit van de operatie én oog houden voor de belasting en weerbaarheid van collega's.
Een professionele politieorganisatie betekent dat leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. In zo’n organisatie is geen plaats voor uitsluiting, discriminatie en racisme. Een stevige leiderschapsontwikkeling is om deze reden opgenomen in de strategische agenda van de politie 2025–2030. Hiermee wordt erkend dat leidinggevenden een cruciale positie hebben in de organisatie, omdat zij meer verantwoordelijkheden hebben ten opzichte van andere medewerkers, meer formele invloed hebben op de gang van zaken binnen de organisatie en een voorbeeldrol vervullen. De organisatie investeert in leidinggevenden die bijdragen aan het bewerkstelligen van veilige en inclusieve teams.
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Aangezien het een onderzoek van de Inspectie betreft, kan ik geen toezeggingen doen over tussentijdse voortgangsrapportages. Zodra de Inspectie het onderzoek heeft afgerond en aan mij heeft aangeboden, zal ik uw Kamer – conform de gebruikelijke termijnen – hierover informeren en het rapport doen toekomen.
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. De politie heeft geen apart overzicht van alle inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Een krachtige politie is per definitie professioneel en handelt binnen de wet. Discriminatie ondermijnt het gezag en de effectiviteit van de organisatie. Leidinggevenden moeten zich bewust zijn van hun cruciale rol bij het voorkomen en aanpakken van uitsluiting, discriminatie en racisme.
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
Voor een effectieve uitvoering van de politietaak is een professionele, zelfbewuste organisatie nodig. Aanwezigheid en zichtbaarheid van de politie in de wijk is en blijft een topprioriteit. Om dit te versterken zet de politie in op het verminderen en efficiënter inrichten van administratieve lasten. Het programma Vernieuwen Registreren (PVR) ondersteunt collega’s daarbij, zodat zij meer tijd hebben voor het werk op straat en zichtbaar kunnen zijn in de wijk.
De positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De wet schiet tekort voor de kinderen van femicideslachtoffers» in de Volkskrant?1
Ja.
Wat vindt u van het onderzoek van de Femicide Monitor van de Universiteit Leiden waaruit blijkt dat 62 procent van de slachtoffers van femicide kinderen had en dat 76 procent van deze kinderen minderjarig was, waarvan velen getuige waren van het geweld?2
Met de Femicide Monitor wordt onder meer in beeld gebracht hoeveel kinderen hun moeder hebben verloren door femicide. Geen enkel kind hoort dit mee te maken. Toch laat de Femicide Monitor zien dat dit jaarlijks voor gemiddeld 25 kinderen de realiteit is. De impact van het verlies van een moeder door femicide op een kind is enorm. Bovendien zijn kinderen vanwege hun jonge leeftijd extra kwetsbaar. Wij vinden het daarom zeer belangrijk dat er aandacht is en blijft voor deze groep kinderen.
Kunt u nader toelichten welke wettelijke kaders er momenteel gelden voor kinderen en de zorg voor hen na femicide? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden deze kaders in de praktijk nageleefd?
Voor kinderen en de zorg voor hen na femicide gelden de reguliere voogdij- en gezagsbepalingen uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is per 1 januari 2018 de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding in werking getreden. Dit wettelijk kader regelt onder meer dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) om een voorlopige voogdijregeling kan verzoeken, om zo meteen na partnerdoding de onmiddellijke zorg voor het kind te waarborgen. Het ouderlijk gezag van de verdachte/dader-ouder is dan geschorst en de voorlopige voogdij wordt doorgaans belegd bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is dan als voogd bevoegd om beslissingen over het kind te nemen. Ook zijn er binnen het bijbehorende Handelingsprotocol omgang na partnerdoding (hierna: het protocol) samenwerkingsafspraken gemaakt over wie welke taken op zich neemt en welke expertise op welk moment ingeschakeld kan worden.
De RvdK doet op basis van dit protocol onderzoek naar de wenselijkheid van contact of omgang tussen het kind en de verdachte/dader-ouder. Op basis van dit onderzoek dient de RvdK binnen drie maanden een verzoek bij de kinderrechter in tot vaststelling van een contact- of omgangsregeling of tot ontzegging van contact of omgang.
In 2023 is de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding geëvalueerd door het WODC.3 Uit deze evaluatie volgt dat in vrijwel alle gevallen de wet wordt nageleefd.4
Klopt het dat na femicide vaak direct een voogd, veelal een voogdijinstelling, wordt benoemd die volledige zeggenschap krijgt over besluiten met betrekking tot het verblijf, de schoolkeuze, de therapie en de omgang van de betrokken kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het zeer traumatiserend kan zijn voor kinderen, van wie de moeder om het leven is gekomen wegens femicide, om herhaaldelijk overgeplaatst te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat dit gebeurt?
Het verliezen van de ene ouder door het toedoen van de andere ouder is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van een kind. De (over)plaatsing van een kind moet, net als een contact- of omgangsregeling met (familie van) de overblijvende ouder, altijd in het belang van het kind zijn. Dat is een afweging die door de kinder- of familierechter wordt gemaakt en waarbij alle omstandigheden omtrent het kind worden betrokken.
Uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep volgen verschillende aanbevelingen die onder meer zien op de verblijfplaats van het kind en het contact tussen de daderouder en het kind enerzijds en het contact tussen de familie van de moeder en het kind anderzijds. Daarnaast volgt uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk geweld en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen, gezag en omgang. De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is daarom eind 2025 een verbetertraject gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. De rechtspraak, maar ook andere organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee aan dit verbetertraject. Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen en nabestaanden betrokken in dit traject. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van Justitie en Veiligheid voor de zomer een bredere reactie op het aanpakplan aan de Tweede Kamer toesturen, wanneer uw Kamer ook wordt geïnformeerd over het genoemde verbetertraject.
Deelt u de zorg dat verplicht contact met (de familie van) de dader en het wegvallen van contact met de familie van de vermoorde moeder kan leiden tot traumaverdieping en onveiligheid voor deze kinderen? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ook bereid om toe te werken naar het ontwikkelen en inzetten van kennis om samen met het kind te ontdekken wat hier de beste oplossing is?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat de Nederlandse wet momenteel geen geschillenregeling kent voor conflicten over de uitoefening van de voogdij bij femicide, waardoor kinderen en nabestaanden beslissingen van de voogd niet aan de rechter kunnen voorleggen, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad?3 Hoe beoordeelt u deze lacune in de wet?
