| Ingediend | 3 augustus 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 14 september 2026 (na 42 dagen) |
| Indieners | Raymond de Roon (PVV), Martin Bosma (PVV), Annette Raijer (PVV) |
| Beantwoord door | Berendsen , Letschert |
| Onderwerpen | recht staatsrecht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16641.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-3048.html |
Ja, ik ben bekend met dit besluit. Het annuleren van de finale van de debatwedstrijd is gedaan door TivoliVredenburg. UCU en UU hebben hun steun aan de wedstrijd ingetrokken. TivoliVredenburg heeft een grote vrijheid in het bepalen van wat zij programmeren en met wie zij samenwerken. Bij die vrijheid hoort een grote verantwoordelijkheid. Universiteiten hebben de institutionele autonomie om te bepalen welke samenwerkingen zij op instellingsniveau aangaan. De uitgangspunten voor samenwerking die zijn meegegeven in de brief over de stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza van 31 mei 2024 blijven voor mij belangrijk.2
Net als vele anderen, hecht ik grote waarde aan een pluriforme sector waarin ruimte is voor verschillende geluiden en het debat in alle scherpte kan worden gevoerd. Culturele en academische internationale samenwerking draagt daar in belangrijke mate aan bij.
Tegelijk hebben instellingen een grote vrijheid en daarmee ook een belangrijke verantwoordelijkheid in het bepalen wat zij programmeren en met wie zij samenwerken. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Dat instellingen zorgvuldig naar hun programmering kijken, zeker in het licht van het aanhoudende conflict in het Midden-Oosten, hoort bij het nemen van hun verantwoordelijkheid. Besturen dienen transparant te zijn over de afwegingen die zij maken. Ik vind het in dat verband goed dat TivoliVredenburg publiekelijk heeft toegelicht hoe zij tot hun besluit zijn gekomen.
De overheid moet afstand houden van de afwegingen die instellingen maken. Juist die terughoudendheid is van belang om de fundamentele vrijheden van onze democratie te beschermen.
Zie het antwoord op vragen 1 en 2.
Ja. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 hebben instellingen een grote vrijheid in het bepalen wat zij programmeren en met welke internationale partners zij samenwerken. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving.
Het is niet aan mij als Minister om in te grijpen in de individuele keuzes van academische en culturele instellingen.
Het is aan instellingen om autonoom te handelen binnen de marges van de geldende wettelijke kaders en internationale afspraken. Daarnaast vertrouw ik erop dat bij het vormgeven van hun internationale beleid instellingen zorgvuldig handelen en de uitgangspunten die vanuit OCW zijn meegegeven (in de brief over de stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza, aan uw kamer van 31 mei 2024) meenemen. Ik zie geen aanleiding om universiteiten aan te spreken op hun beleid of hen financiële consequenties op te leggen.
Op 3 augustus 2026 hebben de leden Boomsma en Nanninga (beide JA21) schriftelijke vragen gesteld over het bericht «discriminatie door debatcentrum TivoliVredenburg door het cancelen van de EK debatteren voor studenten vanwege de deelname van Israëlische studenten» (2026Z16639). Ook op 3 augustus 2026 hebben de leden Raijer, Bosma en De Roon (allen PVV) schriftelijke vragen gesteld over het bericht «TivoliVredenburg annuleert finale debattoernooi vanwege deelname Israëlische universiteiten» (2026Z16641). Tot mijn spijt kunnen de vragen met het oog op een zorgvuldige en volledige beantwoording niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. Ik zal de vragen binnen de daarvoor geldende termijn van 6 weken beantwoorden.