Het klopt dat de Nederlandse wet op dit moment geen regeling kent voor geschillen over de uitvoering van voogdij indien de voogdij wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling (hierna: GI). In die situatie ligt de dagelijkse zorg voor de minderjarige niet bij de GI maar bij een ander, bijvoorbeeld een nabestaande, en kan een verschil van inzicht ontstaan over de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang van de minderjarige is.
Met het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt voorgesteld een geschillenregeling te introduceren voor geschillen die de uitvoering van de voogdij door de GI betreffen. Deze mogelijkheid wordt opengesteld voor de minderjarige van twaalf jaar of ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (bijvoorbeeld nabestaanden), de RvdK, de GI en de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp waar de minderjarige is geplaatst. Ook geldt voor minderjarigen die jonger zijn dan twaalf jaar een informele rechtsingang, zodat ook zij zich tot de rechter kunnen wenden als sprake is van een geschil over de uitoefening van de voogdij. Op basis van deze regeling krijgen dus ook kinderen van femicideslachtoffers en nabestaanden die hen opvoeden en verzorgen toegang tot de rechter bij geschillen over de uitoefening van de voogdij door de GI. Het bereik van de geschillenregeling is beperkt tot de genoemde groep om te voorkomen dat minderjarigen onderwerp kunnen worden van extra juridische procedures begonnen door personen die geen directe verantwoordelijkheid hebben voor de verzorging of opvoeding van het kind.
Wat betreft andere mogelijkheden voor toegang tot de rechter biedt de wet op dit moment al de mogelijkheid aan nabestaanden om de rechter te verzoeken de voogdij van een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een andere nabestaande) of een GI te beëindigen als zij – kort gezegd – menen dat de voogdij niet op een verantwoorde wijze wordt uitgeoefend en de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (artikel 1:329, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:327 en 1:328 BW). Deze mogelijkheid staat open voor bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad. Daaronder vallen onder andere grootouders, ooms en tantes en meerderjarige broers en zussen. Zij kunnen de rechter ook verzoeken om hen daarna met de voogdij te belasten (artikel 1:334, lid 1 en 2, BW). Nabestaanden kunnen daarnaast, indien zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot de minderjarige, een verzoek tot vaststelling, wijziging of ontzegging van het recht op omgang indienen bij de rechtbank (artikel 1:377a en 1:377e BW).
De wet schrijft voor dat de kinderrechter die een beslissing neemt over een minderjarige van twaalf jaar of ouder (zoals een beslissing over de voogdij), die minderjarige eerst in de gelegenheid stelt om zijn mening te geven, bijvoorbeeld tijdens een kindgesprek (artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt, in aansluiting op de huidige rechtspraktijk, voorgesteld om deze wettelijke leeftijdsgrens te verlagen naar acht jaar. Indien daar aanleiding voor is kan de rechter overigens ook minderjarigen die jonger zijn dan acht jaar in de gelegenheid stellen hun mening kenbaar te maken.
Welke mogelijkheden ziet u om de regels dan wel de wet te wijzigen zodat kinderen en nabestaanden van femicideslachtoffers toegang krijgen tot de rechter bij geschillen over voogdij en expliciet kunnen verzoeken om (op termijn) met de voogdij te worden belast? Hoe zou hierbij de de stem en inspraak van kinderen geborgd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke mogelijkheden zijn er om te borgen dat in gevallen waarin kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld en in het bijzonder van partnerdoding of een poging daartoe, het Openbaar Ministerie ook vervolgt wegens kindermishandeling?
De beleidsregels van het Openbaar Ministerie zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in onder meer de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna: Aanwijzing). In algemene zin gaat de Aanwijzing uit van de bescherming van kwetsbaren, waaronder kinderen, en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de veiligheid binnen het gezin. Op dit moment is niet in een beleidsregel van het Openbaar Ministerie expliciet opgenomen dat getuige zijn van huiselijk geweld en/of (een poging tot) partnerdoding leidt tot strafrechtelijke vervolging wegens kindermishandeling. De in de vraag benoemde waarborging ligt in het in de Aanwijzing opgenomen uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie in een concrete zaak kan vervolgen wegens kindermishandeling in voornoemde gevallen, afhankelijk van de feiten, omstandigheden en de bewijsbaarheid. Het Openbaar Ministerie kan overigens ook ambtshalve vervolgen, behoudens in het geval van klachtdelicten.
Hoe beoordeelt u de wens uit de praktijk om te komen tot een protocol waarin wordt vastgelegd waar kinderen van femicideslachtoffers verblijven en waarin tevens een verplichting wordt opgenomen voor de Raad voor de Kinderbescherming om, indien dit in het belang van het kind is, het contact met de familie van de vermoorde moeder in stand te houden en zich daar actief voor in te zetten?
In het kader van de aanbevelingen uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» wordt gekeken naar de werking en mogelijke verbetering van het bestaande Handelingsprotocol omgang na partnerdoding. Daarin nemen wij deze wens uit de praktijk mee. Zoals in de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 is aangegeven, zal de Minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer voor de zomer een bredere reactie op dit aanpakplan toesturen.
In hoeverre acht u het van belang dat rechters die oordelen over zaken waarin sprake is van (ernstig) huiselijk geweld, dwingende controle, intieme terreur of femicide, beschikken over aantoonbare en specialistische kennis op dit terrein? Hoe verhoudt dit belang zich tot de constatering in het recente rapport van de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence, dat voor rechters en officieren van justitie geen verplichte scholing bestaat op dit onderwerp?4 Op welke wijze sluit het voornemen van de Raad voor de rechtspraak, zoals opgenomen in het jaarplan 2026, om te investeren in kennis over femicide en intieme terreur hierbij aan?5
Wij achten het van belang dat de rechters die oordelen over zaken waarin vormen van (ernstig) huiselijk geweld spelen, beschikken over de juiste kennis hierover. Uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» door het Verwey-Jonker Instituut volgt dat kennis over huiselijk geweld en geweldspatronen tot de algemene basiskennis van (familie)rechters zou moeten behoren. Dit is onderdeel van het verbeterplan waar in de vraag naar wordt verwezen, dat onder meer ziet op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter. Daarnaast ziet het verbeterplan ook op deskundigheidsbevordering binnen alle rechtsgebieden van de rechtspraak en van officieren van justitie. Hierover worden momenteel gesprekken gevoerd met de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. De scholing van rechters en officieren van justitie is ook onderdeel van deze gesprekken. De Rechtspraak is momenteel in samenwerking met SSR, het opleidingsinstituut van zowel de rechtspraak als het Openbaar Ministerie, het cursusaanbod over huiselijk geweld aanzienlijk aan het uitbreiden.
Zoals hiervoor aangegeven, wordt de Tweede Kamer voor de zomer nader geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Bent u voornemens deze bijscholing verplicht te stellen en, zo ja, op welke termijn? En zo nee: hoe voorkomt u dat scholing vrijblijvend blijft en vooral wordt gevolgd door rechters die hier al affiniteit mee hebben?
Zie antwoord vraag 12.
Het buiten beeld blijven van bijtincidenten door politiehonden bij het Landelijk Meldpunt tegen hondenbeten. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten? Wat is uw reactie op deze beelden?1
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) als doel heeft gesteld om het aantal hondenbeten te verminderen, omdat deze «heftig» zijn en «grote gevolgen hebben voor zowel het slachtoffer als betrokkenen»?2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat hondenbeten door politiehonden tot dusverre niet worden geregistreerd, ondanks de grote gevolgen voor betrokkenen?3
Ja, daarbij merk ik wel op dat iedere geweldsaanwending door de politie wordt geregistreerd, vastgelegd en beoordeeld op rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Ook de inzet van een politiehond als geweldsmiddel wordt geregistreerd en beoordeeld. Leren van geweld is een belangrijk doel van deze procedure van melden en beoordelen van geweld. Jaarlijks publiceert de politie een rapportage met verschillende cijfers over geweldsaanwendingen. Ook zijn in deze rapportage cijfers opgenomen over het aantal keren dat een diensthond als geweldsmiddel is ingezet.4 De jaarrapportages dragen eraan bij dat de politie op een transparant en verantwoordelijke manier omgaat met het geweldsmonopolie.
Specifiek over politiehonden, houdt de politie dus wel cijfers bij over het aantal keer dat een politiehond wordt ingezet als geweldsmiddel. De politie registreert echter geen cijfers over het aantal politiemedewerkers, arrestanten of omstanders die gewond raken door een inzet van politiehonden.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van LVVN graag inzicht wil krijgen in de omvang van het probleem van hondenbeten en daarom vorige week een landelijk meldpunt heeft gelanceerd?
Ja.
Kunt u aangeven of het aantal hondenbeten door politiehonden expliciet wordt meegenomen in dit landelijke meldpunt tegen hondenbeten? Indien dit niet het geval is, bent u dan bereid om de politie op te roepen om deze gegevens alsnog bij te houden en te delen? Zo nee, waarom niet?
Het aantal hondenbeten door politiehonden wordt niet expliciet meegenomen in het landelijk meldpunt. Hoewel alle incidenten gemeld kunnen worden, is het landelijk meldpunt primair gericht op bijtincidenten die plaatsvinden door honden van burgers en niet op beten door politiehonden wanneer zij worden ingezet als geweldsmiddel door de politie. Het doel van het meldpunt is inzicht krijgen in de aard en de omvang van bijtproblematiek in Nederland, om beleid te maken dat goed aansluit op de praktijk. Aanvullende informatie over de inzet van politiehonden als geweldsmiddel en eventuele beten die plaatsvinden in die context is niet noodzakelijk om dit doel te bereiken. Ik zie dan ook geen reden om de politie op te roepen om in dit kader deze gegevens bij te houden en te delen.
Erkent u dat politiehonden tijdens hun inzet geregeld worden geconfronteerd met stressvolle en gevaarlijke situaties, waarbij het niet te voorkomen is dat geweld tegen de honden wordt gebruikt, ze gewond raken, pijn lijden of zelfs komen te overlijden?
In het domein politiehonden van de politie staat dierenwelzijn voorop tijdens de training en de verzorging van de honden. Tijdens operationele inzetten wordt zo veilig mogelijk gewerkt. Indien de inzet van de politiehond niet verantwoord is, worden andere tactische keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan dierenleed nooit volledig worden uitgesloten. Net als politiemedewerkers, lopen politiehonden en hun begeleiders bij een inzet het risico om blootgesteld te worden aan geweld.
Kunt u bevestigen dat het voorzien van een comfortabele en veilige omgeving voor dieren, het zorgen voor een goede gezondheid en het voorkomen van pijn een belangrijk onderdeel is van de Wet dieren?
Ja. De Wet dieren voorziet in regels ter bescherming van het welzijn van dieren.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Vanuit de Koers Politiehonden5 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Een politieagent die werd aangevallen door een politiehond. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Kunt u bevestigen dat het vanuit de Arbeidsomstandighedenwet belangrijk is om werknemers en derden te beschermen tegen gevaren?
Ja, Artikel 3 van de Arbowet schrijft voor dat de werkgever zorgt voor veilige en gezonde werkomstandigheden voor alle werknemers. Als het werk ook gevaar kan opleveren voor anderen in of rond het bedrijf, neemt de werkgever maatregelen om dat te voorkomen (art. 10 Arbowet).
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden een zeer zwaar geweldsmiddel is, zoals ook aangegeven door de politie, en tevens een onvoorspelbaar geweldsmiddel is, gezien de incidenten?2 Zo nee, waarom niet?
Politiehonden worden breed ingezet in het politiewerk, zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Een hond is een levend wezen en dat brengt onvoorspelbaarheid met zich mee. Die onvoorspelbaarheid wordt zoveel mogelijk beperkt door selectie, intensieve opleiding, certificering, voortdurende training van de hond en de geleider, en operationele regie.
Het inzetten van politiehonden om te bijten, is een zwaar geweldsmiddel. Voor de inzet van een politiehond als geweldsmiddel gelden dan ook strenge regels. Ten behoeve van de uniformiteit en voorspelbaarheid, zijn er bovendien landelijke professionele standaarden vastgesteld voor die gevallen waarin een politiehond daadwerkelijk wordt ingezet om te bijten. Deze standaarden vormen de basis voor het onderwijs aan hondengeleiders. Van hondengeleiders wordt verwacht dat zij in alle gevallen een zorgvuldige afweging maken, alvorens de politiehond in te zetten als geweldsmiddel.
Kunt u bevestigen dat de Arbeidsomstandighedenwet voorschrijft dat de werkgever de arbeid zodanig moet organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1a)?
Ja, de werkgever moet zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden. Hij dient het werk zo aan te passen dat het geen schade toebrengt aan de veiligheid of gezondheid van werknemers.
Kunt u bevestigen dat de gevaren en risico’s zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of beperkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1b)?
Ja, de werkgever heeft een zorgplicht naar zijn werknemers. Dit betekent dat hij de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers dient te beschermen. Als dit niet mogelijk is, dient de werkgever andere doeltreffende maatregelen te treffen. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming. Collectieve bescherming heeft tot doel alle werknemers in een bepaalde omgeving of situatie te beschermen, zonder dat individuele maatregelen nodig zijn. Individuele bescherming heeft tot doel een individuele werknemer te beschermen tegen specifieke risico’s, wanneer collectieve maatregelen onvoldoende zijn of niet mogelijk zijn. In de Arbowetgeving (art. 4.4 Arbobesluit) is dit aangeduid als de arbeidshygiënische strategie.
Kunt u aangeven of en hoe de politie (periodiek) evalueert of en in welke mate de inzet van politiehonden gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening noodzakelijk is, ondanks de nadelige invloed op de veiligheid van de werknemers?
Vanuit de Koers Politiehonden3 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Daarnaast wordt er momenteel een brede evaluatie uitgevoerd over alle geweldsmiddelen waarover politiemedewerkers in de basispolitiezorg beschikken. In dat kader worden verschillende aspecten van elk geweldsmiddel onderzocht. Ook de politiehond als geweldsmiddel maakt onderdeel uit van de evaluatie, waaronder de veiligheid van een politiemedewerker bij de inzet van een hond.
Bent u ermee bekend dat op eerdere Kamervragen over een politiehond die werd neergeschoten nadat die zich tegen het eigen arrestatieteam keerde, de Minister van Justitie en Veiligheid aangaf dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Indien een politieambtenaar onbedoeld door een hond wordt gebeten, wordt dit geregistreerd als een dienstongeval. Het aantal dienstongevallen wordt door de politie geregistreerd. Daarbij wordt ook de aard van het ongeval vermeld. Als een ongeval is veroorzaakt bij de inzet van een diensthond, wordt de betreffende ongevalsmelding voorzien van het label «diensthond». Daarmee voldoet de politie aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 9, lid 1 en 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Niet alle details van een concreet voorval worden echter nader gespecificeerd, of als zodanig geregistreerd. Uit het systeem is dan ook niet af te leiden of in een concreet dienstongeval een bijtincident betrof of een ander incident is waarbij de diensthond betrokken is geweest. Denk aan het oplopen van vingerletsel door de hondenriem of lichamelijke klachten door onverwachte bewegingen van de hond. Daardoor is het niet mogelijk om op basis van de geregistreerde arbeidsongevallen waarbij een diensthond betrokken was, aan te geven hoeveel bijtincidenten er hebben plaatsgevonden.
Hoe verhoudt dit zich tot artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet, die voorschrijft dat een werkgever een lijst moet bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat werkgevers onder de Arbeidsomstandighedenwet verplicht zijn om risico’s vooraf goed in kaart te brengen en een plan op te stellen om ongelukken en schade waar mogelijk te voorkomen?4
Ja. Werkgevers zijn op basis van artikel 5 van de Arbowet verplicht een Risico Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) op te stellen waarin ze de arbeidsrisico’s in kaart brengen en in het plan van aanpak maatregelen opschrijven en uitvoeren om deze risico’s te minimaliseren.
Kunt u aangeven of er een plan is opgesteld om politieagenten die in aanraking komen met politiehonden te beschermen tegen mogelijke schade en in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit de Arbeidsomstandighedenwet?
De politie is volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een RI&E op te stellen waarin alle operationele arbeidsrisico’s zijn opgenomen waar politiemedewerkers mee in aanraking kunnen komen binnen de taakstelling van de functie. Dit geldt ook voor de operationele arbeidsrisico’s omtrent politiehonden.
De politie traint politiemedewerkers die gaan samenwerken met de politiehondengeleiders tijdens de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) en Operationele Begeleiding en Training (OBT). Daarbij is er ook aandacht voor de risico’s van het werken met politiehonden. Daarnaast heeft een Team Surveillancehonden (TSH) van de politie aanvullende trainingsdagen. Wanneer er onverhoopt een bijtincident plaatsvindt bij een politiemedewerker, is de benodigde behandeling afhankelijk van de verwonding. Indien nodig verricht de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een ongevalsonderzoek naar aanleiding van een melding.
De politie heeft waar andere politiemedewerkers (zoals de Mobiele Eenheid) in directe samenwerking optreden met politiehonden(geleiders) aandachtspunten opgenomen in de betreffende RI&E’s. Ook geven hondengeleiders aan dat sommige situaties onvermijdelijk zijn, gezien het werken met dieren en de onverwachte situaties waarin politiemedewerkers terecht in kunnen komen. Dit is een door de politieorganisatie aanvaard risico.
De RI&E’s binnen de politie zijn opgesteld en getoetst door arbokerndeskundigen conform de eisen van de Arbeidsomstandighedenwet.
Kunt u aangeven of de politie een Risico Inventarisatie en Evaluatie heeft opgesteld waarin expliciet is opgenomen hoe alle agenten die in aanraking komen met politiehonden worden beschermd tegen bijtincidenten? Kunt u aangeven in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit Arbeidsomstandighedenwet?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid om met de Minister van J&V en de politie in overleg te treden om te kijken hoe politieagenten en derden beter kunnen worden beschermd tegen (ernstige) verwondingen door beten van politiehonden? Zo nee, waarom niet?
Het politiehondendomein is volop in ontwikkeling. Er is veel aandacht voor het dierenwelzijn in de Koers Politiehonden. Zo heeft de richtlijn «aangelijnd werken» sinds 2023 geleid tot het terugdringen van ongewilde bijtincidenten. Ook is er tijdens de training en opleiding veel aandacht voor intervisie en het uitwisselen van ervaringen om de inzet van politiehonden te verbeteren. Daarnaast worden er verkenningen uitgevoerd met een muilkorf die op afstand kan worden afgeworpen met een afstandsbediening waarover de hondengeleider beschikt. Dit zou in de toekomst kunnen leiden tot een verdere daling van het aantal ongewilde bijtincidenten. Op dit moment is er geen aanleiding om hierover in overleg te treden.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zoals hierboven is aangegeven wordt er vanuit de Koers Politiehonden samengewerkt met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
In verband met de leesbaarheid zijn sommige vragen samengevoegd. Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Ernstige verwondingen, ontbrekende registratie en risico’s bij de inzet van politiehonden. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Heeft u er kennis van genomen dat een student van de Radboud Universiteit, nadat deze door een politiehond werd gebeten, twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen, vijf keer is geopereerd, vijf maanden heeft moeten herstellen, en levenslang is misvormd?2 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik betreur dat deze persoon deze mate van letsel heeft opgelopen.
Kunt u bevestigen dat het vooraf nooit met zekerheid is in te schatten hoe een hond in een hoogstressvolle situatie reageert, wie wordt gebeten, en welke verwondingen daarbij worden toegebracht?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren herhaaldelijk is gebleken dat politiehonden in stressvolle situaties onvoorspelbaar gedrag vertonen, wat leidt tot onbedoelde bijtincidenten en (ernstige) verwondingen?
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden daarmee kan worden aangemerkt als een zeer zwaar en onvoorspelbaar geweldsmiddel? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord om een geweldsmiddel in te zetten waarbij er een hoge onzekerheid is hoeveel schade er wordt aangericht en aan wie? Zo ja, waarom?
Herinnert u zich dat u in eerdere in antwoorden op Kamervragen hebt aangegeven dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers, arrestanten of omstanders gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Ik hecht eraan om het proces van melden, registreren en beoordelen van geweld nader toe te lichten.
Iedere politieambtenaar die geweld heeft gebruikt maakt daarvan een registratie in het systeem Basisvoorziening Handhaving (BVH). Behalve de aard en de gevolgen van het gebruikte geweld, wordt ook vastgelegd van welk geweldsmiddel eventueel gebruik is gemaakt. Naast deze schriftelijke vastlegging, wordt de geweldsaanwending door de betreffende politiemedewerker ook mondeling gemeld bij de hulpofficier van justitie, waarbij ook de feiten en de omstandigheden van het geval worden besproken. Dit vindt plaats binnen de betreffende politie-eenheid.
Vervolgens beoordeelt de hulpofficier van justitie of er aanleiding bestaat om nader te laten onderzoeken of de geweldsaanwending voldeed aan het toetsingskader. Als hij geen aanleiding ziet voor nader onderzoek, dan maakt de hulpofficier van justitie een «geweldsmutatie» op. Indien de geweldsaanwending naar het oordeel van de hulpofficier van justitie wél nader moet worden onderzocht, dan maakt hij of zij een «geweldsregistratie» op. Van bepaalde geweldsaanwendingen moet altijd een geweldsregistratie worden opgemaakt, bijvoorbeeld na vuurwapengebruik of na ernstig letsel. Iedere geweldsregistratie wordt vervolgens in het beoordelingsproces gebracht. In de kern houdt dat in dat de politiechef, na een advies van het sectorhoofd en een onafhankelijke commissie, beoordeelt of het gebruikte geweld voldeed aan de eisen van professionaliteit.
Uit het voorgaande volgt dat iedere geweldsaanwending door de politie wordt geregistreerd, vastgelegd en beoordeeld op rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Dat geldt dus ook voor een geweldsaanwending waarbij een politiehond is betrokken. Leren van geweld is een belangrijk doel van deze procedure van melden en beoordelen van geweld.
Jaarlijks publiceert de politie een rapportage met verschillende cijfers over geweldsaanwendingen.4 De jaarrapportages dragen eraan bij dat de politie op een transparant en verantwoordelijke manier omgaat met het geweldsmonopolie. Ook zijn in de rapportage cijfers opgenomen over het aantal keren dat een diensthond als geweldsmiddel is ingezet. Deze cijfers worden gebaseerd op het aantal BVH-registraties dat is opgemaakt van inzetten van een politiehond als geweldsmiddel. Hoewel de BVH-geregistreerde cijfers op zichzelf niet direct inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn geweest van de inzet van een politiehond als geweldsmiddel in een concreet geval, zijn deze gevolgen en andere relevante informatie wel degelijk opgenomen bij de BVH-registratie. En ook bij de beoordeling van een geweldsaanwending waarbij een politiehond is ingezet, worden relevante feiten en de gevolgen van het geweldgebruik uiteraard betrokken.
Kunt u bevestigen dat werkgevers op basis van artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet een lijst moeten bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, ziekenhuisopname of verzuim van meer van drie werkdagen? Kunt u bevestigen dat deze verplichting ook voor de politie geldt?
Ja.
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht verschaffen van de bijtincidenten met politiehonden in de afgelopen vijf jaar die hebben geleid tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover het gaat over het aantal keer inzetten van een politiehond als geweldsmiddel en gevolgen van burgers daarvan, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Indien een hond onbedoeld een politieambtenaar bijt, vindt registratie plaats van een dienstongeval. Het aantal dienstongevallen worden, net als ongewilde schoten, door de politie geregistreerd. De registratie vermeldt ook de aard van het ongeval. Als een ongeval is veroorzaakt bij de inzet van een diensthond, wordt de betreffende ongevalsmelding voorzien van het label «diensthond». Daarmee voldoet de politie aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 9, lid 1 en 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Niet alle details van een concreet voorval zijn echter nader te specificeren, of als zodanig te registreren. Uit het systeem is dan ook niet af te leiden of in een concreet dienstongeval een bijtincident betrof of een ander incident is waarbij de diensthond betrokken is geweest. Denk aan het oplopen van vingerletsel door de hondenriem of lichamelijke klachten door onverwachte bewegingen van de hond. Daardoor is het niet mogelijk om op basis van de geregistreerde arbeidsongevallen waarbij een diensthond betrokken was, aan te geven hoeveel daarvan bijtincidenten betreffen met (ernstig) letsel tot gevolg.
Bent u ermee bekend dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onlangs een landelijk meldpunt tegen hondenbeten heeft gelanceerd, met als doel inzicht te krijgen in hoeveel en wat voor bijtincidenten per jaar plaatsvinden?
Ja.
Deelt u de mening dat inzicht in het totale aantal bijtincidenten door politiehonden relevant is om een volledig beeld te krijgen van hondenbeten en om de proportionaliteit van de inzet van politiehonden te kunnen beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om de politie te verzoeken om deze gegevens voortaan structureel te registreren? Bent u bereid om deze gegevens periodiek met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u zich ervan bewust dat de inzet van politiehonden daarnaast ook nog eens grote welzijnsrisico’s voor de honden zelf met zich meebrengt, zoals extreme stress en verwondingen die zelfs kunnen leiden tot de dood?4
In het domein politiehonden van de politie staat dierenwelzijn voorop tijdens de training en de verzorging van de honden. Tijdens operationele inzetten wordt zo veilig mogelijk gewerkt. Indien de inzet van de politiehond niet verantwoord is, worden andere tactische keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan dierenleed nooit volledig worden uitgesloten. Net als politiemedewerkers, lopen politiehonden en hun begeleiders bij een inzet het risico om blootgesteld te worden aan geweld.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Vanuit de Koers Politiehonden6 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
In verband met de leesbaarheid zijn sommige vragen samengevoegd. Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Het Dienstencentrum van de politie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Dienstencentrum van de politie en de rol die dit centrum vervult bij facilitaire dienstverlening, waaronder catering en inkoop?
Ja, ik ben bekend met het politiedienstencentrum (PDC). Bij het PDC komen alle takken van de bedrijfsvoering samen, zoals HRM, Communicatie, ICT, Verwerving, Facility Management en Financiën.
Kunt u een volledig en actueel overzicht geven van alle leveranciers waarmee het Dienstencentrum van de politie momenteel samenwerkt?
Een volledig en actueel overzicht van alle leveranciers waarmee het PDC
samenwerkt kent juridische en praktische beperkingen en brengt bovendien veiligheidsrisico’s met zich mee. Op onderdelen gaat het om gevoelige informatie. Openbaarmaking kan de kans op beveiligingsincidenten vergroten en strategische keuzes van politie ondermijnen. Dit geldt eveneens voor een volledig en actueel overzicht van alle lopende contracten die door het politiedienstencentrum zijn afgesloten.
Verwerving van producten, diensten en werken vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders, waarbij rekening moet worden gehouden met de deels vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten. Dit brengt wettelijke belemmeringen met zich mee bij het samenstellen van een volledig overzicht. Daar waar geen sprake is van vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten, zijn de leveranciers waar politie mee samenwerkt publiekelijk te vinden via het aanbestedingsplatform TenderNed.
Kunt u per leverancier aangeven:
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle lopende contracten die door of via het Dienstencentrum van de politie zijn afgesloten, inclusief einddata en eventuele verlengingsopties?
Zie antwoord op vraag 2. Een overzicht van alle lopende contracten is vanwege meerdere redenen niet deelbaar. Veel informatie is echter wel publiekelijk beschikbaar. Aangezien de vervolgvragen zich voornamelijk toespitsen op catering, ga ik daar nader op in. Wat betreft catering bij operationele inzet is een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Voor de bedrijfsrestaurants en banqueting is ook een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Wat betreft de onbemande catering is een raamovereenkomst met één partij gesloten. Tevens is er een landelijk contract voor warme dranken automaten. Op alle politielocaties is gratis koffie, thee en gekoeld water beschikbaar.
De raamovereenkomsten voor eten en drinken hebben doorgaans een contractduur van 4 jaar. Per 1 februari 2026 zijn de nieuwe raamovereenkomsten voor operationele catering ingegaan. De nieuwe overeenkomsten voor bedrijfsrestaurants en banqueting gaan in na definitieve gunning, in afwachting van de bezwaartermijn.1
Welke aanbestedingen zijn op dit moment lopende of recent afgerond door het Dienstencentrum van de politie, en welke financiële omvang vertegenwoordigen deze aanbestedingen?
De politie publiceert haar lopende en recent afgeronde aanbestedingen via TenderNed, daar waar het geen gevoelige informatie betreft. Via TenderNed wordt gecommuniceerd over de verschillende aanbestedingen en de fase van de betreffende aanbesteding. Ook geeft politie jaarlijks inzicht in het verwervingsportfolio, om bedrijven de gelegenheid te geven te anticiperen op verwachte aanbestedingen door de Politie, zo ook voor 2026.2 Momenteel lopende aanbestedingen zijn bijvoorbeeld bodycams en toebehoren, voertuig-ICT, tolkdiensten op afstand, motorlaarzen en de basispolitievoertuig personenbussen.
In het laatste kwartaal van 2025 heeft politie onder andere aanbestedingen afgerond op het gebied van levering vliegtuigbrandstoffen Texel (maximale waarde: € 750.000), catering operationele inzet (maximale waarde per perceel: € 5.900.000), sportmedisch onderzoek (maximale waarde: € 1.080.000) en interieurbeplanting (maximale waarde: € 4.800.000).
Op basis van welke criteria (prijs, kwaliteit, duurzaamheid, sociale voorwaarden) worden deze aanbestedingen beoordeeld?
De Aanbestedingswet-2012 kent drie gunningscriteria: de beste prijs-kwaliteitsverhouding, de laagste prijs en de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit. De beoordelingscriteria verschillen per aanbesteding, afhankelijk van de aspecten waarop opdrachtnemers zich van elkaar kunnen onderscheiden. In iedere aanbesteding wordt het beoordelingskader, inclusief de (onderlinge) weging van de verschillende criteria, vooraf met geïnteresseerde opdrachtnemers gedeeld.
Voor de sector Facilitaire Services – waar de categorie eten en drinken deel van uitmaakt – hanteert politie criteria als doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid.
Klopt het dat politieagenten op politielocaties momenteel circa € 3,00 betalen voor een flesje spa/blauw en circa € 15,00 voor een lunchpakket? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze prijzen tot stand zijn gekomen en welke contractuele afspraken hieraan ten grondslag liggen? Zo nee, hoe ziet dit er dan uit?
De genoemde bedragen zijn niet correct. Bij operationele inzet zijn lunchpakketten en flesjes water voor rekening van de werkgever. Hierbij gaat het om het standaard lunchpakket à € 5,57 of de luxe variant à € 7,81. Deze kosten worden niet doorbelast aan de medewerkers. Tijdens reguliere diensten hebben medewerkers de mogelijkheid om zelf een lunch mee te nemen. Hiervoor zijn koel- en opwarmmogelijkheden aanwezig.
Ook kan een medewerker gebruik maken van de bedrijfsrestaurants. In het bedrijfsrestaurant worden gevarieerde keuzes aangeboden, inclusief vegetarische en warme opties. Een lunchdeal van € 3,50 voor een volledige lunch is contractueel vastgelegd om betaalbaarheid voor medewerkers te garanderen. De prijs voor een flesje mineraalwater bedraagt € 1,30 in het bedrijfsrestaurant. Deze is ook beschikbaar in een vendingautomaat voor € 1,35. Zoals aangegeven bij vraag 4 is er tevens gratis gekoeld water beschikbaar.
Welke overwegingen hebben geleid tot het afsluiten van contracten met cateraars waarbij dergelijke prijzen worden gehanteerd voor basale consumpties?
Dergelijke prijzen zijn niet aan de orde. Bij het afsluiten van de cateringcontracten is rekening gehouden met prijs, kwaliteit en de gunningscriteria genoemd bij het antwoord op vraag 6 conform het vooraf gedeelde beoordelingskader. De contracten zijn gesloten als gevolg van een aanbestedingsprocedure binnen het geldende wettelijk kader.
Acht u deze prijsstelling passend voor medewerkers van de politie, gezien hun publieke taak en onregelmatige diensten?
De prijsstelling wordt door politie als passend beoordeeld, omdat de medewerkers gebruik kunnen maken van zelf meegenomen lunch, gebruik van het bedrijfsrestaurant, gebruik van de vendingautomaten en door de werkgever verstrekte lunch bij operationele inzet. De prijsstelling past binnen de kaders van de gevolgde aanbesteding. Bij de eisen en wensen in de aanbesteding is rekening gehouden met verschillende aspecten van goed werkgeverschap, zoals betaalbaarheid van producten voor politiemedewerkers en maatschappelijke doelen als duurzaamheid, circulariteit en het tegengaan van voedselverspilling.
In hoeverre is bij het afsluiten van deze contracten rekening gehouden met het principe van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel?
De principes van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel vormen de basis van de aanbesteding. Deze principes zijn tot uiting gebracht door te beoordelen op doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid. Goed om hierbij te vermelden is dat de gebruikerstevredenheid in 2025 een hoger cijfer heeft gehaald dan de contractueel vastgelegde doelstelling.
Zijn er binnen de huidige contracten mogelijkheden om andere prijsafspraken te maken, bijvoorbeeld door:
Door raamovereenkomsten te sluiten behaalt te politie volumekortingen, verduurzaming, ruimte voor innovatie en overige schaalvoordelen. In de bijbehorende aanbestedingen bestaat de ruimte om maximumprijzen te hanteren. Bij het sluiten van de overeenkomsten zijn door politie prijsafspraken gemaakt, waaronder de contractueel vastgelegde lunchdeal à € 3,50.
Ziet u mogelijkheden om efficiency-slagen te maken binnen de facilitaire dienstverlening van de politie, specifiek op het gebied van catering en inkoop? Zo nee, waarom niet?
Efficiëntie blijkt voor de facilitaire dienstverlening uit een zo optimaal mogelijke prijs-kwaliteit verhouding. Politie is doorlopend alert op het naleven van afspraken binnen de raamovereenkomst(en) of het – waar nodig – herijken van de raamovereenkomst(en).
Heeft het Dienstencentrum van de politie inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van cateringvoorzieningen voor de politieorganisatie?
Ja, het PDC heeft inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van de cateringvoorzieningen. Deze kosten vallen onder de dienst Facility Management, sector facilitaire services binnen het PDC, en zijn opgebouwd uit exploitatiekosten, materiaalverbruik, verstrekkingen van koffie, thee en water en overige kosten.
Hoe verhouden deze kosten zich tot vergelijkbare overheidsorganisaties of andere grote werkgevers binnen de (semi)publieke sector?
De politie geeft aan dat de aanbestedingscriteria vergelijkbaar zijn met die van andere overheidsorganisaties.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige contracten leiden tot onnodig hoge kosten voor politiepersoneel en of heronderhandeling of aanpassing wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. De huidige contracten zijn gesloten conform wettelijke kaders en richtlijnen. Politie heeft zelfstandig de van toepassing verklaarde eisen, wensen en beoordelingscriteria gesteld. Ik ben van mening dat de prijsstelling in de huidige contracten niet leidt tot onnodig hoge kosten. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 12 blijft politie doorlopend alert op efficiënte inkoop. Een heronderhandeling is niet aan de orde.
Deelt u de opvatting dat het rekenen van hoge prijzen voor basisvoorzieningen, zoals eten en drinken tijdens diensttijd, moeilijk te rijmen is met goed werkgeverschap?
Goed werkgeverschap, waaronder betaalbaarheid van producten op politielocaties, is integraal meegenomen in de contracten en daarmee prijsstelling van cateringdienstverlening. Politie acht het belangrijk dat er keuzemogelijkheden zijn voor medewerkers. Daarbij gaat het om het zelf kunnen meenemen van lunch, gratis voorzieningen bij operationele inzet, de keuze voor een lunch in het bedrijfsrestaurant tegen een gereduceerd tarief of het gebruik van een vendingautomaat.
Hoe kijkt u, in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever, aan tegen de huidige situatie en welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf als Minister?
De politie handelt verantwoordelijk in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever. Goed werkgeverschap is integraal onderdeel van de contracten in de categorie eten en drinken. Ik heb vertrouwen in de wijze waarop de politie dit aanpakt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele maatregelen die u wilt nemen om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten te verbeteren?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. Binnen de contracten in de categorie eten en drinken is het verbeteren van betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten een continu proces. Het PDC gebruikt klankbordgroepen en herijking van contracten om te zorgen dat zij steeds passende faciliteiten aanbiedt.
Aangezien de prijsstelling in de huidige contracten niet tot onnodig hoge kosten leidt, zie ik geen noodzaak om aanvullende maatregelen te treffen. Informatie over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen in algemene zin past binnen het reeds bestaande proces van begroting en jaarverantwoording.
Kunt u toezeggen dat bij toekomstige aanbestedingen explicieter wordt gestuurd op betaalbaarheid voor medewerkers en op doelmatige besteding van publieke middelen?
De betaalbaarheid is reeds onderdeel van de beoordeling bij aanbestedingen in de categorie eten en drinken. Een nog explicietere sturing op betaalbaarheid voor medewerkers is niet noodzakelijk. Doelmatige besteding van publieke middelen wordt integraal meegenomen bij alle aanbestedingen van politie.
Heeft u voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal overleg gevoerd met burgemeesters en/of de lokale driehoeken over de reële kans op ongeregeldheden en geweldplegingen? Zo ja, welke concrete risico’s zijn daarbij benoemd en welke maatregelen zijn afgesproken om de openbare orde te waarborgen?1
Nee, de maatregelen die worden getroffen voor de handhaving van de openbare orde zijn aan het lokaal gezag in de gemeente. De afweging welke maatregelen op welk moment verstandig zijn dienen in de lokale driehoek gemaakt te worden.
Is er op landelijk niveau een risicobeeld opgesteld voor deze wedstrijd, mede op basis van eerdere ervaringen met rellen na wedstrijden van Marokko? Kunt u uiteenzetten welke dreigingen daarin zijn meegenomen?
De lokale driehoek maakt op basis van de beschikbare informatie een risico-inschatting betreffende de mogelijkheid op openbare orde verstoringen.
Wordt er actief gemonitord op sociale media en berichtenapps op oproepen tot rellen, geweld of verstoring van de openbare orde in relatie tot deze wedstrijd? Zo ja, hoe worden deze signalen in de praktijk benut?
De politie heeft mogelijkheden om zowel fysiek als online, binnen de kaders van artikel 3 van de Politiewet, voorafgaand of tijdens een evenement informatie te verzamelen om een risico-inschatting te maken of, waar en wanneer er een mogelijke openbare orde verstoring kan plaatsvinden. Op basis van het informatiebeeld wordt het lokaal gezag geïnformeerd en wordt in de lokale driehoek bepaald welke inzet en maatregelen nodig zijn.
Is de beschikbare politiecapaciteit rondom de wedstrijd Marokko-Senegal voldoende om bij eventuele grootschalige ongeregeldheden snel en hard op te treden? Hoeveel extra agenten zijn landelijk extra stand-by gezet voor deze avond?
Ja, er is voldoende politiecapaciteit om, ook in het geval van eventuele grote ongeregeldheden, op te treden. De politie bepaalt lokaal op basis van het informatiebeeld rondom onder andere voetbalwedstrijden, wat de benodigde inzet is om in te kunnen spelen op diverse scenario’s die zich zouden kunnen voordoen. De politie heeft mij geïnformeerd dat daar waar nodig in de preparatie was opgeschaald. Voor deze voetbalwedstrijd was de inzet toereikend.
Is er voldoende arrestanten- en celcapaciteit beschikbaar om bij escalatie massaal te kunnen aanhouden en vasthouden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb van de politie vernomen dat het algehele beeld in het land rustig was. Op twee locaties hebben ongeregeldheden plaatsgevonden: in Amsterdam en Den Haag. Er zijn in totaal zeventien aanhoudingen verricht (negen in Amsterdam en acht in Den Haag) naar aanleiding van onder andere het afsteken van vuurwerk en belediging. Beschikbare capaciteit van politiecellen om arrestanten vast te zetten speelde geen rol bij de keuze om over te gaan tot aanhoudingen.
Kunt u aangeven wat het Openbaar Ministerie (OM), als er sprake is van grootschalige escalatie, doet met vervolgingen? Kunt u garanderen dat dit adequaat en naar behoren wordt opgepakt? Kunt u hier dan ook een terugkoppeling van geven?
De keuzes betreffende vervolging worden gemaakt door het Openbaar Ministerie, ook in het geval van grootschalige escalatie. Bij de vervolgingsbeslissing houdt de officier van justitie er onder meer rekening mee of het feit bewezen kan worden en vervolging opportuun is.
Welke specifieke preventieve en repressieve maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het voor of na de wedstrijd opnieuw uit de hand loopt, zoals bij eerdere gelegenheden? Betreft dit onder meer gebiedsverboden, noodbevelen, inzet van Mobile Eenheid, cameratoezicht, fouilleeracties en het afsluiten van stadscentra?
De gemeenten Den Haag en Amsterdam hebben mij geïnformeerd dat ter voorbereiding op de voetbalwedstrijd Marokko-Senegal een aantal preventieve maatregelen zijn getroffen. Dit is in nauwe samenwerking geweest met maatschappelijke partners, ondernemers en bewoners. Op basis van de risico-inschatting zijn extra tijdelijke «openbare orde camera’s» en aanvullende verlichting geplaatst op aangewezen locaties. Ook is de politie-inzet tijdelijk opgeschaald. Ter ondersteuning van de openbare orde is in Den Haag door de politie een verkeerscirculatieplan opgesteld, dat is uitgevoerd met de inzet van verkeersregelaars. Tevens zijn er tijdens de wedstrijd extra buurthuizen opengesteld om bewoners een alternatief te bieden om gezamenlijk de voetbalwedstrijd te kijken en de druk op de openbare ruimte te verminderen. Na afloop van de wedstrijd zijn er in beide gemeenten buurtvrijwilligers herkenbaar de straat op gegaan om medebewoners aan te spreken op eventueel onwenselijk gedrag en de-escalerend te handelen waar nodig.
Kunt u in het geval van ongeregeldheden de Kamer volledig te informeren over het aantal incidenten, aanhoudingen, geweldsdelicten en de schade aan openbare eigendommen?
De politie heeft mij geïnformeerd dat één vuilcontainer in brand is gestoken in Amsterdam. Hier is ook iemand voor aangehouden. Zie verder ook het antwoord bij vraag 5.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal beantwoorden, zodat duidelijk is of Nederland daadwerkelijk voorbereid is op mogelijke ordeverstoringen?
De beantwoording in de verzochte termijn is helaas niet gelukt.